|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
60e jaargang |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst. |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/1155 VAN DE COMMISSIE
van 15 februari 2017
tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 wat betreft de controlemaatregelen voor de hennepteelt, bepaalde voorschriften inzake de vergroeningsbetaling, de betaling voor jonge landbouwers die zeggenschap hebben over een rechtspersoon, de berekening van het bedrag per eenheid in het kader van de vrijwillige gekoppelde steun, de delen van betalingsrechten en bepaalde kennisgevingsvereisten voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling en de vrijwillige gekoppelde steun, en tot wijziging van bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (1), en met name artikel 35, leden 2 en 3, artikel 44, lid 5, onder b), artikel 46, lid 9, onder a) en c), artikel 50, lid 11, artikel 52, lid 9, onder a), en artikel 67, lid 1 en lid 2, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 35, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen waarin de toekenning van betalingen afhankelijk wordt gesteld van het gebruik van gecertificeerd zaad van bepaalde henneprassen en waarbij wordt voorzien in de procedure voor de vaststelling van henneprassen en voor de verificatie van het in artikel 32, lid 6, van die verordening bedoelde tetrahydrocannabinolgehalte ervan (hierna „THC-gehalte” genoemd). Momenteel is in artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie (2) enkel bepaald dat zaad moet worden gebruikt van rassen die in de „Gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen” zijn opgenomen, en dat overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad (3) is gecertificeerd. De regels voor de vaststelling van henneprassen en voor de verificatie van het THC-gehalte ervan die momenteel in artikel 45 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie (4) en de bijlage bij die verordening zijn vastgesteld, moeten worden opgenomen in artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014. |
|
(2) |
De regels voor de vaststelling van henneprassen en voor de verificatie van het THC-gehalte ervan zijn gebaseerd op de veronderstelling dat hennep wordt geteeld als hoofdgewas, maar zij zijn niet helemaal geschikt voor als vanggewas geteelde hennep. Aangezien is aangetoond dat deze laatste teeltwijze geschikt is voor industriële hennep en verenigbaar is met de milieuvereisten, is het gerechtvaardigd beide bepalingen aan te passen om rekening te houden met de kenmerken van als vanggewas geteelde hennep. In dit verband is het eveneens zinvol „als vanggewas geteelde hennep” te definiëren. |
|
(3) |
Artikel 24 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bevat voorschriften voor de activering van betalingsrechten. Om uiteenlopende interpretaties te voorkomen moet worden verduidelijkt dat voor de toepassing van artikel 31, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ook een deel van een betalingsrecht als volledig geactiveerd wordt beschouwd. Toch moet uitdrukkelijk worden bepaald dat de betaling wordt berekend op basis van het overeenkomstige deel van een subsidiabele hectare. |
|
(4) |
De artikelen 38 tot en met 48 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bevatten voorschriften ter aanvulling van de bepalingen betreffende de standaardvergroeningspraktijken die bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn vastgesteld. Op basis van de ervaring die is opgedaan tijdens het eerste jaar waarin die praktijken zijn toegepast, moeten sommige aspecten van die voorschriften worden gewijzigd om de uitvoering van de vergroeningspraktijken te vereenvoudigen ten behoeve van de landbouwers en de nationale overheidsdiensten, terwijl tegelijk het effect op het milieu en het klimaat wordt behouden of verbeterd. Met name moeten de wijzigingen helpen om de acties die in de conclusies van de tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU tot 2020 zijn geformuleerd, tot uitvoering te brengen, en het mogelijk maken het landbouwareaal waarop biodiversiteitsgerelateerde maatregelen in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid worden toegepast, te vergroten (5). |
|
(5) |
In de in artikel 40 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 vastgestelde voorschriften voor de berekening van het aandeel van de verschillende gewassen voor de gewasdiversificatie is de gewasdiversificatieperiode gebaseerd op de traditionele teeltpraktijken in de lidstaten. Het is zinvol de lidstaten toe te staan om verschillende perioden op regionaal of subregionaal niveau vast te stellen om rekening te houden met mogelijke uiteenlopende klimatologische omstandigheden binnen het grondgebied van een lidstaat. In sommige specifieke situaties waar er op een klein areaal een grote verscheidenheid aan gewassen is, moet het, om de aangifte van de verbouwde gewassen te vereenvoudigen, mogelijk zijn die als menggewas aan te geven. |
|
(6) |
Om de milieu-effectiviteit van braakliggend land te garanderen en verwarring met andere arealen zoals graslanden te voorkomen, is het van fundamenteel belang dat in het kader van artikel 45, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 een periode wordt vastgesteld waarin op braakliggend land geen landbouwproductie mag plaatsvinden. Om rekening te houden met de uiteenlopende agroklimatologische omstandigheden in de hele Unie, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om een dergelijke periode vast te stellen, zodat de landbouwers vóór het einde van het jaar opnieuw hoofdgewassen kunnen inzaaien. Die periode mag evenwel niet korter zijn dan zes maanden om de doelstellingen van de milieu-effectiviteit te halen en om verwarring met andere arealen te voorkomen. |
|
(7) |
Het onderscheid tussen de verschillende landschapselementen die in artikel 45, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 zijn opgesomd, is een bron van onzekerheid voor de landbouwers wanneer zij de ecologische aandachtsgebieden aangeven. Om die onzekerheid te verminderen, het beheer van de regeling ten behoeve van de autoriteiten van de lidstaten te vereenvoudigen en de complexiteit aan te pakken waarmee de landbouwers te maken hebben bij de aangifte van de ecologische aandachtsgebieden, moeten de onder a) van die bepaling bedoelde heggen en houtwallen en de onder c) van die bepaling bedoelde bomen in rij worden samengevoegd tot één soort landschapselementen zodat daarop slechts één maximale afmeting van toepassing is. Voorts moeten om dezelfde redenen de in artikel 45, lid 4, onder d), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bedoelde arealen worden gegroepeerd onder boomgroepen in het veld. |
|
(8) |
Verder mogen de maximale afmetingen van de landschapselementen, ook al zijn die, zoals aangegeven in overweging 51 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, nodig om te waarborgen dat het areaal overwegend agrarisch is, niet leiden tot uitsluiting van elementen die groter zijn dan die afmetingen, maar waardevol zijn voor de biodiversiteit. Daarom moet areaal dat krachtens artikel 45, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 als landschapselement kan worden aangemerkt, worden berekend tot de maximale afmeting van het betrokken element. |
|
(9) |
Gezien de grote milieuvoordelen van oevervegetatie als bedoeld in artikel 45, lid 4, vijfde alinea, en artikel 45, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 is het zinvol te bepalen dat alle oevervegetatie in aanmerking moet worden genomen voor de berekening van de ecologische aandachtsgebieden. |
|
(10) |
Om dezelfde redenen als vermeld in de overwegingen 7 en 8 met betrekking tot artikel 45, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, moeten akkerranden, als momenteel bedoeld in punt e) van dat artikel, met de bufferstroken worden samengevoegd in artikel 45, lid 5, van die verordening en moet voor bufferstroken en akkerranden een enkele maximale afmeting worden vastgesteld. Die maximale afmeting voor bufferstroken en akkerranden moet verwijzen naar het areaal dat overeenkomstig artikel 45, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 als bufferstrook en akkerrand kan worden aangemerkt. Om de landbouwers maximale flexibiliteit te bieden moet de definitie van bufferstroken in het kader van GLMC 1, RBE 1 of RBE 10 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) en akkerranden die beschermd zijn in het kader van GLMC 7, RBE 2 of RBE 3 als bedoeld in die bijlage, worden aangevuld met andere bufferstroken en akkerranden, waarmee elke soort strook wordt bedoeld die niet valt onder die twee categorieën in het kader van de randvoorwaarden. |
|
(11) |
Op grond van artikel 46, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 mogen landschapselementen en bufferstroken die aan bouwland grenzen, als ecologisch aandachtsgebied worden aangemerkt. Om de milieuvoordelen van landschapselementen en bufferstroken als bedoeld in artikel 45, leden 4 en 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 zo groot mogelijk te maken en de bescherming en het onderhoud van bijkomende elementen aan te moedigen, moet deze bepaling worden aangevuld met voorschriften die flexibiliteit bieden doordat rekening wordt gehouden met andere ecologisch waardevolle elementen die aan de definitie van deze soorten ecologische aandachtsgebieden voldoen en niet grenzen aan het bouwland van het bedrijf. Zo moeten dergelijke bufferstroken, akkerranden of landschapselementen die grenzen aan een ecologisch aandachtsgebied dat rechtstreeks aan het bouwland van een bedrijf grenst, ook worden erkend als ecologisch aandachtsgebied. |
|
(12) |
Om dezelfde redenen als vermeld in de overwegingen 7 en 8 met betrekking tot artikel 45, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 moeten de maximale afmetingen die zijn vastgesteld voor de stroken subsidiabele hectaren langs bosranden als bedoeld in artikel 45, lid 7, van die verordening, verwijzen naar het areaal dat op grond van die bepaling als een dergelijke strook kan worden aangemerkt. |
|
(13) |
In het licht van artikel 46, lid 2, eerste alinea, onder g), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is het passend te verduidelijken dat de vaststelling van voorschriften betreffende het gebruik van minerale meststoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen slechts relevant is voor zover die productiemiddelen zijn toegestaan. |
|
(14) |
De nu geldende uiterste datum voor de inzaai van vanggewassen en groenbedekking als vastgesteld in artikel 45, lid 9, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 stemt niet altijd overeen met de agronomische en klimatologische omstandigheden. Met het oog op een betere verwezenlijking van de milieudoelstellingen van dit soort ecologisch aandachtsgebied is het passend de uiterste datum voor de inzaai van vanggewassen en groenbedekking te vervangen door een minimale periode waarin de arealen met vanggewassen en groenbedekking aanwezig moeten zijn. Teneinde de nodige flexibiliteit te bieden om met de weersomstandigheden rekening te houden, moet de lidstaten worden toegestaan de periode op het meest geschikte geografische niveau vast te stellen. Aangezien de duurzame aanwezigheid van vanggewassen en groenbedekking op de bodem een cruciale factor is om te zorgen voor een doeltreffende opname van het restnitraat en voor bodembedekking in de perioden dat het areaal niet door het hoofdgewas wordt bedekt, moet de minimumduur van de periode evenwel op het niveau van de Unie worden vastgesteld. Om consistent te zijn met de interpretatie van de definitie die in artikel 4, lid 1, onder i), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is gegeven van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, moet het ook mogelijk zijn in het hoofdgewas peulgewassen onder te zaaien. Verder moeten, om te zorgen voor consistentie tussen de gelijkwaardige praktijken die vallen onder verbintenissen en certificeringsregelingen als bedoeld in artikel 43, lid 3, onder a), respectievelijk b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, de regels betreffende het in aanmerking nemen van vanggewassen of groenbedekking als ecologisch aandachtsgebied op één lijn worden gebracht. |
|
(15) |
Zelfs indien als algemene regel uitsluitend arealen met stikstofbindende gewassen die als zuivere soort worden geteeld, als ecologisch aandachtsgebied mogen worden aangemerkt, is het, aangezien die gewassen in de traditionele teeltpraktijken vaak met andere gewassen worden vermengd, passend in het kader van artikel 45, lid 10, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 toe te staan dat arealen met mengsels ook als ecologisch aandachtsgebied mogen worden aangemerkt op voorwaarde dat wordt gegarandeerd dat de stikstofbindende gewassen in die mengsels overheersen. Voorts blijkt uit de ervaring met de toepassing van artikel 45, lid 10, eerste alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 en in het licht van de toepassing van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad (7) en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) dat het overbodig is specifieke voorschriften vast te stellen betreffende de locatie van die stikstofbindende gewassen. In plaats daarvan en met het oog op de versterking van de inspanningen van de lidstaten om het risico van stikstofuitspoeling in het najaar tegen te gaan, moet de lidstaten worden toegestaan om zo nodig aanvullende voorwaarden voor stikstofbindende gewassen vast te stellen. Verder moeten, om te zorgen voor consistentie tussen de gelijkwaardige praktijken die vallen onder verbintenissen en certificeringsregelingen als bedoeld in artikel 43, lid 3, onder a), respectievelijk b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, de regels betreffende het in aanmerking nemen van stikstofbindende gewassen als ecologisch aandachtsgebied op één lijn worden gebracht. |
|
(16) |
