ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 148

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
10 juni 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/979 van de Commissie van 2 maart 2017 tot wijziging, ten aanzien van de lijst van vrijgestelde entiteiten, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/980 van de Commissie van 7 juni 2017 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot standaardformulieren, templates en procedures voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten bij toezichtsactiviteiten, verificatie ter plaatse of onderzoek en de uitwisseling van informatie in overeenstemming met Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

3

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/981 van de Commissie van 7 juni 2017 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot standaardformulieren, templates en procedures voor de raadpleging van andere bevoegde autoriteiten voordat een vergunning wordt verleend overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

16

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/982 van de Commissie van 7 juni 2017 tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

24

 

*

Verordening (EU) 2017/983 van de Commissie van 9 juni 2017 tot wijziging van de bijlagen III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft maximumresidugehalten voor tricyclazool in of op bepaalde producten ( 1 )

27

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/984 van de Raad van 8 augustus 2016 tot aanmaning van Spanje om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

38

 

*

Besluit (EU) 2017/985 van de Raad van 8 augustus 2016 tot aanmaning van Portugal om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

42

 

*

Besluit (EU) 2017/986 van de Raad van 8 juni 2017 houdende verlenging van de ambtstermijn van een plaatsvervangend uitvoerend directeur van Europol

46

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

10.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/979 VAN DE COMMISSIE

van 2 maart 2017

tot wijziging, ten aanzien van de lijst van vrijgestelde entiteiten, van Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (1), en met name artikel 1, lid 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De uitoefening van monetaire verantwoordelijkheden en het beheer van de staatsschuld hebben een gecombineerde impact op de werking van de rentemarkten en moeten worden gecoördineerd om te waarborgen dat deze beide taken efficiënt worden vervuld. Aangezien Verordening (EU) nr. 648/2012 centrale banken van de Unie en andere EU-overheidsorganen die overheidsschuld beheren, van haar toepassingsgebied uitsluit om geen belemmering te vormen voor hun vermogen om taken van gemeenschappelijk belang te verrichten, zou de toepassing van andere regelgeving op die taken wanneer zij door entiteiten uit derde landen worden uitgevoerd, afbreuk doen aan de doelmatigheid ervan. Om te garanderen dat centrale banken en andere met het beheer van de overheidsschuld belaste of daarbij betrokken overheidsorganen van derde landen hun taken op toereikende wijze kunnen blijven verrichten, moeten overheidsorganen uit derde landen die met het beheer van de overheidsschuld zijn belast of daarbij betrokken zijn, eveneens van Verordening (EU) nr. 648/2012 worden vrijgesteld.

(2)

De Commissie heeft een beoordeling uitgevoerd van de status van overheidsorganen die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van de overheidsschuld, en van centrale banken volgens het nationale recht van bepaalde derde landen, en heeft haar conclusies aan het Europees Parlement en de Raad gepresenteerd. Met name heeft de Commissie een vergelijkende analyse verricht van die status en van de risicobeheernormen die van toepassing zijn op de derivatentransacties die door deze organen en centrale banken in deze rechtsgebieden zijn aangegaan.

(3)

De conclusie van de analyse van de Commissie luidt dat centrale banken en overheidsorganen die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van overheidsschuld van Australië, Canada, Hongkong, Mexico, Singapore en Zwitserland van de clearing- en rapportageverplichting van Verordening (EU) nr. 648/2012 moeten worden vrijgesteld.

(4)

De centrale banken en overheidsorganen die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van de overheidsschuld van Australië, Canada, Hongkong, Mexico, Singapore en Zwitserland moeten daarom aan de lijst van vrijgestelde entiteiten van Verordening (EU) nr. 648/2012 worden toegevoegd.

(5)

De Commissie blijft regelmatig de status monitoren van de centrale banken en overheidsorganen die van de clearing- en rapportageverplichting van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn vrijgesteld. De lijst kan worden bijgewerkt in het licht van de ontwikkeling van de reglementeringen in die derde landen en rekening houdend met elke nieuwe informatiebron. Op basis van een dergelijke herbeoordeling kunnen bepaalde derde landen uit de lijst van vrijgestelde entiteiten worden geschrapt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aan artikel 1, lid 4, onder c), van Verordening (EU) nr. 648/2012 worden de volgende punten toegevoegd:

„iii)

Australië;

iv)

Canada;

v)

Hongkong;

vi)

Mexico;

vii)

Singapore;

viii)

Zwitserland.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 2 maart 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1.


10.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/980 VAN DE COMMISSIE

van 7 juni 2017

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot standaardformulieren, templates en procedures voor samenwerking tussen de bevoegde autoriteiten bij toezichtsactiviteiten, verificatie ter plaatse of onderzoek en de uitwisseling van informatie in overeenstemming met Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (1), en met name artikel 80, lid 4, en artikel 81, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2014/65/EU stelt verplichtingen vast voor de samenwerking en uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten. In het kader van die procedure kan een bevoegde autoriteit de bevoegde autoriteit van een andere lidstaat om medewerking verzoeken voor een verificatie ter plaatse of een onderzoek.

(2)

Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten voor de toepassing van Richtlijn 2014/65/EU in staat zijn samen te werken en op efficiënte en tijdige wijze informatie uit te wisselen en elkaar volledige wederzijdse assistentie te verlenen, is het dienstig procedures evenals templates en formulieren vast te stellen die door bevoegde autoriteiten voor een dergelijke samenwerking en uitwisseling van informatie kunnen worden gebruikt, zoals voor het indienen van verzoeken om samenwerking of om uitwisseling van informatie, ontvangstbevestigingen en antwoorden op dergelijke verzoeken.

(3)

Om ervoor te zorgen dat verzoeken om samenwerking door de aangezochte autoriteiten snel en doeltreffend worden behandeld, moet elk verzoek duidelijk aangeven waarom om samenwerking of om uitwisseling van informatie wordt verzocht. Afgezien van het gebruik van templates en formulieren voor verzoeken om samenwerking of verzoeken om informatie en antwoorden op dergelijke verzoeken, moeten de procedures voor samenwerking en uitwisseling van informatie de communicatie, consultatie en interactie tussen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit gedurende het gehele proces mogelijk maken en bevorderen.

(4)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(5)

Omwille van de consistentie en om de goede werking van de financiële markten te garanderen, is het noodzakelijk dat de bepalingen van deze verordening vanaf dezelfde datum van toepassing zijn als die welke zijn vastgesteld in Richtlijn 2014/600/EU.

(6)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die door de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten (ESMA) bij de Commissie zijn ingediend.

(7)

De ESMA heeft geen openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, en evenmin de potentiële kosten en baten geanalyseerd die gerelateerd zijn aan de door de betrokken bevoegde autoriteiten te gebruiken standaardformulieren, templates en procedures, omdat dat gezien het toepassingsgebied en de impact ervan onevenredig zou zijn, in aanmerking genomen dat de adressaten van de technische uitvoeringsnormen enkel de bevoegde nationale autoriteiten in de lidstaten zouden zijn en geen marktdeelnemers.

(8)

De ESMA heeft het advies ingewonnen van de Stakeholdergroep effecten en markten die overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad is opgericht (2),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Contactpunten

1.   De bevoegde autoriteiten wijzen contactpunten aan voor de mededeling van verzoeken om samenwerking en om uitwisseling van informatie overeenkomstig de artikelen 80 en 81 van Richtlijn 2014/65/EU. Zij publiceren de gegevens van de contactpunten op hun websites.

2.   De bevoegde autoriteiten delen de gegevens van hun contactpunten aan de ESMA mee. De ESMA houdt een lijst bij van de overeenkomstig lid 1 aangewezen contactpunten voor gebruik door de bevoegde autoriteiten, en houdt deze actueel.

Artikel 2

Verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie

1.   Een verzoekende autoriteit dient een verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie op papier of in elektronische vorm in, aan de hand van het formulier in bijlage I. Zij richt het verzoek tot het contactpunt van de aangezochte autoriteit.

2.   In dringende gevallen kan de verzoekende autoriteit het verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie mondeling indienen, op voorwaarde dat het verzoek vervolgens binnen een redelijke termijn schriftelijk wordt bevestigd, tenzij de aangezochte autoriteit met een andere handelwijze instemt.

3.   De verzoekende autoriteit kan bij het verzoek alle documenten of bewijsstukken voegen die hij noodzakelijk acht om het verzoek te onderbouwen.

Artikel 3

Bewijs van ontvangst

Binnen tien werkdagen na ontvangst van het verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie door het contactpunt van de aangezochte autoriteit, zendt deze autoriteit een ontvangstbevestiging aan de verzoekende autoriteit met gebruikmaking van het formulier in bijlage II.

Artikel 4

Antwoord op een verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie

1.   De verzoekende autoriteit beantwoordt een verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie op papier of in elektronische vorm aan de hand van het formulier in bijlage III. Zij richt het verzoek tot het contactpunt van de aangezochte autoriteit, tenzij door de verzoekende autoriteit anders is bepaald.

2.   De aangezochte autoriteit behandelt verzoeken om samenwerking of om uitwisseling van informatie op een wijze die garandeert dat eventueel noodzakelijke regelgevingsmaatregelen onverwijld worden getroffen, rekening houdend met de complexiteit van het verzoek en de noodzaak om derde partijen of een andere autoriteit in te schakelen.

Artikel 5

Procedures voor de indiening en de behandeling van een verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie

1.   De verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit communiceren over het verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie hetzij op papier, hetzij elektronisch, afhankelijk van welke de snelste methode is, waarbij zij naar behoren rekening houden met vertrouwelijkheidsoverwegingen, de tijd die met briefwisseling gemoeid is, de hoeveelheid materiaal die moet worden verzonden en het gemak waarmee de verzoekende autoriteit toegang tot de informatie krijgt. De verzoekende autoriteit reageert met name onverwijld op elk verzoek om verduidelijking van de aangezochte autoriteit.

2.   Wanneer de aangezochte autoriteit verwacht dat de vermoedelijke antwoorddatum die in de ontvangstbevestiging wordt vermeld met meer dan vijf werkdagen zal worden overschreden, stelt zij de verzoekende autoriteit hiervan in kennis.

3.   Wanneer het verzoek door de verzoekende autoriteit als spoedeisend is aangemerkt, komen de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit overeen met welke regelmaat de aangezochte autoriteit de verzoekende autoriteit op de hoogte houdt van de stand van de behandeling van het verzoek en van de datum waarop zij verwacht een antwoord te geven.

4.   De aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit werken samen om eventuele problemen op te lossen die zich kunnen voordoen bij de uitvoering van een verzoek.

