ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 166

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
29 juni 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1145 van de Commissie van 8 juni 2017 betreffende het uit de handel nemen van bepaalde toevoegingsmiddelen voor diervoeding waarvoor overeenkomstig Richtlijnen 70/524/EEG en 82/471/EEG van de Raad een vergunning is verleend en tot intrekking van de verouderde bepalingen waarbij voor die toevoegingsmiddelen een vergunning is verleend ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1146 van de Commissie van 28 juni 2017 betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd

23

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1147 van de Commissie van 28 juni 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 tot vaststelling van een lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks op grond van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

32

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (GBVB) 2017/1148 van de Raad van 28 juni 2017 tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren

35

 

*

Besluit (EU) 2017/1149 van de Commissie van 27 september 2016 betreffende steunmaatregel SA.30931 (11/C) (ex N 185/10) door Roemenië ten uitvoer gelegd voor Roemeense regionale luchthavens (Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 6031)  ( 1 )

36

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Beschikking van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA nr. 469/15/COL van 4 november 2015 tot afsluiting van de formele onderzoeksprocedure naar de vermeende staatssteun aan Innovation Norway voor zijn activiteiten binnen de markt voor webinfrastructuur en verwante diensten, alsmede mogelijke steun ten gunste van de regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement (Noorwegen) [2017/1150]

58

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1145 VAN DE COMMISSIE

van 8 juni 2017

betreffende het uit de handel nemen van bepaalde toevoegingsmiddelen voor diervoeding waarvoor overeenkomstig Richtlijnen 70/524/EEG en 82/471/EEG van de Raad een vergunning is verleend en tot intrekking van de verouderde bepalingen waarbij voor die toevoegingsmiddelen een vergunning is verleend

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 10, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Met name artikel 10, lid 2, in samenhang met artikel 10, lid 7, van die verordening voorziet in specifieke procedures voor de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor krachtens Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2) en Richtlijn 82/471/EEG van de Raad (3) een vergunning is verleend.

(2)

Artikel 10, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 bevat een verplichting voor de Commissie om een verordening vast te stellen betreffende het uit de handel nemen van de toevoegingsmiddelen voor diervoeding die als bestaande producten in het communautair repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding zijn opgenomen, en waarvoor geen aanvragen overeenkomstig artikel 10, leden 2 en 7, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn ingediend vóór het verstrijken van de in die bepalingen genoemde termijn, of waarvoor een aanvraag was ingediend die vervolgens is ingetrokken. Daarom moeten dergelijke toevoegingsmiddelen uit de handel worden genomen. Aangezien in artikel 10, lid 5, geen onderscheid wordt gemaakt tussen vergunningen met een beperkte looptijd en vergunningen zonder tijdsbeperking is het omwille van de duidelijkheid passend om de toevoegingsmiddelen voor diervoeding waarvoor de vergunningen overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG zijn verlopen, uit de handel te nemen.

(3)

Als gevolg van het uit de handel nemen van de toevoegingsmiddelen voor diervoeding is het passend de bepalingen op grond waarvan een vergunning is verleend voor die toevoegingsmiddelen, in te trekken. De Verordeningen (EG) nr. 2316/98 (4), (EG) nr. 1353/2000 (5), (EG) nr. 2188/2002 (6), (EG) nr. 261/2003 (7), (EG) nr. 1334/2003 (8), (EG) nr. 1259/2004 (9), (EG) nr. 1288/2004 (10), (EG) nr. 1453/2004 (11), (EG) nr. 2148/2004 (12), (EG) nr. 255/2005 (13), (EG) nr. 358/2005 (14), (EG) nr. 521/2005 (15), (EG) nr. 600/2005 (16), (EG) nr. 833/2005 (17), (EG) nr. 943/2005 (18), (EG) nr. 1206/2005 (19), (EG) nr. 1458/2005 (20), (EG) nr. 1810/2005 (21), (EG) nr. 1811/2005 (22), (EG) nr. 2036/2005 (23), (EG) nr. 252/2006 (24), (EG) nr. 773/2006 (25), (EG) nr. 1284/2006 (26) en (EU) nr. 1270/2009 (27) van de Commissie moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd en de Verordeningen (EG) nr. 937/2001 (28), (EG) nr. 871/2003 (29), (EG) nr. 277/2004 (30), (EG) nr. 278/2004 (31), (EG) nr. 1332/2004 (32), (EG) nr. 1463/2004 (33), (EG) nr. 1465/2004 (34), (EG) nr. 833/2005, (EG) nr. 492/2006 (35), (EG) nr. 1443/2006 (36), (EG) nr. 1743/2006 (37), (EG) nr. 757/2007 (38) en (EG) nr. 828/2007 (39) van de Commissie moeten worden ingetrokken.

(4)

In het geval van toevoegingsmiddelen voor diervoeding waarvoor slechts voor bepaalde diersoorten of -categorieën aanvragen zijn ingediend of de aanvragen slechts voor bepaalde diersoorten of -categorieën zijn ingetrokken, moet het uit de handel nemen alleen betrekking hebben op de diersoorten en -categorieën waarvoor geen aanvraag is ingediend, of waarvoor de aanvraag is ingetrokken.

(5)

Wat betreft de toevoegingsmiddelen voor diervoeding waarvoor de vergunningen niet zijn verstreken op de datum van de inwerkingtreding van deze verordening, is het passend dat er voor de belanghebbende partijen een overgangsperiode komt waarin de bestaande voorraden van de betrokken toevoegingsmiddelen en met die toevoegingsmiddelen geproduceerde voormengsels, mengvoeders en voedermiddelen mogen worden opgebruikt, met inachtneming van de houdbaarheid van bepaalde diervoeders die de betrokken toevoegingsmiddelen bevatten.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit de handel nemen

1.   De in bijlage I opgenomen toevoegingsmiddelen voor diervoeding worden uit de handel genomen voor bepaalde diersoorten of -categorieën, zoals in die bijlage is aangegeven.

2.   De in bijlage II opgenomen toevoegingsmiddelen voor diervoeding worden uit de handel genomen voor bepaalde diersoorten of -categorieën, zoals in die bijlage is aangegeven.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

1.   Bestaande voorraden van de in bijlage I genoemde toevoegingsmiddelen mogen tot en met 19 juli 2018 verder in de handel gebracht en gebruikt worden.

2.   Met de in lid 1 bedoelde toevoegingsmiddelen geproduceerde voormengsels mogen tot en met 19 oktober 2018 verder in de handel gebracht en gebruikt worden.

3.   Met de in lid 1 bedoelde toevoegingsmiddelen of de in lid 2 bedoelde voormengsels geproduceerde mengvoeders en voedermiddelen mogen tot en met 19 juli 2019 verder in de handel gebracht en gebruikt worden.

Artikel 3

Intrekking

De Verordeningen (EG) nr. 937/2001, (EG) nr. 871/2003, (EG) nr. 277/2004, (EG) nr. 278/2004, (EG) nr. 1332/2004, (EG) nr. 1463/2004, (EG) nr. 1465/2004, (EG) nr. 833/2005, (EG) nr. 492/2006, (EG) nr. 1443/2006, (EG) nr. 1743/2006, (EG) nr. 757/2007 en (EG) nr. 828/2007 worden ingetrokken.

Artikel 4

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2316/98

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 2316/98 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In vermelding E4 betreffende koper — Cu worden de term „Koper(II)methionaat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op koper(II)methionaat, geschrapt.

2)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangaan(III)oxide” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangaan(III)oxide, geschrapt.

3)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangaan(II)carbonaat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangaan(II)carbonaat, geschrapt.

4)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangaan(II)monowaterstoffosfaat, trihydraat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangaan(II)monowaterstoffosfaat, trihydraat, geschrapt.

5)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangaan(II)sulfaat, tetrahydraat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangaan(II)sulfaat, tetrahydraat, geschrapt.

6)

In vermelding E6 betreffende zink — Zn worden de term „Zinkcarbonaat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op zinkcarbonaat, geschrapt.

7)

In vermelding E6 betreffende zink — Zn worden de term „Zinklactaat-trihydraat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op zinklactaat-trihydraat, geschrapt.

8)

In vermelding E6 betreffende zink — Zn worden de term „Zinkchloride-monohydraat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op zinkchloride-monohydraat, geschrapt.

Artikel 5

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1353/2000

Verordening (EG) nr. 1353/2000 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt geschrapt.

2)

Bijlage I wordt geschrapt.

Artikel 6

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2188/2002

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2188/2002 worden in vermelding 11 betreffende „Endo-1,4-bèta-glucanase EC 3.2.1.4, Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6, Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8” de term „Legkippen” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op legkippen, geschrapt.

Artikel 7

Wijziging van Verordening (EG) nr. 261/2003

Verordening (EG) nr. 261/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Voor het tot de groep „Enzymen” behorende preparaat dat in bijlage I wordt beschreven, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.”.

2)

Bijlage II wordt geschrapt.

Artikel 8

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1334/2003

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1334/2003 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In vermelding E4 betreffende koper — Cu worden de term „Koper(II)methionaat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op koper(II)methionaat, geschrapt.

2)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangaan(III)oxide” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangaan(III)oxide, geschrapt.

3)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangano mangaanoxide (trimangaantetraoxide)” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangano mangaanoxide (trimangaantetraoxide), geschrapt.

4)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangaan(II)carbonaat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangaan(II)carbonaat, geschrapt.

5)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangaan(II)monowaterstoffosfaat, trihydraat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangaan(II)monowaterstoffosfaat, trihydraat, geschrapt.

6)

In vermelding E5 betreffende mangaan — Mn worden de term „Mangaan(II)sulfaat-tetrahydraat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op mangaan(II)sulfaat, tetrahydraat, geschrapt.

7)

In vermelding E6 betreffende zink — Zn worden de term „Zinkcarbonaat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op zinkcarbonaat, geschrapt.

8)

In vermelding E6 betreffende zink — Zn worden de term „Zinklactaat-trihydraat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op zinklactaat-trihydraat, geschrapt.

9)

In vermelding E6 betreffende zink — Zn worden de term „Zinkchloride-monohydraat” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op zinkchloride-monohydraat, geschrapt.

Artikel 9

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1259/2004

Verordening (EG) nr. 1259/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt vervangen door:

„Artikel 2

Voor de tot de groep „Enzymen” behorende preparaten die in de bijlagen III en VI worden vermeld, wordt onder de in die bijlagen vastgestelde voorwaarden een vergunning zonder tijdsbeperking voor gebruik als toevoegingsmiddel in de diervoeding verleend.”.

2)

Bijlage V wordt geschrapt.

Artikel 10

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1288/2004

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1288/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Vermelding E 161(z) betreffende „Phaffia Rhodozyma (ATCC 74219) rijk aan astaxanthine” wordt geschrapt.

2)

Vermelding E 1704 betreffende „Saccharomyces cerevisiae CBS 493.94” voor kalveren wordt geschrapt.

Artikel 11

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1453/2004

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1453/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Vermelding E 1609 betreffende „Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8, Endo-1,4-bèta-glucanase EC 3.2.1.4” wordt geschrapt.

2)

Vermelding E 1610 betreffende „Endo-1,4-bèta-glucanase EC 3.2.1.4, Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8” wordt geschrapt.

3)

Vermelding E 1611 betreffende „Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6, Endo-1,4- bèta-xylanase EC 3.2.1.8, Polygalacturonase EC 3.2.1.15” wordt geschrapt.

Artikel 12

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2148/2004

Verordening (EG) nr. 2148/2004 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De artikelen 3, 4 en 5 worden geschrapt.

2)

In bijlage I worden in vermelding E 567 betreffende „Clinoptiloliet van vulkanische oorsprong” de term „Konijnen” en alle inhoud die enkel betrekking heeft op konijnen, geschrapt.

3)

In bijlage II wordt vermelding E 1706 betreffende „Enterococcus faecium DSM 7134, Lactobacillus rhamnosus DSM 7133” geschrapt.

4)

De bijlagen III, IV en V worden geschrapt.

Artikel 13

Wijziging van Verordening (EG) nr. 255/2005

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 255/2005 wordt vermelding E 1618 betreffende „Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8” geschrapt.

Artikel 14

Wijziging van Verordening (EG) nr. 358/2005

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 358/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Vermelding E 1619 betreffende „Alfa-amylase EC 3.2.1.1 en Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6” wordt geschrapt.

2)

Vermelding E 1622 betreffende „Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6 en Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8” wordt geschrapt.

Artikel 15

Wijziging van Verordening (EG) nr. 521/2005

Verordening (EG) nr. 521/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt geschrapt.

2)

Bijlage I wordt geschrapt.

Artikel 16

Wijziging van Verordening (EG) nr. 600/2005

Verordening (EG) nr. 600/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De artikelen 1 en 2 worden geschrapt.

2)

De bijlagen I en II worden geschrapt.

3)

In bijlage III wordt vermelding E 1709 betreffende „Enterococcus faecium ATCC 53519 en Enterococcus faecium ATCC 55593 (in een 1/1-verhouding)” geschrapt.

Artikel 17

Wijziging van Verordening (EG) nr. 943/2005

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 943/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Vermelding E 1630 betreffende „Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8 en Subtilisine EC 3.4.21.62” wordt geschrapt.

2)

Vermelding E 1631 betreffende „Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6 en Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8” wordt geschrapt.

3)

Vermelding E 1632 betreffende „3-Fytase EC 3.1.3.8” wordt geschrapt.

Artikel 18

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1206/2005

In de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1206/2005 wordt vermelding E 1633 betreffende „Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6, Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8 en Subtilisine EC 3.4.21.62” geschrapt.

Artikel 19

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1458/2005

Verordening (EG) nr. 1458/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt geschrapt.

2)

Bijlage I wordt geschrapt.

3)

In bijlage II bij de verordening wordt vermelding 60 betreffende „Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8, Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6” geschrapt.

Artikel 20

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1810/2005

In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1810/2005 wordt vermelding 15 betreffende „Enterococcus faecium NCIMB 11181” geschrapt.

Artikel 21

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1811/2005

1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1811/2005 wordt vermelding E 1635 betreffende „Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6” geschrapt.

2)

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1811/2005 wordt vermelding 63 betreffende „Endo-1,4-bèta-xylanase EC 3.2.1.8 en Endo-1,3(4)-bèta-glucanase EC 3.2.1.6” geschrapt.

Artikel 22

Wijziging van Verordening (EG) nr. 2036/2005

Verordening (EG) nr. 2036/2005 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt geschrapt.

2)

Bijlage II wordt geschrapt.

Artikel 23

Wijziging van Verordening (EG) nr. 252/2006

Verordening (EG) nr. 252/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt geschrapt.

2)

Bijlage II wordt geschrapt.

3)

In bijlage III wordt vermelding 28 betreffende „3-Fytase EC 3.1.3.8” geschrapt.

Artikel 24

Wijziging van Verordening (EG) nr. 773/2006

Verordening (EG) nr. 773/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 3 wordt geschrapt.

2)

Bijlage III wordt geschrapt.

Artikel 25

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1284/2006

Verordening (EG) nr. 1284/2006 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De artikelen 1 en 3 worden geschrapt.

2)

De bijlagen I en III worden geschrapt.

Artikel 26

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1270/2009

Verordening (EU) nr. 1270/2009 van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt geschrapt.

2)

Bijlage I wordt geschrapt.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 8 juni 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)  Richtlijn 70/524/EEG van de Raad van 23 november 1970 betreffende toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1).

(3)  Richtlijn 82/471/EEG van de Raad van 30 juni 1982 betreffende bepaalde in diervoeding gebruikte producten (PB L 213 van 21.7.1982, blz. 8).

(4)  Verordening (EG) nr. 2316/98 van de Commissie van 26 oktober 1998 houdende toelating van nieuwe toevoegingsmiddelen en wijziging van de toelatingsvoorwaarden voor verschillende toevoegingsmiddelen die reeds in de diervoeding mogen worden gebruikt (PB L 289 van 28.10.1998, blz. 4).

(5)  Verordening (EG) nr. 1353/2000 van de Commissie van 26 juni 2000 inzake de verlenging van een permanente vergunning voor een toevoegingsmiddel en van een voorlopige vergunning voor nieuwe toevoegingsmiddelen, nieuwe toepassingen van toevoegingsmiddelen en nieuwe preparaten in de diervoeding (PB L 155 van 28.6.2000, blz. 15).

(6)  Verordening (EG) nr. 2188/2002 van de Commissie van 9 december 2002 tot verlening van een voorlopige vergunning voor nieuwe toepassingen van toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 333 van 10.12.2002, blz. 5).

(7)  Verordening (EG) nr. 261/2003 van de Commissie van 12 februari 2003 tot verlening van een voorlopige vergunning voor nieuwe toepassingen van toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 37 van 13.2.2003, blz. 12).

(8)  Verordening (EG) nr. 1334/2003 van de Commissie van 25 juli 2003 tot wijziging van de toelatingsvoorwaarden voor een aantal toevoegingsmiddelen van de groep sporenelementen in diervoeders (PB L 187 van 26.7.2003, blz. 11).

(9)  Verordening (EG) nr. 1259/2004 van de Commissie van 8 juli 2004 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde al toegelaten toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 239 van 9.7.2004, blz. 8).

(10)  Verordening (EG) nr. 1288/2004 van de Commissie van 14 juli 2004 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen en een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 243 van 15.7.2004, blz. 10).

(11)  Verordening (EG) nr. 1453/2004 van de Commissie van 16 augustus 2004 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 269 van 17.8.2004, blz. 3).

(12)  Verordening (EG) nr. 2148/2004 van de Commissie van 16 december 2004 tot verlening van permanente en voorlopige vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen en een vergunning voor nieuwe toepassingen van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 370 van 17.12.2004, blz. 24).

(13)  Verordening (EG) nr. 255/2005 van de Commissie van 15 februari 2005 tot verlening van permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 45 van 16.2.2005, blz. 3).

(14)  Verordening (EG) nr. 358/2005 van de Commissie van 2 maart 2005 tot verlening van een vergunning zonder tijdsbeperking voor bepaalde toevoegingsmiddelen en van een vergunning voor nieuwe toepassingen van al toegelaten toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 57 van 3.3.2005, blz. 3).

(15)  Verordening (EG) nr. 521/2005 van de Commissie van 1 april 2005 tot verlening van een permanente vergunning voor een toevoegingsmiddel en van een voorlopige vergunning voor nieuwe toepassingen van bepaalde, reeds in diervoeding toegelaten toevoegingsmiddelen (PB L 84 van 2.4.2005, blz. 3).

(16)  Verordening (EG) nr. 600/2005 van de Commissie van 18 april 2005 tot verlening van een nieuwe vergunning voor tien jaar voor een coccidiostaticum als toevoegingsmiddel in diervoeding, een voorlopige vergunning voor een toevoegingsmiddel en een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 99 van 19.4.2005, blz. 5).

(17)  Verordening (EG) nr. 833/2005 van de Commissie van 31 mei 2005 tot verlening van een permanente vergunning voor toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 138 van 1.6.2005, blz. 5).

(18)  Verordening (EG) nr. 943/2005 van de Commissie van 21 juni 2005 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 159 van 22.6.2005, blz. 6).

(19)  Verordening (EG) nr. 1206/2005 van de Commissie van 27 juli 2005 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 197 van 28.7.2005, blz. 12).

(20)  Verordening (EG) nr. 1458/2005 van de Commissie van 8 september 2005 tot verlening van permanente en voorlopige vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen en een voorlopige vergunning voor nieuwe toepassingen van bepaalde al toegelaten toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 233 van 9.9.2005, blz. 3).

(21)  Verordening (EG) nr. 1810/2005 van de Commissie van 4 november 2005 ter verlening van een nieuwe vergunning voor tien jaar voor een toevoegingsmiddel in de diervoeding, een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de diervoeding en een voorlopige vergunning voor nieuwe toepassingen van bepaalde al toegelaten toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 291 van 5.11.2005, blz. 5).

(22)  Verordening (EG) nr. 1811/2005 van de Commissie van 4 november 2005 tot verlening van voorlopige en permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de diervoeding en een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 291 van 5.11.2005, blz. 12).

(23)  Verordening (EG) nr. 2036/2005 van de Commissie van 14 december 2005 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de diervoeding en een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van al toegelaten toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 328 van 15.12.2005, blz. 13).

(24)  Verordening (EG) nr. 252/2006 van de Commissie van 14 februari 2006 betreffende de permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding en de voorlopige vergunningen voor nieuwe toepassingen van bepaalde al in diervoeding toegelaten toevoegingsmiddelen (PB L 44 van 15.2.2006, blz. 3).

(25)  Verordening (EG) nr. 773/2006 van de Commissie van 22 mei 2006 tot verlening van een voorlopige en een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding en een voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een reeds toegelaten toevoegingsmiddel in diervoeding (PB L 135 van 23.5.2006, blz. 3).

(26)  Verordening (EG) nr. 1284/2006 van de Commissie van 29 augustus 2006 tot verlening van permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de veevoeding (PB L 235 van 30.8.2006, blz. 3).

(27)  Verordening (EU) nr. 1270/2009 van de Commissie van 21 december 2009 tot verlening van permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 339 van 22.12.2009, blz. 28).

(28)  Verordening (EG) nr. 937/2001 van de Commissie van 11 mei 2001 inzake de verlening van een vergunning voor nieuwe toepassingen van toevoegingsmiddelen en een nieuw preparaat van een toevoegingsmiddel in de diervoeding, de verlenging van voorlopige vergunningen en de verlening van een vergunning voor tien jaar voor een toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 130 van 12.5.2001, blz. 25).

(29)  Verordening (EG) nr. 871/2003 van de Commissie van 20 mei 2003 tot verlening van een permanente vergunning voor een nieuw toevoegingsmiddel mangano mangaanoxide in de diervoeding (PB L 125 van 21.5.2003, blz. 3).

(30)  Verordening (EG) nr. 277/2004 van de Commissie van 17 februari 2004 tot verlening van een vergunning zonder tijdsbeperking voor een toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 47 van 18.2.2004, blz. 20).

(31)  Verordening (EG) nr. 278/2004 van de Commissie van 17 februari 2004 tot verlening van de voorlopige vergunning voor een nieuwe toepassing van een al toegelaten toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 47 van 18.2.2004, blz. 22).

(32)  Verordening (EG) nr. 1332/2004 van de Commissie van 20 juli 2004 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen in de diervoeding (PB L 247 van 21.7.2004, blz. 8).

(33)  Verordening (EG) nr. 1463/2004 van de Commissie van 17 augustus 2004 tot verlening van een vergunning voor tien jaar voor het toevoegingsmiddel Sacox 120 microGranulate van de groep „Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen” in diervoeders (PB L 270 van 18.8.2004, blz. 5).

(34)  Verordening (EG) nr. 1465/2004 van de Commissie van 17 augustus 2004 tot verlening van een permanente vergunning voor een toevoegingsmiddel in de diervoeding (PB L 270 van 18.8.2004, blz. 11).

(35)  Verordening (EG) nr. 492/2006 van de Commissie van 27 maart 2006 tot verlening van voorlopige en permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding (PB L 89 van 28.3.2006, blz. 6).

(36)  Verordening (EG) nr. 1443/2006 van de Commissie van 29 september 2006 tot verlening van permanente vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen in diervoeding en een voorlopige vergunning voor tien jaar voor een coccidiostaticum (PB L 271 van 30.9.2006, blz. 12).

(37)  Verordening (EG) nr. 1743/2006 van de Commissie van 24 november 2006 tot verlening van een permanente vergunning voor een toevoegingsmiddel in diervoeding (PB L 329 van 25.11.2006, blz. 16).

(38)  Verordening (EG) nr. 757/2007 van de Commissie van 29 juni 2007 tot verlening van een permanente vergunning voor bepaalde toevoegingsmiddelen voor dierenvoeding (PB L 172 van 30.6.2007, blz. 43).

(39)  Verordening (EG) nr. 828/2007 van de Commissie van 13 juli 2007 tot verlening van permanente en voorlopige vergunningen voor bepaalde toevoegingsmiddelen voor diervoeding (PB L 184 van 14.7.2007, blz. 12).


BIJLAGE I

Toevoegingsmiddelen als bedoeld in artikel 1, lid 1

DEEL A

Toevoegingsmiddelen voor diervoeders die voor alle diersoorten en -categorieën uit de handel worden genomen

Identificatienummer

Toevoegingsmiddel

Diersoort of -categorie

Conserveermiddelen

E 201

Natriumsorbaat

Alle soorten

E 203

Calciumsorbaat

Alle soorten

E 261

Kaliumacetaat

Alle soorten

E 283

Kaliumpropionaat

Alle soorten

E 333

Calciumcitraten

Alle soorten

E 334

L-Wijnsteenzuur

Alle soorten

E 335

Natrium-L-tartraten

Alle soorten

E 336

Kalium-L-tartraten

Alle soorten

E 337

Kaliumnatrium-L-tartraat

Alle soorten

E 507

Zoutzuur

Alle soorten

E 513

Zwavelzuur

Alle soorten

Antioxidanten

E 308

Synthetisch gamma-tocoferol

Alle soorten

E 309

Synthetisch delta-tocoferol

Alle soorten

E 311

Octylgallaat

Alle soorten

E 312

Dodecylgallaat

Alle soorten

Bindmiddelen, antiklontermiddelen en stollingsmiddelen

E 330

Citroenzuur

Alle soorten

Kleurstoffen met inbegrip van pigmenten

Andere kleurstoffen

Desbetreffend E-nummer

Kleurstoffen die voor de kleuring van levensmiddelen zijn toegestaan op grond van de communautaire voorschriften, met uitzondering van allurarood E 129; briljantzwart PN E 151; briljantblauw FCF E 133; karamelkleurstoffen E150b, E150c en E150d; kopercomplexen van chlorofyllinen E 141; erytrosine E 127; indigotine E 132; zwart ijzeroxide, rood ijzeroxide, geel ijzeroxide E 172; ponceau 4 R E 124; titaandioxide (anataas- en rutielvorm) E 171; plantaardige koolstof E 153; tartrazine E 102; zonnegeel FCF E 110;

Alle soorten

E 142

Briljant-zuurgroen BS/(lissaminegroen)

Alle soorten

Emulgatoren en stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen

E 322

Lecithinen (alleen als stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen)

Alle soorten

E 400

Alginezuur

Alle soorten

E 402

Kaliumalginaat

Alle soorten

E 404

Calciumalginaat

Alle soorten

E 405

Propaan-1,2-diolalginaat (propyleenglycolalginaat)

Alle soorten

E 432

Polyoxyethyleen(20)sorbitaanmonolauraat

Alle soorten

E 434

Polyoxyethyleen(20)sorbitaanmonopalmitaat

Alle soorten

E 435

Polyoxyethyleen(20)sorbitaanmonostearaat

Alle soorten

E 436

Polyoxyethyleen(20)sorbitaantristearaat

Alle soorten

E 465

Ethylmethylcellulose

Alle soorten

E 473

Sucrose-esters van vetzuren (esters van sacharose en van in spijsvetten voorkomende vetzuren)

Alle soorten

E 474

Suikerglyceriden (mengsels van esters van sacharose en mono- en diglyceriden van in spijsvetten voorkomende vetzuren)

Alle soorten

E 475

Polyglycerolesters van ongepolymeriseerde in spijsvetten voorkomende vetzuren

Alle soorten

E 477

Mono-esters van propyleenglycol (1,2-propaandiol) en van in spijsvetten voorkomende vetzuren, al dan niet gemengd met di-esters

Alle soorten

E 480

Stearoyl-2-lactylzuur

Alle soorten

E 481

Natriumstearoyl-2-lactylaat

Alle soorten

E 482

Calciumstearoyl-2-lactylaat

Alle soorten

E 483

Stearyltartraat

Alle soorten

E 486

Dextranen

Alle soorten

E 491

Sorbitaanmonostearaat

Alle soorten

E 492

Sorbitaantristearaat

Alle soorten

E 494

Sorbitaanmonoöleaat

Alle soorten

E 495

Sorbitaanmonopalmitaat

Alle soorten

E 496

Polyethyleenglycol 6000

Alle soorten

E 497

Polymeren van polyoxypropyleen-polyoxyethyleen (M.W. 6 800 -9 000 )

Alle soorten

Sporenelementen

E 1

IJzer — Fe, ijzer(II)chloride-tetrahydraat

Alle soorten

E 1

IJzer — Fe, ijzer(II)citraat-hexahydraat

Alle soorten

E 1

IJzer — Fe, ijzer(II)lactaat-trihydraat

Alle soorten

E 2

Jodium — I, calciumjodaat-hexahydraat

Alle soorten

E 2

Jodium — I, natriumjodide

Alle soorten

E 4

Koper — Cu, koper(II)methionaat

Alle soorten

E 5

Mangaan — Mn, mangaan(III)oxide

Alle soorten

E 5

Mangaan — Mn, „mangano mangaanoxide” (trimangaantetraoxide)

Alle soorten

E 5

Mangaan — Mn, mangaan(II)carbonaat

Alle soorten

E 5

Mangaan — Mn, mangaan(II)monowaterstoffosfaat-trihydraat

Alle soorten

E 5

Mangaan — Mn, mangaan(II)sulfaat-tetrahydraat

Alle soorten

E 6

Zink — Zn, zinkcarbonaat

Alle soorten

E 6

Zink — Zn, zinkchloride-monohydraat

Alle soorten

E 6

Zink — Zn, zinklactaat-trihydraat

Alle soorten

E 7

Molybdeen — Mo, ammoniummolybdaat

Alle soorten

E 8

Seleen — Se, natriumselenaat

Alle soorten

Vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een gelijkaardige werking

 

Betaïne. Alle vormen met uitzondering van watervrije betaïne en betaïnehydrochloride

Alle soorten

 

Biotine. Alle vormen met uitzondering van D-(+)-biotine

Alle soorten

 

Carnitine. Alle vormen met uitzondering van L-carnitine en L-carnitine-L-tartraat

Alle soorten

 

Choline. Alle vormen met uitzondering van cholinechloride

Alle soorten

 

Folaat. Alle vormen van folaat met uitzondering van folinezuur

Alle soorten

 

Niacine. Alle vormen van niacine met uitzondering van niacine 99 % en niacinamide

Alle soorten

 

Essentiële onverzadigde omega 3-vetzuren

Alle soorten

 

Essentiële onverzadigde omega 6-vetzuren (alle, met uitzondering van octadecadieenzuur)

Alle soorten

 

Pantotheenzuur. Alle vormen met uitzondering van calcium-D-pantothenaat en D-panthenol

Alle soorten

 

Para-aminobenzoëzuur (PABA)

Alle soorten

 

Thiamine. Alle vormen met uitzondering van thiaminehydrochloride en thiaminemononitraat

Alle soorten

 

Vitamine A. Alle vormen met uitzondering van retinylacetaat, retinylpalmitaat en retinylpropionaat

Alle soorten

 

Vitamine B6. Alle vormen met uitzondering van pyridoxinehydrochloride

Alle soorten

 

Vitamine C. Alle vormen met uitzondering van ascorbinezuur, natriumascorbylfosfaat, natriumcalciumascorbylfosfaat

Alle soorten

 

Vitamine E. Alle vormen met uitzondering van all-rac-alfa-tocoferylacetaat, RRR-alfa-tocoferylacetaat en RRR-alfa-tocoferol

Alle soorten

 

Vitamine K. Alle vormen van vitamine K met uitzondering van vitamine K3 als menadion-nicotinamidewaterstofsulfiet en als L-menadion-natriumwaterstofsulfiet

Alle diersoorten

Aminozuren, de zouten en de analogen daarvan

3.1.3.

Methionine/zink-methionine, technisch zuiver

Alle soorten

3.2.1.

Lysine/L-lysine, technisch zuiver

Alle soorten

3.4.2.

