ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 303

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
18 november 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/2104 van de Raad van 6 november 2017 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de werkgroep kwaliteitsnormen voor landbouwproducten (WP.7) van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE) inzake voorstellen voor kwaliteitsnormen voor groenten en fruit

1

 

*

Besluit (EU) 2017/2105 van de Raad van 10 november 2017 betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Handelscomité ten aanzien van de wijziging van bijlage XII bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, waarin de lijst is opgenomen met Colombiaanse aanbestedende diensten overeenkomstig de bepalingen van titel VI (Overheidsopdrachten)

6

 

*

Besluit (GBVB) 2017/2106 van het Politiek en Veiligheidscomité van 10 november 2017 tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de missie van de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (EUAM Ukraine/2/2017)

10

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

BESLUITEN

18.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/1


BESLUIT (EU) 2017/2104 VAN DE RAAD

van 6 november 2017

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in de werkgroep kwaliteitsnormen voor landbouwproducten (WP.7) van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE) inzake voorstellen voor kwaliteitsnormen voor groenten en fruit

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De werkgroep kwaliteitsnormen voor landbouwproducten (WP.7) van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) buigt zich over voorstellen tot vaststelling van nieuwe kwaliteitsnormen van de VN/ECE voor groenten en fruit, neemt deze voorstellen aan en wijzigt de bestaande normen. Deze voorstellen worden voorbereid door de gespecialiseerde normalisatiesecties van de VN/ECE. WP.7 van de VN/ECE neemt de voorstellen bij consensus tussen de deelnemende leden aan.

(2)

De VN/ECE-kwaliteitsnormen voor groenten en fruit dragen bij tot de internationale harmonisatie van dergelijke normen en bieden een kader dat voor een eerlijke concurrentie op de markt voor groenten en fruit zorgt.

(3)

De Unie is waarnemer in WP.7 van de VN/ECE en in de gespecialiseerde normalisatiesecties. De lidstaten zijn lid van de VN/ECE en nemen deel aan WP.7 van de VN/ECE en aan de gespecialiseerde normalisatiesecties. De lidstaten mogen derhalve deelnemen aan de besluitvorming inzake de aanneming van de kwaliteitsnormen voor groenten en fruit van de VN/ECE.

(4)

Overeenkomstig artikel 75, lid 1, en artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) mogen producten van de sector groente en fruit die bestemd zijn om vers aan de consument te worden verkocht, slechts worden afgezet als ze aan de geldende handelsnormen voldoen, gezond, deugdelijk en van gebruikelijke handelskwaliteit zijn, en het land van oorsprong is aangeduid.

(5)

Op grond van artikel 75, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 is de Commissie bevoegd om door middel van een gedelegeerde handeling handelsnormen in de sector groenten en fruit vast te stellen. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (2) zijn specifieke handelsnormen vastgelegd voor bepaalde groente- en fruit-producten. Deze specifieke handelsnormen berusten op de VN/ECE-kwaliteitsnormen voor deze producten.

(6)

Krachtens artikel 3, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 moeten groenten en fruit waarvoor geen specifieke handelsnorm geldt, voldoen aan de algemene handelsnorm zoals omschreven in deel A van bijlage I bij die uitvoeringsverordening. Producten die in overeenstemming zijn met een geldende handelsnorm van de VN/ECE, worden als conform die algemene handelsnorm beschouwd.

(7)

Aangezien de VN/ECE-kwaliteitsnormen voor groenten en fruit gevolgen hebben voor het recht van de Unie, moet het standpunt worden bepaald dat in WP.7 van de VN/ECE namens de Unie voor die kwaliteitsnormen moet worden ingenomen.

