|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
60e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1576 van de Commissie van 26 juni 2017 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat de voorschriften voor akoestische voertuigwaarschuwingssystemen met het oog op de EU-typegoedkeuring van voertuigen betreft ( 1 ) |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
AANBEVELINGEN |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/1575 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2017
tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/242 tot vaststelling van nadere bepalingen over het functioneren van de adviesraden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (1), en met name artikel 45, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op grond van artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 moeten adviesraden worden opgericht om een evenwichtige vertegenwoordiging van alle belanghebbende partijen op het gebied van de visserij en de aquacultuur te bevorderen en om bij te dragen tot de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 45, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft de Commissie Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/242 van de Commissie (2) tot vaststelling van nadere bepalingen over het functioneren van de adviesraden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid vastgesteld. |
|
(3) |
Artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/242 bevat onder meer een definitie van de begrippen „sectororganisaties” en „andere belangengroepen”, die betrekking hebben op de twee categorieën van belanghebbenden die overeenkomstig artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 in de adviesraden vertegenwoordigd zijn. |
|
(4) |
Om interpretatieproblemen te vermijden moet de definitie van het begrip „sectororganisaties” verder in overeenstemming worden gebracht met de formulering van artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. |
|
(5) |
Aangezien er gemengde organisaties kunnen zijn die zowel de visserijsector als andere belangengroepen vertegenwoordigen, dient te worden bepaald dat de algemene vergadering beslist onder welke van de twee in artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde categorieën de leden van de adviesraden worden ingedeeld. |
|
(6) |
Artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/242 bevat voorschriften inzake de structuur en de organisatie van de adviesraden, met name wat betreft de benoeming van het uitvoerend comité door de algemene vergadering. |
|
(7) |
Gelet op de samenstelling van de adviesraden overeenkomstig punt 2 a), van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 1380/2013, waarin is bepaald dat 60 % van de zetels in de algemene vergadering en het uitvoerend comité moet worden toegekend aan sectororganisaties en 40 % aan de overige belangengroepen, dient beide categorieën het recht te worden verleend om autonoom te beslissen wie hen in het uitvoerend comité vertegenwoordigt, zodat in de adviesraden alle belanghebbenden evenwichtig vertegenwoordigd zijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/242 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 2 wordt lid 2 vervangen door: „2. „sectororganisaties”: organisaties die de marktdeelnemers uit de visserijsector (met inbegrip van vissers in loondienst) en, in voorkomend geval, de marktdeelnemers uit de aquacultuursector vertegenwoordigen, alsmede vertegenwoordigers van de verwerkings- en de afzetsector;”. |
|
2) |
Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/242 van de Commissie van 9 oktober 2014 tot vaststelling van nadere bepalingen over het functioneren van de adviesraden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 41 van 17.2.2015, blz. 1).
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/3 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/1576 VAN DE COMMISSIE
van 26 juni 2017
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat de voorschriften voor akoestische voertuigwaarschuwingssystemen met het oog op de EU-typegoedkeuring van voertuigen betreft
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 540/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende het geluidsniveau van motorvoertuigen en vervangende geluidsdempingssystemen, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van Richtlijn 70/157/EEG (1), en met name artikel 8, lid 2, en artikel 9,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) nr. 540/2014 bevat voorschriften voor de EU-typegoedkeuring van alle nieuwe voertuigen van de categorieën M (voertuigen voor personenvervoer) en N (voertuigen voor goederenvervoer) wat hun geluidsniveau betreft. Die verordening bevat ook bepalingen met betrekking tot het akoestische voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS) voor hybride elektrische en puur elektrische voertuigen, dat bedoeld is om kwetsbare weggebruikers te waarschuwen. |
|
(2) |
Ingevolge de aanneming, op de 168e zitting van het Wereldforum voor harmonisatie van de regelgeving voor voertuigen van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE), die van 8 tot en met 11 maart 2016 heeft plaatsgevonden, van VN/ECE-Reglement nr. 138 betreffende de goedkeuring van stille wegvoertuigen, moet bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 540/2014 worden herzien om de AVAS-voorschriften aan te scherpen wat het type en het volume van het geëmitteerde geluid, de geluidsproductiemethode, de pauzeschakelaar en het geluid bij stilstand betreft. |
|
(3) |
Het informatiedocument overeenkomstig bijlage I bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) betreffende de EU-typegoedkeuring van een voertuig wat het toegestane geluidsniveau betreft, en het addendum bij het EU-typegoedkeuringscertificaat moeten worden herzien om de gedetailleerde AVAS-voorschriften te weerspiegelen. |
|
(4) |
Voorts dienen, met het oog op de goedkeuring van hybride elektrische en puur elektrische voertuigen die met een AVAS zijn uitgerust, testvoorschriften voor de minimale AVAS-geluidsemissieniveaus bij voor- en achteruitrijden en voor de geëmitteerde geluidsfrequentieverschuiving te worden vastgesteld. |
|
(5) |
Verordening (EU) nr. 540/2014 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Aangezien Verordening (EU) nr. 540/2014 op 1 juli 2016 van toepassing is geworden en zonder de in deze handeling opgenomen wijzigingen van bijlage VIII niet volledig kan worden toegepast, dient deze verordening zo spoedig mogelijk in werking te treden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 540/2014
Verordening (EU) nr. 540/2014 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Bijlage VIII wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening. |
Artikel 2
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 26 juni 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 158 van 27.5.2014, blz. 131.
(2) Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).
BIJLAGE
„BIJLAGE VIII
BEPALINGEN BETREFFENDE HET AKOESTISCHE VOERTUIGWAARSCHUWINGSSYSTEEM (AVAS)
DEEL I
Deze bijlage bevat bepalingen met betrekking tot het akoestische voertuigwaarschuwingssysteem (Acoustic Vehicle Alerting System — AVAS) voor hybride elektrische en puur elektrische voertuigen.
I.1. Onverminderd punt 2, onder a) en b), zijn de bepalingen van deel II van toepassing op een AVAS dat:
|
a) |
in een vóór 1 juli 2019 goedgekeurd voertuigtype is geïnstalleerd; |
|
b) |
vóór 1 juli 2021 geïnstalleerd is in een nieuw voertuig dat op het onder a) bedoelde type is gebaseerd. |
I.2. De bepalingen van deel III zijn van toepassing op een AVAS dat:
|
a) |
in een vóór 1 juli 2019 goedgekeurd voertuigtype is geïnstalleerd, als de fabrikant dat wenst; |
|
b) |
geïnstalleerd is in een nieuw voertuig dat op het onder a) bedoelde type is gebaseerd; |
|
c) |
in een op of na 1 juli 2019 goedgekeurd voertuigtype is geïnstalleerd; |
|
d) |
geïnstalleerd is in een nieuw voertuig dat op het onder c) bedoelde type is gebaseerd; |
|
e) |
op of na 1 juli 2021 in een nieuw voertuig is geïnstalleerd. |
DEEL II
II.1. Prestaties van het systeem
Als op een voertuig een AVAS is geïnstalleerd, moet het voldoen aan de voorschriften van de punten II.2 en II.3.
II.2. Bedrijfsomstandigheden
|
a) |
Geluidsproductiemethode In het minimumsnelheidsbereik van het voertuig, d.w.z. vanaf het starten tot ongeveer 20 km/h, en bij het achteruitrijden moet het AVAS automatisch een geluid produceren. Wanneer het voertuig is uitgerust met een verbrandingsmotor die binnen dat snelheidsbereik van het voertuig draait, mag het AVAS geen geluid produceren. Bij voertuigen met een akoestisch waarschuwingssysteem voor achteruitrijden hoeft het AVAS bij het achteruitrijden geen geluid te produceren. |
|
b) |
Schakelaar Het AVAS moet worden voorzien van een voor de bestuurder gemakkelijk toegankelijke schakelaar om het systeem in of uit te kunnen schakelen. Bij het opnieuw starten van het voertuig moet het AVAS automatisch in de aan-stand terugkeren. |
|
c) |
Demping Tijdens bepaalde perioden waarin het voertuig wordt gebruikt, mag het geluidsniveau van het AVAS worden gedempt. |
II.3. Geluidstype en -volume
|
a) |
Het door het AVAS te produceren geluid moet een continu geluid zijn dat de voetgangers en andere weggebruikers erop attendeert dat een voertuig in beweging is. Het geluid moet een duidelijke indicatie zijn van het voertuiggedrag en moet lijken op het geluid van een voertuig van dezelfde categorie dat met een verbrandingsmotor is uitgerust. |
|
b) |
Het door het AVAS te produceren geluid moet een duidelijke indicatie zijn van het voertuiggedrag, bijvoorbeeld door de automatische verandering van het geluidsniveau of de geluidskenmerken al naargelang de snelheid van het voertuig. |
|
c) |
Het door het AVAS geproduceerde geluidsniveau mag het approximatieve geluidsniveau van een voertuig van categorie M1 dat met een verbrandingsmotor is uitgerust en onder dezelfde omstandigheden wordt gebruikt, niet overschrijden. |
DEEL III
III.1. Prestaties van het systeem
Het AVAS moet voldoen aan de voorschriften van de punten III.2 tot en met III.6.
III.2. Bedrijfsomstandigheden
|
a) |
Geluidsproductiemethode In het minimumsnelheidsbereik van het voertuig, d.w.z. vanaf het starten tot ongeveer 20 km/h, en bij het achteruitrijden moet het AVAS automatisch een geluid produceren. Wanneer het voertuig is uitgerust met een verbrandingsmotor die binnen dat snelheidsbereik van het voertuig draait, mag het AVAS geen geluid produceren. Voertuigen waarvan het totale geluidsniveau, met een marge van + 3 dB(A), voldoet aan de voorschriften van punt 6.2.8 van VN/ECE-Reglement nr. 138 (1), hoeven niet met een AVAS te worden uitgerust. De voorschriften van punt 6.2.8 van VN/ECE-Reglement nr. 138 voor tertsbanden en die van punt 6.2.3 van VN/ECE-Reglement nr. 138 voor de frequentieverschuiving zoals gedefinieerd in punt 2.4 van datzelfde reglement („frequentieverschuiving”), zijn niet van toepassing op die voertuigen. Bij voertuigen met een akoestisch waarschuwingssysteem voor achteruitrijden hoeft het AVAS bij het achteruitrijden geen geluid te produceren, mits dat geluid van het waarschuwingssysteem voldoet aan de voorschriften van punt 6.2, tweede alinea, en punt 6.2.2 van VN/ECE-Reglement nr. 138. Het geluid dat door het voor goedkeuring ter beschikking gestelde voertuigtype wordt geproduceerd, moet worden gemeten volgens de in bijlage 3 en in de punten 6.2.1.3 en 6.2.2.2 van VN/ECE-Reglement nr. 138 beschreven methoden. |
|
b) |
Schakelaar Het AVAS mag worden voorzien van een mechanisme waarmee de bestuurder de werking ervan kan stopzetten (een „pauzefunctie”); dat mechanisme moet voor de bestuurder gemakkelijk toegankelijk zijn om het systeem in of uit te kunnen schakelen. Wanneer een pauzefunctie aanwezig is, moet het AVAS bij het opnieuw starten van het voertuig automatisch in de aan-stand terugkeren. Bovendien moet de pauzefunctie voldoen aan de voorschriften van punt 6.2.6 van VN/ECE-Reglement nr. 138. |
|
c) |
Demping Tijdens bepaalde perioden waarin het voertuig wordt gebruikt, mag het geluidsniveau van het AVAS worden gedempt. In die gevallen moet het geluidsniveau van het AVAS voldoen aan de voorschriften van punt 6.2.8 van VN/ECE-Reglement nr. 138. |
III.3. Geluidstype en -volume
|
a) |
Het door het AVAS te produceren geluid moet een continu geluid zijn dat de voetgangers en andere weggebruikers erop attendeert dat een voertuig in beweging is. Het geluid moet een duidelijke indicatie zijn van het voertuiggedrag, bijvoorbeeld door de automatische verandering van het geluidsniveau of de geluidskenmerken al naargelang de snelheid van het voertuig. Het geluid moet lijken op dat van een voertuig van dezelfde categorie dat met een verbrandingsmotor is uitgerust. Hiervoor gelden de volgende regels:
|
|
b) |
De voertuigfabrikant mag de bestuurder de keuze bieden tussen verschillende geluiden die moeten voldoen aan de voorschriften van punt 6.2.5 van VN/ECE-Reglement nr. 138. |
|
c) |
Het door het AVAS geproduceerde geluidsniveau mag het approximatieve geluidsniveau van een voertuig van categorie M1 dat met een verbrandingsmotor is uitgerust en onder dezelfde omstandigheden wordt gebruikt, niet overschrijden. Voorts gelden de voorschriften van punt 6.2.7 van VN/ECE-Reglement nr. 138. |
|
d) |
Het totale door een voertuig geproduceerde geluidsniveau dat voldoet aan punt 2, onder a), tweede alinea, mag het approximatieve geluidsniveau van een voertuig van categorie M1 dat met een verbrandingsmotor is uitgerust en onder dezelfde omstandigheden wordt gebruikt, niet overschrijden. |
III.4. Voorschriften in verband met de testbaan
Tot en met 30 juni 2019 mag ISO-norm 10844:1994 als alternatief voor ISO-norm 10844:2014 worden toegepast om na te gaan of de in bijlage 3, punt 2.1.2, van VN/ECE-Reglement nr. 138 beschreven testbaan voldoet aan de voorschriften.
III.5. Typegoedkeuringscertificaat
De voertuigfabrikant moet, als bijlage bij het EU-typegoedkeuringscertificaat, alle volgende documenten verstrekken:
|
a) |
de mededeling zoals bedoeld in punt 5.3 van VN/ECE-Reglement nr. 138, volgens het model in bijlage 1 bij dat reglement; |
|
b) |
de testresultaten van de AVAS-geluidsemissieniveaus, gemeten overeenkomstig dit reglement. |
III.6. Opschriften
Elk onderdeel van het AVAS moet voorzien zijn van de volgende opschriften:
|
a) |
de handelsnaam of het handelsmerk van de fabrikant; |
|
b) |
een specifiek identificatienummer. |
De opschriften moeten onuitwisbaar en goed leesbaar zijn.
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1577 VAN DE COMMISSIE
van 5 september 2017
tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een naam die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Acciughe sotto sale del mar Ligure (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de door Italië ingediende aanvraag tot goedkeuring van een wijziging van het productdossier van de beschermde geografische aanduiding „Acciughe sotto sale del mar Ligure”, die bij Verordening (EG) nr. 776/2008 van de Commissie (2) is geregistreerd. |
|
(2) |
Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3). |
|
(3) |
Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de naam „Acciughe sotto sale del mar Ligure” (BGA) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 5 september 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 776/2008 van de Commissie van 4 augustus 2008 houdende inschrijving van een aantal benamingen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Acciughe sotto sale del Mar Ligure (BGA), Brussels grondwitloof (BGA), Œufs de Loué (BGA)) (PB L 207 van 5.8.2008, blz. 7).
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/9 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1578 VAN DE COMMISSIE
van 18 september 2017
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2015/476 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 inzake de maatregelen die de Unie kan nemen naar aanleiding van een rapport van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO betreffende antidumping- en antisubsidiemaatregelen (1) („de WTO-machtigingsverordening”), en met name de artikelen 1 en 2,
Overwegende hetgeen volgt:
1. GELDENDE MAATREGELEN
|
(1) |
De Raad heeft bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van 19 november 2013 een definitief antidumpingrecht ingesteld op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (2) („de definitieve verordening”). |
2. RAPPORTEN VAN HET ORGAAN VOOR GESCHILLENBESLECHTING VAN DE WTO
|
(2) |
Op 26 oktober 2016 heeft het orgaan voor geschillenbeslechting (DSB, Dispute Settlement Body) van de Wereldhandelsorganisatie (WTO, World Trade Organization) het rapport van de beroepsinstantie (3) en het panelrapport (4), zoals gewijzigd bij het rapport van de beroepsinstantie („de rapporten”), in het geschil Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Argentinië (WT/DS473/15) vastgesteld. Het DSB heeft opgemerkt dat het panelrapport moet worden gelezen in samenhang met het rapport van de beroepsinstantie. In het rapport van de beroepsinstantie werd onder meer geconcludeerd dat de Europese Unie in strijd heeft gehandeld met:
|
|
(3) |
Bovendien heeft het panel onder meer vastgesteld dat de Europese Unie in strijd heeft gehandeld met:
|
|
(4) |
De beroepsinstantie heeft het DSB aanbevolen de Europese Unie te verzoeken haar maatregelen in overeenstemming te brengen met de ADA en de GATT 1994. |
3. PROCEDURE
|
(5) |
Op 20 december 2016 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) overeenkomstig artikel 1, lid 3, van de WTO-machtigingsverordening een herzieningsonderzoek („het herzieningsonderzoek”) geopend door de bekendmaking van een bericht (5) in het Publicatieblad van de Europese Unie („het bericht van opening”). De Commissie heeft de belanghebbenden in het onderzoek dat tot de vaststelling van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 heeft geleid („het oorspronkelijke onderzoek”), in kennis gesteld van het herzieningsonderzoek en van de wijze waarop zij voornemens was de bevindingen van de rapporten in aanmerking te nemen. |
|
(6) |
De belanghebbenden zijn in de gelegenheid gesteld hun opmerkingen over de opening van het herzieningsonderzoek kenbaar te maken en een aanvraag in te dienen voor een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur in handelsprocedures. |
|
(7) |
De Commissie heeft een vragenlijst aangaande de productie en de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie toegezonden aan de European Biodiesel Board (EBB) en nadien een controle ter plaatse uitgevoerd. |
4. BETROKKEN PRODUCT
|
(8) |
Het betrokken product betreft door synthese en/of hydrobehandeling verkregen monoalkylesters van vetzuren en/of paraffinische gasoliën van niet-fossiele oorsprong, in ongemengde vorm of in mengsels, van oorsprong uit Argentinië en uit Indonesië, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 1516 20 98, ex 1518 00 91, ex 1518 00 95, ex 1518 00 99, ex 2710 19 43, ex 2710 19 46, ex 2710 19 47, 2710 20 11, 2710 20 15, 2710 20 17, ex 3824 99 92, 3826 00 10 en ex 3826 00 90 („het betrokken product”, gewoonlijk „biodiesel” genoemd). |
|
(9) |
De rapporten hebben geen gevolgen voor de bevindingen in de overwegingen 16 tot en met 27 van de definitieve verordening die het betrokken product en het soortgelijke product betreffen. |
5. HERZIENE BEVINDINGEN INZAKE DUMPING NAAR AANLEIDING VAN DE RAPPORTEN
|
(10) |
Zoals aangegeven in het bericht van opening heeft de Commissie de definitieve bevindingen van het oorspronkelijke onderzoek opnieuw beoordeeld met inachtneming van de aanbevelingen en uitspraken van het DSB. Die herbeoordeling is gebaseerd op informatie die tijdens het oorspronkelijke onderzoek was verzameld en informatie die na de bekendmaking van het bericht van opening van belanghebbenden werd ontvangen. |
|
(11) |
Het oorspronkelijke onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 juli 2011 tot en met 30 juni 2012 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Met betrekking tot de parameters die relevant zijn voor de schadebeoordeling werden gegevens voor de periode van 1 januari 2009 tot het einde van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”) geanalyseerd. |
|
(12) |
Deze verordening heeft tot doel de aspecten van de definitieve verordening die onverenigbaar zijn met de WTO-regels, te corrigeren en in overeenstemming te brengen met de rapporten. |
5.1. Opneming van Indonesië
|
(13) |
In het bericht van opening verwees de Commissie naar de bij dezelfde definitieve verordening ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel uit Indonesië. Die maatregelen zijn momenteel het voorwerp van een door Indonesië bij de WTO aanhangig gemaakt geschil met de Unie (6) („EU-maatregelen met betrekking tot Indonesië”). In het kader van dat geschil heeft Indonesië argumenten ingediend die vergelijkbaar zijn met de argumenten waarop in de rapporten wordt ingegaan. Aangezien de in de rapporten vervatte interpretatie van de rechtsregels door de beroepsinstantie tevens relevant lijkt te zijn voor het onderzoek aangaande Indonesië, achtte de Commissie het passend dat de antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van biodiesel uit Indonesië worden onderzocht in het kader van een overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening gevoerd parallel herzieningsonderzoek, met name voor zover de definitieve verordening werd geacht in strijd te zijn met artikel 2.2.1.1 van de ADA. |
|
(14) |
De overwegingen 12 tot en met 20 van het algemene informatiedocument bevatten de voorlopige analyse van de Commissie aangaande de toepassing van de interpretatie van artikel 2.2.1.1 van de ADA door de beroepsinstantie op het onderzoek met betrekking tot Indonesië. |
|
(15) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen hebben belanghebbenden de analyse van de Commissie in twijfel getrokken; zij betwistten onder meer de toepasselijkheid van de interpretatie door de beroepsinstantie alsook de bevoegdheid van de Commissie uit hoofde van de WTO-machtigingsverordening om ambtshalve volgens die interpretatie te handelen. |
|
(16) |
Aangezien voor die analyse meer tijd nodig is, besloot de Commissie het herzieningsonderzoek met betrekking tot Indonesië nog niet te beëindigen, maar haar analyse voort te zetten in het licht van de ontvangen opmerkingen. Het krachtens artikel 2, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening geopende herzieningsonderzoek is derhalve nog altijd lopende en blijft geopend voor zover betrekking hebbend op Indonesië. Alle belanghebbenden zijn daarvan in kennis gesteld door middel van een herzien informatiedocument van 31 juli 2017, en zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. |
|
(17) |
De Indonesische overheid heeft aangevoerd dat de Commissie algemene beginselen van het Unierecht heeft geschonden door eerst bekend te maken dat zij voornemens was de definitieve verordening te wijzigen wat Indonesië betreft, en vervolgens dat voornemen in te trekken en het onderzoek aangaande Indonesië voort te zetten. |
|
(18) |
Ten eerste was de Indonesische overheid van oordeel dat dit leidt tot ongelijke en discriminerende behandeling van de Indonesische producenten ten opzichte van de Argentijnse producenten-exporteurs, aangezien de Commissie beweerdelijk in het bericht van opening had erkend dat de situatie van de Indonesische invoer van biodiesel vergelijkbaar is met de Argentijnse. Door het herzieningsonderzoek aangaande Indonesië uit te stellen, worden de Indonesische producenten-exporteurs, naar verluidt, duidelijk benadeeld ten opzichte van de Argentijnse exporteurs. |
|
(19) |