Artikel 6

Procedure voor verzoeken om een verklaring af te nemen

1.   Indien het verzoek van de verzoekende autoriteit een van een persoon af te nemen verklaring omvat, dienen de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit, behoudens bestaande wettelijke beperkingen of restricties en eventuele verschillen in procedurele vereisten, de volgende elementen te evalueren en in aanmerking te nemen:

a)

de rechten van de persoon of personen van wie de verklaring zal worden afgenomen;

b)

de rol van de functionarissen van de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit bij het afnemen van de verklaring;

c)

de vraag of de persoon van wie de verklaring wordt afgenomen het recht heeft te worden bijgestaan door een wettelijke vertegenwoordiger en zo ja, de reikwijdte van de rechtsbijstand van de vertegenwoordiger tijdens het afnemen van de verklaring, onder meer met betrekking tot eventuele notulen of een verslag van de verklaring;

d)

de vraag of de verklaring op vrijwillige basis of verplicht wordt afgenomen indien er sprake is van een dergelijk onderscheid;

e)

de vraag of, op grond van de informatie die beschikbaar is op het moment van het verzoek, de persoon van wie de verklaring wordt afgenomen een getuige is dan wel of tegen hem een strafrechtelijk onderzoek is ingesteld;

f)

de vraag of, op grond van de informatie die beschikbaar is op het moment van het verzoek, de verklaring zou kunnen worden gebruikt of bedoeld is te worden gebruikt in een strafprocedure;

g)

de ontvankelijkheid van de verklaring in de jurisdictie van de verzoekende autoriteit;

h)

de registratie van de verklaring en de toepasselijke procedures, met inbegrip van de vraag of de registratie gelijktijdig plaatsvindt of in de vorm van beknopte schriftelijke notulen dan wel via een geluidsopname of audiovisuele opname;

i)

de procedures betreffende de certificering of bevestiging van de verklaring door de personen die de verklaring hebben afgelegd, met inbegrip van de vraag of die certificering of bevestiging plaatsvindt nadat de verklaring is afgegeven.

2.   De aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit zorgen ervoor dat er regelingen zijn getroffen die ervoor zorgen dat hun personeel efficiënt te werk kan gaan, zoals regelingen die het personeel in staat stellen afspraken te maken over eventuele aanvullende informatie die nodig kan zijn, zoals:

a)

het vastleggen van data;

b)

de lijst van vragen die zullen worden gesteld aan de persoon van wie de verklaring zal worden afgenomen en de herziening daarvan;

c)

reisafspraken, onder meer om ervoor te zorgen dat de aangezochte autoriteit en de verzoekende autoriteit elkaar kunnen ontmoeten om de zaak te bespreken vóór de verklaring wordt afgenomen;

d)

afspraken op het gebied van vertaling.

Artikel 7

Procedure voor verzoeken om een verificatie ter plaatse of een onderzoek

1.   Bij een verzoek tot het verrichten van een verificatie ter plaatse of een onderzoek, raadplegen de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit elkaar over de beste manier om het nuttig effect van het verzoek om samenwerking te garanderen, rekening houdend met artikel 80, lid 1, onder a), b) en c), van Richtlijn 2014/65/EU, waarbij zij tevens de merites van een gezamenlijke verificatie ter plaatse of een gezamenlijk onderzoek bespreken.

Bij de beslissing over de beste manier om het nuttig effect van het verzoek om samenwerking te garanderen, houden de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit ten minste rekening met:

a)

de inhoud van elk verzoek om samenwerking dat van de verzoekende autoriteit wordt ontvangen, met inbegrip van eventuele suggesties over de wenselijkheid om het onderzoek of de verificatie ter plaatse gezamenlijk te verrichten;

b)

de vraag of zij afzonderlijk hun eigen onderzoek verrichten in een zaak met grensoverschrijdende gevolgen, en of die zaak beter in onderlinge samenwerking zou kunnen worden aangepakt;

c)

het regelgevend kader in elk van hun jurisdicties, om ervoor te zorgen dat beide autoriteiten een goed inzicht hebben in de potentiële restricties en wettelijke beperkingen met betrekking tot hun gedrag en eventuele toekomstige procedures, zoals mogelijke problemen in verband met het beginsel ne bis in idem;

d)

het beheer en de leiding die nodig zijn voor het onderzoek of de verificatie ter plaatse;

e)

de toewijzing van middelen en de benoeming van personeel dat belast is met het verrichten van onderzoek of verificaties ter plaatse;

f)

de mogelijkheid om een gezamenlijk actieplan en een tijdschema van de werkzaamheden per autoriteit vast te stellen;

g)

de vaststelling van de maatregelen die moeten worden getroffen, gezamenlijk of individueel, per autoriteit;

h)

de wederzijdse uitwisseling van de vergaarde informatie en rapportage over de resultaten van de afzonderlijke getroffen maatregelen;

i)

andere vraagstukken per specifiek geval.

2.   Wanneer de aangezochte autoriteit de verificatie of het onderzoek zelf verricht, houdt zij de verzoekende autoriteit op de hoogte van de voortgang van deze werkzaamheden en maakt zij haar bevindingen tijdig bekend.

3.   Wanneer de verzoekende autoriteit en de aangezochte autoriteit besluiten om een gezamenlijk onderzoek of een gezamenlijke verificatie ter plaatse te verrichten:

a)

plegen zij voortdurend overleg om het proces van informatievergaring en de vaststelling van de feiten te coördineren;

b)

werken zij nauw samen bij het verrichten van het gezamenlijk onderzoek of de gezamenlijke verificatie ter plaatse;

c)

identificeren zij de specifieke wettelijke bepalingen die het voorwerp van het onderzoek of de verificatie ter plaatse vormen;

d)

komen zij ten minste het volgende overeen, indien van toepassing:

i)

de opstelling van een gezamenlijk actieplan waarin de inhoud, de aard en het tijdstip van de te treffen maatregelen worden vermeld, met inbegrip van de toewijzing van de verantwoordelijkheid voor de bekendmaking van het resultaat van de werkzaamheden, en rekening houdend met de respectievelijke prioriteiten van elke autoriteit;

ii)

de identificatie en beoordeling van alle wettelijke beperkingen of restricties en mogelijke verschillen in procedures met betrekking tot onderzoeks- en handhavingsmaatregelen of andere procedures, zoals de rechten van de personen naar wie een onderzoek wordt ingesteld;

iii)

de identificatie en evaluatie van de vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt die gevolgen kan hebben voor het onderzoek alsook voor de handhavingsprocedure, waaronder het recht om niet tegen zichzelf te getuigen;

iv)

de strategie ten aanzien van publiek en pers;

v)

het voorgenomen gebruik van de uitgewisselde informatie.

Artikel 8

Ongevraagde uitwisseling van informatie

1.   Wanneer een bevoegde autoriteit over informatie beschikt die volgens haar van nut kan zijn voor een andere bevoegde autoriteit met het oog op de uitvoering van haar taken ingevolge Richtlijn 2014/65/EU of Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (3), zendt zij deze informatie op papier of in elektronische vorm aan het contactpunt van de andere bevoegde autoriteit toe.

2.   In afwijking van lid 1 geldt dat indien de bevoegde autoriteit die over informatie beschikt, meent dat die informatie met spoed moet worden verzonden, zij die informatie in eerste instantie mondeling kan meedelen, mits de informatie vervolgens binnen een redelijke termijn schriftelijk wordt bevestigd, tenzij de ontvangende autoriteit met een andere handelwijze instemt.

3.   Een autoriteit die ongevraagd informatie toezendt, doet dit aan de hand van het formulier in bijlage III, waarin speciaal aandacht wordt besteed aan kwesties in verband met de vertrouwelijkheid van informatie.

Artikel 9

Verplichting om de bevoegde autoriteiten in kennis te stellen

1.   Wanneer een bevoegde autoriteit van een gereglementeerde markt op grond van artikel 80, lid 1, van Richtlijn 2014/65/EU beleggingsondernemingen die lid of deelnemer op afstand van een gereglementeerde markt zijn rechtstreeks benadert, stelt zij de bevoegde autoriteit van de lidstaat van herkomst van het lid of de deelnemer op afstand hiervan onmiddellijk nadat zij contact heeft opgenomen met het lid of de deelnemer op afstand in kennis, op papier of in elektronische vorm, aan de hand van het formulier in bijlage IV bij deze verordening, tenzij de autoriteit van de lidstaat van herkomst van het lid of de deelnemer op afstand er in het verleden schriftelijk mee heeft ingestemd met andere communicatiemiddelen op de hoogte te worden gebracht.

2.   Indien er spoedeisende redenen zijn om contact op te nemen met het lid of de deelnemer op afstand van een gereglementeerde markt, kan de bevoegde autoriteit van de gereglementeerde markt de kennisgeving om gegronde redenen mondeling overbrengen, mits het verzoek vervolgens binnen een redelijke termijn schriftelijk wordt bevestigd, tenzij de aangezochte autoriteit met een andere handelwijze instemt.

Artikel 10

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 3 januari 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 juni 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.

(2)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).

(3)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).


BIJLAGE I

Verzoek om samenwerking of om uitwisseling van informatie

Image 1
Tekst van het beeld
Image 2
Tekst van het beeld
Image 3
Tekst van het beeld
Image 4
Tekst van het beeld

BIJLAGE II

Formulier voor de ontvangstbevestiging

Image 5
Tekst van het beeld

BIJLAGE III

Formulier voor de beantwoording van het verzoek om samenwerking of om de uitwisseling van informatie

Image 6
Tekst van het beeld
Image 7
Tekst van het beeld

BIJLAGE IV

Kennisgevingsformulier bij rechtstreekse benadering van een lid of deelnemer op afstand van een gereglementeerde markt

Image 8
Tekst van het beeld

10.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/16


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/981 VAN DE COMMISSIE

van 7 juni 2017

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot standaardformulieren, templates en procedures voor de raadpleging van andere bevoegde autoriteiten voordat een vergunning wordt verleend overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (1), en met name artikel 84, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 84 van Richtlijn 2014/65/EU voorziet in raadpleging van de bevoegde autoriteiten voordat een vergunning wordt verleend overeenkomstig artikel 7 van die richtlijn. Richtlijn 2014/65/EU voorziet ook in de vaststelling van standaardformulieren, templates en procedures voor die raadpleging.

(2)

Om de communicatie tussen de bevoegde autoriteiten te vergemakkelijken, dienen zij specifiek voor de communicatie voordat een vergunning wordt verleend een contactpunt aan te wijzen.

(3)

Om ervoor te zorgen dat de bevoegde autoriteiten elkaar op een efficiënte en tijdige manier kunnen raadplegen voordat een vergunning wordt verleend, is het noodzakelijk de procedures vast te stellen voor verzoeken om raadpleging, ontvangstbevestigingen en antwoorden op verzoeken om raadpleging.

(4)

De standaardformulieren, templates en procedures moeten mogelijk maken dat de uitgewisselde of doorgegeven informatie vertrouwelijk wordt behandeld overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU, en dat de in Uniewetgeving vastgestelde voorschriften over de verwerking van persoonsgegevens en de doorgifte van die gegevens in acht worden genomen.

(5)

Om redenen van consistentie en om voor de soepele werking van de financiële markten te zorgen, is het noodzakelijk dat de in deze verordening vastgestelde bepalingen en de gerelateerde nationale bepalingen tot omzetting van Richtlijn 2014/65/EU vanaf dezelfde datum van toepassing zijn.

(6)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese Autoriteit voor Effecten en Markten (ESMA) bij de Commissie heeft ingediend.

