|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
60e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/1227 VAN DE COMMISSIE
van 20 maart 2017
betreffende de voorwaarden voor de indeling in klassen zonder tests van gelijmde gelamelleerde houtproducten die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 14080, en gevingerlaste massieve houtproducten voor constructieve toepassingen die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 15497, met betrekking tot hun materiaalgedrag bij brand, en tot wijziging van Beschikking 2005/610/EG
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (1), en met name artikel 27, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364 van de Commissie (2) is een systeem vastgesteld voor de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand. Gelijmde gelamelleerde houtproducten en gevingerlaste massieve houtproducten voor constructieve toepassingen behoren tot de bouwproducten waarop die gedelegeerde verordening van toepassing is. |
|
(2) |
In tabel 1 van de bijlage bij Beschikking 2005/610/EG van de Commissie (3) zijn klassen van materiaalgedrag bij brand vastgesteld voor gelijmde gelamelleerde houtproducten die onder de geharmoniseerde norm EN 14080 vallen. Uit verdere tests van deze producten is gebleken dat de aanpassing van de in die beschikking vastgestelde voorwaarden voor deze producten gerechtvaardigd is. |
|
(3) |
Uit tests is gebleken dat gelijmde gelamelleerde houtproducten die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 14080, en gevingerlaste massieve houtproducten voor constructieve toepassingen die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 15497, stabiele en voorspelbare prestaties vertonen wat het materiaalgedrag bij brand betreft, op voorwaarde dat zij voldoen aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot de minimale gemiddelde dichtheid van het hout en de minimale gemiddelde dikte van het product. |
|
(4) |
Gelijmde gelamelleerde houtproducten die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 14080, en gevingerlaste massieve houtproducten voor constructieve toepassingen die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 15497, moeten derhalve worden geacht te voldoen aan een bepaalde in Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364 vastgestelde prestatieklasse voor het materiaalgedrag bij brand zonder dat daarvoor verdere tests nodig zijn. |
|
(5) |
Met het oog op de rechtszekerheid moet tabel 1 van de bijlage bij Beschikking 2005/610/EG worden geschrapt en moet in plaats daarvan de bijlage bij deze verordening worden toegepast voor gelijmde gelamelleerde houtproducten die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 14080, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Gelijmde gelamelleerde houtproducten die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 14080, en gevingerlaste massieve houtproducten voor constructieve toepassingen die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 15497, die voldoen aan de in de bijlage opgenomen voorwaarden, worden geacht aan de in de bijlage vermelde prestatieklassen te voldoen zonder dat hiervoor tests nodig zijn.
Artikel 2
Tabel 1 van de bijlage bij Beschikking 2005/610/EG wordt geschrapt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 20 maart 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364 van de Commissie van 1 juli 2015 betreffende de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 68 van 15.3.2016, blz. 4).
(3) Beschikking 2005/610/EG van de Commissie van 9 augustus 2005 tot vaststelling van klassen van materiaalgedrag bij brand voor bepaalde voor de bouw bestemde producten (PB L 208 van 11.8.2005, blz. 21).
BIJLAGE
|
Producten (1) |
Minimale gemiddelde dichtheid (2) (kg/m3) |
Minimale totale dikte (mm) |
Klasse (3) |
|
Gelijmde gelamelleerde houtproducten die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 14080, en gevingerlaste massieve houtproducten voor constructieve toepassingen die vallen onder de geharmoniseerde norm EN 15497 |
380 |
22 |
D-s2, d0 |
(1) Geldt voor alle soorten en lijmen die onder de productnorm vallen.
(2) Vastgesteld overeenkomstig de norm EN 13238.
(3) De klasse is vastgesteld in tabel 1 van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364.
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/4 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/1228 VAN DE COMMISSIE
van 20 maart 2017
betreffende de voorwaarden voor de indeling in klassen zonder tests van onder de geharmoniseerde norm EN 15824 vallende mortels met binnen- en buitentoepassingen voor organische bindmiddelen en onder de geharmoniseerde norm EN 998-1 vallende stukadoormortel voor binnen- en buitentoepassingen met betrekking tot hun materiaalgedrag bij brand
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2011 tot vaststelling van geharmoniseerde voorwaarden voor het verhandelen van bouwproducten en tot intrekking van Richtlijn 89/106/EEG van de Raad (1), en met name artikel 27, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364 van de Commissie (2) is een systeem vastgesteld voor de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand. Mortels met binnen- en buitentoepassingen voor organische bindmiddelen en stukadoormortel voor binnen- en buitentoepassingen behoren tot de bouwproducten waarop die gedelegeerde verordening van toepassing is. |
|
(2) |
Uit tests is gebleken dat onder de geharmoniseerde norm EN 15824 vallende mortels met binnen- en buitentoepassingen voor organische bindmiddelen en onder de geharmoniseerde norm EN 998-1 vallende stukadoormortel voor binnen- en buitentoepassingen stabiel en voorspelbaar materiaalgedrag bij brand hebben, op voorwaarde dat zij voldoen aan bepaalde voorwaarden met betrekking tot het maximaal organisch gehalte van het product, de op de ondergrond aangebrachte maximummassa per oppervlakte-eenheid en de brandwerendheid van de ondergrond. |
|
(3) |
Onder de geharmoniseerde norm EN 15824 vallende mortels met binnen- en buitentoepassingen voor organische bindmiddelen en onder de geharmoniseerde norm EN 998-1 vallende stukadoormortel voor binnen- en buitentoepassingen moeten derhalve onder deze voorwaarden worden geacht te voldoen aan een bepaalde in Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364 vastgestelde prestatieklasse voor het materiaalgedrag bij brand zonder dat daarvoor verdere tests nodig zijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onder de geharmoniseerde norm EN 15824 vallende mortels met binnen- en buitentoepassingen voor organische bindmiddelen en onder de geharmoniseerde norm EN 998-1 vallende stukadoormortel voor binnen- en buitentoepassingen die voldoen aan de in de bijlage opgenomen voorwaarden, worden geacht aan de in de bijlage vermelde prestatieklassen te voldoen zonder dat hiervoor tests nodig zijn.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 20 maart 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 88 van 4.4.2011, blz. 5.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364 van de Commissie van 1 juli 2015 betreffende de indeling van bouwproducten in klassen van materiaalgedrag bij brand overeenkomstig Verordening (EU) nr. 305/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 68 van 15.3.2016, blz. 4).
BIJLAGE
|
Producten (1) |
Maximaal organisch gehalte (2) (gewichtspercenten) |
Maximummassa per oppervlakte-eenheid (3) (kg/m2) |
Klasse (4) |
|
Onder de geharmoniseerde norm EN 15824 vallende mortels met binnen- en buitentoepassingen voor organische bindmiddelen |
≤ 9,0 |
≤ 4,0 |
B-s2, d0 |
|
Onder de geharmoniseerde norm EN 15824 vallende mortels met binnen- en buitentoepassingen voor organische bindmiddelen en onder de geharmoniseerde norm EN 998-1 vallende stukadoormortel voor binnen- en buitentoepassingen |
≤ 2,5 |
≤ 6,0 |
A2 — s1, d0 |
|
≤ 4,0 |
≤ 4,0 |
||
|
≤ 5,0 |
≤ 2,0 |
(1) Als pasta of in poedervorm geleverde producten die als externe en interne bedekking op muren, zuilen, tussenwanden en plafonds worden gebruikt. De prestaties van de ondergrond moeten ten minste tot de klasse A2 — s1, d0 behoren, en de dichtheid moet ten minste 525 kg/m3 bedragen.
(2) Met betrekking tot het vastestofgehalte (vergelijkbaar met de volledig gedroogde pleister/mortel die op de ondergrond wordt aangebracht).
(3) Met betrekking tot het natte product (klaar voor gebruik).
(4) De klasse is vastgesteld in tabel 1 van de bijlage bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/364.
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/6 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/1229 VAN DE COMMISSIE
van 3 mei 2017
tot rectificatie van bepaalde taalversies van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1333/2011 tot vaststelling van handelsnormen voor bananen, voorschriften inzake de controle op de naleving van die handelsnormen en voorschriften betreffende de mededelingen in de sector bananen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 75, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Maltese, de Nederlandse en de Sloveense taalversie van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1333/2011 van de Commissie (2) bevat een fout in overweging 3, in artikel 1, eerste alinea, in artikel 3 en in bijlage I, punt I, betreffende de variëteiten van bananen die zijn onderworpen aan de in die verordening neergelegde handelsnormen. Daarom is een rectificatie van de Maltese, de Nederlandse en de Sloveense taalversie noodzakelijk. In de overige taalversies komt die fout niet voor. |
|
(2) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1333/2011 moet derhalve dienovereenkomstig worden gerectificeerd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1333/2011 wordt als volgt gerectificeerd:
|
1) |
Overweging 3, tweede zin, wordt vervangen door: „Vijgbananen dienen op grond van de kenmerken ervan en van de wijze waarop zij worden afgezet, van het toepassingsgebied van de Unienormen te worden uitgesloten.”. |
|
2) |
Artikel 1, eerste alinea, wordt vervangen door: „De handelsnormen voor bananen van GN-code 0803 00, met uitzondering van „plantains”, van vijgbananen en van voor verwerking bestemde bananen, worden vastgesteld in bijlage I.”. |
|
3) |
Artikel 3 wordt vervangen door: „De lidstaten controleren overeenkomstig dit hoofdstuk of bananen van GN-code 0803 00, met uitzondering van „plantains”, vijgbananen en voor verwerking bestemde bananen, aan de in artikel 1 bedoelde handelsnormen voldoen.”. |
|
4) |
Bijlage I, punt I, wordt vervangen door: „Deze normen gelden voor bananen van de in bijlage IV vermelde variëteiten (cultivars) van het geslacht Musa (AAA) spp., subgroepen Cavendish en Gros Michel, en voor hybriden daarvan, bestemd om na opmaak en verpakking in verse toestand aan de consument te worden geleverd, met uitzondering van „plantains”, van voor industriële verwerking bestemde producten en van vijgbananen.”. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 mei 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1333/2011 van de Commissie van 19 december 2011 tot vaststelling van handelsnormen voor bananen, voorschriften inzake de controle op de naleving van die handelsnormen en voorschriften betreffende de mededelingen in de sector bananen (PB L 336 van 20.12.2011, blz. 23).
