ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 135

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
24 mei 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) 2017/880 van de Commissie van 23 mei 2017 tot vaststelling van voorschriften voor het toepassen van maximumwaarden voor residuen vastgesteld voor een farmacologisch werkzame stof in een bepaald levensmiddel op een ander levensmiddel dat afkomstig is van dezelfde diersoort, en het toepassen van maximumwaarden voor residuen, vastgesteld voor een farmacologisch werkzame stof in een of meer diersoorten op andere diersoorten, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/881 van de Commissie van 23 mei 2017 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 763/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende volks- en woningtellingen, wat de modaliteiten en de structuur van de kwaliteitsverslagen en het technisch formaat voor de indiening van gegevens betreft, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1151/2010 ( 1 )

6

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/882 van de Commissie van 23 mei 2017 betreffende de afwijkingen van de oorsprongsregels vastgesteld in Protocol nr. 1 bij de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-lidstaten anderzijds, die van toepassing zijn binnen een contingent voor bepaalde producten uit Namibië

15

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/883 van de Raad van 11 mei 2017 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden (Begrotingsonderdeel 12.02.01)

18

 

*

Besluit (EU) 2017/884 van de Raad van 22 mei 2017 tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk Zweden

21

 

*

Besluit (EU) 2017/885 van de Raad van 22 mei 2017 tot benoeming van een plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Bondsrepubliek Duitsland

22

 

*

Besluit (EU) 2017/886 van de Raad van 22 mei 2017 tot benoeming van drie leden en zes plaatsvervangende leden van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Tsjechische Republiek

23

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/887 van de Commissie van 22 mei 2017 betreffende maatregelen om de insleep in de Unie van het mond-en-klauwzeervirus uit Tunesië te voorkomen en tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/675 (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 3221)  ( 1 )

25

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/888 van de Commissie van 22 mei 2017 tot wijziging van Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning als officieel tuberculosevrij van de regio Umbria in Italië en de erkenning als vrij van enzoötische boviene leukose van Polen, tot wijziging van Beschikking 2004/558/EG wat betreft de erkenning als vrij van infectieuze boviene rhinotracheïtis van Duitsland, en tot wijziging van Beschikking 2008/185/EG wat betreft de erkenning als vrij van de ziekte van Aujeszky van bepaalde regio's in Polen en de goedkeuring van het programma voor de uitroeiing van de ziekte van Aujeszky voor de regio Veneto in Italië (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 3239)  ( 1 )

27

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/889 van de Commissie van 23 mei 2017 tot aanmerking van de Unie der Comoren als derde land dat niet meewerkt bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij

35

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/1


VERORDENING (EU) 2017/880 VAN DE COMMISSIE

van 23 mei 2017

tot vaststelling van voorschriften voor het toepassen van maximumwaarden voor residuen vastgesteld voor een farmacologisch werkzame stof in een bepaald levensmiddel op een ander levensmiddel dat afkomstig is van dezelfde diersoort, en het toepassen van maximumwaarden voor residuen, vastgesteld voor een farmacologisch werkzame stof in een of meer diersoorten op andere diersoorten, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Farmacologisch werkzame stoffen worden ingedeeld op basis van een advies betreffende maximumresidugehalten (hierna „MRL's” genoemd) dat het Europees Geneesmiddelenbureau (hierna „het EMA” genoemd) geeft. Een dergelijk advies bestaat uit een wetenschappelijke risicobeoordeling en overwegingen inzake risicomanagement.

(2)

Bij de uitvoering van een wetenschappelijke risicobeoordeling en de opstelling van aanbevelingen inzake risicomanagement moet het EMA overwegen MRL's van een farmacologisch werkzame stof die voor een bepaald levensmiddel zijn vastgesteld, toe te passen op een ander levensmiddel dat afkomstig is van dezelfde diersoort, of MRL's van een farmacologisch werkzame stof die voor een of meer diersoorten zijn vastgesteld, toe te passen op andere diersoorten bij extrapolatie om de beschikbaarheid van toegelaten geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik voor aandoeningen van voedselproducerende diersoorten te vergroten.

(3)

Extrapolatie van MRL's betreft het proces waarbij residuniveaus in weefsels of levensmiddelen van een voedselproducerende diersoort waarvoor MRL's bestaan, worden gebruikt om residuniveaus te schatten en MRL's vast te stellen voor een weefsel of levensmiddel van een andere diersoort of ander weefsel of een ander levensmiddel van dezelfde diersoort waarvoor geen of geen volledige conventionele gegevens beschikbaar zijn. Voor de juiste toepassing van Verordening (EC) nr. 470/2009 moeten beginselen en minimumcriteria voor extrapolatie worden vastgesteld.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

In deze verordening worden beginselen en minimumcriteria vastgesteld voor het toepassen van MRL's van een farmacologisch werkzame stof die voor een bepaald levensmiddel zijn vastgesteld, op een ander levensmiddel dat afkomstig is van dezelfde diersoort, en MRL's die voor een of meer diersoorten zijn vastgesteld, op andere diersoorten („extrapolatie”).

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „referentiesoort/referentielevensmiddel/referentieweefsel”: een soort/levensmiddel/weefsel waarvoor op basis van passende en volledige gegevens MRL's zijn vastgesteld;

2.   „desbetreffende soort/levensmiddel/weefsel”: een soort/levensmiddel/weefsel waarvoor extrapolatie wordt overwogen;

3.   „gangbare soorten”: runderen, schapen voor vlees, varkens, kippen waaronder eieren en zalmachtigen;

4.   „minder gangbare soorten”: andere soorten dan de gangbare soorten;

5.   „aanverwante soorten”: soorten die tot dezelfde categorie voedselproducerende soorten herkauwers, zoogdieren met een enkelvoudige maag, zoogdieren, vogels of vissen;

6.   „niet-verwante soorten”: soorten die tot andere categorieën van voedselproducerende soorten behoren.

Artikel 3

Beginselen voor extrapolatie

Het EMA overweegt de extrapolatie van MRL's indien voor de farmacologisch werkzame stof een MRL of de status „geen MRL nodig” is vastgesteld en voor de desbetreffende soort een van de volgende omstandigheden van toepassing is:

1.

de soort is verwant aan een gangbare referentiesoort waarvoor voor het desbetreffende weefsel/levensmiddel MRL's zijn vastgesteld of waarvoor de status „geen MRL nodig” geldt;

2.

de soort is verwant aan een minder gangbare referentiesoort waarvoor voor het desbetreffende weefsel/levensmiddel MRL's zijn vastgesteld of waarvoor de status „geen MRL nodig” geldt;

3.

de soort is niet verwant aan de referentiesoort waarvoor voor het desbetreffende weefsel/levensmiddel MRL's zijn vastgesteld of waarvoor de status „geen MRL nodig” geldt;

4.

voor de desbetreffende soort is een MRL vastgesteld, maar voor het desbetreffende weefsel/levensmiddel niet.

Artikel 4

Minimumcriteria voor extrapolatie

Het EMA mag uitsluitend tot extrapolatie overgaan indien aan alle onderstaande voorwaarden is voldaan:

a)

het EMA beschikt over een volledige set residugegevens betreffende de referentiesoort;

b)

er is vastgesteld in welke mate de farmacologisch werkzame stof in de referentiesoort is gemetaboliseerd;

c)

voor de referentiesoort is een geschikte gevalideerde analysemethode beschikbaar;

d)

bij de overweging om tussen niet-verwante soorten te extrapoleren, wordt de overeenkomst tussen de metabolische profielen van de referentiesoort en de desbetreffende soort vastgesteld;

e)

de geëxtrapoleerde MRL's leiden tot een theoretische maximale dagelijkse inname (TMDI) die de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) niet overschrijdt;

f)

voor stoffen waarbij het indicatorresidu de oorspronkelijke verbinding niet bevat, is bevestigd dat het indicatorresidu in de desbetreffende soort/het desbetreffende levensmiddel aanwezig is;

g)

in geval van extrapolatie tussen verschillende levensmiddelen is een ongebruikt deel van de ADI beschikbaar voor het extra levensmiddel.

Artikel 5

Extrapolatie van gangbare naar verwante minder gangbare diersoorten

Bij de overweging om MRL's van gangbare referentiesoorten naar desbetreffende minder gangbare soorten binnen de verwante categorie soorten te extrapoleren, past het EMA de volgende criteria toe:

a)

extrapolatie van de MRL's van de referentiesoort naar de desbetreffende soort op één-op-één basis is mogelijk indien de oorspronkelijke verbinding het indicatorresidu in de referentiesoort is;

b)

indien de oorspronkelijke verbinding niet het indicatorresidu in de referentiesoort is, mag van de aanvrager bevestiging worden verlangd dat het indicatorresidu in de desbetreffende weefsels/levensmiddelen aanwezig is;

c)

de vastgestelde MRL's worden geëxtrapoleerd overeenkomstig het model in de bijlage;

d)

het weefsel/levensmiddel van de gangbare en minder gangbare soort is hetzelfde;

e)

de status „geen MRL nodig” mag rechtstreeks naar de desbetreffende soort worden geëxtrapoleerd.

Artikel 6

Extrapolatie tussen niet-verwante soorten en van een minder gangbare referentiesoort naar een desbetreffende gangbare soort

Bij de overweging om MRL's van niet-verwante soorten en van een minder gangbare referentiesoorten naar een desbetreffende gangbare soort te extrapoleren, past het EMA de volgende criteria toe:

a)

één-op-één extrapolatie van een minder gangbare naar een gangbare soort kan alleen gerechtvaardigd zijn in gevallen waarin duidelijk is dat het metabolisme in de referentiesoort en de desbetreffende soort vergelijkbaar zijn;

b)

indien extrapolatie tussen niet-verwante soorten (waaronder minder gangbare soorten) wordt overwogen, mag van de aanvrager ondersteunende specifieke informatie betreffende de stof worden verlangd over de overeenkomst in metabolisme tussen de referentiesoort en de desbetreffende soort;

c)

indien voor meer dan een niet-verwante soort MRL's zijn vastgesteld, wordt de set van MRL's die tot de laagste inname door de consument leidt, op één-op-één basis naar de desbetreffende soort geëxtrapoleerd;

d)

per geval kan het EMA het gebruik van andere specifieke veiligheidsfactoren overwegen om met specifieke onzekerheden in de gegevens rekening te houden;

e)

indien het metabolisme vergelijkbaar is, mag de status „geen MRL nodig” naar de desbetreffende soort worden geëxtrapoleerd;

f)

extrapolatie van MRL's van terrestrische soorten naar vissen met spierweefsel en huid in natuurlijke proporties is rechtstreeks mogelijk indien de oorspronkelijke verbinding het indicatorresidu is en een MRL is vastgesteld voor het spierweefsel van de referentiesoort;

g)

er mag geen extrapolatie van vissen naar zoogdieren/vogelsoorten plaatsvinden.

Artikel 7

Extrapolatie tussen levensmiddelen

Bij de overweging om tussen levensmiddelen te extrapoleren, past het EMA de volgende criteria toe:

a)

voor extrapolatie tussen levensmiddelen wordt het laagst vastgestelde MRL in de soort als uitgangspunt gekozen voor afleiding van het MRL in het desbetreffende levensmiddel;

b)

ook het gebruik van het resterende deel van de ADI als uitgangspunt en rechtstreekse berekening van het MRL is mogelijk;

c)

daarnaast wordt voor de schatting van de blootstelling een conservatieve schatting van de verhouding van het indicatorresidu tot de totale residuen gebruikt om de TMDI te berekenen;

d)

voor extrapolatie tussen levensmiddelen kan het nodig zijn de waarden van de MRL's aan te passen om rekening te houden met verschillen in consumptiecijfers;

e)

wanneer binnen dezelfde soort een MRL van andere weefsels naar melk wordt geëxtrapoleerd, wordt rekening gehouden met de fysisch-chemische kenmerken van de werkzame stof en hoe deze kenmerken kunnen zijn op accumulatie in melk. Het gebruik van de laagste verhouding van het indicatorresidu tot de totale residuen kan een aanvaardbaar uitgangspunt zijn om de voor melk te gebruiken verhouding te bepalen;

f)

er mag geen extrapolatie van pluimveeweefsels naar eieren van pluimvee plaatsvinden;

g)

bij extrapolatie van MRL's naar honing worden de volgende punten in overweging genomen:

i)

van de aanvrager kunnen fysisch-chemische en biologische gegevens worden verlangd betreffende de stabiliteit van het indicatorresidu en waarschijnlijke (belangrijke) afbraakproducten en de mogelijke vorming daarvan;

ii)

rekening houdend met een gewenste wachttermijn van nul dagen voor honing, moet uit de residugegevens blijken dat de beoogde toepassing van de stof bij bijen tot een veilig residugehalte in honing leidt zonder een wachttermijn toe te passen. Dergelijke gegevens mogen ook worden gebruikt voor het afleiden van het MRL;

iii)

MRL's mogen uitsluitend naar honing worden geëxtrapoleerd indien informatie beschikbaar is om de toxicologische relevantie van de belangrijkste residuen (met inbegrip van afbraakproducten) in honing te bevestigen en indien duidelijk is dat honing van behandelde bijen zelfs zonder toepassing van een wachttermijn residuen onder het MRL bevatten.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.


BIJLAGE

Extrapolatie van gangbare naar minder gangbare diersoorten:

Categorie

Bestaande MRL's

Extrapolatie naar

Herkauwers

runderen (vlees)

alle andere herkauwers (vlees) m.u.v. schapen

schapen (vlees)

alle andere herkauwers (vlees) m.u.v. runderen

runderen en schapen (vlees)

alle herkauwers (vlees)

rundermelk

melk van alle herkauwers

Zoogdieren met een enkelvoudige maag

varkens

alle zoogdieren met een enkelvoudige maag

Vogels

kippen en eieren

pluimvee en eieren van pluimvee

Vissen

zalmachtigen (Salmonidae)

alle vissen

Overige

hetzij runderen, hetzij schapen, hetzij varkens

paarden, konijnen

indien identieke MRL voor herkauwers en zoogdieren met een enkelvoudige maag

alle zoogdieren

indien identieke MRL's voor runderen (of schapen), varkens en kippen

alle voedselproducerende dieren (m.u.v. vis)


24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/881 VAN DE COMMISSIE

van 23 mei 2017

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 763/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende volks- en woningtellingen, wat de modaliteiten en de structuur van de kwaliteitsverslagen en het technisch formaat voor de indiening van gegevens betreft, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1151/2010

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 763/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende volks- en woningtellingen (1), en met name artikel 5, lid 5, en artikel 6, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 763/2008 stelt gemeenschappelijke regels vast voor de tienjaarlijkse indiening van uitvoerige bevolkings- en huisvestingsgegevens.

(2)

In overeenstemming met Verordening (EU) 2017/712 van de Commissie (2) hebben de volgende volks- en woningtellingen betrekking op het referentiejaar 2021.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1151/2010 van de Commissie (3) zijn de modaliteiten en de structuur van de kwaliteitsverslagen en het technische formaat voor de gegevensindiening over de volks- en woningtellingen voor het referentiejaar 2011 vastgesteld.

(4)

Ten behoeve van de volgende volks- en woningtellingen voor het referentiejaar 2021 en teneinde de kwaliteit van de bij de Commissie (Eurostat) ingediende gegevens te beoordelen, is het noodzakelijk om de modaliteiten en de structuur van de kwaliteitsverslagen en het technische formaat voor de gegevensindiening opnieuw vast te stellen.