(7)

De ESMA heeft geen openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, en evenmin de potentiële kosten en baten geanalyseerd die gerelateerd zijn aan de invoering van de standaardformulieren en -procedures voor de betrokken bevoegde autoriteiten, omdat dat gezien het toepassingsgebied en de impact ervan onevenredig zou zijn geweest, rekening houdend met het feit dat de adressaten van de technische uitvoeringsnormen alleen de bevoegde nationale autoriteiten van de lidstaten en geen marktdeelnemers zouden zijn.

(8)

De ESMA heeft het advies ingewonnen van de Stakeholdergroep effecten en markten die overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad is opgericht (2),

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Contactpunten

1.   De bevoegde autoriteiten wijzen contactpunten aan voor de communicatie op grond van deze verordening en publiceren de informatie over hun contactpunten op hun website.

2.   De bevoegde autoriteiten zenden de informatie over hun contactpunten aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA). De ESMA houdt ten behoeve van de bevoegde autoriteiten een lijst actueel van de contactpunten en maakt deze bekend op haar website.

Artikel 2

Verzoek om raadpleging

1.   De verzoekende bevoegde autoriteit dient het verzoek om raadpleging op papier of langs elektronische weg in bij het contactpunt van de bevoegde autoriteit die wordt geraadpleegd.

2.   De verzoekende bevoegde autoriteit dient haar verzoek om raadpleging in door invulling van het formulier vervat in bijlage I. De verzoekende bevoegde autoriteit kan bij het verzoek om raadpleging elk document of bewijsstuk voegen dat noodzakelijk geacht wordt om het verzoek te onderbouwen.

Artikel 3

Ontvangstbevestiging

De bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt, zendt door invulling van het formulier vervat in bijlage II binnen vijf werkdagen na ontvangst van het verzoek om raadpleging een ontvangstbevestiging aan het contactpunt van de verzoekende bevoegde autoriteit.

Artikel 4

Antwoord op een verzoek om raadpleging

1.   De bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt, beantwoordt een verzoek om raadpleging op papier of in elektronische vorm. Het wordt gericht aan het contactpunt van de verzoekende bevoegde autoriteit, tenzij anders aangegeven door die autoriteit.

2.   De bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt, stelt de verzoekende bevoegde autoriteit in kennis van elke verduidelijking die zij met betrekking tot de gevraagde informatie behoeft.

3.   De bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt, verstrekt door invulling van het formulier vervat in bijlage III zo spoedig mogelijk en uiterlijk binnen 60 werkdagen na ontvangst van het verzoek om raadpleging aan de verzoekende bevoegde autoriteit de volgende informatie:

a)

de in het verzoek om raadpleging gevraagde informatie en alle standpunten of voorbehouden in verband met de verlening van de vergunning;

b)

alle andere essentiële informatie die van invloed zou kunnen zijn op het verlenen van de vergunning.

4.   Indien de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt het waarschijnlijk acht dat zij de in lid 3 vervatte termijn niet zal kunnen respecteren, stelt zij de verzoekende bevoegde autoriteit daar onmiddellijk van in kennis, onder opgave van de redenen voor de vertraging en een verwachte datum van antwoord. Zij verstrekt ook regelmatig informatie over de voortgang bij de opstelling van haar antwoord.

5.   Indien de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt niet in staat is de termijn vervat in lid 3 van dit artikel na te leven, verstrekt zij de informatie op een manier die waarborgt dat alle noodzakelijke maatregelen snel genomen kunnen worden, waarbij de termijn vervat in artikel 7, lid 3, van Richtlijn 2014/65/EU in acht wordt genomen.

Artikel 5

Procedures voor raadpleging

1.   De bevoegde autoriteiten communiceren in verband met het verzoek om raadpleging en het antwoord onder gebruikmaking van de snelste van de in artikel 2, lid 1, en artikel 4, lid 1, vervatte manieren, waarbij zij naar behoren rekening houden met vertrouwelijkheidsoverwegingen, briefwisselingstijd, het volume aan materiaal dat moet worden gecommuniceerd en het gemak waarmee de verzoekende bevoegde autoriteit toegang tot de informatie verkrijgt. Met name antwoordt de verzoekende bevoegde autoriteit onmiddellijk op elk verzoek om toelichting van de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt.

2.   Als de gevraagde informatie zich bij een andere bevoegde autoriteit van een lidstaat dan de bevoegde autoriteit van de lidstaat die het verzoek ontvangt bevindt of kan bevinden, verzamelt de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt de informatie onmiddellijk bij de andere bevoegde autoriteit en geeft zij deze overeenkomstig artikel 4 aan de verzoekende bevoegde autoriteit door.

3.   De bevoegde autoriteiten werken samen om alle moeilijkheden op te lossen die zich bij de uitvoering van een verzoek kunnen voordoen.

4.   Indien tijdens de procedure voor het verlenen of weigeren van de vergunning nieuwe informatie opduikt of een behoefte aan nadere informatie ontstaat, werken de bevoegde autoriteiten samen om ervoor te zorgen dat alle relevante informatie wordt uitgewisseld. Daartoe wordt van de in de bijlagen I en II vervatte formulieren gebruikgemaakt.

5.   In afwijking van artikel 2, lid 1, en artikel 4, lid 1, kan, indien de verzoekende bevoegde autoriteit gedurende de periode van de laatste 30 werkdagen vóór het einde van de beoordeling van de vergunningsaanvraag een verzoek om raadpleging indient, zij dat verzoek mondeling indienen, op voorwaarde dat het verzoek om raadpleging vervolgens schriftelijk wordt bevestigd, tenzij de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt iets anders overeenkomt.

Artikel 6

Gebruik van informatie

1.   Als de informatie verstrekt door de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt wordt gereproduceerd in het antwoord van de verzoekende bevoegde autoriteit op de vergunningsaanvraag, stelt de verzoekende bevoegde autoriteit alvorens de aanvrager in kennis te stellen de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt in kennis.

2.   Bij een verzoek om bekendmaking van informatie die een bevoegde autoriteit van een andere bevoegde autoriteit heeft ontvangen, stelt de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt de andere bevoegde autoriteit in kennis vóór bekendmaking van de informatie en doet zij de eventuele passende wettelijke vrijstellingen of voorrechten met betrekking tot die informatie gelden.

Artikel 7

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 3 januari 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 juni 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349.

(2)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


BIJLAGE I

Formulier voor een verzoek om raadpleging

Image 9
Tekst van het beeld
Image 10
Tekst van het beeld

BIJLAGE II

Formulier voor de bevestiging van ontvangst van een verzoek om raadpleging

Image 11
Tekst van het beeld

BIJLAGE III

Formulier voor een antwoord op een verzoek om raadpleging

Image 12
Tekst van het beeld
Image 13
Tekst van het beeld

10.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/982 VAN DE COMMISSIE

van 7 juni 2017

tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 57, lid 4, en artikel 58, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (2) is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld.

(2)

Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer.

(3)

Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen.

(4)

Er dient te worden bepaald dat een bindende tariefinlichting die is afgegeven voor onder deze verordening vallende goederen en die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog gedurende een bepaalde periode mag worden gebruikt op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013. Die periode moet worden vastgesteld op drie maanden.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.

Artikel 2

Een bindende tariefinlichting die niet in overeenstemming is met deze verordening, mag op grond van artikel 34, lid 9, van Verordening (EU) nr. 952/2013 nog gedurende een periode van drie maanden na de inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 juni 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Stephen QUEST

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Belastingen en Douane-unie


(1)   PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).


BIJLAGE

Omschrijving

Indeling

(GN-code)

Motivering

(1)

(2)

(3)

Een artikel (zogenoemd badkrukje) met afmetingen van ongeveer 41 × 31 × 14 cm bestaande uit een bovenzijde van kunststof die steunt op vier pootjes van aluminium. Om de onderkant van elk pootje zit als buffer een antislipvoetje van rubber.

Het artikel wordt aangeboden als een krukje om personen in en uit de badkuip te helpen.

Zie afbeelding (*1).

9403 20 80

De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 2 op hoofdstuk 94 en de tekst van de GN-codes 9403 , 9403 20 en 9403 20 80 .

Het artikel wordt gebruikt om woonruimten te meubileren, bijvoorbeeld in particuliere woningen (zie ook de GS-toelichtingen op hoofdstuk 94, Algemene opmerkingen, tweede alinea, onder A). Het is derhalve een meubelstuk in de zin van post 9403 , dat is gemaakt om op de grond te worden geplaatst.

Indeling onder post 7616 als andere werken van aluminium is uitgesloten op grond van aantekening 1 k) op afdeling XV. Het artikel moet daarom worden ingedeeld onder GN-code 9403 20 80 als andere meubelen van metaal, andere dan bedden.

Image 14


(*1)  De afbeelding is louter ter informatie.


10.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/27


VERORDENING (EU) 2017/983 VAN DE COMMISSIE

van 9 juni 2017

tot wijziging van de bijlagen III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft maximumresidugehalten voor tricyclazool in of op bepaalde producten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 14, lid 1, onder a), artikel 17, artikel 18, lid 1, onder b), en artikel 49, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor tricyclazool zijn maximumresidugehalten (MRL's) vastgesteld in deel A van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 396/2005. Alle MRL's, behalve die voor rijst, zijn vastgesteld op de bepaalbaarheidsgrens (LOD).

(2)

Krachtens Beschikking 2008/770/EG van de Commissie (2) is tricyclazool niet opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Naar aanleiding van een nieuwe aanvraag overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (3) is deze werkzame stof niet goedgekeurd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1826 van de Commissie (4). Alle bestaande vergunningen voor gewasbeschermingsmiddelen die de werkzame stof tricyclazool bevatten, zijn ingetrokken. Het is derhalve passend om de in bijlage III voor deze stof vastgestelde MRL voor rijst te schrappen overeenkomstig artikel 17 juncto artikel 14, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 396/2005.

(3)

Gezien de niet-goedkeuring van de werkzame stof tricyclazool moeten de MRL's voor deze stof overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 396/2005 worden vastgesteld op de LOD. Voor de werkzame stoffen waarvoor alle MRL's tot de desbetreffende bepaalbaarheidsgrens moeten worden verlaagd, moeten overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 396/2005 in de lijst van bijlage V standaardwaarden worden opgenomen.

(4)

De Commissie heeft de referentielaboratoria van de Europese Unie geraadpleegd over de noodzaak bepaalde LOD's aan te passen. Die laboratoria kwamen tot de conclusie dat in verband met de technische ontwikkeling voor bepaalde producten lagere LOD's kunnen worden vastgesteld.

(5)

De handelspartners van de Unie zijn via de Wereldhandelsorganisatie over de nieuwe MRL's geraadpleegd en er is rekening gehouden met hun opmerkingen.

(6)

Verordening (EG) nr. 396/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Gezien de lange houdbaarheid van rijst moet deze verordening voorzien in een overgangsregeling voor rijst die in 2016 of eerder is geteeld, zodat die rijst op een normale wijze in de handel gebracht, verwerkt en geconsumeerd kan worden. Rekening houdend met de onzekerheden betreffende bepaalde eigenschappen van tricyclazool, laten de in deze verordening voorziene termijnen in 2017 of daarna echter geen behandeling met tricyclazool toe.