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/7 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/1230 VAN DE COMMISSIE
van 31 mei 2017
tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen tot nadere bepaling van de additionele objectieve criteria voor de toepassing van een preferentieel percentage voor de uit- of instroom van liquiditeit voor grensoverschrijdende onbenutte krediet- of liquiditeitsfaciliteiten binnen een groep of een institutioneel protectiestelsel
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 422, lid 10, en artikel 425, lid 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De toepassing van een preferentieel percentage voor de uit- of instroom van liquiditeit voor grensoverschrijdende onbenutte krediet- of liquiditeitsfaciliteiten binnen een groep of een institutioneel protectiestelsel (IPS), overeenkomstig artikel 29 en artikel 34 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 van de Commissie (2), wordt beperkt tot die gevallen waarin de noodzakelijke waarborgen voorhanden zijn en slechts met de voorafgaande goedkeuring van de bevoegde autoriteiten. Deze waarborgen zijn opgenomen in artikel 29, lid 2, en artikel 34, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 in de vorm van additionele objectieve criteria die in het kader van deze transacties moeten zijn vervuld. Deze waarborgen moeten nader worden gespecificeerd ter verduidelijking van de voorwaarden voor hun naleving. |
|
(2) |
Er moet worden gewaarborgd dat toepassing van deze preferentiële percentages de liquiditeitsituatie van de liquiditeitsverschaffer niet in het gedrang brengt en naleving van de liquiditeitsdekkingsratio door de ontvanger van de liquiditeit effectief vergemakkelijkt. De kredietinstelling moet een laag liquiditeitsrisicoprofiel kunnen aantonen door naleving van de liquiditeitsdekkingsratio en alle andere liquideitsgerelateerde toezichtvoorschriften en -maatregelen op grond van titel VII, hoofdstuk 2, afdelingen III en IV van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (3), in combinatie met de beoordeling van de bevoegde autoriteiten volgens het meest recente proces van toetsing en evaluatie door de toezichthouder dat de liquiditeitspositie van de instelling een laag risiconiveau heeft, als objectieve referenties van hun liquiditeitspositie. |
|
(3) |
De doeltreffendheid van de liquiditeitssteun binnen een groep of een IPS op grensoverschrijdende basis moet worden gewaarborgd door een degelijk contractueel kader dat wordt onderbouwd door een door het leidinggevend orgaan van de kredietinstelling goedgekeurd juridisch advies. Een minimale resterende looptijd van de lijn moet verzekeren dat de verbintenis niet op een specifieke transactie is toegespitst, maar gedurende een bepaalde minimumperiode blijft gelden. |
|
(4) |
De liquiditeitsverschaffer moet de ontvanger tijdig de nodige liquiditeit kunnen verstrekken, zelfs in tijden van stress. Daartoe moet de liquiditeitsverschaffer toezicht houden op de liquiditeitspositie van de liquiditeitsontvanger en moeten eventuele noodfinancieringsplannen van de liquiditeitsverschaffer en -ontvanger de gevolgen van de toepassing van een preferentieel uit- of instroompercentage ondervangen. |
|
(5) |
De voorwaarden voor de naleving van de in artikel 29, lid 2, en in artikel 34, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 bedoelde additionele objectieve criteria moeten gericht zijn op het verstrekken van afdoende redenen om uit te gaan van hogere dan normale grensoverschrijdende liquiditeitsstromen binnen een groep of IPS in moeilijkheden, zonder te tornen aan de doeltreffendheid en de effectiviteit van een model waarin de liquiditeit doorgaans centraal wordt beheerd. In bepaalde specifieke gevallen waarin die voorwaarden niet worden nageleefd, namelijk wanneer de liquiditeitsverschaffer of -ontvanger niet voldoet of verwacht niet te zullen voldoen aan de liquiditeitsdekkingsratio of aan liquiditeitsgerelateerde toezichtvoorschriften of maatregelen, of indien de resterende looptijd van de liquiditeits- of de kredietlijn korter is dan het verplichte minimum of indien de lijn wordt opgezegd, moeten de bevoegde autoriteiten opnieuw beoordelen of preferentiële percentages voor de uit- of instroom van liquiditeit blijvend kunnen worden toegepast ter voorkoming van de onbedoelde gevolgen die een automatische schorsing van de preferentiële behandeling zouden kunnen hebben in de vorm van procyclische en besmettingseffecten. |
|
(6) |
De nadere specificatie van deze additionele objectieve criteria mag niets veranderen aan de verantwoordelijkheid van de kredietinstellingen — als liquiditeitsverschaffer of liquiditeitsontvanger — om hun liquiditeitsrisico's op prudente basis te beheren. |
|
(7) |
De nadere specificatie van deze additionele objectieve criteria moet ook tot doel hebben de bevoegde autoriteiten te voorzien van de nodige instrumenten om de toepassing van een preferentieel uit- of instroompercentage te bepalen. |
|
(8) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd. |
|
(9) |
De Europese Bankautoriteit heeft openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening gebaseerd is, de potentiële desbetreffende kosten en baten geanalyseerd overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (4) en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen ingewonnen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
In deze verordening worden de additionele objectieve criteria in artikel 29, lid 2, en artikel 34, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 voor de toepassing van de daarin aangegeven vrijstelling nader gespecificeerd.
Artikel 2
Laag liquiditeitsrisicoprofiel van de liquiditeitsverschaffer en -ontvanger
1. Het in artikel 29, lid 2, onder a), en in artikel 34, lid 2, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 bedoelde lage liquiditeitsrisicoprofiel moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
a) |
de liquiditeitsverschaffer en -ontvanger hebben voldaan aan het vereiste niveau van de liquiditeitsdekkingsratio, zoals uiteengezet in de artikelen 4 en 38 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61, alsmede eventuele liquiditeitsgerelateerde toezichtvoorschriften of maatregelen op grond van titel VII, hoofdstuk 2, afdelingen III en IV van Richtlijn 2013/36/EU, doorlopend en gedurende ten minste twaalf maanden voordat toestemming wordt verleend om een preferentieel uit- of instroompercentage toe te passen voor onbenutte krediet- of liquiditeitsfaciliteiten uit hoofde van artikel 29, lid 1, en van artikel 34, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61. |
|
b) |
de posities van de liquiditeitsverschaffer en -ontvanger vormen een laag risico op grond van het meest recente proces van toetsing en evaluatie dat is uitgevoerd overeenkomstig titel VII, hoofdstuk 2, afdeling III, van Richtlijn 2013/36/EU. |
Om vast te stellen of aan de in punt a) van dit lid bedoelde voorwaarde is voldaan, moet het vereiste niveau van de liquiditeitsdekkingsratio worden berekend op de basis die is toegepast in het preferentiële percentage voor de uit- of instroom van liquiditeit gedurende de in dat punt genoemde periode van twaalf maanden.
2. Wanneer de liquiditeitsverschaffer of -ontvanger van de bevoegde autoriteiten toestemming heeft gekregen om ontheffing van de voorwaarde in artikel 29, lid 1, onder d), en in artikel 34, lid 1, onder d), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 te verlenen en een liquiditeitsverschaffer of -ontvanger niet voldoet of verwacht niet te zullen voldoen aan het vereiste niveau van de liquiditeitsdekkingsratio als bedoeld in de artikelen 4 en 38 van die gedelegeerde verordening, of aan liquiditeitsgerelateerde toezichtvoorschriften of maatregelen uit hoofde van titel VII, hoofdstuk 2, afdelingen III en IV van Richtlijn 2013/36/EU, stelt hij de bevoegde autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis en voegt hij een beschrijving bij van de gevolgen van een dergelijk verzuim om te voldoen aan de liquiditeitsdekkingsratio of liquiditeitsgerelateerde toezichtvoorschriften of maatregelen voor het desbetreffende preferentiële uit- of instroompercentage dat op zijn tegenpartij wordt toegepast.
3. Wanneer de liquiditeitsverschaffer of -ontvanger van de bevoegde autoriteiten toestemming heeft gekregen om ontheffing van de voorwaarde in artikel 29, lid 1, onder d), en in artikel 34, lid 1, onder d), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 te verlenen en een liquiditeitsverschaffer of -ontvanger niet voldoet of verwacht niet te zullen voldoen aan het vereiste niveau van de liquiditeitsdekkingsratio in deze gedelegeerde verordening, wordt de in lid 2 bedoelde kennisgeving in de onmiddellijke kennisgeving en het herstelplan opgenomen zoals vereist uit hoofde van artikel 414 van Verordening (EU) nr. 575/2013.
4. In de in de leden 2 en 3 bedoelde gevallen beslissen de betrokken bevoegde autoriteiten of de preferentiële uit- of instroompercentages van toepassing blijven overeenkomstig het in artikel 20, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde proces.