(5)

Overeenkomstig artikel 5, lid 5, van Verordening (EG) nr. 763/2008 dienen de lidstaten hun gevalideerde gegevens en metagegevens in elektronische vorm te verstrekken in een geschikt, door de Commissie vast te stellen technisch formaat. Het initiatief voor de Statistical Data and Metadata eXchange (SDMX) betreffende statistische en technische standaarden voor het uitwisselen en delen van gegevens en metagegevens, waarop de Census Hub is gebaseerd, is gestart door de Bank voor Internationale Betalingen, de Europese Centrale Bank, de Commissie (Eurostat), het Internationaal Monetair Fonds, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO), de Verenigde Naties en de Wereldbank. SDMX en de Census Hub voorzien in statistische en technische standaarden en indieningsstandaarden ten behoeve van officiële statistieken. Daarom moet er een technisch formaat worden geïntroduceerd dat voldoet aan die normen.

(6)

Uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1151/2010 moeten de lidstaten de gegevens over de volks- en woningtellingen voor het referentiejaar 2011 tot 1 januari 2025 opslaan. Om gebruikers in staat te stellen de twee tellingen te vergelijken, moeten de gegevens over de tellingen van 2011 beschikbaar zijn tot 1 januari 2035, in parallel met de gegevens voor 2021.

(7)

Verordening (EU) nr. 1151/2010 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening zijn de modaliteiten en de structuur van de kwaliteitsverslagen van de lidstaten over de kwaliteit van de door hen aan de Commissie (Eurostat) geleverde gegevens van hun volks- en woningtellingen voor het referentiejaar 2021 en het technische formaat voor de gegevensindiening vastgesteld.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities en de technische specificaties vervat in Verordening (EG) nr. 763/2008, Uitvoeringsverordening (EU) 2017/543 van de Commissie (4) en Verordening (EU) 2017/712.

De volgende definities zijn eveneens van toepassing:

1.   „statistische eenheid”: de elementaire waarnemingseenheid, namelijk een natuurlijk persoon, een huishouden, een gezin, een woonverblijf of een conventionele woning;

2.   „individuele opsomming”: de verzameling van informatie over elke statistische eenheid zodat de kenmerken ervan afzonderlijk kunnen worden opgeslagen en met andere kenmerken kunnen worden gekruist;

3.   „gelijktijdigheid”: de bij een telling verkregen informatie betreft hetzelfde tijdstip (referentiedatum);

4.   „universaliteit binnen een vastgesteld gebied”: de gegevens worden verstrekt voor alle statistische eenheden binnen een nauwkeurig vastgesteld gebied. Wanneer de statistische eenheden uit personen bestaan, houdt „universaliteit binnen een vastgesteld gebied” in dat er gegevens worden verstrekt die zijn gebaseerd op informatie voor alle personen die hun gewone verblijfplaats in het vastgestelde gebied hebben (totale populatie);

5.   „beschikbaarheid van gegevens voor kleine gebieden”: de beschikbaarheid van gegevens voor kleine geografische gebieden en kleine groepen van statistische eenheden;

6.   „vastgestelde periodiciteit”: de regelmatige uitvoering van tellingen aan het begin van elk decennium, inclusief de continuïteit van registers;

7.   „gegevensbron”: de reeks gegevensbestanden voor statistische eenheden en/of gebeurtenissen in verband met statistische eenheden, die een rechtstreekse basis vormt voor de productie van tellingsgegevens over een of meer gespecificeerde thema's voor een gespecificeerde doelpopulatie;

8.   „doelpopulatie”: de reeks van alle statistische eenheden in een vastgesteld geografisch gebied op de referentiedatum die in aanmerking komen voor rapportage over een of meer specifieke thema's. Elke geldige statistische eenheid komt hier slechts één keer in voor;

9.   „geschatte doelpopulatie”: de beste beschikbare raming van de doelpopulatie. De geschatte doelpopulatie bestaat uit de getelde populatie plus de onderdekking min de overdekking;

10.   „getelde populatie”: de reeks statistische eenheden die feitelijk wordt vertegenwoordigd door de tellingsresultaten over een of meer gespecificeerde thema's voor een gespecificeerde doelpopulatie. De gegevensbestanden voor de getelde populatie zijn de gegevensbestanden in de gegevensbron voor de gespecificeerde doelpopulatie, inclusief alle geïmputeerde bestanden en exclusief alle gewiste bestanden. Omvat een gegevensbron, om methodologische redenen, slechts gegevensbestanden voor een steekproef van de statistische eenheden in zijn geschatte doelpopulatie, dan omvat de getelde populatie, naast de statistische eenheden in de steekproef, de aanvullende reeks van statistische eenheden;

11.   „aanvullende reeks van statistische eenheden”: de reeks van statistische eenheden die deel uitmaken van een geschatte doelpopulatie, maar waarover de gegevensbron geen gegevensbestanden omvat ten gevolge van een toegepaste steekproefmethode;

12.   „dekkingsbeoordeling”: een studie naar het verschil tussen een gespecificeerde doelpopulatie en de getelde populatie daarbinnen;

13.   „enquête na telling”: een enquête die kort na de telling wordt verricht om de dekking en de inhoud te beoordelen;

14.   „onderdekking”: de reeks van alle statistische eenheden die deel uitmaken van een gespecificeerde doelpopulatie, maar niet tot de desbetreffende getelde populatie behoren;

15.   „overdekking”: de reeks van alle statistische eenheden die deel uitmaken van een getelde populatie die wordt gebruikt om verslag te doen over een gespecificeerde doelpopulatie, maar die niet tot die doelpopulatie behoren;

16.   „imputatie van een bestand”: de toerekening van een kunstmatig, maar aannemelijk gegevensbestand aan precies één geografisch gebied op het meest gedetailleerde geografische niveau waarvoor tellingsgegevens zijn geproduceerd, en de imputatie van dat gegevensbestand in een gegevensbron;

17.   „wissen van een bestand”: het wissen of negeren van of geen rekening houden met een gegevensbestand dat is opgenomen in een gegevensbron die is gebruikt om verslag te doen over geldige informatie over een statistische eenheid binnen die doelpopulatie;

18.   „imputatie van een item”: de invoeging van een kunstmatige maar aannemelijke waarde over een specifiek thema in een gegevensbestand dat al in een gegevensbron aanwezig is, maar deze waarde nog niet bevat of een waarde bevat die als niet-aannemelijk wordt beschouwd;

19.   „gegevens op basis van vragenlijsten”: gegevens die oorspronkelijk van respondenten zijn verkregen door middel van een vragenlijst in het kader van een verzameling van statistische gegevens die een gespecificeerd tijdstip betreffen;

20.   „koppelen van bestanden”: het samenvoegen van informatie uit verschillende gegevensbronnen door de bestanden voor de individuele statistische eenheden te vergelijken en de informatie die betrekking heeft op dezelfde statistische eenheid samen te voegen;

21.   „unieke identificator”: een variabele of reeks variabelen in de gegevensbestanden in een gegevensbron of een lijst van statistische eenheden die wordt gebruikt:

om te controleren of de gegevensbron (of de lijst van statistische eenheden) niet meer dan één gegevensbestand voor elke statistische eenheid omvat, en/of

om bestanden te koppelen;

22.   „register”: een drager met informatie over statistische eenheden die rechtstreeks wordt bijgewerkt aan de hand van gebeurtenissen die van invloed zijn op de statistische eenheden;

23.   „gegevens op basis van registers”: gegevens in of afkomstig van een register;

24.   „matchen van registers”: het koppelen van bestanden wanneer alle gematchte gegevensbronnen in registers zijn opgenomen;

25.   „gegevensextractie”: het ophalen van bij tellingen verkregen informatie uit in een register opgeslagen informatie die individuele statistische eenheden betreft;

26.   „coderen”: het omzetten van informatie in codes die klassen binnen een classificatieschema vertegenwoordigen;

27.   „vastleggen”: het omzetten van verzamelde gegevens in een vorm die geschikt is voor verdere verwerking;

28.   „bewerking van bestanden”: het controleren en wijzigen van gegevensbestanden om deze aannemelijk te maken en tegelijkertijd de belangrijkste delen van deze bestanden te behouden;

29.   „genereren van een huishouden”: de identificatie van een particulier huishouden, uitgaande van het begrip huishouden per wooneenheid zoals gedefinieerd in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/543 van de Commissie onder het thema „positie in het huishouden”;

30.   „genereren van een gezin”: de identificatie van een gezin op basis van informatie over de vraag of de personen in hetzelfde huishouden woont, maar zonder of met onvolledige informatie over gezinsrelaties tussen deze personen. De term „gezin” is gespecificeerd als „gezinskern” zoals bedoeld in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/543 onder het thema „positie in het gezin”;

31.   „eenheid non-informatie”: er zijn geen gegevens verzameld bij een statistische eenheid die deel uitmaakt van de getelde populatie;

32.   „controle op openbaarmaking van statistische gegevens”: de toegepaste methoden en procedures om het risico van openbaarmaking van informatie over individuele statistische eenheden zo gering mogelijk te houden wanneer statistische informatie wordt vrijgegeven;

33.   „schatting”: de berekening van statistische schattingen met gebruikmaking van een wiskundige formule en/of algoritme die zijn toegepast op de beschikbare gegevens;

34.   „definitie van de gegevensstructuur”: een reeks structurele metagegevens die samenhangen met een gegevensreeks, die informatie omvat over de wijze waarop thema's worden geassocieerd met de maten, afmetingen en kenmerken van een hyperkubus, samen met uitsplitsingen, informatie over de representatie van gegevens en daarmee samenhangende beschrijvende metagegevens.

Artikel 3

Metagegevens en kwaliteitsrapportage

De lidstaten rapporteren uiterlijk 31 maart 2024 aan de Commissie (Eurostat) de achtergrondinformatie en de kwaliteitgerelateerde gegevens en metagegevens die worden gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening, onder verwijzing naar hun volks- en woningtellingen voor het referentiejaar 2021 en naar de gegevens en metagegevens die bij de Commissie (Eurostat) zijn ingediend overeenkomstig Verordening (EU) 2017/712.

Artikel 4

Gegevensbronnen

De lidstaten rapporteren over elke gegevensbron die wordt gebruikt voor de verzameling van informatie die nodig is om te voldoen aan de voorschriften van Verordening (EG) nr. 763/2008, vooral met de volgende doelen:

a)

voldoen aan de wezenlijke elementen die zijn opgenomen in artikel 2, onder i), van Verordening (EG) nr. 763/2008;

b)

de doelpopulatie vertegenwoordigen;

c)

voldoen aan de toepasselijke technische specificaties van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/543, en

d)

bijdragen aan de indiening van gegevens voor het programma van statistische gegevens vervat in Verordening (EU) 2017/712.

Artikel 5

Toegang tot relevante informatie

1.   De lidstaten verschaffen de Commissie (Eurostat) op haar verzoek toegang tot alle informatie die noodzakelijk is voor de beoordeling van de kwaliteit van de ingevolge Verordening (EU) 2017/712 ingediende gegevens en metagegevens.

2.   Om aan lid 1 te voldoen, zijn de lidstaten niet verplicht om microgegevens of vertrouwelijke gegevens aan de Commissie (Eurostat) te verstrekken.

Artikel 6

Technisch formaat voor de indiening van gegevens

Als technisch formaat voor de indiening van gegevens en metagegevens voor het referentiejaar 2021 wordt het SDMX-formaat (Statistical Data and Metadata eXchange) gebruikt, zoals geïmplementeerd door de Census Hub. Bij het indienen van de vereiste gegevens volgen de lidstaten de definities van de door de Commissie (Eurostat) verstrekte gegevensstructuren en de daarmee samenhangende technische specificaties. De lidstaten slaan de voorgeschreven gegevens en metagegevens op tot 1 januari 2035, zodat deze eventueel later op verzoek van de Commissie (Eurostat) kunnen worden ingediend.

Artikel 7

Wijziging van Verordening (EU) nr. 1151/2010

In artikel 6 van Verordening (EU) nr. 1151/2010 wordt de derde zin vervangen door:

„De lidstaten slaan de gegevens en metagegevens voor het referentiejaar 2011 op tot 1 januari 2035. De lidstaten zijn niet verplicht om deze gegevens na 1 januari 2025 nog te wijzigen of te herzien. De lidstaten die dit wel willen doen, stellen de Commissie (Eurostat) in kennis van de wijzigingen of herzieningen voordat deze worden aangebracht.”.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 218 van 13.8.2008, blz. 14.

(2)  Verordening (EU) 2017/712 van de Commissie van 20 april 2017 tot vaststelling van het referentiejaar en van het programma van de statistische gegevens en metagegevens voor volks- en woningtellingen zoals bedoeld in Verordening (EG) nr. 763/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 105 van 21.4.2017, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 1151/2010 van de Commissie van 8 december 2010 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 763/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende volks- en woningtellingen, wat de modaliteiten en de structuur van de kwaliteitsverslagen en het technisch formaat voor de indiening van gegevens betreft (PB L 324 van 9.12.2010, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/543 van de Commissie van 22 maart 2017 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 763/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende volks- en woningtellingen, wat de technische specificaties voor de thema's en voor de uitsplitsingen daarvan betreft (PB L 78 van 23.3.2017, blz. 13).


BIJLAGE

Inhoud en structuur van de kwaliteitsverslagen voor de indiening van gegevens

De informatie in de tekstuele en kwantitatieve metagegevens over de in de lidstaten gehouden volks- en woningtellingen voor het referentiejaar 2021 omvat de volgende delen:

1.   OVERZICHT

1.1.   Wettelijk kader

1.2.   Verantwoordelijke instanties

2.   GEGEVENSBRONNEN

2.1.   Classificatie van gegevensbronnen overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 763/2008

2.2.   Lijst van gegevensbronnen die voor de telling van 2021 zijn gebruikt

2.3.   Matrix „Gegevensbronnen × thema's”

2.4.   Geschiktheid van gegevensbronnen: mate waarin de gegevensbronnen beantwoorden aan de wezenlijke elementen (artikel 4, lid 4, van Verordening (EG) nr. 763/2008)

2.4.1.    Individuele opsomming

2.4.2.    Gelijktijdigheid

2.4.3.    Universaliteit binnen het vastgestelde gebied

2.4.4.    Beschikbaarheid van gegevens voor kleine gebieden

2.4.5.    Vastgestelde periodiciteit

3.   LEVENSCYCLUS VAN DE TELLING

3.1.   Referentiedatum

De lidstaten verstrekken de referentiedatum aan de Commissie (Eurostat) in overeenstemming met artikel 3 van Verordening (EU) 2017/712.

3.2.   Voorbereiding en uitvoering van gegevensverzameling

3.2.1.   Gegevens op basis van vragenlijsten

ontwerpen en testen van vragenlijsten (inclusief kopieën van alle definitieve vragenlijsten);

voorbereiden van adreslijsten, voorbereiden van het veldwerk, in kaart brengen, publiciteit;

verzamelen van gegevens (inclusief veldwerk);

wettelijke verplichting om informatie te verzamelen, maatregelen om de indiening van juiste informatie te bevorderen of mogelijke redenen voor de indiening van onjuiste informatie.