(8)

Met het oog op de toepassing van dezelfde aanpak voor basmatirijst, ermee rekening houdend dat basmatirijst een speciale procedure van rijping ondergaat voordat het op de markt kan worden gebracht, moet voor dergelijke rijst die in 2016 of eerder is geteeld een aanvullende periode van zes maanden worden toegestaan voordat de gewijzigde MRL voor basmatirijst van toepassing wordt, zodat die basmatirijst op een normale wijze in de handel gebracht, verwerkt en geconsumeerd kan worden.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 396/2005 blijft in de versie die vóór de wijziging uit hoofde van deze verordening van kracht was, van toepassing op alle rijst, met uitzondering van basmatirijst, die vóór 30 juni 2017 is ingevoerd of op de markt is gebracht.

Verordening (EG) nr. 396/2005 blijft in de versie die vóór de wijziging uit hoofde van deze verordening van kracht was, van toepassing op basmatirijst die vóór 30 december 2017 is ingevoerd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van vanaf 30 juni 2017 van toepassing op alle producten, met uitzondering van basmatirijst.

Zij is vanaf 30 december 2017 van toepassing op basmatirijst.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 juni 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.

(2)  Beschikking 2008/770/EG van de Commissie van 30 september 2008 betreffende de niet-opneming van tricyclazool in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en de intrekking van de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die deze stof bevatten (PB L 263 van 2.10.2008, blz. 16).

(3)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1826 van de Commissie van 14 oktober 2016 tot niet-goedkeuring van de werkzame stof tricyclazool overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 279 van 15.10.2016, blz. 88).


BIJLAGE

De bijlagen III en V bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden als volgt gewijzigd:

1)

In bijlage III, deel A, wordt de kolom voor tricyclazool geschrapt.

2)

In bijlage V wordt de volgende kolom voor tricyclazool toegevoegd:

„Bestrijdingsmiddelenresiduen en maximumresidugehalten (mg/kg)

Code-nummer

Groepen en voorbeelden van afzonderlijke producten waarvoor de MRL's gelden (1)

Tricyclazool

(1)

(2)

(3)

0100000

FRUIT, VERS of BEVROREN; NOTEN

0,01  (*1)

0110000

Citrusvruchten

 

0110010

Grapefruits/pompelmoezen

 

0110020

Sinaasappelen

 

0110030

Citroenen

 

0110040

Limoenen/lemmetjes

 

0110050

Mandarijnen

 

0110990

Overige

 

0120000

Noten

 

0120010

Amandelen

 

0120020

Paranoten

 

0120030

Cashewnoten

 

0120040

Kastanjes

 

0120050

Kokosnoten

 

0120060

Hazelnoten

 

0120070

Macadamianoten

 

0120080

Pecannoten

 

0120090

Pijnboompitten

 

0120100

Pistaches

 

0120110

Walnoten

 

0120990

Overige

 

0130000

Pitvruchten

 

0130010

Appelen

 

0130020

Peren

 

0130030

Kweeperen

 

0130040

Mispels

 

0130050

Loquats/Japanse mispels

 

0130990

Overige

 

0140000

Steenvruchten

 

0140010

Abrikozen

 

0140020

Kersen (zoet)

 

0140030

Perziken

 

0140040

Pruimen

 

0140990

Overige

 

0150000

Besvruchten en kleinfruit

 

0151000

a)

druiven

 

0151010

Tafeldruiven

 

0151020

Wijndruiven

 

0152000

b)

aardbeien

 

0153000

c)

rubussoorten

 

0153010

Bramen/braambessen

 

0153020

Dauwbramen

 

0153030

Frambozen (geel en rood)

 

0153990

Overige

 

0154000

d)

ander kleinfruit en besvruchten

 

0154010

Blauwe bessen

 

0154020

Veenbessen

 

0154030

Aalbessen (rood, wit en zwart)

 

0154040

Kruisbessen (geel, groen en rood)

 

0154050

Rozenbottels

 

0154060

Moerbeien (wit en zwart)

 

0154070

Azaroles/Middellandse Zeemispels

 

0154080

Vlierbessen

 

0154990

Overige

 

0160000

Diverse vruchten met

 

0161000

a)

eetbare schil

 

0161010

Dadels

 

0161020

Vijgen

 

0161030

Tafelolijven

 

0161040

Kumquats

 

0161050

Carambola's

 

0161060

Kaki's/Japanse persimoenen

 

0161070

Jambolans/djamblangs

 

0161990

Overige

 

0162000

b)

niet-eetbare schil, klein

 

0162010

Kiwi's (geel, groen, rood)

 

0162020

Lychees

 

0162030

Passievruchten/maracuja's

 

0162040

Woestijnvijgen/cactusvruchten

 

0162050

Sterappelen

 

0162060

Noord-Amerikaanse persimoenen

 

0162990

Overige

 

0163000

c)

niet-eetbare schil, groot

 

0163010

Avocado's

 

0163020

Bananen

 

0163030

Mango's

 

0163040

Papaja's

 

0163050

Granaatappels

 

0163060

Cherimoya's

 

0163070

Guaves

 

0163080

Ananassen

 

0163090

Broodvruchten

 

0163100

Doerians

 

0163110

Zuurzakken/doerian blanda

 

0163990

Overige

 

0200000

GROENTEN, VERS of BEVROREN

 

0210000

Wortel- en knolgewassen

0,01  (*1)

0211000

a)

aardappelen

 

0212000

b)

tropische wortel- en knolgewassen

 

0212010

Cassave/maniok

 

0212020

Bataten (zoete aardappelen)

 

0212030

Yams

 

0212040

Arrowroot/pijlwortel

 

0212990

Overige

 

0213000

c)

andere wortel- en knolgewassen, behalve suikerbiet

 

0213010

Rode bieten

 

0213020

Wortels

 

0213030

Knolselderij

 

0213040

Mierikswortels

 

0213050

Aardperen/topinamboers

 

0213060

Pastinaken

 

0213070

Wortelpeterselie

 

0213080

Radijzen

 

0213090

Schorseneren

 

0213100

Koolrapen

 

0213110

Rapen

 

0213990

Overige

 

0220000

Bolgewassen

0,01  (*1)

0220010

Knoflook

 

0220020

Uien

 

0220030

Sjalotten

 

0220040

Bosuien/groene uien en stengeluien

 

0220990

Overige

 

0230000

Vruchtgroenten

0,01  (*1)

0231000

a)

Solanaceae

 

0231010

Tomaten

 

0231020

Paprika's

 

0231030

Aubergines

 

0231040

Okra's, okers

 

0231990

Overige

 

0232000

b)

Cucurbitaceae met eetbare schil

 

0232010

Komkommers

 

0232020

Augurken

 

0232030

Courgettes

 

0232990

Overige

 

0233000

c)

Cucurbitaceae met niet-eetbare schil

 

0233010

Meloenen

 

0233020

Pompoenen

 

0233030

Watermeloenen

 

0233990

Overige

 

0234000

d)

suikermais

 

0239000

e)

andere vruchtgroenten

 

0240000

Koolsoorten (met uitzondering van wortels en babyleafgewassen van Brassica)

0,01  (*1)

0241000

a)

bloemkoolachtigen

 

0241010

Broccoli

 

0241020

Bloemkolen

 

0241990

Overige

 

0242000

b)

sluitkoolachtigen

 

0242010

Spruitjes

 

0242020

Sluitkolen

 

0242990

Overige

 

0243000

c)

bladkoolachtigen

 

0243010

Chinese kool/petsai

 

0243020

Boerenkolen

 

0243990

Overige

 

0244000

d)

koolrabi's

 

0250000

Bladgroenten, kruiden en eetbare bloemen

 

0251000

a)

slasoorten

0,01  (*1)

0251010

Veldsla

 

0251020

Sla

 

0251030

Andijvie

 

0251040

Tuinkers en andere kiemen en scheuten

 

0251050

Winterkers

 

0251060

Raketsla/rucola

 

0251070

Rode amsoi

 

0251080

Babyleafgewassen (met inbegrip vanBrassica-soorten)

 

0251990

Overige

 

0252000

b)

spinazie en dergelijke bladgroente

0,01  (*1)

0252010

Spinazie

 

0252020

Postelein

 

0252030

Snijbiet

 

0252990

Overige

 

0253000

c)

druivenbladeren en bladeren van dergelijke soorten

0,01  (*1)

0254000

d)

waterkers

0,01  (*1)

0255000

e)

witlof/witloof/Brussels lof

0,01  (*1)

0256000

f)

kruiden en eetbare bloemen

0,02  (*1)

0256010

Kervel

 

0256020

Bieslook

 

0256030

Bladselderij/snijselder

 

0256040

Peterselie

 

0256050

Salie

 

0256060

Rozemarijn

 

0256070

Tijm

 

0256080

Basilicum en eetbare bloemen

 

0256090

Laurierblad

 

0256100

Dragon

 

0256990

Overige

 

0260000

Peulgroenten

0,01  (*1)

0260010

Bonen (met peul)

 

0260020

Bonen (zonder peul)

 

0260030

Erwten (met peul)

 

0260040

Erwten (zonder peul)

 

0260050

Linzen

 

0260990

Overige

 

0270000

Stengelgroenten

0,01  (*1)

0270010

Asperges

 

0270020

Kardoenen

 

0270030

Bleekselderij

 

0270040

Knolvenkel

 

0270050

Artisjokken

 

0270060

Preien

 

0270070

Rabarber

 

0270080

Bamboescheuten

 

0270090

Palmharten

 

0270990

Overige

 

0280000

Paddenstoelen, mossen en korstmossen

0,01  (*1)

0280010

Gekweekte paddenstoelen

 

0280020

Wilde paddenstoelen

 

0280990

Mossen en korstmossen

 

0290000

Algen en prokaryote organismen

0,01  (*1)

0300000

PEULVRUCHTEN

0,01  (*1)

0300010

Bonen

 

0300020

Linzen

 

0300030

Erwten

 

0300040

Lupinen/lupinebonen

 

0300990

Overige

 

0400000

OLIEHOUDENDE ZADEN EN VRUCHTEN

0,01  (*1)

0401000

Oliehoudende zaden

 

0401010

Lijnzaad

 

0401020

Pinda's/aardnoten

 

0401030

Papaverzaad/maanzaad

 

0401040

Sesamzaad

 

0401050

Zonnebloemzaad

 

0401060

Koolzaad

 

0401070

Sojabonen

 

0401080

Mosterdzaad

 

0401090

Katoenzaad

 

0401100

Pompoenzaad

 

0401110

Saffloerzaad

 

0401120

Bernagiezaad

 

0401130

Huttentutzaad

 

0401140

Hennepzaad

 

0401150

Wonderbonen

 

0401990

Overige

 

0402000

Oliehoudende vruchten

 

0402010

Olijven voor oliewinning

 

0402020

Palmpitten

 

0402030

Palmvruchten

 

0402040

Kapok

 

0402990

Overige

 

0500000

GRANEN

0,01  (*1)