Artikel 3
Juridisch bindende overeenkomsten en verbintenissen tussen de entiteiten van de groep met betrekking tot de onbenutte krediet- of liquiditeitslijn
1. De in artikel 29, lid 2, onder b), en in artikel 34, lid 2, onder b), bedoelde juridisch bindende overeenkomsten en verbintenissen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 moeten aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
a) |
de krediet- of liquiditeitslijn is een gecommitteerde lijn die rechtens en feitelijk op ieder tijdstip gedurende de looptijd van de regeling grensoverschrijdend beschikbaar is, zelfs in tijden van stress. Zij is specifiek gericht op de toepassing van het in de artikelen 29 en 34 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 bedoelde preferentiële uit- of instroompercentage en is op afroep beschikbaar. Daartoe hebben kredietinstellingen voldoende juridisch onderzoek verricht, ondersteund door een schriftelijk en met redenen omkleed juridisch advies dat is goedgekeurd door hun leidinggevende organen, waarin de rechtsgeldigheid en de afdwingbaarheid van de krediet- of liquiditeitslijnovereenkomst of -verbintenis in alle relevante rechtsgebieden wordt bevestigd; |
|
b) |
de munteenheid van de gecommitteerde krediet- of liquiditeitslijn is consistent met de verdeling naar valuta van de netto-liquiditeitsuitstromen van de liquiditeitsontvanger die los staan van de lijn; |
|
c) |
het bedrag en de kosten van de gecommitteerde krediet- of liquiditeitslijn worden duidelijk gespecificeerd in het desbetreffende contract; |
|
d) |
de overeenkomsten en verbintenissen bevatten geen bepaling op grond waarvan de liquiditeitsverschaffer:
|
|
e) |
de krediet- of liquiditeitslijn heeft steeds een resterende looptijd van meer dan zes maanden. Indien de krediet- of liquiditeitslijn geen vervaldatum heeft, geldt een minimale opzegtermijn van zes maanden. |
2. De in lid 1, onder a), bedoelde juridische toetsing wordt regelmatig geactualiseerd om rekening te kunnen houden met eventuele wijzigingen in de wetgeving van alle desbetreffende rechtsgebieden. De bevoegde autoriteiten worden in kennis gesteld van de resultaten van deze juridische toetsingen.
3. Het bedrag van de in lid 1, onder c), bedoelde krediet- of liquiditeitslijn mag niet worden herzien zonder de voorafgaande toestemming van de betrokken bevoegde autoriteiten.
4. Indien de in lid 1, onder e), bedoelde resterende looptijd korter is geworden dan zes maanden of wanneer de krediet- of liquiditeitslijn wordt opgezegd, stellen kredietinstellingen de betrokken bevoegde autoriteiten daarvan onmiddellijk in kennis. Deze autoriteiten bepalen of de preferentiële uit- of instroompercentages van toepassing blijven overeenkomstig de in artikel 20, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde procedure.
Artikel 4
Omgang met het liquiditeitsrisicoprofiel van de liquiditeitsontvanger bij het beheer van het liquiditeitsrisico door de liquiditeitsverschaffer
Het liquiditeitsrisicoprofiel van de liquiditeitsontvanger wordt meegenomen bij het beheer van het liquiditeitsrisico door de liquiditeitsverschaffer als bedoeld in artikel 29, lid 2, onder c), en in artikel 34, lid 2, onder c), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2015/61 wanneer aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de liquiditeitsverschaffer oefent dagelijks toezicht en controle uit op de liquiditeitspositie van de ontvanger. In het geval van correspondentbankieren kunnen het toezicht en de controle op de liquiditeitspositie van de ontvanger worden beperkt tot het saldo van de vostro-rekeningen van de liquiditeitsontvanger. |
|
b) |
de gevolgen van het preferentiële uit- of instroompercentage worden volledig in aanmerking genomen en geïntegreerd in de noodfinancieringsplannen van de liquiditeitsverschaffer en -ontvanger, waarbij rekening wordt gehouden met mogelijke belemmeringen voor de overdracht van die liquiditeit en met de tijd die nodig is voor het uitvoeren van een dergelijke overdracht. Daartoe toont de liquiditeitsverschaffer de betrokken bevoegde autoriteiten aan dat redelijkerwijs kan worden verwacht dat de liquiditeitsfaciliteit doorlopend kan worden verstrekt aan de liquiditeitsontvanger, zelfs in tijden van stress, zonder significante negatieve gevolgen voor zijn eigen liquiditeitspositie. Het noodfinancieringsplan van de liquiditeitsverschaffer waarborgt dat hij niet afhankelijk is van de benodigde liquiditeit om de gecommitteerde krediet- of liquiditeitslijn van de liquiditeitsontvanger te honoreren. |
|
c) |
het noodfinancieringsplan van de liquiditeitsverschaffer houdt rekening met het preferentiële uitstroom- of instroompercentage zodat indien nodig in de vereiste liquiditeit kan worden voorzien. |
Artikel 5
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 31 mei 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 321 van 27.6.2013, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (PB L 11 van 17.1.2015, blz. 1).
(3) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(4) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/11 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1231 VAN DE COMMISSIE
van 6 juni 2017
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 tot vaststelling van een methode voor het bepalen van de correlatieparameters die nodig zijn om de veranderingen in de regelgevende testprocedure weer te geven, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1014/2010
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 8, lid 9, eerste alinea, en artikel 13, lid 7, eerste alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De methoden voor het bepalen van de correlatieparameters die nodig zijn om de veranderingen in de regelgevende testprocedure weer te geven, zijn vastgesteld in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 van de Commissie (2) en, wat lichte bedrijfsvoertuigen betreft, in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152 van de Commissie (3). Om de overgang op de nieuwe regelgevende testprocedure voor het meten van CO2-emissies en brandstofverbruik van lichte voertuigen (Worldwide Harmonised Light Vehicles Test Procedure, WLTP) te vergemakkelijken, moet de correlatieprocedure voor personenauto's in de mate van het mogelijke in lijn worden gebracht met de procedure voor lichte bedrijfsvoertuigen. |
|
(2) |
De aanwijzing van contactpunten bij typegoedkeuringsinstanties en technische diensten door de lidstaten moet worden verduidelijkt zodat de sleutels voor elektronische ondertekening die nodig zijn voor de formele werking van de correlatietool op efficiënte en veilige wijze kunnen worden verstrekt. |
|
(3) |
Bij voertuigen van categorie M1 met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van 3 000 kg of meer, is het passend om de fabrikanten de mogelijkheid te bieden om net als bij voertuigen van categorie N1 ofwel de NEDC-wegbelastingscoëfficiënten af te leiden uit de WLTP-tests, ofwel de waarden te gebruiken die zijn vermeld in tabel 3 van bijlage 4a bij Reglement nr. 83 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) (VN/ECE-Reglement nr. 83) (4). Hiermee moeten de typegoedkeuringstests van deze specifieke groep voertuigen worden vergemakkelijkt. |
|
(4) |
Op grond van de ontwikkeling van de correlatietool zijn bepaalde inputgegevensparameters niet meer nodig, maar moeten andere gegevens van administratieve aard worden toegevoegd om een traceerbaar en controleerbaar proces te waarborgen. |
|
(5) |
Het is ook passend om het gebruik van elektronische hash-codes in te voeren voor de correlatieoutputbestanden. Bepaalde beperkte en niet-vertrouwelijke output van de correlatietool moet ter beschikking van de Commissie worden gesteld om te zorgen voor de voortdurende ontwikkeling en verbetering van de correlatietool en de verdere controle van de correlatieresultaten mogelijk te maken. |
|
(6) |
De berekening van de NEDC-CO2-referentiewaarde moet worden vereenvoudigd door de noodzaak van nabewerking van de WLTP-testresultaten en de berekening van de delta tussen de door de correlatietool gesimuleerde WLTP-CO2-waarde en de NEDC-CO2-waarde weg te nemen. De nieuwe berekenmethode verschaft een absolute NEDC-CO2-referentiewaarde en eventuele afwijkingen van de correlatietool moeten gemakkelijk kunnen worden berekend en in het niet-vertrouwelijke samenvattende outputbestand worden vermeld. Met deze benadering wordt het risico op fouten bij de berekening van de referentiewaarden aanzienlijk verlaagd. |
|
(7) |
Bovendien moet de berekening van de gecombineerde en de fasespecifieke brandstofverbruikswaarden worden vereenvoudigd. Het brandstofverbruik moet worden berekend op basis van de definitieve NEDC-CO2-waarde (gedeclareerde waarden of waarden uit de correlatietool of de fysieke tests) met de formules van bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie (5). |
|
(8) |
De bijlagen I en II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité klimaatverandering, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.
Artikel 2
Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1014/2010 van de Commissie (6) wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 6 juni 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 van de Commissie van 2 juni 2017 tot vaststelling van een methode voor het bepalen van de correlatieparameters die nodig zijn om de veranderingen in de regelgevende testprocedure weer te geven en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1014/2010 (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 679).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1152 van de Commissie van 2 juni 2017 tot vaststelling van een methode voor het bepalen van de correlatieparameters die nodig zijn om de veranderingen in de regelgevende testprocedure inzake lichte bedrijfsvoertuigen weer te geven, en tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 293/2012 (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 644).
(4) Reglement nr. 83 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voertuigen wat betreft de emissie van verontreinigende stoffen naargelang de motorbrandstofvereisten [2015/1038] (PB L 172 van 3.7.2015, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1).
(6) Verordening (EU) nr. 1014/2010 van de Commissie van 10 november 2010 inzake de monitoring en rapportering van registratiegegevens van nieuwe personenauto's overeenkomstig Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 293 van 11.11.2010, blz. 15).
