ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 332

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
14 december 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/2115 van de Commissie van 27 juli 2017 betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunregeling nr. SA.38393 (2016/C, ex 2015/E) — Belastingregeling havens in België (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 5174)  ( 1 )

1

 

*

Besluit (EU) 2017/2116 van de Commissie van 27 juli 2017 betreffende steunmaatregel nr. SA.38398 (2016/C, ex 2015/E) ten uitvoer gelegd door Frankrijk — Belastingregime Franse havens (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 5176)  ( 1 )

24

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

BESLUITEN

14.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/1


BESLUIT (EU) 2017/2115 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2017

betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunregeling nr. SA.38393 (2016/C, ex 2015/E) — Belastingregeling havens in België

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 5174)

(Slechts de teksten in de Franse en de Nederlandse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen (1) te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   VRAGENLIJST OVER HET FUNCTIONEREN EN DE BELASTINGREGELING VAN DE HAVENS EN SAMENWERKINGSPROCEDURE

(1)

Op 3 juli 2013 hebben de diensten van de Commissie aan alle lidstaten een vragenlijst over het functioneren en de belastingregeling van hun havens toegezonden om een volledig beeld te krijgen en de situatie van de havens te verduidelijken in het licht van de regels van de Europese Unie inzake staatssteun zoals vervat in artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „VWEU” genoemd). De Belgische autoriteiten hebben geantwoord bij brieven van 30 september en 9 oktober 2013. Bij brief van 20 januari 2014 heeft de Commissie aanvullende inlichtingen gevraagd over de op de havens toepasselijke belastingregeling. De Belgische autoriteiten hebben geantwoord bij brief van 13 maart 2014, en de haven van Brussel heeft haar opmerkingen toegezonden bij een brief die op 18 maart 2014 is ontvangen.

(2)

Bij brief van 9 juli 2014 heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad (2) (hierna „de procedureverordening” genoemd), België in kennis gesteld van haar voorlopige beoordeling, namelijk dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor bepaalde Belgische havens (hierna „de Belgische havens” genoemd) staatssteun vormt die onverenigbaar is met de interne markt en dat die steun bestaande steun in de zin van artikel 1, onder b), van genoemde verordening betreft. Op 23 september 2014 is een bijeenkomst met de Belgische autoriteiten gehouden. Het Waalse Gewest en de haven van Brussel hebben elk hun opmerkingen ingediend bij brieven van 30 september 2014. Het Vlaamse Gewest heeft zijn opmerkingen doen toekomen bij brief van 1 oktober 2014. Bij brief van 1 juni 2015 heeft de Commissie de Belgische autoriteiten laten weten dat zij nota had genomen van alle door hen aangevoerde argumenten en dat zij nog steeds vanoordeel was dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor een aantal havens met de interne markt onverenigbare steun vormde indien en voor zover die havens economische activiteiten uitoefenen. Tegen die brief is op 3 augustus 2015 beroep ingesteld (3), dat niet-ontvankelijk is verklaard bij een beschikking van het Gerecht van 9 maart 2016 (4).

1.2.   VOORSTEL VOOR DIENSTIGE MAATREGELEN VAN DE COMMISSIE EN ANTWOORD VAN DE BELGISCHE AUTORITEITEN

(3)

Bij brief van 21 januari 2016 heeft de Commissie haar standpunt herhaald dat de aan de havens verleende vrijstelling van de vennootschapsbelasting een met het Verdrag onverenigbare steunregeling vormde en heeft zij de Belgische autoriteiten overeenkomstig artikel 108, lid 1, VWEU en artikel 22 van de procedureverordening voorgesteld om, bij wijze van dienstige maatregel, de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor de Belgische havens af te schaffen voor zover die economische activiteiten uitoefenen. De Belgische autoriteiten werd verzocht de wetgeving aan te passen binnen een termijn van 10 maanden te rekenen vanaf de datum van het besluit, waarbij die wijziging uiterlijk moest worden toegepast op de inkomsten die vanaf het begin van het belastingjaar 2017 door economische activiteiten werden gegenereerd. De Belgische autoriteiten werd verzocht de Commissie schriftelijk mee te delen dat zij die dienstige maatregelen onvoorwaardelijk, ondubbelzinnig en in hun geheel aanvaardden overeenkomstig artikel 23, lid 1, van de procedureverordening, en dit binnen 2 maanden te rekenen vanaf de datum van ontvangst van dat besluit. Tegen dat voorstel voor dienstige maatregelen is op 18 maart 2016 beroep ingesteld (5), dat niet-ontvankelijk is verklaard bij een beschikking van het Gerecht van 27 oktober 2016 (6).

(4)

Bij brief van 21 maart 2016 hebben de Belgische autoriteiten de Commissie opmerkingen over de voorgestelde dienstige maatregelen toegezonden.

1.3.   INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

(5)

Bij brief van 8 juli 2016 heeft de Commissie besloten de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden op grond van artikel 23, lid 2, van de procedureverordening.

(6)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (7). De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de betrokken maatregel te maken. Op 24 augustus 2016 is een bijeenkomst gehouden met de vertegenwoordigers van bepaalde onder de maatregel vallende Belgische havens.

(7)

De Belgische autoriteiten hebben hun opmerkingen ingediend bij brieven van 9 september 2016 (federale minister van Financiën) en 16 september 2016 (Waals Gewest en Waalse havens).

(8)

De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van de volgende belanghebbenden: Sea Invest, gebruiker van de haven van Antwerpen, Gent en Zeebrugge (14 september 2016), de haven van Rotterdam, namens de vijf Nederlandse publieke zeehavens (16 september 2016), de haven van Brussel (16 september 2016), de Vlaamse Havencommissie (19 september 2016) en, na een verlenging van de termijn voor de indiening van opmerkingen, de havens van Antwerpen en Zeebrugge (4 oktober 2016).

(9)

De Commissie heeft die opmerkingen voor een mogelijke reactie doorgezonden aan de Belgische autoriteiten, die bij brief van 14 november 2016 hebben gereageerd. Op 19 december 2016 is een bijeenkomst georganiseerd tussen de Belgische autoriteiten en de Commissie, naar aanleiding waarvan aanvullende opmerkingen aan de Commissie zijn toegezonden. Op 10 januari 2017 is nog een bijeenkomst georganiseerd tussen de Belgische federale en gewestelijke autoriteiten, een aantal begunstigden van de maatregel en de Commissie.

2.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL EN ACHTERGROND

2.1.   EIGENDOM EN BEHEER VAN DE HAVENS IN BELGIË

(10)

In België behoren haventerreinen tot het publieke domein. In de jaren 1990 is de exploitatie van de belangrijkste Belgische havens overgedragen aan gedecentraliseerde entiteiten. Sommige havens, zoals de havens van Gent, Oostende en Antwerpen, worden door gemeentelijke autonome havenbedrijven geëxploiteerd, andere, zoals de autonome haven „du Centre et de l'Ouest” en de autonome havens van Luik, Charleroi en Namen, worden geëxploiteerd door publiekrechtelijke rechtspersonen of, zoals in het geval van de haven van Zeebrugge, door een naamloze vennootschap van publiek recht.

(11)

De havens worden geëxploiteerd door publieke entiteiten, de havenautoriteiten.

2.2.   VOOR DE HAVENS GELDENDE REGELS BETREFFENDE DE INKOMSTENBELASTING

(12)

Overeenkomstig artikel 1 van het Wetboek van de inkomstenbelastingen, gecoördineerd in 1992 (8) (hierna „WIB” genoemd), wordt een belasting geheven op het inkomen van ingezeten „vennootschappen”, vennootschapsbelasting geheten (9). Op inkomsten van andere ingezeten rechtspersonen dan „vennootschappen” daarentegen wordt als inkomstenbelasting een zogeheten rechtspersonenbelasting geheven (10). In artikel 2 WIB wordt „vennootschap” gedefinieerd als „enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die, regelmatig is opgericht, rechtspersoonlijkheid bezit en een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard”.

(13)

In artikel 180, lid 2, WIB is bepaald dat een aantal Belgische havens niet onderworpen is aan de vennootschapsbelasting (11). In artikel 220, lid 2, WIB is bepaald dat de rechtspersonen die ingevolge artikel 180 WIB niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen (12). De rechtspersonenbelasting gaat niet over het totaalbedrag van de inkomsten of de winst, maar alleen over bepaalde soorten inkomsten. Overeenkomstig artikel 221 WIB zijn de aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen uitsluitend belastbaar ter zake van het kadastraal inkomen van hun in België gelegen onroerende goederen en inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen (13). Bovendien zijn de tarieven voor de verschillende soorten inkomsten die zijn onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, doorgaans gelijk aan de onroerende voorheffing of de roerende voorheffing (14) en liggen ze meestal lager dan de tarieven voor de vennootschapsbelasting (33,99 %).

3.   REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

(14)

In haar brief van 8 juli 2016 stelde de Commissie dat de Belgische autoriteiten het in haar brief van 21 januari 2016 opgegeven tijdschema voor de tenuitvoerlegging van de dienstige maatregelen niet hadden aanvaard en dat de Belgische regering het beginsel van de vennootschapsbelasting voor havens op zich niet duidelijk leek te aanvaarden en er zich evenmin leek toe te verbinden de belastingvrijstelling voor de Belgische havens af te schaffen. De Commissie leidde hieruit af dat de Belgische autoriteiten de door de Commissie op 21 januari 2016 voorgestelde dienstige maatregelen niet onvoorwaardelijk, ondubbelzinnig en in hun geheel hadden aanvaard.

(15)

Aangezien de Commissie nog steeds van oordeel was dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting ten gunste van de Belgische havens, wanneer die economische activiteiten uitoefenen, een bestaande staatssteunregeling vormde en zij twijfels had omtrent de verenigbaarheid van deze steunregeling met de interne markt, heeft zij besloten de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden op grond van artikel 23, lid 2, van de procedureverordening.

4.   OPMERKINGEN ONTVANGEN NA DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

4.1.   ONDERNEMINGEN/ECONOMISCHE ACTIVITEITEN

(16)

De Belgische havens en de Belgische autoriteiten zijn van oordeel dat de havens geen „ondernemingen” zijn in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU omdat hun taken, met name het administratieve beheer van het publieke en private domein, niet economisch van aard zijn. Zij benadrukken dat dit taken van algemeen belang zijn en hun worden opgelegd of gedelegeerd door de overheden, die vrij zijn om het referentiekader van de diensten van algemeen niet-economisch belang te bepalen. Zij merken op dat de havenautoriteiten beschikken over bijzondere bevoegdheden om die taken uit te oefenen, onder toezicht staan van de overheden en niet tot doel hebben winst te maken, aangezien de overschotten worden geherinvesteerd in haveninfrastructuur en, in het geval van sommige havens, worden betaald aan de gemeente die er aandeelhouder van is.

(17)

De havens van Antwerpen en Zeebrugge en de Belgische autoriteiten zijn van oordeel dat de jurisprudentie van het Hof van Justitie op het gebied van luchthavens (zaak C-82/01, Aéroports de Paris (15)) niet van toepassing is op havens, aangezien het een andere infrastructuur betreft. Zij geven met name aan dat het monopolie van de havens voortvloeit uit een administratieve decentralisering ten gunste van een publiekrechtelijke entiteit die niet tot doel heeft winst te maken, terwijl het beheer van de luchthavens wordt toegewezen aan particulieren in het kader van de exclusieve concessie van een economische activiteit met overdracht van het operationele risico van economische aard. Daarnaast geven zij aan dat het geschil dat door het Hof van Justitie is onderzocht in de zaak Aéroports de Paris geen betrekking had op de levering van „infrastructuurdiensten”, zodat de analogie met de terbeschikkingstelling van het havengebied door de Belgische havenautoriteiten niet opgaat.

(18)

De meeste belanghebbenden en de Belgische autoriteiten betwisten de economische aard van de door de Commissie in het inleidingsbesluit vermelde activiteiten, namelijk de terbeschikkingstelling van de haveninfrastructuur voor schepen en de verhuur van gronden en infrastructuur aan ondernemingen, en preciseren daarbij dat de tarieven voor de verhuur van gronden, de concessie van infrastructuur en de toegang tot de haveninfrastructuur (havengelden) openbaar en niet-discriminerend zijn, vooraf unilateraal door de havenautoriteiten worden vastgesteld en niet worden bepaald door het spel van vraag en aanbod. Zij verwijzen in het bijzonder naar een arrest van het Belgische Grondwettelijk Hof van 19 november 2015 (16) en stellen dat de havengelden vergoedingen door derden zijn „met een louter vergoedend karakter” voor de diensten van de havenautoriteiten. Zij verwijzen eveneens naar het Vlaams Decreet van 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens (17) (hierna het „Vlaams havendecreet van 2 maart 1999” genoemd), waarin is bepaald dat de havengelden worden vastgesteld in „redelijke verhouding” tot de waarde van de tegenprestaties. Zij geven voorts aan dat de concessievergoedingen proportioneel lager liggen voor gronden die een hogere toegevoegde waarde opleveren, gebaseerd zijn op objectieve parameters (die betrekking hebben op de betrokken gronden) en een afspiegeling zijn van de door de geleverde prestatie gegenereerde intrinsieke waarde. Ook het Waalse Gewest en de Waalse havens vinden dat de betaling van vergoedingen voor het gebruik van infrastructuur niet noodzakelijk een indicator is van de economische aard van de havenactiviteiten: het feit dat die vergoedingen de wedersamenstelling van het geïnvesteerde kapitaal niet dekken, wijst er namelijk op dat de havenactiviteiten een dienst van algemeen belang zijn.

(19)

Volgens hen worden de belangrijkste economische activiteiten in de havens uitgeoefend door de concessiehouders, die zorgen voor de behandeling van de goederen (laden en lossen), en hebben de havenautoriteiten niets te maken met de handelsovereenkomsten tussen de concessiehouders en de reders. De havens worden dus niet commercieel geëxploiteerd door de havenautoriteiten, maar door ondernemingen die de infrastructuur in concessie krijgen waarop ze zelf de voor de goederenbehandelingsdiensten benodigde superstructuren (hijskranen, loodsen) moeten aanbrengen.

(20)

Zij voegen hieraan toe dat de havenautoriteiten steeds meer niet-economische activiteiten moeten financieren die onder de bevoegdheden van de gewesten vallen, zelfs activiteiten die geen verband houden met de havenexploitatie (18). Zij verwijzen naar meerdere besluiten van de Commissie en arresten van het Hof van Justitie waarin volgens hen is vastgesteld dat noch de terbeschikkingstelling van infrastructuur die op een billijke en niet-discriminerende basis toegankelijk is voor alle potentiële gebruikers, noch het beheer en de exploitatie van gronden van een publiekrechtelijk collectief lichaam met het oog op de ontwikkeling van industriële en commerciële activiteiten voor de particuliere sector economische activiteiten vormen.

(21)

Tot slot zijn zij van mening dat de economische activiteiten van de havens zoals hijsactiviteiten (hijskraandiensten) en sleepactiviteiten van louter bijkomstige aard zijn.

4.2.   UIT STAATSMIDDELEN TOEGEKEND ECONOMISCH VOORDEEL

(22)

De Vlaamse Havencommissie is van mening dat, aangezien de havenautoriteiten steeds meer niet-economische infrastructuur moeten financieren die onder de bevoegdheid van de gewesten valt, de vrijstelling van de vennootschapsbelasting geen voordeel vormt.

(23)

De haven van Rotterdam geeft aan dat de havens van Antwerpen, Zeebrugge en Gent een effectieve belastingdruk van minder dan 1 % van de boekhoudkundige winst hebben.

(24)

De Belgische autoriteiten voeren aan dat de voorwaarde dat het voordeel uit staatsmiddelen moet zijn bekostigd, niet is vervuld, aangezien de havens de rechtspersonenbelasting betalen.

4.3.   SELECTIVITEIT

(25)

De meeste belanghebbenden en de Belgische autoriteiten zijn van oordeel dat het referentiestelsel inzake de belasting van rechtspersonen niet de vennootschapsbelasting is (zoals wordt gesteld in het inleidingsbesluit), maar artikel 1 WIB, dat voor ingezeten rechtspersonen twee parallelle belastingstelsels vaststelt (vennootschapsbelasting en rechtspersonenbelasting), waarbij de keuze afhangt van de criteria vermeld in artikel 2 WIB (activiteit van de rechtspersoon die al dan niet bestaat in de „exploitatie” van een onderneming of „verrichtingen van winstgevende aard”). Zij voegen hieraan toe dat artikel 180 WIB, waarin is bepaald dat havens niet zijn onderworpen aan de vennootschapsbelasting, slechts een precisering en toepassing is van artikel 1 WIB. Een aantal belanghebbenden en de Belgische autoriteiten zijn ook van oordeel dat de rechtspersonenbelasting het referentiestelsel is voor havens die geen „vennootschappen” zijn in de zin van artikel 2 WIB, aangezien artikel 180, lid 2, WIB niet afwijkt van de algemene belastingregels voor rechtspersonen, maar slechts een toepassing is van die algemene regels. Volgens hen zouden de havens dus, zelfs als artikel 180, lid 2, werd geschrapt, niet noodzakelijk onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, aangezien de administratie hun situatie individueel zou moeten toetsen aan de algemene criteria van de artikelen 1 en 2 WIB. Aangezien havens geen „vennootschappen” in de zin van artikel 2 WIB zijn, zouden ze niet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting.

(26)

Het Waalse Gewest en de Waalse havens voegen hieraan toe dat deze dualiteit (het bestaan van twee stelsels voor de inkomstenbelasting, namelijk de vennootschapsbelasting en de rechtspersonenbelasting) van essentieel belang is, inherent is aan het stelsel van de inkomstenbelasting en voortvloeit uit de Belgische grondwet. De wetgever zou op grond van de Belgische grondwet overigens niet verplicht zijn bepaalde activiteiten aan de belasting te onderwerpen en voor de zuivere overheidsdiensten (de Staat, de gemeenschappen, gewesten, provincies en gemeenten) [zie voetnoot 75, waarin minder entiteiten worden genoemd] zouden de goederen van het openbare domein of het privédomein die aan een overheidsdienst worden toegewezen, ingevolge een algemeen rechtsbeginsel zijn vrijgesteld van belastingen. De Belgische autoriteiten geven ook aan dat openbare diensten, taken en goederen volgens de jurisprudentie van de nationale rechtbanken niet worden belast als dit niet uitdrukkelijk in de wet is bepaald.

(27)

Voor de havenautoriteiten van Antwerpen en Zeebrugge en de Belgische autoriteiten zijn entiteiten die, zoals havens, hun winst niet uitkeren maar herinvesteren, of die een doel nastreven dat verder gaat dan hun eigen belang, onderworpen aan de rechtspersonenbelasting, wat strookt met de logica van het stelsel.

(28)

Zij voeren eveneens aan dat zij zich in een andere situatie bevinden dan de andere bedrijven die aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. De havenautoriteiten maken ondanks een zekere autonomie en het mogelijke bestaan van economische activiteiten deel uit van de overheid en oefenen taken van algemeen belang uit, zonder winstoogmerk, wat volgt uit hun statuten. Zij maken geen gebruik van industriële en commerciële methoden en hun aandelen worden niet gekenmerkt door een rendement op investering op korte termijn. De concessievergoedingen en havengelden dekken niet altijd de kosten die zij dragen. Zij oefenen overheidstaken uit waarvan de nettokosten niet aftrekbaar zouden zijn van de heffingsgrondslag voor vennootschappen op grond van artikel 49 van het WIB, wat, ingeval zij onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, zou leiden tot discriminatie ten opzichte van de andere bedrijven en tot een vermindering van de investeringscapaciteiten van de havens.

(29)

De Belgische autoriteiten geven aan dat het Belgische Grondwettelijk Hof in een arrest van 1 december 2016 (nr. 151/2016) (19) de keuze van de wetgever om de havens vrij te stellen van de vennootschapsbelasting heeft bevestigd.

4.4.   VERSTORING VAN DE MEDEDINGING EN ONGUNSTIGE BEÏNVLOEDING VAN HET HANDELSVERKEER

(30)

De Vlaamse Havencommissie voert aan dat de genoemde activiteiten van de havens in andere lidstaten, en met name in Nederland, door de overheid worden gefinancierd, zodat de concurrentievoorwaarden niet worden scheefgetrokken.

(31)

De havenautoriteiten van Antwerpen en Zeebrugge, onder verwijzing naar artikel 188 van de mededeling van de Commissie betreffende het begrip „staatssteun” (20) (hierna „de mededeling van 19 juli 2016” genoemd), voeren aan dat elke haven over een wettelijk monopolie in zijn havengebied beschikt, en dat dit monopolie niet alleen „concurrentie óp de markt uitsluit, maar ook concurrentie óm die markt” . Zij concluderen hieruit dat de maatregel niet leidt tot een verstoring van de mededinging. Zij verwijzen ook naar een advies van de Nederlandse mededingingsautoriteit (21) volgens hetwelk de haven van Rotterdam niet concurreert met de havenexploitanten van andere havens omdat de havengelden uiterst gering zijn ten opzichte van de vervoerskosten van de reders, zodat een verhoging of verlaging van die tarieven geen gevolgen zou hebben voor het havenverkeer.

(32)

Zij geven aan dat, volgens de mededeling van 19 juli 2016, in een netwerkinfrastructuur de verschillende onderdelen van het netwerk elkaar aanvullen in plaats van met elkaar te concurreren (punt 211 en voetnoot nr. 311), zodat vervalsing van de mededinging uitgesloten is. Zij merken op dat de Commissie dit beginsel in die mededeling toepast op de aanleg van spoorweginfrastructuur (punt 219) en de aanleg van weginfrastructuur, met inbegrip van tolwegen (punt 220), maar vinden dat het ook van toepassing is op havens.

(33)

Het Waalse Gewest en de Waalse havens merken met name op dat de binnenhavens die zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting niet concurreren met andere particuliere binnenhavens die dezelfde infrastructuur ter beschikking zouden stellen van het publiek. De federale autoriteiten voegen hieraan toe dat binnenhavens, die klein zijn, complementair zijn met de andere havens en slechts concurreren met het wegvervoer.

(34)

De haven van Rotterdam geeft aan dat de Nederlandse publieke havens met name concurreren met de havens van Antwerpen, Zeebrugge en Gent.

4.5.   VERENIGBAARHEID

(35)

Volgens het Waalse Gewest en de Waalse havens is artikel 106, lid 2, VWEU een passende grondslag voor de verenigbaarheid van de maatregel: de havens hebben een duidelijk wettelijk mandaat en vervullen ontegensprekelijk alle voorwaarden van dat artikel. Zij benadrukken dat de verenigbaarheid op grond van artikel 93 VWEU, waarin niet als toepassingsvoorwaarde is opgenomen dat het handelsverkeer niet mag worden beïnvloed, uitgebreid moet worden onderzocht.

(36)

De havenautoriteiten van Antwerpen en Zeebrugge vinden dat de Commissie haar antwoord op de naar voren gebrachte argumenten ten aanzien van de verenigbaarheid van de maatregel onvoldoende heeft beargumenteerd. Zij voegen hieraan toe dat artikel 93 VWEU zou kunnen worden gebruikt als grondslag voor de verenigbaarheid van de maatregel, aangezien de havens infrastructuur financieren die een bijdrage levert aan de Trans-Europese vervoersnetwerken.

4.6.   NOODZAAK VAN EEN OVERGANGSPERIODE

(37)

De Belgische autoriteiten verzoeken de Commissie om een overgangsperiode voor de vennootschapsbelastingplicht voor havens. Zij benadrukken dat de termijn die is vastgesteld in het inleidingsbesluit van 8 juli 2016 (vennootschapsbelastingplicht voor havens per 1 januari 2017) te kort is, met name ten opzichte van de termijn die aan Nederland in het kader van zaak SA.25338 is verleend. Zij wijzen erop dat de afschaffing van artikel 180, lid 2, WIB een wetgevingsprocedure impliceert die volgens hen „in de regel minstens drie tot zes maanden” duurt. Volgens hen moeten in de wet veel complexere wijzigingen worden aangebracht dan een loutere afschaffing van artikel 180, lid 2, WIB, aangezien i) die afschaffing niet noodzakelijk tot gevolg zou hebben dat de havens worden onderworpen aan de vennootschapsbelasting, ii) bij de opstelling van een nieuw belastingstelsel voor de havens rekening moet worden gehouden met het grondwettelijke gelijkheidsbeginsel en iii) de overgang van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting voor rechtspersonen niet uitdrukkelijk is geregeld in het Belgische fiscale recht. Zij voegen hieraan toe dat de Commissie, bij de beëindiging van een bestaande beweerde steunregeling, rekening moet houden met het rechtmatige belang van een lidstaat om de begunstigden rechtszekerheid te garanderen.

(38)

De haven van Rotterdam verzoekt de Commissie de heffing van de vennootschapsbelasting bij Nederlandse havens uit te stellen tot een sectoronderzoek is verricht en alle zeehavens van de Hamburg-Le Havre Range tegelijkertijd aan de belasting te onderwerpen of op zijn minst de Belgische en Franse havens snel en tegelijkertijd aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen.

5.   BEOORDELING VAN DE MAATREGELEN

5.1.   DE VRAAG OF ER SPRAKE IS VAN STAATSSTEUN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 107, LID 1, VWEU

(39)

Volgens artikel 107, lid 1, VWEU zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

5.1.1.   ONDERNEMINGEN/ECONOMISCHE ACTIVITEITEN

5.1.1.1.    Algemeen

(40)

Volgens het Hof van Justitie wordt onder economische activiteit verstaan „iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt”  (22). Voorts „omvat het begrip onderneming elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd”  (23).

(41)

Bovendien heeft de Commissie overeenkomstig de rechtspraak met betrekking tot het economische karakter van de exploitatie van infrastructuur (24) in een reeks besluiten bepaald dat de commerciële exploitatie en de bouw van haveninfrastructuur economische activiteiten vormen (25). Zo vormt bijvoorbeeld de commerciële exploitatie van een haventerminal die tegen betaling van een vergoeding ter beschikking wordt gesteld van gebruikers een economische activiteit (26). Op dezelfde wijze heeft het Hof van Justitie reeds impliciet maar zeker het economisch karakter erkend van bepaalde havenactiviteiten, met name „het laden, lossen, overslaan en het verplaatsen in het algemeen van goederen en al het andere materieel in de haven”. (27) De Commissie past die regels niet alleen toe op zeehavens maar ook op binnenhavens (28).

(42)

In dit verband is de Commissie anders dan de Belgische autoriteiten en bepaalde belanghebbenden van oordeel dat de rechtspraak van het Hof met betrekking tot luchthavens moet worden toegepast op havens, die gewoonweg een ander soort infrastructuur vormen. De verschillen tussen havens en luchthavens waarop een aantal belanghebbenden heeft gewezen – met name de verschillen in rechtsvorm of het feit dat de havens publiekrechtelijke entiteiten zijn die geen winst nastreven – zijn niet relevant uit het oogpunt van het algemene criterium betreffende het aanbod van een goed of een dienst op een markt, waarop de rechtspraak van het Hof is gebaseerd. Evenzo constateert de Commissie dat het Hof, in punt 90 van het arrest Aéroports de Paris, erop wijst dat „het Gerecht juist heeft vastgesteld, dat de betrokken commerciële vergoedingen de tegenprestatie vormden voor de diensten met betrekking tot het beheer van de luchthaveninstallaties” en dat het onjuist is te beweren dat die zaak geen betrekking had op het verstrekken van infrastructuurdiensten, zoals de Belgische autoriteiten en bepaalde belanghebbenden aanvoeren.

(43)

Om vast te stellen of de Belgische havens ondernemingen vormen, hoeft het economische dan wel niet-economische karakter van elk van hun activiteiten niet te worden nagegaan. Er hoeft alleen te worden vastgesteld dat de onder de betrokken maatregel vallende entiteiten daadwerkelijk één of meerdere economische activiteiten uitoefenen en dat zij voor de uitoefening daarvan beschouwd worden als een „onderneming”. Dienaangaande is het feit dat een entiteit één of meerdere soevereine of niet-economische activiteiten uitoefent, niet voldoende om haar in het algemeen de kwalificatie „onderneming” te ontnemen.