Uit ervaring met de toepassing van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 is gebleken dat sommige bepalingen betreffende de soorten ecologische aandachtsgebieden gedetailleerder moeten zijn wat betreft de eis van „geen productie”, inclusief de regels inzake maaien en begrazing, om de biodiversiteitsdoelstelling te halen en te zorgen voor samenhang met de andere instrumenten van het gemeenschappelijk landbouwbeleid. Wat met name de eis van „geen landbouwproductie” betreft die van toepassing is op de soorten ecologische aandachtsgebieden als bedoeld in artikel 45, lid 2, lid 4, onder e), lid 5, en lid 7, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 moet worden verduidelijkt dat productie moet worden begrepen als een landbouwactiviteit in de zin van artikel 4, lid 1, onder c), i) van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en niet in de ruimere zin van artikel 4, lid 1, onder c), ii) en iii), van diezelfde verordening, en niet mag ingaan tegen de voorschriften inzake minimale bodembedekking in het kader van GLMC 4 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013. Bovendien moeten acties die landbouwers ondernemen om de biodiversiteit veilig te stellen en te verbeteren, met name door het vergemakkelijken van de bestuiving, die tot doel hebben een groene bodembedekking aan te leggen en bijvoorbeeld onder een agromilieu- of klimaatverbintenis vallen, worden gestimuleerd om de milieuvoordelen te maximaliseren. |
|
(17) |
Aangezien de drie voornaamste soorten arealen die de landbouwers als ecologisch aandachtsgebied hebben aangegeven in het eerste jaar dat artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 werd toegepast, arealen zijn die productief zijn of kunnen zijn, namelijk braakliggend land, vanggewassen of groenbedekking en stikstofbindende gewassen, is het waarschijnlijk dat in ecologische aandachtsgebieden gewasbeschermingsmiddelen worden gebruikt. Daarom is het, om de biodiversiteit veilig te stellen en te verbeteren in overeenstemming met de doelstellingen van „vergroening”, passend een verbod in te stellen op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in de volgende ecologische aandachtsgebieden die productief zijn of kunnen worden: braakliggend land, stroken subsidiabele hectaren langs bosranden waar productie plaatsvindt, vanggewassen of groenbedekking en stikstofbindende gewassen. Wanneer vanggewassen of groenbedekking worden aangelegd door onderzaai van gras of peulgewassen in het hoofdgewas, moet een dergelijk verbod, ter voorkoming, om evenredigheidsredenen, van gevolgen voor het beheer van het hoofdgewas, gelden vanaf het moment van de oogst van het hoofdgewas. Om het verbod consistent te maken met de gebruikelijke agronomische praktijken, de rechtszekerheid te waarborgen en administratieve problemen voor landbouwers en nationale overheidsdiensten te voorkomen, moet nader worden bepaald dat het voor onderzaai ingestelde verbod minstens moet gelden gedurende een minimumperiode die gelijk is aan de minimumperiode waarin arealen met vanggewassen of groenbedekking aanwezig moeten zijn wanneer die door inzaai van een mengsel van gewassoorten zijn aangelegd, of tot de inzaai van het volgende hoofdgewas. |
|
(18) |
In artikel 49 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 zijn de voorwaarden vastgesteld waaronder rechtspersonen toegang hebben tot de betaling voor jonge landbouwers als bedoeld in artikel 50, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013. Op basis van de ervaring die met de toepassing van artikel 49, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 is opgedaan, moet meer verduidelijking worden gegeven omtrent de interpretatie van artikel 50, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 betreffende het tijdstip waarop een jonge landbouwer die daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over een rechtspersoon uitoefent, aan de leeftijdsgrens moet voldoen. Met name is het passend te verduidelijken dat de jonge landbouwer aan de leeftijdsgrens van 40 jaar moet voldoen in het jaar waarin de rechtspersoon waarover de jonge landbouwer zeggenschap heeft, voor het eerst een aanvraag indient in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling. |
|
(19) |
Overeenkomstig artikel 53, lid 2, tweede alinea, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 is het bedrag per eenheid van de vrijwillig gekoppelde steun het resultaat van de verhouding tussen het voor de financiering van de betrokken maatregel vastgestelde bedrag en hetzij het overeenkomstig artikel 53, lid 2, eerste alinea, vastgestelde kwantitatieve maximum, hetzij het aantal hectaren of dieren dat in het betrokken jaar voor de steun in aanmerking komt. Het is passend deze bepaling te herformuleren in die zin dat de lidstaten het bedrag per eenheid mogen vaststellen op een waarde die tussen die twee waarden in ligt wanneer het aantal subsidiabele eenheden lager is dan het kwantitatieve maximum. |
|
(20) |
Op grond van artikel 64, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 moeten lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen, de Commissie jaarlijks uiterlijk op 1 september het totale aantal hectaren melden dat de landbouwers uit hoofde van die regeling hebben aangegeven. Die informatie wordt evenwel jaarlijks in meer gedetailleerde vorm aan de Commissie verstrekt op grond van artikel 9, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014. Bijgevolg kan artikel 64, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) 639/2014 worden geschrapt. |
|
(21) |
Op basis van de ervaring die de Commissie heeft opgedaan met het beheer van de meldingen inzake de vergroening op grond van artikel 65 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, moet de inhoud van die meldingen enigszins worden aangepast, onder meer met betrekking tot de vergroeningsbepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, als gewijzigd bij de onderhavige verordening. |
|
(22) |
Overeenkomstig artikel 67, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 moeten de lidstaten voor elke gekoppelde steunmaatregel en elke specifieke soort landbouw of specifieke landbouwsector in kwestie de Commissie in kennis stellen van het totale aantal begunstigden, het bedrag van de toegekende betalingen, het totale areaal en het totale aantal dieren waarvoor de steun daadwerkelijk is betaald. |
|
(23) |
Met ingang van het aanvraagjaar 2015 melden de lidstaten overeenkomstig artikel 9, leden 1 en 3, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 voor elke maatregel inzake vrijwillige gekoppelde steun het totale aantal begunstigden en het totale areaal of het totale aantal dieren dat is aangegeven en vastgesteld. Voorts wordt, met ingang van het aanvraagjaar 2016, het bedrag van de betalingen die voor elke gekoppelde steunmaatregel zijn toegekend, opgenomen in de informatie die de lidstaten verstrekken overeenkomstig artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie (9). Bijgevolg moet artikel 67, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 639/2014 worden geschrapt. |
|
(24) |
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(25) |
Als gevolg van de wijziging van enkele bepalingen van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 wat de soorten ecologische aandachtsgebieden betreft, moeten in bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 wijzigingen worden aangebracht, met name door de lijst van de soorten ecologische aandachtsgebieden en, zo nodig, de bijbehorende factoren aan te passen. In overweging 45 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt beklemtoond hoe belangrijk het is dat ecologische aandachtsgebieden op een coherente wijze worden aangelegd. Daarom moeten de omzettings- en wegingsfactoren die voor gelijkwaardige praktijken gelden, consistent zijn met de factoren die voor soortgelijke of identieke standaardpraktijken gelden. Met het oog op rechtszekerheid en gelijke behandeling van de landbouwers moet bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(26) |
Deze verordening moet in werking treden op de derde dag na die van de bekendmaking ervan. Aangezien de verduidelijking van artikel 49, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 en de herformulering van artikel 53, lid 2, tweede alinea, van die verordening een weerspiegeling zijn van de interpretatie die sinds de toepassing van die verordening aan die bepalingen is gegeven, is het passend te bepalen dat die wijzigingen met terugwerkende kracht van toepassing zijn. Rekening houdend met de tijd die de nationale autoriteiten nodig hebben om hun bestaande administratieve instrumenten bij te werken en de landbouwers voldoende op voorhand op de hoogte te stellen van de wijzigingen in de vergroeningsbepalingen die bij deze verordening worden vastgesteld, mogen die wijzigingen pas van toepassing worden op steunaanvragen voor de kalenderjaren vanaf 1 januari 2018. De lidstaten moeten evenwel de mogelijkheid krijgen om ze toe te passen op steunaanvragen die betrekking hebben op het kalenderjaar 2017, maar daarbij moet erop worden gelet dat alle keuzen die in dit verband worden gemaakt, coherent moeten zijn vanuit het standpunt van de landbouwers. Er moet worden verplicht de daaruit voorvloeiende wijzigingen in eerdere kennisgevingen met betrekking tot dat kalenderjaar te melden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 9 wordt vervangen door: „Artikel 9 Hennep 1. Voor de toepassing van artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn voor de productie van hennep gebruikte arealen slechts subsidiabel indien zij zijn ingezaaid met zaad van rassen uit de overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad (*1) gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen die geldt op 15 maart van het jaar waarvoor de betaling wordt toegekend. Het zaad moet zijn gecertificeerd overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad (*2). 2. De lidstaten zetten een systeem voor de bepaling van het gehalte aan Δ9-tetrahydrocannabinol (hierna „THC-gehalte” genoemd) van henneprassen op dat hen in staat stelt de in bijlage III beschreven methode toe te passen. 3. De bevoegde autoriteit van de lidstaat houdt de dossiers met de bevindingen inzake het THC-gehalte bij. Deze dossiers omvatten voor elk ras ten minste de gegevens inzake het tot op twee decimalen nauwkeurige, in procent uitgedrukte THC-gehalte van elk monster, de gebruikte procedure, het aantal uitgevoerde tests, een vermelding van het punt waar het monster is genomen en de op nationaal niveau getroffen maatregelen. 4. Indien het gemiddelde van alle monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde THC-gehalte, maken de lidstaten met betrekking tot dat ras in het volgende aanvraagjaar gebruik van de in bijlage III bij de onderhavige verordening beschreven procedure B. Die procedure wordt tevens gedurende de daaropvolgende aanvraagjaren gebruikt, tenzij bij alle analyses van het betrokken ras een THC-gehalte wordt geconstateerd dat lager ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximum. 5. Indien tijdens het tweede jaar het gemiddelde van alle monsters van een bepaald ras hoger ligt dan het in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde THC-gehalte, stelt de lidstaat de Commissie in kennis van de aanvraag tot machtiging om de handel in dit ras overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn 2002/53/EG te verbieden. Deze kennisgeving wordt uiterlijk op 15 januari van het volgende aanvraagjaar toegezonden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie (*3). Met ingang van dat aanvraagjaar komt het ras waarvoor een dergelijk verzoek is ingediend, niet in aanmerking voor rechtstreekse betalingen in de betrokken lidstaat. 6. Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „als vanggewas geteelde hennep” verstaan: hennepgewas dat na 30 juni van een bepaald jaar is ingezaaid. 7. Hennep wordt gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder geteeld in normale groeiomstandigheden in overeenstemming met de plaatselijke gebruiken, zodat de voor de toepassing van dit artikel vereiste controles kunnen worden verricht. Als vanggewas geteelde hennep wordt in normale groeiomstandigheden in overeenstemming met de plaatselijke gebruiken verder geteeld tot ten minste het einde van de vegetatieperiode. De lidstaten kunnen echter toestemming geven om hennep te oogsten na het begin van de bloei maar vóór het einde van de periode van tien dagen na het einde van de bloei, mits de controleurs aangeven op welke representatieve delen van elk betrokken perceel het gewas gedurende ten minste tien dagen na het einde van de bloei verder moet worden geteeld om volgens de in bijlage III vastgestelde methode te kunnen worden gecontroleerd. (*1) Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1)." (*2) Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74)." (*3) Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie van 31 augustus 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de kennisgeving door de lidstaten aan de Commissie van de informatie en de documenten ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening, de regeling voor rechtstreekse betalingen, de afzetbevordering voor landbouwproducten en de regelingen voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (PB L 228 van 1.9.2009, blz. 3).”." |
|
2) |
In artikel 24 wordt lid 2 vervangen door: „2. Indien een landbouwer een aantal betalingsrechten aangeeft boven zijn totale subsidiabele areaal als aangegeven op grond van artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt het betalingsrecht of deel van een betalingsrecht dat gedeeltelijk groter is dan dat subsidiabele areaal, als volledig geactiveerd beschouwd voor de toepassing van artikel 31, lid 1, onder b), van die verordening. De betaling wordt evenwel berekend op basis van het overeenkomstige deel van een subsidiabele hectare.”. |
|
3) |
Artikel 40 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Aan artikel 49, lid 3, wordt de volgende alinea toegevoegd: „Een jonge landbouwer die daadwerkelijke, langdurige zeggenschap heeft over de rechtspersoon in de zin van lid 1, eerste alinea, onder b), van dit artikel mag, voor de toepassing van artikel 50, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 niet ouder zijn dan 40 jaar in het jaar waarin de rechtspersoon waarover hij als jonge landbouwer zeggenschap heeft, voor het eerst een aanvraag indient in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling.”. |
|
6) |
In artikel 53, lid 2, wordt de tweede alinea vervangen door: „De jaarlijkse betaling wordt uitgedrukt als het steunbedrag per eenheid. Het kan gaan om een van de volgende bedragen of, wanneer het voor steun in aanmerking komende areaal of aantal dieren niet groter is dan het vastgestelde areaal of aantal dieren als bedoeld in de eerste alinea van dit lid, een bedrag dat daartussenin ligt:
|
|
7) |
In artikel 64 wordt lid 5 geschrapt. |
|
8) |
Artikel 65, lid 1, wordt als volgt gewijzigd:
|
|
9) |
In artikel 67 wordt lid 2 geschrapt. |
|
10) |
Bijlage III, waarvan de tekst is opgenomen in bijlage I bij de onderhavige verordening, wordt toegevoegd. |
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EU) nr. 1307/2013
Bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt vervangen door de tekst die is opgenomen in bijlage II bij de onderhavige verordening.