BIJLAGE I
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1153 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 2.1.2 wordt vervangen door: „2.1.2. Aanwijzing van gebruikers van de correlatietool De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de desbetreffende voor het hanteren van de correlatietool verantwoordelijke contactpunten bij de typegoedkeuringsinstantie en, in voorkomend geval, bij de technische diensten. Voor elke instantie of dienst wordt slechts één contactpunt aangewezen. De volgende informatie moet aan de Commissie worden verstrekt: naam van de organisatie, naam van de verantwoordelijke persoon, postadres, e-mailadres en telefoonnummer. Deze informatie moet naar de volgende functionele mailbox worden verstuurd (*1): EC-CO2-LDV-IMPLEMENTATION@ec.europa.eu De sleutels voor elektronische ondertekening voor de werking van de correlatietool worden uitsluitend op verzoek van het contactpunt verstrekt (*2). De Commissie stelt richtsnoeren op voor de procedure die voor dergelijke verzoeken dient te worden gevolgd. (*1) Eventuele wijzigingen van het adres van de functionele mailbox zullen op de website worden vermeld." (*2) De sleutels voor elektronische ondertekening worden verstrekt door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Europese Commissie.”." |
|
2) |
Punt 2.2, onder a) en b), wordt vervangen door:
|
|
3) |
Punt 2.3.1 wordt vervangen door: „2.3.1. Bepaling van de traagheid van het NEDC-voertuig De NEDC-referentiemassa van voertuig H en, indien van toepassing, de voertuigen L en R wordt als volgt bepaald:
waarin voertuig R = het representatieve voertuig van de wegbelastingmatrixfamilie zoals gedefinieerd in bijlage XXI, subbijlage 4, punt 5.1, bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (*3); MRO = de massa in rijklare toestand zoals gedefinieerd in artikel 2, punt 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie (*4) voor voertuig H, respectievelijk de voertuigen L en R. De als input voor de simulaties en, indien van toepassing, voor een fysieke voertuigtest te gebruiken referentiemassa moet de in tabel 3 van bijlage 4a bij VN/ECE-Reglement nr. 83 vermelde traagheidswaarde zijn die equivalent is aan de referentiemassa RM, bepaald volgens dit punt en aangeduid als TMn,L, TMn,H en TMn,R. (*3) Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van de het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1)." (*4) Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de typegoedkeuringsvoorschriften voor massa's en afmetingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 353 van 21.12.2012, blz. 31).”." |
|
4) |
De punten 2.3.5 en 2.3.6 worden vervangen door: „2.3.5. Bepaling van het verschil in voorschriften inzake bandenspanning Overeenkomstig bijlage I, aanhangsel 3, punt 6.6.3, bij Verordening (EU) 2017/1151 wordt de laagste aanbevolen bandenspanning voor de testmassa van het voertuig gebruikt tijdens het uitrollen voor het bepalen van de wegbelasting, maar dit is niet aangegeven in de NEDC. De bandenspanning die voor de berekening van de NEDC-wegbelasting overeenkomstig punt 2.3.8 in aanmerking moet worden genomen, is het gemiddelde van de gemiddelde minimum- en de gemiddelde maximumbandenspanning die voor de geselecteerde banden op elke as voor de NEDC-referentiemassa van het voertuig is toegestaan. De berekening wordt voor voertuig H en, indien van toepassing, voor de voertuigen L en R verricht met de volgende formules:
waarin
Het overeenkomstige effect wat de weerstand op het voertuig betreft, wordt berekend met de volgende formules voor de voertuigen H, L en R:
2.3.6. Bepaling van de diepte van het bandprofiel (tyre tread depth, TTD) Overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 4, punt 4.2.2.2, bij Verordening (EU) 2017/1151 moet een minimumdiepte van het bandprofiel van 80 % voor de WLTP-test worden gebruikt, terwijl de minimale toegestane diepte van het bandprofiel voor de NEDC-test krachtens bijlage 4a, aanhangsel 7, punt 4.2, bij VN/ECE-Reglement nr. 83 50 % van de nominale waarde moet bedragen. Dit leidt tot een gemiddeld verschil van 2 mm in diepte van het bandprofiel tussen de twee procedures. Het overeenkomstige effect wat de weerstand op het voertuig betreft, wordt bepaald voor de NEDC-wegbelastingberekening in punt 2.3.8 met de volgende formules voor de voertuigen H, L en R:
waarin RMn,H, RMn,L en RMn,R de referentiemassa's van de voertuigen H, L en R, bepaald volgens punt 2.3.1.”; |
|
5) |
Aan punt 2.3.8.1 worden de volgende twee alinea's toegevoegd: „De NEDC-wegbelastingcoëfficiënten moeten worden berekend volgens de formules in punt 2.3.8.1.1 (voor voertuig H) en in punt 2.3.8.1.2 (voor voertuig L). Tenzij anders aangegeven, zijn die formules zowel van toepassing bij simulaties als bij fysieke voertuigtests.”. |
|
6) |
Punt 2.3.8.2 wordt vervangen door: 2.3.8.2. Bepaling van de wegbelastingen indien deze voor de WLTP-test zijn bepaald volgens bijlage XXI, subbijlage 4, punt 5, bij Verordening (EU) 2017/1151 2.3.8.2.1. Wegbelastingmatrixfamilie overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 4, punt 5.1, bij Verordening (EU) 2017/1151 Indien de wegbelasting van een voertuig is berekend volgens bijlage XXI, subbijlage 4, punt 5.1, bij Verordening (EU) 2017/1151, wordt de als input voor de correlatietoolsimulaties te gebruiken NEDC-wegbelasting als volgt bepaald:
2.3.8.2.2. Standaardwegbelastingen overeenkomstig bijlage XXI, subbijlage 4, punt 5.2, bij Verordening (EU) 2017/1151 Indien de standaardwegbelastingen zijn berekend volgens bijlage XXI, subbijlage 4, punt 5.2, bij Verordening (EU) 2017/1151, worden de NEDC-wegbelastingen berekend volgens punt 2.3.8.2.1, onder a), van deze bijlage. Bij fysieke voertuigtests wordt de test verricht met de NEDC-rollenbankcoëfficiënten voor voertuig H of voertuig L, bepaald overeenkomstig tabel 3 van bijlage 4a bij VN/ECE-Reglement nr. 83.”. |
|
7) |
In punt 2.4 wordt tabel 1 als volgt gewijzigd:
|
|
8) |
In punt 3.1 wordt de tweede alinea vervangen door: „Indien het verschil tussen voertuig H en voertuig L alleen wordt veroorzaakt door een verschil in de optionele uitrusting (d.w.z. dat de MRO, de carrosserievorm en de wegbelastingscoëfficiënten dezelfde zijn), wordt de NEDC-CO2-referentiewaarde alleen voor voertuig H bepaald.”. |
|
9) |
De punten 3.1.1, 3.1.2 en 3.1.3 worden vervangen door: „3.1.1. Input en output van de correlatietool 3.1.1.1. Oorspronkelijk correlatieoutputverslag De typegoedkeuringsinstantie of de aangewezen technische dienst zorgt ervoor dat het inputgegevensbestand voor de correlatietool volledig is. Na het voltooien van een test met de correlatietool wordt een oorspronkelijk correlatieoutputverslag opgesteld. Aan dat verslag wordt een hash-code toegekend. Dit verslag moet de volgende subbestanden omvatten:
3.1.1.2. Volledig correlatiebestand Indien het oorspronkelijke correlatieoutputverslag overeenkomstig punt 3.1.1.1 is verstrekt, gebruikt de typegoedkeuringsinstantie of, in voorkomend geval, de aangewezen technische dienst de desbetreffende functies in de correlatietool om de ondertekende schriftelijke samenvatting naar een tijdstempelserver te sturen. Van daaruit wordt een antwoord met tijdstempel naar de verzender teruggestuurd (en een kopie naar de desbetreffende diensten van de Commissie). Dat antwoord bevat een willekeurig gegenereerd geheel getal tussen 1 en 99. Er wordt een volledig correlatiebestand opgesteld, met inbegrip van het antwoord met tijdstempel en het in punt 3.1.1.1 vermelde oorspronkelijke correlatieoutputverslag. Aan het volledige correlatiebestand wordt een hash-code toegekend. Het bestand wordt door de typegoedkeuringsinstantie onderhouden als testrapport overeenkomstig bijlage VIII bij Richtlijn 2007/46/EG. 3.1.2. NEDC-CO2-referentiewaarde voor voertuig H De correlatietool wordt gebruikt om de NEDC-test van voertuig H te simuleren met de in punt 2.4 bedoelde desbetreffende inputgegevens. De NEDC-CO2-referentiewaarde voor voertuig H wordt als volgt bepaald: CO 2,H = NEDC CO2,C,H · Ki,H waarin
Naast de NEDC-CO2-referentiewaarde verstrekt de correlatietool eveneens de fasespecifieke CO2-waarden voor voertuig H. 3.1.3. NEDC-CO2-referentiewaarde voor voertuig L Indien van toepassing wordt de NEDC-test van voertuig L gesimuleerd aan de hand van de correlatietool en de in punt 2.4 bedoelde desbetreffende inputgegevens. De NEDC-CO2-referentiewaarde voor voertuig L wordt als volgt bepaald: CO2, L = NEDC CO2,C,L · Ki,L waarin
Naast de NEDC-CO2-referentiewaarde verstrekt de correlatietool eveneens de fasespecifieke CO2-waarden voor voertuig L.”. |
|
10) |
Punt 3.2.6 wordt vervangen door: 3.2.6. Indien het in punt 3.1.1.2 bedoelde willekeurig gegenereerde nummer in het bereik 90-99 valt, wordt het voertuig geselecteerd voor één fysieke meting volgens de procedure in bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008, waarbij rekening wordt gehouden met de preciseringen van punt 2 van deze bijlage. De testresultaten worden overeenkomstig bijlage VIII bij Richtlijn 2007/46/EG gedocumenteerd. Indien de NEDC-CO2-waarde voor zowel voertuig H als voertuig L wordt bepaald overeenkomstig punt 3.2.1, moet voor de fysieke metingen de voertuigconfiguratie van voertuig L worden geselecteerd indien het willekeurige getal in het bereik 91-94 valt, en van voertuig H indien het willekeurige getal in het bereik 95-99 valt. Indien de NEDC-CO2-waarde voor slechts een van de voertuigen H of L in de interpolatiefamilie is bepaald overeenkomstig punt 3.2.1, wordt dat voertuig geselecteerd voor één fysieke meting indien het willekeurige getal in het bereik 90-99 valt. Indien de NEDC-CO2-waarden niet zijn bepaald overeenkomstig punt 3.2.1 maar zowel voertuig H als voertuig L fysiek is getest, hoeft het willekeurige getal niet in aanmerking worden genomen.”. |
|
11) |
In punt 3.2.8 wordt de tweede alinea vervangen door: „De afwijkingsfactor wordt tot op drie cijfers achter de komma berekend en op het typegoedkeuringscertificaat en het conformiteitscertificaat vermeld.”. |
|
12) |
De punten 3.3.1, 3.3.2 en 3.3.3 worden vervangen door: „3.3.1. Berekening van de fasespecifieke NEDC-CO2-waarden voor voertuig H De fasespecifieke NEDC-waarden voor voertuig H worden als volgt berekend: NEDC CO 2, p,H = NEDC CO 2, p,H ,c · CO 2, AF,H waarin:
3.3.2. Berekening van de fasespecifieke NEDC-CO2-waarden voor voertuig L De fasespecifieke NEDC-waarden voor voertuig L worden als volgt berekend: NEDC CO 2, p,L = NEDC CO 2, p,L , c · CO 2, AF,L waarin
3.3.3. Berekening van het NEDC-brandstofverbruik voor voertuig H en voertuig L 3.3.3.1. Berekening van het NEDC-brandstofverbruik (gecombineerd) Het NEDC-brandstofverbruik (gecombineerd) voor de voertuigen H en L wordt berekend aan de hand van de volgens punt 3.2 en de bepalingen van bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 bepaalde gecombineerde NEDC-CO2-emissies. De emissies van andere verontreinigende stoffen die relevant zijn voor de berekening van het brandstofverbruik (koolwaterstoffen, koolmonoxide), worden geacht gelijk te zijn aan 0 (nul) g/km. 3.3.3.2. Berekening van het fasespecifieke NEDC-brandstofverbruik Het fasespecifieke NEDC-brandstofverbruik voor de voertuigen H en L wordt berekend aan de hand van de volgens punt 3.3 en de bepalingen van bijlage XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 bepaalde fasespecifieke NEDC-CO2-emissies. De emissies van andere verontreinigende stoffen die relevant zijn voor de berekening van het brandstofverbruik (koolwaterstoffen, koolmonoxide), worden geacht gelijk te zijn aan 0 (nul) g/km.”. |
|
13) |
Het volgende punt 4.2.1.4a wordt toegevoegd: „4.2.1.4a Van het voor de wegbelastingmatrixfamilie representatieve voertuig afgeleide NEDC-wegbelastingen Indien de NEDC-wegbelasting van het representatieve voertuig is berekend aan de hand van het representatieve WLTP-voertuig volgens punt 2.3.8.2.1, onder b), wordt de NEDC-wegbelasting van een individueel voertuig berekend met de volgende formules: a) De f0n,ind voor het individuele voertuig wordt als volgt bepaald:
waarin
b) De F2n,ind voor het individuele voertuig wordt als volgt bepaald:
waarin
c) De F1n,L voor het individuele voertuig wordt vastgesteld op 0.”. |
|
14) |
In punt 5, onder a), worden de woorden „outputverslag van de correlatietool” vervangen door de woorden „volledige correlatiebestand”. |
(*1) Eventuele wijzigingen van het adres van de functionele mailbox zullen op de website worden vermeld.
