ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 125

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
18 mei 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/836 van de Commissie van 11 januari 2017 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/837 van de Commissie van 17 mei 2017 tot rectificatie van de Poolse en de Zweedse taalversies van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart ( 1 )

3

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/838 van de Commissie van 17 mei 2017 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 889/2008 wat betreft voeder voor bepaalde biologische aquacultuurdieren ( 1 )

5

 

*

Verordening (EU) 2017/839 van de Commissie van 17 mei 2017 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad wat het gebruik van nitrieten (E 249-250) in golonka peklowana betreft ( 1 )

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/840 van de Commissie van 17 mei 2017 tot niet-goedkeuring van de werkzame stof orthosulfamuron overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen ( 1 )

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/841 van de Commissie van 17 mei 2017 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, Ampelomyces quisqualis stam AQ 10, benalaxyl, bentazon, bifenazaat, bromoxynil, carfentrazone-ethyl, chloorprofam, cyazofamide, desmedifam, diquat, DPX KE 459 (flupyrsulfuron-methyl), etoxazool, famoxadone, fenamidone, flumioxazine, foramsulfuron, Gliocladium catenulatum stam J1446, imazamox, imazosulfuron, isoxaflutool, laminarin, metalaxyl-M, methoxyfenozide, milbemectin, oxasulfuron, pendimethalin, fenmedifam, pymetrozine, S-metolachloor en trifloxystrobin ( 1 )

12

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/842 van de Commissie van 17 mei 2017 tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof met een laag risico Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

16

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/843 van de Commissie van 17 mei 2017 tot goedkeuring van de werkzame stof Beauveria bassiana stam NPP111B005 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

21

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/844 van de Commissie van 17 mei 2017 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

25

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn (EU) 2017/845 van de Commissie van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de indicatieve lijsten van elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de voorbereiding van mariene strategieën ( 1 )

27

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2017/846 van het Europees Parlement van 16 maart 2017 tot verlenging van de duur van het mandaat van de enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking

34

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2017/847 van de Commissie van 16 mei 2017 tot verlening van een door Denemarken gevraagde afwijking op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 2891)

35

 

*

Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie van 17 mei 2017 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, en tot intrekking van Besluit 2010/477/EU ( 1 )

43

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1011 van de Commissie van 24 april 2015 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1277/2005 van de Commissie ( PB L 162 van 27.6.2015 )

75

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/836 VAN DE COMMISSIE

van 11 januari 2017

tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207,

Gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (1), en met name artikel 10, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Een land waarop het stelsel van algemene tariefpreferenties („SAP”) van toepassing is, kan verzoeken in aanmerking te komen voor bijkomende tariefpreferenties in het kader van de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+). Daartoe zijn in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 978/2012 specifieke toelatingscriteria vastgelegd voor de toekenning van tariefpreferenties in het kader van SAP+. Het land moet kwetsbaar worden geacht als gevolg van onvoldoende diversificatie en integratie in het internationale handelssysteem. Het moet alle in bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 978/2012 opgenomen verdragen hebben geratificeerd en in de recentst beschikbare conclusies van de betrokken toezichthoudende instanties mogen geen ernstige fouten bij de daadwerkelijke tenuitvoerlegging van een van deze verdragen aan het licht zijn gekomen. Met betrekking tot de desbetreffende verdragen mag het land geen voorbehoud hebben geformuleerd dat door een van deze verdragen is verboden of dat voor het uitsluitende doel van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 978/2012 als onverenigbaar met het voorwerp en doel van die verdragen wordt beschouwd. Het moet zonder voorbehoud de door elk verdrag opgelegde rapportageverplichtingen aanvaarden en de bindende verbintenissen als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), e), en f), van Verordening (EU) nr. 978/2012 zijn aangegaan.

(2)

Een begunstigd land van SAP+ dat van SAP+ wil profiteren, moet een verzoek indienen dat vergezeld gaat van uitgebreide informatie over de ratificatie van de desbetreffende verdragen, de voorbehouden en de door andere partijen bij die verdragen tegen deze voorbehouden aangevoerde bezwaren, en de bindende verbintenissen.

(3)

De Commissie heeft de bevoegdheid gekregen gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage III bij Verordening (EU) nr. 978/2012 te wijzigen en aan een land dat daarom verzoekt de SAP+-status toe te kennen door het aan de lijst van begunstigde landen van SAP+ toe te voegen.

(4)

Op 12 juli 2016 ontving de Commissie een SAP+-verzoek van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka („Sri Lanka”).

(5)

De Commissie heeft het SAP+-verzoek van Sri Lanka overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 978/2012 onderzocht en vastgesteld dat Sri Lanka aan de voorwaarden voldoet. Aan Sri Lanka moet bijgevolg de SAP+-status worden toegekend vanaf de inwerkingtreding van deze verordening. Bijlage III bij Verordening (EU) nr. 978/2012 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 978/2012 moet de Commissie de stand van de ratificatie van de desbetreffende verdragen, de daadwerkelijke uitvoering van die verdragen, alsmede de samenwerking met de betrokken toezichthoudende instanties door de regering van Sri Lanka voortdurend evalueren,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In bijlage III bij Verordening (EU) nr. 978/2012 worden het volgende land en de bijbehorende lettercode toegevoegd aan respectievelijk de kolommen B en A:

„Sri Lanka

LK”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 januari 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 303 van 31.10.2012, blz. 1.


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/837 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot rectificatie van de Poolse en de Zweedse taalversies van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (1) en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Poolse taalversie van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie (2) bevat een fout in punt 11.4.3, onder a), van de bijlage, wat betreft de lijst van bevoegdheden die op gezette tijden periodieke training vergen.

(2)

De Zweedse taalversie van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 bevat fouten in de bijlage, namelijk in de punten 8.1.1.2 en 9.1.1.3 met betrekking tot het vereiste van een hernieuwd beveiligingsonderzoek; in punt 8.3.1 met betrekking tot het voorwerp van de leveringsplicht; in de eerste alinea van punt 9.1.3.5, onder b), met betrekking tot de reikwijdte van de valideringsmethode; in punt 9.3.1 met betrekking tot het voorwerp van de leveringsplicht; en in de inleidende zinsnede van punt 11.2.3.1 met betrekking tot de personen voor wie de opleidingseisen gelden.

(3)

De Poolse en de Zweedse taalversies van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 moeten daarom dienovereenkomstig worden gerectificeerd. Deze fout betreft niet de overige taalversies.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de beveiliging van de burgerluchtvaart,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

(heeft geen betrekking op het Nederlands)

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1998 van de Commissie van 5 november 2015 tot vaststelling van gedetailleerde maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de gemeenschappelijke basisnormen op het gebied van de beveiliging van de luchtvaart (PB L 299 van 14.11.2015, blz. 1).


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/838 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 889/2008 wat betreft voeder voor bepaalde biologische aquacultuurdieren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (1), en met name artikel 15, lid 2, en artikel 16, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 834/2007 zijn basisvoorschriften vastgesteld voor de biologische productie van aquacultuurdieren, waaronder voorschriften met betrekking tot diervoeders. In Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie (2) zijn bepalingen voor de uitvoering van deze voorschriften opgenomen.

(2)

Krachtens artikel 15, lid 1, onder d), i), van Verordening (EG) nr. 834/2007 moeten vis en schaal- en schelpdieren worden gevoederd met diervoeder dat voldoet aan de voedingsbehoeften van het dier in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling.

(3)

Artikel 25 terdecies van Verordening (EG) nr. 889/2008 bevat specifieke voorschriften inzake voeder voor bepaalde in bijlage XIII bis, delen 6, 7 en 9, bedoelde aquacultuurdieren. Volgens die bepalingen moet de voorkeur worden gegeven aan het van nature aanwezige voeder, voor zover beschikbaar.

(4)

Krachtens artikel 25 terdecies, lid 1, van Verordening (EG) nr. 889/2008 moet het voederrantsoen van de betrokken dieren bestaan uit voeder dat van nature in vijvers en meren beschikbaar is. In artikel 25 terdecies, lid 2, van die verordening is bepaald dat bij gebrek aan voldoende van nature beschikbare voedselbronnen gebruik mag worden gemaakt van biologisch voeder van plantaardige oorsprong of van zeewier. In artikel 25 terdecies, lid 3, onder a) en b), van die verordening is vastgesteld hoeveel vismeel of visolie het voederrantsoen van pangasius en garnalen mag bevatten indien het natuurlijke voeder wordt aangevuld.

(5)

Van nature voorkomend voeder is beperkt of onbestaand in de fase in de broedkamer. De lidstaten hebben de Commissie erop gewezen dat de in artikel 25 terdecies, lid 3, onder b), van Verordening (EG) nr. 889/2008 opgenomen voorschriften inzake het voederen van peneïdegarnalen, en met name grote tijgergarnaal (Penaeus monodon), zouden leiden tot ondervoeding en verhoogde sterfte indien ze worden toegepast in de vroege levensfasen in de broedkamer.

(6)

Krachtens artikel 25 terdecies, lid 1, van Verordening (EG) nr. 889/2008 moet het voederrantsoen van de betrokken dieren bestaan uit voeder dat van nature in vijvers en meren beschikbaar is. Die bepaling zou enkel betrekking mogen hebben op de opkweekfase, wanneer de dieren in vijvers en meren worden gehouden en niet in broedkamers, waar onvoldoende van nature beschikbaar voeder aanwezig is. Dit is met name relevant sinds 31 december 2016, aangezien niet-biologisch gehouden aquacultuurjuvenielen overeenkomstig artikel 25 sexies, lid 3, van Verordening (EG) nr. 889/2008 met ingang van die datum niet langer op een biologisch bedrijf mogen worden binnengebracht. Vóór die datum was het toegestaan een aandeel niet-biologische juvenielen die tijdens de fase in de broedkamer volgens de niet-biologische methode waren beheerd, op een biologisch bedrijf binnen te brengen.

(7)

Daarnaast heeft de bij Besluit 2009/427/EG van de Commissie (3) opgerichte deskundigengroep voor technisch advies inzake de biologische productie (Egtop) bevestigd dat de specifieke voorschriften van artikel 25 terdecies, lid 3, onder a) en b), van Verordening (EG) nr. 889/2008 uitsluitend geschikt zijn voor de opkweekfase (4). Volgens Egtop kan door de in dat artikel opgenomen beperkingen voor vismeel en visolie niet worden voldaan aan de voedingsbehoeften van het dier tijdens de vroege levensstadia in de broedkamer.

(8)

De Commissie heeft geconcludeerd dat de voorschriften inzake voeder voor bepaalde aquacultuurdieren moeten worden gewijzigd, meer bepaald dat moet worden verduidelijkt dat deze voorschriften enkel gelden voor de opkweekfase. Om tot deze conclusie te komen heeft de Commissie rekening gehouden met de vereiste om te voldoen aan de voedingsbehoeften van het dier in de verschillende stadia van zijn ontwikkeling, als bedoeld in artikel 15, lid 1, onder d), i), van Verordening (EG) nr. 834/2007, met de doelstelling van artikel 25 terdecies van Verordening (EG) nr. 889/2008 om prioriteit te geven aan het van nature aanwezige voeder, voor zover beschikbaar, en met het advies van Egtop.

(9)

Verordening (EG) nr. 889/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor biologische productie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 25 terdecies, lid 1, van Verordening (EG) nr. 889/2008 wordt vervangen door:

„1.   Tijdens de opkweekfasen bestaat het voederrantsoen van in bijlage XIII bis, delen 6, 7 en 9, bedoelde aquacultuurdieren uit voeder dat van nature in vijvers en meren beschikbaar is.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 889/2008 van de Commissie van 5 september 2008 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten, wat de biologische productie, de etikettering en de controle betreft (PB L 250 van 18.9.2008, blz. 1).

(3)  Besluit 2009/427/EG van de Commissie van 3 juni 2009 tot oprichting van een deskundigengroep voor technisch advies inzake de biologische productie (PB L 139 van 5.6.2009, blz. 29).

(4)  Eindverslag: http://ec.europa.eu/agriculture/organic/sites/orgfarming/files/final_report_egtop_on_aquaculture_part-c_en.pdf.


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/7


VERORDENING (EU) 2017/839 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad wat het gebruik van nitrieten (E 249-250) in „golonka peklowana” betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (1), en met name artikel 10, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 is een EU-lijst vastgesteld van voor gebruik in levensmiddelen toegestane levensmiddelenadditieven en van de gebruiksvoorwaarden daarvoor.

(2)

De EU-lijst van levensmiddelenadditieven kan op initiatief van de Commissie of ingevolge een aanvraag worden bijgewerkt volgens de uniforme procedure van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(3)

Op 10 maart 2016 heeft Polen een aanvraag ingediend voor goedkeuring van het gebruik van nitrieten (E 249-250) als conserveermiddel in „golonka peklowana”. Deze aanvraag is vervolgens overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1331/2008 toegankelijk gemaakt voor de lidstaten.

(4)

Volgens de aanvrager is „golonka peklowana” een traditionele Poolse vleesbereiding waarin nitrieten, behalve voor hun conserverende werking, ook worden gebruikt als bewaarmiddel om de juiste door de consumenten verwachte kleur, smaak en textuur te verkrijgen. „Golonka peklowana” wordt aan de consumenten aangeboden en moet voor consumptie een verdere warmtebehandeling ondergaan.

(5)

In overweging 7 van Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt gesteld dat bij de goedkeuring van levensmiddelenadditieven ook andere relevante factoren in aanmerking moeten worden genomen, waaronder traditionele factoren. Het is derhalve aangewezen bepaalde traditionele producten in sommige lidstaten op de markt te behouden indien het gebruik van levensmiddelenadditieven voldoet aan de in Verordening (EG) nr. 1333/2008 vastgelegde algemene en specifieke voorwaarden.

(6)

Ter waarborging van de uniforme toepassing van het gebruik van de additieven die worden bestreken door de onderhavige verordening, zal „golonka peklowana” worden beschreven in een leidraad met levensmiddelencategorieën in deel E van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 inzake levensmiddelenadditieven (3).

(7)

Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1331/2008 moet de Commissie het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) inwinnen met het oog op het bijwerken van de EU-lijst van levensmiddelenadditieven in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008, tenzij die bijwerking waarschijnlijk geen gevolgen zal hebben voor de gezondheid van de mens. Nitrieten zijn toegestaan voor gebruik in vleesproducten op algemene basis, maar het gebruik in vleesbereidingen is beperkt tot bepaalde traditionele bereidingen en er zijn specifieke bepalingen vastgesteld voor traditioneel vervaardigde gezouten producten. Aangezien de aanvraag voor de uitbreiding van het gebruik van nitrieten is beperkt tot een specifieke vleesbereiding die om traditionele redenen wordt gebruikt, zal de uitbreiding naar verwachting geen aanzienlijke impact hebben op de algemene blootstelling aan nitrieten. De uitbreiding van het gebruik van deze additieven betekent derhalve een bijwerking van de EU-lijst die geen gevolgen zal hebben voor de gezondheid van de mens, en is het niet nodig de EFSA om advies te vragen.

(8)

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.

(2)  Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een uniforme goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma's (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 1).

(3)  http://ec.europa.eu/food/safety/food_improvement_agents/additives/eu_rules_en


BIJLAGE

In deel E van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 worden de gegevens voor nitrieten (E 249-250) in levensmiddelencategorie 08.2 „Vleesbereidingen als omschreven in Verordening (EG) nr. 853/2004” vervangen door:

 

„E 249 — 250

Nitrieten

150

(7)

alleen lomo de cerdo adobado, pincho moruno, careta de cerdo adobada, costilla de cerdo adobada, Kasseler, Bräte, Surfleisch, toorvorst, šašlõkk, ahjupraad, kiełbasa surowa biała, kiełbasa surowa metka, tatar wołowy (danie tatarskie) en golonka peklowana


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/840 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot niet-goedkeuring van de werkzame stof orthosulfamuron overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor vóór 14 juni 2011 een besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor orthosulfamuron is bij Beschikking 2006/806/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan.

(2)

Italië heeft op 4 juli 2005 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van Isagro S.p.A. een aanvraag ontvangen tot opneming van de werkzame stof orthosulfamuron in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2006/806/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht kan worden aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen.

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 27 juli 2012 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend. Overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie (4) is de aanvrager om aanvullende informatie verzocht. De beoordeling door Italië van de door de aanvrager ingediende aanvullende informatie is in de vorm van addenda bij het ontwerpbeoordelingsverslag ingediend en in augustus 2013 door de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) gecompileerd.

(4)

Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de EFSA geëvalueerd. De EFSA heeft haar conclusie over de risicobeoordeling van de werkzame stof orthosulfamuron als bestrijdingsmiddel (5) op 3 september 2013 aan de Commissie voorgelegd. De EFSA heeft geconcludeerd dat de beoordeling van het risico voor de consument niet kan worden voltooid op basis van de beschikbare informatie over de aard van de residuen in primaire en volggewassen en door het gebrek aan toxicologische informatie en een innamebeoordeling van bepaalde plantmetabolieten. Bovendien kon ook de risicobeoordeling met betrekking tot in de bodem en in het water levende organismen niet worden voltooid. De EFSA heeft daarenboven problemen vastgesteld in verband met bepaalde metabolieten, als gevolg waarvan de blootstellingsbeoordeling voor grondwater niet kon worden voltooid.

(5)

De Commissie heeft de aanvrager verzocht zijn opmerkingen in te dienen over de conclusie van de EFSA en, overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 188/2011, over het ontwerpevaluatieverslag. De aanvrager heeft zijn opmerkingen ingediend en deze zijn zorgvuldig onderzocht.

(6)

Ondanks de argumenten van de aanvrager blijven de in overweging 4 vastgestelde/vermelde problemen echter bestaan.

(7)

Bijgevolg is niet aangetoond dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die orthosulfamuron bevatten, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden in het algemeen aan de eisen van artikel 5, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 91/414/EEG voldoen.

(8)

Orthosulfamuron mag daarom niet worden goedgekeurd overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

(9)

Overeenkomstig artikel 8, lid 1, onder b), van Richtlijn 91/414/EEG werd de lidstaten de mogelijkheid geboden om gewasbeschermingsmiddelen die orthosulfamuron bevatten voorlopig toe te laten voor een initiële periode van drie jaar. Bij Uitvoeringsbesluit 2013/205/EU van de Commissie (6) kregen de lidstaten toestemming om deze voorlopige toelatingen voor orthosulfamuron te verlengen tot uiterlijk 30 april 2015.

(10)

Aangezien alle bestaande toelatingen zijn vervallen, is het niet nodig te voorzien in een bijkomende termijn om toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die orthosulfamuron bevatten, in te trekken.

(11)

Deze verordening laat de mogelijkheid om een nieuwe aanvraag voor orthosulfamuron in te dienen overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 onverlet.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Niet-goedkeuring van een werkzame stof

De werkzame stof orthosulfamuron wordt niet goedgekeurd.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(3)  Beschikking 2006/806/EG van de Commissie van 24 november 2006 houdende de principiële erkenning dat het dossier dat is ingediend voor grondig onderzoek met het oog op de eventuele opneming van orthosulfamuron in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad, volledig is (PB L 329 van 25.11.2006, blz. 74).

(4)  Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn niet op de markt waren (PB L 53 van 26.2.2011, blz. 51).

(5)   EFSA Journal 2013;11(9):3352. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(6)  Uitvoeringsbesluit 2013/205/EU van de Commissie van 25 april 2013 waarbij aan de lidstaten toestemming wordt verleend om de geldigheidsduur van de voorlopige toelatingen voor de nieuwe werkzame stoffen acequinocyl, aminopyralid, ascorbinezuur, flubendiamide, gamma-cyhalothrin, ipconazool, metaflumizon, orthosulfamuron, Pseudomonas sp. stam DSMZ 13134, pyridalil, pyroxsulam, spiromesifen, thiencarbazon en topramezone te verlengen (PB L 117 van 27.4.2013, blz. 20).


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/841 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, Ampelomyces quisqualis stam AQ 10, benalaxyl, bentazon, bifenazaat, bromoxynil, carfentrazone-ethyl, chloorprofam, cyazofamide, desmedifam, diquat, DPX KE 459 (flupyrsulfuron-methyl), etoxazool, famoxadone, fenamidone, flumioxazine, foramsulfuron, Gliocladium catenulatum stam J1446, imazamox, imazosulfuron, isoxaflutool, laminarin, metalaxyl-M, methoxyfenozide, milbemectin, oxasulfuron, pendimethalin, fenmedifam, pymetrozine, S-metolachloor en trifloxystrobin

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 17, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (2) zijn de werkzame stoffen opgenomen die worden geacht krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 te zijn goedgekeurd.

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/549 van de Commissie (3) is de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen bentazon, diquat, DPX KE 459 (flupyrsulfuron-methyl), famoxadone, flumioxazine, metalaxyl-M en pymetrozine laatstelijk verlengd. De goedkeuring van die stoffen vervalt op 30 juni 2017. De aanvragen voor de verlenging van de opneming van die stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (4) zijn ingediend in overeenstemming met artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie (5).

(3)

De geldigheidsduur voor de werkzame stoffen carfentrazone-ethyl, cyazofamide, fenamidone, foramsulfuron, imazamox, isoxaflutool, oxasulfuron, pendimethalin en trifloxystrobin is laatstelijk verlengd bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/950 van de Commissie (6). De goedkeuring van die stoffen vervalt op 31 juli 2017.

(4)

De geldigheidsduur voor de werkzame stoffen alfa-cypermethrin, Ampelomyces quisqualis stam AQ 10, benalaxyl, bifenazaat, bromoxynil, chloorprofam, desmedifam, etoxazool, Gliocladium catenulatum stam J1446, imazosulfuron, laminarin, methoxyfenozide, milbemectin, fenmedifam en S-metolachloor is verlengd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1197/2012 van de Commissie (7). De goedkeuring van die stoffen vervalt op 31 juli 2017.

(5)

De aanvragen voor de verlenging van de goedkeuring van de in de overwegingen 3 en 4 vermelde stoffen zijn ingediend in overeenstemming met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (8).

(6)

Aangezien de beoordeling van de stoffen is uitgesteld om redenen die de aanvragers niet verwijtbaar zijn, zal de goedkeuring van die werkzame stoffen waarschijnlijk vervallen voordat een besluit over de verlenging ervan is genomen. Daarom moet de goedkeuringsperiode voor die stoffen worden verlengd.

(7)

Gezien het doel van artikel 17, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 zal de Commissie, in gevallen waarin zij bij verordening bepaalt dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof niet wordt verlengd omdat niet aan de criteria voor goedkeuring is voldaan, de vervaldatum vaststellen op dezelfde datum als vóór deze verordening of, indien dat later is, op de datum van inwerkingtreding van de verordening, waarbij wordt bepaald dat de goedkeuring van de werkzame stof niet wordt verlengd. In gevallen waarin de Commissie bij verordening bepaalt dat de goedkeuring van een in de bijlage bij deze verordening genoemde werkzame stof wordt verlengd, zal de Commissie, wanneer dit aangewezen is, trachten om de vroegst mogelijke toepassingsdatum vast te stellen.

(8)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/549 van de Commissie van 8 april 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen bentazon, cyhalofop-butyl, diquat, famoxadone, flumioxazine, DPX KE 459 (flupyrsulfuron-methyl), metalaxyl-M, picolinafen, prosulfuron, pymetrozine, thiabendazole en thifensulfuron-methyl (PB L 95 van 9.4.2016, blz. 4).