Artikel 3
Overgangsmaatregelen
1. In afwijking van artikel 4, tweede alinea, kunnen de lidstaten besluiten alle of een aantal van de bij artikel 1, punten 3), 4) en 8), aangebrachte wijzigingen en bijgevolg de bij artikel 2 aangebrachte wijziging met betrekking tot de elementen van de standaard ecologische aandachtsgebieden, toe te passen ten aanzien van de steunaanvragen voor het kalenderjaar 2017.
2. Uiterlijk één maand na de inwerkingtreding van deze verordening stellen de lidstaten de Commissie in kennis van het in lid 1 bedoelde besluit en de daaruit voortvloeiende wijzigingen in de kennisgevingen uit hoofde van artikel 65, leden 1 tot en met 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 en brengen zij de landbouwers daarvan op de hoogte.
Artikel 4
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, punten 3), 4) en 8), en artikel 2 zijn van toepassing op steunaanvragen die betrekking hebben op de kalenderjaren vanaf 1 januari 2018.
Artikel 1, punten 5) en 6), zijn van toepassing op steunaanvragen die betrekking hebben op de kalenderjaren die volgen op het kalenderjaar 2014.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 15 februari 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die Verordening (PB L 181 van 20.6.2014, blz. 1).
(3) Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB L 227 van 31.7.2014, blz. 69).
(5) COM(2015) 478 final, Verslag van de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad — De tussentijdse evaluatie van de biodiversiteitsstrategie van de EU voor 2020.
(6) Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).
(7) Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).
(8) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(9) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 908/2014 van de Commissie van 6 augustus 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft betaalorganen en andere instanties, financieel beheer, goedkeuring van de rekeningen, voorschriften inzake controles, zekerheden en transparantie (PB L 255 van 28.8.2014, blz. 59).
BIJLAGE I
„BIJLAGE III
Methode van de Unie voor de kwantitatieve bepaling van het gehalte aan Δ9-tetrahydrocannabinol in henneprassen
1. Toepassingsgebied
Het doel van de in deze bijlage vastgestelde methode is de bepaling van het gehalte aan Δ9-tetrahydrocannabinol (hierna „THC” genoemd) van henneprassen (Cannabis sativa L.). Al naargelang van het geval wordt procedure A of B gevolgd, zoals beschreven in deze bijlage.
De methode berust op de kwantitatieve bepaling van THC door middel van gaschromatografie na extractie met een oplosmiddel.
1.1. Procedure A
Procedure A wordt gebruikt voor de controle op de productie van hennep als bedoeld in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 30, onder g), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie (*1).
1.2. Procedure B
Procedure B wordt gebruikt in de gevallen als bedoeld in artikel 36, lid 6, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014.
2. Bemonstering
2.1. Monsters
De monsters worden overdag genomen en hierbij wordt een systematische route gevolgd zodat een representatieve steekproef van het perceel verkregen wordt; daarbij wordt de rand van het perceel niet bemonsterd.
2.1.1. Procedure A: uit een populatie van een bepaald hennepras wordt van elke geselecteerde plant een stuk van 30 cm met ten minste één vrouwelijke bloemtop genomen. De bemonstering wordt uitgevoerd in de periode tussen twintig dagen na het begin van de bloei en tien dagen na het einde van de bloei.
De lidstaat kan toestaan dat monsters worden genomen in de periode tussen het begin van de bloei en twintig dagen na het begin van de bloei, op voorwaarde dat voor elk geteeld ras overeenkomstig de eerste alinea andere representatieve monsters worden genomen in de periode tussen twintig dagen na het begin en tien dagen na het einde van de bloei.
Voor hennep die als vanggewas wordt geteeld, wordt, bij gebrek aan vrouwelijke bloemtoppen, de bovenste 30 cm van de plantenstengel genomen. In dat geval wordt de bemonstering uitgevoerd vlak voor het einde van de vegetatieperiode, zodra de bladeren de eerste tekenen van gele verkleuring beginnen te vertonen, maar niet later dan het begin van een voorspelde vorstperiode.
2.1.2. Procedure B: uit een populatie van een bepaald hennepras wordt het bovenste derde van elke geselecteerde plant genomen. De bemonstering wordt uitgevoerd in de tien dagen na het einde van de bloei of, als de hennep als vanggewas wordt geteeld, bij gebrek aan vrouwelijke bloemtoppen, vlak voor het einde van de vegetatieperiode, zodra de bladeren de eerste tekenen van gele verkleuring beginnen te vertonen, maar niet later dan het begin van een voorspelde vorstperiode. Bij een tweehuizig ras worden alleen de vrouwelijke planten bemonsterd.
2.2. Omvang van het monster
Procedure A: van elk perceel worden monsters van 50 planten genomen.
Procedure B: van elk perceel worden monsters van 200 planten genomen.
Elk monster wordt zonder aandrukken in een stoffen of papieren zak gedaan en naar het analyselaboratorium gezonden.
De lidstaat kan bepalen dat een tweede monster voor een eventuele contra-analyse wordt genomen en hetzij door de teler, hetzij door de voor de analyse verantwoordelijke instantie wordt bewaard.
2.3. Droging en opslag van het monster
De monsters moeten zo snel mogelijk en in elk geval binnen 48 uur worden gedroogd volgens om het even welke methode waarbij de temperatuur onder 70 °C blijft.
De monsters worden gedroogd tot constant gewicht en een vochtigheid van 8 % tot 13 %.
De droge monsters worden zonder aandrukken in het donker op een temperatuur beneden 25 °C bewaard.
3. Bepaling van het THC-gehalte
3.1. Bereiding van het analysemonster
De droge monsters worden van stengels en zaden van meer dan 2 mm ontdaan.
De gedroogde monsters worden tot een halffijn poeder gemalen (maaswijdte van de zeef: 1 mm).
Het poeder mag maximaal tien weken droog, in het donker en op een temperatuur beneden 25 °C bewaard worden.
3.2. Reagentia en extractievloeistof
Reagentia
|
— |
zuivere Δ9-tetrahydrocannabinol voor chromatografie, |
|
— |
zuivere squalaan voor chromatografie als interne standaard. |
Extractievloeistof
|
— |
35 mg squalaan per 100 ml hexaan. |
3.3. Extractie van THC
100 mg poedervormig analysemonster wordt afgewogen en in een centrifugebuis gedaan; 5 ml extractievloeistof met interne standaard wordt toegevoegd.
Het monster wordt gedurende twintig minuten in een ultrasoonbad geplaatst. Het wordt gedurende vijf minuten op 3 000 toeren per minuut gecentrifugeerd en daarna wordt de bovenstaande vloeistof met de opgeloste THC afgeschonken. Deze vloeistof wordt in de chromatograaf geïnjecteerd en daarna wordt een kwantitatieve bepaling verricht.
3.4. Gaschromatografie
a) Apparatuur
|
— |
gaschromatograaf voorzien van een vlamionisatiedetector en een split/splitless-injector, |
|
— |
kolom waarmee een goede scheiding van cannabinoïden wordt verkregen, bijvoorbeeld een glazen capillaire kolom van 25 m lengte en 0,22 mm diameter, geïmpregneerd met een apolaire fase van het type 5 % fenyl-methyl-siloxaan. |
b) IJkoplossingen
Ten minste drie punten voor procedure A en vijf punten voor procedure B, met de punten 0,04 en 0,50 mg/ml THC per ml extractievloeistof.
c) Instelling van de apparatuur
De volgende instellingen worden als voorbeeld voor de onder a) genoemde kolom gegeven:
|
— |
temperatuur van de oven: 260 °C |
|
— |
temperatuur van de injector: 300 °C |
|
— |
temperatuur van de detector: 300 °C |
d) Geïnjecteerd volume: 1 μl
4. Resultaten
Het resultaat wordt in twee decimalen uitgedrukt als g THC per 100 g van het analysemonster, gedroogd tot constant gewicht. Het resultaat mag een maximale afwijking van 0,03 % per 100 g hebben.
|
— |
Procedure A: per te analyseren monster wordt één bepaling verricht. |
Als het resultaat boven de in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde grens ligt, wordt per te analyseren monster een tweede bepaling verricht en wordt het gemiddelde van de twee bepalingen als resultaat genomen.
|
— |
Procedure B: per te analyseren monster worden twee bepalingen verricht, waarvan het gemiddelde wordt genomen. |
(*1) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie van 17 juli 2014 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem, plattelandsontwikkelingsmaatregelen en de randvoorwaarden (PB L 227 van 31.7.2014, blz. 69).”