(*2) De sleutels voor elektronische ondertekening worden verstrekt door het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek van de Europese Commissie.”.
(*3) Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van de het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).
(*4) Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de typegoedkeuringsvoorschriften voor massa's en afmetingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 353 van 21.12.2012, blz. 31).”.”
BIJLAGE II
In bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1014/2010 wordt in de tabel „Gegevensbronnen” de volgende rij toegevoegd:
|
„Identificatienummer van de voertuigfamilie |
|
Bijlage XXI, punt 5.0, bij Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie (*1) |
(*1) Verordening (EU) 2017/1151 van de Commissie van 1 juni 2017 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 715/2007 van de het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad, Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie en Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 692/2008 (PB L 175 van 7.7.2017, blz. 1).”.
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/23 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1232 VAN DE COMMISSIE
van 3 juli 2017
tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2) is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer. |
|
(3) |
Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen. |
|
(4) |
Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.
Artikel 2
Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 juli 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Stephen QUEST
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie
(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
BIJLAGE
|
Omschrijving |
Indeling (GN-code) |
Motivering |
|
(1) |
(2) |
(3) |
|
Een rond artikel met een diameter van ongeveer 500 mm en een gewicht van ongeveer 23 kg. Het is vervaardigd uit nodulair gietijzer („ductile iron, EN-GJS-500-7”). Het artikel is geverfd met zwart bitumen om het tegen corrosie te beschermen. Het artikel is gecertificeerd volgens norm EN 124 (rioolputdeksels en mangatdeksels voor voertuig- en voetgangerszones) en wordt gebruikt om riolen af te dekken (bijvoorbeeld een regenwaterriool). zie afbeelding (*1) |
7325 99 10 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 7325 , 7325 99 en 7325 99 10 . In de GN-toelichtingen op GN-code 7307 19 10 is smeedbaar gietijzer gedefinieerd. Volgens deze toelichtingen omvat het begrip „smeedbaar gietijzer” ook nodulair gietijzer. Omwille van de rechtszekerheid en om een coherente interpretatie van de GN te garanderen, moeten deze GN-toelichtingen naar analogie eveneens op post 7325 worden toegepast. Indeling van het artikel onder GN-code 7325 10 00 als andere gegoten werken van niet-smeedbaar gietijzer is derhalve uitgesloten. Het artikel moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 7325 99 10 als andere gegoten werken van smeedbaar gietijzer. |
(*1) De afbeelding is louter ter informatie.
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/26 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1233 VAN DE COMMISSIE
van 3 juli 2017
tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2) is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer. |
|
(3) |
Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen. |
|
(4) |
Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.
Artikel 2
Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 juli 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Stephen QUEST
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie
(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
BIJLAGE
|
Omschrijving |
Indeling (GN-code) |
Motivering |
|
(1) |
(2) |
(3) |
|
Een nieuw, vierwielaangedreven multifunctioneel motorvoertuig (van het type bestelwagen). Het voertuig heeft een motor met zelfontsteking met een cilinderinhoud van meer dan 1 500 cm3, maar niet meer dan 2 500 cm3. Het totale brutogewicht van het voertuig is ongeveer 2 800 kg. Het voertuig heeft twee rijen stoelen: een eerste rij met twee stoelen (een bestuurdersstoel en een „bank” die door twee passagiers kan worden gebruikt) en een tweede rij met drie stoelen. Er zijn deuren met een ruit aan beide zijden van de eerste rij stoelen en naast de tweede rij stoelen is een ruit aan de linkerzijde en een schuifdeur met een ruit aan de rechterzijde. Achter de tweede rij stoelen bevindt zich een permanente barrière (partition grille) waarmee de passagiersruimte van de ruimte voor goederenvervoer wordt gescheiden. In de ruimte voor goederenvervoer zijn er noch veiligheidsgordels, noch sluitingen voor de installatie ervan. In de ruimte voor goederenvervoer is er een achterdeur van het zijwaarts scharnierende type, maar er zijn geen ruiten. Het voertuig heeft comfortvoorzieningen en een interieurafwerking die gebruikelijk is voor de passagiersruimte van voertuigen. De ruimte voor goederenvervoer is ongeveer 1,9 m lang en heeft een laadvermogen van 4,4 m3. |
8703 32 19 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 8703 , 8703 32 en 8703 32 19 . De indeling van multifunctionele motorvoertuigen wordt bepaald door bepaalde kenmerken op grond waarvan kan worden aangetoond of de voertuigen hoofdzakelijk zijn ontworpen voor personenvervoer of voor goederenvervoer (zie ook de GS-toelichtingen op de posten 8703 en 8704 en de GN-toelichtingen op post 8703 ). Indeling onder post 8704 als automobielen voor goederenvervoer is uitgesloten aangezien de objectieve kenmerken en het algemene uiterlijk van het voertuig overeenkomen met een hoofdzakelijk voor personenvervoer ontworpen voertuig (aanwezigheid van een tweede rij stoelen met veiligheidsuitrusting, aanwezigheid van vier ruiten, aanwezigheid van een schuifdeur met een ruit voor de achterste passagiers, aanwezigheid van comfortvoorzieningen in de ruimte voor zowel de voorste als de achterste passagiers). De aanwezigheid van een permanente barrière tussen de ruimte voor passagiers en de ruimte voor goederenvervoer kan niet als een doorslaggevend criterium worden beschouwd om het voertuig uit te sluiten van indeling onder post 8703 , omdat dit een typisch kenmerk is van veel voertuigen die worden ingedeeld als voertuigen voor personenvervoer (doorgaans SUV-voertuigen). Zie ook de GS-indelingsadviezen 8703 32/1 en 8703 32/2 . Het voertuig moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 8703 32 19 als nieuwe motorvoertuigen hoofdzakelijk ontworpen voor personenvervoer. |
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/29 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1234 VAN DE COMMISSIE
van 3 juli 2017
tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2) is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer. |
|
(3) |
Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen. |
|
(4) |
Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.
Artikel 2
Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 juli 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Stephen QUEST
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie
(1) PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.
(2) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
BIJLAGE
|
Omschrijving |
Indeling (GN-code) |
Motivering |
||||||
|
(1) |
(2) |
(3) |
||||||
|
Een samengesteld product, bestaande uit de volgende onderdelen:
Het product is bedoeld om door iedereen van acht jaar of ouder te worden gebruikt. De functie ervan als middel om goederen te vervoeren kan worden gecombineerd met de functie als autoped of het kan worden voortgetrokken of voortgeduwd om de koffer op wieltjes te vervoeren wanneer de horizontale plank opgeklapt is. Zie afbeeldingen van het artikel (*1). |
4202 12 50 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 b) en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 4202 , 4202 12 en 4202 12 50 . Het product is een samengesteld goed. De hoofdfunctie is voornamelijk om goederen in de koffer te vervoeren. Dit kan ofwel worden gedaan door iemand die op de horizontale plank staat en het product voortbeweegt (met de plank naar beneden geklapt) of door iemand die het duwt of trekt als een conventionele koffer met wieltjes (met de plank opgeklapt). De autopedonderdelen (onderdelen die geen deel uitmaken van een standaardkoffer op wieltjes, zoals de opklapbare plank met het wiel van kunststof (met een rem)) zijn een ondergeschikt kenmerk dat het vervoer van goederen in de koffer vergemakkelijkt. Daarom ontleent het product zijn wezenlijke karakter aan de koffer. Indeling onder post 8716 als andere voertuigen of onder post 9503 als autopeds is dientengevolge uitgesloten. Het product moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 4202 12 50 als reiskoffers en valiezen met een buitenkant van gevormde kunststof. |
(*1) De afbeeldingen zijn louter ter informatie.