(4)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 1141/2010 van de Commissie van 7 december 2010 tot vaststelling van de procedure voor de verlenging van de opneming van een tweede groep werkzame stoffen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad en tot opstelling van de lijst van die stoffen (PB L 322 van 8.12.2010, blz. 10).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/950 van de Commissie van 15 juni 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 2,4-DB, beta-cyfluthrin, carfentrazone-ethyl, Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 (DSM 9660), cyazofamide, deltamethrin, dimethenamid-P, ethofumesaat, fenamidone, flufenacet, flurtamone, foramsulfuron, fosthiazaat, imazamox, iodosulfuron, iprodion, isoxaflutool, linuron, maleïnehydrazide, mesotrione, oxasulfuron, pendimethalin, picoxystrobin, silthiofam en trifloxystrobin (PB L 159 van 16.6.2016, blz. 3).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1197/2012 van de Commissie van 13 december 2012 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen acetamiprid, alfa-cypermethrin, Ampelomyces quisqualis stam AQ 10, benalaxyl, bifenazaat, bromoxynil, chloorprofam, desmedifam, etoxazool, Gliocladium catenulatum stam J1446, imazosulfuron, laminarin, mepanipyrim, methoxyfenozide, milbemectin, fenmedifam, Pseudomonas chlororaphis stam MA 342, quinoxyfen, S-metolachloor, tepraloxydim, thiacloprid, thiram en ziram (PB L 342 van 14.12.2012, blz. 27).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).


BIJLAGE

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 11, bentazon, wordt de datum vervangen door „30 juni 2018”.

2)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 15, diquat, wordt de datum vervangen door „30 juni 2018”.

3)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 19, DPX KE 459 (flupyrsulforon methyl), wordt de datum vervangen door „30 juni 2018”.

4)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 23, pymetrozine, wordt de datum vervangen door „30 juni 2018”.

5)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 35, famoxadone, wordt de datum vervangen door „30 juni 2018”.

6)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 37, metalaxyl-M, wordt de datum vervangen door „30 juni 2018”.

7)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 39, flumioxazine, wordt de datum vervangen door „30 juni 2018”.

8)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 41, imazamox, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

9)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 42, oxasulfuron, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

10)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 44, foramsulfuron, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

11)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 46, cyazofamide, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

12)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 53, pendimethalin, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

13)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 59, trifloxystrobin, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

14)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 60, carfentrazone-ethyl, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

15)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 62, fenamidone, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

16)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 63, isoxaflutool, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

17)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 78, chloorprofam, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

18)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 83, alfa-cypermethrin, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

19)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 84, benalaxyl, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

20)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 85, bromoxynil, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

21)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 86, desmedifam, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

22)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 88, fenmedifam, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

23)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 93, Ampelomyces quisqualis stam AQ 10, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

24)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 95, laminarin, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

25)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 96, methoxyfenozide, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

26)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 97, S-metolachloor, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

27)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 98, Gliocladium catenulatum stam J1446, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

28)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 99, etoxazool, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

29)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 109, bifenazaat, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.

30)

In de zesde kolom, geldigheidsduur, van rij 110, milbemectin, wordt de datum vervangen door „31 juli 2018”.


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/16


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/842 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof met een laag risico Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 22, lid 1, in samenhang met artikel 20, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2003/79/EG van de Commissie (2) is Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3) opgenomen als werkzame stof.

(2)

De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4).

(3)

De goedkeuring van de werkzame stof Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08, zoals vermeld in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, vervalt op 31 oktober 2017.

(4)

Er is een aanvraag tot verlenging van de goedkeuring van Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 ingediend overeenkomstig artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie (5) en binnen de in dat artikel vermelde termijn.

(5)

De aanvrager heeft de overeenkomstig artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 vereiste aanvullende dossiers ingediend. De lidstaat-rapporteur heeft vastgesteld dat de aanvraag volledig was.

(6)

De lidstaat-rapporteur heeft in overleg met de lidstaat-corapporteur een beoordelingsverslag over de verlenging opgesteld en dit verslag op 29 mei 2015 bij de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) en de Commissie ingediend.

(7)

De EFSA heeft het beoordelingsverslag over de verlenging voor opmerkingen aan de aanvrager en de lidstaten toegezonden en de ontvangen opmerkingen naar de Commissie doorgestuurd. De EFSA heeft het aanvullende beknopte dossier tevens toegankelijk gemaakt voor het publiek.

(8)

Op 8 juni 2016 heeft de EFSA de Commissie haar conclusie (6) meegedeeld met betrekking tot de vraag of Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 naar verwachting zal voldoen aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009. De Commissie heeft het ontwerpverslag over de verlenging voor Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 op 6 december 2016 aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders voorgelegd.

(9)

De aanvrager heeft de mogelijkheid gekregen om opmerkingen op het verslag over de verlenging in te dienen.

(10)

Met betrekking tot een of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 bevat, is vastgesteld dat aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is voldaan. Het is derhalve passend om de goedkeuring van Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 te verlengen.

(11)

De risicobeoordeling voor de verlenging van de goedkeuring van Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 is gebaseerd op een beperkt aantal representatieve gebruiksdoeleinden, die echter geen beperking inhouden van de gebruiksdoeleinden waarvoor gewasbeschermingsmiddelen die Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 bevatten, mogen worden toegelaten. Het is derhalve passend om de beperking tot gebruik als fungicide niet te handhaven.

(12)

De Commissie is voorts van oordeel dat Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 een werkzame stof met een laag risico is in de zin van artikel 22 van Verordening (EG) nr. 1107/2009. Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 is geen tot bezorgdheid aanleiding gevende stof en voldoet aan de voorwaarden die zijn vastgesteld in bijlage II, punt 5, bij Verordening (EG) nr. 1107/2009. Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 is een wilde stam die van nature in het milieu voorkomt. Het is niet pathogeen voor mens of dier. De bijkomende blootstelling van mensen, dieren en het milieu door de krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 goedgekeurde gebruiksdoeleinden is naar verwachting verwaarloosbaar in vergelijking met de verwachte blootstelling in realistische natuurlijke omstandigheden.

(13)

Het is derhalve passend om de goedkeuring van Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 als een stof met een laag risico te verlengen. Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Overeenkomstig artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, in samenhang met artikel 6 daarvan, en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen.

(15)

Overeenkomstig artikel 20, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, in samenhang met artikel 13, lid 4 daarvan, moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/950 van de Commissie (7) is de goedkeuringsperiode voor Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 verlengd tot en met 31 oktober 2017 opdat de verlengingsprocedure vóór het verstrijken van de goedkeuring van die stof kan worden voltooid. Aangezien er echter vóór de vervaldatum van de verlengde geldigheidsduur een besluit is genomen over de verlenging, moet deze verordening van toepassing zijn vanaf 1 augustus 2017.

(17)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verlenging van de goedkeuring van de werkzame stof

De goedkeuring van de in bijlage I gespecificeerde werkzame stof Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden verlengd.

Artikel 2

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2017.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2003/79/EG van de Commissie van 13 augustus 2003 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde Coniothyrium minitans op te nemen als werkzame stof (PB L 205 van 14.8.2003, blz. 16).

(3)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 844/2012 van de Commissie van 18 september 2012 tot vaststelling van de nodige bepalingen voor de uitvoering van de verlengingsprocedure voor werkzame stoffen, als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 252 van 19.9.2012, blz. 26).

(6)  EFSA Journal 2016;14(7):4517, 16 blz. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/950 van de Commissie van 15 juni 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011, wat betreft de verlenging van de geldigheidsduur voor de werkzame stoffen 2,4-DB, beta-cyfluthrin, carfentrazone-ethyl, Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 (DSM 9660), cyazofamide, deltamethrin, dimethenamid-P, ethofumesaat, fenamidone, flufenacet, flurtamone, foramsulfuron, fosthiazaat, imazamox, iodosulfuron, iprodion, isoxaflutool, linuron, maleïnehydrazide, mesotrione, oxasulfuron, pendimethalin, picoxystrobin, silthiofam en trifloxystrobin (PB L 159 van 16.6.2016, blz. 3).


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08

Volgnummer in de kweekverzameling van de „Deutsche Sammlung von Mikroorganismen” (DSM), Duitsland: DSM 9660

CIPAC-nr.: 614

Niet van toepassing

Minimuminhoud aan levensvatbare sporen:

1 × 1012 CFU/kg

1 augustus 2017

31 juli 2032

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen wordt rekening gehouden met de conclusies van het verslag over de verlenging voor Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08, en met name met de aanhangsels I en II daarvan.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van gebruikers en werknemers, waarbij zij er rekening moeten mee houden dat micro-organismen als potentieel sensibiliserende stoffen worden beschouwd.

De producent moet een strikte handhaving van de omgevingsomstandigheden en een analyse van de kwaliteitscontrole tijdens het productieproces waarborgen.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In deel A wordt vermelding 71 over Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08 geschrapt.

2)

In deel D wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„11

Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08

Volgnummer in de kweekverzameling van de „Deutsche Sammlung von Mikroorganismen” (DSM), Duitsland: DSM 9660

CIPAC-nr.: 614

Niet van toepassing

Minimuminhoud aan levensvatbare sporen:

1 × 1012 CFU/kg

1 augustus 2017

31 juli 2032

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen wordt rekening gehouden met de conclusies van het verslag over de verlenging voor Coniothyrium minitans stam CON/M/91-08, en met name met de aanhangsels I en II daarvan.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van gebruikers en werknemers, waarbij zij er rekening moeten mee houden dat micro-organismen als potentieel sensibiliserende stoffen worden beschouwd.

De producent moet een strikte handhaving van de omgevingsomstandigheden en een analyse van de kwaliteitscontrole tijdens het productieproces waarborgen.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.”.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/843 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot goedkeuring van de werkzame stof Beauveria bassiana stam NPP111B005 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 6 november 2012 heeft Frankrijk overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van Arysta Lifescience S.A.S. een aanvraag voor de goedkeuring van de werkzame stof Beauveria bassiana stam NPP111B005 ontvangen. Overeenkomstig artikel 9, lid 3, van die verordening heeft Frankrijk, als lidstaat-rapporteur, de aanvrager, de andere lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 5 februari 2013 in kennis gesteld van de ontvankelijkheid van de aanvraag.

(2)

Op 7 oktober 2014 heeft de lidstaat-rapporteur een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend bij de Commissie, met kopie aan de EFSA, waarin wordt beoordeeld of de werkzame stof naar verwachting aan de goedkeuringscriteria zoals bedoeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, zal voldoen.

(3)

De EFSA heeft zich aan artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 gehouden. Overeenkomstig artikel 12, lid 3, van die verordening heeft zij de aanvrager verzocht de lidstaten, de Commissie en de EFSA aanvullende informatie te verstrekken. De beoordeling van de aanvullende informatie door de lidstaat-rapporteur werd op 3 juli 2015 bij de EFSA ingediend in de vorm van een bijgewerkt ontwerpbeoordelingsverslag.

(4)

Op 6 oktober 2015 heeft de EFSA aan de aanvrager, de lidstaten en de Commissie haar conclusie (2) meegedeeld met betrekking tot de vraag of de werkzame stof Beauveria bassiana stam NPP111B005 naar verwachting voldoet aan de goedkeuringscriteria zoals vermeld in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009. De EFSA heeft haar conclusie toegankelijk gemaakt voor het publiek.

(5)

Op 8 maart 2016 heeft de Commissie het evaluatieverslag voor Beauveria bassiana stam NPP111B005 en een ontwerpverordening tot goedkeuring van Beauveria bassiana stam NPP111B005 aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders voorgelegd.

(6)

De aanvrager heeft de mogelijkheid gekregen om opmerkingen over het evaluatieverslag in te dienen.

(7)

Voor een of meer representatieve gebruiksdoeleinden van minstens één gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof bevat, en met name voor de gebruiksdoeleinden die zijn onderzocht en zijn opgenomen in het evaluatieverslag, is vastgesteld dat aan de goedkeuringscriteria van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is voldaan. Het is derhalve passend Beauveria bassiana stam NPP111B005 goed te keuren.

(8)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, in samenhang met artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen.

(9)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (3) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De in bijlage I gespecificeerde werkzame stof Beauveria bassiana stam NPP111B005 wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)   EFSA Journal 2015;13(10):4264, 34 blz.; doi:10.2903/j.efsa.2015.4264.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Beauveria bassiana stam NPP111B005

Volgnummer in de CNCM (Collection nationale de culture de micro-organismes) van het Institut Pasteur, Parijs, Frankrijk: I-2961

Niet van toepassing

Max. beauvericinegehalte: 24 μg/l

7 juni 2017

7 juni 2027

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over Beauveria bassiana stam NPP111B005, en met name met de aanhangsels I en II daarvan.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van gebruikers en werknemers, waarbij zij er rekening mee moeten houden dat Beauveria bassiana stam NPP111B005 net als alle andere micro-organismen als een mogelijke sensibilisator moet worden beschouwd, en met bijzondere aandacht voor blootstelling via inademing;

het maximumniveau van de metaboliet beauvericine in het geformuleerde product.

De producent moet een strikte handhaving van de omgevingsomstandigheden en een analyse van de kwaliteitscontrole tijdens het productieproces waarborgen.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

 

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„109

Beauveria bassiana stam NPP111B005

Volgnummer in de CNCM (Collection nationale de culture de micro-organismes) van het Institut Pasteur, Parijs, Frankrijk: I-2961

Niet van toepassing

Max. beauvericinegehalte: 24 μg/l

7 juni 2017

7 juni 2027

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over Beauveria bassiana stam NPP111B005, en met name met de aanhangsels I en II daarvan.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

de bescherming van gebruikers en werknemers, waarbij zij er rekening mee moeten houden dat Beauveria bassiana stam NPP111B005 net als alle andere micro-organismen als een mogelijke sensibilisator moet worden beschouwd, en met bijzondere aandacht voor blootstelling via inademing;

het maximumniveau van de metaboliet beauvericine in het geformuleerde product.

De producent moet een strikte handhaving van de omgevingsomstandigheden en een analyse van de kwaliteitscontrole tijdens het productieproces waarborgen.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.”


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/844 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

109,8

TN

158,2

TR

94,0

ZZ

120,7

0707 00 05

TR

126,8

ZZ

126,8

0709 93 10

TR

131,8

ZZ

131,8

0805 10 22 , 0805 10 24 , 0805 10 28

EG

55,2

MA

59,8

TR

41,8

ZA

88,5

ZZ

61,3

0805 50 10

AR

123,2

TR

65,0

ZA

144,7

ZZ

111,0

0808 10 80

AR

95,5

BR

108,5

CL

123,4

CN

130,6

NZ

136,2

US

107,1

ZA

99,3

ZZ

114,4


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


RICHTLIJNEN

18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/27


RICHTLIJN (EU) 2017/845 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot wijziging van Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de indicatieve lijsten van elementen waarmee rekening moet worden gehouden bij de voorbereiding van mariene strategieën

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (1), en met name artikel 24, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG bevat indicatieve lijsten van kenmerken, belastende en beïnvloedende factoren als bedoeld in artikel 8, lid 1, artikel 9, leden 1 en 3, artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 1, en artikel 24 van die richtlijn.

(2)

In 2012 hebben de lidstaten, op basis van de initiële beoordeling van hun mariene wateren krachtens artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG en als onderdeel van de eerste cyclus van uitvoering van hun mariene strategieën, de Commissie in kennis gesteld van een reeks kenmerken van een goede milieutoestand en van hun milieudoelen, overeenkomstig respectievelijk artikel 9, lid 2, en artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2008/56/EG. In de beoordeling door de Commissie (2) van die verslagen van de lidstaten, die is verlopen overeenkomstig artikel 12 van die richtlijn, wordt benadrukt dat er dringend meer inspanningen nodig zijn opdat de lidstaten en de Unie een goede milieutoestand kunnen bereiken tegen 2020.

(3)

Om ervoor te zorgen dat de tweede cyclus van uitvoering van de mariene strategieën van de lidstaten verder bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 2008/56/EG en consistentere omschrijvingen van een goede milieutoestand oplevert, heeft de Commissie in haar verslag over de eerste fase van uitvoering aanbevolen dat, op het niveau van de Unie, de diensten van de Commissie en de lidstaten zouden samenwerken om tegen 2015 Besluit 2010/477/EU van de Commissie (3) te herzien, te versterken en te verbeteren, met het oog op een duidelijkere, eenvoudigere, beknoptere, meer samenhangende en vergelijkbare reeks criteria en methodologische standaarden inzake een goede milieutoestand en tegelijkertijd bijlage III bij de kaderrichtlijn mariene strategie te evalueren en indien nodig te herzien en specifieke richtsnoeren op te stellen om te zorgen voor een coherentere en consistentere aanpak van beoordelingen in de volgende uitvoeringscyclus.

(4)

De herziening van bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG is nodig als aanvulling op de herziening van Besluit 2010/477/EU. Voorts is het verband tussen bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG en de kwalitatief beschrijvende elementen voor de omschrijving van de goede milieutoestand van bijlage I bij die richtlijn slechts impliciet in die richtlijn en dus niet voldoende duidelijk. De Commissie heeft in een werkdocument van haar diensten uit 2011 (4) de verbanden tussen de kwalitatief beschrijvende elementen van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG, de elementen beschreven in bijlage III bij die richtlijn, en de criteria en indicatoren van Besluit 2010/477/EU toegelicht, maar kon slechts een gedeeltelijk antwoord bieden door hun inherente inhoud. Een herziening van bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG is nodig om die verbanden verder te verduidelijken en de uitvoering te vergemakkelijken door de ecosysteemelementen, door de mens veroorzaakte druk op en gevolgen voor het mariene milieu beter af te stemmen op de beschrijvende elementen van bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG en het resultaat van de herziening van Besluit 2010/477/EU.

(5)

Bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG moet elementen verschaffen voor de beoordeling (artikel 8, lid 1, van die richtlijn) met betrekking tot een goede milieutoestand (artikel 9, lid 1, van die richtlijn), elementen verschaffen voor monitoring (artikel 11, lid 1, van die richtlijn), die een aanvulling vormen op de beoordeling (bv. temperatuur en saliniteit), en elementen verschaffen waarmee rekening moet worden gehouden bij de vaststelling van doelen (artikel 10, lid 1, van de richtlijn). De relevantie van die elementen zal variëren per regio en lidstaat als gevolg van uiteenlopende regionale kenmerken. Dit betekent dat elementen enkel moeten worden aangepakt als zij worden beschouwd als „essentiële kenmerken en eigenschappen” of „overheersende belastende en beïnvloedende factoren” als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 2008/56/EG, en wanneer zij zich voordoen in de wateren van de betrokken lidstaat.

(6)

Het is belangrijk ervoor te zorgen dat de elementen van bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG duidelijk verband houden met de kwalitatief beschrijvende elementen van bijlage I bij die richtlijn en met de criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren die door de Commissie op basis van artikel 9, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG zijn vastgesteld, alsmede met de toepassing ervan in verband met de artikelen 8, 9, 10 en 11 van Richtlijn 2008/56/EG. In dit verband moeten die elementen algemeen zijn en in de hele Unie van toepassing, aangezien meer specifieke elementen kunnen worden vastgesteld door de Commissie op basis van artikel 9, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG of in het kader van de bepaling van de kenmerken voor de goede milieutoestand uit hoofde van artikel 9, lid 1, van die richtlijn.

(7)

De tabellen 1 en 2 van bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG moeten worden verduidelijkt om een duidelijker verband weer te geven tussen kenmerken (tabel 1) en belastende en beïnvloedende factoren (tabel 2), en om de in die tabellen opgenomen elementen rechtstreeks te verbinden met de kwalitatief beschrijvende elementen van bijlage I bij die richtlijn en daardoor aan de door de Commissie op basis van artikel 9, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG vastgestelde criteria.

(8)

Bij wijze van richtsnoer voor de beoordeling van het gebruik van mariene wateren als bedoeld in artikel 8, lid 1, onder c), van Richtlijn 2008/56/EG, en van de in artikel 8, lid 1, onder b), bedoelde menselijke activiteiten en de bijbehorende monitoring waarin artikel 11 van die richtlijn voorziet, moet tabel 2 worden uitgebreid zodat zij een indicatieve lijst van gebruik en menselijke activiteiten bevat om te zorgen voor consistentie in de beoordeling van de mariene regio's en subregio's.

(9)

Bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het krachtens artikel 25, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG ingestelde regelgevend comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 7 december 2018 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.   De verplichting tot omzetting van deze richtlijn geldt niet voor lidstaten zonder mariene wateren.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(2)  Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — De eerste fase van de tenuitvoerlegging van de Kaderrichtlijn mariene strategie (2008/56/EG) — Beoordeling en advies van de Europese Commissie (COM(2014) 97 final van 20.2.2014).

(3)  Besluit 2010/477/EU van de Commissie van 1 september 2010 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren (PB L 232 van 2.9.2010, blz. 14).

(4)  Werkdocument van de Commissiediensten SEC(2011) 1255.


BIJLAGE

BIJLAGE III

Indicatieve lijsten van ecosysteemelementen, antropogene belastende factoren en menselijke activiteiten die verband houden met de mariene wateren

(bedoeld in artikel 8, lid 1, artikel 9, leden 1 en 3, artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 1, en artikel 24)

Tabel 1

Structuur, functies en processen van de mariene ecosystemen

van bijzonder belang voor artikel 8, lid 1, onder a), en de artikelen 9 en 11

Thema

Ecosysteemelementen

Mogelijke parameters en kenmerken (Opmerking 1)

Relevante kwalitatief beschrijvende elementen van bijlage I (Opmerkingen 2 en 3)

Soort

Groepen van soorten (Opmerking 4) van zeevogels, zeezoogdieren, reptielen, vissen en koppotigen van de mariene regio of subregio

Variatie in ruimte en tijd per soort of populatie:

verspreiding, dichtheid en/of biomassa

omvang van het lichaam, leeftijds- en genderstructuur

vruchtbaarheid, overlevings-, mortaliteits- en letselpercentages

gedrag, met inbegrip van beweging en migratie

habitat van soorten (omvang, geschiktheid)

Soortensamenstelling van de groep

(1); (3)

Habitats

Brede habitattypes van de waterkolom (pelagische) en de zeebodem (benthische) (Opmerking 5), of andere habitattypes, met inbegrip van de daarmee geassocieerde levensgemeenschappen in de hele betrokken mariene regio of subregio

Per habitattype:

habitatspreiding en omvang (en volume, voor zover relevant)

soortensamenstelling, dichtheid en/of biomassa (variatie in ruimte en tijd)

omvang van het lichaam en leeftijdsstructuur van de soort (voor zover relevant)

fysische, hydrologische en chemische kenmerken

Aanvullend voor pelagische habitats:

chlorofyl a-concentratie

frequenties en ruimtelijke omvang van planktonbloei

(1); (6)

Ecosystemen met inbegrip van voedselketens

De structuur, de functies en de processen van het ecosysteem, bestaande uit:

fysische en hydrologische kenmerken

chemische kenmerken

biologische kenmerken

functies en processen

Variatie in ruimte en tijd in:

temperatuur en ijs

hydrologie (golfslag en stromingen; upwelling, menging, verblijftijd, zoetwaterinstroom; zeeniveau)

bathymetrie

troebelheid (slib/sedimentbelastingen), transparantie, geluid

zeebodemsubstraat en -morfologie

saliniteit, nutriënten (N, P), organische koolstof, opgeloste gassen (pCO2, O2) en pH

verband tussen habitats en soorten zeevogels, zeezoogdieren, reptielen, vissen en koppotigen

structuur van pelagische-benthische gemeenschappen

productiviteit

(1); (4)

Opmerkingen bij tabel 1

Opmerking 1:

Er wordt een indicatieve lijst gegeven van relevante parameters en kenmerken voor soorten, habitats en ecosystemen, die worden beïnvloed door de belastende factoren die in tabel 2 van deze bijlage worden beschreven en die van belang zijn voor de criteria die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 9, lid 3. De specifieke parameters en kenmerken die gebruikt moeten worden voor de monitoring en de beoordeling moeten worden bepaald overeenkomstig de voorschriften van deze richtlijn, met inbegrip van de voorschriften van de artikelen 8 tot en met 11.

Opmerking 2:

De nummers in deze kolom verwijzen naar de aldus genummerde punten van bijlage I.