DL-tryptofaan, technisch zuiver

Alle soorten

Toevoegingsmiddelen voor kuilvoer

Enzymen

 

Xylanase EC 3.2.1.8 uit Trichoderma longibrachiatum rifar IMI SD185

Alle soorten

Micro-organismen

 

Enterococcus faecium BIO 34

Alle soorten

 

Lactobacillus salivarius CNCM I-3238/ATCC 11741

Alle soorten

 

Pediococcus pentosaceus NCIMB 30089

Alle soorten

Stoffen

 

Formaldehyde

Alle soorten

 

Natriumwaterstofsulfaat

Alle soorten

 

 

 

Aromatische en eetlustopwekkende stoffen

Natuurlijke producten — botanisch gedefinieerd

 

Tinctuur van berk RvE-nr. 88

Alle soorten

Natuurlijke producten en dienovereenkomstige synthetische producten

 

CAS-nr. 16630-52-7/3-(methylthio)butanal/Flavis-nr. 12.056

Alle soorten

 

CAS-nr. 2179-60-4/methylpropyldisulfide/Flavis-nr. 12.019

Alle soorten

 

CAS-nr. 36431-72-8/theaspiraan/Flavis-nr. 13.098

Alle soorten

 

CAS-nr. 3738-00-9/1,5,5,9-tetramethyl-13-oxatricyclo [8.3.0.0(4.9)]tridecaan/Flavis-nr. 13.072

Alle soorten

 

CAS-nr. 40789-98-8/3-mercaptobutaan-2-on/Flavis-nr. 12.047

Alle soorten

 

CAS-nr. 43040-01-3/3-methyl-1,2,4-trithiaan/Flavis-nr. 15.036

Alle soorten

 

CAS-nr. 495-62-5/1,4(8),12-bisabolatrieen/Flavis-nr. 01.016

Alle soorten

 

CAS-nr. 516-06-3/D,L-valine/Flavis-nr. 17.023

Alle soorten

 

CAS-nr. 5756-24-1/dimethyltetrasulfide/Flavis-nr. 12.116

Alle soorten

 

CAS-nr. 6028-61-1/dipropyltrisulfide/Flavis-nr. 12.023

Alle soorten

 

CAS-nr. 689-67-8/6,10-dimethyl-5,9-undecadieen-2-on/Flavis-nr. 07.216

Alle soorten

 

CAS-nr. 78-98-8/2-oxopropanal/Flavis-nr. 07.001

Alle soorten

DEEL B

Toevoegingsmiddelen voor diervoeders die voor bepaalde diersoorten en -categorieën uit de handel worden genomen

Identificatienummer

Toevoegingsmiddel

Diersoort of -categorie

Conserveermiddelen

E 214

Ethyl-4-hydroxybenzoaat

Gezelschapsdieren

E 215

Ethylnatrium-4-hydroxybenzoaat

Gezelschapsdieren

E 216

Propyl-4-hydroxybenzoaat

Gezelschapsdieren

E 217

Propylnatrium-4-hydroxybenzoaat

Gezelschapsdieren

E 218

Methyl-4-hydroxybenzoaat

Gezelschapsdieren

E 219

Methylnatrium-4-hydroxybenzoaat

Gezelschapsdieren

E 222

Natriumbisulfiet

Honden; katten

E 223

Natriummetabisulfiet

Honden; katten

E 285

Methylpropionzuur

Herkauwers, bij het begin van het herkauwen

Zuurteregelaars

E 210

Benzoëzuur

Mestvarkens

E 340 (iii)

Trikaliumorthofosfaat

Katten; honden

E 350 (i)

Natriummalaat (zout van DL- of L-appelzuur)

Katten; honden

E 507

Zoutzuur

Katten; honden

E 513

Zwavelzuur

Katten; honden

Bindmiddelen, antiklontermiddelen en stollingsmiddelen

E 567

Clinoptiloliet van vulkanische oorsprong

Konijnen

E 598

Calciumaluminaat, synthetisch

Melkkoeien; mestrunderen; kalveren; lammeren; geitenlammeren; pluimvee; konijnen; varkens

Kleurstoffen met inbegrip van pigmenten

Carotenoïden en xanthofylen

E 161b

Luteïne

Katten & honden

E 160c

Capsanthine

Kalkoenen

E 161c

Cryptoxanthine

Pluimvee

E 160e

Bèta-apo-8′-carotenal

Pluimvee

E 161 g

Canthaxanthine

Alle soorten en gebruiksvormen met uitzondering van:

mestkippen en minder gangbare pluimveesoorten gehouden voor mestdoeleinden voor gebruiksvormen die tot de functionele groep 2 (a) (ii) behoren;

legpluimvee en opfokleghennen voor gebruiksvormen die tot de functionele groep 2 (a) (ii) behoren;

siervissen en -vogels voor gebruiksvormen die tot de functionele groep 2 (a) (iii) behoren

E 161j

Astaxanthine

Alle soorten met uitzondering van:

zalm en forel voor gebruiksvormen die tot de functionele groepen 2(a) (i) en 2(a) (iii) behoren;

siervissen voor gebruiksvormen die tot de functionele groep 2(a) (i) behoren

E 161z

Phaffia Rhodozyma (ATCC 74219) rijk aan astaxanthine

Zalm; forel

Andere kleurstoffen

E 155

Bruin HT

Katten; honden

E 104

Chinolinegeel

Voedselproducerende dieren

E 122

Azorubine (karmozijn)

Alle soorten met uitzondering van katten en honden

E 160b

Bixine

Alle soorten met uitzondering van honden en katten

Emulgatoren en stabilisatoren, verdikkingsmiddelen en geleermiddelen

E 401

Natriumalginaat

Alle soorten met uitzondering van vissen; gezelschapsdieren en andere niet-voedselproducerende dieren (niet-voedselproducerende pelsdieren)

E 403

Ammoniumalginaat

Alle diersoorten of -categorieën, met uitzondering van aquariumvissen

E 406

Agaragar

Alle soorten met uitzondering van gezelschapsdieren en andere niet-voedselproducerende dieren (niet-voedselproducerende pelsdieren)

E 407

Carrageen

Alle soorten met uitzondering van gezelschapsdieren en andere niet-voedselproducerende dieren (niet-voedselproducerende pelsdieren)

E 418

Gellangom

Honden; katten

E 488

Glycerol-polyglycerolester van vetzuren van talg

Kalveren

E 489

Ether van polyglycerol en van door reductie van oliezuur en palmitinezuur verkregen alcoholen

Kalveren

E 498

Partiële polyglycerolesters van gepolycondenseerde ricinusvetzuren

Honden

 

 

 

Enzymen

E 1600

3-Fytase/EC 3.1.3.8 geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 114.94)

Biggen; mestvarkens; zeugen; mestkippen; legkippen

E 1600

3-Fytase/EC 3.1.3.8 geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 114.94)

Mestkalkoenen

E 1605

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 520.94)

Mestkippen

E 1608

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8/Endo-1,4-bèta-glucanase/EC 3.2.1.4 geproduceerd door Humicola insolens (DSM 10442)

Mestkippen

E 1609

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8/Endo-1,4-bèta-glucanase/EC 3.2.1.4 geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 600.94) (gecoate, vaste en vloeibare vormen)

Mestkippen; mestkalkoenen; biggen (gespeend)

E 1609

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8/Endo-1,4-bèta-glucanase/EC 3.2.1.4 geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 600.94) (in de vorm van korrels)

Mestkippen; mestkalkoenen; biggen (gespeend)

E 1610

Endo-1,4-bèta-glucanase/EC 3.2.1.4/Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 600.94)

Mestkippen

E 1611

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106)/Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (IMI SD 135)/Polygalacturonase/EC 3.2.1.15 geproduceerd door Aspergillus aculeatus (CBS 589.94)

Mestvarkens

E 1614

6-Fytase/EC 3.1.3.26 geproduceerd door Aspergillus oryzae (DSM 11857)

Mestkippen; legkippen; mestkalkoenen; biggen; mestvarkens; zeugen

E 1615

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (CNCM MA 6-10 W)

Mestkippen

E 1618

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Aspergillus niger (CBS 270.95)

Mestkippen; mestkalkoenen

E 1619

Alfa-amylase/EC 3.2.1.1/Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Bacillus amyloliquefaciens (DSM 9553)

Mestkippen

E 1622

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6/Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (CBS 357.94)

Mestkippen

E 1623

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106), endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105) en subtilisine/EC 3.4.21.62 geproduceerd door Bacillus subtilis (ATCC 2107)

Mestkippen

E 1624

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106), endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (IMI SD 135) en alfa-amylase/EC 3.2.1.1 geproduceerd door Bacillus amyloliquefaciens (DSM 9553)

Biggen (gespeend)

E 1625

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106), endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (IMI SD 135), alfa-amylase/EC 3.2.1.1 geproduceerd door Bacillus amyloliquefaciens (DSM 9553) en polygalacturonase/EC 3.2.1.15 geproduceerd door Aspergillus aculeatus (CBS 589.94)

Biggen (gespeend)

E 1626

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105) en subtilisine/EC 3.4.21.62 geproduceerd door Bacillus subtilis (ATCC 2107)

Biggen (gespeend)

E 1627

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106) en endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105)

Mestvarkens

E 1628

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105)

Biggen (gespeend); mestvarkens; mestkippen

E 1629

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105) en endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106)

Mestkippen

E 1630

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105) en subtilisine/EC 3.4.21.62 geproduceerd door Bacillus subtilis (ATCC 2107)

Mestkippen

E 1631

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106) en endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (IMI SD 135)

Mestkippen

E 1632

3-Fytase/EC 3.1.3.8 geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 528,94)

Mestkippen; biggen (gespeend); mestvarkens

E 1633

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106), endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105) en subtilisine/EC 3.4.21.62 geproduceerd door Bacillus subtilis (ATCC 2107)

Mestkippen

E 1634

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Aspergillus niger (MUCL 39199)

Mestkippen

E 1635

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106)

Mestkippen

E 1636

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 526.94/EC 3.2.1.6)

Biggen (gespeend); mestkippen

E 1637

Endo-1,4-bèta-xylanase geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105)/EC 3.2.1.8 en endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 en alfa-amylase geproduceerd door Bacillus amyloliquefaciens (DSM 9553)/EC 3.2.1.1; subtilisine geproduceerd door Bacillus subtilis (ATCC 2107)/EC 3.4.21.62 en polygalacturonase geproduceerd door Aspergillus aculeatus (CBS 589.94)/EC 3.2.1.15

Mestkippen

E 1638

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106), endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105) en alfa-amylase/EC 3.2.1.1 geproduceerd door Bacillus amyloliquefaciens (DSM 9553)

Biggen (gespeend)

E 1639

3-Fytase geproduceerd door Hansenula polymorpha (DSM 15087)

Mestkippen; mestkalkoenen; legkippen; biggen; mestvarkens; zeugen

E 1640

6-Fytase geproduceerd door Schizosaccharomyces pombe (ATCC 5233)/EC 3.1.3.26

Mestkippen

E 1641

Endo-1,4-bèta-xylanase geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (MUCL 39203)/EC 3.2.1.8

Mestkippen

Micro-organismen

E 1704

Saccharomyces cerevisiae CBS 493.94

Kalveren

E 1706

Enterococcus faecium DSM 7134, Lactobacillus rhamnosus DSM 7133

Biggen (gespeend)

E 1709

Enterococcus faecium ATCC 53519, Enterococcus faecium ATCC 55593 (in een 1/1-verhouding)

Mestkippen

E 1714

Lactobacillus farciminis CNCM MA 67/AR

Biggen (gespeend)

Chemisch duidelijk omschreven stoffen met een gelijkaardige biologische werking als vitaminen

3a900

Inositol

Alle soorten met uitzondering van vissen en schaaldieren

Essentiële onverzadigde omega 6-vetzuren (als octadecadieenzuur)

Alle soorten met uitzondering van mestvarkens; fokzeugen; zeugen, ten behoeve van de biggen; fokkoeien; melkkoeien voor melkproductie

3a370

Taurine

Alle soorten met uitzondering van Canidae, Felidae, Mustelidae en vleesetende vissen

E 670

Vitamine D2

Varkens; biggen; runderen; schapen; kalveren; paardachtigen; andere diersoorten of -categorieën, met uitzondering van pluimvee en vissen

Ureum en zijn derivaten

2.1.2.

Biureet, technisch zuiver

Herkauwers, van bij het begin van het herkauwen

2.1.3.

Ureumfosfaat, technisch zuiver

Herkauwers, van bij het begin van het herkauwen

2.1.4.

Isobutylideendiureum, technisch zuiver

Herkauwers, van bij het begin van het herkauwen

Aromatische en eetlustopwekkende stoffen

Natuurlijke producten en dienovereenkomstige synthetische producten

 

CAS-nr. 134-20-3/methylantranilaat/Flavis-nr. 09.715

Vogelsoorten

 

CAS-nr. 85-91-6/methyl-N-methylantranilaat/Flavis-nr. 09.781

Vogelsoorten

 

CAS-nr. 93-28-7/eugenylacetaat/Flavis-nr. 09.020

Pluimvee en vis

 

CAS-nr. 97-53-0/eugenol/Flavis-nr. 04.003

Vissen

 

CAS-nr. 107-85-7/3-methylbutylamine/Flavis-nr. 11.001

Legkippen

 

CAS-nr. 75-50-3/trimethylamine/Flavis-nr. 11.009

Legkippen

 

CAS-nr. 6627-88-9/4-allyl-2,6-dimethoxyfenol/Flavis-nr. 04.051

Vis en pluimvee

 

CAS-nr. 593-81-7/trimethylamine-hydrochloride/Flavis-nr. 11.024

Legkippen


BIJLAGE II

De in artikel 1, lid 2, bedoelde toevoegingsmiddelen voor diervoeders

Identificatienummer

Toevoegingsmiddel

Diersoort of -categorie

Enzymen

11

Endo-1,4-bèta-glucanase/EC 3.2.1.4/Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 en Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 74 252 )

Legkippen

28

3-Fytase/EC 3.1.3.8 geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 528,94)

Legkippen

30

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6/Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Penicillium funiculosum (IMI SD 101)

Biggen (gespeend); mesteenden

37

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105)/en subtilisine/EC 3.4.21.62 geproduceerd door Bacillus subtilis (ATCC 2107)

Legkippen

51

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Bacillus subtilis (LMG S-15136)

Mestvarkens

60

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2105) en endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma longibrachiatum (ATCC 2106)

Mestkalkoenen

63

Endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 529.94) en endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Trichoderma reesei (CBS 526.94)

Mestkalkoenen; mestkippen

64

Endo-1,3(4)-bèta-glucanase/EC 3.2.1.6 geproduceerd door Aspergillus aculeatus (CBS 589.94) en endo-1,4-bèta-xylanase/EC 3.2.1.8 geproduceerd door Aspergillus oryzae (DSM 10287)

Mestkippen; biggen (gespeend)

Micro-organismen

15

Enterococcus faecium NCIMB 11181

Mestkippen

24

Kluyveromyces marxianus var. lactis K1 BCCM/MUCL 39434

Melkkoeien

25

Lactobacillus acidophilus DSM 13241

Katten, honden

Coccidiostatica en andere geneeskrachtige stoffen

E 764

Halofuginone-hydrobromide 6 g/kg (Stenorol)

Opfokleghennen

E 766

Salinomycine-natrium 120 g/kg (Sacox 120) (vergunninghouder Huvepharma NV)

Mestkonijnen

E 766

Salinomycine-natrium 120 g/kg (Salinomax 120G) (vergunninghouder Zoetis Belgium SA)

Mestkippen


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/23


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1146 VAN DE COMMISSIE

van 28 juni 2017

betreffende het opnieuw instellen van een definitief antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide Castings Co., Ltd

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 (2) („de bestreden verordening”) heeft de Raad een definitief antidumpingrecht, variërend van 14,9 % tot 57,8 %, ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7307 19 10 (Taric-code 7307191010), van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”) en Thailand. Het recht is niet van toepassing op binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel.

Arrest van het Gerecht van de Europese Unie

(2)

Op 12 juni 2013 stelde een van de medewerkende Chinese producenten-exporteurs, Jinan Meide Castings Co., Ltd („Jinan Meide” of „verzoekster”), bij het Gerecht van de Europese Unie („het Gerecht”) beroep in tot nietigverklaring van de bestreden verordening voor zover die van toepassing is op verzoekster (3).

(3)

Op 30 juni 2016 heeft het Gerecht in zijn arrest vastgesteld dat de rechten van verdediging van Jinan Meide waren geschonden door de afwijzing van haar verzoek om inzage in de berekening van de normale waarde met gebruikmaking van vertrouwelijke gegevens van een producent in het referentieland. Jinan Meide had van de producent in het referentieland exclusief verkregen dat de vertrouwelijkheid van zijn gegevens werd opgeheven. Het Gerecht overwoog met name dat de Commissie zich er bij de afwijzing van dat verzoek om inzage ten onrechte op had gebaseerd dat het beginsel van gelijke behandeling moest worden geëerbiedigd. Het Gerecht was van oordeel dat niet kon worden uitgesloten dat het onderzoek een andere uitkomst kon hebben gehad indien het verzoek was toegewezen. Daarom verklaarde het Gerecht de bestreden verordening nietig voor zover daarbij een antidumpingrecht was ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, vervaardigd door Jinan Meide.

2.   UITVOERING VAN HET ARREST VAN HET GERECHT

(4)

Ingevolge artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie zijn de instellingen van de Europese Unie verplicht het arrest van het Gerecht van 30 juni 2016 uit te voeren.

(5)

In het arrest in zaak T-2/95 (4) (de „zaak IPS”) heeft het Gerecht van eerste aanleg geoordeeld dat wanneer een procedure uit verschillende administratieve fasen bestaat, de nietigverklaring van een van deze fasen niet tot de nietigverklaring van de gehele procedure leidt. De antidumpingprocedure is een voorbeeld van een dergelijke uit verschillende fasen bestaande procedure. Bijgevolg houdt de nietigverklaring van de bestreden verordening met betrekking tot één partij niet in dat de gehele procedure voorafgaand aan de vaststelling van die verordening nu nietig is. De instellingen van de Unie kunnen de aspecten van de bestreden verordening die nietig zijn verklaard, corrigeren en de niet-betwiste delen waarop het arrest van het Gerecht geen betrekking heeft, ongewijzigd laten — zoals het Hof van Justitie overwoog in zaak C-458/98 P (5).

(6)

Opgemerkt moet worden dat, afgezien van het feit dat de Commissie zich er bij de afwijzing van het verzoek van Jinan Meide om inzage ten onrechte op heeft gebaseerd dat het beginsel van gelijke behandeling moest worden geëerbiedigd, alle andere bevindingen in de bestreden verordening waartegen niet binnen de daarvoor gestelde termijnen beroep is ingesteld, waartegen beroep is ingesteld dat door het Gerecht in zijn arrest is verworpen, of die door het Gerecht niet zijn onderzocht, en derhalve niet tot de nietigverklaring van de bestreden verordening hebben geleid, geldig blijven.

(7)

Na het arrest van het Gerecht van 30 juni 2016 publiceerde de Commissie een mededeling (6) over de gedeeltelijke heropening van het antidumpingonderzoek betreffende de invoer van gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China. De heropening was beperkt tot de uitvoering van het arrest van het Gerecht met betrekking tot Jinan Meide.

(8)

De Commissie heeft Jinan Meide, de vertegenwoordigers van het land van uitvoer en de bedrijfstak van de Unie officieel in kennis gesteld van de gedeeltelijke heropening van het onderzoek. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(9)

Na ontvangst van de eerste opmerkingen is contact opgenomen met alle andere bekende belanghebbenden uit het oorspronkelijke onderzoek, die in de gelegenheid zijn gesteld hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(10)

Alle belanghebbenden die daarom verzochten, werden in de gelegenheid gesteld te worden gehoord door de diensten van de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur.

2.1.   Opmerkingen van de belanghebbenden

(11)

De Commissie ontving van Jinan Meide, andere Chinese producenten-exporteurs, een Thaise producent-exporteur, vijf producenten in de Unie en acht niet-verbonden importeurs opmerkingen over verschillende aspecten van het onderzoek.

2.1.1.   Opmerkingen over de heropening

(12)

Jinan Meide betoogde dat de door de instellingen van de Unie begane onregelmatigheid die heeft geleid tot de nietigverklaring van de bestreden verordening niet kan worden hersteld en dat de procedure moet worden beëindigd zonder dat aan Jinan Meide opnieuw een antidumpingrecht wordt opgelegd.

(13)

Zoals in overweging 4 reeds is verklaard, overwoog het Gerecht van eerste aanleg in het arrest IPS dat wanneer een procedure (zoals een antidumpingprocedure) uit verschillende administratieve fasen bestaat, de nietigverklaring van een van deze fasen niet tot de nietigverklaring van de gehele procedure leidt. Aangezien de instellingen van de Unie gehouden zijn het arrest van het Gerecht uit te voeren, impliceert dit de mogelijkheid om alleen de aspecten van de bestreden verordening die tot de nietigverklaring daarvan hebben geleid, te corrigeren en de niet-aangevochten delen onaangeroerd te laten. Het argument werd daarom afgewezen.

(14)

Eén niet-verbonden importeur stelde dat het vanuit procedureel oogpunt het niet mogelijk is een onderzoek dat eerder is afgerond te heropenen, aangezien dat tot aanzienlijke gebreken zou leiden, zoals de aanvaarding van nieuwe informatie na de afsluiting van een zaak, discriminatie van alle andere partijen bij het onderzoek wier dumpingmarges anders zouden zijn indien de dumpingmarge van Jinan Meide zou worden gewijzigd, en een schending van het EU- en het WTO-recht nu antidumpingmaatregelen niet met terugwerkende kracht kunnen worden toegepast.

(15)

Deze importeur stelde ook dat een heropening door de basisverordening niet lijkt te zijn toegestaan.

(16)

Hij betoogde ook dat de Commissie niet bevoegd is om maatregelen te nemen ter uitvoering van een arrest van het Gerecht betreffende een verordening van de Raad, aangezien de Commissie in zaak T-424/13 niet de verweerster was. Hij stelde dat de Commissie voor de heropening formele instructies van de Raad nodig heeft.

(17)

Blijkens het arrest in de gevoegde zaken C-283/14 en C-284/14 (7) mogen de instellingen van de Unie een antidumpingonderzoek heropenen teneinde door de Europese rechter vastgestelde onregelmatigheden te verhelpen, zelfs als de basisverordening daar niet uitdrukkelijk in voorziet. De instellingen zijn immers verplicht de nodige maatregelen te nemen om onregelmatigheden te verhelpen. In dit geval heeft de Commissie, als onderzoekende instantie, het onderzoek heropend om uitvoering te geven aan het arrest van het Gerecht. De heropening van dit onderzoek volgt de juridische procedures die zijn voorgeschreven in de basisverordening, die voorziet in vaststelling door de Commissie na raadpleging van de lidstaten in het kader van de onderzoeksprocedure als bedoeld in artikel 15, lid 3, van de basisverordening. De argumenten werden daarom afgewezen.

(18)

Eén importeur merkte op dat het niet duidelijk was in welke mate een heropening kan plaatsvinden op grond van de huidige basisverordening, aangezien de Commissie het onderzoek lijkt te willen verrichten alsof zij was teruggegaan naar een tijdstip toen Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad (8) nog van kracht was.

(19)

Het op dit heronderzoek toepasselijke recht is Verordening (EG) nr. 1225/2009, die ten tijde van de vaststelling van de door het Gerecht nietig verklaarde verordening het materiële recht vormde. Verordening (EU) 2016/1036 is hoe dan ook een codificatie van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en de wijzigingen daarvan. Het argument werd dan ook afgewezen.

(20)

Een producent-exporteur uit Thailand stelde dat de Commissie Jinan Meide opnieuw het recht van 40,8 % moest opleggen, zonder dat te wijzigen, aangezien het Gerecht geen inhoudelijke bevindingen, maar slechts een procedurele onregelmatigheid heeft afgekeurd. Voorts betoogde hij dat enige inhoudelijke heroverweging alleen betrekking kan hebben op de berekening van de normale waarde voor Jinan Meide en dat alle andere bevindingen in de bestreden verordening geldig moeten blijven, aangezien niets in het arrest van het Gerecht erop wees dat het verhelpen van de procedurele onregelmatigheid moet leiden tot inhoudelijke wijzigingen van de berekening van de normale waarde voor Jinan Meide.

(21)

In het arrest dat heeft geleid tot deze heropening heeft het Gerecht geoordeeld dat niet kon worden uitgesloten dat indien het verzoek om inzage in vertrouwelijke gegevens van de producent in het referentieland was toegewezen, het onderzoek een andere uitkomst kon hebben gehad. Bij de heropening moet dus worden nagegaan welke gevolgen dat kan hebben voor de inhoud van het onderzoek. Het argument werd dan ook afgewezen.

(22)

Eén niet-verbonden importeur stelde dat aangezien de bedrijfstak van de Unie geen opmerkingen over de heropening heeft ingediend, de Unie geen belang heeft bij dit heropende onderzoek.

(23)

Het ontbreken van opmerkingen van een bepaald type marktdeelnemer kan in een onderzoek als zodanig niet tot enige inhoudelijke conclusie leiden. Hoe dan ook hebben vijf producenten in de Unie de Commissie dringend verzocht om het antidumpingrecht op Jinan Meide opnieuw in te stellen en zelfs om de invoer met het oog op de mogelijke retroactieve instelling van rechten te registreren teneinde de schade te beperken die de huidige situatie de producenten in de Unie berokkent. Het argument werd dan ook afgewezen.

2.1.2.   Opmerkingen over de berekening van de normale waarde

(24)

Jinan Meide stelde dat zij volledige toegang moest krijgen tot alle gegevens die de producent in het referentieland heeft verstrekt en dat zij ruimschoots de tijd moest hebben om opmerkingen in te dienen. Al die gegevens zijn aan Jinan Meide ter beschikking gesteld en Jinan Meide heeft voor de indiening van haar opmerkingen meer tijd gehad dan waarin de basisverordening voorziet, inclusief voor verschillende hoorzittingen met het team dat de zaak behandelt en met de raadadviseur-auditeur. Na de mededeling van de vertrouwelijke informatie en de dumpingberekeningen diende Jinan Meide na de daarvoor gestelde termijnen nog opmerkingen in, waarmee niettemin rekening is gehouden.

(25)

Jinan Meide stelde dat geen toetsing in het kader van normale handelstransacties mag worden verricht, aangezien de producent in het referentieland geen betrouwbare productiekosten per soort van het soortgelijk product kon vermelden. Eén importeur steunde dit argument, aangezien een kostenallocatie op basis van de omzet ervan uitgaat dat alle productsoorten tot dezelfde winstmarge leiden, hetgeen onbetrouwbaar zou zijn.

(26)

De Commissie verricht bij haar onderzoekingen echter altijd een toetsing in het kader van normale handelstransacties. Met name ziet artikel 2, lid 5, van de basisverordening specifiek op situaties zoals die welke Jinan Meide noemt; bij gebreke van een geschiktere methode wordt de voorkeur gegeven aan kostenallocatie op basis van de omzet. In dit verband moet worden opgemerkt dat de kosten zijn toegerekend op basis van de omzet, en dat geen enkele belanghebbende een andere en geschiktere methode heeft voorgesteld. Het besluit om de kosten toe te wijzen op basis van de omzet en een toetsing in het kader van normale handelstransacties te verrichten werd daarom gehandhaafd.

(27)

Jinan Meide verzocht om bij de berekening van de normale waarde productsoorten waarvan de producent in het referentieland minder dan 200 kg verkocht, buiten beschouwing te laten, aangezien de prijzen van dergelijke productsoorten onbetrouwbaar zouden zijn. Er zij op gewezen dat Jinan Meide tijdens het oorspronkelijke onderzoek betoogde dat de 5 %-representativiteitstoetsing niet mag worden verricht wanneer de normale waarde in een referentieland wordt vastgesteld, en dat de Commissie dat argument toen heeft aanvaard. Het verzoek om geen rekening te houden met de verkoop van productsoorten waarvan minder dan 200 kg wordt verkocht, wordt afgewezen omdat de verkoopprijzen voor soorten van het soortgelijke product waarvan minder dan 200 kg wordt verkocht niet onbetrouwbaar kunnen worden geacht, aangezien zij zijn gecontroleerd en even betrouwbaar als alle andere verkoopprijzen zijn bevonden.

(28)

Eén importeur ondersteunde het betoog van Jinan Meide, omdat de prijsvolatiliteit voor traag verkopende productsoorten hoog zou zijn. Dit zou betekenen dat productsoorten weliswaar een zeer gelijkende kwaliteit en kostenstructuur kunnen hebben, maar kunnen worden verkocht tegen sterk uiteenlopende prijzen. De Commissie heeft echter vastgesteld dat wat de producent in het referentieland betreft, de prijsvolatiliteit hoog is voor alle productsoorten, zelfs de best verkopende. Derhalve kan de gestelde hoge prijsvolatiliteit geen argument zijn om traag verkopende productsoorten uit te sluiten van de berekening van de dumping. Het argument werd daarom afgewezen.

(29)

Jinan Meide stelde ook dat aangezien de Commissie de kosten van de producent in het referentieland had toegewezen op basis van de omzet, de normale waarde niet mocht worden berekend indien van de vergelijkbare soorten van het soortgelijke product in het referentieland minder dan 200 kg werd verkocht, maar dat de normale waarde in dergelijke gevallen moet worden vastgesteld op basis van de prijzen van andere vergelijkbare soorten waarvan grotere hoeveelheden worden verkocht. Ook dit argument werd verworpen, omdat de toewijzing van de totale kosten op basis van de omzet strookt met artikel 2, lid 5, van de basisverordening, en de argumenten van Jinan Meide niet volstaan om in dit specifieke geval een andere methode te rechtvaardigen.

2.1.3.   Opmerkingen over de vergelijking van de normale waarde en de uitvoerprijs

(30)

Jinan Meide voerde argumenten aan betreffende correcties van de gegevens van de producent in het referentieland inzake kredieten, verpakkingskosten, het handelsstadium, bankkosten, binnenlands vervoer, creditnota's, indirecte belastingen, technische ondersteuning, het gebruik van andere grondstoffen en uiteenlopende arbeidsproductiviteit.

(31)

De Commissie aanvaardde het argument inzake binnenlands vervoer en de kredietkosten voor zover het betrekking had op één enkele afnemer van de producent in het referentieland, en de berekening van de dumping door Jinan Meide werd dienovereenkomstig gecorrigeerd.

(32)

Aangaande de argumenten betreffende de uiteenlopende arbeidsproductiviteit en het gebruik van andere grondstoffen stelde Jinan Meide dat de lagere productiviteit per werknemer en het gebruik van andere grondstoffen ertoe leidden dat de producent in het referentieland enigszins hogere kosten had dan Jinan Meide. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat er tussen ondernemingen weliswaar verschillen in efficiëntie of productiviteit kunnen bestaan, maar dat de stelregel voor antidumpingberekeningen erin bestaat de vergelijkbaarheid van uitvoerprijzen en normale waarde te garanderen, wat niet vereist dat de omstandigheden van een producent in het referentieland en van een exporteur in een land zonder markteconomie volledig gelijklopen. Slechts verschillen voor factoren die van invloed zijn op de prijzen en op de vergelijkbaarheid van de prijzen tussen een producent in het referentieland en een exporteur in een land zonder markteconomie rechtvaardigen namelijk een correctie.

(33)

De overige argumenten bleken niet te worden gestaafd door het bewijs dat ter plaatse is verzameld en is opgenomen in het dossier; zij zijn dan ook van de hand gewezen.

2.2.   Andere relevante kwesties

(34)

Tijdens de voorbereiding van de mededeling van de definitieve bevindingen voor Jinan Meide merkte de Commissie dat bij de berekening van de dumping door Jinan Meide de indirecte belastingen onjuist waren gecorrigeerd. Anders dan de Commissie in de voorlopige (9) en de definitieve (10) verordening heeft vermeld, is de correctie voor indirecte belastingen ten gevolge van een administratieve fout niet aangebracht ten tijde van de mededeling van de definitieve bevindingen aan Jinan Meide, maar wel in de voorlopige fase. Om redenen van behoorlijk bestuur is die fout gecorrigeerd.

2.3.   Mededeling van feiten en overwegingen

(35)

Op 12 april 2017 heeft de Commissie alle belanghebbenden in kennis gesteld van de bovenstaande bevindingen op basis waarvan zij wilde voorstellen om het antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, van Jinan Meide op basis van de verzamelde en meegedeelde gegevens betreffende het oorspronkelijke onderzoek opnieuw in te stellen.

(36)

Jinan Meide en drie niet-verbonden importeurs stelden dat de Commissie de rekenfout (betreffende de correctie voor indirecte belastingen in de berekening van haar dumpingmarge) niet mocht corrigeren in het kader van deze heropening, omdat die fout geen verband hield met de uitvoering van het arrest van het Gerecht. Jinan Meide kon op haar verzoek ook deelnemen aan een hoorzitting met de raadadviseur-auditeur. Twee niet-verbonden importeurs stelden dat de Commissie de producent-exporteur niet in een slechtere positie kan plaatsen dan die welke oorspronkelijk was vastgesteld.

(37)

Jinan Meide herhaalde haar argument dat de Commissie productsoorten waarvan het referentieland minder dan 200 kg verkocht, moet behandelen als nagenoeg of niet-vergelijkbare productsoorten en dat zij zich niet op onbetrouwbare kosten kan beroepen om bepaalde verkopen uit te sluiten van de vaststelling van de normale waarde.

(38)

Jinan Meide betwistte het besluit van de Commissie tot afwijzing van haar verzoeken om correcties met betrekking tot het handelsstadium, verpakkingskosten, kredietkosten, binnenlandse verzekeringskosten, andere grondstoffen en uiteenlopende productiviteit.

(39)

Jinan Meide stelde dat haar geen antidumpingrecht mocht worden opgelegd nu er in deze procedure procedurefouten en andere onregelmatigheden waren begaan. In dat verband stelde zij dat een fout in de mededeling van feiten en overwegingen van 23 december 2016 de vraag deed rijzen of de Commissie de vertrouwelijke versie van de in de definitieve fase van het oorspronkelijke onderzoek gemaakte berekening heeft meegedeeld, en dat in de mededeling van feiten en overwegingen geen verklaring wordt gegeven voor de gestelde verschillen met de berekening in het oorspronkelijke onderzoek. Verder stelde zij dat de Commissie had geweigerd om ondanks herhaalde verzoeken van Jinan Meide bepaalde elementen bekend te maken. Verder betoogde zij dat de argumenten die waren aangevoerd in zaak T-424/13, maar waarover het Gerecht zich niet heeft uitgesproken, geldig blijven en de maatregelen aan kritiek zouden blijven blootstellen indien zij opnieuw zouden worden ingesteld.

(40)

De Commissie herinnert eraan dat zij bij de voorbereiding van de mededeling van de definitieve bevindingen voor Jinan Meide heeft gemerkt dat bij de berekening van de dumping door Jinan Meide de indirecte belastingen onjuist waren gecorrigeerd. Om redenen van behoorlijk bestuur heeft de Commissie voorgesteld die fout in dat stadium te corrigeren en heeft zij dat voorstel naar behoren meegedeeld aan alle betrokken partijen.

(41)

Na afweging van alle argumenten heeft de Commissie besloten het argument van Jinan Meide te aanvaarden en de rekenfout niet te corrigeren. De Commissie is in navolging van de raadadviseur-auditeur van mening dat er in geval van heropening van handelsbeschermingszaken geen algemeen verbod van reformatio in peius bestaat, dat wil zeggen dat een belanghebbende in geval van een heropening van een handelsbeschermingszaak in een minder gunstige positie zou kunnen worden geplaatst dan voor die heropening. De Commissie heeft evenwel geconcludeerd dat de heropening in dit specifieke geval beperkt moet blijven tot de bekendmaking van de gegevens betreffende het referentieland, het ontvangen van opmerkingen van belanghebbenden, en, indien nodig, de dienovereenkomstige herziening van het recht. Aangezien de rekenfout met betrekking tot de terugbetaling van de btw bij uitvoer, en met name het bedrag van de terugbetaling van de btw, geen verband houdt met de gegevens van de producent in het referentieland, wordt die correctie geacht het toepassingsgebied van het heropende onderzoek te buiten te gaan.

(42)

Op 29 mei 2017 zond de Commissie de belanghebbenden een aanvullend informatiedocument waarmee zij haar besluit meedeelde om de in overweging 34 bedoelde rekenfout niet te corrigeren. De Commissie ontving slechts van één importeur opmerkingen, waarin deze herhaalde dat hij vanwege de beperkte informatieverstrekking aan importeurs niet in staat is om opmerkingen over de correcties in te dienen. Bij gebreke van argumenten voor het tegendeel, worden de bevindingen inzake de correcties dan ook bevestigd.

(43)

Met betrekking tot de productsoorten waarvan minder dan 200 kg werd verkocht, verwees Jinan Meide naar de conclusie van de advocaat-generaal in de zaak Goldstar (11) volgens welke het argument dat „voor de vergelijkbaarheid van binnenlandse prijzen een in absolute cijfers voldoende verkoopvolume op de binnenlandse markt voorhanden moet zijn, is ingegeven door de vaststelling dat de binnenlandse prijzen van verkooppunt tot verkooppunt kunnen verschillen. Bovendien kunnen er zich gedurende eenzelfde referentietijdvak prijsschommelingen voordoen”, en „om representatief te zijn moet dat gewogen gemiddelde op een minimum aantal verkopen zijn gesteund”.

(44)

In dit verband zij erop gewezen dat de advocaat-generaal in de volgende alinea van zijn conclusie overwoog: „Het voorgaande betekent echter niet dat de instellingen, benevens de hiervoor genoemde en in casu per model berekende relatieve „insignificantie-drempel” van 5 %, ook nog een absolute „insignificantie-drempel” zouden moeten hanteren. Het heeft immers weinig zin een absolute minimumdrempel in het algemeen te bepalen omdat de waarde van een absoluut cijfer te veel afhankelijk is van de aard van het product.” De conclusie van de advocaat-generaal bevestigt dus dat het inderdaad niet nodig is een absolute minimumdrempel toe te passen, zoals de door Jinan Meide voorgestelde absolute drempel van 200 kg.

(45)

Wat de prijsfluctuaties betreft, blijkt dat deze voorkomen bij alle productsoorten en niet alleen bij productsoorten waarvan minder dan 200 kg wordt verkocht, zoals vermeld in overweging 28.

(46)

Eén niet-verbonden importeur steunde het betoog van Jinan Meide betreffende de representativiteit van traag verkopende producten en herhaalde zijn opmerkingen dienaangaande. Hij diende een algemene verklaring in volgens welke het standpunt van de Commissie in tegenspraak is met de algemene ervaring van de markt. Het standpunt van de Commissie is gebaseerd op gegevens van de producent in het referentieland. Aangezien het argument niet nader is onderbouwd en gelet op de overwegingen 28 en 42 e.v. wordt het argument dan ook van de hand gewezen.

(47)

Aangaande het betoog inzake onbetrouwbare kosten stelde Jinan Meide dat de Commissie uiteindelijk heeft gebruikgemaakt van de oorspronkelijk ingediende reeks kostengegevens, ook al had zij aanvankelijk geoordeeld dat deze niet aan de normen voldeden. Deze bewering wordt niet gestaafd door de feiten van het onderzoek. De Commissie heeft immers nooit gesteld dat de oorspronkelijke reeks kostengegevens niet aan de normen voldeed. In die omstandigheden is het dan ook niet passend om in het geheel geen rekening te houden met de door de producent in het referentieland vermelde kosten, zoals Jinan Meide wil.

(48)

Eén niet-verbonden importeur herhaalde zijn opmerking dat een kostenallocatie op basis van de omzet ervan uitgaat dat alle productsoorten tot dezelfde winstmarge leiden, hetgeen zou worden tegengesproken door de op de markt waargenomen logica. Dat argument was verder niet onderbouwd. Zoals vermeld in overweging 26, wordt overeenkomstig de basisverordening, bij gebreke van een geschiktere methode de voorkeur gegeven aan kostenallocatie op basis van de omzet. De kosten zijn toegerekend op basis van de omzet, en geen enkele belanghebbende heeft een andere en geschiktere methode voorgesteld. Het argument wordt derhalve afgewezen.

(49)

Aangaande de correctie voor het verschil in handelsstadium herhaalde Jinan Meide haar argument dat het voor de beantwoording van de vraag of een correctie voor het verschil in handelsstadium gerechtvaardigd is, volstaat om verschillende gemiddelde prijzen voor verschillende categorieën afnemers vast te stellen. Artikel 2, lid 10, onder d), i), van de basisverordening vereist echter dat er sprake is van „permanente en duidelijke verschillen tussen de prijzen die de verkoper hanteert in de onderscheiden handelsstadia”. Een loutere vergelijking van de gemiddelde prijzen wordt derhalve niet geacht te volstaan om dergelijke permanente en duidelijke verschillen tussen de prijzen aan te tonen. Integendeel, een analyse van de informatie in het dossier toont aan dat alle soorten klanten aanwezig zijn in alle segmenten van de prijsvork.