3.2.2.   Gegevens op basis van registers

opzetten van nieuwe registers vanaf 2011 (indien van toepassing);

wijziging van de bestaande registers vanaf 2011 (inclusief wijzigingen in de inhoud van de registers, aanpassing van de getelde populatie, aanpassing van definities en/of technische specificaties) (indien van toepassing);

onderhoud van de registers (voor elk register dat voor de telling van 2021 wordt gebruikt), inclusief:

inhoud van het register (statistische eenheden en de informatie daarover, elke vorm van bewerking van bestanden en/of imputatie van items en bestanden in het register);

administratieve verantwoordelijkheden;

wettelijke verplichting om informatie te registreren, maatregelen om de indiening van juiste informatie te bevorderen en mogelijke redenen voor de indiening van onjuiste informatie;

termijnen in de verslaglegging, met name wettelijke/officiële termijnen, termijnen voor de registratie van gegevens, te late verslaglegging;

evaluatie en vereffening van niet-registratie, niet-deregistratie, meervoudige registratie;

eventuele belangrijke registerherzieningen of bijwerkingen van bestanden die van invloed zijn op de gegevens van de telling van 2021, periodiciteit van registerherzieningen;

gebruik, inclusief „statistisch gebruik van het register voor andere doeleinden dan voor de telling” en „gebruik van het register voor andere dan statistische doeleinden (bv. administratieve doeleinden)”;

matchen en koppelen van registers (inclusief unieke identificator(en) die is/zijn gebruikt voor het koppelen van bestanden);

extractie van gegevens.

3.2.3.   Door middel van een steekproef verzamelde gegevens

Voor thema's waarvoor informatie is verzameld door middel van een steekproef bevatten de metagegevens ook beschrijvingen van:

de opzet van de steekproef;

de methodologieën die zijn gebruikt voor schattingen, modellen of imputaties;

mogelijke vertekeningen in de schatting als gevolg van de toegepaste methodologieën;

formules en algoritmen, gebruikt om de standaardfout te berekenen.

3.2.4.   Door middel van gecombineerde methoden verzamelde gegevens (gegevens die zijn gebaseerd op meer dan een soort gegevensbron)

Voor thema's waarvoor informatie is verzameld door middel van gecombineerde methoden bevatten de metagegevens ook:

een beschrijving van de methoden (soorten gebruikte gegevensbronnen en hoe informatie uit verschillende bronnen werd gecombineerd, hoe de verschillende gebruikte bronnen en methoden elkaar aanvullen en ondersteunen en, indien van toepassing, welke delen van de bevolking werden bestreken door welke bron);

alle andere kwaliteitsaspecten die verband houden met het gebruik van gecombineerde methoden.

3.3.   Verwerking en evaluatie

3.3.1.   Gegevensverwerking (inclusief vastleggen, coderen, identificeren van variabelen, bewerken van bestanden, imputatie van bestanden, wissen van bestanden, schatting, koppeling van bestanden inclusief de identificatie van variabelen die zijn gebruikt voor het koppelen van bestanden, genereren van huishoudens en gezinnen, maatregelen om „eenheid non-informatie” te identificeren of te beperken)

3.3.2.   Activiteiten met betrekking tot dekkingsbeoordeling, methode om „non-respons” aan te pakken, enquête(s) na telling (indien van toepassing), definitieve validering van gegevens: methode om de onderdekking en de overdekking te beoordelen, inclusief informatie over de kwaliteit van de schattingen van onder- en overdekking

3.4.    Verspreiding (verspreidingskanalen, verzekeren van statistische vertrouwelijkheid inclusief controle op openbaarmaking van statistische gegevens)

3.5.   Maatregelen met het oog op kosteneffectiviteit

4.   BEOORDELING VAN DE GEGEVENSKWALITEIT

4.1.   Vergelijkbaarheid

Voor elk thema moeten de lidstaten verslag doen van elke afwijking van de vereiste definities en begrippen of elke praktijk in de lidstaat die de EU-brede vergelijkbaarheid van de gegevens kan verstoren.

Voor het thema „huidige activiteit” rapporteren de lidstaten over eventuele schattingsmethoden die worden gebruikt om gegevens aan te passen zodat zij beter voldoen aan de definitie zoals vastgelegd in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/543. De lidstaten rapporteren over de mate waarin de gegevensbronnen en eventueel gebruikte schattingsmethoden leiden tot afwijkingen van de definitie van „huidige activiteit” zoals vastgelegd in die verordening.

4.2.   Tijdigheid en punctualiteit

Op nationaal niveau wordt de volgende informatie vermeld:

datum of data van de overdracht van gegevens aan de Commissie (Eurostat), ingedeeld naar hyperkubussen;

datum of data van de belangrijkste herziening(en) van de overgedragen gegevens, ingedeeld naar hyperkubussen;

datum of data van de overdracht van de metagegevens.

In het geval van een belangrijke herziening op of na 1 april 2024 moeten de lidstaten de respectieve datum of data binnen één week afzonderlijk aan de Commissie (Eurostat) rapporteren.

4.3.   Samenhang

De lidstaten rapporteren eventuele significante inconsistenties tussen de gegevens die zijn verzonden in de verschillende gegevensreeksen zoals gedefinieerd in Verordening (EU) 2017/712.

4.4.   Dekking en nauwkeurigheid

Om de dekking aan te geven, worden de volgende absolute waarden verstrekt voor tellingen van personen op nationaal niveau, uitgesplitst naar geslacht en leeftijdsgroep zoals gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/543:

a)

getelde populatie,

b)

totaal aantal imputaties van bestanden,

c)

totaal aantal gewiste bestanden,

d)

onderdekking (geschat),

e)

overdekking (geschat),

f)

geschatte doelpopulatie.

Ten behoeve van de beoordeling van de nauwkeurigheid worden de volgende absolute waarden verstrekt voor tellingen van personen op nationaal niveau, uitgesplitst naar geslacht en leeftijdsgroep zoals gedefinieerd in Uitvoeringsverordening (EU) 2017/543:

a)

getelde populatie;

b)

aantal geobserveerde gegevensbestanden over het thema dat is afgeleid van traditionele tellingen;

c)

aantal geobserveerde gegevensbestanden over het thema dat is afgeleid van administratieve gegevens;

d)

aantal geobserveerde gegevensbestanden over het thema dat is afgeleid van steekproefenquêtes;

e)

aantal geobserveerde gegevensbestanden over het thema dat is afgeleid van meervoudige gegevensbronnen;

f)

de aanvullende reeks van statistische eenheden over het thema (voor steekproeven);

g)

aantal geïmputeerde waarnemingen over het thema;

h)

aantal bestanden met ontbrekende informatie over het thema.

De bovengenoemde absolute waarden voor de beoordeling van de nauwkeurigheid worden verstrekt voor de volgende thema's van de tellingen:

a)

burgerlijke staat (LMS),

b)

positie in het gezin (FST),

c)

positie in het huishouden (HST),

d)

huidige activiteit (CAS),

e)

beroep (OCC),

f)

bedrijfstak (IND),

g)

arbeidssituatie (SIE),

h)

locatie van de arbeidsplaats (LPW),

i)

bereikt opleidingsniveau (EDU),

j)

land/geboorteplaats (POB),

k)

land van staatsburgerschap (COC),

l)

jaar van aankomst in het land sinds 2010 (YAT),

m)

jaar van aankomst in het land sinds 1980 (YAE),

n)

gewone verblijfplaats één jaar voor de telling (ROY),

o)

huisvestingsregelingen (HAR).

4.5.   Volledigheid

De lidstaten rapporteren over de mate van volledigheid van de gegevens in relatie tot de voorschriften van Verordening (EG) nr. 763/2008. Zij verschaffen details over alle thema's van de tellingen of daarmee verbonden uitsplitsingen waarvoor geen gegevens zijn verstrekt.

4.6.   Relevantie

Op het niveau van de Unie wordt informatie over het volgende verstrekt:

a)

maatregelen die worden genomen om de behoeften van de gebruikers te identificeren en hieraan te voldoen;

b)

toezicht op de reikwijdte van de gegevensextracties.


24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/882 VAN DE COMMISSIE

van 23 mei 2017

betreffende de afwijkingen van de oorsprongsregels vastgesteld in Protocol nr. 1 bij de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-lidstaten anderzijds, die van toepassing zijn binnen een contingent voor bepaalde producten uit Namibië

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (1), en met name artikel 58, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Besluit (EU) 2016/1623 (2) heeft de Raad machtiging verleend tot ondertekening, namens de Unie, van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds (3) (hierna „de overeenkomst” genoemd). Tot de SADC-EPO-staten behoren Botswana, Lesotho, Mozambique, Namibië, Swaziland en Zuid-Afrika. In overeenstemming met Besluit (EU) 2016/1623 wordt de overeenkomst voorlopig toegepast, in afwachting van de voltooiing van de procedures voor de sluiting ervan. De voorlopige toepassing van de overeenkomst vangt aan op 10 oktober 2016.

(2)

Protocol 1 bij de overeenkomst heeft betrekking op de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking. Voor een specifiek product, namelijk bereidingen en conserven van witte tonijn (Thunnus alalunga) van GS-post 1604, vervaardigd uit niet van oorsprong zijnde witte tonijn van de GS-posten 0302 of 0303, is in artikel 43 van dat protocol voorzien in een automatische afwijking van de in dat protocol vastgelegde oorsprongsregels in het kader van een jaarlijks aan Namibië toegekend contingent. Daarom dienen de voorwaarden te worden vastgesteld voor de toepassing van deze afwijkingen voor de invoer vanuit Namibië.

(3)

Het in artikel 43, lid 10, van protocol 1 bij de overeenkomst vastgestelde contingent wordt door de Commissie beheerd op basis van de chronologische volgorde van de data van aanvaarding van de douaneaangiften voor het vrije verkeer overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (4).

(4)

Om gebruik te kunnen maken van de tariefconcessies, moet het relevante bewijs van oorsprong aan de douaneautoriteiten worden voorgelegd.

(5)

Teneinde het contingentsysteem waarin het protocol voorziet, vlot te kunnen toepassen, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van dezelfde datum als die van de voorlopige toepassing van de overeenkomst.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De afwijkingen van de oorsprongsregels ten gunste van Namibië die zijn vastgesteld in artikel 43, lid 10, van protocol 1 bij de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds (hierna „de overeenkomst” genoemd), zijn van toepassing binnen het in de bijlage bij deze verordening vastgestelde contingent.

Artikel 2

Om in aanmerking te komen voor de in artikel 1 vastgestelde afwijkingen, moeten de in de bijlage genoemde producten vergezeld gaan van een bewijs van oorsprong, zoals vermeld in bijlage III bij protocol 1 bij de overeenkomst.

De door de bevoegde Namibische autoriteiten krachtens deze verordening afgegeven certificaten inzake goederenverkeer EUR.1 dienen in vak nr. 7 van de volgende aantekening te zijn voorzien: „Derogation — Regulation (EU) 2017/882”.

Artikel 3

Het in de bijlage vastgestelde contingent wordt beheerd overeenkomstig de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 10 oktober 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1.

(2)  Besluit (EU) 2016/1623 van de Raad van 1 juni 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie en de voorlopige toepassing van de economische partnerschapsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en de SADC-EPO-staten, anderzijds (PB L 250 van 16.9.2016, blz. 1).

(3)   PB L 250 van 16.9.2016, blz. 3.

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).


BIJLAGE

Niettegenstaande de regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur wordt de omschrijving van de goederen in de vijfde kolom van deze tabel geacht slechts een indicatieve waarde te hebben. In het kader van deze bijlage wordt het preferentiestelsel bepaald door de GN-codes die van toepassing zijn op het moment van goedkeuring van deze verordening.

Volg-nummer

GN-code

Taric-onderverdeling

Omschrijving

Contingentperiode

Omvang van het contingent (nettogewicht in ton, tenzij anders bepaald)

09.1600

ex 1604 14 41

ex 1604 14 46

ex 1604 14 48

ex 1604 20 70

30

92 , 97

30

92 , 97

Bereidingen en conserven van witte tonijn (Thunnus alalunga) van GS-post 1604 , vervaardigd uit niet van oorsprong zijnde witte tonijn van de GS-posten 0302 of 0303

Van 10.10 t/m 31.12.2016

178

Van 1.1 t/m 31.12.2017 en voor elke daaropvolgende periode van 1.1 t/m 31.12.

800


BESLUITEN

24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/18


BESLUIT (EU) 2017/883 VAN DE RAAD

van 11 mei 2017

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden (Begrotingsonderdeel 12.02.01)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan onder meer Protocol 31 bij die overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst bevat bepalingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden.

(4)

Het is wenselijk om de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst voort te zettenin uit de algemene begroting van de Europese Unie gefinancierde EU-acties met betrekking tot financiële diensten.

(5)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2017 mogelijk te maken.

(6)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerp-besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerp-besluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 11 mei 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

R. GALDES


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.


ONTWERP

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. …/2017

van …

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is wenselijk om de samenwerking voort te zetten tussen de partijen bij de EER-overeenkomst inuit de algemene begroting van de Europese Unie gefinancierde EU-acties met betrekking tot de tenuitvoerlegging en de ontwikkeling van de interne markt voor financiële diensten.

(2)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2017 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In artikel 7, lid 11, van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst worden de woorden „het boekjaar 2016” vervangen door de woorden „de boekjaren 2016 en 2017”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (*1).

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2017.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

De secretarissen van het Gemengd Comité van de EER


(*1)  [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]


24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/21


BESLUIT (EU) 2017/884 VAN DE RAAD

van 22 mei 2017

tot benoeming van een lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door het Koninkrijk Zweden

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Zweedse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangende leden van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld. Op 20 juli 2015 is mevrouw Lotta HÅKANSSON HARJU bij Besluit (EU) 2015/1203 van de Raad (4) als lid vervangen door mevrouw Anna LJUNGDELL.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van mevrouw Anna LJUNGDELL,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot lid benoemd:

mevrouw Camilla JANSON, Ledamot i kommunfullmäktige, Upplands-Bro kommun.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 22 mei 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

E. BARTOLO


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).

(4)  Besluit (EU) 2015/1203 van de Raad van 20 juli 2015 houdende benoeming van drie Zweedse leden en zes Zweedse plaatsvervangers van het Comité van de Regio's (PB L 195 van 23.7.2015, blz. 44).


24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/22


BESLUIT (EU) 2017/885 VAN DE RAAD

van 22 mei 2017

tot benoeming van een plaatsvervangend lid van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Bondsrepubliek Duitsland

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Duitse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio's is een zetel van plaatsvervangend lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Nils WIECHMANN,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020, tot plaatsvervangend lid benoemd:

mevrouw Heike SCHARFENBERGER, Mitglied des Landtags Rheinland-Pfalz.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 22 mei 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

E. BARTOLO


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 tot benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).


24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/23


BESLUIT (EU) 2017/886 VAN DE RAAD

van 22 mei 2017

tot benoeming van drie leden en zes plaatsvervangende leden van het Comité van de Regio's, voorgedragen door de Tsjechische Republiek

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht door de Tsjechische regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 januari 2015, 5 februari 2015 en 23 juni 2015 heeft de Raad de Besluiten (EU) 2015/116 (1), (EU) 2015/190 (2) en (EU) 2015/994 (3) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangende leden van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio's zijn twee zetels van lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heer Josef NOVOTNÝ en van mevrouw Jana VAŇHOVÁ.