(44)

De Belgische havens kunnen meerdere soorten economische activiteiten uitoefenen die bestaan in het verstrekken van verschillende diensten op verschillende markten. Ten eerste bieden de havens hun gebruikers (in hoofdzaak reders, maar meer in het algemeen elke exploitant van een vaartuig) een algemene dienst aan door schepen toegang tot de haveninfrastructuur te geven in ruil voor een vergoeding die meestal „havengeld” (29) wordt genoemd. Ten tweede verstrekken sommige havens bijzondere diensten aan schepen, zoals loodsdiensten, hijsdiensten, afmeerdiensten, goederenafhandeling, eveneens in ruil voor een vergoeding (30). Ten derde stellen de havens tegen vergoeding bepaalde infrastructuren of terreinen ter beschikking van ondernemingen die deze ruimten gebruiken voor hun eigen behoeften of om schepen een aantal van de bovengenoemde bijzondere diensten aan te bieden.

(45)

Het feit dat derde ondernemingen bepaalde haventerreinen en -infrastructuur gebruiken om reders of schepen diensten aan te bieden, sluit niet uit dat de door de havenautoriteiten uitgeoefende beheersactiviteiten, met name het verhuren van die terreinen en infrastructuur aan die derde ondernemingen, eveneens van economische aard zijn.

(46)

De Commissie constateert eveneens dat het Belgische interne recht zelf aanwijzingen bevat over de industriële en/of commerciële aard van de havenactiviteiten (31). Met name volgt uit het officieel commentaar op het WIB noodzakelijkerwijs dat havens een „nijverheids-, handels- of landbouwonderneming exploiteren”  (32) of dat „zij een voortdurende beroepswerkzaamheid [uitoefenen], bestaande uit: […] verrichtingen van nijverheids-, handels- of landbouwkundige aard die zo vaak worden herhaald dat ze een „bezigheid” vormen [en] de aanwending van nijverheids- of handelsmethoden.”  (33) (34).

(47)

Voorts betwist de Commissie niet dat bepaalde activiteiten van de havens niet-economisch van aard kunnen zijn, met name een aantal diensten die door de havenkapiteins worden verricht zoals de controle en de veiligheid van het verkeer op zee (35) of milieu-inspectiediensten (36). In het onderhavige geval verschillen de activiteiten die door de Commissie als economisch worden beschouwd, echter van de in de vorige zin aangehaalde diensten.

(48)

De Commissie merkt eveneens op dat de nationale autoriteiten weliswaar beschikken over een „ruime discretionaire bevoegdheid […] om diensten van algemeen economisch belang te verrichten, te doen verrichten en te organiseren op een manier die zoveel mogelijk in overeenstemming is met de behoeften van de gebruikers”  (37), maar dat dit niet uitsluit dat deze activiteiten een economisch karakter hebben. Volgens vaste rechtspraak vloeit het begrip „economische activiteit” zelf voort uit feitelijke elementen, met name het bestaan van een markt voor de betrokken diensten (38) en is het niet afhankelijk is van nationale keuzen of beoordelingen. De Commissie kan bepaalde activiteiten van de havens dus terecht kwalificeren als economisch, zelfs indien de nationale autoriteiten van oordeel zijn dat die activiteiten niet-economische diensten van algemeen belang vormen.

(49)

Tot slot doen de volgende beschouwingen als zodanig niet af aan de economische dan wel niet-economische aard van de uitgeoefende activiteiten:

Het feit dat de opdrachten van de havens van algemeen belang zouden zijn en hun door de overheid zouden zijn opgelegd of toevertrouwd: dat geldt immers voor alle diensten van algemeen economisch belang (hierna „DAEB” genoemd) die nochtans economische activiteiten vormen. Meer algemeen is „het feit dat een bepaalde dienst intern wordt verricht, niet relevant voor het economische karakter van de activiteit”  (39). Met het algemeen belang kan daarentegen rekening worden gehouden om in voorkomend geval de verenigbaarheid te beoordelen van een steunmaatregel die een staat aan een onderneming heeft verleend om haar economische activiteit te ondersteunen.

Het feit dat de havenautoriteiten over bijzondere bevoegdheden beschikken om deze taken uit te oefenen (40): dergelijke bijzondere bevoegdheden sluiten niet uit dat de havenautoriteiten een economische activiteit kunnen verrichten door goederen of diensten op een markt aan te bieden. In voorkomend geval kunnen die bevoegdheden een instrument vormen om de genoemde markt te regelen.

Het feit dat de havenautoriteiten steeds meer zelf zouden moeten zorgen voor de financiering van niet-economische activiteiten die onder de bevoegdheden van de gewesten vallen, of zelfs van activiteiten die geen verband houden met de exploitatie van de haven: een dergelijk kenmerk doet niets af aan de economische aard van de havenactiviteiten die erin bestaan goederen of diensten aan te bieden op een markt. Het niet of onvolledig compenseren door de staat van kosten verbonden met niet-economische activiteiten die op de havens worden afgewenteld, vormt veeleer een bevestiging van, en is niet zozeer in tegenspraak met het standpunt dat de havens naast niet-economische activiteiten ook economische activiteiten verrichten. Het belastingvoordeel dat een haven haalt uit de betrokken regeling is evenredig met de winsten welke die haven boekt en houdt geen enkel verband met de (niet gecompenseerde) kosten van de niet-economische activiteiten die de staat eventueel op haar afwentelt. De Commissie kan er dus geen rekening mee houden bij de beoordeling van de regeling.

Als al is aangetoond (41) dat de havens geen winstoogmerk hebben en hun winsten systematisch herinvesteren, betekent het ontbreken van een winstoogmerk bij de persoon die een dienst verleent, volgens vaste rechtspraak niet dat die dienst van niet-economische aard is (42). Ook het systematisch herinvesteren van de winsten in de activiteiten is niet doorslaggevend om een economische activiteit te onderscheiden van een niet-economische activiteit. Elke onderneming kan er trouwens voor kiezen de winsten die zij heeft geboekt, geheel of gedeeltelijk uit te keren dan wel opnieuw te investeren.

5.1.1.2.    De gehanteerde tarieven

(50)

Voor de kwalificatie als „onderneming” maakt het evenmin verschil dat, zoals door de Belgische autoriteiten en bepaalde belanghebbenden wordt betoogd, de tarieven van de door de havenautoriteiten verrichte prestaties openbaar, niet-discriminerend en vooraf unilateraal door de havenautoriteiten zijn vastgesteld, zonder dat die rechtstreeks bepaald worden door het spel van vraag en aanbod (43).

(51)

De Commissie merkt om te beginnen op dat de kenmerken van de door de havens gehanteerde tarieven (openbaarheid, non-discriminatie, enz.) vergelijkbaar zijn met die welke voor DAEB worden gehanteerd (44), in welk geval er wel sprake is van economische diensten die aan de staatssteunregels zijn onderworpen. Voorts zijn de prijzen van economische activiteiten in de overgrote meerderheid van de gevallen openbaar, niet-discriminerend en vooraf en unilateraal door de dienstverrichter vastgesteld.

(52)

Hoewel de mate waarin uitgaven voor een activiteit gedekt worden met van de gebruikers gevraagde inkomsten, en omgekeerd de mate waarin uitgaven gedekt worden met belastingen (de belastingbetaler), soms een aanwijzing kan vormen voor het bestaan van een markt en een economische activiteit, is de wijze waarop de prijzen worden vastgesteld in dat opzicht als zodanig niet doorslaggevend.

(53)

Overigens wordt niet betwist dat de door de gebruikers en de cliënten van de havens betaalde prijzen (algemene en bijzondere havengelden, concessievergoedingen) op zijn minst het grootste gedeelte van de door de havenautoriteiten gedragen kosten dekken wanneer die autoriteiten hun diensten op de markt aanbieden (45).

(54)

Voorts vermelden het Waalse Gewest en de Waalse havens weliswaar dat de vergoedingen voor het gebruik van de infrastructuur de wedersamenstelling van het geïnvesteerde kapitaal niet dekken maar leveren zij geen enkel feitelijk bewijs tot staving van hun argument.

(55)

Dat argument wordt overigens aangehaald als bewijs dat de havenactiviteit een dienst van algemeen economisch belang vormt, hetgeen op zich niet relevant is om de economische of niet-economische aard van de havenactiviteiten vast te stellen. De Commissie merkt eveneens op dat de kosten voor de DAEB (die economische activiteiten zijn) per definitie over het algemeen niet helemaal door de bij de gebruikers geïnde inkomsten worden gedekt, zodat het bestaan van een financieringstekort niet noodzakelijk het bestaan van een economische activiteit in de zin van artikel 107 van het VWEU uitsluit.

(56)

Het enkele feit dat de prijzen door de havenautoriteiten worden vastgesteld, betekent trouwens niet dat geen rekening wordt gehouden met de vraag. De havenautoriteiten houden integendeel wel degelijk rekening met de marktomstandigheden (vraag en aanbod, met name de door concurrenten gehanteerde prijzen en de gedragspatronen in de vraag van gebruikers en cliënten) wanneer zij hun tarieven, en met name de havengelden (46), vaststellen. Wat de concessievergoedingen betreft, vermelden de havens van Antwerpen en Zeebrugge dat de tarieven worden vastgesteld op basis van objectieve parameters betreffende de aard van het terrein of de bedoelde activiteit en dat zij de geproduceerde „intrinsieke waarde” en „meerwaarde” weerspiegelen. Bijgevolg houden de tarieven wel degelijk verband met de kenmerken van de dienst die door de havens wordt verricht en met de kenmerken van ondernemingen of activiteiten die de haven wil aantrekken. In dat opzicht vormen de tarieven duidelijk een belangrijk instrument van het handelsbeleid dat de haven aanwendt om reders en verladers ertoe aan te zetten gebruik te maken van de haveninfrastructuur en om ondernemingen te stimuleren zich in de haven te vestigen voor de ontwikkeling van hun productie- of dienstverleningsactiviteiten.

(57)

Wanneer haveninfrastructuren en -terreinen tegen betaling van een vergoeding ter beschikking worden gesteld, gaat het bijgevolg wel degelijk om diensten die op een markt worden aangeboden en is dus sprake van economische activiteiten.

5.1.1.3.    Terbeschikkingstelling van haveninfrastructuur aan reders tegen vergoeding en verstrekking van specifieke diensten door havenautoriteiten aan reders tegen vergoeding

(58)

Met betrekking tot de diensten die door de havens tegen betaling van havengelden worden geboden (toegang tot de haveninfrastructuur in het algemeen en eventuele specifieke diensten), merkt de Commissie op dat de beslissing van het Belgisch Grondwettelijk Hof van 19 november 2015 (nr. 162/2015) volgens welke de havengelden niet meer dan een „vergoeding” vormen die een derde verleent voor het optreden van de havenautoriteiten, alsmede de vermelding in het Vlaams havendecreet van 2 maart 1999 dat de havengelden moeten worden vastgesteld „in redelijke verhouding” met de waarde van de tegenprestatie, bevestigen dat de havens diensten tegen vergoeding aanbieden op een markt. Doordat die vergoeding geacht wordt de waarde van de tegenprestatie op redelijke wijze te dekken, kan a priori worden uitgesloten dat de aan de havengebruikers verleende diensten hoofdzakelijk worden gefinancierd met belastingen en niet zozeer met een redelijke vergoeding die van die gebruikers wordt verkregen voor die dienst, hetgeen opnieuw bevestigt dat België gekozen heeft voor een economische benadering in de relatie tussen de haven en haar gebruikers alsook dat de betrokken activiteiten van economische aard zijn.

(59)

De Commissie merkt trouwens op dat volgens het pleidooi van de Vlaamse regering voor het Belgisch Grondwettelijk Hof de algemene havengelden (de tegenprestatie voor de toegang tot de algemene haveninfrastructuur) vergelijkbaar waren met „de tolbetaling voor het gebruik van een tolweg of tunnel” (47). Uit de beslissingspraktijk van de Commissie blijkt dat de exploitatie van een tolweg of een toltunnel een economische activiteit vormt (48). Ten slotte constateert de Commissie dat de havengelden in België in beginsel aan btw zijn onderworpen zoals de andere diensten (49).

(60)

De beslissingen van de Commissie of van het Hof van Justitie die door de belanghebbenden en door de Belgische autoriteiten worden aangehaald, doen niet af aan die conclusie. In zaak N110/2008 JadeWeserPort (50) heeft de Commissie zich niet uitgesproken over de al dan niet economische aard van de in het geding zijnde activiteiten aangezien de door de belanghebbenden en de Belgische autoriteiten ter ondersteuning van hun betoog aangehaalde overwegingen (overweging 52 tot en met 63 van het besluit) gevolgd worden door overwegingen waarin vermeld wordt dat de activiteit kon worden aangemerkt als economisch (overwegingen 64 tot en met 66 van het besluit). Wat de zaken N390/2005 (aanleg van overslagfaciliteiten op de spoorverbinding Lanaken-Maastricht) (51) en N478/2004 Coras Iompair Eireann (52) betreft, merkt de Commissie op dat die betrekking hebben op de financiering van de bouw van spoorweginfrastructuur en niet op de terbeschikkingstelling van haveninfrastructuur tegen vergoeding, en dat in elk geval het standpunt van de Commissie in die dossiers niet meer overeenstemt met de rechtspraak van het Hof (53) en zelfs niet met de huidige beslissingspraktijk van de Commissie, volgens welke de bouw van een infrastructuur die bestemd is om economisch te worden geëxploiteerd een economische activiteit vormt. Ten slotte heeft het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-18/01 Korhonen (54) geen betrekking op de staatssteunregels maar op Richtlijn 92/50/EEG van de Raad (55).

5.1.1.4.    Terbeschikkingstelling van terreinen en infrastructuur aan ondernemingen tegen vergoeding

(61)

Het besluit van de Commissie in zaak SA.36346 (56), dat vermeld is in punt 17(f) van de mededeling van de Commissie van 19 juli 2016 en door de belanghebbenden en de Belgische autoriteiten wordt aangehaald, houdt niet in dat het beheer of de exploitatie van het havengebied, en in het bijzonder de verhuur of de terbeschikkingstelling van specifieke terreinen en infrastructuur tegen vergoeding, een niet-economische activiteit is. Zaak SA.36346 had immers betrekking op de revitalisering van overheidsgronden en niet op de verhuur tegen vergoeding van terreinen of infrastructuur.

(62)

In haar beslissingspraktijk heeft de Commissie reeds geoordeeld dat de verhuur van het openbaar domein tegen vergoeding een economische activiteit is, met name wanneer de medecontractant van de haven zijn cliënten havendiensten aanbiedt (57). Uit de door de havenautoriteiten gepubliceerde tariefvoorwaarden (58) blijkt eveneens dat de concessievergoedingen aan btw zijn onderworpen, hetgeen duidt op hun economische aard. Zo behoort ook de verhuur van terreinen door de havens tot de economische activiteiten die aan btw zijn onderworpen (59).

(63)

De Commissie merkt eveneens op dat volgens de opmerkingen van de havens van Antwerpen en Zeebrugge de keuze van de concessiehouder verricht wordt na een „oproep tot marktdeelnemers” , hetgeen bevestigt dat de Belgische havens goederen of diensten aanbieden op een markt wanneer zij toegang verlenen tot de haveninfrastructuur.

5.1.1.5.    De vraag of de economische activiteiten een hoofd- of nevenactiviteit vormen

(64)

De omstandigheid dat de economische activiteiten van een entiteit in vergelijking met de niet-economische activiteiten beperkt of marginaal zijn, kan in beginsel niet worden aangehaald om die activiteiten uit te sluiten van de regels inzake staatssteun.

(65)

Voorts blijkt uit bovenstaande overwegingen, zonder dat het aandeel van de verschillende economische activiteiten per haven afzonderlijk hoeft te worden onderzocht, dat een zeer groot gedeelte van de activiteiten die door de belanghebbenden en de Belgische autoriteiten als niet-economisch worden aangemerkt (verhuur van terreinen, toegang tot infrastructuur tegen vergoeding), in werkelijkheid van economische aard is. Zoals hierboven opgemerkt, wordt niet betwist dat de havengelden en concessievergoedingen voor de Belgische havens het overgrote gedeelte van hun omzet uitmaken en dat die opbrengsten in het geval van de haven van Antwerpen zelfs hoger zijn dan de totale bedrijfskosten.

(66)

Tot slot moet worden opgemerkt dat ofschoon de Commissie aanvaardt dat bij infrastructuur die bijna uitsluitend voor een niet-economische activiteit wordt gebruikt, de financiering ervan volledig buiten het toepassingsgebied van de staatssteunregels kan vallen, mits het economische gebruik ervan zuiver ondersteunend blijft (60), het feit dat de havens niet-economische activiteiten uitoefenen, niet betekent dat de haveninfrastructuur zelf bijna uitsluitend voor een niet-economische activiteit wordt gebruikt.

Conclusie

(67)

De Commissie is dus van oordeel dat de onder de maatregel vallende activiteiten van de Belgische havens – ten minste gedeeltelijk – economische activiteiten zijn.

5.1.2.   ECONOMISCH VOORDEEL

(68)

Volgens het Hof van Justitie omvat een voordeel niet alleen positieve prestaties, maar ook maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken (61).

(69)

De Commissie constateert dat winsten uit economische activiteiten van de in artikel 180, lid 2, WIB genoemde Belgische havens volgens de Belgische belastingwetgeving niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen. Bijgevolg krijgen die havens niet af te rekenen met de uitgaven die aan de vennootschapsbelasting onderworpen entiteiten normaal gezien moeten dragen.

(70)

De rechtspersonenbelasting drukt niet op het totale bedrag van de winsten. De aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen zijn uitsluitend belastbaar ter zake van een gedeelte van de uit de havenactiviteiten voortkomende inkomsten, namelijk het kadastraal inkomen van hun in België gelegen onroerende goederen en de inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen (62). Bijgevolg omvat het onder de rechtspersonenbelasting vallende belastbare bedrag niet het totale bedrag van de door de havens geboekte winsten, bijvoorbeeld de havenrechten en -vergoedingen die door de klanten worden betaald in ruil voor diensten die door de haven worden geleverd, of de vergoedingen en huurgelden die voor het gebruik van de haveninfrastructuur wordenbetaald. Bovendien zijn de tarieven voor het gedeelte van die inkomsten dat aan de rechtspersonenbelasting is onderworpen, over het algemeen lager (63) dan de tarieven voor de vennootschapsbelasting (33,99 %). Het bedrag aan belastingen dat voor de economische activiteiten wordt betaald, ligt dus lager dan het bedrag dat voortvloeit uit de toepassing van de regels inzake de vennootschapsbelasting.

(71)

Voorts heeft België noch tijdens de samenwerkingsprocedure die op 9 juli 2014 isingeleid, noch in zijn opmerkingen na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure op 8 juli 2016, gegevens verstrekt die ingaan tegen deze conclusie van de Commissie. Evenmin heeft België de opmerkingen van de Nederlandse havens betwist, namelijk dat voor de havens van Antwerpen, Zeebrugge en Gent een reëel belastingtarief geldt dat ver onder het tarief van de vennootschapsbelasting in België (33,99 %) ligt.

(72)

Evenmin kan de Vlaamse Havencommissie worden gevolgd waar die betoogt dat het voordeel ten gevolge van de vrijstelling van vennootschapsbelasting in wezen slechts tot doel heeft te voorzien in een compensatie voor de toenemende financiering door de havenautoriteiten van niet-economische infrastructuur die niet tot hun bevoegdheid behoort. Geen enkele bepaling van intern recht garandeert immers dat het bedrag van het voordeel beperkt blijft tot de nettokosten voor die niet-economische infrastructuur (64). De vrijstelling van vennootschapsbelasting, voor een bedrag dat evenredig is aan de geboekte winst, leidt dus tot een voordeel dat niet in verhouding staat tot de eventuele kostprijs voor de financiering van niet-economische infrastructuren.

(73)

Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat de betrokken havens een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU genieten dat overeenstemt met het verschil tussen de vennootschapsbelasting die de havens voor hun economische activiteiten hadden moeten betalen, en het gedeelte van de rechtspersonenbelasting dat aan die economische activiteiten kan worden toegeschreven.

5.1.3.   STAATSMIDDELEN EN TOEREKENBAARHEID AAN DE STAAT

(74)

Volgens artikel 107, lid 1, VWEU worden enkel maatregelen van de staten of met staatsmiddelen bekostigde maatregelen als staatssteun beschouwd. Het is vaste rechtspraak dat het afzien van financiële middelen die anders terug hadden moeten vallen in de begroting van de staat een overdracht van staatsmiddelen is (65).

(75)

In tegenstelling tot hetgeen de Belgische autoriteiten aanvoeren, is er sprake van derving van belastinginkomsten zodra de belasting van de economische activiteiten van de havens in de rechtspersonenbelasting aanleiding geeft tot een voor de belastingplichtige voordeligere belastingheffing dan in de vennootschapsbelasting (zie punt 5.1.2 hierboven met betrekking tot het bestaan van een economisch voordeel).

(76)

Bijgevolg is de Commissie van oordeel dat die maatregel een overdracht van staatsmiddelen is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU.

(77)

Daar het betrokken belastingstelsel deel uitmaakt van de Belgische wetgeving en niet door de wetgeving van de Unie aan België is opgelegd, is die transfer bovendien toerekenbaar aan de staat (66).

5.1.4.   SELECTIVITEIT

(78)

Om als staatssteun te worden aangemerkt, dient een maatregel selectief te zijn, d.w.z. dat de maatregel bepaalde ondernemingen of bepaalde producties moet begunstigen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU (67).

(79)

Volgens vaste rechtspraak (68) verloopt de beoordeling van de materiële selectiviteit van een maatregel die de lasten verlicht die normaal gesproken op het budget van een onderneming drukken, zoals een belastingvrijstelling, in drie stappen: in een eerste fase moet worden bepaald welke algemene of „normale” belastingregeling in de betrokken lidstaat geldt (het zogeheten „referentiestelsel”). In een tweede fase moet worden bepaald of de betrokken maatregel van het referentiestelsel afwijkt doordat die maatregel differentiaties invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op het doel van de betrokken fiscale referentieregeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Is dat het geval, dan is de maatregel a priori selectief. In een derde fase moet worden bepaald of de afwijking wordt gerechtvaardigd door de aard of de opzet — m.a.w. de inherente logica — van de referentieregeling (69). Wat die derde fase betreft, is het aan de betrokken lidstaat om aan te tonen dat de gedifferentieerde fiscale behandeling rechtstreeks uit de basis- of hoofdbeginselen van zijn belastingstelsel voortvloeit (70).

(80)

In de loop van de procedure hebben de Belgische autoriteiten achtereenvolgens twee stellingen verdedigd. In hun antwoorden op de vragenlijst die de diensten van de Commissie op 3 juli 2013 hadden verzonden, hebben de Belgische autoriteiten vooreerst aangegeven dat artikel 180, lid 2, WIB de rechtsgrondslag vormde van de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor de havens. In hun opmerkingen van 19 december 2016 waren zij vervolgens echter van oordeel dat de havens niet onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting door de loutere toepassing van de algemene regels van het WIB, die vervat zijn in de artikelen 1 en 2 WIB, aangezien havens geen „vennootschappen” in de zin van artikel 2 WIB zijn.

(81)

Het begrip „staatssteun” is een objectief begrip en enkel de gevolgen van de maatregel moeten in aanmerking worden genomen. Dat de Belgische havens geen vennootschapsbelasting betalen, wordt niet betwist, maar de grondslag voor het niet-betalen van vennootschapsbelasting ligt volgens de Belgische autoriteiten hetzij in artikel 180, lid 2, WIB, hetzij in de artikelen 1 en 2 WIB.

5.1.4.1.    Beoordeling van de selectiviteit indien de artikelen 1 en 2 WIB de grondslag vormen voor het niet-betalen van vennootschapsbelasting door de Belgische havens

(82)

In hun opmerkingen van 19 december 2016 voeren de Belgische autoriteiten aan dat artikel 180, lid 2, WIB geen juridische draagwijdte heeft en louter declaratief is. De opheffing ervan zou uit het oogpunt van de vennootschapsbelasting niets veranderen aan de situatie van de havens. Deze zouden volgens de Belgische autoriteiten van vennootschapsbelasting zijn vrijgesteld op grond van de artikelen 1 en 2 WIB en de algemene criteria van het Belgische belastingstelsel. De Belgische autoriteiten voeren immers aan dat de havens geen „vennootschappen” zijn in de zin van de artikelen 1 en 2 WIB.

(83)

In die configuratie zou het referentiestelsel gevormd worden door de artikelen 1 en 2 WIB, die bepalen dat „vennootschappen” onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, terwijl andere ingezeten rechtspersonen dan vennootschappen onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting. Aangezien havens geen „vennootschappen” zijn, zouden zij volgens de Belgische autoriteiten noodzakelijkerwijze onder de rechtspersonenbelasting vallen. Artikel 180, lid 2, WIB trekt volgens de Belgische autoriteiten enkel de gevolgen uit de algemene regels van de artikelen 1 en 2 en zou dus geen afwijking van het referentiestelsel zijn, maar daar zelfs integrerend deel van uitmaken. Doordat havens geen „vennootschappen” zouden zijn, zouden de regels inzake de vennootschapsbelasting eveneens als een enger referentiestelsel kunnen worden beschouwd.

(84)

Die interpretatie berust dus voornamelijk op de veronderstelling dat de aard van de door de havens uitgevoerde activiteiten noodzakelijkerwijze zou uitsluiten dat zij voor de inkomstenbelasting (van ingezeten rechtspersonen) als „vennootschappen” worden beschouwd, terwijl zij „ondernemingen” zijn in de zin van artikel 107 VWEU, zoals hierboven is vastgesteld. Noch de opmerkingen van België, noch die van derden leveren overtuigende elementen met betrekking tot de gegrondheid van die veronderstelling.

(85)

De Commissie daarentegen is van oordeel dat de havens voor de inkomstenbelasting wegens hun voornaamste activiteiten in principe „vennootschappen” zijn en dat zij economische activiteiten uitoefenen op grond waarvan zij als „ondernemingen” in de zin van artikel 107 VWEU worden aangemerkt. Overigens wordt die kwalificatie als vennootschap in geen enkele bepaling van nationaal recht ter discussie gesteld.

(86)

De Commissie merkt immers op dat de veronderstelling waarop de redenering van de Belgische autoriteiten berust, in tegenspraak is met de officiële commentaar bij het WIB, met andere interne teksten en met de officiële standpunten van de Belgische regering. Zo geeft de officiële commentaar bij het WIB aan dat rechtspersonen die „onvoorwaardelijk” uit de vennootschapsbelasting zijn gesloten (met name de havens volgens artikel 180, lid 2, WIB) „principieel als aan de Ven.B onderworpen belastingplichtigen”  (71) moeten worden aangemerkt. Mede op grond van hun rechtsvorm (en van de kenmerken die doorgaans met deze rechtsvorm verbonden zijn), zou het merendeel van de in artikel 180, lid 2, WIB opgenomen havens – en dat zijn nv's, bvba's of autonome gemeentebedrijven – eveneens in begisel aan de vennootschapsbelasting moeten worden onderworpen (72). Voorts bevat het Vlaams havendecreet van 2 maart 1999 zelf aanwijzingen met betrekking tot de bedrijfseconomische (73) en/of commerciële (74) aard van de havenactiviteiten, en dus met betrekking tot de indeling van havens als „vennootschap” in de zin van artikel 2 WIB, waardoor zij bijgevolg onderworpen zouden moeten worden aan de vennootschapsbelasting. De Belgische regering heeft ook zelf voor het Belgische Grondwettelijk Hof aangevoerd dat de havens, tussen andere vennootschappen en rechtspersonen als bedoeld in artikel 180 en artikel 220, lid 2 WIB „wel degelijk […] rechtspersonen [zijn]die een onderneming exploiteren en zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard in de zin van artikel 2 […] van het WIB”  (75) zijn. Voor de Belgische Kamer van Volksvertegenwoordigers was de vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel tevens van oordeel dat de Belgische havens overheidsondernemingen waren, die zonder de onvoorwaardelijke vrijstelling van artikel 180 WIB op grond van de artikelen 1, 2 en 179 WIB aan de vennootschapsbelasting onderworpen zouden zijn (76). Ten slotte zijn de havens niet uit hun aard en rechtstreeks aan de rechtspersonenbelasting onderworpen, maar enkel omdat zij volgens de formulering van artikel 220, lid 2, WIB zelf specifiek door artikel 180, lid 2, WIB zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting, hetgeen in tegenspraak is met de interpretatie van de Belgische autoriteiten dat de havens geen vennootschapsbelasting betalen aangezien zij als andere ingezeten rechtspersonen dan „vennootschappen” uit hun aard onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting.