0500010

Gerst

 

0500020

Boekweit en andere pseudogranen

 

0500030

Mais

 

0500040

Gierst/pluimgierst

 

0500050

Haver

 

0500060

Rijst

 

0500070

Rogge

 

0500080

Sorghum

 

0500090

Tarwe

 

0500990

Overige

 

0600000

THEE, KOFFIE, KRUIDENTHEE, CACAO EN CAROB

0,05 (*1)

0610000

Thee

 

0620000

Koffiebonen

 

0630000

Kruidenthee van

 

0631000

a)

bloemen

 

0631010

Kamille

 

0631020

Hibiscus/roselle

 

0631030

Roos

 

0631040

Jasmijn

 

0631050

Lindebloesem

 

0631990

Overige

 

0632000

b)

bladeren en kruiden

 

0632010

Aardbei

 

0632020

Rooibos

 

0632030

Maté

 

0632990

Overige

 

0633000

c)

wortels

 

0633010

Valeriaan

 

0633020

Ginseng

 

0633990

Overige

 

0639000

d)

alle andere delen van de plant

 

0640000

Cacaobonen

 

0650000

Carob/johannesbrood

 

0700000

HOP

0,05 (*1)

0800000

SPECERIJEN

 

0810000

Als specerij gebruikte zaden

0,05 (*1)

0810010

Anijs

 

0810020

Zwarte komijn

 

0810030

Selderij

 

0810040

Koriander

 

0810050

Komijn

 

0810060

Dille

 

0810070

Venkel

 

0810080

Fenegriek

 

0810090

Nootmuskaat

 

0810990

Overige

 

0820000

Als specerij gebruikte vruchten

0,05 (*1)

0820010

Piment

 

0820020

Szechuanpeper/anijspeper

 

0820030

Karwij

 

0820040

Kardemom

 

0820050

Jeneverbes

 

0820060

Peperkorrel (groen, wit en zwart)

 

0820070

Vanille

 

0820080

Tamarinde

 

0820990

Overige

 

0830000

Als specerij gebruikte bast

0,05 (*1)

0830010

Kaneel

 

0830990

Overige

 

0840000

Als specerij gebruikte wortels en wortelstokken

 

0840010

Zoethout

0,05 (*1)

0840020

Gember

0,05 (*1)

0840030

Geelwortel/kurkuma/koenjit

0,05 (*1)

0840040

Mierikswortel

(+)

0840990

Overige

0,05 (*1)

0850000

Als specerij gebruikte knoppen

0,05 (*1)

0850010

Kruidnagels

 

0850020

Kappertjes

 

0850990

Overige

 

0860000

Als specerij gebruikte stampers

0,05 (*1)

0860010

Saffraan

 

0860990

Overige

 

0870000

Als specerij gebruikte zaadrokken

0,05 (*1)

0870010

Foelie

 

0870990

Overige

 

0900000

SUIKERGEWASSEN

0,01  (*1)

0900010

Suikerbiet

 

0900020

Suikerriet

 

0900030

Wortelcichorei

 

0900990

Overige

 

1000000

PRODUCTEN VAN DIERLIJKE OORSPRONG — LANDDIEREN

 

1010000

Weefsels van

0,01  (*1)

1011000

a)

varkens

 

1011010

Spier

 

1011020

Vetweefsel

 

1011030

Lever

 

1011040

Nier

 

1011050

Eetbare slachtafvallen (anders dan lever en nier)

 

1011990

Overige

 

1012000

b)

runderen

 

1012010

Spier

 

1012020

Vetweefsel

 

1012030

Lever

 

1012040

Nier

 

1012050

Eetbare slachtafvallen (anders dan lever en nier)

 

1012990

Overige

 

1013000

c)

schapen

 

1013010

Spier

 

1013020

Vetweefsel

 

1013030

Lever

 

1013040

Nier

 

1013050

Eetbare slachtafvallen (anders dan lever en nier)

 

1013990

Overige

 

1014000

d)

geiten

 

1014010

Spier

 

1014020

Vetweefsel

 

1014030

Lever

 

1014040

Nier

 

1014050

Eetbare slachtafvallen (anders dan lever en nier)

 

1014990

Overige

 

1015000

e)

paardachtigen

 

1015010

Spier

 

1015020

Vetweefsel

 

1015030

Lever

 

1015040

Nier

 

1015050

Eetbare slachtafvallen (anders dan lever en nier)

 

1015990

Overige

 

1016000

f)

pluimvee

 

1016010

Spier

 

1016020

Vetweefsel

 

1016030

Lever

 

1016040

Nier

 

1016050

Eetbare slachtafvallen (anders dan lever en nier)

 

1016990

Overige

 

1017000

g)

andere gekweekte landdieren

 

1017010

Spier

 

1017020

Vetweefsel

 

1017030

Lever

 

1017040

Nier

 

1017050

Eetbare slachtafvallen (anders dan lever en nier)

 

1017990

Overige

 

1020000

Melk

0,01  (*1)

1020010

Runderen

 

1020020

Schapen

 

1020030

Geiten

 

1020040

Paarden

 

1020990

Overige

 

1030000

Vogeleieren

0,01  (*1)

1030010

Kippen

 

1030020

Eenden

 

1030030

Ganzen

 

1030040

Kwartels

 

1030990

Overige

 

1040000

Honing en andere producten van de bijenteelt

0,05  (*1)

1050000

Amfibieën en reptielen

0,01  (*1)

1060000

Ongewervelde landdieren

0,01  (*1)

1070000

In het wild levende gewervelde landdieren

0,01  (*1)

(**)

Combinatie van bestrijdingsmiddel en code waarvoor het MRL in bijlage III, deel B, geldt.

Tricyclazool

(+)

Het maximumresidugehalte voor mierikswortel (Armoracia rusticana) in de groep „specerijen” (code 0840040 ) is hetzelfde als voor mierikswortels (Armoracia rusticana) in de groep „wortel- en knolgewassen” (code 0213040 ) van de categorie „groenten”, rekening houdend met de wijzigingen in de gehalten als gevolg van verwerking (drogen) overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 396/2005.

0840040

Mierikswortel”


(*1)  Bepaalbaarheidsgrens

(1)  Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.


BESLUITEN

10.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/38


BESLUIT (EU) 2017/984 VAN DE RAAD

van 8 augustus 2016

tot aanmaning van Spanje om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 9,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren. Het stabiliteits- en groeipact omvat onder meer Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (1), die is aangenomen om een snelle correctie van buitensporige overheidstekorten te bevorderen.

(3)

Op 27 april 2009 heeft de Raad overeenkomstig artikel 104, lid 6, van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap (VEG) besloten dat er in Spanje een buitensporig tekort bestond, en overeenkomstig artikel 104, lid 7, VEG een aanbeveling gedaan om het buitensporige tekort uiterlijk in 2012 te corrigeren. Sindsdien heeft de Raad op grond van artikel 126, lid 7, VWEU drie nieuwe aanbevelingen tot Spanje gericht (nl op 2 december 2009, 10 juli 2012 en 21 juni 2013), waarbij de termijn voor de correctie van het buitensporige tekort werd verlengd tot respectievelijk 2013, 2014 en 2016. In elk van de drie aanbevelingen was de Raad van oordeel dat Spanje doeltreffende actie had ondernomen, maar dat er zich onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met een ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën hadden voorgedaan (2).

(4)

Overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU heeft de Raad op 12 juli 2016 besloten dat Spanje geen effectief gevolg aan de aanbeveling van de Raad van 21 juni 2013 had gegeven.

(5)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1467/97 moet de Raad, indien de maatregelen niet door een deelnemende lidstaat ten uitvoer worden gelegd of naar het oordeel van de Raad ontoereikend zijn, onmiddellijk een besluit op grond van artikel 126, lid 9, VWEU nemen.

(6)

De Commissie heeft haar voorjaarsprognoses 2016 geactualiseerd met informatie die tot en met 19 juli 2016 beschikbaar was. Op basis daarvan is de voorspelling van de reële bbp-groei voor 2016 met 0,3 procentpunt opwaarts bijgesteld in vergelijking met de oorspronkelijke voorjaarsprognoses, nl. tot 2,9 %. Voor 2017 was er sprake van een neerwaartse herziening (nl. van 2,5 % in het voorjaar tot 2,3 %). Voor 2018 wordt een reële bbp-groei van 2,1 % verwacht. Ter vergelijking: in 2015 bedroeg de groei 3,2 %. Bijgevolg wordt aangenomen dat de economische groei zal afzwakken, maar robuust zal blijven omdat de hervormingen die in reactie op de crisis zijn doorgevoerd, en de geslaagde afronding van het programma voor financiële bijstand nog altijd in positieve zin doorwerken. Het herstel blijft gepaard gaan met een aanzienlijke schepping van arbeidsplaatsen tegen de achtergrond van een voortgezette loonmatiging en onder de gunstige invloed van de arbeidsmarkthervormingen. Ook de lage olieprijzen zijn bevorderlijk voor de groei. Tegelijkertijd wordt aangenomen dat de inflatie in 2016 op — 0,3 % zal uitkomen. Aan de groeiprognoses zijn echter neerwaartse risico's verbonden, vooral vanaf 2017. Deze hebben onder meer te maken met de uitkomst van het referendum in het Verenigd Koninkrijk over haar lidmaatschap van de Unie, dat de onzekerheid heeft vergroot, met mogelijke negatieve gevolgen voor de handel en de binnenlandse vraag.

(7)

Volgens de geactualiseerde voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie zal het overheidstekort naar verwachting dalen tot 4,6 % van het bbp in 2016, 3,3 % van het bbp in 2017 en 2,7 % van het bbp in 2018 (in vergelijking met de in het stabiliteitsprogramma vastgelegde doelstellingen van 3,6 %, 2,9 % en 2,2 % van het bbp in respectievelijk 2016, 2017 en 2018 en een verwacht werkelijk tekort van 3,9 % van het bbp in 2016 en 3,1 % van het bbp in 2017 in de oorspronkelijke voorjaarsprognoses). De hogere tekortvoorspelling is ten dele toe te schrijven aan het feit dat in de geactualiseerde Commissieprognoses met een geringer bedrag aan in reactie op de Commissieaanbeveling van maart 2016 op centraal en regionaal overheidsniveau genomen uitgavenbeperkende maatregelen (0,2 % van het bbp) rekening wordt gehouden dan in het stabiliteitsprogramma was voorspeld (0,4 % van het bbp); dat komt omdat sommige van die maatregelen nog niet genoeg zijn uitgewerkt om te worden meegenomen in de Commissieprognoses, die zijn gebaseerd op de gebruikelijke aanname dat het beleid ongewijzigd blijft. Het verschil is echter vooral terug te voeren op wijzigingen die in het rechtskader van de vennootschapsbelasting zijn aangebracht en die in 2016 tot lagere vooruitbetalingen door ondernemingen („pagos fraccionados”) leiden. De daling van de vooruitbetalingen is niet gekwantificeerd in het stabiliteitsprogramma en is pas in april, bij de betaling van de eerste tranche, aan het licht gekomen, d.w.z. na de afsluitdatum van de voorjaarsprognoses. In de geactualiseerde voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie wordt deze daling in 2016 op 0,5 % van het bbp geraamd. Aangezien de bovenbedoelde wijzigingen in een permanent uitstel van de belastingbetalingen maar niet in een verandering van het belastingtarief of de belastinggrondslag resulteren, zullen zij wellicht geen effect op de opbrengst van de vennootschapsbelasting sorteren wanneer wederom een nieuwe stabiele situatie wordt bereikt (vanaf 2017). In 2016 leiden zij tot een tijdelijk verlies aan belastinginkomsten, dat in de geactualiseerde voorjaarsprognoses als een eenmalige gebeurtenis is aangemerkt.