Ten tweede zouden de Indonesische exporteurs er, aangezien de Commissie het herzieningsonderzoek heeft geopend met betrekking tot zowel de Indonesische als de Argentijnse invoer van biodiesel, redelijkerwijs en gewettigd op mogen vertrouwen dat het herzieningsonderzoek aangaande Indonesië op hetzelfde ogenblik wordt beëindigd als het herzieningsonderzoek aangaande Argentinië. Dat vertrouwen zou nog zijn versterkt door het eerste informatiedocument waarin de Commissie voorstelde om de definitieve verordening ook wat Indonesië betreft, te wijzigen. Door met een herziene mededeling van feiten en overwegingen haar standpunt te wijzigen heeft de Commissie dus beweerdelijk het beginsel van gewettigd vertrouwen geschonden. |
|
(20) |
Ten derde heeft de Indonesische overheid aangevoerd dat de Commissie het beginsel van goede trouw heeft geschonden door de Indonesische invoer in een late fase van de procedure uit te sluiten van het herzieningsonderzoek, niettegenstaande het feit dat zij die invoer gedurende het onderzoek in aanmerking had genomen. |
|
(21) |
Allereerst herinnerde de Commissie eraan dat het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO in het geval van de EU-maatregelen tegen de invoer van biodiesel uit Argentinië al tot definitieve bevindingen is gekomen, terwijl het afzonderlijke geschil met betrekking tot de antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Indonesië daar nog in behandeling is. Derhalve worden de laatstgenoemde maatregelen overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening als niet-betwiste maatregelen beschouwd. Dat blijkt onder meer uit artikel 1, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening waarin de term „rapport” wordt gebruikt in de beschrijving van een betwiste maatregel waar het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO zich over heeft gebogen en een uitspraak over heeft gedaan. |
|
(22) |
Daarnaast herinnerde de Commissie eraan dat overeenkomstig het Unierecht de concepten „gelijke behandeling” en „non-discriminatie” een verbod inhouden om vergelijkbare situaties verschillend te behandelen, dan wel verschillende situaties op gelijke wijze te behandelen, tenzij objectieve redenen dat rechtvaardigen (7). Met het oog op de uitvoering van de WTO-rapporten bevinden de Indonesische en de Argentijnse producenten-exporteurs zich objectief gezien niet in dezelfde situatie: in het geval van het onderzoek naar schade veroorzakende dumping van het betrokken product uit Argentinië vond de uitvoering plaats krachtens artikel 1, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening en wordt de uitvoering bij deze verordening beëindigd, terwijl in het geval van het onderzoek naar dezelfde praktijken met betrekking tot Indonesië de uitvoering plaatsvond krachtens artikel 2, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening en geopend blijft. Er kan enkel sprake zijn van discriminatie indien marktdeelnemers die zich in dezelfde situatie bevinden een verschillende juridische behandeling krijgen. |
|
(23) |
Aangezien het herzieningsonderzoek met betrekking tot de uitvoering van de bevindingen van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO ten aanzien van Argentinië en Indonesië op basis van verschillende rechtsgrondslagen is geopend, leidt het feit dat het herzieningsonderzoek naar schade veroorzakende dumping uit Argentinië eerder wordt beëindigd dan het herzieningsonderzoek naar schade veroorzakende dumping uit Indonesië, niet tot een verschillende behandeling van een vergelijkbare situatie. De marktdeelnemers bevinden zich namelijk in een verschillende situatie. |
|
(24) |
In tegenstelling tot de argumenten van de Indonesische overheid is er voor de toepassing van het Unierecht bijgevolg geen sprake van schending van de beginselen van „gelijke behandeling” en „non-discriminatie”. Door in artikel 2, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening vrijblijvend taalgebruik („kan” en „indien zij dit wenselijk acht”) te hanteren, heeft de wetgever van de Unie de Commissie in elk geval een aanzienlijke discretionaire bevoegdheid verleend om een aanbeveling van de WTO met betrekking tot een niet-betwiste maatregel al dan niet uit te voeren. |
|
(25) |
Nadat zij de na de mededeling van feiten en overwegingen ontvangen opmerkingen had geanalyseerd, achtte de Commissie het, zoals opgemerkt in overweging 16, dienstig het herzieningsonderzoek, voor zover betrekking hebbend op Indonesië, op dit ogenblik niet te beëindigen, maar haar beoordeling van de mate waarin die bevindingen ook op Indonesië van toepassing waren, voort te zetten in het licht van de ontvangen opmerkingen. |
|
(26) |
Bovendien kan de Commissie niet instemmen met de bewering dat een informatiedocument gewettigd vertrouwen doet ontstaan ten aanzien van de definitieve conclusie van een onderzoek. Een mededeling van feiten en overwegingen heeft daarentegen juist tot doel belanghebbenden in kennis te stellen van de voorlopige bevindingen van de Commissie en hen in staat te stellen hun recht van verweer daadwerkelijk uit te oefenen. Het in acht nemen door de Commissie van de door belanghebbenden ingediende argumenten en feiten vormt dus de kern van de mededeling van feiten en overwegingen. |
|
(27) |
Daarom werd in het begeleidend schrijven aan alle belanghebbenden uitdrukkelijk het volgende vermeld: „Deze mededeling van feiten en overwegingen loopt niet vooruit op eventuele latere besluiten van de Commissie, maar indien deze besluiten op andere feiten en overwegingen zijn gebaseerd, worden die feiten en overwegingen zo spoedig mogelijk aan uw onderneming bekendgemaakt.” Op basis daarvan was de Commissie in dit specifieke geval van oordeel dat zij meer tijd nodig heeft voor de analyse van de toepasselijkheid van de bevindingen van het orgaan voor geschillenbeslechting van de WTO, voor zover betrekking hebbend op Indonesië. Dat besluit is van voorbereidende aard en loopt niet noodzakelijkerwijs vooruit op de definitieve conclusie van de Commissie. Datzelfde besluit is bovendien een resultaat van de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de Commissie beschikt bij het uitvoeren van dergelijke krachtens de WTO-machtigingsverordening geopende herzieningsonderzoeken die binnen het toepassingsgebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek vallen. |
|
(28) |
Wanneer de Commissie de haar door de wetgever van de Unie verleende bevoegdheden wenst uit te oefenen, kan een belanghebbende zich derhalve — zolang de Commissie de onderhavige herzieningsprocedure niet heeft beëindigd — niet beroepen op de bescherming van gewettigd vertrouwen (8). Ook dit argument moet bijgevolg worden afgewezen. |
|
(29) |
Ten slotte is het feit dat deze wijziging na de oorspronkelijke mededeling van het voorlopige standpunt van de Commissie heeft plaatsgevonden, geen aanwijzing voor kwade trouw en heeft de Indonesische overheid evenmin daartoe strekkend bewijsmateriaal verstrekt. De Commissie heeft alle stappen van het herzieningsonderzoek getrouw uitgevoerd en daarbij het recht van alle belanghebbenden op een eerlijke rechtsbedeling ten volle in acht genomen. |
|
(30) |
De stelling dat zij basisbeginselen van het EU-recht heeft geschonden door uitoefening van haar discretionaire bevoegdheid om, met volledige inachtneming van het recht van alle belanghebbenden op een eerlijke rechtsbedeling, de antidumpingmaatregelen, voor zover betrekking hebbend op Indonesië, in dit stadium van het herzieningsonderzoek niet te wijzigen, heeft de Commissie derhalve verworpen. |
|
(31) |
Na de herziene mededeling van feiten en overwegingen heeft Wilmar, een producent-exporteur uit Indonesië, bezwaar gemaakt tegen het standpunt van de Commissie dat er, gezien de duidelijke bevindingen van de WTO-rapporten, meer tijd nodig is om het herzieningsonderzoek ten aanzien van Indonesië te beëindigen. Wilmar voerde ook aan dat de maatregelen tegen Indonesië moeten worden gewijzigd. Volgens Wilmar is de Commissie overeenkomstig de WTO-machtigingsverordening bevoegd om een niet-betwiste maatregel te wijzigen en kan haar bevoegdheid om ambtshalve op te treden derhalve niet ter discussie worden gesteld. Ten slotte voerde Wilmar aan dat indien de vaststelling van de bevindingen van de Commissie ten aanzien van Indonesië wordt uitgesteld, dit ook moet gelden voor de vaststelling van de bevindingen met betrekking tot Argentinië. Naar de mening van Wilmar zijn er in het kader van de WTO-procedure aangaande Indonesië juridische kwesties in behandeling die ook relevant kunnen worden voor en van toepassing kunnen worden op de maatregelen met betrekking tot de invoer van biodiesel uit Argentinië, met name aangaande de winstmarge. |
|
(32) |
De Commissie was het eens met Wilmar dat zij overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening in beginsel bevoegd is om bevindingen te doen met betrekking tot een niet-betwiste maatregel. Zoals uiteengezet in overweging 16, achtte de Commissie het na onderzoek van de ontvangen opmerkingen echter niet passend het herzieningsonderzoek, voor zover betrekking hebbend op Indonesië, in dit stadium te beëindigen; daarbij maakte zij rechtmatig gebruik van de discretionaire bevoegdheid waarover zij overeenkomstig artikel 2, lid 1, van de WTO-machtigingsverordening beschikt. |
|
(33) |
In verband met de bewering van Wilmar dat ook de vaststelling van de bevindingen met betrekking tot Argentinië moet worden uitgesteld, herinnerde de Commissie eraan dat de in de definitieve verordening gebruikte methode voor de vaststelling van een winstmarge in de WTO-rapporten wordt bevestigd. De kwestie waar het in de lopende Indonesische zaak om gaat, werd in verband met Argentinië niet aan de orde gesteld. In elk geval zijn de Unie en Argentinië voor de uitvoering van de bevindingen van de rapporten een redelijke termijn overeengekomen die moet worden nageleefd. |
5.2. Vaststelling van de normale waarde en berekening van de dumpingmarges
|
(34) |
In dit deel wordt ingegaan op de opnieuw beoordeelde bevindingen van het oorspronkelijke onderzoek wat betreft de aanbevelingen en uitspraken in de rapporten waarin werd aangegeven dat de Unie de volgende bepalingen niet heeft nageleefd:
|
|
(35) |
Zoals vermeld in overweging 28 van de definitieve verordening, heeft de Commissie vastgesteld dat de normale waarde door berekening moest worden vastgesteld, aangezien de binnenlandse verkoop niet werd geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties. Die vaststelling werd niet betwist en blijft van kracht. |
|
(36) |
In de overwegingen 29 tot en met 34 van de definitieve verordening heeft de Commissie vastgesteld dat het verschil tussen de door Argentinië ingestelde uitvoerheffing voor de voornaamste grondstof (sojaolie en sojabonen) en die voor het eindproduct (biodiesel) de binnenlandse prijzen drukte en dat dit in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de normale waarde. |
|
(37) |
Daarom heeft de Commissie bij de berekening van de normale waarde de in de administratie van de producenten-exporteurs opgenomen kosten van de voornaamste grondstof vervangen door referentieprijzen die door de relevante instanties van de betrokken landen waren bekendgemaakt. |
|
(38) |
Tevens heeft de Commissie haar conclusies in het oorspronkelijke onderzoek gebaseerd op de interpretatie van artikel 2.2.1.1 van de ADA volgens welke de met het onderzoek belaste autoriteit het recht heeft om af te zien van het gebruik van de administratie van de producenten-exporteurs als zij vaststelt dat deze, hetzij i) niet in overeenstemming is met de algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen (GAAP, generally accepted accounting principles), of ii) geen redelijk beeld geeft van de kosten in verband met de productie en verkoop van het betrokken product (overweging 42 van de definitieve verordening). |
|
(39) |
Zowel het panel als de beroepsinstantie was van mening dat de vaststelling van de Commissie dat de binnenlandse prijzen van sojabonen in Argentinië als gevolg van het Argentijnse systeem van uitvoerheffing lager waren dan de internationale prijzen, op zichzelf beschouwd geen voldoende grond was om te concluderen dat de administratie van de producenten geen redelijk beeld geeft van de kosten van sojabonen in verband met de productie en verkoop van biodiesel of om de in die administratie opgenomen relevante kosten bij de berekening van de normale waarde van biodiesel buiten beschouwing te laten. |
|
(40) |
Naar aanleiding van de rapporten heeft de Commissie de normale waarde voor de producenten-exporteurs in Argentinië herberekend. De voor die herberekening gebruikte methode was gelijk aan de methode zoals uiteengezet in de overwegingen 40 tot en met 49 van Verordening (EU) nr. 490/2013 van de Commissie (9). |
|
(41) |
Om de in overweging 45 van de voorlopige verordening uiteengezette redenen werd de binnenlandse verkoop niet geacht te hebben plaatsgevonden in het kader van normale handelstransacties en moest de normale waarde van het soortgelijke product overeenkomstig artikel 2, leden 3 en 6, van de basisverordening door berekening worden vastgesteld. Daartoe werden de gecorrigeerde productiekosten in het onderzoektijdvak vermeerderd met de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten („VAA-kosten”) en een redelijke winstmarge. |
|
(42) |
Zoals uiteengezet in overweging 46 van de voorlopige verordening was de Commissie van oordeel dat het winstbedrag niet kon worden gebaseerd op de feitelijke gegevens van de in de steekproef opgenomen ondernemingen in Argentinië. Derhalve werd voor het berekenen van de normale waarde het winstbedrag overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening bepaald op basis van de redelijke winstmarge die een jonge en innovatieve kapitaalintensieve bedrijfstak van dit type onder normale concurrentieomstandigheden op een vrije en open markt zou kunnen verwezenlijken, namelijk 15 % van de omzet. |
|
(43) |
In de loop van dit herzieningsonderzoek heeft de EBB meermaals opgemerkt dat de rapporten de Commissie niet beletten om bij de berekening van de normale waarde een correctie toe te passen op de grondstofkosten, op voorwaarde dat die correctie naar behoren wordt gemotiveerd. De EBB voerde aan dat de maatregelen ten aanzien van Argentinië, gezien de dramatische gevolgen van het gedifferentieerde belastingstelsel voor export (DET, Differential Export Tax) voor de markt van de Unie en de verschillende juridische mogelijkheden die volgens de rapporten als basis voor een dergelijke correctie kunnen worden overwogen, op het huidige niveau moeten worden gehandhaafd, zij het op basis van een andere redenering. |
|
(44) |
De EBB verwees met name naar de verklaring in het rapport van de beroepsinstantie volgens welke „de vaststelling door de autoriteiten van de EU dat de binnenlandse prijzen van sojabonen in Argentinië als gevolg van het Argentijnse systeem van uitvoerheffing lager waren dan de internationale prijzen, op zichzelf beschouwd geen voldoende grond was om te concluderen dat de administratie van de producenten geen redelijk beeld geeft van de kosten van sojabonen” (punt 6.55 van het rapport van de beroepsinstantie), en voerde aan dat de WTO-rapporten de mogelijkheid open lieten om de grondstofkosten buiten beschouwing te laten en deze kosten te corrigeren indien zij onbetrouwbaar worden geacht. |
|
(45) |
Volgens de EBB verstoort het DET de grondstoffenmarkt zodanig dat normale omstandigheden van vraag en aanbod geen bepalende factoren meer zijn voor een transactie, en veroorzaakt het in feite een waardeoverdracht van grondstofproducenten naar biodieselproducenten, die niet door marktomstandigheden wordt gerechtvaardigd. Volgens de EBB vertoont dit gelijkenissen met niet-marktconforme transacties en/of „andere praktijken” die de betrouwbaarheid van de kosten in de administratie van een producent-exporteur kunnen aantasten en die een gegronde reden vormen om die kosten buiten beschouwing te laten, ook al werden zij werkelijk gemaakt. |
|
(46) |
Ter ondersteuning van de bewering dat het DET de grondstoffenmarkt verstoort, verwijst de EBB met name naar een analyse door zijn eigen deskundigen en een in zijn opdracht uitgevoerd onderzoek met als titel „Measuring the Distortion to Biodiesel Costs in Argentina Caused by Differential Export Taxes on Soybean Products” („het Heffley-onderzoek”), die er beide op zouden wijzen dat de binnenlandse prijzen van de betrokken grondstof op kunstmatige wijze en in aanzienlijke mate door het DET worden gedrukt, waardoor ze niet betrouwbaar zijn. |
|
(47) |
In het kader van het Heffley-onderzoek werden in Argentinië en de Verenigde Staten gegevens verzameld over de productiekosten van biodiesel in die twee landen in de periode 2010-2016. Het onderzoek bevat ook een specifieke marktanalyse voor de periode van oktober 2011 tot en met september 2012. Uit het onderzoek bleek dat de productiekosten voor biodiesel uit sojabonen (SME) in Argentinië lager waren dan de productiekosten van hetzelfde product in de Verenigde Staten. Het verschil van 27 % is volgens het onderzoek „volledig toe te schrijven aan het DET”. |
|
(48) |
In een tweede fase van het onderzoek werd de uitvoerprijs van SME uit Argentinië (zonder vermelding van de bestemming) vergeleken met de gemiddelde marktprijs ervan in de Verenigde Staten. De gemiddelde Argentijnse uitvoerprijs van 875 USD/Mt was lager dan de binnenlandse marktprijs in de VS van 1 198 USD/Mt. Dat zou een sterke prikkel creëren om Argentijnse biodiesel in te voeren. De conclusie van het onderzoek luidt dat die verstoring „rechtstreeks voortvloeit” uit het DET. |
|
(49) |
Daarnaast benadrukte de EBB dat het duidelijk binnen de logica van de antidumpingprocedure zou passen om dergelijke verstoringen te corrigeren. De EBB voerde aan dat dergelijke verstoringen door middel van passende kostencorrecties moeten worden gecorrigeerd, met name wat de grondstofkosten betreft, zodat die zich op het niveau zouden bevinden van de kosten die bij afwezigheid van verstoringen zouden zijn gemaakt. Volgens de EBB zou de Commissie zo tot een reconstructie komen van de werkelijke kosten in verband met de productie en verkoop van het betrokken product op de markt van de exporteur onder normale marktvoorwaarden. |
|
(50) |
Verscheidene biodieselproducenten hebben bezwaar gemaakt tegen de bewering van de EBB dat de Commissie de in de administratie opgenomen grondstofkosten buiten beschouwing moet laten omdat het DET deze onbetrouwbaar maakt. De biodieselproducenten herhaalden dat het argument dat het DET op zichzelf beschouwd een reden kan vormen om de in de administratie opgenomen kosten buiten beschouwing te laten, specifiek door het panel en de beroepsinstantie was afgewezen en dat een met het onderzoek belaste autoriteit in geen geval in de administratie opgenomen kosten kan afwijzen wanneer de administratie een accurate en getrouwe weergave van de werkelijk gemaakte kosten vormt. |
|
(51) |
De Commissie erkent dat de beroepsinstantie de mogelijkheid dat een met het onderzoek belaste autoriteit in bepaalde specifieke omstandigheden kan afwijken van de in de administratie opgenomen kosten, niet onvoorwaardelijk heeft uitgesloten, bijvoorbeeld wanneer uit het onderzoek blijkt dat er sprake is van over- of onderschatting van de kosten of van aantasting van de betrouwbaarheid van de in de administratie opgenomen kosten als gevolg van niet-marktconforme transacties of andere praktijken (punt 6.41 van het rapport van de beroepsinstantie). |
|
(52) |
De beroepsinstantie heeft echter ook verklaard dat het Argentijnse systeem van uitvoerheffing op zichzelf beschouwd geen voldoende grond was om te concluderen dat de administratie van de producenten geen redelijk beeld geeft van de kosten van de grondstof in verband met de productie en verkoop van biodiesel of om de in die administratie opgenomen relevante kosten bij de berekening van de normale waarde van biodiesel buiten beschouwing te laten (punt 6.55 van het rapport van de beroepsinstantie). |
|
(53) |
De argumenten van de EBB zijn gebaseerd op de aanname dat de kosten van de betrokken grondstof door het vermeende verstorende effect van het DET onbetrouwbaar zijn en derhalve buiten beschouwing moeten worden gelaten. De EBB houdt vol dat het Argentijnse systeem van uitvoerheffing er de oorzaak van was dat de binnenlandse prijzen van sojabonen in Argentinië lager waren dan de internationale prijzen. Dit argument aanvaarden zou echter neerkomen op toegeven dat de gevolgen van het DET op zichzelf beschouwd van die aard zijn dat de werkelijk gemaakte en in de administratie van de onderneming opgenomen kosten — louter omdat zij lager waren dan de internationale prijzen — buiten beschouwing moeten worden gelaten, wat in tegenspraak is met de bevindingen van de beroepsinstantie. De Commissie herinnert er in dit verband bovendien aan dat in het oorspronkelijke onderzoek werd bevestigd dat de werkelijk gemaakte grondstofkosten adequaat en getrouw in de administratie van de onderneming werden weergegeven. |
|
(54) |
De stelling van de EBB werd derhalve door de Commissie verworpen, aangezien de aanvaarding ervan niet in overeenstemming zou zijn met de bevindingen van de rapporten. |
|
(55) |
Teneinde de maatregelen in overeenstemming te brengen met de rapporten en de WTO-regels achtte de Commissie het daarom noodzakelijk om de normale waarde te berekenen op basis van de werkelijk gemaakte kosten zoals weergegeven in de administratie van de desbetreffende onderneming. |
|
(56) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft de EBB herhaald dat de WTO-uitspraak de Commissie niet belet in de onderhavige zaak over te gaan op een kostencorrectie. De EBB voerde aan dat de Commissie de WTO-uitspraak en het argument van de EBB verkeerd heeft geïnterpreteerd. |
|
(57) |
Volgens de EBB heeft de Commissie geen rekening gehouden met de stelling in de rapporten dat „de binnenlandse prijzen van sojabonen in Argentinië lager zijn dan de internationale prijzen als gevolg van het Argentijnse systeem van uitvoerheffing”. Volgens de EBB wordt in de uitspraak, in tegenstelling tot wat de Commissie beweert, niet verklaard dat de verstorende effecten van het DET op zichzelf beschouwd geen voldoende grond zijn om een kostencorrectie toe te passen. |
|
(58) |
Verder herhaalde en benadrukte de EBB dat het feit dat de prijzen op de binnenlandse markt vanwege het DET onbetrouwbaar waren, voldoende grond is om te concluderen dat de administratie van de producenten geen redelijk beeld geeft van de kosten van sojabonen in verband met de productie en verkoop van biodiesel. Vanwege de onbetrouwbaarheid van de binnenlandse prijzen zouden de in de administratie opgenomen kosten buiten beschouwing mogen worden gelaten, en de EBB heeft de Commissie alle benodigde informatie verstrekt om de kosten te corrigeren. |
|
(59) |
De EBB hield vol dat het panel en de beroepsinstantie hadden geoordeeld dat het de met het onderzoek belaste autoriteiten vrijstaat een onderzoek in te stellen naar de betrouwbaarheid van de in de administratie van de producenten-exporteurs opgenomen kosten, en met name na te gaan of alle kosten zijn opgenomen, of er sprake is van over- of onderschatting van de gemaakte kosten en of niet-marktconforme transacties of andere praktijken de betrouwbaarheid van de in de administratie opgenomen kosten aantasten. Volgens de EBB zijn de gevolgen van het DET vergelijkbaar met die van niet-marktconforme transacties en/of andere praktijken die „de betrouwbaarheid van de in de administratie opgenomen kosten” kunnen aantasten (10). |
|
(60) |
De Commissie heeft dit argument opnieuw beoordeeld, mede in het licht van de hoorzitting met de raadadviseur-auditeur van 20 juli 2017. De Commissie heeft in de overwegingen 51 tot en met 55 uiteengezet dat de werkelijk gemaakte grondstofkosten adequaat en getrouw in de administratie van de Argentijnse ondernemingen werden weergegeven en dat was vastgesteld dat de eerder aangebrachte kostencorrectie onverenigbaar was met de WTO-verplichtingen van de EU. |