BIJLAGE II
„BIJLAGE X
Omzettings- en wegingsfactoren als bedoeld in artikel 46, lid 3
|
Elementen |
Omzettingsfactor (m/boom naar m2) |
Wegingsfactor |
Ecologisch aandachtsgebied (bij toepassing van beide factoren) |
||
|
Braakliggend land (per 1 m2) |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Terrassen (per 1 m) |
2 |
1 |
2 m2 |
||
|
Landschapselementen: |
|
|
|
||
|
|
Heggen/houtwallen/bomen in rij (per 1 m) |
5 |
2 |
10 m2 |
|
|
|
Geïsoleerde boom (per boom) |
20 |
1,5 |
30 m2 |
|
|
|
Boomgroepen in het veld (per 1 m2) |
n.v.t. |
1,5 |
1,5 m2 |
|
|
|
Vijvers (per 1 m2) |
n.v.t. |
1,5 |
1,5 m2 |
|
|
|
Sloten (per 1 m) |
5 |
2 |
10 m2 |
|
|
|
Traditionele stenen muren (per 1 m) |
1 |
1 |
1 m2 |
|
|
|
Andere elementen die hierboven niet zijn vermeld, maar in het kader van GLMC 7, RBE 2 of RBE 3 zijn beschermd (per 1 m2) |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
|
|
Bufferstroken en akkerranden (per 1 m) |
6 |
1,5 |
9 m2 |
||
|
Hectaren onder boslandbouw (per 1 m2) |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Stroken subsidiabele hectaren langs bosranden (per 1 m) |
|
|
|
||
|
|
Zonder productie |
6 |
1,5 |
9 m2 |
|
|
Met productie |
6 |
0,3 |
1,8 m2 |
||
|
Areaal met hakhout met korte omlooptijd (per 1 m2) |
n.v.t. |
0,3 |
0,3 m2 |
||
|
Beboste gebieden als bedoeld in artikel 32, lid 2, onder b), ii) (per m2) |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Arealen met vanggewassen of groenbedekking (per 1 m2) |
n.v.t. |
0,3 |
0,3 m2 |
||
|
Arealen met stikstofbindende gewassen (per 1 m2) |
n.v.t. |
0,7 |
0,7 m2 |
||
In artikel 46, lid 3, bedoelde omzettings- en wegingsfactoren die van toepassing zijn op de elementen in het kader van de in bijlage IX, afdeling III, opgenomen gelijkwaardige praktijken
|
Aan ecologisch aandachtsgebied gelijkwaardige praktijk |
Soortgelijke standaardpraktijk ecologisch aandachtsgebied |
Omzettingsfactor |
Wegingsfactor |
Ecologisch aandachtsgebied (bij toepassing van beide factoren) |
||
|
Braakliggend land |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Bufferstroken en akkerranden |
6 |
1,5 |
9 m2 |
||
|
Bufferstroken en akkerranden |
6 |
1,5 |
9 m2 |
||
|
|
|
|
|
||
|
Borders, stroken op het veld (per 1 m) |
Bufferstroken en akkerranden |
6 |
1,5 |
9 m2 |
||
|
Lapjes grond (per 1 m2) |
Boomgroepen in het veld |
n.v.t. |
1,5 |
1,5 m2 |
||
|
|
|
|
|
||
|
Geïsoleerde boom (per boom) |
Geïsoleerde boom |
20 |
1,5 |
30 m2 |
||
|
Bomen in rij (per 1 m) |
Heggen/houtwallen/bomen in rij |
5 |
2 |
10 m2 |
||
|
Groepen bomen/boomgroepen in het veld (per 1 m2) |
Boomgroepen in het veld |
n.v.t. |
1,5 |
1,5 m2 |
||
|
Hagen (per 1 m) |
Heggen/houtwallen/bomen in rij |
5 |
2 |
10 m2 |
||
|
Houtachtige oevervegetatie (per 1 m) |
Heggen/houtwallen/bomen in rij |
5 |
2 |
10 m2 |
||
|
Terrassen (per 1 m) |
Terrassen |
2 |
1 |
2 m2 |
||
|
Stenen muren (per 1 m) |
Traditionele stenen muren |
1 |
1 |
1 m2 |
||
|
Sloten (per 1 m) |
Sloten |
5 |
2 |
10 m2 |
||
|
Vijvers (per 1 m2) |
Vijvers |
n.v.t. |
1,5 |
1,5 m2 |
||
|
Braakliggend land |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Areaal met hakhout met korte omlooptijd; stroken langs bosranden waar productie plaatsvindt; areaal met stikstofbindende gewassen |
n.v.t. |
0,3 0,7 voor stikstofbindende gewassen |
0,3 m2 0,7 m2 |
||
|
Braakliggend land |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/16 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1156 VAN DE COMMISSIE
van 27 juni 2017
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1385/2007 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad, wat betreft de opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor vlees van pluimvee
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 187, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie (2) (hierna „de overeenkomst” genoemd) is op 25 november 2016 ondertekend. De ondertekening ervan namens de Europese Unie was goedgekeurd bij Besluit (EU) 2016/1995 van de Raad (3) en de sluiting ervan was goedgekeurd bij Besluit (EU) 2017/730 (4). |
|
(2) |
Uit hoofde van de overeenkomst moet de Europese Unie het momenteel aan Brazilië toegewezen EU-tariefcontingent voor „Delen van hanen of kippen, bevroren”, tariefposten 0207.14.10, 0207.14.50 en 0207.14.70, verhogen met 4 766 ton, met behoud van het huidige recht van 0 % binnen het contingent, alsmede het momenteel aan Brazilië toegewezen EU-tariefcontingent voor „Delen van kalkoenen, bevroren”, tariefposten 0207.27.10, 0207.27.20 en 0207.27.80, verhogen met 610 ton, met behoud van het huidige recht van 0 % binnen het contingent. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 1385/2007 van de Commissie (5) heeft betrekking op de opening en de wijze van beheer van bepaalde EU-invoertariefcontingenten voor vlees van pluimvee van oorsprong uit onder meer Brazilië. Die verordening dient te worden gewijzigd om rekening te houden met de extra hoeveelheden die uit hoofde van de overeenkomst zijn toegewezen. |
|
(4) |
Voor 2017 zijn de extra hoeveelheden vlees van pluimvee pro rata berekend op basis van de extra jaarlijkse hoeveelheid uit hoofde van de overeenkomst, met inachtneming van de datum van de inwerkingtreding van de overeenkomst. |
|
(5) |
De overeenkomst treedt op 30 juni 2017 in werking. De contingenten voor vlees van pluimvee waarop de overeenkomst betrekking heeft, worden beheerd op kwartaalbasis, waarbij de aanvraagperiode voor het kwartaal dat begint op 1 juli 2017 bij de inwerkingtreding van de overeenkomst zou zijn verstreken; daarom moeten voor de extra hoeveelheden voor 2017 waarin de overeenkomst voorziet, aanvragen kunnen worden ingediend in de deelperiode die begint op 1 oktober 2017. |
|
(6) |
Met ingang van de contingentperiode die begint op 1 januari 2018, moeten de jaarlijkse extra hoeveelheden vlees van pluimvee die onder de overeenkomst vallen, volledig beschikbaar zijn. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1385/2007 wordt vervangen door de tekst die is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 juni 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie (PB L 108 van 26.4.2017, blz. 3).
(3) Besluit (EU) 2016/1995 van de Raad van 11 november 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie (PB L 308 van 16.11.2016, blz. 1).
(4) Besluit (EU) 2017/730 van de Raad van 25 april 2017 betreffende de sluiting van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Federale Republiek Brazilië uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie (PB L 108 van 26.4.2017, blz. 1).
(5) Verordening (EG) nr. 1385/2007 van de Commissie van 26 november 2007 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 774/94 van de Raad, wat betreft de opening en vaststelling van de wijze van beheer van communautaire tariefcontingenten voor vlees van pluimvee (PB L 309 van 27.11.2007, blz. 47).
BIJLAGE
„BIJLAGE I
Voor de contingentperiode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017:
VERLAGING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK DOUANETARIEF MET 100 %
Kip
|
(in ton) |
|||||
|
Land |
Nummer van de groep |
Volgnummer |
GN-code |
Jaarlijkse hoeveelheden voor 2017 |
Extra hoeveelheid beschikbaar voor de vierde deelperiode van 2017 (*1) |
|
Brazilië |
1 |
09.4410 |
0207 14 10 0207 14 50 0207 14 70 |
11 932 |
2 396 |
|
Land |
Nummer van de groep |
Volgnummer |
GN-code |
Jaarlijkse hoeveelheden voor 2017 |
|
Thailand |
2 |
09.4411 |
0207 14 10 0207 14 50 0207 14 70 |
5 100 |
|
Andere |
3 |
09.4412 |
0207 14 10 0207 14 50 0207 14 70 |
3 300 |
Kalkoen
|
(in ton) |
|||||
|
Land |
Nummer van de groep |
Volgnummer |
GN-code |
Jaarlijkse hoeveelheden voor 2017 |
Extra hoeveelheid beschikbaar voor de vierde deelperiode van 2017 (*2) |
|
Brazilië |
4 |
09.4420 |
0207 27 10 0207 27 20 0207 27 80 |
4 300 |
307 |
|
Land |
Nummer van de groep |
Volgnummer |
GN-code |
Jaarlijkse hoeveelheden voor 2017 |
|
Andere |
5 |
09.4421 |
0207 27 10 0207 27 20 0207 27 80 |
700 |
|
Erga omnes |
6 |
09.4422 |
0207 27 10 0207 27 20 0207 27 80 |
2 485 |
Voor de contingentperiode die begint op 1 januari 2018:
VERLAGING VAN HET GEMEENSCHAPPELIJK DOUANETARIEF MET 100 %
Kip
|
(in ton) |
||||
|
Land |
Nummer van de groep |
Volgnummer |
GN-code |
Jaarlijkse hoeveelheden |
|
Brazilië |
1 |
09.4410 |
0207 14 10 0207 14 50 0207 14 70 |
16 698 |
|
Thailand |
2 |
09.4411 |
0207 14 10 0207 14 50 0207 14 70 |
5 100 |
|
Andere |
3 |
09.4412 |
0207 14 10 0207 14 50 0207 14 70 |
3 300 |
Kalkoen
|
(in ton) |
||||
|
Land |
Nummer van de groep |
Volgnummer |
GN-code |
Jaarlijkse hoeveelheden |
|
Brazilië |
4 |
09.4420 |
0207 27 10 0207 27 20 0207 27 80 |
4 910 |
|
Andere |
5 |
09.4421 |
0207 27 10 0207 27 20 0207 27 80 |
700 |
|
Erga omnes |
6 |
09.4422 |
0207 27 10 0207 27 20 0207 27 80 |
2 485 |
(*1) De extra hoeveelheid is beschikbaar gesteld uit hoofde van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Brazilië die op 30 juni 2017 in werking treedt. Deze extra hoeveelheid is pro rata berekend voor de periode van 30 juni 2017 tot en met 31 december 2017 en is beschikbaar voor certificaataanvragen die worden ingediend voor de deelperiode die begint op 1 oktober 2017.
(*2) De extra hoeveelheid is beschikbaar gesteld uit hoofde van de overeenkomst tussen de Europese Unie en Brazilië die op 30 juni 2017 in werking treedt. Deze extra hoeveelheid is pro rata berekend voor de periode van 30 juni 2017 tot en met 31 december 2017 en is beschikbaar voor certificaataanvragen die worden ingediend voor de deelperiode die begint op 1 oktober 2017.
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/20 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1157 VAN DE COMMISSIE
van 28 juni 2017
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, onder b),
Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld. |
|
(2) |
Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 28 juni 2017.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal
Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.
(3) Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).
BIJLAGE
„BIJLAGE I
|
GN-code |
Omschrijving |
Representatieve prijs (EUR/100 kg) |
In artikel 3 bedoelde zekerheid (EUR/100 kg) |
Oorsprong (1) |
|
0207 12 10 |
Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren |
126,2 |
0 |
AR |
|
0207 12 90 |
Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren |
131,0 |
0 |
AR |
|
138,0 |
0 |
BR |
||
|
0207 14 10 |
Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren |
261,7 |
12 |
AR |
|
202,4 |
29 |
BR |
||
|
301,9 |
0 |
CL |
||
|
213,2 |
26 |
TH |
||
|
0207 27 10 |
Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren |
316,7 |
0 |
BR |
|
332,5 |
0 |
CL |
||
|
0408 91 80 |
Eieren uit de schaal, gedroogd |
362,4 |
0 |
AR |
|
1602 32 11 |
Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken |
215,1 |
21 |
BR |
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/22 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1158 VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2017
tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de procedures en formulieren voor de informatie-uitwisseling van de bevoegde autoriteiten met de Europese Autoriteit voor effecten en markten als bedoeld in artikel 33 van Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (1), en met name artikel 33, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Er dienen gemeenschappelijke procedures en formulieren te worden vastgesteld voor het verstrekken van informatie door de bevoegde autoriteiten aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) over de onderzoeken, sancties en maatregelen als bedoeld in artikel 33 van Verordening (EU) nr. 596/2014. |
|
(2) |
Om de communicatie tussen de bevoegde autoriteiten en de ESMA te vergemakkelijken en onnodige vertragingen of mislukte indieningen te vermijden, moet elke bevoegde autoriteit speciaal voor de indiening van de vereiste informatie een contactpunt aanwijzen. |
|
(3) |
Om ervoor te zorgen dat alle vereiste informatie betreffende door de bevoegde autoriteiten opgelegde sancties en maatregelen door de ESMA correct wordt geïdentificeerd en geregistreerd, moeten de bevoegde autoriteiten gedetailleerde en geharmoniseerde informatie verstrekken onder gebruikmaking van speciaal hiervoor bestemde formulieren. |
|
(4) |
De aan de ESMA over onderzoeken te verstrekken informatie moet consistent en vergelijkbaar zijn om de feitelijke onderzoeksactiviteit die op grond van de verordening marktmisbruik met betrekking tot een bepaald jaar is verricht, tot uitdrukking te brengen. De informatie moet bijgevolg slechts betrekking hebben op de onderzoeken met betrekking waartoe de betrokken autoriteiten gedurende de referentieperiode werkzaamheden hebben verricht. |
|
(5) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de ESMA aan de Commissie heeft voorgelegd. |
|
(6) |
De ESMA heeft geen open publieke raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, en evenmin de potentiële kosten en baten geanalyseerd die gerelateerd zijn aan de invoering van de modelformulieren en standaardprocedures voor de betrokken bevoegde autoriteiten, omdat dat gezien het toepassingsgebied en de impact ervan onevenredig zou zijn, rekening houdend met het feit dat de adressaten van de technische uitvoeringsnormen alleen de bevoegde nationale autoriteiten in de lidstaten zouden zijn en geen marktdeelnemers. |
|
(7) |
De ESMA heeft het advies ingewonnen van de Stakeholdergroep effecten en markten die overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) is opgericht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Definitie
Voor de toepassing van deze verordening wordt onder „elektronische middelen” verstaan: elektronische apparatuur voor de verwerking (met inbegrip van digitale compressie), opslag en verzending van gegevens via draden, radio, optische technologieën of andere elektromagnetische middelen.