(50)

Eén niet-verbonden importeur voerde aan dat de Commissie een correctie voor het verschil in handelsstadium moest verrichten, maar dat hij bij gebrek aan toegang tot gegevens daarover geen verdere opmerkingen kon indienen. Hij stelde ook dat hij bij gebrek aan toegang tot de berekening van de dumpingmarge daarover geen verdere opmerkingen kon indienen. In dit verband wordt eraan herinnerd dat de Commissie verplicht is, de vertrouwelijke informatie die zij van belanghebbenden heeft ontvangen, te beschermen. Alle niet-vertrouwelijke opmerkingen zijn echter toegankelijk voor de belanghebbenden, die verzocht zijn opmerkingen in te dienen. De Commissie merkt echter op dat, zoals vermeld in overweging 49, uit de informatie in het dossier blijkt dat er in casu geen permanente en duidelijke verschillen zijn tussen de prijzen die de verkoper aan verschillende soorten afnemers in rekening brengt. Daarom is een correctie voor het verschil in handelsstadium niet passend.

(51)

Met betrekking tot de correctie voor kredietkosten is een correctie afgetrokken op basis van de informatie op de verkoopdocumenten, zowel wat de uitvoerprijs als de normale waarde betreft. Jinan Meide stelde dat de correctie voor kredietkosten aan de kant van de normale waarde moet worden toegepast op basis van het daadwerkelijke aantal dagen tussen de factuur en de betaling, aangezien de Commissie een correctie voor kredietkosten bij uitvoer zou hebben verricht hoewel op de verkoopdocumenten geen betalingstermijn was vermeld. Deze bewering werd niet bevestigd door de bewijsstukken in het dossier van het onderzoek. Jinan Meide kon evenmin enig bewijs leveren voor haar stelling. Bovendien werd vastgesteld dat zowel wat de normale waarde als de uitvoerprijs betreft, de feitelijke betaling vaak werd verricht na de op de verkoopdocumenten vermelde betalingstermijn. De berekening van de correctie voor kredietkosten op basis van de werkelijke betalingsdatum aan de kant van de normale waarde en op basis van de gegevens in de verkoopdocumenten aan de kant van de uitvoerprijs zou dus niet tot een eerlijke vergelijking leiden. De Commissie handhaafde derhalve haar benadering om de correctie voor kredietkosten voor zowel de normale waarde als de uitvoerprijs vast te stellen op basis van de informatie in de verkoopdocumenten.

(52)

Wat de correctie voor verpakkingskosten betreft, herhaalde Jinan Meide haar argument dat de verpakkingskosten onjuist waren toegewezen, en dat de daaruit voortvloeiende correctie voor verpakkingskosten zeer gering en niet redelijk was. Zij heeft haar argument evenwel niet verder onderbouwd, met name wat de vraag betreft waarom de daaruit voortvloeiende correctie onredelijk laag was. De Commissie handhaafde derhalve haar methode voor de correctie voor verpakkingskosten.

(53)

Tot slot verwerpt de Commissie het betoog van Jinan Meide inzake procedurefouten en andere onregelmatigheden in deze procedure. De Commissie heeft alle beginselen geëerbiedigd en alle fasen van de procedure doorlopen. De Commissie heeft het onderzoek heropend, heeft de gegevens uit het referentieland meegedeeld, zoals vereist om uitvoering te geven aan het arrest van het Gerecht, en heeft het aan Jinan Meide opgelegde recht dienovereenkomstig herzien. In alle fasen van het onderzoek zijn belanghebbenden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en te worden gehoord. Tijdens de hele procedure was de Commissie transparant en bereid tot dialoog, en organiseerde zij vergaderingen om tegemoet te komen aan het verzoek van Jinan Meide om verduidelijking en hoorzittingen. De Commissie verduidelijkte het technisch probleem in verband met een gebrekkig Excel-bestand met berekeningen die hebben geleid tot de inconsistenties waarop Jinan Meide de aandacht heeft gevestigd. Die fout was hoe dan ook niet van invloed op de dumpingmarge en is dadelijk gecorrigeerd. De Commissie heeft Jinan Meide alle vertrouwelijke informatie meegedeeld, inclusief het vertrouwelijke dossier met de cijfers die zijn gebruikt voor de dumpingmarge in 2013. Met betrekking tot de argumenten waarover het Gerecht zich in zijn arrest niet heeft uitgesproken, betwist de Commissie alle door Jinan Meide gestelde onregelmatigheden. De Commissie heeft aan haar verplichting om uitvoering te geven aan het arrest van het Gerecht voldaan door de door het Gerecht vastgestelde onrechtmatigheden te verhelpen. Op basis hiervan kan de Commissie de door Jinan Meide aangehaalde procedurefouten niet erkennen, en herhaalt zij dat zij alle beginselen heeft geëerbiedigd en alle procedurele vereisten heeft vervuld, zodat Jinan Meide (en andere belanghebbenden) tijdens het onderzoek hun procedurele rechten konden uitoefenen.

(54)

Jinan Meide herhaalde ook haar argumenten betreffende de uiteenlopende arbeidsproductiviteit en het gebruik van andere grondstoffen, zonder daarover evenwel nadere argumenten of bewijselementen aan te voeren. Dit standpunt werd gesteund door één niet-verbonden importeur. Die argumenten zijn reeds behandeld in overweging 32.

(55)

Eén niet-verbonden importeur herhaalde dat de heropening als zodanig niet verenigbaar was met de bepalingen van de basisverordening. Zoals in overweging 17 reeds is gezegd, mogen de instellingen van de Unie blijkens het arrest in de gevoegde zaken C-283/14 en C-284/14 (12) een antidumpingonderzoek heropenen teneinde door de Europese rechter vastgestelde onregelmatigheden te verhelpen, zelfs als de basisverordening daar niet uitdrukkelijk in voorziet. De instellingen van de Unie zijn immers verplicht de nodige maatregelen te nemen om onregelmatigheden te verhelpen. Het argument werd daarom afgewezen.

(56)

Een andere niet-verbonden importeur wees op de negatieve gevolgen van de antidumpingrechten (wegens de gevolgen voor de winstgevendheid, de omzet en nieuwe marktomstandigheden, namelijk nieuwe prijzen, nieuwe voorzieningsbronnen). Zoals reeds gezegd in overweging 41, bleef deze heropening beperkt tot de uitvoering van het arrest van het Gerecht met betrekking tot Jinan Meide, namelijk Jinan Meide inzage te geven in de vertrouwelijke gegevens van de producent in het referentieland. Het argument werd daarom afgewezen.

(57)

Eén niet-verbonden importeur betoogde dat de wijziging (een gestelde stijging) van het recht noopte tot een nieuwe beoordeling van de gevolgen van het antidumpingrecht voor de importeurs en de gebruikers. Zoals gezegd in overweging 41, heeft de Commissie de rekenfout in verband met de terugbetaling van btw echter niet gecorrigeerd, omdat dat werd geacht het toepassingsgebied van het heropende onderzoek te buiten te gaan. Het argument werd daarom afgewezen.

(58)

Dezelfde belanghebbende stelde ook dat de Commissie een tussentijds nieuw onderzoek moest verrichten, aangezien het tijdvak van het oorspronkelijke onderzoek meer dan vijf jaar in het verleden ligt. De omvang van de heropening is duidelijk omschreven in het bericht van heropening (13). Een heropening en een tussentijds nieuw onderzoek zijn instrumenten met een verschillend doel. Het doel van deze heropening was namelijk om uitvoering te geven aan het arrest van het Gerecht met betrekking tot Jinan Meide. Een tussentijds nieuw onderzoek is daarentegen een instrument waarvoor duidelijk omschreven juridische voorwaarden gelden, met name het opnieuw onderzoeken van geldende maatregelen omdat omstandigheden blijvend gewijzigd zijn. Het argument werd daarom afgewezen.

(59)

Tot slot stelde een partij dat de Commissie, om verdere rechtszaken te vermijden, de in de gerechtelijke procedure aangevoerde argumenten had moeten onderzoeken, ook al had het Gerecht die niet behandeld. De Commissie merkt op dat deze heropening beperkt bleef tot de uitvoering van het arrest van het Gerecht met betrekking tot Jinan Meide, namelijk Jinan Meide inzage te geven in de vertrouwelijke gegevens van de producent in het referentieland. Het argument werd daarom afgewezen.

2.4.   Conclusie

(60)

De vergelijking van de gewogen gemiddelde uitvoerprijs met de herberekende gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort op basis van de prijs af fabriek toonde het bestaan van dumping aan. De vastgestelde dumpingmarge bedroeg 39,2 % van de cif-invoerprijs, franco grens Unie, vóór inklaring.

(61)

De Commissie heeft rekening gehouden met de opmerkingen van de partijen en heeft geconcludeerd dat de uitvoering van het arrest van het Gerecht de vorm moet krijgen van het opnieuw mededelen aan Jinan Meide van de mededeling van de definitieve bevindingen van 15 maart 2013 met aanvullende informatie over de berekening van de normale waarde aan de hand van vertrouwelijke gegevens van de producent in het referentieland. Na de nieuwe mededeling ontving de Commissie van Jinan Meide en andere belanghebbenden opmerkingen, die zij in overweging heeft genomen. Op basis van die beoordeling en van hetgeen is uiteengezet in de overwegingen 40 tot en met 58, achtte de Commissie het passend om het antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, vervaardigd door Jinan Meide, opnieuw in te stellen.

3.   VERZOEK TOT REGISTRATIE

(62)

De bedrijfstak van de Unie, vertegenwoordigd door de vijf nog actieve producenten in de Unie, stelde dat de situatie na de nietigverklaring van het antidumpingrecht voor Jinan Meide noopt tot een registratie van de invoer. Het verzoek werd na de mededeling van de definitieve bevindingen herhaald.

(63)

Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening heeft registratie echter enkel tot doel, de retroactieve inning van rechten mogelijk te maken. De voorwaarden voor de retroactieve inning van rechten zijn in het onderhavige geval echter niet vervuld. Registratie van de invoer is dan ook niet gerechtvaardigd.

4.   CONCLUSIE

(64)

Op grond van een en ander achtte de Commissie het passend om het definitieve antidumpingrecht van 39,2 % op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7307 19 10 (Taric-code 7307191010), van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide, opnieuw in te stellen.

Duur van de maatregelen

(65)

Deze procedure is niet van invloed op de datum waarop de bij de betwiste verordening ingestelde maatregelen ingevolge artikel 11, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1036 vervallen.

(66)

Het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, uitgezonderd binnenringen van knelkoppelingen met metrisch schroefdraad overeenkomstig ISO DIN 13, en ronde aansluitdozen van smeedbaar ijzer, met schroefdraad, zonder deksel, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 7307 19 10 (Taric-code 7307191010), van oorsprong uit de Volksrepubliek China en vervaardigd door Jinan Meide (aanvullende Taric-code B336).

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs franco grens Unie, vóór inklaring, is 39,2 %.

3.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 juni 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 430/2013 van de Raad van 13 mei 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige recht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand en tot beëindiging van de procedure ten aanzien van Indonesië (PB L 129 van 13.5.2013, blz. 1).

(3)  Zaak T-424/13, Jinan Meide Casting/Raad.

(4)  Arrest van het Gerecht van 15 oktober 1998, Industrie des poudres sphériques/Raad, T-2/95, Jurispr. 1998, blz. II-3939.

(5)  Arrest van het Hof van 3 oktober 2000, Industrie des poudres sphériques/Raad, C-458/98 P, Jurispr. 2000, blz. I-8147.

(6)   PB C 398 van 28.10.2016, blz. 57.

(7)  Arrest van het Hof van 28 januari 2016, CM Eurologistik en GLS, C-283/14 en C-284/14, punt 52.

(8)  Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51).

(9)  Verordening (EU) nr. 1071/2012 van de Commissie van 14 november 2012 tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op gegoten hulpstukken (fittings) voor buisleidingen, van smeedbaar gietijzer, met schroefdraad, van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand (PB L 318 van 15.11.2012, blz. 10), overweging 67.

(10)  Zie overweging 19 waarin overweging 67 van de voorlopige verordening wordt bevestigd.

(11)  Conclusie van de advocaat-generaal in zaak C-105/90, Goldstar/Raad, Jurispr. blz. I-704, punt 11.

(12)  Arrest van het Hof van 28 januari 2016, CM Eurologistik en GLS, C-283/14 en C-284/14, ECLI:EU:C:2016:57, punt 52.

(13)   PB C 398 van 28.10.2016, blz. 57.


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/32


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/1147 VAN DE COMMISSIE

van 28 juni 2017

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 tot vaststelling van een lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks op grond van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende indices die worden gebruikt als benchmarks voor financiële instrumenten en financiële overeenkomsten of om de prestatie van beleggingsfondsen te meten en tot wijziging van Richtlijnen 2008/48/EG en 2014/17/EU en Verordening (EU) nr. 596/2014 (1), en met name artikel 20, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Benchmarks spelen een belangrijke rol bij de vaststelling van de prijs van tal van financiële instrumenten en financiële overeenkomsten en bij de meting van de prestatie van tal van beleggingsfondsen. Het aanleveren van gegevens voor benchmarks en het beheer ervan zijn veelal vatbaar voor manipulatie en de daarbij betrokken personen worden vaak met belangenconflicten geconfronteerd.

(2)

Om hun economische rol te kunnen vervullen, moeten benchmarks representatief zijn voor de onderliggende markt of voor de economische realiteit die zij weergeven. Indien een benchmark niet langer representatief is voor een onderliggende markt, zoals interbancaire rentetarieven, bestaat er een risico van negatieve gevolgen voor, onder meer, de marktintegriteit en de financiering van huishoudens (leningen en hypotheken) en het bedrijfsleven in de Unie.

(3)

Hoe hoger de totale waarde van financiële instrumenten, financiële overeenkomsten en beleggingsfondsen die naar een bepaalde benchmark verwijzen, hoe groter doorgaans de risico's zijn voor de gebruikers, de markten en de economie van de Unie. Daarom zijn in Verordening (EU) 2016/1011 verschillende categorieën benchmarks vastgesteld en tevens extra vereisten opgenomen om de integriteit en de degelijkheid te verzekeren van bepaalde benchmarks die als cruciaal worden aangemerkt. Zo is onder meer aan de bevoegde autoriteiten de bevoegdheid verleend om, onder bepaalde voorwaarden, het aanleveren van gegevens voor een cruciale benchmark of het beheer ervan op te leggen.

(4)

Wegens de extra verplichtingen en bevoegdheden van bevoegde autoriteiten van beheerders van cruciale benchmarks is een formele procedure voor de vaststelling van cruciale benchmarks vereist. Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1011 wordt een benchmark als een cruciale benchmark aangemerkt wanneer deze binnen een combinatie van benchmarks direct of indirect wordt gebruikt als referentie voor financiële instrumenten of financiële overeenkomsten of voor de meting van de prestatie van beleggingsfondsen met een totale waarde van ten minste 500 miljard EUR op basis van alle looptijden van de benchmark, indien van toepassing.

(5)

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 van de Commissie (2) heeft een lijst vastgesteld van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks op grond van Verordening (EU) 2016/1011. Blijkens analyse van gegevens en bijdragen van de Europese Centrale Bank overschrijdt de waarde van financiële instrumenten en financiële contracten die refereren aan de Euro OverNight Index Average (Eonia), de drempel van 500 miljard EUR waarvan sprake in artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1011.

(6)

De Eonia is een gemiddelde van ongedekte overnight leningstransacties van een panel van banken op de interbankenmarkt in de Unie en in de EVA. Het is de referentierente voor renteswaps in euro. Hij is bijgevolg van cruciaal belang voor de werking van de euroswapmarkt en financiële stabiliteit in de Unie.

(7)

Op basis van berekeningen door de Europese Centrale Bank afgeleid uit de dagelijkse verslagen van de 52 grootste Europese banken onder de statistische rapportage van de geldmarkt kunnen de uitstaande bedragen van de vastgelegde geldmarktinstrumenten in de ongedekte en de gedekte markt die verwijzen naar de Eonia worden geraamd op ongeveer 450 miljard EUR en 400 miljard EUR voor deze steekproef van banken alleen. Bovendien wordt de overgrote meerderheid van transacties in de overnight index swap (OIS)-markt van de euro, met een notioneel bedrag van ongeveer 5,2 biljoen EUR, geacht gekoppeld te zijn aan de Eonia. De Eonia wordt bijgevolg binnen een combinatie van benchmarks direct of indirect gebruikt als referentie voor financiële instrumenten of financiële contracten of voor de meting van de prestaties van beleggingsfondsen met een totale waarde van ten minste 500 miljard EUR op basis van alle bandbreedtes van looptijden.

(8)

De Eonia wordt aangeboden door dezelfde benchmarkbeheerder als de Euribor, en het panel van banken die inputgegevens aanleveren voor de Euribor, is feitelijk een subset van het panel van banken die inputgegevens aanleveren voor de Eonia. Terwijl Euribor het langeretermijnlenen uitdrukt, heeft Eonia op het eendagslenen betrekking. Het is bijgevolg van vitaal belang voor de stabiliteit van de financiële markten dat de Eonia eveneens als een cruciale benchmark wordt aangewezen.

(9)

De lijst van cruciale benchmarks, vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368, moet bijgevolg worden gewijzigd door toevoeging van de Eonia.

(10)

In het licht van het cruciale belang van de Eonia voor de interbankenmarkt en het grote aantal derivaten in de Unie die eraan refereren, moet deze verordening met spoed in werking treden.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Europees Comité voor het effectenbedrijf,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 28 juni 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 171 van 29.6.2016, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1368 van de Commissie van 11 augustus 2016 tot vaststelling van een lijst van op financiële markten gebruikte cruciale benchmarks op grond van Verordening (EU) 2016/1011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 217 van 12.8.2016, blz. 1).


BIJLAGE

„BIJLAGE

Lijst van cruciale benchmarks opgesteld op grond van artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1011

Nr.

Benchmark

Beheerder

Locatie

1

Euro Interbank Offered Rate (Euribor®)

European Money Markets Institute (EMMI)

Brussel, België

2

Euro OverNight Index Average (Eonia®)

European Money Markets Institute (EMMI)

Brussel, België


BESLUITEN

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/35


BESLUIT (GBVB) 2017/1148 VAN DE RAAD

van 28 juni 2017

tot wijziging van Besluit 2014/512/GBVB betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 31 juli 2014 Besluit 2014/512/GBVB (1) vastgesteld.

(2)

De Europese Raad heeft op 19 maart 2015 besloten dat de nodige maatregelen zouden worden genomen om een duidelijk verband te leggen tussen de duur van de beperkende maatregelen en de volledige uitvoering van de akkoorden van Minsk, in aanmerking nemend dat de volledige uitvoering was voorzien voor 31 december 2015.

(3)

De Raad heeft op 19 december 2016 Besluit 2014/512/GBVB verlengd tot en met 31 juli 2017 om de uitvoering van de akkoorden van Minsk verder te kunnen beoordelen.

(4)

Na de uitvoering van de akkoorden van Minsk te hebben beoordeeld, moet Besluit 2014/512/GBVB met nog eens zes maanden worden verlengd om de Raad in staat te stellen de uitvoering verder te beoordelen.

(5)

Besluit 2014/512/GBVB moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 9, lid 1, van Besluit 2014/512/GBVB wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.   Dit besluit is van toepassing tot en met 31 januari 2018.”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 28 juni 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

H. DALLI


(1)  Besluit 2014/512/GBVB van de Raad van 31 juli 2014 betreffende beperkende maatregelen naar aanleiding van acties van Rusland die de situatie in Oekraïne destabiliseren (PB L 229 van 31.7.2014, blz. 13).


29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/36


BESLUIT (EU) 2017/1149 VAN DE COMMISSIE

van 27 september 2016

betreffende steunmaatregel SA.30931 (11/C) (ex N 185/10) door Roemenië ten uitvoer gelegd voor Roemeense regionale luchthavens

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 6031)

(Slechts de tekst in de Roemeense taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig het/de genoemde artikel(en) te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1) en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij elektronische aanmelding van 17 mei 2010 heeft Roemenië, overeenkomstig artikel 108, lid 3, van het Verdrag, bij de Commissie aanmelding gedaan van een steunregeling ten behoeve van kleine (2) regionale luchthavens. Deze aanmelding is geregistreerd onder zaaknummer N 185/2010.

(2)

Bij schrijven van 23 juni 2010, 7 oktober 2010, 3 december 2010 en 17 maart 2011 heeft de Commissie om aanvullende informatie verzocht. Bij brieven van 22 juli 2010, 27 oktober 2010, 20 januari 2011 en 5 april 2011 hebben de Roemeense autoriteiten de aanvullende informatie verschaft.

(3)

Bij schrijven van 15 september 2010 hebben de Roemeense autoriteiten de Commissie in kennis gesteld van bepaalde wijzigingen in de aangemelde regeling, met name wat betreft het aantal begunstigden.

(4)

Bij schrijven van 24 mei 2011 heeft de Commissie Roemenië in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU, ten aanzien van de aangemelde steunmaatregel en andere maatregelen ten behoeve van luchthavens die geen deel uitmaakten van de aanmelding maar die door Roemenië onder de aandacht van de Commissie zijn gebracht in de fase van de voorlopige beoordeling (hierna het „inleidingsbesluit” genoemd) (3). In het bijzonder stelden de Roemeense autoriteiten de Commissie tijdens de fase van de voorlopige beoordeling ervan in kennis dat er aan de regionale luchthavens overheidsfinanciering was verleend gedurende de periode 2007-2009 ter dekking van exploitatietekorten.

(5)

Op 23 juni 2011 heeft de Commissie een rectificatie van het inleidingsbesluit goedgekeurd.

(6)

Het inleidingsbesluit is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (4). De Commissie heeft de belanghebbenden verzocht hun opmerkingen kenbaar te maken.

(7)

Bij brieven van 27 juni 2011, 5 juli 2011 en 19 augustus 2011 heeft Roemenië zijn opmerkingen over het inleidingsbesluit ingediend.

(8)

De Commissie heeft van drie belanghebbenden opmerkingen ontvangen, namelijk van luchtvaartmaatschappij Carpatair, van de luchthaven van Cluj-Napoca en van de Roemeense Vereniging van Luchthavens (hierna de „RVL” genoemd).

(9)

Bij schrijven van 16 september 2011 heeft de Commissie de opmerkingen van de belanghebbenden aan Roemenië doorgezonden.

(10)

Bij schrijven van 25 juli 2011 heeft Roemenië zijn aanmelding betreffende de voorgenomen financieringsregeling voor infrastructuurinvesteringen op kleine regionale luchthavens in Roemenië ingetrokken. Roemenië verbond zich ertoe om die luchthavens te financieren overeenkomstig Beschikking 2005/842/EG van de Commissie (5) (hierna de „DAEB-beschikking van 2005” genoemd) betreffende de toepassing van artikel 86, lid 2, van het EG-Verdrag (thans artikel 106, lid 2, VWEU). Derhalve heeft de Commissie haar onderzoek betreffende die maatregel afgesloten op 31 oktober 2011. De formele onderzoeksprocedure bleef open wat betreft de overheidsfinanciering die aan de Roemeense regionale luchthavens werd verleend in 2007-2009.

(11)

De richtsnoeren van de Commissie inzake staatssteun aan luchthavens en luchtvaartmaatschappijen (hierna de „richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014” genoemd) zijn bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie op 4 april 2014 (6). Ze vervingen de richtsnoeren van 2005 voor financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven (hierna de „richtsnoeren luchtvaartsteun van 2005” genoemd).

(12)

Op 15 april 2014 werd in het Publicatieblad van de Europese Unie een bekendmaking gepubliceerd waarin de lidstaten en belanghebbenden werden verzocht binnen een maand vanaf de datum van die bekendmaking hun opmerkingen te maken over de toepassing van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 in deze zaak. Hierop ontving de Commissie geen antwoord.

2.   GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL/STEUN

2.1.   BETWISTE MAATREGELEN

(13)

Zoals hierboven vermeld, in het kader van de aanmelding inzake infrastructuurinvesteringen op kleine regionale luchthavens heeft Roemenië de Commissie ingelicht dat de meeste regionale luchthavens in Roemenië verliesgevend waren en dat hun exploitatietekorten gedekt werden door jaarlijkse overheidsfinancieringen.

(14)

Tabel 1 geeft een lijst weer van de overheidsfinanciering die is verschaft aan categorie D-luchthavens (7) in 2007-2009, zoals ingediend door Roemenië.

Tabel 1

Overheidsfinanciering verschaft aan 13 regionale luchthavens (in duizend RON)

Luchthaven

2007

2008

2009

Totaal

Arad

2 900

3 400

4 041

10 341

Bacău

3 730,99

1 765,52

394,14

5 890,65

Baia Mare

2 620

6 977

6 135

15 732

Cluj-Napoca

34 927

43 500

44 500

122 927

Craiova

6 505,33

8 377,08

25 099

39 981,38

Iaşi

19 843,12

12 314,89

7 812,15

39 970,16

Oradea

3 160

6 021

5 450

14 631

Satu Mare

3 890

3 460

2 676

10 026

Sibiu

13 889

66 818

13 545

94 252

Suceava

5 812,43

5 464,52

4 614,07

15 918,02

Târgu Mureș

4 083,30

18 175,60

15 573,65

37 832,55

Tulcea

11 651

16 921

2 069

30 641

Constanța

25 054,85

17 042,27

10 161,42

52 258,54

TOTAAL

138 067,02

210 236,88

142 070,43

490 401,3

(15)

Tijdens de voorlopige onderzoeksfase heeft Roemenië duidelijk gemaakt dat het grootste deel van deze financiering steun betreft die van de verplichting tot aanmelding op grond van de DAEB-beschikking van 2005 is vrijgesteld. De enige afwijking zou de overheidsfinanciering voor de luchthaven van Timișoara zijn. Die financiering wordt door de Commissie onderzocht onder zaaknummer SA.31662 (8).

(16)

In het bijzonder stelde Roemenië dat de overheidsfinanciering die de regionale luchthavens jaarlijks ontvingen compensatie was voor de levering van een dienst van algemeen economisch belang (hierna „DAEB” genoemd). In die zin zou de maatregel de voorwaarden van de DAEB-beschikking van 2005 cumulatief hebben nageleefd, met name:

a)

het beheer van de dienst van algemeen economisch belang was toegekend aan de luchthavenbeheerders bij Regeringsbesluit 398/1997 dat onder andere de openbaredienstverplichtingen (hierna „ODV's” genoemd), de parameters voor de berekening van de compensatie en de regelingen om overcompensatie te vermijden, vastlegt;

b)

de luchthavens hadden minder dan 1 miljoen passagiers per jaar.

(17)

Regeringsbesluit 398/1997 betreft de eigendomsoverdracht van de regionale luchthavens van het ministerie van Transport naar de lokale gemeenteraden wiens statuut aldus veranderde van „regii autonome” met specifieke kenmerken van nationaal belang naar „regii autonome” met specifieke kenmerken van lokaal belang. Het besluit omvat onder andere bepalingen betreffende hun activa, budgetten en personeel. In zijn bijlagen bevat het besluit bepalingen met betrekking tot de organisatiestructuur en de financiering van de luchthavens. Voorts wordt in de bijlagen een opsomming gegeven van de activiteiten van de luchthavenbeheerders (bijvoorbeeld het beheer van de luchthaveninfrastructuur, de organisatie en levering van afhandelingsdiensten, het waarborgen van de veiligheid van onder andere de vliegtuigen, de passagiers, de luchthavenactiviteiten, de ontwikkeling, het onderhoud en de modernisering van de start- en landingsbanen, de taxibanen, de parkeerplatforms, de uitrusting enz.), maar ze presenteren deze activiteiten niet als ODV's die aan de luchthavenbeheerders worden opgelegd. De lijst van activiteiten is van toepassing op alle betrokken luchthavens over de hele linie, d.w.z. er is geen afzonderlijke lijst voor elke luchthaven. Roemenië beweerde dat deze activiteiten, met name het algemeen beheer van de betrokken luchthavens, moet worden beschouwd als een DAEB en dat de verenigbaarheid van de maatregel beoordeeld moet worden volgens artikel 106 van het Verdrag.

(18)

Wat betreft de financiering van de luchthavens bepaalt Regeringsbesluit 398/1997 dat de exploitatie- en kapitaalkosten van de betrokken luchthavens zouden worden gedekt door eigen middelen, aangevuld met overheidsfinanciering. De Roemeense autoriteiten betogen dat dit mechanisme overcompensatie voorkomt voor zover de luchthavens slechts het bedrag kunnen krijgen dat noodzakelijk is om alle kosten te dekken, waardoor overcompensatie wordt voorkomen.

(19)

Voorts merkten de Roemeense autoriteiten op dat er geen subsidies zijn verstrekt voor de activiteiten die geen rechtstreeks verband houden met de belangrijkste activiteiten van de luchthavens, in overeenstemming met punt 34 en punt 53, onder iv), van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2005.

(20)

Overheidsbesluit 398/1997 is niet van toepassing op één van de luchthavens vermeld in tabel 1, met name de luchthaven van Constanța. De Roemeense autoriteiten verduidelijkten dat de overheidsfinanciering voor deze luchthaven compensatie vormt voor de nakoming van ODV's overeenkomstig Regeringsbesluit 523/1998. In het besluit wordt bepaald dat de „Societatea Națională Aeroportul Internațional Constanța” een kapitaalvennootschap is in eigendom van de staat en dat de oude juridische entiteit (Regia Autonoma Aeroportul International Constanța-Mihail Kogalniceanu) is afgeschaft. Het besluit en de bijlagen erbij bevatten bepalingen betreffende de activa, de organisatiestructuur, de financiering en een opsomming van de activiteiten van de luchthavenbeheerder (bijvoorbeeld de exploitatie van de luchthaveninfrastructuur, de organisatie en levering van afhandelingsdiensten, de veiligheid van de passagiers, de vliegtuigen enz. waarborgen, het onderhoud van de start- en landingsbanen, de taxibanen, de parkeerplatforms enz.). Deze activiteiten zijn niet gepresenteerd als ODV's die zijn opgelegd aan de luchthavenbeheerder. Wat betreft de financiering bepaalt Regeringsbesluit 523/1998 dat het type activa en kosten die gefinancierd dienen te worden, bepaalt of de kosten zullen worden gedekt met eigen middelen en kredieten of met eigen middelen aangevuld met overheidsfinanciering of alleen met overheidsfinanciering (9). Bovendien gaven de Roemeense autoriteiten aan dat deze luchthaven een Roemeens-Amerikaanse militaire basis is en dat de operationele continuïteit ervan gezien wordt als een strategische doelstelling betreffende de nationale veiligheid.

2.2.   STEUNVERLENENDE AUTORITEITEN

(21)

Wat betreft de luchthaven in handen van de Staat (Constanța), wordt de betreffende financiering bekostigd uit de staatsbegroting. Wat betreft de overige luchthavens waarvan de eigendom is overgedragen aan de lokale autoriteiten krachtens Regeringsbesluit 398/1997, verstrekken de lokale autoriteiten de overheidsfinanciering uit lokale middelen.

2.3.   DE BEGUNSTIGDEN

(22)

De begunstigden zijn de exploitanten van de Roemeense luchthavens van Arad, Bacău, Baia Mare, Cluj-Napoca, Craiova, Iași, Oradea, Satu-Mare, Sibiu, Suceava, Târgu-Mureș, Tulcea en Constanța.

(23)

Tabel 2 geeft een overzicht van de verkeersvolumes op de betrokken luchthavens gedurende de periode die wordt beoordeeld, 2007-2009, en in de laatste jaren (2013-2015).

Tabel 2

Verkeersvolumes op de dertien beoordeelde luchthavens

Luchthaven

2007

2008

2009

2013

2014

2015

Arad

67 183

128 835

88 147

40 855

28 405

8 623

Bacău

114 323

119 657

195 952

307 488

313 376

364 727

Baia Mare

15 334

22 468

24 983

16 568

21 560

19 228

Cluj-Napoca

390 434

752 181

834 400

1 035 438

1 179 161

1 485 937

Craiova

5 113

13 021

13 977

40 291

138 886

116 947

Iaşi

126 334

145 933

148 538

231 933

273 047

381 603

Oradea

35 805

38 913

39 108

38 805

36 501

8 118

Satu Mare

5 883

7 298

11 101

16 195

12 644

17 375

Sibiu

105 654

141 032

154 160

189 152

215 951

278 403

Suceava

20 909

23 591

32 590

20 054

219 (10)

2 359

Târgu Mureș

157 531

70 349

84 120

356 699

343 521

335 993

Tulcea

1 029

4 032

854

1 894

1 311

394

Constanța

48 705

67 227

73 664

70 090

154 320

71 165

(24)

Slechts in het geval van vijf van de 13 luchthavens (Arad, Baia Mare, Satu Mare, Constanța en Oradea) was er een andere EU-luchthaven binnen 100 km of 60 minuten reistijd. De luchthaven van Arad ligt 50 km van de luchthaven van Timișoara, met een reistijd van 40 minuten. De luchthavens van Baia Mare en Satu Mare liggen 76 km van elkaar, met een reistijd van 1 uur en 10 minuten. De luchthaven van Constanța ligt 45 km van de luchthaven van Tuzla, met een reistijd van 30 minuten. De luchthaven van Oradea ligt 80 km van de Hongaarse luchthaven van Debrecen, met een reistijd van ongeveer 1 uur en 30 minuten.

Tabel 3

Afstand en reistijd naar de dichtstbijzijnde luchthavens

Luchthaven

Dichtstbijzijnde naburige luchthaven

Afstand

(km)

Reistijd

Arad

Timișoara

50

40 minuten

Bacău

Iaşi

138

2 uur

Baia Mare

Satu Mare

76

1 uur en 10 minuten

Cluj-Napoca

Târgu Mureș

104

1 uur en 27 minuten

Craiova

Sibiu

223

3 uur en 28 minuten

Iaşi

Bacău

128

2 uur

Satu Mare

Baia Mare

76

1 uur en 10 minuten

Sibiu

Târgu Mureș

124

1 uur en 46 minuten

Suceava

Iaşi

170

2 uur en 45 minuten

Târgu Mureș

Cluj-Napoca

107

1 uur en 45 minuten

Tulcea

Constanța

111

1 uur en 30 minuten

Constanța

Tuzla

45

30 minuten

Oradea

Debrecen (Hongarije)

80

1 uur en 30 minuten

(25)

Wat betreft de luchthavens die binnen minder dan 100 kilometer of een reistijd van 60 minuten liggen van een andere luchthaven, werd aan de Roemeense autoriteiten gevraagd om een gedetailleerde beschrijving te geven van de eventuele specifieke kenmerken van de betrokken luchthavens die de veronderstelling dat die luchthavens in verschillende verzorgingsgebieden liggen, zouden kunnen rechtvaardigen, zoals bepaald door de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 (11).

(26)

In antwoord op dit verzoek van de Commissie, gaf Roemenië de volgende toelichting (12):

ARAD — TIMIȘOARA

(27)

De luchthaven van Arad is open voor binnenlands en buitenlands passagiers- en goederenvervoer en heeft een start- en landingsbaan van 1 800 m lang en 45 m breed. De capaciteit van de luchthaven bedraagt 200 passagiers per uur. De luchthaven beschikt over technische uitrusting van goede kwaliteit. Volgens Roemenië keurden de lokale autoriteiten op het tijdstip van de indiening van de informatie een financiering goed voor de uitbreiding en modernisering van de luchthaven van Arad. Dit gebeurde onder andere in het kader van de strategische doelstelling van de lokale autoriteiten om de luchthaven om te bouwen tot een intermodaal knooppunt voor passagiers- en goederenvervoer met het oog op de ontwikkeling van de regio.

(28)

Gedurende de periode 2007-2009 was de luchthaven vooral gericht op lagekostenverkeer. Blue Air vloog naar verschillende Europese bestemmingen (Verona, Valencia, Stuttgart, Barcelona, Treviso) en Ryanair vloog naar één bestemming (Milaan) van april tot en met juni 2008.

(29)

De Roemeense autoriteiten hebben bij de Commissie een analyse ingediend die de luchthaven in 2008 maakte over de activiteiten op dat moment en het passagiersverkeer in 2009-2020.

