ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 12

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

60e jaargang
17 januari 2017


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2017/75 van de Raad van 21 november 2016 betreffende de ondertekening, namens de Unie en haar lidstaten, en de voorlopige toepassing van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

1

 

 

Protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds en Bosnië en Herzegovina, anderzijds om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

3

 

*

Besluit (Euratom) 2017/76 van de Raad van 21 november 2016 tot goedkeuring van de sluiting door de Europese Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

22

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/77 van de Raad van 16 januari 2017 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

24

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/78 van de Commissie van 15 juli 2016 tot vaststelling van administratieve bepalingen voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen daarvan betreft, en voor uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens van gebruikers van dergelijke systemen ( 1 )

26

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79 van de Commissie van 12 september 2016 tot vaststelling van gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen, op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden, evenals onderdelen daarvan, en tot aanvulling en wijziging van Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vrijstellingen en de toepasselijke normen ( 1 )

44

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/80 van de Commissie van 16 januari 2017 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 329/2007 van de Raad betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Volksrepubliek Korea

86

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/81 van de Commissie van 16 januari 2017 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

88

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (GBVB) 2017/82 van de Raad van 16 januari 2017 tot wijziging van Besluit (GBVB) 2016/849 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

90

 

*

Besluit (GBVB) 2017/83 van de Raad van 16 januari 2017 tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

92

 

 

AANBEVELINGEN

 

*

Aanbeveling (EU) 2017/84 van de Commissie van 16 januari 2017 inzake de controle van koolwaterstoffen uit minerale oliën in levensmiddelen en in materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen ( 1 )

95

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst.

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/1


BESLUIT (EU) 2017/75 VAN DE RAAD

van 21 november 2016

betreffende de ondertekening, namens de Unie en haar lidstaten, en de voorlopige toepassing van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 217, in samenhang met artikel 218, lid 5, en artikel 218, lid 8, tweede alinea,

Gezien de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië, en met name artikel 6, lid 2, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds („de SAO”) (1), is op 16 juni 2008 ondertekend en op 1 juni 2015 in werking getreden.

(2)

De Republiek Kroatië is op 1 juli 2013 toegetreden tot de Unie.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, tweede alinea, van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie van 2012, dient de toetreding van Kroatië tot de SAO te worden geregeld door de sluiting van een protocol bij de SAO door de Raad, handelend met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en het betrokken derde land.

(4)

Op 24 september 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om, namens de Unie en haar lidstaten en de Republiek Kroatië, onderhandelingen te openen met Bosnië en Herzegovina over de aanpassing van gesloten of ondertekende overeenkomsten tussen de Unie of de Unie en haar lidstaten, met een of meer derde landen of internationale organisaties, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie.

(5)

Die onderhandelingen werden succesvol afgerond en het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie („het protocol”) werd geparafeerd op 18 juli 2016.

(6)

Het protocol dient te worden ondertekend, namens de Unie en haar lidstaten, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later tijdstip.

(7)

De sluiting van het protocol is onderworpen aan een afzonderlijke procedure voor kwesties die onder de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie ressorteren.

(8)

Het protocol dient voorlopig te worden toegepast, in afwachting van de voltooiing van de voor de sluiting ervan vereiste procedures,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Namens de Unie en haar lidstaten wordt machtiging verleend voor de ondertekening van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, onder voorbehoud van de sluiting van dat protocol.

De tekst van het protocol is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) het protocol namens de Unie en haar lidstaten te ondertekenen.

Artikel 3

Het protocol wordt overeenkomstig artikel 8, lid 2, ervan voorlopig toegepast, met ingang van de eerste dag van de tweede maand die volgt op de datum van ondertekening ervan (2), in afwachting van de voltooiing van de voor de sluiting ervan vereiste procedures.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 21 november 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

P. PLAVČAN


(1)   PB L 164 van 30.6.2015, blz. 2.

(2)  De datum vanaf welke het protocol voorlopig wordt toegepast, zal door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie worden bekendgemaakt.


17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/3


PROTOCOL

bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds en Bosnië en Herzegovina, anderzijds om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

HET KONINKRIJK BELGIË,

DE REPUBLIEK BULGARIJE,

DE TSJECHISCHE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK DENEMARKEN,

DE BONDSREPUBLIEK DUITSLAND,

DE REPUBLIEK ESTLAND,

IERLAND,

DE HELLEENSE REPUBLIEK,

HET KONINKRIJK SPANJE,

DE FRANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK KROATIË,

DE ITALIAANSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK CYPRUS,

DE REPUBLIEK LETLAND,

DE REPUBLIEK LITOUWEN,

HET GROOTHERTOGDOM LUXEMBURG,

HONGARIJE,

DE REPUBLIEK MALTA,

HET KONINKRIJK DER NEDERLANDEN,

DE REPUBLIEK OOSTENRIJK,

DE REPUBLIEK POLEN,

DE PORTUGESE REPUBLIEK,

ROEMENIË,

DE REPUBLIEK SLOVENIË,

DE SLOWAAKSE REPUBLIEK,

DE REPUBLIEK FINLAND,

HET KONINKRIJK ZWEDEN,

HET VERENIGD KONINKRIJK VAN GROOT-BRITTANNIË EN NOORD-IERLAND,

Verdragsluitende partijen bij het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, hierna „de lidstaten” genoemd, en

DE EUROPESE UNIE en DE EUROPESE GEMEENSCHAP VOOR ATOOMENERGIE,

hierna „de Europese Unie” genoemd,

enerzijds, en

BOSNIË EN HERZEGOVINA,

anderzijds,

Gezien de toetreding van de Republiek Kroatië (hierna „Kroatië” genoemd) tot de Europese Unie op 1 juli 2013,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De interimovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, is op 16 juni 2008 te Luxemburg ondertekend en was van kracht van 1 juli 2008 tot en met 31 mei 2015.

(2)

Het Verdrag betreffende de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie (hierna „het Toetredingsverdrag” genoemd) is op 9 december 2011 in Brussel ondertekend.

(3)

Kroatië is op 1 juli 2013 tot de Europese Unie toegetreden.

(4)

De stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds (hierna „de SAO” genoemd), is op 16 juni 2008 te Luxemburg ondertekend en op 1 juni 2015 in werking getreden.

(5)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van Kroatië wordt de toetreding van Kroatië tot de SAO geregeld door sluiting van een protocol bij de SAO.

(6)

Overeenkomstig artikel 37, lid 3, van de SAO heeft overleg plaatsgevonden om ervoor te zorgen dat rekening wordt gehouden met de in die overeenkomst bedoelde wederzijdse belangen van de Europese Unie en Bosnië en Herzegovina,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

DEEL I

OVEREENKOMSTSLUITENDE PARTIJEN

Artikel 1

Kroatië wordt partij bij de SAO die op 16 juni 2008 in Luxemburg is ondertekend, en dient, op dezelfde wijze als de andere lidstaten van de Europese Unie, de tekst van de SAO en die van de gemeenschappelijke verklaringen en de unilaterale verklaringen die aan de op diezelfde datum ondertekende slotakte zijn gehecht, goed te keuren dan wel er nota van te nemen.

DEEL II

AANPASSINGEN VAN DE TEKST VAN DE SAO EN DE BIJLAGEN EN PROTOCOLLEN DAARBIJ

LANDBOUWPRODUCTEN

Artikel 2

Landbouwproducten in strikte zin

1.   In artikel 27, lid 3, van de SAO wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Vanaf de datum waarop het protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie in werking treedt of, indien dat protocol voorlopig wordt toegepast, vanaf de datum waarop het protocol voorlopig van toepassing wordt, worden de jaarlijkse tariefcontingenten die zijn vermeld in de eerste alinea, vastgesteld op 13 210 ton (nettogewicht).”.

2.   In artikel 27 van de SAO wordt het volgende lid ingevoegd:

„4 bis.   Ter aanvulling op lid 4 schaffen Bosnië en Herzegovina, vanaf de datum waarop het protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie in werking treedt of, indien dat protocol voorlopig wordt toegepast, vanaf de datum waarop het protocol voorlopig van toepassing wordt, de douanerechten af die van toepassing zijn op de invoer van bepaalde landbouwproducten van oorsprong uit de Europese Unie, als vermeld in bijlage III f, binnen de grenzen van de tariefcontingenten die voor de betrokken producten zijn vermeld.”.

3.   Bijlage I bij dit protocol wordt als bijlage III f bij de SAO ingevoegd.

Artikel 3

Vis en visserijproducten

1.   In artikel 28 van de SAO wordt het volgende lid ingevoegd:

„1 bis.   Vanaf de datum waarop het protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie in werking treedt of, indien dat protocol voorlopig wordt toegepast, vanaf de datum waarop het protocol voorlopig van toepassing wordt, schaft de Unie alle douanerechten en maatregelen van gelijke werking op de niet in bijlage IV a vermelde vis en visserijproducten van oorsprong uit Bosnië en Herzegovina af. Op de in bijlage IV a vermelde producten zijn de daarin opgenomen bepalingen van toepassing.”.

2.   In artikel 28 van de SAO wordt het volgende lid toegevoegd:

„3.   Vanaf de datum waarop het protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie in werking treedt of, indien dat protocol voorlopig wordt toegepast, vanaf de datum waarop het protocol voorlopig van toepassing wordt, openen Bosnië en Herzegovina een rechtenvrij tariefcontingent voor de invoer van levende karper van de GN-code 0301 93 00 binnen een jaarlijks tariefcontingent van 75 ton. Voor invoer buiten het vastgestelde contingent gelden de in bijlage V bij de SAO vermelde invoerrechten.”.

3.   Bijlage II bij dit protocol wordt als bijlage IV a bij de SAO ingevoegd.

Artikel 4

Bewerkte landbouwproducten

Bijlage III bij dit protocol wordt als bijlage III bij protocol 1 bij de SAO gevoegd.

Artikel 5

Wijnovereenkomst

Vanaf de datum waarop het protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie in werking treedt of, indien dat protocol voorlopig wordt toegepast, vanaf de datum waarop het protocol voorlopig van toepassing wordt, wordt bijlage I bij protocol 7 van de SOA, bedoeld in artikel 27, lid 5, van de SAO, gewijzigd als vermeld in bijlage IV bij dit protocol.

DEEL III

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 6

Dit protocol en de bijlagen erbij vormen een integrerend onderdeel van de SAO.

Artikel 7

1.   Dit protocol wordt door de Europese Unie en haar lidstaten en door Bosnië en Herzegovina volgens hun eigen procedures goedgekeurd.

2.   De partijen stellen elkaar in kennis van de voltooiing van de in lid 1 bedoelde procedures. De akten van goedkeuring worden neergelegd bij het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.

Artikel 8

1.   Dit protocol treedt in werking op de eerste dag van de eerste maand volgende op de datum waarop de laatste akte van goedkeuring is neergelegd.

2.   Indien niet alle akten van goedkeuring van dit protocol voor de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van ondertekening zijn neergelegd, is dit protocol voorlopig van toepassing. De datum van voorlopige toepassing wordt de eerste dag van de tweede maand volgende op de datum van ondertekening.

Artikel 9

Dit protocol is opgesteld in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Kroatische, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse, de Bosnische en Servische taal, waarbij alle teksten gelijkelijk authentiek zijn.

Съставено в Брюксел на петнадесети декември през две хиляди и шестнадесета година.

Hecho en Bruselas, el quince de diciembre de dos mil dieciséis.

V Bruselu dne patnáctého prosince dva tisíce šestnáct.

Udfærdiget i Bruxelles den femtende december to tusind og seksten.

Geschehen zu Brüssel am fünfzehnten Dezember zweitausendsechzehn.

Kahe tuhande kuueteistkümnenda aasta detsembrikuu viieteistkümnendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις δέκα πέντε Δεκεμβρίου δύο χιλιάδες δεκαέξι.

Done at Brussels on the fifteenth day of December in the year two thousand and sixteen.

Fait à Bruxelles, le quinze décembre deux mille seize.

Sastavljeno u Bruxellesu petnaestog prosinca godine dvije tisuće šesnaeste.

Fatto a Bruxelles, addì quindici dicembre duemilasedici.

Briselē, divi tūkstoši sešpadsmitā gada piecpadsmitajā decembrī.

Priimta du tūkstančiai šešioliktų metų gruodžio penkioliktą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizenhatodik év december havának tizenötödik napján.

Magħmul fi Brussell, fil-ħmistax-il jum ta’ Diċembru fis-sena elfejn u sittax.

Gedaan te Brussel, vijftien december tweeduizend zestien.

Sporządzono w Brukseli dnia piętnastego grudnia roku dwa tysiące szesnastego.

Feito em Bruxelas, em quinze de dezembro de dois mil e dezasseis.

Întocmit la Bruxelles la cincisprezece decembrie două mii șaisprezece.

V Bruseli pätnásteho decembra dvetisícšestnásť.

V Bruslju, dne petnajstega decembra leta dva tisoč šestnajst.

Tehty Brysselissä viidentenätoista päivänä joulukuuta vuonna kaksituhattakuusitoista.

Som skedde i Bryssel den femtonde december år tjugohundrasexton.

Sačinjeno u Briselu, dana petnaestog decembra dvije hiljade šesnaeste godine.

Састављено у Бриселу, дана петнаестог децембра двије хиљаде шеснаесте године.

За Европейския съюз

Рог la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Za Europsku uniju

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Za Europsku uniju

За Европску унију

Image 1

За държавите-членки

Por los Estados miembros

Za členské státy

For medlemsstaterne

Für die Mitgliedstaaten

Liikmesriikide nimel

Για τα κράτη μέλη

For the Member States

Pour les États membres

Za države članice

Per gli Stati membri

Dalībvalstu vārdā –

Valstybių narių vardu

A tagállamok részéről

Għall-Istati Membri

Voor de lidstaten

W imieniu Państw Członkowskich

Pelos Estados-Membros

Pentru statele membre

Za členské štáty

Za države članice

Jäsenvaltioiden puolesta

För medlemsstaterna

Za države članice

За државе чланице

Image 2

За Европейската общност за атомна енергия

Por la Comunidad Europea de la Energía Atómica

Za Evropské společenství pro atomovou energii

For Det Europæiske Atomenergifællesskab

Für die Europäische Atomgemeinschaft

Euroopa Aatomienergiaühenduse nimel

Για την Ευρωπαϊκή Κοινότητα Ατομικής Ενέργειας

For the European Atomic Energy Community

Pour la Communauté européenne de l'énergie atomique

Za Europsku zajednicu za atomsku energiju

Per la Comunità europea dell'energia atomica

Eiropas Atomenerģijas Kopienas vārdā –

Europos atominės energijos bendrijos vardu

Az Európai Atomenergia-közösség részéről

F'isem il-Komunità Ewropea tal-Enerġija Atomika

Voor de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie

W imieniu Europejskiej Wspólnoty Energii Atomowej

Pela Comunidade Europeia da Energia Atómica

Pentru Comunitatea Europeană a Energiei Atomice

Za Európske spoločenstvo pre atómovú energiu

Za Evropsko skupnost za atomsko energijo

Euroopan atomienergiajärjestön puolesta

För Europeiska atomenergigemenskapen

Za Evropsku Zajednicu za Atomsku Energiju

За Европску заједницу за атомску енергију

Image 3

За Босна и Херцеговина

Por Bosnia y Herzegovina

Za Bosnu a Hercegovinu

For Bosnien-Hercegovina

Für Bosnien und Herzegowina

Bosnia ja Hertsegoviina nimel

Για τη Βοσνία-Ερζεγοβίνη

For Bosnia and Herzegovina

Pour la Bosnie et Herzégovine

Za Bosnu i Hercegovinu

Per la Bosnia-Erzegovina

Bosnijos ir Hercegovinos vardu

Bosnijas un Hercegovinas vārdā –

Bosznia és Hercegovina részéről

Għall-Bożnja u Ħerzegovina

Voor Bosnië en Herzegovina

W imieniu Bośni i Hercegowiny

Pela Bósnia e Herzegovina

Pentru Bosnia și Herțegovina

Za Bosnu a Hercegovinu

Za Bosno in Hercegovino

Bosnia ja Hertsegovinan puolesta

För Bosnien och Hercegovina

Za Bosnu i Hercegovinu

За Босну и Херцеговину

Image 4


BIJLAGE I

„BIJLAGE III f

Tariefconcessies van Bosnië en Herzegovina voor primaire landbouwproducten van oorsprong uit de Europese Unie

(zoals bedoeld in artikel 27, lid 4 bis)

1.

Vanaf de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie worden de rechten voor onderstaande producten afgeschaft, binnen de hieronder aangegeven tariefcontingenten. Voor de invoer buiten het contingent is het meestbegunstigingsrecht van toepassing. In het jaar 2017 is het volledige contingent van toepassing, ongeacht de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol.