(87)

Daarom is de Commissie het niet eens met het standpunt dat de havens niet aan de vennootschapsbelasting zouden zijn onderworpen op grond van de algemene criteria van de artikelen 1 en 2 WIB, zelfs indien artikel 180, lid 2, zou worden opgeheven. Gezien de in de vorige overweging aangehaalde argumenten is de Commissie daarentegen van oordeel dat havens, die „vennootschappen” zijn in de zin van artikel 2 WIB, op grond van de algemene regels van het Belgische interne recht onderworpen zouden moeten zijn aan de vennootschapsbelasting, indien zij daar door artikel 180, lid 2, WIB niet formeel en onvoorwaardelijk van waren vrijgesteld. Om dezelfde redenen betwist de Commissie dat de regels met betrekking tot de rechtspersonenbelasting het referentiestelsel voor de belasting van de havens vormen.

(88)

In hun opmerkingen voeren de Belgische autoriteiten en bepaalde belanghebbenden aan dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor de havens, behalve uit de algemene regels van het WIB (de artikelen 1 en 2), ook nog voortvloeit uit andere algemene regels van het interne recht (een algemeen rechtsbeginsel, een in de rechtspraak neergelegde regel volgens dewelke openbare diensten, taken en goederen niet worden belast als dit niet uitdrukkelijk in de wet of zelfs in de Belgische Grondwet zelf is bepaald).

(89)

Gezien de hierboven aangehaalde elementen is de Commissie van oordeel dat een normale toepassing van de algemene regels van het Belgische recht tot gevolg zou hebben dat de havens voor de inkomsten uit hun economische activiteiten aan de vennootschapsbelasting worden onderworpen.

(90)

Zelfs als de betrokken nationale regels (of de interpretatie daarvan door de administratie), tegen het bewijs van de Commissie in, tot gevolg zouden kunnen hebben dat de Belgische havens geen vennootschapsbelasting betalen, zouden die regels overigens een discriminatie invoeren tussen „ondernemingen” met economische activiteiten in de zin van artikel 107 VWEU (zie punt 5.1.1. hierboven). Evenals artikel 180, lid 2, WIB, in de hierboven uiteengezette analyse van de Commissie, zouden die regels, of het Belgische stelsel van inkomstenbelasting in zijn geheel, de oorsprong zijn van voordelen die worden toegekend aan bepaalde „ondernemingen”, namelijk havens, terwijl in het licht van de doelstelling van de inkomstenbelasting van ingezeten rechtspersonen (het belasten van de winsten) die ondernemingen zich wat betreft de winsten uit „economische activiteiten” in een vergelijkbare situatie bevinden als andere aan de vennootschapsbelasting onderworpen ondernemingen (ingezeten rechtspersonen). Volgens de Commissie volgen de havens geen „voor hun wijze van functioneren specifieke beginselen die hen duidelijk onderscheiden van andere marktdeelnemers” die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn (77). Met name het feit dat havens geen winstoogmerk zouden hebben (78), volstaat niet om te oordelen dat zij zich in een andere situatie bevinden dan andere marktdeelnemers die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn. In die veronderstelling zou het Belgische stelsel zelf selectief zijn (79).

(91)

Dus zelfs als de artikelen 1 en 2 WIB de rechtsgrondslag zouden vormen voor het niet-betalen van vennootschapsbelasting door Belgische havens, dan zou dit niet-betalen een maatregel zijn die prima facie selectief is wat betreft de economische activiteiten van havens.

5.1.4.2.    Beoordeling van de selectiviteit indien artikel 180, lid 2 WIB de grondslag vormt voor het niet-betalen van vennootschapsbelasting door de Belgische havens

(92)

Zoals blijkt uit bovenstaande analyse is de Commissie van oordeel dat artikel 180, lid 2, WIB de enige rechtsgrondslag is voor het niet-betalen van vennootschapsbelasting door de Belgische havens en dat zonder een dergelijke bepaling de havens vennootschapsbelasting zouden betalen zoals alle andere vennootschappen of ondernemingen die uit een economische activiteit belastbare winst halen.

5.1.4.2.1   Referentiestelsel en afwijking van het referentiestelsel

(93)

De Commissie is van oordeel dat het referentiestelsel in dit geval gevormd wordt door de algemene belastingregels die voortvloeien uit de artikelen 1 en 2 WIB. Artikel 1 WIB stelt voor rechtspersonen die in België zijn ingezeten een duaal stelsel van inkomstenbelasting vast: „vennootschappen” vallen onder de vennootschapsbelasting en „andere rechtspersonen dan vennootschappen” vallen onder de rechtspersonenbelasting. Artikel 2 WIB bevat de criteria voor het definiëren van „vennootschappen” en dus om te bepalen welke rechtspersonen aan de vennootschapsbelasting onderworpen zullen worden en, door eliminatie, van welke rechtspersonen de inkomsten aan de rechtspersonenbelasting zullen worden onderworpen. Artikel 179 bevestigt dat de belastingplichtigen die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zijn, de ingezeten vennootschappen zijn.

(94)

Artikel 180, lid 2, WIB voorziet in een afwijking van die algemene belastingregels. Het stelt de havens immers onvoorwaardelijk vrij van de vennootschapsbelasting, zonder de in de artikelen 1 en 2 bepaalde algemene criteria voor de verdeling tussen vennootschapsbelasting en rechtspersonenbelasting toe te passen, dus ongeacht of die havens al dan niet „vennootschappen” zijn (80).

(95)

Voor zover havens om de hierboven in overweging 86 uiteengezette redenen „vennootschappen” zijn in de zin van artikel 1 WIB, kan het referentiestelsel voor de belasting van de inkomsten van havens ook enger worden bepaald, als het geheel van de regels inzake de belasting van vennootschappen (vennootschapsbelasting), namelijk de artikelen 1 en 179 WIB, die bepalen dat ingezeten „vennootschappen” onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, die wordt gedefinieerd als een „belasting op het totale inkomen” .

(96)

Gelet op dit referentiestelsel vormt artikel 180, lid 2, WIB uitdrukkelijk een afwijking (dat is de bestaansreden van de bepaling), aangezien het havens onttrekt aan het toepassingsgebied van artikel 179 en van de vennootschapsbelasting, ook al worden zij vervolgens op grond van artikel 220, lid 2, WIB onderworpen aan de rechtspersonenbelasting. Zonder de uitdrukkelijke en specifieke vrijstelling van artikel 180, lid 2, WIB zouden de Belgische havens — net zoals de andere Belgische vennootschappen — daadwerkelijk van rechtswege aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen.

5.1.4.2.2   Afwijking van het referentiestelsel door de invoering van een differentiatie tussen marktdeelnemers die zich, gelet op het doel van de betrokken fiscale referentieregeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden

(97)

Uit het voorgaande volgt dat artikel 180, lid 2, WIB afwijkt van de algemene regels voor de belasting van de inkomsten van „vennootschappen” (zowel van de algemene regels van de artikelen 1 en 2 WIB als van de minder algemene regels van artikel 179 WIB) en differentiaties invoert tussen marktdeelnemers die zich, gelet op het doel van de fiscale referentieregeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Wat ook het referentiestelsel is dat in aanmerking wordt genomen (vennootschapsbelasting of belasting van de inkomsten van ingezeten rechtspersonen in het algemeen), het doel van de inkomstenbelasting is immers het belasten van de inkomsten, en ten aanzien van dat doel bevinden alle ondernemingen zich wat betreft de winsten uit hun economische activiteiten in dezelfde feitelijke en juridische situatie.

(98)

Het feit dat de havens geen winstoogmerk zouden hebben of minder aandacht zouden besteden aan het rendement op investering op korte termijn, doet geen afbreuk aan die beoordeling. Een belastingvrijstelling ten gunste van ondernemingen zonder winstoogmerk die economische activiteiten uitoefenen, wordt over het algemeen als selectief beschouwd, zelfs indien die is toegekend vanuit de doelstelling van de nationale wetgever om als sociaal verdienstelijk beschouwde instellingen te steunen (81). De omstandigheid dat de Belgische havens in handen zijn van en gecontroleerd worden door de overheid of – afgezien van de economische activiteiten – niet-economische activiteiten uitoefenen, zoals taken met betrekking tot de uitoefening van het overheidsgezag, impliceert niet dat zij zich wat betreft de toepassing van de vennootschapsbelasting op de inkomsten uit hun economische activiteiten in een andere juridische en feitelijke situatie zouden bevinden.

(99)

De betrokken maatregel is wat betreft de economische activiteiten van de havens prima facie dus selectief.

5.1.4.3.    Rechtvaardiging door de aard of de algemene opzet van het stelsel

(100)

Zoals hierboven aangegeven is het aan de lidstaat om aan te tonen dat de afwijking gerechtvaardigd is door de aard of de algemene opzet van het referentiestelsel. Bij de derde stap in de driestappenanalyse kunnen enkel de inherente kenmerken van het referentiestelsel een gedifferentieerde behandeling rechtvaardigen.

(101)

De conformiteit van een maatregel met het interne recht op zich geen rechtvaardiging door de opzet van het stelsel zijn, aangezien niet is aangetoond dat die rechtvaardiging het gevolg is van inherente kenmerken van het referentiestelsel (82).

(102)

In dat opzicht heeft arrest 151/2016 van het Belgisch Grondwettelijk Hof van 1 december 2016 hoe dan ook niet de draagwijdte die de Belgische autoriteiten eraan proberen toe te kennen. Dat arrest heeft immers geen betrekking op de verenigbaarheid van de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor havens met het staatssteunrecht, maar op de verenigbaarheid van de onderwerping van intercommunales, samenwerkingsverbanden en projectverenigingen aan de vennootschapsbelasting met de beginselen van gelijkheid en non-discriminatie, zodat het niet bestaan van discriminatie in het nationale recht niet automatisch het niet bestaan van selectiviteit in de zin van artikel 107, lid 1 VWEU meebrengt.

(103)

Aangezien het bepalende criterium voor de onderwerping aan de vennootschapsbelasting of de rechtspersonenbelasting erin bestaat dat de betrokken entiteit „een onderneming exploiteert” of „zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard” (zie artikel 2 WIB), zijn de verklaringen dat de havens zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting omdat zij hun winst niet uitkeren maar herinvesteren, dat zij een doel hebben dat verder gaat dan hun individuele belangen, dat hun maatschappelijk doel er niet in bestaat winst te maken, dat zij deel uitmaken van de overheid en taken van algemeen belang uitvoeren, in het licht van de hoofdbeginselen van het belastingstelsel geen afdoende rechtvaardiging voor een fiscaal gunstigere behandeling dan die van andere ingezeten vennootschappen. Ook andere ondernemingen herinvesteren hun winst en hebben doelstellingen of economischegevolgen die verder gaan dan hun individueel belang (83), zonder dat zij daarom van de vennootschapsbelasting worden vrijgesteld. Evenzo kunnen ondernemingen die geen deel uitmaken van de overheid (zoals verenigingen zonder winstoogmerk) onderworpen worden aan de rechtspersonenbelasting indien zij voldoen aan het algemeen criterium van artikel 2 WIB. Deel uitmaken van de overheid is uit het oogpunt van de nationale regels dus evenmin relevant. Zo kan een vereniging, ondanks haar maatschappelijk doel zonder winstoogmerk, onderworpen worden aan de vennootschapsbelasting op grond van de algemene criteria van de artikelen 1 en 2 WIB wanneer zij een „een onderneming exploiteert” of „zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard” .

(104)

De verklaring dat de middelen van de havens niet altijd hun kosten dekken, kan geen rechtvaardiging vormen voor een vrijstelling van de vennootschapsbelasting, aangezien op grond van het normale stelsel van inkomstenbelasting er in de situatie waarin er geen winst is, geen enkele belasting verschuldigd is, en aangezien een verlies kan worden overgedragen en kan worden aangerekend op de mogelijke toekomstige winst uit economische activiteiten. Een vrijstelling is dus overbodig en heeft slechts gevolgen wanneer de havens belastbare winst hebben. De Commissie heeft vastgesteld dat in de periode 2004-2014 (elf boekjaren) de resultaten van de havens van Antwerpen, Gent, Zeebrugge en Oostende nagenoeg constant positief waren (op een negatief resultaat voor Antwerpen in 2011 en een negatief resultaat voor Oostende in 2013 na), zodat de aangevoerde rechtvaardiging theoretisch is en zelfs door de feiten wordt tegengesproken. Bovendien is er voor de andere „vennootschappen” in geen enkele vrijstelling van de vennootschapsbelasting voorzien die vergelijkbaar is met die voor de havens, wanneer de middelen van die vennootschappen hun kosten niet dekken.

(105)

Het feit dat bepaalde kosten die niet inherent zijn aan het maatschappelijk doel van een onderneming op grond van artikel 49 WIB niet aftrekbaar zouden zijn in de vennootschapsbelasting, kan volgens dezelfde redenering geen rechtvaardiging zijn om havens vrij te stellen van de vennootschapsbelasting. Artikel 49 WIB bepaalt dat „de kosten die de belastingplichtige in het belastbare tijdperk heeft gedaan of gedragen om de belastbare inkomsten te verkrijgen of te behouden [aftrekbaar zijn]”. Ten eerste staat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting ten gunste van havens los van de omstandigheid dat havens financieel nadeel zouden ondervinden van artikel 49 WIB: de vrijstelling van de vennootschapsbelasting geldt voor de volledige gerealiseerde winst en is niet beperkt tot de winst die voortvloeit uit de mogelijke niet-aftrekbaarheid van bepaalde kosten op grond van artikel 49. De vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor havens wordt dus niet gerechtvaardigd door een hoofdregel van het Belgische belastingstelsel, zelfs als zou worden aangenomen dat artikel 49 WIB een dergelijke hoofdregel is. Bovendien hebben noch de Belgische autoriteiten, noch de belanghebbenden aangetoond hoe, vanuit het oogpunt van de doelstelling (84) en de formulering van de maatregel, een dergelijke bepaling de havens effectief zou belemmeren om de kosten van niet-economische havenactiviteiten van algemeen belang af te trekken. De havens van Antwerpen en Zeebrugge stellen dit probleem trouwens slechts voor als een eenvoudig risico en niet als een vaststaand feit.

(106)

Als al kan worden aangetoond (85) dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor havens, net zoals de vrijstelling van belasting voor openbare of private domeingoederen van bepaalde publiekrechtelijke instellingen die aan een openbare dienst zijn toegewezen, voortvloeit uit een algemeen rechtsbeginsel of zelfs uit de Belgische Grondwet zelf, dan is dat op zich niet noodzakelijk van die aard dat het die vrijstelling rechtvaardigt door de aard of de algemene opzet van het stelsel, aangezien de eventuele overwegingen van de grondwetgever of de nationale rechtbanken niet noodzakelijk verband houden met de goede werking van het belastingstelsel of de hoofdbeginselen daarvan.

(107)

Tot slot zijn de argumenten van de Belgische autoriteiten en de belanghebbenden met betrekking tot de in de nationale rechtspraak ontwikkelde criteria om te beoordelen of een rechtspersoon een „vennootschap” is in de zin van de artikelen 1 en 2 WIB (met name het niet voorhanden zijn van industriële en commerciële methoden) niet ter zake dienend om aan te tonen dat de maatregel wordt gerechtvaardigd door de intrinsieke logica van het belastingstelsel, aangezien zij er in werkelijkheid op gericht zijn te bewijzen dat havens geen „vennootschappen” zijn en dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting in dat geval selectief zou zijn door met name de keuze van de criteria die gebruikt worden om de grenzen van het referentiestelsel te bepalen (zie supra), en niet door een afwijking van dat referentiestelsel die eventueel gerechtvaardigd zou kunnen worden.

5.1.5.   VERSTORING VAN DE MEDEDINGING EN BEÏNVLOEDING VAN HET HANDELSVERKEER

(108)

Om als staatssteun te worden aangemerkt, dient de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten van de Unie ongunstig te beïnvloeden en de mededinging te vervalsen of dreigen te vervalsen. Die beide criteria zijn nauw met elkaar verbonden.

(109)

Volgens de rechtspraak wordt een vervalsing van de mededinging over het algemeen vastgesteld zodra de staat een financieel voordeel verleent aan een onderneming in een geliberaliseerde sector waar er concurrentie is of zou kunnen zijn (86). Er is geen betwisting mogelijk dat er in de havensector concurrentie bestaat en dat die nog verscherpt wordt door de aard en de kenmerken die eigen zijn aan vervoer, met name via waterwegen en over zee. De door de havens aangeboden vervoersdiensten concurreren, althans in zekere zin, met de diensten die worden aangeboden door of in andere havens en door andere vervoerders in België en in de andere lidstaten.

(110)

Tijdens de openbare raadpleging over een ontwerpverordening op het gebied van havens „[benadrukten] alle belanghebbenden […] de noodzaak van stabiele, eerlijke en gelijke concurrentievoorwaarden in de EU […] (voor de concurrentie tussen havens) […]”  (87). Havens, en voornamelijk binnenhavens en meer in het algemeen het vervoer over waterwegen waarin zij een schakel zijn, concurreren ook met andere vervoersvormen. De concurrentie tussen de havens van de Belgische en de Nederlandse kust is overigens erg verscherpt (in dat verband is er vaak sprake van de zone Amsterdam – Rotterdam – Antwerpen).

(111)

Door de positie van de begunstigden in het internationale handelsverkeer te versterken, kan de maatregel het handelsverkeer binnen de Unie dus ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen.

(112)

Voorts hebben de verklaring dat met staatssteun vergelijkbare maatregelen in andere lidstaten bestaan, en het gedrag van de Commissie met betrekking tot die mogelijke maatregelen, geen invloed op de kwalificatie van de betrokken maatregel als staatssteun, aangezien de maatregel ten gunste van de Belgische havens als bedoeld in artikel 180, lid 2, WIB wel degelijk leidt tot een verbetering van hun concurrentiepositie ten opzichte van een referentiesituatie waarin zij onder de normale omstandigheden van het stelsel van vennootschapsbelasting zouden worden belast (88).

(113)

Ook al wordt aangenomen dat de havens beschikken over een wettelijk monopolie om hun diensten aan te bieden in de haven die zij exploiteren, toch concurreren de diensten die zij aanbieden, althans in zekere mate, met die welke worden aangeboden door andere vervoerders, met name door de havens van andere lidstaten.

(114)

Het advies van de Nederlandse mededingingsautoriteit dat door de belanghebbenden wordt aangevoerd is in het kader van deze staatssteunprocedure niet relevant. Het advies betreft immers niet de toetsing van een regeling aan artikel 107 VWEU, waarvoor in het bijzonder de voorwaarde met betrekking tot de mededinging moet worden beoordeeld. Artikel 25 van het Vlaams havendecreet van 2 maart 1999 impliceert overigens dat de door de havens toegepaste tarieven hun concurrentiepositie beïnvloeden (89). Het bestaan van concurrentie tussen de Europese havens wordt voorts bevestigd door de opmerkingen van de Nederlandse publieke havens.

(115)

De verwijzingen naar de punten 211, 219 en 220 van de mededeling van 19 juli 2016 zijn in dit verband niet relevant aangezien zij geen betrekking hebben op haveninfrastructuur, die in punt 215 wordt vermeld. Volgens dat laatste punt „komt […] overheidsfinanciering van haveninfrastructuur ten goede aan een economische activiteit en is deze bijgevolg in beginsel aan de staatssteunregels onderworpen” en „kunnen havens onderling concurreren en beïnvloedt de financiering van haveninfrastructuur bijgevolg waarschijnlijk ook het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig” . Bovendien geven de punten 219 en 200 van deze mededeling aan dat de steun voor de bouw van deonderzochte infrastructuur geen invloed kan hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten of op de mededinging, terwijl de maatregel die het voorwerp vormt van de onderhavige procedure geen steun vormt voor de bouw van infrastructuur, maar operationele steun die gekoppeld is aan de winst die bij de exploitatie ervan wordt verwezenlijkt.

5.1.6.   BESLUIT

(116)

In het licht van de hierboven aangehaalde argumenten is de fiscale vrijstelling van artikel 108, lid 2,WIB voor Belgische havens staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, aangezien de vrijgestelde inkomsten afkomstig zijn van de economische activiteiten die de havens uitoefenen.

5.2.   VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN MET DE INTERNE MARKT

(117)

Het staat aan de betrokken lidstaat om aan te tonen dat de staatssteunmaatregelen als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd. De Belgische autoriteiten hebben in hun verschillende bijdragen, antwoorden en opmerkingen geen enkel argument aangedragen met betrekking tot de verenigbaarheid van de maatregel. Volgens het Waalse Gewest en de Waalse havens zijn artikel 93 en artikel 106, lid 2, VWEU een passende grondslag voor de verenigbaarheid van de maatregel. De havenautoriteiten van Antwerpen en Zeebrugge doen hetzelfde met betrekking tot artikel 93 VWEU.

(118)

Ten eerste bepaalt artikel 106, lid 2, VWEU dat een compensatie voor de uitoefening van taken van overheidsdiensten verenigbaar kan worden verklaard met de interne markt indien zij aan bepaalde voorwaarden voldoet (90). De Commissie merkt echter op dat de betrokken maatregel, die het steunbedrag koppelt aan de verwezenlijkte winst, niet gekoppeld is aan de nettokost van de taken van openbare dienst (91), terwijl dat een noodzakelijke voorwaarde is om een steunmaatregel op grond van artikel 106, lid 2, VWEU als verenigbaar aan te merken. Bijgevolg kan de maatregel niet als een met de interne markt verenigbare compensatie voor de openbare dienst worden beschouwd en is hij niet verenigbaar met de interne markt op grond van artikel 106, lid 2, VWEU.

(119)

Ten tweede geeft artikel 93 VWEU aan dat ook steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd. Ook al spelen de havens een belangrijke rol bij de ontwikkeling van multimodaal vervoer, toch vallen niet alle investeringen van de havens onder het toepassingsgebied van artikel 93 VWEU, dat beperkt is tot steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer. De vrijstelling van de vennootschapsbelasting is overigens geen investeringssteun, maar exploitatiesteun die niet op specifieke investeringen is gericht. De maatregel begunstigt de ondernemingen die het meeste winst maken en dus a priori meer interne capaciteit hebben om investeringen te financieren. Hij is dus evenmin gericht op de compensatie van de kosten voor bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen, zoals hierboven is uiteengezet. De maatregel, een vrijstelling van belasting, leidt bovendien tot een onbeperkt voordeel ten opzichte van om het even welke kosten. Hij is dus niet beperkt tot het bedrag dat noodzakelijk is om de coördinatie van het vervoer te waarborgen of om bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen te vergoeden en garandeert dus niet dat het evenredigheidsbeginsel wordt nageleefd. Er is dus evenmin een stimulerende werking van de maatregel vastgesteld. Artikel 93 VWEU is bijgevolg niet van toepassing.

(120)

Ten derde, en hoewel noch België, noch de belanghebbenden zich hebben beroepen op artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, onderzoekt de Commissie of de betrokken maatregel bestemd is om „de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën te vergemakkelijken” , zonder de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig te veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Om de hierboven reeds uiteengezette redenen (geen evenredigheid, geen stimulerende werking en geen vastgesteld verband met een doelstelling van algemeen belang) is de Commissie van oordeel dat artikel 107, lid 3, onder c), VWEU niet van toepassing is.

5.3.   BESTAANDE STEUN OF NIEUWE STEUN

(121)

De Belgische autoriteiten hebben uitgelegd dat de havens sinds de jaren 1960 onderworpen zijn aan de rechtspersonenbelasting en dat zij vóór die periode onderworpen waren aan de cedulaire belasting, een belasting die vergelijkbaar is met de rechtspersonenbelasting. De fiscale behandeling die voorbehouden was voor de havens was tevens gekoppeld aan het juridische statuut van de havens, dat in de loop der tijd gewijzigd is. Volgens de Belgische autoriteiten was het stelsel van de rechtspersonenbelasting al van toepassing op de havens vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Rome in 1958. Op basis van de ontvangen gegevens zouden de havens dus altijd al vrijgesteld zijn van de vennootschapsbelasting.

(122)

Overeenkomstig artikel 1, onder b), i), van het procedurereglement zijn steunregelingen die vóór de inwerkingtreding van het Verdrag tot uitvoering zijn gebracht, bestaande steunregelingen.

(123)

Op basis van de beschikbare gegevens was de vrijstelling van de vennootschapsbelasting ten gunste van de havens van toepassing vóór 1958 en is zij sindsdien niet wezenlijk gewijzigd. Bijgevolg wordt de maatregel als een bestaande steunregeling beschouwd.

6.   HET VERZOEK VAN DE BELGISCHE AUTORITEITEN OM DE BELGISCHE HAVENS EEN OVERGANGSPERIODE TOE TE KENNEN

(124)

In verband met het verzoek om een overgangsperiode dat door de Belgische autoriteiten is ingediend, brengt de Commissie in herinnering dat in deze fase van de procedure over een bestaande steunregeling in beginsel geen overgangsperiode kan worden toegestaan, behalve in uitzonderlijke omstandigheden. De Commissie kan de betrokken lidstaat in het definitieve besluit met het oog op de vereiste wijzigingen enkel een redelijke termijn voor de tenuitvoerlegging toekennen.

(125)

De Commissie merkt tevens op dat de Belgische autoriteiten sinds de aanvang van de samenwerkingsprocedure op 9 juli 2014 reeds over een zekere termijn beschikken om na te denken over mogelijke wijzigingen in de wetgeving. Zij merkt tevens op dat er geen sprake van is om de havens te onderwerpen aan de vennootschapsbelasting per 1 januari 2017, zoals de Belgische autoriteiten vreesden.

(126)

Overeenkomstig de rol die aan de Commissie op grond van de artikelen 107 en 108 VWEU toekomt, moet zij snel een einde maken aan staatssteun die niet verenigbaar met de interne markt wordt geacht, en eerlijke concurrentievoorwaarden herstellen. Indien de Commissie in deze fase van de procedure oordeelt dat onverenigbare steun is toegekend aan bepaalde ondernemingen, kan zij in beginsel de betrokken staatssteunprocedure niet opschorten of een overgangstermijn toestaan, aangezien dit zou neerkomen op een toelating om gedurende een langere termijn steun toe te kennen die niet met de interne markt verenigbaar is; dit zou tevens onrechtvaardig zijn ten aanzien van de concurrenten die geen of zelfs minder steun ontvangen. De Commissie merkt in dat verband op dat de Nederlandse havens, die sinds 1 januari 2017 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, haar verzoeken de Belgische havens snel aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen.

(127)

Zoals hierboven is uiteengezet kan de opschorting van de procedure of het uitstel van de inwerkingtreding van de nationale uitvoeringsmaatregelen van het besluit van de Commissie niet worden gerechtvaardigd door de mogelijke staatssteun voor andere havens in andere lidstaten. Een dergelijk uitstel zou neerkomen op een verlenging van de huidige verstoringen tussen havens in Noord-Europa, namelijk tussen de Belgische havens, de reeds genoemde Nederlandse havens en de Franse havens, aangezien zij vallen onder een gelijkaardig besluit tot opheffing van de belastingvrijstellingen die zij momenteel genieten.