(3)

In het Comité van de Regio's is een zetel van lid vrijgekomen vanwege het einde van het mandaat op grond waarvan de heer Ondřej BENEŠÍK (Councillor of Strání municipality) was voorgedragen.

(4)

In het Comité van de Regio's zijn vijf zetels van plaatsvervangend lid vrijgekomen vanwege het einde van de ambtstermijn van de heren Jiří BĚHOUNEK, Jan BIRKE, Stanislav MIŠÁK, Martin NETOLICKÝ en Jiří ROZBOŘIL.

(5)

In het Comité van de Regio's is een zetel van plaatsvervangend lid vrijgekomen door de benoeming van de heer Pavel BRANDA tot lid van dit comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's worden de volgende personen benoemd voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2020:

a)

tot lid:

mevrouw Jaroslava POKORNÁ JERMANOVÁ, Zastupitelka Středočeského kraje,

de heer Ondřej BENEŠÍK, Zastupitel Zlínského kraje (ander mandaat),

de heer Pavel BRANDA, Zastupitel obce Rádlo,

en

b)

tot plaatsvervangend lid:

de heer Zdeněk KARÁSEK, Zastupitel Moravskoslezského kraje,

de heer Pavel PACAL, Zastupitel Kraje Vysočina,

de heer Miroslav KUBÁSEK, Zastupitel Jihomoravského kraje,

de heer Radim SRŠEŇ, Zastupitel Olomouckého kraje,

de heer Věslav MICHALIK, Zastupitel Středočeského kraje,

de heer František JOHN, Zastupitel města Zábřeh.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 22 mei 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

E. BARTOLO


(1)  Besluit (EU) 2015/116 van de Raad van 26 januari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 20 van 27.1.2015, blz. 42).

(2)  Besluit (EU) 2015/190 van de Raad van 5 februari 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 31 van 7.2.2015, blz. 25).

(3)  Besluit (EU) 2015/994 van de Raad van 23 juni 2015 houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2015 tot en met 25 januari 2020 (PB L 159 van 25.6.2015, blz. 70).


24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/25


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/887 VAN DE COMMISSIE

van 22 mei 2017

betreffende maatregelen om de insleep in de Unie van het mond-en-klauwzeervirus uit Tunesië te voorkomen en tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/675

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 3221)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (1), en met name artikel 18, lid 6,

Gezien Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (2), en met name artikel 22, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 91/496/EEG stelt de beginselen vast voor de veterinaire controles voor dieren die uit derde landen in de Unie worden binnengebracht. De richtlijn bepaalt welke maatregelen de Commissie kan nemen indien zich op het grondgebied van een derde land een ziekte voordoet of verspreidt waaraan ernstige gevaren voor de gezondheid van dieren of mensen kunnen zijn verbonden.

(2)

Richtlijn 97/78/EG stelt de beginselen vast voor de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Unie worden binnengebracht. De richtlijn bepaalt welke maatregelen de Commissie kan nemen indien zich op het grondgebied van een derde land een ziekte voordoet of verspreidt waaraan ernstige gevaren voor de gezondheid van dieren of mensen kunnen zijn verbonden.

(3)

Mond-en-klauwzeer is een van de meest besmettelijke ziekten bij runderen, schapen, geiten en varkens. Het virus dat de ziekte veroorzaakt, kan zich zeer snel verspreiden, met name via producten afkomstig van geïnfecteerde dieren en via besmette levenloze objecten, waaronder vervoermiddelen zoals transportvoertuigen voor dieren. Het virus kan tevens naargelang de temperatuur gedurende meerdere weken overleven in een verontreinigde omgeving buiten het gastdier.

(4)

Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/675 van de Commissie (3), dat is vastgesteld naar aanleiding van uitbraken van mond-en-klauwzeer in Algerije, zijn beschermende maatregelen op Unieniveau getroffen die rekening houden met de overleving van het mond-en-klauwzeervirus in het milieu en met de mogelijke routes waarlangs dat virus kan worden versleept.

(5)

Deze maatregelen voorzien onder meer in adequate reiniging en ontsmetting van transportvoertuigen voor dieren en veeschepen uit Algerije die het grondgebied van de Unie hetzij rechtstreeks, hetzij na doorvoer via Marokko of Tunesië binnenkomen, aangezien dit de meest geschikte manier is om het gevaar voor snelle versleping van het virus over grote afstanden te verminderen.

(6)

Op 28 april 2017 heeft Tunesië een uitbraak van mond-en-klauwzeer van serotype A op zijn grondgebied bevestigd. De beschermingsmaatregelen die van toepassing zijn op Algerije, moeten derhalve ook van toepassing zijn op Tunesië.

(7)

De maatregelen moeten van toepassing zijn op alle transportvoertuigen voor dieren uit Algerije en Tunesië, ook wanneer zij het grondgebied van de Unie via een derde land bereiken.

(8)

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/675 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in dit besluit vervatte maatregelen moeten van toepassing zijn voor een periode die lang genoeg is om een volledige evaluatie van de ontwikkeling van mond-en-klauwzeer in de getroffen gebieden uit te voeren.

(10)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/675 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

„betreffende maatregelen om de insleep in de Unie van het mond-en-klauwzeervirus uit Algerije en Tunesië te voorkomen”.

2)

In artikel 2, lid 1, en artikel 3, lid 1, worden de woorden

„uit Algerije, hetzij rechtstreeks, hetzij na doorvoer via Marokko of Tunesië”, respectievelijk „hetzij rechtstreeks, hetzij na doorvoer via Marokko of Tunesië, uit Algerije”

vervangen door de woorden

„uit Algerije en Tunesië, hetzij rechtstreeks, hetzij na doorvoer via een ander derde land”, respectievelijk „hetzij rechtstreeks, hetzij na doorvoer via een ander derde land, uit Algerije en Tunesië”.

3)

In artikel 3, lid 2, en artikel 4 wordt het woord „Algerije” vervangen door „Algerije en Tunesië”.

4)

In de titel van bijlage I en de titel van bijlage II worden de woorden

„uit Algerije of via Marokko of Tunesië uit Algerije”

vervangen door de woorden

„hetzij rechtstreeks, hetzij na doorvoer via een ander derde land uit Algerije of Tunesië”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 mei 2017.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56.

(2)   PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.

(3)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/675 van de Commissie van 7 april 2017 betreffende maatregelen om de insleep in de Unie van het mond-en-klauwzeervirus uit Algerije te voorkomen (PB L 97 van 8.4.2017, blz. 31).


24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/27


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/888 VAN DE COMMISSIE

van 22 mei 2017

tot wijziging van Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning als officieel tuberculosevrij van de regio Umbria in Italië en de erkenning als vrij van enzoötische boviene leukose van Polen, tot wijziging van Beschikking 2004/558/EG wat betreft de erkenning als vrij van infectieuze boviene rhinotracheïtis van Duitsland, en tot wijziging van Beschikking 2008/185/EG wat betreft de erkenning als vrij van de ziekte van Aujeszky van bepaalde regio's in Polen en de goedkeuring van het programma voor de uitroeiing van de ziekte van Aujeszky voor de regio Veneto in Italië

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 3239)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (1), en met name artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 2, bijlage A, deel I, punt 4, en bijlage D, hoofdstuk I, punt E,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 64/432/EEG zijn regels vastgelegd voor het handelsverkeer in runderen en varkens binnen de Unie en is vastgesteld onder welke voorwaarden een lidstaat of een gebied officieel tuberculosevrij of officieel vrij van enzoötische boviene leukose kan worden verklaard ten aanzien van de rundveebeslagen.

(2)

Bij Beschikking 2003/467/EG van de Commissie (2) is vastgesteld dat de in bijlage I, hoofdstuk 2, bij die beschikking opgenomen delen van lidstaten als officieel tuberculosevrij worden erkend ten aanzien van de rundveebeslagen. Italië heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat de regio Umbria voldoet aan de in Richtlijn 64/432/EEG vastgestelde voorwaarden om te worden erkend als officieel tuberculosevrij ten aanzien van de rundveebeslagen. De regio Umbria moet daarom worden opgenomen in bijlage I, hoofdstuk 2, bij Beschikking 2003/467/EG. Bijlage I bij Beschikking 2003/467/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Daarnaast is bij Beschikking 2003/467/EG vastgesteld dat de in bijlage III, hoofdstukken 1 en 2, bij die beschikking genoemde lidstaten en delen daarvan als officieel vrij van enzoötische boviene leukose worden erkend ten aanzien van de rundveebeslagen. Alle regio's van Polen, met uitzondering van negen powiats van het woiwodschap zachodniopomorskie, staan momenteel in die beschikking vermeld als officieel vrij van enzoötische boviene leukose. Polen heeft nu bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat die resterende negen powiats voldoen aan de in Richtlijn 64/432/EEG vastgestelde voorwaarden om als officieel vrij van enzoötische boviene leukose te worden erkend ten aanzien van de rundveebeslagen. Polen heeft daarom verzocht om zijn volledige grondgebied als officieel vrij van enzoötische boviene leukose te erkennen.

(4)

Bijgevolg moet Polen in bijlage III, hoofdstuk 1, bij Beschikking 2003/467/EG als een officieel van enzoötische boviene leukose vrije lidstaat worden opgenomen en moeten de gegevens betreffende die lidstaat in hoofdstuk 2 van die bijlage worden geschrapt. Bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

In artikel 9 van Richtlijn 64/432/EEG is vastgesteld dat een lidstaat die een bindend nationaal programma voor de bestrijding van infectieuze boviene rhinotracheïtis of de ziekte van Aujeszky heeft, dat programma bij de Commissie ter goedkeuring kan indienen. In dat artikel is ook vastgesteld dat aanvullende garanties voor het handelsverkeer in runderen en varkens binnen de Unie kunnen worden geëist.

(6)

In artikel 10 van Richtlijn 64/432/EEG is vastgesteld dat, wanneer een lidstaat van oordeel is dat zijn grondgebied geheel of gedeeltelijk vrij is van infectieuze boviene rhinotracheïtis of de ziekte van Aujeszky, hij de Commissie in het bezit moet stellen van de nodige bewijsstukken. In dat artikel is ook vastgesteld dat aanvullende garanties voor het handelsverkeer in runderen en varkens binnen de Unie kunnen worden geëist.

(7)

Bij Beschikking 2004/558/EG van de Commissie (3) worden de programma's voor de bestrijding en uitroeiing van door het boviene herpesvirus van het type 1 (BHV1) veroorzaakte infectieuze boviene rhinotracheïtis goedgekeurd die door de in bijlage I bij die beschikking vermelde lidstaten zijn ingediend voor de in die bijlage opgenomen regio's van die lidstaten, waarop overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 64/432/EEG aanvullende garanties voor infectieuze boviene rhinotracheïtis van toepassing zijn. Bovendien bevat bijlage II bij Beschikking 2004/558/EG een lijst van de regio's van de lidstaten die als vrij van BHV1 worden beschouwd en waarop overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 64/432/EEG aanvullende garanties voor infectieuze boviene rhinotracheïtis van toepassing zijn.

(8)

De Regierungsbezirke Köln en Düsseldorf van de Duitse deelstaat Noordrijn-Westfalen zijn momenteel opgenomen in bijlage I bij Beschikking 2004/558/EG. Die twee regio's zijn de laatste resterende regio's van Duitsland die nog niet als BHV1-vrij zijn erkend.

(9)

Duitsland heeft nu bij de Commissie bewijsstukken ingediend opdat de Regierungsbezirke Köln en Düsseldorf als BHV1-vrij zouden worden beschouwd. Duitsland heeft dienovereenkomstig een aanvraag ingediend opdat zijn volledige grondgebied als BHV1-vrij zou worden beschouwd en de aanvullende garanties voor infectieuze boviene rhinotracheïtis overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 64/432/EEG erop van toepassing zouden worden.

(10)

Op grond van de evaluatie van de door Duitsland ingediende bewijsstukken moeten de Regierungsbezirke Köln en Düsseldorf niet langer in de lijst in bijlage I bij Beschikking 2004/558/EG worden opgenomen en moeten de gegevens betreffende Duitsland in bijlage II bij die beschikking worden gewijzigd opdat alle regio's van die lidstaat eronder zouden vallen. De bijlagen I en II bij Beschikking 2004/558/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

Beschikking 2008/185/EG van de Commissie (4) voorziet in aanvullende garanties voor de verplaatsing van varkens tussen de lidstaten. Die garanties zijn gekoppeld aan de indeling van de lidstaten naar hun status voor de ziekte van Aujeszky. Bijlage I bij Beschikking 2008/185/EG bevat een lijst van de lidstaten of regio's daarvan die vrij zijn van de ziekte van Aujeszky en waar vaccinatie niet is toegestaan, en bijlage II bij die beschikking bevat een lijst van de lidstaten of regio's daarvan waar goedgekeurde nationale bestrijdingsprogramma's voor de uitroeiing van de ziekte van Aujeszky ten uitvoer worden gelegd.

(12)

Italië heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend met het oog op de goedkeuring van zijn bestrijdingsprogramma voor de uitroeiing van de ziekte van Aujeszky voor de regio Veneto en de vermelding van deze regio in de lijst in bijlage II bij Beschikking 2008/185/EG. Op grond van de evaluatie van die bewijsstukken moet de regio Veneto worden opgenomen in de lijst in bijlage II bij Beschikking 2008/185/EG. Bijlage II bij Beschikking 2008/185/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

Het hele grondgebied van Polen is momenteel opgenomen in bijlage II bij Beschikking 2008/185/EG. Polen heeft nu bij de Commissie bewijsstukken ingediend opdat de regio's augustowski, białostocki, Białystok, bielski, hajnowski, moniecki, sejneński, siemiatycki, sokólski, suwalski en Suwałki als vrij van de ziekte van Aujeszky zouden worden beschouwd en in de lijst in bijlage I bij Beschikking 2008/185/EG zouden worden opgenomen. Op grond van de evaluatie van die bewijsstukken moeten die regio's niet langer in de lijst in bijlage II bij Beschikking 2008/185/EG worden opgenomen, maar moeten zij in de lijst in bijlage I bij die beschikking worden opgenomen. De bijlagen I en II bij Beschikking 2008/185/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

De Beschikkingen 2003/467/EG, 2004/558/EG en 2008/185/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(15)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlagen I en III bij Beschikking 2003/467/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij dit besluit.

Artikel 2

De bijlagen I en II bij Beschikking 2004/558/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij dit besluit.

Artikel 3

De bijlagen I en II bij Beschikking 2008/185/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij dit besluit.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 mei 2017.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)   PB 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64.

(2)  Beschikking 2003/467/EG van de Commissie van 23 juni 2003 houdende erkenning van bepaalde lidstaten en delen van lidstaten als officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van enzoötische boviene leukose ten aanzien van de rundveebeslagen (PB L 156 van 25.6.2003, blz. 74).

(3)  Beschikking 2004/558/EG van de Commissie van 15 juli 2004 tot uitvoering van Richtlijn 64/432/EEG van de Raad voor wat betreft aanvullende garanties voor het intracommunautaire handelsverkeer in runderen ten aanzien van infectieuze boviene rhinotracheïtis en de goedkeuring van de door sommige lidstaten ingediende uitroeiingsprogramma's (PB L 249 van 23.7.2004, blz. 20).