Opmerking 3:

Alleen de toestandgerelateerde kwalitatief beschrijvende elementen (1), (3), (4) en (6) met criteria overeenkomstig artikel 9, lid 3, zijn opgenomen in tabel 1. Alle andere, drukgerelateerde, kwalitatief beschrijvende elementen van bijlage I kunnen voor elk thema relevant zijn.

Opmerking 4:

Deze groepen van soorten worden nader gespecificeerd in deel II van de bijlage bij Besluit (EU) 2017/848 van de Commissie van 17 mei 2017 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, en tot intrekking van Besluit 2010/477/EU (zie bladzijde 43 van dit Publicatieblad).

Opmerking 5:

Deze brede habitattypes worden nader gespecificeerd in deel II van de bijlage bij Besluit (EU) 2017/848.

Tabel 2

Antropogene belastende factoren, gebruik en menselijke activiteiten in of met gevolgen voor het mariene milieu

2a

Antropogene belastende factoren op het mariene milieu

van bijzonder belang voor artikel 8, lid 1, onder a) en b), en de artikelen 9, 10 en 11

Thema

Belastende factor (Opmerking 1)

Mogelijke parameters

Relevante kwalitatief beschrijvende elementen van bijlage I (Opmerkingen 2 en 3)

Biologisch

Introductie of verspreiding van niet-inheemse soorten

Intensiteit van, en variatie in tijd en ruimte in, de belastende factor op het mariene milieu en, indien van toepassing, aan de bron

Selecteer voor de beoordeling van de milieueffecten van de belastende factor relevante ecosysteemelementen en parameters van tabel 1

(2)

Introductie van microbiële ziekteverwekkers

 

Introductie van genetisch gemodificeerde soorten en translocatie van inheemse soorten

 

Verlies of wijziging van natuurlijke biologische gemeenschappen als gevolg van de teelt van dier- of plantensoorten

 

Verstoring van soorten (b.v. in hun broed-, rust- en foerageergebied) door menselijke aanwezigheid

 

Onttrekking van of sterfte/letsel van in het wild levende soorten (door commerciële en recreatieve visserij en andere activiteiten)

(3)

Fysisch

Fysieke verstoring van de zeebodem (tijdelijk of omkeerbaar)

(6); (7)

Fysieke vernietiging (door een permanente wijziging van zeebodemsubstraat of -morfologie en door onttrekking van zeebodemsubstraat)

Wijzigingen van hydrologische omstandigheden

Stoffen, afval en energie

Toevoer van nutriënten — diffuse bronnen, puntbronnen, atmosferische depositie

(5)

Toevoer van organisch materiaal — diffuse bronnen en puntbronnen

Toevoer van andere stoffen (bv. synthetische en niet-synthetische stoffen, radionucliden) — diffuse bronnen, puntbronnen, atmosferische depositie, acute gebeurtenissen

(8); (9)

Toevoer van zwerfvuil (vast afval, met inbegrip van micro-afval)

(10)

Toevoer van antropogeen geluid (impulsief, continu)

(11)

Toevoer van andere vormen van energie (met inbegrip van elektromagnetische velden, licht en warmte)

Toevoer van water — puntbronnen (bv. pekel)

 


2b

Gebruik en menselijke activiteiten in of met gevolgen voor het mariene milieu

van bijzonder belang voor artikel 8, lid 1, onder b) en c) (alleen de met * gemarkeerde activiteiten zijn relevant voor artikel 8, lid 1, onder c), en de artikelen 10 en 13

Thema

Activiteit

Fysieke herstructurering van rivieren, kust of zeebodem (waterbeheer)

Landwinning

Kanalisatie en andere waterloopwijzigingen

Kustverdediging en bescherming tegen overstromingen*

Offshore-structuren (andere dan voor olie/gas/hernieuwbare energie)*

Herstructurering van de zeebodemmorfologie, met inbegrip van baggeren en het storten van materialen*

Onttrekking van niet-levende rijkdommen

Onttrekking van mineralen (steen, metaalertsen, grind, zand, schelpen)*

Onttrekking van aardolie en aardgas, met inbegrip van infrastructuur*

Onttrekking van zout*

Onttrekking van water*

Opwekking van energie

Opwekking van hernieuwbare energie (wind-, golf- en getijdenenergie), met inbegrip van infrastructuur*

Opwekking van niet-hernieuwbare energie

Transmissie van elektriciteit en communicatiemiddelen (kabels)*

Onttrekking van levende rijkdommen

Visvangst en oogsten van schelpdieren (professioneel, recreatief)*

Verwerking van vis en schelpdieren*

Oogsten van mariene planten*

Jacht en verzamelen voor andere doeleinden*

Teelt van levende rijkdommen

Aquacultuur — marien, met inbegrip van infrastructuur*

Aquacultuur — zoet water

Landbouw

Bosbouw

Vervoer

Vervoersinfrastructuur*

Vervoer — scheepvaart*

Vervoer — lucht

Vervoer — land

Stedelijk en industrieel gebruik

Stedelijk gebruik

Industrieel gebruik

Verwerking en verwijdering van afval*

Toerisme en recreatie

Infrastructuur voor toerisme en recreatie*

Activiteiten in het kader van toerisme en recreatie*

Veiligheid/defensie

Militaire operaties (onder voorbehoud van artikel 2, lid 2)

Onderwijs en onderzoek

Activiteiten in het kader van onderzoek, enquêtes en onderwijs*

Opmerkingen bij tabel 2

Opmerking 1:

Beoordeling van de belastende factoren moet betrekking hebben op het niveau ervan in het mariene milieu en, in voorkomend geval, op de snelheid van de toevoer (vanuit land- of atmosferische bronnen) in het mariene milieu.

Opmerking 2:

De nummers in deze kolom verwijzen naar de aldus genummerde punten van bijlage I.

Opmerking 3:

Alleen de drukgerelateerde kwalitatief beschrijvende elementen (2), (3), (5), (6), (7), (8), (9), (10) en (11) met criteria overeenkomstig artikel 9, lid 3, zijn opgenomen in tabel 2a. Alle andere, toestandgerelateerde, kwalitatief beschrijvende elementen van bijlage I kunnen voor elk thema relevant zijn.”.

BESLUITEN

18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/34


BESLUIT (EU) 2017/846 VAN HET EUROPEES PARLEMENT

van 16 maart 2017

tot verlenging van de duur van het mandaat van de enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking

HET EUROPEES PARLEMENT,

gezien het voorstel van de Conferentie van voorzitters,

gezien artikel 226 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

gezien Besluit 95/167/EG, Euratom, EGKS van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie van 19 april 1995 tot vaststelling van de wijze van uitoefening van het enquêterecht van het Europees Parlement (1),

gezien Besluit (EU) 2016/1021 van 8 juni 2016 over de instelling, bevoegdheden, aantal leden en duur van het mandaat van een enquêtecommissie die onderzoek moet doen naar vermeende inbreuken op en gevallen van wanbeheer bij de toepassing van het Unierecht met betrekking tot witwaspraktijken, belastingontwijking en belastingontduiking (2),

gezien artikel 198, lid 11, van zijn Reglement,

A.

overwegende dat de enquêtecommissie heeft verzocht de duur van haar mandaat te verlengen om haar in staat te stellen haar mandaat volledig en naar behoren uit te voeren, rekening houdend met het aantal documenten dat nog moet worden onderzocht, de in opdracht gegeven analyses en de belanghebbenden die nog moeten worden gehoord;

1.   

besluit de duur van het mandaat van de enquêtecommissie met drie maanden te verlengen.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI


(1)   PB L 113 van 19.5.1995, blz. 1.

(2)   PB L 166 van 24.6.2016, blz. 10.


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/35


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2017/847 VAN DE COMMISSIE

van 16 mei 2017

tot verlening van een door Denemarken gevraagde afwijking op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2017) 2891)

(Slechts de tekst in de Deense taal is authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1), en met name bijlage III, punt 2, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 18 november 2002 heeft de Commissie Beschikking 2002/915/EG (2) vastgesteld, waarbij een door Denemarken gevraagde afwijking op grond van Richtlijn 91/676/EEG inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen werd verleend, op basis waarvan in het kader van het Deense actieprogramma voor de periode 1999-2003 op bepaalde rundveehouderijen jaarlijks een hoeveelheid dierlijke mest per hectare mocht worden op- of ingebracht die tot 230 kg stikstof bevatte. De afwijking werd bij Beschikking 2005/294/EG van de Commissie (3) verlengd wat het Deense actieprogramma voor de periode 2004-2007 betreft, bij Beschikking 2008/664/EG van de Commissie (4) wat het Deense actieprogramma voor de periode 2008-2012 betreft, en bij Uitvoeringsbesluit 2012/659/EU van de Commissie (5) wat het Deense actieprogramma voor de periode 2008-2015 betreft.

(2)

De bij Uitvoeringsbesluit 2012/659/EU verleende afwijking had betrekking op ongeveer (voor de periode 2014-2015) 1 500 rundveehouderijen, 425 102 grootvee-eenheden en 205 165 ha bouwland, wat overeenkomt met respectievelijk 4,0 % van het totale aantal rundveehouderijen, 18,6 % van alle grootvee-eenheden en 8,2 % van alle bouwland in Denemarken.

(3)

Op 4 februari 2016 heeft Denemarken bij de Commissie een verzoek tot verlenging van de afwijking op grond van bijlage III, punt 2, derde alinea, bij Richtlijn 91/676/EEG ingediend.

(4)

Denemarken heeft overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 91/676/EEG een actieprogramma voor de periode 2016-2018 opgesteld, aan de hand van delen van Besluit nr. 1324 van 15 november 2016 inzake commercieel vee, dierlijke mest, kuilvoer enz., van Geconsolideerde Wet nr. 388 van 27 april 2016 inzake het gebruik van meststoffen door landbouwbedrijven en inzake plantendek, van Besluit nr. 1055 van 1 juli 2016 inzake het gebruik van meststoffen door landbouwbedrijven in de planningsperiode 2016-2017, en het verplichte gedeelte van een nieuwe gerichte regeling voor vanggewassen, zoals bedoeld in de wet inzake het gebruik van meststoffen door landbouwbedrijven en inzake plantendek. Daarnaast omvatten de Deense wettelijke voorschriften tevens een nieuwe algemene regeling voor fosfor, in overeenstemming met de wet inzake milieuvergunningen enz. van veehouderijen en het besluit inzake commercieel vee, dierlijke mest, kuilvoer enz.

(5)

In de Deense wettelijke regeling tot uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG is voorzien in grenswaarden voor het op of in de bodem brengen van stikstof. Grenswaarden voor het op of in de bodem brengen van fosfor zijn neergelegd in wettelijke voorschriften die in augustus 2017 in werking zullen treden.

(6)

Het Deense verslag over de stand van zaken en tendensen met betrekking tot het aquatisch milieu en de landbouwpraktijk voor de periode 2012-2015 geeft een jaarlijks overschot van de nationale veldbalans van 80 kg N/ha in 2014 en een totale lozing in zee van uit de landbouw afkomstige stikstof van ongeveer 70 % van het totaal in 2012 te zien. Volgens de schattingen van Denemarken moet de belasting van de kustwateren met van landbouwgronden afkomstige stikstof worden teruggebracht van 56,8 miljoen ton tot 44,7 miljoen ton om een goede ecologische toestand te bereiken.

(7)

In de Deense wettelijke voorschriften dient een gerichte gecombineerde regeling voor vrijwillige en verplichte vanggewassen voor 2017 en 2018 te worden opgenomen. In het kader van deze regeling moeten de dwingende bepalingen voor vanggewassen automatisch in werking treden wanneer de vrijwillige afspraken voor vanggewassen ontoereikend zijn om aan de milieudoelstellingen te voldoen. De arealen met vanggewassen komen boven op de verplichte vanggewassen die zijn voorgeschreven door de Deense wet inzake het gebruik van meststoffen door landbouwbedrijven en inzake plantendek. Deze maatregelen zijn nodig om ervoor te zorgen dat de toepassing van de huidige afwijking niet leidt tot een verslechtering van de waterkwaliteit.

(8)

Uit de informatie die Denemarken in het kader van de bij Uitvoeringsbesluit 2012/659/EU verleende afwijking heeft verstrekt, blijkt dat deze afwijking niet heeft geleid tot een verslechtering van de waterkwaliteit, in vergelijking met de arealen die niet onder de afwijking vallen. De gegevens die Denemarken met betrekking tot de uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG voor de periode 2012-2015 (6) heeft overgelegd, laten zien dat ongeveer 16 % van de meetstations voor het grondwater in Denemarken gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 50 mg/l hebben opgetekend en ongeveer 23 % van de meetstations gemiddelde nitraatconcentraties van meer dan 40 mg/l. De meetresultaten wijzen erop dat de nitraatconcentraties in het grondwater in vergelijking met de vorige verslagperiode (2008-2011) stabiel zijn gebleven. Wat de oppervlaktewateren betreft, geven de resultaten van de meeste meetstations gemiddelde nitraatconcentraties van minder dan 50 mg/l en daarmee een stabiele trend te zien. Volgens het verslag over de periode 2012-2015 werd de toestand van 2 van de 119 kustwateren als „goed” aangemerkt.

(9)

Na toetsing van het verzoek van Denemarken aan de in bijlage III, punt 2, derde alinea, bij Richtlijn 91/676/EEG vermelde elementen en rekening houdend met de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de bij de Beschikkingen 2002/915/EG, 2005/294/EG en 2008/664/EG, alsmede Uitvoeringsbesluit 2012/659/EU verleende afwijking, is de Commissie van mening dat de door Denemarken beoogde hoeveelheid mest (230 kg stikstof per hectare per jaar) de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG niet in gevaar brengt, op voorwaarde dat bepaalde strikte voorwaarden in acht worden genomen.

(10)

Op landbouwbedrijven waar jaarlijks een hoeveelheid dierlijke mest per hectare op of in de bodem mag worden gebracht die tot 230 kg stikstof bevat, worden de bemestingsplannen tijdig bijgewerkt om ervoor te zorgen dat de plannen in overeenstemming zijn met de feitelijke landbouwpraktijken en er een permanent vegetatiedek op het bouwland aanwezig is, en worden vanggewassen gebruikt om ervoor te zorgen dat nitraat dat in het najaar in de ondergrond is terechtgekomen, wordt teruggewonnen en stikstofverlies in de winter wordt beperkt.

(11)

Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (7) voorziet in een brede, grensoverschrijdende aanpak van de waterbescherming rond stroomgebiedsdistricten, met als doel dat de Europese waterlichamen zich uiterlijk in 2015 in een goede toestand bevinden. De vermindering van nutriënten is een integraal onderdeel van die doelstelling. Het verlenen van een afwijking uit hoofde van dit besluit laat de bepalingen van Richtlijn 2000/60/EG onverlet en sluit niet uit dat aanvullende maatregelen nodig kunnen zijn om aan de verplichtingen ervan te voldoen.

(12)

Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) stelt algemene regels vast voor de oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Unie, ter ondersteuning van het milieubeleid van de Unie en beleidsmaatregelen of activiteiten die van invloed kunnen zijn op het milieu. In voorkomend geval moet de in het kader van dit besluit verzamelde ruimtelijke informatie in overeenstemming zijn met de bepalingen van die richtlijn. Met het oog op minder administratieve lasten en meer coherente gegevens moet Denemarken bij het verzamelen van de vereiste gegevens in het kader van dit besluit gebruikmaken van de informatie die is gegenereerd in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem dat is opgezet uit hoofde van titel V, hoofdstuk II, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9).

(13)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG ingestelde Nitraatcomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Afwijking

De door Denemarken bij brief van 4 februari 2016 gevraagde afwijking, waarmee wordt beoogd toe te staan dat een grotere hoeveelheid stikstof uit dierlijke mest op of in de bodem wordt gebracht dan in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin, bij Richtlijn 91/676/EEG wordt bepaald, wordt verleend onder de in dit besluit neergelegde voorwaarden.

Artikel 2

Toepassingsgebied

Deze afwijking geldt voor rundveehouderijen waarvan de vruchtwisseling meer dan 80 % gewassen met een hoge stikstofopname en een lang groeiseizoen omvat, en waarvoor overeenkomstig artikel 5 een vergunning is verleend.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „rundveehouderij”: een bedrijf met een jaarlijkse productie van stikstof uit dierlijke mest van meer dan 300 kg, waarvan ten minste twee derde afkomstig is van runderen;

b)   „gras”: blijvend of tijdelijk grasland;

c)   „met ondergezaaid gras verbouwde gewassen”: kuilgranen, kuilmais, zomergerst of zomergerst en erwten, met vóór of na de oogst ondergezaaid gras;

d)   „gewassen met een hoge stikstofopname en een lang groeiseizoen”: een van de volgende gewassen:

i)

gras,

ii)

gras als vanggewas,

iii)

voederbieten,

iv)

met ondergezaaid gras verbouwde gewassen;

e)   „bodemprofiel”: de bodemlaag tot een diepte van 0,90 meter onder het maaiveld of tot de diepte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand, wanneer die stand ondieper is.

Artikel 4

Voorwaarden voor de afwijking

De afwijking wordt verleend op de volgende voorwaarden:

1.

met ingang van augustus 2017 treedt een fosforregeling in werking waarbij voor het hele land onderling van elkaar verschillende directe bovengrenzen voor fosfor worden vastgesteld, naargelang van de geografische locatie en het soort meststof. De bovengrenzen gelden voor het op of in de bodem brengen van fosfor uit alle soorten meststoffen: organische meststoffen, waaronder mest, biogasdigestaat, ontgaste plantaardige biomassa, slib afkomstig van de behandeling van afvalwater en industriële meststoffen. In de stroomgebieden van fosforgevoelige aquatische milieus worden voor alle soorten meststoffen strengere bovengrenzen voor het op of in de bodem brengen van fosfor toegepast;

2.

er worden een indicatorensysteem en een toezichtsysteem ingevoerd voor de hoeveelheid fosfor die op de landbouwpercelen in Denemarken op of in de bodem wordt gebracht. Als het indicatorensysteem of het toezichtsysteem aantoont dat de werkelijke gemiddelde jaarlijkse fosformestgift op de landbouwgrond in Denemarken de gemiddelde nationale fosformestgift voor de periode 2018-2025 dreigt te overschrijden of daadwerkelijk heeft overschreden, zullen de bovengrenzen voor de maximale hoeveelheid fosfor die op of in de bodem mag worden gebracht, dienovereenkomstig worden verlaagd;

3.

er wordt een gerichte gecombineerde regeling voor vrijwillige en verplichte vanggewassen ingevoerd op basis van de noodzaak om de nitraatgehalten in de grondwaterlichamen en de kustwateren te verminderen. In het kader van deze regeling treden de dwingende bepalingen voor vanggewassen automatisch in werking wanneer de vrijwillige afspraken voor vanggewassen ontoereikend zijn om aan de milieudoelstellingen te voldoen;

4.

de in het kader van deze regeling aangelegde vanggewassen komen boven op de in Denemarken voor het bebouwde areaal van het bedrijf wettelijk voorgeschreven 10 of 14 % vanggewassen en mogen niet worden aangelegd op hetzelfde areaal dat wordt gebruikt om te voldoen aan de EAG-verplichting voor vanggewassen.

Artikel 5

Jaarlijkse vergunning en verbintenis

1.   De rundveehouder kan jaarlijks bij de bevoegde autoriteiten een aanvraag indienen voor een vergunning om jaarlijks een hoeveelheid dierlijke mest per hectare op of in de bodem te brengen die tot 230 kg stikstof bevat.

De termijn voor het indienen van de aanvraag is dezelfde als de nationale termijn die geldt voor het aanvragen van de bedrijfstoeslag en voor het indienen van het meststofquotum en het vanggewassenplan.

2.   De in lid 1 bedoelde aanvraag gaat vergezeld van een verklaring van de aanvrager dat hij voldoet aan de in de artikelen 7, 8 en 9 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 6

Vergunningverlening

De vergunning om jaarlijks een hoeveelheid rundveemest, met inbegrip van door de dieren zelf uitgescheiden mest en verwerkte mest, per hectare op of in de bodem te brengen die tot 230 kg stikstof bevat, wordt verleend onder de in de artikelen 7 tot en met 9 vastgestelde voorwaarden.

Artikel 7

Voorwaarden met betrekking tot het op of in de bodem brengen van dierlijke en andere meststoffen

1.   De totale stikstofgift mag niet groter zijn dan de te voorziene nutriëntenbehoefte van het gewas, rekening houdend met de levering van nutriënten vanuit de bodem. Hij mag niet meer bedragen dan de maximumnormen voor het op of in de bodem brengen, zoals vastgesteld in Besluit nr. 1055 van 1 juli 2016 inzake het gebruik van meststoffen door landbouwbedrijven in de planningsperiode 2016-2017, alsmede in de overeenkomstige besluiten voor de daaropvolgende planningsperioden.

2.   Er wordt voor het hele areaal van de rundveehouderij een bemestingsplan opgesteld. Het plan wordt op het bedrijf bewaard. Het bestrijkt de periode van 1 augustus tot en met 31 juli van het volgende jaar. Het bemestingsplan moet de volgende gegevens bevatten:

a)

een vruchtwisselingsplan, met vermelding van:

1.

de oppervlakte aan percelen met gewassen met een hoge stikstofopname en een lang groeiseizoen;

2.

de oppervlakte aan percelen met andere gewassen dan die bedoeld in punt 1;

3.

een schets van de ligging van de in punt 1 respectievelijk punt 2 bedoelde percelen;

b)

de omvang van de veestapel op het bedrijf en een beschrijving van het huisvestings- en mestopslagsysteem, met inbegrip van de capaciteit van de beschikbare opslagruimte voor dierlijke mest;

c)

een berekening van de op het bedrijf geproduceerde stikstof en fosfor uit dierlijke mest;

d)

een beschrijving van de mestverwerking, indien van toepassing, en de verwachte kenmerken van de verwerkte mest;

e)

de hoeveelheid, de soort en de kenmerken van de dierlijke mest die door of aan het landbouwbedrijf wordt geleverd;

f)

de te verwachten hoeveelheid stikstof en fosfor die nodig is voor de gewassen op elk perceel;

g)

een berekening voor elk perceel van de op of in de bodem gebrachte hoeveelheden stikstof en fosfor uit dierlijke mest;

h)

een berekening voor elk perceel van de op of in de bodem gebrachte hoeveelheden stikstof en fosfor uit chemische en andere meststoffen;

i)

de vermelding van het tijdstip waarop mest en chemische meststoffen op of in de bodem worden gebracht.

Het bemestingsplan moet uiterlijk zeven dagen na een wijziging van de landbouwpraktijken op de rundveehouderij worden aangepast. De mestboekhouding moet elk jaar uiterlijk eind maart bij de bevoegde autoriteiten worden ingediend.

3.   In de periode van 31 augustus tot en met 1 maart mag geen dierlijke mest op of in de bodem worden gebracht op grasland dat in het daaropvolgende voorjaar wordt geploegd.

Artikel 8

Voorwaarden met betrekking tot bemonstering en analyse van de bodem

1.   Er moeten monsters worden genomen van de bovenste 30 cm landbouwgrond, die op hun stikstof- en fosforgehalte worden geanalyseerd.

2.   Er moeten ten minste om de vier jaar bemonsteringen en analyses worden uitgevoerd voor elk areaal van het bedrijf dat qua vruchtwisseling en bodemkenmerken homogeen is.

3.   Er moeten ten minste één bemonstering en één analyse per 5 ha landbouwgrond worden uitgevoerd.

4.   De resultaten van de analyses moeten voor inspectie op de rundveehouderij beschikbaar zijn.

Artikel 9

Voorwaarden met betrekking tot landbeheer

1.   80 % of meer van de voor het op of in de bodem brengen van mest beschikbare landbouwgrond moet worden beteeld met gewassen met een hoge stikstofopname en een lang groeiseizoen.