(128)

Het feit dat de Commissie Nederland een langere uitvoeringstermijn zou hebben toegekend in zaak SA.25338 (92) is in dit geval niet relevant ter ondersteuning van een verzoek om een overgangsperiode. De Commissie behandelt alle lidstaten op dezelfde wijze en behandelt elk geval volgens zijn eigen specifieke kenmerken, en het Nederlandse geval kan niet worden vergeleken met het Belgische. Overigens heeft de Commissie in haar definitieve besluit uitdrukkelijk geweigerd Nederland een overgangsperiode toe te staan, hoewel er in andere lidstaten nog steeds gelijkaardige maatregelen bestaan. Voorts zij opgemerkt dat Nederland de betrokken belastingvoordelen eerder heeft moeten beëindigen dan België, wat niet tot een bevoordeling van de Nederlandse havens kan leiden.

(129)

Bovendien zijn de door de Belgische autoriteiten aangevoerde argumenten over de moeilijkheden bij de naleving van het interne recht in dit geval geen uitzonderlijke omstandigheden die een overgangsperiode kunnen rechtvaardigen. Zoals de Commissie hierboven reeds heeft aangegeven, zou met name de opheffing van artikel 180, lid 2, WIB in beginsel volstaan om de havens aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen. Het feit dat de overgang van een rechtspersoon van de rechtspersonenbelasting naar de vennootschapsbelasting niet uitdrukkelijk is geregeld in het Belgische belastingrecht, is evenmin afdoende als argument. Bij gebrek aan wetgevingsmaatregeldie deze overgang regelt, heeft de Belgische belastingadministratie de mogelijkheid (en zij maakt daarvan gebruik) de activiteiten van een aan de rechtspersonenbelasting onderworpen entiteit te herkwalificeren om die aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen. Tot slot verklaren de Belgische autoriteiten niet waarom de opheffing van een onvoorwaardelijke vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor de havens in strijd zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, zelfs als zou worden aangenomen dat die aan het interne recht ontleende omstandigheid relevant zou zijn voor het toekennen van een overgangsperiode. In tegendeel, de recente hervorming om Belgische intercommunales te onderwerpen aan de vennootschapsbelasting, hoewel zij voordien van de vennootschapsbelasting vrijgesteld waren en onderworpen waren aan de rechtspersonenbelasting (wat ook voor de havens het geval is), is door de Belgische regering voorgesteld als een maatregel om de gelijke behandeling te bevorderen (93).

(130)

De Commissie heeft de betrokken maatregel, die nooit door de Belgische autoriteiten ter kennisgeving is aangemeld, overigens nooit goedgekeurd. Het rechtszekerheidsbeginsel en het beginsel van gewettigd vertrouwen zijn dus in dit geval niet van toepassing, temeer omdat de Commissie, aangezien de maatregel een bestaande steunmaatregel is, geen terugvordering van de in het verleden toegekende steun kan opleggen.

7.   DE VERZOEKEN VAN DE NEDERLANDSE HAVENS

(131)

Wat betreft het verzoek van de Nederlandse havens om hun onderwerping aan de vennootschapsbelasting uit te stellen, wijst de Commissie erop dat de onderhavige procedure niet over de Nederlandse havens gaat, maar over de Belgische. De Commissie heeft trouwens in haar definitieve besluit in zaak SA.25338 over de Nederlandse havens (94), om dezelfde principiële redenen als die in dit besluit, geweigerd de onderwerping van de Nederlandse havens aan de vennootschapsbelasting uit te stellen. De onderwerping van de Nederlandse havens aan de vennootschapsbelasting vloeit overigens voort uit het Nederlandse nationale recht en de Commissie kan een lidstaat in het kader van artikel 107 VWEU hoe dan ook niet opleggen zijn wetgeving te veranderen om bepaalde marktdeelnemers staatssteun te verlenen.

8.   BESLUIT

(132)

De vrijstelling van de vennootschapsbelasting ten gunste van de in artikel 180, lid 2, WIB vermelde Belgische havens is een bestaande staatssteunregeling die onverenigbaar is met de interne markt.

(133)

De Belgische autoriteiten dienen derhalve die vrijstelling van vennootschapsbelasting op te heffen en de betrokken entiteiten aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen. Die maatregel dient vóór het einde van het op de datum van dit besluit lopende kalenderjaar te worden aangenomen en dient uiterlijk op de inkomsten uit economische activiteiten vanaf het begin van het belastingjaar volgend op de aanneming ervan te worden toegepast,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De vrijstelling van de vennootschapsbelasting ten gunste van de in artikel 180, lid 2, WIB vermelde Belgische havens is een bestaande staatssteunregeling die onverenigbaar is met de interne markt.

Artikel 2

1.   België heft de in artikel 1 bedoelde vrijstelling van de vennootschapsbelasting op en onderwerpt de entiteiten waarop die vrijstelling van toepassing is aan de vennootschapsbelasting.

2.   De maatregel waarmee België zijn verplichtingen uit hoofde van lid 1 nakomt, wordt vastgesteld vóór het einde van het op de datum van de kennisgeving van dit besluit lopende kalenderjaar. Die maatregel wordt van toepassing uiterlijk op de uit economische activiteiten ontstane inkomsten die zijn ontstaan vanaf het begin van het belastingjaar volgend op de vaststelling van die maatregel.

Artikel 3

België stelt de Commissie binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van dit besluit in kennis van de maatregelen die het heeft genomen om daaraan te voldoen.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2017.

Voor de Commissie

Margrethe VESTAGER

Lid van de Commissie


(1)   PB C 302 van 19.8.2016, blz. 5.

(2)  Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9).

(3)   PB C 156 van 2.5.2016, blz. 46.

(4)  Beschikking van het Gerecht van 9 maart 2016, Port autonome du Centre et de l'Ouest SCRL e.a./Commissie, T-438/15, ECLI:EU:T:2016:142.

(5)   PB C 175 van 17.5.2016, blz. 23.

(6)  Beschikking van het Gerecht van 27 oktober 2016, Port autonome du Centre et de l'Ouest SCRL e.a./Commissie, T-116/16, ECLI:EU:T:2016:656.

(7)   PB C 302 van 19.8.2016, blz. 5.

(8)  Artikel 1, § 1, WIB luidt als volgt: „Als inkomstenbelastingen worden geheven:

1.

een belasting op het totale inkomen van rijksinwoners, personenbelasting geheten;

2.

een belasting op het totale inkomen van binnenlandse vennootschappen, vennootschapsbelasting geheten;

3.

een belasting op inkomsten van andere Belgische rechtspersonen dan vennootschappen, rechtspersonenbelasting geheten;

4.

een belasting op inkomsten van niet-inwoners, belasting van niet-inwoners geheten.”.

(9)  In artikel 179 WIB wordt de in artikel 1 vermelde regel hernomen. De regels inzake de vennootschapsbelasting zijn vastgelegd in titel III, artikelen 179 tot en met 219 bis WIB.

(10)  De regels inzake de rechtspersonenbelasting zijn vastgelegd in titel IV, artikelen 220 tot en met 226 WIB.

(11)  In artikel 180, lid 2, WIB worden onderstaande entiteiten bedoeld: de CVBA Autonome Haven „du Centre et de l'Ouest” (coöperatieve vennootschap met beperkte aansprakelijkheid), de Maatschappij der Brugse Zeevaartinrichtingen, de Haven van Brussel, de gemeentelijke autonome havenbedrijven van Antwerpen, Oostende en Gent, de autonome havens van Luik, Charleroi en Namen, de NV „Waterwegen en Zeekanaal”, en de NV „De Scheepvaart”. Artikel 110 van de Wet van 18 december 2016 tot regeling van de erkenning en de afbakening van crowdfunding en houdende diverse bepalingen inzake financiën (BS 20 december 2016) bepaalt aangaande Artikel 180, lid 2, BIW het volgende: „(…) de woorden „de gemeentelijke autonome havenbedrijven van Antwerpen en Oostende, de naamloze vennootschap van publiek recht Havenbedrijf Gent” vervangen door de woorden „het gemeentelijke autonome havenbedrijf van Oostende, de naamloze vennootschappen van publiek recht Havenbedrijf Antwerpen en Havenbedrijf Gent”.”.

(12)  Artikel 220 WIB luidt als volgt: „Aan de rechtspersonenbelasting zijn onderworpen (…) 2. de rechtspersonen die ingevolge artikel 180, niet aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen; (…)”.

(13)  Artikel 221 WIB luidt als volgt: „De aan de rechtspersonenbelasting onderworpen rechtspersonen zijn uitsluitend belastbaar ter zake van:

1.

het kadastraal inkomen van hun in België gelegen onroerende goederen, (…);

2.

inkomsten en opbrengsten van roerende goederen en kapitalen, met inbegrip van de in artikel 21, leden 5, 6 en 10, vermelde eerste inkomstenschijven en de in artikel 21, lid 13, vermelde interesten, evenals in artikel 90, leden 5 tot 7 en lid 11, vermelde diverse inkomsten.”

(14)  Artikel 225 WIB luidt als volgt: „De belasting met betrekking tot in artikel 221 vermelde inkomsten is gelijk aan de onroerende en roerende voorheffing. (…)”.

(15)  Arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C-82/01 P, ECLI:EU:C:2002:617.

(16)  GwH nr. 162/2015, 19 november 2015, BS 5 februari 2016.

(17)  Decr. Vl. Parl. 2 maart 1999 houdende het beleid en het beheer van de zeehavens, BS 8 april 1999. Zie artikel 15, § 3. „De havengelden worden autonoom door de havenbedrijven vastgesteld, in redelijke verhouding tot de waarde van de […] tegenprestaties”.

(18)  Dit punt wordt eveneens genoemd door de Vlaamse Havencommissie. Die preciseert dat de overheidsfinanciering voor de infrastructuur voor maritieme toegang (met name de werking van sluizen en het baggeren van scheepvaartroutes die door bepaalde havens lopen.), de basisinfrastructuur van havens en de havenkapiteinsdiensten de afgelopen jaren is afgenomen.

(19)  GwH, nr. 151/2016, 1 december 2016, BS 12 januari 2017.

(20)   PB C 262 van 19.7.2016, blz. 1.

(21)  Rapportage van de Nederlandse mededingingsautoriteit over het havenbedrijf van Rotterdam, 2005, P_600019/255.R261, blz. 2.

(22)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 juni 1987, Commissie/Italië, 118/85, ECLI:EU:C:1987:283, punt 7; arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 1998, Commissie/Italië, C-35/96, ECLI:EU:C:1998:303, punt 36.

(23)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 september 2000, Pavlov e.a., gevoegde zaken C-180/98 tot en met C-184/94, ECLI:EU:C:2000:428, punt 74.

(24)  Arrest van het Gerecht van 24 maart 2011, Freistaat Sachsen en Land Sachsen-Anhalt e.a./Commissie, gevoegde zaken T-443/08 en T-455/08, ECLI:EU:T:2011:117, met name de punten 93 en 94, in hogere voorziening bevestigd door het arrest van het Hof van 19 december 2012, Mitteldeutsche Flughafen en Flughafen Leipzig-Halle/Commissie, C-288/11 P, ECLI:EU:C:2012:821, met name de punten 40 tot en met 43 en 47. Arrest van het Gerecht van 12 december 2000, Aéroports de Paris/Commissie, T-128/98, ECLI:EU:C:2000:290, punt 125, in hogere voorziening bevestigd door het arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C-82/01 P, ECLI:EU:C:2002:617.

(25)  Zie bijvoorbeeld het besluit van de Commissie van 15 december 2009 in staatssteunzaak N 385/2009 — Overheidsfinanciering voor haveninfrastructuur in de haven van Ventspils (PB C 62 van 13.3.2010, blz. 7); besluit van de Commissie van 15 juni 2011 in staatssteunzaak 44/2010 — Republiek Letland — Overheidsfinanciering voor haveninfrastructuur in de haven te Krievu salā (PB C 215 van 21.7.2011, blz. 21); besluit van de Commissie van 22 februari 2012 in staatssteunzaak SA.30742 (N/2010) — Litouwen — Bouw van infrastructuur voor de passagiers- en goederenterminal van Klaipeda (PB C 121 van 26.4.2012, blz. 1); besluit van de Commissie van 2 juli 2013 in staatssteunzaak SA.35418 (2012/N) — Griekenland — Uitbreiding van de haven van Piraeus (PB C 256 van 5.9.2013, blz. 2); besluit van de Commissie van 18 september 2013 in staatssteunzaak SA.36953 (2013/N) — Spanje — Havenautoriteit van Bahía de Cádiz (PB C 335 van 16.11.2013, blz. 1).

(26)  Zie bijvoorbeeld besluit van de Commissie van 18 september 2013 in staatssteunzaak SA.36953 (2013/N) — Spanje — Havenautoriteit van Bahía de Cádiz (PB C 335 van 16.11.2013, blz. 1).

(27)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 december 1991, Merci Convenzionali Porto di Genova, C-179/90, ECLI:EU:C:1991:464, punten 3 en 27; arrest van het Hof van 17 juli 1997 in zaak C-242/95, GT-Link A/S v. de Danske Statsbaner, ECLI:EU:C:1997:376, punt 52: „Daaruit volgt evenwel niet, dat de exploitatie van iedere handelshaven het beheer van een dienst van algemeen economisch belang uitmaakt, inzonderheid niet, dat alle in een dergelijke haven verrichte diensten onder een dergelijke taak vallen.”

(28)  Zie bijvoorbeeld het besluit van de Commissie van 18 december 2013 in staatssteunzaak SA.37402 — Vrijhaven van Boedapest (PB C 141 van 9.5.2014, blz. 1); besluit van de Commissie van 17 oktober 2012 in staatssteunzaak SA.34501 — Binnenhaven van Königs Wusterhausen/Wildau (PB C 176 van 21.6.2013, blz. 1); besluit van de Commissie van 1 oktober 2014 in staatssteunzaak SA.38478 — Haven van Györ-Gönyü (PB C 418 van 21.11.2014, blz. 1).

(29)  Zie artikel 15, §1 (betreffende de „algemene havenrechten”), van het Vlaams havendecreet van 2 maart 1999.

(30)  Zie artikel 15, §2 (betreffende de „bijzondere havenrechten”), van het Vlaams havendecreet van 2 maart 1999.

(31)  Zie artikel 25, §2 ( „De Vlaamse regering wordt gemachtigd om een gemeenschappelijke concertatiecommissie op te richten. [In deze gemeenschappelijke concertatiecommissie […] wordt […] een vijfjaarlijks, op bedrijfseconomische leest geschoeid promotieplan opgesteld en uitgewerkt.” ) en artikel 26, §1, ( „De betwistingen tussen de havenbedrijven onderling inzake de exploitatie en in het bijzonder inzake de commerciële activiteiten van de havenbedrijven […] worden beslecht door een havengeschillencommissie […]” ) van het Vlaams havendecreet van 2 maart 1999. Zie eveneens artikel 3 van het decreet van 1 april 1999 houdende oprichting van de Autonome Haven „du Centre et de l'Ouest” ( „Havenactiviteiten zijn activiteiten die uitgevoerd worden in verband met de functie van de Vennootschap, zoals goederen laden, afladen, opslaan en vervoeren, alsook industrie-, handels- en dienstverleningsactiviteiten.” ).

(32)  Zie commentaar nr. 179/10 bij het WIB.

(33)  Zie commentaar nr. 179/11 bij het WIB.

(34)  Zie commentaren nrs. 2/4, 179/10 et 179/11 bij het WIB.

Nummer 2/4: „Onder „vennootschap” wordt verstaan, enigerlei vennootschap, vereniging, inrichting of instelling die:

a)

regelmatig is opgericht;

b)

rechtspersoonlijkheid bezit;

c)

een onderneming exploiteert of zich bezighoudt met verrichtingen van winstgevende aard (art. 2, §2, lid 1, eerste regel, WIB 92).

Voor een nadere uitleg omtrent de in a, b en c bedoelde begrippen wordt verwezen naar 179/6 tot 20.”

Nummer 179/10: „Onder de uitdrukking „een onderneming exploiteren” moet worden verstaan een „nijverheids-, handels- of landbouwonderneming exploiteren” waarvan de winst een als dusdanig aan de PB onderworpen beroepsinkomen zou vormen indien die onderneming werd gevoerd door een natuurlijke persoon of door een vennootschap, vereniging, enz., zonder rechtspersoonlijkheid (art. 23, § 1, leden 1 en 24, WIB 92).”

Nummer 179/11: „De uitdrukking „zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard” dekt tegelijk:

1.

de „winstgevende bezigheden” (art. 23, § 1, leden 2 en 27, WIB 92), die de rechtspraak uitlegt als betekenend „bezigheden met winstoogmerken”;

2.

de „bezigheden van winstgevende aard, maar zonder winstoogmerken”, gekenmerkt door een voortdurende beroepswerkzaamheid, bestaande uit:

a)

verrichtingen van nijverheids-, handels- of landbouwkundige aard die zo vaak worden herhaald dat ze een „bezigheid” vormen;

b)

de aanwending van nijverheids- of handelsmethoden.

In punt 2 gaat het dus om bezigheden die uiteraard normaal winsten of baten afwerpen, zelfs indien de rechtspersoon die zich eraan wijdt, volgens zijn statuten of in feite, geen winst nastreeft.”

(35)  Besluit van de Commissie van 16 november 2002 betreffende staatssteun N 483/02 — België — Subsidies voor de havenbedrijven voor de uitvoering van overheidstaken (PB C 284 van 21.11.2002, blz. 2).

(36)  Arrest van het Hof van Justitie van 18 maart 1997, Calì & Figli, C-343/95, ECLI:EU:C:1997:160, punt 22.

(37)  Protocol (nr. 26) betreffende de diensten van algemeen belang (gehecht aan het VWEU).

(38)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 november 1995, FFSA e.a., C-244/94, ECLI:EU:C:1995:392, punt 21; arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, ECLI:EU:C:2008:376, punten 27 en 28

(39)  Zie punt 14 van de mededeling van 19 juli 2016.

(40)  Arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, ECLI:EU:C:2008:376, punt 25; arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris, C-82/01 P, punten 74 en 77.

(41)  De Commissie merkt in het bijzonder op dat volgens de Belgische autoriteiten bepaalde Belgische havens een deel van hun winsten uitkeren aan hun aandeelhouders.

(42)  Arrest van het Hof van Justitie van 29 oktober 1980, Van Landewyck, gevoegde zaken 209/78 tot en met 215/78 en 218/78, ECLI:EU:C:1980:248, punt 88; arrest van het Hof van Justitie van 16 november 1995, FFSA e.a., C-244/94, ECLI:EU:C:1995:392, punt 21; arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, ECLI:EU:C:2008:376, punten 27 en 28; arrest van het Hof van Justitie van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punten 122 en 123.

(43)  Arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C-82/01 P, ECLI:EU:C:2002:617, punt 78.

(44)  Onder DAEB wordt verstaan „het verrichten van diensten die een onderneming, indien zij zich door haar eigen commerciële belangen zou laten leiden, zonder compensatie niet, of niet in dezelfde mate of onder dezelfde voorwaarden, zou leveren” . Het gaat met name om prijs en kwaliteit (zie punten 47 en 48 van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 4).

(45)  Voor de haven van Antwerpen vertegenwoordigden in 2015 de verschillende vergoedingen en havengelden 290,3 miljoen EUR, dit is ongeveer 84 % van de bedrijfsopbrengsten (waaronder eveneens door de Vlaamse regering verleende werkingssubsidies) en 113 % van de bedrijfskosten (zie Jaarverslag 2015, blz. 61-62).

(46)  Artikel 25, §3, van het Vlaams havendecreet van 2 maart 1999 bepaalt: „De Vlaamse regering en de havenbedrijven ontwikkelen de initiatieven om […] harmonieuze tariefstructuren in de Vlaamse zeehavens te bewerkstelligen teneinde een loyale concurrentiepositie van de Vlaamse zeehavens te vrijwaren.” Uit de documenten die gevoegd zijn bij de opmerkingen van de haven van Brussel (blz. 102), blijkt eveneens dat de prijzen (en de kortingen) beschouwd worden als middel om de gedragspatronen van de vraag te beïnvloeden: „De Haven tracht actief het verkeer over de waterweg te ontwikkelen en de modal shift naar de waterweg te versterken via de volgende maatregelen: De Haven zet haar stimulerende tariefbeleid voort dat bestaat uit vaarrechten aan 0,00025 EUR/tkm en een vrijstelling van de aanmeerkosten voor maritiem verkeer, nieuw verkeer en toenemend verkeer. Het Gewest zal de Haven vergoeden voor het daardoor geleden inkomstenverlies. […] In dit kader: verleent de Haven kortingen op de concessieprijzen van haar terreinen aan bedrijven die het meest gebruik maken van de waterweg. […]”.

(47)  GwH nr. 162/2015, 19 november 2015, BS 5 februari 2016, punt A.2.2.

(48)  Zie punt 220 van de mededeling van 19 juli 2016.

(49)  De havenrechten voor de binnenscheepvaart zijn aan btw onderworpen. Zie artikel 5 van de tarieven van de haven van Antwerpen voor de binnenscheepvaart (tariefverordening op de binnenvaart, blz. 11). Ten gevolge van een specifieke vrijstelling vermeld in artikel 139 van de btw-richtlijn (Richtlijn 2006/112/EG van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1), overgenomen in artikel 42, lid 1, punt 5, van het Belgische btw-wetboek, zijn de havenrechten voor het internationale vervoer van btw vrijgesteld (geen vermelding van de btw in de tariefverordening op de zeeschepen). De behoefte aan een specifieke vrijstelling toont aan dat de betrokken diensten normaal gezien binnen het toepassingsgebied van de btw zouden vallen als diensten in de zin van artikel 2, lid 1, onder c), van de btw-richtlijn.

(50)  Besluit van 10 december 2008 (PB C 137 van 17.6.2009).

(51)  Besluit van 4 juli 2006 (PB C 276 van 14.11.2006).

(52)  Besluit van 7 juni 2006 (PB C 207 van 31.8.2006).

(53)  Arrest van het Gerecht van 24 maart 2011 in gevoegde zaken T-443/08 en T-455/08, Freistaat Sachsen e.a./Commissie, reeds aangehaald.

(54)  Arrest van het Hof van Justitie van 22 mei 2003, Korhonen, C-18/01, ECLI:EU:C:2003:300.

(55)  Richtlijn 92/50/EEG van de Raad van 18 juni 1992 betreffende de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor dienstverlening (PB L 209 van 24.7.1992, blz. 1).

(56)  Besluit van 27 maart 2014 — GRW — Regeling voor ontwikkeling van land voor industrieel en commercieel gebruik (PB C 141 van 9.5.2014, blz. 1).

(57)  Zie besluit van de Commissie betreffende staatssteun SA.36953 (2013/N) Haven van Bahía de Cádiz, overweging 29, besluit van de Commissie betreffende staatsteun SA.30742 (N/2010) Klaipėda, overwegingen 8 et 9, besluit van de Commissie betreffende staatssteun 44/2010, Haven van Krievu Sala, punt 67, en besluit van de Commissie betreffende staatssteun C 39/2009 (ex N 385/2009) Haven van Ventspils, overwegingen 30, 57 en 58.

(58)  Zie bijvoorbeeld punt 2.7 van het document Algemene Voorwaarden Concessies Havengebied. Zie ook de tariefvoorwaarden van de haven van Luik.

(59)  Antwoord op parlementaire vraag nr. 397 van de heer Willem-Frederik Schiltz van 7 mei 2013 (Kamer, Vragen en Antwoorden, 2012-2013, QRVA 53/128 van 9 september 2013, blz. 86); antwoord op mondelinge parlementaire vraag nr. 4288 van de heer Servais Verherstraeten van 11 mei 2011 (Beknopt Verslag 53, Commissie voor de Financiën en de Begroting 229 van 11 mei 2011, blz. 22). Het Hof van Justitie heeft eveneens geoordeeld dat die activiteit een economische activiteit is in de zin van de btw-richtlijn (zie arrest van het Hof van 25 oktober 2007, Ministero delle Finanze — Ufficio IVA di Milano tegen CO.GE.P. Srl, C-174/06, ECLI:EU:C:2007:634, punten 31 tot en met 35.

(60)  Zie punt 207 van de mededeling van 19 juli 2016.

(61)  Arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline, C-143/99, ECLI:EU:C:2001:598.

(62)  Zie artikel 221 WIB.

(63)  Zie artikel 225 WIB.

(64)  Zie punt 206 van de mededeling van 19 juli 2016 en, op het gebied van DAEB, arrest van het Hof van Justitie van 24 juli 2003, Altmark Trans, C-280/00, ECLI:EU:C:2003:415, punten 87 tot en met 95.

(65)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 mei 2000, Frankrijk/Ladbroke Racing Ltd en Commissie, C-83/98 P, ECLI:EU:C:2000:248, punten 48 tot en met 51.

(66)  Arrest van het Hof van Justitie van 22 juni 2006, België en Forum 187/Commissie, gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03, ECLI:EU:C:2006:416, punt 128.

(67)  Arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2005, Italië/Commissie, C-66/02, EU:C:2005:768, punt 94.

(68)  Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, ECLI:EU:C:2006:511, punt 56; arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., gevoegde zaken C-78/08 tot en met C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550, punt 49.

(69)  Dat is het geval wanneer een maatregel rechtstreeks voortvloeit uit de basis- of hoofdbeginselen van het referentiestelsel of het gevolg is van inherente mechanismen die noodzakelijk zijn voor het functioneren en de doeltreffendheid van het stelsel, zie arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., gevoegde zaken C-78/08 tot en met C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550, punt 69.

(70)  Arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, ECLI:EU:C:2006:511, punt 81; Arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., gevoegde zaken C-78/08 tot en met C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550, punt 65.

(71)  Zie commentaar 179/2: „ De aandacht wordt er nu reeds op gevestigd dat, niettegenstaande ze principieel als aan de Ven.B onderworpen belastingplichtigen kunnen worden aangemerkt, op grond van de art. 180 tot 182, WIB 92, uit de Ven.B zijn gesloten: 1. de rechtspersonen die „onvoorwaardelijk” uit de Ven.B zijn gesloten (zie commentaar van art. 180, WIB 92); […]”.

(72)  Zie commentaar 179/16: „De Belgische handelsvennootschappen (NV, CVA, VOF, GCV, BVBA, CV en CVOHA) zijn, in beginsel, opgericht om een winstgevende werkzaamheid uit te oefenen. Over het algemeen wijden ze zich effectief aan een of andere nijverheids-, handels- of landbouwonderneming, of wel aan een winstgevende bezigheid, of wel aan beide, en moeten alle winsten en baten die ze behalen worden geacht van die werkzaamheid voort te komen.” . Zie eveneens de punten A.2.1 en B.3.1 van arrest 148/2012 van het Grondwettelijke Hof van 6 december 2012 (BS 29 januari 2013). In antwoord op een parlementaire vraag stelde de minister van Financiën dat voor de autonome gemeentebedrijven geval per geval moet worden nagegaan of ze onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, dan wel aan de rechtspersonenbelasting, al naargelang de aard van de betrokken activiteiten. Aangezien die activiteiten volgens het koninklijk besluit van 10 april 1995 activiteiten van industriële of commerciële aard moeten zijn, kan volgens de minister worden aangenomen dat de autonome gemeentebedrijven in beginsel aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen (Vr. en Antw, Kamer, 1996-1997, nr. 86, 16 juni 1997, blz. 11749-11750; Vr. en Antw., Kamer, 2001-2002, 26 maart 2002, CRIV 50 COM 702, blz. 8-9)

(73)  Zie artikel 15, § 2. „De Vlaamse regering wordt gemachtigd om een gemeenschappelijke concertatiecommissie op te richten. [In deze gemeenschappelijke concertatiecommissie […]] wordt […] een vijfjaarlijks, op bedrijfseconomische leest geschoeid promotieplan opgesteld en uitgewerkt.”.