(4)  Beschikking 2008/185/EG van de Commissie van 21 februari 2008 betreffende aanvullende garanties ten aanzien van de ziekte van Aujeszky voor het intracommunautaire handelsverkeer van varkens, en betreffende criteria voor de over deze ziekte te verstrekken gegevens (PB L 59 van 4.3.2008, blz. 19).


BIJLAGE I

De bijlagen I en III bij Beschikking 2003/467/EG worden als volgt gewijzigd:

1.

In bijlage I, hoofdstuk 2, worden de gegevens betreffende Italië vervangen door:

„In Italië:

de regio Abruzzo: de provincie Pescara,

de provincie Bolzano,

de regio Emilia-Romagna,

de regio Friuli-Venezia Giulia,

de regio Lazio: de provincies Rieti en Viterbo,

de regio Liguria,

de regio Lombardia,

de regio Marche: de provincies Ancona, Ascoli Piceno, Fermo en Pesaro-Urbino,

de regio Piemonte,

de regio Sardegna: de provincies Cagliari, Medio-Campidano, Ogliastra, Olbia-Tempio en Oristano,

de regio Toscana,

de provincie Trento,

de regio Umbria,

de regio Veneto.”.

2.

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

hoofdstuk 1 wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 1

Lidstaten die officieel vrij zijn van enzoötische boviene leukose

ISO-code

Lidstaat

BE

België

CZ

Tsjechië

DK

Denemarken

DE

Duitsland

EE

Estland

IE

Ierland

ES

Spanje

CY

Cyprus

LV

Letland

LT

Litouwen

LU

Luxemburg

NL

Nederland

AT

Oostenrijk

PL

Polen

SI

Slovenië

SK

Slowakije

FI

Finland

SE

Zweden

UK

Verenigd Koninkrijk”

b)

in hoofdstuk 2 worden alle gegevens betreffende Polen geschrapt.


BIJLAGE II

De bijlagen I en II bij Beschikking 2004/558/EG worden vervangen door:

„BIJLAGE I

Lidstaten

Regio's van de lidstaten waarop aanvullende garanties ten aanzien van infectieuze boviene rhinotracheïtis van toepassing zijn overeenkomstig artikel 9 van Richtlijn 64/432/EEG

België

Alle regio's

Tsjechië

Alle regio's

Italië

De regio Friuli-Venezia Giulia

De Autonome Provincie Trento

Luxemburg

Alle regio's

„BIJLAGE II

Lidstaten

Regio's van de lidstaten waarop aanvullende garanties ten aanzien van infectieuze boviene rhinotracheïtis van toepassing zijn overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 64/432/EEG

Denemarken

Alle regio's

Duitsland

Alle regio's

Italië

De regio Valle d'Aosta

De Autonome Provincie Bolzano

Oostenrijk

Alle regio's

Finland

Alle regio's

Zweden

Alle regio's

Verenigd Koninkrijk

Jersey


BIJLAGE III

De bijlagen I en II bij Beschikking 2008/185/EG worden vervangen door:

„BIJLAGE I

Lidstaten of regio's daarvan die vrij zijn van de ziekte van Aujeszky en waar vaccinatie niet is toegestaan

ISO-code

Lidstaat

Regio's

BE

België

Alle regio's

CZ

Tsjechië

Alle regio's

DK

Denemarken

Alle regio's

DE

Duitsland

Alle regio's

IE

Ierland

Alle regio's

FR

Frankrijk

De departementen Ain, Aisne, Allier, Alpes-de-Haute-Provence, Alpes-Maritimes, Ardèche, Ardennes, Ariège, Aube, Aude, Aveyron, Bas-Rhin, Bouches-du-Rhône, Calvados, Cantal, Charente, Charente-Maritime, Cher, Corrèze, Côte-d'Or, Côtes-d'Armor, Creuse, Deux-Sèvres, Dordogne, Doubs, Drôme, Essonne, Eure, Eure-et-Loir, Finistère, Gard, Gers, Gironde, Hautes-Alpes, Hauts-de-Seine, Haute-Garonne, Haute-Loire, Haute-Marne, Hautes-Pyrénées, Haut-Rhin, Haute-Saône, Haute-Savoie, Haute-Vienne, Hérault, Ille-et-Vilaine, Indre, Indre-et-Loire, Isère, Jura, Landes, Loire, Loire-Atlantique, Loir-et-Cher, Loiret, Lot, Lot-et-Garonne, Lozère, Maine-et-Loire, Manche, Marne, Mayenne, Meurthe-et-Moselle, Meuse, Morbihan, Moselle, Nièvre, Nord, Oise, Orne, Paris, Pas-de-Calais, Pyrénées-Atlantiques, Pyrénées-Orientales, Puy-de-Dôme, Réunion, Rhône, Sarthe, Saône-et-Loire, Savoie, Seine-et-Marne, Seine-Maritime, Seine-Saint-Denis, Somme, Tarn, Tarn-et-Garonne, Territoire de Belfort, Val-de-Marne, Val-d'Oise, Var, Vaucluse, Vendée, Vienne, Vosges, Yonne en Yvelines

IT

Italië

De Autonome Provincie Bolzano

CY

Cyprus

Alle regio's

LU

Luxemburg

Alle regio's

HU

Hongarije

Alle regio's

NL

Nederland

Alle regio's

AT

Oostenrijk

Alle regio's

PL

Polen

Het woiwodschap podlaskie: de powiats augustowski, białostocki, Białystok, bielski, hajnowski, moniecki, sejneński, siemiatycki, sokólski, suwalski en Suwałki

SI

Slovenië

Alle regio's

SK

Slowakije

Alle regio's

FI

Finland

Alle regio's

SE

Zweden

Alle regio's

UK

Verenigd Koninkrijk

Alle regio's

„BIJLAGE II

Lidstaten of regio's daarvan waar goedgekeurde nationale bestrijdingsprogramma's ter uitroeiing van de ziekte van Aujeszky ten uitvoer worden gelegd

ISO-code

Lidstaat

Regio's

ES

Spanje

Alle regio's

IT

Italië

De regio Friuli-Venezia Giulia

De regio Veneto

LT

Litouwen

Alle regio's

PL

Polen

Het woiwodschap dolnośląskie: alle powiats

Het woiwodschap kujawsko-pomorskie: alle powiats

Het woiwodschap lubelskie: alle powiats

Het woiwodschap lubuskie: alle powiats

Het woiwodschap łódzkie: alle powiats

Het woiwodschap małopolskie: alle powiats

Het woiwodschap mazowieckie: alle powiats

Het woiwodschap opolskie: alle powiats

Het woiwodschap podkarpackie: alle powiats

Het woiwodschap podlaskie: de powiats grajewski, kolneński, łomżyński, Łomża, wysokomazowiecki en zambrowski.

Het woiwodschap pomorskie: alle powiats

Het woiwodschap śląskie: alle powiats

Het woiwodschap świętokrzyskie: alle powiats

Het woiwodschap warmińsko-mazurskie: alle powiats

Het woiwodschap wielkopolskie: alle powiats

Het woiwodschap zachodniopomorskie: alle powiats


24.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 135/35


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/889 VAN DE COMMISSIE

van 23 mei 2017

tot aanmerking van de Unie der Comoren als derde land dat niet meewerkt bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (1), en met name artikel 31,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   INLEIDING

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1005/2008 (hierna „de IOO-verordening” genoemd) is een Uniesysteem vastgesteld om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (IOO-visserij) te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

(2)

In hoofdstuk VI van de IOO-verordening is de procedure vastgesteld met betrekking tot de identificatie (ook wel „aanmerking” genoemd) van niet-meewerkende derde landen, de stappen ten aanzien van landen die zijn aangemerkt als niet-meewerkend derde land, de vaststelling van een lijst van niet-meewerkende landen, de schrapping van landen van de lijst van niet-meewerkende landen, de bekendmaking van de lijst van niet-meewerkende landen en eventuele noodmaatregelen.

(3)

Krachtens artikel 31 van de IOO-verordening moet de Commissie derde landen identificeren die naar haar mening niet meewerken bij de bestrijding van IOO-visserij. Een derde land kan als niet-meewerkend derde land worden aangemerkt indien het zich niet kwijt van de taken die het krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dient te vervullen wat betreft de te ondernemen actie om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

(4)

Niet-meewerkende landen moeten worden geïdentificeerd op basis van de beoordeling van alle in artikel 31, lid 2, van de IOO-verordening bedoelde informatie.

(5)

Overeenkomstig artikel 33 van de IOO-verordening moet de Raad een lijst van niet-meewerkende landen opstellen. Op die landen zijn de in artikel 38 van de IOO-verordening vastgestelde maatregelen van toepassing.

(6)

Overeenkomstig artikel 12, lid 2, van de IOO-verordening mogen visserijproducten slechts in de Unie worden ingevoerd indien zij vergezeld gaan van een vangstcertificaat overeenkomstig die verordening.

(7)

Overeenkomstig artikel 20, lid 1, onder a), van de IOO-verordening mogen vangstcertificaten die door een bepaalde vlaggenstaat zijn gevalideerd, slechts worden aanvaard indien die staat de Commissie in kennis heeft gesteld van de regelingen die hij heeft ingesteld voor de tenuitvoerlegging, de controle en de handhaving van de door zijn vissersvaartuigen na te leven wet- en regelgeving en instandhoudings- en beheersmaatregelen.

(8)

De Unie der Comoren (hierna „de Comoren” genoemd) heeft bij de Commissie geen kennisgeving als vlaggenstaat op grond van artikel 20 van de IOO-verordening ingediend.

(9)

Op grond van artikel 20, lid 4, van de IOO-verordening moet de Commissie administratief met derde landen samenwerken op gebieden die verband houden met de uitvoering van de vangstcertificeringsbepalingen van die verordening.

(10)

Op basis van de informatie als bedoeld in artikel 31, lid 2, van de IOO-verordening bestonden er volgens de Commissie sterke aanwijzingen dat de Comoren zich niet hebben gekweten van de taken die zij krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dienden te vervullen wat betreft de te ondernemen actie om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

(11)

Daarom heeft de Commissie, overeenkomstig artikel 32 van de IOO-verordening, bij besluit van 1 oktober 2015 (2) besloten de Comoren kennis te geven van de mogelijkheid dat het land op grond van de IOO-verordening zou worden aangemerkt als niet-meewerkend derde land.

(12)

Het besluit van 1 oktober 2015 bevatte informatie over de essentiële feiten en overwegingen die aan de mogelijke aanmerking ten grondslag lagen.

(13)

Het besluit is ter kennis gebracht van de Comoren, samen met een brief waarin de Comoren wordt verzocht in nauwe samenwerking met de Commissie een actieplan uit te voeren om de geconstateerde tekortkomingen te verhelpen.

(14)

De Commissie heeft de Comoren met name verzocht: i) alle nodige maatregelen te nemen voor de uitvoering van de maatregelen die zijn vervat in het door de Commissie voorgestelde actieplan; ii) de uitvoering van de acties die zijn vervat in het door de Commissie voorgestelde actieplan te beoordelen, en iii) om de zes maanden een nader verslag naar de Commissie te zenden waarin onder meer wordt ingegaan op de doeltreffendheid van elke afzonderlijke actie en/of alle acties tezamen om ervoor te zorgen dat de visserijcontroleregeling in overeenstemming is met de taken die het land krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dient te vervullen om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

(15)

De Comoren hebben de gelegenheid gekregen om schriftelijk en mondeling te reageren op de punten die expliciet staan vermeld in het besluit van 1 oktober 2015 en op andere door de Commissie meegedeelde informatie ter zake, zodat het land bewijsmateriaal kon aanvoeren om de in het besluit van 1 oktober 2015 geopperde feiten te weerleggen of aan te vullen. De Comoren konden gebruikmaken van hun recht om aanvullende informatie te vragen of te verstrekken.

(16)

De Commissie heeft middels haar besluit en haar schrijven van 1 oktober 2015 een dialoog met de Comoren geopend en zij heeft erop gewezen dat een termijn van zes maanden haars inziens in beginsel voldoende was om tot de verwachte resultaten te komen.

(17)

De Commissie is doorgegaan met het verzamelen en verifiëren van alle door haar noodzakelijk geachte informatie. De mondelinge en schriftelijke reacties van de Comoren op het besluit van 1 oktober 2015 werden in overweging en in aanmerking genomen. De Comoren werden mondeling dan wel schriftelijk op de hoogte gehouden van de overwegingen van de Commissie.

(18)

Gezien de in de overwegingen 37 tot en met 93 bedoelde elementen is de Commissie van mening dat de Comoren onvoldoende hebben ondernomen om de in het besluit van 1 oktober 2015 beschreven problemen en tekortkomingen op te lossen. De Comoren hebben evenmin de in het begeleidende actieplan voorgestelde maatregelen volledig ten uitvoer gelegd.

2.   PROCEDURE TEN AANZIEN VAN DE COMOREN

(19)

De Commissie heeft de Comoren op 1 oktober 2015 op grond van artikel 32 van de IOO-verordening ervan in kennis gesteld dat zij de mogelijkheid overwoog om het land als niet-meewerkend derde land aan te merken (3).

(20)

De Commissie heeft de Comoren voorgesteld in nauwe samenwerking met haar diensten een actieplan uit te voeren om de in het besluit van 1 oktober 2015 vermelde tekortkomingen te verhelpen.

(21)

De belangrijkste tekortkomingen die de Commissie heeft geconstateerd, hielden verband met verscheidene gevallen van niet-naleving van het internationaal recht, die met name betrekking hadden op de vaststelling van een toereikend rechtskader en van registratie- en vergunningsprocedures, het beheer van het Comorese register, een gebrek aan samenwerking en informatie-uitwisseling binnen de Comorese overheidsdiensten en met derde landen waar Comorese vaartuigen actief zijn, en een gebrek aan een geschikte en doelmatige monitoring en een afschrikkende sanctieregeling. Andere geconstateerde tekortkomingen houden meer in het algemeen verband met de naleving van internationale verplichtingen, waaronder aanbevelingen en resoluties van regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's). Ook werd een gebrek aan consistentie vastgesteld met aanbevelingen en resoluties van relevante organen, zoals het Internationale Actieplan tegen illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij van de Verenigde Naties (IAP-IOO) en de vrijwillige FAO-richtsnoeren over de prestaties van de vlaggenstaat. Het gebrek aan consistentie met niet-bindende aanbevelingen en resoluties is echter slechts als ondersteunend bewijsmateriaal in aanmerking genomen en niet als grond voor de aanmerking.

(22)

Op 5 januari 2016 heeft de Commissie in een teleconferentie met de Comorese autoriteiten benadrukt hoe belangrijk het is dat de Comoren op het besluit van 1 oktober 2015 reageren.

(23)

Bij brief van 6 januari 2016, die op 29 januari 2016 aan de Commissie is toegezonden, hebben de Comoren de Commissie in kennis gesteld van de institutionele regelingen die zij hebben getroffen om de in het besluit van 1 oktober 2015 vermelde tekortkomingen aan te pakken. Die brief ging vergezeld van bewijsstukken.

(24)

Op 16 maart 2016 hebben de Commissie en de Comoren in Brussel overleg gepleegd. Tijdens die vergadering hebben de Comoren met name toegezegd om een oplossing te vinden voor de kwesties die verband houden met het beheer van het Comorese register. Bij die gelegenheid hebben zij ook een lijst verstrekt van de vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen die beweerdelijk onder de Comorese vlag varen.