2.   Gras als vanggewas mag niet worden omgeploegd vóór 1 maart van het jaar volgend op het jaar waarin het is aangelegd.

3.   Tijdelijk grasland moet in het voorjaar worden geploegd. Een gewas met een hoge stikstofopname en een lang groeiseizoen moet zo snel mogelijk, maar uiterlijk drie weken na het onderploegen van het gras, worden ingezaaid.

4.   Peulvruchten of andere gewassen die stikstof uit de lucht binden, mogen niet in de vruchtwisseling worden opgenomen, met uitzondering van:

a)

klaver in grasland met minder dan 50 % klaver en alfalfa;

b)

alfalfa in grasland met minder dan 50 % klaver en alfalfa;

c)

met ondergezaaid gras verbouwde gerst en erwten.

5.   De stikstofbemestingsnormen voor gewassen die na het tijdelijke grasland worden verbouwd, moeten worden verminderd met de stikstofwaarde van het vorige gewas, in overeenstemming met Besluit nr. 1055 van 1 juli 2016 inzake het gebruik van meststoffen door landbouwbedrijven in de planningsperiode 2016-2017, alsmede de overeenkomstige besluiten voor de daaropvolgende planningsperioden wat de bemestingsnormen, de tabel inzake bemestingsnormen voor landbouwgewassen en groenten, en latere wijzigingen betreft.

Artikel 10

Monitoring

1.   De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat kaarten worden opgesteld met:

a)

voor elke gemeente het percentage rundveehouderijen waarvoor een vergunning is verleend;

b)

voor elke gemeente het percentage dieren waarvoor een vergunning is verleend;

c)

voor elke gemeente het percentage landbouwgrond waarvoor een vergunning is verleend;

Deze kaarten moeten jaarlijks worden bijgewerkt.

De bevoegde autoriteiten verzamelen gegevens over vruchtwisselingen en landbouwpraktijken waarvoor een vergunning is verleend. Deze gegevens moeten jaarlijks worden bijgewerkt.

2.   De bevoegde autoriteiten monitoren onder zowel afwijkings- als niet-afwijkingsomstandigheden het water in de wortelzone, het oppervlaktewater en het grondwater, en verstrekken de Commissie gegevens over het stikstof- en fosforgehalte in het bodemprofiel en de nitraatconcentraties in het oppervlakte- en grondwater.

De monitoring wordt op perceelniveau verricht in het kader van het nationale programma voor de monitoring van landbouwstroomgebieden. De monitoringlocaties moeten representatief zijn voor de voornaamste bodemtypes, bemestingspraktijken en gewassen. Voor landbouwstroomgebieden op zandbodems wordt een intensievere monitoring uitgevoerd.

Bovendien worden de nitraatconcentraties in het oppervlakte- en grondwater gemonitord bij ten minste 3 % van alle landbouwbedrijven waaraan een vergunning is verleend.

3.   De bevoegde autoriteiten verrichten in het kader van het nationale programma voor de monitoring van landbouwstroomgebieden onderzoeken en permanente nutriëntenanalyses, en verstrekken gegevens omtrent het lokale bodemgebruik, de vruchtwisseling en de landbouwpraktijken op rundveehouderijen waaraan een vergunning is verleend.

Informatie en gegevens die zijn verzameld via nutriëntenanalyses, als bedoeld in artikel 7, en via monitoring, als bedoeld in artikel 10, lid 2, worden gebruikt voor modelmatige berekeningen van de stikstof- en fosforverliezen van rundveehouderijen waaraan op basis van wetenschappelijke principes een vergunning is verleend.

4.   De bevoegde autoriteiten bepalen het percentage onder een afwijking vallend land dat wordt bedekt door:

a)

klaver of alfalfa in grasland;

b)

met ondergezaaid gras verbouwde gerst en erwten.

Artikel 11

Verificatie

1.   De bevoegde autoriteiten zien erop toe dat de aanvragen voor vergunningen aan een administratieve controle worden onderworpen. Wanneer uit die controle blijkt dat de aanvrager niet voldoet aan de in de artikelen 7, 8 en 9 vastgestelde voorwaarden, wordt de aanvraag afgewezen en wordt de aanvrager van de redenen voor de afwijzing in kennis gesteld.

2.   De bevoegde autoriteiten stellen een programma op voor inspecties van de bedrijven waaraan een vergunning is verleend.

Het programma wordt opgesteld op basis van een risicoanalyse, met inachtneming van de resultaten van de controles in de voorgaande jaren met betrekking tot de in de artikelen 7, 8 en 9 vastgestelde voorwaarden en de resultaten van de controles op de naleving van de nationale wettelijke regeling tot omzetting van Richtlijn 91/676/EEG.

3.   De inspecties bestaan uit veldkeuringen en controles ter plaatse op de naleving van de in de artikelen 7, 8 en 9 vastgestelde voorwaarden en worden jaarlijks verricht bij ten minste 7 % van de bedrijven waaraan een vergunning is verleend. Wanneer wordt vastgesteld dat een bedrijf niet aan die voorwaarden voldoet, wordt de houder van de vergunning beboet overeenkomstig het nationale recht en komt hij in het daaropvolgende jaar niet voor een vergunning in aanmerking.

4.   Aan de bevoegde autoriteiten worden de noodzakelijke bevoegdheden en middelen toegekend om naleving van de voorwaarden van de krachtens dit besluit verleende afwijking te verifiëren.

Artikel 12

Verslaglegging

De bevoegde autoriteiten dienen elk jaar uiterlijk op 31 december bij de Commissie een verslag in met de volgende informatie:

a)

kaarten met voor elke gemeente het percentage onder individuele afwijkingen vallende rundveehouderijen, dieren en landbouwgrond, alsook kaarten van het lokale bodemgebruik, als bedoeld in artikel 10, lid 1;

b)

de resultaten van de monitoring van het grond- en oppervlaktewater, onder zowel afwijkings- als niet-afwijkingsomstandigheden, wat betreft de nitraat- en fosforconcentraties, met inbegrip van informatie over de waterkwaliteitstrends, alsook de impact van de afwijking op de waterkwaliteit, als bedoeld in artikel 10, lid 2;

c)

de resultaten van de monitoring van de bodem, onder zowel afwijkings- als niet-afwijkingsomstandigheden, wat betreft de stikstof- en fosforconcentraties in het water in de wortelzone, als bedoeld in artikel 10, lid 2;

d)

de resultaten van de onderzoeken naar het lokale bodemgebruik, de vruchtwisseling en de landbouwpraktijken, als bedoeld in artikel 10, lid 3;

e)

de resultaten van de modelmatige berekeningen van de omvang van de stikstof- en fosforverliezen van bedrijven waaraan een vergunning is verleend, als bedoeld in artikel 10, lid 3;

f)

tabellen met het percentage onder een afwijking vallende landbouwgrond die wordt bedekt door klaver of alfalfa in grasland en door met ondergezaaid gras verbouwde gerst/erwten, als bedoeld in artikel 10, lid 4;

g)

een evaluatie van de uitvoering van de voorwaarden van de afwijking, op basis van controles op bedrijfsniveau en informatie over bedrijven die zich blijkens de resultaten van administratieve controles en veldkeuringen niet aan de voorschriften hebben gehouden, als bedoeld in artikel 11;

h)

trends inzake de omvang van de veestapel en de mestproductie voor elke categorie vee in Denemarken en op bedrijven waaraan een afwijking is verleend.

De in het verslag opgenomen ruimtelijke informatie voldoet in voorkomend geval aan de bepalingen van Richtlijn 2007/2/EG. Denemarken maakt bij het verzamelen van de vereiste gegevens — waar nodig — gebruik van de informatie die is gegenereerd in het kader van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem dat is opgezet overeenkomstig artikel 67, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.

Artikel 13

Toepassingsperiode

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 december 2018.

Artikel 14

Adressaat

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Denemarken.

Gedaan te Brussel, 16 mei 2017.

Voor de Commissie

Karmenu VELLA

Lid van de Commissie


(1)   PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.

(2)  Beschikking 2002/915/EG van de Commissie van 18 november 2002 betreffende een verzoek om afwijking op grond van bijlage III, punt 2, onder b), en van artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 319 van 23.11.2002, blz. 24).

(3)  Beschikking 2005/294/EG van de Commissie van 5 april 2005 betreffende een verzoek om afwijking op grond van bijlage III, punt 2, onder b), en van artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 94 van 13.4.2005, blz. 34).

(4)  Beschikking 2008/664/EG van de Commissie van 8 augustus 2008 tot wijziging van Beschikking 2005/294/EG betreffende een verzoek om afwijking op grond van bijlage III, punt 2, onder b), en van artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 217 van 13.8.2008, blz. 16).

(5)  Uitvoeringsbesluit 2012/659/EU van de Commissie van 23 oktober 2012 tot verlening van een door het Koninkrijk Denemarken gevraagde afwijking op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 295 van 25.10.2012, blz. 20).

(6)  Deens Agentschap voor milieubescherming (uitg.), Status and trends of the aquatic environment and agricultural practice in Denmark (Het aquatisch milieu en de landbouwpraktijk in Denemarken: stand van zaken en tendensen), verslag aan de Europese Commissie over de periode 2012-2015 in overeenstemming met artikel 10 van de nitraatrichtlijn (1991/676/EEG), september 2016.

(7)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).


18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/43


BESLUIT (EU) 2017/848 VAN DE COMMISSIE

van 17 mei 2017

tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, en tot intrekking van Besluit 2010/477/EU

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/56/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 juni 2008 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het beleid ten aanzien van het mariene milieu (Kaderrichtlijn mariene strategie) (1), en met name artikel 9, lid 3, en artikel 11, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Besluit 2010/477/EU van de Commissie (2) worden de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de lidstaten de goede milieutoestand van hun mariene wateren moeten omschrijven en die als leidraad dienen voor de beoordeling van die status in de eerste uitvoeringscyclus van Richtlijn 2008/56/EG.

(2)

In Besluit 2010/477/EU wordt erkend dat er aanvullende wetenschappelijke en technische vooruitgang nodig was om de ontwikkeling of herziening van deze criteria voor een aantal kwalitatieve beschrijvende elementen te bevorderen, alsook de verdere ontwikkeling van methodologische standaarden, in nauwe samenhang met de opstelling van monitoringprogramma's. Bovendien is in dat besluit opgenomen dat het wenselijk was dat de herziening ervan zo spoedig mogelijk na de afronding van de bij artikel 12 van Richtlijn 2008/56/EG vereiste beoordeling plaatsvindt, op tijd om een succesvolle herziening van de mariene strategieën in 2018 te ondersteunen, als vereist bij artikel 17 van Richtlijn 2008/56/EG.

(3)

In 2012 hebben de lidstaten, op basis van de ingevolge artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG uitgevoerde initiële beoordeling van hun mariene wateren, verslag uitgebracht over de milieutoestand van hun mariene wateren en de Commissie in kennis gesteld van hun omschrijving van de goede milieutoestand en hun milieudoelen, overeenkomstig artikel 9, lid 2, respectievelijk artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2008/56/EG. In de beoordeling van de Commissie (3) van deze verslagen van de lidstaten, uitgevoerd overeenkomstig artikel 12 van Richtlijn 2008/56/EG, kwam naar voren dat er dringend meer inspanningen nodig zijn als de lidstaten in 2020 een goede milieutoestand willen bereiken. De resultaten toonden de noodzaak tot een aanzienlijke verbetering van de kwaliteit en de samenhang van de omschrijvingen van de goede milieutoestand door de lidstaten. Daarnaast werd in de beoordeling erkend dat regionale samenwerking centraal moet staan bij de uitvoering van Richtlijn 2008/56/EG. Er werd tevens benadrukt dat de lidstaten systematischer moeten voortbouwen op uit EU-wetgeving voortvloeiende standaarden of, indien deze niet bestaan, op standaarden uit de regionale zeeverdragen of andere internationale overeenkomsten.

(4)

Om ervoor te zorgen dat de tweede uitvoeringscyclus van de mariene strategieën van de lidstaten verder bijdraagt tot de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 2008/56/EG en meer samenhangende omschrijvingen van de goede milieutoestand oplevert, heeft de Commissie in haar verslag over de eerste fase van de tenuitvoerlegging de aanbeveling gedaan dat, op het niveau van de Unie, de diensten van de Commissie en de lidstaten samenwerken om Besluit 2010/477/EU te herzien, versterken en verbeteren met het oog op een duidelijkere, eenvoudigere, beknoptere en samenhangende reeks criteria voor de goede milieutoestand en methodologische standaarden en, tegelijkertijd, bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG toetsen en zo nodig aanpassen, en specifieke richtsnoeren ontwikkelen om te voorzien in een samenhangendere en consistentere benadering voor de beoordelingen in de volgende uitvoeringscyclus.

(5)

Op basis van deze conclusies is het herzieningsproces in 2013 van start gegaan met de goedkeuring van een stappenplan, bestaande uit verschillende fasen (een technische, een wetenschappelijke, een raadplegings- en een besluitvormingsfase), door het bij artikel 25, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG ingestelde regelgevend comité. Tijdens dit proces heeft de Commissie alle belanghebbende partijen geraadpleegd, waaronder de regionale zeeverdragen.

(6)

Om de actualisatie van de initiële beoordeling van de mariene wateren door de lidstaten en hun omschrijving van de goede milieutoestand in de toekomst te faciliteren en om te zorgen voor meer samenhang bij de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/56/EG in de hele Unie, is het noodzakelijk om de door de lidstaten te gebruiken criteria, methodologische standaarden, specificaties en gestandaardiseerde methoden te verduidelijken, te herzien of in te voeren, ten opzichte van de thans in Besluit 2010/477/EU vervatte elementen. Hierdoor moet het aantal door de lidstaten te monitoren en te beoordelen criteria worden teruggebracht, waarbij een op risicoanalyse gebaseerde aanpak wordt gehanteerd met betrekking tot de criteria die worden gehandhaafd, zodat de lidstaten hun inspanningen kunnen richten op de voornaamste antropogene belastingen die hun wateren aantasten. Ten slotte moeten de criteria en het gebruik ervan nader worden gespecificeerd, met inbegrip van drempelwaarden of de vaststelling daarvan, waardoor in alle mariene wateren van de Unie in kaart kan worden gebracht in welke mate de goede milieutoestand wordt bereikt.

(7)

Overeenkomstig de verbintenis die de Commissie is aangegaan bij de goedkeuring van haar mededeling aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's: Betere regelgeving voor betere resultaten — Een EU-agenda (4), moet dit besluit zorgen voor samenhang met de andere wetgeving van de Unie. Om op het niveau van de Unie te zorgen voor een grotere consistentie en vergelijkbaarheid van de omschrijvingen van de goede milieutoestand van de lidstaten en om onnodige overlap te vermijden, is het passend om rekening te houden met de relevante bestaande standaarden en methoden voor monitoring en beoordeling in de wetgeving van de Unie, waaronder Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (5), Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (6), Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie (7), Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad (8), Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) en Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11).

(8)

Voor elk van de in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG opgenomen kwalitatief beschrijvende elementen, en op basis van de indicatieve lijsten in bijlage III bij die richtlijn, is het noodzakelijk om de te gebruiken criteria, met inbegrip van de criteriumelementen en, indien van toepassing, de drempelwaarden, te definiëren. De drempelwaarden zijn bedoeld om bij te dragen aan de vaststelling door de lidstaten van een reeks kenmerken van een goede milieutoestand en om te worden gebruikt bij de beoordeling van de mate waarin de goede milieutoestand wordt bereikt. Het is tevens noodzakelijk om methodologische standaarden vast te stellen, met inbegrip van de geografische schalen voor de beoordeling en de wijze waarop de criteria moeten worden gebruikt. Deze criteria en methodologische standaarden moeten zorgen voor consistentie en een vergelijking mogelijk maken van de beoordelingen van de mate waarin in mariene regio's en subregio's de goede milieutoestand wordt bereikt.

(9)

Om de vergelijkbaarheid van de nadere bijzonderheden van eventuele actualiseringen van de lidstaten naar aanleiding van de herziening van bepaalde elementen van hun mariene strategieën, die ingevolge artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG worden meegedeeld zeker te stellen, dienen specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling te worden vastgesteld, rekening houdend met de bestaande specificaties en normen op het niveau van de Unie of op internationaal niveau, met inbegrip van regionaal of subregionaal niveau.

(10)

De lidstaten dienen de in dit besluit vastgestelde criteria, methodologische standaarden, specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, in combinatie met de ecosysteemelementen, antropogene belastingen en menselijke activiteiten die zijn opgenomen in de indicatieve lijsten van bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG en op basis van de ingevolge artikel 8, lid 1, van die richtlijn uitgevoerde initiële beoordeling, toe te passen bij de vaststelling van een reeks kenmerken van een goede milieutoestand overeenkomstig artikel 9, lid 1, van die richtlijn en bij de vaststelling van gecoördineerde monitoringprogramma's ingevolge artikel 11 van die richtlijn.

(11)

Om een duidelijk verband te leggen tussen de vaststelling van een reeks kenmerken van een goede milieutoestand en de beoordeling van de voortgang op weg naar het bereiken van die toestand, is het wenselijk om de criteria en methodologische standaarden op basis van de in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG vastgestelde kwalitatief beschrijvende elementen te organiseren, rekening houdend met de in bijlage III bij die richtlijn vermelde indicatieve lijsten van ecosysteemelementen, antropogene belastingen en menselijke activiteiten. Sommige van deze criteria en methodologische standaarden hebben met name betrekking op de beoordeling van de milieutoestand of van de overheersende belastende en beïnvloedende factoren in artikel 8, lid 1, onder a), respectievelijk artikel 8, lid 1, onder b), van Richtlijn 2008/56/EG.

(12)

In gevallen waarin geen drempelwaarden zijn vastgesteld, dienen de lidstaten drempelwaarden vast te stellen door uniale, regionale of subregionale samenwerking, bijvoorbeeld door te verwijzen naar bestaande waarden of door nieuwe te ontwikkelen in het kader van de regionale zeeverdragen. In gevallen waarin drempelwaarden moeten worden vastgesteld door samenwerking op het niveau van de Unie (voor de beschrijvende elementen met betrekking tot zwerfvuil op zee, onderwatergeluid en de integriteit van de zeebodem), zal dit plaatsvinden in het kader van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie die door de lidstaten en de Commissie is ontwikkeld voor de toepassing van Richtlijn 2008/56/EG. Als deze drempelwaarden eenmaal door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking zijn vastgesteld, zullen ze pas deel gaan uitmaken van de reeksen kenmerken van een goede milieutoestand van de lidstaten nadat ze aan de Commissie zijn toegezonden als onderdeel van de verslaglegging door de lidstaten ingevolge artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG. Totdat dergelijke drempelwaarden door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking zijn vastgesteld, moeten de lidstaten gebruik kunnen maken van nationale drempelwaarden, directionele trends of op belasting gebaseerde drempelwaarden als benadering.

(13)

De drempelwaarden moeten, indien van toepassing, het kwaliteitsniveau weerspiegelen dat de significantie van een nadelig effect op een criterium weergeeft en moeten worden vastgesteld ten opzichte van een referentievoorwaarde. De drempelwaarden moeten in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving en op een passende geografische schaal worden vastgesteld om de verschillende biotische en abiotische kenmerken van de regio's, subregio's en onderverdelingen daarvan te weerspiegelen. Dit betekent dat zelfs als het proces om de drempelwaarden vast te stellen op het niveau van de Unie plaatsvindt, dit kan leiden tot de vaststelling van verschillende drempelwaarden, die specifiek zijn voor een regio, subregio of onderverdeling daarvan. De drempelwaarden moeten bovendien worden vastgesteld op basis van het voorzorgsbeginsel, waardoor de potentiële risico's voor het mariene milieu worden weerspiegeld. De vaststelling van de drempelwaarden moet ruimte bieden voor het dynamische karakter van mariene ecosystemen en de elementen daarvan, die in ruimte en tijd kunnen veranderen door hydrologische en klimatologische veranderingen, de relaties tussen predator en prooi, en andere omgevingsfactoren. In de drempelwaarden moet ook tot uiting komen dat verslechterde mariene ecosystemen kunnen herstellen tot een toestand die de heersende fysiografische, geografische, klimatologische en biologische omstandigheden weerspiegelt, in plaats van terug te keren naar een specifieke toestand uit het verleden.

(14)

Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG moet de collectieve belasting van menselijke activiteiten binnen grenzen blijven die verenigbaar zijn met het bereiken van een goede milieutoestand, om zeker te stellen dat het vermogen van mariene ecosystemen om door de mens veroorzaakte veranderingen op te vangen, niet in het gedrang komt. Dit kan, waar van toepassing, betekenen dat de drempelwaarden voor bepaalde belastende factoren en de milieueffecten daarvan, niet noodzakelijkerwijs in alle gebieden van de mariene wateren van de lidstaten worden bereikt, mits dit de verwezenlijking van de doelstellingen van Richtlijn 2008/56/EG niet in gevaar brengt en het duurzame gebruik van mariene goederen en diensten mogelijk wordt gemaakt.

(15)

Het is noodzakelijk dat drempelwaarden worden vastgesteld die deel zullen uitmaken van de reeks kenmerken die de lidstaten gebruiken bij de omschrijving van de goede milieutoestand overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, alsook de mate waarin de drempelwaarden dienen te worden bereikt. Derhalve vormen drempelwaarden op zich geen omschrijvingen van de goede milieutoestand van de lidstaten.

(16)

De lidstaten dienen de mate waarin de goede milieutoestand wordt bereikt, uit te drukken als het deel van hun mariene wateren waarvoor de drempelwaarden zijn bereikt of als het deel van de criteriumelementen (soorten, verontreinigende stoffen enz.) waarvoor de drempelwaarden zijn bereikt. De lidstaten dienen bij de beoordeling van de toestand van hun mariene wateren overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG elke verandering in de toestand uit te drukken als verbeterd, stabiel of verslechterd in vergelijking met de voorgaande verslagperiode, in het licht van de vaak trage reactie van het mariene milieu op veranderingen.

(17)

Indien voor een bepaald criterium niet aan de overeenkomstig dit besluit vastgestelde drempelwaarden wordt voldaan, dienen de lidstaten te overwegen passende maatregelen te nemen of nader onderzoek te doen.

(18)

Als de lidstaten op regionaal of subregionaal niveau moeten samenwerken, dienen zij, voor zover passend en uitvoerbaar, gebruik te maken van bestaande regionale institutionele samenwerkingsstructuren, waaronder de uit hoofde van de regionale zeeverdragen opgerichte structuren, als bedoeld in artikel 6 van Richtlijn 2008/56/EG. Evenzo moeten de lidstaten, bij het ontbreken van specifieke criteria, methodologische standaarden, onder meer voor de integratie van de criteria, specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, voor zover passend en uitvoerbaar, voortbouwen op die welke op internationaal, regionaal of subregionaal niveau zijn ontwikkeld, bijvoorbeeld die zijn overeengekomen in het kader van de regionale zeeverdragen, of andere internationale mechanismen. Anders kunnen de lidstaten, indien van toepassing, kiezen voor onderlinge coördinatie binnen de regio of subregio. Daarnaast kan een lidstaat ook besluiten om, op basis van de specifieke kenmerken van zijn mariene wateren, rekening te houden met aanvullende elementen die niet in dit besluit zijn vastgesteld en die niet op internationaal, regionaal of subregionaal niveau worden behandeld, of te overwegen elementen van dit besluit toe te passen op zijn overgangswateren, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 6, van Richtlijn 2000/60/EG, ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2008/56/EG.