GN-code

Omschrijving

Tariefcontingent (ton)

0102

Levende runderen:

 

 

Rundvee:

 

0102 29

– –

andere:

 

 

– – –

andere:

 

 

– – – –

met een gewicht van meer dan 300 kg:

 

 

– – – – –

Koeien:

 

0102 29 61

– – – – – –

bestemd voor de slacht

1 935

 

– – – – –

andere:

 

0102 29 91

– – – – – –

bestemd voor de slacht

190

0103

Levende varkens:

 

 

andere:

 

0103 92

– –

met een gewicht van 50 kg of meer:

 

 

– – –

huisdieren:

 

0103 92 11

– – – –

zeugen die ten minste eenmaal gebigd hebben, met een gewicht van 160 kg of meer

575

0103 92 19

– – – –

andere

1 755

0103 92 90

– – –

andere

195

0105

Levend pluimvee (hanen, kippen, eenden, ganzen, kalkoenen en parelhoenders):

 

 

andere:

 

0105 94 00

– –

Hanen en kippen

1 455

0207

Vlees en eetbare slachtafvallen van pluimvee (bedoeld bij post 0105 ), vers, gekoeld of bevroren:

 

 

van hanen of van kippen:

 

0207 12

– –

niet in stukken gesneden, bevroren::

 

0207 12 90

– – –

geplukt, schoongemaakt, zonder kop, zonder hals, zonder poten, zonder hart, zonder lever en zonder spiermaag (zogenaamde kippen 65 %), of in andere staat aangeboden

80

0207 13

– –

delen en slachtafvallen, vers of gekoeld

 

 

– – –

delen:

 

0207 13 10

– – – –

zonder been

90

 

– – – –

met been

 

0207 13 30

– – – – –

hele vleugels, ook indien zonder spits

55

0207 13 60

– – – – –

dijen en delen daarvan

320

 

– – –

slachtafvallen:

 

0207 13 99

– – – –

andere

25

0207 14

– –

delen en slachtafvallen, bevroren::

 

 

– – –

delen:

 

 

– – – –

met been:

 

0207 14 20

– – – – –

helften en kwarten

30

0207 14 60

– – – – –

dijen en delen daarvan

130

 

– – –

Slachtafvallen:

 

0207 14 99

– – – –

andere

50

0401

Melk en room, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

 

0401 40

met een vetgehalte van meer dan 6 doch niet meer dan 10 gewichtspercenten

 

0401 40 10

– –

in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 2 liter

80

0401 50

met een vetgehalte van meer dan 10 gewichtspercenten:

 

 

– –

met een vetgehalte van niet meer dan 21 gewichtspercenten

 

0401 50 11

– – –

in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 2 liter

30

0402

Melk en room, ingedikt of met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

 

 

in poeder, in korrels of in andere vaste vorm, met een vetgehalte van meer dan 1,5 gewichtspercent:

 

0402 21

– –

zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

 

 

– – –

met een vetgehalte van niet meer dan 27 gewichtspercenten:

 

0402 21 18

– – – –

andere

25

0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

0403 90

andere:

 

 

– –

niet gearomatiseerd noch met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

– – –

andere:

 

 

– – – –

zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen en met een vetgehalte:

 

0403 90 51

– – – – –

van niet meer dan 3 gewichtspercenten

500

0403 90 53

– – – – –

van meer dan 3 doch niet meer dan 6 gewichtspercenten

290

0405

Boter en andere van melk afkomstige vetstoffen; zuivelpasta's:

 

0405 10

boter:

 

 

– –

met een vetgehalte van niet meer dan 85 gewichtspercenten:

 

 

– – –

natuurlijke boter:

 

0405 10 11

– – – –

in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 1 kg

160

0405 10 19

– – – –

andere

200

0406

Kaas en wrongel:

 

0406 10

verse (niet gerijpte) kaas, weikaas daaronder begrepen, en wrongel

 

 

– –

met een vetgehalte van niet meer dan 40 gewichtspercenten:

 

0406 10 30

– – –

Mozzarella, ook indien in een vloeistof

355

0406 10 50

– – –

andere

0406 10 80

– –

andere

165

0409 00 00

Natuurhoning

165

0701

Aardappelen, vers of gekoeld:

 

0701 90

andere:

 

 

– –

andere:

 

0701 90 50

– – –

nieuwe aardappelen (primeurs), van 1 januari tot en met 30 juni

50

0701 90 90

– – –

andere

1 265

0704

Rodekool, wittekool, bloemkool, spruitjes, koolrabi, boerenkool en dergelijke eetbare kool van het geslacht Brassica, vers of gekoeld:

 

0704 90

andere:

 

0704 90 10

– –

wittekool en rodekool

280

0706

Wortelen, rapen, kroten, schorseneren, knolselderij, radijs en dergelijke eetbare wortelen en knollen, vers of gekoeld:

 

0706 10 00

wortelen en rapen

50

0806

Druiven, rozijnen en krenten:

 

0806 10

vers:

 

0806 10 10

– –

voor tafelgebruik

45

0809

Abrikozen, kersen, perziken (nectarines daaronder begrepen), pruimen en sleepruimen, vers:

 

 

kersen:

 

0809 21 00

– –

zure kersen (Prunus cerasus)

410

0811

Vruchten, ook indien gestoomd of in water gekookt, bevroren, al dan niet met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

 

0811 90

andere:

 

 

– –

andere:

 

 

– – –

kersen:

 

0811 90 75

– – – –

zure keren (Prunus cerasus)

70

1601

Worst van alle soorten, van vlees, van slachtafvallen of van bloed; bereidingen van deze producten, voor menselijke consumptie:

 

 

andere:

 

1601 00 91

– –

gedroogde worst en smeerworst, niet gekookt en niet gebakken

285

1602

Andere bereidingen en conserven, van vlees, van slachtafvallen of van bloed:

 

1602 10 00

gehomogeniseerde bereidingen

75

1602 20

van levers van dieren van alle soorten:

 

1602 20 90

– –

andere

140

 

van pluimvee bedoeld bij post 0105 :

 

1602 31

– –

van kalkoenen:

 

 

– – –

57 of meer gewichtspercenten vlees of slachtafvallen, van pluimvee, bevattend:

 

1602 31 19

– – – –

andere

40

1602 32

– –

van hanen of van kippen

 

 

van varkens:

 

 

– – –

57 of meer gewichtspercenten vlees of slachtafvallen, van pluimvee, bevattend:

 

1602 32 11

– – – –

niet gekookt en niet gebakken

130

1602 32 19

– – – –

andere

30

1602 32 30

– – –

25 of meer doch minder dan 57 gewichtspercenten vlees of slachtafvallen, van pluimvee, bevattend

170

1602 32 90

– – –

andere

230

1602 41

– –

hammen en delen daarvan:

 

1602 41 10

– – –

van varkens (huisdieren)

360

1602 49

– –

andere, mengsels daaronder begrepen:

 

 

– – –

van varkens (huisdieren):

 

 

– – – –

80 of meer gewichtspercenten vlees of slachtafvallen, ongeacht van welke soort, spek en vet, ongeacht van welke aard of herkomst daaronder begrepen, bevattend:

 

1602 49 15

– – – – –

andere mengsels die ham, schouder, karbonadestreng of halskarbonade, alsmede delen daarvan bevatten

150

1602 49 30

– – – –

40 of meer doch minder dan 80 gewichtspercenten vlees of slachtafvallen, ongeacht van welke soort, spek en vet ongeacht van welke aard of herkomst daaronder begrepen, bevattend

445

1602 49 50

– – – –

minder dan 40 gewichtspercenten vlees of slachtafvallen, ongeacht van welke soort, spek en vet ongeacht van welke aard of herkomst daaronder begrepen, bevattend

60

1602 50

van runderen:

 

 

– –

andere:

 

1602 50 31

– – –

corned beef in luchtdichte verpakkingen

70

1602 50 95

– – –

andere

295

1701

Rietsuiker en beetwortelsuiker, alsmede chemisch zuivere sacharose, in vaste vorm:

 

 

andere:

 

1701 91 00

– –

gearomatiseerd of met toegevoegde kleurstoffen

55

1701 99

– –

andere:

 

1701 99 10

– – –

witte suiker

3 470

2001

Groenten, vruchten en andere eetbare plantendelen, bereid of verduurzaamd in azijn of azijnzuur:

 

2001 10 00

komkommers en augurken

265

2001 90

andere:

 

2001 90 70

– –

niet-scherpsmakende pepers

70

2005

Andere groenten, op andere wijze bereid of verduurzaamd dan in azijn of azijnzuur, niet bevroren, andere dan de producten bedoeld bij post 2006 :

 

 

andere groenten en mengsels van groenten:

 

2005 99

– –

andere:

 

2005 99 50

– – –

mengsels van groenten

245

2005 99 60

– – –

zuurkool

40

2.

Bij invoer in Bosnië en Herzegovina van de volgende producten gelden de hierna aangegeven concessies. Voor de invoer buiten het contingent is het meestbegunstigingsrecht van toepassing. In het jaar 2017 is het volledige contingent van toepassing, ongeacht de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol.

GN-code

Omschrijving

Tariefcontingent (ton)

Met ingang van 1.1.2017

Met ingang van 1.1.2018

Met ingang van 1.1.2019

0401

Melk en room, niet ingedikt, zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen:

 

 

 

0401 20

met een vetgehalte van meer dan 1 doch niet meer dan 6 gewichtspercenten:

 

 

 

 

– –

met een vetgehalte van niet meer dan 3 gewichtspercenten:

 

 

 

0401 20 11

– – –

in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 2 liter

5 432

9 506

13 580

 

– –

met een vetgehalte van meer dan 3 gewichtspercenten:

 

 

 

0401 20 91

– – –

in verpakkingen met een netto-inhoud per onmiddellijke verpakking van niet meer dan 2 liter

720

1 440

1 440

0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

 

0403 10

yoghurt:

 

 

 

 

– –

niet gearomatiseerd noch met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

 

 

– – –

zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen en met een vetgehalte:

 

 

 

0403 10 11

– – – –

van niet meer dan 3 gewichtspercenten

1 515

3 030

3 030

0403 10 13

– – – –

van meer dan 3 doch niet meer dan 6 gewichtspercenten

1 520

3 040

3 040

0403 90

andere:

 

 

 

 

– –

niet gearomatiseerd noch met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

 

 

– – –

andere:

 

 

 

 

– – – –

zonder toegevoegde suiker of andere zoetstoffen en met een vetgehalte:

 

 

 

0403 90 59

– – – – –

van meer dan 6 gewichtspercenten:

1 762,5

3 525

3 525

1601

Worst van alle soorten, van vlees, van slachtafvallen of van bloed; bereidingen van deze producten, voor menselijke consumptie:

 

 

 

 

andere:

 

 

 

1601 00 99

– –

andere

1 692,5

3 385

3 385 ”


BIJLAGE II

„BIJLAGE IV a

Rechten van toepassing op goederen van oorsprong uit Bosnië en Herzegovina bij invoer in de Europese Unie

(zoals bedoeld in artikel 28, lid 1 bis)

1.

Vanaf de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie gelden bij invoer van producten uit Bosnië en Herzegovina in de Europese Unie de hierna aangegeven concessies. In het jaar 2017 is het volledige contingent van toepassing, ongeacht de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol.

GN-code

Omschrijving

Tariefcontingent (ton)

Tarief binnen het contingent

Tarief buiten het contingent

0301 91 10

0301 91 90

0302 11 10

0302 11 20

0302 11 80

0303 14 10

0303 14 20

0303 14 90

0304 42 10

0304 42 50

0304 42 90

ex 0304 52 00

0304 82 10

0304 82 50

0304 82 90

ex 0304 99 21

ex 0305 10 00

ex 0305 39 90

0305 43 00

ex 0305 59 85

ex 0305 69 80

Forel (Salmo trutta, Oncorhynchus mykiss, Oncorhynchus clarki, Oncorhynchus aguabonita, Oncorhynchus gilae, Oncorhynchus apache en Oncorhynchus chrysogaster): levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

500

0 %

70 % van meestbegunstigingsrecht

0301 93 00

0302 73 00

0303 25 00

ex 0304 39 00

ex 0304 51 00

ex 0304 69 00

ex 0304 93 90

ex 0305 10 00

ex 0305 31 00

ex 0305 44 90

ex 0305 52 00

ex 0305 69 80

Karper (Cyprinus spp., Carassius spp., Ctenopharyngodon idellus, Hypophthalmichthys spp., Cirrhinus spp., Mylopharyngodon piceus, Catla catla, Labeo spp., Osteochilus hasselti, Leptobarbus hoeveni, Megalobrama spp): levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

140

0 %

70 % van meestbegunstigingsrecht

ex 0301 99 85

0302 85 10

0303 89 50

ex 0304 49 90

ex 0304 59 90

ex 0304 89 90

ex 0304 99 99

ex 0305 10 00

ex 0305 39 90

ex 0305 49 80

ex 0305 59 85

ex 0305 69 80

Zeebrasem (Dentex dentex en Pagellus spp.): levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

30

0 %

30 % van meestbegunstigingsrecht

ex 0301 99 85

0302 84 10

0303 84 10

ex 0304 49 90

ex 0304 59 90

ex 0304 89 90

ex 0304 99 99

ex 0305 10 00

ex 0305 39 90

ex 0305 49 80

ex 0305 59 85

ex 0305 69 80

Europese zeebaars (Dicentrarchus labrax): levend; vers of gekoeld; bevroren; gedroogd, gezouten of gepekeld, gerookt; filets en ander visvlees; meel, poeder en pellets, geschikt voor menselijke consumptie

30

0 %

30 % van meestbegunstigingsrecht

1604 13 11

1604 13 19

ex 1604 20 50

Bereidingen en conserven van sardines

50

6 %

100 %

1604 16 00

1604 20 40

Bereidingen en conserven van ansjovis

70

12,5 %

100 %

2.

Het toepasselijke recht op alle producten van GS-code 1604, behalve voor bereidingen en conserven van sardines en bereidingen en conserven van ansjovis, wordt verlaagd tot 70 % van het meestbegunstigingsrecht.”

BIJLAGE III

„BIJLAGE III BIJ PROTOCOL 1

Tariefconcessies van Bosnië en Herzegovina voor bewerkte landbouwproducten van oorsprong uit de Europese Unie

(zoals bedoeld in artikel 25 van de SAO)

Vanaf de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol om rekening te houden met de toetreding van Kroatië tot de Europese Unie worden de invoerrechten afgeschaft, binnen de hieronder aangegeven tariefcontingenten. Voor de invoer buiten het contingent is het meestbegunstigingsrecht van toepassing. In het jaar 2017 is het volledige contingent van toepassing, ongeacht de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol.

GN-code

Omschrijving

Tariefcontingent (ton)

0403

Karnemelk, gestremde melk en room, yoghurt, kefir en andere gegiste of aangezuurde melk en room, ook indien ingedikt, met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

0403 10

yoghurt:

 

 

– –

gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao::

 

 

– – –

andere, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen:

 

0403 10 91

– – – –

van niet meer dan 3 gewichtspercenten

480

0403 10 93

– – – –

van meer dan 3 doch niet meer dan 6 gewichtspercenten

130

0403 10 99

– – – –

van niet meer dan 6 gewichtspercenten

25

0403 90

andere:

 

 

– –

gearomatiseerd of met toegevoegde vruchten of cacao:

 

 

– – –

andere, met een gehalte aan van melk afkomstige vetstoffen:

 

0403 90 91

– – – –

van niet meer dan 3 gewichtspercenten

530

0403 90 93

– – – –

van meer dan 3 doch niet meer dan 6 gewichtspercenten

55

1905

Brood, gebak, biscuits en andere bakkerswaren, ook indien deze producten cacao bevatten; ouwel in bladen, hosties, ouwels voor geneesmiddelen, plakouwels en dergelijke producten van meel of van zetmeel:

 

 

koekjes en biscuits, gezoet; wafels en wafeltjes:

 

1905 31

– –

koekjes en biscuits:

 

 

– – –

geheel of gedeeltelijk bedekt met chocolade of met andere bereidingen die cacao bevatten:

 

1905 31 19

– – – –

andere

365

 

– – –

andere:

 

 

– – – –

andere:

 

1905 31 99

– – – – –

andere

600

1905 32

– –

Wafels en wafeltjes:

 

 

– – –

andere:

 

 

– – – –

geheel of gedeeltelijk bedekt met chocolade of met andere bereidingen die cacao bevatten:

 

1905 32 19

– – – – –

andere

300

1905 90

andere:

 

 

– –

andere:

 

1905 90 45

– – –

koekjes en biscuits

35

2208

geheel of gedeeltelijk bedekt met chocolade of met andere bereidingen die cacao bevatten

 

2208 20

dranken, gedistilleerd uit wijn of druivenmoer:

 

 

– –

in verpakkingen inhoudende niet meer dan 2 liter:

 

2208 20 29

– – –

andere:

 

ex 2208 20 29

– – – –

druivenbrandewijn en brandewijn uit druivenmoer

85

ex 2208 20 29

– – – –

andere

2402

Sigaren, cigarillo's en sigaretten, van tabak of van tabakssurrogaten:

 

2402 20

sigaretten, tabak bevattend:

 

2402 20 90

– –

andere

3 200 ”


BIJLAGE IV

„WIJZIGINGEN VAN BIJLAGE I BIJ PROTOCOL 7

1.   