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/32 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1235 VAN DE COMMISSIE
van 6 juli 2017
tot 270e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qaida (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren. |
|
(2) |
Het Sanctiecomité van de VN-Veiligheidsraad heeft op 3 juli 2017 besloten drie natuurlijke personen te schrappen van de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen dienen te worden bevroren. Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 dient daarom dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag volgend op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 6 juli 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid
BIJLAGE
In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de volgende vermeldingen geschrapt van de lijst „Natuurlijke personen”:
„Ahmad Zerfaoui (ook bekend als a) Abdullah, b) Abdalla, c) Smail, d) Abu Khaoula, e) Abu Cholder, f) Nuhr). Geboortedatum: 15.7.1963. Geboorteplaats: Chréa, Algerije. Nationaliteit: Algerijns. Overige informatie: a) voormalig lid van de organisatie van Al-Qa'ida in de islamitische Maghreb; b) zijn overlijden op 19.9.2006 in het noorden van Mali is bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 3.5.2004.”;
„Dhou El-Aich (ook bekend als Abdel Hak). Geboortedatum: 5.8.1964. Geboorteplaats: Blida, Algerije. Nationaliteit: Algerijns. Overige informatie: Zijn overlijden op 8.3.2004 in Tsjaad is bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 3.5.2004.”;
„Hacene Allane (ook bekend als a) Hassan the Old, b) Al Sheikh Abdelhay, c) Boulahia, d) Abu al-Foutouh, e) Cheib Ahcéne). Geboortedatum: 17.1.1941. Geboorteplaats: Médéa, Algerije. Nationaliteit: Algerijns. Overige informatie: Zijn overlijden op 16.4.2004 in het noorden van Niger is bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 3.5.2004.”.
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/34 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1236 VAN DE COMMISSIE
van 7 juli 2017
tot vaststelling van het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor kalenderjaar 2017
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 26, lid 3,
Na raadpleging van het Comité voor de landbouwfondsen,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 dient een reserve met als doel het beschikbaar stellen van aanvullende steun voor de landbouwsector in geval van ernstige crisissituaties die de landbouwproductie of -distributie treffen, te worden aangelegd door aan het begin van elk jaar een vermindering op de rechtstreekse betalingen toe te passen door middel van het in artikel 26 van die verordening bedoelde mechanisme voor financiële discipline. |
|
(2) |
Om te waarborgen dat de in Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (2) vermelde jaarlijkse maxima ter financiering van de marktgerelateerde uitgaven en de rechtstreekse betalingen in acht worden genomen, moet krachtens artikel 26, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 een aanpassingscoëfficiënt voor de rechtstreekse betalingen worden vastgesteld wanneer de ramingen voor de financiering van de maatregelen die in het kader van dit submaximum voor een bepaald begrotingsjaar worden gefinancierd, erop wijzen dat de toepasselijke jaarlijkse maxima zullen worden overschreden. |
|
(3) |
De in de ontwerpbegroting 2018 van de Commissie opgenomen reserve voor crises in de landbouwsector bedraagt 459,5 miljoen EUR (lopende prijzen). Om dit bedrag te financieren, moet het mechanisme voor financiële discipline van toepassing zijn op de rechtstreekse betalingen die voor het kalenderjaar 2017 worden gedaan in het kader van de steunregelingen die zijn vermeld in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3). |
|
(4) |
Uit de ramingen voor de rechtstreekse betalingen en marktgerelateerde uitgaven als vastgesteld in de ontwerpbegroting van de Commissie voor 2018, blijkt dat geen extra financiële discipline vereist is. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft de Commissie op 30 maart 2017 een voorstel aangenomen voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1306/2013 op de rechtstreekse betalingen toe te passen aanpassingspercentage voor het kalenderjaar 2017 (4). |
|
(6) |
Het Europees Parlement en de Raad hebben deze aanpassingscoëfficiënt niet uiterlijk op 30 juni 2017 bepaald. Derhalve moet de Commissie de aanpassingscoëfficiënt overeenkomstig artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 middels een uitvoeringshandeling vaststellen en het Europees Parlement en de Raad daarvan onmiddellijk in kennis stellen. |
|
(7) |
Overeenkomstig artikel 26, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 kan de Commissie, op basis van nieuwe elementen waarover zij beschikt, de aanpassingscoëfficiënt uiterlijk op 1 december 2017 aanpassen. In het geval van nieuwe informatie zal de Commissie daar rekening mee houden en zal zij uiterlijk op 1 december 2017 een uitvoeringsverordening tot herziening van het aanpassingspercentage vaststellen in het kader van de nota van wijzigingen bij de ontwerpbegroting 2018. |
|
(8) |
Landbouwers die een steunaanvraag voor rechtstreekse betalingen voor een bepaald kalenderjaar N indienen, ontvangen de betaling doorgaans binnen een vastgestelde betalingstermijn die in het begrotingsjaar N + 1 valt. De lidstaten mogen echter, binnen bepaalde grenzen, betalingen aan landbouwers doen nadat deze betalingstermijn is verstreken. Dergelijke betalingen kunnen in een later begrotingsjaar worden gedaan. Bij de toepassing van de financiële discipline voor een bepaald kalenderjaar mag het aanpassingspercentage niet worden toegepast op betalingen waarvoor steunaanvragen zijn ingediend in andere kalenderjaren dan het kalenderjaar waarvoor de financiële discipline geldt. Daarom moet met het oog op een gelijke behandeling van de landbouwers worden bepaald dat het aanpassingspercentage alleen wordt toegepast op betalingen waarvoor de steunaanvragen zijn ingediend in het kalenderjaar waarvoor de financiële discipline geldt, ongeacht het moment waarop de betaling aan de landbouwers wordt gedaan. |
|
(9) |
In artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is bepaald dat het overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bepaalde aanpassingspercentage voor rechtstreekse betalingen alleen van toepassing is op rechtstreekse betalingen van meer dan 2 000 EUR die in het desbetreffende kalenderjaar aan een landbouwer worden toegekend. Voorts is in artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bepaald dat als gevolg van de geleidelijke invoering van de rechtstreekse betalingen het aanpassingspercentage pas vanaf 1 januari 2022 van toepassing is op Kroatië. Het bij deze verordening bepaalde aanpassingspercentage mag dus niet van toepassing zijn op betalingen aan landbouwers in deze lidstaat, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Met het oog op de toepassing van het aanpassingspercentage overeenkomstig de artikelen 25 en 26 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 en overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden de rechtstreekse betalingen van meer dan 2 000 EUR die aan landbouwers worden toegekend voor een voor het kalenderjaar 2017 ingediende steunaanvraag in het kader van de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde steunregelingen, verminderd met een aanpassingspercentage van 1,388149 %.
2. De in lid 1 bedoelde vermindering geldt niet voor Kroatië.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 juli 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.
(2) Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).
(3) Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).
(4) COM(2017) 150.
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/36 |
VERORDENING (EU) 2017/1237 VAN DE COMMISSIE
van 7 juli 2017
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft het maximumgehalte aan waterstofcyanide in voor de eindgebruikers in de handel gebrachte onverwerkte hele, vermalen, gemalen, gekraakte of fijngehakte abrikozenpitten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EEG) nr. 315/93 van de Raad van 8 februari 1993 tot vaststelling van communautaire procedures inzake verontreinigingen in levensmiddelen (1), en met name artikel 2, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (2) zijn de maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen vastgesteld. |
|
(2) |
Het Wetenschappelijk Panel voor contaminanten in de voedselketen (Contam-panel) van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft een wetenschappelijk advies uitgebracht over acute gezondheidsrisico's met betrekking tot de aanwezigheid van cyanogene glycosiden in onbewerkte abrikozenpitten en daarvan afgeleide producten (3). De in het wetenschappelijk advies gebruikte benaming „onbewerkte abrikozenpitten en daarvan afgeleide producten” betreft dezelfde producten als de in deze verordening gebruikte benaming „onverwerkte hele, vermalen, gemalen, gekraakte of fijngehakte abrikozenpitten”. |
|
(3) |
Amygdaline is de belangrijkste aanwezige cyanogene glycoside in onverwerkte abrikozenpitten en wordt door het kauwen gedegradeerd tot waterstofcyanide (cyanide). Waterstofcyanide (cyanide) is uiterst giftig voor de mens. Het Contam-panel heeft een acute referentiedosis (ARfD) van 20 μg/kg vastgesteld om de risico's met betrekking tot de aanwezigheid van cyanogene glycosiden in onverwerkte hele, vermalen, gemalen, gekraakte of fijngehakte abrikozenpitten te beoordelen. Rekening houdend met de cyanogene glycosidegehalten in onverwerkte abrikozenpitten, zou de ARfD reeds worden overschreden bij het eten van slechts een kleine hoeveelheid onverwerkte abrikozenpitten. |
|
(4) |
Het is daarom aangewezen een maximumgehalte vast te stellen voor waterstofcyanide (cyanide) in voor de eindgebruikers in de handel gebrachte onverwerkte hele, vermalen, gemalen, gekraakte of fijngehakte abrikozenpitten. |
|
(5) |
Gezien de zeer gefragmenteerde markt voor onverwerkte abrikozenpitten en de mogelijke acute gezondheidsrisico's voor de volksgezondheid, moet worden bepaald dat de exploitanten ervoor zorgen dat dit maximumgehalte voor alle voor de eindgebruikers in de handel gebrachte onverwerkte hele, vermalen, gemalen, gekraakte of fijngehakte abrikozenpitten wordt nageleefd. |
|
(6) |
Het is aangewezen de toe te passen bemonsteringsvoorschriften voor de controle op de naleving van het maximumgehalte vast te stellen. |
|
(7) |
Verordening (EG) nr. 1881/2006 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Exploitanten die onverwerkte hele, vermalen, gemalen, gekraakte of fijngehakte abrikozenpitten voor de eindgebruiker in de handel brengen, leggen op verzoek van de bevoegde autoriteit een bewijs van naleving van het maximumgehalte van het in de handel gebrachte product voor.
Artikel 3
De bemonstering voor de controle op de naleving van het maximumgehalte wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorschriften in punt D.2. van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 401/2006 van de Commissie (4).