(19)

De lidstaten moeten, onder bepaalde voorwaarden, de nodige flexibiliteit hebben om zich te richten op de overheersende belastende factoren en de milieueffecten daarvan op de verschillende ecosysteemelementen in elke regio of subregio, teneinde hun mariene wateren op een efficiënte en doeltreffende wijze te monitoren en beoordelen en om de prioritering van de maatregelen die moeten worden genomen om een goede milieutoestand te bereiken, te faciliteren. Daartoe moeten de lidstaten ten eerste kunnen oordelen dat sommige criteria ongeschikt zijn om toe te passen, mits dit gerechtvaardigd is. Ten tweede moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om te besluiten bepaalde criteriumelementen niet te gebruiken, aanvullende elementen te selecteren of zich op bepaalde matrixen of gebieden van hun mariene wateren te richten, mits dit gebaseerd is op een risicobeoordeling van de belastende factoren en de effecten daarvan. Ten slotte moet een onderscheid worden aangebracht tussen primaire en secundaire criteria. Terwijl primaire criteria moeten worden gebruikt om te zorgen voor samenhang in de hele Unie, moet er met betrekking tot secundaire criteria flexibiliteit worden geboden. De lidstaten dienen zelf te beslissen over het gebruik van een secundair criterium, waar nodig, als aanvulling op een primair criterium of wanneer, voor een bepaald criterium, het mariene milieu het risico loopt de goede milieutoestand niet te bereiken of te behouden.

(20)

Criteria, met inbegrip van drempelwaarden, methodologische standaarden, specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling moeten gebaseerd zijn op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis. Er is echter nog wetenschappelijke en technische vooruitgang nodig om de verdere ontwikkeling van sommige hiervan te bevorderen, en daarvan dient gebruik te worden gemaakt zodra de kennis en inzichten beschikbaar worden.

(21)

Besluit 2010/477/EU moet daarom worden ingetrokken.

(22)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het regelgevend comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In dit besluit worden vastgesteld:

a)

de door de lidstaten te gebruiken criteria en methodologische standaarden bij de vaststelling van een reeks kenmerken van een goede milieutoestand overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, op basis van de bijlagen I en III en op basis van de ingevolge artikel 8, lid 1, van die richtlijn uitgevoerde initiële beoordeling, voor de beoordeling van de mate waarin de goede milieutoestand wordt bereikt, overeenkomstig artikel 9, lid 3, van die richtlijn;

b)

de door de lidstaten te gebruiken specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling bij de vaststelling van gecoördineerde monitoringprogramma's ingevolge artikel 11 van Richtlijn 2008/56/EG, overeenkomstig artikel 11, lid 4, van die richtlijn;

c)

een tijdschema voor de vaststelling van drempelwaarden, lijsten met criteriumelementen en methodologische standaarden door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking;

d)

een kennisgevingsverplichting voor de criteriumelementen, drempelwaarden en methodologische standaarden.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van artikel 3 van Richtlijn 2008/56/EG.

Daarnaast gelden de volgende definities:

(1)   „subregio's”: de in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2008/56/EG vermelde subregio's;

(2)   „onderverdelingen”: onderverdelingen als bedoeld in artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2008/56/EG;

(3)   „invasieve niet-inheemse soort”: „invasieve uitheemse soort” in de zin van artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12);

(4)   „criteriumelementen”: de elementen van een ecosysteem, met name de biologische elementen (soorten, habitats en de bijbehorende gemeenschappen), of aspecten van de belasting van het mariene milieu (biologisch, fysisch, stoffen, afval en energie), die onder elk criterium worden beoordeeld;

(5)   „drempelwaarde”: een waarde of bereik van waarden om het voor een bepaald criterium bereikte kwaliteitsniveau te kunnen beoordelen, waardoor wordt bijgedragen aan de beoordeling van de mate waarin de goede milieutoestand wordt bereikt.

Artikel 3

Het gebruik van de criteria, methodologische standaarden, specificaties en gestandaardiseerde methoden

1.   De lidstaten gebruiken de primaire criteria en bijbehorende methodologische standaarden, specificaties en gestandaardiseerde methoden in de bijlage om dit besluit ten uitvoer te leggen. Op basis van de initiële beoordeling of de daaropvolgende actualiseringen, uitgevoerd overeenkomstig artikel 8 en artikel 17, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG, kunnen de lidstaten echter, in gerechtvaardigde gevallen, oordelen dat het niet passend is om een of meer primaire criteria te gebruiken. In dergelijke gevallen verschaffen de lidstaten de Commissie daarvoor een rechtvaardiging in het kader van de kennisgeving ingevolge artikel 9, lid 2, of artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG.

Overeenkomstig de verplichting tot regionale samenwerking in de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 2008/56/EG, stelt een lidstaat de andere lidstaten waarmee een mariene regio of subregio gedeeld wordt, op de hoogte voordat deze lidstaat op grond van de eerste alinea besluit een primair criterium niet te gebruiken.

2.   De secundaire criteria en bijbehorende methodologische standaarden, specificaties en gestandaardiseerde methoden in de bijlage worden gebruikt als aanvulling op een primair criterium of wanneer het mariene milieu het risico loopt de goede milieutoestand niet te bereiken of te behouden voor dat specifieke criterium. Elke afzonderlijke lidstaat beslist over het gebruik van een secundair criterium, tenzij in de bijlage anders is bepaald.

3.   Daar waar in dit besluit geen criteria, methodologische standaarden, specificaties of gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, onder meer voor de ruimtelijke en temporele aggregatie van gegevens, worden vastgesteld, bouwen de lidstaten, voor zover passend en uitvoerbaar, voort op die welke op internationaal, regionaal of subregionaal niveau zijn ontwikkeld, zoals die welke zijn overeengekomen in de desbetreffende regionale zeeverdragen.

4.   Totdat er uniale, internationale, regionale of subregionale lijsten van criteriumelementen, methodologische standaarden en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling zijn vastgesteld, kunnen de lidstaten gebruikmaken van die welke op nationaal niveau zijn vastgesteld, op voorwaarde dat regionale samenwerking wordt nagestreefd zoals bedoeld in de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 2008/56/EG.

Artikel 4

Vaststelling van drempelwaarden door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking

1.   Indien de lidstaten op grond van dit besluit drempelwaarden dienen vast te stellen door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking, moeten deze waarden:

a)

deel uitmaken van de reeks kenmerken die de lidstaten gebruiken bij de omschrijving van de goede milieutoestand;

b)

in overeenstemming zijn met de EU-wetgeving;

c)

waar van toepassing het kwaliteitsniveau onderscheiden dat het belang van een nadelig effect op een criterium weerspiegelt en worden vastgesteld ten opzichte van een referentievoorwaarde;

d)

op een passende geografische schaal voor de beoordeling worden vastgesteld om de verschillende biotische en abiotische kenmerken van de regio's, subregio's en onderverdelingen daarvan te weerspiegelen;

e)

worden vastgesteld op basis van het voorzorgsbeginsel, waardoor de potentiële risico's voor het mariene milieu worden weerspiegeld;

f)

consistent zijn tussen de verschillende criteria als ze betrekking hebben op hetzelfde ecosysteemelement;

g)

gebaseerd zijn op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis;

h)

gebaseerd zijn op lange tijdreeksen van gegevens, indien beschikbaar, om de meest geschikte waarde te kunnen bepalen;

i)

de dynamiek van de natuurlijke ecosystemen weerspiegelen, waaronder de relaties tussen predator en prooi, en hydrologische en klimatologische variaties, waarbij ook wordt erkend dat een verslechterd ecosysteem, of delen daarvan, kan herstellen tot een toestand die de heersende fysiografische, geografische, klimatologische en biologische omstandigheden weerspiegelt, in plaats van terug te keren naar een specifieke toestand uit het verleden;

j)

voor zover passend en uitvoerbaar, in overeenstemming zijn met de relevante waarden in het kader van de regionale institutionele samenwerkingsstructuren, waaronder de regionale zeeverdragen.

2.   Totdat de lidstaten door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking drempelwaarden hebben vastgesteld zoals vereist uit hoofde van dit besluit, kunnen zij van de volgende waarden gebruikmaken om aan te geven in welke mate de goede milieustatus is bereikt:

a)

nationale drempelwaarden, op voorwaarde dat aan de verplichting tot regionale samenwerking in de artikelen 5 en 6 van Richtlijn 2008/56/EG is voldaan;

b)

directionele tendensen van de waarden;

c)

op belasting gebaseerde drempelwaarden als benadering.

Deze moeten, indien mogelijk, de beginselen zoals omschreven in lid 1, punten a) tot en met i), volgen.

3.   Indien drempelwaarden, met inbegrip van die welke overeenkomstig dit besluit door de lidstaten zijn vastgesteld, voor een bepaald criterium niet in de mate worden gehaald die de lidstaat heeft vastgesteld als een goede milieutoestand overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, gaan de lidstaten, indien van toepassing, na of er maatregelen moeten worden genomen op grond van artikel 13 van die richtlijn, dan wel of verder onderzoek moet worden uitgevoerd.

4.   De overeenkomstig dit besluit door de lidstaten vastgestelde drempelwaarden kunnen in het licht van de wetenschappelijke en technische vooruitgang periodiek opnieuw worden bekeken en, indien nodig, op tijd voor de toetsing als bedoeld in artikel 17, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG worden aangepast.

Artikel 5

Tijdschema

1.   Daar waar de lidstaten overeenkomstig dit besluit drempelwaarden, lijsten van criteriumelementen of methodologische standaarden dienen vast te stellen door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking, trachten de lidstaten dit te doen binnen de termijn die is vastgesteld voor de eerste toetsing van hun initiële beoordeling en omschrijving van de goede milieutoestand overeenkomstig artikel 17, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG (15 juli 2018).

2.   Wanneer de lidstaten niet in staat zijn om binnen de in lid 1 vermelde termijn drempelwaarden, lijsten van criteriumelementen of methodologische standaarden vast te stellen door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking, stellen zij deze zo spoedig mogelijk daarna vast, op voorwaarde dat zij dit uiterlijk 15 oktober 2018 bij de Commissie motiveren in de kennisgeving ingevolge artikel 9, lid 2, of artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG.

Artikel 6

Kennisgeving

Elke lidstaat zendt de Commissie, in het kader van de kennisgeving ingevolge artikel 17, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG, de overeenkomstig dit besluit door middel van uniale, regionale of subregionale samenwerking vastgestelde criteriumelementen, drempelwaarden en methodologische standaarden waarvan de lidstaat heeft besloten gebruik te maken als onderdeel van de reeks kenmerken voor de bepaling van de goede milieutoestand overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG.

Artikel 7

Intrekking

Besluit 2010/477/EU wordt ingetrokken.

Verwijzingen naar Besluit 2010/477/EU gelden als verwijzingen naar dit besluit.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 164 van 25.6.2008, blz. 19.

(2)  Besluit 2010/477/EU van de Commissie van 1 september 2010 tot vaststelling van criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren (PB L 232 van 2.9.2010, blz. 14).

(3)  Verslag van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement — De eerste fase van de tenuitvoerlegging van de Kaderrichtlijn mariene strategie (2008/56/EG) — Beoordeling en advies van de Europese Commissie (COM(2014) 097 final van 20.2.2014).

(4)  COM(2015) 215 final.

(5)  Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).

(6)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(7)  Verordening (EG) nr. 1881/2006 van de Commissie van 19 december 2006 tot vaststelling van maximumgehalten aan bepaalde verontreinigingen in levensmiddelen (PB L 364 van 20.12.2006, blz. 5).

(8)  Verordening (EG) nr. 1967/2006 van de Raad van 21 december 2006 inzake beheersmaatregelen voor de duurzame exploitatie van visbestanden in de Middellandse Zee, tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 2847/93 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1626/94 (PB L 409 van 30.12.2006, blz. 11).

(9)  Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid, tot wijziging en vervolgens intrekking van de Richtlijnen 82/176/EEG, 83/513/EEG, 84/156/EEG, 84/491/EEG en 86/280/EEG van de Raad, en tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG (PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84).

(10)  Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).

(11)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(12)  Verordening (EU) nr. 1143/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2014 betreffende de preventie en beheersing van de introductie en verspreiding van invasieve uitheemse soorten (PB L 317 van 4.11.2014, blz. 35).


BIJLAGE

Criteria en methodologische standaarden inzake de goede milieutoestand van mariene wateren die relevant zijn voor de kwalitatief beschrijvende elementen in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG en voor de indicatieve lijsten die zijn opgenomen in bijlage III bij die richtlijn, en specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en evaluatie

Deze bijlage is onderverdeeld in twee delen:

in deel I zijn de criteria en methodologische standaarden voor de omschrijving van de goede milieutoestand ingevolge artikel 9, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG opgenomen, alsook de specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling ingevolge artikel 11, lid 4, van die richtlijn, die door de lidstaten moeten worden gebruikt voor de beoordeling van de overheersende belastende en beïnvloedende factoren krachtens artikel 8, lid 1, onder b), van Richtlijn 2008/56/EG;

in deel II zijn de criteria en methodologische standaarden voor de omschrijving van de goede milieutoestand ingevolge artikel 9, lid 3, van Richtlijn 2008/56/EG opgenomen, alsook de specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling, die door de lidstaten moeten worden gebruikt voor de beoordeling van de milieutoestand krachtens artikel 8, lid 1, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG.

DEEL I

Criteria, methodologische standaarden, specificaties en gestandaardiseerde methoden voor de monitoring en beoordeling van de overheersende belastende en beïnvloedende factoren krachtens artikel 8, lid 1, onder b), van Richtlijn 2008/56/EG

Deel I gaat over de beschrijvende elementen (1) die verband houden met de relevante antropogene belastingen: biologische belastingen (de beschrijvende elementen 2 en 3), fysieke belastingen (de beschrijvende elementen 6 en 7) en stoffen, afval en energie (de beschrijvende elementen 5, 8, 9, 10 en 11), zoals vermeld in bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG.

Beschrijvend element 2

Door menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten komen voor op een niveau waarbij het ecosysteem niet verandert

Relevante belasting: de inbreng of verspreiding van niet-inheemse soorten

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Nieuw geïntroduceerde niet-inheemse soorten.

D2C1 — Primair:

Het aantal via menselijke activiteiten nieuw in het wild geïntroduceerde niet-inheemse soorten, per beoordelingsperiode (zes jaar), gemeten vanaf het referentiejaar zoals gerapporteerd voor de initiële beoordeling op grond van artikel 8, lid 1, van Richtlijn 2008/56/EG, wordt tot een minimum beperkt en waar mogelijk tot nul teruggebracht.

De lidstaten stellen de drempelwaarde voor het aantal nieuwe introducties van niet-inheemse soorten vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schaal voor de beoordeling:

Onderverdelingen van de regio of subregio, waar nodig gescheiden door nationale grenzen.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

het aantal in de beoordelingsperiode van zes jaar via menselijke activiteiten geïntroduceerde niet-inheemse soorten en een lijst van deze soorten.

Ingeburgerde niet-inheemse soorten, met name invasieve niet-inheemse soorten, met inbegrip van relevante soorten op de lijst van voor de Unie zorgwekkende invasieve uitheemse soorten die is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1143/2014 en soorten die relevant zijn voor gebruik bij criterium D2C3.

De lidstaten stellen deze lijst vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D2C2 — Secundair:

De dichtheid en de verspreiding van gevestigde niet-inheemse soorten, met name invasieve soorten, die aanzienlijk bijdragen tot schadelijke effecten op bepaalde soortengroepen of brede habitattypen.

Schaal voor de beoordeling:

Zoals gebruikt voor de beoordeling van de desbetreffende soortengroepen of brede habitattypen onder de beschrijvende elementen 1 en 6.

Gebruik van de criteria:

Criterium D2C2 (kwantificering van niet-inheemse soorten) wordt uitgedrukt per beoordeelde soort en draagt bij tot de beoordeling van criterium D2C3 (schadelijke effecten van niet-inheemse soorten).

Criterium D2C3 voorziet per beoordeelde soortengroep in het deel dat, en per beoordeeld breed habitattype in de omvang die negatief is veranderd, en draagt aldus bij tot de beoordeling daarvan onder de beschrijvende elementen 1 en 6.

De soortengroepen en brede habitattypen die door niet-inheemse soorten worden bedreigd, geselecteerd uit die welke zijn gebruikt voor de beschrijvende elementen 1 en 6.

De lidstaten stellen deze lijst vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D2C3 — Secundair:

Het deel van de soortengroep dat, of de ruimtelijke omvang van het brede habitattype die negatief is veranderd door niet-inheemse soorten, met name invasieve niet-inheemse soorten.

De lidstaten stellen de drempelwaarden voor de negatieve verandering van soortengroepen en brede habitattypen door niet-inheemse soorten vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

Onder „nieuw geïntroduceerde” niet-inheemse soorten worden die niet-inheemse soorten verstaan die voor zover bekend in de vorige beoordelingsperiode niet in het gebied voorkwamen.

2)

Onder „gevestigde” niet-inheemse soorten worden die niet-inheemse soorten verstaan waarvan bekend is dat ze in de vorige beoordelingsperiode in het gebied voorkwamen.

3)

Voor D2C1: indien niet duidelijk is of de komst van nieuwe niet-inheemse soorten het gevolg is van menselijke activiteiten of van de natuurlijke verspreiding van aangrenzende gebieden, wordt de introductie meegeteld onder D2C1.

4)

Voor D2C2: indien het voorkomen en de dichtheid van soorten seizoensgebonden is (bv. plankton), vindt de monitoring plaats op passende tijdstippen gedurende het jaar.

5)

De monitoringprogramma's worden gekoppeld aan die voor de beschrijvende elementen 1, 4, 5 en 6, voor zover mogelijk, omdat daarbij doorgaans dezelfde bemonsteringsmethoden worden gebruikt en het praktischer is om niet-inheemse soorten te monitoren als onderdeel van ruimere biodiversiteitsmonitoring, behalve wanneer de bemonstering moet worden toegespitst op de voornaamste vectoren en risicogebieden voor nieuwe introducties.

Meeteenheden voor de criteria:

D2C1: het aantal in de beoordelingsperiode (zes jaar) nieuw geïntroduceerde soorten per te beoordelen gebied;

D2C2: de dichtheid (aantal exemplaren, biomassa in tonnen (t) of de omvang in vierkante kilometers (km2)) per niet-inheemse soort;

D2C3: het deel van de soortengroep (de verhouding tussen inheemse soorten en niet-inheemse soorten, als aantal soorten en/of de dichtheid ervan binnen de groep) dat, of de ruimtelijke omvang van het brede habitattype (in vierkante kilometers (km2)) die negatief is veranderd.

Beschrijvend element 3

Populaties van alle commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren blijven binnen veilige biologische grenzen, en vertonen een opbouw qua leeftijd en omvang die kenmerkend is voor een gezond bestand

Relevante belasting: de onttrekking van, of sterfte/ziekte van, wilde soorten, met inbegrip van doelsoorten en niet-doelsoorten

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren.

De lidstaten stellen door middel van regionale of subregionale samenwerking een lijst van commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren op, volgens de in „specificaties” vastgelegde criteria.

D3C1 — Primair:

De visserijsterfte van de populaties van commercieel geëxploiteerde soorten is gelijk aan of lager dan een niveau dat de maximale duurzame opbrengst (MDO) kan opleveren. De bevoegde wetenschappelijke instanties worden geraadpleegd in overeenstemming met artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Schaal voor de beoordeling:

De populaties van elke soort worden beoordeeld op ecologisch relevante schalen binnen elke regio of subregio, zoals vastgesteld door de bevoegde wetenschappelijke instanties als bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, op basis van vastgestelde aggregaties van ICES-gebieden (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee), geografische deelgebieden van de Algemene Visserijcommissie voor de Middellandse Zee (GFCM) en visgebieden van de Voedsel- en Landbouworganisatie (FAO) voor de biogeografische regio Macaronesië.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

a)

de beoordeelde populaties, de bereikte waarden voor elk criterium en of de niveaus voor D3C1 en D3C2 en de drempelwaarden voor D3C3 zijn bereikt, en de algemene toestand van de populatie op basis van op het niveau van de Unie overeengekomen regels voor de integratie van de criteria;

b)

de populaties van commercieel geëxploiteerde soorten in het te beoordelen gebied die niet zijn beoordeeld.

De resultaten van deze populatiebeoordelingen leveren ook een bijdrage aan de beoordelingen in het kader van de beschrijvende elementen 1 en 6, indien de soorten relevant zijn voor de beoordeling van specifieke soortengroepen en bentische habitattypen.

D3C2 (2) — Primair:

De paaibiomassa van de populaties van commercieel geëxploiteerde soorten is hoger dan een biomassaniveau dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. De bevoegde wetenschappelijke instanties worden geraadpleegd in overeenstemming met artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

D3C3 (2)  (3) — Primair:

De leeftijdsopbouw en grootteverdeling van individuele exemplaren in de populaties van commercieel geëxploiteerde soorten duiden op een gezonde populatie. Dit betekent onder meer een hoog percentage oude/grote exemplaren en een beperkte negatieve invloed van de exploitatie op de genetische diversiteit.

De lidstaten stellen door middel van regionale of subregionale samenwerking voor elke populatie van soorten drempelwaarden vast overeenkomstig wetenschappelijk advies dat is verkregen ingevolge artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

De onttrekking van, of sterfte/ziekte van, niet-commercieel geëxploiteerde soorten (incidentele bijvangsten) als gevolg van visserijactiviteiten wordt onderzocht aan de hand van criterium D1C1.

Fysieke verstoringen van de zeebodem, met inbegrip van effecten op de bentische gemeenschappen, als gevolg van visserijactiviteiten worden onderzocht aan de hand van de criteria onder beschrijvend element 6 (met name de criteria D6C2 en D6C3) en moeten worden verwerkt in de beoordelingen van de bentische habitattypen onder de beschrijvende elementen 1 en 6.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

De lidstaten stellen door middel van regionale of subregionale samenwerking een lijst van commercieel geëxploiteerde soorten vast voor de toepassing van de criteria in elk te beoordelen gebied, en werken deze voor elke beoordelingsperiode van zes jaar bij, waarbij rekening wordt gehouden met Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad (4) en het volgende:

a)

alle bestanden die worden beheerd krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

de soorten waarvoor vangstmogelijkheden (totaal toegestane vangsten en quota) zijn vastgesteld door de Raad krachtens artikel 43, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie;

c)

de soorten waarvoor minimale instandhoudingsreferentiegrootten zijn vastgesteld krachtens Verordening (EG) nr. 1967/2006;

d)

de soorten waarvoor een meerjarenplan geldt overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

e)

de soorten waarvoor een nationaal beheersplan geldt overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EG) nr. 1967/2006;

f)

alle soorten op regionale of nationale schaal die belangrijk zijn voor de kleinschalige/plaatselijke kustvisserij.

Voor de toepassing van dit besluit worden commercieel geëxploiteerde soorten die in elk te beoordelen gebied niet-inheems zijn, uitgesloten van de lijst en deze leveren derhalve geen bijdrage aan het bereiken van een goede milieutoestand voor beschrijvend element 3.

2)

In Verordening (EG) nr. 199/2008 worden regels vastgesteld inzake de verzameling en het beheer, in het kader van meerjarenprogramma's, van biologische, technische, milieu- en sociaaleconomische gegevens betreffende de visserijsector die worden gebruikt voor de monitoring in het kader van beschrijvend element 3.

3)

De term „populaties” moet worden opgevat als de term „bestanden” in de zin van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

4)

Voor D3C1 en D3C2 geldt het volgende:

a)

voor de bestanden die in het kader van een meerjarenplan overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 worden beheerd, moeten, in situaties van gemengde visserij, het streefniveau van de visserijsterfte en de biomassaniveaus die de maximale duurzame opbrengst kunnen opleveren in overeenstemming zijn met het desbetreffende meerjarenplan;

b)

voor de gebieden rond de Middellandse Zee en de Zwarte Zee kunnen passende indicatoren worden gebruikt.