(8)

De door de gespecialiseerde normalisatiesectie voor verse groenten en fruit en de gespecialiseerde normalisatiesectie voor droge en gedroogde producten voorbereide voorstellen voor kwaliteitsnormen worden uitvoerig besproken tussen wetenschappelijke en technische deskundigen uit de sector groenten en fruit. Die voorstellen moeten derhalve namens de Unie door de lidstaten worden gesteund, mits ze in het belang van de Unie zijn en niet strijdig zijn met het Unierecht, met name Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(9)

Gelet op het voortschrijdende en technische karakter van de kwaliteitsnormen voor verse groenten en fruit en de daaruit volgende noodzaak voor de Unie om in haar standpunt rekening te houden met die nieuwe ontwikkelingen, alsmede op mogelijke andere bezwaren van de Unie, moeten voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt van de Unie procedures worden vastgesteld overeenkomstig het beginsel van loyale samenwerking tussen de instellingen van de Unie zoals dat in artikel 13, lid 2, van het Verdrag van de Europese Unie is neergelegd.

(10)

Om tijdens de besprekingen en in de vergadering van WP.7 van de VN/ECE over de nodige flexibiliteit te beschikken, moeten de lidstaten worden gemachtigd om, in overleg met de Commissie, met wijzigingen in de voorstellen inzake kwaliteitsnormen voor groenten en fruit in te stemmen voor zover die voorstellen daardoor niet inhoudelijk worden gewijzigd.

(11)

Het in dit besluit vastgestelde standpunt moet uiterlijk voor de jaarlijkse vergadering van WP.7 van de VN/ECE in 2020 worden herzien.

(12)

Aangezien de Unie in WP.7 van de VN/ECE en in de gespecialiseerde normalisatiesecties daarvan slechts de status van waarnemer heeft, is het aan de lidstaten die aan WP.7 van de VN/ECE deelnemen om, gezamenlijk optredend in het belang van de Unie, het standpunt van de Unie tot uitdrukking te brengen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het standpunt dat namens de Unie in de jaarlijkse vergaderingen van WP.7 van de VN/ECE moet worden ingenomen wanneer laatstgenoemde wordt verzocht nieuwe VN/ECE-kwaliteitsnormen voor groenten en fruit vast te stellen of bestaande VN/ECE-kwaliteitsnormen voor groenten en fruit te wijzigen, staat in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat de Unie tijdens de jaarlijkse vergaderingen van WP.7 van de VN/ECE moet innemen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

Dit besluit en de bijlagen daarbij worden uiterlijk voor de jaarlijkse vergadering van WP.7 van de VN/ECE in 2020 door de Raad geëvalueerd en, waar passend, op voorstel van de Commissie door de Raad herzien.

Artikel 4

Het in artikel 1 bedoelde standpunt wordt tot uitdrukking gebracht door de lidstaten die deelnemen aan WP.7 van de VN/ECE, gezamenlijk optredend in het belang van de Unie.

Artikel 5

De aan WP.7 van de VN/ECE deelnemende lidstaten mogen, gezamenlijk optredend namens de Unie en in overleg met de Commissie, in WP.7 van de VN/ECE instemmen met kleine wijzigingen in de voorstellen inzake kwaliteitsnormen voor groenten en fruit, voor zover die voorstellen daardoor niet inhoudelijk worden gewijzigd.

Artikel 6

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 6 november 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

T. TAMM


(1)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

HET STANDPUNT VAN DE UNIE IN DE JAARLIJKSE VERGADERING VAN WP.7 VAN DE VN/ECE

De lidstaten die deelnemen aan WP.7 van de VN/ECE, gezamenlijk optredend in het belang van de Unie, keuren de door de gespecialiseerde normalisatiesectie voor verse groenten en fruit en de gespecialiseerde normalisatiesectie voor droge en gedroogde producten voorbereide voorstellen voor het vaststellen van nieuwe VN/ECE-kwaliteitsnormen voor groenten en fruit of voor het wijzigen van bestaande VN/ECE-kwaliteitsnormen voor groenten en fruit goed, op voorwaarde dat:

a)

de nieuwe kwaliteitsnormen voor groenten en fruit of de wijzigingen van de bestaande kwaliteitsnormen voor groenten en fruit in het belang zijn van de Unie en de doelen dienen die de Unie zich in het kader van haar landbouwbeleid heeft gesteld, en

b)

de nieuwe kwaliteitsnormen voor groenten en fruit of de wijzigingen in de bestaande kwaliteitsnormen voor groenten en fruit niet strijdig zijn met het Unierecht, en met name niet strijdig met Verordening (EU) nr. 1308/2013, onverminderd het recht van de Commissie om de Unieregels, en met name die voor de in artikel 75 van die verordening bedoelde handelsnormen voor groenten en fruit, bij gedelegeerde handeling aan te passen.