De tabel in punt 1 van bijlage I bij protocol 7 betreffende de invoer van wijn in de Europese Unie, wordt vervangen door de onderstaande tabel:

GN-code

Omschrijving (overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van protocol 7

Toepasselijk recht

Hoeveelheid

(hl)

Bijzondere bepalingen

ex 2204 10

Mousserende kwaliteitswijn

vrijstelling

25 500

 (1)

ex 2204 21

Wijn van verse druiven

ex 2204 22

ex 2204 29

Wijn van verse druiven

vrijstelling

15 100

 (1)

2.   

De tabel in punt 3 van bijlage I bij protocol 7 betreffende de invoer van wijn in Bosnië en Herzegovina, wordt vervangen door de onderstaande tabel:

Code van het douanetarief van Bosnië en Herzegovina

Omschrijving (overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder a), van protocol 7)

Toepasselijk recht

Hoeveelheden met ingang van 1.1.2017

(hl)

Hoeveelheden met ingang van 1.1.2018

(hl)

Bijzondere bepalingen

ex 2204 10

Mousserende kwaliteitswijn

vrijstelling

13 765

19 530

 (2)

ex 2204 21

Wijn van verse druiven


(1)  Op verzoek van een van de overeenkomstsluitende partijen kan overleg worden gevoerd om de contingenten aan te passen door hoeveelheden van het contingent voor de posten ex 2204 22 en ex 2204 29 over te hevelen naar de contingenten voor de posten ex 2204 10 en ex 2204 21. In het jaar 2017 is het volledige contingent van toepassing, ongeacht de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol.

(2)  In het jaar 2017 is het volledige contingent van toepassing, ongeacht de datum van inwerkingtreding of voorlopige toepassing van het protocol.”


17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/22


BESLUIT (Euratom) 2017/76 VAN DE RAAD

van 21 november 2016

tot goedkeuring van de sluiting door de Europese Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 101, tweede alinea,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds („de SAO”) (1), is op 16 juni 2008 ondertekend en op 1 juni 2015 in werking getreden.

(2)

De Republiek Kroatië is op 1 juli 2013 toegetreden tot de Unie.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, tweede alinea, van de Akte betreffende de voorwaarden voor de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie van 2012, dient de toetreding van Kroatië tot de SAO te worden geregeld door de sluiting van een protocol bij de SAO door de Raad, handelend met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en het betrokken derde land.

(4)

Op 24 september 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met Bosnië en Herzegovina met het oog op de sluiting van een protocol bij de SAO.

(5)

Deze onderhandelingen werden succesvol afgerond en het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (het „protocol”) werd geparafeerd op 18 juli 2016.

(6)

Het protocol betreft ook kwesties die tot de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie behoren.

(7)

De sluiting van het protocol door de Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, dient te worden goedgekeurd met betrekking tot de kwesties die tot de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie behoren.

(8)

De ondertekening en de sluiting van het protocol zijn onderworpen aan een afzonderlijke procedure voor kwesties die onder het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie vallen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De sluiting door de Europese Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het protocol bij de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en Bosnië en Herzegovina, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (2), wordt goedgekeurd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 21 november 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

P. PLAVČAN


(1)   PB L 164 van 30.6.2015, blz. 2.

(2)  Zie bladzijde 3 van dit Publicatieblad.


VERORDENINGEN

17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/24


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/77 VAN DE RAAD

van 16 januari 2017

tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 961/2010 (1), en met name artikel 46, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 23 maart 2012 heeft de Raad Verordening (EU) nr. 267/2012 vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig Besluit (GBVB) 2017/83 (2) van de Raad moeten verscheidene entiteiten worden geschrapt van de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012.

(3)

Naar aanleiding van de arresten van het Gerecht in zaken T-182/13 (3), T-433/13 (4), T-158/13 (5), T-5/13 (6) en T-45/14 (7) worden Moallem Insurance Company, Petropars Operation & Management Company, Petropars Resources Engineering Ltd, Iran Aluminium Company, Iran Liquefied Natural Gas Co., Hanseatic Trade Trust & Shipping (HTTS) GmbH en Naser Bateni niet opgenomen in de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012.

(4)

Naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in zaak C-200/13 P (8) wordt Bank Saderat Iran niet opgenomen in de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012. Ten gevolge daarvan en met het oog op de rechtszekerheid moet de vermelding met betrekking tot Bank Saderat PLC (London) in die bijlage worden geschrapt.

(5)

Verordening (EU) nr. 267/2012 dient dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012 wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de datum na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 januari 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)   PB L 88 van 24.3.2012, blz. 1.

(2)  Besluit (GBVB) 2017/83 van 16 januari 2017 tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (zie bladzijde 92 van dit Publicatieblad).

(3)  Arrest van het Gerecht van 10 juli 2014, Moallem Insurance Co./Raad van de Europese Unie, T-182/13, ECLI:EU:T:2014:624.

(4)  Arrest van het Gerecht van 5 mei 2015, Petropars Iran Co. e.a./Raad van de Europese Unie, T-433/13, ECLI:EU:T:2015:255.

(5)  Arrest van het Gerecht van 15 september 2015, Iranian Aluminium Co. (Iralco)/Raad van de Europese Unie, T-158/13, ECLI:EU:T:2015:634.

(6)  Arrest van het Gerecht van 18 september 2015, Iran Liquefied Natural Gas Co./Raad van de Europese Unie, T-5/13, ECLI:EU:T:2015:644.

(7)  Arrest van het Gerecht van 18 september 2015, HTTS Hanseatic Trade Trust & Shipping GmbH en Naser Bateni/Raad van de Europese Unie, T-45/14, ECLI:EU:T:2015:650.

(8)  Arrest van het Hof van Justitie van 21 april 2016, Raad van de Europese Unie/Bank Saderat Iran, C-200/13 P, ECLI:EU:C:2016:284.


BIJLAGE

De vermeldingen met betrekking tot de hierna genoemde entiteiten worden geschrapt van de lijst in deel I.B van bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012:

I.   Bij nucleaire activiteiten en activiteiten in verband met ballistische raketten betrokken personen en entiteiten, en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen

B.   Entiteiten

„7.

a) Bank Saderat PLC (Londen)

48.

Neka Novin (o.b.a. Niksa Nirou)

65.

West Sun Trade GMBH

159.

Oil Industry Pension Fund Investment Company (OPIC)”.

17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/26


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/78 VAN DE COMMISSIE

van 15 juli 2016

tot vaststelling van administratieve bepalingen voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen daarvan betreft, en voor uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens van gebruikers van dergelijke systemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (1), met name artikel 6, lid 13, en artikel 9,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2015/758 voorziet in een algemene verplichting om nieuwe voertuigtypes in de categorieën M1 en N1 uiterlijk op 31 maart 2018 uit te rusten met op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen.

(2)

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79 van de Commissie (2) bepaalt de specifieke technische voorschriften en tests voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen daarvan betreft, alsook voor de EG-typegoedkeuring van de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden (ATE's) en onderdelen van de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen.

(3)

Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) stelt het algemene kader vast voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen en omschrijft de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken actoren in de verschillende stadia van de goedkeuringsprocedure. Daarnaast zijn er specifieke administratieve bepalingen nodig voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen die zijn uitgerust met op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen, op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden en onderdelen van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen.

(4)

Met het oog op uniforme voorwaarden voor de uitvoering van de testprocedures voor EG-typegoedkeuring en ter vereenvoudiging van het aanvragen van die goedkeuring, moet een gestandaardiseerde reeks inlichtingenformulieren en modellen voor de EG-typegoedkeuringscertificaten en het EG-typegoedkeuringsmerk worden vastgesteld.

(5)

Fabrikanten moeten ervoor zorgen dat de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen niet traceerbaar zijn en niet permanent worden gevolgd. Daartoe moet ervoor worden gezorgd dat de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen in hun normale werkingsstand niet beschikbaar zijn voor communicatie en dat hun interne geheugen buiten de boordsystemen voor geen enkele entiteit toegankelijk is vóór de activering van de eCall-noodoproep. Fabrikanten moeten ook afdoende veiligheidsmaatregelen toepassen om ongeoorloofde toegang tot of misbruik van de gegevens in het interne geheugen van het systeem te voorkomen.

(6)

Gegevens die door het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem worden verwerkt, moeten adequaat en relevant zijn voor en evenredig zijn aan de doeleinden waarvoor zij worden verzameld en verwerkt.

(7)

Consumenten moeten volledige en betrouwbare informatie krijgen over de werking van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem, en met name over de manier waarop het systeem gegevens verwerkt en hoe deze worden beschermd. Consumenten moeten ook worden ingelicht over de kenmerken van elke particuliere nooddienst of andere diensten met toegevoegde waarde die eventueel in het motorvoertuig zijn gemonteerd.

(8)

Om de consument op consistente wijze te informeren over de werking van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem moet een model voor de gebruikersinformatie worden vastgesteld dat de minimuminformatie samen met de technische documentatie van het voertuig bevat.

(9)

Voertuigfabrikanten moeten voldoende tijd krijgen om zich aan te passen aan de technische voorschriften voor de typegoedkeuring van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen. Ook de lidstaten moeten voldoende tijd krijgen om op hun grondgebied de alarmcentrale („Public Safety Answering Point” of „PSAP”) uit te bouwen die nodig is voor de correcte ontvangst en verwerking van eCall-noodoproepen. Om die reden dient de toepassingsdatum van deze verordening dezelfde te zijn als de datum waarop de toepassing van de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen verplicht worden overeenkomstig Verordening (EU) 2015/758.

(10)

Over de in deze verordening vervatte maatregelen is de Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming geraadpleegd, overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het technisch comité motorvoertuigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden de administratieve bepalingen vastgesteld voor de goedkeuring van nieuwe voertuigtypen wat de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen en de voor dergelijke voertuigen ontworpen en vervaardigde op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden en onderdelen van de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen betreft.

Daarnaast worden uniforme voorwaarden vastgesteld voor de toepassing van de bepalingen van Verordening (EU) 2015/758 met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens van de gebruikers van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen.

Artikel 2

EG-typegoedkeuring van een voertuig wat de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen betreft

1.   De fabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 29, van Richtlijn 2007/46/EG een aanvraag in voor de EG-typegoedkeuring van een voertuig wat het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem betreft.

2.   De in lid 1 bedoelde aanvraag wordt opgesteld volgens het model in deel 1 van bijlage I.

3.   Als aan de in artikel 5 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79 bepaalde technische voorschriften is voldaan, verleent de goedkeuringsinstantie een EG-typegoedkeuring en geeft zij een typegoedkeuringscertificaat af dat wordt genummerd volgens de in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG beschreven methode.

De lidstaten kennen hetzelfde nummer niet aan een ander voertuigtype toe.

4.   Het typegoedkeuringscertificaat wordt opgesteld volgens het model in deel 2 van bijlage I.

5.   De fabrikant verstrekt in de gebruikershandleiding informatie over de verwerking van de gegevens door het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem volgens het model in deel 3 van bijlage I bij deze verordening.

Artikel 3

EG-typegoedkeuring van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden of van onderdelen van de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen

1.   De fabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie zoals gedefinieerd in artikel 3, punt 29, van Richtlijn 2007/46/EG een aanvraag in voor de EG-typegoedkeuring van een type op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid of van een type onderdeel van een op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem.

2.   De in lid 1 bedoelde aanvraag wordt opgesteld volgens het model in deel 1 van bijlage II van deze verordening.

3.   Als is voldaan aan de technische voorschriften van artikel 6 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79, wat onderdelen betreft, en aan de technische voorschriften van artikel 7 van die verordening, wat technische eenheden betreft, verleent de goedkeuringsinstantie een EG-typegoedkeuring en geeft zij een typegoedkeuringscertificaat af met een typegoedkeuringsnummer volgens de in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG beschreven methode.

De lidstaten kennen hetzelfde nummer niet aan een ander type technische eenheden of onderdelen toe.

4.   Het EG-typegoedkeuringscertificaat wordt opgesteld volgens het model in deel 2 van bijlage II.

Artikel 4

EG-typegoedkeuringsmerk

Op elk onderdeel dat of elke technische eenheid die conform is met een type waarvoor overeenkomstig deze verordening een EG-typegoedkeuring is verleend, wordt een EG-typegoedkeuringsmerk aangebracht volgens het model in deel 3 van bijlage II.

Artikel 5

Bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens

1.   De fabrikant neemt de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem of het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid in de normale werkingsstand niet traceerbaar is en niet permanent wordt gevolgd. De fabrikant waarborgt tevens dat de gegevens in het interne geheugen van het boordsysteem of in de technische eenheid automatisch en continu worden verwijderd en vóór activering van de eCall-noodoproep buiten het op de 112-dienst gebaseerde boordsysteem of het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid voor geen enkele entiteit toegankelijk zijn.

2.   De fabrikant stelt de eigenaar van het voertuig op de hoogte van de overeenkomstig artikel 6, lid 9, van Verordening (EU) 2015/758 genomen maatregelen aan de hand van het model in deel 3 van bijlage I bij deze verordening.

3.   De fabrikant neemt passende beschermingsmaatregelen (zoals het gebruik van encryptietechnologieën) ter bescherming van de veiligheid van persoonsgegevens in het interne geheugen van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem of in het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid en ter voorkoming van surveillance en misbruik. Dergelijke maatregelen moeten passend zijn, evenals strikt evenredig met en noodzakelijk voor het beoogde doel.

Artikel 6

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 31 maart 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 juli 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 123 van 19.5.2015, blz. 77.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79 van de Commissie van 12 september 2016 tot vaststelling van gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen, op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden, evenals onderdelen daarvan, en tot aanvulling en wijziging van Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vrijstellingen en de toepasselijke normen (zie bladzijde 44 van dit Publicatieblad).

(3)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).


BIJLAGE I

Administratieve documenten voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de installatie van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen betreft

DEEL 1

Inlichtingenformulier

MODEL

Inlichtingenformulier nr. … betreffende de EG-typegoedkeuring van een motorvoertuig wat de installatie van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem betreft.

De onderstaande gegevens worden in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen verstrekt. Op eventuele foto's moeten voldoende details te zien zijn.

Indien de in dit inlichtingenformulier bedoelde systemen, onderdelen en technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties worden verstrekt.

0.   ALGEMEEN

0.1.   Merk (handelsnaam van de fabrikant): …

0.2.   Type: …

0.2.1.   Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar): …

0.3.   Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig (1): …

0.3.1.   Plaats van dat identificatiemiddel: …

0.4.   Voertuigcategorie (2): …

0.5.   Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …

0.8.   Naam en adres van de assemblagefabriek(en): …

0.9.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: …

1.   ALGEMENE CONSTRUCTIEKENMERKEN VAN HET VOERTUIG

1.1.   Foto's en/of tekeningen van een representatief voertuig: …

9.   CARROSSERIE

9.1.   Carrosserietype (4): …

9.10.   Binneninrichting

9.10.2.   Plaatsing en identificatie van de bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters

9.10.2.1   Foto's en/of tekeningen van de plaatsing van symbolen en bedieningsorganen, verklikkerlichten en meters, waarop met name het symbool en de plaatsing te zien zijn van het verklikkerlicht/indicator (indien aanwezig) of een beschrijving van andere middelen die worden gebruikt om de inzittenden van het voertuig te waarschuwen indien een kritieke systeemstoring wordt gedetecteerd waardoor geen op de 112-dienst gebaseerde eCalls kunnen worden uitgevoerd: …

9.12.2.   Aard en plaats van aanvullende beveiligingssystemen (geef aan ja/neen/optioneel):

(L = linkerzitplaats, M = middelste zitplaats, R = rechterzitplaats)

 

Airbag voor

Zijairbag

Gordelvoorspanvoorziening

Eerste rij zitplaatsen

L

M

R

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tweede rij zitplaatsen (*1)

L

M

R

 

 

 

 

 

 

 

 

 

9.12.4.   Korte beschrijving van de eventuele elektrische/elektronische onderdelen: …

12.   DIVERSEN

12.8.   eCall-systeem

12.8.1.   Aanwezig: ja/neen (3)

12.8.2.   Technische beschrijving en/of schematische tekeningen: …

12.8.3.   Typegoedkeuringsnummer (indien beschikbaar) van de technische eenheid van het eCall-boordsysteem: …

12.8.4.   Voor niet als technische eenheid goedgekeurd eCall-systeem:

12.8.4.1   Gedetailleerde beschrijving met foto's en/of tekeningen van het eCall-systeem en de plaats daarvan op het voertuig: …

12.8.4.2   Lijst van de voornaamste onderdelen van het eCall-systeem: …

12.8.4.3   Schema van alle elektrische verbindingen: …

12.8.5.   Aanwezigheid van TPS-systeem voor eCall: ja/neen (3)

12.8.6.   Aanwezigheid van diensten met toegevoegde waarde: ja/neen (3)

12.8.7.   Verklaring van conformiteit met de normen als bedoeld in artikel 5, lid 8, van Verordening (EU) 2015/758: ja/neen (3)

Datum, handtekening

Toelichting

(1)

Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het voertuig, het onderdeel of de technische eenheid waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, moeten die tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).