5)

De volgende beoordelingsmethoden worden gebruikt:

a)

voor D3C1: indien er als gevolg van tekortkomingen in de beschikbare gegevens geen kwantitatieve beoordelingen beschikbaar zijn die voorzien in waarden voor de visserijsterfte, kunnen andere variabelen, zoals de verhouding tussen vangst en biomassa-index („vangst/biomassa-ratio”), worden gebruikt als alternatieve methode. In dergelijke gevallen wordt een geschikte methode voor trendanalyse gehanteerd (bv. de huidige waarde kan worden vergeleken met het historisch langetermijngemiddelde);

b)

voor D3C2: de gebruikte drempelwaarde is in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Indien er als gevolg van tekortkomingen in de beschikbare gegevens geen kwantitatieve beoordelingen beschikbaar zijn die voorzien in waarden voor de paaibiomassa, kunnen biomassagerelateerde indicatoren, zoals vangst per inspanningseenheid of onderzoeksindicatoren voor de bestandsdichtheid, worden gebruikt als alternatieve methode. In dergelijke gevallen wordt een geschikte methode voor trendanalyse gehanteerd (bv. de huidige waarde kan worden vergeleken met het historisch langetermijngemiddelde);

c)

D3C3 weerspiegelt dat gezonde populaties van soorten worden gekenmerkt door een hoog percentage oude, grote exemplaren. De relevante eigenschappen zijn:

i)

de grootteverdeling van exemplaren in de populatie, uitgedrukt als:

het percentage vissen groter dan de gemiddelde grootte bij de eerste geslachtsrijpheid, of

het 95e percentiel van de spreiding op basis van de vislengte van elke populatie, zoals waargenomen in een onderzoeksvaartuig of andere onderzoeken;

ii)

de genetische gevolgen van de exploitatie van de soorten, zoals de grootte bij de eerste geslachtsrijpheid, waar passend en haalbaar.

Naar aanleiding van de verdere wetenschappelijke en technische ontwikkeling van dit criterium kunnen andere aanduidingen van de relevante eigenschappen worden gebruikt.

Meeteenheden voor de criteria:

D3C1: de visserijsterfte op jaarbasis;

D3C2: de biomassa in tonnen (t) of het aantal exemplaren per soort, tenzij andere indicatoren worden gebruikt onder punt 5 onder b);

D3C3: onder punt 5 onder c): voor i), eerste streepje: deel (percentage) of aantallen, voor i), tweede streepje: lengte in centimeters (cm), en voor ii): lengte in centimeters (cm).

Beschrijvend element 5

Door de mens teweeggebrachte eutrofiëring is tot een minimum beperkt, met name de schadelijke effecten ervan zoals verlies van de biodiversiteit, aantasting van het ecosysteem, schadelijke algenbloei en zuurstofgebrek in de bodemwateren

Relevante belastingen: de toevoer van nutriënten; de toevoer van organisch materiaal

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Nutriënten in de waterkolom: opgelost anorganisch stikstof (DIN), totaal stikstof (TN), opgelost anorganisch fosfor (DIP), totaal fosfor (TP).

Binnen de kustwateren, zoals gebruikt krachtens Richtlijn 2000/60/EG.

Buiten de kustwateren kunnen de lidstaten op regionaal of subregionaal niveau besluiten een of meer van deze nutriënten niet te gebruiken.

D5C1 — Primair:

De nutriëntenconcentratie ligt niet op een niveau dat wijst op schadelijke eutrofiëringseffecten.

De drempelwaarden zijn:

a)

in de kustwateren, de waarden die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

b)

buiten de kustwateren, waarden die in overeenstemming zijn met die voor de kustwateren krachtens Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten stellen deze waarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schaal voor de beoordeling:

binnen de kustwateren, zoals gebruikt krachtens Richtlijn 2000/60/EG;

buiten de kustwateren, onderverdelingen van de regio of subregio, waar nodig gescheiden door nationale grenzen.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

a)

de bereikte waarden voor elk gebruikt criterium en een schatting van de omvang van het te beoordelen gebied waarover de vastgestelde drempelwaarden zijn bereikt;

b)

in de kustwateren worden de criteria gebruikt overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2000/60/EG om te bepalen of er sprake is van eutrofiëring van het waterlichaam (5);

c)

buiten de kustwateren, een schatting van de omvang van het gebied (als deel (percentage)) waar geen sprake is van eutrofiëring (zoals blijkt uit de resultaten van alle toegepaste criteria, waar mogelijk geïntegreerd op een op het niveau van de Unie overeengekomen wijze, maar ten minste op regionaal of subregionaal niveau).

Buiten de kustwateren wordt het gebruik van secundaire criteria overeengekomen op regionaal of subregionaal niveau.

De resultaten van de beoordelingen dragen ook als volgt bij tot de beoordelingen voor pelagische habitats in het kader van beschrijvend element 1:

de spreiding en een schatting van de omvang van het gebied (als deel (percentage)) waar sprake is van eutrofiëring van de waterkolom (aangegeven middels de vraag of de drempelwaarden voor de criteria D5C2, D5C3 en D5C4, indien gebruikt, zijn bereikt);

De resultaten van de beoordelingen dragen ook als volgt bij tot de beoordelingen voor bentische habitats in het kader van de beschrijvende elementen 1 en 6:

de spreiding en een schatting van de omvang van het gebied (als deel (percentage)) waar sprake is van eutrofiëring van de zeebodem (aangegeven middels de vraag of de drempelwaarden voor de criteria D5C4, D5C5, D5C6, D5C7 en D5C8, indien gebruikt, zijn bereikt).

Chlorofyl a in de waterkolom

D5C2 — Primair:

De chlorofyl-a-concentratie ligt niet op een niveau dat wijst op schadelijke effecten van verrijking met nutriënten.

De drempelwaarden zijn:

a)

in de kustwateren, de waarden die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

b)

buiten de kustwateren, waarden die in overeenstemming zijn met die voor de kustwateren krachtens Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten stellen deze waarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schadelijke algenbloei (bv. cyanobacteriën) in de waterkolom

D5C3 — Secundair:

Het aantal, de ruimtelijke omvang en de duur van schadelijke algenbloei liggen niet op een niveau dat wijst op schadelijke effecten van verrijking met nutriënten.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor deze niveaus vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Fotische zone (doorzicht) van de waterkolom

D5C4 — Secundair:

De fotische zone (doorzicht) van de waterkolom wordt niet beperkt, vanwege een toename van de algen, tot een niveau dat wijst op schadelijke effecten van verrijking met nutriënten.

De drempelwaarden zijn:

a)

in de kustwateren, de waarden die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

b)

buiten de kustwateren, waarden die in overeenstemming zijn met die voor de kustwateren krachtens Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten stellen deze waarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Opgeloste zuurstof onderin de waterkolom

D5C5 — Primair (kan worden vervangen door D5C8):

De concentratie opgeloste zuurstof wordt, als gevolg van verrijking met nutriënten, niet teruggebracht tot een niveau dat wijst op schadelijke effecten op bentische habitats (en op de daarmee verbonden biota en mobiele soorten) of andere eutrofiëringseffecten.

De drempelwaarden zijn:

a)

in de kustwateren, de waarden die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

b)

buiten de kustwateren, waarden die in overeenstemming zijn met die voor de kustwateren krachtens Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten stellen deze waarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Opportunistische macroalgen van bentische habitats

D5C6 — Secundair:

De dichtheid van opportunistische macroalgen ligt niet op een niveau dat wijst op schadelijke effecten van verrijking met nutriënten.

De drempelwaarden zijn:

a)

in de kustwateren, de waarden die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

b)

als dit criterium relevant is voor wateren buiten de kustwateren, waarden die in overeenstemming zijn met die voor de kustwateren krachtens Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten stellen deze waarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Macrofytengemeenschappen (overblijvende zeewieren en zeegrassen zoals fucus, zeegras en neptunusgras) van bentische habitats

D5C7 — Secundair:

De soortensamenstelling en relatieve dichtheid of diepteverdeling van macrofytengemeenschappen bereiken waarden die erop wijzen dat er geen sprake is van schadelijke effecten door verrijking met nutriënten waaronder via een vermindering in doorzicht van het water, als volgt:

a)

in de kustwateren, de waarden die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

b)

als dit criterium relevant is voor wateren buiten de kustwateren, waarden die in overeenstemming zijn met die voor de kustwateren krachtens Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten stellen deze waarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Macrofaunagemeenschappen van bentische habitats

D5C8 — Secundair (behalve wanneer gebruikt als vervanging voor D5C5):

De soortensamenstelling en relatieve dichtheid van macrofaunagemeenschappen bereiken waarden die erop wijzen dat er geen sprake is van schadelijke effecten door verrijking met nutriënten en organische stoffen, als volgt:

a)

in de kustwateren, de waarden voor bentische biologische kwaliteitselementen die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

b)

buiten de kustwateren, waarden die in overeenstemming zijn met die voor de kustwateren krachtens Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten stellen deze waarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

In de kustwateren worden de criteriumelementen geselecteerd overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG.

2)

Voor D5C2 en D5C3 kunnen de lidstaten daarnaast de soortensamenstelling en dichtheid van fytoplankton gebruiken.

3)

Indien mogelijk wordt informatie verzameld over de routes (atmosferische, op het land of in de zee) van nutriënten die het mariene milieu binnenkomen.

4)

Monitoring buiten de kustwateren is wellicht niet nodig door het lage risico, zoals in gevallen waarin de drempelwaarden worden bereikt in de kustwateren, waarbij rekening wordt gehouden met de toevoer van nutriënten uit atmosferische bronnen, bronnen in de zee, waaronder de kustwateren, en grensoverschrijdende bronnen.

5)

De beoordelingen krachtens Richtlijn 2000/60/EG worden gebruikt voor de beoordelingen van elk criterium in de kustwateren.

6)

De overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde waarden hebben betrekking op de waarden die zijn vastgesteld middels de interkalibratie krachtens Besluit 2013/480/EU van de Commissie (6) of op die welke in de nationale wetgeving zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 8 en bijlage V van Richtlijn 2000/60/EG. Deze worden beschouwd als de „grens goed/matig” voor de ecologische kwaliteitscoëfficiënten.

7)

Onder de soortensamenstelling wordt het laagste taxonomische niveau verstaan dat geschikt is voor de beoordeling.

Meeteenheden voor de criteria:

D5C1: de nutriëntenconcentratie in micromol per liter (μmol/l);

D5C2: de chlorofyl-a-concentratie (biomassa) in microgram per liter (μg/l);

D5C3: de bloei als aantal gevallen, de duur in dagen en de ruimtelijke omvang in vierkante kilometers (km2) per jaar;

D5C4: de fotische zone als diepte in meters (m);

D5C5: de zuurstofconcentratie in de bodem van de waterkolom in milligram per liter (mg/l);

D5C6: de ecologische kwaliteitscoëfficiënt voor de dichtheid of het ruimtelijk bereik van macroalgen. De omvang van de schadelijke effecten in vierkante kilometers (km2) of als deel (percentage) van het te beoordelen gebied;

D5C7: de ecologische kwaliteitscoëfficiënt voor de beoordeling van de soortensamenstelling en de relatieve dichtheid of voor de maximale diepte van de macrofytengroei. De omvang van de schadelijke effecten in vierkante kilometers (km2) of als deel (percentage) van het te beoordelen gebied;

D5C8: de ecologische kwaliteitscoëfficiënt voor de beoordeling van de soortensamenstelling en de relatieve dichtheid. De omvang van de schadelijke effecten in vierkante kilometers (km2) of als deel (percentage) van het te beoordelen gebied.

Indien beschikbaar gebruiken de lidstaten de eenheden of ecologische kwaliteitscoëfficiënten van Richtlijn 2000/60/EG.

Beschrijvend element 6

Integriteit van de zeebodem is zodanig dat de structuur en de functies van de ecosystemen gewaarborgd zijn en dat met name bentische ecosystemen niet onevenredig worden aangetast

Relevante belastingen: fysiek verlies (door een permanente wijziging van het zeebodemsubstraat of de zeebodemmorfologie en door de extractie van zeebodemsubstraat); fysieke verstoringen van de zeebodem (tijdelijke en omkeerbare)

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Fysiek verlies van de zeebodem (met inbegrip van intergetijdengebieden).

D6C1 — Primair:

De ruimtelijke omvang en spreiding van het fysieke verlies (permanente wijziging) van de natuurlijke zeebodem.

Schaal voor de beoordeling:

zoals gebruikt voor de beoordeling van de brede bentische habitattypen onder de beschrijvende elementen 1 en 6.

Gebruik van de criteria:

De resultaten van de beoordeling van criterium D6C1 (de spreiding en een schatting van de omvang van het fysieke verlies) worden gebruikt bij de beoordeling van de criteria D6C4 en D7C1.

De resultaten van de beoordeling van criterium D6C2 (de spreiding en een schatting van de omvang van de fysieke verstoringen) worden gebruikt bij de beoordeling van criterium D6C3.

De resultaten van de beoordeling van criterium D6C3 (een schatting van de omvang van de schadelijke effecten door fysieke verstoringen per habitattype in elk te beoordelen gebied) leveren een bijdrage aan de beoordeling van criterium D6C5.

Fysieke verstoringen van de zeebodem (met inbegrip van intergetijdengebieden).

D6C2 — Primair:

De ruimtelijke omvang en spreiding van de fysieke verstoringen van de zeebodem.

Brede bentische habitattypen of andere habitattypen, zoals gebruikt onder de beschrijvende elementen 1 en 6.

D6C3 — Primair:

De ruimtelijke omvang van elk habitattype dat schade is berokkend, door wijziging van de biotische en abiotische structuur en de functies ervan (bv. door wijzigingen van de soortensamenstelling en hun relatieve dichtheid, het niet-voorkomen van bijzonder gevoelige of kwetsbare soorten of soorten die een essentiële functie hebben, de groottesamenstelling van soorten), door fysieke verstoringen.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor de schadelijke effecten van fysieke verstoringen vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

De criteria D6C1, D6C2 en D6C3 hebben uitsluitend betrekking op de belastingen „fysiek verlies” en „fysieke verstoring” en de effecten daarvan, terwijl de criteria D6C4 en D6C5 betrekking hebben op de algehele beoordeling van beschrijvend element 6, samen met die voor bentische habitats onder beschrijvend element 1. De criteria D6C4 en D6C5 zijn opgenomen in deel II van deze bijlage.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

Met betrekking tot de monitoringmethoden geldt het volgende:

a)

voor D6C1 worden de permanente wijzigingen van de zeebodem ten gevolge van de verschillende menselijke activiteiten beoordeeld (met inbegrip van permanente wijzigingen van het natuurlijke zeebodemsubstraat of de natuurlijke zeebodemmorfologie door fysieke herstructurering, infrastructuurontwikkeling en verlies van substraat door de winning van grondstoffen van de zeebodem);

b)

voor D6C2 worden de fysieke verstoringen door de verschillende menselijke activiteiten beoordeeld (zoals visserij met de bodemtrawl);

c)

voor de kustwateren wordt gebruikgemaakt van de hydromorfologische gegevens en relevante beoordelingen krachtens Richtlijn 2000/60/EG. Buiten de kustwateren kunnen gegevens worden verzameld door het in kaart brengen van infrastructuur en winningslocaties waarvoor een vergunning is verleend.

2)

Met betrekking tot de beoordelingsmethoden worden de gegevens zodanig geaggregeerd dat:

a)

D6C1 wordt beoordeeld als verloren gegaan gebied ten opzichte van de totale natuurlijke omvang van alle bentische habitats in het te beoordelen gebied (bv. door de omvang van de antropogene wijziging);

b)

D6C3 wordt beoordeeld ten opzichte van de totale natuurlijke omvang van elk beoordeeld bentisch habitattype.

3)

Onder fysiek verlies wordt een permanente wijziging van de zeebodem verstaan die een periode van twee verslagcycli (twaalf jaar) of langer heeft geduurd of naar verwachting zo lang zal duren.

4)

Onder fysieke verstoringen wordt een verandering van de zeebodem verstaan, waarvan de zeebodem kan herstellen als de activiteiten waardoor de verstoringen worden veroorzaakt, worden beëindigd.

5)

Voor D6C3 wordt onder de soortensamenstelling het laagste taxonomische niveau verstaan dat geschikt is voor de beoordeling.

Meeteenheden voor de criteria:

D6C1: de omvang van het te beoordelen gebied dat fysiek verloren is gegaan in vierkante kilometers (km2);

D6C2: de omvang van het te beoordelen gebied dat fysiek is verstoord in vierkante kilometers (km2);

D6C3: de omvang van elk habitattype dat schade is berokkend in vierkante kilometers (km2) of als deel (percentage) van de totale natuurlijke omvang van de habitat in het te beoordelen gebied.

Beschrijvend element 7

Permanente wijziging van de hydrografische eigenschappen berokkent de mariene ecosystemen geen schade

Relevante belastingen: fysiek verlies (door een permanente wijziging van het zeebodemsubstraat of de zeebodemmorfologie of door de extractie van zeebodemsubstraat); wijzigingen van de hydrologische omstandigheden

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Hydrografische wijzigingen van de zeebodem en de waterkolom (met inbegrip van intergetijdengebieden).

D7C1 — Secundair:

De ruimtelijke omvang en spreiding van de permanente wijziging van de hydrografische omstandigheden (bv. wijzigingen van de golfslag, de stroming, het zoutgehalte, de temperatuur) van de zeebodem en de waterkolom, met name in verband met het fysieke verlies (7) van de natuurlijke zeebodem.

Schaal voor de beoordeling:

zoals gebruikt voor de beoordeling van de brede bentische habitattypen onder de beschrijvende elementen 1 en 6.

Gebruik van de criteria:

De resultaten van de beoordeling van criterium D7C1 (de spreiding en een schatting van de omvang van de hydrografische wijzigingen) worden gebruikt bij de beoordeling van criterium D7C2.

De resultaten van de beoordeling van criterium D7C2 (een schatting van de omvang van de schadelijke effecten per habitattype in elk te beoordelen gebied) leveren een bijdrage aan de beoordeling van criterium D6C5.

Brede bentische habitattypen of andere habitattypen, zoals gebruikt voor de beschrijvende elementen 1 en 6.

D7C2 — Secundair:

De ruimtelijke omvang van elk bentisch habitattype dat schade is berokkend (de fysieke en hydrografische kenmerken en de bijbehorende biologische gemeenschappen) door permanente wijziging van de hydrografische omstandigheden.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor de schadelijke effecten van permanente wijzigingen van de hydrografische omstandigheden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

Met betrekking tot de methoden voor monitoring en beoordeling geldt het volgende:

a)

de monitoring is gericht op wijzigingen die verband houden met infrastructuurontwikkeling, hetzij op de kust, hetzij buiten de kust;

b)

voor de beoordeling van de omvang van de effecten van elke infrastructuurontwikkeling wordt, indien nodig, gebruikgemaakt van hydrodynamische modellen voor milieueffectbeoordeling die zijn gevalideerd met „ground truth”-metingen, of andere geschikte informatiebronnen;

c)

voor de kustwateren wordt gebruikgemaakt van de hydromorfologische gegevens en relevante beoordelingen krachtens Richtlijn 2000/60/EG.

2)

Met betrekking tot de beoordelingsmethoden worden de gegevens zodanig geaggregeerd dat:

a)

D7C1 wordt beoordeeld ten opzichte van de totale natuurlijke omvang van alle habitats in het te beoordelen gebied;

b)

D7C2 wordt beoordeeld ten opzichte van de totale natuurlijke omvang van elk beoordeeld bentisch habitattype.

Meeteenheden voor de criteria:

D7C1: de omvang van het te beoordelen gebied dat hydrografisch is veranderd in vierkante kilometers (km2);

D7C2: de omvang van elk habitattype dat schade is berokkend in vierkante kilometers (km2) of als deel (percentage) van de totale natuurlijke omvang van de habitat in het te beoordelen gebied.

Beschrijvend element 8

Concentraties van vervuilende stoffen zijn zodanig dat geen verontreinigingseffecten optreden

Relevante belastingen: de toevoer van andere stoffen (bv. synthetische stoffen, niet-synthetische stoffen of radionucliden)

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

1)

Binnen de kustwateren en de territoriale wateren:

a)

verontreinigende stoffen die zijn geselecteerd overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG:

i)

verontreinigende stoffen waarvoor een milieukwaliteitsnorm is vastgesteld in deel A van bijlage I bij Richtlijn 2008/105/EG;

ii)

stroomgebiedspecifieke verontreinigende stoffen krachtens bijlage VIII bij Richtlijn 2000/60/EG, in de kustwateren;

b)

bijkomende verontreinigende stoffen, indien van toepassing, zoals uit offshore bronnen, die nog niet onder a) zijn genoemd en die verontreinigingseffecten in de regio of de subregio kunnen veroorzaken. De lidstaten stellen de lijst van de verontreinigende stoffen vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

2)

Buiten de territoriale wateren:

a)

de onder punt 1 beschouwde verontreinigende stoffen, wanneer deze nog steeds verontreinigingseffecten kunnen veroorzaken;

b)

bijkomende verontreinigende stoffen, indien van toepassing, die nog niet in punt 2, onder a), zijn genoemd en die verontreinigingseffecten in de regio of de subregio kunnen veroorzaken. De lidstaten stellen de lijst van deze verontreinigende stoffen vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D8C1 — Primair:

Binnen de kustwateren en de territoriale wateren overschrijden de concentraties van verontreinigende stoffen de volgende drempelwaarden niet:

a)

voor de in punt 1, onder a), van de criteriumelementen vermelde verontreinigende stoffen, de waarden die zijn vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG;

b)

wanneer de onder a) bedoelde verontreinigende stoffen worden gemeten in een matrix waarvoor geen waarde is vastgesteld krachtens Richtlijn 2000/60/EG, de concentratie van deze verontreinigende stoffen in die matrix zoals door de lidstaten vastgesteld door middel van regionale of subregionale samenwerking;

c)

voor de bijkomende verontreinigende stoffen die zijn geselecteerd in punt 1, onder b), van de criteriumelementen, de concentraties voor een bepaalde matrix (water, sediment of biota) waardoor verontreinigingseffecten kunnen optreden. De lidstaten stellen deze concentraties vast door regionale of subregionale samenwerking, waarbij rekening wordt gehouden met de toepassing ervan binnen en buiten de kustwateren en de territoriale wateren.

Buiten de territoriale wateren overschrijden de concentraties van verontreinigende stoffen de volgende drempelwaarden niet:

a)

voor de verontreinigende stoffen die zijn geselecteerd in punt 2, onder a), van de criteriumelementen, de waarden die gelden binnen de kustwateren en de territoriale wateren;

b)

voor de verontreinigende stoffen die zijn geselecteerd in punt 2, onder b), van de criteriumelementen, de concentraties voor een bepaalde matrix (water, sediment of biota) waardoor verontreinigingseffecten kunnen optreden. De lidstaten stellen deze concentraties vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schaal voor de beoordeling:

binnen de kustwateren en de territoriale wateren, zoals gebruikt krachtens Richtlijn 2000/60/EG;

buiten de territoriale wateren, onderverdelingen van de regio of subregio, waar nodig gescheiden door nationale grenzen.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

a)

voor elke verontreinigende stof onder criterium D8C1, de concentratie ervan, de gebruikte matrix (water, sediment, biota), of de vastgestelde drempelwaarden zijn bereikt en het deel van de beoordeelde verontreinigende stoffen waarvoor de drempelwaarden zijn bereikt, met afzonderlijke vermelding van de stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige persistente, bioaccumuleerbare en toxische stoffen (uPBT's) als bedoeld in artikel 8 bis, lid 1, onder a), van Richtlijn 2008/105/EG;

b)

voor elke aan de hand van criterium D8C2 beoordeelde soort, een schatting van de dichtheid van de populatie ervan in het te beoordelen gebied die schade is berokkend;

c)

voor elke aan de hand van criterium D8C2 beoordeelde habitat, een schatting van de omvang in het te beoordelen gebied die schade is berokkend.

Het gebruik van criterium D8C2 bij de algehele beoordeling van de goede milieutoestand voor beschrijvend element 8 wordt op regionaal of subregionaal niveau overeengekomen.