BIJLAGE II

JAARLIJKSE NADERE BEPALING VAN HET STANDPUNT VAN DE UNIE DAT TIJDENS DE JAARLIJKSE VERGADERING VAN WP.7 VAN DE VN/ECE MOET WORDEN INGENOMEN

1.

Vóór elke jaarlijkse vergadering van WP.7 van de VN/ECE zendt de Commissie aan de Raad of zijn voorbereidende instanties een schriftelijk voorbereidend document toe met de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie, met het oog op bespreking en goedkeuring van het standpunt dat namens de Unie tot uitdrukking moet worden gebracht. Dat document wordt tijdig vóór de desbetreffende vergadering van WP.7 van de VN/ECE toegezonden.

2.

Bij de opstelling van het in lid 1 van deze bijlage bedoelde schriftelijk document gaat de Commissie na of de voorgestelde kwaliteitsnormen voldoen aan de voorwaarden van bijlage I, en of zij op concrete bezwaren van de Unie stuiten.

3.

Indien, na de in lid 2 bedoelde evaluatie door de Commissie, in de besprekingen van de Raad of zijn voorbereidende instanties wordt geconcludeerd dat een voorstel van de gespecialiseerde normalisatiesectie voor verse groenten en fruit of van de gespecialiseerde normalisatiesectie voor droge en gedroogde producten op een concreet bezwaar van de Unie stuit dat niet in een van de gespecialiseerde normalisatiesecties is besproken, verzoeken de lidstaten die deelnemen aan WP.7 van de VN/ECE, om uitstel van het besluit over dat voorstel totdat dat bezwaar naar behoren is besproken in de gespecialiseerde normalisatiesectie.

4.

Wanneer aangenomen mag worden dat nieuwe wetenschappelijke of technische informatie die na de vergadering, maar nog vóór of tijdens de vergadering van WP.7 van de VN/ECE beschikbaar is gekomen, gevolgen heeft voor een voorstel van de gespecialiseerde normalisatiesectie voor verse groenten en fruit of van de gespecialiseerde normalisatiesectie voor droge en gedroogde producten, verzoeken de aan WP.7 van de VN/ECE deelnemende lidstaten, gezamenlijk optredend in het belang van de Unie, dat het besluit over dat voorstel in de WP.7 van de VN/ECE wordt uitgesteld totdat dat voorstel in de gespecialiseerde normalisatiesecties op basis van die nieuwe wetenschappelijke of technische informatie is besproken.

5.

Indien een aantal lidstaten dat een blokkerende minderheid in de zin van artikel 238, lid 3, onder a), tweede alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vormt, zich tijdens een zitting van de Raad of een vergadering van zijn voorbereidende instanties verzet tegen een voorstel voor een nieuwe VN/ECE-kwaliteitsnorm voor groenten en fruit of tegen een wijziging van bestaande VN/ECE-kwaliteitsnormen voor groenten en fruit, verzoeken de aan WP.7 van de VN/ECE deelnemende lidstaten om het besluit inzake de voorgestelde norm uit te stellen en de besprekingen in de gespecialiseerde normalisatiesectie voor verse groenten en fruit of de gespecialiseerde normalisatiesectie voor droge en gedroogde producten, of in een daartoe opgerichte werkgroep van de VN/ECE, voort te zetten.

6.

Teneinde rekening te houden met mogelijke nieuwe ontwikkelingen die zich kunnen voordoen tussen de besprekingen in de Raad of in zijn voorbereidende instanties en het einde van de vergadering van WP.7 van de VN/ECE, en die niet ontwikkelingen betreffen als bedoeld in artikel 5 van dit besluit, kunnen indien nodig verdere zittingen van de Raad of vergaderingen van zijn voorbereidende instanties worden bijeengeroepen, zelfs ter plaatse.