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 juli 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 37 van 13.2.1993, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).
(3) EFSA CONTAM Panel (EFSA Panel on Contaminants in the Food Chain), 2016. Scientific opinion on the acute health risks related to the presence of cyanogenic glycosides in raw apricot kernels and products derived from raw apricot kernels. EFSA Journal 2016;14(4):4424, 47 blz. doi:10.2903/j.efsa.2016.4424
http://www.efsa.europa.eu/sites/default/files/scientific_output/files/main_documents/4424.pdf
(4) Verordening (EG) nr. 401/2006 van de Commissie van 23 februari 2006 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op het mycotoxinegehalte in levensmiddelen (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 12).
BIJLAGE
In afdeling 8 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 worden de volgende gegevens toegevoegd:
|
„8.3 |
Waterstofcyanide, inclusief waterstofcyanide in cyanogene glycosiden |
|
|
8.3.1 |
Voor de eindgebruikers in de handel gebrachte onverwerkte hele, vermalen, gemalen, gekraakte of fijngehakte abrikozenpitten (54) (55) |
20,0 |
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/39 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1238 VAN DE COMMISSIE
van 7 juli 2017
tot onderwerping van bepaald corrosiebestendig staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 14, lid 5,
Na kennisgeving aan de lidstaten,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 9 december 2016 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) in een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) de inleiding bekendgemaakt van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaald corrosiebestendig staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”); zij deed dit naar aanleiding van een klacht die op 25 oktober 2016 door Eurofer („de klager”) was ingediend namens producenten die samen meer dan 25 % van de totale productie van bepaald corrosiebestendig staal in de Unie voor hun rekening nemen. |
1. BETROKKEN PRODUCT
|
(2) |
Dit onderzoek heeft betrekking op bepaald corrosiebestendig staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
|
(3) |
Corrosiebestendig staal bestaat uit gewalste platte producten van ijzer of gelegeerd staal of niet-gelegeerd staal; al-rustig; thermisch geplateerd of bekleed met zink en/of aluminium, en geen ander metaal; chemisch gepassiveerd; bevattende 0,015 of meer doch niet meer dan 0,170 gewichtspercent koolstof, 0,015 of meer doch niet meer dan 0,100 gewichtspercent aluminium, niet meer dan 0,045 gewichtspercent niobium, niet meer dan 0,010 gewichtspercent titaan en niet meer dan 0,010 gewichtspercent vanadium; opgerold, als op maat gesneden platen en als bandstaal aangeboden. De volgende producten blijven buiten beschouwing:
|
|
(4) |
Het betrokken product wordt momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7210 41 00, ex 7210 49 00, ex 7210 61 00, ex 7210 69 00, ex 7212 30 00, ex 7212 50 61, ex 7212 50 69, ex 7225 92 00, ex 7225 99 00, ex 7226 99 30 en ex 7226 99 70 (Taric-codes: 7210410020, 7210490020, 7210610020, 7210690020, 7212300020, 7212506120, 7212506920, 7225920020, 7225990022, 7225990035, 7225990092, 7226993010, 7226997094). |
2. VERZOEK
|
(5) |
De klager heeft op 24 mei 2017 een verzoek om registratie op grond van artikel 14, lid 5, van de basisverordening ingediend. Hierin verzoekt hij de invoer van het betrokken product aan registratie te onderwerpen, zodat vervolgens met ingang van de datum van registratie op die ingevoerde producten maatregelen kunnen worden toegepast. |
3. MOTIVERING VAN DE REGISTRATIE
|
(6) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening kan de Commissie de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat vervolgens op de betrokken producten maatregelen kunnen worden toegepast. Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Unie ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen. |
|
(7) |
De klager voert aan dat registratie gerechtvaardigd is, aangezien de invoer met dumping van het betrokken product wordt voortgezet en de importeurs goed op de hoogte waren van de dumpingpraktijken, die over een langere periode plaatsvonden en schade veroorzaakten voor de bedrijfstak van de Unie. De klager voert verder aan dat de invoer uit de VRC schade veroorzaakt voor de bedrijfstak van de Unie en dat deze invoer aanzienlijk is toegenomen, zelfs na het verstrijken van het onderzoektijdvak, waardoor het corrigerende effect van het antidumpingrecht, bij toepassing ervan, aanzienlijk zou worden ondermijnd. |
|
(8) |
De Commissie is van mening dat de importeurs daadwerkelijk op de hoogte waren van de dumpingpraktijken van de exporteurs of hiervan op de hoogte hadden moeten zijn. De klacht bevatte in dit opzicht voldoende voorlopig bewijsmateriaal, zoals werd vermeld in het bericht van inleiding van deze procedure (3). In de niet-vertrouwelijke versie van de klacht zijn de dumpingmarges voor de invoer uit de VRC op 50 % geraamd. Het bewijs van dumping is gebaseerd op een vergelijking tussen de normale waarden, gebaseerd op de prijsinformatie van een producent in Canada, dat als referentieland was gekozen, en de uitvoerprijs (af fabriek) van het betrokken product bij uitvoer naar de Unie. De prijs bij uitvoer uit de VRC is bepaald op basis van door Chinese producenten-exporteurs op de markt van de Unie van augustus 2012 tot en met april 2016 verstrekte informatie. |
|
(9) |
Gezien de omvang van de vermeende dumping kan redelijkerwijs worden aangenomen dat de importeurs van de situatie op de hoogte waren of hadden moeten zijn. |
|
(10) |
Daarnaast heeft de klager in zowel de klacht als het verzoek om registratie voldoende bewijsmateriaal verstrekt in de vorm van persmededelingen waarin de dumpingpraktijken door exporteurs uit de VRC staan beschreven en die importeurs op het eerste gezicht niet hadden kunnen of mogen negeren. In het verzoek om een nieuw onderzoek werd ook verwezen naar handelsbeschermende maatregelen die momenteel in derde landen van toepassing zijn, waaronder antidumpingmaatregelen. |
|
(11) |
Uit een vergelijking van de gemiddelde maandelijks ingevoerde volumes tussen oktober 2015 en september 2016 (d.i. het onderzoektijdvak) met die tussen januari en april 2017 (d.i. de periode na de inleiding) is gebleken dat de invoer sinds de inleiding van de procedure in december 2016 verder is toegenomen met meer dan 50 %. Uit aanvullend voorlopig bewijsmateriaal bleek dat er sprake was van vergrotingen van het marktaandeel en de aanleg van voorraden. |
|
(12) |
Daarnaast bevat de klacht voldoende voorlopig bewijsmateriaal waaruit blijkt dat er schade wordt veroorzaakt en bevatten de in het kader van dit onderzoek geformuleerde opmerkingen, met inbegrip van het verzoek om registratie, aanwijzingen dat een verdere toename van deze invoer tot bijkomende schade zou leiden. De toename van de omvang van de invoer met dumping dreigt, gezien het tijdstip van die toename en andere omstandigheden (zoals de overcapaciteit in de VRC en het prijsbeleid van de exporteurs uit de VRC, die blijken uit de oorspronkelijke klacht) het compenserende effect van eventuele definitieve rechten aanzienlijk te ondermijnen, tenzij die rechten met terugwerkende kracht worden geheven. Met het oog op de inleiding van de huidige procedure en rekening houdend met de evolutie tot nu toe van de invoer uit de VRC met betrekking tot prijzen en volumes, kan bovendien redelijkerwijs worden aangenomen dat de invoer van het betrokken product vóór de goedkeuring van eventuele voorlopige maatregelen nog verder kan toenemen en dat de importeurs snel voorraden kunnen aanleggen. |
4. PROCEDURE
|
(13) |
Gezien bovenstaande overwegingen is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de klager voldoende voorlopig bewijsmateriaal heeft verstrekt om registratie van de invoer van het betrokken product overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening te rechtvaardigen. |
|
(14) |
Alle belanghebbenden wordt verzocht hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en ondersteunend bewijsmateriaal in te dienen. Bovendien kan de Commissie belanghebbenden horen die hierom schriftelijk verzoeken en die kunnen aantonen dat er bijzondere redenen zijn om hen te horen. |
5. REGISTRATIE
|
(15) |
Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening moet de invoer van het betrokken product worden geregistreerd zodat, indien het onderzoek leidt tot de instelling van antidumpingrechten, deze rechten overeenkomstig artikel 10, lid 4, van de basisverordening met terugwerkende kracht op de geregistreerde invoer kunnen worden geheven indien aan de nodige voorwaarden is voldaan. |
|
(16) |
In zijn klacht schat de klager de gemiddelde dumpingmarge voor het betrokken product op ongeveer 50 % en de gemiddelde prijsbederfmarge op 37,8 tot 41,0 %. Het bedrag van de mogelijke toekomstige rechten wordt voor de VRC geraamd op de op basis van de klacht geschatte prijsbederfmarge, d.w.z. op 37,8 tot 41,0 % op de cif-waarde bij invoer van het betrokken product. |
6. VERWERKING VAN PERSOONSGEGEVENS
|
(17) |
Persoonsgegevens die in het kader van deze registratie worden verzameld, zullen worden behandeld in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (4), |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De douaneautoriteiten wordt overeenkomstig artikel 14, lid 5, van Verordening (EU) 2016/1036 opgedragen passende maatregelen te nemen om de invoer in de Unie te registreren van bepaald corrosiebestendig staal van oorsprong uit de Volksrepubliek China bestaande uit gewalste platte producten van ijzer of gelegeerd staal of niet-gelegeerd staal; al-rustig; thermisch geplateerd of bekleed met zink en/of aluminium, en geen ander metaal; chemisch gepassiveerd; bevattende 0,015 of meer doch niet meer dan 0,170 gewichtspercent koolstof, 0,015 of meer doch niet meer dan 0,100 gewichtspercent aluminium, niet meer dan 0,045 gewichtspercent niobium, niet meer dan 0,010 gewichtspercent titaan en niet meer dan 0,010 gewichtspercent vanadium; opgerold, als op maat gesneden platen en als bandstaal aangeboden, met uitzondering van:
|
— |
producten van roestvrij staal, van siliciumstaal en van sneldraaistaal; |
|
— |
producten die enkel warm of koud gewalst zijn; |
en momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7210 41 00, ex 7210 49 00, ex 7210 61 00, ex 7210 69 00, ex 7212 30 00, ex 7212 50 61, ex 7212 50 69, ex 7225 92 00, ex 7225 99 00, ex 7226 99 30 en ex 7226 99 70 (Taric-codes: 7210410020, 7210490020, 7210610020, 7210690020, 7212300020, 7212506120, 7212506920, 7225920020, 7225990022, 7225990035, 7225990092, 7226993010, 7226997094).