Artikel 2
Contactpunten
1. Elke bevoegde autoriteit wijst één enkel contactpunt aan voor het zenden van de in artikel 3 bedoelde informatie en voor communicatie over alle kwesties met betrekking tot het indienen van die informatie.
2. De bevoegde autoriteiten stellen de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) in kennis van de overeenkomstig lid 1 aangewezen contactpunten.
3. De ESMA wijst een contactpunt aan voor het ontvangen van de in de artikelen 3 en 4 bedoelde informatie en voor communicatie over alle kwesties met betrekking tot de ontvangst van die informatie.
4. De ESMA publiceert het in lid 2 bedoelde contactpunt op haar website.
Artikel 3
Jaarlijkse indiening van geaggregeerde informatie
1. De bevoegde autoriteiten verstrekken de in Verordening (EU) nr. 596/2014, artikel 33, leden 1 en 2, bedoelde informatie aan de ESMA door op passende wijze het formulier dat is opgenomen in bijlage I bij deze verordening, in te vullen.
2. De in lid 1 bedoelde informatie wordt uiterlijk op 31 maart van elk jaar aan de ESMA verstrekt en heeft betrekking op alle tijdens het voorgaande kalenderjaar uitgevoerde onderzoeken en opgelegde sancties en maatregelen.
3. De bevoegde autoriteiten verstrekken de ESMA de in lid 1 bedoelde informatie via beveiligde elektronische verzendingsmiddelen.
4. Voor de toepassing van lid 1 belast de ESMA zich met het specificeren en identificeren van de te gebruiken beveiligde elektronische middelen. Die middelen waarborgen de volledigheid, integriteit en vertrouwelijkheid van de informatie tijdens de verzending.
Artikel 4
Procedures en formulieren voor de rapportage
1. De bevoegde autoriteiten rapporteren de in Verordening (EU) nr. 596/2014, artikel 33, lid 3, bedoelde sancties en maatregelen aan de ESMA door middel van de interfaces van het informatietechnologiesysteem en de daarmee verband houdende, door de ESMA opgezette databank voor het beheer van de ontvangst, opslag en publicatie van informatie over die sancties en maatregelen.
2. De in lid 1 bedoelde sancties en maatregelen worden bij de ESMA ingediend in een rapportagebestand in het formaat dat in bijlage II is vastgesteld.
Artikel 5
Ongeldigverklaring en actualisering van verslagen
1. Indien een bevoegde autoriteit een bestaand rapportagebestand dat zij eerder overeenkomstig artikel 4 bij de ESMA heeft ingediend, ongeldig wenst te verklaren, annuleert zij het bestaande rapportagebestand en dient zij een nieuw rapportagebestand in.
2. Indien een bevoegde autoriteit een bestaand rapportagebestand dat zij eerder overeenkomstig artikel 4 bij de ESMA heeft ingediend, wenst te actualiseren, dient zij het rapportagebestand met de geactualiseerde informatie opnieuw in.
Artikel 6
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).
BIJLAGE I
Formulier voor jaarlijkse indiening van geaggregeerde en geanonimiseerde informatie betreffende alle opgelegde sancties en maatregelen en verrichte onderzoeken
BIJLAGE II
Formaat voor kennisgeving van administratieve of strafrechtelijke sancties of andere administratieve maatregelen die openbaar worden gemaakt
|
Veld |
Beschrijving |
Type |
|
Rechtskader |
Acroniem van de wetgevingshandeling van de Unie op grond waarvan de administratieve of strafrechtelijke sancties of andere administratieve maatregelen zijn opgelegd |
Verplicht |
|
Identificatiecode sanctie |
De door de bevoegde autoriteit ten behoeve van de kennisgeving van de administratieve of strafrechtelijke sancties of andere administratieve maatregelen toegewezen identificatiecode |
Facultatief |
|
Lidstaat |
Acroniem van de lidstaat van de bevoegde autoriteit die de sanctie of maatregel indient |
Verplicht |
|
Identificatiecode entiteit |
De identificatiecode gebruikt om een juridische entiteit waaraan een administratieve of strafrechtelijke sanctie of andere administratieve maatregelen zijn opgelegd, op unieke wijze te identificeren ingeval de entiteit een entiteit met een vergunning is op grond van het MiFID– (1), icbe- (2) of BAB-richtlijn (3) rechtskader |
Facultatief (alleen voor rechtspersonen) |
|
Identificatie autoriteit |
Identificatiecode van de autoriteit die de sanctie of maatregel indient |
Verplicht |
|
Rechtskader entiteit |
Acroniem van de wetgevingstekst van de Unie die van toepassing is op de entiteit waaraan de administratieve of strafrechtelijke sanctie of andere administratieve maatregelen zijn opgelegd |
Facultatief (alleen voor rechtspersonen) |
|
Aard van de sanctie |
Informatie over het feit of de gemelde sanctie een strafrechtelijke sanctie, een administratieve sanctie of een administratieve maatregel is |
Verplicht (alleen voor sancties) |
|
Volledige naam entiteit |
Volledige naam van de entiteit waaraan de sanctie is opgelegd, ingeval de entiteit geen vergunning heeft op grond van het MiFID-, icbe- of BAB-richtlijnrechtskader |
Facultatief (alleen voor rechtspersonen) |
|
Volledige naam persoon |
Volledige naam van de personen aan wie een administratieve of strafrechtelijke sanctie of andere administratieve maatregelen zijn opgelegd |
Facultatief (alleen voor natuurlijke personen) |
|
Sanctionerende nationale bevoegde autoriteit |
Acroniem van de bevoegde autoriteit die de administratieve of strafrechtelijke sancties of andere administratieve maatregelen heeft opgelegd |
Verplicht |
|
Vrije tekst |
Tekst van de administratieve of strafrechtelijke sancties of andere administratieve maatregelen in een nationale taal of in het Engels |
Verplicht |
|
Vrije tekst |
Tekst van de administratieve sanctie of maatregel in het Engels |
Facultatief |
|
Datum |
De datum waarop de administratieve of strafrechtelijke sanctie of andere administratieve maatregel is opgelegd |
Verplicht |
|
Vervaldatum |
Datum waarop de gevolgen van de administratieve sanctie of maatregel aflopen |
Facultatief |
(1) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
(2) Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).
(3) Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/31 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1159 VAN DE COMMISSIE
van 29 juni 2017
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2010 van de Raad en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 van de Commissie, wat betreft de productomschrijving in het kader van de bestaande antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op garens met een hoge sterktegraad van polyesters van oorsprong uit de Volksrepubliek China, en waarbij wordt voorzien in de mogelijkheid van terugbetaling of kwijtschelding van rechten in bepaalde gevallen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 14,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
1. Geldende maatregelen
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2010 (2) („de oorspronkelijke verordening”) heeft de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld op garens met een hoge sterktegraad van polyesters („GHS”) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („China”). |
|
(2) |
Na een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen („het nieuwe onderzoek”) op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening zijn de oorspronkelijke maatregelen bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 van de Commissie (3) („de NOVM-verordening”) met vijf jaar verlengd. |
|
(3) |
De opgelegde maatregelen bestonden uit een ad-valoremrecht met een residueel recht van 9,8 %, terwijl voor de ondernemingen waarvoor antidumpingrechten werden ingesteld, individuele rechten tussen 5,1 % en 9,8 % werden vastgesteld. Uit het oorspronkelijke onderzoek bleek dat twee ondernemingen zich niet schuldig maakten aan dumping. |
2. Opening van een tussentijds nieuw onderzoek
|
(4) |
Een Sloveense importeur, A&E Europe („de indiener van het verzoek”), heeft op 4 oktober 2016 een verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening ingediend. De indiener van het verzoek verzocht om uitsluiting van bepaalde soorten naaigaren („NG”), namelijk naaigarens van ongebleekte stoffen („NGOS”), van het toepassingsgebied van de huidige maatregelen vanwege hun vermeende afwijkende fysische en technische eigenschappen. |
|
(5) |
Nadat de Europese Commissie („de Commissie”), na kennisgeving aan de lidstaten, tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te openen, heeft zij met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (4) („het bericht van opening”) de opening aangekondigd van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van GHS van oorsprong uit China. |
|
(6) |
Het huidige nieuwe onderzoek heeft uitsluitend betrekking op de productomschrijving en beoogt te verduidelijken of bepaalde soorten NG, met name NGOS, binnen het toepassingsgebied van de oorspronkelijke maatregelen, zoals verlengd, vallen. |
|
(7) |
Het argument van de indiener van het verzoek werd uitdrukkelijk gesteund door één van de producenten in de Unie van GHS (DuraFiber), waarvan in het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen was gebleken dat hij goed was voor 49 % van de productie van GHS in de Unie. |
|
(8) |
De vertegenwoordigers van de indiener van het verzoek werden uitgenodigd om hun zaak bij de Commissie te bepleiten. Die bijeenkomst heeft op 29 september 2016 plaatsgevonden. |
3. Bij het nieuwe onderzoek betrokken partijen
|
(9) |
De vier bekende producenten van GHS in de Unie, hun vereniging en de vertegenwoordiger van het land van uitvoer zijn door de Commissie in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. |
|
(10) |
De Commissie heeft de bovengenoemde partijen en alle andere partijen die zichzelf binnen de in het bericht van opening vermelde termijn bekend hadden gemaakt, verzocht informatie in te dienen. De Commissie heeft de belanghebbenden ook in de gelegenheid gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
|
(11) |
Geen van de Chinese producenten-exporteurs noch hun vereniging heeft zich tijdens de procedure gemeld. |
|
(12) |
Geen van de partijen heeft tijdens het onderzoek om een hoorzitting verzocht. |
|
(13) |
Amann Group was de enige importeur van NGOS en gebruiker van GHS die zich als belanghebbende voor dit onderzoek heeft gemeld. De onderneming meldde zich op eigen initiatief en steunde het verzoek van de indiener om NGOS van de productomschrijving van de bestaande maatregelen uit te sluiten. Deze belanghebbende sprak zich ook uit tegen de argumenten van de vereniging van producenten van GHS in de Unie, die hieronder in de overwegingen 15 tot en met 20 zijn uiteengezet. |
|
(14) |
Geen van de producenten in de Unie van het betrokken product heeft zich tijdens het nieuwe onderzoek gemeld. |
|
(15) |
De European Man-Made Fibres Association (CIRFS) heeft opmerkingen ingediend waarin zij zich uitsprak tegen een wijziging van de bestaande productomschrijving. Ten eerste stelde de CIRFS dat het voorwerp van het verzoek onder de bevoegdheid van de nationale douaneautoriteiten zou vallen, gezien hun rol in de uitvoering van de basisverordening, in plaats van aanleiding te geven tot een nieuw onderzoek van de productomschrijving. |
|
(16) |
Hierbij moet evenwel worden opgemerkt dat antidumpingmaatregelen worden ingesteld voor specifieke producten en dat een adequate productomschrijving derhalve een essentieel element is voor de correcte toepassing van de maatregelen. Op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening kan de noodzaak tot handhaving van de maatregelen worden getoetst en kan met name de productomschrijving opnieuw worden geëvalueerd om te verduidelijken of bepaalde productsoorten binnen de definitie van het toepassingsgebied van een antidumpingmaatregel vallen. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(17) |