Voor 2017 zijn de verschillen tussen de geactualiseerde voorjaarsprognoses en het stabiliteitsprogramma terug te voeren op de slechter dan verwachte uitgangspositie en op het feit dat de in reactie op de Commissieaanbeveling van maart 2016 genomen bezuinigingsmaatregelen nog niet voldoende zijn uitgewerkt om in aanmerking te worden genomen op basis van de gebruikelijke aanname dat het beleid ongewijzigd blijft. Verwacht wordt dat het structurele tekort in 2016 en 2017 met respectievelijk 0,4 % en 0,1 % van het bbp toeneemt en in 2018 ongewijzigd blijft. In 2016 is de voorspelde stijging van het structurele tekort echter ten dele het gevolg van het feit dat de huidige inflatievooruitzichten en de thans verwachte nominale bbp-groei lager zijn dan die welke aan de begroting voor 2016 ten grondslag liggen, waardoor de structurele overheidsinkomsten ongunstig zijn beïnvloed maar de uitgaven niet konden worden aangepast.

(8)

De bruto-overheidsschuldquote is opgelopen van 36 % in 2007 tot circa 99 % in 2014. In 2015 bleef de schuldquote min of meer stabiel omdat de nettoverkoop van financiële activa het negatieve effect van een sneller dan het nominale bbp groeiend tekort neutraliseerde. Volgens de geactualiseerde voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie bereikt de schuldquote in 2017 een piek van 100,6 % van het bbp, terwijl in de oorspronkelijke voorjaarsprognoses werd aangenomen dat de schuld in 2016 met 100,3 % van het bbp een hoogtepunt zou bereiken. Hoewel er geen onmiddellijk gevaar lijkt te bestaan dat de Spaanse begroting door deze hoge schuldquote onder druk komt te staan, zullen de risico's voor de houdbaarheid van de schuld op middellange termijn duidelijk toenemen als de begrotingssituatie niet verbetert. Op langere termijn zullen de risico's voor de houdbaarheid van de begroting afnemen dankzij het positieve effect van de verlagingen van de leeftijdsgebonden uitgaven.

(9)

Krachtens artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1467/97 moet de Raad in het overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU vastgestelde besluit met de aanmaning om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen, eisen dat de lidstaat jaarlijkse begrotingsdoelstellingen realiseert die op grond van de aan de aanmaning ten grondslag liggende prognoses stroken met een benchmark die overeenstemt met een minimale jaarlijkse verbetering van ten minste 0,5 % van het bbp in zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen. Het feit dat dat besluit in de tweede helft van het jaar is vastgesteld, houdt echter in dat een grotere budgettaire inspanning zal moeten worden geleverd om een gegeven jaarlijkse verbetering van het structurele saldo te bewerkstelligen. Ook moet worden bedacht dat in het basisscenario voor het nieuwe aanpassingstraject wordt uitgegaan van een verslechtering van het structurele tekort met 0,4 % van het bbp, hetgeen ten dele is toe te schrijven aan het feit dat de inflatie lager is uitgevallen dan is voorspeld in het scenario dat aan de begroting voor 2016 ten grondslag lag een gebeurtenis die grotendeels buiten de macht van de overheid valt. In het licht daarvan lijkt het passend in 2016 geen verdere structurele maatregelen te verlangen.

(10)

Gezien het feit dat in 2016 geen verdere structurele maatregelen dienen te worden verlangd, zou het gunnen van een extra jaar aan Spanje om zijn buitensporige tekort te corrigeren (wat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad de regel is), in 2017 een jaarlijkse verbetering van het structurele saldo vergen waarvan een te negatief effect op de groei zou uitgaan. Het lijkt daarom passend om de termijn waarbinnen Spanje een einde aan zijn buitensporige tekort dient te maken, met twee jaar te verlengen.

(11)

Derhalve is het voor een geloofwaardig en houdbaar aanpassingstraject vereist dat Spanje in 2016, 2017 en 2018 een overheidstekort van respectievelijk 4,6 %, 3,1 % en 2,2 % van het bbp realiseert, hetgeen overeenstemt met een verslechtering van het structurele saldo met 0,4 % van het bbp in 2016 en met een verbetering ervan met 0,5 % van het bbp in zowel 2017 als 2018. Deze begrotingsdoelstellingen houden ook rekening met de noodzaak om voor tweede-ronde-effecten van de begrotingsconsolidatie op de overheidsfinanciën te compenseren, welke uit de impact ervan op de economie in ruimere zin voortvloeien.

(12)

Om die doelstellingen te bereiken, worden zowel in 2017 als in 2018 verdere structurele maatregelen met een geraamd effect van 0,5 % van het bbp noodzakelijk geacht. De besparingen voor 2017 en 2018 kunnen onder meer een terugdringing van het aantal en de omvang van de belastinguitgaven, en met name van de gereduceerde btw-tarieven, omvatten om de vereiste structurele inspanning te halen.

(13)

Daarnaast kan een strikte handhaving, op alle overheidsniveaus, van de preventieve en corrigerende mechanismen waarin de Spaanse stabiliteitswet voorziet, bevorderlijk zijn voor een tijdige en duurzame correctie van het buitensporige tekort. Zulks kan worden bereikt via een sterker automatisme in de toepassing ervan. Voorts kan de uitgavenregel van de stabiliteitswet een grotere bijdrage leveren aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën als de reikwijdte en definitie van de uitgavencategorieën die nodig zijn voor de berekening ervan, worden gepreciseerd en er bij overheden die er niet aan voldoen, nadrukkelijk op wordt aangedrongen om ontsporingen van uitgaven in het daaropvolgende jaar ongedaan te maken.

(14)

Spanje moet ook de nodige aandacht besteden aan de kwalitatieve aspecten van de overheidsfinanciën, waaronder zijn beleid inzake overheidsopdrachten. De afgelopen jaren is een aanzienlijk aantal misstanden met gevolgen voor de toepassing van de EU-wetgeving inzake overheidsopdrachten onder de aandacht van de Commissie gebracht. Uit de gegevens blijkt dat aanbestedende diensten overheidsopdrachten op uiteenlopende wijze uitvoeren en dat de correcte en eenvormige toepassing van de wetgeving inzake overheidsopdrachten wordt bemoeilijkt doordat de mechanismen voor de controle vooraf en achteraf te wensen overlaten. In vergelijking met andere lidstaten valt Spanje op door een laag publicatiepercentage van aankondigingen van opdrachten en door een vrij veelvuldig gebruik van de procedure van gunning door onderhandelingen zonder voorafgaande aankondiging. Dit leidt tot beperkte concurrentie van ondernemingen uit andere lidstaten en veelal tot onderhandse gunningen, wat in hogere overheidsuitgaven resulteert. Het beperkte gebruik van gecentraliseerde of gezamenlijke aanbestedingsinstrumenten belet het behalen van efficiëntiewinsten die tot budgettaire besparingen kunnen bijdragen. Het feit dat er geen onafhankelijk orgaan bestaat dat in het gehele land voor het waarborgen van de efficiëntie en de naleving van de wetgeving op het gebied van overheidsopdrachten verantwoordelijk is, belemmert de degelijke tenuitvoerlegging van de regelgeving inzake overheidsopdrachten en kan aanleiding geven tot misstanden, met alle negatieve gevolgen van dien voor de situatie van de Spaanse openbare financiën.

(15)

Voor het welslagen van de budgettaire consolidatiestrategie zal het ook van belang zijn om, overeenkomstig de in de context van het Europees semester 2016 tot Spanje gerichte aanbevelingen van de Raad, en met name die welke op de correctie van zijn macro-economische onevenwichtigheden betrekking hebben, de budgettaire consolidatie met omvattende structurele hervormingen te ondersteunen.

(16)

Overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU kan de Raad, in het kader van zijn krachtens die bepaling vastgesteld aanmaningsbesluit, de betrokken lidstaat verzoeken volgens een nauwkeurig tijdschema verslag uit te brengen over de aanpassingsinspanning. Overeenkomstig artikel 5, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97 moet het verslag van de lidstaat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten vermelden, de budgettaire beleidsmaatregelen aan zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde specificeren, en informatie bevatten over de in reactie op de specifieke aanbevelingen van de Raad ondernomen beleidsactie. Om het toezicht op de inachtneming zowel van de uiterste termijn voor de naleving van de in dit besluit vervatte aanbevelingen, als van de uiterste termijn voor de correctie van het buitensporige tekort te faciliteren, moet Spanje uiterlijk op 15 oktober 2016 samen met zijn ontwerpbegrotingsplan voor 2017 een dergelijk verslag indienen.

(17)

Zoals voorgeschreven bij artikel 10 van Verordening (EU) nr. 473/2013 van de Raad (3) moet Spanje ook conform de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 877/2013 van de Commissie (4) vastgelegde specificaties aan de Commissie en het Economisch en Financieel Comité verslag uitbrengen. Het verslag moet uiterlijk op 15 januari 2017 voor de eerste keer worden ingediend en vervolgens om de drie maanden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Spanje maakt uiterlijk in 2018 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie.

2.   Spanje dringt het overheidstekort terug tot 4,6 % van het bbp in 2016, 3,1 % van het bbp in 2017 en 2,2 % van het bbp in 2018. Op basis van de geactualiseerde voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie stemt een dergelijke verbetering van het overheidstekort overeen met een verslechtering van het structurele saldo met 0,4 % van het bbp in 2016 en met een verbetering ervan met 0,5 % van het bbp in zowel 2017 als 2018. Tevens wendt Spanje alle meevallers aan om het tekort en de schuld sneller terug te dringen.

3.   Naast de besparingen die al in de geactualiseerde voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie zijn verwerkt, stelt Spanje zowel in 2017 als in 2018 consolidatiemaatregelen ter grootte van 0,5 % van het bbp vast die onverkort worden uitgevoerd.

4.   Spanje staat klaar om verdere maatregelen te nemen mochten de risico's voor de begrotingsplannen werkelijkheid worden. De budgettaire consolidatiemaatregelen zorgen er op groeivriendelijke wijze voor dat er een blijvende verbetering van het structurele saldo van de overheid optreedt.

5.   Spanje stelt maatregelen vast om zijn begrotingskader te verstevigen, met name door versterking van het automatisme van de mechanismen om afwijkingen van de streefcijfers voor het tekort, de schuld en de uitgaven te voorkomen en te corrigeren, en door versterking van de bijdrage van de uitgavenregel van de stabiliteitswet aan de houdbaarheid van de overheidsfinanciën.