(25)

Op 31 maart 2016 hebben de Comorese autoriteiten een ministerieel besluit overgelegd tot oprichting van een gemengd comité van de autoriteiten die instaan voor de registratie van vaartuigen en die welke over de visserij gaan. Op 2 april 2016 hebben de Comoren een ontwerpcirculaire overgelegd inzake het beheer van het Comorese register, waarop de Commissie bij brief van 13 april 2016 heeft geantwoord.

(26)

Op 30 april 2016 en 2 mei 2016 hebben de Comoren langs elektronische weg de volgende documenten ingediend: i) een brief met de eerste maatregelen die werden genomen inzake het beheer van het Comorese register en de Comorese vissersvloot en bij visserij betrokken vloot; ii) een gewijzigde circulaire, getekend op 25 april 2016, waarin met name de registratie van onder de Comorese vlag varende vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen wordt geschorst; iii) een lijst van vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen die beweerdelijk onder de Comorese vlag varen, welke afweek van de lijst die op 16 maart 2016 was verstrekt; iv) een kopie van brieven die zijn verzonden naar drie regionale visserijinstanties die bevoegd zijn voor de gebieden waar Comorese vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen actief waren, en v) een kopie van een naar een derde land verzonden brief inzake juridische bijstand. Op 18 mei 2016 ontving de Commissie de papieren versie van sommige van die documenten. Daarbij waren ook de volgende documenten gevoegd: i) een begeleidend en toelichtend schrijven; ii) een nieuwe lijst van vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen die beweerdelijk onder de Comorese vlag varen, welke afweek van de bovenvermelde exemplaren, en iii) een niet-ondertekend tijdelijk registratiecertificaat. De Commissie heeft daarop op 31 mei 2016 langs elektronische weg en bij brief van 13 juni 2016 gereageerd. Zij beklemtoonde in het bijzonder dat de Comoren passende aanvullende maatregelen moeten nemen ten aanzien van de Comorese vissersvloot en bij visserij betrokken vloot, met name wat betreft handhavingsmaatregelen en samenwerking met de lidstaten, de bevoegde kust- en havenautoriteiten van derde landen, en regionale visserijinstanties. De Commissie wees er eveneens op dat een aantal vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen mogelijk toch onder de vlag van de Comoren mochten varen nadat hun registratie bij de op 25 april 2016 ondertekende circulaire was geschorst.

(27)

Op 31 mei 2016 verstrekten de Comoren de volgende documenten: i) een actieplan gebaseerd op het door de Commissie voorgestelde actieplan; ii) ontwerpwijzigingen van het rechtskader inzake visserij, met inbegrip van wijzigingen van de sanctieregeling, en iii) een samenvatting van de taken die de Comoren krachtens internationaal recht als vlaggenstaat moeten vervullen.

(28)

De Commissie heeft de Comoren er zowel mondeling als schriftelijk herhaaldelijk, met name op 8 juni 2016, 21 juni 2016, 28 juni 2016 en 29 juni 2016, op gewezen hoe belangrijk het was dat zij een reactie kreeg op haar mededelingen van 31 mei 2016 en 13 juni 2016.

(29)

De Comoren hebben de Commissie ook laten weten dat op 7 juli 2016 en 11 juli 2016 verdere uitwisselingen hebben plaatsgevonden tussen de Comorese autoriteiten en een regionale visserijinstantie over de status van de Comorese vissersvloot en bij visserij betrokken vloot. Bij deze gelegenheid verstrekten de Comoren ook een nieuwe lijst van vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen die beweerdelijk onder de Comorese vlag varen, welke afweek van de bovenvermelde exemplaren.

(30)

Bij brief van 20 juli 2016 heeft de Commissie de Comorese autoriteiten voorgesteld dat zij een bezoek aan de Comoren zou brengen.

(31)

De Comorese autoriteiten hebben bij brief van 20 juli 2016 op de mededelingen van de Commissie van 31 mei 2016 en 13 juni 2016 gereageerd. In hun reactie wijzen zij op de visserij- en aquacultuurwetgeving die is vastgesteld bij wet nr. 07-011/AU van 29 augustus 2007 en op decreet nr. 15-050/PR van 15 april 2015, waarin is bepaald dat Comorese vaartuigen niet zonder toestemming van de Comorese autoriteiten buiten de exclusieve economische zone (EEZ) van de Comoren actief mogen zijn, alsook dat Comorese vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen geen visserijactiviteiten of visserijgerelateerde activiteiten mogen verrichten buiten het bevoegdheidsgebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC). Voorts vroegen de Comoren dat de Commissie bijstand zou verlenen, onder meer door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten te informeren over de status van de Comorese vissersvloot en bij visserij betrokken vloot en door die autoriteiten te verzoeken de Comorese autoriteiten op de hoogte te brengen van alle relevante informatie waarover zij beschikken in verband met de activiteiten van die vaartuigen. In haar antwoord van 27 juli 2016 en 28 juli 2016 verstrekte de Commissie de Comoren de gevraagde informatie en verzocht zij om verduidelijkingen. Ook heeft de Commissie op 5 augustus 2016 de door de Comoren verstrekte informatie schriftelijk aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten meegedeeld.

(32)

Op 11 augustus 2016 verstrekten de Comoren de notulen van de eerste, op 2 augustus 2016 gehouden vergadering van het gemengd comité van de autoriteiten die instaan voor de registratie van vaartuigen en die welke over de visserij gaan. De belangrijkste aanbeveling die tijdens die vergadering werd gedaan, betrof de invoering van een respijtperiode van zes maanden voor onder de Comorese vlag varende vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen die actief zijn buiten de EEZ van de Comoren zonder toestemming van de Comorese autoriteiten, of buiten het bevoegdheidsgebied van de IOTC. Doel van de respijtperiode was de exploitanten van deze vaartuigen op de hoogte te brengen van hun verplichtingen krachtens het Comorese rechtskader inzake visserij.

(33)

Voorts is de Commissie op 18 augustus 2016 door de bevoegde autoriteiten van een lidstaat op de hoogte gebracht van het bestaan van een circulaire, die op 8 augustus 2016 was ondertekend door de Comorese overheidsdiensten die verantwoordelijk zijn voor vaartuigregistratie. In die circulaire werd onder meer de schorsing van de registratie van onder de Comorese vlag varende vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen ingetrokken.

(34)

Vanaf mei 2016 heeft de Commissie ook volledige informatie gekregen over de in het kader van artikel 51 van de IOO-verordening verzonden verzoeken om wederzijdse bijstand van de bevoegde autoriteiten van een aantal lidstaten aan de Comorese autoriteiten, alsook van de bevoegde autoriteiten van derde landen, met betrekking tot de status en de activiteiten van de Comorese vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen. Ook de antwoorden van die autoriteiten werden aan de Commissie meegedeeld. De Commissie heeft ook van andere bronnen, waaronder derde landen, informatie ontvangen over de status en activiteiten van die vloot. Die informatie werd beschouwd als bewijsmateriaal.

(35)

De Commissie heeft de betrokken Comorese autoriteiten van 23 tot en met 26 augustus 2016 bezocht. Daarbij kregen de Comorese autoriteiten de kans om de Commissie op de hoogte te brengen van de recentste ontwikkelingen. Op 30 augustus 2016 en 2 september 2016 stuurde de Commissie follow-upinformatie en aanvullende verzoeken om informatie en documenten naar de Comoren. Respectievelijk op 2 september 2016 en 4 september 2016 hebben de Comorese autoriteiten de ontvangst van die mededelingen bevestigd.

(36)

Bij brief van 28 oktober 2016 heeft de Commissie aan de Comorese autoriteiten informatie meegedeeld over hoogstens 21 overladingen op zee waarbij Comorese vissersvaartuigen of bij visserij betrokken vaartuigen betrokken waren en die tussen april en juni 2016 plaatsvonden voor de West-Afrikaanse kust. Bij die gelegenheid heeft de Commissie nogmaals haar bezorgdheid geuit over de kwesties die verband houden met het beheer van het Comorese register.

3.   AANMERKING VAN DE COMOREN ALS NIET-MEEWERKEND DERDE LAND

(37)

Aan de hand van de bevindingen van het besluit van 1 oktober 2015, de door de Comoren verschafte relevante gegevens, het voorgestelde actieplan en de maatregelen die zijn genomen om de situatie te verhelpen, heeft de Commissie op grond van artikel 31, lid 3, van de IOO-verordening beoordeeld of de Comoren hun internationale verplichtingen als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat zijn nagekomen. De Commissie heeft bij deze beoordeling rekening gehouden met de in artikel 31, leden 4 tot en met 7, van de IOO-verordening opgenomen parameters.

3.1.   Maatregelen ten aanzien van herhaalde IOO-visserij en IOO-handelsstromen (artikel 31, lid 4, van de IOO-verordening)

(38)

Zoals benadrukt in overweging 36 van het besluit van 1 oktober 2015 heeft de Commissie vastgesteld dat de Comoren zich niet hebben gekweten van de taken die zij krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dienen te vervullen ten aanzien van IOO-vaartuigen en IOO-visserij die wordt bedreven of ondersteund door vaartuigen die zijn vlag voeren of door zijn onderdanen, en dat de Comoren niet hebben voorkomen dat van IOO-visserij afkomstige visserijproducten toegang vonden tot hun markt.

(39)

In de overweging 20 tot en met 23 van het besluit van 1 oktober 2015 is erop gewezen dat van 2010 tot 2015 een twintigtal Comorese vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen betrokken waren bij IOO-visserij. De Commissie heeft met name vastgesteld dat die vaartuigen buiten de EEZ van de Comoren actief waren zonder toestemming van en controle door de Comorese autoriteiten, alsook buiten het bevoegdheidsgebied van de IOTC, met name in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan. Deze situatie staat haaks op de aanbevelingen van punt 45 van het IAP-IOO en op punt 8.2.2 van de FAO-gedragscode voor een verantwoorde visserij (hierna „de FAO-gedragscode” genoemd), waarin staat dat vlaggenstaten moeten garanderen dat alle vaartuigen die het recht hebben hun vlag te voeren en die buiten hun wateren actief zijn, over een geldige toelating beschikken. Deze situatie druist bovendien in tegen de aanbevelingen van de punten 29 en 30 van de vrijwillige FAO-richtsnoeren over de prestaties van de vlaggenstaat. Zoals uiteengezet in overweging 31 hebben de Comorese autoriteiten erkend dat Comorese vaartuigen niet zonder toestemming van de Comorese autoriteiten buiten de EEZ van de Comoren actief mogen zijn en dat Comorese vissersvaartuigen of bij visserij betrokken vaartuigen geen visserijactiviteiten of visserijgerelateerde activiteiten mogen verrichten buiten het bevoegdheidsgebied van de IOTC.

(40)

Uit bewijsmateriaal dat de Commissie sinds het besluit van 1 oktober 2015 heeft verzameld, blijkt niet dat de in overweging 39 beschreven situatie intussen is gewijzigd.

(41)

Hoewel de Comoren schriftelijk hebben verklaard dat de Comorese autoriteiten overladingen op zee verbieden, zoals beschreven in overweging 60, blijkt uit de door de Commissie verzamelde informatie, die met name afkomstig is van de lidstaten en van de bevoegde kust- en havenautoriteiten van derde landen, dat een aantal overladingen op zee heeft plaatsgevonden waarbij de in overweging 39 bedoelde vaartuigen betrokken waren. Bijgevolg hebben die verrichtingen plaatsgevonden zonder toestemming van de Comorese autoriteiten. Dit druist in tegen punt 49 van het IAP-IOO, waarin is bepaald dat vlaggenstaten ervoor moeten zorgen dat al hun bij overladingen betrokken vaartuigen daartoe vooraf toestemming van de vlaggenstaat krijgen en verslag uitbrengen bij de nationale autoriteiten.

(42)

Op grond van artikel 31, lid 4, onder b), van de IOO-verordening heeft de Commissie ook de maatregelen onderzocht die de Comoren hebben genomen met betrekking tot de toegang van IOO-visserijproducten tot hun markt. Het IAP-IOO bevat richtsnoeren inzake internationaal overeengekomen marktgerelateerde maatregelen die bijdragen tot het verminderen of uitbannen van de handel in vis en visproducten die afkomstig zijn van IOO-visserij. In punt 71 van het IOO-IAP wordt tevens aangeraden dat staten stappen ondernemen om de transparantie van hun markten te verbeteren teneinde de traceerbaarheid van vis of visproducten mogelijk te maken. Voorts bevat de FAO-gedragscode, met name in artikel 11, goede praktijken voor activiteiten na de oogst en voor verantwoorde internationale handel. In artikel 11.1.11 van de FAO-gedragscode wordt de staten verzocht de identificatie van de oorsprong van vis en visserijproducten te verbeteren en er zo voor te zorgen dat vis en visserijproducten internationaal en op de binnenlandse markt worden verhandeld in overeenstemming met deugdelijke instandhoudings- en beheerspraktijken.

(43)

Zoals vermeld in overweging 23 van het besluit van 1 oktober 2015 kunnen de Comoren geen informatie verschaffen over de soorten die door de Comorese vissersvloot worden gevangen en over de handelsstromen van de gevangen producten. Op basis van de informatie die de Comorese autoriteiten hebben verstrekt, was de Commissie van mening dat geen vooruitgang was geboekt met betrekking tot de feiten zoals beschreven in de overweging 23 en 33 van het besluit van 1 oktober 2015 inzake het gebrek aan controle van de Comorese autoriteiten op de visserijactiviteiten, aanlandingen en overladingen van de Comorese vaartuigen die actief zijn buiten de EEZ van de Comoren. Daardoor konden de Comoren niet garanderen dat hun markten voldoende transparant waren om de traceerbaarheid van vis of visproducten mogelijk te maken, als bepaald in punt 71 van het IAP-IOO.

(44)

In dat verband zij erop gewezen dat de traceerbaarheid van producten ook wordt verhinderd door een gebrek aan transparantie in de Comorese registratie- en vergunningsprocedures en een gebrek aan interne samenwerking en informatie-uitwisseling, zoals beschreven in overweging 24 van het besluit van 1 oktober 2015.

(45)

Dat gebrek aan gegevens zorgt ervoor dat de Comoren de traceerbaarheid van visproducten niet kunnen garanderen en ondermijnt hun vermogen om de handel in IOO-visserijproducten te voorkomen. Aangezien er onvoldoende traceerbaarheid is en de Comorese autoriteiten niet beschikken over voldoende informatie over de vis die wordt aangeland of overgeladen door onder de Comorese vlag varende vaartuigen, zijn de Comoren er niet in geslaagd te voorkomen dat van IOO-visserij afkomstige visserijproducten in hun havens worden aangeland, waardoor het risico ontstaat dat die producten toegang vinden tot de markt. Bijgevolg kan de Commissie niet zeker zijn dat de visserijproducten die in dat land worden verhandeld, niet van IOO-visserij afkomstig zijn. In dat verband hebben de Comoren geen rekening gehouden met de aanbevelingen van punt 24 van het IAP-IOO, waarin vlaggenstaten wordt aangeraden te zorgen voor omvattende en doelmatige monitoring, controle en bewaking van de visserij, vanaf het begin van de activiteiten, via de plaats van aanlanding tot de eindbestemming.