(74)  Zie artikel 26, § 1: „De betwistingen tussen de havenbedrijven onderling inzake de exploitatie en in het bijzonder inzake de commerciële activiteiten van de havenbedrijven […] worden beslecht door een havengeschillencommissie […]”.

(75)  Zie arrest 136/98 van 16 december 1998, BS 6 januari 1999, blz. 261, punt A.7.1: „Volgens de Ministerraad bevinden de vennootschappen en de rechtspersonen bedoeld in artikel 220, lid 2, van het WIB. zich wel in een vergelijkbare situatie. Hoewel de laatstgenoemde rechtspersonen door artikel 180 van het WIB. uit de vennootschapsbelasting worden gesloten, gaat het wel degelijk om rechtspersonen die een onderneming exploiteren en zich bezighouden met verrichtingen van winstgevende aard in de zin van artikel 2, § 2, leden 1 en 2, van het WIB.”. Zie eveneens punt A.7.2: „Tussen de rechtspersonen bedoeld in artikel 220, leden 1 en 3, enerzijds, en die welke zijn bedoeld in artikel 220, lid 2, [d.w.z. de havens] anderzijds, bestaat een objectief criterium van onderscheid doordat alleen de laatstgenoemden verrichtingen van winstgevende aard uitoefenen. […]”

(76)  Openbare vergadering van woensdag 29 januari 1997, commissie voor de financiën en de begroting, interpellatie van de heer Jacques Simonet tot de vice-eerste minister en minister van Financiën en Buitenlandse Handel over de toepassing van de rechtspersonenbelasting op de Belgische havens (nr. 1017). Zie http://www3.dekamer.be/digidocanha/K0112/K01120466/K01120466.PDF blz. 5.

(77)  Als voor de wijze van functioneren specifieke beginselen beschouwt het Hof van Justitie in zijn arrest van 8 september 2011 (arrest Paint Graphos e.a., gevoegde zaken C-78/08 tot en met C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550, punten 55 en volgende) het beginsel van de voorrang van de individuele persoon, de regel „één stem per lid” en het bestuur ten voordele van de leden van de betrokken entiteit; de havens vertonen deze kenmerken echter niet.

(78)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punten 136 en 137.

(79)  Arrest van het Hof van Justitie van 15 november 2011, Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, gevoegde zaken C-106/09 tot en met C-107/94, ECLI:EU:C:2011:732, punten 101 en volgende.

(80)  De interpretatie dat artikel 180, lid 2, WIB op de havens slechts de algemene regels toepast door te oordelen dat dit geen „vennootschappen” zijn, wordt hieronder onderzocht.

(81)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punten 136 en 137.

(82)  Het nationale recht kan de conformiteit van een maatregel met hogere normen toetsen aan andere criteria dan de goede werking van het belastingstelsel.

(83)  Bepaalde entiteiten, met name de intercommunales die in België recentelijk aan de vennootschapsbelasting zijn onderworpen, verzorgen eveneens taken van algemeen belang. Zie punt B.19.1 van arrest 151/2016 van 1 december 2016, waarin het Belgisch Grondwettelijk Hof in herinnering brengt dat intercommunales zijn „opgericht met een doel van algemeen belang” en dat zij „de taak op zich [nemen] een gemeentelijke plicht te vervullen” .

(84)  Volgens punt 11 van de officiële commentaar op artikel 49 is de niet-aftrekbaarheid gericht op „pure privé-verrichtingen” , ofschoon tijdens de onderhavige procedure is aangevoerd dat de kosten die gemaakt zijn in het algemeen belang niet aftrekbaar zouden zijn.

(85)  De opmerkingen die de Commissie heeft ontvangen, hebben betrekking op de goederen van overheidsdiensten „uit hun aard” van artikel 220, lid 1, WIB, namelijk „(de Staat, de Gemeenschappen, de Gewesten, de provincies, de agglomeraties, de federaties van gemeenten, de gemeenten, de openbare centra voor maatschappelijk welzijn, de openbare kerkelijke instellingen en de polders en wateringen” en niet op de goederen van de havens: noch de gemeentelijke autonome havenbedrijven, noch de overige soorten havens die worden bedoeld in overweging 13 en in voetnoot op 12 vallen onder dat artikel.

(86)  Zie arrest van het Hof van Justitie van 24 juli 2003, Altmark Trans, C-280/00, ECLI:EU:C:2003:415.

(87)  Zie Voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een kader voor de toegang tot de markt voor havendiensten en de financiële transparantie van havens COM(2013) 296 final (PB C 327 van 12.11.2013, blz. 111). Zie eveneens de Mededeling van de Commissie inzake een Europees havenbeleid COM(2007) 616 definitief, punt II.4.2.

(88)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 december 1969, Commissie/Frankrijk, gevoegde zaken 6/69 en 11/69, ECLI:EU:C:1969:68, punt 21; arrest van het Hof van Justitie van 22 maart 1977, Steinike & Weinlig, 78/76, ECLI:EU:C:1977:52, punt 24; arrest van het Gerecht van eerste aanleg van 30 april 1998, Vlaamse Gewest tegen Commissie, T-214/95, ECLI:EU:T:1998:77 punt 54, en arrest van het Hof van Justitie van 19 mei 1999, Italië/Commissie, C-6/97, ECLI:EU:C:1999:251, punt 21.

(89)  Artikel 25, § 3: „De Vlaamse regering en de havenbedrijven ontwikkelen de initiatieven om […] harmonieuze tariefstructuren in de Vlaamse zeehavens te bewerkstelligen teneinde een loyale concurrentiepositie van de Vlaamse zeehavens te vrijwaren.” Artikel 25, § 4: „Indien de tarieven […] kennelijk indruisen tegen het algemeen belang of tegen een eerlijke concurrentie tussen de havenbedrijven moet de gewestelijke havencommissaris deze beslissingen voorleggen aan de concertatiecommissie. […]”.

(90)  Zie Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (2012/C 8/02) (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 4). Zie tevens Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3).

(91)  Zie conclusies van advocaat-generaal Kokott in zaak C-74/16, Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania v Ayuntamiento de Getafe, ECLI:EU:C:2017:135, punt 75.

(92)  Zie Besluit (EU) 2016/634 van de Commissie van 21 januari 2016 betreffende steunmaatregel SA.25338 (2014/C) (ex E 3/2008 en ex CP 115/2004) ten uitvoer gelegd door Nederland — Vrijstelling vennootschapsbelasting voor overheidsondernemingen (PB L 113 van 27.4.2016, blz. 148).

(93)  Zie parlementair stuk, Kamer nr. 54 0672/001, blz. 8-9.

(94)  Zie voetnoot 92.


14.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 332/24


BESLUIT (EU) 2017/2116 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2017

betreffende steunmaatregel nr. SA.38398 (2016/C, ex 2015/E) ten uitvoer gelegd door Frankrijk — Belastingregime Franse havens

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 5176)

(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1) en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt,

1.   PROCEDURE

(1)

Op 3 juli 2013 hebben de diensten van de Commissie alle lidstaten een vragenlijst over het functioneren en de belastingregeling van hun havens toegezonden om een volledig beeld te krijgen en de situatie van de havens te verduidelijken in het licht van de EU-regels inzake staatssteun. De Franse autoriteiten hebben geantwoord bij schrijven van 25 oktober 2013. De diensten van de Commissie hebben bij brief van 3 februari 2014 om aanvullende inlichtingen verzocht over de op de havens toepasselijke regels inzake de Franse vennootschapsbelasting. De Franse autoriteiten hebben daarop geantwoord bij brief van 1 april 2014.

(2)

Bij brief van 9 juli 2014 heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 21 van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad (2) (hierna „de procedureverordening” genoemd), de Franse autoriteiten in kennis gesteld van haar voorlopige beoordeling van de Franse regels inzake de belastingregeling voor de havens. In deze brief wordt aangegeven dat de Commissie deze steunmaatregelen als bestaande staatssteun beschouwt en worden de redenen uiteengezet waarom de Commissie die onverenigbaar acht met de interne markt. De Commissie heeft de Franse autoriteiten in de mogelijkheid gesteld hun opmerkingen bij deze eerste beoordeling te formuleren. Bij brief van vrijdag 7 november 2014 hebben de Franse autoriteiten hun opmerkingen ingediend. Op 12 december 2014 is een bijeenkomst tussen de diensten van de Commissie en de Franse autoriteiten gehouden. Op 15 januari 2015 hebben die laatste aanvullende opmerkingen ingediend bij de Commissie. De diensten van de Commissie hebben de Franse autoriteiten bij brief van 1 juni 2015 meegedeeld dat zij in die fase bij hun voorlopige standpunt uit de brief van 9 juli 2014 bleven.

(3)

De Commissie heeft haar standpunt bij brief van 21 januari 2016 bevestigd en heeft de Franse autoriteiten overeenkomstig artikel 108, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „VWEU” genoemd) en artikel 22 van de procedureverordening voorgesteld om, bij wijze van dienstige maatregel, de vrijstelling van de vennootschapsbelasting (hierna „VB” genoemd) voor de havens af te schaffen voor de inkomsten van hun economische activiteiten vanaf het begin van het boekjaar 2017. De Franse autoriteiten is verzocht zich binnen twee maanden onvoorwaardelijk en ondubbelzinnig uit te spreken over het voorstel van de Commissie, in overeenstemming met artikel 23, lid 1, van de procedureverordening.

(4)

De Franse autoriteiten hebben hun opmerkingen bij brief van 11 april 2016 aan de Commissie doen toekomen. Op 27 juni 2016 is een bijenkomst tussen de Franse autoriteiten en de diensten van de Commissie gehouden.

(5)

Aangezien het antwoord van de Franse autoriteiten geen onvoorwaardelijke en ondubbelzinnige aanvaarding van het voorstel tot nuttige maatregelen inhield, heeft de Commissie bij brief van 8 juli 2016 besloten om de in artikel 108, lid 2, van het VWEU vastgestelde procedure in te leiden, overeenkomstig artikel 23, lid 2, van de procedureverordening. Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is in het Publicatieblad van de Europese Unie (3) bekendgemaakt. De Commissie heeft Frankrijk verzocht om zijn opmerkingen bij de inhoud van het besluit kenbaar te maken. Zij heeft de belanghebbenden eveneens verzocht hun opmerkingen over de maatregel kenbaar te maken.

(6)

Bij schrijven van 19 september 2016 heeft Frankrijk zijn opmerkingen aan de Commissie meegedeeld.

(7)

De Commissie heeft van de volgende belanghebbenden opmerkingen ontvangen: de grote zeehavens van het vasteland (Le Havre, Rouen, Duinkerke) en de overzeese departementen (Guyana, Guadeloupe), de kamers van koophandel en industrie (hierna „KKI” genoemd), havenbeheerders (KKI van Brest, KKI van Bayonne Baskenland), beroepsverenigingen of vertegenwoordigers van de havens en de maritieme sector in het algemeen (Franse vereniging van de binnenhavens (Association française des ports intérieurs, hierna „AFPI” genoemd), het verbindingscomité voor de bevordering van het vervoer over de binnenwateren/Provoideau, de Franse Havenunie (Union des ports de France, hierna „UPF”), het Franse Instituut voor de zee), de decentrale overheden (departement Guadeloupe, regio Guadeloupe, regio Bretagne) en de haven van Rotterdam, namens vijf Nederlandse publieke zeehavens.

(8)

De Commissie heeft die opmerkingen aan Frankrijk doen toekomen en Frankrijk de gelegenheid gegeven om er opmerkingen bij te maken. Zij heeft de opmerkingen van Frankrijk bij brief van 3 november 2016 ontvangen. Op 16 november 2016 is een vergadering georganiseerd tussen de Franse autoriteiten en de diensten van de Commissie.

2.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN EN ACHTERGROND

2.1.   Eigendom en exploitatie van de havens in Frankrijk

(9)

Het Franse havenstelsel (vissershavens, handelshavens en jachthavens) bestaat uit staatshavens (enerzijds de grote zeehavens, hierna „GZH” genoemd, de vroegere zogeheten „autonome havens”; anderzijds de grote binnenhavens, meer in het bijzonder de autonome havens van Parijs en Straatsburg) en havens van de decentrale overheden. Hoewel Frankrijk aangeeft dat de betwiste maatregel gericht is op vissershavens en handelshavens, kunnen jachthavens worden geëxploiteerd door entiteiten die onder de vrijstelling van de vennootschapsbelasting vallen (zoals de KKI's) en is de procedure bijgevolg ook voor deze havens van belang.

(10)

De GZH, die tot de hervorming van 2008 (4)„autonome havens” werden genoemd, zijn staatsinstellingen. Zij verwerken meer dan 80 % van het Franse goederenverkeer over zee. Volgens Frankrijk oefenen de GZH de volgende taken uit: regeling van en politiediensten voor het zeevaartverkeer in de havengebieden en de toegang ertoe, via havenkapiteinsdiensten, inrichting en onderhoud van de haveninfrastructuur, beheer en opwaardering van het havengebied, algemene promotie van de haven, ontwikkeling van het aanbod aan havendiensten en de toegangsmogelijkheden over land via het spoor en de binnenwateren. Zij beschikken over financiële autonomie.

(11)

De exploitatie van de GZH valt onder de bevoegdheid van de staat. Er is een openbaar accountant aan deze havens verbonden, en ze worden gecontroleerd door vertegenwoordigers van de staat. Frankrijk geeft aan dat de taken van de GZH sinds de hervorming van 2008, waarmee de activiteiten op het gebied van goederenbehandeling zijn overgeheveld naar de particuliere sector, opnieuw zijn toegespitst op beveiliging, veiligheid en havenpolitie, enerzijds, en taken met betrekking tot de inrichting van het havengebied, anderzijds. De havens zijn sindsdien eigenaar van hun terreinen.

(12)

De autonome binnenhavens, met name de autonome haven van Parijs en de autonome haven van Straatsburg, worden geëxploiteerd door staatsinstellingen. De overige binnenhavens worden beheerd door concessiehouders (gewoonlijk KKI's).

(13)

De havens die eigendom zijn van de decentrale overheden, de zogeheten gedecentraliseerde havens, worden gecontroleerd door de overheden en de exploitatie ervan wordt gewoonlijk toevertrouwd aan KKI's of aan maritieme kamers van koophandel (5). Volgens Frankrijk zijn deze havens gewoonlijk relatief klein en zijn zij van lokaal belang.

2.2.   Voor de havens geldende regels betreffende de vennootschapsbelasting

(14)

Overeenkomstig de bepalingen van artikel 205, artikel 206, lid 1, en artikel 1654 van het algemene belastingwetboek (hierna het „ABW” genoemd) zijn privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die betrokken zijn bij een exploitatie of bij activiteiten met een winstoogmerk onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Voorts zijn overheidsinstelling met een industrieel of commercieel karakter in overeenstemming met artikel 165 van bijlage 4 bij het ABW onderworpen aan alle directe belastingen en soortgelijke heffingen die van toepassing zijn op gelijksoortige particuliere ondernemingen. In artikel 167 van bijlage 4 bij datzelfde wetboek is bepaald dat deze bepalingen meer in het bijzonder van toepassing zijn op de „kamers van koophandel en industrie” en op de „autonome havens” (die sinds 2008 grote zeehavens worden genoemd, met uitzondering van bepaalde havens zoals de binnenhavens van Parijs en Straatsburg).

(15)

Toch zijn „de autonome havens, de maritieme kamers van koophandel, de kamers van koophandel en industrie die haveninstallaties beheren, de gemeenten die concessiehouder zijn van overheidsuitrusting in zeehavens die eigendom is van de staat en de ondernemingen die hun plaats hebben ingenomen voor de exploitatie van die uitrusting” bij de ministeriële besluiten van 11 augustus 1942 en 27 april 1943 (6) vrijgesteld van de vennootschapsbelasting. Die vrijstelling heeft meer in het algemeen betrekking op alle „gebouwen en diensten die nodig zijn voor de exploitatie van de havens of die rechtstreeks van die exploitatie afhankelijk zijn” . In de belastingdocumenten is gepreciseerd „dat het bovengenoemde besluit [besluit van 11 augustus 1942] op liberale wijze dient te worden toegepast en dat de belastingvrijstelling niet alleen dient te worden gehandhaafd met betrekking tot diensten waarvan het maritieme karakter niet kan worden ontkend, maar ook voor installaties van de maritieme kamers van koophandel die, hoewel zij strikt genomen geen haveninstallaties zijn, toch verband houden met de exploitatie van een haven zonder dewelke zij geen bestaansreden zouden hebben” en dat de „financiële opbrengsten die de autonome havens en de maritieme kamers van koophandel en industrie verkrijgen via de belegging van bedragen afkomstig van industriële en commerciële maritieme installaties” eveneens zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting.

3.   REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

(16)

In haar brief van 8 juli 2016 heeft de Commissie opgemerkt dat de Franse autoriteiten het tijdspad voor de tenuitvoerlegging van de dienstige maatregelen zoals vermeld in haar brief van 21 januari 2016 niet hadden aanvaard en dat zij, hoewel zij in hun inleiding hadden aangegeven dat zij in beginsel geen bezwaar maakten tegen de door de Commissie voorgestelde maatregelen, de kwalificatie door de Commissie als staatssteun voor kleine havens in twijfel trekken. De Commissie was van oordeel dat de Franse autoriteiten de door de Commissie op 21 januari 2016 voorgestelde dienstige maatregelen niet onvoorwaardelijk, ondubbelzinnig en in hun geheel hadden aanvaard.

(17)

Aangezien de Commissie nog steeds van mening was dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor de havens, vanwege hun economische activiteiten, een bestaande steunregeling was en zij haar twijfels had bij de verenigbaarheid van deze regeling met de interne markt, heeft zij besloten om overeenkomstig artikel 23, lid 2, van de procedureverordening de in artikel 108, lid 2, van het VWEU vastgestelde procedure in te leiden.

4.   OPMERKINGEN ONTVANGEN VAN DE FRANSE AUTORITEITEN EN DE BELANGHEBBENDEN NA DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

4.1.   Ondernemingen/economische activiteiten

(18)

Bepaalde exploitanten van Franse zeehavens en vertegenwoordigers van havenbeheerders, meer in het bijzonder de GZH van Le Havre, de KKI van Brest en de UPF zijn van mening dat havens geen „ondernemingen” zijn in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU. De Franse autoriteiten volgen die redenering en voegen eraan toe dat havens „geen ondernemingen zoals alle andere zijn” , maar „actoren die ten dienste staan van andere ondernemingen” en dat „het feit dat in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie een ad-hocartikel is opgenomen [artikel 93] inzake staatssteun in de vervoersector, aangeeft dat de Europese wetgever rekening wilde houden met deze specifieke situatie” .

4.1.1.   Activiteiten van algemeen belang of die tot de essentiële taken van de staat behoren

(19)

Volgens de KKI van Brest verlenen havens niet-economische diensten van algemeen belang (DAB) en is de overheid als enige bevoegd om de perimeter van activiteiten van algemeen belang af te bakenen. Artikel 107, lid 1, van het VWEU is niet van toepassing als de staat handelt „in de hoedanigheid van overheid” , hetgeen het geval is voor havens die uitvoerende taken hebben die uit hoofde van de wet door de staat zijn gedelegeerd. Volgens de KKI van Brest wordt in de ministeriële besluiten van 11 augustus 1942 en 27 april 1943 artikel 165 van bijlage 4 bij het ABW toegepast en wordt in de besluiten erkend dat de activiteiten van de havens geen winstoogmerk hebben.

(20)

De UPF en de GZH van Le Havre voegen daaraan toe dat bepaalde Franse havens installaties van vitaal belang zijn „waarvan de onbeschikbaarheid het oorlogspotentieel of het economische potentieel, de veiligheid en het overlevingsvermogen van de natie” in de zin van artikel L. 1332-1 van het defensiewetboek „ernstig zou kunnen beperken” en bijgevolg infrastructuur vormen die bedoeld is voor activiteiten die tot de essentiële taken van de staat behoren.

(21)

De GZH van Le Havre onderstreept onder verwijzing naar zaak C-276/97 dat de GZH publiekrechtelijke instellingen zijn die hun activiteit uitvoeren in het kader van de voor hen geldende regeling met betrekking tot de oprichting, controle, governance en inkomsten. Als „publiekrechtelijke instellingen” die hun activiteiten uitvoeren „in de hoedanigheid van overheidsinstanties” , zouden de GZH voldoen aan de voorwaarden om de in artikel 4, lid 5, van de zesde btw-richting vastgestelde btw-vrijstelling te genieten.

(22)

Tot slot zijn de Franse autoriteiten en verschillende havenbeheerders van mening dat baggerwerkzaamheden, ongeacht of zij binnen of buiten de havens worden verricht, niet-economische activiteiten zijn en dat de Commissie dat in een besluit van 20 oktober 2004 in dossier N520/200[3] (***) (7) (hierna „het besluit van 20 oktober 2004” genoemd) heeft gesteld. Zij lichten toe dat deze activiteit het mogelijk maakt om alle terminals te bedienen en noodzakelijk is om te waarborgen dat elke marktdeelnemer die dit nodig heeft, veilig toegang heeft tot de vaargeulen en wateroppervlakken van de haven, en zo het vrije verkeer voor alle schepen mogelijk maakt. Uitbaggering komt zonder onderscheid alle marktdeelnemers in het bediende gebied en dus ook de gehele maritieme gemeenschap ten goede.

4.1.2.   Niet-economische activiteiten

(23)

De GZH van Le Havre geeft aan dat de structuur van de havenrechten op nationaal niveau wordt bepaald en dat het Hof van Justitie in zaak C-343/95 belang heeft gehecht aan het feit dat de tarieven worden goedgekeurd door de overheid. Zij is van mening dat alle taken die uit hoofde van artikel L. 5312-2 van het vervoerswetboek aan de GZH zijn toevertrouwd, niet-economisch van aard zijn volgens de beschikkingspraktijk van de Commissie, meer in het bijzonder het besluit van 20 oktober 2004 en de in punt 17, onder a) en f), van de mededeling van de Commissie van 19 juli 2016 betreffende het begrip staatssteun (8) (hierna „de mededeling van 19 juli 2016” genoemd) genoemde besluiten. Zij stelt dat de GZH sinds de hervorming van 2008 slechts bij wijze van uitzondering overheidsuitrusting kunnen exploiteren en dat dit de enige activiteit is die eventueel als economisch activiteit had kunnen worden beschouwd.

(24)

De GZH van Le Havre en de KKI van Brest zijn van mening dat elke economische restactiviteit van de havens hoe dan ook als bijkomende activiteit dient te worden beschouwd, en dat dergelijke activiteiten dus niet als economische activiteiten in de zin van de punten 18 en 207 van de mededeling van 19 juli 2016 dienen te worden beschouwd.

(25)

De AFPI geeft aan dat het verzekeren van rendement op investering, een doorslaggevende doelstelling bij de investeringskeuzes van klassieke ondernemingen, voor havens van secundair belang is, na het algemene belang. De AFPI is van mening dat de Commissie in haar besluit van 20 oktober 2004 zelf heeft erkend dat projecten voor haveninfrastructuur „nooit op louter commerciële basis zouden worden opgezet” . Zij voegt eraan toe dat het mededingingsrecht alleen van toepassing dient te zijn op ondernemingen met een winstoogmerk of commerciële ondernemingen en dat de winsten van de binnenhavens (rivierhavens), die geen aandeelhouders hebben, systematisch opnieuw worden geïnvesteerd.

4.2.   Economisch voordeel

(26)

Verschillende exploitanten van Franse zeehavens en de vertegenwoordigers van exploitanten van binnenhavens zijn van mening dat de onderzochte maatregel een compensatie biedt voor de taken die door de overheid aan de havens worden toevertrouwd. De GZH van Duinkerke stelt dat de kosten van die taken de theoretische lasten van de vennootschapsbelasting systematisch overschrijden. De belastingvrijstelling zou de havens dus geen economisch voordeel opleveren.

4.3.   Selectiviteit

(27)

De Franse autoriteiten en meerdere exploitanten van Franse zeehavens zijn van mening dat de maatregel niet selectief is, aangezien hij voor alle Franse havens geldt en al meer dan 70 jaar integrerend deel uitmaakt van het Franse belastingstelsel.

(28)

Zij voegen daaraan toe dat de Commissie niet zou hebben aangetoond waarom de havens in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie zouden verkeren als andere ondernemingen en geven aan dat de havens overeenkomstig het nationale recht de nodige voorwaarden scheppen opdat de vervoersondernemers hun taken kunnen uitoefenen, zonder dat zij met die laatsten concurreren of hen vervangen, en dat zij taken moeten vervullen die openbare dienstverrichtingen vormen of die onder de bevoegdheden van het openbaar gezag vallen. De GZH van Le Havre verduidelijkt dat grote aandeel van havenrechten in de begroting van havens, de reikwijdte van de controle door de staat op de GZH en het feit dat er geen „marktdeelnemers zijn die in normale economische omstandigheden opereren […] gezien het wettelijke monopolie van de GZH op de havenexploitatie” hen onderscheiden van de overige marktdeelnemers. Voor de regio Bretagne zou het feit dat bepaalde kleine havens door KKI worden beheerd, aantonen dat zij zich in een andere situatie bevinden.

(29)

De KKI van Brest, beheerder van de haven van Brest, en de GZH van Le Havre geven aan dat de grondslag voor de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor havens artikel 165 van bijlage 4 bij het ABW zou zijn, voor zover de havens geen activiteiten met winstoogmerk uitvoeren die aan de vennootschapsbelasting onderworpen zouden kunnen worden. De ministeriële besluiten van 11 augustus 1942 en 27 april 1943 zouden daarom alleen de toepassing van de algemene bepalingen van artikel 165 van bijlage 4 en de artikelen 205 en 206 van het ABW op de havens bevestigen.

(30)

Verschillende exploitanten van Franse zeehavens verwijzen naar de Franse Constitutionele Raad, die van mening is dat van het beginsel van gelijke behandeling met betrekking tot belastingen kan worden afgeweken voor zover de wetgever de verschillende behandeling baseert op objectieve, redelijke criteria en met het oog op de doelstelling van de maatregel, en op voorwaarde dat die maatregel geen duidelijke breuk vormt met de gelijkheid voor de openbare lasten (besluit nr. 2012-238 QPC van 20 april 2012 (9)), en bepleiten dat de onderzochte maatregel geen duidelijke breuk met de gelijkheid voor de openbare lasten vormt.

4.4.   Verstoring van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer

(31)

De Franse autoriteiten en meerdere exploitanten van Franse zeehavens geven aan dat de Commissie niet aantoont dat de mededinging wordt verstoord, terwijl het concurrerende verkeer beperkt is en de aantrekkelijkheid van de havens wordt gemeten aan de hand van talrijke parameters (prestaties van andere schakels in de logistieke keten), waarop de onderwerping van de havens aan de vennootschapsbelasting geen enkel effect zal hebben. De AFPI is van mening dat de binnenhavens in tegenstelling tot de zeehavens niet met elkaar concurreren aangezien hun achterland veel beperkter en verschillender is.

(32)

De Franse autoriteiten en verschillende exploitanten van Franse zeehavens zijn van mening dat de activiteiten van kleine havens (havens die geen deel uitmaken van de trans-Europese vervoersnetten) de mededinging niet beïnvloeden gezien het volume van hun activiteiten en hun voornamelijk plaatselijke impact, vooral aangezien de gecumuleerde activiteit van de kleine Franse havens slechts 1 % van het totale verkeer van de Unie uitmaakt. De Commissie zou zelf hebben erkend dat „de steun voor infrastructuur in havens waarvan het aandeel op de desbetreffende markt minder dan 5 % van het personen- of goederenvervoer bedraagt, volgens de gevestigde praktijk geen negatief effect heeft op de mededinging en de handel tussen de lidstaten” (besluit van 11 april 2016 in de zaak SA.43975, haven van Funchal (10)).

(33)

Meerdere belanghebbende partijen zijn van mening dat de overzeese havens niet kunnen concurreren met de havens van andere lidstaten.