(2)

Als gedefinieerd in deel A van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

(3)

Doorhalen wat niet van toepassing is.

(4)

Gebruik de in deel C van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG gedefinieerde codes.

DEEL 2

EG-typegoedkeuringscertificaat

MODEL

Formaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT

Stempel van de typegoedkeuringsinstantie

Mededeling betreffende de:

EC type-approval (1)

extension of EC type-approval (1)

refusal of EC type-approval (1)

withdrawal of EC type-approval (1)

of a type of vehicle with regard to the installation of 112-based eCall in-vehicle systems

overeenkomstig Verordening (EU) 2015/758, laatstelijk gewijzigd bij Verordening (EU) …/…

EG-typegoedkeuringsnummer: …

Reden voor uitbreiding: …

AFDELING I

0.1.   Merk (handelsnaam van de fabrikant): …

0.2.   Type: …

0.2.1.   Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar): …

0.3.   Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig (2): …

0.3.1.   Plaats van dat identificatiemiddel: …

0.4.   Voertuigcategorie (3): …

0.5.   Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …

0.8.   Naam en adres van de assemblagefabriek(en): …

0.9.   Naam en adres van de fabrikant (of zijn gemachtigde): …

AFDELING II

1.   Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.   Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests: …

3.   Datum van het testrapport: …

4.   Nummer van het testrapport: …

5.   Eventuele opmerkingen: zie addendum.

6.   Plaats: …

7.   Datum: …

8.   Handtekening: …

Bijlagen:

1.

Informatiepakket.

2.

Testrapport.

Toelichting

(1)

Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2)

Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het voertuig, het onderdeel of de technische eenheid waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, moeten die tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).

(3)

Als gedefinieerd in deel A van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

Addendum

bij EG-typegoedkeuringscertificaat nr. …

1.   Aanvullende informatie

1.1.   Korte beschrijving van het op het voertuig gemonteerde eCall-systeem: …

1.2.   Plaats van het eCall-systeem: …

1.3.   Activeringswijze van het eCall-systeem: …

1.4.   Stroomvoorziening van het eCall-systeem: …

1.5.   TPS eCall-systeem gemonteerd op het voertuig: ja/neen (1).

1.6.   Aanwezigheid van andere diensten met toegevoegde waarde: ja/neen (1).

2.   Typegoedkeuringsnummer van een eventueel in het voertuig geïnstalleerde technische eenheid/onderdeel van een op de 112-dienst gebaseerd eCall-boordsysteem in overeenstemming met Verordening (EU) 2015/758 en de uitvoeringsbesluiten daarvan: …

3.   Eventuele opmerkingen: …

DEEL 3

Model voor de gebruikersinformatie

De technische documentatie die bij het voertuig wordt geleverd (de gebruikershandleiding) moet duidelijke, volledige en gemakkelijk toegankelijke informatie bevatten over het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem van het voertuig en de werking ervan, alsmede over alle door diensten van derden ondersteund eCall-systemen (TPS-systemen) of andere diensten met toegevoegde waarde en de extra functionaliteiten daarvan die op dat voertuig zijn gemonteerd.

De eventuele verschillen tussen de gegevensverwerking door het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en het TPS-systeem of andere eventuele diensten met toegevoegde waarde moeten duidelijk worden uitgelegd.

De informatie over de bescherming van de persoonlijke sfeer en persoonsgegevens wordt nog vóór het gebruik afzonderlijk verstrekt voor het op de 112-dienst gebaseerde systeem en het TPS-systeem, zodat er geen verwarring ontstaat over de beoogde doeleinden en de toegevoegde waarde van de gegevensverwerking.

Dit model bevat de verplichte minimuminformatie die aan de gebruiker moet worden verstrekt en kan worden aangevuld met andere relevante informatie over de specifieke omstandigheden waaronder de gegevens worden verzameld of verwerkt.

1.   BESCHRIJVING VAN HET ECALL-BOORDSYSTEEM

1.1.   Overzicht van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem en de werking en functies ervan: …

1.2.   De op de 112-dienst gebaseerde eCall-dienst is een openbare dienst van algemeen belang die gratis toegankelijk is.

1.3.   Het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem wordt automatisch geactiveerd. Bij een ernstig ongeval wordt het automatisch geactiveerd door middel van sensoren in het voertuig. Het wordt ook automatisch geactiveerd wanneer het voertuig is uitgerust met een TPS-systeem dat niet functioneert bij een ernstig ongeval.

1.4.   Het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem kan indien nodig ook handmatig worden geactiveerd. Instructies voor handmatige activering van het systeem: …

1.5.   Bij een kritieke systeemstoring waardoor het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem niet werkt, krijgen de inzittenden van het voertuig de volgende waarschuwing: …

2.   INFORMATIE OVER GEGEVENSVERWERKING

2.1.   Elke verwerking van persoonsgegevens door het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem is in overeenstemming met de regels inzake de bescherming van persoonsgegevens als bedoeld in de Richtlijnen 95/46/EG (2) en 2002/58/EG (3) van het Europees Parlement en de Raad, en gaat meer bepaald uit van de noodzaak om de vitale belangen van de betrokkenen te beschermen in de zin van artikel 7, onder d), van Richtlijn 95/46/EG (4).

2.2.   De verwerking van deze gegevens is strikt beperkt tot het afhandelen van noodoproepen via eCall naar het gemeenschappelijke Europese noodnummer 112.

2.3.   Type gegevens en de ontvangers daarvan

2.3.1.   Het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem mag uitsluitend de volgende gegevens verzamelen en verwerken:

voertuigidentificatienummer

type voertuig (personenauto of licht bedrijfsvoertuig)

type opslag voertuigaandrijving (benzine/diesel/aardgas/LPG/elektrisch/waterstof)

de laatste drie locaties van het voertuig en de rijrichting van het voertuig

logbestand van de automatische activering van het systeem en de tijdstempel

aanvullende gegevens (indien van toepassing): …

2.3.2.   De ontvangers van de door het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem verwerkte gegevens zijn de alarmcentrales (PSAP's) die door de respectieve openbare instanties van het land op het grondgebied waarvan zij zijn gevestigd, zijn aangewezen om in eerste instantie de eCall-noodoproepen naar het gemeenschappelijke Europese noodnummer 112 te ontvangen en af te handelen.

Eventuele aanvullende informatie: …

2.4.   Voorzieningen van de gegevensverwerking

2.4.1.   Het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem is zodanig opgezet dat de gegevens uit het systeemgeheugen buiten het systeem niet toegankelijk zijn vóór de activering van eCall.

Eventuele aanvullende informatie: …

2.4.2.   Het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem is zodanig opgezet dat het in zijn normale werkingsstand niet traceerbaar is en niet permanent wordt gevolgd.

Eventuele aanvullende informatie: …

2.4.3.   Het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem is zodanig opgezet dat de gegevens in het interne geheugen van het systeem automatisch en continu worden verwijderd.

2.4.3.1.   De locatiegegevens van het voertuig in het interne geheugen van het systeem worden voortdurend overschreven en voor de normale werking van het systeem moeten maximaal de laatste drie locaties van het voertuig worden bewaard.

2.4.3.2.   Het logbestand van de activiteitengegevens in het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem wordt niet langer bewaard dan nodig is voor het afhandelen van de eCall-noodoproep, en in ieder geval niet langer dan 13 uur vanaf het moment waarop de eCall-noodoproep werd gelanceerd.

Eventuele aanvullende informatie: …

2.5.   Specifieke voorwaarden waaronder degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt hun rechten kunnen doen gelden

2.5.1.   Degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt (de eigenaar van het voertuig) heeft recht op toegang tot deze gegevens en kan in voorkomend geval verzoeken om de rectificatie, uitwissing of afscherming van de hem of haar betreffende gegevens waarvan de verwerking niet overeenstemt met de bepalingen van Richtlijn 95/46/EG. Eventuele derden aan wie de gegevens zijn verstrekt, moeten op de hoogte worden gesteld van elke rectificatie, uitwissing of afscherming die is uitgevoerd overeenkomstig die richtlijn, tenzij zulks onmogelijk blijkt of onevenredig veel moeite kost.

2.5.2.   Degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt, heeft het recht om een klacht in te dienen bij de bevoegde autoriteit voor gegevensbescherming indien hij van oordeel is dat zijn of haar rechten zijn geschonden als gevolg van de verwerking van zijn of haar persoonsgegevens.

2.5.3.   Voor de behandeling van toegangsverzoeken verantwoordelijke dienst (indien aanwezig): …

3.   INFORMATIE OVER EVENTUELE DOOR DERDEN GELEVERDE DIENSTEN EN DIENSTEN MET TOEGEVOEGDE WAARDE

3.1.   Beschrijving van de werking en functies van het TPS-systeem/de diensten met toegevoegde waarde: …

3.2.   Bij elke verwerking van persoonsgegevens via het TPS-systeem of een andere dienst met toegevoegde waarde moet de regelgeving inzake de bescherming van persoonsgegevens in Richtlijn 95/46/EG en Richtlijn 2002/58/EG in acht worden genomen.

3.2.1.   Rechtsgrondslag voor het gebruik van het TPS-systeem en/of diensten met toegevoegde waarde en voor de verwerking van gegevens daarmee: …

3.3.   Het TPS-systeem en/of de andere diensten met toegevoegde waarde mogen persoonsgegevens alleen verwerken op basis van de uitdrukkelijke toestemming van degene wiens persoonsgegevens worden verwerkt (de eigenaar of eigenaars van het voertuig).

3.4.   Specifieke voorwaarden voor de gegevensverwerking via het TPS-systeem en/of andere diensten met toegevoegde waarde, met inbegrip van alle aanvullende informatie die nodig is voor de traceerbaarheid, het volgen en de verwerking van persoonsgegevens: …

3.5.   De eigenaar van een voertuig met een TPS-eCall-systeem en/of andere diensten met toegevoegde waarde dan het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem heeft het recht te kiezen voor gebruikmaking van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem in plaats van het TPS- eCall-systeem en de andere diensten met toegevoegde waarde.

3.5.1.   Contactgegevens voor de afhandeling van verzoeken om het TPS-eCall-systeem te inactiveren: …


(*1)  De tabel kan zo nodig worden uitgebreid indien de voertuigen over meer dan twee rijen zitplaatsen beschikken of over meer dan drie zitplaatsen per rij.

(1)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(3)  Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie) (PB L 201 van 31.7.2002, blz. 37).

(4)  Richtlijn 95/46/EG wordt vervangen door Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1). De verordening is van toepassing met ingang van 25 mei 2018.


BIJLAGE II

Administratieve documenten voor de EG-typegoedkeuring van de technische eenheden en onderdelen van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem

DEEL 1

Inlichtingenformulier

MODEL

Inlichtingenformulier nr. ... betreffende de EG-typegoedkeuring van de technische eenheden en onderdelen van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem (3).

De onderstaande gegevens worden in drievoud verstrekt en gaan vergezeld van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen worden op een passende schaal met voldoende details in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen verstrekt. Op eventuele foto's moeten voldoende details te zien zijn.

Indien de in dit inlichtingenformulier bedoelde technische eenheid of het onderdeel elektronisch gestuurde functies heeft, moeten gegevens over de prestaties worden verstrekt.

0.   ALGEMEEN

0.1.   Merk (handelsnaam van de fabrikant): …

0.2.   Type: …

0.3.   Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op de technische eenheid (1): …

0.3.1.   Plaats van dat identificatiemiddel: …

0.4.   In het geval van een technische eenheid, bestemd voor voertuigcategorie (2): …

0.5.   Bedrijfsnaam en adres van de fabrikant: …

0.7.   Plaats en wijze van aanbrengen van het EG-goedkeuringsmerk: …

0.9.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: …

12.8.   eCall-systeem

12.8.2.   Technische beschrijving en/of schematische tekeningen: …

12.8.3.1   Foto's en/of tekeningen worden verstrekt op een passende schaal en voldoende gedetailleerd om de technische eenheid of het onderdeel te kunnen identificeren. Deze tekeningen geven aan waar de technische eenheid of het onderdeel op het voertuig moet worden geplaatst, alsook waar het EG-typegoedkeuringsmerk van de technische eenheid of het onderdeel moet worden aangebracht: …

12.8.3.1.1.   Instructies voor de installatie van het onderdeel van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem in het voertuig, met inbegrip van instructies voor de positie en oriëntatie: …

12.8.3.1.2.   Plaats en wijze van montage van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid in het voertuig: …

12.8.3.2   Lijst van de voornaamste samenstellende delen van de technische eenheid of het onderdeel: …

12.8.7.   Verklaring van conformiteit met de normen als bedoeld in artikel 5, lid 8, van Verordening (EU) 2015/758: ja/neen (3).

Toelichting

(1)

Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type voertuig, onderdeel of technische eenheid waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, moeten die tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).

(2)

Als gedefinieerd in deel A van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

(3)

Doorhalen wat niet van toepassing is.

DEEL 2

EG-typegoedkeuringscertificaat

MODEL

Formaat: A4 (210 × 297 mm)

EG-TYPEGOEDKEURINGSCERTIFICAAT

Stempel van de typegoedkeuringsinstantie

Mededeling betreffende de:

EC type-approval (1)

extension of EC type-approval (1)

refusal of EC type-approval (1)

withdrawal of EC type-approval (1)

of 112-based eCall in-vehicle STU/ 112-based eCall in-vehicle system component (1)

met betrekking tot Verordening (EU) 2015/758.

EG-typegoedkeuringsnummer: …

Reden voor uitbreiding: …

AFDELING I

0.1.   Merk (handelsnaam van de fabrikant): …

0.2.   Type: …

0.3.   Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op de technische eenheid/het onderdeel (2): …

0.3.1.   Plaats van dat identificatiemiddel: …

0.4.   In het geval van een technische eenheid, de voertuigcategorie waarvoor deze bestemd is (3): …

0.5.   Naam en adres van de fabrikant: …

0.7.   Plaats en wijze van aanbrengen van het EG-goedkeuringsmerk: …

0.9.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant: …

AFDELING II

1.   Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.   Technische dienst die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests: …

3.   Datum van het testrapport: …

4.   Nummer van het testrapport: …

5.   Eventuele opmerkingen: zie addendum.

6.   Plaats: …

7.   Datum: …

8.   Handtekening: …

Bijlagen:

1.

Informatiepakket.

2.

Testrapport.

Addendum

bij EG-typegoedkeuringscertificaat nr. …

1.   Aanvullende informatie

1.1.   Korte beschrijving van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid/het onderdeel van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem (3): …

1.1.1.   Instructies voor de installatie van het onderdeel van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem in het voertuig, met inbegrip van instructies voor de positie en oriëntatie: …

1.1.2.   Voorbeeld van het EG-typegoedkeuringsmerk van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid/het onderdeel van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem (3): …

1.2.   Plaats en wijze van montage van het eCall-boordsysteem als technische eenheid in het voertuig: …

1.3.   Activeringswijze: …

1.4.   Energievoorziening: …

2.   Het onderdeel van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem is in overeenstemming met de technische voorschriften in bijlage I bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79. Voorts is het in overeenstemming met de technische voorschriften in:

2.1.   Bijlage IV bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79: ja/neen (3).

2.2.   Bijlage VI bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79: ja/neen (3).

2.3.   Bijlage VII bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/79: ja/neen (3).

3.   Eventuele opmerkingen: …

DEEL 3

EG-typegoedkeuringsmerk voor technische eenheden en onderdelen

1.   Het EG-typegoedkeuringsmerk voor onderdelen en technische eenheden bestaat uit:

1.1.   Een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die de EG-typegoedkeuring aan het onderdeel of de technische eenheid heeft verleend:

1

voor Duitsland

12

voor Oostenrijk

26

voor Slovenië

2

voor Frankrijk

13

voor Luxemburg

27

voor Slowakije

3

voor Italië

17

voor Finland

29

voor Estland

4

voor Nederland

18

voor Denemarken

32

voor Letland

5

voor Zweden

19

voor Roemenië

34

voor Bulgarije

6

voor België

20

voor Polen

36

voor Litouwen

7

voor Hongarije

21

voor Portugal

49

voor Cyprus

8

voor Tsjechië

23

voor Griekenland

50

voor Malta

9

voor Spanje

24

voor Ierland

 

 

11

voor het Verenigd Koninkrijk

25

voor Kroatië

 

 

1.2.   In de nabijheid van de rechthoek het basisgoedkeuringsnummer uit deel 4 van het typegoedkeuringsnummer, voorafgegaan door de twee cijfers van het volgnummer dat aan deze verordening is toegekend. Momenteel is het volgnummer 00.