7.

Indien tijdens die zittingen of vergaderingen, die ter plaatse inbegrepen, wat betreft de leden 3, 4 en 6 van deze bijlage, geen overeenstemming kan worden bereikt over de voorgestelde nadere bepaling van het standpunt van de Unie, wordt de zaak voorgelegd aan de Raad of zijn voorbereidende instanties.


18.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/6


BESLUIT (EU) 2017/2105 VAN DE RAAD

van 10 november 2017

betreffende het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Handelscomité ten aanzien van de wijziging van bijlage XII bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, waarin de lijst is opgenomen met Colombiaanse aanbestedende diensten overeenkomstig de bepalingen van titel VI („Overheidsopdrachten”)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds („de handelsovereenkomst”), wordt met Colombia sinds 1 augustus 2013 voorlopig toegepast (1).

(2)

Krachtens artikel 14, leden 1 en 3, van de handelsovereenkomst kan het Handelscomité bij consensus besluiten vaststellen waarbij alleen de Unie en het desbetreffende overeenkomstsluitende Andesland (d.w.z. Colombia) betrokken zijn, mits de rechten en verplichtingen van de andere overeenkomstsluitende Andeslanden hierbij onverlet blijven.

(3)

Het Handelscomité zal tijdens zijn vierde vergadering op 24 november 2017 het besluit tot goedkeuring van de wijziging van aanhangsel 1, sectie A, subsectie 2, van bijlage XII („Overheidsopdrachten”) vaststellen. De wijziging betreft een verduidelijking van het toepassingsgebied van Colombiaanse lagereoverheidsdiensten voor aanbestedingen. De wijziging betreft de toevoeging van een aantekening bij subsectie 2 met betrekking tot het toepassingsgebied van de overheidsopdrachten van Colombia om te verduidelijken dat onder „aanbestedende diensten” alle lagereoverheidsdiensten voor openbare aanbestedingen vallen die niet van industriële of commerciële aard zijn. De Unie en Colombia zijn overeengekomen dat deze wijziging geen aanleiding geeft tot compenserende aanpassingen.

(4)

Het is passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Handelscomité, aangezien het besluit voor de Unie bindend zal zijn,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Handelscomité in te nemen standpunt is gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Handelscomité.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Commissie.

Gedaan te Brussel, 10 november 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

U. PALO


(1)  Besluit 2012/735/EU van de Raad van 31 mei 2012 betreffende de ondertekening, namens de Unie, en de voorlopige toepassing van de Handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds (PB L 354 van 21.12.2012, blz. 1).


ONTWERP

BESLUIT Nr. […]/2017 VAN HET HANDELSCOMITÉ EU-COLOMBIA-PERU

van […] 2017

tot wijziging van aanhangsel 1 van bijlage XII („Overheidsopdrachten”) bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds

HET HANDELSCOMITÉ,

Gezien de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie („de Unie”) en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds („de handelsovereenkomst”), en met name artikel 191;

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 191 van de handelsovereenkomst zijn de procedures vastgesteld waarmee een partij het toepassingsgebied van titel VI van de handelsovereenkomst wat haar betreft kan wijzigen of rectificeren.

(2)

In aanhangsel 1, sectie A, subsectie 2, van bijlage XII („Overheidsopdrachten”) bij de handelsovereenkomst worden de Colombiaanse lagere-overheidsdiensten gespecificeerd waarvan de aanbestedingen onder titel VI vallen.

(3)

Na overleg tussen de Unie en Colombia over de uitvoering van de handelsovereenkomst heeft Colombia de Unie in kennis gesteld van zijn voornemen om een aantekening toe te voegen aan subsectie 2 om te verduidelijken dat onder „aanbestedende diensten” alle lagere-overheidsdiensten voor openbare aanbestedingen vallen die niet van industriële of commerciële aard zijn. De Unie en Colombia hebben overeenstemming bereikt over deze wijziging en zijn overeengekomen dat deze wijziging geen aanleiding geeft tot compenserende aanpassingen.