Ten tweede voerde de CIRFS aan dat de in overweging 7 vermelde steunverklaring afkomstig was van DuraFiber, en dat die onderneming slechts één van de vier producenten was die als klager om het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen hadden verzocht. De overige drie producenten zouden naar verluidt gekant zijn tegen het verzoek om een nieuw onderzoek. Aangezien in dit verband echter geen bewijsmateriaal of specifieke verklaringen van andere producenten waren ontvangen, werd het argument verworpen. |
|
(18) |
Ten derde voerde de CIRFS aan dat andere gebruikers en/of importeurs zich ook zouden kunnen laten inspireren door het verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek en ook zouden kunnen gaan verzoeken om de uitsluiting van andere soorten GHS met bepaalde specifieke en bijzondere kenmerken. Volgens de CIRFS zijn de mogelijkheden in dit verband eindeloos en moet het prefix „ex” niet voor de GN-code worden geplaatst om versnippering te voorkomen. In dit verband moet worden opgemerkt dat dit nieuwe onderzoek beperkt is tot de vraag of bepaalde soorten naaigarens (naaigarens van ongebleekte stoffen) onder de productomschrijving vallen. Elke belanghebbende heeft het recht te verzoeken om een verduidelijking of bepaalde producten al dan niet onder de productomschrijving van antidumpingmaatregelen vallen. De Commissie beoordeelt op individuele basis in hoeverre elk verzoek gegrond is en opent een procedure wanneer zulks gerechtvaardigd is. Het argument werd derhalve afgewezen. |
|
(19) |
Ten vierde voerde de CIRFS aan dat het niveau van deskundigheid op het gebied van vezels en textiel bij de douanediensten in verschillende lidstaten niet consistent zou zijn, waardoor twijfel ontstaat over de correcte toepassing van de antidumpingmaatregelen en de opsporing van mogelijke ontwijking. In dit verband moet worden opgemerkt dat alle douanebeambten in alle lidstaten gebonden zijn door hetzelfde douanestelsel van de Unie. Als een partij zich zorgen maakt over het bestaan van mogelijke ontwijkingspraktijken, kan zij de Commissie verzoeken tot de opening van een ontwijkingsonderzoek op grond van artikel 13, lid 3, van de basisverordening. Aangezien de CIRFS geen dergelijk verzoek heeft ingediend en haar beweringen niet heeft gestaafd, werd het argument afgewezen. |
|
(20) |
Ten vijfde en laatste voerde de CIRFS aan dat het verzoek pas in een zeer laat stadium was ingediend en dat steunverklaring een paar dagen na de opening van het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen was opgesteld. In dit verband moet erop worden gewezen dat in de basisverordening geen termijn is vastgesteld voor het indienen van een verzoek om een onderzoek met betrekking tot de verduidelijking van de productomschrijving. Het argument werd daarom afgewezen. |
B. BETROKKEN PRODUCT EN ONDERZOCHT PRODUCT
1. Betrokken product
|
(21) |
Het betrokken product, zoals omschreven in artikel 1, lid 1, van de NOVM-verordening, betreft garens met een hoge sterktegraad (andere dan naaigarens) van polyesters, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, inclusief monofilamenten van minder dan 67 decitex, van oorsprong uit de VRC („het betrokken product” of „GHS”), momenteel ingedeeld onder GN-code 5402 20 00. |
|
(22) |
In aantekening 5 bij afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur worden „naaigarens” (NG) als volgt gedefinieerd: „[…] worden als „naaigarens” aangemerkt, getwijnde of gekabelde garens, die aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
2. Onderzocht product
|
(23) |
In zijn verzoek om een nieuw onderzoek stelde de indiener dat „naaigarens van ongebleekte stoffen” („het onderzochte product” of „NGOS”), dat wil zeggen ongeverfde en/of onafgewerkte naaigarens in hun hoedanigheid na de laatste vlechting, niet binnen het toepassingsgebied van de maatregelen zouden moeten vallen. |
|
(24) |
De indiener van het verzoek legde uit dat de Sloveense douaneautoriteiten de aangifte van het onderzochte product als NG niet konden aanvaarden, aangezien het gewicht van de ingevoerde producten meer bedroeg dan de grenswaarde van 1 000 g (met inbegrip van het opwindmiddel) en dus niet voldaan zou worden aan de hierboven vermelde voorwaarde a) in aantekening 5 bij afdeling XI van de gecombineerde nomenclatuur. Het onderzochte product wordt feitelijk ingevoerd met een gewicht van niet meer dan 2 000 g (met inbegrip van het opwindmiddel). |
C. BEVINDINGEN VAN HET ONDERZOEK
|
(25) |
Om te beoordelen of NGOS onder de oorspronkelijke maatregelen viel, onderzocht de Commissie of NGOS en GHS dezelfde fysische, chemische en technische basiskenmerken en dezelfde gebruiksdoeleinden hebben. De onderlinge verwisselbaarheid en de concurrentie tussen NGOS en GHS werden eveneens beoordeeld. Tevens werd alle informatie met betrekking tot het toepassingsgebied van de bestaande antidumpingmaatregelen verzameld en gecontroleerd. |
|
(26) |
GHS is het basismateriaal voor de productie van NG, wat derhalve een downstreamproduct is van het product waarop de maatregelen van toepassing zijn. Bijgevolg verschilt de vereiste apparatuur voor de productie van het onderzochte product (NGOS) volledig van die van het betrokken product (GHS). Dit werd bevestigd tijdens een controlebezoek aan een Europese fabrikant, Amann Group, en tijdens de controlebezoeken die in het kader van het recente nieuwe onderzoek bij het vervallen van de geldende maatregelen zijn afgelegd bij de producenten van het betrokken product in de Unie. |
|
(27) |
Uit het onderzoek is voorts gebleken dat NGOS niet langer geschikt is voor de gebruiksvormen waarvoor GHS doorgaans als basismateriaal dienst doet, omdat het bestaat uit GHS dat op zekere wijze volgens een „Z”-vormig patroon tot naaigaren is gevlochten. |
|
(28) |
In feite voldoet het onderzochte product aan de eisen om in wezen als NG te worden beschouwd, een product dat buiten het toepassingsgebied van de oorspronkelijke maatregelen valt, hoewel het niet voldoet aan twee voorwaarden van de relevante aantekening bij de afdeling van de gecombineerde nomenclatuur over „naaigarens”: 1) het weegt meer dan 1 000 g wanneer het op een opwindmiddel is opgemaakt (een geperforeerde spoel van plastic waar het product losjes op is gewonden om het later te kunnen verven en appreteren); en 2) het is niet geappreteerd met het oog op gebruik als „naaigaren”. |
|
(29) |
In tegenstelling tot de twee genoemde voorwaarden is vlechting volgens een „Z”-vormig patroon („Z-twisting”) echter een doorslaggevende factor voor de toepassingen van het product. De vervaardiging van NGOS vereist dat twee of meer strengen GHS een proces van Z-twisting ondergaan dat op onomkeerbare wijze de fysische kenmerken van het GHS zodanig veranderd dat het gevlochten product niet geschikt is om in de plaats van GHS te worden gebruikt. Het proces van Z-twisting op zich transformeert het GHS in wezen in een soort van (halfafgewerkt) naaigaren (NGOS) dat klaar is om later te worden gekleurd en/of gesmeerd. Zodra NGOS is vervaardigd, is het proces onomkeerbaar. Er is dus geen sprake van onderlinge verwisselbaarheid van GHS (het betrokken product) en NGOS (het onderzochte product). |
|
(30) |
Uit de bovenstaande bevindingen blijkt dus dat NGOS en GHS twee verschillende producten zijn. |
|
(31) |
Verder herinnert de Commissie eraan dat dit nieuwe onderzoek beperkt was tot de verduidelijking van de productomschrijving en dat zij heeft vastgesteld dat NGOS niet binnen het toepassingsgebied van de oorspronkelijke maatregelen had moeten vallen. |
D. CONCLUSIE INZAKE DE PRODUCTOMSCHRIJVING
|
(32) |
Uit het nieuwe onderzoek is gebleken dat het betrokken product in het oorspronkelijke onderzoek, GHS, en het onderzochte product, NGOS, twee verschillende producten zijn. |
|
(33) |
Daarnaast was het nooit de bedoeling dat NGOS binnen het toepassingsgebied van het antidumpingonderzoek inzake GHS zou vallen en maakte het geen deel uit van de analyse waarop de bevindingen inzake dumping en schade oorspronkelijk werden gebaseerd. |
|
(34) |
De door de indiener van het verzoek voorgestelde wijziging in de productomschrijving in de oorspronkelijke verordening, namelijk om de algemene uitsluiting van NG in de productomschrijving te vervangen door de algemene uitsluiting van NGOS, gekoppeld aan de invoering van een maximaal spoelgewicht van 2 kg, kan evenwel niet worden aanvaard. Een dergelijke wijziging zou het toepassingsgebied van de oorspronkelijke maatregelen kunstmatig uitbreiden, aangezien de rechten van toepassing zouden worden op alle NG die geen NGOS zijn. Verder stelde een andere importeur die zich tijdens het nieuwe onderzoek kenbaar had gemaakt een nog hogere drempelwaarde van 2,5 kg voor, omdat hij spoelen met een dergelijk gewicht invoert. |
|
(35) |
Het is derhalve passend om de formulering van de productomschrijving van de geldende antidumpingmaatregelen te wijzigen om duidelijkheid te scheppen over de uitsluiting van zowel NG als NGOS, waarbij NGOS een tussenproduct is bij de vervaardiging van NG. Om toekomstige vorderingen met betrekking tot de specifieke gewichtsbeperking van NGOS te voorkomen, moet de specifieke gewichtsbeperking uit de definitie van het betrokken product worden geschrapt. |
|
(36) |
Op basis van het bovenstaande moet de omschrijving van het betrokken product als volgt zijn: Bij het betrokken product gaat het om garens met een hoge sterktegraad, van polyesters, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, inclusief monofilamenten van minder dan 67 decitex (met uitzondering van naaigarens en volgens een „Z”-vormig patroon gevlochten getwijnde of gekabelde garens, bestemd voor de productie van naaigarens, klaar om te worden geverfd en een afwerkende behandeling te krijgen, losjes op een plastic geperforeerde buis gewonden), momenteel ingedeeld onder GN-code 5402 20 00 (Taric-code 5402200010) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China. |
|
(37) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen heeft de indiener van het verzoek opmerkingen en suggesties ingediend met betrekking tot de voorgestelde gewijzigde productomschrijving. De indiener van het verzoek herhaalde zijn bezorgdheid over de mogelijke problemen bij de praktische uitvoering van de maatregelen door de nationale douaneautoriteiten en het meest geschikte onderscheidende kenmerk om naaigarens van ongebleekte stoffen van de productomschrijving uit te sluiten. |
|
(38) |
Op basis van het onderzoek is geconcludeerd dat de frase „klaar om te worden geverfd en een afwerkende behandeling te krijgen” op passende wijze de fysische kenmerken van de „volgens een „Z”-vormig patroon gevlochten getwijnde of gekabelde garens” beschrijft door te verduidelijken dat de getwijnde of gekabelde garens wel volgens een „Z„-vormig patroon gevlochten, maar niet geverfd of afgewerkt zijn. De uitdrukking” losjes op […] gewonden” beschrijft een van de twee kenmerken van het verpakkingstype. Het andere kenmerk van het verpakkingstype is beschreven met de uitdrukking „een plastic geperforeerde buis”. |
|
(39) |