1.3.   In het geval van een op de 112-dienst gebaseerd eCall-boordsysteem als technische eenheid dient in de nabijheid van de rechthoek het volgnummer door het symbool „ECALL” te worden voorafgegaan.

2.   Het EG-typegoedkeuringsmerk is op zodanige wijze op een belangrijk deel van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid of het onderdeel van het op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsysteem aangebracht dat het onuitwisbaar en duidelijk en gemakkelijk leesbaar is.

3.   Afbeelding 1 en afbeelding 2 geven respectievelijk een voorbeeld van een EG-typegoedkeuringsmerk van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheid en van onderdelen van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen.

Afbeelding 1

Voorbeeld van een EG-typegoedkeuringsmerk van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheid

Image 5

Toelichting

Uitleg

De bovenstaande onderdeeltypegoedkeuring is door Bulgarije verleend onder nummer 0046. De eerste twee cijfers (00) geven aan dat de technische eenheid krachtens deze verordening werd goedgekeurd.

Afbeelding 2

Voorbeeld van een EG-typegoedkeuringsmerk van onderdelen van op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen

Image 6

Toelichting

Uitleg

De bovenstaande EG-onderdeeltypegoedkeuring is door Duitsland verleend onder nummer 00026. De eerste twee cijfers (00) geven aan dat het onderdeel krachtens deze verordening werd goedgekeurd.


(1)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2)  Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn voor de beschrijving van het type voertuig, onderdeel of technische eenheid waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, moeten die tekens op het formulier worden weergegeven door het symbool „?” (bv. ABC??123??).

(3)  Doorhalen wat niet van toepassing is.


17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/44


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2017/79 VAN DE COMMISSIE

van 12 september 2016

tot vaststelling van gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen, op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden, evenals onderdelen daarvan, en tot aanvulling en wijziging van Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de vrijstellingen en de toepasselijke normen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 inzake typegoedkeuringseisen voor de uitrol van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen en houdende wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (1), met name artikel 2, lid 2, artikel 5, leden 8 en 9, en artikel 6, lid 12,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Verordening (EU) 2015/758 moeten nieuwe voertuigtypen van de categorieën M1 en N1 met ingang van 31 maart 2018 met op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen worden uitgerust.

(2)

Er moeten gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures worden vastgesteld voor de goedkeuring van motorvoertuigen wat op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen betreft. De testprocedures lenen zich ook tot het testen en goedkeuren van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden („ATE's”) en onderdelen voor montage op motorvoertuigen of voor integratie in op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen.

(3)

De tests moeten worden uitgevoerd door technische diensten in hun hoedanigheid zoals bepaald in Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), waarin een algemeen kader voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen is vastgesteld en de taken en verantwoordelijkheden van alle betrokken actoren in de verschillende stadia van het goedkeuringsproces zijn omschrijven.

(4)

De tests en voorschriften moeten zodanig zijn ontworpen dat dubbel testen wordt voorkomen. Bovendien moet voldoende flexibiliteit worden toegestaan ten aanzien van in meerdere fasen gebouwde voertuigen voor speciale doeleinden, aangezien zij overeenkomstig Richtlijn 2007/46/EG zijn vrijgesteld van de voorschriften inzake frontale en zijdelingse botsingen van de VN/ECE-reglementen nrs. 94 en 95. Om die reden moet een goedkeuring met betrekking tot op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen die voor eerdere fasen aan het basisvoertuig is verleend, geldig blijven, tenzij het systeem of de sensoren daarvan na de goedkeuring werden gewijzigd.

(5)

Bepaalde voertuigklassen kunnen om technische redenen niet met een passend activeringsmechanisme voor eCall-noodoproepen worden uitgerust en moeten worden vrijgesteld van de eisen van Verordening (EU) 2015/758. Op basis van een kosten-batenanalyse die door de Commissie wordt uitgevoerd en rekening houdend met de relevante technische en veiligheidsaspecten worden deze voertuigklassen geïdentificeerd en in een in bijlage IX vastgestelde lijst opgenomen.

(6)

Het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem moet blijven functioneren na een ernstig ongeval. Een automatische eCall-noodoproep bewijst zijn nut vooral in het geval van ernstige botsingen waarbij het risico het grootst is dat de inzittenden van het voertuig niet in staat zijn om zonder een eCall-systeem een verzoek om hulp uit te zenden. De op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen, onderdelen en technische eenheden moeten daarom worden onderworpen aan tests die controleren of zij blijven functioneren na inertiebelastingen die vergelijkbaar zijn met wat zich kan voordoen bij een ernstige botsing van het voertuig.

(7)

Ook op voertuigniveau moet worden gewaarborgd dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem en de automatische activering daarvan blijven functioneren na een botsing. Daarom moet een volledige procedure voor botstesten worden opgesteld om te controleren of het voertuig zodanig is gebouwd dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem ervan een frontale en zijdelingse botsing kan doorstaan zonder invloed op de oorspronkelijke montagesituatie en -configuratie.

(8)

De belangrijkste functionaliteit van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen is niet alleen de alarmcentrale („PSAP”) te laten weten dat er een ongeval heeft plaatsgevonden, maar ook een spraakverbinding tot stand te brengen tussen de inzittenden van het voertuig en de PSAP-operator. Daarom moet na de volledige procedure voor botstesten de audio-apparatuur van het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem worden getest om te garanderen dat de mondelinge communicatie niet onmogelijk is geworden door een vermindering van de geluidssterkte of door geluidsvervorming.

(9)

Wanneer een op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem is goedgekeurd voor gebruik in combinatie met een systeem voor de verlening van diensten van derden (een „TPS-systeem”) moet worden gewaarborgd dat slechts één systeem tegelijk actief is en dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem automatisch wordt geactiveerd als het TPS-systeem niet werkt. De fabrikant van voertuigen die zowel met een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem als met een TPS-systeem zijn uitgerust, moet uitleg geven over de uitwijkprocedure van het ingebouwde TPS-systeem en beschrijven hoe de overschakeling van het TPS-systeem naar het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem functioneert.

(10)

Om te garanderen dat nauwkeurige en betrouwbare plaatsbepalingsinformatie wordt verstrekt, moet het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem gebruik kunnen maken van de plaatsbepalingsdiensten van de systemen Galileo en Egnos.

(11)

Het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem moet de inzittenden van een voertuig waarschuwen wanneer het systeem geen noodoproep kan uitvoeren. Derhalve dient een procedure te worden vastgesteld voor de verificatie van de zelftest van het systeem en de comformiteit ervan met de voorschriften voor de indicatie van storingen.

(12)

Fabrikanten moeten ervoor zorgen dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem niet traceerbaar is en niet permanent wordt gevolgd. Derhalve moet een procedure worden vastgesteld om te controleren dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem niet vóór de initiëring van de eCall-noodoproep beschikbaar is voor communicatie met de PSAP.

(13)

Gegevens die worden verwerkt via het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem moeten adequaat en relevant zijn, en evenredig aan de doeleinden waarvoor zij worden verzameld en verwerkt. Daartoe moeten passende procedures worden vastgesteld om erop toe te zien dat de gegevens in het interne geheugen van het systeem automatisch en voortdurend worden verwijderd en niet langer worden bewaard dan nodig is voor de afhandeling van de noodoproep.

(14)

De versies van de geldende normen waarop de voorschriften voor eCall-systemen zijn gebaseerd, moeten worden geactualiseerd.

(15)

Voertuigfabrikanten moeten voldoende tijd krijgen om zich aan te passen aan de technische voorschriften voor de goedkeuring van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen. Ook moeten de lidstaten voldoende tijd krijgen om op hun grondgebied de PSAP-infrastructuur te ontwikkelen die nodig is voor de correcte ontvangst en behandeling van eCall-noodoproepen. Om die reden dient de toepassingsdatum van deze verordening dezelfde te zijn als de datum van de verplichte toepassing van de op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen overeenkomstig Verordening (EU) 2015/758,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden gedetailleerde technische voorschriften en tests vastgesteld voor de EG-typegoedkeuring van voertuigen als bedoeld in artikel 2 van Verordening (EU) 2015/758 wat de op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen en op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden („ATE's”) en onderdelen daarvan betreft.

Artikel 2

Voertuigklassen die zijn vrijgesteld van de verplichting om met een op 112 gebaseerd e-Call-boordsysteem te zijn uitgerust

De voertuigklassen die om technische redenen niet kunnen worden uitgerust met een passend activeringsmechanisme voor een eCall-systeem en om die reden zijn vrijgesteld van het voorschrift om met een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem te zijn uitgerust, zijn vermeld in bijlage IX.

Artikel 3

Meerfasentypegoedkeuring van voertuigen voor speciale doeleinden

In het geval van meerfasentypegoedkeuring van voertuigen voor speciale doeleinden als gedefinieerd in bijlage II, deel A, punten 5.1 en 5.5, bij Richtlijn 2007/46/EG blijft de typegoedkeuring die in een eerdere fase is verleend met betrekking tot de installatie van een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem in het (basis)voertuig geldig, op voorwaarde dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem en de bijbehorende sensoren niet zijn gewijzigd.

Artikel 4

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „type voertuig wat de installatie van een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem betreft”: motorvoertuigen die onderling niet verschillen op essentiële punten zoals de kenmerken van de integratie in het voertuig en de functionaliteit en de capabiliteit van de essentiële hardware voor het uitvoeren van noodoproepen vanuit het voertuig;

2.   „type op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem als technische eenheid”: een combinatie van specifieke hardware die bij installatie in een voertuig onderling niet verschilt op essentiële punten zoals de kenmerken, functionaliteit en capabiliteit voor het uitvoeren van noodoproepen vanuit het voertuig;

3.   „type onderdeel van een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem”: specifieke hardware die bij integratie in een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem als technische eenheid of een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem onderling niet verschilt op essentiële punten zoals de kenmerken, functionaliteit en capabiliteit voor het faciliteren van het uitvoeren van noodoproepen vanuit een voertuig.

4.   „representatief geheel van onderdelen”: alle onderdelen die het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem nodig heeft om bij een noodoproep vanuit het voertuig de minimumgegevensset (MSD) bedoeld in de norm EN 15722: 2015 „Telematica voor wegvervoer en -verkeer — Esafety — ECall minimumgegevensset” in te vullen en door te geven, met inbegrip van het controlepaneel, de stroombron, de communicatiemodule van het mobiele netwerk, de ontvanger van het wereldwijde satellietnavigatiesysteem en de externe antenne van het wereldwijde satellietnavigatiesysteem, alsook de koppelstukken en de bedrading daarvan;

5.   „controlepaneel”: een onderdeel van het eCall-boordsysteem dat moet zorgen voor de gecombineerde werking van alle modules, onderdelen en kenmerken van het systeem;

6.   „stroombron”: het onderdeel dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem van stroom voorziet, met inbegrip van een alternatieve bron, indien aanwezig, dat het systeem van stroom voorziet na de in punt 2.3 van bijlage I bedoelde test;

7.   „eCall-logbestand”: elke registratie die op het moment van de automatische of manuele activering van een eCall-noodoproep wordt opgeslagen in het interne geheugen van het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem en alleen de MSD bevat;

8.   „wereldwijd satellietnavigatiesysteem (GNSS)”: infrastructuur die bestaat uit een constellatie van satellieten en een netwerk van grondstations, die nauwkeurige tijdsbepalingen en geografische informatie verstrekt aan gebruikers met een geschikte ontvanger;

9.   „satellietaugmentatiesysteem (SBAS)”: een regionaal satellietnavigatiesysteem dat de door bestaande wereldwijde satellietnavigatiesystemen uitgezonden signalen controleert en corrigeert, zodat de gebruikers kunnen rekenen op betere prestaties voor wat de nauwkeurigheid en integriteit betreft;

10.   „koudestartstand”: de toestand van een GNSS-ontvanger wanneer de positie-, snelheids-, tijds-, almanak- en astronavigatiegegevens niet in de ontvanger worden opgeslagen, zodat de navigatieoplossing volledig opnieuw moet worden berekend aan de hand van alle satellietgegevens;

11.   „actuele locatie”: de laatste bekende positie berekend op het laatst mogelijke tijdstip vóór de totstandbrenging van de MSD.

Artikel 5

Voorschriften en testprocedures voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de installatie van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen betreft

1.   Voor de EG-typegoedkeuring van een voertuig wat de installatie van een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem betreft, moeten het voertuig en het bijbehorende systeem de in de bijlagen I tot en met VIII vastgestelde tests met succes doorstaan en voldoen aan de desbetreffende voorschriften van die bijlagen.

2.   Wanneer het motorvoertuig is voorzien van een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem als technische eenheid waarvoor typegoedkeuring is verleend overeenkomstig artikel 7, moeten het voertuig en het systeem daarvan de in de bijlagen II, III en V vastgestelde tests met succes doorstaan en voldoen aan alle desbetreffende voorschriften van die bijlagen.

3.   Wanneer het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem van het voertuig een of meer onderdelen bevat waarvoor typegoedkeuring is verleend overeenkomstig artikel 6, moeten het voertuig en het systeem daarvan de in de bijlagen I tot en met VIII vastgestelde tests met succes doorstaan en voldoen aan alle desbetreffend voorschriften van die bijlagen. Of het systeem voldoet aan deze eisen mag echter gedeeltelijk worden beoordeeld op basis van de resultaten van de in artikel 6, lid 3, bedoelde tests.

Artikel 6

Voorschriften en testprocedures voor de EG-typegoedkeuring van onderdelen van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen

1.   Voor de EG-typegoedkeuring van een onderdeel van een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem moet het onderdeel de in bijlage I vastgestelde tests met succes doorstaan en voldoen aan de desbetreffende voorschriften van die bijlage.

2.   Voor de toepassing van lid 1 moet alleen de in punt 2.8 van bijlage I vastgestelde controleprocedure worden toegepast nadat de afzonderlijke onderdelen de in punt 2.3 van die bijlage vastgestelde test met succes hebben doorstaan.

3.   Op verzoek van de fabrikant kan de technische dienst bovendien testen of een onderdeel voldoet aan de in de bijlagen IV, VI en VII vastgestelde voorschriften die relevant zijn voor de functionaliteiten van het onderdeel. Als het onderdeel voldoet aan deze voorschriften, wordt dit vermeld in het overeenkomstig artikel 3, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/78 (3) van de Commissie afgegeven typegoedkeuringscertificaat.

Artikel 7

Voorschriften en testprocedures voor de EG-typegoedkeuring van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheden

1.   Voor de EG-typegoedkeuring van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheid moet de technische eenheid de in de bijlagen I, IV, VI, VII en VIII vastgestelde tests met succes doorstaan en voldoen aan de desbetreffende voorschriften van die bijlagen.

2.   Wanneer op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen als technische eenheid een of meer onderdelen bevat waarvoor typegoedkeuring is verleend overeenkomstig artikel 6, moet de technische eenheid de in de bijlagen I, IV, VI, VII en VIII vastgestelde tests met succes doorstaan en voldoen aan alle desbetreffende voorschriften van die bijlagen. Of de technische eenheid voldoet aan deze voorschriften mag echter gedeeltelijk worden beoordeeld op basis van de resultaten van de in artikel 6, lid 3 bedoelde tests.

Artikel 8

Verplichtingen van de lidstaten

De lidstaten weigeren EG-typegoedkeuring te verlenen aan nieuwe typen motorvoertuigen die niet voldoen aan de voorschriften van deze verordening.