(30)

De analyse toonde dat:

de niet uit de luchtvaart afkomstige inkomsten van 0,7 miljoen RON in 2007 stegen naar 1,3 miljoen RON in 2008;

de uit de luchtvaart afkomstige inkomsten van 1,7 miljoen RON in 2007 stegen naar 2,3 miljoen RON in 2008;

de afhandelingsinkomsten van 0,2 miljoen RON in 2007 stegen naar 1 miljoen RON in 2008;

de overheidsfinanciering verschaft aan de luchthaven van 2,4 miljoen RON in 2007 steeg naar 3,4 miljoen RON in 2008.

(31)

De analyse toonde aan dat vooral het lagekostenverkeer de groei van de luchthaven aandreef: in 2008 maakten de lijnvluchten van Blue Air 88 % van het totale passagiersverkeer uit en die van Ryanair 11 %. De analyse veronderstelde een diversificatie van luchtvaartverbindingen door een nieuwe lagekostenluchtvaartmaatschappij aan te trekken, namelijk EasyJet.

(32)

Volgens de in de analyse opgenomen prognoses zou het verkeer op de luchthaven van Arad toenemen van 128 834 passagiers in 2008 naar 1 064 116 passagiers in 2020, in een optimistisch scenario.

(33)

Op de luchthaven van Timișoara steeg het passagiersverkeer van 859 329 passagiers in 2007 naar 886 083 passagiers in 2008 en 991 758 passagiers in 2009. Van 2007 tot 2009 was de luchthaven een regionaal knooppunt voor Carpatair, een regionale luchtvaartmaatschappij met volledige dienstverlening die vluchten uitvoerde naar ongeveer 32 binnenlandse en Europese bestemmingen. Andere luchtvaartmaatschappijen zoals Tarom, Lufthansa, Austrian Airlines, Malev, Alitalia, Moldavian Airlines, Alpi Eagles, Skyeurope Airlines en Wizz Air voerden vluchten uit naar de luchthaven.

BAIA MARE — SATU MARE

(34)

Gezien de kenmerken van de start- en landingsbaan van de luchthaven van Baia Mare kunnen daar regelmatig korteafstandsvluchten worden uitgevoerd door vliegtuigen met een maximumcapaciteit van 75 passagiers.

(35)

Gezien de kenmerken van de start- en landingsbaan van de luchthaven van Satu Mare kunnen daar middellangeafstandsvluchten worden uitgevoerd door vliegtuigen met een stoelcapaciteit tot 180 passagiers. De capaciteit van de luchthaven bedraagt 100 passagiers per uur.

CONSTANȚA — TUZLA

(36)

De luchthaven van Tuzla heeft een grasstrook voor kleine vliegtuigen (d.w.z. met een maximale startmassa (MTOW) van 5 700 kg (13)) en heeft geen radionavigatiesysteem. Tijdens de periode 2007-2009 was het aantal vliegtuigbewegingen van vliegtuigen met een maximale startmassa van 5 700 kg van de luchthaven van Constanța aanzienlijk lager (5 tot 16 keer lager in de periode van de beoordeling) dan de luchthaven van Tuzla. De luchthaven van Tuzla wordt vooral gebruikt voor speciale vluchten terwijl de luchthaven van Constanța gebruikt wordt voor commercieel luchtverkeer met middelgrote en grote vliegtuigen.

ORADEA — DEBRECEN

(37)

De luchthaven van Debrecen (Hongarije) ligt 80 km van de luchthaven van Oradea. De reistijd bedraagt echter ten minste 1 uur en 30 minuten omdat er een paspoortcontrole is aan de grens van Roemenië, dat geen deel uitmaakt van het Schengengebied, naar Hongarije, dat wel deel uitmaakt van het Schengengebied. De luchthaven van Debrecen had 42 900 passagiers in 2007, 42 650 passagiers in 2008 en 25 060 passagiers in 2009. De twee luchthavens hadden verschillende businessmodellen in 2007-2009: de luchthaven van Debrecen was vooral gericht op chartervluchten (het lagekostenverkeer begon zich pas de laatste jaren te ontwikkelen) en de luchthaven van Oradea was vooral gericht op binnenlandse vluchten uitgevoerd door regionale en nationale luchtvaartmaatschappijen met volledige dienstverlening.

2.4.   BEGROTING

(38)

De totale begroting van de maatregel die wordt beoordeeld, bedraagt 490 401 300 RON, zoals uiteengezet in tabel 1.

2.5.   OVERIGE LOPENDE ONDERZOEKSPROCEDURES

(39)

Op 31 juli 2015 leidde de Commissie formeel twee onderzoeksprocedures in met betrekking tot onder andere de overheidsfinanciering die aan de luchthaven van Cluj-Napoca is verleend gedurende de periode 2010-2014 (14) en aan de luchthaven van Târgu Mureș in 2011-2014 (15) en die geen betrekking heeft op de steun die in het kader van dit besluit wordt onderzocht.

3.   REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

(40)

Zoals uiteengezet in de voorgaande overweging 4 besloot de Commissie in het inleidingsbesluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure met betrekking tot de aangemelde steunmaatregel en de overheidsfinanciering in 2007-2009 ter dekking van de exploitatietekorten. Toen Roemenië haar aanmelding van de voorgenomen financieringsregeling voor infrastructuurinvesteringen introk, bleef de formele onderzoeksprocedure open met betrekking tot de overheidsfinanciering verschaft aan de Roemeense regionale luchthavens in 2007-2009 (zie voorgaande overweging 10).

(41)

In het inleidingsbesluit luidde het voorlopige standpunt van de Commissie dat de voorwaarden waaraan moest worden voldaan opdat de compensatie van DAEB geen voordeel zou inhouden in de zin van artikel 107 van het Verdrag niet cumulatief waren vervuld in onderhavig geval.

(42)

Volgens de vierde voorwaarde van het Altmark-arrest (16) dient de compensatie beperkt te blijven tot het noodzakelijke minimum voor een efficiënte onderneming om niet als staatssteun te worden beschouwd. Aan dit criterium is voldaan indien de begunstigden van de compensatie zijn gekozen in het kader van een openbare aanbesteding. Bij gebreke daarvan zal de hoogte van de compensatie worden vastgesteld op basis van een analyse van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming, die zodanig met vervoermiddelen is uitgerust dat zij aan de vereisten van de openbare dienst kan voldoen, zou hebben gemaakt om deze verplichtingen uit te voeren, rekening houdend met de opbrengsten en een redelijke winst uit de uitoefening van deze verplichtingen.

(43)

Het voorlopige standpunt van de Commissie luidde dat deze voorwaarde niet was vervuld omdat de exploitanten van de begunstigde luchthavens niet waren gekozen in het kader van een openbare aanbesteding. Evenmin had Roemenië beweerd dat de compensatie bepaald was op basis van een analyse van de kosten van een gemiddelde en goed beheerde luchthavenexploitant die is uitgerust met de nodige middelen om de openbare dienst te verlenen.

(44)

Vandaar was de Commissie van mening dat de maatregel een economisch voordeel inhield voor de begunstigden en luidde haar voorlopige conclusie dat de jaarlijkse exploitatiesubsidie staatssteun vormde in de zin van artikel 107 van het Verdrag.

(45)

Daarnaast merkte de Commissie op dat Roemenië het steunkarakter van de maatregel niet had betwist.

(46)

Wat betreft de verenigbaarheid van de maatregel had de Commissie twijfel over de vraag of de criteria die zijn vastgelegd in de DAEB-beschikking van 2005 waren vervuld en vandaar of de exploitatiesubsidies die de luchthavens elk jaar kregen, waren vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, zoals Roemenië aanvankelijk beweerd had.

(47)

In die zin merkte de Commissie allereerst op dat opdat de DAEB-beschikking van 2005 van toepassing zou zijn in specifieke gevallen, de betrokken diensten moeten worden beschouwd als echte DAEB's en duidelijk als zodanig door de lidstaat moeten zijn omschreven.

(48)

De Commissie was van oordeel dat Roemenië in dit geval onvoldoende informatie had verstrekt om te rechtvaardigen dat de exploitatie van de dertien regionale luchthavens als DAEB zou moeten worden beschouwd, in de zin dat de gebieden die door deze luchthavens worden bediend onvoldoende verbinding zouden hebben met de rest van het land indien dit uitsluitend aan de marktwerking zou worden overgelaten.

(49)

Voorts stelde de Commissie dat de lidstaat de luchthavendiensten niet duidelijk had gedefinieerd als DAEB. Het voorlopige standpunt van de Commissie was dat de ogenschijnlijke overlapping van de regionale luchthavens in Roemenië binnen hetzelfde verzorgingsgebied één van de redenen kon zijn waarom die luchthavens verliesgevend waren. Daarom merkte de Commissie op dat verschillende van deze luchthavens minder dan 50 000 passagiers per jaar hadden en binnen een afstand in rechte lijn van 100 km van elkaar lagen.

(50)

De Commissie was derhalve van mening dat de definitie van de openbare dienst onvoldoende duidelijk was en er sprake kon zijn van een kennelijke fout voor zover de exploitatie van de luchthavens gedefinieerd zou kunnen zijn als een DAEB zonder dat het daadwerkelijk nodig was om een goede verbinding te verzekeren van het verzorgingsgebied van elke luchthaven met de rest van het land.

(51)

De Commissie had twijfels of volledig was voldaan aan de bepalingen van artikel 4 van de DAEB-beschikking van 2005 met betrekking tot de inhoud van het besluit waarmee de belasting met de diensten plaatsvindt.

(52)

Ten slotte merkte de Commissie op dat alhoewel de Roemeense autoriteiten bevestigd hadden dat enkel de belangrijkste activiteiten van de luchthavens subsidies kregen, het onvoldoende duidelijk was of alleen de kosten van de subsidiabele activiteiten waren gesubsidieerd. In de besluiten waarmee de belasting met die diensten plaatsvond, was er geen specifieke bepaling om de subsidiabele kosten te beperken tot de belangrijkste activiteiten van de luchthavens.

4.   OPMERKINGEN VAN ROEMENIË

(53)

De opmerkingen van Roemenië over het inleidingsbesluit hadden vooral betrekking op de twijfels van de Commissie over de steunregeling van de Staat voor de financiering van infrastructuur voor luchthavens met een jaarlijks verkeersvolume van minder dan 1 miljoen passagiers waarvan de aanmelding is ingetrokken.

(54)

Wat betreft de overheidsfinanciering voor de Roemeense regionale luchthavens stelde Roemenië, in antwoord op de mening van de Commissie in de zin dat de ogenschijnlijke overvloed aan luchthavens in bepaalde regio's een belemmering kan zijn voor de ontwikkeling van de betrokken luchthavens, dat de situatie van de regionale luchthavens (met weinig verkeer waardoor ze geen voldoende rendabel niveau kunnen bereiken) hoofdzakelijk te wijten was aan de staat van ontwikkeling van de regio's waar die luchthavens zich bevonden, veeleer dan aan de afstand tot de naburige luchthavens.

(55)

Wat betreft de overheidsfinanciering in het kader van Regeringsbesluit 398/1997 verduidelijkte Roemenië dat de bedragen niet worden betaald aan het begin van het jaar op basis van een kostenraming en dat eventuele overschotten niet worden teruggegeven aan de Staat aan het einde van het boekjaar zoals aangegeven in het inleidingsbesluit, maar dat dergelijke financiering wordt verschaft op het ogenblik waarop de activiteiten worden uitgevoerd. Dat gebeurt op basis van rechtvaardigingen en binnen de in de goedgekeurde begroting vastgestelde grenzen.

5.   OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN

5.1.   OPMERKINGEN VAN CARPATAIR

(56)

De opmerkingen van Carpatair hebben deels betrekking op de overheidsfinanciering die is verstrekt aan de luchthaven van Timișoara en aan Wizz Air. Zoals uiteengezet in overweging 15 is de overheidsfinanciering voor de luchthaven van Timișoara en voor Wizz Air het onderwerp van een afzonderlijke formele onderzoeksprocedure (17). In hetgeen volgt zal de Commissie daarom enkel een samenvatting geven van de opmerkingen die Carpatair maakte die relevant zijn voor het onderhavige geval.

(57)

Carpatair stelt dat exploitatiesteun doorgaans als onrechtmatig en ingaand tegen EU-belangen wordt beschouwd en enkel dient te worden toegekend in uitzonderlijke omstandigheden. Carpatair is van mening dat de toekenning van exploitatiesteun aan de luchthavens de werking van de sector verstoort en wel om de volgende redenen:

a)

er zou op een oneerlijke manier worden geconcurreerd tussen de EU-luchthavens en de luchthavens die staatssteun krijgen, zouden in staat zijn om luchtvaartmaatschappijen aan te trekken door kortingen aan te bieden op de luchthavengelden; de luchthavens die geen steun krijgen, zouden niet langer in staat zijn om daadwerkelijk te concurreren wat betreft het aantrekken van luchtvaartmaatschappijen;

b)

door deze maatregel zouden de luchthavens die exploitatiesteun krijgen de neiging hebben om hoge kortingen aan te bieden op de luchthavengelden, en die kortingen zouden niet worden toegekend als de luchthavens volgens marktvoorwaarden zouden handelen.

(58)

Carpatair wijst erop dat de exploitatiesteun een negatieve invloed heeft op de markt van de luchtvervoers- en luchthavendiensten omdat hij zorgt voor concurrentievervalsing tussen de luchthavens en uiteindelijk voor concurrentievervalsing tussen de luchtvaartmaatschappijen die vanuit die luchthavens opereren. Als zodanig zorgt de exploitatiesteun voor concurrentievervalsing tussen de luchthavens in Roemenië. Voorts heeft deze steun negatieve gevolgen voor luchthavens in buurlanden zoals Hongarije.

5.2.   OPMERKINGEN VAN DE RVL

(59)

De RVL is een privaatrechtelijke juridische entiteit zonder winstoogmerk die de Roemeense burgerluchthavens vertegenwoordigt.

(60)

De opmerkingen van de RVL over het inleidingsbesluit zijn gericht op de aspecten die verband houden met de staatssteunregeling voor de financiering van infrastructuur. In wezen betoogt de RVL dat de infrastructuur van de meeste regionale luchthavens in Roemenië vernieuwd moet worden en ver onder die van luchthavens in andere EU-lidstaten ligt. Volgens de RVL is de overheidsfinanciering voor het upgraden van de luchtvaartinfrastructuur gerechtvaardigd door het ontbreken van haalbare en betrouwbare vervoersalternatieven in Roemenië (geen snelwegen noch hogesnelheidstreinen).

5.3.   OPMERKINGEN VAN DE LUCHTHAVEN VAN CLUJ-NAPOCA

(61)

Volgens de luchthaven van Cluj-Napoca werd de overheidsfinanciering die ze kreeg van de lokale gemeenteraad enkel gebruikt om niet-economische activiteiten te subsidiëren. Vandaar valt die buiten het toepassingsgebied van artikel 107, lid 1, van het Verdrag.

(62)

In het bijzonder waren de betrokken bedragen wellicht bedoeld om de kosten te dekken van bepaalde niet-economische activiteiten binnen de luchthavens (zoals grenscontroles, speciale eenheden, douane, politietaken, speciale luchtvaarteenheden) evenals de kosten van ondersteunende infrastructuur en uitrusting, met inbegrip van onderhoud, upgrade, beheer van de infrastructuur, kosten die betrekking hebben tot de ondersteunende diensten die de luchthaven levert, brandpreventie, noodhulp en veiligheidsmaatregelen. Volgens de luchthaven van Cluj-Napoca is de Staat verantwoordelijk voor de dekking van deze kosten in het kader van de uitoefening van zijn overheidsmacht en vallen ze derhalve niet binnen het toepassingsgebied van de regels inzake staatssteun.

(63)

Verder betoogde de luchthaven dat de luchthaven geen exploitatietekort had gedurende de periode 2007-2009.

6.   OPMERKINGEN VAN ROEMENIË OVER DE OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN

(64)

Bij schrijven van 17 oktober 2011 zond Roemenië zijn opmerkingen over de opmerkingen die de belanghebbenden bij het onderzoek hadden ingediend naar de Commissie.

(65)

Alhoewel deze opmerkingen uitsluitend verband hielden met de aangemelde staatssteunregeling voor infrastructuurinvesteringen, zijn een aantal van die opmerkingen relevant voor de beoordeling van de exploitatiesubsidies die in dit besluit worden beoordeeld. Hierna wordt een samenvatting van die opmerkingen gegeven.

(66)

Roemenië voert aan dat de meeste Roemeense regionale luchthavens een jaarlijkse verkeersstroom hebben van minder dan 50 000 passagiers en dat geen enkele luchthaven meer dan 300 000 passagiers zal hebben tegen 2015. Op grond daarvan is Roemenië van oordeel dat het weinig waarschijnlijk is dat de staatssteun voor deze luchthavens een invloed zal hebben op de mededinging en het handelsverkeer tussen de lidstaten zal verstoren.

(67)

Voorts meent Roemenië dat de afstand tussen die luchthavens hun ontwikkeling in geen enkel opzicht zal aantasten. Immers, zelfs in die gevallen waarin de afstand in rechte lijn tussen de luchthavens minder dan 100 km bedraagt, is de reistijd doorgaans meer dan 2 uur. Met andere woorden, de betrokken luchthavens oefenen geen concurrentiedruk uit op elkaar.

7.   BEOORDELING VAN DE STEUN

(68)

Zoals uiteengezet in overweging 10 hierboven bleef de formele onderzoeksprocedure open wat betreft de overheidsfinanciering die aan de Roemeense regionale luchthavens werd verschaft in 2007-2009 nadat Roemenië haar aanmelding van de voorgenomen financieringsregeling voor infrastructuurinvesteringen had ingetrokken. De hieronder uiteengezette beoordeling betreft die maatregel.

(69)

In het licht van de besluiten ter inleiding van een formeel onderzoek voor de luchthaven van Cluj-Napoca en de luchthaven van Târgu Mureș van 31 juli 2015 (zie punt 39 hierboven) acht de Commissie het passend het onderzoek af te sluiten wat betreft alle luchthavens waarop het betrekking heeft, met uitzondering van de luchthaven van Cluj-Napoca en de luchthaven van Târgu Mureș. De Commissie is voornemens om onderzoek SA.30931 af te sluiten wat betreft die twee luchthavens samen met de onderzoeken die zijn ingesteld op 31 juli 2015. Derhalve is de beoordeling die hierna wordt uiteengezet slechts van toepassing op de maatregelen die zijn genomen ten gunste van de 11 overige luchthavens.

7.1.   DE VRAAG OF ER SPRAKE IS VAN STEUN

(70)

Zoals bepaald in artikel 107, lid 1, van het Verdrag zijn maatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, tenzij anders is bepaald.

(71)

De criteria zoals neergelegd in artikel 107, lid 1, van het Verdrag zijn cumulatief. Daarom moet, om te bepalen of de betrokken maatregel een steunmaatregel is in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag, aan alle onderstaande voorwaarden zijn voldaan. Het is met name zo dat de financiële steun:

a)

door de Staat of met staatsmiddelen is bekostigd;

b)

bepaalde ondernemingen of bepaalde producties begunstigt;

c)

de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen, en

d)

het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

7.1.1.    Economische activiteit en het begrip „onderneming”

(72)

Volgens vaste rechtspraak moet de Commissie eerst nagaan of de luchthavenbeheerders ondernemingen zijn in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag. Het begrip onderneming omvat elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm van de entiteit en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (18). Iedere activiteit die bestaat uit het aanbieden van goederen of diensten op een bepaalde markt is een economische activiteit.

(73)

In „Luchthaven van Leipzig/Halle”, oordeelde het Gerecht dat van de datum van het arrest in „Aéroports de Paris” (12 december 2000), de toepassing van de regels inzake staatssteun op de financiering van luchthaveninfrastructuur niet langer kon worden uitgesloten.

(74)

De Commissie is derhalve tot de slotsom gekomen dat de luchthavenbeheerder ten minste vanaf 12 december 2000 betrokken is bij een economische activiteit en een onderneming vormt in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag (zie ook punt 29 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014).

7.1.2.    Overheidstaken

(75)

Hoewel de luchthavenbeheerders beschouwd dienen te worden als ondernemingen in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag ten minste vanaf 12 december 2000, moet eraan worden herinnerd dat niet alle activiteiten van een luchthavenbeheerder noodzakelijkerwijs van economische aard zijn (zie ook punt 34 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014) (19).

(76)

Het Hof van Justitie heeft geoordeeld dat de activiteiten die normaal gesproken onder de verantwoordelijkheid van de Staat vallen bij de uitoefening van zijn overheidsmacht niet van economische aard zijn en niet onder de toepassing van de staatssteunregels vallen.

(77)

Daarom is de financiering van activiteiten die tot de overheidstaken behoren, of van infrastructuur die rechtstreeks met deze activiteiten in verband staat, doorgaans geen staatssteun (20). Op een luchthaven worden activiteiten zoals luchtverkeersleiding, politietaken, douane, brandweer en activiteiten om de burgerluchtvaart te beveiligen tegen wederrechtelijke daden, en de investeringen met betrekking tot de infrastructuur en de uitrusting die nodig zijn om deze activiteiten te verrichten, doorgaans geacht van niet-economische aard te zijn (zie ook punt 35 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014) (21).

(78)

De overheidsfinanciering van niet-economische activiteiten mag echter niet leiden tot onrechtmatige discriminatie tussen luchtvaartmaatschappijen en luchthavenbeheerders. Het is immers vaste rechtspraak dat er van een voordeel sprake is wanneer overheidsinstanties ondernemingen bevrijden van de kosten die inherent zijn aan hun economische activiteiten (22). Als het daarom in een bepaald rechtssysteem normaal is dat luchtvaartmaatschappijen of luchthavenbeheerders de kosten van bepaalde diensten dragen, terwijl sommige luchtvaartmaatschappijen of luchthavenbeheerders die namens dezelfde overheid dezelfde diensten verlenen, deze kosten niet moeten dragen, kunnen deze laatste genieten van een voordeel, ook al worden de diensten op zich als niet-economisch van aard beschouwd (zie ook punt 37 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014).

(79)

Roemenië heeft op geen enkel moment beweerd dat de financiering die is verleend aan de regionale luchthavens die het onderwerp zijn van dit besluit kosten dekten die in aanmerking zouden komen als voor overheidstaken gemaakte kosten. Evenmin heeft één van de luchthavenbeheerders, behalve de luchthaven van Cluj-Napoca, in de loop van het onderzoek beweerd dat dat het geval zou zijn. Het compensatiemechanisme is immers ontworpen ter bekostiging van het verschil tussen de inkomsten en de tekorten van de luchthavens, zonder onderscheid te maken tussen de kosten van overheidstaken en andere soorten kosten. Deze vraag kan opengelaten worden met betrekking tot de luchthaven van Cluj-Napoca en de luchthaven van Târgu Mureș omdat dit besluit geen afsluiting vormt van het lopende onderzoek met betrekking tot die luchthavens. Wat betreft de overige luchthavens concludeert de Commissie dat de maatregelen geen compensatie zijn voor de kosten van overheidstaken.

7.1.3.    Staatsmiddelen en toerekenbaarheid

(80)

Het begrip staatssteun omvat ieder voordeel dat direct of indirect uit overheidsmiddelen wordt gefinancierd en dat wordt verleend door de Staat zelf of door instellingen die werken op grond van een overheidsmandaat. Bijgevolg omvat dit ook alle steun die wordt toegekend door regionale of lokale autoriteiten in de lidstaten, ongeacht hun statuut of hun benaming (23).

(81)

In dit geval verlenen de Staat of de lokale autoriteiten rechtstreeks de financiering met eigen middelen. Bijgevolg bevestigt de Commissie dat alle hier te beoordelen maatregelen uit staatsmiddelen zijn bekostigd en aan de Staat zijn toe te rekenen.

7.1.4.    Selectief economisch voordeel

(82)

De overheidsfinanciering die verschaft werd aan de luchthavenbeheerders was bedoeld om de verliezen bij de uitvoering van hun normale activiteiten te compenseren. Niets in het feitelijk bewijsmateriaal waarover de Commissie beschikt of in de opmerkingen van Roemenië of derden wijst erop dat de steunverlenende autoriteiten een financieel rendement konden verwachten als gevolg van die financieringsmaatregelen op het tijdstip van de beslissing inzake de toekenning. Daarom voldoen de maatregelen in kwestie niet aan het beginsel van een exploitant in een markteconomie.

(83)

In de loop van het onderzoek voerde Roemenië aan dat de betwiste overheidsfinanciering compensatie was voor het verlenen van DAEB.

(84)

In geval van ondernemingen waaraan het verlenen van een DAEB is toevertrouwd, moet de Commissie, om uitsluitsel te geven over de vraag of de beoordeelde maatregelen al dan niet een economisch voordeel inhouden in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag, onderzoeken of de criteria die het Hof van Justitie in het Altmark-arrest heeft gesteld, zijn nagekomen (24). Hierna wordt een samenvatting van die criteria gegeven:

a)

de begunstigde onderneming moet daadwerkelijk belast zijn met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen en die verplichtingen moeten duidelijk zijn afgebakend (hierna „Altmark 1” genoemd);

b)

de parameters op basis waarvan de compensatie wordt berekend, moeten vooraf op objectieve en transparante wijze worden vastgesteld (hierna „Altmark 2” genoemd);

c)

het bedrag van de compensatie mag niet hoger zijn dan nodig is om de kosten van de uitvoering van openbaredienstverplichtingen geheel of gedeeltelijk te dekken, rekening houdend met de opbrengsten en een redelijke winst uit de uitvoering van deze verplichtingen (hierna „Altmark 3” genoemd);

d)

wanneer de keuze van de onderneming die wordt belast met de uitvoering van openbaredienstverplichtingen, in een concreet geval niet wordt gemaakt in het kader van een openbare aanbesteding, waarbij de kandidaat kan worden geselecteerd die deze diensten tegen de laagste kosten voor de gemeenschap kan leveren, moet de noodzakelijke compensatie worden vastgesteld op basis van een analyse van de kosten die een gemiddelde goed beheerde onderneming die zodanig met vervoermiddelen is uitgerust dat zij aan de vereisten voor de openbaredienstverlening kan voldoen, zou hebben gemaakt om deze verplichtingen uit te voeren, rekening houdende met de ontvangsten en met een redelijke winst uit de uitvoering van genoemde verplichtingen (hierna „Altmark 4” genoemd).

(85)

Er moet cumulatief aan de vier criteria worden voldaan. Dat betekent dat als er niet is voldaan aan één van de criteria, niet kan worden aangevoerd dat de maatregelen in kwestie geen economisch voordeel inhouden op grond van het Altmark-arrest.

7.1.4.1.   Altmark 1

(86)

De vereiste van het eerste Altmark-criterium komt overeen met de vereiste inzake de duidelijke toewijzing van de verlening en omschrijving van de DAEB zoals neergelegd in artikel 106, lid 2, van het Verdrag (25).

(87)

Artikel 106, lid 2, van het Verdrag is uitsluitend van toepassing op „ondernemingen belast met het beheer” van de DAEB. Het Hof van Justitie heeft consequent benadrukt dat er behoefte is aan besluiten waarmee de belasting met die diensten plaatsvindt (26). Bijgevolg maakt de noodzaak van een heldere omschrijving van de DAEB integrerend deel uit van en is deze van essentieel belang voor het begrip „belasten met” en vloeit zij rechtstreeks voort uit artikel 106, lid 2, van het Verdrag.

(88)

In de Mededeling van 2001 betreffende diensten van algemeen belang benadrukte de Commissie reeds het verband tussen duidelijke omschrijving, toewijzing en noodzaak en evenredigheid van de compensatie voor de DAEB krachtens artikel 106, lid 2, van het Verdrag (27). Punt 22 van die Mededeling licht toe dat „de in artikel 106, lid 2, van het Verdrag genoemde uitzondering is echter alleen van toepassing als de taak van openbare dienstverrichting duidelijk is omschreven en als die taak door middel van een overheidsbesluit expliciet is opgelegd […]. Deze verplichting is noodzakelijk teneinde rechtszekerheid en transparantie tegenover de burgers te kunnen waarborgen en absoluut noodzakelijk om te beoordelen of het evenredigheidsbeginsel in acht is genomen.” Bijgevolg zijn de belasting met en de definitie van de taak een logische, onmisbare voorafgaande voorwaarde om compensaties zinvol op hun evenredigheid te kunnen beoordelen. De rechterlijke instanties van de Unie hebben consequent nadruk gelegd op de noodzaak van een duidelijke omschrijving van de ODV's voor toepassing van de Altmark-uitzondering en artikel 106, lid 2, van het Verdrag (28).

(89)

Ook de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van de DAEB verleende compensatie (29) verduidelijkt dat de DAEB en de ODV's vooraf duidelijk moeten worden omschreven. Volgens punt 51 van die mededeling is het namelijk zo dat „wil artikel 106, lid 2, van het Verdrag van toepassing zijn, dan moeten één of meer ondernemingen met het beheer van een DAEB worden belast.” De betrokken ondernemingen moeten dus door de Staat met een bijzondere taak zijn belast. Volgens het eerste Altmark-criterium moet de onderneming ODV's nakomen. Om dus te voldoen aan het Altmark-arrest, is de belasting met een openbare dienst nodig om de verplichtingen van de betrokken DAEB-verlener en van de betrokken overheidsinstantie die de betrokken DAEB toewijst, af te bakenen. Volgens punt 52 moet de taak van openbare dienstverrichting nadien worden toegewezen door middel van één of meerdere besluiten waarin ten minste de ODV's, de betrokken onderneming en, in voorkomend geval, het betrokken grondgebied worden bepaald; evenals de aard van alle uitsluitende of bijzondere rechten die de onderneming door het betrokken overheidsorgaan zijn verleend.

(90)

In dit geval beweerde Roemenië dat de overheidsfinanciering verschaft aan de betrokken luchthavens gedurende de periode 2007-2009 compensatie was voor het verlenen van DAEB's. Roemenië betoogde dat Regeringsbesluit 398/1997 op een duidelijke en transparante wijze de ODV's heeft vastgelegd evenals de parameters voor de berekening van de compensatie en de regelingen om overcompensatie te vermijden.

(91)

Alhoewel Regeringsbesluit 398/1997 vastlegde dat de exploitatie- en kapitaalkosten van de daarin opgesomde luchthavens gedekt zouden worden met eigen middelen aangevuld met overheidsfinanciering en een opsomming gaf van de door de luchthavenbeheerders uit te voeren activiteiten op alle betrokken luchthavens (d.w.z. niet afzonderlijk voor elke luchthaven), legde het geen duidelijke ODV's op aan de luchthavenbeheerders.

(92)

Alhoewel Regeringsbesluit 523/1998 vastlegde welke kosten aangevuld zouden worden met overheidsfinanciering of volledig gedekt zouden worden met overheidsfinanciering en een opsomming gaf van de door de luchthavenbeheerders uit te voeren activiteiten, legde het met betrekking tot de luchthaven van Constanța geen duidelijke ODV's op aan de luchthavenbeheerders.

(93)

De bewering van Roemenië dat de luchthavendiensten van essentieel belang zouden zijn voor de economische ontwikkeling van de betrokken regio's of gericht zijn op de nakoming van een strategische veiligheidsdoelstelling is onvoldoende om te concluderen dat de begunstigden op de juiste wijze zijn belast met de DAEB in de mate van ODV's.

(94)

Wat betreft de vraag of de betrokken luchthavens beschouwd worden als echte diensten van algemeen economisch belang, geeft de Commissie geen uitsluitsel over deze vraag gezien een beoordeling hierover niet nodig is omdat, zoals uiteengezet hierboven, de ODV's niet duidelijk zijn vastgelegd in een toewijzingsbesluit. Derhalve dient de Commissie geen standpunt in te nemen met betrekking tot deze vraag.

(95)

Bijgevolg voldoen de maatregelen in kwestie niet aan Altmark 1.

7.1.4.2.   Altmark 4

(96)

Volgens het vierde criterium van het Altmark-arrest dient de compensatie beperkt te blijven tot het minimum dat nodig is om niet als steun te worden beschouwd. Er wordt aan dit criterium voldaan als de begunstigde van de compensatie is gekozen in het kader van een openbare aanbesteding, waarbij de kandidaat kan worden geselecteerd die de vereiste DAEB tegen de laagste kosten voor de gemeenschap kan leveren, of, bij gebreke daarvan, als de compensatie is vastgesteld op basis van een analyse van de kosten van een goed beheerde onderneming.

(97)

In dit geval zijn de begunstigden niet gekozen in het kader van een openbare aanbesteding. Voorts is er geen bewijs dat de compensatie is vastgesteld op basis van een analyse van de kosten die een gemiddelde, goed beheerde onderneming die zodanig met de noodzakelijke middelen is uitgerust dat zij aan de vereisten van de openbare dienst kan voldoen, zou hebben gemaakt om deze verplichtingen uit te voeren, rekening houdend met de opbrengsten en een redelijke winst uit de uitvoering van deze verplichtingen (niet juist gedefinieerd — zie de overwegingen 86 tot en met 95). Derhalve is de Commissie van mening dat niet kan worden geconcludeerd dat de betrokken overheidsfinanciering bepaald was op basis van een analyse van de kosten van een goed beheerde onderneming.

(98)

Bijgevolg voldoen de onderzochte maatregelen niet aan Altmark 4.

7.1.4.3.   Conclusie betreffende het bestaan van een selectief economisch voordeel

(99)

Aangezien niet is voldaan aan Altmark-criteria 1 en 4 concludeert de Commissie dat in onderhavig geval niet cumulatief is voldaan aan de vier criteria die het Hof van Justitie vastlegde in het Altmark-arrest. Omdat niet is voldaan aan het beginsel van een exploitant in een markteconomie, zoals aangegeven in overweging 82 hierboven, hielden de hier te onderzoeken maatregelen een economisch voordeel in voor de luchthavenbeheerders.

(100)

Voorts is dat economisch voordeel selectief omdat het op bepaalde tot een zekere economische sector behorende ondernemingen is gericht, met name luchthavens.

7.1.5.    Vervalsing van de mededinging en gevolgen voor het handelsverkeer tussen de lidstaten

(101)

De concurrentie tussen luchthavens kan worden beoordeeld aan de hand van de keuzecriteria van luchtvaartmaatschappijen, met name door factoren te vergelijken zoals het soort verleende luchthavendiensten en de betrokken klanten, bevolking of economische activiteit, de congestie, de landzijdige bereikbaarheid, de hoogte van de heffingen en de algemene zakelijke voorwaarden voor het gebruik van luchthaveninfrastructuur en -diensten (zie punt 43 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014).

(102)

Bovendien concurreren de luchthavenbeheerders met betrekking tot het beheer van de luchthaveninfrastructuur, inclusief op de lokale en regionale luchthavens. De overheidsfinanciering van een luchthaven kan dus de mededinging verstoren op de markten voor de exploitatie van luchthaveninfrastructuur. Bovendien kan overheidsfinanciering voor luchthavens de mededinging verstoren en het handelsverkeer op de markt voor luchtvervoer in de hele Unie beïnvloeden. Ten slotte kan de overheidsfinanciering voor luchthavens gevolgen hebben voor de intermodale concurrentie (zie punt 44 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014).

(103)

Derhalve verstoorden de hier te onderzoeken maatregelen de concurrentie of dreigden ze ten minste de concurrentie te verstoren en hadden ze gevolgen voor het handelsverkeer tussen de lidstaten.

7.1.6.    Conclusie over de vraag of er sprake is van steun

(104)

Op basis van het bovenstaande komt de Commissie tot de slotsom dat de beoordeelde maatregelen staatssteun zijn voor die luchthavens in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag.

7.2.   SOORT STEUN: BESTAANDE OF NIEUWE STEUN?

(105)

De beoordeling onder paragraaf 3.2.2 „Soort steun: bestaande of nieuwe steun” (punten 93 tot en met 95) van het inleidingsbesluit over de vraag of de steun moet worden beschouwd als bestaande of nieuwe steun op grond van de bepalingen van bijlage V van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Bulgarije en de Republiek Roemenië blijft van kracht. Bijgevolg kunnen de maatregelen niet beschouwd worden als bestaande steun.