(34)

Voor de Franse autoriteiten en meerdere belanghebbenden zou het tot een verstoring van de mededinging tussen de Europese havens leiden als de Franse havens nu aan de vennootschapsbelasting zouden worden onderworpen, aangezien de lidstaten allemaal andere belastingtarieven hanteren. Zij voegen daaraan toe dat talrijke lidstaten hun havens op verschillende, al dan niet fiscale manieren, financiële steun bieden.

(35)

De haven van Rotterdam is van mening dat de vennootschapsbelasting voor de Nederlandse havens aanzienlijke kosten zal opleveren in 2017, die hun concurrenten, met name de havens van Duinkerke en Le Havre, niet moeten betalen.

4.5.   Verenigbaarheid

(36)

Volgens de Franse autoriteiten en meerdere exploitanten van Franse havens, zou de desbetreffende vrijstelling in elk geval verenigbaar zijn met de interne markt, aangezien zij het mogelijk maakt om bepaalde door de havens gefinancierde taken die onder de bevoegdheid van de overheid vallen (taken in verband met de havenkapiteinsdiensten, de uitbaggering van de toegangen tot de haven, het onderhoud van verdedigingswerken, de toegangen over land, de bescherming van het milieu en de veiligheid of beveiliging) te compenseren. Voor zover het bedrag van de vennootschapsbelasting waarvan elke haven is vrijgesteld het bedrag van de kosten die voortvloeien uit de overheidsbevoegdheden niet overschrijden, of zelfs aanzienlijk lager is dan dat laatste bedrag, zou deze vrijstelling dus verenigbaar zijn met de interne markt.

(37)

De vertegenwoordigers van de beheerders van de binnenhavens onderstrepen dat de binnenhavens een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van het multimodale vervoer, dat investeringen in de havens binnen het toepassingsgebied van artikel 93 van het VWEU (coördinatie van het vervoer) vallen en dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting eveneens binnen het toepassingsgebied van artikel 107, lid 3, onder b), van het VWEU inzake belangrijke projecten van gemeenschappelijk Europees belang, zoals Seine Nord Europe en de trans-Europese vervoerscorridors, valt. De AFPI stelt dat artikel 93 van het VWEU van toepassing zou kunnen zijn, aangezien het voorziet in „de vergoeding van bepaalde met het begrip” openbare dienst „verbonden, verplichte dienstverrichtingen” .

(38)

Volgens de Franse autoriteiten en meerdere belanghebbenden in de overzeese departementen moet de verenigbaarheid van de maatregel voor de havens in de overzeese departementen uit hoofde van artikel 349 van het VWEU specifiek worden onderzocht. Vanwege de geringe omvang van de markten, het insulaire of afgelegen karakter van deze gebieden en de afstand tot andere Europese havens, lijkt de onderzochte maatregel geen gevolgen te hebben voor de mededinging. De GZH van Guadeloupe verwijst naar het voorstel om de steun voor de werking van het overzeese vervoer op te nemen in Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie (11) (hierna de „groepsvrijstellingsverordening” genoemd). De GZH van Guyana is van mening dat zij een taak van algemeen belang vervult (openbare veiligheid, nationale defensie, toelevering) zonder de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt te veranderen, aangezien de haven de enige toeleveringsweg is. Wegens de hoge kosten vertegenwoordigt het goederenvervoer naar het gebied door de lucht immers slechts 1 % van het totale goederenvervoer. De belanghebbenden zijn van mening dat de schrapping van de vrijstelling van de vennootschapsbelasting ertoe zou leiden dat de bevoorrading van het gebied opnieuw duurder zou worden — wat ook tot uiting zou komen in de prijzen van de goederen voor de eindconsument — en dat de investeringscapaciteit zou afnemen. Zij onderstrepen dat een dergelijke schrapping indruist tegen afwijkende belastingbepalingen die door de Commissie zijn aanvaard, zoals als fiscale steunmaatregelen voor investeringen of het nultarief voor de btw, waarmee de kosten van de consumptiestromen kunnen worden gedrukt.

4.6.   Tijdschema van de procedure

(39)

Meerdere exploitanten van Franse zeehavens vragen de Commissie om de lopende procedure te schorsen tot de huidige Europese agenda voor de havens is voltooid, en meer in het bijzonder de herziening van de groepsvrijstellingsverordening en het voorstel voor een verordening tot vaststelling van een kader voor de toegang tot de markt voor havendiensten en de financiële transparantie van havens (hierna „het voorstel voor een verordening betreffende de havendiensten” genoemd) (12). Zij zijn verbaasd over de snelheid waarmee de procedure tegen Frankrijk is gevoerd, terwijl de Commissie een twintigtal jaar met Nederland heeft gecorrespondeerd voordat zij een definitief besluit vaststelde.

(40)

De haven van Rotterdam verzoekt de Commissie om de onderwerping van de Nederlandse havens aan de vennootschapsbelasting uit te stellen tot een sectoraal onderzoek is verricht en om alle zeehavens in het Noord-Europese bereik (de havens aan de zuidelijke kust van de Noordzee) tegelijkertijd aan de belasting te onderwerpen of er op zijn minst voor te zorgen dat de Belgische en de Franse havens snel tegelijkertijd aan de vennootschapsbelasting worden onderworpen.

5.   BEOORDELING VAN DE MAATREGELEN

5.1.   Aanwezigheid van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU

(41)

Op grond van artikel 107, lid 1, VWEU zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

5.1.1.   Ondernemingen/economische activiteiten

5.1.1.1.   Algemeen

(42)

Volgens vaste rechtspraak „omvat het begrip onderneming elke eenheid die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (13)”. Volgens het Hof van Justitie „wordt onder economische activiteit verstaan iedere activiteit bestaande in het aanbieden van goederen en diensten op een bepaalde markt”  (14).

(43)

In overeenstemming met de rechtspraak (15) heeft de Commissie in een reeks besluiten bepaald dat de commerciële exploitatie en de aanleg van haveninfrastructuur economische activiteiten zijn (16). Zo is de commerciële exploitatie van een haventerminal die tegen betaling van een vergoeding ter beschikking wordt gesteld van gebruikers een economische activiteit (17). Het Hof van Justitie heeft eveneens het economische karakter van bepaalde havenwerkzaamheden, meer in het bijzonder „het laden, lossen, overslaan en het verplaatsen in het algemeen van goederen of ander materieel in de haven”  (18) al impliciet maar onmiskenbaar erkend. Deze beginselen zijn niet alleen van toepassing op de zeehavens, maar ook op de binnenhavens (19).

(44)

De Commissie betwist niet dat de havens bepaalde overheidstaken of taken toevertrouwd kunnen krijgen die geen economisch karakter hebben, zoals de maritieme veiligheid en verkeersafwikkeling (20) of milieu-inspectiediensten (21), noch dat de havens bij de uitvoering van deze taken geen ondernemingen zijn in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. De Commissie preciseert in dat verband dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting waarop de huidige procedure betrekking heeft bijgevolg alleen als staatssteun kan worden beschouwd als zij betrekking heeft op inkomsten uit economische activiteiten. Het feit dat een entiteit een of meer overheidsactiviteiten of niet-economische activiteiten verricht, volstaat echter niet om deze in haar geheel niet langer als „onderneming” aan te merken. Een haven wordt bijgevolg als een „onderneming” beschouwd als zij — en voor zover zij — daadwerkelijk een of meer economische activiteiten verricht.

(45)

De Franse havens kunnen meerdere soorten economische activiteiten verrichten die overeenkomen met de verlening van verschillen diensten op meerdere markten (22). Ten eerste verlenen de havens een algemene dienst aan de schepen door die schepen tegen een vergoeding toegang te bieden tot de haveninfrastructuur. Ten tweede verlenen bepaalde havens meer specifieke diensten aan schepen, zoals loodsen, hijsen, goederenomslag of aanmeren, eveneens tegen betaling van een vergoeding. In deze eerste twee gevallen wordt de vergoeding die door de haven wordt geïnd gewoonlijk „havenrecht” genoemd (23). Ten derde stellen de havens tegen vergoeding bepaalde infrastructuur of terreinen ter beschikking van ondernemingen die deze ruimten gebruiken voor hun eigen doeleinden of om schepen bepaalde van de bovengenoemde havendiensten aan te bieden (24).

(46)

Niet alle Franse havens verrichten noodzakelijkerwijs alle hierboven genoemde activiteiten. Zo kunnen GZH, zoals sommige van hen ook aangeven, in principe „de uitrusting die wordt gebruikt voor laden, lossen, ladingbehandeling en opslag in verband met schepen” niet meer mogen exploiteren (artikel L. 5312-4 van het Franse vervoerswetboek). Toch lijkt het erop dat bepaalde GZH deze uitrusting nog steeds exploiteren en de overeenkomstige diensten verlenen (25).

(47)

Hoewel de overheid een grote beoordelingsmarge heeft om te bepalen welke economische activiteiten diensten van algemeen economisch belang (hierna „DAEB” genoemd) zijn, sluit dat niet uit dat de desbetreffende activiteiten een economisch karakter hebben. Bovendien vloeit het begrip „economische activiteit” volgens de vaste rechtspraak voort uit feitelijke elementen, meer bepaald het bestaan van een markt voor de desbetreffende diensten, en is het niet afhankelijk van nationale keuzes of overwegingen. Het feit dat havenactiviteiten niet winstgevend zouden zijn in de zin van de bepalingen van het ABW, zelfs als we ervan uitgaan dat dit inderdaad zo is, volstaat dan ook niet om die activiteiten hun economische karakter in staatssteunrechtelijke betekenis te ontnemen. Het feit dat de door de havens uitgevoerde taken door de staat zijn opgelegd, volstaat evenmin om de desbetreffende activiteiten af te doen als niet-economisch. Alle DAEB zijn immers taken die door de overheid aan ondernemingen zijn opgelegd. Bovendien houden DAEB wel degelijk de verrichting van economische activiteiten in.

(48)

Het feit dat bepaalde havens als installaties van vitaal belang kunnen worden beschouwd in de zin van artikel L. 1332-1 van het Franse defensiewetboek laat bovendien niet toe te stellen dat havenactiviteiten in staatssteunrechtelijke betekenis tot de essentiële taken van de staat behoren. Talrijke economische activiteiten op het gebied van energie, telecommunicatie en vervoer kunnen eveneens van essentieel belang zijn voor het voortbestaan van de natie, zonder dat hun economische karakter daardoor wegvalt. De Commissie merkt eveneens op dat in het defensiewetboek (zie de artikelen L. 1332-4, L. 1332-5 en L. 1332-6) uitdrukkelijk is vermeld dat ten minste een aantal van de bedoelde marktdeelnemers „ondernemingen” zijn.

(49)

Het aangevoerde argument dat de GZH zouden voldoen aan de criteria van artikel 4, lid 5, van de zesde btw-richtlijn (26), die door het Hof van Justitie in de zaak C-276/97 zijn onderzocht, doet in dit geval dan ook niet ter zake. In het desbetreffende artikel van de btw-richtlijn is bepaald dat „de Staat, de regio's, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen niet als belastingplichtigen worden aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen,” en het Hof van Justitie is van oordeel dat „werkzaamheden door publiekrechtelijke lichamen als overheid verricht in de zin van artikel 4, lid 5, eerste alinea, van de zesde richtlijn, die werkzaamheden zijn welke door hen worden verricht in het kader van het specifiek voor hen geldende juridisch regiem”  (27). Hoewel het aannemelijk is dat de havens handelen in het kader van het specifiek voor hen geldende juridisch regiem, volstaat deze eigenschap niet om de hoedanigheid van btw-plichtige te verliezen (28). De inroeping van de vrijstelling spreekt het economische karakter van de verrichte activiteiten niet tegen, maar bevestigt integendeel dat de verrichte activiteiten economisch van aard zijn, aangezien de vrijstelling (die rechtstreekse gevolgen heeft voor de hoedanigheid van belastingplichtige) alleen steek houdt als de verrichte activiteiten economisch van aard zijn (29). Dit criterium (verrichting van een activiteit binnen een specifiek voor overheidsinstanties geldend juridisch regiem) is hoofdzakelijk door het Hof ontwikkeld in verband met artikel 4, lid 5, van de btw-richtlijn en heeft geen equivalent in het staatssteunrecht. Integendeel zelfs, volgens de in overweging 43 geciteerde rechtspraak volstaat het juridisch regiem waaraan de marktdeelnemers zijn onderworpen niet om het bestaan van een economische activiteit in de zin van artikel 107 van het VWEU uit te sluiten.

(50)

Of de havens al dan niet op zuiver commerciële basis handelen met het oog op winstmaximalisatie, of zij het algemeen belang laten voorgaan op het rendement op investering, of zij al dan niet een winstoogmerk hebben en of zij hun winst al dan niet systematisch opnieuw investeren, volstaat dan ook niet om het economische karakter van een activiteit waarbij goederen of diensten op een markt worden aangeboden, uit te sluiten (30). De Commissie merkt voorts op dat bepaalde Franse havens die winst maken, dividenden uitkeren aan de staat (31) en hun winsten dus niet systematisch opnieuw investeren in infrastructuur.

(51)

Tot slot bevestigt het argument van de Franse autoriteiten, die stellen dat het VWEU een specifiek artikel bevat (artikel 93) voor de behandeling van staatssteun op het gebied van vervoer, alleen dat vervoersactiviteiten economische activiteiten zijn (anders zou het niet om staatssteun gaan).

5.1.1.2.   De toegang tot haveninfrastructuur in het algemeen

(52)

Wat meer in het bijzonder de tegen betaling van havenrechten door de havens aangeboden diensten betreft, volstaat het feit dat de structuur van de havenrechten op het nationale niveau wordt bepaald en dat de vergoedingen door de overheid zijn goedgekeurd als dusdanig niet om die diensten hun economische karakter te ontnemen (32). In de zaak C-343/95 die door de GZH van Le Havre wordt aangehaald, heeft het Hof van Justitie zich voornamelijk gebaseerd op de aard van de verrichte activiteiten om het economische karakter ervan te beoordelen (zie de overwegingen 18 en 23), en in mindere mate op de goedkeuring van de tarieven op het nationale niveau. De havens zijn overeenkomstig het Franse vervoerswetboek (33) overigens zelf verantwoordelijk voor het vaststellen van de tarieven.

(53)

Wat de verwijzing door de GZH van Le Havre naar het besluit van de Commissie van 20 oktober 2004 in zaak N 520/200[3] (***) betreft, geeft de Commissie aan dat haar besluitvormingspraktijk sinds 2004 is geëvolueerd, in samenhang met de evolutie van de rechtspraak van het Hof van Justitie. De aanleg en het onderhoud van de toegangsinfrastructuur van de havens worden gewoonlijk beschouwd als algemene maatregelen die ten laste vallen van de staat in het kader van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de ontwikkeling van de zeevaart, aangezien deze infrastructuur zonder onderscheid en zonder tegenprestatie kan worden gebruikt door alle gebruikers. Behalve in het geval waarin bepaalde bijzonderheden tot een tegenovergestelde conclusie zouden leiden, is de Commissie in principe van mening dat de toegangsinfrastructuur buiten de haven de gehele maritieme gemeenschap ten goede komt en dat de financiering ervan door de overheid geen staatssteun vormt. Omgekeerd geldt dat de overheidsfinanciering van toegangsinfrastructuur in de havens in beginsel specifiek de exploitatie van de haven zelf ten goede moet komen en staatssteun vormt (34).

5.1.1.3.   Tegen vergoeding terreinen en specifieke infrastructuur ter beschikking stellen van ondernemingen

(54)

Uit het besluit van de Commissie in de zaak SA.36346 (35), vermeld onder f), van punt 17 van de mededeling van 19 juli 2016 kan niet worden afgeleid dat het beheer of de opwaardering van het havengebied, en meer in het bijzonder de verhuur of het tegen een vergoeding ter beschikking stellen van terreinen en specifieke infrastructuur geen economische activiteit is. De zaak SA.36346 had immers betrekking op steun voor de vernieuwing van publieke terreinen en niet op de verhuur van terreinen tegen vergoeding.

(55)

De verhuur van publiek domein tegen vergoeding is in het algemeen een economische activiteit, in het bijzonder als de medecontractant van de haven zijn klanten havendiensten aanbiedt (36). De Franse overheid heeft overigens zelf reeds bepaald dat de inkomsten uit de verhuur van terreinen (domaniale heffingen) uit hoofde van het nationale recht onderworpen moeten zijn aan vennootschapsbelasting (37). Uit de opmerkingen inzake de belastingwetgeving die het directoraat-generaal voor overheidsfinanciën (officiële leidraad van de Franse belastingdienst) (38) heeft gepubliceerd, blijkt eveneens dat concessievergoedingen voor een haven of een deel daarvan (bijvoorbeeld een concessie voor de openbare uitrusting) onderworpen zijn aan btw, hetgeen er eveneens op wijst dat zij een economisch karakter hebben.

5.1.1.4.   Baggerwerkzaamheden

(56)

De aanleg en het onderhoud van de toegangsinfrastructuur van de havens, en meer in het bijzonder het uitbaggeren van de rivieren, toegangswegen en vaargeulen, worden gewoonlijk beschouwd als algemene maatregelen die ten laste vallen van de staat in het kader van zijn verantwoordelijkheid met betrekking tot de ontwikkeling van de zeevaart, aangezien deze infrastructuur zonder onderscheid en zonder tegenprestatie kan worden gebruikt door alle gebruikers. De Commissie maakt bij wijze van algemene regel een onderscheid naargelang van de vraag of de toegangsinfrastructuur zich binnen of buiten de haven bevindt en al dan niet toegankelijk is voor het grote publiek. Behalve in het geval waarin bepaalde bijzonderheden tot een tegenovergestelde conclusie zouden leiden, is de Commissie in principe van mening dat de toegangsinfrastructuur buiten de haven de gehele maritieme gemeenschap ten goede komt en dat de financiering ervan door de overheid geen staatssteun vormt. Omgekeerd geldt dat de overheidsfinanciering van toegangsinfrastructuur in de havens in beginsel specifiek de exploitatie van de haven zelf ten goede moet komen en staatssteun vormt (39).

(57)

Zo heeft de Commissie verklaard dat de uitbaggering in een estuarium die de toegang tot de rivier zou verbeteren en zonder onderscheid alle marktdeelnemers in het estuarium en langs de binnenwateren ten goede zou komen, een algemene maatregel vormt die de gehele maritieme gemeenschap ten goede komt. De Commissie heeft in die zaak dus geoordeeld dat uitbaggering geen economische activiteit (40) vormde.

5.1.1.5.   Bijkomende of belangrijkste economische activiteit

(58)

Het feit dat de economische activiteiten van een entiteit slechts van geringe omvang zijn of marginale activiteiten zijn ten opzichte van de niet-economische activiteiten van die entiteit, betekent in beginsel niet dat die economische activiteiten aan de staatssteunregels mogen worden onttrokken.

(59)

Bovendien blijkt uit eerdere ontwikkelingen en zonder dat voor elke haven afzonderlijk het aandeel van de economische activiteiten moet worden bekeken, dat een aanzienlijk deel van de activiteiten die door bepaalde belanghebbenden en door de Franse autoriteiten als niet-economisch worden beschouwd, economisch van aard is. Ook bestaat het overgrote deel van de inkomsten van de grote zeehavens uit havenrechten en concessievergoedingen (41), die de havens aanzienlijk helpen om een positieve belastinggrondslag voor de vennootschapsbelasting te genereren.

(60)

Tot slot aanvaardt de Commissie dat de financiering van infrastructuur volledig buiten het toepassingsgebied van de staatssteunregels kan vallen, mits die infrastructuur bijna uitsluitend voor een niet-economische activiteit wordt gebruikt en het economische gebruik ervan zuiver ondersteunend blijft (42). Het feit dat de havens niet-economische activiteiten verrichten op het grondgebied dat zij innemen, betekent echter niet dat de haveninfrastructuur zelf bijna uitsluitend voor een niet-economische activiteit wordt gebruikt, en evenmin dat de economische activiteiten de niet-economische activiteiten ondersteunen.

5.1.1.6.   Conclusie

(61)

De autonome havens (die voor het merendeel GZH zijn geworden, met uitzondering van de autonome binnenhavens van Parijs en Straatsburg), de maritieme kamers van koophandel, de kamers van koophandel en industrie die haveninstallaties beheren, de gemeenten die concessiehouder zijn van overheidsuitrusting in zeehavens die eigendom is van de staat en de ondernemingen die hun plaats hebben ingenomen voor de exploitatie van die uitrusting, die de infrastructuur in een haven direct exploiteren of er diensten verlenen, zijn wat betreft hun economische activiteiten — en in het bijzonder de in overweging 45 vermelde activiteiten — „ondernemingen” in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU.

5.1.2.   Staatsmiddelen en toerekenbaarheid van de maatregel aan de Staat

(62)

Volgens artikel 107, lid 1, van het VWEU kunnen enkel steunmaatregelen van de staten of steunmaatregelen die in welke vorm ook met staatsmiddelen zijn bekostigd als staatssteun worden aangemerkt. De vaste rechtspraak stelt dat het afzien van middelen die in beginsel in de staatsbegroting hadden moeten worden gestort een overdracht van staatsmiddelen in de zin van deze bepaling vormt (43).

(63)

Middels de belastingvrijstelling waarvan de exploitanten van de Franse havens profiteren, doet de Franse staat afstand van belastinginkomsten. Die belastingvrijstelling houdt bijgevolg een overdracht van staatsmiddelen in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU in. Aangezien die belastingvrijstelling zijn oorsprong vindt in een reeks ministeriële besluiten, is zij eveneens aan Frankrijk toe te rekenen.

5.1.3.   Economisch voordeel

(64)

Om als staatssteun te worden beschouwd, moet de onderzochte maatregel de begunstigde een financieel voordeel opleveren. Bovendien omvat het concept „voordeel” niet alleen positieve prestaties, doch eveneens maatregelen die, in verschillende vormen, de lasten verlichten die normaliter op het budget van een onderneming drukken (44).

(65)

Zoals hierboven is aangegeven, zouden „de autonome havens, de maritieme kamers van koophandel, de kamers van koophandel en industrie die haveninstallaties beheren, de gemeenten die concessiehouder zijn van overheidsuitrusting in zeehavens die eigendom is van de staat en de ondernemingen die hun plaats hebben ingenomen voor de exploitatie van die uitrusting”  (45) volgens de Franse belastingwetgeving aan vennootschapsbelasting moeten worden onderworpen vanwege hun economische activiteiten, maar zijn zij daarvan vrijgesteld. Deze entiteiten hoeven bijgevolg de kosten voor de vennootschapsbelasting niet te dragen die Franse ondernemingen normaal gezien moeten maken met betrekking tot hun economische activiteiten. Zij genieten dus een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU.

(66)

Het argument dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting de extra kosten die voorvloeien uit de taken van algemeen belang die door de overheid aan de havens worden toevertrouwd zou compenseren, zou de kwalificatie alleen maar sterker ter discussie stellen dan wanneer het bedrag van het voordeel dat voortvloeit uit de belastingvrijstelling inderdaad bedoeld zou zijn om de extra kosten in verband met taken van algemeen belang te compenseren, enerzijds, en het bedrag beperkt zou zijn tot de netto extra kosten in verband met die taken, anderzijds (voorkomen van overcompensatie) (46). Dat is in casu niet het geval. Er is immers geen enkele bepaling in het nationale recht waarin een verband wordt gelegd tussen de vrijstelling van de vennootschapsbelasting en eventuele overheidstaken die aan de havens worden toevertrouwd (47). Het nationale recht garandeert evenmin dat het bedrag van de vergoeding (i.e. het niet-betaalde bedrag van de vennootschapsbelasting) beperkt zou blijven totwat nodig is om de kosten voor de uitvoering van de overheidstaken geheel of gedeeltelijk te dekken. De vrijstelling van de vennootschapsbelasting, waarvan het bedrag in verhouding staat tot de gemaakte winst, is niet begrensd en kan bijgevolg een voordeel opleveren dat niet in verhouding staat tot de extra kosten die voortvloeien uit de openbaredienstverplichtingen. De bewering van de GZH van Duinkerke dat de kosten van de overheidstaken de theoretische lasten van de vennootschapsbelasting systematisch zouden overschrijden, is tot slot niet met cijfers of historische gegevens gestaafd; zonder wettelijke garanties (ook voor de toekomst) dat er geen sprake is van overcompensatie, zou dit bijgevolg niet volstaan om te stellen dat aan de voorwaarde van het voorkomen van overcompensatie is voldaan, zelfs als deze bewering zou kunnen worden gecontroleerd voor het verleden.

5.1.4.   Selectiviteit

(67)

Om als staatssteun te kunnen worden beschouwd, moet een maatregel selectief zijn, dat wil zeggen dat hij bepaalde ondernemingen of bepaalde producties moet bevoordelen in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU (48).

(68)

Volgens de vaste rechtspraak (49) omvat de beoordeling van de materiële selectiviteit van een belastingmaatregel die de lasten verlicht die normaliter op het budget van een onderneming drukken drie stappen: in een eerste fase moet de algemene of „normale” belastingregeling (het „referentiestelsel”) in de betrokken lidstaat worden bepaald. In een tweede fase moet worden bepaald of de onderzochte maatregel afwijkt van het referentiestelsel voor zover de maatregel onderscheid maakt tussen marktdeelnemers die zich, gelet op de doelstelling van het belastingstelsel van de betrokken lidstaat, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Als dat het geval is, is de maatregel a priori selectief. In een derde fase moet worden vastgesteld of de afwijkende maatregel gerechtvaardigd is door de aard en de algemene opzet van het stelsel. In die derde fase moet de lidstaat aantonen dat de ongelijkheid in de behandeling een rechtstreeks gevolg van de fundamentele of leidende beginselen van het belastingstelsel (50) dat als referentiestelsel is aangemerkt.

Referentiestelsel

(69)

Het referentiestelsel is de Franse vennootschapsbelasting, die in principe wordt geheven over alle winsten of inkomsten die door vennootschappen en andere rechtspersonen worden verworven (artikel 205 van het ABW). Overeenkomstig de bepalingen van artikel 206, lid 1, en artikel 1654 van het ABW zijn privaatrechtelijke of publiekrechtelijke rechtspersonen die betrokken zijn bij een exploitatie of bij activiteiten met een winstoogmerk onderworpen aan de vennootschapsbelasting. Voorts zijn overheidsinstelling met een industrieel en commercieel karakter in overeenstemming met de bepalingen van artikel 165 van bijlage 4 bij het ABW onderworpen aan alle directe belastingen en soortgelijke heffingen. In artikel 167 van bijlage 4 bij datzelfde wetboek is bepaald dat deze bepalingen meer in het bijzonder van toepassing zijn op de kamers van koophandel en industrie en op de autonome havens. Noch de Franse autoriteiten, noch de overige belanghebbenden hebben naar aanleiding van het besluit tot inleiding opmerkingen gemaakt bij dit punt.

Afwijking van het referentiestelsel

(70)

Volgens de reeds genoemde ministeriële besluiten van 1942 en 1943 zijn „de autonome havens, de maritieme kamers van koophandel, de kamers van koophandel en industrie die haveninstallaties beheren, de gemeenten die concessiehouder zijn van overheidsuitrusting in zeehavens die eigendom is van de staat en de ondernemingen die hun plaats hebben ingenomen voor de exploitatie van die uitrusting” vrijgesteld van de vennootschapsbelasting. In tegenstelling tot wat bepaalde Franse havens beweren, vloeit de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor de Franse havens dus niet voort uit de algemene bepalingen van het ABW (in het bijzonder artikel 165 van bijlage 4 bij het ABW) of uit het niet-winstgevende karakter van de activiteit van de havens, maar wel uit de ministeriële besluiten van 1942 en 1943, waarin expliciet wordt afgeweken van deze algemene bepalingen en impliciet wordt aangenomen dat de havens activiteiten met een winstoogmerk verrichten (51). Dit is bevestigd in het besluit van de Franse Raad van State dat door de belanghebbende partijen is aangehaald (52).