Artikel 9

Wijziging van Verordening (EU) 2015/758

In artikel 5, lid 8, van Verordening (EU) 2015/758 wordt de tweede alinea vervangen door:

„De in de eerste alinea bedoelde technische voorschriften en tests zijn gebaseerd op de in de leden 2 tot en met 7 vervatte voorschriften en op de beschikbare normen inzake eCall, voor zover van toepassing, met inbegrip van:

a)

EN 16072:2015 „Intelligent transport systems — eSafety — Pan-European eCall operating requirements”;

b)

EN 16062:2015 „Intelligent transport systems — eSafety — eCall high level application requirements (HLAR)”;

c)

EN 16454:2015 „Intelligent transport systems — ESafety — Ecall end to end conformance testing”;

d)

EN 15722:2015 „Intelligent transport systems — eSafety — eCall minimum set of data (MSD)”;

e)

EN 16102:2011 „Intelligent transport systems — eCall — Operating requirements for third party support”;

f)

eventuele andere Europese normen met betrekking tot het eCall-systeem die zijn vastgesteld overeenkomstig de procedures van Verordening (EU) nr. 1025/2012 van het Europees Parlement en de Raad (*1) of reglementen van de Economische Commissie van de Verenigde Naties voor Europa (VN/ECE-reglementen) die betrekking hebben op eCall-systemen waartoe de Unie is toegetreden.

Artikel 10

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 31 maart 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 september 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 123 van 19.5.2015, blz. 77.

(2)  Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/78 van de Commissie van 15 juli 2016 tot vaststelling van administratieve bepalingen voor de EG-typegoedkeuring van motorvoertuigen wat de op de 112-dienst gebaseerde eCall-boordsystemen daarvan betreft, en voor uniforme voorwaarden voor de tenuitvoerlegging van Verordening (EU) 2015/758 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens van gebruikers van dergelijke systemen (zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad).


INHOUDSOPGAVE

BIJLAGE I — Technische voorschriften en procedures voor het testen van de bestendigheid van eCall-boordsystemen bij ernstige botsingen (test bij zeer sterke remvertraging) 51
BIJLAGE II — Volledige botstesten 58
BIJLAGE III — Botsbestendigheid van audioapparatuur 60
BIJLAGE IV — Co-existentie van diensten van derden (TPS) met op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen 65
BIJLAGE V — Mechanisme voor automatische initiëring 67
BIJLAGE VI — Technische voorschriften voor de compatibiliteit van eCall-boordsystemen met de plaatsbepalingsdiensten van de systemen Galileo en Egnos 68
BIJLAGE VII — Zelftest in het voertuig 80
BIJLAGE VIII — Technische voorschriften en testprocedures in verband met privacy en gegevensbescherming 82
BIJLAGE IX — Voertuigklassen als bedoeld in artikel 2 86

BIJLAGE I

Technische voorschriften en procedures voor het testen van de bestendigheid van eCall-boordsystemen bij ernstige botsingen (test bij zeer sterke remvertraging)

1.   Voorschriften

1.1.   Prestatievoorschriften

1.1.1.   De test bij zeer sterke remvertraging van eCall-boordsystemen, eCall-boordsystemen als technische eenheden, evenals onderdelen daarvan, die is uitgevoerd overeenkomstig punt 2, wordt als bevredigend beschouwd indien na remvertraging/versnelling aan de volgende voorschriften wordt voldaan.

1.1.2.   Verzending en codering van de MSD: het eCall-systeem of het representatieve geheel kan de MSD aan een PSAP-testpunt doorgeven.

1.1.3.   Bepaling van het tijdstip van het ongeval: het eCall-systeem of het representatieve geheel moet een actuele tijdstempel kunnen vaststellen voor een eCall-incident.

1.1.4.   Plaatsbepaling: het eCall-systeem of het representatieve geheel moet de actuele locatie van het voertuig kunnen vaststellen.

1.1.5.   Mobiele connectiviteit: het eCall-systeem of het representatieve geheel moet kunnen aansluiten op het mobiele netwerk en via dat netwerk gegevens kunnen verzenden.

2.   Testprocedure

2.1.   Doel van de testprocedure bij zeer sterke remvertraging

Het doel van deze test is na te gaan of het op 112 gebaseerde eCall-systeem blijft functioneren bij inertiebelastingen die het bij een ernstige botsing kan ondergaan.

2.2.   De volgende tests worden uitgevoerd op een representatief geheel van onderdelen (zonder carrosserie).

2.2.1.   Een representatief geheel omvat alle onderdelen die het eCall-boordsysteem nodig heeft om bij een eCall-noodoproep de MSD in te kunnen vullen en te kunnen verzenden.

2.2.2.   Dit omvat het controlepaneel, de stroombron en alle andere onderdelen die nodig zijn om de testnoodoproep uit te voeren.

2.2.3.   Dit omvat ook de externe antenne voor mobiele communicatie.

2.2.4.   De kabelboom kan door de desbetreffende verbindingsstukken (gekoppeld aan de geteste onderdelen) en een stuk draad worden weergegeven. Over de lengte van de kabelboom en de uiteindelijke vastzetting kan de fabrikant besluiten in overleg met de technische dienst als bedoeld in artikel 3, punt 31, van Richtlijn 2007/46/EG, zodat deze representatief is voor de verschillende installatieconfiguraties van het eCall-systeem.

2.3.   Vertraging/versnelling

2.3.1.   De volgende voorwaarden zijn van toepassing:

a)

de test wordt uitgevoerd bij een omgevingstemperatuur van 20 (± 10) oC;

b)

aan het begin van de test wordt de stroombron voldoende opgeladen om de opeenvolgende controleprocedures uit te voeren.

2.3.2.   De geteste onderdelen worden aan de testopstelling vastgemaakt met dezelfde bevestigingspunten die bedoeld zijn om ze in een voertuig te monteren. Indien de bevestigingspunten van de stroombron zo ontworpen zijn dat zij breken zodat bij een botsing de stroombron loskomt, mogen zij niet in de test worden opgenomen. De technische dienst verifieert dat het loskomen van de stroombron bij een reële ernstige botsing geen nadelige gevolgen heeft voor de functionaliteit van het systeem (bv. geen ontkoppeling van de stroombron).

2.3.3.   Als er bijkomende steunen en bevestigingen worden gebruikt bij de vertragings-/versnellingsfaciliteit, worden deze voldoende stevig aan de vertragings-/versnellingsfaciliteit vastgemaakt om de uitkomst van de test niet te beïnvloeden.

2.3.4.   Het eCall-systeem wordt vertraagd of versneld overeenkomstig het in de tabel en het figuur bepaalde impulsbereik. De versnelling/vertraging wordt gemeten met een stijf deel van de vertragings-/versnellingsfaciliteit en gefilterd met een CFC van 60.

2.3.5.   De testpuls ligt tussen de in de tabel aangegeven minimum- en maximumwaarden. De maximale snelheidsverandering ΔV is 70 km/h [+ 0/– 2 km/h]. Indien de test echter met de toestemming van de fabrikant bij een hogere versnelling of vertraging, een hogere ΔV en/of een langere duur is uitgevoerd, wordt de test als bevredigend beschouwd.

2.3.6.   De in punt 2.2 genoemde onderdelen worden getest in een opstelling die de slechtst denkbare situatie weergeeft. Hun positie en oriëntatie op de slede moet overeenkomen met de installatieaanbevelingen van de fabrikant en worden vermeld in het krachtens Uitvoeringsverordening (EU) 2017/78 afgegeven typegoedkeuringscertificaat.

2.3.7.   Beschrijving van de testpuls

Figuur

De minimum- en maximumcurve van de testpuls (impulsbereik)

Image 7

Tijd [ms]

Versnelling/vertraging [g]

Tabel

Versnellings-/vertragingswaarden van de minimale en maximale curve van de testpuls

Punt

Tijd (ms)

Versnelling/vertraging (g)

A

10

0

B

34

65

C

38

65

D

46

0

E

0

16

F

25

77

G

47

77

H

60

0

2.4.   Controleprocedure

2.4.1.   Controleer of er tijdens de test geen kabelaansluitingen zijn losgekoppeld.

2.4.2.   De prestatievoorschriften moeten worden gecontroleerd door een testoproep uit te voeren met gebruikmaking van de stroombron nadat deze aan een zeer sterke vertraging is onderworpen.

2.4.3.   Controleer voor de uitvoering van de test of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de mate waarin het eCall-systeem (echte of gesimuleerde) GNSS-signalen ontvangt is representatief voor een open omgeving;

b)

het eCall-systeem heeft voldoende tijd gehad om gevoed door een stroombron een GNSS-plaatsbepaling uit te voeren;

c)

bij elke testoproep wordt één van de in punt 2.7 omschreven verbindingsprocedures, zoals overeengekomen tussen de technische dienst en de fabrikant, toegepast;

d)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door een op 112 gebaseerd eCall-systeem uitgezonden noodoproep;

e)

het is niet mogelijk dat een gesimuleerde eCall-noodoproep via het reële netwerk door een echte PSAP wordt ontvangen, en

f)

indien van toepassing: het TPS-systeem is gedeactiveerd of zal automatisch overschakelen naar het op 112 gebaseerde systeem.

2.4.4.   Voer een testoproep uit (op „push”-wijze) door een handeling uit te voeren die het systeem initieert overeenkomstig de instructies van de fabrikant.

2.4.5.   Controleer elk van de volgende punten:

a)

Controleer of het PSAP-testpunt een MSD heeft ontvangen. Dit moet worden gecontroleerd door een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat een na de initiëring door het eCall-systeem uitgezonden MSD is ontvangen en gedecodeerd. Indien de decodering van de MSD niet mogelijk was bij redundantieversie rv0, maar wel bij een hogere redundantieversie of met een robuuste modulatie zoals gedefinieerd in ETSI TS 126 267, is dit aanvaardbaar.

b)

Controleer of de MSD een actuele tijdstempel bevat. Dit wordt gecontroleerd door een testregistratie waaruit blijkt dat de tijdstempel in de door het PSAP-testpunt ontvangen MSD niet met meer dan 60 seconden afwijkt van de precieze tijd waarop de activering van het systeem is geregistreerd. De transmissie kan worden herhaald als het eCall-systeem vóór de test geen GNSS-plaatsbepaling kon uitvoeren.

c)

Controleer of de MSD een nauwkeurige en actuele plaatsbepaling bevat. Dit moet worden gecontroleerd in overeenstemming met de testprocedure voor de lokalisering van het voertuig, zoals gedefinieerd in punt 2.5, door een testregistratie waaruit blijkt dat de afwijking tussen de lokalisering door het boordsysteem en de werkelijke locatie (dIVS) minder dan 150 m is, waarbij het PSAP-testpunt de boodschap krijgt dat de ontvangen informatie betrouwbaar is en de aangegeven positie dus ook.

2.4.6.   Sluit de testoproep af met het juiste commando van het PSAP-testpunt (bv. ophangen).

2.5.   Testprocedure voor de plaatsbepaling van het voertuig

2.5.1.   Er moet worden gecontroleerd of de GNSS-onderdelen nog functioneren door een vergelijking van de inputgegevens met betrekking tot de locatie en de outputgegevens van het systeem.

2.5.2.   Onder de „lokalisering door het boordsysteem” (φIVS, λIVS) wordt verstaan: de lokalisering die in een MSD naar het PSAP-testpunt wordt gezonden terwijl de GNSS-antenne in een open omgeving (echt of gesimuleerd) functioneert.

2.5.3.   Onder de „echte locatie” (φtrue, λtrue) wordt verstaan:

a)

de feitelijke locatie van de GNSS-antenne (de locatie is bekend of wordt met een ander middel dan het eCall-systeem vastgesteld) in het geval van gebruik van echte GNSS-signalen, of

b)

de gesimuleerde locatie bij gebruik van gesimuleerde GNSS-signalen.

2.5.4.   De afwijking tussen de lokalisering door het boordsysteem en de echte locatie (dIVS) wordt met behulp van de volgende formules berekend:

 

Δφ = φIVS – φtrue

 

Δλ = λIVS – λtrue

 

Formula

 

Formula

waarbij:

Δφ: verschil in breedtegraad (in radialen)

Δλ: verschil in lengtegraad (in radialen)

Noot:

Formula
; 1 mas = 4,8481368 · 10– 9 rad

φm : gemiddelde breedtegraad (in een eenheid die geschikt is voor de cosinusberekening)

R: aardradius (gemiddeld) = 6 371 009 m

2.5.5.   De testprocedure voor de plaatsbepaling van het voertuig mag worden herhaald als het eCall-systeem vóór de test geen GNSS-plaatsbepaling kon uitvoeren.

2.6.   Procedure voor het testen van de antenne

2.6.1.   Als voor de test bij de verbindingsprocedure geen gebruik is gemaakt van OTA-gegevenstransmissie moet worden gecontroleerd of de antenne van het mobiele netwerk nog functioneert door de afstemming van de antenne na de remvertraging te verifiëren overeenkomstig de volgende procedure.

2.6.2.   Meet de van de externe antenne van het mobiele netwerk na de remvertraging bij een frequentie binnen de voor de antenne gespecificeerde frequentieband.

2.6.2.1.   De meting moet worden verricht met een vermogensmeter, een antenneanalyser of een staande-golfmeter die zich zo dicht mogelijk bij het voedingspunt van de antenne bevindt.

2.6.2.2.   Indien een vermogensmeter wordt gebruikt, wordt de berekend met behulp van de volgende vergelijking:

Formula

waarbij:

Pf : voorwaarts vermogen

Pr : terugkerend/terugkaatstend vermogen

2.6.3.   Controleer of de voldoet aan de door de fabrikant voorgeschreven specificaties voor nieuwe antennes.

2.7.   Verbindingsprocedures

2.7.1.   Procedure met gebruikmaking van een gesimuleerd mobiel netwerk

2.7.1.1.   Een door het op 112 gebaseerde systeem uitgezonden TS12-oproep moet via een OTA-verbinding van een niet-openbaar (d.w.z. gesimuleerd) mobiel netwerk worden verstuurd en doorgeleid naar het hiervoor bestemde PSAP-testpunt.

2.7.1.2.   Het voor de testprocedures gebruikte PSAP-testpunt moet een PSAP-simulator zijn die door de technische dienst wordt beheerd, overeenstemt met de toepasselijke EN-normen en is gecertificeerd volgens EN 16454. Het PSAP-testpunt moet voorzien zijn van een geluidsinterface, zodat het spraakverkeersysteem kan worden getest.

2.7.1.3.   Indien van toepassing moet een door het TPS-systeem uitgezonden TS11-oproep via een OTA-verbinding van een niet-openbaar (d.w.z. gesimuleerd) mobiel netwerk worden verstuurd en doorgeleid naar het hiervoor bestemde TPSP-testpunt.

2.7.1.4.   Het TPSP-testpunt moet ofwel een hiervoor bestemde simulator van een TPSP-centrale zijn die door de technische dienst wordt beheerd, ofwel een echte TPSP-centrale (in welk geval een toestemming vereist is).

2.7.1.5.   Voor deze procedure wordt een mobiele dekking van minstens – 99 dBm of gelijkwaardig aanbevolen.

2.7.2.   Procedure met gebruikmaking van een openbaar mobiel netwerk

2.7.2.1.   Een TS11-oproep naar een lang nummer (in plaats van een TS12-oproep) moet door het op 112 gebaseerde systeem worden uitgezonden en via een OTA-verbinding van een openbaar mobiel netwerk worden verstuurd en doorgeleid naar het hiervoor bestemde PSAP-testpunt.

2.7.2.2.   Het voor de testprocedures gebruikte PSAP-testpunt moet een PSAP-simulator zijn die door de technische dienst wordt beheerd, overeenstemt met de toepasselijke EN-normen en is gecertificeerd volgens EN 16454. Het PSAP-testpunt moet voorzien zijn van een geluidsinterface, zodat het spraakverkeersysteem kan worden getest.

2.7.2.3.   Indien van toepassing moet een door het TPS-systeem uitgezonden TS11-oproep via een OTA-verbinding van een openbaar mobiel netwerk worden verstuurd en doorgeleid naar het hiervoor bestemde TPSP-testpunt.

2.7.2.4.   Het TPSP-testpunt moet ofwel een hiervoor bestemde simulator van een TPSP-centrale zijn die door de technische dienst wordt beheerd, ofwel een echte TPSP-centrale (in welk geval een toestemming vereist is).

2.7.2.5.   Voor deze procedure wordt een mobiele dekking van minstens – 99 dBm of gelijkwaardig aanbevolen.

2.7.3.   Procedure voor draadverbindingen

2.7.3.1.   Een door het op 112 gebaseerde systeem uitgezonden TS12-oproep moet uitsluitend via een draadverbinding met een hiervoor bestemde simulator worden verstuurd (zonder gebruikmaking van een antenne voor mobiele netwerken) en doorgeleid naar het hiervoor bestemde PSAP-testpunt.