|
(61) |
De Commissie deelt de interpretatie door de EBB van de bevindingen van het panel en de beroepsinstantie niet. Voetnoot 400 van het panelrapport is bijvoorbeeld genuanceerder dan wat de EBB in zijn opmerking suggereert. Het panel heeft vastgesteld dat „een onderzoek van de administratie op basis van de uitdrukking” een redelijk beeld geven „in artikel 2.2.1.1 geen onderzoek van de” redelijkheid „van de daarin opgenomen kosten zelf omvat, wanneer anderszins is vastgesteld dat de in de administratie van de producent of exporteur opgenomen werkelijke kosten, binnen de grenzen van het aanvaardbare, accuraat en getrouw zijn”. |
|
(62) |
Door te beweren dat de gevolgen van het DET vergelijkbaar zijn met die van niet-marktconforme transacties en/of andere praktijken wees de EBB echter precies in de richting van een dergelijk onderzoek van de redelijkheid van die in de administratie opgenomen kosten. |
|
(63) |
Bovendien waren de gevolgen van het DET i) noch vergelijkbaar met die van een niet-marktconforme transactie, ii) noch met die van een „andere praktijk” die in staat zou zijn de betrouwbaarheid van de in de administratie van een producent-exporteur opgenomen kosten aan te tasten. Ongeacht de precieze reikwijdte van die concepten hebben het panel en de beroepsinstantie het hoofdargument van de Commissie dat de door het DET veroorzaakte prijsverstoring op zichzelf beschouwd een voldoende grond is om in de administratie van een producent-exporteur opgenomen kosten te verwerpen, specifiek afgewezen (11). |
|
(64) |
Na de herziene mededeling van feiten en overwegingen heeft de EBB zijn standpunt gehandhaafd dat de Commissie de verklaring in punt 6.55 van het rapport van de beroepsinstantie verkeerd heeft geïnterpreteerd en geen rekening heeft gehouden met de mogelijkheid waarin punt 6.41 van hetzelfde rapport voorziet om de betrouwbaarheid van de in de administratie opgenomen grondstofkosten te onderzoeken en dergelijke kosten buiten beschouwing te laten indien zij onbetrouwbaar worden geacht; ter staving van dit standpunt heeft de EBB enkele aanvullende argumenten ingediend. |
|
(65) |
Met betrekking tot de eerste bewering stelde de EBB dat het bij de verklaring van de beroepsinstantie in punt 6.55 dat „de vaststelling door de autoriteiten van de EU dat de binnenlandse prijzen van sojabonen in Argentinië als gevolg van het Argentijnse systeem van uitvoerheffing lager waren dan de internationale prijzen, op zichzelf beschouwd geen voldoende grond was om te concluderen dat de administratie van de producenten geen redelijk beeld geeft van de kosten van sojabonen in verband met de productie en verkoop van biodiesel of om die kosten bij de berekening van de normale waarde van biodiesel buiten beschouwing te laten”, niet om een juridische beoordeling door de beroepsinstantie gaat, zoals de Commissie beweert, maar louter om een citaat uit de conclusie van de Commissie zelf in de definitieve verordening. Daarnaast voerde de EBB aan dat de formulering „op zichzelf beschouwd geen voldoende grond was” impliceert dat het Argentijnse systeem van uitvoerheffing voldoende grond had kunnen zijn om de kosten buiten beschouwing te laten, maar dat de Commissie heeft nagelaten de daartoe vereiste analyse uit te voeren. Ten slotte zou de Commissie bij haar interpretatie van punt 6.55 ook geen rekening hebben gehouden met het feit dat de beroepsinstantie het nodig vond om tevens in te gaan op de daaropvolgende kwestie, namelijk een benchmark. Dat zou niet nodig zijn geweest indien de beroepsinstantie categorisch had uitgesloten dat het Argentijnse systeem van uitvoerheffing grond voor een kostencorrectie kan zijn. |
|
(66) |
De Commissie heeft de door de EBB voorgestelde interpretatie niet aanvaard. |
|
(67) |
Ten eerste is de hierboven bedoelde verklaring van de beroepsinstantie in punt 6.55 niet louter een citaat uit de conclusies van de Commissie zelf. Zij maakt daarentegen juist integraal deel uit van de interpretatie van artikel 2.2.1.1 van de ADA door de beroepsinstantie in punt 6.56. De beroepsinstantie was het uitdrukkelijk eens met het panel dat die bepaling geen voldoende grond was voor het besluit van de Commissie om de in de administratie van de Argentijnse biodieselproducenten opgenomen kosten buiten beschouwing te laten op basis van het feit dat de binnenlandse prijzen van sojabonen in Argentinië als gevolg van het Argentijnse systeem van uitvoerheffing lager waren dan de internationale prijzen. De beroepsinstantie heeft die bindende interpretatie letterlijk herhaald in het daaropvolgende punt 6.56, onder „Conclusies”. |
|
(68) |
Ten tweede impliceert de zinsnede „op zichzelf beschouwd geen voldoende grond was” volgens de opvatting van de Commissie dat het loutere bestaan van het systeem van uitvoerheffing geen voldoende grond was om een kostencorrectie zoals in het oorspronkelijk onderzoek te rechtvaardigen. Mocht de voornaamste reden voor de conclusie van de beroepsinstantie dat de EU-maatregelen onverenigbaar zijn met de WTO-regels, daarentegen bestaan in de ontoereikende motivering door de Commissie in de oorspronkelijke verordening (zoals door de EBB aangevoerd), dan zou de beroepsinstantie dit uitdrukkelijk hebben vermeld. Noch de beroepsinstantie, noch het panel heeft echter iets dergelijks verklaard. De woorden „op zichzelf beschouwd” werden waarschijnlijk veeleer gebruikt om duidelijk te maken dat de werking van het systeem van uitvoerheffing in Argentinië „als zodanig” niet kan leiden tot een kostencorrectie uit hoofde van artikel 2.2.1.1 van de ADA, ongeacht hoe beredeneerd of gedocumenteerd de verstorende effecten ervan zijn. |
|
(69) |
Ten derde ging de Commissie niet akkoord met de conclusie van de EBB dat het feit dat de beroepsinstantie in de punten 6.58 tot en met 6.83 ingaat op het argument aangaande benchmarks, erop wijst dat het systeem van uitvoerheffing in Argentinië wel degelijk een voldoende grond had kunnen zijn om de in de administratie opgenomen grondstofkosten buiten beschouwing te laten. Zoals kan worden afgeleid uit de titel die voorafgaat aan punt 6.58, behandelde de beroepsinstantie daar een ander argument van Argentinië uit hoofde van artikel 2.2 van de ADA. |
|
(70) |
Vervolgens richtte de Commissie haar aandacht op de tweede bewering van de EBB, namelijk dat in punt 6.41 van het rapport van de beroepsinstantie duidelijk wordt aangegeven dat in de administratie van een onderneming opgenomen kosten buiten beschouwing kunnen worden gelaten indien zij gebaseerd zijn op praktijken die de betrouwbaarheid van de in de administratie opgenomen kosten kunnen aantasten. De EBB verwees ook naar het feit dat de beroepsinstantie het nodig vond om deze redenering in het corpus van de tekst op te nemen, ook al had het panel ze slechts in een voetnoot vermeld. Volgens de EBB zou dat erop wijzen dat de beroepsinstantie een al te restrictieve interpretatie van artikel 2.2.1.1 van de ADA wilde vermijden en een duidelijk signaal wilde geven dat een kostencorrectie in dit verband mogelijk blijft. |
|
(71) |
In punt 6.41 ging de beroepsinstantie in op de bewering van de EU dat het panelrapport leek te suggereren dat zolang de administratie van een onderneming een accurate weergave van de werkelijk gemaakte kosten vormt, alle daarin opgenomen kosten door de met het onderzoek belaste autoriteit moeten worden aanvaard, „hoe onredelijk die kosten ook zijn in vergelijking met een benchmark of vervangende waarde die met de normale marktvoorwaarden overeenstemt”. De beroepsinstantie verwierp die interpretatie en herinnerde eraan dat het panel in feite had aanvaard dat de met het onderzoek belaste autoriteit de betrouwbaarheid en de nauwkeurigheid van de administratie van de producenten kan onderzoeken. De met het onderzoek belaste autoriteit kan dus nagaan „of alle kosten zijn opgenomen, of er sprake is van over- of onderschatting van de gemaakte kosten en of niet-marktconforme transacties of andere praktijken de betrouwbaarheid van de in de administratie opgenomen kosten aantasten”. |
|
(72) |
De Commissie was het eens met de opmerking van de EBB dat de beroepsinstantie het panel steunt in zijn uitspraak dat indien de met het onderzoek belaste autoriteit niet-marktconforme transacties of andere praktijken constateert die de betrouwbaarheid van in de administratie opgenomen kosten aantasten, deze kosten buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Zij achtte het ook normaal dat de beroepsinstantie een argument behandelt in het corpus van haar uitspraak en niet in een voetnoot, zoals het panel heeft gedaan. Noch het panel, noch de beroepsinstantie heeft echter geconcludeerd of gesuggereerd dat het systeem van uitvoerheffing in Argentinië onder die uitzondering van een praktijk die de betrouwbaarheid aantast, zou vallen. Indien het panel of de beroepsinstantie van oordeel was geweest dat het Argentijnse systeem van uitvoerheffing kan worden beschouwd als een voorbeeld van een praktijk die de betrouwbaarheid aantast, zou het panel of de beroepsinstantie dat duidelijk hebben gemaakt en niet hebben vastgesteld dat de EU-maatregelen onverenigbaar zijn met de WTO-regels. |
|
(73) |
Daarom handhaafde de Commissie haar interpretatie van de rapporten dat de EU bij de berekening van de normale waarde van biodiesel in Argentinië de werkelijk gemaakte en nauwkeurig in de administratie opgenomen kosten niet buiten beschouwing kan laten op basis van verstoringen die door het loutere bestaan van het Argentijnse systeem van uitvoerheffing worden veroorzaakt. |
|
(74) |
In elk geval richtte de Commissie haar aandacht vervolgens op de door de EBB — en na de mededeling van feiten en overwegingen ook door Fediol, een leverancier van de biodieselindustrie van de Unie — ingediende opmerking dat de Commissie met het oog op kostencorrecties om de verstorende effecten van het DET voor de productiekosten van biodiesel in Argentinië te neutraliseren, alternatief bewijsmateriaal moet onderzoeken. De Commissie merkte in dat verband op dat het verzamelen van alternatief bewijsmateriaal met het oog op kostencorrecties om de verstorende effecten van het DET te neutraliseren, niet het doel was van het onderhavige nieuwe herzieningsonderzoek. Hoe dan ook merkte de Commissie op dat het bewijsmateriaal in het Heffley-onderzoek niet kan worden beschouwd als een toereikende onderbouwing voor een nieuwe kostencorrectie, en wel om de volgende redenen. |
|
(75) |
Ten eerste bestrijkt het OT de periode van juli 2011 tot en met juni 2012, terwijl de specifieke analyse van het Heffley-onderzoek betrekking heeft op de periode van oktober 2011 tot en met september 2012. De beoordelingsperioden overlappen elkaar dus slechts gedeeltelijk, waardoor allerminst zeker is of de bevindingen van het onderzoek zonder correcties in het onderhavige onderzoek kunnen worden overgenomen. Omdat gegevens voor de periode van juli tot en met september 2011 ontbraken, was de Commissie niet in staat om dit verschil te compenseren. |
|
(76) |
Ten tweede werden in het onderzoek de productiekosten in de VS geraamd op basis van de prijs van sojabonen op de markt van de VS. Die economische methode is gebaseerd op veronderstellingen, zonder dat echter betrouwbare gegevens worden verstrekt over de werkelijke productiekosten van biodiesel in de VS. Zelfs indien men zich louter op veronderstellingen zou kunnen baseren, dan nog is de stelling dat de kosten om biodiesel te produceren uit ruwe sojaolie in de VS en Argentinië gelijk zijn, niet onderbouwd. Ten derde wordt door het gebruik van een „gemiddelde” Argentijnse uitvoerprijs voorbijgegaan aan het feit dat de prijs bij uitvoer naar de Unie in werkelijkheid hoger kan zijn dan het gemiddelde. In het OT van het oorspronkelijke onderzoek bedroeg de uitvoerprijs van Argentijnse biodiesel naar de EU immers 967 EUR/Mt, wat op basis van de in het dossier vermelde toenmalige wisselkoers neerkomt op 1 294 USD/Mt. In het onderzoek wordt voor die periode echter een gemiddelde uitvoerprijs van 1 071 USD/Mt gebruikt. Daaruit blijkt dat het vermeende voordeel door het DET niet rechtstreeks uit de prijzen bij uitvoer naar de Unie kan worden afgeleid. |
|
(77) |
Ten vierde wordt in het onderzoek eenvoudigweg aangenomen dat de (lage) productiekosten op de Argentijnse binnenlandse markt tijdens de beoordelingsperiode uitsluitend door het DET werden veroorzaakt, zonder dat dit met adequaat bewijsmateriaal wordt gestaafd. In het onderzoek wordt immers geen rekening gehouden met andere factoren van comparatief voordeel die de productie van biodiesel in Argentinië goedkoper zouden kunnen maken dan in de Verenigde Staten. |
|
(78) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat zij de in de administratie van de Argentijnse biodieselproducenten opgenomen kosten niet op accurate wijze kon vervangen door de in het Heffley-onderzoek voorgestelde benchmark. |
|
(79) |
Na de herziene mededeling van feiten en overwegingen heeft de EBB verduidelijkt dat het onderzoek slechts diende ter illustratie van de wijze waarop de Commissie de omvang van de door het Argentijnse systeem van uitvoerheffing veroorzaakte verstoring (de onbetrouwbaarheid) zou kunnen inschatten en kwantificeren, en niet ter vervanging van een analyse door de Commissie op basis van haar eigen, tijdens het oorspronkelijke onderzoek verzamelde en gecontroleerde gegevens. |
|
(80) |
De EBB diende ook een herzien onderzoek in met referentiegegevens die volledig overeenstemmen met het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek en waaruit vrijwel hetzelfde resultaat blijkt, namelijk een verstoring van de binnenlandse prijzen van sojabonen van ongeveer 27 %. Verder betwistte de EBB de opvatting van de Commissie dat het onderzoek gebaseerd is op de productiekosten in de VS. In werkelijkheid zou het onderzoek namelijk gebaseerd zijn op de geraamde productiekosten van biodiesel in Argentinië. Bovendien zou de kritiek van de Commissie op het feit dat het onderzoek gebaseerd is op een gemiddelde uitvoerprijs, misplaatst zijn, aangezien die prijs op zichzelf beschouwd niet relevant is voor de berekening van de door het systeem van uitvoerheffing veroorzaakte verstoring van de biodieselkosten in Argentinië. Ten slotte stelde de EBB dat een prijsverschil van ongeveer 30 % niet door een vermeend comparatief voordeel kan worden verklaard en dat het systeem van uitvoerheffing in Argentinië bij gebrek aan bewijs van het tegendeel de enige redelijke verklaring voor een dergelijk verschil is. |
|
(81) |
De Commissie heeft de door de EBB ingediende toelichtingen en verduidelijkingen onderzocht. De Commissie aanvaardde de bevindingen van het herziene onderzoek waaruit bleek dat tijdens het onderzoektijdvak sprake was van een verstoring van de binnenlandse prijzen van sojabonen van ongeveer 27 %. De overige drie punten konden haar echter niet overtuigen. |
|
(82) |
Zoals de EBB zelf erkende, zijn de geraamde verwerkingskosten voor een producent in Argentinië gebaseerd op drie analyses: een analyse van de gemiddelde kosten en prijzen in de Verenigde Staten en Argentinië voor een periode van zes jaar, een analyse van diezelfde gegevens voor de Verenigde Staten en Argentinië voor een periode van één jaar en een analyse van de gegevens voor Argentinië voor één jaar, met de Argentijnse uitvoerprijs als vervangende waarde voor de wereldmarktprijs. Het is duidelijk dat de situatie in de Verenigde Staten een buitenlandse benchmark was om vast te stellen wat de kosten in Argentinië zouden zijn bij afwezigheid van de door de uitvoerheffing veroorzaakte verstoringen. |
|
(83) |
Bovendien was er geen goede reden om de Argentijnse prijzen bij uitvoer naar Europa buiten beschouwing te laten bij de vaststelling van het voordeel waarover een Argentijnse producent van biodiesel als gevolg van het DET eventueel beschikt. |
|
(84) |
Bovendien heeft de Commissie nooit betwist dat de inputkosten voor Argentijnse producenten van biodiesel door het DET kunstmatig werden verlaagd, maar enkel bezwaar gemaakt tegen de veronderstelling dat het DET de enige reden was voor dat grote voordeel van ongeveer 30 %. |
5.3. Herberekende dumpingmarges
|
(85) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen hebben sommige Argentijnse producenten-exporteurs ondernemingsspecifieke opmerkingen ingediend met betrekking tot vermeende fouten in de dumpingberekeningen. Waar nodig heeft de Commissie die fouten gecorrigeerd en de dumpingmarges en rechten dienovereenkomstig herzien. |
|
(86) |
In het licht van de bevindingen en aanbevelingen in de WTO-rapporten is het herziene recht voor alle Argentijnse exporteurs, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt:
|
6. HERZIENE BEVINDINGEN INZAKE SCHADE NAAR AANLEIDING VAN DE RAPPORTEN
|
(87) |
In de rapporten werd onder meer vastgesteld dat de EU bij haar onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de binnenlandse bedrijfstak, voor zover dit betrekking had op de productiecapaciteit en de bezettingsgraad, in strijd heeft gehandeld met de artikelen 3.1 en 3.4 van de ADA. De conclusie dat de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode aanmerkelijke schade heeft geleden, werd in de rapporten echter niet ongeldig verklaard. |
|
(88) |
Het panel heeft vastgesteld dat de autoriteiten van de EU in strijd hebben gehandeld met de artikelen 3.1 en 3.4 van de ADA door in een laat stadium van het onderzoek door de bedrijfstak van de Unie ingediende herziene gegevens te aanvaarden zonder zich te vergewissen van de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid daarvan (punt 7.395 van het panelrapport). De herziene gegevens hadden betrekking op de onbenutte capaciteit. Tegelijkertijd verklaarde het panel dat de herziene gegevens geen noemenswaardige rol hebben gespeeld bij de conclusie van de autoriteiten van de EU in de definitieve verordening inzake overcapaciteit als een „andere” schade veroorzakende factor (bevestigd in punt 6.174 van het rapport van de beroepsinstantie). |
|
(89) |
Bepaalde producenten-exporteurs en CARBIO, de vereniging van Argentijnse exporteurs van biodiesel, hebben aangevoerd dat het concept „onbenutte capaciteit”, zoals uiteengezet in de definitieve verordening, in deze bedrijfstak van weinig betekenis is. Capaciteit zou ofwel bestaan, ofwel niet bestaan. |
|
(90) |
Niet de bezettingsgraad zelf, maar de structurele overcapaciteit van de bedrijfstak als gevolg van een ongerechtvaardigde stijging van de productiecapaciteit, ondanks een lage bezettingsgraad, was volgens de importeur Gunvor en CARBIO de oorzaak van de door de binnenlandse bedrijfstak geleden schade. |
|
(91) |
Daarnaast hebben CARBIO en producenten-exporteurs uit Argentinië en Indonesië opgemerkt dat de Commissie de productiecapaciteit en de bezettingsgraad opnieuw moet onderzoeken op basis van „positief bewijsmateriaal”. Pas dan zou er sprake zijn van een „objectief onderzoek” van die factoren. |
|
(92) |
De Commissie bespreekt deze kwestie in de punten 6.1 tot en met 6.4. |
6.1. Antwoord op de vragenlijsten en controle
|
(93) |
De Commissie heeft een vragenlijst toegezonden aan de EBB met de vraag toe te lichten i) met welke methode de productiecapaciteit en de bezettingsgraad van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode waren berekend, en ii) waarom die gegevens in de loop van het oorspronkelijke onderzoek werden herzien en waarop de nieuwe cijfers zijn gebaseerd. |
|
(94) |
De Commissie heeft de EBB tevens gevraagd te verklaren wat hij onder „onbenutte capaciteit” verstond, waarom deze voor de beoordelingsperiode zou moeten worden uitgesloten van de totale productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie en hoe de onbenutte capaciteit van de niet-EBB-leden was berekend. |
|
(95) |
De Commissie heeft de ingediende antwoorden op de vragenlijst geanalyseerd en vervolgens op 26 april 2017 een controlebezoek bij de EBB uitgevoerd. Op verzoek van de Commissie heeft de EBB tijdens het controlebezoek alle bij de voorbereiding van zijn antwoord op de vragenlijst gebruikte ondersteunende documenten en werkbladen ter beschikking gesteld, met name die waaruit het verband blijkt tussen de verstrekte informatie en de administratie en boekhouding waarop het controlebezoek door de Commissie betrekking had. |
|
(96) |
De Commissie heeft de ondersteunende documenten gecontroleerd en de ingediende gegevens voor de beoordelingsperiode bij de bron getoetst; de informatie in de administratie en de boekhouding kwam overeen met de in het oorspronkelijke onderzoek ingediende herziene gegevens inzake productiecapaciteit en bezettingsgraad voor de periode van 1 januari 2009 tot het einde van het onderzoektijdvak. De documenten bevatten vertrouwelijke bedrijfsspecifieke gegevens en kunnen niet worden bekendgemaakt. |
|
(97) |
Gunvor en CARBIO hebben opgemerkt dat de aan de EBB gerichte vragenlijst van de Commissie niet toereikend is om te voldoen aan de vereisten van de artikelen 3.1 en 3.4 van de ADA. De EBB had moeten toelichten op welke wijze de herziene gegevens door openbare bronnen werden gestaafd, en de Commissie had de door de EBB verstrekte informatie niet zomaar mogen aanvaarden. |
|
(98) |
Bovendien hebben Gunvor en CARBIO aangevoerd dat de antwoorden van de EBB op de vragenlijst ingrijpend zijn geredigeerd, zodat het voor belanghebbenden niet duidelijk is hoe de gegevens werden verzameld, beoordeeld en aan andere bronnen getoetst, waardoor zij niet kunnen beoordelen of aan de desbetreffende door de EBB ingediende informatie enig geloof moet worden gehecht. |
|
(99) |
Beide partijen hebben door Eurostat verzamelde gegevens over de productie, de productiecapaciteit en het verbruik van biodiesel in de EU ingediend en gewezen op de gelijkenis tussen deze gegevens en die van de voorlopige verordening, die door de EBB waren verzameld en aan de Commissie verstrekt. Zij merkten op dat de Commissie gegevens van Eurostat had moeten gebruiken in plaats van voor onbenutte capaciteit gecorrigeerde gegevens van de EBB. |
|
(100) |
Daarnaast voerden zij aan dat de door de EBB verstrekte definitie van „onbenutte capaciteit” te vaag is en dat het voorstel om de productiecapaciteit te verlagen door de onbenutte capaciteit buiten beschouwing te laten, pas werd gedaan na de bekendmaking van de voorlopige verordening, toen duidelijk was geworden dat het op basis van de cijfers van de voorlopige verordening moeilijker zou zijn om een geldig oorzakelijk verband vast te stellen tussen de vermeende invoer met dumping en de vermeende door de bedrijfstak van de Unie geleden schade. |
|
(101) |
De Commissie heeft deze argumenten afgewezen, zoals uiteengezet in de punten 6.2, 6.3 en 6.4. Zij heeft het antwoord op de vragenlijst zorgvuldig onderzocht; vervolgens heeft zij de gegevens tijdens een controlebezoek bij de EBB geverifieerd en vastgesteld dat de ingediende en herziene gegevens nauwkeurig en betrouwbaar zijn en dat de voor de definitieve verordening gebruikte herziene cijfers niet hoeven te worden gewijzigd (zie ook de overwegingen 53 tot en met 58). |
|
(102) |
Bovendien merkt de Commissie op dat de door de EBB verzamelde gegevens overeenstemmen met de gegevens van Eurostat, die dus een onafhankelijke bevestiging vormen van de nauwkeurigheid en de betrouwbaarheid van de gegevens van de EBB. Aangezien de gegevens van Eurostat pas in 2014 werden bekendgemaakt, konden zij echter nog niet worden gebruikt in het oorspronkelijke onderzoek. |
|
(103) |
De in de definitieve verordening (overweging 131) gebruikte gegevens (zie onderstaande tabel) waren dus correct en werden na het controlebezoek bevestigd.