6.   Spanje zet een consistent kader op om de transparantie en coördinatie van het beleid inzake overheidsopdrachten van alle aanbestedende diensten te verzekeren teneinde de economische efficiëntie en een hoge mate van concurrentie te waarborgen. Een dergelijk kader omvat passende mechanismen voor controles vooraf en achteraf van overheidsopdrachten teneinde de efficiëntie en de naleving van de wetgeving te garanderen.

Artikel 2

De Raad stelt 15 oktober 2016 vast als uiterste datum waarop Spanje doeltreffende actie moet hebben ondernomen en, overeenkomstig artikel 5, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97, verslag moet hebben uitgebracht aan de Raad en de Commissie over het gevolg dat aan dit besluit is gegeven. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten, specificeert de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde, en verschaft informatie over de maatregelen die Spanje in reactie op de specifieke aanbevelingen van de Raad heeft genomen om zijn begrotingskader en zijn beleid inzake overheidsopdrachten te versterken in overeenstemming met artikel 1, leden 5 en 6.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Spanje.

Gedaan te Brussel, 8 augustus 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LAJČÁK


(1)  Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).

(2)  Alle documenten met betrekking tot de buitensporigtekortprocedure van Spanje zijn te vinden op: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/deficit/countries/spain_en.htm

(3)  Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone ( PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 877/2013 van de Commissie van 27 juni 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone ( PB L 244 van 13.9.2013, blz. 23).


10.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/42


BESLUIT (EU) 2017/985 VAN DE RAAD

van 8 augustus 2016

tot aanmaning van Portugal om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen in de mate die nodig wordt geacht om de buitensporigtekortsituatie te verhelpen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 9,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 126 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) dienen de lidstaten buitensporige overheidstekorten te vermijden.

(2)

Het stabiliteits- en groeipact is gebaseerd op de doelstelling van deugdelijke openbare financiën als middel om de voorwaarden voor prijsstabiliteit en voor een tot werkgelegenheidsschepping leidende sterke duurzame groei te verbeteren. Het stabiliteits- en groeipact omvat onder meer Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (1), die is vastgesteld om een snelle correctie van buitensporige overheidstekorten te bevorderen.

(3)

Op 2 december 2009 heeft de Raad op basis van artikel 126, lid 6, VWEU besloten dat er in Portugal een buitensporig tekort bestond en heeft hij overeenkomstig artikel 126, lid 7, VWEU en artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1467/97 een aanbeveling gedaan om het buitensporige tekort uiterlijk in 2013 te corrigeren. Naar aanleiding van het verzoek van de Portugese autoriteiten om financiële bijstand van de Unie, de lidstaten die de euro als munt hebben, en het Internationaal Monetair Fonds (IMF), heeft de Raad financiële bijstand aan Portugal toegekend (2). Op 17 mei 2011 is het memorandum van overeenstemming over de specifieke economische beleidsvoorwaarden (het „memorandum van overeenstemming”) tussen de Commissie en de Portugese autoriteiten ondertekend. Sindsdien heeft de Raad op basis van artikel 126, lid 7, VWEU twee nieuwe aanbevelingen tot Portugal gericht, op 9 oktober 2012 en 21 juni 2013, waarbij de termijn voor de correctie van het buitensporig tekort verlengd is tot respectievelijk 2014 en 2015. In beide aanbevelingen was de Raad van oordeel dat Portugal doeltreffende actie had ondernomen, maar dat zich onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met ernstige negatieve weerslag op de openbare financiën hadden voorgedaan (3).

(4)

Overeenkomstig artikel 126, lid 8, VWEU heeft de Raad op 12 juli 2016 besloten dat Portugal geen effectief gevolg had gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 21 juni 2013.

(5)

Indien uit feitelijke gegevens als bedoeld in Verordening (EG) nr. 479/2009 blijkt dat een deelnemende lidstaat een buitensporig tekort niet heeft gecorrigeerd binnen de termijnen die in een aanbeveling op grond van artikel 126, lid 7, VWEU zijn voorgeschreven, dient de Raad onmiddellijk een besluit te nemen op grond van artikel 126, lid 9, VWEU.

(6)

In de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie wordt gerekend op een bescheiden herstel van de Portugese economie. In 2016 wordt verwacht dat het reële bbp met 1,5 % — hetzelfde tempo als in 2015 — zal toenemen, voornamelijk onder impuls van de binnenlandse vraag bij nog steeds aanzienlijke macro-economische onevenwichtigheden. Voorspeld wordt dat de particuliere consumptie in 2016 aan dynamiek zal inboeten als gevolg hogere indirecte belastingen en een kleine opleving van de energieprijsinflatie. Het krachtige herstel in de consumptie van duurzame goederen in de eerste helft van 2015 zal naar verwachting niet gehandhaafd kunnen worden op de middellange termijn, aangezien aangenomen wordt dat de nog altijd hoge werkloosheid en schuldniveaus een opwaartse druk zullen blijven uitoefenen op de gezinsbesparingen. De bedrijfsinvesteringen zijn reeds aanzienlijk vertraagd in de tweede helft van 2015 en ondanks een relatief hoge bezettingsgraad wordt niet verwacht dat het vroegere groeipercentage van de bedrijfsinvesteringen binnenkort zal hervatten. De totale investeringen zullen naar verwachting in 2017 opnieuw enigszins aantrekken, ondersteund door de EU-structuurfondsen en de verbetering van de financieringsvoorwaarden. Volgens de prognoses zal de uitvoer toenemen in lijn met de buitenlandse vraag, maar de invoer zal naar verwachting nog steeds de uitvoer overtreffen. Bijgevolg zal de bijdrage van de nettohandel aan de bbp-groei vermoedelijk licht negatief blijven, zij het beduidend minder dan in 2015. Verwacht wordt dat de inflatie volgens het geharmoniseerde indexcijfer van de consumptieprijzen (GICP) zal stijgen tot 0,7 % in 2016, voornamelijk als gevolg van hogere indirecte belastingen. Hoewel de neerwaartse risico's voor de economische vooruitzichten sinds de publicatie van de voorjaarsprognoses zijn toegenomen, bevestigen de data over het eerste kwartaal van 2016 en de voorlopige gegevens over het tweede kwartaal in het algemeen de in de prognoses opgenomen vooruitzichten voor de rest van het jaar.

(7)

Volgens de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie zal het overheidstekort in 2016 naar verwachting tot 2,7 % van het bbp afnemen. In de begroting 2016, die op 31 maart 2016 in werking is getreden, wordt gemikt op een tekort van 2,2 % van het bbp, hetgeen in het stabiliteitsprogramma 2016 werd bevestigd. Het verschil tussen het streefcijfer van de regering en de prognose van de Commissie is toe te schrijven aan het minder optimistische macro-economische scenario van de Commissie, hetgeen resulteert in lagere belastinginkomsten en meer sociale uitgaven, alsook de meer conservatieve inschatting door de Commissie van de opbrengsten van sommige consolidatiemaatregelen, in het bijzonder met betrekking tot de geplande bezuinigingen inzake intermediair verbruik en andere lopende uitgaven. Volgens de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie zal het overheidstekort verder afnemen tot 2,3 % van het bbp in 2017. De geraamde verbetering houdt grotendeels verband met een tekortverlagende eenmalige operatie die betrekking heeft op de verwachte inning van de bankgarantie voor de Banco Privado Português (BPP) ten belope van ongeveer

Formula

 % van het bbp. Gecorrigeerd voor dit eenmalig begrotingseffect zal het tekort in 2017 naar schatting 2,6 % van het bbp bedragen. Op basis van de inschatting van de Commissie van de opbrengsten van de in de begroting 2016 en het stabiliteitsprogramma 2016 aangegeven maatregelen, zal het structurele tekort volgens de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie naar verwachting in 2016 en 2017 jaarlijks met

Formula

 % van het bbp verslechteren.

(8)

De bruto-overheidsschuldquote heeft zich in de periode 2013-2015 min of meer gestabiliseerd en bedroeg 129,2 % in 2013, 130,2 % in 2014 en 129,0 % in 2015. Rekening houdend met aanzienlijke schuldverlagende stock-flow adjustments in 2016 en aanhoudende primaire overschotten wordt in de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie ervan uitgegaan dat de schuldquote in 2016 zal dalen tot 126 % van het bbp en vervolgens in 2017 zal afnemen tot 124,5 % van het bbp. Er lijkt geen aanzienlijk gevaar te bestaan dat de Portugese begroting op korte termijn onder druk komt te staan, hoewel het niet valt uit te sluiten dat zich op korte termijn problemen voordoen (als gevolg van de bruto- en netto-overheidsschuld, brutofinancieringsbehoeften, de internationale netto-investeringspositie en het niveau en de wijziging van het percentage oninbare leningen of algemene kapitaalbehoeften in het bankwezen). Op middellange termijn lijken de risico's significant wegens de grote omvang van de schuld en de grote gevoeligheid van de schuldquote voor mogelijke renteverhogingen en negatieve schokken in de nominale groei. Op voorwaarde dat stelselmatig toereikende structurele primaire saldi worden gehandhaafd, lijken de houdbaarheidsrisico's op lange termijn gering dankzij de reeds doorgevoerde pensioenhervormingen.

(9)

In het kader van de in de begroting 2016 opgenomen budgettaire beleidsmaatregelen zou het overheidstekort in 2016 onder 3 % van het bbp liggen. Volgens de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie is de veiligheidsmarge om een overschrijding van de referentiewaarde van het Verdrag te voorkomen, echter bijzonder klein. Tegen de achtergrond van aanzienlijke onzekerheden betreffende de economische en budgettaire ontwikkelingen moeten de begrotingsdoelstellingen die worden aanbevolen voor het correctiejaar op een duidelijk lager niveau dan de in het Verdrag bepaalde referentiewaarde van 3 % van het bbp worden vastgesteld om een duurzame correctie van het buitensporig tekort binnen de gevraagde termijn te waarborgen.

(10)

In het kader van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1467/97 moet de Raad in zijn overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU vastgestelde besluit met de aanmaning om maatregelen te treffen om het tekort te verminderen, eisen dat de lidstaat jaarlijkse begrotingsdoelstellingen moet realiseren die op grond van de aan de aanmaning ten grondslag liggende prognoses stroken met een benchmark die overeenstemt met een minimale jaarlijkse verbetering van ten minste 0,5 % van het bbp in zijn conjunctuurgezuiverde begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en tijdelijke maatregelen. Aangezien dat besluit in de tweede helft van het jaar is vastgesteld en rekening houdende met de huidige ramingen van de Commissie in de voorjaarsprognoses, is er voldoende grond om voor 2016 genoegen te nemen met een ongewijzigd structureel saldo om te voorzien in een veiligheidsmarge die toereikend is om een duurzame correctie van het buitensporig tekort tot stand te brengen.