2.7.3.2.   Het voor de testprocedures gebruikte PSAP-testpunt moet een PSAP-simulator zijn die door de technische dienst wordt beheerd, overeenstemt met de toepasselijke EN-normen en is gecertificeerd volgens EN 16454. Het PSAP-testpunt moet voorzien zijn van een geluidsinterface, zodat het spraakverkeersysteem kan worden getest.

2.7.3.3.   Indien van toepassing moet een door het TPS-systeem uitgezonden TS11-oproep via een draadverbinding met een hiervoor bestemde simulator worden verstuurd (zonder gebruikmaking van een antenne voor mobiele netwerken) en doorgeleid naar het hiervoor bestemde TPSP-testpunt.

2.7.3.4.   Het TPSP-testpunt moet ofwel een simulator van een TPSP-centrale zijn die door de technische dienst wordt beheerd, ofwel een echte TPSP-centrale (in welk geval een toestemming vereist is).

2.8.   Controleprocedures voor onderdelen

2.8.1.   Deze procedures moeten worden toegepast met het oog op de typegoedkeuring van een onderdeel van op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen overeenkomstig artikel 5 van deze verordening.

2.8.1.1.   Deze procedures moeten worden toegepast nadat de verschillende onderdelen de in punt 2.3 van deze bijlage bepaalde testprocedure bij zeer sterke remvertraging hebben ondergaan.

2.8.2.   Controleer het controlepaneel, de kabelaansluitingen en de kabelboom zoals beschreven in punt 2.2.4 van deze bijlage.

2.8.2.1.   Controleer of tijdens de test geen kabelaansluitingen zijn losgekoppeld.

2.8.2.2.   De prestatievoorschriften moeten worden gecontroleerd door middel van het uitvoeren van een testoproep.

2.8.2.3.   Controleer vóór de uitvoering van de testoproep of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de mate waarin het eCall-systeem (echte of gesimuleerde) GNSS-signalen ontvangt is representatief voor een open omgeving;

b)

het eCall-systeem heeft voldoende tijd gehad om gevoed door een stroombron een GNSS-plaatsbepaling uit te voeren;

c)

bij elke testoproep wordt één van de in punt 2.7 omschreven verbindingsprocedures, zoals overeengekomen tussen de technische dienst en de fabrikant, toegepast;

d)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door een op 112 gebaseerd eCall-systeem uitgezonden noodoproep;

e)

het is niet mogelijk dat een gesimuleerde eCall-noodoproep via het reële netwerk door een echte PSAP wordt ontvangen, en

f)

indien van toepassing: het TPS-systeem is gedeactiveerd of zal automatisch overschakelen naar het op 112 gebaseerde systeem.

2.8.2.4.   Voer een testoproep uit (op „push”-wijze) door een handeling uit te voeren die het systeem activeert overeenkomstig de instructies van de fabrikant.

2.8.2.5.   Controleer elk van de volgende punten:

a)

Controleer of het PSAP-testpunt een MSD heeft ontvangen. Dit wordt gecontroleerd door een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat een na de initiëring door het eCall-systeem uitgezonden MSD is ontvangen en gedecodeerd. Indien de decodering van de MSD niet mogelijk was bij redundantieversie rv0, maar wel bij een hogere redundantieversie of met een robuuste modulatie zoals gedefinieerd in ETSI TS 126 267, is dit aanvaardbaar.

b)

Controleer of de MSD een actuele tijdstempel bevat. Dit wordt gecontroleerd door een testregistratie waaruit blijkt dat de tijdstempel in de door het PSAP-testpunt ontvangen MSD niet met meer dan 60 seconden afwijkt van de precieze tijd waarop de activering van het systeem is geregistreerd. De transmissie kan worden herhaald als het eCall-systeem vóór de test geen GNSS-plaatsbepaling kon uitvoeren.

c)

Controleer of de MSD een nauwkeurige en actuele plaatsbepaling bevat. Dit moet worden gecontroleerd in overeenstemming met de testprocedure voor de lokalisering van het voertuig, zoals gedefinieerd in punt 2.5, door een testregistratie waaruit blijkt dat de afwijking tussen de lokalisering door het boordsysteem en de werkelijke locatie (dIVS) minder dan 150 m is en waarbij het PSAP-testpunt de boodschap krijgt dat de ontvangen informatie betrouwbaar is en de aangegeven positie dus ook.

2.8.2.6.   Sluit de testoproep af met het juiste commando van het PSAP-testpunt (bv. ophangen).

2.8.3.   Controleer het controlepaneel, de kabelaansluitingen en de kabelboom zoals beschreven in punt 2.2.4 van deze bijlage.

2.8.3.1.   Controleer of er tijdens de test geen kabelaansluitingen zijn losgekoppeld.

2.8.3.2.   Meet de VSWR van de externe antenne van het mobiele netwerk na de remvertraging bij een frequentie binnen de voor de antenne gespecificeerde frequentieband.

2.8.3.3.   De meting moet worden verricht met een vermogensmeter, een antenneanalyser of een staande-golfmeter die zich zo dicht mogelijk bij het voedingspunt van de antenne bevindt.

2.8.3.4.   Indien een vermogensmeter wordt gebruikt, moet de VSWR worden berekend met behulp van de volgende formule:

Formula

waarbij:

Pf : voorwaarts vermogen

Pr : terugkerend/terugkaatstend vermogen

2.8.3.5.   Controleer of de VSWR voldoet aan de door de fabrikant voorgeschreven specificaties voor nieuwe antennes.

2.8.4.   De stroombron (indien deze geen deel uitmaakt van het controlepaneel) met inbegrip van de kabelaansluitingen en de kabelboom zijn in overeenstemming met punt 2.2.4 van deze bijlage.

2.8.4.1.   Controleer of geen kabelaansluitingen zijn losgekoppeld tijdens de test.

2.8.4.2.   Meet of de spanning voldoet aan de specificatie van de fabrikant.


BIJLAGE II

Volledige botstest

1.   Voorschriften

1.1.   Prestatievoorschriften

1.1.1.   De overeenkomstig punt 2 uitgevoerde volledige botstest van voertuigen die voorzien zijn van een eCall-boordsysteem wordt als bevredigend beschouwd als na de botstest kan worden aangetoond dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan.

1.1.2.   Automatische initiëring: het eCall-systeem moet na een botsing automatisch een eCall-noodoproep uitvoeren overeenkomstig VN/ECE-reglement nr. 94 (bijlage 3) en VN/ECE-reglement nr. 95 (bijlage 4), al naargelang van toepassing.

1.1.3.   Statusvermelding van de eCall-noodoproep: het eCall-systeem informeert de inzittenden over de huidige status van de eCall-noodoproep (statusvermelding) door middel van een visueel en/of akoestisch signaal.

1.1.4.   Verzending en codering van de MSD: het eCall-systeem moet via het mobiele netwerk een MSD naar het PSAP-testpunt kunnen versturen.

1.1.5.   Vaststelling van voertuigspecifieke gegevens: het eCall-systeem moet de verplichte voertuigspecifieke gegevensvelden van de MSD nauwkeurig kunnen invullen.

1.1.6.   Plaatsbepaling: het eCall-systeem moet de actuele locatie van het voertuig nauwkeurig kunnen vaststellen.

2.   Testprocedure

2.1.   Doel van de volledige botstest

Het doel van deze test is te controleren of de automatische initiëring en het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem nog functioneren in voertuigen die een frontale of laterale botsing hebben ondergaan.

2.2.   De volgende tests moeten worden uitgevoerd op een voertuig dat voorzien is van een eCall-boordsysteem.

2.3.   Botstest

2.3.1.   Botstesten moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met bijlage 3 bij VN/ECE-reglement nr. 94 wat frontale botstesten betreft, en bijlage 4 bij VN/ECE-reglement nr. 95 wat laterale botstesten betreft, al naargelang van toepassing.

2.3.2.   De in de VN/ECE-reglementen nrs. 94 en 95 bepaalde testvoorwaarden zijn van toepassing.

2.3.3.   Controleer voor de uitvoering van de botstesten of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

indien de ingebouwde stroombron voor de test is geïnstalleerd, moet deze bij het begin van de test volgens de specificaties van de fabrikant voldoende opgeladen zijn om de opeenvolgende controletesten te kunnen uitvoeren;

b)

het automatische eCall-noodoproepsysteem is actief en ingesteld en het contact of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig is geactiveerd;

c)

voor elke testoproep zal één van de in punt 2.7 omschreven verbindingsprocedures, zoals overeengekomen tussen de technische dienst en de fabrikant, worden toegepast;

d)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door een op 112 gebaseerd eCall-systeem uitgezonden noodoproep;

e)

het is niet mogelijk dat een gesimuleerde eCall-noodoproep via het reële netwerk door een echte PSAP wordt ontvangen, en

f)

indien van toepassing: het TPS-systeem is gedeactiveerd of zal automatisch overschakelen naar het op 112 gebaseerde systeem.

2.4.   Controleprocedure

2.4.1.   De prestatievoorschriften moeten worden gecontroleerd door na de botsing vanuit het voertuig met het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem een testoproep uit te voeren: een automatisch geïnitieerde eCall-noodoproep na de botstest.

2.4.2.   Voer een testoproep uit (op „push”-wijze) door middel van een automatische initiëring.

2.4.3.   Controleer elk van de volgende punten in ten minste één van de testoproepen:

a)

controleer of de volledige botstest een eCall-noodoproep heeft geïnitieerd. Dit moet worden gecontroleerd aan de hand van een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat deze na de botstest een signaal van een eCall-noodoproep heeft ontvangen en dat de wijzer van de MSD „automatisch geïnitieerde eCall-noodoproep” aangaf;

b)

controleer of de statusvermelding van het eCall-systeem een eCall-sequentie heeft geregistreerd na de automatische of manuele initiëring. Dit moet worden gecontroleerd aan de hand van een registratie waaruit blijkt dat een indicatiesequentie was uitgevoerd op alle in de documentatie van de fabrikant gespecifieerde sensoren (visuele en/of akoestische);

c)

Controleer of het PSAP-testpunt een MSD heeft ontvangen. Dit moet worden gecontroleerd aan de hand van een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat na de automatische of manuele initiëring vanuit het voertuig een MSD is ontvangen en gedecodeerd. Indien de decodering van de MSD niet mogelijk was bij redundantieversie rv0, maar wel bij een hogere redundantieversie of met een robuuste modulatie zoals gedefinieerd in ETSI TS 126 267, is dit aanvaardbaar.

d)

controleer of de MSD nauwkeurige voertuigspecifieke gegevens bevat. Dit moet worden gecontroleerd aan de hand van een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat de in de gegevensvelden ingevulde informatie met betrekking tot het voertuigtype, het voertuigidentificatienummer (VIN) en het type opslag van de voertuigaandrijving niet afwijkt van de informatie in de aanvraag voor de typegoedkeuring;

e)

Controleer of de MSD een nauwkeurige en actuele plaatsbepaling bevat. Dit moet worden gecontroleerd in overeenstemming met de testprocedure voor de lokalisering van het voertuig, zoals gedefinieerd in punt 2.5 van bijlage I bij deze verordening, door een testregistratie waaruit blijkt dat de afwijking tussen de lokalisering door het boordsysteem en de werkelijke locatie (dIVS) minder dan 150 m is, waarbij het PSAP-testpunt de boodschap krijgt dat de ontvangen informatie betrouwbaar is en de aangegeven positie dus ook. Indien de botstest ergens plaatsvindt waar geen GNSS-signalen worden ontvangen, kan het voertuig voor de uitvoering van de testoproep naar een geschikte locatie worden verplaatst.

2.4.4.   Sluit de testoproep af met het juiste commando van het PSAP-testpunt (bv. ophangen).

2.4.5.   Indien de automatische testoproep niet kon worden uitgevoerd vanwege factoren die geen verband houden met het voertuig, is het toegestaan om de automatische initiëring te controleren aan de hand van de interne functie voor het registreren van transacties van het eCall-boordsysteem. Dit register moet ontvangen initiëringssignalen in een permanent geheugen kunnen opslaan. De technicus moet toegang hebben tot de gegevens die in het boordsysteem zijn opgeslagen en moet controleren dat voor de botstest geen signaal van automatische initiëring is geregistreerd en dat na de botstest wel een signaal van automatische initiëring is geregistreerd.

2.4.6.   Indien het voertuig tijdens de test aan een externe stroombron is gekoppeld (als de botstest wordt uitgevoerd zonder dat de standaard-stroombron van het voertuig is geïnstalleerd), moet worden gecontroleerd of de ingebouwde elektrische installatie die het eCall-boordsysteem van stroom voorziet, intact is gebleven. Dit moet worden gecontroleerd aan de hand van een verslag van een technicus waarin wordt bevestigd dat de integriteit van het ingebouwde elektrische systeem, met inbegrip van een loze ingebouwde elektrische stroombron (visuele inspectie van eventuele mechanische beschadiging van de bevestigingsklamp of de structuur van de stroombron) en de verbindingen langs de klemmen, is gecontroleerd.

2.5.   Testprocedure voor de plaatsbepaling van het voertuig

De in punt 2.5 van bijlage I bij deze verordening beschreven testprocedure voor de plaatsbepaling van het voertuig is van toepassing.

2.6.   Procedure voor het testen van de antenne

2.6.1.   Als voor de test bij de verbindingsprocedure geen gebruik is gemaakt van OTA-gegevenstransmissie (zie punt 2.7.3 van bijlage I bij deze verordening) moet worden gecontroleerd of de antenne van het mobiele netwerk nog functioneert door de afstemming van de antenne na de volledige botstest te controleren overeenkomstig de in punt 2.6 van bijlage I bij deze verordening vastgestelde procedure. Voorts moet worden gecontroleerd of er geen kabel is gebroken of kortsluiting op de antennevoeding is geweest door de elektrische weerstand tussen de kabeluiteinden en tussen de kabel en de vloer van het voertuig te controleren.

2.7.   Verbindingsprocedures

De in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening beschreven verbindingsprocedures zijn van toepassing.


BIJLAGE III

Botsbestendigheid van audioapparatuur

1.   Voorschriften

1.1.   Prestatievoorschriften

1.1.1.   De overeenkomstig punt 2 uitgevoerde beoordeling van de botsbestendigheid van de audioapparatuur van voertuigen die voorzien zijn van een eCall-boordsysteem moet als bevredigend worden beschouwd als na de (frontale en laterale) botstest kan worden aangetoond dat aan de volgende voorschriften wordt voldaan, al naar gelang van toepassing.

1.1.2.   Herinschakeling van audioapparatuur: het eCall-systeem moet de luidspreker(s) en microfoon(s) opnieuw inschakelen nadat deze tijdens de eCall-noodoproep werden uitgeschakeld voor de verzending van de MSD.

1.1.3.   Spraakverkeer: het eCall-systeem maakt voldoende verstaanbaar handsfree spraakverkeer (zowel uitzenden als ontvangen) tussen de inzittenden van het voertuig en een operator mogelijk.

2.   Testprocedure

2.1.   Doel van de test inzake botsbestendigheid van de audioapparatuur

Het doel van deze test is na te gaan of de luidspreker(s) en microfoon(s) worden heringeschakeld nadat deze werden uitgeschakeld voor de verzending van de MSD en of de audioapparatuur ook na een frontale of laterale botstest blijft functioneren.

2.2.   De hierna beschreven controletest wordt uitgevoerd op een voertuig dat voorzien is van een eCall-boordsysteem en dat een volledige botstest heeft ondergaan in overeenstemming met bijlage 3 bij VN/ECE-reglement nr. 94 wat frontale botstesten betreft, en bijlage 4 bij VN/ECE-reglement nr. 95 wat laterale botstesten betreft, zoals beschreven in punt 1.1.1 hierboven.

2.3.   Overzicht van de testprocedure

2.3.1.   De botsbestendigheid van de audioapparatuur moet worden gecontroleerd door na de botstest een testoproep uit te voeren met behulp van de spraakverkeerverbinding tussen het voertuig en het PSAP-testpunt.

2.3.2.   Twee technici, de ene in het voertuig (de tester aan het nabije uiteinde) en de andere in het PSAP-testpunt (de tester aan het verre uiteinde), versturen (lezen en luisteren) achtereenvolgens vooraf vastgestelde, fonetisch gebalanceerde zinnen in eenzijdige spreekmodus.

2.3.3.   De testers moeten beoordelen of zij de betekenis van de verzonden berichten hebben begrepen, en dit zowel in de rol van zender als van ontvanger.

2.4.   Opstelling van de testers

2.4.1.   De test moet worden uitgevoerd in een rustige omgeving met achtergrondgeluid van maximum 50 dB (A) en zonder enige andere geluidsbronnen die de tests zouden kunnen verstoren.