|
6.2. Totale productie in de Unie: verduidelijking inzake het gegevensverzamelingsproces van de EBB met betrekking tot de productie
|
(104) |
In maart 2013 — vóór de bekendmaking van de voorlopige maatregelen — heeft de EBB productiegegevens voor de bedrijfstak van de Unie (zowel van EBB-leden als van niet-EBB-leden) bij de Commissie ingediend. |
|
(105) |
Het ging daarbij om gerapporteerde productiegegevens per onderneming (zowel EBB-leden als niet-EBB-leden). Dankzij die bottom-upbenadering gaven de productiegegevens een nauwkeurig beeld van de productie in de EU. |
|
(106) |
De EBB-leden dienen hun productiegegevens op kwartaalbasis bij de EBB in aan de hand van een formulier van de EBB; de gegevens worden vervolgens aan marktonderzoeksbronnen getoetst. De EBB hecht bijzondere waarde aan productiegegevens, aangezien de financiële bijdrage van de EBB-leden aan de vereniging daarop wordt gebaseerd. |
|
(107) |
De productiegegevens van niet-EBB-leden worden via directe contacten met die ondernemingen verzameld. De gerapporteerde gegevens worden vervolgens getoetst aan andere marktonderzoeksbronnen, waaronder nationale verenigingen, andere producenten en gespecialiseerde publicaties. |
|
(108) |
De door de EBB verstrekte gegevens zijn dus de beste beschikbare informatie over de productie in de Unie door EBB-leden en niet-EBB-leden, gebaseerd op een consistente rapportering door de EBB betreffende de werkelijke productie van alle biodieselproducerende ondernemingen in de EU. |
|
(109) |
Die gegevens werden door de EBB gebruikt voor de vaststelling van de totale productie in de Unie, waarop zij hun opmerkingen baseerden. |
6.3. Totale productiecapaciteit in de Unie: verduidelijking inzake het gegevensverzamelingsproces van de EBB met betrekking tot de productiecapaciteit
|
(110) |
In maart 2013, vóór de bekendmaking van de voorlopige maatregelen, heeft de EBB aan de Commissie gegevens verstrekt over de productiecapaciteit van de bedrijfstak van de Unie (zowel van EBB-leden als van niet-EBB-leden). |
|
(111) |
Net als bij de productiegegevens ging het daarbij om gegevens per onderneming (zowel voor EBB-leden als voor niet-EBB-leden). |
|
(112) |
De EBB-leden dienen hun gegevens betreffende de productiecapaciteit tweemaal per jaar bij de EBB in aan de hand van een formulier van de EBB; de gegevens worden vervolgens aan marktonderzoeksbronnen getoetst. Om de consistentie van de gegevens te waarborgen, verzoekt de EBB zijn leden de capaciteit op basis van 330 werkdagen per jaar per vestiging te rapporteren, teneinde rekening te houden met onvermijdelijke onderhoudswerkzaamheden. |
|
(113) |
De gegevens betreffende de productiecapaciteit van niet-EBB-leden worden via directe contacten met die ondernemingen verzameld en net als de productiegegevens worden zij vervolgens getoetst. |
|
(114) |
Aangezien de EBB slechts verzoekt om een momentopname van de productiecapaciteit van de onderneming op een specifieke dag en het concept capaciteit niet altijd door alle ondernemingen op dezelfde wijze wordt begrepen, moeten door de EBB verstrekte gegevens betreffende productiecapaciteit als minder nauwkeurig dan de productiegegevens worden beschouwd. |
|
(115) |
De door de EBB verstrekte gegevens zijn echter de beste beschikbare informatie over de productiecapaciteit in de Unie van EBB-leden en niet-EBB-leden, gebaseerd op een consistente rapportering door de EBB betreffende de werkelijke productiecapaciteit van alle biodieselproducerende ondernemingen in de EU. |
6.4. Verduidelijking inzake de identificatie van onbenutte capaciteit door de EBB
|
(116) |
Na de bekendmaking van de voorlopige verordening, en zoals beschreven in de definitieve verordening, is duidelijk geworden dat de bekendgemaakte gegevens betreffende de productiecapaciteit geen nauwkeurige weergave vormden van de werkelijke situatie van de bedrijfstak van de Unie. Daarom heeft de Commissie de EBB verzocht duidelijkheid te verschaffen over zijn gegevens betreffende de productiecapaciteit. |
|
(117) |
De EBB heeft de Commissie geactualiseerde gegevens van zowel zijn leden als niet-leden bezorgd, waaruit blijkt dat er sprake is van niet-beschikbare (want buiten gebruik gestelde) productiecapaciteit, of „onbenutte capaciteit”, die oorspronkelijk als onderdeel van de totale productiecapaciteit in de Unie was gerapporteerd. |
|
(118) |
De onbenutte capaciteit wordt door de EBB vastgesteld bij zijn berekening van de productie en de productiecapaciteit op basis van door de individuele ondernemingen ingediende gegevens. Wegens de aard van het hierboven beschreven gegevensverzamelingsproces was een herziening van de verstrekte gegevens met betrekking tot niet-EBB-leden noodzakelijk om te waarborgen dat de gegevens betreffende de productiecapaciteit de werkelijke situatie van de bedrijfstak van de Unie zo nauwkeurig mogelijk weergeven. |
|
(119) |
De tussen de voorlopige en de definitieve verordening door de EBB verstrekte gegevens waren de beste beschikbare informatie over de productiecapaciteit in de Unie van EBB-leden en niet-EBB-leden, gebaseerd op een consistente rapportering door de EBB betreffende de werkelijke productiecapaciteit van alle biodieselproducerende ondernemingen in de EU. |
6.5. Opmerkingen na de mededeling van feiten en overwegingen
|
(120) |
Na de mededeling van de bevindingen van de Commissie inzake schade hebben meerdere belanghebbenden opmerkingen op die bevindingen ingediend. |
|
(121) |
CARBIO, de vereniging van Argentijnse biodieselproducenten, heeft het standpunt herhaald dat zij tijdens het herzieningsonderzoek al had ingenomen, namelijk dat voor de huidige analyse van de schade en het oorzakelijk verband de huidige Eurostat-gegevens inzake productie en productiecapaciteit van biodiesel en niet de gegevens van het oorspronkelijk onderzoek moeten worden gebruikt. |
|
(122) |
De Commissie heeft dit argument afgewezen. De Eurostat-gegevens kwamen overeen met de oorspronkelijke gegevens van de EBB. De EBB heeft die gegevens vervolgens echter gecorrigeerd om de onbenutte capaciteit tijdens het oorspronkelijke onderzoek beter weer te geven. Zoals vermeld in punt 6.4, heeft de Commissie die correcties in het huidige herzieningsonderzoek gecontroleerd. De oorspronkelijke Eurostat-gegevens komen dus niet overeen met de meest accurate gegevens inzake productie en productiecapaciteit van biodiesel die de Commissie in deze zaak specifiek heeft gecontroleerd en gebruikt. |
|
(123) |
CARBIO heeft ook opgemerkt dat de Commissie het begrip „onbenutte capaciteit” nader moet definiëren. De Commissie heeft herhaald dat zij „onbenutte capaciteit” heeft gedefinieerd in de overwegingen 131 en 132 van de definitieve verordening. Aangezien in de WTO-rapporten geen bezwaar werd gemaakt tegen het concept „onbenutte capaciteit” van de Commissie, is er geen reden om dit concept in het kader van dit herzieningsonderzoek te wijzigen. |
7. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(124) |
Alle belanghebbenden werden van de bevindingen van de Commissie in kennis gesteld en konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen indienen. |
|
(125) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft de producent-exporteur Molinos de la Plata de Commissie ervan in kennis gesteld dat hij naar de Unie uitvoert onder de naam „Molinos Agro S.A.” en niet onder de naam „Molinos Rio de la Plata S.A”, en heeft hij daarvan bewijsmateriaal verstrekt. |
|
(126) |
De Commissie heeft het ingediende bewijsmateriaal nauwkeurig onderzocht en geconcludeerd dat de naamsverandering voldoende was gestaafd; derhalve heeft zij deze opmerking aanvaard. |
|
(127) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft de Indonesische exporteur Wilmar om een hoorzitting verzocht; dit verzoek werd ingewilligd. Wilmar heeft ondernemingsspecifieke argumenten kenbaar gemaakt met betrekking tot de berekening van de dumping en van de schade en heeft met name verzocht om een verlaging van zijn winstmarge. |
|
(128) |
De Commissie heeft die argumenten afgewezen, aangezien zij geen verband hielden met de uitvoering van het WTO-rapport aangaande Argentinië. Bovendien is het merendeel van de desbetreffende kwesties momenteel in behandeling bij de WTO in het kader van het door Indonesië aanhangig gemaakte geschil. |
|
(129) |
Na de herziene mededeling van feiten en overwegingen hield Wilmar vol dat zijn argument met betrekking tot zijn voor de berekening van de normale waarde gebruikte winstmarge niet in behandeling is bij de WTO, maar een afzonderlijke kwestie vormt, en dat het argument louter op de bepalingen van de antidumpingbasisverordening is gebaseerd. Dit argument zou derhalve in dit herzieningsonderzoek moeten worden behandeld. Wilmar voerde ook aan dat de handhaving van de maatregelen niet in het belang van de Unie is en dat zij bijgevolg moeten worden beëindigd. |
|
(130) |
De Commissie herinnerde eraan dat dit herzieningsonderzoek is geopend op basis van de WTO-machtigingsverordening en met het oog op de uitvoering van de bevindingen en aanbevelingen van het panel en de beroepsinstantie in het kader van het geschil Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Argentinië (WT/DS473/15). Het herzieningsonderzoek is derhalve beperkt tot kwesties die door de WTO worden behandeld en de eventuele daaruit voortvloeiende en/of technische wijzigingen. Geen van beide argumenten van Wilmar was derhalve ontvankelijk. Bovendien herinnerde de Commissie eraan dat Wilmar in het kader van het oorspronkelijke onderzoek al een soortgelijk argument met betrekking tot de winstmarge had ingediend, dat toen is afgewezen (zie de overwegingen 43 tot en met 46 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013). Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft de medewerkende Argentijnse producent-exporteur Cofco Argentina S.A. (voorheen bekend als Noble Argentina S.A.) een verzoek ingediend om als „nieuwkomer” te worden behandeld en in de lijst van ondernemingen met individuele rechten te worden opgenomen onder de „andere medewerkende ondernemingen”. |
|
(131) |
De Commissie heeft de onderneming in kennis gesteld van het feit dat zij daarvoor de procedure voor nieuwe producenten-exporteurs overeenkomstig artikel 3 van de definitieve verordening moet volgen. |
|
(132) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen heeft de EBB verzocht om een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur met als argument dat het standpunt van de Commissie niet door een objectieve juridische redenering, maar door politieke belangen zou zijn ingegeven. |
|
(133) |
De raadadviseur-auditeur heeft tijdens de hoorzitting van 20 juli 2017 geen aanwijzingen gevonden dat het recht van verweer van de EBB als belanghebbende was geschonden. Tegelijkertijd heeft hij de Commissie opgeroepen tot onderbouwing van haar standpunt dat de Argentijnse sojaboonprijzen niet buiten beschouwing kunnen worden gelaten op grond van hun onbetrouwbaarheid. De Commissie heeft dit punt opgenomen in haar beoordeling van de na de mededeling van feiten en overwegingen ontvangen opmerkingen (zie de overwegingen 60 tot en met 63). |
8. DEFINITIEVE MAATREGELEN
|
(134) |
Op basis van bovenstaande nieuwe beoordeling heeft de Commissie geconcludeerd dat de in het oorspronkelijke onderzoek geconstateerde schade veroorzakende dumping wordt bevestigd. |
|
(135) |
De bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 ingestelde maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië, moeten derhalve worden gehandhaafd, waarbij de herziene dumpingmarges voor Argentinië worden herberekend zoals hierboven uiteengezet. |
|
(136) |
De definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op het betrokken product, zijn als volgt:
|
|
(137) |
Artikel 1, lid 2, van de definitieve verordening moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(138) |
Het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 (12) ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De tabel met de definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de producten die zijn vervaardigd door de in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 vermelde bedrijven, wordt vervangen door de volgende tabel:
|
Land |
Onderneming |
Antidumpingrecht (EUR per ton nettogewicht) |
Aanvullende Taric-code |
|
Argentinië |
Aceitera General Deheza S.A., General Deheza, Rosario; Bunge Argentina S.A., Buenos Aires |
79,56 |
B782 |
|
Louis Dreyfus Commodities S.A., Buenos Aires |
43,18 |
B783 |
|
|
Molinos Agro S.A., Buenos Aires; Oleaginosa Moreno Hermanos S.A.F.I.C.I. y A., Bahia Blanca; Vicentin S.A.I.C., Avellaneda |
62,91 |
B784 |
|
|
Andere medewerkende ondernemingen: Cargill S.A.C.I., Buenos Aires; Unitec Bio S.A., Buenos Aires; Viluco S.A., Tucuman |
62,52 |
B785 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
79,56 |
B999 |
|
|
Indonesië |
PT Ciliandra Perkasa, Jakarta |
76,94 |
B786 |
|
PT Musim Mas, Medan |
151,32 |
B787 |
|
|
PT Pelita Agung Agrindustri, Medan |
145,14 |
B788 |
|
|
PT Wilmar Bioenergi Indonesia, Medan; PT Wilmar Nabati Indonesia, Medan |
174,91 |
B789 |
|
|
Andere medewerkende ondernemingen: PT Cermerlang Energi Perkasa, Jakarta |
166,95 |
B790 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
178,85 |
B999 |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 september 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 83 van 27.3.2015, blz. 6.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1194/2013 van de Raad van 19 november 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië (PB L 315 van 26.11.2013, blz. 2).
(3) WT/DS473/AB/R en WT/DS473/AB/R/Add.1.
(4) WT/DS473/R en WT/DS473/R/Add.1.
(5) PB C 476 van 20.12.2016, blz. 3. Bericht van opening betreffende de antidumpingmaatregelen die gelden ten aanzien van de invoer van biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië, naar aanleiding van de aanbevelingen en uitspraken van het Orgaan voor Geschillenbeslechting van de Wereldhandelsorganisatie in het geschil Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel (DS473) (2016/C 476/04).
(6) Europese Unie — Antidumpingmaatregelen ten aanzien van biodiesel uit Indonesië, DS480.
(7) Zie bijvoorbeeld de conclusie van advocaat-generaal Jacobs van 29 april 2004 in zaak C-422/02 P, Europe Chemi-Con (Deutschland)/Raad, ECLI:EU:C:2004:277, punt 36.
(8) Zie het arrest van 7 mei 1991 in zaak C-69/89, Nakajima All Precision/Raad, ECLI:EU:C:1991:186, punt 120. Zie, meest recentelijk, ook de conclusie van advocaat-generaal Campos Sánchez-Bordona van 20 juli 2017 in zaak C-256/16, Deichmann, ECLI:EU:C:2017:580, punt 49.
(9) Verordening (EU) nr. 490/2013 van de Commissie van 27 mei 2013 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op biodiesel van oorsprong uit Argentinië en Indonesië („de voorlopige verordening”) (PB L 141 van 28.5.2013, blz. 6).
(10) Panelrapport, EU — Biodiesel, punt 7.242, voetnoot 400; rapport van de beroepsinstantie, EU — Biodiesel, punt 6.41.
(11) Rapport van de beroepsinstantie, EU — Biodiesel, punten 6.54 en 6.55; panelrapport, EU — Biodiesel, punten 7.248 en 7.249.
(12) Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21).