7.3.   RECHTMATIGHEID VAN DE STEUN

(106)

De beoordeelde maatregelen zijn in werking getreden vóór de officiële goedkeuring van de Commissie. Derhalve vormen zij onrechtmatige steun tenzij zij voldoen aan de relevante voorwaarden van een handeling van de Unie betreffende vrijstelling voor groepen van de aanmeldingsverplichting die is vastgelegd in artikel 108 van het VWEU voor bepaalde soorten steun. In onderhavig geval is de enige mogelijke handeling die een dergelijke vrijstelling zou kunnen hebben, verleend de DAEB-beschikking van 2005.

(107)

In de loop van het onderzoek heeft Roemenië aangevoerd dat de steun voor de betrokken dertien luchthavens zou voldoen aan de voorwaarden die zijn vastgelegd in de DAEB-beschikking van 2005 die van kracht was op het tijdstip dat de steun in kwestie werd toegekend.

(108)

De DAEB-beschikking van 2005 was van toepassing op luchthavens:

a)

met minder dan 1 miljoen passagiers per jaar;

b)

met een jaarlijkse omzet vóór belastingen van minder dan 100 miljoen tijdens de twee boekjaren voorafgaand aan het jaar waarin de dienst van algemeen economisch belang werd toegewezen, die een jaarlijkse compensatie van minder dan 30 miljoen EUR krijgen (30).

(109)

De DAEB-beschikking van 2005 was alleen van toepassing op steun in de vorm van compensatie voor openbare diensten voor echte DAEB-diensten. Om deze vrijstelling te kunnen genieten, moet de compensatie voor de openbare dienst betreffende de uitvoering van de DAEB ook voldoen aan de specifieke voorwaarden die zijn uiteengezet in de artikelen 4, 5 en 6 (31).

(110)

In artikel 4 van de DAEB-beschikking van 2005 is bepaald dat de betrokken onderneming met het beheer van de DAEB moet worden belast door middel van één of meer officiële besluiten, met daarin vermelding van met name de aard en de duur van de ODV's, de parameters voor de berekening, de controle en de herziening van de compensatie, en de regelingen om overcompensatie te vermijden en terug te betalen. In artikel 5 van de DAEB-beschikking van 2005 is dan weer bepaald dat het compensatiebedrag niet hoger mag zijn dan wat nodig is om bepaalde kosten van de uitvoering van ODV's te dekken, rekening houdend met de opbrengsten, plus een redelijke winstmarge. Ten slotte is in artikel 6 van de DAEB-beschikking van 2005 bepaald dat de lidstaten op geregelde tijdstippen controles moeten uitvoeren om ervoor te zorgen dat ondernemingen geen compensatie ontvangen die het overeenkomstig artikel 5 bepaalde bedrag overschrijdt.

(111)

Zoals is aangegeven in paragraaf 7.1.4.1 heeft Roemenië niet aangetoond dat duidelijk omschreven ODV's werden toegewezen aan de luchthavenbeheerders door middel van de vermeende toewijzingsbesluiten waarop Roemenië zich baseerde, met name Regeringsbesluit 398/1997 en Regeringsbesluit 523/1998. Derhalve is niet voldaan aan de vereisten van artikel 4.

(112)

Daarom kan de steun voor de elf luchthavenbeheerders niet beschouwd worden als verenigbaar met de interne markt en vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding op grond van de DAEB-beschikking van 2005.

(113)

Volgens artikel 10 van Besluit 2012/21/EU van de Commissie (32) (hierna het „DAEB-besluit van 2011” genoemd), kunnen de vóór de inwerkingtreding van dit besluit van kracht geworden steunmaatregelen die overeenkomstig de DAEB-beschikking van 2005 niet verenigbaar waren met de interne markt noch waren vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, maar die aan de daarin vastgestelde voorwaarden voldoen, beschouwd worden als verenigbaar met de interne markt en vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting. Om soortgelijke redenen als onder paragraaf 7.1.4.1 voldoet de steun niet aan de voorwaarden van artikelen 4, 5 en 6 van het DAEB-besluit van 2011, die grotendeels identiek zijn aan artikelen 4, 5 en 6 van de DAEB-beschikking van 2005. Daarom kan de steun niet beschouwd worden als verenigbaar met de interne markt en vrijgesteld van de verplichting tot aanmelding op grond van de DAEB-beschikking van 2011.

(114)

Derhalve vormen de onderhavige maatregelen onrechtmatige staatssteun.

7.4.   DE VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN

(115)

Om de redenen die hierboven zijn uiteengezet, kan de steun niet beschouwd worden als verenigbaar met de interne markt op grond van de DAEB-beschikking van 2005 en het DAEB-besluit van 2011. Op basis van de in de DAEB-kaderregeling van 2011 en de in de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 vastgelegde criteria zal de Commissie beoordelen of de onderhavige maatregelen verenigbaar zijn. De genoemde bepalingen lijken de enige rechtsgrondslagen op grond waarvan die maatregelen mogelijkerwijs als verenigbaar met de interne markt zouden kunnen worden beschouwd.

7.4.1.    Verenigbaarheid in de zin van de DAEB-kaderregeling van 2011

(116)

In artikel 106, lid 2, van het Verdrag is het volgende bepaald: „De ondernemingen belast met het beheer van DAEB's of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van dit Verdrag, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taak niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie.”

(117)

Dit artikel bevat een afwijking van het verbod op de toekenning van staatssteun in artikel 107 van het Verdrag, voor zover de steun noodzakelijk en evenredig is, om te verzekeren dat de DAEB op economisch aanvaardbare voorwaarden worden beheerd. Overeenkomstig artikel 106, lid 3, van het Verdrag waakt de Commissie over de toepassing van dat artikel, onder meer door aan te geven op welke voorwaarden aan de criteria „noodzaak” en „evenredigheid” is voldaan.

(118)

Vóór 31 januari 2012 vormden de communautaire kaderregeling inzake staatssteun voor de compensatie van de openbare dienst (hierna de „DAEB-kaderregeling van 2005” genoemd) (33) en de DAEB-beschikking van 2005 het beleid van de Commissie inzake de toepassing van de afwijking waarin artikel 106, lid 2, van het Verdrag voorziet.

(119)

Op 31 januari 2012 werden het nieuwe DAEB-pakket, met inbegrip van de EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (2011) (hierna de „DAEB-kaderregeling van 2011” genoemd) (34) en het DAEB-besluit van 2011 van kracht.

(120)

Punt 69 van de DAEB-kaderregeling van 2011 bepaalt het volgende: „De Commissie zal de in deze mededeling uiteengezette beginselen toepassen op onrechtmatige steun waarover zij een besluit neemt na 31 januari 2012, zelfs indien de steun vóór die datum werd toegekend.”

(121)

In punt 16 van de DAEB-kaderregeling van 2011 zijn de voorwaarden vastgesteld om te kunnen besluiten dat een onderneming correct met het beheer van een DAEB is belast. Met name punt 16, onder a), bepaalt daarna dat het besluit waarmee de belasting met de diensten plaatsvindt de inhoud en de duur van de ODV's moet aangeven. Om dezelfde redenen als aangegeven in de paragrafen 7.1.4.1 en 7.3 hierboven kan de steun daarom in dit geval niet als verenigbaar beschouwd worden onder de DAEB-kaderregeling van 2011.

(122)

Daarom is de Commissie van oordeel dat de betrokken steunmaatregel niet verenigbaar kan worden verklaard met de interne markt op grond van artikel 106, lid 2, van het Verdrag.

7.4.2.    Verenigbaarheid in de zin van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014

(123)

De richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 zijn van toepassing op exploitatiesteun die vóór 4 april 2014 aan luchthavens is toegekend. (35) De voorwaarden voor verenigbaarheid zoals neergelegd in de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 betreffende exploitatiesteun voor luchthavens verschillen al naargelang de steun werd verstrekt vóór of na 4 april 2014, d.w.z. de datum waarop de richtsnoeren van kracht werden (36).

(124)

De exploitatiesteun die is toegekend vóór de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 van kracht werden, d.w.z. vóór 4 april 2014, kunnen verenigbaar worden beschouwd mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

Bijdrage aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang: deze voorwaarde is onder andere vervuld als de steun de mobiliteit van burgers in de Unie verbetert en regio's beter helpt te ontsluiten of de regionale ontwikkeling bevordert (37);

b)

De staatssteun vormt een geschikt beleidsinstrument: de lidstaten moeten aantonen dat de steun geschikt is om de beoogde doelstelling te behalen of om de problemen weg te werken waarvoor de steun een oplossing moet bieden (38);

c)

Noodzaak van overheidsmaatregelen: de steun dient te worden gericht op situaties waarin dit soort steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen (39);

d)

Aanwezigheid van een stimulerend effect: deze voorwaarde is vervuld indien te verwachten valt dat, zonder exploitatiesteun en rekening houdende met de mogelijke beschikbaarheid van investeringssteun en de omvang van de verkeersstromen, het volume van de economische activiteit op de betrokken luchthaven aanzienlijk zou afnemen (40);

e)

Evenredigheid van het steunbedrag (steun beperkt tot het noodzakelijke minimum): wil exploitatiesteun voor luchthavens evenredig zijn, dan moet deze beperkt zijn tot het minimum dat nodig is om de gesteunde activiteit te laten plaatsvinden (41);

f)

Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer (42).

7.4.2.1.   Bijdrage aan een duidelijk omschreven doelstelling van gemeenschappelijk belang

(125)

De bedoeling van de exploitatiesteunmaatregelen ten gunste van de Roemeense regionale luchthavens was dat de luchthavens voldoende kapitaal zouden hebben om op rendabele wijze te blijven opereren. Volgens Roemenië spelen de regionale luchthavens een belangrijke rol in het verbeteren van de toegankelijkheid van de verzorgingsgebieden en zorgt de betrokken financiering voor een betere veiligheid en efficiëntie van de luchthavens terwijl tegelijkertijd een bijdrage wordt geleverd aan de bredere doelstellingen van regionale ontwikkeling. Daarnaast is het meest geschikte vervoersmiddel van en naar deze regio's het luchtvervoer, afgezien van het vervoer over de weg en per spoor die in Roemenië echter een aanzienlijk langere reistijd inhouden gezien de in slechte staat verkerende infrastructuur.

(126)

Desondanks merkt de Commissie op dat gezien de nabijheid van een aantal luchthavens in de onderzoeksprocedure het vinden van financiering voor de luchthavens die een duidelijk omschreven doelstelling van algemeen belang verwezenlijken in het gedrang kan komen door een mogelijke overlapping van de luchthaveninfrastructuur. Derhalve moet de Commissie nagaan of de financiering van die luchthavens zorgt voor een overlapping van de luchthaveninfrastructuur binnen hetzelfde verzorgingsgebied.

(127)

De richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 definiëren het „verzorgingsgebied van een luchthaven” als de afgebakende geografische markt die normaliter vastgesteld is op ongeveer 100 kilometer of een reistijd per auto, bus, trein of hogesnelheidstrein van ongeveer 60 minuten. De definitie van het verzorgingsgebied van een bepaalde luchthaven dient rekening te houden met de bijzondere kenmerken van elke specifieke luchthaven. De grootte en de vorm van het verzorgingsgebied zijn afhankelijk van een aantal kenmerken van de luchthaven, waaronder haar businessmodel, haar ligging en de bestemmingen waarop gevlogen wordt.

(128)

Zoals uiteengezet in overweging 24 hierboven zijn Arad, Baia Mare, Satu Mare, Constanța en Oradea de enige luchthavens in deze beoordeling waarvoor een andere luchthaven aanwezig is binnen het verzorgingsgebied van 100 km of een reistijd van 60 minuten per auto, bus, trein of hogesnelheidstrein, zoals bepaald in punt 25, onder 12, van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014. Met betrekking tot alle overige luchthavens is de Commissie van mening dat de steun heeft bijgedragen aan de continuïteit van de infrastructuur die nodig is om de mobiliteit van de burgers en de toegankelijkheid van de regio's waarin die luchthavens liggen, te waarborgen, vooral gezien de slechte staat van de weg- en spoorweginfrastructuur. Derhalve heeft de steun voor die luchthavens bijgedragen aan de bevordering van een doelstelling van algemeen belang voor de Unie. Met betrekking tot de overige luchthavens merkt de Commissie het volgende op.

Luchthaven van Arad

(129)

De luchthaven van Arad ligt maar 50 km van Timișoara, wat een reistijd van 40 minuten inhoudt.

(130)

De luchthavens van Timișoara en Arad hadden verschillende businessmodellen in 2007-2009. Timișoara was een luchthaven in een goede positie met een businessmodel dat aanzienlijk verschilt van dat van de luchthaven van Arad. De luchthaven van Timișoara bood vooral lijnvluchten van regionale en internationale luchtvaartmaatschappijen met volledige dienstverlening die voor een verbinding zorgden tussen Timișoara en een aantal Roemeense en Europese steden (43) terwijl, zoals aangegeven in de overwegingen 28 en 31 hierboven, het businessmodel van Arad gericht was op het lagekostenverkeer. Na 2009 bleven de twee luchthavens onder verschillende modellen opereren, waarbij het lagekostenverkeer sterk daalde en later verdween op de luchthaven van Arad (in 2015 had de luchthaven maar 8 632 passagiers en volgens algemeen beschikbare informatie had ze geen commercieel passagiersverkeer in 2016) en de luchthaven van Timișoara zich meer ging richten op het lagekostenverkeer. Het feit dat de businessmodellen van de luchthavens van Timișoara en Arad verschillend waren tijdens de onderzochte periode en nadien wijst erop dat de twee luchthavens elkaar op een onvolmaakte manier vervangen.

(131)

Volgens punt 85 van de richtsnoeren luchtvaartsteun levert de overlapping van onrendabele luchthavens of het creëren van bijkomende ongebruikte capaciteit geen bijdrage aan een doelstelling van algemeen belang. In dit verband merkt de Commissie op dat Timișoara rendabel was tijdens de onderzochte periode. Bovendien investeerde de luchthaven van Timișoara in verschillende terminals in 2007-2010 om haar capaciteit uit te breiden en tegemoet te komen aan de behoeften van het toegenomen luchtverkeer (bijvoorbeeld de uitbreiding en modernisering van de terminal voor internationale vluchten in 2007, de uitbreiding van de vertrekterminal voor binnenlandse vluchten in 2008-2010). Derhalve moest de over het algemeen al grotere luchthaven van Timișoara investeringen doen waardoor het weinig waarschijnlijk is dat Timișoara, zonder de steun voor Arad, het verkeer van Arad geabsorbeerd zou hebben zonder verdere investeringen. Dit is een nadere aanwijzing van de beperkte mate van substitueerbaarheid tussen de twee luchthavens.

(132)

In het licht van de in de overwegingen 130 en 131 aangegeven argumenten is de Commissie van mening dat hoewel de luchthaven van Arad in hetzelfde verzorgingsgebied ligt als de luchthaven van Timișoara er geen overlapping is tussen de twee luchthavens.

(133)

Op basis van het bovenstaande kan de Commissie concluderen dat de steun voor de luchthaven van Arad heeft bijgedragen aan de mobiliteit van de burgers en de toegankelijkheid van de regio waarin ze zich bevindt en derhalve een duidelijk omschreven doelstelling van algemeen belang dient.

Luchthavens van Baia Mare en Satu Mare

(134)

De luchthavens van Baia Mare en Satu Mare liggen 76 km van elkaar en dienden vooral voor lijnvluchten naar Boekarest van de Roemeense nationale luchtvaartmaatschappij TAROM. Op basis van de openbaar beschikbare informatie is het duidelijk dat TAROM in 2007-2009 op de luchthaven van Baia Mare verschillende vluchten naar Boekarest per week uitvoerde terwijl Austrian Airlines op één bestemming (Wenen) vloog van april 2008 tot en met februari 2009 en Blue Air op drie Europese bestemmingen gedurende enkele maanden (oktober tot en met december 2009). Eveneens voerde TAROM een aantal vluchten per week uit van de luchthaven van Satu Mare naar Boekarest. Gezien de slechte staat van de weginfrastructuur in dat gebied bedraagt de reistijd tussen de twee luchthavens echter 1 uur en 10 minuten over de weg, d.w.z. een reistijd van meer dan de 60 minuten volgens het voor het afbakenen van het verzorgingsgebied van een luchthaven gebruikte criterium krachtens de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(135)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 34 en 35 hierboven verschilde ook de grootte van de vliegtuigen die regelmatig vluchten konden uitvoeren op beide luchthavens gezien de verschillen betreffende de infrastructuur.

(136)

In het licht van de argumenten uiteengezet in de overwegingen 134 en 135 hierboven, is de Commissie van mening dat er geen overlapping is tussen de twee luchthavens, alhoewel beide voldoen aan het criterium van de tussenliggende afstand van 100 kilometer voor de afbakening van het verzorgingsgebied van een luchthaven in de zin van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(137)

Op grond van bovenstaande overwegingen concludeert de Commissie dat de steun die elk van de twee luchthavens ontving, heeft bijgedragen aan een duidelijk omschreven doelstelling van algemeen belang door te zorgen voor een betere mobiliteit en toegankelijkheid in de regio's waarin die luchthavens liggen.

Luchthaven van Constanța

(138)

De luchthaven van Constanța ligt 45 km van de luchthaven van Tuzla, met een reistijd van 30 minuten. In 2007-2009 bood Constanța lijnvluchten aan naar verschillende Europese bestemmingen en hanteerde ze derhalve een ander businessmodel dan Tuzla dat geen luchthavendiensten leverde voor de commerciële luchtvaart en zich richtte op speciale vluchten (bijvoorbeeld voor landbouwdoeleinden, voor reclamedoeleinden en voor recreatieve, oefen- en noodvluchten). Met andere woorden, hoewel de luchthaven van Tuzla in hetzelfde verzorgingsgebied ligt als de luchthaven van Constanța, kan ze niet beschouwd worden als een „luchthaven” in de zin van punt 25, lid 6, van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 en derhalve is er geen overlapping met de luchthaveninfrastructuur van de luchthaven van Constanța.

(139)

De Commissie concludeert op basis hiervan dat de steun voor de luchthaven van Constanța bijdroeg aan een duidelijk omschreven doelstelling van algemeen belang door te zorgen voor een betere mobiliteit en toegankelijkheid van het gebied waarin de luchthaven ligt.

Luchthaven van Oradea

(140)

Oradea ligt 80 km van Debrecen (Hongarije), maar de reistijd is ten minste 1 uur en 30 minuten (omdat een grens van een niet-Schengenland moet worden overgestoken).

(141)

Voorts hadden de luchthavens van Timișoara en Arad verschillende businessmodellen in 2007-2009. Terwijl Oradea gericht was op binnenlandse vluchten uitgevoerd door regionale en nationale luchtvaartmaatschappijen met volledige dienstverlening, richtte de luchthaven van Debrecen zich in die periode vooral op chartervluchten (het lagekostenverkeer begon zich pas de laatste jaren te ontwikkelen). Dit wijst erop dat de twee luchthavens elkaar in de onderzochte periode op een onvolmaakte manier vervingen. Hoewel de twee luchthavens dus voldoen aan het criterium van de tussenliggende afstand van 100 kilometer voor de afbakening van het verzorgingsgebied van een luchthaven in de zin van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014, is de Commissie van mening dat er geen overlapping is tussen beide.

(142)

De Commissie concludeert op basis hiervan dat de steun voor de luchthaven van Oradea bijdroeg aan een duidelijk omschreven doelstelling van algemeen belang door te zorgen voor een betere mobiliteit en toegankelijkheid van het gebied waarin de luchthaven ligt.

7.4.2.2.   De noodzaak van overheidsmaatregelen, de geschiktheid van de staatssteun als een beleidsinstrument, het bestaan van een stimulerend effect en de evenredigheid van het bedrag van de steun

(143)

Met betrekking tot de noodzaak van overheidsmaatregelen dient de staatssteun volgens punt 116 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 te zijn gericht op situaties waarin dit soort steun kan zorgen voor een wezenlijke verbetering die de markt zelf niet tot stand kan brengen. Volgens punt 120 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 moeten de lidstaten aantonen dat de steun geschikt is om de beoogde doelstelling te behalen of voor de problemen waarvoor de steun een oplossing moet bieden. Dit is het geval als de Roemeense luchthavens zonder de betrokken steun waarschijnlijk gedwongen zouden worden de markt te verlaten waardoor de Roemeense regio's vervoersinfrastructuur zouden verliezen die een belangrijke rol speelt in hun toegankelijkheid en ontwikkeling of waardoor hun activiteiten in belangrijke mate zouden verminderen. Op grond van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 zouden kleinere luchthavens problemen kunnen ondervinden om hun activiteiten zonder overheidsmiddelen gefinancierd te krijgen. Volgens punt 118 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 zijn luchthavens met een passagiersstroom van maximaal 200 000 passagiers per jaar misschien niet in staat hun exploitatiekosten in ruime mate te dekken. Derhalve merkt de Commissie op dat het verkeer op de elf beoordeelde luchthavens minder dan 200 000 passagiers bedroeg in 2007-2009.

(144)

Volgens punt 124 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 heeft exploitatiesteun een stimulerend effect indien te verwachten valt dat, zonder de exploitatiesteun en rekening houdende met de mogelijke beschikbaarheid van investeringssteun en de omvang van de verkeersstromen, het volume van de economische activiteit op de betrokken luchthaven aanzienlijk zou afnemen. In onderhavig geval zouden de activiteiten van de begunstigden zonder de steun aanzienlijk zijn afgenomen of stopgezet als gevolg van ongedekte verliezen. Punt 125 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014 stelt dat wil exploitatiesteun voor luchthavens evenredig zijn, dan moet deze beperkt zijn tot het minimum dat nodig is om de gesteunde activiteit te laten plaatsvinden. De onderzochte maatregelen bleven beperkt tot het noodzakelijke minimum om verliezen te compenseren en maakten het mogelijk voor de luchthavens om goed te kunnen blijven functioneren.

(145)

Derhalve komt de Commissie tot de slotsom dat de exploitatiesteun noodzakelijk was en beperkt bleef tot het noodzakelijke minimum om de gesteunde activiteit te laten plaatsvinden.

7.4.2.3.   Vermijden van ongewenste negatieve effecten op de mededinging en het handelsverkeer

(146)

Zoals uiteengezet in overweging 24 hierboven zijn Arad, Baia Mare, Satu Mare, Constanța en Oradea de enige luchthavens in deze beoordeling waarvoor een andere luchthaven aanwezig is binnen 100 km of een reistijd van 60 minuten per auto, bus, trein of hogesnelheidstrein. Zoals uiteengezet in overweging 128 hierboven, is de Commissie met betrekking tot alle overige luchthavens van mening dat de steun heeft bijgedragen aan de continuïteit van de infrastructuur die nodig is om de mobiliteit van de burgers en de toegankelijkheid van de regio's waarin die luchthavens liggen te waarborgen, vooral gezien de slechte staat van de weg- en spoorweginfrastructuur. Derhalve heeft de steun voor die luchthavens bijgedragen aan de bevordering van een doelstelling van algemeen belang voor de Unie en niet gezorgd voor een ongepaste concurrentieverstoring. Met betrekking tot de overige luchthavens merkt de Commissie het volgende op.

Luchthaven van Arad

(147)

De Commissie merkt op dat het verkeer van de luchthaven van Arad in de periode van de beoordeling zeer beperkt was, in absolute termen en vergeleken met de luchthaven van Timișoara (op 50 km afstand met een reistijd van 40 minuten). Het aantal passagiers per jaar op de luchthaven van Arad varieerde van 67 183 tot 128 835 in de periode die wordt beoordeeld terwijl het verkeer op de luchthaven van Timișoara varieerde van 859 329 tot 991 758 passagiers per jaar. Het verkeer op de luchthaven van Arad bedroeg maar 7,8 % van het verkeer op de luchthaven van Timișoara in 2007, 14,5 % in 2008 en 8,8 % in 2009. Het concurrentie-effect van de steun die de luchthaven van Arad kreeg op de luchthaven van Timișoara was zeer gering gezien de verschillende verkeersvolumes op de twee luchthavens (44). Meer in het algemeen waren de totale concurrentie-effecten van de steun automatisch gematigd gezien de beperkte verkeersstroom op de luchthaven. Voorts lijkt de ontwikkeling van het luchtverkeer op de beide luchthavens niet gecorreleerd te zijn. Het verkeer op de luchthaven van Arad steeg van 67 183 passagiers in 2007 naar 128 835 in 2008 gevolgd door een daling tot ongeveer 88 147 passagiers in 2009, terwijl het verkeer op de luchthaven van Timișoara gestaag toenam (van 859 329 passagiers in 2007 naar 886 083 passagiers in 2008 en 991 758 passagiers in 2009) (45). Deze afwezigheid van correlatie lijkt te tonen dat de twee luchthavens aan verschillende behoeften voldeden en verschillende marktsegmenten dienden en er eenvoudigweg geen overlapping was.

(148)

Bovendien was de luchthaven van Timișoara winstgevend tussen 2007 en 2009 en deed ze investeringen om haar capaciteit te verhogen. Het is daarom weinig waarschijnlijk dat het effect van de steun voor de luchthaven van Arad aanmerkelijke gevolgen had voor de exploitatie van de luchthaven van Timișoara.

(149)

Gezien het bovenstaande is de Commissie van mening dat de verstoring van de mededinging die de steun met zich meebracht, beperkt bleef en niet opwoog tegen de bijdrage van de steun aan de mobiliteit en de toegankelijkheid.

Luchthavens van Baia Mare en Satu Mare

(150)

Gezien de extreem lage verkeersstroom van de twee luchthavens in de onderzochte periode (van 15 334 passagiers in 2007 naar 24 983 passagiers in 2009 voor Baia Mare en van 5 883 passagiers naar 11 101 passagiers in 2009 voor Satu Mara) en de verschillen in grootte van de soorten geëxploiteerde vliegtuigen zoals aangegeven in de overwegingen 34 en 35 hierboven, concludeert de Commissie dat de verstoringen van de mededinging die de steun met zich meebracht, zeer gering waren en niet opwogen tegen de positieve bijdrage van de steun aan de mobiliteit en de toegankelijkheid.

Luchthaven van Constanța

(151)

Zoals uiteengezet in overweging 138 hierboven had de op commercieel verkeer gerichte luchthaven van Constanța een ander businessmodel dan de nabijgelegen luchthaven van Tuzla die geen enkele luchthavendienst verleende voor de commerciële luchtvaart. De luchthaven van Tuzla is niet eens een „luchthaven” in de zin van punt 25, lid 6, van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014. Bovendien was de verkeersstroom van de luchthaven van Constanța heel laag in de periode die wordt beoordeeld en beperkte dit de verstoring van de mededinging die de steun met zich meebracht. Vandaar is de Commissie van mening dat de bijdrage van de steun voor de luchthaven van Constanța in 2007-2009 aan de mobiliteit en de toegankelijkheid niet opwoog tegen de verstoring van de mededinging die de steun met zich meebracht.

Luchthaven van Oradea

(152)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 37 en 140 hierboven ligt Oradea 80 km van Debrecen (Hongarije), maar de reistijd is ten minste 1 uur en 30 minuten (omdat een grens van een niet-Schengenland moet worden overgestoken). Daarnaast was het verkeersvolume in Oradea in 2007-2009 zeer laag (minder dan 40 000 passagiers) en had de luchthaven een businessmodel dat anders was dan dat van de luchthaven van Debrecen (zie overweging 141).

(153)

Op deze basis is de Commissie van mening dat de bijdrage van de steun voor de luchthaven van Oradea aan de mobiliteit en de toegankelijkheid opwoog tegen de verstoring van de mededinging die de steun met zich meebracht.

7.4.3.    Conclusie over de verenigbaarheid van de steun

(154)

Op basis van de bovenstaande beoordeling is de conclusie van de Commissie dat de steun toegekend in 2007-2009 aan de Roemeense luchthavens Arad, Bacău, Baia Mare, Craiova, Iași, Oradea, Satu-Mare, Sibiu, Suceava, Tulcea en Constanța gedurende de periode 2007-2009 verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag.

(155)

Deze beoordeling laat eventuele toekomstige beoordelingen door de Commissie van eventuele steun voor deze luchthavens na 4 april 2014 onverlet, gezien dergelijke steun getoetst zou moeten worden aan criteria die verschillen van de criteria die van toepassing zijn op de onderhavige maatregelen (46).

8.   CONCLUSIE

(156)

De financiering die de Roemeense openbare autoriteiten in 2007-2009 verschaften aan de luchthavens van Arad, Bacău, Baia Mare, Craiova, Iași, Oradea, Satu-Mare, Sibiu, Suceava, Tulcea en Constanța vormt onrechtmatige staatssteun die verenigbaar is met de interne markt krachtens artikel 107, lid 3, onder c), VWEU.

(157)

Om de in overweging 69 genoemde redenen blijft het onderzoek betreffende de overheidsfinanciering verstrekt aan de luchthaven van Cluj-Napoca en de luchthaven van Târgu Mureș in 2007-2009 open,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De overheidsfinanciering die Roemenië in 2007-2009 verleende aan de Roemeense luchthavens van Arad, Bacău, Baia Mare, Craiova, Iași, Oradea, Satu Mare, Sibiu, Suceava, Tulcea en Constanța ten bedrage van 490 401 300 RON, vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en is ten uitvoer gelegd in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

2.   De staatssteun als bedoeld in punt 1 is verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder c), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot Roemenië.

Gedaan te Brussel, 27 september 2016.

Voor de Commissie

Margrethe VESTAGER

Lid van de Commissie


(1)   PB C 207 van 13.7.2011, blz. 3.

(2)  Categorie D-luchthavens, namelijk luchthavens met minder dan 1 miljoen passagiers, zoals bepaald in de richtsnoeren van 2005 voor financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven (PB C 312 van 9.12.2005, blz. 1).

(3)  De formele onderzoeksprocedure betreft zowel de aangemelde regeling voor overheidsfinanciering ter ondersteuning van de ontwikkeling van de infrastructuur van kleine regionale luchthavens als de overheidsfinanciering ten gunste van een aantal luchthavens ter dekking van exploitatietekorten.

(4)  Zie voetnoot 1.

(5)  Beschikking 2005/842/EG van de Commissie van 28 november 2005 betreffende de toepassing van artikel 86, lid 2, van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen wordt toegekend (PB L 312 van 29.11.2005, blz. 67).

(6)   PB C 99 van 4.4.2014, blz. 3.

(7)  Zie voetnoot 2.

(8)  Steunmaatregelen van de staten — Roemenië — Steunmaatregel SA.31662 (11/C) (ex CP 237/10) — Timișoara International Airport — Wizz Air — Uitnodiging, overeenkomstig artikel 108, lid 2, VWEU, om opmerkingen te maken (PB C 270 van 13.9.2011, blz. 11).

(9)  Regeringsbesluit 523/1998 bepaalt dat i) kapitaaluitgaven met betrekking tot eigen activa gefinancierd zouden worden uit eigen middelen, kredieten en andere bronnen; ii) kosten met betrekking tot het scheppen van nieuwe openbare activa evenals de uitbreiding en modernisering van bestaande openbare activa uit de staatsbegroting zouden worden bekostigd; iii) de financiering van de luchthaveninvesteringen die de regering goedkeurde tot de datum van oprichting van de nieuwe juridische entiteit zou zijn gewaarborgd met eigen middelen aangevuld met overheidsfinanciering; iv) de betalingsverplichtingen betreffende de investeringen die betrekking hebben op particuliere activa die ongerechtvaardigd zijn totdat de nieuwe juridische entiteit is opgericht, zouden worden bekostigd uit eigen middelen aangevuld met overheidsfinanciering; v) de betalingsverplichtingen die betrekking hebben op het scheppen van nieuwe openbare activa of het moderniseren van de bestaande openbare activa die ongerechtvaardigd zijn totdat de nieuwe juridische entiteit wordt opgericht, zouden worden bekostigd uit de staatsbegroting.

(10)  De luchthaven was alleen open in januari.

(11)  Brief van de Commissie van 19 februari 2015.

(12)  De brieven van Roemenië van 19 maart 2015 en 24 juni 2016.

(13)  Ter vergelijking, een Embraer ERJ 135 ER heeft een stoelcapaciteit van 37 en een maximale startmassa van 19 000 kg.

(14)  Steunmaatregel SA. 32963 (2012/NN) (ex 2011/CP) Roemenië — Staatssteun voor Wizz Air en de luchthaven van Cluj-Napoca ((PB C 104 van 18.3.2016, blz. 77).

(15)  Steunmaatregel SA. 33769 (2015/NN) (ex-2011/CP) — Roemenië — Vermeende steun ten gunste van de luchthaven Târgu-Mureș Transilvania, Wizz Air, Ryanair en andere luchtvaartmaatschappijen (PB C 104 van 18.3.2016, blz. 45).

(16)  Arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, EU:C:2003:415, punt 93. Zie ook de analyse in de overwegingen 84-85 van onderhavig besluit.

(17)  Zie voetnoot 8.

(18)  Arrest van 23 april 1991, Höfner en Elser/Macrotron, C-41/90, EU:C:1991:161, punt 21; arrest van 17 februari 1993, Poucet en Pistre/AGF en Cancava, C-160/91,EU:C:1993:63, punt 17; arrest van 18 juni 1998, Commissie/Italië, C-35/96, EU:C:1998:303, punt 36.

(19)  Arrest van 19 januari 1994, SAT Fluggesellschaft/Eurocontrol, C-364/92, EU:C:1994:7.

(20)  Beschikking N 309/02 van de Commissie van 19 maart 2003 inzake veiligheid van de luchtvaart — schadeloosstelling als gevolg van de aanslagen van 11 september 2001 (PB C 148 van 25.6.2003, blz. 7).

(21)  Zie met name het arrest van 19 januari 1994, SAT Fluggesellschaft/Eurocontrol, C-364/92, EU:C:1994:7, punt 30, en het arrest van 26 maart 2009, Selex Sistemi Integrati/Commissie, C-113/07 P, EU:C:2009:191, punt 71.

(22)  Zie arrest van 3 maart 2005, Heiser C-172/03, EU:C:2005:130, punt 36, en de aangehaalde rechtspraak.

(23)  Arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 1987, Federale Republiek Duitsland/Commissie van de Europese Gemeenschappen, C-248/84, EU:C:1987:437 en arrest van het Gerecht van 12 mei 2011, gevoegde zaken Région Nord-Pas-de-Calais, T-267/08, EU:T:2011:209 en Communauté d'agglomération du Douaisis/Europese Commissie, T-279/08, EU:T:2011:209, punt 108.

(24)  Arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, EU:C:2003:415.

(25)  Punt 47 van de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 4).

(26)  Arrest van het Hof van 27 maart 1974, Belgische Radio en Televisie/SV SABAM en NV Fonior, C-127/73, EU:C:1974:6, punten 19-20; arrest van 11 april 1989, Ahmed Saeed Flugreisen en Silver Line Reisebüro GmbH/Zentrale zur Bekämpfung unlauteren Wettbewerbs e.V, C-66/86, EU:C:1989:140, punten 55-57; arrest van 2 maart 1983, Gesellschaft zur Verwertung von Leistungsschutzrechten mbH (GVL)/Commissie, C-7/82, EU:C:1983:52; arrest van het Hof van 14 juli 1981 Gerhard Züchner/Bayerische Vereinsbank AG, C-172/80, EU:C:1981:178.

(27)  Mededeling van de Commissie „Diensten van algemeen belang in Europa” (hierna de „mededeling inzake de DAEB van 2001” genoemd) (PB C 17 van 19.1.2001, blz. 4).

(28)  Arrest van 24 juli 2003, Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, EU:C:2003:415, punt 87; arrest van 7 november 2012, CBI/Commissie, T-137/10, nog niet bekendgemaakt, punten 97 en 98.

(29)   PB C 8 van 11.1.2012, blz. 4.

(30)  Artikel 2, lid 1, onder a).

(31)  Zie artikel 10 voor de datum van inwerkingtreding van de DAEB-beschikking van 2005 en met name de datum van toepassing van artikel 4, onder c), d) en e), en artikel 6.

(32)  Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3).

(33)   PB C 297 van 29.11.2005, blz. 4.

(34)   PB C 8 van 11.1.2012, blz. 15.

(35)  Punt 172 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(36)  Punt 137 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(37)  Punten 137 en 113 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(38)  Punten 137 en 120 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(39)  Punten 137 en 116 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(40)  Punten 137 en 124 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(41)  Punten 137 en 125 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(42)  Punten 137 en 131 van de richtsnoeren luchtvaartsteun van 2014.

(43)  Lagekostenmaatschappij Wizz Air begon pas eind 2008 vluchten uit te voeren vanuit de luchthaven van Timișoara.