(46)

Sinds het besluit van 1 oktober 2015 hebben de Comoren geen enkele passende corrigerende maatregel genomen om de hierboven geschetste situatie te verhelpen. Daardoor kunnen de Comoren niet garanderen dat hun markten voldoende transparant zijn om de traceerbaarheid van vis of visproducten mogelijk te maken, als voorgeschreven in punt 71 van het IAP-IOO en artikel 11.1.11 van de FAO-gedragscode.

(47)

Gezien de overweging 20 tot en met 35 van het besluit van 1 oktober 2015 en gezien de ontwikkelingen sinds 1 oktober 2015 is de Commissie op grond van artikel 31, lid 3 en lid 4, onder a) en b), van de IOO-verordening van mening dat de Comoren zich niet hebben gekweten van de taken die zij krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dienen te vervullen ten aanzien van IOO-vaartuigen en IOO-visserij die wordt bedreven of ondersteund door vaartuigen die hun vlag voeren of door hun onderdanen, en dat de Comoren onvoldoende maatregelen hebben genomen om te voorkomen dat van IOO-visserij afkomstige visserijproducten toegang vinden tot hun markt.

3.2.   Niet-naleving van de verplichting tot samenwerking en handhaving (artikel 31, lid 5, van de IOO-verordening)

(48)

Zoals wordt beschreven in de overweging 37 tot en met 41 van het besluit van 1 oktober 2015, heeft de Commissie onderzocht of de Comoren effectief met de Commissie hebben samengewerkt aan onderzoeken en bijbehorende activiteiten.

(49)

Na het besluit van 1 oktober 2015 ondervond de Commissie dat er slechts moeizaam kon worden samengewerkt met de Comorese autoriteiten. De betrouwbaarheid van de antwoorden van de Comoren kwam ook in het gedrang doordat gedeeltelijke antwoorden werden verstuurd die tegenstrijdige informatie bevatten en waaruit ook een laag responsniveau naar voren kwam.

(50)

Daarnaast heeft de Commissie de Comorese autoriteiten tijdens haar bezoek aan de Comoren in augustus 2016 verzocht een aantal documenten te verstrekken. Ondanks het feit dat het verzoek om informatie op 2 september 2016 opnieuw aan de Comorese autoriteiten is toegezonden, heeft de Commissie die documenten tot het moment dat dit besluit wordt vastgesteld, niet ontvangen.

(51)

Bovendien hebben de documenten betreffende het actieplan die na het besluit van 1 oktober 2015 bij de Commissie zijn ingediend, zich niet vertaald in enige concrete maatregel.

(52)

Gezien de situatie als beschreven in de overweging 33, 34 en 50, heeft de Commissie eveneens vastgesteld dat cruciale informatie niet met haar is gedeeld.

(53)

Dit gebrek aan samenwerking wordt nog verder in de hand gewerkt door het gebrek aan interne samenwerking binnen de Comorese overheidsdiensten, tussen de autoriteit die instaat voor de registratie van vaartuigen en de autoriteit die over visserij gaat, zoals erkend door de Comorese autoriteiten tijdens het bezoek van de Commissie in augustus 2016. In dit verband heeft de Commissie vastgesteld dat er sinds het besluit van 1 oktober 2015 ten aanzien van deze kritieke tekortkoming weinig of geen vooruitgang is geboekt en dat de Comorese overheidsdiensten cruciale informatie niet onderling hebben gedeeld.

(54)

Zoals vermeld in overweging 42 van het besluit van 1 oktober 2015 heeft de Commissie in het kader van de algemene beoordeling van de vraag of de Comoren zich hebben gekweten van hun taken als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat, tevens onderzocht of de Comoren met andere staten samenwerken in de strijd tegen IOO-visserij.

(55)

Zoals benadrukt in de overweging 39, 40 en 41 heeft de Commissie vastgesteld dat onder de Comorese vlag varende vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen actief zijn buiten de EEZ van de Comoren en het bevoegdheidsgebied van de IOTC, met name in het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan. De Commissie erkent dat de Comoren samenwerkingskanalen trachten op te zetten met landen rond het oostelijke deel van de Atlantische Oceaan via regionale visserijinstanties die bevoegd zijn voor gebieden waar Comorese vaartuigen actief zijn. De Comoren hebben verklaard initiatieven te hebben genomen om rechtstreeks in contact te treden met derde landen waar Comorese vaartuigen actief zijn, en de Commissie heeft oplossingen aangeboden om dat contact te vergemakkelijken. De Commissie heeft echter nog geen informatie ontvangen over mogelijke uitwisselingen.

(56)

Zoals reeds is opgemerkt in overweging 34, hebben de bevoegde autoriteiten van een aantal lidstaten aan de Comorese autoriteiten verzoeken om wederzijdse bijstand toegezonden met betrekking tot de status en de activiteiten van de Comorese vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen. Ook is de Commissie op de hoogte gebracht van soortgelijke initiatieven van derde landen. De Commissie heeft evenwel vastgesteld dat de Comorese autoriteiten bij die verzoeken om wederzijdse bijstand even weinig medewerking hebben verleend als in hun briefwisseling met de Commissie. Die situatie heeft een negatieve invloed gehad op de maatregelen die de bevoegde autoriteiten van de betrokken landen op basis van door de Comorese autoriteiten verstrekte informatie hebben genomen ten aanzien van een aantal Comorese vaartuigen.

(57)

Uit de in de overweging 54, 55 en 56 beschreven situatie blijkt dat de Comoren er niet in zijn geslaagd om in overeenstemming met punt 28 van het IAP-IOO doeltreffend samen te werken en activiteiten te coördineren met de staten waar Comorese vaartuigen actief zijn, teneinde IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen. Met name zouden de Comoren overeenkomstig punt 31 van het IAP-IOO als vlaggenstaat overeenkomsten of regelingen moeten sluiten met andere staten en anderszins moeten samenwerken met het oog op de handhaving van het toepasselijke recht en instandhoudings- en beheersmaatregelen of bepalingen die op nationaal, regionaal of internationaal niveau zijn aangenomen.

(58)

Zoals wordt benadrukt in overweging 44 van het besluit van 1 oktober 2015, heeft de Commissie ook geanalyseerd of de Comoren doeltreffende handhavingsmaatregelen hebben genomen ten aanzien van de voor IOO-visserij verantwoordelijke exploitanten, en of sancties zijn toegepast die streng genoeg waren om de overtreders de uit IOO-visserij voortvloeiende voordelen te ontnemen.

(59)

Het beschikbare bewijsmateriaal bevestigt dat de Comoren hun uit internationaal recht voortvloeiende verplichtingen inzake het nemen van doeltreffende handhavingsmaatregelen niet zijn nagekomen.

(60)

Zoals uiteengezet in overweging 31 hebben de Comorese autoriteiten erkend dat Comorese vaartuigen niet zonder toestemming van de Comorese autoriteiten buiten de EEZ van de Comoren actief mogen zijn en dat Comorese vissersvaartuigen of bij visserij betrokken vaartuigen geen visserijactiviteiten of visserijgerelateerde activiteiten mogen verrichten buiten het bevoegdheidsgebied van de IOTC. Voorts wordt opgemerkt dat uitwisselingen in het kader van verzoeken om bijstand hebben plaatsgevonden inzake hoogstens twaalf Comorese vaartuigen die betrokken waren bij overladingen op zee en gezamenlijke operaties, en dat de Comorese autoriteiten de Commissie en de lidstaten daarbij schriftelijk hebben bevestigd dat zij overladingen op zee verbieden en dat die vaartuigen bijgevolg IOO-visserij bedrijven.

(61)

De Commissie heeft evenwel vastgesteld dat de Comorese autoriteiten na het besluit van 1 oktober 2015 geen enkele melding hebben gemaakt van handhavingsmaatregelen ten aanzien van vaartuigen die actief zijn buiten de EEZ van de Comoren zonder toestemming van de Comorese autoriteiten, dan wel buiten het bevoegdheidsgebied van de IOTC.

(62)

Zoals beschreven in overweging 32 is bovendien daadwerkelijk een respijtperiode van zes maanden, die inging in augustus 2016, toegekend aan onder de Comorese vlag varende vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen die de Comorese wetgeving en voorschriften hebben overtreden. De toekenning en de in overweging 56 beschreven situatie hebben een negatieve invloed gehad op de maatregelen die de bevoegde autoriteiten van de lidstaten op basis van door de Comorese autoriteiten verstrekte informatie hebben genomen ten aanzien van een aantal Comorese vaartuigen. De Comorese autoriteiten hebben de Commissie meegedeeld dat vaartuigen die hun situatie niet tegen het einde van de respijtperiode van zes maanden hebben geregulariseerd, uit het register kunnen worden geschrapt. Er zij echter op gewezen dat de schrapping van de vaartuigen niet garandeert dat de overtreders voldoende streng zullen worden bestraft en dat de uit hun onwettige activiteiten voortvloeiende voordelen hun zullen worden ontnomen.

(63)

Bovendien heeft de Commissie tijdens haar bezoek van augustus 2016 geconstateerd dat de autoriteiten geen concreet schrappingbesluit hadden vastgesteld. In ieder geval betekent een dergelijke theoretische schrapping niet automatisch dat een onderzoek zal worden gevoerd naar IOO-visserijactiviteiten door vaartuigen of dat geconstateerde inbreuken zullen worden bestraft.

(64)

De Commissie heeft op basis van de informatie die is verzameld tijdens haar bezoek in augustus 2016, geconstateerd dat de Comorese autoriteiten die over de visserij gaan, een checklist hadden opgesteld met de voorwaarden voor de afgifte van vismachtigingen. Het document moest dienen als hulpmiddel bij de regularisatie tijdens de in overweging 62 genoemde respijtperiode van zes maanden. Het werd toegezonden aan de Comorese autoriteiten die instaan voor de registratie van vaartuigen. Doel was dat dit document zou worden toegezonden aan de privaatrechtelijke rechtspersonen die buiten de Comoren zijn gevestigd en aan wie het beheer van het register van de Comorese vissersvloot en bij visserij betrokken vloot gedeeltelijk is gedelegeerd. Die privaatrechtelijke rechtspersonen dienden het document vervolgens toe te zenden aan de marktdeelnemers. De Commissie heeft vastgesteld dat dit document zeer theoretisch van aard is en niet de nodige technische elementen bevat aan de hand waarvan de marktdeelnemers aan de Comorese wetgeving kunnen voldoen en de Comorese autoriteiten de activiteiten van de betrokken Comorese vaartuigen kunnen monitoren.

(65)

In het licht van de situatie waarnaar wordt verwezen in de overweging 62, 63 en 64, heeft de Commissie vastgesteld dat de Comorese autoriteiten geen passende voorzorgsmaatregelen hebben genomen ten aanzien van onder de Comorese vlag varende vissersvaartuigen en bij visserij betrokken vaartuigen die de Comorese wetgeving en voorschriften hebben overtreden.

(66)

Zoals bovendien reeds werd opgemerkt in overweging 46 van het besluit van 1 oktober 2015, waren de Comorese autoriteiten zich er reeds vóór de vaststelling van dat besluit van bewust dat onder hun vlag varende vaartuigen de Comorese wetgeving en voorschriften hebben overtreden door buiten de Comorese EEZ te vissen, maar hebben zij geen handhavingsmaatregelen ten aanzien van deze vaartuigen genomen.

(67)

De in de overweging 58 tot en met 66 beschreven situatie is in strijd met artikel 94 van UNCLOS, dat betrekking heeft op de verplichting voor een vlaggenstaat om doeltreffend zijn rechtsmacht en toezicht uit te oefenen over schepen die zijn vlag voeren en over de kapiteins, officieren en bemanning daarvan. Ook strookt zij niet met de aanbevelingen om handhavingsmaatregelen te nemen tegen IOO-visserij en voldoende strenge sancties te treffen tegen dergelijke activiteiten om IOO-visserij doeltreffend te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen en om overtreders de uit hun illegale activiteiten voortvloeiende voordelen te ontnemen, zoals opgenomen in punt 8.2.7 van de FAO-gedragscode, punt 21 van het IAP-IOO en de punten 31, 32, 33, 35 en 38 van de vrijwillige FAO-richtsnoeren over de prestaties van de vlaggenstaat.

(68)

Opgemerkt wordt dat het Comorese rechtskader voor visserij nog steeds is gebaseerd op de visserij- en aquacultuurwetgeving die is vastgesteld bij wet nr. 07-011/AU van 29 augustus 2007, en op decreet nr. 15-050/PR van 15 april 2015, die op het moment van het besluit van 1 oktober 2015 van kracht waren. Er wordt ook herinnerd aan de overweging 49 en 50 van dat besluit, waarin het volgende is vastgesteld: i) de Comorese autoriteiten hebben erkend dat verdere uitvoeringsteksten bij de visserij- en aquacultuurwet moeten worden opgesteld met het oog op coherentie tussen enerzijds het nationale recht en anderzijds de geldende internationale en regionale voorschriften; ii) de definitie van vissersvaartuigen in de Comorese visserij- en aquacultuurwet omvat geen vaartuigen die visserijgerelateerde activiteiten verrichten, en iii) het Comorese rechtskader bestrijkt weliswaar ernstige inbreuken als omschreven in het internationale recht, maar omvat geen expliciete omschrijving van IOO-visserij en voorziet niet uitdrukkelijk in handhavingsmaatregelen en sancties voor onderdanen die IOO-visserij ondersteunen of bedrijven, als bepaald in de punten 18 en 21 van het IAP-IOO.

(69)

Er wordt eveneens aan herinnerd dat in overweging 50 van het besluit van 1 oktober 2015 is vastgesteld dat, wat de sanctieregeling betreft, de boeten in het kader van industriële visserij gebaseerd zijn op de vergoeding voor de vergunningen. De categorieën visvergunningen die in het Comorese recht zijn opgenomen, hebben echter uitsluitend betrekking op tonijn. Bijgevolg zijn er geen boeten voor overtredingen door de industriële vloot die op andere soorten vist, aangezien voor de desbetreffende visvergunningen geen vergoeding is bepaald. Dit verlaagt de afschrikkende werking van de Comorese sanctieregeling en laat de Comorese autoriteiten niet toe voldoende strenge sancties te treffen tegen IOO-visserij om die visserij doeltreffend te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen en om overtreders de uit hun illegale activiteiten voortvloeiende voordelen te ontnemen.

(70)

De Comorese autoriteiten die over de visserij gaan, hebben aan de Commissie ontwerpwijzigingen gepresenteerd van de bepalingen van de visserij- en aquacultuurwetgeving die is vastgesteld bij wet nr. 07-011/AU van 29 augustus 2007, en van decreet nr. 15-050/PR van 15 april 2015. De Commissie heeft tijdens haar bezoek van augustus 2016 echter vastgesteld dat het herzieningsproces wordt belemmerd door het onaangepaste administratieve kader. De Commissie heeft ook geconstateerd dat een deel van de Comorese overheidsdiensten het herzieningsproces ziet als een gelegenheid om het „goedkopevlagbeleid” van de Comoren verder te versterken. Daarom is de Commissie van mening dat het rechtskader nog steeds niet voldoende in overeenstemming is met de toepasselijke internationale en regionale voorschriften.