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/25 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1579 VAN DE COMMISSIE
van 18 september 2017
tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de aanvragen om invoercertificaten betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2017 zijn ingediend en tot bepaling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 vastgestelde hoeveelheid in het kader van de tariefcontingenten die in de sector pluimveevlees zijn geopend bij Verordening (EG) nr. 533/2007
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 533/2007 van de Commissie (2) zijn jaarlijkse tariefcontingenten geopend voor de invoer van vlees van pluimvee. |
|
(2) |
De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2017 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 zijn ingediend, zijn, voor bepaalde contingenten, groter dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg dient te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven door de op de gevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt vast te stellen, berekend overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (3). |
|
(3) |
De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2017 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 zijn ingediend, zijn, voor bepaalde contingenten, kleiner dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg dienen de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, te worden vastgesteld en te worden toegevoegd aan de voor de volgende deelperiode vastgestelde hoeveelheid. |
|
(4) |
Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Op de hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die op grond van Verordening (EG) nr. 533/2007 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 zijn ingediend, wordt de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënt toegepast.
2. De hoeveelheden waarvoor geen invoercertificaataanvragen zijn ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 533/2007 en die aan de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 moeten worden toegevoegd, zijn opgenomen in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 september 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) Verordening (EG) nr. 533/2007 van de Commissie van 14 mei 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten voor vlees van pluimvee (PB L 125 van 15.5.2007, blz. 9).
(3) Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).
BIJLAGE
|
Volgnummer |
Toewijzingscoëfficiënt — voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 ingediende aanvragen (in %) |
Niet-aangevraagde hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 beschikbare hoeveelheden (in kg) |
|
09.4067 |
1,838508 |
— |
|
09.4068 |
0,162074 |
— |
|
09.4069 |
0,134791 |
— |
|
09.4070 |
— |
890 500 |
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/28 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1580 VAN DE COMMISSIE
van 18 september 2017
tot vaststelling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 bepaalde hoeveelheden in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 539/2007 voor de sector eieren en ovoalbumine geopende tariefcontingenten
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 2 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 539/2007 van de Commissie (2) zijn jaarlijkse tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector eieren en ovoalbumine. |
|
(2) |
De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2017 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 zijn ingediend, zijn kleiner dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg moeten de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, worden vastgesteld en toegevoegd aan de voor de volgende deelperiode vastgestelde hoeveelheid. |
|
(3) |
Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De hoeveelheden waarvoor geen invoercertificaataanvragen zijn ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 539/2007 en die aan de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 moeten worden toegevoegd, zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 september 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) Verordening (EG) nr. 539/2007 van de Commissie van 15 mei 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van tariefcontingenten voor eieren en ovoalbumine (PB L 128 van 16.5.2007, blz. 19).
BIJLAGE
|
Volgnummer |
Niet-aangevraagde hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 beschikbare hoeveelheden (in kg, equivalent eieren in de schaal) |
|
09.4015 |
67 500 000 |
|
09.4401 |
377 061 |
|
09.4402 |
6 820 000 |
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/30 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1581 VAN DE COMMISSIE
van 18 september 2017
tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de hoeveelheden waarop de aanvragen om invoercertificaten betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2017 zijn ingediend in het kader van de tariefcontingenten die in de sector pluimveevlees zijn geopend bij Verordening (EG) nr. 1385/2007
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 1 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1385/2007 van de Commissie (2) zijn jaarlijkse tariefcontingenten geopend voor de invoer van producten van de sector pluimveevlees. |
|
(2) |
De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2017 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 zijn ingediend, zijn, voor bepaalde contingenten, groter dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg dient te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven door de op de gevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt vast te stellen, berekend overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (3). |
|
(3) |
Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Op de hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die op grond van Verordening (EG) nr. 1385/2007 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 zijn ingediend, wordt de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënt toegepast.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 september 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) Verordening (EG) nr. 1385/2007 van de Commissie van 26 november 2007 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad, wat betreft de opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor vlees van pluimvee (PB L 309 van 27.11.2007, blz. 47).
(3) Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).
BIJLAGE
|
Volgnummer |
Toewijzingscoëfficiënt — voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 ingediende aanvragen (in %) |
|
09.4410 |
0,122017 |
|
09.4411 |
0,147890 |
|
09.4412 |
0,124570 |
|
09.4420 |
0,138450 |
|
09.4421 |
— |
|
09.4422 |
0,138449 |
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/32 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1582 VAN DE COMMISSIE
van 18 september 2017
tot vaststelling van de hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 bepaalde hoeveelheid in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 536/2007 geopende tariefcontingent voor vlees van pluimvee van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 2 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 536/2007 van de Commissie (2) is een jaarlijks tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector vlees van pluimvee van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika. |
|
(2) |
De hoeveelheden waarop de invoercertificaataanvragen betrekking hebben die van 1 tot en met 7 september 2017 voor de deelperiode van 1 oktober tot en met 31 december 2017 zijn ingediend, zijn kleiner dan de beschikbare hoeveelheden. Bijgevolg moeten de hoeveelheden waarvoor geen aanvragen zijn ingediend, worden vastgesteld en toegevoegd aan de voor de volgende deelperiode vastgestelde hoeveelheid, |
|
(3) |
Met het oog op de efficiëntie van de maatregel dient deze verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De hoeveelheden waarvoor geen invoercertificaataanvragen zijn ingediend op grond van Verordening (EG) nr. 536/2007 en die aan de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 moeten worden toegevoegd, zijn vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 september 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) Verordening (EG) nr. 536/2007 van de Commissie van 15 mei 2007 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van een aan de Verenigde Staten van Amerika toegewezen tariefcontingent voor vlees van pluimvee (PB L 128 van 16.5.2007, blz. 6).
BIJLAGE
|
Volgnummer |
Niet-aangevraagde hoeveelheden die moeten worden toegevoegd aan de voor de deelperiode van 1 januari tot en met 31 maart 2018 beschikbare hoeveelheden (in kg) |
|
09.4169 |
10 453 692 |
BESLUITEN
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/34 |
BESLUIT (EU) 2017/1583 VAN DE COMMISSIE
van 1 september 2017
houdende specificatie, overeenkomstig Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, van EN ISO 17994:2014 als de norm inzake de gelijkwaardigheid van microbiologische methoden
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 5843)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 februari 2006 betreffende het beheer van de zwemwaterkwaliteit en tot intrekking van Richtlijn 76/160/EEG (1), en met name artikel 15, lid 2, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Beschikking 2009/64/EG van de Commissie (2) wordt de internationale norm ISO 17994:2004(E) „Waterkwaliteit — Criteria voor het vaststellen van gelijkwaardigheid van microbiologische methoden” voor de toepassing van Richtlijn 2006/7/EG gespecificeerd als de norm inzake de gelijkwaardigheid van microbiologische methoden. |
|
(2) |
Norm ISO 17994:2004(E) is verouderd en is technisch geactualiseerd (bv. terminologische actualisering, duidelijkere specificaties en toevoeging van een nieuwe bijlage over technische berekeningen). |
|
(3) |
Norm ISO 17994:2004(E) is derhalve vervangen door een recentere versie, ISO 17994:2014 „Water — Eisen voor de vergelijking van de relatieve opbrengst van micro-organismen met twee kwalitatieve methoden”. Deze internationale norm is door het Europees Comité voor Normalisatie in een Europese norm EN ISO 17994:2014 omgezet. Het is derhalve passend norm EN ISO 17994:2014 voor de toepassing van Richtlijn 2006/7/EG als de norm inzake de gelijkwaardigheid van microbiologische methoden te specificeren. |
|
(4) |
Beschikking 2009/64/EG moet derhalve worden ingetrokken. |
|
(5) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2006/7/EG ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de toepassing van artikel 3, lid 9, van Richtlijn 2006/7/EG wordt norm EN ISO 17994:2014 „Water — Eisen voor de vergelijking van de relatieve opbrengst van micro-organismen met twee kwalitatieve methoden” gespecificeerd als de norm inzake de gelijkwaardigheid van microbiologische methoden.
Artikel 2
Beschikking 2009/64/EG wordt ingetrokken.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 1 september 2017.
Voor de Commissie
Karmenu VELLA
Lid van de Commissie
(1) PB L 64 van 4.3.2006, blz. 37.
(2) Beschikking 2009/64/EG van de Commissie van 21 januari 2009 houdende specificatie, overeenkomstig Richtlijn 2006/7/EG van het Europees Parlement en de Raad, van ISO 17994:2004(E) als de norm inzake de gelijkwaardigheid van microbiologische methoden (PB L 23 van 27.1.2009, blz. 32).
AANBEVELINGEN
|
19.9.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 239/36 |
AANBEVELING (EU) 2017/1584 VAN DE COMMISSIE
van 13 september 2017
inzake een gecoördineerde respons op grootschalige cyberincidenten en -crises
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Nu de onderlinge verbondenheid en afhankelijkheid van onze burgers en bedrijven, over sectoren en grenzen heen, groter is dan ooit tevoren, zijn het gebruik en de afhankelijkheid van informatie- en communicatietechnologieën fundamentele aspecten geworden van alle sectoren van de economische activiteit. De lidstaten en instellingen van de EU moeten goed voorbereid zijn op een cyberincident dat organisaties in meer dan één lidstaat of zelfs de hele Unie treft en dat de interne markt en, meer in het algemeen, de netwerk- en informatiesystemen waar de economie, democratie en samenleving van de Unie van afhankelijk zijn, ernstig kan verstoren. |
|
(2) |
Een cyberincident kan worden beschouwd als een crisis op het niveau van de Unie wanneer de verstoring die door het incident wordt veroorzaakt te groot is om door een getroffen lidstaat alleen te worden verholpen of wanneer de technische of politieke gevolgen voor twee of meer lidstaten zo wijdverspreid zijn dat tijdige coördinatie en respons op het politieke niveau van de Unie vereist zijn. |
|
(3) |
Cyberincidenten kunnen een ruimere crisis veroorzaken en gevolgen hebben voor activiteitensectoren die verder reiken dan netwerk- en informatiesystemen en communicatienetwerken; elke respons moet gebaseerd zijn op zowel cybergebonden als niet-cybergebonden risicobeperkende activiteiten. |
|
(4) |
Cyberincidenten zijn onvoorspelbaar en ontstaan en verspreiden zich vaak op zeer korte tijd; de getroffen entiteiten en degenen die verantwoordelijk zijn om op het incident te reageren en de gevolgen ervan te beperken, moeten hun respons dus snel coördineren. Bovendien blijven cyberincidenten vaak niet beperkt tot één bepaald geografisch gebied; ze kunnen zich gelijktijdig voordoen of razendsnel verspreiden over meerdere landen. |
|
(5) |
Een effectieve respons op grootschalige incidenten en crises op het gebied van cyberbeveiliging op het niveau van de EU vereist snelle en effectieve samenwerking tussen alle relevante belanghebbenden, en is afhankelijk van de paraatheid en capaciteiten van individuele lidstaten en van gecoördineerde gezamenlijke actie met de steun van de Unie. Het bestaan van vooraf vastgelegde en, in de mate van het mogelijke, goed ingeoefende samenwerkingsprocedures en -mechanismen, met duidelijk vastgestelde rollen en verantwoordelijkheden voor de belangrijkste actoren op nationaal en EU-niveau, is van essentieel belang om tijdig en effectief te kunnen reageren op incidenten. |
|
(6) |
In zijn conclusies (1) inzake de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur van 27 mei 2011 heeft de Raad de EU-lidstaten verzocht „de samenwerking tussen de lidstaten te intensiveren en op basis van de nationale crisisbeheersingservaringen en -resultaten en in samenwerking met het Enisa te helpen bij de ontwikkeling van Europese samenwerkingsmechanismen bij cyberincidenten, die zullen worden uitgetest in het kader van de volgende CyberEurope-oefening in 2012”. |
|
(7) |
In haar mededeling uit 2016 „Versterken van het Europese cyberbeveiligingssysteem en bevorderen van een concurrerende en innovatieve cyberbeveiligingsbranche” (2) moedigt de Commissie de lidstaten aan de NIB-samenwerkingsmechanismen (3) maximaal te benutten en tevens de grensoverschrijdende samenwerking inzake de paraatheid voor een grootschalig cyberincident te versterken. Zij voegde eraan toe dat een gecoördineerde aanpak van de crisissamenwerking tussen de verschillende elementen van het cyber-ecosysteem die paraatheid zou vergroten en dat een dergelijke „blauwdruk” ook de synergieën en samenhang met bestaande mechanismen voor crisismanagement zou waarborgen. |
|
(8) |
In de conclusies van de Raad (4) over de bovenvermelde mededeling hebben de lidstaten de Commissie verzocht een dergelijke blauwdruk in te dienen, zodat de betrokken instanties en andere belanghebbenden deze kunnen bestuderen. De NIB-richtlijn voorziet echter niet in een samenwerkingskader op het niveau van de Unie in het geval van grootschalige cyberincidenten en -crises. |
|
(9) |
De Commissie heeft tijdens twee afzonderlijke workshops, die op 5 april en 4 juli 2017 plaatsvonden in Brussel, overleg gepleegd met vertegenwoordigers van de lidstaten die afkomstig waren uit Computer Security Incident Response Teams (CSIRT's), de bij de NIB-richtlijn opgerichte samenwerkingsgroep en de Horizontale Groep cybervraagstukken van de Raad, en met vertegenwoordigers van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), Enisa, Europol/EC3 en het Algemeen Secretariaat van de Raad. |
|
(10) |
De in de bijlage bij deze aanbeveling gevoegde blauwdruk voor een gecoördineerde respons op grootschalige cyberincidenten en -crises op het niveau van de Unie is het resultaat van het bovenvermelde overleg en vormt een aanvulling op de mededeling „Versterken van het Europese cyberbeveiligingssysteem en bevorderen van een concurrerende en innovatieve cyberbeveiligingsbranche”. |
|
(11) |
In de blauwdruk worden de doelstellingen en samenwerkingsvormen tussen de lidstaten en de EU-instellingen, -organen, -bureaus en -agentschappen (hierna „de EU-instellingen” genoemd) beschreven in reactie op grootschalige cyberincidenten en -crises, en wordt uiteengezet hoe bestaande crisisbeheersingsmechanismen optimaal gebruik kunnen maken van bestaande cyberbeveiligingsentiteiten op EU-niveau. |
|
(12) |
Wanneer in de zin van overweging 2 op een cybercrisis wordt gereageerd, dan is de coördinatie van de respons in de Raad, op het politieke niveau van de Unie, gebaseerd op de geïntegreerde regeling politieke crisisrespons (IPCR) (5); de Commissie maakt gebruik van Argus (6), het proces voor sectoroverschrijdende coördinatie op hoog niveau. Als de crisis een belangrijke externe dimensie heeft of raakt aan het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid, dan wordt het Crisisresponsmechanisme (CRM) (6) van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) geactiveerd. |
|
(13) |
Op bepaalde gebieden voorzien sectorale crisisbeheersingsmechanismen op EU-niveau in samenwerking in het geval van cyberincidenten of -crises. Wat bijvoorbeeld het Europese wereldwijde satellietnavigatiesysteem (GNSS) betreft, is in Besluit 2014/496/GBVB van de Raad (7) reeds vastgesteld welke rol de Raad, de hoge vertegenwoordiger, de Commissie het Europees GNSS-agentschap en de lidstaten spelen in de keten van operationele verantwoordelijkheden die is opgezet om te reageren op een bedreiging voor de Unie, de lidstaten of het GNSS; dit heeft ook betrekking op cyberaanvallen. Deze aanbeveling laat dergelijke mechanismen dan ook onverlet. |
|
(14) |
Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten om te reageren als zij getroffen worden door grootschalige cyberincidenten of -crises. Er is echter ook een belangrijke rol weggelegd voor de Commissie, de hoge vertegenwoordiger en de andere instellingen of diensten van de EU, die voortvloeit uit de Uniewetgeving of uit het feit dat cyberincidenten en -crises gevolgen kunnen hebben voor alle deelgebieden van de economische activiteit in de interne markt, voor de beveiliging en de internationale betrekkingen van de Unie en voor de instellingen zelf. |
|
(15) |
De belangrijkste actoren die op het niveau van de Unie betrokken zijn bij een respons op cybercrises zijn onder meer de recentelijk opgerichte structuren en mechanismen van de NIB-richtlijn, namelijk het netwerk van Computer Security Incident Response Teams (CSIRT), en de relevante agentschappen en organen, namelijk het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (Enisa), het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit, dat deel uitmaakt van Europol (Europol/EC3), het Centrum van de Europese Unie voor de analyse van inlichtingen (Intcen), de afdeling Militaire Inlichtingen van de EU (EUMS INT) en het Situatiecentrum (SitRoom), die samen de gezamenlijke capaciteit op het gebied van inlichtingenanalyse vormen, de EU-Fusiecel (die deel uitmaakt van Intcen), het computercrisisteam voor de EU-instellingen en agentschappen (CERT-EU) en het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties van de Europese Commissie. |
|
(16) |
Het CSIRT-netwerk, dat in het kader van de NIB-richtlijn is opgezet, zorgt voor technische samenwerking tussen de lidstaten bij een respons op cyberincidenten. Enisa is het secretariaat van het netwerk en ondersteunt actief de samenwerking tussen de CSIRT's. De nationale CSIRT's en het CERT-EU werken samen en wisselen op vrijwillige basis informatie uit, indien nodig ook in reactie op cyberincidenten die één of meer lidstaten treffen. Op verzoek van de vertegenwoordiger van het CSIRT van een lidstaat kunnen zij, indien mogelijk, overleggen en een gecoördineerde respons bepalen op een incident dat binnen de jurisdictie van die lidstaat heeft plaatsgevonden. De relevante procedures zijn uiteengezet in de standaardwerkwijzen van het CSIRT-netwerk (8). |
|
(17) |
Het CSIRT-netwerk is ook belast met het bespreken, onderzoeken en vaststellen van verdere vormen van operationele samenwerking, onder meer ook met betrekking tot categorieën risico's en incidenten, vroegtijdige waarschuwingen, wederzijdse bijstand, beginselen en voorwaarden voor coördinatie, wanneer lidstaten reageren op grensoverschrijdende risico's en incidenten. |
|
(18) |
De bij artikel 11 van de NIB-richtlijn opgerichte samenwerkingsgroep is belast met het verlenen van strategische aansturing voor de activiteiten van het CSIRT-netwerk en het bespreken van de capaciteiten en paraatheid van de lidstaten en, op vrijwillige basis, het evalueren van nationale strategieën voor de beveiliging van netwerk- en informatiesystemen en de effectiviteit van CSIRT's, en het identificeren van beste praktijken. |
|
(19) |
Binnen de samenwerkingsgroep bestaat een specifieke actielijn voor de opstelling van richtsnoeren voor de melding van incidenten, overeenkomstig artikel 14, lid 7, van de NIB-richtlijn, waarin bepaald wordt in welke omstandigheden verleners van essentiële diensten incidenten moeten melden overeenkomstig artikel 14, lid 3, en in welk formaat en volgens welke procedure deze meldingen moeten worden gedaan (9). |
|
(20) |
Bewustzijn en begrip van de realtimesituatie, risicogedrag en bedreigingen, die zijn opgedaan dankzij rapportering, beoordelingen, studie, onderzoek en analyse, zijn van essentieel belang om goed onderbouwde besluiten te nemen. Voor een effectieve gecoördineerde respons is het van essentieel belang dat alle relevante belanghebbenden over dit „situatiebewustzijn” beschikken. Situatiebewustzijn heeft zowel betrekking op de oorzaken als de gevolgen van het incident. Algemeen wordt erkend dat dit afhankelijk is van de uitwisseling van informatie tussen relevante partijen in een geschikt formaat en op een voldoende veilige wijze, waarbij gebruik wordt gemaakt van een gemeenschappelijke classificatie om het incident te beschrijven. |
|
(21) |
Een respons op cyberincidenten kan vele vormen aannemen, van het identificeren van technische maatregelen waarbij twee of meer entiteiten samen de technische oorzaken van het incident onderzoeken (bijv. de analyse van malware) of het identificeren van manieren waarop organisaties kunnen nagaan of ze zijn getroffen (bijv. Indicators of Compromise), tot operationele besluiten over de toepassing van dergelijke maatregelen en, op politiek niveau, besluiten over het gebruik van andere instrumenten, zoals het kader voor een gezamenlijke respons op kwaadwillige cyberactiviteiten (10) of het operationeel EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen (11), al naargelang het incident. |
|
(22) |
Het vertrouwen van Europese burgers en bedrijven in digitale diensten is van essentieel belang voor een bloeiende digitale interne markt. Daarom speelt crisiscommunicatie een bijzonder belangrijke rol in het beperken van de negatieve gevolgen van cyberincidenten en -crises. Ook in de context van het kader voor een gezamenlijk diplomatiek antwoord kan gebruik worden gemaakt van communicatie, als middel om het gedrag van (potentiële) daders die actief zijn vanuit derde landen te beïnvloeden. De politieke respons is alleen doeltreffend wanneer de publieke communicatie om de negatieve gevolgen van cyberincidenten en -crises te beperken en de publieke communicatie om daders te beïnvloeden, op elkaar worden afgestemd. |
|
(23) |
De gevolgen van grootschalige cyberincidenten of -crises kunnen ook op doeltreffende wijze worden beperkt door het publiek te informeren over de wijze waarop zij op het niveau van een individuele gebruiker of een organisatie de gevolgen van een incident kunnen beperken (bijv. door een patch te installeren of aanvullende maatregelen te nemen om de dreiging af te wenden). |
|
(24) |
Via de digitalediensteninfrastructuur op het gebied van cyberbeveiliging van de Connecting Europe Facility (CEF) ontwikkelt de Commissie een centraal dienstenplatform, een samenwerkingsmechanisme met de naam MeliCERTes, voor de CSIRT's van deelnemende lidstaten, zodat zij hun paraatheid, samenwerking en respons op ontluikende cyberdreigingen en -incidenten kunnen verbeteren. Via vergelijkende uitnodigingen tot het indienen van voorstellen voor de toekenning van subsidies in het kader van de CEF verleent de Commissie ook medefinanciering aan CSIRT's in de lidstaten, teneinde hun operationele capaciteiten op nationaal niveau te verbeteren. |
|
(25) |
Cyberbeveiligingsoefeningen op EU-niveau zijn essentieel om de samenwerking tussen de lidstaten en de private sector te bevorderen en te verbeteren. Om dit doel te bereiken, organiseert Enisa sinds 2010 regelmatig pan-Europese oefeningen met betrekking tot cyberincidenten („Cyber Europe”). |
|
(26) |
In de conclusies van de Raad (12) over de uitvoering van de gezamenlijke verklaring van de voorzitter van de Europese Raad, de voorzitter van de Europese Commissie en de secretaris-generaal van de Noord-Atlantische Verdragsorganisatie wordt een oproep gedaan om de samenwerking in cyberoefeningen te versterken via wederzijdse deelname van het personeel aan de respectieve oefeningen, met name Cyber Coalition en Cyber Europe. |
|
(27) |
Het voortdurend evoluerende dreigingslandschap en recente cyberincidenten zijn een indicatie van de alsmaar toenemende risico's waarmee de Unie wordt geconfronteerd; de lidstaten moeten dan ook onverwijld gevolg geven aan deze aanbeveling, uiterlijk tegen eind 2018, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
|
1. |
De lidstaten en de EU-instellingen moeten een EU-kader voor respons op cybercrises vaststellen, waarin de in de blauwdruk gepresenteerde doelstellingen en samenwerkingsvoorwaarden worden opgenomen volgens de daarin beschreven leidende beginselen. |
|
2. |
Het EU-kader voor respons op cybercrises moet met name de relevante actoren, EU-instellingen en instanties van de lidstaten identificeren, op alle nodige niveaus — technisch, operationeel, strategisch/politiek — en indien nodig standaardwerkwijzen opstellen voor hun onderlinge samenwerking in het kader van de EU-mechanismen voor crisisbeheersing. Daarbij moet de nadruk worden gelegd op het uitwisselen van informatie zonder onnodige vertraging en de respons en de coördinatie van de respons tijdens grootschalige cyberincidenten en -crises. |
|
3. |
Om dit doel te bereiken, moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten samen voortwerken aan specificaties voor informatie-uitwisseling en samenwerkingsprotocollen. De samenwerkingsgroep moet de ervaringen op deze gebieden uitwisselen met de relevante EU-instellingen. |
|
4. |
De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun nationale mechanismen voor crisisbeheersing voorzien in een passende respons op cyberincidenten en in de nodige procedures voor samenwerking op EU-niveau in de context van het EU-kader. |
|
5. |
Wat de bestaande crisisbeheersingsmechanismen van de EU betreft, moeten de lidstaten, overeenkomstig de blauwdruk, samen met de diensten van de Commissie en de EDEO praktische uitvoeringsrichtsnoeren opstellen voor de integratie van hun nationale crisisbeheersings- en cyberbeveiligingsentiteiten en -procedures in de bestaande crisisbeheersingsmechanismen van de EU, namelijk de IPCR en het CRM van de EDEO. De lidstaten moeten met name zorgen voor passende structuren die efficiënte informatiestromen mogelijk maken tussen hun nationale crisisbeheersingsautoriteiten en hun vertegenwoordigers op EU-niveau in de context van de EU-crisismechanismen. |
|
6. |
De lidstaten moeten ten volle gebruikmaken van de mogelijkheden die worden geboden door het programma van de Connecting Europe Facility (CEF) voor digitalediensteninfrastructuur op het gebied van cyberbeveiliging, en moeten met de Commissie samenwerken om te garanderen dat het centraal dienstenplatform, een samenwerkingsmechanisme dat momenteel in ontwikkeling is, over de nodige functies beschikt en voldoet aan hun eisen op het gebied van samenwerking, ook tijdens cybercrises. |
|
7. |
Met de bijstand van Enisa en voortbouwend op eerdere werkzaamheden op dit gebied, moeten de lidstaten samen een gemeenschappelijke classificatie opstellen en vaststellen, alsook een model voor situatieverslagen waarin de technische oorzaken en gevolgen van cyberincidenten worden beschreven, zodat zij hun technische en operationele samenwerking tijdens crises verder kunnen verbeteren. Wat dit betreft, dienen de lidstaten rekening te houden met de werkzaamheden die binnen de samenwerkingsgroep lopende zijn met betrekking tot richtsnoeren voor de melding van incidenten, en met name de aspecten die verband houden met het formaat van nationale meldingen. |
|
8. |
De procedures die in het kader worden uiteengezet, moeten worden getest en indien nodig herzien op basis van de lessen die zijn getrokken uit de deelname van lidstaten aan cyberoefeningen op het niveau van de regio's, de lidstaten, de Unie en de NAVO en uit cyberdiplomatie. Ze moeten met name worden getest in het kader van de CyberEurope-oefeningen die door Enisa worden georganiseerd. De eerste gelegenheid om dit te doen is CyberEurope 2018. |
|
9. |
De lidstaten en de EU-instellingen moeten regelmatig hun respons op grootschalige cyberincidenten en crises op nationaal en Europees niveau oefenen, met inbegrip van hun politieke respons, indien nodig, en in samenwerking met entiteiten uit de privésector, voor zover van toepassing. |
Gedaan te Brussel, 13 september 2017
Voor de Commissie
Mariya GABRIEL
Lid van de Commissie
(1) Conclusies van de Raad inzake de bescherming van kritieke informatie-infrastructuur „Bereikte resultaten en volgende stappen: naar mondiale cyberveiligheid”, document 10299/11, Brussel, 27 mei 2011.