De registratie wordt negen maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening beëindigd.
2. Alle belanghebbenden wordt verzocht uiterlijk 20 dagen na de bekendmaking van deze verordening hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken, bewijsmateriaal in te dienen of te verzoeken te worden gehoord.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 juli 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) PB C 459 van 9.12.2016, blz. 17.
(3) PB C 459 van 9.12.2016, blz. 17 (punt 3 van het bericht van inleiding).
(4) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
BESLUITEN
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/43 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/1239 VAN DE COMMISSIE
van 6 juli 2017
betreffende de erkenning van Ethiopië overeenkomstig Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de opleiding en diplomering van zeevarenden
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 4555)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2008/106/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake het minimumopleidingsniveau van zeevarenden (1), en met name artikel 19, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op grond van Richtlijn 2008/106/EG kunnen lidstaten besluiten om door middel van een officiële verklaring door derde landen afgegeven passende vaarbevoegdheids- en/of bekwaamheidsbewijzen te erkennen wanneer de betrokken landen door de Commissie zijn erkend. Die derde landen moeten voldoen aan alle vereisten van het Verdrag van de Internationale Maritieme Organisatie over de normen voor zeevarenden inzake opleiding, diplomering en wachtdienst van 1978 (het STCW-verdrag). |
|
(2) |
Bij schrijven van 9 januari 2014 en 5 november 2014 hebben respectievelijk Luxemburg en Cyprus de erkenning van Ethiopië gevraagd. De Commissie heeft daarop contact opgenomen met de autoriteiten van Ethiopië met het oog op een evaluatie van hun opleidings- en diplomeringssysteem, om na te gaan of Ethiopië voldoet aan alle vereisten van het STCW-verdrag en of het passende maatregelen heeft getroffen om fraude met diploma's tegen te gaan. Daarbij werd uitgelegd dat de evaluatie zou gebeuren op grond van de resultaten van een onderzoeksinspectie door deskundigen van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid (het Agentschap) in Ethiopië. |
|
(3) |
Op basis van de resultaten van een inspectie die plaatsvond in oktober 2015, heeft de Commissie een evaluatie van het opleidings- en diplomeringssysteem in Ethiopië uitgevoerd. Die evaluatie heeft een aantal knelpunten aan het licht gebracht die door de Ethiopische autoriteiten moeten worden aangepakt, zoals tekortkomingen met betrekking tot de goedkeuring van programma's en cursussen, opleidingen aan boord en de afgifte van diploma's en officiële verklaringen. |
|
(4) |
De Ethiopische autoriteiten hebben in mei 2016 vrijwillig een corrigerend actieplan ingediend, en hebben dit verder aangevuld in juli, oktober en december 2016. |
|
(5) |
Ethiopië heeft met name nieuwe wetgeving vastgesteld om de tekortkomingen in de nationale regelgeving, zoals vastgesteld tijdens de evaluatie van de Commissie, weg te werken, heeft de kwaliteitsborgingsprocedures van zijn administratie en maritieme opleidingsinstellingen herzien en heeft de leerplannen en opleidingsprogramma's van zijn maritieme opleidingsinstellingen geactualiseerd. |
|
(6) |
Op basis van alle beschikbare informatie heeft de Commissie geconcludeerd dat de Ethiopische autoriteiten maatregelen hebben genomen om het Ethiopische systeem voor de opleiding en diplomering van zeevarenden in overeenstemming te brengen met de eisen van het STCW-verdrag, en dat zij dat met passende bewijsstukken hebben gestaafd. |
|
(7) |
In april 2017 heeft de Commissie de Ethiopische autoriteiten een evaluatieverslag overhandigd dat gebaseerd was op de resultaten van de inspectie van oktober 2016 en waarin rekening is gehouden met het geactualiseerde corrigerende actieplan. |
|
(8) |
Uit de eindevaluatie blijkt dat Ethiopië aan de eisen van het STCW-verdrag voldoet, alle vastgestelde tekortkomingen heeft verholpen en passende maatregelen heeft getroffen om fraude met diploma's te voorkomen. |
|
(9) |
De lidstaten hebben een verslag gekregen met de resultaten van de evaluatie. |
|
(10) |
De in dit besluit vervatte maatregel is in overeenstemming met het advies van het Comité maritieme veiligheid en voorkoming van verontreiniging door schepen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de toepassing van artikel 19 van Richtlijn 2008/106/EG wordt Ethiopië erkend wat betreft de opleiding en diplomering van zeevarenden.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 6 juli 2017.
Voor de Commissie
Violeta BULC
Lid van de Commissie
|
8.7.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 177/45 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/1240 VAN DE COMMISSIE
van 7 juli 2017
tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 4896)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 van de Commissie (3) is vastgesteld naar aanleiding van uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5 in een aantal lidstaten („de betrokken lidstaten”) en de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG van de Raad (4). |
|
(2) |
In Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 is bepaald dat de door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden ten minste de gebieden moeten omvatten die in de lijst van de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit als beschermings- en toezichtsgebieden zijn opgenomen. In Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 is ook vastgelegd dat de maatregelen die overeenkomstig artikel 29, lid 1, en artikel 31 van Richtlijn 2005/94/EG in de beschermings- en toezichtsgebieden moeten worden toegepast, ten minste tot de in de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit voor die gebieden opgegeven data worden gehandhaafd. |
|
(3) |
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 is daarna gewijzigd bij de Uitvoeringsbesluiten (EU) 2017/417 (5), (EU) 2017/554 (6), (EU) 2017/696 (7), (EU) 2017/780 (8), (EU) 2017/819 (9), (EU) 2017/977 (10) en (EU) 2017/1139 (11) van de Commissie teneinde rekening te houden met wijzigingen in de overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden naar aanleiding van nieuwe uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5 in de Unie. Daarnaast is Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/696 teneinde regels vast te stellen met betrekking tot de verzending van zendingen eendagskuikens uit de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 opgenomen gebieden, naar aanleiding van bepaalde verbeteringen van de epidemiologische situatie met betrekking tot dat virus in de Unie. |
|
(4) |
Hoewel de algehele ziektesituatie in de Unie geleidelijk is verbeterd, heeft Frankrijk sinds de datum waarop Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1139 is gewijzigd, een nieuwe uitbraak ontdekt van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 in een pluimveebedrijf in Brillon, in het noorden van Frankrijk nabij de grens met België. Frankrijk heeft de Commissie ook geïnformeerd dat het de krachtens Richtlijn 2005/94/EG vereiste noodzakelijke maatregelen heeft genomen, waaronder de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden rond het betrokken bedrijf. |
|
(5) |
Daarnaast heeft België overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG in de nabij de Franse grens gelegen gemeenten Brunehaut en Rumes een toezichtsgebied ingesteld in verband met de recente bevestigde uitbraak in Frankrijk. |
|
(6) |
De Commissie heeft de door Frankrijk en België overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG naar aanleiding van de recente uitbraak van aviaire influenza van het subtype H5N8 in Noord-Frankrijk genomen maatregelen bestudeerd en heeft geconstateerd dat de grenzen van de door de bevoegde autoriteiten van Frankrijk ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden en het in België ingestelde toezichtsgebied op voldoende afstand liggen van de bedrijven waar een uitbraak van hoogpathogene aviaire influenza van het subtype H5N8 is bevestigd. |
|
(7) |
Om te voorkomen dat de handel in de Unie onnodig wordt verstoord en om te vermijden dat derde landen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opwerpen, moeten de beschermings- en toezichtsgebieden die naar aanleiding van de recente uitbraak in Frankrijk zijn ingesteld, alsmede het toezichtsgebied dat overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG in België is ingesteld, snel in samenwerking met Frankrijk en België op het niveau van de Unie worden beschreven. Daarom moeten de nieuwe gebieden voor Frankrijk en België in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 worden opgenomen. |
|
(8) |
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 moet derhalve worden gewijzigd om de regionalisering op het niveau van de Unie bij te werken, de door Frankrijk overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG ingestelde nieuwe beschermings- en toezichtsgebieden, alsmede het in België overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG ingestelde toezichtsgebied, op te nemen en de duur van de daarin geldende beperkingen aan te geven. |
|
(9) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 7 juli 2017.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.
(2) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(3) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 van de Commissie van 9 februari 2017 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 36 van 11.2.2017, blz. 62).
(4) Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16).
(5) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/417 van de Commissie van 7 maart 2017 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 63 van 9.3.2017, blz. 177).
(6) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/554 van de Commissie van 23 maart 2017 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 79 van 24.3.2017, blz. 15).
(7) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/696 van de Commissie van 11 april 2017 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 101 van 13.4.2017, blz. 80).
(8) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/780 van de Commissie van 3 mei 2017 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 116 van 5.5.2017, blz. 30).
(9) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/819 van de Commissie van 12 mei 2017 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 122 van 13.5.2017, blz. 76).
(10) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/977 van de Commissie van 8 juni 2017 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 146 van 9.6.2017, blz. 155).
(11) Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/1139 van de Commissie van 23 juni 2017 tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 betreffende beschermende maatregelen in verband met uitbraken van hoogpathogene aviaire influenza in bepaalde lidstaten (PB L 164 van 27.6.2017, blz. 59).
BIJLAGE
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/247 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In deel A wordt de vermelding voor Frankrijk vervangen door: „Lidstaat: Frankrijk
|
|
2) |
Deel B wordt als volgt gewijzigd:
|