(4)

Om deze aantekening op te nemen, moet aanhangsel 1, sectie A, subsectie 2, van bijlage XII bij de handelsovereenkomst worden gewijzigd. Het besluit om de bijlage te wijzigen, kan overeenkomstig artikel 14, lid 3, van de handelsovereenkomst worden vastgesteld door het uit hoofde van de handelsovereenkomst door de Unie en Colombia („het desbetreffende ondertekenende Andesland”) ingestelde Handelscomité, aangezien het uitsluitend betrekking heeft op de bilaterale betrekkingen tussen hen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De aantekeningen bij aanhangsel 1, sectie A, subsectie 2, in bijlage XII („Overheidsopdrachten”) bij de handelsovereenkomst worden vervangen door:

„Aantekeningen bij deze subsectie

1.

Voor de toepassing van deze subsectie vallen onder „aanbestedende diensten” alle lagere-overheidsdiensten voor openbare aanbestedingen die niet van industriële of commerciële aard zijn.

2.

Titel VI van deze overeenkomst is niet van toepassing op:

a)

aanbestedingen van voedingsmiddelen, agrarische grondstoffen/productiemiddelen, en levende dieren in verband met steunprogramma's voor de landbouw en voedingsmiddelenhulp; en

b)

aanbestedingen van goederen die zijn ingedeeld bij sectie 2 (voedings- en genotmiddelen; textiel, kleding en lederwaren) van de CPC, versie 1.0, voor programma's voor sociale bijstand.”.

Artikel 2

De in artikel 1 vastgelegde wijziging brengt geen compenserende aanpassingen met zich mee, aangezien de wijziging het toepassingsgebied niet verkleint.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te […], […] 2017.

Voor het Handelscomité


18.11.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 303/10


BESLUIT (GBVB) 2017/2106 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ

van 10 november 2017

tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de missie van de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (EUAM Ukraine/2/2017)

HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 38, derde alinea,

Gezien Besluit 2014/486/GBVB van de Raad van 22 juli 2014 betreffende de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (1), en met name artikel 7, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van Besluit 2014/486/GBVB is het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag gemachtigd om de passende besluiten te nemen met het oog op de uitoefening van de politieke controle op en de strategische leiding van de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine), met inbegrip van een besluit tot benoeming van een hoofd van de missie.

(2)

Op 7 januari 2016 heeft het PVC de heer Kęstutis LANČINSKAS bij Besluit (GBVB) 2016/49 (2) benoemd tot hoofd van de missie EUAM Ukraine voor de periode van 1 februari 2016 tot en met 31 januari 2017.

(3)

Op 10 januari 2017 heeft het PVC het mandaat van de heer Kęstutis LANČINSKAS als hoofd van de missie EUAM Ukraine bij Besluit (GBVB) 2017/113 (3) verlengd van 1 februari 2017 tot en met 30 november 2017.

(4)

De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid heeft voorgesteld het mandaat van de heer Kęstutis LANČINSKAS als hoofd van de missie EUAM Ukraine te verlengen van 1 december 2017 tot en met 30 november 2018,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het mandaat van de heer Kęstutis LANČINSKAS als hoofd van de missie van EUAM Ukraine wordt verlengd tot en met 30 november 2018.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 10 november 2017.

Voor het Politiek en Veiligheidscomité

De voorzitter

W. STEVENS


(1)   PB L 217 van 23.7.2014, blz. 42.

(2)  Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2016/49 van 7 januari 2016 betreffende de benoeming van het hoofd van de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (EUAM Ukraine/1/2016 (PB L 12 van 19.1.2016, blz. 47).

(3)  Besluit van het Politiek en Veiligheidscomité (GBVB) 2017/113 van 10 januari 2017 tot verlenging van het mandaat van het hoofd van de missie van de adviesmissie van de Europese Unie voor de hervorming van de civiele veiligheidssector in Oekraïne (EUAM Ukraine) (EUAM UKRAINE/1/2017) (PB L 18 van 24.1.2017, blz. 48).