(2) COM(2016) 410 final van 5 juli 2016.
(3) Richtlijn (EU) 2016/1148 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 houdende maatregelen voor een hoog gemeenschappelijk niveau van beveiliging van netwerk- en informatiesystemen in de Unie (PB L 194 van 19.7.2016, blz. 1).
(4) Document 14540/16 van 15 november 2016.
(5) Zie voor nadere informatie punt 3.1 van het aanhangsel inzake crisisbeheersing, samenwerkingsmechanismen en actoren op het niveau van de EU.
(6) Ibidem.
(7) Besluit 2014/496/GBVB van de Raad van 22 juli 2014 over aspecten van de stationering, de exploitatie en het gebruik van het Europese wereldwijde satellietnavigatiesysteem, die betrekking hebben op de veiligheid van de Europese Unie, en tot intrekking van Gemeenschappelijk Optreden 2004/552/GBVB (PB L 219 van 25.7.2014, blz. 53).
(8) In ontwikkeling; deze zullen naar verwachting tegen eind 2017 worden aangenomen.
(9) Het is de bedoeling deze richtsnoeren tegen eind 2017 te voltooien.
(10) Ontwerpconclusies van de Raad over een kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten („Instrumentarium voor cyberdiplomatie”), Doc. 9916/17.
(11) Gezamenlijk werkdocument van de diensten van de EU „Operationeel EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen”, EU-draaiboek, SWD(2016) 227 final van 5 juli 2016.
(12) Document ST 15283/16 van 6 december 2016.
BIJLAGE
Blauwdruk voor een gecoördineerde respons op grootschalige grensoverschrijdende cyberincidenten en -crises
INLEIDING
Deze blauwdruk is van toepassing op cyberincidenten die verstoringen veroorzaken die te groot zijn om door een getroffen lidstaat alleen te worden verholpen of die zodanig verstrekkende en significante technische of politieke gevolgen hebben voor twee of meer lidstaten of EU-instellingen dat tijdige coördinatie en respons op het politieke niveau van de Unie vereist zijn.
Dergelijke grootschalige cyberincidenten worden als een „cybercrisis” beschouwd.
In het geval de hele EU wordt getroffen door een cybercrisis, zorgt de Raad voor politieke coördinatie op het niveau van de Unie; de Raad maakt daarvoor gebruik van de regeling geïntegreerde politieke crisisrespons (IPCR).
Binnen de Commissie vindt de coördinatie plaats overeenkomstig het systeem voor snelle waarschuwing Argus.
Als de crisis een belangrijke externe dimensie heeft of raakt aan het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid, dan wordt het Crisisresponsmechanisme van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) geactiveerd.
In de blauwdruk wordt beschreven hoe deze gevestigde crisisbeheersingsmechanismen volledig gebruik moeten maken van bestaande cyberbeveiligingsentiteiten op EU-niveau en van samenwerkingsmechanismen tussen de lidstaten.
De blauwdruk houdt daarbij rekening met een reeks leidende beginselen (evenredigheid, subsidiariteit, complementariteit en vertrouwelijkheid van informatie) en beschrijft de kerndoelstellingen van de samenwerking (effectieve respons, gedeeld situatiebewustzijn, publieke communicatieberichten) op drie niveaus (strategisch/politiek, operationeel en technisch), de betrokken mechanismen en actoren, en de activiteiten die nodig zijn om te voldoen aan deze kerndoelstellingen.
De blauwdruk heeft geen betrekking op de volledige cyclus van crisisbeheersing (preventie/risicobeperking, paraatheid, respons, herstel), maar is gefocust op respons. Desondanks komen ook bepaalde andere activiteiten aan bod, met name activiteiten die verband houden met het bereiken van een gedeeld situatiebewustzijn.
Het is tevens van belang erop te wijzen dat cyberincidenten aan de basis kunnen liggen of deel kunnen uitmaken van een ruimere crisis, die ook gevolgen heeft voor andere sectoren. Aangezien cybercrises meestal ook gevolgen hebben voor de fysieke wereld, moet een passende respons gebaseerd zijn op zowel cybergebonden als niet-cybergebonden risicobeperkende activiteiten. De respons op een cybercrisis moet worden gecoördineerd met andere crisisbeheersingsmechanismen op EU-, nationaal of sectoraal niveau.
Ten slotte is de blauwdruk geen vervanging voor bestaande mechanismen, regelingen of instrumenten die specifiek zijn voor een bepaalde sector of beleidsdomein, zoals de regeling die is opgezet in het kader van het Europees wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS) (1). De blauwdruk laat deze regelingen onverlet.
Leidende beginselen
Bij het streven naar de doelstellingen, het identificeren van de nodige activiteiten en het toewijzen van rollen en verantwoordelijkheden aan actoren of mechanismen, zijn de onderstaande leidende beginselen gevolgd; deze moeten ook in acht worden genomen wanneer toekomstige uitvoeringsrichtsnoeren worden opgesteld.
Evenredigheid: De meeste cyberincidenten die gevolgen hebben voor lidstaten zijn veel minder erg dan een nationale „crisis”, laat staan een Europese. Het netwerk van Computer Security Incident Response Teams (CSIRT's), dat is opgericht bij de NIB-richtlijn (2), vormt de basis voor de samenwerking tussen lidstaten bij de respons op dergelijke incidenten. De nationale CSIRT's werken samen en wisselen op vrijwillige basis informatie uit, indien nodig ook in reactie op cyberincidenten die één of meer lidstaten treffen, overeenkomstig de standaardwerkwijzen van het CSIRT-netwerk. De blauwdruk moet daarom ten volle gebruikmaken van deze standaardwerkwijzen, en alle aanvullende taken die specifieke zijn voor cybercrises moeten in die werkwijzen tot uiting komen.
Subsidiariteit: Het subsidiariteitsbeginsel is van primordiaal belang. Het is in de eerste plaats de verantwoordelijkheid van de lidstaten om te reageren als zij getroffen worden door grootschalige cyberincidenten of -crises. Er is echter ook een belangrijke rol weggelegd voor de Commissie, de Europese Dienst voor extern optreden en de andere instellingen, bureaus, agentschappen en organen van de EU. Deze rol is duidelijk uiteengezet in de IPCR, maar vloeit ook voort uit de Uniewetgeving of simpelweg uit het feit dat cyberincidenten en -crises gevolgen kunnen hebben voor alle deelgebieden van de economische activiteit in de interne markt, voor de beveiliging en de internationale betrekkingen van de Unie en voor de instellingen zelf.
Complementariteit: De blauwdruk houdt volledig rekening met de bestaande crisisbeheersingsmechanismen, namelijk de regeling geïntegreerde politieke crisisrespons (IPCR), Argus en het Crisisresponsmechanisme van de EDEO; ook de recentelijk opgerichte structuren en mechanismen van de NIB-richtlijn, namelijk het CSIRT-netwerk, en de relevante EU-agentschappen en -organen, namelijk het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging (het Enisa), het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit, dat deel uitmaakt van Europol (Europol/EC3), het Centrum van de Europese Unie voor de analyse van inlichtingen (Intcen), de afdeling militaire inlichtingen van de EU (EUMS INT) en het Situatiecentrum (SitRoom), die samen de gezamenlijke capaciteit op het gebied van inlichtingenanalyse vormen, de EU-Fusiecel (die deel uitmaakt van Intcen) en het computercrisisteam voor de EU-instellingen en -agentschappen (CERT-EU) worden in de blauwdruk geïntegreerd. Daarbij moet de blauwdruk ervoor zorgen dat hun interactie en samenwerking zo complementair mogelijk is en zo weinig mogelijk overlappingen creëert.
Vertrouwelijke informatie: Alle informatie-uitwisseling in het kader van de blauwdruk moet voldoen aan de toepasselijke regels inzake beveiliging (3) en bescherming van persoonsgegevens en aan het verkeerslichtprotocol (4). Voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie, ongeacht de toegepaste rubriceringsregeling, worden de beschikbare officieel erkende instrumenten gebruikt (5). De verwerking van persoonsgegevens moet voldoen aan de toepasselijke EU-regels, met name de algemene verordening gegevensbescherming (6), de e-privacyrichtlijn (7) en de verordening (8) „betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door instellingen, organen, bureaus en agentschappen van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens”.
Kerndoelstellingen
De samenwerking in het kader van de blauwdruk volgt de bovenvermelde aanpak op drie niveaus: politiek, operationeel en technisch. Op elk niveau kan de samenwerking bestaan uit de uitwisseling van informatie en gezamenlijke acties om de onderstaande kerndoelstellingen te verwezenlijken.
|
— |
Een effectieve respons mogelijk maken. De respons kan vele vormen aannemen, van het identificeren van technische maatregelen waarbij twee of meer entiteiten samen de technische oorzaken van het incident onderzoeken (bijv. de analyse van malware) of het identificeren van manieren waarop organisaties kunnen nagaan of ze zijn getroffen (bijv. Indicators of Compromise), tot operationele besluiten over de toepassing van dergelijke technische maatregelen en, op politiek niveau, besluiten over de inzet van andere instrumenten, zoals de diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten („instrumentarium voor cyberdiplomatie”) of het operationeel EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen, al naargelang het incident. |
|
— |
Situatiebewustzijn delen. Het is van essentieel belang voor een gecoördineerde respons dat alle relevante belanghebbenden op de drie niveaus (technisch, operationeel, politiek) de gebeurtenissen die zich voordoen voldoende begrijpen. Situatiebewustzijn kan zowel betrekking hebben op de technologische aspecten van de oorzaken als op de gevolgen en oorsprong van het incident. Aangezien cyberincidenten gevolgen kunnen hebben voor tal van sectoren (financiën, energie, vervoer, gezondheidszorg enz.) is het van primordiaal belang dat de passende informatie, in het geschikte formaat, alle relevante belanghebbenden tijdig bereikt. |
|
— |
Overeenstemming bereiken over belangrijke publieke communicatieberichten (9). Crisiscommunicatie speelt een belangrijke rol bij het beperken van de negatieve gevolgen van cyberincidenten en -crises, maar kan ook worden gebruikt om het gedrag van (potentiële) daders te beïnvloeden. Het gedrag van daders kan ook worden beïnvloed door in de berichtgeving duidelijk te wijzen op de waarschijnlijke diplomatieke gevolgen. De politieke respons zal alleen doeltreffend zijn wanneer de publieke communicatie om de negatieve gevolgen van cyberincidenten en -crises te beperken en de publieke communicatie om daders te beïnvloeden, op elkaar worden afgestemd. De verspreiding van praktische informatie over manieren waarop het publiek de gevolgen van een incident kan beperken (bijv. door een patch te installeren of aanvullende maatregelen te nemen om de dreiging af te wenden), is van zeer groot belang voor de cyberbeveiliging. |
SAMENWERKING TUSSEN LIDSTATEN ONDERLING EN TUSSEN LIDSTATEN EN EU-ACTOREN OP TECHNISCH, OPERATIONEEL EN STRATEGISCH/POLITIEK NIVEAU
Een effectieve respons op grootschalige cyberincidenten of -crises op EU-niveau hangt af van effectieve technische, operationele en strategisch/politieke samenwerking.
Op elk niveau moeten de betrokken actoren specifieke activiteiten uitvoeren met betrekking tot de drie kerndoelstellingen:
|
— |
Gecoördineerde respons |
|
— |
Gedeeld situatiebewustzijn |
|
— |
Publieke communicatie |
Tijdens het incident of de crisis zullen lagere samenwerkingsniveaus de hogere niveaus waarschuwen, informeren en ondersteunen; de hogere niveaus zullen de lagere niveaus aansturen (10) en besluiten nemen, in voorkomend geval.
Samenwerking op technisch niveau
Toepassingsgebied van de activiteiten:
|
— |
Aanpak van incidenten (11) tijdens een cybercrisis. |
|
— |
Monitoring van en toezicht op incidenten, met inbegrip van permanente analyse van dreigingen en risico's. |
Mogelijke actoren
In de blauwdruk is bepaald dat het CSIRT-netwerk, dat wordt voorgezeten door het EU-voorzitterschap en gebruik maakt van het secretariaat van het Enisa, op technisch niveau het centrale mechanisme is voor samenwerking.
|
— |
Lidstaten
|
|
— |
Organen/Bureaus/Agentschappen van de EU
|
|
— |
Europese Commissie
|
|
— |
EDEO
|
Gedeeld situatiebewustzijn:
|
— |
In het kader van de regelmatige samenwerking op technisch niveau ter ondersteuning van het situatiebewustzijn van de Unie, moet het Enisa regelmatig het EU Cybersecurity Technical Situation Report over incidenten en bedreigingen opstellen, op basis van publiek beschikbare informatie en eigen analyses en verslagen die het ontvangt van de CSIRT's van de lidstaten (op vrijwillige basis) of de bij de NIB-richtlijn opgerichte centrale contactpunten, het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3) van Europol en CERT-EU, en, voor zover passend, het EU-centrum voor inlichtingen (Intcen) van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO). Dit verslag moet ter beschikking worden gesteld van de relevante instanties van de Raad, de Commissie, de HV/VV en het CSIRT-netwerk. |
|
— |
In het geval van ernstige cyberincidenten stelt de voorzitter van het CSIRT-netwerk, met de hulp van het Enisa, een EU Cybersecurity Incident Situation Report (13) op dat wordt ingediend bij het voorzitterschap, de Commissie en de HV/VV via het roterende voorzitterschap van CSIRT. |
|
— |
Alle andere EU-agentschappen brengen verslag uit aan hun bevoegde DG, dat op zijn beurt verslag uitbrengt aan de leidende dienst van de Commissie. |
|
— |
CERT-EU stelt technische verslagen op voor het CSIRT-netwerk, de EU-instellingen en agentschappen (voor zover van toepassing) en Argus (indien geactiveerd). |
|
— |
Europol/EC3 (14) en CERT-EU stellen een deskundige forensische analyse van technische artefacten en andere technische informatie op voor het CSIRT-netwerk. |
|
— |
EDEO SIAC: de EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen brengt namens Intcen verslag uit aan de relevante diensten van de EDEO. |
Respons:
|
— |
Het CSIRT-netwerk wisselt technische bijzonderheden en analyses van het incident uit, zoals IP-adressen, Indicators of Compromise (15) enz. Dergelijke informatie moet onverwijld aan het Enisa worden bezorgd, uiterlijk 24 uur nadat het incident werd vastgesteld. |
|
— |
Overeenkomstig de standaardwerkwijzen van het CSIRT-netwerk, moeten de leden van het netwerk samen inspanningen leveren om de beschikbare technische artefacten en andere technische informatie over het incident te analyseren, teneinde de oorzaak ervan vast te stellen en mogelijke technische risicobeperkende maatregelen te nemen. |
|
— |
Het Enisa maakt gebruik van zijn deskundigheid om te helpen bij de technische activiteiten van de CSIRT's, overeenkomstig zijn mandaat (16). |
|
— |
De CSIRT's van de lidstaten coördineren hun technische respons, met de hulp van het Enisa en de Commissie. |
|
— |
EDEO SIAC: De EU-Fusiecel start namens het Intcen de procedure voor het verzamelen van eerste aanwijzingen. |
Publieke mededelingen:
|
— |
De CSIRT's stellen technische adviezen (17) en kwetsbaarheidswaarschuwingen (18) op en verspreiden deze onder hun respectieve gemeenschappen en de bevolking nadat de toestemmingsprocedures die in elk geval van toepassing zijn, zijn doorlopen. |
|
— |
Het Enisa faciliteert de opstelling en verspreiding van gemeenschappelijke berichten van het CSIRT-netwerk. |
|
— |
Het Enisa coördineert zijn publieke communicatieactiviteiten met het CSIRT-netwerk en de dienst van de woordvoerder van de Commissie. |
|
— |
Het Enisa en EC3 coördineren hun publieke communicatieactiviteiten op basis van het gedeelde situatiebewustzijn dat is overeengekomen tussen de lidstaten. Ze coördineren beide hun publieke communicatieactiviteiten met de dienst van de woordvoerder van de Commissie. |
|
— |
Als de crisis een externe dimensie heeft of raakt aan het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid, dan moet de publieke communicatie worden gecoördineerd met de EDEO en de dienst van de woordvoerder van de HV/VV. |
Samenwerking op operationeel niveau
Toepassingsgebied van de activiteiten:
|
— |
Besluitvorming op politiek niveau voorbereiden |
|
— |
Het beheer van de cybercrisis coördineren (in voorkomend geval) |
|
— |
De gevolgen en effecten op EU-niveau beoordelen en mogelijke risicobeperkende maatregelen voorstellen |
Mogelijke actoren
|
— |
Lidstaten
|
|
— |
Organen/Bureaus/Agentschappen van de EU
|
|
— |
Europese Commissie
|
|
— |
EDEO
|
|
— |
Raad
|
Situatiebewustzijn:
|
— |
De opstelling van politiek-strategische verslagen ondersteunen (bijv. het ISAA in het geval van de activering van de IPCR); |
|
— |
De Horizontale Groep cybervraagstukken bereidt de vergadering van het Coreper of het PVC voor, al naargelang van toepassing. |
|
— |
Indien de IPCR wordt geactiveerd,
|
|
— |
Indien Argus wordt geactiveerd,
|
|
— |
Indien het Crisisresponsmechanisme van de EDEO wordt geactiveerd,
|
Respons (op verzoek van het politieke niveau):
|
— |
grensoverschrijdende samenwerking met het centrale contactpunt en de nationale bevoegde autoriteiten (NIB-richtlijn) om de gevolgen en effecten te beperken. |
|
— |
Alle technische beperkende maatregelen activeren en de technische capaciteiten coördineren die nodig zijn om de gevolgen van gerichte aanvallen op informatiesystemen te stoppen of in te perken. |
|
— |
Samenwerking en, indien zo besloten, coördinatie van technische capaciteiten om tot een gezamenlijke of op samenwerking gebaseerde respons te komen, overeenkomstig de standaardwerkwijzen van het CSIRT-netwerk . |
|
— |
De behoefte aan samenwerking met relevante derde partijen beoordelen. |
|
— |
(indien geactiveerd) Besluitvorming volgens het Argus-proces. |
|
— |
(indien geactiveerd) Besluiten voorbereiden en coördineren volgens de IPCR. |
|
— |
(indien geactiveerd) De besluitvorming van de EDEO ondersteunen via het Crisisresponsmechanisme van de EDEO, ook wat betreft de contacten met derde landen en internationale organisaties, en alle maatregelen die gericht zijn op de bescherming van missies en activiteiten van het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid en de EU-delegaties. |
Publieke mededelingen:
|
— |
Overeenstemming bereiken over publieke communicatie met betrekking tot het incident. |
|
— |
Als de crisis een externe dimensie heeft of raakt aan het gemeenschappelijk Europees veiligheids- en defensiebeleid, dan moet de publieke communicatie worden gecoördineerd met de EDEO en de dienst van de woordvoerder van de HV/VV. |
Samenwerking op strategisch/politiek niveau
Mogelijke actoren
|
— |
Voor lidstaten: de ministers die bevoegd zijn voor cyberbeveiliging |
|
— |
Voor de Europese Raad: de voorzitter |
|
— |
Voor de Raad: het roterende voorzitterschap |
|
— |
Met betrekking tot maatregelen uit het instrumentarium voor cyberdiplomatie: het PVC en de Horizontale Groep |
|
— |
Voor de Europese Commissie: de voorzitter of de afgevaardigde vicevoorzitter/commissaris. |
|
— |
De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid/vicevoorzitter van de Commissie |
Toepassingsgebied van de activiteiten: Strategisch en politiek beheer van zowel de cybergebonden als niet-cybergebonden aspecten van de crisis, met inbegrip van maatregelen in het kader van een gemeenschappelijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten.