(44)  In steunmaatregel SA 33961 (2012/C) (ex 2012/NN) die Frankrijk uitvoerde ten gunste van de Kamer van Koophandel van Nîmes-Uzès-Le Vigan, Veolia Transport Aéroport de Nîmes, Ryanair Limited en Airport Marketing Services Limited (PB L 113 van 27.4.2016, blz. 32) concludeerde de Commissie dat het concurrentie-effect van de steun voor de luchthaven van Nîmes op de nabijgelegen luchthaven van Montpellier onder andere beperkt was gezien de verschillen in het luchtverkeer tussen de twee luchthavens want het verkeer van Nîmes was met name zes keer lager dan dat van Montpellier.

(45)  Eveneens was het gebrek aan correlatie van de ontwikkeling van het luchtverkeer op de naburige luchthavens een criterium dat gebruikt werd in staatssteunmaatregel SA.22614 (C 53/07) uitgevoerd door Frankrijk ten gunste van de Kamer van Koophandel van Pau-Béarn, Ryanair, Airport Marketing Services en Transavia (PB L 201 van 30.7.2015, blz. 109), waarin het argument betrekking had op de verenigbaarheid van de steun voor de luchthaven van Pau.

(46)  Met name wat betreft de steun die is toegekend na april 2014, voorziet punt 115 van de richtsnoeren luchtvaartsteun in de noodzaak om bij de vooruitzichten van een niet-winstgevende luchthaven tegen het einde van de overgangsperiode aan te tonen dat ze in staat zal zijn om haar exploitatiekosten volledig te dekken (zie de punten 128 tot 130 van de richtsnoeren luchtvaartsteun). Punt 132 van de richtsnoeren luchtvaartsteun bepaalt dan weer dat de lidstaten zullen moeten aantonen dat alle luchthavens in datzelfde verzorgingsgebied in staat zullen zijn hun exploitatiekosten volledig te dekken tegen het eind van de overgangsperiode.


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

29.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 166/58


BESCHIKKING VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

nr. 469/15/COL

van 4 november 2015

tot afsluiting van de formele onderzoeksprocedure naar de vermeende staatssteun aan Innovation Norway voor zijn activiteiten binnen de markt voor webinfrastructuur en verwante diensten, alsmede mogelijke steun ten gunste van de regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement (Noorwegen) [2017/1150]

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA (hierna „de Autoriteit” genoemd),

GEZIEN de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd), en met name artikel 61, lid 1,

GEZIEN de Overeenkomst tussen de EVA-staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna „de Toezichtovereenkomst” genoemd), en met name artikel 24,

GEZIEN Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst (hierna „Protocol 3” genoemd), en met name artikel 7, lid 2, en artikel 13, lid 1, van deel II,

NA de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   DE FEITEN

1.   PROCEDURE

(1)

Bij brief van 5 juli 2013 (1) heeft tellUS IT AS (later gefuseerd met New Mind (2), hierna „New Mind | tellUS” of „de klager” genoemd) een klacht over staatssteun bij de Autoriteit ingediend betreffende de economische activiteiten van Innovasjon Norge (hierna „Innovation Norway” of „IN” genoemd) op de markt voor webinfrastructuur en verwante diensten in de toeristische sector. De Autoriteit heeft de klacht op 8 juli 2013 ontvangen en geregistreerd.

(2)

Na een vooronderzoek van de klacht besloot de Autoriteit op 16 juli 2014 de formele onderzoeksprocedure van artikel 1, lid 2, van deel I van Protocol 3 in te leiden door de goedkeuring van Beschikking nr. 300/14/COL (hierna „de beschikking tot inleiding van de procedure” genoemd) (3). Bij deze beschikking heeft de Autoriteit de Noorse autoriteiten en de belanghebbende partijen verzocht hun opmerkingen te formuleren.

(3)

Bij brief van 1 september 2014 (4) hebben de Noorse autoriteiten hun opmerkingen bij de beschikking tot inleiding van de procedure ingediend. Op 30 september 2014 had de Autoriteit een ontmoeting met de Noorse autoriteiten en IN. Bij die gelegenheid hebben de Noorse autoriteiten nieuwe informatie en toelichting bij hun verklaring van 1 september 2014 verschaft. De Autoriteit heeft IN ook aanvullende vragen gesteld die bij e-mail van 17 oktober 2014 (5) zijn beantwoord.

(4)

Bij e-mail van 9 oktober 2014 (6) heeft de Autoriteit opmerkingen van één belanghebbende, namelijk de klager, ontvangen. Bij brief van 10 oktober 2014 (7) heeft de Autoriteit deze opmerkingen naar de Noorse autoriteiten doorgeleid. De Autoriteit heeft op 27 oktober 2014 en 5 november 2014 telefonisch vergaderd met IN.

(5)

Bij brief van 24 november 2014 (8) hebben de Noorse autoriteiten op de opmerkingen van de klager gereageerd en hebben ze aanvullende informatie verschaft.

(6)

Hierna heeft de Autoriteit van de klager en van IN aanvullende informatie ontvangen (9). De door de klager verschafte informatie is naar de Noorse autoriteiten doorgeleid.

2.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN

(7)

Deze beschikking heeft betrekking op de activiteiten van IN in de toeristische sector.

(8)

IN is als overheidsbedrijf belast met het ondersteunen van de innovatie en ontwikkeling van Noorse ondernemingen en industrie. IN ondersteunt de Noorse toeristische sector en is oprichter en beheerder van de website visitnorway.com, de drukst bezochte toeristische website (10) van Noorwegen.

(9)

Via visitnorway.com levert IN diensten aan regionale toeristische diensten (11) en organisaties voor bestemmingsmanagement (12). Regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement zijn lokale/regionale entiteiten die het toerisme in hun respectieve regio's promoten.

(10)

Deze diensten bestaan uit i) webinfrastructuur en verwante diensten en ii) marketing- en promotiediensten in de toeristische sector (13).

(11)

De klager en de beschikking tot inleiding van de procedure verwijzen naar mogelijke staatssteun met betrekking tot de webinfrastructuur en verwante diensten. Meer bepaald is in artikel 1 van de beschikking tot inleiding van de procedure sprake van drie mogelijke steunmaatregelen.

(12)

De eerste vermeende steunmaatregel heeft betrekking op staatssteun ten gunste van IN in de vorm van winstderving bij de levering van webinfrastructuur en verwante diensten aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement.

(13)

De tweede maatregel betreft het vermeende ontbreken van een gescheiden boekhouding en een transparante methode voor kostentoerekening om de economische en niet-economische activiteiten van IN gescheiden te houden. In dit verband is het van belang te weten of voor de door IN geleverde webinfrastructuur en verwante diensten kruissubsidiëring is verleend met overheidsmiddelen die voor een niet-economische dienst waren bedoeld, namelijk de algemene promotie van Noorwegen als reisbestemming.

(14)

De derde vermeende steunmaatregel heeft betrekking op staatssteun ten gunste van regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement in de vorm van prijzen voor webinfrastructuur en verwante diensten die IN geen redelijk rendement op zijn investeringen kunnen opleveren.

2.1.   DE BEGUNSTIGDEN VAN DE VERMEENDE STAATSSTEUN

(15)

IN is in 2003 door de Noorse overheid opgericht met de wet betreffende Innovation Norway (14) (hierna „de IN-wet” genoemd). De overheid is voor 51 % eigenaar van de onderneming en de provincies hebben de resterende 49 % in handen (15).

(16)

De onderneming is opgericht als instrument van de Noorse overheid ter bevordering van waardescheppende bedrijfsontwikkeling in het hele land (16). IN is beheerder en uitvoerder van verscheidene Noorse steunregelingen en ondersteunt het nationale toerisme. Volgens de Noorse autoriteiten „is IN onder meer belast met het leveren van webmarketingdiensten aan een internationaal en nationaal publiek op de officiële website visitnorway.com” (17).

(17)

Lokale en regionale toeristische promotie wordt verzorgd door de regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement. Volgens de informatie van de Noorse autoriteiten (18) zijn in Noorwegen ongeveer 300 regionale en lokale organisaties voor toerisme actief, d.w.z. regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement. Hun hoofdtaak is het organiseren van toeristische activiteiten en het aanbieden van toeristische informatie. Regionale toeristische diensten zijn gericht op internationale promotie van hun regio, terwijl organisaties voor bestemmingsmanagement zowel nationaal als internationaal actief zijn om specifieke bestemmingen in de markt te zetten. (19) Hun aandeelhouders zijn doorgaans zowel particuliere als overheidsbedrijven. (20) De regionale toeristische diensten zijn in de regel vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid, waarvan de aandelen in handen zijn van de provinciale overheden en van vertegenwoordigers van de toeristische sector. De organisaties voor bestemmingsmanagement zijn lokaal actief en hebben een variabele aandeelhoudersstructuur. Ze zijn echter over het algemeen in handen van lokale autoriteiten en lokale toeristische ondernemingen.

(18)

De regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement streven er niet naar de winst voor hun eigenaars te maximaliseren. Hun oogmerk is veeleer het stimuleren van economische activiteit in de toeristische sector binnen hun respectieve geografische regio's (21).

2.2.   WEBINFRASTRUCTUUR EN VERWANTE DIENSTEN

(19)

Webinfrastructuur en verwante diensten binnen de toeristische sector worden geleverd via een systeem voor bestemmingsmanagement (22).

(20)

Een systeem voor bestemmingsmanagement is een door een IT-bedrijf geleverde dienst waarmee de klanten (de ondernemingen voor bestemmingsmanagement (23) synchroon op hun eigen webpagina en op externe kanalen zoals visitnorway.com, Google Maps, toeristische informatiekiosken, mobiele portals alsmede papieren kranten informatie over toeristische locaties, hotels, restaurants, evenementen en vergelijkbare informatie kunnen plaatsen en regelmatig kunnen actualiseren. Die informatie kan door het brede publiek voor boekingen of andere doeleinden worden gebruikt.

(21)

Een onderneming voor bestemmingsmanagement kan verschillende functionaliteiten aanbieden: i) een destinator-functionaliteit (het aanmaken van een databank met nuttige plaatsen of een informatieflash over evenementen, hotels, restaurants, kunstexposities enz.): ii) een distributie-functionaliteit (de informatie in de databank wordt over verschillende kanalen en platforms verspreid), en iii) een zoek-functionaliteit (gebruikt op websites om toeristische producten op te zoeken en weer te geven).

(22)

Een grafische weergave van deze diensten is opgenomen in overweging 43.

2.3.   MARKETING- EN PROMOTIEDIENSTEN IN DE TOERISTISCHE SECTOR

(23)

Bij marketing- en promotiediensten op het vlak van toerisme kan het gaan om algemene promotie van een regio of het promoten van bepaalde bedrijfsactiviteiten.

(24)

In het kader van algemene promotie ontvangen bezoekers algemene toeristische informatie over landschappen, culinaire tradities, weersomstandigheden enz. Promotie van een bepaalde bedrijfsactiviteit komt neer op het aanprijzen van specifieke inhoud (informatie over hotels, restaurants, culturele evenementen enz.).

(25)

Voorts kan specifieke inhoud op visitnorway.com op twee verschillende manieren worden gepromoot, ofwel via rechtstreekse publicatie op de website (de informatie staat op de website), ofwel via een link naar een externe website die de specifieke informatie publiceert.

2.4.   DE ACTIVITEITEN VAN IN IN DE TOERISTISCHE SECTOR

(26)

Het mandaat van IN behelst het promoten van de toeristische sector op nationaal niveau. De Noorse overheid heeft sinds 1903 een actief belang in de toeristische sector (24). Zoals vermeld in overweging 17 wordt toerisme op regionaal en lokaal niveau door de regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement gepromoot. In het aan IN gewijde hoofdstuk van de jaarlijkse begrotingsbrieven staan instructies voor de IN-activiteiten in de toeristische sector (25).

(27)

De Noorse autoriteiten hebben in 2007 een nationale toeristische strategie aangenomen waarin de belangrijkste overheidsdoelstellingen voor de sector zijn vastgelegd (26). Een van deze doelstellingen was Noorwegen sterker te profileren als reisbestemming. Daartoe heeft IN in 2007 de website visitnorway.com ontwikkeld en opgericht. Overeenkomstig de toeristische strategie „moet de website bezoekers naar Noorwegen lokken en nuttige en omvattende informatie over Noorwegen en het Noorse toeristische aanbod verschaffen” (27).

(28)

Sinds de oprichting van de website visitnorway.com biedt IN naast algemene inhoud over Noorwegen (niet-economische activiteit) aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement ook de mogelijkheid om eigen specifieke toeristische inhoud (d.w.z. informatie over evenementen, hotels, vervoer enz.) op de website visitnorway.com te promoten. IN heeft met regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement standaardcontracten gesloten aan de hand waarvan de specifieke inhoud van regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement op visitnorway.com kan worden gepubliceerd (rechtstreeks of via hyperlinks) tegen een jaarlijkse contributie die wordt berekend op basis van de jaaromzet van de respectieve regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement. De regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement hebben steeds met eigen websites gewerkt waarop zij algemene informatie over hun respectieve regio's en specifieke toeristische producten plaatsten, d.w.z. economische diensten van hun stakeholders en eigenaars.

(29)

In 2012 heeft de Noorse overheid ter verbetering van de nationale structuur voor toerisme een nieuwe toeristische strategie aangenomen (28). De nieuwe strategie had tot doel de overheidssteun aan de sector efficiënter te maken, het aantal actoren te verminderen en te zorgen voor meer coördinatie onder de actoren. De Noorse autoriteiten hebben zich bovendien voorgenomen een wildgroei te vermijden van websites over toerisme in Noorwegen, met uiteenlopende structuren en layouts, zoekmachines voor reserveringen, talen enz., die allemaal gedeeltelijk door verschillende overheidsinstanties, provincies of gemeenten worden gefinancierd.

(30)

Hierna heeft het ministerie van Handel, Industrie en Visserij in 2013 een „nieuwe toeristische structuur” goedgekeurd die het voor toeristen makkelijk moet maken te kiezen voor Noorwegen als reisbestemming (29).

(31)

In de begrotingsbrief van IN van 2013 (hierna „begrotingsbrief van 2013” genoemd (30)) staat dat: „Innovation Norway dient te zorgen voor een brede verspreiding van Noorse reiservaringen via visitnorway.com en de actoren in de toeristische sector moet helpen om […]”. Visitnorway.com werd dus als een cruciaal bestanddeel van de Noorse strategie voor toeristische promotie (31) aangemerkt. IN werd gevraagd de website uit te breiden en meer steun aan de toeristische sector te verlenen. De bedoeling was diensten te leveren op het gebied van webmarketing om op de officiële website visitnorway.com. zowel een nationaal als een internationaal publiek te bereiken (32).

(32)

Uitgaande van deze doelstelling heeft IN het project „de nieuwe structuur van visitnorway” (hierna „nieuwe structuur” genoemd) (33) in het leven geroepen. De nieuwe structuur leverde regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement niet alleen diensten op het vlak van marketing en promotie (zoals op grond van de standaardcontracten, zie overweging 28), maar ook aanvullende diensten.

(33)

IN heeft een aantal noodzakelijke wijzigingen aan de kenmerken en functionaliteiten van het platform visitnorway.com aangebracht, om technologisch bij te blijven en het platform mettertijd vlot te doen werken. In 2013 begon IN een aantal van de functionaliteiten voor bestemmingsmanagement (hierna collectief aangeduid als „webinfrastructuur en verwante diensten”) aan Noorse regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement te leveren die de inhoud van hun eigen websites naar visitnorway.com wilden migreren. Die overname van inhoud op visitnorway.com strookt met de doelstellingen die de Noorse autoriteiten met de nieuwe toeristische strategie nastreven, onder meer het vermijden van een wildgroei van websites over toerisme in Noorwegen (zie overweging 29).

(34)

Bijgevolg kregen alle regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement in 2014 premiumpartner-contracten aangeboden met de mogelijkheid om visitnorway.com als homepage te gebruiken in plaats van een eigen homepage te ontwikkelen of in stand te houden. Voor de migratie naar visitnorway.com moesten de eigen websites worden stopgezet. De diensten in kwestie werden enkel aangeboden aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement en niet aan de brede markt, dus niet aan alle potentiële gebruikers, waaronder de aandeelhouders of externe klanten van regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement (34).

(35)

Na de migratie zijn sommige diensten die de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement vroeger bij bedrijven zoals de klager aankochten, overbodig geworden. Zo zou de zoek-functionaliteit voor de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement overbodig worden, en zouden de licentiecontracten met ondernemingen als New Mind | tellUS normaal gesproken worden beëindigd. Andere functionaliteiten echter — zoals de destinator-functionaliteit — bleven noodzakelijk voor het creëren of behouden van de punten van belang of de informatieflash voor publicatie op visitnorway.com.

(36)

Ondanks het feit dat alle regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement premiumpartner-contracten aangeboden hebben gekregen, zijn/waren zij niet allemaal in de nieuwe diensten geïnteresseerd, omdat migratie naar visitnorway.com onder andere inhield dat ze de redactionele voorwaarden en restricties van IN moesten aanvaarden (35). Daarom blijven sommige regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement werken met standaardcontracten aan de hand waarvan IN hun promotie- en marketingdiensten levert (zie overweging 28).

(37)

In het kader van het toeristisch project „nieuwe structuur” binnen visitnorway.com (zie overweging 32) werden in 2013 vóór de ondertekening van de premiumpartner-contracten in 2014 als beschreven in overweging 34 tevens twee proefprojecten opgezet, Alfa en Beta. Verder in het document wordt hierop nader ingegaan.

Proefproject Alfa

(38)

In maart 2013 lanceerde IN een proefproject genaamd „Alfa”, samen met twee testklanten — VisitSørlandet en VisitTrondheim. Daarbij ging het om de migratie van de websites van Visit Sørlandet AS (36) (regionale toeristische dienst) en Visit Trondheim AS (37) (organisatie voor bestemmingsmanagement) naar visitnorway.com.

(39)

De twee ondernemingen zijn voor het proefproject geselecteerd en hebben een premiumpartner-contract met IN gesloten om visitnorway.com te kunnen gebruiken. Op grond van die contracten hebben beide ondernemingen hun URL (38) naar visitnorway.com omgeleid en hebben zij hun eigen websites afgesloten. De informatie op die pagina's (algemene toeristische informatie en specifieke toeristische inhoud) werd naar visitnorway.com gemigreerd.

(40)

Toen de twee ondernemingen nog eigen websites hadden, waren zij klant bij de klager en maakten zij dus gebruik van destinator- en zoek-functionaliteiten van tellUS en betaalden zij hiervoor een licentievergoeding aan de klager. Maar na het omleiden van hun URL naar visitnorway.com en het afsluiten van hun eigen websites hebben deze ondernemingen hun contracten voor de zoekfunctionaliteit opgezegd aangezien — om technische redenen — alleen de zoekfunctionaliteit van IN op visitnorway.com kan worden gebruikt (de door IN ontwikkelde en op het platform geïnstalleerde zoekmachine is de enige op de website).

(41)

Beide ondernemingen waren voor de destinator-functionaliteit nog contractueel verbonden met de klager of met een soortgelijke onderneming. IN biedt deze functionaliteit niet aan. De klager was de enige leverancier van systemen voor bestemmingsmanagement op de Noorse markt. In 2012-2013 verscheen echter een internationale concurrent op de markt, Citybreak, die de destinator-functionaliteit ook aanbood zodat aanbieders van toeristische diensten de mogelijkheid kregen om een databank met nuttige plaatsen te creëren (39).

(42)

De naar visitnorway.com gemigreerde regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement konden dus kiezen tussen verschillende ondernemingen die de destinator-functionaliteit aanboden (New Mind | tellUs of CityBreak of een andere marktdeelnemer die de markt zou betreden), terwijl klanten die gebruik maakten van de diensten van tellUs search enkel gebruik konden maken van destinator-functionaliteiten van tellUS. Toen New Mind | tellUS nog de enige aanbieder was van web- en infrastructuurdiensten, moesten alle regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement voor zowel de zoek- als de destinator-functionaliteiten contracten sluiten met New Mind |tellUS.

(43)

De toepassingen van de verschillende functionaliteiten, vóór en na het proefproject Alfa, worden in de volgende tabel weergegeven:

Image 1
Tekst van het beeld

Bron: de Autoriteit, op basis van de informatie van de Noorse autoriteiten (document 688213).

(44)

Vóór de toepassing van het nieuwe-structuurproject leverde IN diensten aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement (online marketing- en promotiediensten op de website visitnorway.com) tegen een vergoeding die werd berekend op basis van de jaaromzet en niet de marktprijs van de geleverde diensten (zie overweging 28). Dit tarief werd ook toegepast in het kader van proefproject Alfa, zonder extra kosten voor de door IN geleverde aanvullende diensten (webinfrastructuur en verwante diensten).

(45)

De Noorse autoriteiten hebben uitgelegd (40) dat geen extra kosten voor de aanvullende diensten zijn aangerekend omdat de nieuwe diensten nog in ontwikkeling waren en de twee bij het proefproject betrokken ondernemingen veel tijd en inspanningen hadden besteed om de nieuwe functionaliteiten van IN te helpen ontwikkelen en IN dus hebben vergoed in de vorm van waardevolle feedback en input over de nieuwe diensten.

Proefproject Beta

(46)

Van juli 2013 tot november 2013 heeft IN proefproject Beta uitgevoerd. Tijdens dit proefproject heeft IN nieuwe bedrijfsmodellen bestudeerd, waaronder de mogelijkheid om nieuwe premiumpartner-contracten voor alle regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement te promoten.

(47)

Met ingang van 1 januari 2014 heeft IN alle geïnteresseerde organisaties voor bestemmingsmanagement en regionale toeristische diensten op niet-discriminerende basis premiumpartner-contracten aangeboden. IN heeft voor deze diensten een nieuw prijsmodel ingevoerd waarbij de aangerekende prijs, volgens de Noorse autoriteiten, werd berekend op basis van de kosten van de door IN verleende diensten, vermeerderd met een redelijke winst. Het nieuwe prijsmodel werd vanaf 1 januari 2014 ook toegepast op de twee proefprojecten, VisitSørlandet en VisitTrondheim.

(48)

Bijgevolg heeft IN, zoals weergegeven in figuur 2 hieronder, de regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement (41) twee verschillende mogelijkheden aangeboden: i) diensten op basis van de premiumpartner-contracten (42), en ii) promotie op basis van non-premium contracten (43). Ongeacht zijn verhouding tot de regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement promoot visitnorway.com Noorwegen als reisbestemming en verschaft de site algemene informatie over het land (44).

(49)

Er zijn premiumpartner-contracten gesloten met regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement die naar visitnorway.com wilden migreren. Regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement die hun websites niet naar visitnorway.com wilden migreren (non-premiumpartners), bleven van IN zoals vroeger dezelfde promotie- en marketingdiensten via standaardcontracten ontvangen.

Figuur 2

Huidige structuur van visitnorway.com

Image 2

CBIS Product database

Tellus Product database

VisitNorway product database

Full Ownership and full rights

Full Ownership and full rights

Standard Presentation OSLO

Standard Presentation Fjord Norge

RTB Fjord Norge

DMO Oslo

Right to edit

Right to edit

New Structure DMO Trondheim

New Structure RTB Sørlandet

NORWAY

POWERED BY NATURE

Generic Marketing

DMO Specific

Generic marketing about Norway, Sørlandet, Trondheim, Oslo and Fjord Norge

(Bron: IN)

3.   DE KLACHT

(50)

New Mind | tellUs stelt in zijn klacht dat de promotieactiviteiten van IN en zijn taken in verband met visitnorway.com, als nationale portaalsite voor toerisme, op grond van de EER-staatssteunregels als een dienst van algemeen economisch belang (hierna „DAEB” genoemd) kunnen worden aangemerkt.

(51)

In 2013 is IN echter tot een nieuwe markt toegetreden (45) waar het nieuwe diensten ging leveren aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement waardoor deze de mogelijkheid kregen om hun websites naar visitnorway.com (de webinfrastructuur en verwante diensten) te migreren. New Mind | tellUS vindt dat die diensten buiten het mandaat van IN liggen en niet in overeenstemming met de Altmark (46) -rechtspraak worden verricht.

(52)

De klager beklemtoont dat IN bij het verlenen van economische diensten geen staatssteun zou mogen ontvangen (47).

(53)

De klacht heeft, met name, betrekking op vier verschillende vormen van vermeende staatssteun:

a.

afwezigheid van een gescheiden boekhouding voor commerciële activiteiten binnen IN,

b.

winstderving doordat de economische activiteiten van IN geen winstoogmerk hebben,

c.

vermeende steun die door IN aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement wordt verleend in de vorm van webinfrastructuur en verwante diensten tegen prijzen onder de marktprijs, en

d.

algemene vrijstelling van inkomstenbelasting die IN is toegekend en die ook geldt voor de economische activiteiten van IN.

(54)

Tot slot beweert New Mind | tellUS eveneens dat IN zijn klanten aanmoedigt om eerder gesloten contracten met New Mind | tellUS op te zeggen en dat het regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement die naar visitnorway.com migreren gratis vertalingen aanbiedt (48).

4.   REDENEN VOOR DE INLEIDING VAN DE FORMELE ONDERZOEKSPROCEDURE

(55)

Op 16 juli 2014 besloot de Autoriteit de formele onderzoeksprocedure van artikel 1, lid 2, van deel I van Protocol 3 in te leiden.

(56)

De Autoriteit heeft de reikwijdte van het formele onderzoek evenwel beperkt tot drie door de klager geïdentificeerde maatregelen: i) de afwezigheid van een gescheiden boekhouding voor commerciële activiteiten binnen IN en van een mechanisme voor kostentoerekening, ii) winstderving doordat de economische activiteiten geen winstoogmerk hebben, en iii) de vermeende steun die IN verleent aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement in de vorm van prijzen voor webinfrastructuur en verwante diensten die geen redelijk rendement opleveren.

(57)

De algemene vrijstelling van inkomstenbelasting voor IN werd uit de beschikking tot inleiding van de onderzoeksprocedure gehouden (49). Met betrekking tot dit vraagstuk is een procedure „bestaande steun” ingeleid.

(58)

Wat de maatregelen betreft die onder het toepassingsgebied van de beschikking tot inleiding van de procedure vallen, was de Autoriteit voorlopig van oordeel dat het leveren van webinfrastructuur en verwante diensten een economische activiteit vormt, die los moet worden gezien van het louter promoten van Noorwegen als reisbestemming. Deze nieuwe diensten werden pas sinds 1 januari 2014 aan alle regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement aangeboden. Daarom besloot de Autoriteit dat, mochten de maatregelen staatssteun inhouden, het zou gaan om nieuwe steun (50).

(59)

Daarnaast was de Autoriteit ook van mening dat, mocht worden vastgesteld dat IN voor zijn diensten geen concurrerende marktprijzen aanrekent aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement, het bestaan van nieuwe staatssteun ten gunste van deze entiteiten niet kon worden uitgesloten.

(60)

Ten slotte betwijfelde de Autoriteit of de vermeende steunmaatregelen verenigbaar kunnen worden verklaard met de werking van de EER-overeenkomst op grond van artikel 61, lid 3, onder c), als steun voor het promoten van toeristische activiteiten (51).

(61)

Uitgaande van deze voorlopige conclusies was de Autoriteit van oordeel dat zij niet over voldoende gegevens beschikte om het bestaan van staatssteun of de onverenigbaarheid ervan met de EER-overeenkomst uit te sluiten. Daarom werd de formele onderzoeksprocedure ingeleid.

5.   OPMERKINGEN VAN DERDEN BIJ DE BESCHIKKING TOT INLEIDING VAN DE PROCEDURE

(62)

Enkel New Mind | tellUS (de klager) heeft opmerkingen bij de beschikking tot inleiding van de procedure geformuleerd.

(63)

De klager benadrukt dat IN is toegetreden tot een reeds goed functionerende markt voor webinfrastructuur en verwante diensten, die economische diensten zijn. De toetreding tot deze markt is niet het gevolg van een opdracht van de overheid en zou in strijd zijn met de hoofdtaak van IN, namelijk het bevorderen van particulier ondernemerschap.

(64)

New Mind | tellUS onderschrijft de voorlopige bevindingen van de Autoriteit inzake de aanwezigheid van overheidsmiddelen, toerekenbaarheid, selectiviteit en mogelijke concurrentieverstoring.

(65)

Wat het bestaan van een voordeel betreft, is de klager van mening dat IN zijn webinfrastructuur en verwante diensten kruissubsidiëring heeft verleend. Dat is zo omdat er bij IN geen behoorlijke boekhoudkundige scheiding is en omdat IN bij het verlenen van deze economische diensten aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement winst derft. De klager beklemtoont ook dat IN kosteloos vertaaldiensten aanbiedt (zie overweging 54).

(66)

Met betrekking tot de vermeende steun ten gunste van regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement argumenteert de klager dat de Noorse autoriteiten hem niet van de beschikking tot inleiding van de procedure op de hoogte hebben gebracht.

(67)

Voorts wordt geargumenteerd dat de geselecteerde testklanten tijdens de proefprojecten niet hebben betaald voor de verkregen diensten. Het later door IN ingevoerde prijsmodel bestrijkt niet alle relevante kosten en levert evenmin een redelijke winst op. Zo heeft IN niet alle ontwikkelingskosten voor de infrastructuur van de nieuwe structuur in zijn berekeningen opgenomen (18 miljoen NOK) en berekent IN geen rendement op zijn investering. Daarom ontvangen de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement een voordeel.

(68)

Wat de verenigbaarheid betreft, voert de klager aan dat er geen sprake is van marktfalen op de betrokken markt. Bovendien vormen de kosteloze of gesubsidieerde vertaaldiensten van IN aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement die inhoud naar het visitnorway.com-platform migreren, een gekoppelde voorwaarde die in strijd is met de mededingingsregels, en daarom kan de vermeende staatssteun niet verenigbaar worden verklaard.

(69)

Op 13 januari 2015 heeft de klager de Autoriteit een exemplaar van de begrotingsbrief van 2015 toegestuurd (52). Volgens de klager bevestigt deze brief dat de activiteiten van IN op het gebied van webinfrastructuur en verwante diensten buiten het mandaat van IN liggen, dat enkel de algemene promotie van Noorwegen als toeristische bestemming inhoudt.

6.   OPMERKINGEN VAN DE NOORSE AUTORITEITEN BIJ DE BESCHIKKING TOT INLEIDING VAN DE PROCEDURE EN BIJ DE OPMERKINGEN VAN DE DERDE PARTIJ

(70)

De Noorse autoriteiten stellen in antwoord op de beschikking tot inleiding van de procedure (53) dat de maatregelen in kwestie geen staatssteun vormen en dat, mochten een of meer van de maatregelen wel degelijk neerkomen op staatssteun, dergelijke steun als bestaande steun dient te worden aangemerkt, aangezien het promoten van het toerisme in Noorwegen al vóór de ondertekening van de EER-overeenkomst één van de taken was van de voorgangers van IN.

(71)

Subsidiair, indien van nieuwe steun sprake zou zijn, moet deze als verenigbaar worden beschouwd met de werking van de EER-overeenkomst als compensatie voor een DAEB of op grond van artikel 61, lid 3, onder c), als steun ter promotie van de toeristische sector.

(72)

De Noorse autoriteiten verklaren dat „als een economische activiteit kan worden gescheiden van de opdracht van de overheidsinstelling, de betrokken instelling in deze functie als een onderneming kan worden beschouwd. Alle activiteiten dienen echter te worden aangemerkt als niet-economisch indien ze niet van elkaar kunnen worden gescheiden” (54). Op die basis gaan de Noorse autoriteiten ervan uit dat de Autoriteit de feiten verkeerd heeft begrepen, aangezien de betrokken diensten, zijnde webinfrastructuur en verwante diensten, niet op zichzelf worden verleend, maar als integraal bestanddeel van de via visitnorway.com verleende diensten, die in hun geheel als niet-economische activiteit moeten worden beschouwd. De levering van deze diensten aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement maakt deel uit van de opdracht van IN om Noorwegen als reisbestemming te promoten, hetgeen kadert in de nationale toeristische strategie ter bevordering van het bedrijfsleven. Bijgevolg kunnen de webinfrastructuur en verwante diensten niet op zichzelf maar enkel in het kader van de promotieactiviteiten van IN worden beoordeeld.

(73)

Wanneer IN contracten sluit voor het leveren van diensten tegen betaling, maakt het altijd gebruik van een basiskostenmodel waarin al zijn voor de diensten relevante kosten worden meegenomen. Deze methode is vastgelegd in de „Gids voor betalingen van de gebruiker” uit de begrotingsbrief (55) voor IN van 2011, die IN sindsdien toepast. IN paste deze methode van kostentoerekening ook in de premiumcontracten toe waardoor het al zijn uit de premiumcontracten voortvloeiende kosten kan dekken. IN heeft in zijn begroting en prijsberekening ook een verwachte winst van [… % tot … %] opgenomen. Ook hebben de Noorse autoriteiten uiteengezet dat de toeristische sector, en meer bepaald de markt voor webinfrastructuur, een zeer dynamische sector is. Bijgevolg moeten IN en visitnorway.com hun diensten aanpassen aan de evolutie van de technologie en de markt.

(74)

Wat de verenigbaarheid betreft, betogen de Noorse autoriteiten dat de voorschriften voor diensten van algemeen economisch belang van toepassing zijn. Als de in deze zaak doorgelichte diensten economische activiteiten zijn en staatssteun zou worden vastgesteld, dient deze steun te worden beoordeeld op grond van de DAEB-verenigbaarheidsvoorschriften (56), aldus de Noorse autoriteiten. Dezelfde autoriteiten zijn van mening dat de levering van deze diensten in overeenstemming is met de strekking van Besluit 2012/21/EU van de Commissie (57).

(75)

De Noorse autoriteiten voeren ook aan dat de betrokken maatregelen verenigbaar dienen te worden verklaard met de werking van de EER-overeenkomst uit hoofde van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst als staatssteun voor het promoten van de toeristische sector.

(76)

De Noorse autoriteiten benadrukken dat de concurrentie op de downstreammarkt voor destinator-diensten groter is geworden door regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement toegang tot het platform te verlenen. Hiermee moet rekening worden gehouden om eventuele negatieve gevolgen van de vermeende steun te nuanceren. De Noorse autoriteiten leggen uit dat de concurrentiedruk op deze markt is gestegen omdat visitnorway.com informatie bundelt over reisproducten van alle mogelijke concurrenten, d.w.z. New Mind | tellUS of Citybreak of een andere onderneming die tot deze markt toetreedt. Vroeger was New Mind | tellUS de enige aanbieder op de markt. Bovendien wordt het platform door IN aangeboden aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement en die concurreren niet met ondernemingen buiten Noorwegen.

(77)

De Noorse autoriteiten betwisten dat IN gratis vertaaldiensten levert aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement die premiumcontracten hebben gesloten en ze hebben uitgelegd op welke wijze IN in verschillende scenario's vertalingen bekostigt. Over het algemeen dekt IN een deel van de vertaalkosten van regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement wanneer het gaat om informatie van algemeen belang, als onderdeel van zijn opdracht om Noorwegen als reisbestemming te promoten. IN betaalt echter maar 50 % van de vertaalkosten voor specifieke nuttige plaatsen van regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement (58). Dit is de algemene regel voor alle regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement. IN bekostigt echter geen vertalingen voor regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement die zijn gemigreerd naar visitnorway.com (d.w.z. de premiumpartners). De premiumpartners krijgen dus geen vertaalfaciliteiten meer. In tegenstelling tot wat de klager beweert, is het vergoeden van vertaalkosten geen prikkel om een premiumpartner-contract te sluiten.

(78)

In antwoord op de opmerkingen van de klager beklemtonen de Noorse autoriteiten dat IN geen concurrent is van New Mind | tellUS. Hoewel het klopt dat het verlenen van toegang tot visitnorway.com aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement bepaalde diensten die vroeger werden aangeboden door externe IT-ondernemingen, voor een deel overbodig heeft gemaakt, is IN geen directe concurrent van de klager. Met andere woorden, IN vervangt New Mind | tellUS niet als IT-leverancier, wel zijn sommige functionaliteiten (zoals TellUs search) niet langer nodig of technisch haalbaar.