Wat betreft de door de indiener van het verzoek kenbaar gemaakte bezorgdheid over mogelijke problemen met de praktische toepassing van de gewijzigde productomschrijving door de douaneautoriteiten, moet in de eerste plaats worden opgemerkt dat de productomschrijving duidelijk is vastgesteld door een handeling van de Unie, namelijk een uitvoeringsverordening van de Commissie. De uitdrukking „losjes op […] gewonden” wordt aan de productomschrijving toegevoegd om het gemakkelijker te maken losjes gewonden spoelen te onderscheiden van strak gewonden spoelen met GHS, waarop maatregelen van toepassing zijn. Ten tweede is het verschil in losheid van de wikkeling tussen de losjes gewonden spoelen met NGOS en de strak gewonden spoelen met GHS — ook al zijn er wellicht gradaties in de mate van losheid — zo duidelijk dat er geen risico bestaat op misleiding van de douaneautoriteiten. |
|
(40) |
Ten slotte suggereerde de indiener van het verzoek weliswaar dat de opname van een onderscheidend kenmerk op basis van een gewichtsbeperking in de productomschrijving het volgen van de productomschrijving door de douaneautoriteiten zou kunnen vergemakkelijken, maar hij liet daarbij na te beargumenteren waarom het passend zou zijn de drempel tot 2,5 kg te beperken zonder het risico te lopen producenten die gelijkaardige producten met een hoger gewicht invoeren, te discrimineren. Om de hierboven genoemde redenen werden de aanvullende door de indiener van het verzoek kenbaar gemaakte suggesties afgewezen en werd de in overweging 36 uiteengezette definitie passend geacht. |
E. TOEPASSING MET TERUGWERKENDE KRACHT
|
(41) |
Aangezien dit nieuwe onderzoek beperkt was tot de verduidelijking van de productomschrijving en NGOS niet onder de oorspronkelijke maatregelen had moeten vallen, wordt het passend geacht dat de conclusie van dit nieuwe onderzoek, om te voorkomen dat importeurs van het onderzochte product daarmee verband houdende schade ondervinden met terugwerkende kracht wordt toegepast vanaf de datum van inwerkingtreding van de oorspronkelijke verordening, met inbegrip van de invoer waarop tussen 1 juni 2010 en 2 december 2010 voorlopige rechten van toepassing waren. |
|
(42) |
In het bericht van opening werden belanghebbenden uitdrukkelijk uitgenodigd hun mening te geven over de vraag of de conclusies eventueel met terugwerkende kracht moeten worden toegepast. De indiener van het verzoek en een importeur van NGOS spraken hun steun uit voor toepassing met terugwerkende kracht, en geen van de belanghebbenden maakte er bezwaar tegen dat de resultaten van het nieuwe onderzoek met terugwerkende kracht zouden worden toegepast. |
|
(43) |
Bijgevolg kunnen de definitief geïnde voorlopige rechten en de definitieve antidumpingrechten die zijn betaald op de invoer van NGOS in de Unie op grond van Verordening (EU) nr. 478/2010 (5) van de Commissie en de oorspronkelijke verordening betreffende de invoer van garens met een hoge sterktegraad van polyesters van oorsprong uit de Volksrepubliek China, zoals verlengd bij de NOVM-verordening door de nationale douaneautoriteiten worden terugbetaald of kwijtgescholden overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving. Als de termijn van drie jaar zoals bedoeld in artikel 121, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) vóór of op de datum van bekendmaking van deze verordening is verstreken, of als hij binnen zes maanden na die datum verstrijkt, dan wordt de termijn, overeenkomstig artikel 121, lid 1, tweede alinea van Verordening (EU) nr. 952/2013, verlengd met een periode van zes maanden na de datum van bekendmaking van deze verordening. |
|
(44) |
Dit nieuwe onderzoek heeft geen invloed op de datum waarop de NOVM-verordening overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening vervalt. |
F. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(45) |
Alle belanghebbenden werden op de hoogte gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen die tot voornoemde conclusies hebben geleid, en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Zij konden hierover ook binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. |
|
(46) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1036 ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2010 wordt lid 1 vervangen door:
„1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op garens met een hoge sterktegraad van polyesters, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, inclusief monofilamenten van minder dan 67 decitex, (met uitzondering van naaigarens en volgens een „Z”-vormig patroon gevlochten getwijnde of gekabelde garens, bestemd voor de productie van naaigarens, klaar om te worden geverfd en een afwerkende behandeling te krijgen, losjes op een plastic geperforeerde buis gewonden), momenteel ingedeeld onder GN-code 5402 20 00 (Taric-code 5402200010) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China.”.
Artikel 2
In artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 wordt lid 1 vervangen door:
„1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op garens met een hoge sterktegraad van polyesters, niet opgemaakt voor de verkoop in het klein, inclusief monofilamenten van minder dan 67 decitex, (met uitzondering van naaigarens en volgens een „Z”-vormig patroon gevlochten getwijnde of gekabelde garens, bestemd voor de productie van naaigarens, klaar om te worden geverfd en een afwerkende behandeling te krijgen, losjes op een plastic geperforeerde buis gewonden), momenteel ingedeeld onder GN-code 5402 20 00 (Taric-code 5402200010) en van oorsprong uit de Volksrepubliek China.”.
Artikel 3
Voor goederen die niet vallen onder artikel 1, lid 1, van Verordening (EU) nr. 478/2010 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2010, als verlengd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 en gewijzigd bij deze verordening, worden de definitieve antidumpingrechten die krachtens artikel 1, lid 1, van Verordening (EU) nr. 478/2010 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2010, zoals verlengd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2017/325, vóór de wijziging bij deze verordening zijn betaald of in de boeken zijn opgenomen, door de nationale douaneautoriteiten terugbetaald of kwijtgescholden overeenkomstig de toepasselijke douanewetgeving.
Als de termijn van drie jaar zoals bedoeld in artikel 121, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 952/2013 vóór of op de datum van bekendmaking van deze verordening is verstreken, of als hij binnen zes maanden na die datum verstrijkt, dan wordt de termijn, overeenkomstig artikel 121, lid 1, tweede alinea van Verordening (EU) nr. 952/2013, verlengd met een periode van zes maanden na de datum van bekendmaking van deze verordening.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is met terugwerkende kracht van toepassing vanaf 2 december 2010.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juni 2017.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1105/2010 van de Raad van 29 november 2010 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op garens met een hoge sterktegraad van polyesters van oorsprong uit de Volksrepubliek China en tot beëindiging van de procedure betreffende de invoer van garens met een hoge sterktegraad van polyesters van oorsprong uit de Republiek Korea en Taiwan (PB L 315 van 1.12.2010, blz. 1).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) 2017/325 van de Commissie van 24 februari 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op garens met een hoge sterktegraad van polyesters van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 49 van 25.2.2017, blz. 6).
(4) PB C 384 van 18.10.2016, blz. 15.
(5) Verordening (EU) nr. 478/2010 van de Commissie van 1 juni 2010 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op garens met een hoge sterktegraad, van polyesters, van oorsprong uit de Volksrepubliek China (PB L 135 van 2.6.2010, blz. 3).
(6) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
BESLUITEN
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/37 |
BESLUIT (GBVB) 2017/1160 VAN HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ
van 26 juni 2017
tot benoeming van de commandant van de EU-missiestrijdkrachten van de militaire missie van de Europese Unie om de Somalische veiligheidstroepen te helpen opleiden (EUTM Somalia) (EUTM Somalia/1/2017)
HET POLITIEK EN VEILIGHEIDSCOMITÉ,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 38,
Gezien Besluit 2010/96/GBVB van de Raad van 15 februari 2010 betreffende een militaire missie van de Europese Unie om de Somalische veiligheidstroepen te helpen opleiden (1), en met name artikel 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij artikel 5, lid 1, van Besluit 2010/96/GBVB, heeft de Raad het Politiek en Veiligheidscomité (PVC) gemachtigd om overeenkomstig artikel 38 van het Verdrag betreffende de Europese Unie de nodige besluiten te nemen ten behoeve van de politieke controle op en de strategische leiding van de militaire missie van de Europese Unie om de Somalische veiligheidstroepen te helpen opleiden (EUTM Somalia), met inbegrip van de besluiten tot benoeming van de volgende commandanten van de EU-missie. |
|
(2) |
Het PVC heeft op 15 maart 2016 Besluit (GBVB) 2016/396 (2) vastgesteld, waarbij brigadegeneraal Maurizio MORENA werd benoemd tot commandant van de EU-missie voor EUTM Somalia. |
|
(3) |
Besluit (EU) 2017/971 van de Raad (3) heeft de commandostructuur van EUTM Somalia gewijzigd. Bijgevolg is Besluit (GBVB) 2016/396 ingetrokken en is brigadegeneraal Maurizio MORENA benoemd tot commandant van de EU-missiestrijdkrachten van EUTM Somalia. |
|
(4) |
Italië heeft op 10 maart 2017 voorgesteld kolonel Pietro ADDIS te benoemen tot commandant van de EU-missiestrijdkrachten van EUTM Somalia, ter vervanging van brigadegeneraal Maurizio MORENA. |
|
(5) |
Het Militair Comité van de EU heeft op 23 mei 2017 het PVC aanbevolen kolonel Pietro ADDIS met ingang van 1 juli 2017 te benoemen tot commandant van de EU-missiestrijdkrachten van EUTM Somalia, ter vervanging van brigadegeneraal Maurizio MORENA. |
|
(6) |
Overeenkomstig artikel 5 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, neemt Denemarken niet deel aan de uitwerking en de uitvoering van besluiten en acties van de Europese Unie die gevolgen hebben op defensiegebied. Denemarken neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van dit besluit, dat bijgevolg niet bindend is voor, noch van toepassing is op deze lidstaat, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Brigadegeneraal Pietro ADDIS wordt met ingang van 1 juli 2017 benoemd tot EU-missiecommandant voor de militaire missie van de Europese Unie om de Somalische veiligheidstroepen te helpen opleiden (EUTM Somalia).
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag van de vaststelling ervan.
Gedaan te Brussel, 26 juni 2017.
Voor het Politiek en Veiligheidscomité
De voorzitter
W. STEVENS
(1) PB L 44 van 19.2.2010, blz. 16.
(2) Besluit (GBVB) 2016/396 van het Politiek en Veiligheidscomité van 15 maart 2016 houdende benoeming van de EU-missiecommandant voor de militaire missie van de Europese Unie om de Somalische veiligheidstroepen te helpen opleiden (EUTM Somalia) en tot intrekking van Besluit (GBVB) 2015/173 (EUTM Somalia/1/2016) (PB L 73 van 18.3.2016, blz. 99).
(3) Besluit (EU) 2017/971 van 8 juni 2017 tot bepaling van de plannings- en uitvoeringsregelingen voor niet-uitvoerende militaire GVDB-missies van de EU en tot wijziging van Besluit 2010/96/GBVB betreffende een militaire missie van de Europese Unie om de Somalische veiligheidstroepen te helpen opleiden, Besluit 2013/34/GBVB betreffende een militaire missie van de Europese Unie om de Malinese strijdkrachten te helpen opleiden (EUTM Mali) en Besluit (GBVB) 2016/610 betreffende een militaire GVDB-opleidingsmissie van de Europese Unie in de Centraal-Afrikaanse Republiek (EUTM RCA) (PB L 146 van 9.6.2017, blz. 133).