Gedeeld situatiebewustzijn:
|
— |
Nagaan welk effect de door de crisis veroorzaakte verstoringen hebben op de werking van de Unie. |
Respons:
|
— |
Aanvullende crisisbeheersingsmechanismen/-instrumenten activeren, al naargelang van de aard en gevolgen van het incident. Het kan bijvoorbeeld gaan om het mechanisme voor civiele bescherming. |
|
— |
Maatregelen nemen in het kader van een gemeenschappelijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten. |
|
— |
Noodsteun ter beschikking stellen van getroffen lidstaten, bijvoorbeeld door het cyberbeveiligingsnoodfonds te activeren (22), zodra dit is opgericht. |
|
— |
Samenwerking en coördinatie met internationale organisaties, indien van toepassing, zoals de Verenigde Naties (VN), de Organisatie voor Veiligheid en Samenwerking in Europa (OVSE) en met name de NAVO. |
|
— |
Gevolgen voor de nationale veiligheid en defensie analyseren. |
Publieke communicatie:
Beslissen over een gemeenschappelijke communicatiestrategie voor het publiek.
GECOÖRDINEERDE RESPONS MET DE LIDSTATEN OP EU-NIVEAU IN HET KADER VAN DE IPCR
Overeenkomstig het beginsel van complementariteit op EU-niveau, wordt in dit deel dieper ingegaan op de kerndoelstellingen en de verantwoordelijkheden en activiteiten van de autoriteiten van de lidstaten, het CSIRT-netwerk, het Enisa, CERT-EU, Europol/EC3, Intcen, de EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen en de Horizontale Groep cybervraagstukken van de Raad binnen het IPCR-proces. De actoren worden geacht te handelen overeenkomstig vastgestelde procedures op EU- of nationaal niveau.
Het is van essentieel belang erop te wijzen dat, zoals aangegeven in figuur 1, de activiteiten op nationaal niveau en de samenwerking in het CSIRT-netwerk (indien nodig), ongeacht de activering van de EU-crisisbeheersingsmechanismen, tijdens elk incident of elke crisis worden uitgevoerd volgens de beginselen van subsidiariteit en evenredigheid.
Figuur 1
Respons op EU-niveau op een cyberincident/-crisis
Alle hierna beschreven activiteiten moeten worden uitgevoerd overeenkomstig de standaardwerkwijzen/regels van de betrokken samenwerkingsmechanismen, en in overeenstemming met de gevestigde mandaten en bevoegdheden van de afzonderlijke actoren en instellingen. Het is mogelijk dat deze procedures/regels op sommige punten moeten worden aangevuld/gewijzigd om tot de best mogelijke samenwerking te komen en effectief te kunnen reageren op grootschalige cyberincidenten en -crises.
Het is mogelijk dat niet alle hierna gepresenteerde actoren actie moeten ondernemen tijdens een specifiek incident. Niettemin moeten de blauwdruk en de relevante standaardwerkwijzen van de samenwerkingsmechanismen erop voorzien zijn dat dit wel het geval is.
Aangezien niet alle cyberincidenten of -crises dezelfde impact hebben op de samenleving, moeten de sectorale actoren op alle niveaus zeer flexibel inzetbaar zijn en is de respons afhankelijk van zowel cybergebonden als niet-cybergebonden risicobeperkende maatregelen.
Beheer van cybercrises — Cyberbeveiliging integreren in het IPCR-proces
De IPCR-regelingen, die worden beschreven in de IPCR-standaardwerkwijzen, volgen de hierna beschreven stappen (23) (of sommige stappen al dan niet nodig zijn, hangt af van de situatie).
In elke stap worden specifieke activiteiten en actoren op het gebied van cyberveiligheid vermeld. Voor het gemak van de lezer wordt in elke stap de tekst van de IPCR-standaardwerkwijzen getoond, gevolgd door de activiteiten die specifiek zijn voor de blauwdruk. Deze stapsgewijze benadering maakt het ook mogelijk om duidelijk bestaande hiaten op te sporen in de noodzakelijke capaciteiten en procedures, die een effectieve respons op cybercrises verhinderen.
Figuur 2 (zie hieronder) (24) is een grafische voorstelling van het IPCR-proces, waarbij nieuwe elementen zijn aangegeven in het blauw.
Figuur 2
Elementen van de IPCR die specifiek zijn voor cyberbeveiliging
Noot: Gezien de aard van hybride bedreigingen op cybergebied, die ontworpen zijn om onder de drempel van een herkenbare crisis te blijven, moet de EU preventieve en paraatheidsmaatregelen nemen. De EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen krijgt de opdracht om snel relevante incidenten te analyseren en de passende coördinatiestructuren op de hoogte te brengen. De regelmatige rapportering van de Fusiecel kan informatie helpen verschaffen voor de sectorale beleidsvorming, teneinde de paraatheid te verbeteren.
|
— |
Stap 1 — Regelmatige sectorale monitoring en waarschuwing: de bestaande, regelmatige sectorale situatieverslagen en waarschuwingen geven het voorzitterschap van de Raad indicaties over een ontwikkelende crisis en de mogelijke evolutie ervan.
|
Nadat een incident is vastgesteld
|
— |
Stap 2 — Analyse en advies: op basis van beschikbare monitoring en waarschuwingen houden de diensten van de Commissie, de EDEO en het SGR elkaar op de hoogte van mogelijke ontwikkelingen, teneinde klaar te zijn om het voorzitterschap te adviseren over te gaan tot een activering van de IPCR (volledig of in de modus informatie-uitwisseling);
|
|
— |
Stap 3 — Beoordeling/Besluit over de activering van de IPCR: het voorzitterschap beoordeelt de behoefte aan politieke coördinatie, informatie-uitwisseling of besluitvorming op EU-niveau. Daartoe kan het voorzitterschap een informele rondetafelvergadering beleggen. Het voorzitterschap gaat in de eerste plaats na op welke gebieden optreden van het Coreper of de Raad nodig is. Dit vormt de basis van de richtsnoeren voor de opstelling van geïntegreerde situatiekennis- en -analyseverslagen (ISAA). In het licht van de kenmerken van de crisis, de mogelijke gevolgen en de aanverwante politieke behoeften, beslist het voorzitterschap of het gepast is vergaderingen van de relevante groepen van de Raad en/of het Coreper en/of het PVC te beleggen.
De Commissie, de EDEO en het SGR kunnen, met volledige instemming van en in samenspraak met het voorzitterschap, ook besluiten de IPCR te activeren in de modus informatie-uitwisseling door een crisispagina te genereren, teneinde het pad te effenen voor een mogelijke volledige activering. |
|
— |
Stap 4 — Activering van de IPCR/Informatieverzameling en -uitwisseling: na activering (volledig of in de modus informatie-uitwisseling) wordt een crisispagina gegenereerd op het IPCR-webplatform, teneinde specifieke informatie-uitwisselingen mogelijk te maken die gericht zijn op aspecten die zullen bijdragen tot ISAA, en voorbereidingen te treffen voor de besprekingen op politiek niveau. Wie de leiding heeft over ISAA (een van de diensten van de Commissie of de EDEO) hangt af van de omstandigheden van het geval. |
|
— |
Stap 5 — Opstelling van ISAA-verslagen: de opstelling van ISAA-verslagen wordt geïnitieerd. De Commissie/de EDEO geven ISAA-verslagen uit, zoals uiteengezet in de ISAA-standaardwerkwijzen, en kunnen de informatie-uitwisseling verder bevorderen op het IPCR-webplatform, of specifieke verzoeken om informatie doen. De ISAA-verslagen worden afgestemd op de behoeften van het politieke niveau (d.w.z. Coreper of de Raad), zoals gedefinieerd door het voorzitterschap en uiteengezet in zijn richtsnoeren, waardoor een strategisch overzicht en een geïnformeerd debat over de door het voorzitterschap vastgestelde agendapunten mogelijk wordt. Overeenkomstig de ISAA-standaardwerkwijzen, zal de aard van de cybercrisis bepalen of het ISAA-verslag wordt voorbereid door een van de diensten van de Commissie (DG CNECT, DG HOME) of door de EDEO. Na de activering van de IPCR geeft het voorzitterschap de specifieke domeinen aan waaraan ISAA aandacht moet schenken om de politieke coördinatie en/of het besluitvormingsproces in de Raad te ondersteunen. Het voorzitterschap zal ook de timing van het verslag aangeven, na overleg met de diensten van de Commissie/de EDEO;
|
|
— |
Stap 6 — Voorbereiding van de informele rondetafel van het voorzitterschap: het voorzitterschap, bijgestaan door het secretariaat-generaal van de Raad, zal de timing, agenda, deelnemers en de verwachte resultaten (mogelijke concrete resultaten) van de informele rondetafelvergadering van het voorzitterschap bepalen. Het SGR geeft relevante informatie namens het voorzitterschap door op het IPCR-webplatform en stelt met name de notulen van de vergadering op. |
|
— |
Stap 7 — Rondetafel van het voorzitterschap/voorbereidende maatregelen voor politieke coördinatie/besluitvorming van de EU: het voorzitterschap zal een informele rondetafel bijeenroepen om de situatie te beoordelen en om de punten die onder de aandacht van het Coreper of de Raad moeten worden gebracht, voor te bereiden en te beoordelen. De informele rondetafel van het voorzitterschap is ook het forum waarop alle voorstellen voor actie die bij het Coreper/de Raad zijn ingediend, worden beoordeeld en besproken.
|
|
— |
Stap 8 — Politieke coördinatie en besluitvorming in het Coreper/de Raad: de resultaten van de vergaderingen van het Coreper/de Raad hebben betrekking op de coördinatie van de respons op alle niveaus, besluiten over buitengewone maatregelen, politieke verklaringen enz. Deze besluiten vormen ook geactualiseerde politieke/strategische richtsnoeren voor de verdere opstelling van ISAA-verslagen.
|
|
— |
Stap 9 — Monitoring van de gevolgen: de leidende ISAA-dienst zal, met de steun van ISAA-medewerkers, informatie verstrekken over de evolutie van de crisis en de gevolgen van de genomen politieke beslissingen. Deze feedback ondersteunt een proces in ontwikkeling; het voorzitterschap baseert zich op deze feedback bij zijn besluit of de betrokkenheid van het politieke niveau van de EU moet worden voortgezet of de IPCR moet worden teruggeschroefd. |
|
— |
Stap 10 — Uitfasering: volgens hetzelfde proces als dat voor de activering kan het voorzitterschap een informele rondetafel bijeenroepen om te beoordelen of de IPCR actief moet blijven of niet. Het voorzitterschap kan beslissen de activering te stoppen of terug te schroeven.
|
(1) Besluit 2014/496/GBVB.
(2) Richtlijn (EU) 2016/1148.
(3) Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41) en Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53). Besluit van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid van 19 april 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de Europese Dienst voor extern optreden (PB C 190 van 29.6.2013, blz. 1). Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).
(4) https://www.first.org/tlp/
(5) In juni 2016 waren hiervoor onder meer de transmissiekanalen CIMS (Classified Information Management System), ACID (encryptiealgoritme), RUE (beveiligd systeem voor de opstelling, uitwisseling en opslag van RESTREINT UE/EU RESTRICTED-documenten) en SOLAN beschikbaar. Andere instrumenten om gerubriceerde informatie te verzenden, zijn PGP of S/MIME.
(6) Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).
(7) Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).
(8) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1) — wordt momenteel herzien.
(9) Het is belangrijk erop te wijzen dat publieke communicatie zowel communicatie over het incident aan het brede publiek kan betekenen, als communicatie van meer technische of operationele informatie aan kritieke sectoren en/of getroffenen. Het is mogelijk dat hiervoor vertrouwelijke kanalen en specifieke technische instrumenten/platformen moeten worden gebruikt. Elke lidstaat heeft hoe dan ook zelf het recht en de verantwoordelijkheid om te communiceren met operatoren en het bredere publiek. Overeenkomstig het eerder uiteengezette subsidiariteitsbeginsel dragen de lidstaten en de nationale CSIRT's derhalve de eindverantwoordelijkheid voor de informatie die op hun grondgebied en onder hun doelgroep wordt verspreid.
(10) „Toestemming om te handelen” — tijdens een cybercrisis zijn korte responstijden van essentieel belang om passende risicobeperkende maatregelen vast te stellen. Om deze korte responstijden te garanderen, kan een lidstaat vrijwillig een „toestemming om te handelen” geven aan een andere lidstaat; dit bekent dat die andere lidstaat onmiddellijk mag ingrijpen, zonder de hogere niveaus of EU-instellingen te hoeven raadplegen en alle normaal vereiste officiële kanalen te doorlopen, als dit niet vereist is voor een bepaald incident (een CSIRT hoeft bijvoorbeeld geen hogere niveaus te raadplegen om waardevolle informatie door te sturen naar een CSIRT in een andere lidstaat).
(11) „Aanpak van incidenten”: alle procedures ter ondersteuning van de opsporing, analyse en beheersing van en respons op een incident.
(12) Afhankelijk van de aard van het incident en de gevolgen voor verschillende activiteitensectoren (financiën, vervoer, energie, gezondheidszorg enz.), worden de relevante EU-agentschappen of -organen bij de activiteiten betrokken.
(13) Het EU Cybersecurity Incident Situation Report is een bundeling van nationale verslagen die door de nationale CSIRT's worden ingediend. Het formaat van het verslag moet worden vastgesteld in de standaardwerkwijzen van het CSIRT-netwerk
(14) Overeenkomstig de voorwaarden en procedures die zijn uiteengezet in het juridisch kader van het EC3.
(15) Indicator of Compromise (IOC) — in forensisch computeronderzoek is dit een artefact dat is waargenomen op een netwerk of in een besturingssysteem en dat hoogstwaarschijnlijk wijst op een inbraak in het computersysteem. Typische voorbeelden van IOC's zijn virushandtekeningen en IP-adressen, MD5-hashes, malwarebestanden of URL's of domeinnamen van botnet-servers.
(16) Voorstel voor een verordening betreffende inzake Enisa, het EU-agentschap voor cyberbeveiliging, tot intrekking van Verordening (EU) nr. 526/2013, en inzake de certificering van informatie- en communicatietechnologie voor cyberbeveiliging („de cyberbeveiligingsverordening”), 13 september 2017.
(17) Technisch advies met betrekking tot de oorzaken van het incident en mogelijke risicobeperkende maatregelen.
(18) Informatie over de technische kwetsbaarheid die wordt misbruikt om IT-systemen negatief te beïnvloeden.
(19) Het Comité van permanente vertegenwoordigers (Coreper, artikel 240 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie — VWEU) is verantwoordelijk voor de voorbereiding van de werkzaamheden van de Raad van de Europese Unie.
(20) Het Politiek en Veiligheidscomité is een comité van de Raad van de Europese Unie dat actief is op het gebied van het buitenlands- en veiligheidsbeleid, zoals vermeld in artikel 38 van het Verdrag betreffende de Europese Unie.
(21) Overeenkomstig de voorwaarden en procedures die zijn uiteengezet in het juridisch kader van EC3.
(22) Het cyberbeveiligingsnoodfonds is een actie die wordt voorgesteld in de gezamenlijke mededeling „Weerbaarheid, afschrikking en defensie: bouwen aan sterke cyberbeveiliging voor de EU”, JOIN(2017) 450/1.
(23) Uit document 12607/15 „IPCR-standaardwerkwijzen”, overeengekomen door de Groep vrienden van het voorzitterschap, waarvan het Coreper in oktober 2015 nota heeft genomen.
(24) Zie het aanhangsel voor een grotere versie van de figuur.
(25) Het EU Cybersecurity Incident Situation Report is een bundeling van nationale verslagen die door de nationale CSIRT's worden ingediend. Het formaat van het verslag moet worden vastgesteld in de standaardwerkwijzen van het CSIRT-netwerk.
(26) ISAA-standaardwerkwijzen.
AANHANGSEL
1. CRISISBEHEERSING, SAMENWERKINGSMECHANISMEN EN ACTOREN OP HET NIVEAU VAN DE EU
Crisisbeheersingsmechanismen
Regeling geïntegreerde politieke crisisrespons (IPCR): de regeling geïntegreerde politieke crisisrespons (IPCR), die op 25 juni 2013 door de Raad is aangenomen (1), is ontworpen om op het politieke niveau van de EU een tijdige coördinatie en respons op een grote crisis te faciliteren. De IPCR ondersteunt ook de coördinatie op politiek niveau van de respons op de activering van de solidariteitsclausule (artikel 222 VWEU), zoals gedefinieerd in het op 24 juni 2014 vastgestelde Besluit 2014/415/EU van de Raad inzake de regeling voor de toepassing van de solidariteitsclausule door de Unie. Het activeringsproces en de acties die vervolgens moeten worden ondernomen, zijn uiteengezet in de IPCR-standaardwerkwijzen (2).
Argus: het crisiscoördinatiesysteem dat in 2005 door de Europese Commissie is opgericht om te zorgen voor specifieke coördinatie in het geval van een grote crisis die meerdere sectoren treft. Dit systeem wordt ondersteund door een algemeen systeem voor snelle waarschuwing (een IT-instrument) dat dezelfde naam draagt. Argus valt uiteen in twee fasen, waarbij fase II (in het geval van een grote crisis die meerdere sectoren treft) aanleiding geeft tot vergaderingen van het Crisiscoördinatiecomité (CCC), onder het gezag van de voorzitter van de Commissie of een commissaris aan wie de verantwoordelijkheid is overgedragen. Het CCC bestaat uit vertegenwoordigers van de relevante DG's van de Commissie, kabinetten en andere EU-diensten, die zorgen voor de aansturing en coördinatie van de respons van de Commissie op de crisis. Onder het voorzitterschap van de adjunct secretaris-generaal beoordeelt het CCC de situatie, weegt het de opties tegen elkaar af, neemt het praktische besluiten met betrekking tot de EU-instrumenten onder de bevoegdheid van de Commissie, en zorgt het ervoor dat deze besluiten ten uitvoer worden gelegd (3) (4).
Crisisresponsmechanisme van de EDEO: het Crisisresponsmechanisme van de EDEO is een gestructureerd systeem dat de EDEO in staat stelt te reageren op crises en noodgevallen van externe aard of met een belangrijke externe dimensie — met inbegrip van hybride bedreigingen — die gevolgen (kunnen) hebben voor de belangen van de EU of de lidstaten. Door te zorgen voor de deelname van relevante ambtenaren van de Commissie en het secretariaat van de Raad aan zijn vergaderingen, faciliteert het Crisisresponsmechanisme (CRM) synergieën tussen enerzijds de diplomatieke, beveiligings- en defensie-inspanningen, en anderzijds de door de Commissie beheerde financiële, handels- en samenwerkingsinstrumenten. De Crisiscel kan worden geactiveerd voor de duur van de crisis.