(71)

Toch verkeren de met de ministeriële besluiten van 1942 en 1943 beoogde entiteiten, gelet op de doelstelling van het referentiestelsel, die erin bestaat de winsten van vennootschappen en rechtspersonen te belasten, in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie als andere vennootschappen of rechtspersonen die aan deze belasting zijn onderworpen, voor zover al deze ondernemingen winst maken. De desbetreffende vrijstelling vormt bijgevolg een afwijking op de door het referentiebelastingstelsel vastgestelde regels.

(72)

De Commissie is daarom van mening dat de belastingvrijstelling ten gunste van de hierboven genoemde ondernemingen op het eerste gezicht selectief is.

(73)

Het feit dat de maatregel op alle Franse havens van toepassing is, ervan uitgaand dat dit vaststaat (53), zou geen afbreuk doen aan deze conclusie. De onderzochte maatregel is, gelet op het referentiestelsel, immers niet algemeen van aard, daar hij niet van toepassing is op bepaalde ondernemingen (havenexploitanten) die zich desalniettemin in een vergelijkbare feitelijke en juridische situatie bevinden als andere vennootschappen of rechtspersonen die aan deze belasting zijn onderworpen, namelijk alle ondernemingen die winst maken. De maatregel is uitsluitend algemeen binnen een referentiestelsel dat alleen voor de havens zelf geldt (referentiestelsel gevormd door de ministeriële besluiten van 1942 en 1943), terwijl hierboven is aangetoond dat het referentiestelsel bestaat uit de algemene bepalingen inzake de vennootschapsbelasting waaraan ondernemingen uit alle sectoren zijn onderworpen.

(74)

Voorts zijn eigenschappen zoals die welke de Franse autoriteiten en de belanghebbenden hebben aangehaald (taken die aan de havens worden opgelegd ten dienste van andere ondernemingen, specifieke dienstverrichtingen, exploitatie door de KKI's, afwezigheid van mededinging, financiering via havenrechten en toepassing van overheidsbevoegdheden) gelet op de doelstelling van het referentiestelsel, namelijk de winsten van alle rechtspersonen onderwerpen aan de inkomstenbelasting, niet relevant om te bepalen of er sprake is van een verschillende feitelijke en juridische situatie. Hoewel die omstandigheden in voorkomend geval kunnen verklaren waarom de exploitanten van havens die taken van algemeen belang hebben minder rendabel zijn en de belastbare winsten bijgevolg lager zijn, kunnen zij niet rechtvaardigen dat de gemaakte winsten — ondanks de kosten die deze taken van algemeen belang met zich brengen — zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting.

(75)

Bovendien heeft de Franse overheid naar aanleiding van een verzoek om een afwijkende belastingregeling in te voeren voor de autonome besturen van jachthavens reeds erkend dat „de Europese regelgeving inzake de mededingingsregels de toekenning van afwijkende belastingmaatregelen ten gunste van bepaalde activiteiten uitsluit”  (54).

Rechtvaardiging door de aard of de opzet van het stelsel

(76)

De Franse autoriteiten geven aan dat de maatregel al meer dan 70 jaar integrerend deel uitmaakt van het Franse belastingstelsel, maar het verstrijken van de tijd kan niet volstaan als reden om een afwijking op de normale regels van dit stelsel als gerechtvaardigd door de aard of de opzet van het stelsel te beschouwen. De verstreken tijd kan het gebruik van de procedure voor bestaande steun echter wel rechtvaardigen (zie hieronder). De Commissie is voorts van mening dat de logica die aan het referentiestelsel ten grondslag ligt, erin bestaat winsten te belasten. Een belastingvrijstelling die uitsluitend is gebaseerd op het al dan niet behoren tot een bepaalde categorie van ondernemingen of die uitsluitend aan bepaalde in de wet geïdentificeerde entiteiten wordt toegekend, past dan ook niet in die logica.

(77)

Tot slot stelt de Commissie met betrekking tot de bewering van sommige belanghebbenden dat de onderzochte maatregel geen „duidelijke breuk vormt met het gelijkheidsbeginsel” , dat het feit dat een maatregel geen „duidelijke breuk vormt met het gelijkheidsbeginsel” in het Franse recht niet betekent dat zij „rechtstreeks uit de basis- of hoofdbeginselen van de referentieregeling voortvloeit of […] resulteert uit inherente mechanismen die noodzakelijk zijn voor het functioneren en de doeltreffendheid van de regeling” (***) (55) in staatssteunrechtelijke betekenis. Zoals blijkt uit het besluit van de Constitutionele Raad (56), zijn de doelstellingen van de afwijkende maatregel, d.w.z. doelstellingen van algemeen belang die vreemd zijn aan het belastingstelsel en die niet kunnen worden gebruikt voor de rechtvaardiging door aard en opzet van belastingstelsel, in aanmerking genomen bij de beoordeling van het gelijkheidsbeginsel in hetFranse recht. Hoewel doelstellingen die vreemd zijn aan het stelsel eventueel kunnen worden meegenomen in de beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel, kunnen zij niet worden gebruikt om de selectiviteit van een afwijking te rechtvaardigen, noch om aan te tonen dat er geen sprake is van staatssteun. Het besluit van de Constitutionele Raad dat door de belanghebbenden is vermeld, heeft bovendien geen betrekking op de ministeriële besluiten die de havens vrijstellen van de vennootschapsbelasting, maar op een wettekst waarin bepaalde sportverenigingen worden vrijgesteld van een belasting met een andere inherente logica dan de vennootschapsbelasting.

(78)

De Commissie is bijgevolg van mening dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting niet gerechtvaardigd is door de aard of de opzet van het Franse belastingstelsel.

5.1.5.   Verstoring van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer

(79)

Om als staatssteun te worden beschouwd, moet de maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen. Deze twee criteria hangen nauw samen.

(80)

Het Hof heeft daar met name op gewezen in het arrest Eventech (57),

„65

[…] volgens vaste rechtspraak van het Hof hoeft voor de kwalificatie van een nationale maatregel als staatssteun niet te worden vastgesteld dat de betrokken steun het handelsverkeer tussen de lidstaten werkelijk heeft beïnvloed en de mededinging daadwerkelijk heeft vervalst, maar dient enkel te worden onderzocht of die steun dat handelsverkeer ongunstig kan beïnvloeden en de mededinging kan vervalsen (arrest Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, EU:C:2013:288, punt 76 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

66.

In het bijzonder moet, wanneer steun van een lidstaat de positie van bepaalde ondernemingen in het intracommunautaire handelsverkeer versterkt ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen, dit handelsverkeer worden geacht door de steun te worden beïnvloed (zie in die zin arrest Libert e.a., EU:C:2013:288, punt 77 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

67.

Daartoe is het niet noodzakelijk dat de begunstigde ondernemingen zelf aan het intracommunautaire handelsverkeer deelnemen. Wanneer een lidstaat steun toekent aan ondernemingen kan de binnenlandse activiteit immers in stand blijven of stijgen, met als gevolg dat de kansen van in andere lidstaten gevestigde ondernemingen om in die lidstaat op de markt te komen, afnemen (zie in die zin arrest Libert e.a., EU:C:2013:288, punt 78 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

68.

Volgens de rechtspraak van het Hof bestaat er bovendien geen drempel of percentage waaronder het handelsverkeer tussen de lidstaten kan worden geacht niet ongunstig te worden beïnvloed. De omstandigheid dat het steunbedrag betrekkelijk gering is of de begunstigde onderneming vrij klein, sluit immers niet a priori de mogelijkheid uit dat het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig wordt beïnvloed (arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, EU:C:2003:415, punt 81).

69.

Of is voldaan aan de voorwaarde dat de steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, hangt dus niet af van de plaatselijke of regionale aard van de geleverde vervoersdiensten, noch van de omvang van het betrokken werkterrein (arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, EU:C:2003:415, punt 82).”

(81)

In het arrest Wam (58) heeft het Hof meer bepaald het volgende onderstreept:

„53.

[…] kan de omstandigheid dat een sector van de economie op gemeenschapsniveau is geliberaliseerd, een werkelijke of potentiële weerslag van de steun op de mededinging alsmede het effect daarvan op het handelsverkeer tussen de lidstaten aan het licht brengen (arrest Cassa di Risparmio di Firenze e.a., reeds aangehaald, punt 142 en aldaar aangehaalde rechtspraak).

54.

Wat de voorwaarde inzake de mededingingsverstoring betreft, zij eraan herinnerd dat steun die bedoeld is om een onderneming te bevrijden van de kosten die zij normaliter in het kader van haar lopend beheer of van haar normale activiteiten had moeten dragen, in beginsel de concurrentievoorwaarden vervalst (arrest van 19 september 2000, Duitsland/Commissie, C1-56/98, Jurispr. blz. I-6857, punt 30, en arrest Heiser, reeds aangehaald, punt 55).”

(82)

In dit geval bevrijdt het belastingvoordeel dat de havens genieten hen echter van kosten die zij anders hadden moeten dragen. Het begunstigt deze havens ten opzichte van de Franse havens en de buitenlandse havens in de Europese Unie die dit voordeel niet genieten. Het kan dan ook het handelsverkeer tussen de lidstaten beïnvloeden en de mededinging vervalsen.

(83)

Er is in de havensector inderdaad sprake van mededinging, en die wordt aangescherpt door de aard en eigenschappen die eigen zijn aan vervoer, in het bijzonder de zeevaart en de binnenvaart. Ook al wordt aangenomen dat de havens beschikken over een wettelijk monopolie om hun diensten aan te bieden in de haven die zij exploiteren, toch concurreren de vervoersdiensten die zij aanbieden, althans in zekere mate, met die welke worden aangeboden door of in andere havens en door andere vervoerders in Frankrijk (59) en in de andere lidstaten,

(84)

Tijdens de openbare raadpleging van de belanghebbenden over een ontwerpverordening op het gebied van havens „benadrukten alle belanghebbenden de noodzaak van stabiele, eerlijke en gelijke […] concurrentievoorwaarden in de EU (voor de concurrentie tussen havens) […]”  (60). Havens, en voornamelijk binnenhavens en meer in het algemeen het vervoer over waterwegen waarin zij een schakel zijn, concurreren ook met andere vervoersvormen. Voor zover er andere oplossingen bestaan of zouden kunnen bestaan om goederen naar de overzeese gebieden te vervoeren, zou de maatregel ook voor die havens die ver van het vasteland liggen of voor andere Europese havens tot concurrentievervalsing kunnen leiden en het handelsverkeer tussen de lidstaten kunnen beïnvloeden.

(85)

Hoewel de aantrekkelijkheid van een haven inderdaad aan de hand van verschillende parameters wordt gemeten, meer bepaald de verbindingen met het achterland (61), spelen de prijzen van de door de havens verleende diensten (havenrechten en andere door de reders betaalde heffingen) toch een rol in het relatieve concurrentievermogen van de havens (62). In tegenstelling tot wat de Franse autoriteiten en bepaalde belanghebbenden beweren, kan op basis van de vraag of dit element meer of minder belangrijk is dan de overige elementen van het concurrentievermogen van de havens niet worden geconcludeerd dat de onderzochte maatregel geen invloed heeft op de mededinging, aangezien deze maatregel de in de havens toegepaste prijzen kan beïnvloeden en bij overigens gelijke omstandigheden bepalend zal zijn in de keuze van de reders voor een bepaald traject of een bepaalde logistieke oplossing waarbij een bepaalde haven wel wordt aangedaan en een andere niet.

(86)

Bovendien zij erop gewezen dat de Europese havens ook moeten concurreren om marktdeelnemers (of concessiehouders) aan te trekken die bepaalde havendiensten aan de reders verlenen, indien de haveninstantie die diensten niet rechtstreeks verleent. De hoogte van de door de havens gevraagde vergoeding voor de terbeschikkingstelling van terreinen en infrastructuur (havenuitrusting) aan de concessiehouders speelt eveneens een rol in de keuze van die laatsten om zich in een bepaalde haven te vestigen en in de keuze van de middelen die zij daar zullen inzetten. Meer in het algemeen concurreren de havens met andere marktdeelnemers op de markt voor financiering en investeringen; bij overigens gelijke omstandigheden, biedt de maatregel de havens een voordeel ten aanzien van de investeerders in vergelijking met andere marktdeelnemers die niet van de maatregel profiteren (zij zijn een interessantere investering).

(87)

Aangezien de onderzochte maatregel een steunregeling is die van toepassing is op havens die qua omvang, geografische ligging, type (binnenhaven, zeehaven) en activiteiten sterk van elkaar verschillen, moet om vast te stellen dat de onderzochte maatregel staatssteun vormt bovendien niet afzonderlijk worden aangetoond dat de maatregel voor elke haven tot concurrentievervalsing leidt en het handelsverkeer beïnvloedt.

(88)

Het volstaat in dat opzicht om te vermelden dat de Franse autoriteiten en de belanghebbende partijen toegeven dat bepaalde grote havens, zoals die van Le Havre, Rouen en Marseille, met andere havens in de Europese Unie concurreren, zodat de maatregel een effect heeft op de handel en het handelsverkeer beïnvloedt. Dat komt ook tot uiting in de opmerkingen van de haven van Rotterdam.

(89)

Voorts hebben de verklaring dat met staatssteun vergelijkbare maatregelen in andere lidstaten bestaan, en het gedrag van de Commissie met betrekking tot die mogelijke maatregelen, geen invloed op de kwalificatie van de betrokken maatregel als staatssteun (63), aangezien de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor de Franse havens wel degelijk leidt tot een verbetering van hun concurrentiepositie ten opzichte van een referentiesituatie waarin zij onder de normale omstandigheden van het stelsel van vennootschapsbelasting zouden worden belast (64). Het feit dat er in de lidstaten verschillende tarieven voor de vennootschapsbelasting worden gehanteerd, is eveneens slechts een gevolg van het feit dat de directe belastingen niet geharmoniseerd zijn tussen de lidstaten en weerspiegelt enkel de soevereine keuzes van de lidstaten om bepaalde diensten — of een bepaald niveau van diensten— voor de belastingbetalers te financieren via de belastingen.

(90)

Bovendien is het niet vereist dat de vervalsing van de mededinging of de beïnvloeding van het handelsverkeer aanzienlijk of materieel is. Het argument dat het concurrerende verkeer van geringe omvang zou zijn, toont dus niet aan dat er geen sprake is van concurrentievervalsing, maar bewijst eerder dat de Franse havens en andere havens van de Unie wel degelijk in zeker mate met elkaar concurreren. Het feit dat de gecumuleerde activiteit van de kleine Franse havens slechts 1 % van het totale verkeer van de Unie vertegenwoordigt, betekent evenmin dat hun marktaandeel op een of meer relevante markten met het oog op een beoordeling van de concurrentievervalsing van dezelfde grootteorde is. Bovendien heeft het besluit van 11 april 2016 dat door de Franse autoriteiten en de belanghebbenden is aangehaald betrekking op de verenigbaarheid van een steunmaatregel voor investeringen, hetgeen zou betekenen dat de onderzochte maatregel wordt erkend als staatssteun die de concurrentie en het handelsverkeer tussen de lidstaten beïnvloedt.

(91)

Ondanks het feit dat de door Frankrijk gedefinieerde „kleine havens” (65) slechts een klein deel van het verkeer van de Unie uitmaken, sluit het feit dat de begunstigde onderneming klein is bovendien niet a priori de mogelijkheid uit dat de mededinging op de interne markt wordt vervalst of dreigt te worden vervalst, in het bijzonder wanneer de activiteiten van de begunstigden in grensgebieden worden verricht. De opmerkingen van de KKI van Bayonne Baskenland, concessiehouder van de handelshaven van Bayonne en van de vissershaven van Saint-Jean-de-Luz/Ciboure, beide „kleine havens” volgens de door Frankrijk voorgestelde definitie, geven bovendien aan hoe die havens dicht bij de grens de effectieve grensoverschrijdende mededinging zien (66). Hoewel de Commissie erkent dat een voordelige maatregel in sommige gevallen (67) geen effect kan hebben op het handelsverkeer tussen de lidstaten, baseert zij zich daartoe niet alleen op de omvang van de begunstigde onderneming, maar op een individuele beoordeling van verschillende criteria (68).

(92)

De Commissie sluit niet uit dat de maatregel in het specifieke geval van bepaalde havens — meer in het bijzonder die havens die aan de voorwaarden uit haar besluitvormingspraktijk voldoen — kan worden geacht geen gevolgen voor het handelsverkeer te hebben.

(93)

Om de hierboven beschreven meer systematische redenen, heeft de onderzochte maatregel, als algemene vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor alle in de ministeriële besluiten van 1942 en 1943 genoemde begunstigden, echter wel gevolgen voor het handelsverkeer in de Unie en vervalst hij de mededinging of kan hij die vervalsen.

5.1.6.   Conclusie

(94)

De Commissie besluit daarom dat de belastingvrijstelling voor de autonome havens (die ten dele grote zeehavens zijn geworden), de maritieme kamers van koophandel, de kamers van koophandel en industrie die haveninstallaties beheren, de gemeenten die concessiehouder zijn van overheidsuitrusting in zeehavens die eigendom is van de staat en de ondernemingen die hun plaats hebben ingenomen voor de exploitatie van die uitrusting staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU.

5.2.   Verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt

(95)

Het is aan de betrokken lidstaat om aan te tonen dat de staatssteunmaatregelen als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd. Terwijl de Franse autoriteiten als argument voor de verenigbaarheid van de maatregel slechts de compensatie van bepaalde door de havens verrichte taken in de zin van artikel 106, lid 2, van het VWEU, enerzijds, en artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU, anderzijds, aanhalen, voeren sommige belanghebbenden eveneens artikel 93 (coördinatie van het vervoer) en artikel 107, lid 3, onder b), van het VWEU (belangrijke projecten van Europees belang) aan.

(96)

In artikel 106, lid 2, van het VWEU, is ten eerste bepaald dat een compensatie voor de uitvoering van openbaredienstverplichtingen verenigbaar met de interne markt kan worden verklaard als zij aan bepaalde voorwaarden voldoet (69). De Franse autoriteiten en sommige belanghebbenden zijn in dat opzicht van mening dat de onderzochte maatregel verenigbaar is met de interne markt, aangezien zij het mogelijk maakt om bepaalde door de havens gefinancierde taken die onder de bevoegdheid van de overheid vallen, te compenseren. De Commissie merkt echter op dat de onderzochte maatregel, waarin het bedrag van de steun wordt gekoppeld aan de te gemaakte winsten, geen verband houdt met, noch beperkt is tot de nettokosten van de openbaredienstverplichtingen (70). Hij vloeit evenmin voort uit een duidelijk mandaat dat aan de begunstigden van de maatregel is verleend om deze taken uit te voeren (71). De maatregel kan bijgevolg niet worden beschouwd als een compensatie voor overheidsdiensten die verenigbaar is met de interne markt en is niet verenigbaar met de grondslag van artikel 106, lid 2, van het VWEU.

(97)

In artikel 93 van het VWEU is ten tweede vermeld dat de steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer of die overeenkomen met de vergoeding van bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen eveneens verenigbaar met de interne markt kunnen worden geacht. Hoewel de binnenhavens, zoals de vertegenwoordigers van de beheerders van de Franse binnenhavens onderstrepen, een belangrijke rol spelen in de ontwikkeling van het multimodale vervoer, vallen niet alle investeringen in de havens binnen het toepassingsgebied van artikel 93 van het VWEU, dat beperkt is tot steunmaatregelen die beantwoorden aan de behoeften van de coördinatie van het vervoer. Bovendien vormt de vrijstelling van de vennootschapsbelasting geen steun voor investeringen, maar niet op investeringen gerichte exploitatiesteun. De maatregel bevoordeelt de ondernemingen die het meeste winst maken en bijgevolg meer winst kunnen opstapelen en investeringen kunnen financieren. De maatregel is evenmin gericht op de vergoeding van bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen zoals hierboven beschreven. Het voordeel dat een zuivere vrijstelling van de vennootschapsbelasting oplevert, is bovendien niet beperkt tot het bedrag dat nodig is om de coördinatie van het vervoer of de vergoeding van bepaalde met het begrip „openbare dienst” verbonden, verplichte dienstverrichtingen te verzekeren en garandeert de eerbiediging van het evenredigheidsbeginsel bijgevolg niet. Zij heeft evenmin een duidelijk vastgesteld stimuleren effect, in het bijzonder omdat de vrijstelling meer voordeel oplevert voor meer rendabele havens, die dus ook meer middelen hebben en het minste behoefte hebben aan stimulansen. Artikel 93 van het VWEU is derhalve niet van toepassing.

(98)

Ten derde kan steun om de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang te bevorderen volgens artikel 107, lid 3, onder b), van het VWEU eveneens als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd. In dat verband zijn de vertegenwoordigers van de beheerders van de Franse binnenhavens in het algemeen van mening dat de vrijstelling van de vennootschapsbelasting binnen het toepassingsgebied van dit artikel valt. Om de hierboven reeds genoemde redenen kan die redenering echter niet worden gevolgd. De onderzochte maatregel is niet gericht op de verwezenlijking van een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang en staat niet in verhouding tot de kosten van een dergelijk project. Het gaat om een voordeel waarvan de havens profiteren enkel en alleen omdat zij winst maken, het feit dat zij aan een belangrijk project van gemeenschappelijk Europees belang bijdragen speelt daarbij geen rol.

(99)

Ten vierde kunnen volgens artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU met name steunmaatregelen ter bevordering van de economische ontwikkeling […] van de in artikel 349 bedoelde regio's, rekening houdend met hun structurele, economische en sociale situatie, als verenigbaar met de interne markt kunnen worden beschouwd. Die bepaling wordt door de Franse autoriteiten en door verschillende overzeese belanghebbenden ingeroepen met betrekking tot de overzeese havens. De onderzochte maatregel is echter niet specifiek op die regio's gericht.

(100)

Zelfs als de maatregel enkel de havens gelegen in de in artikel 349 van het VWEU vermelde regio's zou beogen, is hij niet bedoeld om de economische ontwikkeling van die regio's te bevorderen of hun structureel ongunstige situatie te compenseren, aangezien hij slechts een sectoraal voordeel toekent aan een specifiek type ondernemingen in de vervoerssector, ongeacht de activiteiten van die ondernemingen. Frankrijk toont niet aan dat de maatregel een effect zou hebben op de kosten van de ingevoerde goederen, en er zij in dat verband op gewezen dat bepaalde overzeese havens winst maken, dividenden uitkeren aan de staat (72) en bijgevolg a priori over enige marge beschikken om het bedrag van de havenrechten te verlagen als dat als een handicap zou worden beschouwd voor de economische ontwikkeling van de desbetreffende regio's; de vrijstelling van de vennootschapsbelasting kan zo gevolgen hebben voor verschillende geldstromen (in het bijzonder dividenden), maar niet noodzakelijk voor de kostprijs van de ingevoerde goederen. Frankrijk beweert in dat verband niet dat de havens in een bijzonder ongunstige situatie verkeren in vergelijking met andere ondernemingen in de in artikel 349 bedoelde regio's. De maatregel is door zijn aard en werking (voordeel voorbehouden aan bepaalde ondernemingen, zonder rekening te houden met hun activiteit, in verhouding tot de gemaakte winsten en niet tot de behoeften en niet beperkt tot een welbepaald doel waarvan de verwezenlijking een financiële stimulans zou betekenen) duidelijk te onderscheiden van de belastingregelingen ter ondersteuning van de bedrijfsvoering die door de belanghebbenden zijn aangehaald en door de Commissie zijn aanvaard. De fiscale steunmaatregelen voor investeringen en het nultarief voor de btw zijn algemene maatregelen waarvan het toepassingsgebied zonder onderscheid de ondernemingen omvat uit de in artikel 349 van het VWEU bedoelde regio's.

(101)

Bovendien is de groepsvrijstellingsverordening (73), waar de bedrijfssteun voor het overzeese vervoer tot op een zekere hoogte onder valt, in tegenstelling tot wat de GZH van Guadeloupe beweert, niet van toepassing op de onderzochte maatregel. Artikel 15, lid 4, van de verordening is immers alleen van toepassing op maatregelen waarvan het bedrag is beperkt aan de hand van een aantal indicatoren (bruto toegevoegde waarde, arbeidskosten, omzet), hetgeen niet het geval is voor een vrijstelling van de vennootschapsbelasting.

(102)

Bijgevolg kan de onderzochte steunmaatregel niet verenigbaar worden verklaard met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, onder a), van het VWEU.

(103)

Ten vijfde en hoewel noch Frankrijk noch de belanghebbenden artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU hebben ingeroepen, onderzoekt de Commissie of de onderzochte maatregel „de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën vergemakkelijkt” , zonder de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt zodanig te veranderen dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad. Om de hierboven reeds genoemde redenen (gebrek aan evenredigheid, afwezigheid van een stimulerend effect en afwezigheid van een verband met een vastgestelde doelstelling van algemeen belang), is de Commissie evenwel van mening dat artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU niet van toepassing is.

(104)

Hoewel sommige belanghebbenden van mening zijn dat de schrapping van de maatregel gevolgen zal hebben voor de investeringscapaciteit van de havens, onderstreept de Commissie tot slot dat de onderzochte maatregel niet gericht is op investeringen (74).

5.3.   Bestaande steun of nieuwe steun

(105)

In overeenstemming met artikel 1, onder b), punt i), van de procedureverordening, zijn steunregelingen die vóór de inwerkingtreding van deze verordening ten uitvoer zijn gelegd bestaand steunregelingen.

(106)

Aangezien de desbetreffende belastingvrijstelling in 1942 van kracht is geworden en sindsdien niet inhoudelijk is gewijzigd, beschouwt de Commissie deze maatregel als een bestaande steunregeling.

6.   VERZOEKEN OM SCHORSING VAN DE BEHANDELING

(107)

Overeenkomstig de rol die aan de Commissie op grond van de artikelen 107 en 108 VWEU toekomt, moet zij snel een einde maken aan staatssteun die niet verenigbaar met de interne markt wordt geacht, en eerlijke concurrentievoorwaarden herstellen.

(108)

In overeenstemming met artikel 9, lid 6, van de procedureverordening moet de Commissie een definitief besluit vaststellen zodra de twijfels die zij in het besluit tot inleiding heeft geuit, zijn weggenomen. Indien de Commissie in deze fase van de procedure oordeelt dat onverenigbare steun is toegekend aan bepaalde ondernemingen, kan zij in beginsel de betrokken staatssteunprocedure niet opschorten of een overgangstermijn toestaan, aangezien dit zou neerkomen op een toelating om gedurende een langere termijn steun toe te kennen die niet met de interne markt verenigbaar is; dit zou tevens onrechtvaardig zijn ten aanzien van de concurrenten die geen of zelfs minder steun ontvangen. De Commissie merkt in dat verband op dat de Nederlandse havens, die sinds 1 januari 2017 onderworpen zijn aan de vennootschapsbelasting, haar verzoeken de Franse havens snel aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen.

(109)

Zoals hierboven is uiteengezet kan de opschorting van de procedure, gedurende dewelke de onverenigbare steun verder zou worden betaald, niet worden gerechtvaardigd door de mogelijke staatssteun voor andere havens in andere lidstaten. Er zij op gewezen „dat de gevolgen van meerdere distorsies van de mededinging in het handelsverkeer tussen de lidstaten elkaar niet opheffen, doch juist een cumulatief effect hebben, waardoor de nadelige uitwerking ervan op de gemeenschappelijke markt nog wordt versterkt”  (75). Bovendien zou een schorsing van de procedure tot afschaffing van de belastingvrijstelling voor de Franse havens neerkomen op een verlenging van de huidige verstoringen tussen havens in Noord-Europa, aangezien de Nederlandse havens deze belastingvoordelen met ingang van 1 januari 2017 hebben afgeschaft.