(79)

Daarnaast hebben de Noorse autoriteiten de Autoriteit bewijsmateriaal overhandigd waaruit blijkt dat IN de regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement op de hoogte heeft gebracht van de beschikking tot inleiding van de procedure. IN heeft e-mails naar alle premiumpartners gestuurd (vermoedelijke begunstigden van staatssteun) en heeft ook op de IN-website naar de beschikking tot inleiding van de procedure (59) verwezen.

(80)

Ten slotte en als antwoord op de laatste mail van de klager (60) (geciteerd in overweging 69) zijn de Noorse autoriteiten van mening dat de door New Mind | tellUS aangehaalde kwestie reeds naar behoren is beantwoord. Er is derhalve geen verdere toelichting nodig (61).

II.   BEOORDELING

1.   HET BESTAAN VAN STAATSSTEUN

(81)

Artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst luidt als volgt:

Behoudens de afwijkingen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de lidstaten van de EG, de EVA-staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt. ”.

(82)

Een maatregel vormt staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst indien deze voldoet aan vier voorwaarden. Ten eerste moet de maatregel door de staat of via staatsmiddelen worden gefinancierd en toerekenbaar zijn aan de staat. Ten tweede moet de maatregel een voordeel verschaffen. Ten derde moet de maatregel bepaalde ondernemingen of economische activiteiten begunstigen. Ten vierde moet de maatregel het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig kunnen beïnvloeden en de mededinging in de EER kunnen vervalsen.

(83)

Er is pas sprake van staatssteun indien aan alle cumulatieve voorwaarden van artikel 61, lid 1, zijn voldaan (62).

1.1.   DE REIKWIJDTE VAN DEZE BESCHIKKING

(84)

de beschikking tot inleiding van de procedure heeft betrekking op vermeende staatssteun ten gunste van IN alsmede ten gunste van de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement. Op grond van de door de klager en de Noorse autoriteiten ontvangen informatie spitsten de bezwaren van de Autoriteit zich toe op de webinfrastructuur en verwante diensten die IN aan de hand van premiumpartner-contracten aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement heeft geleverd.

(85)

Tijdens de formele onderzoeksprocedure heeft de Autoriteit evenwel besloten dat het voor de beoordeling van de gedragingen van IN op de markt voor webinfrastructuur en verwante diensten ook noodzakelijk is de andere commerciële diensten te beoordelen die IN aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement levert, namelijk de promotie en marketing van specifieke inhoud. De reden hiervoor is dat in het bedrijfsplan van IN met betrekking tot de nieuwe structuur naar beide soorten diensten wordt verwezen.

(86)

Dus zelfs wanneer specifieke promotie- en marketingdiensten in de beschikking tot inleiding van de procedure niet worden genoemd en buiten het bestek van dit besluit vallen, zal de Autoriteit er voor zover nodig toch naar verwijzen bij het vaststellen van een besluit over de vermeende steunmaatregelen in de vorm van webinfrastructuur en verwante diensten.

1.2.   MOGELIJKE STEUNMAATREGELEN TEN GUNSTE VAN IN

1.2.1.    Kan IN al dan niet kan als een „onderneming” worden beschouwd?

(87)

Blijkens artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst is er sprake van staatssteun als de maatregelen worden genomen ter begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties. Artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst is alleen van toepassing indien de ontvanger van de steun een onderneming is. Bijgevolg moet worden onderzocht of IN in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst als een onderneming kan worden beschouwd.

(88)

Ondernemingen zijn entiteiten die een economische activiteit verrichten, ongeacht hun rechtsvorm en de wijze waarop zij worden gefinancierd (63). Economische activiteiten zijn activiteiten waarbij goederen of diensten op een markt worden aangeboden (64). Alle entiteiten die juridisch gescheiden zijn van de overheid en die economische activiteiten ontplooien, worden als „ondernemingen” beschouwd. Artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst heeft betrekking op alle openbare en particuliere ondernemingen (65).

(89)

Indien een entiteit economische activiteiten verricht, dient zij enkel ten aanzien van die specifieke diensten als een onderneming te worden beschouwd, zonder verwijzing naar de manier waarop haar andere activiteiten moeten worden ingedeeld (66).

(90)

De Noorse autoriteiten houden vol dat het aanbieden van webinfrastructuur en verwante diensten niet als economische activiteit kan worden aangemerkt. Volgens hen kunnen deze diensten niet worden gescheiden van de aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement geleverde diensten voor het promoten van Noorwegen als reisbestemming via visitnorway.com. Aangezien de ontwikkeling en het beheer van dit platform kaderen binnen de doelstelling, namelijk het promoten van Noorwegen als reisbestemming, en deze algemene opdracht niet als een economische activiteit kan worden gedefinieerd, geldt dat ook voor de in dit geval onderzochte IT-diensten.

(91)

De Autoriteit blijft bij de tegengestelde conclusie en bekrachtigt haar in de beschikking tot inleiding van de procedure geformuleerde voorlopige standpunt.

(92)

De Autoriteit merkt allereerst op dat de begrotingsbrief van 2013 (67) IN de mogelijkheid verschaft om zowel economische als niet-economische activiteiten uit te oefenen, aangezien er een verschil is in de financiering van deze activiteiten: de economische activiteiten moeten tegen marktvoorwaarden worden verricht en derhalve door de klanten worden gefinancierd. Bijgevolg heeft IN de juridische mogelijkheid om tegelijkertijd economische en niet-economische diensten te verrichten.

(93)

Ten tweede is het feit dat IN bij gelegenheid optreedt als overheidsinstrument ten behoeve van de algemene promotie van Noorwegen en in dat verband geen diensten of goederen op de markt brengt, voor de Autoriteit geen afdoende reden om te besluiten dat IN geen andere economische diensten in de toeristische sector aanbiedt.

(94)

Ten derde is de Autoriteit het ermee eens dat het promoten van Noorwegen als reisbestemming geen economische activiteit vormt. IN biedt op het platform echter verschillende soorten diensten aan. IN zorgt voor marketing en promotie van algemene inhoud met betrekking tot Noorwegen, namelijk algemene informatie over het noorderlicht, het weer, de geografische kenmerken van het land enz., maar ook van specifieke toeristische inhoud, zoals promotie van hotels, restaurants of andere bedrijfsactiviteiten. De marketing van algemene informatie over Noorwegen is geen economische activiteit, maar het aanprijzen van specifieke toeristische ondernemingen vormt wel een economische activiteit.

(95)

De Autoriteit verwerpt het argument dat de levering van webinfrastructuur en verwante diensten aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement geen economische activiteit vormt, omdat het uiteindelijke doel een niet-economische activiteit is, namelijk de algemene promotie van Noorwegen als reisbestemming. De Autoriteit is van oordeel dat het oogmerk van de Noorse autoriteiten bij de beoordeling of IN een economische activiteit uitoefent, niet relevant is. De Autoriteit is de mening toegedaan dat het promoten van particuliere toeristische activiteiten een economische activiteit vertegenwoordigt.

(96)

De rechtspraak heeft namelijk in een aantal gevallen erkend dat „voor de bepaling van de aard van de activiteit de aankoop van het product niet los mag worden gezien van het latere gebruik ervan, en dat de al dan niet economische aard van het latere gebruik van het gekochte product noodzakelijkerwijs de aard van de aankoopactiviteit bepaalt” (68). De Autoriteit roept evenwel in herinnering dat de klanten van de IT-diensten van IN, namelijk de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement, deze diensten voor zowel economische als niet-economische dienstverlening gebruiken. De regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement zorgen voor de promotie van het algemene toerisme in hun respectieve regio's, maar ook van specifieke toeristische activiteiten ten behoeve van hun aandeelhouders en klanten. De Autoriteit besluit daarom dat IN economische diensten levert.

(97)

Ten vierde is de Autoriteit, in tegenstelling tot het argument van de Noorse autoriteiten in overweging 90, van mening dat het voor het promoten van Noorwegen als reisbestemming niet nodig is om ook in webinfrastructuur en verwante diensten te voorzien. In feite heeft IN tot 2013 met succes het toerisme in Noorwegen gepromoot, ondanks het feit dat het de betrokken webdiensten pas sinds dat jaar aan de hand van de premiumpartner-contracten aanbiedt. De Autoriteit benadrukt dat de Noorse autoriteiten niet hebben aangetoond dat de inspanningen van IN ter bevordering van het toerisme in Noorwegen zonder de via visitnorway.com geleverde webdiensten inefficiënt zouden zijn. Derhalve aanvaardt de Autoriteit niet dat het voor het promoten van Noorwegen als reisbestemming noodzakelijk is om ook webinfrastructuur en verwante diensten te leveren. De Autoriteit ziet dus niet in waarom deze diensten onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn.

(98)

Ten vijfde herinnert de Autoriteit eraan dat, teneinde een dienst als economisch te kunnen beschouwen, het van belang is te weten of op de betrokken markt concurrentie heerst, dus of andere entiteiten dezelfde of substitueerbare goederen en diensten aanbieden (69). In webinfrastructuur en verwante diensten wordt ook voorzien door particuliere markdeelnemers, zoals de klager, en daarom concludeert de Autoriteit dat aan de desbetreffende voorwaarde in deze zaak is voldaan.

(99)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft in zijn rechtspraak beklemtoond dat economische activiteiten normaal gesproken tegen betaling worden verricht (70). Zowel de klager als IN leveren webinfrastructuur en verwante diensten tegen betaling, bijgevolg is dat voor de Autoriteit een bijkomende reden om deze diensten als economische diensten te beschouwen.

(100)

De Autoriteit is van oordeel dat deze conclusie zelfs dan standhoudt indien IN de webinfrastructuur en verwante diensten niet als een op zichzelf staande dienst levert; wanneer de websites van regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement in visitnorway.com worden geïntegreerd, ontvangen de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement diensten van hetzelfde platform waarop zij voorheen tegen betaling bij particuliere marktdeelnemers aankochten. Of deze diensten enkel worden aangeboden aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement en niet aan andere ondernemingen voor bestemmingsmanagement is dus niet relevant.

(101)

Bijgevolg concludeert de Autoriteit dat IN in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst een onderneming is wanneer het webinfrastructuur en verwante diensten levert.

1.2.2.    Economisch voordeel

(102)

Zoals reeds gezegd was het argument van de Noorse autoriteiten dat de levering van webinfrastructuur en verwante diensten moet worden bekeken in de context van de activiteiten van IN ter bevordering van het toerisme, in het kader van het streven om het aantal regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement in Noorwegen te verminderen en de toeristische sector efficiënter te maken. De Autoriteit herinnert eraan dat in artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst geen onderscheid wordt gemaakt naar de redenen of doeleinden van de maatregelen van de staten, maar de gevolgen de definitie ervan bepalen (71). Zoals het Hof stelt: „Het begrip steunmaatregel is dus een objectief begrip, dat uitsluitend afhankelijk is van de vraag of een maatregel van de staat al dan niet één of meer ondernemingen begunstigt” (72). Bijgevolg zijn de doelstellingen van de nieuwe Noorse structuur voor toerisme niet relevant om te bepalen of de vermeende maatregelen een voordeel inhouden en neerkomen op staatssteun.

(103)

In dit geval hangt het bestaan van een voordeel af van de vraag i) of IN kruissubsidiëring aan zijn economische activiteiten heeft verleend met de openbare middelen die het heeft ontvangen ter compensatie van zijn niet-economische activiteiten, en ii) of IN een voldoende rendement op het kapitaal (redelijke winst) heeft verlangd voor de economische diensten die aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement zijn geleverd.

(104)

Deze twee kwesties zullen in de volgende twee punten worden beoordeeld. In het kader van die beoordeling zal de Autoriteit bepalen of de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement voor de diensten van IN een prijs hebben betaald die lager ligt dan op een concurrerende markt (afwezigheid van marktmacht). De Autoriteit is van mening dat een redelijke alternatieve maatstaf voor het bepalen van dit soort concurrerende prijs een prijs is die volstaat om de incrementele kosten te dekken, d.w.z. de rechtstreeks toerekenbare variabele kosten en een passend aandeel van gemeenschappelijke (vaste) kosten, vermeerderd met een voldoende rendement op het kapitaal (73).

1.2.2.1.   Kruissubsidiëring van de webinfrastructuur en verwante diensten

(105)

Wanneer een entiteit zowel economische als niet-economische activiteiten verricht, moet een systeem van kostprijsadministratie worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat de economische activiteiten van de entiteit niet door aan de niet-economische activiteiten toegekende overheidsmiddelen worden gesubsidieerd (74).

(106)

Er moeten objectieve en transparante mechanismen voor kostentoerekening worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat aan de niet-economische activiteiten van deze entiteit toegewezen overheidsmiddelen niet worden gebruikt om de marginale kosten van de economische activiteiten te dekken. Zonder dergelijke mechanismen zouden de economische activiteiten voordelen kunnen halen uit de overheidsmiddelen die aan niet-economische activiteiten worden toegekend. Bovendien zou het aan de hand van de interne boekhouding mogelijk moeten zijn de kosten en inkomsten van de verschillende diensten te identificeren (75).

(107)

Bijgevolg zal de Autoriteit nagaan of IN over een methode beschikte om de kosten en inkomsten van zijn economische en niet-economische activiteiten van elkaar te scheiden, om zo het risico op kruissubsidiëring tussen de verschillende activiteiten van IN te voorkomen. De Autoriteit zal ook de boekhouding van IN betreffende de economische diensten aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement tegen het licht houden.

Mechanisme voor kostentoerekening

(108)

Zoals reeds gezegd moet een overheidsonderneming die economische en niet-economische activiteiten verricht boekhoudkundige systemen en procedures hanteren waarmee alle incrementele kosten die bij de levering van economische diensten ontstaan aan de rekeningen met economische activiteiten (76) kunnen worden toegerekend.

(109)

Op basis van de door IN verstrekte informatie heeft de Autoriteit geconcludeerd dat met gemeenschappelijke kosten wordt bedoeld: i) ontwikkelingskosten voor het nieuwe structuurproject, ii) algemene exploitatiekosten, namelijk follow-up en administratie, webmastersupport enz., en iii) technische exploitatiekosten van het platform, consultants, d.w.z. IT-consultants, jaarlijkse vergoedingen voor softwarelicenties, onderhoud van hardware en software, enz (77).

(110)

De Noorse autoriteiten hebben uitgelegd dat de ontwikkelingskosten slaan op projectbeheer, conceptontwikkeling, technische ontwikkeling en verbeteringen, tests en de werkzaamheden van consultants om visitnorway.com voor te bereiden op het project met de nieuwe structuur. De ontwikkelingskosten bedroegen in 2013 ongeveer 18 miljoen NOK (78).

(111)

Volgens het antwoord van de Noorse autoriteiten op de beschikking tot inleiding van de procedure (79) is 4 miljoen NOK toegerekend aan de via het platform geleverde economische diensten. Op grond van de verschafte informatie en rekening houdend met de kostenverdeling op basis van volstrekte transparantie tussen generieke en specifieke marketing (80), houdt de grote meerderheid van de operationele en technische kosten van de nieuwe structuur (ongeveer 89 %) verband met algemene marketing van Noorwegen (niet-economische activiteit). Daarom werd in het bedrijfsmodel van IN voor 4 miljoen NOK ontwikkelingskosten als investeringskosten opgenomen. De Noorse autoriteiten hebben informatie verschaft waaruit blijkt dat in het desbetreffende geval sprake is van een redelijke kostentoerekening. Zo heeft IN de Autoriteit meegedeeld dat op basis van de screening van 15 766 redactionele pagina's en 19 000 listings is berekend dat 84,3 % van alle bezochte pagina's in de periode tussen 23 maart 2014 en 23 maart 2015 aan de definitie van generieke marketing beantwoordden en dat 15,7 % van alle bezochte pagina's aan bedrijfswebsites toebehoorden (81). Daarom moet het grootste deel van de ontwikkelingskosten aan de niet-economische diensten van het platform worden toegerekend.

(112)

Op basis van de informatie waarnaar hierboven wordt verwezen, merkt de Autoriteit op dat de ontwikkelingskosten toegerekend aan de economische diensten van IN meer dan 20 % bedragen, meer dus dan het werkelijke aandeel van de kosten voor de promotie van specifieke inhoud als hierboven bedoeld. De Autoriteit komt daarom tot de slotsom dat de toerekening van 4 miljoen NOK aan het bedrijfsmodel van de premiumpartner-contracten redelijk en gerechtvaardigd is.

(113)

De klager beweert echter dat in de ontwikkelingskosten ook bepaalde kosten voor de oprichting in 2007 van het platform zelf moeten worden opgenomen.

(114)

IN bevestigt dat deze kosten niet zijn opgenomen in de kostenberekening. IN voert aan dat het platform al bestond vóór de ondertekening van de premiumcontracten en dat de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement eerder al samenwerkingscontracten hadden gesloten en een jaarlijkse partnercontributie betaalden, die heeft bijgedragen tot de oprichting van het platform (82). Bovendien zijn de initiële kosten niet opgenomen omdat ze niet waren gekapitaliseerd (83), wat op grond van de Noorse boekhoudkundige normen is toegestaan (NRS 19) (84). NRS 19 heeft betrekking op relevante rechtstreekse kosten en kapitalisering van kosten. Volgens deze norm hoeven immateriële activa, d.w.z. niet-monetaire activa zonder materiële substantie, waarvan het bedrijf gebruik maakt bij de productie of verkoop van goederen en diensten, niet te worden gekapitaliseerd. Daarom is op basis van deze voorschriften voor visitnorway.com geen enkele ontwikkelingskostenpost gekapitaliseerd.

(115)

Voorts leggen de Noorse autoriteiten uit dat in 2015 voor visitnorway.com een nieuw cloudplatform voor systemen voor bestemmingsmanagement zal worden gelanceerd. Het huidige platform blijft met alle inhoud, routines, softwarelicenties enz., tot eind 2015 in werking en wordt daarna stopgezet. Het nieuwe platform zal alleen tekst en foto's overnemen. Het oude technische platform zal gezien de technologische evolutie op de markt geen informatie van waarde meer bevatten. Volgens IN is er dus geen economische reden om IT-projecten zoals visitnorway.com te kapitaliseren.

(116)

De Autoriteit aanvaardt dit argument omdat het niet-kapitaliseren van deze soorten kosten op grond van de Noorse boekhoudkundige normen is toegestaan. Voor zover alle ondernemingen in Noorwegen het recht hebben deze soorten kosten niet te kapitaliseren, is de Autoriteit van mening dat, zelfs indien zulks als een voordeel kan worden beschouwd, het geen selectief voordeel is. Van deze maatregel (de mogelijkheid om een kostenpost niet te kapitaliseren) mogen alle economische sectoren, alle vormen van ondernemingen en alle productievormen gebruikmaken. Bij het ontstaan van kosten die vallen onder de NSR 19-regel zou de maatregel geen selectief voordeel of staatssteun vormen (85).

(117)

Met betrekking tot de algemene exploitatiekosten voor de periode 2013-2018 past IN een methode voor de totale kostprijs op uurbasis toe om de verschillende kosten toe te rekenen (86). Deze methode is gebaseerd op de in overweging 73 vermelde richtsnoeren die in 2011 zijn goedgekeurd en sindsdien van toepassing zijn. Volgens deze methode wordt de prijs voor diensten gebaseerd op het aantal uren dat werknemers besteden aan het verlenen van die diensten (87). De kosten van IN op uurbasis omvatten de rechtstreekse personeelskosten voor de persoon die het werk verricht en de algemene kosten om ervoor te zorgen dat die werknemer zijn/haar werk kan uitvoeren (88). Algemene kosten zijn kosten voor huur, kantoor, telefoon, beheer en gezamenlijke diensten zoals financiën, IT, HR enz. Sinds 2014 verhoogt IN de kostprijs op uurbasis met 3 % om te verzekeren dat alle kosten gedekt blijven (89).

(118)

Bij het toepassen van deze methode zorgt IN ervoor dat de verschillende projecten worden gefinancierd door de betalingen van individuele klanten, waardoor de kosten van IN voor de geleverde dienst worden gedekt.

(119)

Daarom is de Autoriteit van oordeel dat dit, in deze zaak althans, een afdoende methode vormt voor de toerekening van gemeenschappelijke kosten.

(120)

De Autoriteit merkt op dat de aan de twee proefprojecten toegerekende kostprijs per uur tijdens de proefperiode (2012-2013) lager lag dan de totale kostprijs per uur die standaard door IN was vastgesteld (90). Deze lagere uurkosten worden echter gecompenseerd door rekening te houden met de tijd die regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement besteden aan het verschaffen van inhoud, feedback en ondersteuning bij het ontwikkelen van de nieuwe structuur (91).

(121)

Voor de toerekening van technische kosten gebruikt IN een methode die is gebaseerd op de „kostprijs per bekeken pagina” (92). Volgens deze methode berekent IN de kost per bekeken pagina op het platform en vervolgens het aandeel van de technische kosten dat door de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement moet worden betaald op basis van hun feitelijke aandeel in de hoeveelheid bekeken pagina's. De Autoriteit is van oordeel dat IN dankzij deze methode de kosten naar behoren aan generieke marketing en commerciële diensten kan toerekenen. In het bedrijfsplan van IN wordt voorzien in een vergoeding voor de economische diensten die volgens deze methode tot 2018 aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement worden verleend.

(122)

Daarom is de Autoriteit van mening dat er een objectief en transparant mechanisme voor kostentoerekening bestaat, aan de hand waarvan IN kan waarborgen dat uitsluitend de inkomsten uit economische activiteiten worden gebruikt ter dekking van de hieraan gerelateerde kosten (met inbegrip van marginale kosten en een passend aandeel van de gemeenschappelijke kosten).

Boekhoudkundige scheiding

(123)

Tijdens de formele onderzoeksprocedure hebben de Noorse autoriteiten de Autoriteit nadere informatie over het boekhoudkundige systeem van IN verschaft.

(124)

De jaarrekeningen van IN bevatten geconsolideerde rekeningen voor de onderneming, met inbegrip van een winst- en verliesrekening, een balans en toelichtingen overeenkomstig de Noorse wet op de jaarrekeningen. Deze rekeningen worden gecontroleerd door een externe accountant, goedgekeurd door de algemene vergadering van IN en ingediend bij het Noorse nationale handelsregister. Deze geconsolideerde rekeningen kunnen in acht verschillende subrekeningen worden opgesplitst, één voor elk van de door IN verrichte activiteiten/programma's (leningen, fondsen, projecten enz.). Deze subrekeningen hebben hun eigen winst- en verliesrekeningen en balansrekeningen.

(125)

Visitnorway.com is opgenomen in de rekening voor projectactiviteiten. Bovendien heeft IN uitgelegd dat elk individueel project — zoals visitnorway.com — over een specifieke subrekening beschikt. Zo hebben de projecten afzonderlijke projectnummers voor commerciële externe activiteiten (93). Op die manier wordt gewaarborgd dat de kosten en inkomsten van alle IN-activiteiten naar behoren kunnen worden ingedeeld en toegerekend.

(126)

Visitnorway.com heeft vier projectrekeningen waarover IN alle kosten en inkomsten van de werking van het platform verdeelt (94). De vier subrekeningen zijn: i) externe consultants voor publicatiefuncties, ii) externe consultants voor upgrades en onderhoud, iii) externe diensten voor technische werking, en iv) externe diensten voor de nieuwe structuur (95). De kosten en inkomsten van de premiumcontracten zijn in de projectrekening voor de externe diensten van de nieuwe structuur vermeld (96).

(127)

Deze vier projectsubrekeningen bevatten de kosten en inkomsten van het hele platform visitnorway.com. Kosten en inkomsten van economische en niet-economische diensten worden duidelijk onderscheiden, maar samen vermeld. De Autoriteit heeft geen aanwijzingen dat de kosten en inkomsten niet op correcte wijze als economische of niet-economische activiteiten zijn weergegeven. Derhalve kan worden besloten dat er geen formele scheiding van boekhouding bestaat, maar dat kosten en inkomsten van de verschillende soorten diensten wel steeds duidelijk kunnen worden geïdentificeerd.

(128)

Tijdens de formele onderzoeksprocedure (97) heeft IN zich ertoe verbonden zijn boekhouding van de economische activiteiten die verband houden met de toeristische sector transparanter te maken en met ingang van 1 januari 2014 meer gedetailleerde rekeningen te gebruiken.

(129)

Om zijn huidige boekhoudsysteem transparanter te maken, zal IN de vier binnen het project visitnorway.com reeds bestaande rekeningen evalueren. De kosten en inkomsten in elk van de vier rekeningen zullen verder in economische en niet-economische activiteiten worden opgesplitst. Bijgevolg zal vanaf januari 2014 sprake zijn van een formele scheiding van boekhouding.

(130)

De Autoriteit is van mening dat een correcte en formele scheiding van boekhouding met ingang van 1 januari 2014 zal volstaan om kruissubsidiëring van via de premiumpartner-contracten geleverde economische diensten te voorkomen. De Autoriteit merkt op dat IN vóór 2014 enkel economische diensten leverde aan de klanten van het proefproject, en vanaf 1 januari 2014 rekende IN deze klanten dezelfde prijzen aan als in de overige premiumcontracten.

(131)

De Autoriteit beklemtoont dat het bestaan van acht rekeningen aantoont dat de huidige rekeningen reeds voldoende transparant zijn. De Autoriteit is dan ook van mening dat het tot nu toe door IN gebruikte boekhoudsysteem een voldoende accuraat onderscheid tussen de kosten van de economische en niet-economische diensten waarborgt, ook al bestaat er geen formele boekhoudkundige scheiding tussen de economische en niet-economische diensten.

(132)

Ten slotte neemt de Autoriteit kennis van het voorstel van de Noorse autoriteiten en komt zij tot de conclusie dat het met het huidige boekhoudsysteem reeds mogelijk is de verschillende kosten en inkomsten van de via visitnorway.com geleverde economische en niet-economische diensten te identificeren en dat er geen bewijs is van kruissubsidiëring van economische activiteiten door niet-economische activiteiten.

1.2.2.2.   De vermeende winstderving.

(133)

Overheidsbedrijven moeten zich op de markt als gewone marktdeelnemers gedragen (98). Er wordt geen voordeel in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst door de overheid toegekend indien van een particuliere investeerder hetzelfde gedrag kan worden verwacht, d.w.z. wanneer een overheidsbedrijf handelt in overeenstemming met het beginsel van de investeerder in een markteconomie (99).

(134)

Elke ondernemer of investeerder zal normaal gesproken een rendement op zijn investering eisen vooraleer hij in een commerciële onderneming investeert (100). Een dergelijke rentabiliteitsverwachting is een normale en verwachte bedrijfskostenpost voor de onderneming. Bijgevolg is er geen sprake van een met overheidsmiddelen gefinancierd voordeel wanneer een overheidsbedrijf kosten dekt (variabele kosten en een passende bijdrage aan de gemeenschappelijke kosten), vermeerderd met een voldoende rendement op het geïnvesteerde kapitaal (101).

(135)

De Autoriteit heeft in haar manufacturing guidelines (industrierichtsnoeren) al aangegeven dat „indien een openbaar bedrijf een onvoldoende rendement heeft, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA dit zou kunnen beschouwen als een steunelement, dat dan in het licht van artikel 61 moet worden onderzocht. In dat geval verkrijgt het openbare bedrijf zijn kapitaal daadwerkelijk tegen gunstiger voorwaarden dan de marktvoorwaarden, hetgeen overeenkomt met een subsidie.” (102).

(136)

De Autoriteit herinnert er echter ook aan dat de investeerder op grond van dezelfde richtsnoeren een ruime beoordelingsmarge heeft en „zolang de beoordeling van de investeerder binnen deze ruime marge blijft, kan er van staatssteun geen sprake zijn”. Hieruit volgt dat „tenzij er geen objectieve basis is om redelijkerwijze te verwachten dat een investering een voldoende rendement zal opleveren, dat voor een particuliere investeerder die in een vergelijkbare particuliere onderneming tegen normale marktvoorwaarden handelt aanvaardbaar zou zijn, is er geen sprake van staatssteun, zelfs wanneer de financiering geheel of gedeeltelijk met de openbare middelen geschiedt” (103).

(137)

Dienovereenkomstig heeft de Autoriteit het prijsbeleid van IN beoordeeld met betrekking tot de economische diensten die in het kader van zowel de proefprojecten als de premiumpartner-contracten via het platform visitnorway.com zijn geleverd. Het doel is te beoordelen of het bedrijfsmodel van IN voor de IT-diensten die in het kader van de nieuwe structuur van visitnorway.com worden geleverd (d.w.z. premiumpartner-contracten) een redelijke winstverwachting inhield.

(138)

De Noorse autoriteiten hebben uitgelegd (104) dat het prijsbeleid van IN ervoor zorgt dat alle relevante kosten worden gedekt en dat de opbrengsten van de economische activiteiten een redelijke winst opleveren (105). Hoewel de activiteiten van IN in deze sector in de commerciële contracten niet als economisch worden beschouwd, zijn zij gericht op het dekken van de kosten en het genereren van winst voor IN.

(139)

Op basis van de in de overwegingen 108 tot en met 122 beschreven methode voor kostentoerekening hebben de Noorse autoriteiten het prijsmodel toegelicht dat bij de proefprojecten en in de premiumpartner-contracten is gebruikt, om te staven dat de prijzen voor de levering van webinfrastructuur en verwante diensten aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement hoog genoeg zijn om een redelijk rendement te genereren.

(140)

Dit rendement wordt niet afgemeten aan het platform visitnorway.com als geheel (106), maar veeleer aan de winstgevendheid van de economische activiteiten (economische diensten aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement via de premium- en standaardcontracten). In het oorspronkelijke bedrijfsplan van IN voor de nieuwe structuur stonden inkomsten uit de diensten die krachtens de twee soorten contracten aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement zijn geleverd: i) premiumcontracten en ii) standaardcontracten.

(141)

Een uitvoerige beoordeling van de verschafte informatie levert geen bewijs op dat IN geen pogingen onderneemt om een redelijke winst te halen uit de commerciële contracten, met inbegrip van de premiumcontracten. Er zijn integendeel aanwijzingen dat IN in de praktijk in de periode 2013-2018 winst uit deze economische activiteiten verwachtte. IN heeft de Autoriteit een business case voorgelegd op basis van de geschatte kosten en inkomsten in verband met de commerciële contracten, met een positieve netto contante waarde (107) met gebruikmaking van een disconteringsvoet van 7 %. Met name wordt de netto winst in het bedrijfsmodel van IN op [… % à … %] geraamd (108).

(142)

Tijdens de formele procedure heeft IN bovendien uitgelegd (109) dat het overschakelt naar een nieuw cloudgebaseerd systeem voor bestemmingsmanagement waarin het […].

(143)

De Autoriteit merkt op dat de vergelijking van het gedrag van een openbare en een particuliere marktdeelnemer moet gebeuren aan de hand van het gedrag van een particuliere marktdeelnemer op het moment van de investering of de ontwikkeling van het bedrijfsplan, „mede gelet op de ten tijde van de inbreng beschikbare informatie en te verwachten evolutie” (110). De wijzigingen aan visitnorway.com die na de opstelling van het bedrijfsmodel van de nieuwe structuur zijn aangebracht, zijn derhalve niet relevant voor de toetsing aan de staatssteunregels. De vraag is of het oorspronkelijke bedrijfsmodel gericht was op het behalen van winst uit het verlenen van diensten aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement.

(144)

In de analyse van de twee proefprojecten — tijdens proefproject Alfa — beklemtonen de Noorse autoriteiten dat VisitSørlandet en VisitTrondheim intens hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van het model en veel tijd hebben geïnvesteerd in de projecten. Bijlage 6 bij het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (111) bevat een concrete lijst met alle extra werkzaamheden die in 2013 bij de proefprojecten zijn verricht, terwijl een nieuwe structuur voor visitnorway.com werd uitgewerkt. Met de door de klanten van het proefproject verrichte extra werkzaamheden bedoelt IN: i) het beoordelen van de inhoud die op het platform moet blijven staan, ii) het plannen van de overname van webkoppelingen uit bestaande oplossingen om de ranking van zoekresultaten voor bestaande inhoud te handhaven, iii) het opzetten/evalueren van de basisstructuur, startpagina, secundaire pagina's en folderstructuur voor inhoud die niet op de eigen pagina's staat enz.

(145)

Bijgevolg kan het rendement van de proefprojecten niet apart worden gemeten, maar enkel binnen een project op lange termijn. Het gaat er niet om of IN op korte termijn winst zou halen uit de proefprojecten, maar wel of de nieuwe structuur en de premiumpartner-contracten zouden leiden tot winstgevendheid op lange termijn (112). In feite worden proefprojecten naar hun aard door openbare of particuliere bedrijven niet met een onmiddellijke winstverwachting uitgevoerd, maar wel om te toetsen of ze economisch en commercieel haalbaar zijn (113). De rechtspraak aanvaardt dat het derven van winst door de overheid niet automatisch gelijk staat aan staatssteun. In navolging van het Hof van Justitie van de Europese Unie (114) en de praktijk van de Commissie (115) is de Autoriteit eigenlijk van mening dat verlaagde prijzen geen staatssteun inhouden, mits deze op objectieve wijze door economische redenen kunnen worden gestaafd.

(146)

Bovendien merkt de Autoriteit op dat aan de twee proefprojectklanten sinds 2014 in het premiumpartner-contract dezelfde prijsstructuur is aangeboden als aan de overige regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement (116). Dat verklaart in feite waarom de klager spreekt van een „prijsverhoging” tussen de oude en de nieuwe premiumpartner-contracten. De in 2014 gesloten partnercontracten voorzien inderdaad in hogere vergoedingen dan die welke tijdens de proeffasen werden verlangd (zie overweging 44) (117).

(147)

Uit de aan de Autoriteit (118) verstrekte gegevens blijkt dat de gemiddelde winst die oorspronkelijk voor de premiumpartner-contracten voor de periode 2013 tot en met 2018 was geraamd (tussen [… % tot… %]) gelijk loopt met de winstmarge van particuliere aanbieders die internetdiensten aan regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement leveren (119).

(148)

In zijn antwoord op de beschikking tot inleiding van de procedure (120) heeft IN uiteengezet dat het — zelfs zonder de prijsmodellen van zijn concurrent te kennen — wel publiekelijk beschikbare jaarrekeningen van de grootste webontwikkelingsbedrijven heeft verzameld die diensten aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement leveren. Volgens IN hebben particuliere ondernemingen die webdiensten leveren aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement een gemiddelde winstmarge van […] (121). Daarom houdt IN vol dat zijn op [… % tot … %] geraamde winstmarge in de lijn ligt van de op de markt gerealiseerde marges (122).

(149)

De Autoriteit herinnert eraan dat de gemiddelde omzet van de sector volgens de rechtspraak kan worden gebruikt als indicator voor de afwezigheid van steun (123). Daarom vindt de Autoriteit dat het bedrijfsmodel van IN in overeenstemming is met het beginsel van investeerder in een markteconomie, aangezien een winstmarge van […] % voor het verlenen van webinfrastructuur en verwante diensten aanvaardbaar zou zijn voor een marktinvesteerder.

(150)

Ten slotte heeft IN enige informatie' (124) verstrekt betreffende het door de klager aangevoerde argument dat visitnorway.com een waarde op zich vertegenwoordigt, vanwege het merk en het domein (als een van de meest bezochte toeristische platforms in Noorwegen) en dat deze waarde niet in aanmerking is genomen. De Autoriteit begrijpt het argument van de klager dat het merk visitnorway.com een economische waarde heeft en de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement daarom ook zouden moeten betalen voor de onrechtstreekse winst die het gebruik van dit merk oplevert.

(151)

IN vindt dat deze waarde verwaarloosbaar klein is. Om zijn standpunt te onderbouwen, heeft IN een beroep gedaan op een externe consultant, NetNames, die de waarde van het domein op 20 000 USD raamt (125). De waarde van het domein werd gebaseerd op een vergelijking met verschillende, maar vergelijkbare domeinen. Rekening houdend met de kosten van visitnorway.com heeft de externe deskundige de conclusie van IN bevestigd dat de waarde van het domein te verwaarlozen is. De Autoriteit ziet geen reden om te twijfelen aan deze conclusie.