De resultaten van de beoordeling van criterium D8C2 leveren een bijdrage aan de beoordelingen in het kader van de beschrijvende elementen 1 en 6, indien van toepassing.

Soorten en habitats die gevaar lopen door verontreinigende stoffen.

De lidstaten stellen deze lijst van soorten, en relevante te beoordelen weefsels, en habitats vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D8C2 — Secundair:

De gezondheid van de soorten en de toestand van de habitats (zoals de soortensamenstelling en de relatieve dichtheid ervan op plaatsen waar sprake is van chronische verontreiniging) worden niet geschaad door verontreinigende stoffen, met inbegrip van de cumulatieve en synergetische effecten.

De lidstaten stellen deze schadelijke effecten en de drempelwaarden ervan vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Significante ernstige verontreinigingen waarbij verontreinigende stoffen betrokken zijn, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (8), met inbegrip van ruwe olie en soortgelijke verbindingen.

D8C3 — Primair:

De ruimtelijke omvang en de duur van de significante ernstige verontreinigingen worden tot een minimum beperkt.

Schaal voor de beoordeling:

Regionaal of subregionaal niveau, waar nodig gescheiden door nationale grenzen.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

een schatting van de totale ruimtelijke omvang van de significante ernstige verontreinigingen en de spreiding en totale duur ervan voor elk jaar.

Dit criterium wordt gebruikt als een aanleiding voor de beoordeling van criterium D8C4.

Soorten van de soortengroepen, zoals vermeld in tabel 1 van deel II, en brede bentische habitattypen, zoals vermeld in tabel 2 van deel II.

D8C4 — Secundair (te gebruiken wanneer zich een significante ernstige verontreiniging heeft voorgedaan):

De schadelijke effecten van significante ernstige verontreinigingen op de gezondheid van soorten en op de toestand van habitats (zoals de soortensamenstelling en de relatieve dichtheid ervan) worden tot een minimum beperkt en indien mogelijk tot nul teruggebracht.

Schaal voor de beoordeling:

zoals gebruikt voor de beoordeling van de soortengroepen of brede bentische habitattypen onder de beschrijvende elementen 1 en 6.

Gebruik van de criteria:

De resultaten van de beoordeling van criterium D8C4 leveren, indien de cumulatieve ruimtelijke en temporele effecten significant zijn, een bijdrage aan de beoordelingen in het kader van de beschrijvende elementen 1 en 6 door het verschaffen van:

a)

een schatting van de dichtheid van elke soort die schade is berokkend;

b)

een schatting van de omvang van elk groot habitattype dat schade is berokkend.

Het gebruik van criterium D8C4 bij de algehele beoordeling van de goede milieutoestand voor beschrijvend element 8 wordt op regionaal of subregionaal niveau overeengekomen.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

Voor de criteriumelementen onder D8C1 is de selectie volgens punt 1, onder b), en punt 2, onder b), van bijkomende verontreinigende stoffen die verontreinigingseffecten kunnen veroorzaken, gebaseerd op een risicobeoordeling. Voor deze verontreinigende stoffen moeten de voor de beoordeling gebruikte matrix en drempelwaarden representatief zijn voor de gevoeligste soorten en de blootstellingsroute, met inbegrip van gevaren voor de menselijke gezondheid via blootstelling via de voedselketen.

2)

Voor de toepassing van dit besluit:

a)

criterium D8C1: voor de beoordeling van de verontreinigende stoffen in de kustwateren en de territoriale wateren monitoren de lidstaten de verontreinigende stoffen overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2000/60/EG en de beoordelingen krachtens die richtlijn worden gebruikt, indien deze beschikbaar zijn. Indien mogelijk wordt informatie verzameld over de routes (atmosferische, op het land of in de zee) van verontreinigende stoffen die het mariene milieu binnenkomen.

b)

de criteria D8C2 en D8C4: biomarkers of demografische kenmerken van de populatie (bv. vruchtbaarheid, overlevings- en sterftecijfers, en voortplantingsvermogen) kunnen relevant zijn voor de beoordeling van de effecten op de gezondheid.

c)

de criteria D8C3 en D8C4: voor de toepassing van dit besluit wordt zo nodig monitoring ingevoerd zodra de ernstige verontreiniging zich heeft voorgedaan; dit maakt geen deel uit van een regelmatig monitoringprogramma ingevolge artikel 11 van Richtlijn 2008/56/EG.

d)

criterium D8C3: de lidstaten stellen indien mogelijk de bron van de significante ernstige verontreinigingen vast. Hiertoe mogen zij gebruikmaken van het toezicht via satelliet van het Europees Agentschap voor maritieme veiligheid.

3)

Onder verontreinigende stoffen worden afzonderlijke stoffen of groepen van stoffen verstaan. Omwille van de consistentie van de verslaglegging wordt op het niveau van de Unie afgesproken hoe de stoffen worden gegroepeerd.

4)

Onder de soortensamenstelling wordt het laagste taxonomische niveau verstaan dat geschikt is voor de beoordeling.

Meeteenheden voor de criteria:

D8C1: de concentraties van verontreinigende stoffen in microgram per liter (μg/l) voor water, in microgram per kilogram (μg/kg) droog gewicht voor sediment en in microgram per kilogram (μg/kg) versgewicht voor biota;

D8C2: de dichtheid (aantal exemplaren of andere geschikte eenheden, zoals overeengekomen op regionaal of subregionaal niveau) per getroffen soort; de omvang in vierkante kilometers (km2) per getroffen groot habitattype;

D8C3: de duur in dagen en de ruimtelijke omvang in vierkante kilometers (km2) van significante ernstige verontreinigingen per jaar;

D8C4: de dichtheid (aantal exemplaren of andere geschikte eenheden, zoals overeengekomen op regionaal of subregionaal niveau) per getroffen soort; de omvang in vierkante kilometers (km2) per getroffen groot habitattype.

Beschrijvend element 9

Vervuilende stoffen in vis en andere visserijproducten voor menselijke consumptie overschrijden niet de grenzen die door wetgeving van de Unie of andere relevante normen zijn vastgesteld

Relevante belasting: de toevoer van gevaarlijke stoffen

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Verontreinigende stoffen zoals vermeld in Verordening (EG) nr. 1881/2006.

Voor de toepassing van dit besluit kunnen de lidstaten besluiten geen rekening te houden met de verontreinigende stoffen uit Verordening (EG) nr. 1881/2006 wanneer dit wordt gerechtvaardigd op basis van een risicobeoordeling.

De lidstaten kunnen bijkomende verontreinigende stoffen beoordelen die niet in Verordening (EG) nr. 1881/2006 zijn opgenomen. De lidstaten stellen een lijst van deze bijkomende verontreinigende stoffen vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

De lidstaten stellen de lijst van te beoordelen soorten en relevante weefsels vast overeenkomstig de in „specificaties” vastgelegde voorwaarden. Zij kunnen op regionaal of subregionaal niveau samenwerken om deze lijst van soorten en relevante weefsels vast te stellen.

D9C1 — Primair:

Het niveau van verontreinigende stoffen in eetbare weefsels (spieren, lever, hom, vlees of andere zachte stukken, al naargelang van toepassing) van visserijproducten (waaronder vissen, schaaldieren, weekdieren, stekelhuidigen, zeewieren en andere zeeplanten) die in de natuur gevangen of geoogst worden (met uitzondering van vis uit de maricultuur) is niet hoger dan:

a)

voor de in Verordening (EG) nr. 1881/2006 opgenomen verontreinigende stoffen, de in die verordening vastgestelde maximumgehalten, die de drempelwaarden voor de toepassing van dit besluit vormen;

b)

voor de bijkomende verontreinigende stoffen, die niet in Verordening (EG) nr. 1881/2006 zijn opgenomen, drempelwaarden die de lidstaten vaststellen door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schaal voor de beoordeling:

het vangst- of productiegebied overeenkomstig artikel 38 van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9).

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

voor elke verontreinigende stof de concentratie ervan in visserijproducten, de gebruikte matrix (soorten en weefsel), of de vastgestelde drempelwaarden zijn bereikt en het deel van de beoordeelde verontreinigende stoffen waarvoor de drempelwaarden zijn bereikt.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

Bij de vaststelling door de lidstaten van de lijst van onder D9C1 te gebruiken soorten, moeten de soorten:

a)

relevant zijn voor de betrokken mariene regio of subregio;

b)

onder het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1881/2006 vallen;

c)

geschikt zijn voor de verontreinigende stof die wordt beoordeeld;

d)

tot de meest geconsumeerde soorten in de lidstaat behoren of voor consumptie het meest gevangen of geoogst worden.

2)

Overschrijding van de voor een verontreinigende stof vastgestelde norm leidt tot daaropvolgende monitoring om de persistentie van de verontreiniging in het bemonsterde gebied en de bemonsterde soorten te bepalen. De monitoring wordt voortgezet totdat er voldoende bewijs is dat er geen risico op overschrijding is.

3)

Voor de toepassing van dit besluit wordt de bemonstering voor de beoordeling van de maximumgehalten aan verontreinigende stoffen uitgevoerd overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad (10) en Verordening (EU) nr. 589/2014 van de Commissie (11) en Verordening (EG) nr. 333/2007 van de Commissie (12).

4)

Binnen elke regio of subregio zorgen de lidstaten ervoor dat de temporele en geografische omvang van de bemonstering voldoende is om een representatief monster samen te stellen van de gespecificeerde verontreinigende stoffen in visserijproducten in de mariene regio of subregio.

Meeteenheden voor de criteria:

D9C1: de concentraties van verontreinigende stoffen in de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 1881/2006 aangegeven eenheden.

Beschrijvend element 10

De eigenschappen van, en de hoeveelheden zwerfvuil op zee veroorzaken geen schade aan het kust- en mariene milieu

Relevante belasting: de toevoer van afval

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Afval (met uitzondering van microafval), ingedeeld in de volgende categorieën (13) kunstmatige polymeren, rubber, doek/textiel, papier/karton, verwerkt/bewerkt hout, metaal, glas/keramiek, chemische stoffen, niet gedefinieerd, en voedselafval.

De lidstaten kunnen meer subcategorieën definiëren.

D10C1 — Primair:

De samenstelling, hoeveelheid en ruimtelijke spreiding van afval aan de kust, in de bovenlaag van de waterkolom en op de zeebodem, liggen op een niveau dat geen schade veroorzaakt aan het kust- en mariene milieu.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor deze niveaus vast door middel van samenwerking op het niveau van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken.

Schaal voor de beoordeling:

onderverdelingen van de regio of subregio, waar nodig gescheiden door nationale grenzen.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk afzonderlijk criterium voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

a)

de resultaten voor elk criterium (de hoeveelheid afval of microafval per categorie) en de spreiding ervan per onder D10C1 en D10C2 gebruikte matrix, en of de vastgestelde drempelwaarden zijn bereikt;

b)

de resultaten voor D10C3 (de hoeveelheid afval en microafval per categorie per soort) en of de vastgestelde drempelwaarden zijn bereikt.

Het gebruik van de criteria D10C1, D10C2 en D10C3 bij de algehele beoordeling van de goede milieutoestand voor beschrijvend element 10 wordt op het niveau van de Unie overeengekomen.

De resultaten van criterium D10C3 leveren ook een bijdrage aan de beoordelingen in het kader van beschrijvend element 1, indien van toepassing.

Microafval (deeltjes < 5 mm), ingedeeld in de categorieën „kunstmatige polymeren” en „overige”.

D10C2 — Primair:

De samenstelling, hoeveelheid en ruimtelijke spreiding van microafval aan de kustlijn, in de bovenlaag van de waterkolom en in het zeebodemsediment, liggen op een niveau dat geen schade veroorzaakt aan het kust- en mariene milieu.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor deze niveaus vast door middel van samenwerking op het niveau van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken.

Afval en microafval dat is ingedeeld in de categorieën „kunstmatige polymeren” en „overige”, beoordeeld in één of meerdere soorten uit de volgende groepen: vogels, zoogdieren, reptielen, vissen en ongewervelde dieren.

De lidstaten stellen deze lijst van te beoordelen soorten vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D10C3 — Secundair:

De hoeveelheid door zeedieren opgenomen afval en microafval ligt op een niveau dat niet schadelijk is voor de gezondheid van de betrokken soorten.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor deze niveaus vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Soorten vogels, zoogdieren, reptielen, vissen en ongewervelde dieren die gevaar lopen door afval.

De lidstaten stellen deze lijst van te beoordelen soorten vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D10C4 — Secundair:

Het aantal exemplaren van elke soort die schade ondervindt door afval, zoals door verstrikking, andere soorten verwondingen of sterfte, of gezondheidseffecten.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor de schadelijke effecten van afval vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schaal voor de beoordeling:

zoals gebruikt voor de beoordeling van de soortengroep onder beschrijvend element 1.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

voor elke aan de hand van criterium D10C4 beoordeelde soort, een schatting van het aantal exemplaren in het te beoordelen gebied dat schade ondervindt.

Het gebruik van criterium D10C4 bij de algehele beoordeling van de goede milieutoestand voor beschrijvend element 10 wordt op het niveau van de Unie overeengekomen.

De resultaten van dit criterium leveren ook een bijdrage aan de beoordelingen in het kader van beschrijvend element 1, indien van toepassing.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

Voor D10C1: afval wordt gemonitord aan de kust en kan daarnaast worden gemonitord in de bovenlaag van de waterkolom en op de zeebodem. Indien mogelijk wordt informatie verzameld over de bron en de route van het afval.

2)

Voor D10C2: microafval wordt gemonitord in de bovenlaag van de waterkolom en in het zeebodemsediment, en kan daarnaast worden gemonitord aan de kust. Indien mogelijk wordt microafval gemonitord op een wijze die in verband kan worden gebracht met puntbronnen voor de toevoer ervan (zoals havens, jachthavens, afvalwaterzuiveringsinstallaties, regenwaterafvoer).

3)

Voor D10C3 en D10C4: de monitoring kan gebaseerd zijn op incidentele voorvallen (bv. gestrande dode dieren, verstrikte dieren in broedkolonies, getroffen exemplaren per onderzoek).

Meeteenheden voor de criteria:

D10C1: de hoeveelheid afval per categorie in aantal stuks:

per 100 meter (m) aan de kust;

per vierkante kilometer (km2) voor de bovenlaag van de waterkolom en voor de zeebodem;

D10C2: de hoeveelheid microafval per categorie in aantal stuks en gewicht in grammen (g):

per vierkante meter (m2) voor de bovenlaag van de waterkolom;

per kilogram (droog gewicht) (kg) sediment voor de kust en voor de zeebodem;

D10C3: de hoeveelheid afval/microafval in grammen (g) en het aantal stuks per exemplaar voor elke soort in verhouding tot de grootte (gewicht of lengte, al naargelang van toepassing) van het bemonsterde exemplaar;

D10C4: het aantal getroffen exemplaren (dodelijk; subletaal) per soort.

Beschrijvend element 11

De toevoer van energie, waaronder onderwatergeluid, ligt op een niveau dat het mariene milieu geen schade berokkent

Relevante belastingen: de toevoer van antropogeen geluid; de toevoer van andere vormen van energie

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Antropogeen impulsief geluid in water.

D11C1 — Primair:

De ruimtelijke spreiding, de temporele omvang en het niveau van bronnen van antropogeen impulsief geluid zijn niet hoger dan de niveaus waarop populaties zeedieren schade wordt berokkend.

De lidstaten stellen drempelwaarden vast voor deze niveaus door middel van samenwerking op het niveau van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken.

Schaal voor de beoordeling:

regio, subregio of onderverdelingen daarvan.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

a)

voor D11C1, de duur van de bronnen van impulsief geluid per kalenderjaar, de spreiding ervan over het jaar en ruimtelijk binnen het te beoordelen gebied, en of de vastgestelde drempelwaarden zijn bereikt;

b)

voor D11C2, het jaarlijkse gemiddelde geluidsniveau, of een andere op regionaal of subregionaal niveau overeengekomen temporele meeteenheid, per oppervlakte-eenheid en de ruimtelijke spreiding ervan binnen het te beoordelen gebied, en de omvang (%, km2) van het te beoordelen gebied waarover de vastgestelde drempelwaarden zijn bereikt.

Het gebruik van de criteria D11C1 en D11C2 bij de beoordeling van de goede milieutoestand voor beschrijvend element 11 wordt op het niveau van de Unie overeengekomen.

De resultaten van deze criteria leveren ook een bijdrage aan de beoordelingen in het kader van beschrijvend element 1.

Antropogeen continu laagfrequent geluid in water.

D11C2 — Primair:

De ruimtelijke spreiding, de temporele omvang en het niveau van antropogeen continu laagfrequent geluid zijn niet hoger dan de niveaus waarop populaties zeedieren schade wordt berokkend.

De lidstaten stellen drempelwaarden vast voor deze niveaus door middel van samenwerking op het niveau van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

Voor de monitoring van D11C1:

a)

ruimtelijke resolutie: geografische locaties waarvan de vorm en oppervlakte moeten worden vastgesteld op regionaal of subregionaal niveau, op basis van bijvoorbeeld de in bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG genoemde activiteiten.

b)

impulsief geluid beschreven als het monopolair energetisch bronniveau („monopole energy source level”) in dB re 1μPa2 s of het nul tot piek monopolair bronniveau („monopole source level”) in dB re 1μPa m, beide gemeten over de frequentieband 10 Hz tot 10 kHz. De lidstaten kunnen andere specifieke bronnen met een hogere frequentieband in aanmerking nemen als effecten over langere afstand relevant worden geacht.

2)

Voor de monitoring van D11C2:

het jaarlijkse gemiddelde, of een andere op regionaal of subregionaal niveau overeengekomen meeteenheid, van de gekwadrateerde geluidsdruk in elk van twee „1/3-octaafbanden”, één gecentreerd op 63 Hz en de andere op 125 Hz, uitgedrukt als niveau in decibel in dB re 1μPa, met een geschikte ruimtelijke resolutie in verhouding tot de druk. Dit kan rechtstreeks worden gemeten of worden afgeleid uit een model dat wordt gebruikt voor de interpolatie of extrapolatie op basis van metingen. De lidstaten kunnen ook op regionaal of subregionaal niveau tot de monitoring van andere frequentiebanden besluiten.

Criteria in verband met andere vormen van energie-input (zoals thermische energie, elektromagnetische velden en licht) en criteria in verband met de milieueffecten van lawaai worden nog steeds verder ontwikkeld.

Meeteenheden voor de criteria:

D11C1: Aantal dagen per kwartaal (of per maand, indien van toepassing) met bronnen van impulsief geluid; het deel (percentage) van oppervlakte-eenheden of omvang in vierkante kilometers (km2) van het te beoordelen gebied met bronnen van impulsief geluid per jaar;

D11C2: Jaarlijks gemiddelde (of een andere temporele meeteenheid) van het continue geluidsniveau per oppervlakte-eenheid; het deel (percentage) of de omvang in vierkante kilometers (km2) van het te beoordelen gebied met geluidsniveaus die de drempelwaarden overschrijden.

DEEL II

Criteria, methodologische standaarden, specificaties en gestandaardiseerde methoden voor de monitoring en beoordeling van de essentiële kenmerken en eigenschappen en de huidige milieutoestand van de mariene wateren krachtens artikel 8, lid 1, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG

Deel II gaat over de beschrijvende elementen die verband houden met de relevante ecosysteemelementen: soortengroepen vogels, zoogdieren, reptielen, vissen en koppotigen (beschrijvend element 1), pelagische habitats (beschrijvend element 1), bentische habitats (de beschrijvende elementen 1 en 6) en ecosystemen, met inbegrip van voedselketens (de beschrijvende elementen 1 en 4), zoals vermeld in bijlage III bij Richtlijn 2008/56/EG (14).

Onderwerp

Soortengroepen vogels, zoogdieren, reptielen, vissen en koppotigen (met betrekking tot beschrijvend element 1)

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Soorten vogels, zoogdieren, reptielen en niet-commercieel geëxploiteerde soorten vis en koppotigen, die gevaar lopen door incidentele bijvangst in de regio of subregio.

De lidstaten stellen deze lijst van soorten vast door middel van regionale of subregionale samenwerking, overeenkomstig de verplichtingen van artikel 25, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voor activiteiten in verband met gegevensverzameling en rekening houdend met de lijst van soorten in tabel 1D in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1251 van de Commissie (15).

D1C1 — Primair:

Het sterftecijfer per soort als gevolg van incidentele bijvangst is lager dan het niveau waarop de soort wordt bedreigd, zodat de levensvatbaarheid van de soort op lange termijn is gegarandeerd.

De lidstaten stellen de drempelwaarden voor het sterftecijfer als gevolg van incidentele bijvangst per soort vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schaal voor de beoordeling:

zoals gebruikt voor de beoordeling van de desbetreffende soorten of soortengroepen onder de criteria D1C2-D1C5.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied als volgt uitgedrukt:

het sterftecijfer per soort en of hierdoor de vastgestelde drempelwaarde is bereikt.

Dit criterium levert een bijdrage aan de beoordeling van de betrokken soorten in het kader van criterium D1C2.

Soortengroepen, zoals vermeld in tabel 1 en indien aanwezig in de regio of subregio.

De lidstaten stellen een reeks representatieve soorten van elke soortengroep vast, die worden geselecteerd overeenkomstig de criteria in „specificaties voor de selectie van soorten en habitats”, door middel van regionale of subregionale samenwerking. Hiertoe behoren onder meer de in bijlage II bij Richtlijn 92/43/EEG opgenomen zoogdieren en reptielen en mogelijk andere soorten, zoals die welke zijn opgenomen in de wetgeving van de Unie (andere bijlagen bij Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG of door Verordening (EU) nr. 1380/2013) en internationale overeenkomsten zoals de regionale zeeverdragen.

D1C2 — Primair:

De populatiedichtheid van de soort wordt niet geschaad door antropogene belastingen, zodat de levensvatbaarheid van de soort op lange termijn is gegarandeerd.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor elke soort vast door middel van regionale of subregionale samenwerking, waarbij rekening wordt gehouden met de natuurlijke variatie in de populatiegrootte en de sterftecijfers uit D1C1, D8C4 en D10C4 en andere relevante belastingen. Voor soorten die onder Richtlijn 92/43/EEG vallen, moeten deze waarden in overeenstemming zijn met de door de betrokken lidstaten ingevolge Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde gunstige referentiewaarden voor de populatiegrootte.

Schaal voor de beoordeling:

Voor elke soortengroep wordt een ecologisch relevante schaal gebruikt, en wel als volgt:

voor diepduikende tandwalvissen, baardwalvissen, diepzeevissen: regio;

voor vogels, kleine tandwalvissen, pelagische en demersale vissoorten: regio of onderverdelingen daarvan voor de Oostzee en de Zwarte Zee; subregio voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee;

voor zeehonden en robben, schildpadden, koppotigen: regio of onderverdelingen daarvan voor de Oostzee; subregio voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee;

voor kustgebonden vissoorten: onderverdeling van de regio of subregio;

voor commercieel geëxploiteerde soorten vis en koppotigen: zoals gebruikt onder beschrijvend element 3.

Gebruik van de criteria:

De toestand van elke soort wordt afzonderlijk op basis van de geselecteerde criteria beoordeeld, en de resultaten hiervan worden gebruikt om de mate waarin de goede milieutoestand is bereikt voor elke soortengroep voor elk beoordeeld gebied uit te drukken, en wel als volgt:

a)

de beoordelingen leveren voor elk gebruikt criterium per soort de waarde(n) op en of hierdoor de vastgestelde drempelwaarden worden bereikt;

b)

de algemene toestand van de soorten die onder Richtlijn 92/43/EEG vallen, wordt bepaald met behulp van de in die richtlijn vastgestelde methode. De algemene toestand van commercieel geëxploiteerde soorten wordt beoordeeld in het kader van beschrijvend element 3. Voor andere soorten wordt de algemene toestand bepaald met behulp van een op het niveau van de Unie overeengekomen methode, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken;

c)

de algemene toestand van de soortengroep, met behulp van een op het niveau van de Unie overeengekomen methode, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken.