(110)

Voorts is het feit dat de door de Commissie ingeleide procedure inzake de belastingregeling voor de Nederlandse havens (76) langer zou hebben geduurd dan de procedure inzake de Franse havens niet relevant om in deze zaak een overgangsperiode te vragen. De Commissie behandelt alle lidstaten op dezelfde wijze en behandelt elk geval volgens zijn eigen specifieke kenmerken. Zo streeft de Commissie ernaar om de termijn voor de tenuitvoerlegging van haar besluiten zo vast te stellen dat de betrokken lidstaat het besluit binnen een redelijke termijn ten uitvoer kan leggen, rekening houdend met de omstandigheden, en is het niet haar bedoeling om de betrokken ondernemingen langer te laten profiteren van onverenigbaar verklaarde steun.

(111)

Frankrijk vermeldt tot slot niet waarom de behandeling vanwege de herziening van de groepsvrijstellingsverordening en het voorstel voor een verordening betreffende de havendiensten zou moeten worden geschorst. Hoe dan ook is de herziene versie van de groepsvrijstellingsverordening — die geen betrekking heeft op maatregelen die neerkomen op een zuivere vrijstelling van de vennootschapsbelasting — op 17 mei 2017 aangenomen. De verordening betreffende de havendiensten die op 15 februari 2017 is aangenomen (77) heeft noch tot doel noch tot gevolg het optreden van de Commissie op grond van de artikelen 107 en 108 van het VWEU te beïnvloeden.

(112)

De procedure dient bijgevolg niet te worden geschorst.

7.   DE VERZOEKEN VAN DE NEDERLANDSE HAVENS

(113)

Wat betreft het verzoek van de Nederlandse havens om hun onderwerping aan de vennootschapsbelasting uit te stellen, wijst de Commissie erop dat de onderhavige procedure niet over de Nederlandse havens gaat, maar over de [Franse] (***). De Commissie heeft trouwens in haar definitieve besluit in zaak SA.25338 over de Nederlandse havens (78), om dezelfde principiële redenen als die in dit besluit, geweigerd de onderwerping van de Nederlandse havens aan de vennootschapsbelasting uit te stellen. De onderwerping van de Nederlandse havens aan de vennootschapsbelasting vloeit overigens voort uit het Nederlandse nationale recht en de Commissie kan een lidstaat in het kader van artikel 107 VWEU hoe dan ook niet opleggen zijn wetgeving te veranderen om bepaalde marktdeelnemers staatssteun te verlenen.

8.   CONCLUSIE

(114)

De vrijstelling van de vennootschapsbelasting ten gunste van de in de ministeriële besluiten van 11 augustus 1942 en 27 april 1943 genoemde havens (autonome havens — die ten dele grote zeehavens zijn geworden, de maritieme kamers van koophandel, de kamers van koophandel en industrie die haveninstallaties beheren, de gemeenten die concessiehouder zijn van overheidsuitrusting in zeehavens die eigendom is van de staat en de ondernemingen die hun plaats hebben ingenomen voor de exploitatie van die uitrusting) is een bestaande staatssteunregeling die onverenigbaar is met de interne markt.

(115)

De Franse autoriteiten dienen derhalve die vrijstelling van vennootschapsbelasting op te heffen en de betrokken entiteiten aan de vennootschapsbelasting te onderwerpen. Die maatregel dient vóór het einde van het op de datum van dit besluit lopende kalenderjaar te worden aangenomen en dient uiterlijk op de inkomsten uit economische activiteiten vanaf het begin van het belastingjaar volgend op de aanneming ervan te worden toegepast,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De vrijstelling van de vennootschapsbelasting ten gunste van de autonome havens (ten dele grote zeehavens geworden), de maritieme kamers van koophandel, de kamers van koophandel en industrie die haveninstallaties beheren, de gemeenten die concessiehouder zijn van overheidsuitrusting in zeehavens die eigendom is van de staat en de ondernemingen die hun plaats hebben ingenomen voor de exploitatie van die uitrusting is een bestaande staatssteunregeling die onverenigbaar is met de interne markt.

Artikel 2

1.   Frankrijk heft de in artikel 1 bedoelde vrijstelling van de vennootschapsbelasting op en onderwerpt de entiteiten waarop die vrijstelling van toepassing is aan de vennootschapsbelasting.

2.   De maatregel waarmee Frankrijk zijn verplichtingen uit hoofde van lid 1 nakomt, wordt vastgesteld vóór het einde van het op de datum van de kennisgeving van dit besluit lopende kalenderjaar. Die maatregel wordt van toepassing uiterlijk op de uit economische activiteiten ontstane inkomsten die zijn ontstaan vanaf het begin van het belastingjaar volgend op de vaststelling van die maatregel.

Artikel 3

Frankrijk deelt de Commissie binnen twee maanden vanaf de datum van bekendmaking van dit besluit de maatregelen mee die het heeft genomen om hieraan te voldoen.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2017.

Voor de Commissie

Margrethe VESTAGER

Lid van de Commissie


(1)   PB C 302 van 19.8.2016, blz. 23.

(2)  Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9).

(3)   PB C 302 van 19.8.2016, blz. 23.

(4)  Zie het besluit van de Commissie van 29 juni 2011 betreffende steunmaatregel SA.27106 (C 13/09 — ex N 614/08) die Frankrijk voornemens is ten uitvoer te leggen voor de havensector (PB L 221 van 27.8.2011, blz. 8).

(5)  Kamers van koophandel waarvan de zetel zich in een kuststad bevindt en kamers van koophandel die ongeacht hun geografische ligging concessiehouder zijn van openbare uitrusting in een zeehaven.

(6)  Zie Frans belastingdocument BOI-IS-CHAMP-30-60, paragrafen 230 en volgende.

(***)  Correctie van een schrijffout.

(7)  Besluit van de Commissie van 20 oktober 2004 betreffende steunmaatregel nr. N 520/2003 — België — Financiële steun voor infrastructuurwerkzaamheden in Vlaamse havens, overweging 35 (PB C 176 van 16.7.2005, blz. 11).

(8)   PB C 262 van 19.7.2016, blz. 1.

(9)  Publicatieblad van 21 april 2012, blz. 7198.

(10)  Besluit van de Commissie van 11 april 2016 betreffende steunmaatregel SA.43975 (2016/NN) — Portugal — Steun voor investeringen in de haven van Funchal (PB C 183 van 11.5.2016, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) nr. 651/2014 van de Commissie van 17 juni 2014 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag met de interne markt verenigbaar worden verklaard (PB L 187 van 26.6.2014, blz. 1).

(12)  COM(2013) 296 final — 2013/0157 (COD), PB C 327 van 12.11.2013, blz. 111. Die handeling is ondertussen aangenomen: Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PB L 57 van 3.3.2017, blz. 1).

(13)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 september 2000, Pavel Pavlov e.a./Stichting Pensioenfonds Medische Specialisten, C-180/98 t/m C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, punt 74.

(14)  Zie de arresten van het Hof van Justitie van 16 juni 1987, Commissie/Italië, C-118/85, ECLI:EU:C:1987:283, punt 7 en van 18 juni 1998, Commissie/Italië, C-35/96, ECLI:EU:C:1998:303, punt 36.

(15)  Arrest van het Gerecht van 12 december 2000, Aéroports de Paris/Commissie, T-128/98, ECLI:EU:[T] (***):2000:290, punt 125, in hogere voorziening bevestigd door arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C-82/01 P, ECLI:EU:C:2002:617. Zie ook arrest van het Gerecht van 17 december 2008, Ryanair/Commissie, T-196/04, ECLI:EU:T:2008:585, punt 88. Arrest van het Gerecht van 24 maart 2011, Freistaat Sachsen e.a./Commissie, T-443/08 en T-455/08, ECLI:EU:T:2011:117, met name de punten 93 en 94, in hogere voorziening bevestigd door arrest van het Hof van Justitie van 19 december 2012, Mitteldeutsche Flughafen en Flughafen Leipzig-Halle/Commissie, C-288/11 P, ECLI:EU:C:2012:821, punten 40 t/m 43, 47.

(16)  Zie bijvoorbeeld besluit van de Commissie van 15 december 2009 betreffende steunmaatregel N 385/2009 — Overheidsfinanciering van haveninfrastructuur in de haven van Ventspils (PB C 62 van 13.3.2010, blz. 7); besluit van de Commissie van 15 juni 2011 betreffende steunmaatregel 44/2010 — Republiek Letland — Overheidsfinanciering van haveninfrastructuur in Krievu salā (PB C 215 van 21.7.2011, blz. 21); besluit van de Commissie van 22 februari 2012 betreffende steunmaatregel SA.30742 (N/2010) — Litouwen — Aanleg van infrastructuur voor de passagiers- en goederenterminal van Klaipeda (PB C 121 van 26.4.2012, blz. 1); besluit van de Commissie van 2 juli 2013 betreffende steunmaatregel SA.35418 (2012/N) — Griekenland — Uitbreiding van de haven van Piraeus (PB C 256 van 5.9.2013, blz. 2); besluit van de Commissie van 18 september 2013 betreffende steunmaatregel SA.36953 (2013/N) — Spanje — Havenautoriteit van Bahía de Cádiz (PB C 335 van 16.11.2013, blz. 1).

(17)  Zie bijvoorbeeld het besluit van de Commissie van 18 september 2013 betreffende steunmaatregel SA.36953 (2013/N) — Spanje — Havenautoriteit van Bahía de Cádiz (PB C 335 van 16.11.2013, blz. 1).

(18)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 december 1991, Merci Convenzionali Porto di Genova, C-179/90, ECLI:EU:C:1991:464, punten 3 en 27; Arrest van het Hof van Justitie van het Hof van 17 juli 1997 in de zaak C-242/95 GT-Link A/S v. De Danske Statsbaner, ECLI:EU:C:1997:376, punt 52 „Daaruit volgt evenwel niet, dat de exploitatie van iedere handelshaven het beheer van een dienst van algemeen economisch belang uitmaakt, inzonderheid niet, dat alle in een dergelijke haven verrichte diensten onder een dergelijke taak vallen.”

(19)  Zie bijvoorbeeld het besluit van de Commissie van 18 december 2013 betreffende steunmaatregel SA.37402 — Vrijhaven van Boedapest (PB C 141 van 9.5.2014, blz. 1); besluit van de Commissie van 17 oktober 2012 betreffende steunmaatregel SA.34501 — Binnenhaven van Königs Wusterhausen/Wildau (PB C 176 van 21.6.2013, blz. 1); besluit van de Commissie van 1 oktober 2014 betreffende steunmaatregel SA.38478 — Haven van Györ-Gönyü (PB C 418 van 21.11.2014, blz. 1).

(20)  Besluit van de Commissie van 16 oktober 2002 betreffende steunmaatregel N 438/02 — België — Subsidies voor de havenbedrijven voor de uitvoering van overheidstaken (PB C 284 van 21.11.2002, blz. 2).

(21)  Arrest van het Hof van Justitie van 18 maart 1997, Calì & Figli, C-343/95, ECLI:EU:C:1997:160, punt 22.

(22)  Die activiteiten houden verband met de gebouwen en diensten die nodig zijn voor de exploitatie van de havens en zijn bijgevolg vrijgesteld van de vennootschapsbelasting.

(23)  In artikel L. 5321-1 van het Franse vervoerswetboek is vermeld dat „havenrechten kunnen worden geïnd in door de staat, de decentrale overheden of groeperingen daarvan gecontroleerde zeehavens voor de commerciële activiteiten van schepen die er worden verricht of voor schepen die er verblijven” en dat die rechten „meerdere elementen” of „vergoedingen” kunnen omvatten (volgens artikel L. 5321-3 van datzelfde wetboek). Deze bepalingen zijn volgens artikel L. 4323-1 van het wetboek eveneens van toepassing op de binnenhavens. In zijn besluit nr. 76-92 van 6 oktober 1976 heeft de Franse Constitutionele Raad verklaard dat de desbetreffende bepalingen „voor het verblijf van schepen in de havens en de activiteiten die er worden verricht rechten instellen waarvan het bedrag integraal wordt bestemd voor de financiering van de uitgaven van de havens […] en in ruil waarvoor de openbare uitrusting mag worden gebruikt en prestaties worden geleverd [en dat die rechten] het karakter hebben van vergoedingen voor verleende diensten”.

(24)  Volgens artikel L. 5312-2 van het vervoerswetboek is de GZH meer in het bijzonder verantwoordelijk voor „het beheer en de opwaardering van het gebied waarvan zij eigenaar is of dat aan haar is toegewezen” . Zie ook artikel L. 5313-2 voor de autonome havens en artikel L. 4322-1 voor de autonome haven van Parijs.

(25)  Zie het publieke jaarverslag 2017 van de Franse Rekenkamer, getiteld „Le bilan de la réforme des grands ports maritimes” (De balans van de hervorming van de grote zeehavens) — februari 2017, het Franse document: „Le maintien d'activités de manutention dans certains ports” („De handhaving van de ladingbehandelingsactiviteiten in bepaalde havens”).

(26)   „De Staat, de regio's, de gewesten, de provincies, de gemeenten en de andere publiekrechtelijke lichamen worden niet als belastingplichtigen aangemerkt voor de werkzaamheden of handelingen die zij als overheid verrichten, ook niet indien zij voor die werkzaamheden of handelingen rechten, heffingen, bijdragen of retributies innen.” Bepaling thans grotendeels vervangen door het artikel 13 van Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(27)  Arrest van het Hof van Justitie van 12 september 2000, Commissie van de Europese Gemeenschappen tegen Franse Republiek, C-276/97, ECLI:EU:C:2000:424, punt 40.

(28)  Naast een voorwaarde dat er geen sprake mag zijn van „concurrentievervalsing van enige betekenis” , is in artikel 4, lid 5, vermeld dat „de publiekrechtelijke lichamen in elk geval als belastingplichtige worden beschouwd voor de in bijlage I genoemde werkzaamheden, voor zover deze niet van onbeduidende omvang zijn” . De verlening van havendiensten is evenwel opgenomen in bijlage I.

(29)  In de zaak C-276/97 merkt het Hof van Justitie de desbetreffende activiteit (wegeninfrastructuur tegen vergoeding ter beschikking stellen van de weggebruikers) duidelijk als economische activiteit aan (punt 32), voordat het onderzoekt of de in artikel 4, lid 5, bedoelde vrijstelling van toepassing is (punt 37).

(30)  Zie arrest van het Hof van Justitie van 10 januari 2006, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punten 122 en 123.

(31)  Zo heeft de autonome haven van Parijs 8 miljoen euro betaald over het boekjaar 2014 en 11 miljoen euro over het boekjaar 2016. De GZH van Duinkerke heeft op haar beurt 5 miljoen euro betaald over het boekjaar 2014 en 4 miljoen euro over het boekjaar 2016. Zie de arresten van 18 februari 2016 en 23 februari 2017 tot vaststelling van de bedragen van de door de autonome haven van Parijs en de grote zeehavens aan de staat verschuldigde dividenden, Frans staatsblad nr. 0048 van 26 februari 2016 en Frans staatsblad nr. 53 van 3 maart 2017. De uitgekeerde dividenden variëren sterk in de tijd wat het aandeel van het nettoresultaat betreft (tussen 14 % en 33 % voor de GZH van Le Havre over de periode 2008-2013, tussen 22 % en 35 % voor de GZH van Marseille over de periode 2009-2014).

(32)  Zie het besluit van de Commissie van 22 februari 2012 betreffende steunmaatregel SA.30742 (N/2010) — Litouwen — Haven van Klaipėda, overweging 9 (PB C 121 van 26.4.2012, blz. 1).

(33)  Zie met name de artikelen R. 5321-2 en R. 5321-11.

(34)  Zie de punten 5 en 7 van het analyseschema voor de haveninfrastructuur (http://ec.europa.eu/competition/state_aid/modernisation/grid_ports_en.pdf) en het besluit van de Commissie van 30 april 2015 betreffende staatssteun SA.39608 Uitbreiding van de haven van Wismar, overweging 31 (PB C 203 van 19.6.2015, blz. 3).

(35)  Besluit van de Commissie van 27 maart 2014 betreffende steunmaatregel SA.36346 (2013/N) — GRW land development scheme for industrial and commercial use (PB C 141 van 9.5.2014, blz. 1).

(36)  Zie besluit van de Commissie betreffende staatssteun SA.36953 (2013/N) Haven van Bahía de Cádiz, overweging 29 (PB C 335 van 16.11.2013, blz. 1), besluit van de Commissie betreffende staatssteun SA.30742 (N/2010) Klaipėda, overwegingen 8 en 9 (PB C 121 van 26.4.2012, blz. 1), besluit van de Commissie betreffende staatssteun N 44/2010 Haven van Krievu Sala, overweging 67 (PB C 215 van 21.7.2011, blz. 21), besluit van de Commissie betreffende staatssteun C 39/2009 (ex N 385/2009) Haven van Ventspils, overwegingen 30, 57 en 58 (PB C 62 van 13.3.2010, blz. 7).

(37)  Zie het verslag van het Inspectoraat-Generaal van Financiën (nr. 2007-M-031-01) en van de Algemene raad voor weg- en waterbouw (nr. 005126-01) over de modernisering van de autonome havens, juli 2008, bladzijde 53 ( „De huidige vergoedingen voor uitrusting vallen binnen het kader van belastbare activiteiten met winstoogmerk, maar zullen met de voorgestelde hervorming op de middellange termijn verdwijnen als havenmiddelen. In deze omstandigheden vormen de domaniale heffingen op de middellange termijn de wezenlijke en duurzame bron van de belastbare activiteit” ). (http://www.ladocumentationfrancaise.fr/var/storage/rapports-publics/084000035.pdf).

(38)  Zie BOI-TVA-BASE-10-20-40-10 §§230 à 270 (http://bofip.impots.gouv.fr/bofip/1474-PGP.html). Zie ook het antwoord op schriftelijke vraag nr. 17487 van de heer Jean Arthuis, gepubliceerd in het Publicatieblad van de Senaat van 10 maart 2011 — bladzijde 573; http://www.senat.fr/questions/base/2011/qSEQ110317487.html.

(39)  Zie de punten 5 en 7 van het analyseschema voor de haveninfrastructuur (http://ec.europa.eu/competition/state_aid/modernisation/grid_ports_en.pdf).

(40)  Zie het besluit van de Commissie van 11 maart 2014 betreffende staatssteun SA.35720 (2014/NN) — Verenigd Koninkrijk — Liverpool City, Council Cruise Liner Terminal, overwegingen 64-69 (PB C 120 van 23.4.2014, blz. 4).

(41)  Uitgedrukt als percentage van de omzet, vertegenwoordigen havenrechten en domaniale heffingen bijvoorbeeld respectievelijk 42 % en 34 % (en samen 55 % van de exploitatiekosten) voor de GZH van Bordeaux (in 2013, zie Rekenkamer, bijzonder verslag gepubliceerd op 8 maart 2016, blz. 60 en 64) en 62 % en 18 % (en samen 76 % van de exploitatiekosten) voor de GZH van Le Havre (in 2013, zie Rekenkamer, bijzonder verslag gepubliceerd op 30 maart 2016, blz. 112 en 113).

(42)  Zie punt 207 van de mededeling van 19 juli 2016.

(43)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 mei 2000, Frankrijk/Ladbroke Racing en Commissie, C-83/98 [P] (***), ECLI:EU:C:2000:248, punt 48 t/m 51.

(44)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 november 2001, Adria-Wien Pipeline, C-143/99, ECLI:EU:C:2001:598, punt 38.

(45)  Dat geldt eveneens voor hun opvolgers (in het bijzonder de GZH) die door de belastingdienst om dezelfde reden als vrijgesteld van de vennootschapsbelasting worden beschouwd.

(46)  Zie punt 206 van de mededeling van 19 juli 2016 en, met betrekking tot de DAEB, het arrest van het Hof van Justitie van 24 juli 2003, Altmark Trans, C-280/00, ECLI:EU:C:2003:415, punt 87 t/m 95.

(47)  Historisch gezien was de belastingvrijstelling die in 1942 werd toegekend bedoeld om de heropbouw van de tijdens de oorlog vernielde havens te versnellen en niet als zomaar een compensatie voor overheidstaken.

(48)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 15 december 2005, Italië/Commissie, C-66/02, EU:C:2005:768, punt 94.

(49)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., gevoegde zaken C-78/08 t/m C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550, punt 49; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, ECLI:EU:C:2006:511, punt 56.

(50)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., gevoegde zaken C-78/08 t/m C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550, punt 65; arrest van het Hof van Justitie van 6 september 2006, Portugal/Commissie, C-88/03, ECLI:EU:C:2006:511, punt 81.

(51)  Zie het mededelingenblad voor overheidsfinanciën-belastingen — BOI-IS-CHAMP-30-60, II (punt 240): „[…] de havens zijn in opeenvolgende ministeriële besluiten vrijgesteld van directe belastingen […]” .

(52)  Raad van State, 2 juli 2014, minister van Begroting, nr. 374807, ECLI:FR:CESSR:2014:374807.20140702.

(53)  Bepaalde havens worden geëxploiteerd door rechtspersonen die niet onder de besluiten van 1942 en 1943 vallen, zoals de handels- en vissershaven van Sète (geëxploiteerd door een regionale overheidsinstelling — zie het arrest van de administratieve hof van beroep van Marseille van 19 januari 2016, nr. 13MA03445), de haven van Lorient (beheerd door een gemengde onderneming, zie parlementaire vraag nr. 23815, gepubliceerd in het Franse staatsblad van 9 april 2013, blz. 3694) of de jachthaven van Saint-Cyprien (geëxploiteerd door het gemeentebedrijf van Saint-Cyprien, een gemeentelijk overheidsbedrijf met rechtspersoonlijkheid — zie het arrest van het administratieve hof van beroep van Marseille van 27 november 2012, nr. 12MA01312).

(54)  Antwoord op parlementaire vraag nr. 18664, gepubliceerd in het Franse staatsblad van 3 maart 2009, blz. 2040.

(55)  Zie het arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Paint Graphos e.a., gevoegde zaken C-78/08 t/m C-80/08, ECLI:EU:C:2011:550, punt 69.

(56)  Besluit nr. 2012-238 QPC van 20 april 2012, Frans staatsblad van 21 april 2012, blz. 7198.

(57)  Arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2015, Eventech, zaak C-518/13, ECLI:EU:C:2015:9, punt 65 t/m 69.

(58)  Arrest van het Hof van 30 april 2009, Commissie/Italië en Wam, zaak C-494/06, ECLI:EU:C:2009:272, punten 53 en 54.

(59)  in het bijzonder de Franse havens die niet zijn vrijgesteld van de vennootschapsbelasting. Zie voetnoot nr.48 van het onderhavige besluit.

(60)  Zie punt 2.1 van het voorstel voor een verordening betreffende de havendiensten. Zie ook de Mededeling van de Commissie inzake een Europees havenbeleid COM/2007/0616 final, punt II.4.2.

(61)  Zie de mededeling van de Commissie inzake een Europees havenbeleid COM/2007/0616 final, punt II.1.

(62)  De prijzen van de door de havens verleende vervoersdiensten maken vaak een belangrijk deel uit van de totale vervoerskosten. Zie Europese zeehavens 2030: uitdagingen voor de toekomst, memo van de Europese Commissie van 23 mei 2013: „De kosten en kwaliteit van de havendiensten vormen een belangrijke factor voor het Europese bedrijfsleven. In de logistieke keten kunnen de havenkosten een belangrijk aandeel van de totale kosten vertegenwoordigen. Goederenafhandeling, havenrechten en nautische diensten vertegenwoordigen soms tussen 40 % en 60 % van de totale logistieke kosten voor bedrijven die een beroep doen op de korte vaart”.

(63)  Arrest van het Hof van Justitie van 10 december 1969, Commissie/Frankrijk, gevoegde zaken 6/69 en 11/69, ECLI:EU:C:1969:68, punt 21. arrest van het Hof van Justitie van 19 mei 1999, Italië/Commissie, C-6/97, ECLI:EU:C:1999:251, punt 21.

(64)  Arrest van het Hof van Justitie van 2 juli 1974, Italië/Commissie, 173/73, ECLI:EU:C:1974:71, punt 36.

(65)  Havens waarvan het handelsvolume kleiner is dan het in artikel 20, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU, PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1 (hetzij 0,1 % van het totale volume van de goederen die jaarlijks door de zeehavens van de Unie worden verwerkt).

(66)  De KKI geeft aan dat als zij aan de vennootschapsbelasting zou worden onderworpen, dat de havens die zij beheert in gevaar zou brengen, gezien hun geografische ligging aan de grens met Spanje en de nabijheid van de Spaanse havens.

(67)  Zie meer in het bijzonder de besluiten van de Europese Commissie van 29 april 2015 in de zaken SA.37432 Tsjechische Republiek — Openbare ziekenhuizen van Hradec Králové, (PB C 203 van 19.6.2015, blz. 1), SA.37904 Duitsland — Medisch centrum van Durmersheim, (PB C 188 van 26.6.2015, blz. 1), SA.33149 Duitsland — Städtische Projektgesellschaft „Wirtschaftsbüro Gaarden — Kiel”, (PB C 188 van 5.6.2015, blz. 1).

(68)  Een gedeelte van de activiteiten van de begunstigde haven moet een zuiver lokale dimensie hebben, bijvoorbeeld doordat de haven goederen of diensten levert in een beperkt gebied binnen het nationale grondgebied en geen cliënten kan aantrekken uit andere lidstaten. Bovendien mag de maatregel geen — of hoogstens marginale — voorzienbare effecten hebben op grensoverschrijdende investeringen in de sector of de vestiging van bedrijven binnen de interne markt.

(69)  Zie de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie — 2012/C 8/02 (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 4). Zie eveneens Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3).

(70)  Zie de conclusies van advocaat-generaal Kokott in de zaak C-74/16; Congregación de Escuelas Pías Provincia Betania v Ayuntamiento de Getafe, ECLI:EU:C:2017:135, punt 75.

(71)  Artikel L. 5312-2 van het vervoerswetboek, waarin een lijst van taken is vermeld waarmee de havens worden belast, heeft geen betrekking op de grote zeehavens. In het artikel worden geen parameters voor de berekening van de compensatie of waarborgen om overcompensatie te voorkomen vastgelegd.

(72)  1,196 miljoen euro uit te keren in 2016 door de grote zeehaven van Guadeloupe (zie het arrest van 18 februari 2016, gepubliceerd in Frans staatsblad nr. 0048 van 26 februari 2016).

(73)  De herziening van de verordening is op 20 juni 2017 gepubliceerd. Zie Verordening (EU) 2017/1084 van de Commissie van 14 juni 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 651/2014 wat betreft steun voor haven- en luchthaveninfrastructuur, aanmeldingsdrempels voor steun voor cultuur en instandhouding van het erfgoed en voor steun voor sportinfrastructuur en multifunctionele recreatieve infrastructuur, en regelingen inzake regionale exploitatiesteun voor ultraperifere gebieden, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 702/2014 wat betreft de berekening van de in aanmerking komende kosten (PB L 156 van 20.6.2017, blz. 1).

(74)  Andere op investeringen gerichte maatregelen die aan de criteria voor verenigbaarheid (meer in het bijzonder het bestaan van een algemeen belang, de relevantie en de evenredigheid van de maatregel) voldoen, zouden in bepaalde omstandigheden wel verenigbaar met de interne markt kunnen worden verklaard.

(75)  Arrest van het Hof van 22 maart 1977 in de zaak 78/76, Steinike & Weinlig/Bondsrepubliek Duitsland, ECLI:EU:C:1977:52, punt 24.

(76)  Zie het definitieve besluit in de zaak betreffende staatssteun SA.25338 (PB L 113 van 27.4.2016, blz. 148).

(77)  Verordening (EU) 2017/352 van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2017 tot vaststelling van een kader voor het verrichten van havendiensten en gemeenschappelijke regels inzake de financiële transparantie van havens (PB L 57 van 3.3.2017, blz. 1).

(78)  Besluit van de Commissie van 21 januari 2016 betreffende steunmaatregel SA.25338 (2014/C ex E 3/2008 ex CP 115/2004) — Nederland — Vrijstelling vennootschapsbelasting voor overheidsondernemingen (PB L 113 van 27.4.2016, blz. 148).