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/39 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/1161 VAN DE COMMISSIE
van 23 juni 2017
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/159 van de Commissie tot vaststelling van de voorwaarden voor de indiening van subsidieaanvragen en betalingsverzoeken, en de informatie hieromtrent, ten aanzien van de noodmaatregelen ter bestrijding van voor planten schadelijke organismen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 4221)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (1), en met name artikel 36, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/159 van de Commissie (2) worden de voorwaarden vastgesteld voor de indiening van subsidieaanvragen en betalingsverzoeken, en de informatie hieromtrent, ten aanzien van de noodmaatregelen ter bestrijding van voor planten schadelijke organismen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 652/2014. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 54 van Verordening (EU) nr. 652/2014 is artikel 18, lid 1, onder d), van die verordening met ingang van 1 januari 2017 van toepassing. Opdat de kosten voor de compensatie van de betrokken eigenaars voor de waarde van de vernietigde planten, plantaardige producten en andere materialen die onder de in artikel 18 van die verordening bedoelde maatregelen vallen, zouden zijn inbegrepen in de maatregelen als bedoeld in artikel 1 van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/159, moet dat besluit dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(3) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/159
Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/159 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1, eerste alinea, wordt vervangen door: „Om een financiële bijdrage van de Unie te verkrijgen, dienen de lidstaten uiterlijk twee maanden na de officiële bevestiging van de aanwezigheid van een in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 652/2014 bedoeld plaagorganisme, voorlopige informatie in met betrekking tot de uitbraak van het plaagorganisme. Die voorlopige informatie wordt ingediend met gebruikmaking van een elektronisch dossier overeenkomstig het model in bijlage I bij dit besluit. De in de artikelen 1 en 2 van Uitvoeringsbesluit 2014/917/EU omschreven officiële kennisgevingen aan de Commissie worden als dergelijke voorlopige informatie beschouwd.”. |
|
2) |
Artikel 1, tweede alinea, wordt vervangen door: „Uiterlijk zes maanden na de officiële bevestiging van de aanwezigheid van een plaagorganisme dienen de lidstaten overeenkomstig artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 652/2014 een subsidieaanvraag in bij de Commissie met gebruikmaking van een elektronisch dossier overeenkomstig de modellen 1 en 2 in bijlage II bij dit besluit.”. |
|
3) |
In artikel 1, derde alinea, wordt het volgende punt ingevoegd:
|
|
4) |
Artikel 1, vijfde alinea, wordt vervangen door: „Subsidieaanvragen voor de geraamde kosten die essentieel zijn voor de uitroeiing en/of inperking van een plaagorganisme waarvoor in eerdere kalenderjaren reeds een aanvraag was ingediend, bevatten de bijgewerkte versies van bijlage II (1 en 2) bij dit besluit.”. |
|
5) |
In artikel 2 worden de punten a) en b) als volgt vervangen en wordt het volgende punt c) ingevoegd:
|
|
6) |
Artikel 4 wordt vervangen door: „Artikel 4 Dit besluit is van toepassing op uitbraken van plaagorganismen waarvan de Commissie vanaf 1 januari 2017 in kennis is gesteld.”. |
|
7) |
De bijlagen I, II, III en IV worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit. |
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 23 juni 2017.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1.
(2) Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/159 van de Commissie van 4 februari 2016 tot vaststelling van de voorwaarden voor de indiening van subsidieaanvragen en betalingsverzoeken, en de informatie hieromtrent, ten aanzien van de noodmaatregelen ter bestrijding van voor planten schadelijke organismen als bedoeld in Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 31 van 6.2.2016, blz. 51).
BIJLAGE
De bijlagen bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/159 worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage I wordt vervangen door: |
|
2) |
Bijlage II wordt vervangen door: ” |
|
3) |
Bijlage III wordt vervangen door: ” |
|
4) |
De volgende bijlage IV wordt toegevoegd: ” |
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/55 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/1162 VAN DE COMMISSIE
van 28 juni 2017
tot vaststelling van bepaalde tijdelijke beschermende maatregelen in verband met Afrikaanse varkenspest in Tsjechië
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 4597)
(Slechts de tekst in de Tsjechische taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 3,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Afrikaanse varkenspest is een virale infectieziekte bij als huisdier gehouden varkens en bij wilde varkens en kan ernstige gevolgen hebben voor de rentabiliteit van de varkenshouderij waardoor de handel in de Unie en de uitvoer naar derde landen worden verstoord. |
|
(2) |
Bij een uitbraak van Afrikaanse varkenspest bestaat het risico dat de ziekteverwekker naar andere varkenshouderijen en naar wilde varkens wordt verspreid. Dan kan de ziekte zich van de ene lidstaat naar de andere en naar derde landen verspreiden door de handel in levende varkens of producten daarvan. |
|
(3) |
Bij Richtlijn 2002/60/EG van de Raad (3) zijn in de Unie toe te passen minimummaatregelen ter bestrijding van Afrikaanse varkenspest vastgesteld. Artikel 15 van Richtlijn 2002/60/EG voorziet in de afbakening van een besmet gebied na de bevestiging van één of meer gevallen van Afrikaanse varkenspest bij wilde varkens. |
|
(4) |
Tsjechië heeft de Commissie in kennis gesteld van de huidige situatie op het gebied van Afrikaanse varkenspest op zijn grondgebied en heeft overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2002/60/EG een besmet gebied afgebakend waar de in artikel 15 van die richtlijn bedoelde maatregelen worden toegepast. |
|
(5) |
Om te voorkomen dat de handel in de Unie onnodig wordt verstoord en om te vermijden dat derde landen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opwerpen, moet het besmette gebied voor Afrikaanse varkenspest in Tsjechië in samenwerking met die lidstaat op het niveau van de Unie worden vastgesteld. |
|
(6) |
Dienovereenkomstig moet, in afwachting van de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, het besmette gebied in Tsjechië in de bijlage bij dit besluit worden opgenomen en moet de duur van die regionalisering worden vastgesteld. |
|
(7) |
Dit besluit moet opnieuw worden bekeken tijdens de volgende vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Tsjechië ziet erop toe dat het overeenkomstig artikel 15 van Richtlijn 2002/60/EG afgebakende besmette gebied ten minste de gebieden omvat die in de bijlage bij dit besluit als besmet gebied zijn opgenomen.
Artikel 2
Dit besluit is van toepassing tot en met 30 september 2017.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot Tsjechië.
Gedaan te Brussel, 28 juni 2017.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.
(2) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(3) Richtlijn 2002/60/EG van de Raad van 27 juni 2002 houdende vaststelling van specifieke bepalingen voor de bestrijding van Afrikaanse varkenspest en houdende wijziging van Richtlijn 92/119/EEG met betrekking tot besmettelijke varkensverlamming (Teschenerziekte) en Afrikaanse varkenspest (PB L 192 van 20.7.2002, blz. 27).
BIJLAGE
|
Als besmet gebied in Tsjechië afgebakende gebieden als bedoeld in artikel 1 |
Datum einde geldigheid |
|
Het district Zlín |
30 september 2017 |
Rectificaties
|
30.6.2017 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 167/58 |
Rectificatie van Richtlijn (EU) 2016/1164 van de Raad van 12 juli 2016 tot vaststelling van regels ter bestrijding van belastingontwijkingspraktijken welke rechtstreeks van invloed zijn op de werking van de interne markt
( Publicatieblad van de Europese Unie L 193 van 19 juli 2016 )
(Gerectificeerde versie in PB L 234 van 31 augustus 2016 )
De onderstaande referenties hebben betrekking op de publicatie in PB L 234 van 31.8.2016
|
1. |
De term „hybride mismatches” wordt in de geschikte grammaticale vorm vervangen door „hybridemismatches” in de gehele richtlijn. |
|
2. |
De termen „openbare infrastructuurproject” en „openbaar infrastructuurproject” worden in de geschikte grammaticale vorm vervangen door „openbare-infrastructuurproject” in de gehele richtlijn. |
|
3. |
De term „zakelijkheidsbeginsel (arm's length principle)” wordt in de geschikte grammaticale vorm vervangen door „zakelijkheidsbeginsel („arm's length principle”)” in de gehele richtlijn. |
|
4. |
Bladzijde 27, overweging 6, eerste zin: |
in plaats van:
„… zijn groepsmaatschappijen door middel van …”,
lezen:
„… zijn groepen van vennootschappen door middel van …”.
|
5. |
Bladzijde 27, overweging 7, eerste zin: |
in plaats van:
„Wanneer de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep die een wettelijk voorgeschreven geconsolideerde jaarrekening opmaakt, …”,
lezen:
„Wanneer de belastingplichtige deel uitmaakt van een groep die een wettelijk voorgeschreven geconsolideerde jaarrekening neerlegt, …”.
|
6. |
Bladzijde 28, overweging 8, eerste zin: |
in plaats van:
„Om de met de regels gepaard gaande administratieve en nalevingslasten terug te dringen zonder het fiscale effect ervan aanmerkelijk te verminderen, kan het passend zijn te voorzien in een „safe harbour rule” (veilige havenregel), zodat …”,
lezen:
„Om de met de regels gepaard gaande administratieve en nalevingslasten terug te dringen zonder het fiscale effect ervan aanmerkelijk te verminderen, kan het passend zijn te voorzien in een veiligehavenregel („safe harbour rule”), zodat …”.
|
7. |
Bladzijde 29, overweging 12, achtste zin: |
in plaats van:
„Teneinde een hoger beschermingsniveau te waarborgen, zouden de lidstaten de deelnemingsdrempel kunnen verlagen, …”,
lezen:
„Teneinde een hoger beschermingsniveau te waarborgen, zouden de lidstaten de drempel voor controlerend belang kunnen verlagen, …”.
|
8. |
Bladzijde 29, overweging 13, derde zin: |
in plaats van:
„Om de effecten van hybride mismatchstructuren te neutraliseren, …”,
lezen:
„Om de effecten van hybridemismatchstructuren te neutraliseren, …”.
|
9. |
Bladzijde 29, overweging 13, laatste zin: |
in plaats van:
„Het is van cruciaal belang dat verder wordt gewerkt aan hybride mismatches tussen de lidstaten en derde landen, …”,
lezen:
„Het is van cruciaal belang dat meer wordt gedaan aan hybridemismatches tussen de lidstaten en derde landen, …”.
|
10. |
Bladzijde 31, artikel 2, punt 1: |
in plaats van:
„…, gekapitaliseerde rente opgenomen in de balanswaarde van een gerelateerd actief, of de afschrijving van gekapitaliseerde rente, bedragen bepaald door verwijzing naar een financieringsopbrengst onder verrekenprijsregels waar van toepassing, notionele rentebedragen in het kader van …”,
lezen:
„…, gekapitaliseerde rente opgenomen in de balanswaarde van een gerelateerd actief, of de amortisatie van gekapitaliseerde rente, bedragen bepaald door verwijzing naar een financieringsopbrengst onder verrekenprijsregels waar van toepassing, notionelerentebedragen in het kader van …”.
|
11. |
Bladzijde 33, artikel 4, lid 1, eerste alinea: |
in plaats van:
„Een financieringskostensurplus kan worden afgetrokken in het belastingtijdvak waarin het is ontstaan, ten belope van maximaal 30 percent van de winst vóór rente, belastingen, waardeverminderingen en afschrijvingen (ebitda) van de belastingplichtige.”,
lezen:
„Een financieringskostensurplus kan worden afgetrokken in het belastingtijdvak waarin het is ontstaan, ten belope van maximaal 30 percent van de winst vóór rente, belastingen, afschrijvingen en amortisatie (ebitda) van de belastingplichtige.”.
|
12. |
Bladzijde 33, artikel 4, lid 2, eerste zin: |
in plaats van:
„De ebitda wordt berekend door de voor belastingen gecorrigeerde bedragen van het financieringskostensurplus en de voor belastingen gecorrigeerde bedragen van waardeverminderingen en afschrijvingen op te tellen bij de winst…”,
lezen:
„De ebitda wordt berekend door de voor belastingen gecorrigeerde bedragen van het financieringskostensurplus en de voor belastingen gecorrigeerde bedragen van afschrijvingen en amortisatie op te tellen bij de winst…”.
|
13. |
Bladzijde 37, artikel 7, lid 2, onder b), tweede alinea: |
in plaats van:
„…, welke een relevante rol vervullen bij ….”,
lezen:
„…, welke een essentiële rol vervullen bij ….”.