(71)

Op basis van de informatie die de Commissie heeft verkregen van de Comorese autoriteiten en die zij heeft verzameld tijdens haar bezoek van augustus 2016, heeft de Commissie geconcludeerd dat een groot aantal in Comorees recht verankerde voorschriften nog steeds niet ten uitvoer zijn gelegd en evenmin worden gehandhaafd (zoals de verplichting om gegevens afkomstig van het volgsysteem voor vaartuigen door te sturen en vangstgegevens te rapporteren, beperkingen van het gebied waar Comorese vaartuigen actief mogen zijn enz.). Zoals wordt vermeld in overweging 47 van het besluit van 1 oktober 2015, toont deze situatie duidelijk aan dat de autoriteiten geen toezicht op de activiteiten van de Comorese vaartuigen kunnen uitoefenen, en ondermijnt zij de capaciteit van de autoriteiten om de voorschriften voor de verschillende betrokken gebieden doeltreffend te handhaven.

(72)

Voorts is geen vooruitgang geboekt op het vlak van de in overweging 51 van het besluit van 1 oktober 2015 beschreven feiten inzake het ontbreken van een nationaal inspectieplan om een coherent beleid inzake de controle op de activiteiten van de Comorese vloot te waarborgen, en het gebrek aan voldoende waarnemers.

(73)

Ondanks het feit dat de Comorese autoriteiten hadden toegegeven dat zij over onvoldoende capaciteit beschikken voor het toezicht en de controle op de visserijactiviteiten en visserijgerelateerde activiteiten van de Comorese vloot in elk gebied waar die actief is, en van de buitenlandse vloot die actief is binnen de EEZ van de Comoren, heeft de Commissie tijdens haar bezoek van augustus 2016 geconstateerd dat er nog steeds een verdere uitbreiding van de vloot wordt beoogd.

(74)

Zoals benadrukt in de overweging 67 tot en met 72 van het besluit van 1 oktober 2015, kan het ontwikkelingsniveau van de Comoren niet worden aangemerkt als een factor die afbreuk doet aan de capaciteit van de bevoegde autoriteiten om met andere landen samen te werken en handhavingsmaatregelen te nemen. De specifieke beperkingen in verband met het ontwikkelingsniveau van de Comoren worden uitgebreider beoordeeld in de overweging 88 tot en met 93 van het onderhavige besluit.

(75)

Gezien de overweging 37 tot en met 54 van het besluit van 1 oktober 2015 en de ontwikkelingen sinds 1 oktober 2015 is de Commissie op grond van artikel 31, lid 3, en lid 5, onder a) tot en met d), van de IOO-verordening van mening dat de Comoren zich niet hebben gekweten van de taken die zij krachtens internationaal recht als vlaggen-, kust-, haven- en marktstaat dienen te vervullen op het gebied van samenwerking en handhaving.

3.3.   Niet-naleving van de verplichting tot tenuitvoerlegging van internationale regelgeving (artikel 31, lid 6, van de IOO-verordening)

(76)

Zoals wordt beschreven in de overweging 57 tot en met 60 van het besluit van 1 oktober 2015, heeft de Commissie de door haar als relevant beschouwde informatie geanalyseerd op basis van beschikbare gegevens die zijn bekendgemaakt door regionale organisaties voor visserijbeheer (ROVB's), met name de IOTC en de Visserijcommissie voor het zuidwestelijke deel van de Indische Oceaan (SWIOFC). Daarnaast heeft de Commissie, naar aanleiding van het besluit van 1 oktober 2015, een analyse gemaakt van de als ter zake relevant beschouwde informatie over de status van de Comoren als verdragsluitende partij bij de IOTC en de SWIOFC.

(77)

In de overweging 57 en 58 van het besluit van 1 oktober 2015 worden herhaalde en niet-herhaalde problemen inzake naleving van de IOTC-resoluties door de Comoren beschreven die voor 2014 zijn vermeld in het nalevingsverslag van de IOTC voor de Comoren van 25 maart 2015 (4).

(78)

Volgens informatie in het nalevingsverslag van de IOTC voor de Comoren van 16 april 2016 (5) zijn in 2015 verscheidene herhaalde nalevingskwesties geconstateerd. De Comoren hebben met name slechts ten dele voldaan aan de verplichting van Resolutie 05/05 om geaggregeerde statistieken te verstrekken over: i) de nominale vangsten van haaien; ii) vangsten en inspanningen betreffende haaien, en iii) grootteverdeling bij haaien. De Comoren hebben ook nog geen informatie verstrekt over de het aantal aanlandingen van artisanaal gevangen vis per soort vistuig, zoals vereist krachtens Resolutie 11/04.

(79)

In het bovenvermelde nalevingsverslag werden ook niet-herhaalde nalevingskwesties vermeld. De Comoren hebben geen informatie verstrekt over het verbod inzake oceanische witpunthaaien, zoals vereist krachtens Resolutie 13/06, en evenmin over de tenuitvoerlegging van de FAO-richtsnoeren inzake zeeschildpadden, zoals vereist krachtens Resolutie 12/04.

(80)

Het gebrek aan naleving van de IOTC-resoluties door de Comoren toont aan dat het land zijn verplichtingen als vlaggenstaat, als vastgesteld in artikel 94 van UNCLOS, niet naleeft. Ook blijkt daardoor dat de Comoren zich niet houden aan de aanbevelingen van de punten 31, 32, 33, 35 en 38 van de vrijwillige FAO-richtsnoeren over de prestaties van de vlaggenstaat en van punt 24 van het IAP-IOO.

(81)

Met uitzondering van de IOTC en de SWIOFC zijn de Comoren geen verdragsluitende partij bij andere ROVB's. Dit ondermijnt de Comorese inspanningen om te voldoen aan de verplichtingen in het kader van UNCLOS, met name de artikelen 117 en 118, gezien de structuur van de Comorese vloot, die niet uitsluitend in de regio van de Indische Oceaan actief is.

(82)

Bovendien hebben de Comoren, op UNCLOS na, geen internationale rechtsinstrumenten op het gebied van visserijbeheer geratificeerd. Gezien het belang van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden voor de Comoren, ondermijnt deze bevinding de inspanningen van de Comoren om hun taken als vlaggen-, kust-, haven- en marktstaat in het kader van UNCLOS, met name de artikelen 63 en 64, te vervullen.

(83)

De prestaties van de Comoren bij de tenuitvoerlegging van internationale instrumenten stroken evenmin met de aanbevelingen in punt 11 van het IAP-IOO, waarin staten wordt aangeraden om, met voorrang, de overeenkomst van de Verenigde Naties over de toepassing van de bepalingen van UNCLOS die betrekking hebben op de instandhouding en het beheer van grensoverschrijdende en over grote afstanden trekkende visbestanden (UNFSA) en de FAO-nalevingsovereenkomst te ratificeren, te aanvaarden of ertoe toe te treden. Ook zijn zij in strijd met punt 14, waarin staat dat de staten de gedragscode en de bijbehorende internationale actieplannen volledig en doeltreffend ten uitvoer moeten leggen.

(84)

Voorts hebben de Comoren de FAO-overeenkomst inzake havenstaatmaatregelen van 2009 niet geratificeerd.

(85)

In strijd met de aanbevelingen van de punten 25, 26 en 27 van het IAP-IOO hebben de Comoren tot op heden geen nationaal actieplan tegen IOO-visserij ontwikkeld.

(86)

Uit de informatie die werd verkregen van de Comorese autoriteiten, heeft de Commissie afgeleid dat het beheer van het register van de Comorese vissersvloot en bij visserij betrokken vloot nog steeds gedeeltelijk is gedelegeerd aan privaatrechtelijke rechtspersonen die buiten de Comoren zijn gevestigd. Op basis van door de Commissie verzamelde informatie en door de Comoren afgelegde verklaringen is geconstateerd dat de Comoren er niet voor hebben gezorgd dat onder hun vlag varende vaartuigen een echte band met het land hebben. Dit is in strijd met artikel 91 van UNCLOS, waarin is vastgesteld dat er tussen de vlaggenstaat en zijn vaartuigen een echte band moet bestaan.

(87)

Gezien de overweging 55 tot en met 65 van het besluit van 1 oktober 2015 en gezien de ontwikkelingen sinds 1 oktober 2015 is de Commissie op grond van artikel 31, leden 3 en 6, van de IOO-verordening van oordeel dat de Comoren zich niet hebben gekweten van de taken die zij krachtens internationaal recht dienen te vervullen op het gebied van internationale voorschriften en regelingen en instandhoudings- en beheersmaatregelen.

3.4.   Specifieke beperkingen van ontwikkelingslanden (artikel 31, lid 7, van de IOO-verordening)

(88)

Er zij aan herinnerd dat de Comoren slecht scoren op de index voor menselijke ontwikkeling van de Verenigde Naties (UNHDI), volgens welke zij in 2014 de 159e plaats in een lijst van 188 landen innamen (6). Ook wordt eraan herinnerd dat de Comoren in Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad (7) bij de categorie minst ontwikkelde landen zijn ingedeeld (8).

(89)

Er is geen ondersteunend bewijs gevonden waaruit blijkt dat de Comoren hun uit internationaal recht voortvloeiende verplichtingen niet kunnen nakomen ten gevolge van beperkingen in verband met het ontwikkelingsniveau. Hoewel in het algemeen specifieke capaciteitsbeperkingen kunnen bestaan op het gebied van toezicht, controle en bewaking, kunnen de specifieke beperkingen waarmee de Comoren door hun ontwikkelingsniveau te maken hebben, niet worden aangevoerd als reden voor de in de vorige delen geïdentificeerde tekortkomingen. Het gaat in het bijzonder om de status van het Comorese register en het totale gebrek aan controles van een deel van de Comorese vloot.

(90)

Zoals wordt vermeld in overweging 69 van het besluit van 1 oktober 2015, blijken de geconstateerde tekortkomingen in de eerste plaats voort te vloeien uit een onaangepast administratief kader en een gebrek aan samenwerking en informatie-uitwisseling binnen de Comorese overheidsdiensten om de taken van de Comoren als vlaggen-, kust-, haven- en marktstaat doeltreffend en doelmatig te vervullen. Deze situatie wordt nog verder in de hand gewerkt door de onevenwichtige omvang van de Comorese vissersvloot en bij visserij betrokken vloot en het actiegebied ervan.

(91)

Ook zij eraan herinnerd dat de Europese Unie en de Comoren een partnerschapsovereenkomst inzake visserij hebben ondertekend (9). Overeenkomstig het recentste protocol (10) bij deze overeenkomst omvatte de financiële tegenprestatie die aan de Comoren werd betaald, sectorale financiële steun. De sectorale financiële steun was bedoeld om duurzame visserijontwikkeling te bevorderen via het versterken van de administratieve en wetenschappelijke capaciteit door de nadruk te leggen op duurzaam visserijbeheer, toezicht, controle en bewaking. Daardoor zouden de Comoren beter in staat moeten zijn geweest zich te kwijten van de taken die het land krachtens internationaal recht dient te vervullen als vlaggen-, haven-, kust- en marktstaat, en IOO-visserij te bestrijden.

(92)

Daarnaast krijgen de Comoren ook steun uit regionale initiatieven zoals het project SmartFish, dat wordt gefinancierd door de Europese Unie en uitgevoerd door de Commissie voor de Indische Oceaan (IOC) en dat onder meer gericht is op de bestrijding van IOO-visserij via het delen van middelen, informatie-uitwisseling, opleiding en de ontwikkeling van uitvoeringsplannen voor toezicht, controle en bewaking, en zoals het „First South West Indian Ocean Fisheries Governance and Shared Growth Project” van de Wereldbank, dat gericht is op een doeltreffender beheer van geselecteerde prioritaire visserijen op regionaal en nationaal niveau en op het niveau van gemeenschappen.

(93)

Gezien de in dit deel uiteengezette overwegingen op basis van alle door de Commissie verzamelde feitelijke elementen en de door de Comoren ingediende informatie, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 31, lid 7, van de IOO-verordening vastgesteld dat het passend lijkt rekening te houden met de specifieke beperkingen waarmee de Comoren te kampen hebben gelet op hun ontwikkelingsniveau, die een remmende factor kunnen zijn voor de algemene prestaties van de Comoren op het gebied van visserijbeheer. Gezien de aard van de geconstateerde tekortkomingen is echter vastgesteld dat het ontwikkelingsniveau van de Comoren niet geheel en al kan worden aangevoerd als excuus of rechtvaardiging voor de algehele prestaties van de Comoren als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat op het gebied van visserij en voor de ontoereikendheid van de door de Comoren genomen maatregelen om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen.

4.   CONCLUSIE OVER DE AANMERKING ALS NIET-MEEWERKEND DERDE LAND

(94)

Gezien de conclusies over het feit dat de Comoren zich niet hebben gekweten van de taken die zij krachtens internationaal recht als vlaggen-, haven-, kust- of marktstaat dienen te vervullen, en geen maatregelen hebben genomen om IOO-visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, moet dat land overeenkomstig artikel 31 van de IOO-verordening worden aangemerkt als land dat niet meewerkt aan de bestrijding van IOO-visserij.

(95)

Wanneer de bevoegde autoriteiten van de lidstaten vaststellen dat een vangstcertificaat is gevalideerd door de autoriteiten van een vlaggenstaat die overeenkomstig artikel 31 van de IOO-verordening als niet-meewerkend land is aangemerkt, moeten zij krachtens artikel 18, lid 1, onder g), van die verordening de invoer van de betrokken visserijproducten in de Unie weigeren zonder dat zij enig aanvullend bewijs hoeven te verlangen of een bijstandsverzoek aan de vlaggenstaat hoeven te zenden.

(96)

De aanmerking van de Comoren als land dat de Commissie als niet-meewerkend land beschouwt, sluit niet uit dat de Commissie of de Raad later stappen onderneemt om een lijst van niet-meewerkende landen vast te stellen.

5.   COMITÉPROCEDURE

(97)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Comoren worden aangemerkt als derde land dat door de Commissie wordt beschouwd als derde land dat niet meewerkt bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 23 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1.

(2)  Besluit van de Commissie van 1 oktober 2015 inzake de kennisgeving aan een derde land van de mogelijkheid dat het wordt aangemerkt als derde land dat niet meewerkt bij de bestrijding van illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij (PB C 324 van 2.10.2015, blz. 6).

(3)  Brief van 1 oktober 2015 aan de minister van Productie, Milieu, Energie, Industrie en Ambachten van de Comoren.

(4)   Bron: http://www.iotc.org/sites/default/files/documents/2015/04/IOTC-2015-CoC12-CR04E-Comoros.pdf

(5)   Bron: http://www.iotc.org/compliance/monitoring

(6)   Bron: http://hdr.undp.org/en/composite/HDI

(7)  Verordening (EG) nr. 1905/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 tot invoering van een financieringsinstrument voor ontwikkelingssamenwerking (PB L 378 van 27.12.2006, blz. 41).

(8)   Bron: http://www.oecd.org/dac/stats/documentupload/DAC%20List%20of%20ODA%20Recipients%202014%20final.pdf

(9)  Verordening (EG) nr. 1563/2006 van de Raad van 5 oktober 2006 betreffende de sluiting van een Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Unie van de Comoren (PB L 290 van 20.10.2006, blz. 6).

(10)  Besluit 2013/786/EU van de Raad van 16 december 2013 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, en de voorlopige toepassing van het tussen de Europese Unie en de Unie der Comoren overeengekomen Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de thans geldende partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen beide partijen (PB L 349 van 21.12.2013, blz. 4) en Protocol tussen de Europese Unie en de Unie der Comoren tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de thans geldende partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen beide partijen (PB L 349 van 21.12.2013, blz. 5).