(152)

Bijgevolg is de Autoriteit van mening dat IN correct heeft gehandeld door het gebruik van het merk visitnorway.com niet op te nemen als een extra kost voor de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement.

(153)

De Autoriteit besluit dan ook dat de commerciële contracten van IN, met inbegrip van de premiumcontracten, zijn aangegaan met de verwachting van winstgevendheid op lange termijn en in overeenstemming met het beginsel van de investeerder in een markteconomie.

1.2.3.    Conclusie

(154)

De Autoriteit komt tot de slotsom dat IN bij het leveren van webinfrastructuur en verwante diensten aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement beschikte over een geschikt boekhoudsysteem en mechanisme voor kostentoerekening om de kosten en inkomsten in verband met deze diensten nauwkeurig te kunnen identificeren.

(155)

Ook staat vast dat IN bij het leveren van deze diensten geen winst heeft gederfd. IN heeft in overeenstemming met het beginsel van de investeerder in een markteconomie gehandeld.

(156)

De Autoriteit concludeert derhalve dat IN bij de levering van webinfrastructuur en verwante diensten aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement aan de hand van de premiumpartner-contracten, geen staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst heeft ontvangen.

1.2.4.    Vermeende staatssteun ten gunste van regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement

1.2.5.    Kunnen regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement als „ondernemingen” worden beschouwd?

(157)

Zoals reeds uiteengezet in overweging 87, is artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst uitsluitend van toepassing wanneer de ontvangers van staatssteun ondernemingen zijn.

(158)

Zoals reeds vermeld in overweging 18, merkt de Autoriteit op dat de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement niet zijn opgericht om zo veel mogelijk winst voor de entiteit zelf of haar aandeelhouders te genereren, maar veeleer om de zakelijke activiteiten van aandeelhouders en klanten te bevorderen en te promoten.

(159)

De Autoriteit wijst er evenwel nogmaals op dat de toepassing van de staatssteunregels niet afhangt van de vraag of de entiteit is opgezet om winst te genereren. Op basis van de rechtspraak kunnen ook non-profit-entiteiten goederen en diensten op een markt aanbieden (126). In dat geval blijven non-profit-aanbieders gebonden door de staatssteunregels.

(160)

De Autoriteit is van mening dat de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement net als IN economische en niet-economische diensten leveren. Het promoten van specifieke toeristische diensten vormt een economische activiteit, zie overweging 28. Bijgevolg kunnen deze entiteiten met betrekking tot deze diensten als ondernemingen worden beschouwd.

1.2.6.    Bestaan van een voordeel ten gunste van de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement

(161)

IN heeft aangetoond dat, ook al is het geen non-profitorganisatie, de premiumpartner-contracten worden gesloten met redelijke rentabiliteitsverwachtingen op lange termijn. Het prijsmodel van IN voorziet in een rendement van [… % tot …] % (zie deel 1.2.2.2). Uit de door IN verstrekte gegevens blijkt dat de verwachte winstgevendheid in de praktijk ook is verwezenlijkt. Uit de gegevens komt naar voren dat de investering van IN in de nieuwe structuur van visitnorway.com in 2013 winst heeft opgeleverd. In 2014 en 2015 wordt een negatieve winst verwacht, maar voor de periode 2016-2018 wordt van een stabiele en redelijke winst uitgegaan. De gemiddelde winst strookt met die van een particuliere speler die webdiensten aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement levert (127).

(162)

Bijgevolg besluit de Autoriteit dat er, wat betreft webinfrastructuur en verwante diensten die onder de marktprijs worden geleverd, geen sprake is van een voordeel ten gunste van de regionale toeristische diensten en/of organisaties voor bestemmingsmanagement.

(163)

In tegenstelling tot de verklaringen van de klager, zie de overwegingen 54 en 65, heeft de Autoriteit bovendien zekerheid gekregen dat geen kosteloze vertaaldiensten worden verleend aan regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement die naar IN migreren.

(164)

De Noorse autoriteiten hebben uitgelegd dat de premiumpartners geen gratis vertaaldiensten krijgen en zelfs minder vertaalondersteuning ontvangen dan de non-premiumpartners, d.w.z. de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement die niet naar visitnorway.com migreren, zie overweging 77.

(165)

Op die basis besluit de Autoriteit dat er geen sprake is van de vermeende gekoppelde voorwaarde om premiumcontracten te sluiten.

1.2.7.    Conclusie

(166)

Hiervan uitgaande is de Autoriteit van oordeel dat de regionale toeristische diensten en de organisaties voor bestemmingsmanagement met de door IN geleverde webinfrastructuur en verwante diensten geen staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst hebben ontvangen.

2.   CONCLUSIE

(167)

Aangezien de Autoriteit thans besloten heeft dat er geen sprake is van een voordeel ten gunste van IN of van de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement, hoeft niet te worden onderzocht of de resterende voorwaarden van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst zijn vervuld,

HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Innovation Norway heeft geen staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst ontvangen door zijn webinfrastructuur en verwante diensten binnen de toeristische sector kruissubsidiëring te verlenen met overheidsmiddelen die zijn ontvangen ter compensatie van zijn niet-economische diensten in dezelfde sector, namelijk het promoten van Noorwegen als reisbestemming. Innovation Norway beschikte over een mechanisme voor kostentoerekening en een boekhoudkundige methode om op adequate wijze te bepalen welke kosten en inkomsten met zijn webinfrastructuur en verwante diensten verband houden.

2.   Innovation Norway heeft geen staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst ontvangen in de vorm van winstderving bij het aanbieden van webinfrastructuur en verwante diensten aan de regionale bureaus voor toerisme en organisaties voor bestemmingsmanagement.

Artikel 2

De regionale bureaus voor toerisme en organisaties voor bestemmingsmanagement hebben geen staatssteun in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst ontvangen door het verkrijgen van webinfrastructuur en verwante diensten tegen prijzen onder de concurrerende marktprijs.

Artikel 3

Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Noorwegen.

Artikel 4

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 4 november 2015.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Sven Erik SVEDMAN

Voorzitter

Helga JÓNSDÓTTIR

Lid van het College


(1)  Document 678002 en de bijlagen bij de documenten 678003 t/m 678007, 678010 t/m 678013 en 678017.

(2)  In oktober 2013 is de oorspronkelijke klager, TellUs IT AS, met de onderneming New Mind tot New Mind | tellUs gefuseerd. Zie www.newmind.co.uk.

(3)   PB C 334 van 25.9.2014, blz. 8 en EER-supplement nr. 53 van 25.9.2014, blz. 1.

(4)  Document 720775, samen met 12 bijlagen (documenten 720776 tot en met 720788).

(5)  Document 726058.

(6)  Document 725167.

(7)  Document 725174.

(8)  Documenten 730559, 730560 en 730561.

(9)  De Autoriteit heeft een aantal e-mails met aanvullende informatie van de klager en van IN ontvangen. TellUs heeft op 1 januari 2015 een e-mail gestuurd (document 734800). IN heeft verschillende e-mails gestuurd: de documenten 742759 (mail van 16 januari 2015), 744264 (mail van 5 februari 2015), 753927 (mail van 14 april 2015), 754218 (mail van 17 april 2015), 757843 (mail van 20 mei 2015) en 758656 (mail van 29 mei 2015) en heeft op 16 april 2015 met IN telefonisch overleg gevoerd.

(10)  Zo had visitnorway.com 22,5 miljoen bezoekers in 2013en werden 50 miljoen pagina's bekeken. In 2014 had de site 21,3 miljoen bezoekers en werden 50,3 miljoen pagina's bekeken. Zie de informatie beschikbaar op: http://www.slideshare.net/hanspetteraalmo/new-structure-for-destinations-on-visitnorwayvom en document 758656.

(11)  In het Noors „ Regionalt selskap.”

(12)  In het Noors „ Destinasjonsselskap ”.

(13)  De Autoriteit beschrijft deze diensten onder punten 2.2 en 2.3.

(14)  LOV-2003-12-19-130 (in het Noors „Lov om Innovasjon Norge”), beschikbaar op: http://lovdata.no/dokument/NL/lov/2003-12-19-130?q=lov+om+innovasjon+norge.

(15)  Artikel 2 van de IN-wet.

(16)  De huidige taken van IN werden vroeger in het algemeen door vier organisaties verricht: het Noorse Industriële en Regionale Ontwikkelingsfonds, het Raadgevend Bureau voor uitvinders, de Noorse Raad voor toerisme en de Noorse Raad voor de uitvoer. In het Noors: „ Statens nærings- og distriktsutviklingsfond ”, „ Statens Veiledningskontor for Oppfinnere ”, „ Norges Turistråd ” en „ Norges Eksportråd ”. In 2004 hielden deze vier organisaties op te bestaan en zijn ze gefuseerd tot IN.

(17)  Brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688213).

(18)  Brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688213).

(19)  Zie „ De toeristische strategie van de overheid. Bestemming Noorwegen. Nationale strategie voor toerisme. ” Het Noorse ministerie van Handel en Industrie. 10 april 2012, blz. 44. Dit document is als bijlage 4 (document 688216) bij de brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688213) naar de Autoriteit gestuurd.

(20)   Ibid.

(21)  Zo vermeldt het bedrijfsprofiel van Visit Trondheim AS (een regionale toeristische dienst) dat de onderneming niet tot doel heeft haar aandeelhouders een direct economisch voordeel te verschaffen (vrije vertaling). In het Noors: „ Selskapet har ikke som formål å skaffe eierne direkte økonomisk utbytte ” (nadruk toegevoegd). Zie de openbaar toegankelijke informatie in het centrale coördinerende register voor juridische entiteiten, dat deel uitmaakt van de Brønnøysund-registers. Deze link is beschikbaar op: http://w2.brreg.no/enhet/sok/detalj.jsp?orgnr=955715209

Ten aanzien van Visit Sørlandet AS (een organisatie voor bestemmingsmanagement) wordt vermeld dat de activiteiten van de onderneming niet zijn gericht op het genereren van winst voor de aandeelhouders. In het Noors: „ Områdemarkedsføring, profilering og merkevarebygging via tilrettelegging for salg og markedsføring for reiselivet på Sørlandet. Selskapets virksomhet tar ikke sikte på å skaffe aksjeeierne økonomisk utbytte. Eventuelt overskudd skal benyttes til å fremme selskapets formål. Selskapet kan eie aksjer/andeler i andre selskap ” (nadruk toegevoegd). Zie het bedrijfsprofiel, openbaar toegankelijk in het centrale coördinerende register voor juridische entiteiten, dat deel uitmaakt van de Brønnøysund-registers: http://w2.brreg.no/enhet/sok/detalj.jsp?orgnr=993995282

(22)  Gedefinieerd als „ [s]ystemen die een breed scala van toeristische producten bundelen en aanbieden via verschillende kanalen en platforms, over het algemeen gericht op een specifieke regio en ter ondersteuning van de activiteiten van een organisatie voor bestemmingsmanagement in die regio. Met een benadering die de klant centraal stelt, willen systemen voor bestemmingsmanagement de reisbestemming als holistische entiteit beheren en promoten, doorgaans via het aanbieden van nuttige bestemmingsgerelateerde informatie, real-time-boekingen en tools voor bestemmingsbeheer, met bijzondere aandacht voor de ondersteuning van kleine en onafhankelijke toeristische bedrijven ”. Voor deze definitie van systemen voor bestemmingsmanagement, zie http://www.newmind.co.uk/technology-platform/destination-management-system.

(23)  De term ondernemingen voor bestemmingsmanagement wordt in de toeristische sector gebruikt voor professionele dienstenbedrijven die plaatselijke kennis, expertise en middelen aanbieden, en die gespecialiseerd zijn in het organiseren en uitvoeren van evenementen, activiteiten, reizen, vervoer enz. In het algemeen verwijst deze term naar professionele dienstenbedrijven in de reissector.

(24)  Brief van IN van vrijdag 20 december 2013 (document 694258). De Nationale Vereniging voor Toerisme, het gemeenschappelijk orgaan van de overheid, de gemeentelijke en de particuliere belanghebbenden in de toeristische sector, werd in 1903 opgericht en is blijven bestaan tot 1984. Daarna zijn de marketingactiviteiten van deze vereniging overgenomen door de stichting NORTRA, die in 1999 werd omgedoopt tot de Nationale Raad voor Toerisme (NTC). Sinds 2004 worden de taken van de NTC uitgevoerd door IN, na de fusie van beide entiteiten. In de brief van 20 december 2013 (document 694258) is ook nadere informatie opgenomen over de entiteiten die van oudsher zijn belast met het mandaat om Noorwegen als reisbestemming aan te prijzen.

(25)  Statsbudsjettet 2013 — oppdragsbrev Innovasjon Norge. Blz. 14. Beschikbaar op: https://www.regjeringen.no/globalassets/upload/nhd/vedlegg/brev/2013_oppdragsbrev_innovasjonnorge.pdf

Statsbudsjettet 2014 — oppdragsbrev Innovasjon Norge. Beschikbaar op: https://www.regjeringen.no/contentassets/ab7b70cc80924f038a26a89417d0eb66/in_oppdragsbrev_2014.pdf

Statsbudsjettet 2015 — oppdragsbrev Innovasjon Norge. Beschikbaar op: http://www.innovasjonnorge.no/PageFiles/2814818/Oppdragsbrev%20KLD%20(2).pdf

(26)  Zie „ De toeristische strategie van de overheid. Nuttige ervaringen. Nationale strategie voor toerisme ”. Het Noorse ministerie van Handel en Industrie. 18 december 2007. Bijlage 1 (document 688214) bij de brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688213).

(27)   Ibid., subtitel 7.5. „ Visitnorway.com ”, bladzijde 68.

(28)  Zie „ De toeristische strategie van de overheid. Bestemming Noorwegen. Nationale strategie voor toerisme. ” Het Noorse ministerie van Handel en Industrie. 10 april 2012. Bijlage 4 (document 688216) bij de brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688213). Beschikbaar op: https://www.regjeringen.no/contentassets/1ce1d6cdcbac47739b3320a66817a2dd/lenke_til_strategien-engelsk.pdf

(29)  Voor nadere informatie, zie het projectplan voor een nieuwe nationale toeristische structuur van het ministerie voor Handel, Industrie en Visserij (versie 1.2 van 20 juni 2013): http://www.regjeringen.no/upload/NHD/Temasider/Reiseliv/Riktigprosjektplan.pdf

(30)  Zie voetnoot 25.

(31)  In de begrotingsbrief van 2014 staat dat: „ Innovation Norway het portaal voor nationaal toerisme op visitnorway.com verder zal uitbouwen. […].

(32)  Brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688213).

(33)  Brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688213).

(34)  In tegenstelling tot de databanken van IN wordt de oplossing van New Mind |tellUS aan alle bedrijven in de toeristische sector aangeboden (niet alleen aan de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement) en wordt de informatie in de databank via verschillende mediakanalen tegelijk verspreid.

(35)  IN heeft in zijn antwoord op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775) uiteengezet dat het alle regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement hetzelfde contract aanbiedt (er bestaat een modelcontract, waarvan de Autoriteit een kopie heeft gekregen). Sommige regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement hebben echter geen belangstelling voor premiumcontracten vanwege de door IN opgelegde restricties: i) vele organisaties voor bestemmingsmanagement vinden het profileren van hun regio binnen het gemeenschappelijke nationale kader van visitnorway.com namelijk vervreemdend, en ii) de redacteur van IN kan door een premiumpartner op zijn website gepubliceerde inhoud wijzigen of tegenhouden als er sprake is van een belangenconflict of als de inhoud niet past bij het profiel van visitnorway.com, en iii) als een organisatie voor bestemmingsmanagement zijn eigen websites afsluit, gaat ook de domeinnaam verloren enz.

(36)  De regionale toeristische dienst ontstond in 2010 als een regionale onderneming voor Aust-Agder en Vest-Agder. De onderneming is in handen van de provincie, lokale overheden en een aantal particuliere ondernemingen, zoals Color Line, Fjord Line, Amusement Park enz. Zie „ De toeristische strategie van de overheid. Bestemming Noorwegen. Nationale strategie voor toerisme. ” Zie voetnoot 19. Zie de openbaar toegankelijke informatie in het centrale coördinerende register voor juridische entiteiten, dat deel uitmaakt van de Brønnøysundregisters, op http://w2.brreg.no/enhet/sok/detalj.jsp?orgnr=993995282.

(37)  Visit Trondheim AS is in 1989 opgericht met het oog op de ontwikkeling van het toerisme in Trondheim. De aandeelhouders zijn: Rezidor Hotels Norway AS (12,77 %), Bo-hotell AS (7,34 %), Realinvest AS (6,78 %) en anderen (73,11 %).

Overeenkomstig zijn bedrijfsprofiel „ is Visit Trondheim de reisbestemmingsonderneming voor organisaties, instellingen, ondernemingen en overheidsinstanties die belangen hebben in de toeristische sector in Trondheim en zijn ruimere regio. De promotie van de reisbestemming gebeurt in coördinatie met de ontwikkeling van de gemeenschap, de zakenwereld en het toerisme. Visit Trondheim definieert en levert hostingdiensten en regiomarketing, promoot verkoop en afzet en draagt bij tot de ontwikkeling van Trondheim en de regio Trondheim als een bestemming voor toerisme, conferenties, cultuur en evenementen. Visit Trondheim ziet erop toe dat alle betrokken partijen op één lijn staan om ervoor te zorgen dat Trondheim zijn doelstellingen als reisbestemming bereikt en zijn ambities inzake aantrekkelijkheid en reputatie waarmaakt. Het is niet de doelstelling van de onderneming om haar eigenaars rechtstreekse economische winst te verschaffen. Bij liquidatie van de onderneming vloeit eventuele winst naar het doel van de onderneming ” (vrije vertaling). Voor meer informatie over de onderneming, zie het centrale coördinerende register voor juridische entiteiten, dat deel uitmaakt van de Brønnøysundregisters: http://w2.brreg.no/enhet/sok/detalj.jsp?orgnr=955715209.

(38)  URL staat voor uniform resource locator. Een URL is een geformatteerde tekststring die door internetbrowsers, e-mail-cliënten en andere software wordt gebruikt om een netwerkbron op het internet te identificeren.

(39)  Brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688213).

(40)  Tweede brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688215). Zie ook het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(41)  Gedefinieerd als „DMO specific” in figuur 2.

(42)  Gedefinieerd als „new structure” in figuur 2.

(43)  Gedefinieerd als „standard presentation” in figuur 2.

(44)  Gedefinieerd als „generic marketing” in figuur 2.

(45)  Volgens de klager „ zat de levering van infrastructuurdiensten voor IT-platforms aan de toeristische sector tot dusver niet in het takenpakket van IN. ” Klacht (document 678002), blz. 8.

(46)  Volgens het Hof in zijn arrest Altmark Trans en Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, EU:C:2003:415 vormt de compensatie voor diensten die voldoen aan de vier criteria in de punten 89-93 van het arrest geen staatssteun.

(47)  Voor nadere bijzonderheden over de klacht, zie de beschikking tot inleiding van de procedure als bedoeld in overweging 2.

(48)  E-mail: van 15 november 2013 (document 690346).

(49)  Zie voor nadere bijzonderheden de punten 61 en 62 van de beschikking tot inleiding van de procedure.

(50)  Zie voor nadere bijzonderheden de punten 115 tot en met 126 van de beschikking tot inleiding van de procedure.

(51)  Zie voor nadere bijzonderheden betreffende de redenering van de Autoriteit over de verenigbaarheid de punten 129 tot en met 137 van de beschikking tot inleiding van de procedure.

(52)  Aanvullende informatie van de klager (e-mail van de klager van 13 januari 2015 (document 734800)).

(53)  Het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(54)   Ibid.

(55)  De Noorse autoriteiten hebben de Autoriteit als bijlage 2 bij hun antwoord op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720777) een Engelse vertaling toegestuurd van het document „ Herziening van de toewijzing voor bedrijfsontwikkeling en administratie bij IN ” (hoofdstuk 2421, punt 70). Het kostenmodel is gebaseerd op het aantal uren dat IN besteedt aan het verlenen van diensten tegen betaling.

(56)  De Noorse autoriteiten beweren niet dat er op grond van de toepassing van de Altmark-voorwaarden geen sprake is van staatssteun, maar beroepen zich veeleer op de strekking van het DAEB-besluit om de verenigbaarheid van de vermeende steunmaatregelen vast te stellen.

(57)  Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3).

(58)  De Noorse autoriteiten hebben uitgelegd dat visitnorway.com algemene informatie en productinformatie aanbiedt. Algemene informatie is informatie van algemeen belang, zoals nieuws over het noorderlicht enz. Productinformatie heeft betrekking op specifieke commerciële activiteiten, d.w.z. hotels en toeristische activiteiten enz. Zie overweging 48.

(59)  Bijlage I bij de brief van IN van 24 november 2014. Commentaar bij de opmerkingen van New Mind | tellUS (document 730560).

(60)  Aanvullende informatie van de klager. E-mail: van de klager van 13 januari 2015 (document 734800).

(61)  Het antwoord van de Noorse autoriteiten op de e-mail van de klager van 13 januari 2015, zie voorgaande voetnoot (document 742759).

(62)  Arresten België/Commissie (Tubemeuse), C-142/87, EU:C:1990:125, punt 25, en France Télécom (Bouygues), T-425/04 RENV en T-444/04 RENV, EU:T:2015:450, punt 186.

(63)  Arresten in Höfner en Elser/Macroton, C-41/90, EU:C:1991:161, punten 21-23; Pavlov e.a., C-180/98 tot C-184/98, EU:C:2000:428 en zaak E-5/07, Private Barnehagers Landsforbund, Jurispr. EVA-Hof, blz. 62, punt 78.

(64)  Arrest in Ministero dell'Economica e delle Finanze/Cassa di Risparmio di Firenze SpA, C-222/04, EU:C:2006:8, punt 108.

(65)  Arrest in Banco Exterior de España, C-387/92, EU:C:1994:100, punt 11.

(66)  Economische en niet-economische activiteiten kunnen derhalve binnen dezelfde sector naast elkaar bestaan en soms zelfs door dezelfde organisatie worden verricht. In dit scenario dient de entiteit enkel ten aanzien van haar economische activiteiten als een onderneming worden beschouwd. Zie arrest in Commissie/Italië, C—118/85, EU:C:1987:283, punt 7. Zie ook Beschikking 2006/225/EG van de Commissie van 2 maart 2005 betreffende de steunregeling die door Italië is uitgevoerd voor de hervorming van opleidingsinstituten (PB L 81 van 18.3.2006, blz. 25), overweging 43.

(67)  Beschikbaar op: https://www.regjeringen.no/globalassets/upload/NHD/Vedlegg/Brev/2013_oppdragsbrev_innovasjonnorge.pdf#search=OPPDRAGSBREV&regj_oss=1

(68)  Zie arrest in Federación Española de Empresas de Tecnología Sanitaria (FENIN)/Commissie, C-205/03, EU:C:2006:453, punt 26.

(69)  Conclusie van de advocaat-generaal in Federación Española de Empresas de Tecnología Sanitaria (FENIN)/Commissie, C-205/03, EU:C:2005:666, punt 31.

(70)  Zie arresten in Pavel Pavlov e.a., C-180/98 tot C-184/98, EU:C:2000:428, punt 76 en Ambulanz Glöckner, C-475/99, EU:C:2001:577, punt 20.

(71)  Zaak E-6/98, Noorwegen/Toezichthoudende Autoriteit, Jurispr. EVA-Hof 1998, blz. 242, punt 34. Zie ook de arresten in Commissie en Spanje/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk, C-106/09 en C-107/09, EU:C:2011:732 en Frankrijk/Commissie, C-241/94, EU:C:1996:353, punten 19 en 20.

(72)  Arrest in Ladbroke Racing/Commissie, T-67/94, EU:T:1998:7, punt 52, en SIC/Commissie, T-46/97, EU:T:2000:123, punt 83.

(73)  Arrest in Chronopost SA/Commissie, C-83/01 P, C-93/01 P en C-94/01P, EU:C:2003:388, punt 40.

(74)  Zie bijvoorbeeld de beschikkingen van de Autoriteit nr. 84/15/COL met betrekking tot de vermeende kruissubsidiëring van zeevaartopleidingen aangeboden door Redningsselskapet en de Universiteit van TromsØ (PB C 193 van 11.6.2015, blz. 9), beschikbaar op: http://www.eftasurv.int/media/esa-docs/physical/84-15-COL.pdf); nr. 142/03/COL Betreffende de reorganisatie van en overmaking van overheidsgelden aan het „Arbeidsforskningsinstituttet” (Onderzoeksinstituut voor de arbeid) (PB C 248 van 16.10.2003, blz. 6); nr. 343/09/COL inzake de onroerendgoedtransacties van de gemeente Time met betrekking tot de kadastrale percelen 1/152, 1/301, 1/630, 4/165, 2/70, 2/32 (PB L 123 van 12.5.2011, blz. 72); nr. 496/13/COL betreffende de financiering van concerthal en congrescentrum Harpa (PB L 172 van 12.6.2014, blz. 36), overweging 56, en de daar aangehaalde beschikkingen; en nr. 174/13/COL over de financiering van gemeentelijke afvalinzamelaars (PB C 263 van 12.9.2013, blz. 5). In dezelfde zin wordt in de Richtsnoeren inzake overheidssteun voor onderzoek, ontwikkeling en innovatie (O&O&I) gesteld dat: „ Wanneer een en dezelfde entiteit zowel economische als niet-economische activiteiten uitoefent, valt de overheidsfinanciering van de niet-economische activiteiten niet onder artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst indien de beide soorten activiteiten en de kosten ervan, de financiering en inkomsten ervan duidelijk kunnen worden onderscheiden, zodat kruissubsidiëring van de economische activiteiten daadwerkelijk wordt vermeden. Het bewijs van een correcte toerekening van kosten, financiering en inkomsten kan worden geleverd door de financiële jaarrekeningen van de betrokken entiteit ”(punt 18, nadruk toegevoegd).

(75)  Deze voorwaarden zijn opgenomen in de transparantierichtlijn (Richtlijn 2006/111/EG van de Commissie van 16 november 2006 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven en de financiële doorzichtigheid binnen bepaalde ondernemingen (PB L 318 van 17.11.2006, blz. 17), opgenomen in de EER-overeenkomst bij Besluit nr. 55/2007 van het Gemengd Comité van de EER van 8 juni 2007 (PB L 266 van 11.10.2007, blz. 15 en EER-supplement nr. 48 van 11.10.2007, blz. 12).

(76)  Arrest in Chronopost SA/Commissie, C-83/01 P, C-93/01 P en C-94/01P, EU:C:2003:388, punt 40.

(77)  Er wordt verwezen naar de grafiek in de brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688215).

(78)  De Autoriteit merkt op dat de ontwikkelingskosten zijn opgenomen in de IN-begroting voor 2013, het jaar waarin de kosten zijn gemaakt. Voor nadere gegevens, zie de overwegingen 113 tot en met 115.

(79)  Antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(80)  Bijlage bij de mail van IN aan de Autoriteit van 14 april 2015 (document 753927).

(81)  Bijlage 2 bij de mail van IN van 14 april 2015 (document 753927).

(82)  Bijlage 3 bij het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720778).

(83)  Een gekapitaliseerde kostenpost wordt erkend als bestanddeel van vaste activa op de balans van een onderneming en wordt voor de betrokken periode niet als verrichte uitgave geboekt. Bijgevolg is een niet-gekapitaliseerde kostenpost slechts een uitgave voor het jaar waarin deze plaatsvindt.

(84)  Een kopie van NSR 19 is als bijlage II bij de brief van 24 november 2014 (document 730560) aan de Autoriteit toegezonden.

(85)  Volgens de rechtspraak is een maatregel die potentieel toegankelijk is voor alle ondernemingen niet selectief. Zie onder andere het arrest in Duitsland/Commissie, C-156/98, EU:C:2000:467, punt 22.

(86)  De Autoriteit merkt op dat deze methode sinds 2013 consequent is toegepast op alle premiumcontracten, met inbegrip van de contracten voor de eerste twee proefprojecten, namelijk VisitSØrlandet en VisitTrondheim. In bijlage 4 bij het antwoord op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720779) verschaft IN de Autoriteit een kopie van alle ondertekende premiumpartner-contracten.

(87)  Het model voor de totale kosten op uurbasis verschilt van het basiskostenmodel, waarin sommige gemeenschappelijke kosten van de totale kosten kunnen worden afgetrokken. Dit model werd door IN niet toegepast in het kader van de partnerschapscontracten. IN heeft aangevoerd dat dit model sinds de richtsnoeren voor gebruikersbetalingen van 2011 niet meer wordt gebruikt. De totale-kostenmethode wordt voor alle diensten van IN gebruikt, indien dezelfde dienst kan worden geleverd door particuliere actoren (document 720775, antwoord op de beschikking tot inleiding van de procedure).

(88)  Het percentage van de tijd die werknemers besteden aan het project is ook op voorhand vastgelegd (document 720778, in bijlage 3 bij het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure).

(89)  De Autoriteit merkt op dat in 2013 alleen de proefprojecten zijn ondertekend.

(90)  Brief van IN van maandag 24 november 2014 (document 730560).

(91)  In het antwoord op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775) wordt door IN nader toegelicht dat de regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement sinds 2013 bij de nieuwe projectstructuur zijn betrokken. De regionale toeristische diensten en organisaties voor bestemmingsmanagement hebben ook tijd en middelen geïnvesteerd. Hun rechtstreekse betrokkenheid bij en deelname aan het project rechtvaardigen een lager uurtarief dan het door IN berekende uurtarief. Een volledige lijst met de extra kosten van de proefprojecten is als bijlage 6 van het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720781) bij de Autoriteit ingediend.

(92)  Deze prijsmethodologie werd al gebruikt door andere op de markt actieve particuliere ondernemingen. Informatie over deze methode voor de toerekening van kosten is te vinden op: https://www.adspeed.com/Knowledges/1104/Blog/How_much_charge_advertising_website.html of http://www.quora.com/What-is-an-industry-accepted-cost-per-page-view-of-dynamic-content-not-cache-able. Zo gebruikt ook Google deze methode voor sommige van zijn diensten (voor meer informatie zie https://support.google.com/adwords/answer/2472735?hl=nl)

(93)  Antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(94)  E-mail: van IN aan de Autoriteit van 14 april 2015 (document 753927).

(95)  E-mail: van IN aan de Autoriteit van 20 mei 2015 (document 757843). Een kopie van de rekening is aan de Autoriteit voorgelegd als toevoeging bij de brief van IN van 28 oktober 2013 (documenten 688215 en bij bijlage 3 van het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720778)).

(96)  E-mail: van IN aan de Autoriteit van 20 mei 2015 (document 757843).

(97)  Antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775). Zie ook de e-mail van IN van 14 april 2015 (document 753927).

(98)  Arrest in EPAC/Commissie, T-204/97 en T-270/97, EU:T:2000:148, punt 122.

(99)  Arrest in Westdeutsche Landesbank Girozentrale en Land Nordrhein-Westfalen/Commissie (West-LB), T-228/99 en T-233/99, EU:T:2003:57, punt 207.

(100)  Arrest in West-LB, reeds aangehaald, punt 314 en in Italië/Commissie (Eni-Lanerossi), C-303/88, EU:C:1991:136, punt 22.

(101)  Arrest in Chronopost SA/Commissie, C-83/01 P, C-93/01 P en C-94/01P, EU:C:2003:388, punt 40.

(102)  Deel 1(2) van de industrierichtsnoeren, waarin wordt bepaald dat „ in dit hoofdstuk in de eerste plaats aandacht wordt besteed aan de in punt 1 van bijlage XV bij de EER-overeenkomst bedoelde richtlijn, hierna de richtlijn inzake doorzichtigheid genoemd, en in de tweede plaats aan het beginsel dat wanneer de Staat een onderneming financiert op voorwaarden die voor een particuliere investeerder onder normale martkvoorwaarden onaanvaardbaar zouden zijn, er sprake is van staatssteun ”. De industrierichtsnoeren zijn terug te vinden op: http://www.eftasurv.int/?1=1&showLinkID=16995&1=1 (PB L 274 van 26.10.2000. EER-supplement nr. 48 van dezelfde datum).

(103)   Ibid, punt 1 onder de titel „hanteerbaarheid van het criterium van de investeerder tegen marktvoorwaarden”.

(104)  Antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(105)  Dit is in overeenstemming met de voor overheidsdiensten vastgestelde mandaten. Zo vindt de Autoriteit het bijvoorbeeld in de richtsnoeren voor de omroepsector niet redelijk te eisen dat bij het verrichten van de openbare dienst winst wordt geboekt. Bij economische activiteiten is het echter wel redelijk uit te gaan van een winstelement als billijke kapitaalvergoeding ten aanzien van het risico. Zie punt 72 van de richtsnoeren.

(106)  IN levert via het platform visitnorway.com niet-economische en economische diensten. De algemene werking van het platform levert niet noodzakelijkerwijs winst op. De reikwijdte van dit besluit is evenwel beperkt tot de beoordeling of IN een redelijke winst haalt uit zijn economische diensten. De cijfers voor niet-economische diensten vallen buiten het toepassingsgebied van de regels inzake staatssteun.

(107)  Bijlage 3 bij het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720778). Gedetailleerde Excelbestanden met de kosten van de premiumpartner-contracten en het economische model voor de kostentoerekening zijn aan de Autoriteit toegezonden (document 727330).

(108)  Antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(109)  Brief van IN van maandag 24 november 2014 (document 730560).

(110)  Arrest in Franse Republiek/Commissie (Stardust Marine), C-482/99, EU:C:2002:294, punt 70. Het Hof vindt dat, [„ v]oor de beoordeling van de economische rationaliteit van het gedrag van de staat moet worden uitgegaan van de periode waarin de financiële steunmaatregelen zijn genomen, en dus niet van een latere situatie ” (punt 71).

(111)  Document 720781.

(112)  De rechtspraak aanvaardt dat overheidsbedrijven mogelijk winstmaximalisatie op lange termijn betrachten. Zie arrest in Italië/Commissie, C—118/88, EU:C:1991:136, punt 22. Italië/Commissie (Alfa-FIAT), C-305/89, EU:C:1991:142, punt 20, en Ciudad de la Luz/Commissie, T-319/12 en T-321/12, EU:T:2014:604, punt 41.

(113)  Het Gerecht heeft erop gewezen dat overheidsbedrijven de economische motieven voor hun projecten moeten aantonen. Zie arrest in Corsica Ferries, T-565/08, EU:T:2012:415, punt 84.

(114)  Arrest in van der Kooy BV, 67/85, 68/85 en 70/85, EU:C:1988:38, punten 29 en 30 en in België/Commissie, C-56/93, EU:C:1996:64, punt 10.

(115)  In de beschikking betreffende SFMI-Chronopost oordeelde de Commissie dat het niet abnormaal was dat betalingen van een nieuwe onderneming voor door de moedermaatschappij geleverde logistieke en commerciële bijstand in de aanloopperiode slechts de variabele kosten dekten. (Beschikking 98/365/EG van de Commissie van 1 oktober 1997 inzake de steun die Frankrijk aan SFMI-Chronopost zou hebben verleend (PB L 164 van 9.6.1998, blz. 37).

(116)  Brief van IN van maandag 24 november 2014 (document 730560).

(117)  Zie het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(118)  Brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688215) en het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(119)  Bijlage 7 bij het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720782).

(120)  Antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775).

(121)  Bijlage 7 bij het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720782).

(122)  Brief van IN van 28 oktober 2013 (document 688215).

(123)  Arresten in WestLB/Commissie, punt 254 en Ciudad de la Luz/Commissie, punt 44.

(124)  Brief van IN van maandag 24 november 2014 (document 730559).

(125)  Een kopie van het antwoord van NetNames is aan de Autoriteit toegezonden (bijlage III) bij de brief van van IN van 24 november 2014 (document 730560).

(126)  Arresten in Van Landewyck, 209/78 tot 215/78 en 218/78, EU:C:1980:248, punt 88; FFSA e.a., C-244/94, EU:C:1995:392, punt 21, en MOTOE, C-49/07, EU:C:2008:376, punten 27 en 28.

(127)  Er wordt verwezen naar de e-mail van IN van 17 april 2015 (document 754218) en naar het antwoord van IN op de beschikking tot inleiding van de procedure (document 720775), hoofdstuk 4.3.3.2.