Samenwerkingsmechanismen
CSIRT-netwerk: het Computer Security Incident Response Team Network groepeert alle nationale en gouvernementele CSIRT's en CERT-EU. Het doel van dit netwerk is de uitwisseling van informatie over dreigingen en cyberincidenten tussen de CSIRT's mogelijk te maken en te verbeteren, en samen te werken bij de respons op cyberincidenten en -crises.
Horizontale Groep cybervraagstukken van de Raad: de horizontale groep werd opgericht om te zorgen voor strategische en horizontale coördinatie van cyberbeleidsthema's in de Raad, en kan zowel bij wetgevende als bij niet-wetgevende activiteiten worden betrokken.
Actoren
Enisa: het Agentschap van de Europese Unie voor netwerk- en informatiebeveiliging werd opgericht in 2004. Het Agentschap werkt nauw samen met de lidstaten en de privésector om advies te geven en oplossingen aan te reiken voor kwesties als de pan-Europese cyberbeveiligingsoefeningen, de ontwikkeling van nationale cyberbeveiligingsstrategieën, de samenwerking tussen CSIRT's en capaciteitsopbouw. Het Enisa werkt rechtstreeks samen met CSIRT's in de hele EU en is het secretariaat van het CSIRT-netwerk.
ERCC: het Coördinatiecentrum voor respons in noodsituaties van de Commissie (onder het directoraat-generaal voor Civiele Bescherming en Humanitaire Hulp — DG ECHO) ondersteunt en coördineert een breed gamma aan preventie-, paraatheids- en responsactiviteiten op 24/7-basis. Het centrum werd opgericht in 2013 en vormt het centrale knooppunt van de crisisrespons van de Commissie; het staat in verbinding met andere crisiscentra in de EU en is 24/7 actief als centraal IPCR-contactpunt.
Europol/EC3: Het Europees Centrum voor de bestrijding van cybercriminaliteit (EC3) is in 2013 opgericht binnen Europol en ondersteunt de respons van de ordehandhavingsdiensten op cybercriminaliteit in de EU. EC3 verstrekt operationele en analytische ondersteuning voor de onderzoeken van lidstaten en doet dienst als centraal knooppunt voor criminele informatie en inlichtingen ter ondersteuning van activiteiten en onderzoeken van de lidstaten; het verschaft operationele analyse, coördinatie, deskundigheid en hooggespecialiseerde technische en digitale forensische ondersteuning.
CERT-EU: het Computer Emergency Response Team van de EU-instellingen, organen en agentschappen heeft als opdracht de bescherming van de EU-instellingen, organen en agentschappen tegen cyberdreigingen te verbeteren. Het is lid van het CSIRT-netwerk. CERT-EU heeft technische overeenkomsten gesloten over de uitwisseling van informatie over cyberdreigingen met NATO CIRC, bepaalde derde landen en grote commerciële spelers op het vlak van cyberbeveiliging.
De inlichtingengemeenschap van de EU bestaat uit het EU-Centrum voor de analyse van inlichtingen (Intcen) en het directoraat Inlichtingen van de Militaire Staf van de EU (EUMS INT), in het kader van de regeling voor de gezamenlijke capaciteit op het gebied van inlichtingenanalyse (SIAC). SIAC heeft als opdracht analyses van inlichtingen, vroegtijdige waarschuwingen en situatiebewustzijn te verstrekken aan de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid en de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO). SIAC biedt zijn diensten aan aan de verschillende EU-besluitvormingsorganen op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid (GBVB), het gemeenschappelijk veiligheids- en defensiebeleid (GVDB) en terrorismebestrijding, en aan de lidstaten. EU Intcen en EUMS INT zijn geen operationele agentschappen en beschikken niet over de capaciteiten om inlichtingen te verzamelen. Het operationele niveau van de inlichtingendiensten is de verantwoordelijkheid van de lidstaten. SIAC heeft alleen betrekking op strategische analyses.
EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen: in de gezamenlijke mededeling inzake de bestrijding van hybride bedreigingen van april 2016 wordt de EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen (EU HFC) aangewezen als het contactpunt voor alle bronnenanalyse over hybride bedreigingen in de EU: het mandaat van de EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen is in december 2016 goedgekeurd door de Commissie via een dienstenoverkoepelende raadpleging. De EU-Fusiecel voor analyse van hybride bedreigingen is gevestigd in Intcen, maakt deel uit van SIAC en werkt dus samen met EUMS INT; er is een permanent militair lid toegewezen aan de EU-Fusiecel. „Hybride” verwijst naar het opzettelijk gebruik door staten of niet-overheidsactoren van een combinatie van meerdere geheime/open, militaire/civiele instrumenten en hefbomen, zoals cyberaanvallen, desinformatiecampagnes, spionage, economische druk, het gebruik van derde partijen om verantwoordelijkheid af te schuiven of andere subversieve activiteiten. De EU HFC maakt gebruik van een uitgebreid netwerk van contactpunten, zowel in de Commissie als de lidstaten, om te zorgen voor de geïntegreerde respons/overheidsbrede benadering die nodig is om het hoofd te bieden aan diverse uitdagingen.
EU-SitRoom: het EU-situatiecentrum maakt deel uit van het EU-Centrum voor de analyse van inlichtingen (EU Intcen) en verstrekt operationele capaciteit aan de EDEO om te zorgen voor een onmiddellijke en effectieve respons op crises. Het is een civiel-militair orgaan dat permanent stand-by is en 24/7 over de hele wereld monitoring en situatiebewustzijn verstrekt.
Relevante instrumenten
Kader voor een gemeenschappelijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten: het kader, waarover in juni 2017 overeenstemming is bereikt, maakt deel uit de EU-aanpak van cyberdiplomatie en draagt aldus bij tot de preventie van conflicten, de beperking van de risico's van cyberdreigingen en grotere stabiliteit in de internationale betrekkingen. Het kader maakt volledig gebruik van de maatregelen van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid, waaronder — indien nodig — restrictieve maatregelen. Het gebruik van de maatregelen van het kader moet zorgen voor samenwerking en inperking van dreigingen op zeer korte en langere termijn, en moet het gedrag van daders en potentiële daders op lange termijn beïnvloeden.
2. COÖRDINATIE VAN CYBERCRISES IN DE IPCR — HORIZONTALE COÖRDINATIELAAG EN POLITIEKE ESCALATIE
De IPCR kan worden gebruikt (en is gebruikt) om technische en operationele problemen op te lossen, maar altijd vanuit een politiek/strategische invalshoek.
Bij een escalerende crisis kan de IPCR worden aangepast aan de ernst van de crisis, door van „monitoring-modus” over te gaan naar „modus informatie-uitwisseling”, het eerste niveau van de IPCR-activering, tot „volledige IPCR-activering”.
De beslissing om over te gaan tot volledige activering wordt genomen door het roterende voorzitterschap van de Raad. De Commissie, de EDEO en het SGR kunnen de IPCR activeren in de modus informatie-uitwisseling. Monitoring en informatie-uitwisseling leiden tot verschillende niveaus van informatie-uitwisseling, waarbij informatie-uitwisseling de vraag naar de opstelling van ISAA-verslagen activeert. De volledige activering voegt rondetafelvergaderingen toe aan het instrumentarium, waardoor het voorzitterschap aan tafel komt (meestal de voorzitter van Coreper II of een deskundige op het niveau van de permanente vertegenwoordigers, maar in uitzonderlijke gevallen zijn ook rondetafels op ministerniveau georganiseerd).
Actoren
|
|
Het roterende voorzitterschap (meestal de voorzitter van het Coreper) heeft de leiding |
|
|
Voor de Europese Raad: het kabinet van de voorzitter |
|
|
Voor de Europese Commissie: DSG/DG-niveau en/of deskundigen ter zake |
|
|
Voor de EDEO, DSG/MD-niveau en/of deskundigen ter zake |
|
|
Voor het SGR: het kabinet van het secretariaat-generaal, het IPCR-team en de bevoegde DG's |
Toepassingsgebied van de activiteiten: Een gemeenschappelijk geïntegreerd beeld van de situatie scheppen, het bewustzijn van knelpunten of tekortkomingen op elk van de drie niveaus vergroten teneinde ze aan te pakken op politiek niveau, besluiten aan tafel stimuleren als deze binnen de bevoegdheid van de deelnemers vallen, of voorstellen voor actie opstellen die naar het Coreper II en de Raad gaan.
Gedeeld situatiebewustzijn:
|
|
(Niet actief): IPCR-monitoringpagina's kunnen worden gegenereerd om de ontwikkeling te volgen van situaties die kunnen escaleren tot een crisis met gevolgen voor de EU. |
|
|
(IPCR in modus informatie-uitwisseling): Op basis van input van de diensten van de Commissie, de EDEO en de lidstaten (via de IPCR-vragenlijsten) stelt de leidende ISAA-dienst ISAA-verslagen op. |
|
|
(Volledige activering van de IPCR): In aanvulling op de ISAA-verslagen brengen rondetafels verschillende actoren uit de lidstaten, de Commissie, de EDEO, de relevante agentschappen enz. bijeen om tekortkomingen en knelpunten te bespreken. |
Samenwerking en respons:
Aanvullende crisisbeheersingsmechanismen/-instrumenten activeren/synchroniseren, al naargelang van de aard en gevolgen van het incident. Het kan bijvoorbeeld gaan om het mechanisme voor civiele bescherming, het kader voor een gemeenschappelijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten of het „gezamenlijk kader voor de bestrijding van hybride bedreigingen”.
Crisiscommunicatie:
Het IPCR-netwerk van crisisvoorlichters kan worden geactiveerd door het voorzitterschap, in samenspraak met de relevante diensten in de Commissie, het SGR en de EDEO, teneinde de opstelling van gemeenschappelijke berichten te ondersteunen of overleg te plegen over de meeste effectieve communicatie-instrumenten.
3. BEHEER VAN CYBERCRISES IN ARGUS — INFORMATIE-UITWISSELING BINNEN DE EUROPESE COMMISSIE
Naar aanleiding van onverwachte crises die actie op Europees niveau vereisten (de terroristische aanslagen in Madrid in maart 2004, de tsunami in Zuidoost-Azië in december 2004 en de terroristische aanslagen in Londen in juli 2005), heeft de Commissie in 2005 het Argus-coördinatiesysteem opgericht, ondersteund door het gelijknamige systeem voor snelle waarschuwing (5) (6). Dit heeft tot doel te voorzien in een specifiek crisiscoördinatieproces in het geval van grote multisectorale crises, dat het mogelijk maakt crisisgerelateerde informatie in realtime uit te wisselen en snel besluiten te nemen.
Argus maakt een onderscheid tussen twee fasen, al naargelang de ernst van de gebeurtenis:
|
|
Fase I: wordt gebruikt voor de uitwisseling van informatie over een crisis van beperkte omvang Voorbeelden van recentelijk gerapporteerde gebeurtenissen van fase I zijn de bosbranden in Portugal en Israël, de aanslag in Berlijn in 2016, de overstromingen in Albanië, orkaan Matthew in Haïti en de droogte in Bolivia. Elk DG kan een gebeurtenis van fase I openen als het van oordeel is dat een situatie op zijn bevoegdheidsdomein ernstig genoeg is om informatie uit te wisselen. DG CNECT of DG HOME kunnen bijvoorbeeld een gebeurtenis van fase I openen als zij van oordeel zijn dat een cybersituatie op hun respectieve bevoegdheidsdomein ernstig genoeg is om informatie uit te wisselen. |
|
|
Fase II: wordt gebruikt voor grote crises die meerdere sectoren treffen of voor voorspelbare of nakende dreigingen voor de Unie. Fase II brengt een specifiek coördinatieproces op gang, dat de Commissie in staat stelt besluiten te nemen en over te gaan tot een snelle, gecoördineerde en coherente respons op het hoogste niveau van haar bevoegdheidsdomein en in samenwerking met de andere instellingen. Fase II is bedoeld voor grote crises die meerdere sectoren treffen of voor voorspelbare of nakende dreigingen. Voorbeelden van echte gebeurtenissen van fase II zijn de migratie-/vluchtelingencrisis die sinds 2015 aan de gang is, de drievoudige ramp in Fukushima (2011) en de uitbarsting van de vulkaan Eyjafjallajökull in IJsland (2010). Fase II wordt door de voorzitter geactiveerd, op eigen initiatief of op verzoek van een lid van de Commissie. De voorzitter kan de politieke verantwoordelijkheid voor de respons van de Commissie overdragen aan de commissaris van de dienst die het meest is betrokken bij de crisis, of kan de verantwoordelijkheid zelf opnemen. In fase II vinden spoedvergaderingen van het Crisiscoördinatiecomité (CCC) plaats. Deze vergaderingen worden bijeengeroepen door de voorzitter of de commissaris aan wie de verantwoordelijkheid is overgedragen. De vergaderingen worden belegd door het SG via het IT-instrument van Argus. Het CCC is een specifieke operationele structuur voor crisisbeheer die wordt ingesteld om de respons van de Commissie op een crisis te leiden en te coördineren, en die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de betrokken directoraten-generaal van de Commissie, kabinetten en andere EU-diensten. Onder het voorzitterschap van de adjunct secretaris-generaal beoordeelt het CCC de situatie, weegt het de opties tegen elkaar af en neemt het besluiten, zorgt het ervoor dat de besluiten en acties ten uitvoer worden gelegd en ziet het toe op de coherentie en consistentie van de respons. Het SG verleent steun aan het CCC. |
4. CRISISRESPONSMECHANISME VAN DE EDEO
Het Crisisresponsmechanisme van de EDEO (CRM) wordt geactiveerd wanneer zich een ernstige situatie of noodgeval voordoet dat raakt aan de externe dimensie van de EU. Het CRM wordt geactiveerd door de adjunct secretaris-generaal voor crisisbeheersing, na overleg met de HV/VV of de secretaris-generaal. De HV/VV, het SG of een andere adjunct secretaris-generaal of MD kunnen de adjunct secretaris-generaal voor crisisbeheersing ook vragen om het crisisresponsmechanisme te activeren.
Het CRM draagt bij tot de coherentie van de EU-respons op crises, binnen de veiligheidsstrategie. Het CRM faciliteert met name synergieën tussen diplomatieke, beveiligings- en defensie-inspanningen aan de hand van financiële, handels- en samenwerkingsinstrumenten die door de Commissie worden beheerd.
Het CRM is gekoppeld aan het algemene systeem voor de respons op noodgevallen (Argus) en de regeling geïntegreerde politieke crisisrespons (IPCR), zodat synergieën kunnen worden benut in het geval van gelijktijdige activering. Het Situatiecentrum in de EDEO doet dienst als communicatieknooppunt tussen de EDEO en de systemen voor respons op noodgevallen in de Raad en de Commissie.
Wanneer het CRM wordt geactiveerd, wordt meestal eerst een crisisvergadering bijeengeroepen tussen de leidende managers van de EDEO, de Commissie en de Raad die getroffen zijn door de crisis in kwestie. In deze crisisvergadering worden de gevolgen van de crisis op korte termijn beoordeeld en kan worden besloten onmiddellijk actie te ondernemen, de Crisiscel te activeren of het Crisisplatform bijeen te roepen. Dit kan in willekeurige volgorde gebeuren.
De Crisiscel is een kleinschalige controlekamer waar vertegenwoordigers van de EDEO en de diensten van de Commissie en de Raad die betrokken zijn bij de respons op de crisis samenkomen om de situatie permanent te volgen, zodat steun kan worden verleend aan de besluitvormers in het EDEO-hoofdkwartier. Wanneer de Crisiscel wordt geactiveerd, is ze zeven dagen per week en 24 uur per dag operationeel.
Het Crisisplatform brengt relevante diensten van de EDEO, de Commissie en de Raad bijeen om de gevolgen van de crisis op middellange en lange termijn te beoordelen en overeenstemming te bereiken over de te nemen maatregelen. Het Crisisplatform wordt voorgezeten door de HV/VV of de secretaris-generaal, of door de adjunct secretaris-generaal voor crisisbeheersing. Het Crisisplatform beoordeelt de effectiviteit van EU-maatregelen in landen of regio's die door de crisis zijn getroffen, beslist over wijzigingen van de maatregelen of aanvullende maatregelen en bespreekt voorstellen voor maatregelen van de Raad. Het Crisisplatform is een ad-hocvergadering; het is dus niet permanent geactiveerd.
De Taskforce is samengesteld uit vertegenwoordigers van de diensten die betrokken zijn bij de respons en kan worden geactiveerd om de tenuitvoerlegging van de EU-respons te volgen en te faciliteren. Zij beoordeelt de gevolgen van het optreden van de EU, bereidt beleidsdocumenten en keuzenota's voor, draagt bij tot de voorbereiding van het politiek kader voor crisisaanpak (Political Framework for Crisis Approach, PFCA) en tot de Communicatiestrategie, en stelt andere regelingen vast die de tenuitvoerlegging van de EU-respons kunnen faciliteren.
5. REFERENTIEDOCUMENTEN
Hierna volgt een lijst referentiedocumenten waarmee rekening is gehouden bij de opstelling van de blauwdruk:
|
— |
The European Cyber Crises Cooperation Framework, Versie 1, 17 oktober 2012. |
|
— |
Report on Cyber Crisis Cooperation and Management, Enisa, 2014. |
|
— |
Actionable Information for Security Incident Response, Enisa, 2014. |
|
— |
Common practices of EU-level crisis management and applicability to cyber crises, Enisa, 2015. |
|
— |
Strategies for Incident Response and Cyber Crisis Cooperation, Enisa, 2016. |
|
— |
EU Cyber Standard Operating Procedures, Enisa, 2016. |
|
— |
A good practice guide of using taxonomies in incident prevention and detection, Enisa, 2017. |
|
— |
Mededeling „Versterken van het Europese cyberbeveiligingssysteem en bevorderen van een concurrerende en innovatieve cyberbeveiligingsbranche”, COM(2016) 410 final, 5 juli 2016. |
|
— |
Conclusies van de Raad over de versterking van het Europese cyberweerbaarheidssysteem en bevordering van een concurrerende en innovatieve cyberbeveiligingssector — Conclusies van de Raad (15 november 2016), 14540/16. |
|
— |
Besluit 2014/415/EU van de Raad van 24 juni 2014 inzake de regeling voor de toepassing van de solidariteitsclausule door de Unie (PB L 192 van 1.7.2014, blz. 53). |
|
— |
Finale toetsing van de EU-regeling inzake coördinatie bij crisis- en noodsituaties (CCA): de EU-regeling geïntegreerde politieke-crisisbestrijding (IPCR), 10708/13, 7 juni 2013. |
|
— |
Integrated Situational Awareness and Analysis (ISAA) — Standard Operating Procedures, DS 1570/15, 22 oktober 2015. |
|
— |
Bepalingen van de Commissie betreffende het algemeen systeem voor snelle waarschuwing „Argus”, COM(2005) 662 definitief van 23 december 2005. |
|
— |
Besluit 2006/25/EG, Euratom van de Commissie van 23 december 2005 tot wijziging van haar Reglement van orde (PB L 19 van 24.1.2006, blz. 20). |
|
— |
Argus Modus Operandi, Europese Commissie, 23 oktober 2013. |
|
— |
Ontwerpconclusies van de Raad over een kader voor een gezamenlijke diplomatieke EU-respons op kwaadwillige cyberactiviteiten („Instrumentarium voor cyberdiplomatie”), Doc. 9916/17. |
|
— |
Operationeel EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen, „EU-draaiboek”, SWD(2016) 227. |
|
— |
EEAS Crisis Response Mechanism, 8 november 2016 [Ares(2017)880661]. Gezamenlijk werkdocument van de diensten van de EU „operationeel EU-protocol voor de bestrijding van hybride bedreigingen”, EU-draaiboek, SWD(2016) 227 final van 5 juli 2016. |
|
— |
Gezamenlijke mededeling aan het Europees Parlement en de Raad: Gezamenlijk kader voor de bestrijding van hybride bedreigingen: een reactie van de Europese Unie, JOIN/2016/018 final, 6 april 2016. |
|
— |
EEAS(2016) 1674 — Working Document of the European External Action Service — EU Hybrid Fusion Cell — Terms of Reference |
6. ELEMENTEN VAN HET IPCR-PROCES DIE SPECIFIEK ZIJN VOOR CYBERBEVEILIGING
(1) Finale toetsing van de EU-regeling inzake coördinatie bij crisis- en noodsituaties (CCA): de EU-regeling geïntegreerde politieke-crisisbestrijding (IPCR), 10708/13, door de Raad aangenomen op 24 juni 2013.
(2) 12607/15 „IPCR-standaardwerkwijzen”, overeengekomen door de Groep vrienden van het voorzitterschap, waarvan het Coreper in oktober 2015 nota heeft genomen.
(3) Bepalingen van de Commissie betreffende het algemeen systeem voor snelle waarschuwing „Argus”, COM(2005) 662 def. van 23 december 2005.
(4) Besluit 2006/25/EG, Euratom van de Commissie van 23 december 2005 tot wijziging van haar Reglement van orde (PB L 19 van 24.1.2006, blz. 20), betreffende instelling van het algemeen systeem voor snelle waarschuwing „Argus”.
(5) Commissie van de Europese Gemeenschappen, 23 december 2005, Mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: Bepalingen van de Commissie betreffende het algemeen systeem voor snelle waarschuwing „Argus”, COM(2005) 662 definitief.
(6) Besluit 2006/25/EG, Euratom.