(11)

Opdat het aanpassingstraject geloofwaardig en houdbaar is, is het dus noodzakelijk dat Portugal in 2016 een overheidstekort van 2,5 % van het bbp realiseert, hetgeen spoort met een ongewijzigd structureel saldo voor 2015. In die budgettaire doelstellingen wordt ermee rekening gehouden dat moet worden gecompenseerd voor de tweede-ronde-effecten van de begrotingsconsolidatie op de overheidsfinanciën, via de impact ervan op de economie in het algemeen.

(12)

In de tekortdoelstelling waarvan in het voorgestelde aanpassingstraject wordt uitgegaan, wordt geen rekening gehouden met het mogelijke directe budgettaire gevolg van eventuele maatregelen ter ondersteuning van het bankwezen in de tweede helft van 2016. Dit komt omdat er aanzienlijke onzekerheid is betreffende de daadwerkelijke uitvoering en statistische verwerking van deze maatregelen, en dus hun mogelijke impact op het tekort en de schuld. Bij alle eventuele maatregelen ter ondersteuning van het bankwezen moet ernaar gestreefd worden de budgettaire impact zo beperkt mogelijk te houden om de houdbaarheid van de schuld te waarborgen.

(13)

Om de begrotingsdoelstellingen te verwezenlijken waarin in het voorgestelde aanpassingstraject wordt uitgegaan, worden aanvullende consolidatiemaatregelen met een geraamd effect van 0,25 % van het bbp in 2016 noodzakelijk geacht, mede gelet op de structurele verslechtering die in de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie is vastgesteld. Portugal moet met name uitvoering geven aan de in de begroting 2016 opgenomen maatregelen en het mechanisme voor uitgavencontrole bij de aanbesteding van goederen en diensten, hetgeen momenteel wordt benadrukt in het stabiliteitsprogramma 2016. Deze besparingen zouden aangevuld moeten worden met andere maatregelen van structurele aard die gericht zouden kunnen zijn op de ontvangstenzijde met het oog op een verhoging van de opbrengsten uit indirecte belastingen door een verbreding van de belastinggrondslag en een beperking van de aftrekregelingen. Dit kan onder meer door het nog steeds grootschalige gebruik van verlaagde btw-tarieven te beperken.

(14)

Daarnaast moet Portugal de structurele hervormingen versterken om het concurrentievermogen en de duurzame groei op lange termijn te bevorderen overeenkomstig de in het kader van het Europees semester tot Portugal gerichte aanbevelingen van de Raad, en in het bijzonder die welke betrekking hebben op de correctie van zijn buitensporige macro-economische onevenwichtigheden. Er zijn met name verdere structurele begrotingsmaatregelen noodzakelijk om de veerkracht van de Portugese overheidsfinanciën te vergroten. Met een tijdige en onverkorte uitvoering van de hervormde budgettaire kaderwet en de wet op de beheersing van de verplichtingen en verdere verbeteringen op het vlak van de belastinginning en de uitgavencontrole kan aanzienlijk worden bijgedragen tot de verwezenlijking en handhaving van een robuuste begrotingssituatie. Portugal moet een duidelijk tijdschema voorleggen en stappen ondernemen om de achterstallen in de gezondheidssector volledig weg te werken en de doeltreffendheid van deze sector te verbeteren, de afhankelijkheid van het pensioenstelsel van overdrachten uit de begroting te verminderen en budgettaire besparingen te realiseren bij de herstructurering van overheidsbedrijven.

(15)

Overeenkomstig artikel 126, lid 9, VWEU kan de Raad in het kader van zijn aanmaningsbesluit krachtens die bepaling, de betrokken lidstaat verzoeken volgens een nauwkeurig tijdschema verslag uit te brengen over de aanpassingsinspanning. Overeenkomstig artikel 5, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97 moet het verslag van de lidstaat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten vermelden, de budgettaire beleidsmaatregelen aan zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde specificeren en informatie bevatten over de in reactie op de specifieke aanbevelingen van de Raad ondernomen beleidsactie. Om de controle op de inachtneming van zowel de termijn voor de naleving van de in dit besluit opgenomen aanbevelingen als de termijn voor de correctie van het buitensporig tekort te vergemakkelijken, moet Portugal een dergelijk verslag uiterlijk 15 oktober 2016 indienen, samen met het ontwerpbegrotingsplan van Portugal voor 2017.

(16)

Binnen dezelfde termijn van 15 oktober 2016 moet Portugal ook een economisch partnerschapsprogramma voorleggen overeenkomstig artikel 9, lid 1, en artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4). In het economisch partnerschapsprogramma moeten de beleidsmaatregelen en structurele hervormingen worden beschreven die noodzakelijk zijn voor een effectieve en duurzame correctie van het buitensporig tekort, in de vorm van een nadere uitwerking van het nationale hervormingsprogramma en het stabiliteitsprogramma, dit alles met volledige inachtneming van de aanbevelingen van de Raad betreffende de tenuitvoerlegging van de geïntegreerde richtsnoeren voor het economisch en werkgelegenheidsbeleid.

(17)

Zoals voorgeschreven bij artikel 10 van Verordening (EU) nr. 473/2013 van de Raad moet Portugal ook conform de in Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 877/2013 van de Commissie (5) vastgelegde specificaties aan de Commissie en het Economisch en Financieel Comité verslag uitbrengen. Het verslag moet uiterlijk 15 januari 2017 voor de eerste keer worden ingediend en vervolgens om de drie maanden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Portugal maakt uiterlijk in 2016 een einde aan de huidige buitensporigtekortsituatie.

2.   Portugal vermindert het overheidstekort tot 2,5 % van het bbp in 2016. In dit streefcijfer wordt geen rekening gehouden met de directe gevolgen van potentiële maatregelen ter ondersteuning van het bankwezen. Deze verbetering van het overheidstekort spoort met een ongewijzigd structureel saldo met betrekking tot 2015, op basis van de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie. Portugal wendt alle meevallers aan om de tekort- en de schuldreductie te bespoedigen.

3.   Naast de besparingen die reeds in de voorjaarsprognoses 2016 van de Commissie zijn opgenomen, stelt Portugal consolidatiemaatregelen vast met een waarde van 0,25 % van het bbp in 2016 en voert het deze volledig uit. Portugal geeft met name volledig uitvoering aan de consolidatiemaatregelen die zijn opgenomen in de begroting 2016, met inbegrip van de in het stabiliteitsprogramma vermelde extra uitgavencontrole bij de aanbesteding van goederen en diensten. Portugal vult die besparingen aan met verdere maatregelen van structurele aard om de aanbevolen structurele inspanningen te verwezenlijken.

4.   Portugal staat klaar om verdere maatregelen te nemen mochten de risico's voor de begrotingsplannen werkelijkheid worden. De budgettaire consolidatiemaatregelen waarborgen een blijvende verbetering van het structurele saldo van de overheid op groeivriendelijke wijze.

5.   Om een duurzame verbetering van de overheidsfinanciën te bewerkstelligen, voert Portugal onverkort de budgettaire kaderwet en de wet op de beheersing van de verplichtingen uit en brengt het verdere verbeteringen op het vlak van belastinginning en uitgavencontrole tot stand. Portugal legt een duidelijk tijdschema voor en onderneemt stappen om de achterstallen in de gezondheidssector volledig weg te werken en de doeltreffendheid van deze sector te verbeteren, de afhankelijkheid van het pensioenstelsel van overdrachten uit de begroting te verminderen en budgettaire besparingen te realiseren bij de herstructurering van overheidsbedrijven.

Artikel 2

De Raad stelt 15 oktober 2016 vast als uiterste datum voor Portugal om doeltreffende actie te ondernemen en een verslag bij de Raad en de Commissie in te dienen over het gevolg dat aan dit besluit is gegeven. Het verslag bevat de doelstellingen voor de overheidsuitgaven en -ontvangsten en specificeert de discretionaire maatregelen aan zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde, alsook informatie over de overeenkomstig artikel 1, lid 5, genomen maatregelen

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.

Gedaan te Brussel, 8 augustus 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

M. LAJČÁK


(1)  Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).

(2)  Uitvoeringsbesluit 2011/344/EU van de Raad van 30 mei 2011 tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Portugal, PB L 159 van 17.6.2011, blz. 88.

(3)  Alle documenten in verband met de buitensporigtekortprocedure van Portugal zijn te vinden op: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/deficit/countries/portugal_en.htm

(4)  Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone ( PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 877/2013 van de Commissie van 27 juni 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone (PB L 244 van 13.9.2013, blz. 23).


10.6.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 148/46


BESLUIT (EU) 2017/986 VAN DE RAAD

van 8 juni 2017

houdende verlenging van de ambtstermijn van een plaatsvervangend uitvoerend directeur van Europol

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Verordening (EU) 2016/794 van het Europees Parlement en de Raad van 11 mei 2016 betreffende het Agentschap van de Europese Unie voor samenwerking op het gebied van rechtshandhaving (Europol) en tot vervanging en intrekking van de Besluiten 2009/371/JBZ, 2009/934/JBZ, 2009/935/JBZ, 2009/936/JBZ en 2009/968/JBZ van de Raad (1), en met name artikel 54, leden 3 tot en met 5,

Handelend als het gezag dat bevoegd is tot aanstelling van de directeur en de plaatsvervangend uitvoerend directeuren van Europol,

Gezien het voorstel van de raad van bestuur van Europol van 19 mei 2017,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De heer Wilhelmus Martinus VAN GEMERT is bij de handeling van de Raad van 11 februari 2014 (2) benoemd als plaatsvervangend uitvoerend directeur van Europol. De ambtstermijn van de heer Wilhelmus Martinus VAN GEMERT verstrijkt op 30 april 2018.

(2)

De plaatsvervangend uitvoerend directeuren van Europol worden benoemd voor een periode van vier jaar die overeenkomstig artikel 54, lid 4, van Verordening (EU) 2016/794 éénmaal kan worden verlengd.

(3)

In het besluit van de raad van bestuur van Europol van 1 mei 2017 wordt de procedure uiteengezet voor de verlenging van de ambtstermijn van de plaatsvervangend uitvoerend directeuren van Europol.

(4)

De raad van bestuur heeft het Europees Parlement op 10 mei 2017 in kennis gesteld van zijn voornemen om de Raad voor te stellen de ambtstermijn van de heer Wilhelmus Martinus VAN GEMERT te verlengen.

(5)

De raad van bestuur heeft de Raad in een advies voorgesteld de ambtstermijn van de plaatsvervangend uitvoerend directeur van Europol, de heer Wilhelmus Martinus VAN GEMERT, te verlengen en diens rang vast te stellen op het niveau AD 14.

(6)

Uitgaande van het advies van de raad van bestuur wenst de Raad de ambtstermijn van de heer Wilhelmus Martinus VAN GEMERT als plaatsvervangend uitvoerend directeur van Europol te verlengen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De ambtstermijn van de heer Wilhelmus Martinus VAN GEMERT als plaatsvervangend uitvoerend directeur van Europol wordt verlengd van 1 mei 2018 tot en met 30 april 2022 op het niveau van rang AD 14, salaristrap 1.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van zijn bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 8 juni 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

U. REINSALU


(1)   PB L 135 van 24.5.2016, blz. 53.

(2)   PB C 44 van 15.2.2014, blz. 3.