D1C3 — Primair voor commercieel geëxploiteerde soorten vis en koppotigen en secundair voor andere soorten:

De demografische kenmerken van de populatie (bv. omvang van het lichaam of leeftijdsstructuur, genderratio, vruchtbaarheid en overlevingscijfers) van de soorten duiden op een gezonde populatie die niet wordt geschaad door antropogene belastingen.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor gespecificeerde kenmerken van elke soort vast door middel van regionale of subregionale samenwerking, waarbij rekening wordt gehouden met de schadelijke effecten op hun gezondheid die zijn afgeleid uit D8C2, D8C4 en andere relevante belastingen.

D1C4 — Primair voor de soorten die onder de bijlagen II, IV of V bij Richtlijn 92/43/EEG vallen en secundair voor andere soorten:

Het verspreidingsgebied en, indien van toepassing, het verspreidingspatroon van de soorten is in overeenstemming met de heersende fysiografische, geografische en klimatologische omstandigheden.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor elke soort vast door middel van regionale of subregionale samenwerking. Voor de soorten die onder Richtlijn 92/43/EEG vallen, moeten deze waarden in overeenstemming zijn met de door de betrokken lidstaten ingevolge Richtlijn 92/43/EEG vastgestelde gunstige referentiewaarden voor het verspreidingsgebied.

D1C5 — Primair voor de soorten die onder de bijlagen II, IV en V bij Richtlijn 92/43/EEG vallen en secundair voor andere soorten:

De omvang en toestand van de habitat van de soort zijn geschikt voor de ondersteuning van de verschillende fasen van de levenscyclus van de soort.

Criteriumelement

Tabel 1

Soortengroepen  (16)

Ecosysteemcomponent

Soortengroep

Vogels

Weidevogels

Waadvogels

Vogels die aan het wateroppervlak foerageren

Vogels die zich voeden met pelagisch voedsel

Vogels die zich voeden met bentisch voedsel

Zoogdieren

Kleine tandwalvissen

Diepduikende tandwalvissen

Baardwalvissen

Zeehonden, robben

Reptielen

Schildpadden

Vissen

Kustgebonden vissoorten

Pelagische vissoorten

Demersale vissoorten

Diepzeevissen

Koppotigen

Kust-/platgebonden koppotigen

Diepzeekoppotigen

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor de monitoring en evaluatie met betrekking tot het onderwerp „soortengroepen zeevogels, zoogdieren, reptielen, vissen en koppotigen”

1)

Voor D1C1 worden gegevens per soort per visserijmetier verstrekt voor elk ICES-gebied of elk geografisch deelgebied van de GFCM of visgebied van de FAO voor de biogeografische regio Macaronesië, zodat deze op de voor de betrokken soort relevante schaal kunnen worden geaggregeerd en om na te gaan welke specifieke visserijtakken en welk vistuig tot de meeste incidentele vangsten van elke soort leiden.

2)

„Kustgebied” wordt beschouwd op basis van fysieke, hydrologische en ecologische parameters en is niet beperkt tot kustwateren zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG.

3)

Soorten kunnen, indien van toepassing, worden beoordeeld op populatieniveau.

4)

Indien mogelijk worden de beoordelingen in het kader van Richtlijn 92/43/EEG, Richtlijn 2009/147/EG en Verordening (EU) nr. 1380/2013 gebruikt voor de toepassing van dit besluit:

a)

voor vogels komen de criteria D1C2 en D1C4 overeen met de criteria inzake „populatiegrootte” en „kaart van de broedgebieden en omvang van het verspreidingsgebied” van Richtlijn 2009/147/EG;

b)

voor zoogdieren, reptielen en niet-commerciële soorten vis zijn de criteria gelijk aan die welke in het kader van Richtlijn 92/43/EEG worden gebruikt, en wel als volgt: D1C2 en D1C3 komen overeen met „populatie”, D1C4 komt overeen met „verspreidingsgebied” en D1C5 komt overeen met „habitat van de soort”;

c)

voor commercieel geëxploiteerde soorten vis en koppotigen worden de beoordelingen in het kader van beschrijvend element 3 gebruikt ten behoeve van beschrijvend element 1, waarbij criterium D3C2 wordt gebruikt voor D1C2 en criterium D3C3 voor D1C3.

5)

De beoordelingen van de schadelijke effecten van belastingen in het kader van de criteria D1C1, D2C3, D3C1, D8C2, D8C4 en D10C4, en de beoordelingen van de belastingen in het kader van de criteria D9C1, D10C3, D11C1 en D11C2 worden in aanmerking genomen bij de beoordelingen van soorten in het kader van beschrijvend element 1.

Meeteenheden voor de criteria:

D1C2: de dichtheid (aantal exemplaren of biomassa in tonnen (t)) per soort.

Onderwerp

Pelagische habitats (met betrekking tot beschrijvend element 1)

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Brede pelagische habitattypen (variabel zoutgehalte (17), kustgebied, plat en oceanisch plat/voorbij het plat), indien aanwezig in de regio of subregio, en andere habitattypen zoals gedefinieerd in de tweede alinea.

De lidstaten kunnen, door middel van regionale of subregionale samenwerking, bijkomende habitattypen selecteren overeenkomstig de criteria in „specificaties voor de selectie van soorten en habitats”.

D1C6 — Primair:

De toestand van het habitattype, met inbegrip van de biotische en abiotische structuur en de functies ervan (bv. de kenmerkende soortensamenstelling ervan en hun relatieve dichtheid, het niet-voorkomen van bijzonder gevoelige of kwetsbare soorten of soorten die een essentiële functie hebben, de groottesamenstelling van soorten), wordt geen schade berokkend door antropogene belastingen.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor de toestand van elk habitattype vast, waarbij wordt gezorgd voor verenigbaarheid met de in het kader van de beschrijvende elementen 2, 5 en 8 vastgestelde gerelateerde waarden, door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schaal voor de beoordeling:

onderverdeling van regio of subregio zoals gebruikt voor de beoordelingen van brede bentische habitattypen, waarin de biogeografische verschillen in de soortensamenstelling van het habitattype tot uiting komen.

Gebruik van de criteria:

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied uitgedrukt als:

a)

een schatting van het deel en de omvang van elk beoordeeld habitattype waarvoor de vastgestelde drempelwaarde is bereikt;

b)

een lijst van brede habitattypen in het te beoordelen gebied die niet werden beoordeeld.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling met betrekking tot het onderwerp „pelagische habitats”

1.

„Kustgebied” wordt beschouwd op basis van fysieke, hydrologische en ecologische parameters en is niet beperkt tot kustwateren zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG.

2.

De beoordelingen van de schadelijke effecten van belastingen, onder meer in het kader van D2C3, D5C2, D5C3, D5C4, D7C1, D8C2 en D8C4, worden in aanmerking genomen bij de beoordeling van de pelagische habitats in het kader van beschrijvend element 1.

Meeteenheden voor de criteria:

D1C6: de omvang van de beschadigde habitats in vierkante kilometers (km2) en als deel (percentage) van de totale omvang van het habitattype.

Onderwerp

Bentische habitats (met betrekking tot de beschrijvende elementen 1 en 6)

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Zie deel I van deze bijlage voor de criteria D6C1, D6C2 en D6C3.

Brede bentische habitattypen zoals vermeld in tabel 2 en indien aanwezig in de regio of subregio, en andere habitattypen zoals gedefinieerd in de tweede alinea.

De lidstaten kunnen, door middel van regionale of subregionale samenwerking, bijkomende habitattypen selecteren overeenkomstig de criteria in „specificaties voor de selectie van soorten en habitats”, waartoe habitattypen kunnen behoren die zijn opgenomen in Richtlijn 92/43/EEG of internationale overeenkomsten zoals de regionale zeeverdragen, ten behoeve van:

a)

de beoordeling van elk breed habitattype aan de hand van criterium D6C5;

b)

de beoordeling van deze habitattypen.

Eén enkele reeks habitattypen dient voor de beoordeling van zowel bentische habitats in het kader van beschrijvend element 1 als de integriteit van de zeebodem in het kader van beschrijvend element 6.

D6C4 — Primair:

De omvang van het verlies van het habitattype, als gevolg van antropogene belastingen, is niet groter dan een vastgesteld deel van de natuurlijke omvang van het habitattype in het te beoordelen gebied.

De lidstaten stellen de maximaal toegestane omvang van het verlies van habitats vast als deel van de totale natuurlijke omvang van het habitattype, door middel van samenwerking op het niveau van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken.

Schaal voor de beoordeling:

onderverdeling van regio of subregio, waarin de biogeografische verschillen in de soortensamenstelling van het brede habitattype tot uiting komen.

Gebruik van de criteria:

één enkele beoordeling per habitattype, aan de hand van de criteria D6C4 en D6C5, dient voor de beoordeling van zowel bentische habitats in het kader van beschrijvend element 1 als de integriteit van de zeebodem in het kader van beschrijvend element 6.

De mate waarin de goede milieutoestand is bereikt, wordt voor elk beoordeeld gebied uitgedrukt als:

a)

voor D6C4, een schatting van het deel en de omvang van het verlies per habitattype en of hierdoor de vastgestelde waarde voor de omvang is bereikt;

b)

voor D6C5, een schatting van het deel en de omvang van de schadelijke effecten, met inbegrip van het verloren gegane deel uit punt a, per habitattype en of hierdoor de vastgestelde waarde voor de omvang is bereikt;

c)

de algemene toestand van het habitattype, met behulp van een op het niveau van de Unie overeengekomen methode op basis van de punten a en b, en een lijst van brede habitattypen in het te beoordelen gebied die niet werden beoordeeld.

D6C5 — Primair:

De omvang van de schadelijke effecten van antropogene belastingen op de toestand van het habitattype, met inbegrip van wijziging van de biotische en abiotische structuur en de functies ervan (bv. de kenmerkende soortensamenstelling ervan en hun relatieve dichtheid, het niet-voorkomen van bijzonder gevoelige of kwetsbare soorten of soorten die een essentiële functie hebben, de groottesamenstelling van soorten), is niet groter dan een vastgesteld deel van de natuurlijke omvang van het habitattype in het te beoordelen gebied.

De lidstaten stellen drempelwaarden voor de schadelijke effecten op de toestand van elk habitattype vast, waarbij wordt gezorgd voor verenigbaarheid met de in het kader van de beschrijvende elementen 2, 5, 6, 7 en 8 vastgestelde gerelateerde waarden, door middel van samenwerking op het niveau van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken.

De lidstaten stellen de maximaal toegestane omvang van deze schadelijke effecten vast als deel van de totale natuurlijke omvang van het habitattype, door middel van samenwerking op het niveau van de Unie, waarbij rekening wordt gehouden met de regionale of subregionale specifieke kenmerken.

Criteriumelement

Tabel 2

Brede bentische habitattypen, met inbegrip van de daarbij behorende biologische gemeenschappen (relevant voor de criteria onder de beschrijvende elementen 1 en 6), die overeenkomen met een of meer habitattypen van de habitatclassificatie van het Europees natuurinformatiesysteem (EUNIS)  (18) . Actualiseringen van de typologie van het EUNIS worden weerspiegeld in de brede habitattypen die worden gebruikt voor de toepassing van Richtlijn 2008/56/EG en van dit besluit.

Ecosysteemcomponent

Breed habitattype

Relevante EUNIS-habitatcode (versie 2016)

Bentische habitats

Litoraal gesteente en biogene riffen

MA1, MA2

Litoraal sediment

MA3, MA4, MA5, MA6

Infralitoraal gesteente en biogene riffen

MB1, MB2

Infralitoraal grof sediment

MB3

Infralitoraal gemengd sediment

MB4

Infralitoraal zand

MB5

Infralitorale modder

MB6

Circalitoraal gesteente en biogene riffen

MC1, MC2

Circalitoraal grof sediment

MC3

Circalitoraal gemengd sediment

MC4

Circalitoraal zand

MC5

Circalitorale modder

MC6

Circalitoraal gesteente en biogene riffen in zee

MD1, MD2

Circalitoraal grof sediment in zee

MD3

Circalitoraal gemengd sediment in zee

MD4

Circalitoraal zand in zee

MD5

Circalitorale modder in zee

MD6

Gesteente en biogene riffen in het bovenste deel van de bathyale zone (19)

ME1, ME2

Sediment in het bovenste deel van de bathyale zone

ME3, ME4, ME5, ME6

Gesteente en biogene riffen in het onderste deel van de bathyale zone

MF1, MF2

Sediment in het onderste deel van de bathyale zone

MF3, MF4, MF5, MF6

Diepzee

MG1, MG2, MG3, MG4, MG5, MG6

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling met betrekking tot het onderwerp „bentische habitats”

1.

De toestand van elk habitattype wordt indien mogelijk beoordeeld met behulp van beoordelingen (bijvoorbeeld van subtypen van de brede habitattypen) ingevolge Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2000/60/EG.

2.

Bij de beoordeling van criterium D6C4 wordt gebruikgemaakt van de beoordeling in het kader van criterium D6C1.

3.

De criteria D6C4 en D6C5 komen overeen met de criteria inzake „verspreidingsgebied/oppervlakte van het habitattype binnen het verspreidingsgebied” en „specifieke structuren en functies” van Richtlijn 92/43/EEG.

4.

Voor D6C5 worden de beoordelingen van de schadelijke effecten van belastingen, onder meer in het kader van de criteria D2C3, D3C1, D3C2, D3C3, D5C4, D5C5, D5C6, D5C7, D5C8, D6C3, D7C2, D8C2 en D8C4, in aanmerking genomen.

5.

Voor D6C5 wordt onder de soortensamenstelling het laagste taxonomische niveau verstaan dat geschikt is voor de beoordeling.

Meeteenheden voor de criteria:

D6C4: de omvang van het verlies van habitats in vierkante kilometers (km2) en als deel (percentage) van de totale omvang van het habitattype;

D6C5: de omvang van de beschadigde habitats in vierkante kilometers (km2) en als deel (percentage) van de totale omvang van het habitattype.

Specificaties voor de selectie van soorten en habitats in het kader van de onderwerpen „soortengroepen zeevogels, zoogdieren, reptielen, vissen en koppotigen”, „pelagische habitats” en „bentische habitats”

De selectie van de soorten en habitats die aan de soortengroepen en brede pelagische en bentische habitattypen moeten worden toegewezen, geschiedt op basis van het volgende:

1)

wetenschappelijke criteria (ecologisch belang):

a)

representatief voor de ecosysteemcomponent (soortengroep of breed habitattype) en voor de werking van het ecosysteem (bv. de connectiviteit tussen habitats en populaties, de volledigheid en integriteit van essentiële habitats), relevant voor de beoordeling van de toestand/effecten, zoals het hebben van een belangrijke functionele rol binnen de component (bv. hoge of specifieke biodiversiteit, productiviteit, trofisch verband, specifieke hulpbron of dienst) of bepaalde levenscycluskenmerken (leeftijd en omvang bij de voortplanting, levensduur, trekeigenschappen);

b)

van belang voor de beoordeling van een belangrijke antropogene belasting waaraan de ecosysteemcomponent wordt blootgesteld, gevoelig voor de belasting en eraan blootgesteld (kwetsbaar) in het te beoordelen gebied;

c)

in voldoende aantallen of mate aanwezig in het te beoordelen gebied om een geschikte indicator voor de beoordeling te kunnen uitwerken;

d)

de reeks geselecteerde soorten of habitats bestrijkt, voor zover mogelijk, het gehele spectrum van ecologische functies van de ecosysteemcomponent en de overheersende belastingen waaraan de component wordt blootgesteld;

e)

indien soorten van soortengroepen nauw verbonden zijn met een bepaald breed habitattype, dan kunnen deze voor monitoring- en beoordelingsdoeleinden in dat habitattype worden meegenomen; in dergelijke gevallen worden de soorten niet meegenomen bij de beoordeling van de soortengroep.

2)

aanvullende praktische criteria (die niet in de plaats treden van de wetenschappelijke criteria):

a)

monitoring/technische haalbaarheid;

b)

monitoringkosten;

c)

adequate tijdreeksen van de gegevens.

De representatieve reeks van te beoordelen soorten en habitats is waarschijnlijk kenmerkend voor de regio of subregio, hoewel bepaalde soorten in meerdere regio's of subregio's kunnen voorkomen.

Onderwerp

Ecosystemen, met inbegrip van voedselketens (met betrekking tot de beschrijvende elementen 1 en 4)

Criteria, met inbegrip van de criteriumelementen, en methodologische standaarden

Criteriumelement

Criterium

Methodologische standaard

Trofische gilden van een ecosysteem.

De lidstaten stellen de lijst van trofische gilden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D4C1 — Primair:

De diversiteit (soortensamenstelling en hun relatieve dichtheid) van het trofische gilde wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

De lidstaten stellen drempelwaarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Schaal voor de beoordeling:

regionaal niveau voor de Oostzee en de Zwarte Zee; subregionaal niveau voor het noordoostelijk deel van de Atlantische Oceaan en de Middellandse Zee.

Indien van toepassing mogen onderverdelingen worden gebruikt.

Gebruik van de criteria:

Indien de waarden niet binnen de drempelwaarden vallen, kan hierdoor verder onderzoek ontstaan om inzicht te krijgen in de oorzaken van de overschrijding.

D4C2 — Primair:

Het evenwicht van de totale dichtheid tussen de trofische gilden wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

De lidstaten stellen drempelwaarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D4C3 — Secundair:

De grootteverdeling van de exemplaren in het trofische gilde wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

De lidstaten stellen drempelwaarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

D4C4 — Secundair (indien nodig te gebruiken ter ondersteuning van criterium D4C2):

De productiviteit van het trofische gilde wordt niet geschaad door antropogene belastingen.

De lidstaten stellen drempelwaarden vast door middel van regionale of subregionale samenwerking.

Specificaties en gestandaardiseerde methoden voor monitoring en beoordeling

1)

Onder de soortensamenstelling wordt het laagste taxonomische niveau verstaan dat geschikt is voor de beoordeling.

2)

Bij de selectie van de trofische gilden onder de criteriumelementen moet rekening worden gehouden met de ICES-lijst van trofische gilden (20) en moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

a)

er moeten ten minste drie trofische gilden zijn geselecteerd;

b)

twee van de trofische gilden betreffen geen vissoorten;

c)

ten minste een van de trofische gilden is een primaire producent;

d)

bij voorkeur zijn ten minste de top, het midden en de onderkant van de voedselketen vertegenwoordigd.

Meeteenheden:

D4C2: de totale dichtheid (aantal exemplaren of biomassa in tonnen (t)) van alle soorten binnen het trofische gilde.


(1)  Wanneer in dit besluit naar een „beschrijvend element” wordt verwezen, wordt verwezen naar de relevante kwalitatief beschrijvende elementen voor de vaststelling van de goede milieutoestand, zoals aangegeven in de genummerde punten in bijlage I bij Richtlijn 2008/56/EG.

(2)  D3C2 en D3C3 zijn toestandgebaseerde criteria voor commercieel geëxploiteerde soorten vis en schaal- en schelpdieren, maar zijn omwille van de duidelijkheid opgenomen in deel I.

(3)  D3C3 kan mogelijk niet worden gebruikt voor de toetsing in 2018 van de initiële beoordeling en vaststelling van de goede milieutoestand ingevolge artikel 17, lid 2, onder a), van Richtlijn 2008/56/EG.

(4)  Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 60 van 5.3.2008, blz. 1).

(5)  Richtsnoeren die zijn gepubliceerd in het kader van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie voor Richtlijn 2000/60/EG kunnen relevant zijn voor deze beoordeling (bv. „nr. 13 — Overall Approach to the Classification of Ecological Status and Ecological Potential” en „nr. 23 — Eutrophication Assessment in the Context of European Water Policies”).

(6)  Besluit 2013/480/EU van de Commissie van 20 september 2013 tot vaststelling van de indelingswaarden voor de monitoringsystemen van de lidstaten die het resultaat zijn van de interkalibratie, overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van Beschikking 2008/915/EG (PB L 266 van 8.10.2013, blz. 1).

(7)  Fysiek verlies wordt opgevat als in punt 3 van de specificaties onder beschrijvend element 6.

(8)  Richtlijn 2005/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 inzake verontreiniging vanaf schepen en de invoering van sancties, met inbegrip van strafrechtelijke sancties, voor verontreinigingsdelicten (PB L 255 van 30.9.2005, blz. 11).

(9)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(10)  Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) nr. 589/2014 van de Commissie van 2 juni 2014 tot vaststelling van bemonsterings- en analysemethoden voor de controle op het gehalte aan dioxinen en dioxineachtige en niet-dioxineachtige pcb's in bepaalde levensmiddelen en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 252/2012 (PB L 164 van 3.6.2014, blz. 18).

(12)  Verordening (EG) nr. 333/2007 van de Commissie van 28 maart 2007 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan lood, cadmium, kwik, anorganisch tin, 3-MCPD en benzo(a)pyreen in levensmiddelen (PB L 88 van 29.3.2007, blz. 29).

(13)  Dit zijn de categorieën van „niveau 1 — materiaal” van de groslijst van categorieën zwerfafval uit de „Guidance on Monitoring of marine litter in European seas” van het Gemeenschappelijk Centrum voor Onderzoek (2013, ISBN 978-92-79-32709-4). In de groslijst wordt aangegeven wat onder de respectieve categorieën valt; zo heeft „chemische stoffen” betrekking op paraffine, was, olie en teer.

(14)  Verordening (EG) nr. 199/2008 kan worden gebruikt voor de verzameling van relevante gegevens op visserijgebied in het kader van de beschrijvende elementen 1, 4 en 6.

(15)  Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1251 van de Commissie van 12 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenprogramma van de Unie voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserij- en de aquacultuursector voor de periode 2017-2019 (PB L 207 van 1.8.2016, blz. 113).

(16)  Relevante gegevens op visserijgebied moeten worden gebruikt op grond van Verordening (EG) nr. 199/2008.

(17)  In aanmerking genomen voor situaties waarin de estuariene pluimen zich verder uitstrekken dan de wateren die als overgangswater worden aangemerkt in het kader van Richtlijn 2000/60/EG.

(18)  Evans, D. (2016). „Revising the marine section of the EUNIS Habitat classification” — Verslag van een workshop bij het Europees Thematisch Centrum voor biodiversiteit, 12 en 13 mei 2016. ETC/BD werkdocument nr. A/2016.

(19)  Voor zover niet specifiek gedefinieerd in de EUNIS-classificatie, kan de grens tussen het bovenste en het onderste deel van de bathyale zone worden vastgesteld op een specifieke diepte.

(20)  Advies van de ICES (2015) boek 1, speciaal advies van de ICES, gepubliceerd op 20 maart 2015.


Rectificaties

18.5.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 125/75


Rectificatie van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1011 van de Commissie van 24 april 2015 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 273/2004 van het Europees Parlement en de Raad inzake drugsprecursoren en Verordening (EG) nr. 111/2005 van de Raad houdende voorschriften voor het toezicht op de handel tussen de Unie en derde landen in drugsprecursoren, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1277/2005 van de Commissie

( Publicatieblad van de Europese Unie L 162 van 27 juni 2015 )

Bladzijde 15, artikel 3, lid 9, tweede alinea, onder i):

in plaats van:

„de datum waarop de geldigheid verstrijkt, indien er overeenkomstig artikel 3, lid 6, van deze verordening of overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 273/2004 een geldigheidsduur is bepaald;”,

lezen:

„de datum waarop de geldigheid verstrijkt, indien er overeenkomstig artikel 3, lid 7, van deze verordening of overeenkomstig artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 273/2004 een geldigheidsduur is bepaald;”.