2.4.2.   De tester aan het nabije uiteinde moet zijn hoofd in een positie hebben die lijkt op de positie van het hoofd van de bestuurder in de normale zithouding op de bestuurderszitplaats van het voertuig waarop de botstest wordt uitgevoerd. De tester moet de ingebouwde audioapparatuur in de oorspronkelijke opstelling gebruiken.

2.4.3.   De tester aan het verre uiteinde moet zodanig ver van het voertuig worden geplaatst dat de ene tester met een normaal stemvolume niet zonder hulpmiddel door de andere tester kan worden verstaan.

2.5.   Testopstelling

2.5.1.   Controleer vóór de uitvoering van de testoproep of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

voor elke testoproep zal één van de in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening omschreven verbindingsprocedures, zoals overeengekomen tussen de technische dienst en de fabrikant, worden toegepast;

b)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door een op 112 gebaseerd eCall-systeem uitgezonden noodoproep;

c)

het is niet mogelijk dat een gesimuleerde eCall-noodoproep via het reële netwerk door een echte PSAP wordt ontvangen;

d)

indien van toepassing: het TPS-systeem is uitgeschakeld of zal automatisch overschakelen naar het op 112 gebaseerde systeem, en

e)

de ontstekings- of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig is geactiveerd.

2.5.2.   Indien het volume kan worden geregeld, moet het volume in zijn hoogste stand worden gezet voor het verzenden en ontvangen aan het nabije en het verre uiteinde. Het volume aan het verre uiteinde mag tijdens de test worden verlaagd als dit nodig is om de berichten beter te begrijpen.

2.5.3.   Indien mogelijk worden voor de verbinding geen mobiele netwerken gekozen die de prestatie van het handsfree-systeem beïnvloeden (bv. echo, AGC, lawaaibeperking enz.). Voor gesimuleerde netwerken moet indien mogelijk DTX worden uitgeschakeld en Full Rate Codec (voor gsm-standaard) en de hoogste bitsnelheid van 12,2 kbit/s (voor AMR-codecs) worden gebruikt.

2.6.   Testoproep

2.6.1.   Voer een testoproep uit (op „push”-wijze) middels een manuele initiëring via het ingebouwde HMI en wacht totdat de luidspreker(s) en microfoon(s) na de verzending van de MSD zijn heringeschakeld voor spraakverkeer.

2.6.2.   Uitwisseling van testberichten

2.6.2.1.   Ontvangen van een bericht

2.6.2.1.1.   De tester aan het verre uiteinde moet een zinpaar van de lijst in het aanhangsel selecteren en voorlezen. De tester moet de zinnen voorlezen met een voor telefoongesprekken normaal stemvolume.

2.6.2.1.2.   De tester aan het nabije uiteinde moet beoordelen of het gesproken bericht dat hij heeft ontvangen verstaanbaar was: de test voor het ontvangen van een bericht is geslaagd als de tester aan het nabije uiteinde vanuit zijn oorspronkelijke zithouding de volledige betekenis van het bericht zonder speciale inspanning kon verstaan.

2.6.2.1.3.   Indien de beoordeling dit vereist, kan de tester aan het nabije uiteinde de tester aan het verre uiteinde verzoeken om bijkomende zinnen te verzenden.

2.6.2.2.   Verzenden van een bericht

2.6.2.2.1.   De tester aan het nabije uiteinde moet vanuit zijn oorspronkelijke zithouding een zinpaar uit de lijst in het aanhangsel selecteren en voorlezen. De tester moet de zinnen voorlezen met een voor telefoongesprekken normaal stemvolume.

2.6.2.2.2.   De tester aan het verre uiteinde moet beoordelen of het gesproken bericht dat hij heeft ontvangen verstaanbaar was: de test voor het verzenden van een bericht is geslaagd als de tester aan het verre uiteinde de volledige betekenis van het bericht zonder speciale inspanning kon verstaan.

2.6.2.2.3.   Indien de beoordeling dit vereist, kan de tester aan het verre uiteinde de tester aan het nabije uiteinde verzoeken om bijkomende zinparen te verzenden.

2.6.3.   Sluit de testoproep af met het juiste commando van het PSAP-testpunt (bv. ophangen).

2.6.4.   Indien niet aan de voorwaarden kan worden voldaan door tekortkomingen die door het PSAP-testpunt of het transmissiemedium zijn veroorzaakt, mag de test worden herhaald, waarbij de testopstelling indien nodig kan worden aangepast.

2.7.   Verbindingsprocedures

2.7.1.   De in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening beschreven verbindingsprocedures zijn van toepassing.

Aanhangsel

Zinnen voor gebruik bij de test

1.   Bij het testen van het verzenden en het ontvangen van berichten moeten de volgende zinparen, zoals vastgesteld in bijlage B van ITU-T, P.501, worden gebruikt.

2.   Uit de onderstaande lijst moeten de zinparen worden gekozen in de taal die het meest wordt gesproken door de testers. Indien de testers met geen enkele van deze talen vertrouwd zijn, moeten andere zinnen worden gebruikt in een taal waarmee ze wel vertrouwd zijn en die bij voorkeur fonetisch gebalanceerd zijn.

3.   Zinparen voor gebruik bij de test

3.1.   Nederlands

a)

Dit product kent nauwelijks concurrentie.

Hij kende zijn grens niet.

b)

Ik zal iets over mijn carrière vertellen.

Zijn auto was alweer kapot.

c)

Zij kunnen de besluiten nemen.

De meeste mensen hadden het wel door.

d)

Ik zou liever gaan lopen.

Willem gaat telkens naar buiten.

3.2.   Engels

a)

These days a chicken leg is a rare dish.

The hogs were fed with chopped corn and garbage.

b)

Rice is often served in round bowls.

A large size in stockings is hard to sell.

c)

The juice of lemons makes fine punch.

Four hours of steady work faced us.

d)

The birch canoe slid on smooth planks.

Glue the sheet to the dark blue background.

3.3.   Fins

a)

Ole ääneti tai sano sellaista, joka on parempaa kuin vaikeneminen.

Suuret sydämet ovat kuin valtameret, ne eivät koskaan jäädy.

b)

Jos olet vasara, lyö kovaa. Jos olet naula, pidä pääsi pystyssä.

Onni tulee eläen, ei ostaen.

c)

Rakkaus ei omista mitään, eikä kukaan voi sitä omistaa.

Naisen mieli on puhtaampi, hän vaihtaa sitä useammin.

d)

Sydämellä on syynsä, joita järki ei tunne.

On opittava kärsimään voidakseen elää.

3.4.   Frans

a)

On entend les gazouillis d'un oiseau dans le jardin.

La barque du pêcheur a été emportée par une tempête.

b)

Le client s'attend à ce que vous fassiez une réduction.

Chaque fois que je me lève ma plaie me tire.

c)

Vous avez du plaisir à jouer avec ceux qui ont un bon caractère.

Le chevrier a corné pour rassembler ses moutons.

d)

Ma mère et moi faisons de courtes promenades.

La poupée fait la joie de cette très jeune fille.

3.5.   Duits

a)

Zarter Blumenduft erfüllt den Saal.

Wisch den Tisch doch später ab.

b)

Sekunden entscheiden über Leben.

Flieder lockt nicht nur die Bienen.

c)

Gegen Dummheit ist kein Kraut gewachsen.

Alles wurde wieder abgesagt.

d)

Überquere die Strasse vorsichtig.

Die drei Männer sind begeistert.

3.6.   Italiaans

a)

Non bisogna credere che sia vero tutto quello che dice la gente. Tu non conosci ancora gli uomini, non conosci il mondo.

Dopo tanto tempo non ricordo più dove ho messo quella bella foto, ma se aspetti un po' la cerco e te la prendo.

b)

Questo tormento durerà ancora qualche ora. Forse un giorno poi tutto finirà e tu potrai tornare a casa nella tua terra.

Lucio era certo che sarebbe diventato una persona importante, un uomo politico o magari un ministro. Aveva a cuore il bene della società.

c)

Non bisogna credere che sia vero tutto quello che dice la gente tu non conosci ancora gli uomini, non conosci il mondo.

Dopo tanto tempo non ricordo più dove ho messo quella bella foto ma se aspetti un po' la cerco e te la prendo.

d)

Questo tormento durerà ancora qualche ora. Forse un giorno poi tutto finirà e tu potrai tornare a casa nella tua terra.

Lucio era certo che sarebbe diventato una persona importante, un uomo politico o magari un ministro, aveva a cuore il bene della società.

3.7.   Pools

a)

Pielęgniarki były cierpliwe.

Przebiegał szybko przez ulicę.

b)

Ona była jego sekretarką od lat.

Dzieci często płaczą kiedy są głodne.

c)

On był czarującą osobą.

Lato wreszcie nadeszło.

d)

Większość dróg było niezmiernie zatłoczonych.

Mamy bardzo entuzjastyczny zespół.

3.8.   Spaans

a)

No arroje basura a la calle.

Ellos quieren dos manzanas rojas.

b)

No cocinaban tan bien.

Mi afeitadora afeita al ras.

c)

Ve y siéntate en la cama.

El libro trata sobre trampas.

d)

El trapeador se puso amarillo.

El fuego consumió el papel.


BIJLAGE IV

Co-existentie van diensten van derden (TPS) met op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen

1.   Voorschriften

1.1.   De volgende voorschriften gelden voor op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen, technische eenheden en facultatief op onderdelen die worden gebruikt in combinatie met een TPS-systeem.

1.2.   Prestatievoorschriften

1.2.1.   Het op 112 gebaseerde systeem wordt gedeactiveerd zolang het TPS-systeem actief is en functioneert.

1.2.2.   Het op 112 gebaseerde systeem moet automatisch worden geïnitieerd als het TPS-systeem wordt geïnitieerd maar niet functioneert.

1.3.   Documentatievoorschriften

1.3.1.   De fabrikant moet de technische dienst een toelichting verstrekken bij de voorzieningen die in het ontwerp van het TPS-systeem zijn opgenomen voor de automatische initiëring van het op 112 gebaseerde systeem („uitwijkprocedure”) in het geval dat het TPS-systeem niet werkt. Deze documentatie omvat een beschrijving van de beginselen van het overschakelmechanisme.

1.3.2.   De documentatie moet vergezeld gaan van een analyse in grote lijnen van alle mogelijke hardware- of softwaredefecten die ertoe zouden leiden dat het TPS-systeem geen noodoproep kan maken, en van de manier waarop het TPS-systeem zich in die omstandigheden zou gedragen.

Deze analyse mag gebaseerd zijn op een faalwijzen- en gevolgenanalyse, een foutenboomanalyse of een soortgelijke procedure die tussen de fabrikant en de technische dienst is overeengekomen.

De gekozen analytische benadering(en) moet(en) door de fabrikant worden vastgesteld en bijgehouden en bij typegoedkeuring aan de technische dienst ter inzage worden verstrekt.

2.   Testprocedure

2.1.   Doel van de testprocedure betreffende de co-existentie van diensten van derden (TPS)

Het doel van deze procedure is na te gaan of in het geval van eCall-boordsystemen die in combinatie met een TPS-systeem moeten worden gebruikt er slechts één systeem tegelijk actief is en dat het op 112 gebaseerde systeem automatisch wordt geactiveerd als het TPS-systeem niet werkt.

2.2.   De volgende tests moeten worden uitgevoerd op een voertuig dat voorzien is van een eCall-boordsysteem of op een representatief geheel van onderdelen.

2.3.   Er moet worden gecontroleerd of het op 112 gebaseerde systeem gedeactiveerd is terwijl het TPS-systeem actief is door het uitvoeren van een manueel geïnitieerde testoproep.

2.3.1.   Controleer voor de uitvoering van de test of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

voor elke testoproep zal één van de in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening omschreven verbindingsprocedures, zoals overeengekomen tussen de technische dienst en de fabrikant, worden toegepast;

b)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door een op 112 gebaseerd eCall-systeem uitgezonden noodoproep;

c)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door het TPS-systeem uitgezonden noodoproep;

d)

het is niet mogelijk dat een gesimuleerde eCall-noodoproep via het reële netwerk door een echte alarmcentrale wordt ontvangen, en

e)

de ontstekings- of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig is geactiveerd.

2.3.2.   Voer een testoproep uit middels een manuele initiëring van het TPS-systeem (op „push”-wijze).

2.3.3.   Controleer het volgende:

a)

dat contact is gemaakt met het PSAP-testpunt aan de hand van een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat deze een signaal heeft ontvangen van een noodoproep of aan de hand van een succesvolle spraakverbinding met het PSAP-testpunt, en

b)

dat het eCall-boordsysteem geen poging ondernam of erin slaagde om contact te maken met het PSAP-testpunt aan de hand van een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat deze geen signaal van het eCall-boordsysteem heeft ontvangen.

2.3.4.   Sluit de testoproep af met het juiste commando van het PSAP-testpunt (bv. ophangen).

2.3.5.   Als het TPS-systeem er tijdens de test niet in slaagt om contact te maken, mag de testprocedure worden herhaald.

2.4.   De uitwijkprocedure moet worden gecontroleerd door in een toestand waarin het TPS-systeem niet functioneert een manueel geïnitieerde testoproep naar een speciaal hiervoor bestemd PSAP-testpunt uit te voeren.

2.4.1.   Het TPS-systeem moet volgens de instructies van de goedkeuringsinstantie worden gewijzigd om een defect te simuleren en de uitwijkprocedure te initiëren op basis van de door de fabrikant ter beschikking gestelde documentatie.

2.4.2.   Controleer voor de uitvoering van de test of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

voor elke testoproep zal één van de in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening omschreven verbindingsprocedures, zoals overeengekomen tussen de technische dienst en de fabrikant, worden toegepast;

b)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door een op 112 gebaseerd eCall-systeem uitgezonden noodoproep;

c)

het is niet mogelijk dat een gesimuleerde eCall-noodoproep via het reële netwerk door een echte alarmcentrale wordt ontvangen, en

d)

de ontstekings- of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig is geactiveerd.

2.4.3.   Voer een testoproep uit middels een manuele initiëring van het TPS-systeem (op „push”-wijze).

2.4.4.   Controleer of het eCall-boordsysteem contact heeft gemaakt aan de hand van een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat deze een signaal van het eCall-boordsysteem heeft ontvangen.

2.4.5.   Sluit de testoproep af met het juiste commando van het PSAP-testpunt (bv. ophangen).

2.5.   Verbindingsprocedures

De in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening beschreven verbindingsprocedures zijn van toepassing.


BIJLAGE V

Mechanisme voor automatische initiëring

1.   Voorschriften

1.1.   De volgende voorschriften zijn van toepassing op voertuigen die voorzien zijn van een eCall-boordsysteem.

1.2.   Documentatievoorschriften

1.2.1.   De fabrikant moet verklaren dat de gekozen strategie om een automatische eCall-noodoproep te initiëren garandeert dat er ook een noodoproep wordt geïnitieerd in het geval van minder ernstige ongevallen dan de gesimuleerde botsingen van de in VN/ECE-reglement nr. 94 en VN/ECE-reglement nr. 95 vastgestelde toepasselijke volledige botstesten.

1.2.2.   De fabrikant moet de soort en de ernst van de botsingen kiezen en aantonen dat deze aanzienlijk afwijken van de volledige botstesten.

1.2.3.   De fabrikant moet hierover uitleg en technische documentatie verstrekken aan de typegoedkeuringsinstantie, waaruit in grote lijnen blijkt hoe dit is verwezenlijkt.

1.2.3.1.   Documentatie waaruit tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie blijkt dat de activering van extra beveiligingssystemen en de door de fabrikant gekozen ernst ook leidt tot een automatische eCall-noodoproep wordt als bevredigend beschouwd.

1.2.3.2.   Er moet documentatie worden verstrekt die tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie aantoont welke strategie is toegepast om te voorkomen dat er onterecht eCall-noodoproepen worden gelanceerd bij botsingen die als een ernstig ongeval worden beschouwd. Bovendien moet een faalwijzenanalyse worden verstrekt waaruit blijkt dat hard- of softwaredefecten niet leiden tot de automatische initiëring van een eCall.

1.2.3.3.   Tekeningen van de technische specificaties van de besturingseenheid van de airbag, nota's van de specificatiegegevens, tekeningen van de gevoeligheid, relevante schakelschema's of andere gelijkaardige documenten die de typegoedkeuringsinstantie gelijkwaardig acht, worden beschouwd als geschikte documenten om dit aan te tonen.

1.2.3.4.   Het uitgebreide documentatiepakket moet strikt vertrouwelijk blijven. Het kan door de goedkeuringsinstantie of, naar keuze van de goedkeuringsinstantie, door de fabrikant worden bewaard. Indien de fabrikant het documentatiepakket bewaart, moet het na controle en goedkeuring door de goedkeuringsinstantie van een kenmerk worden voorzien en worden gedateerd. Het pakket moet bij de goedkeuring of op elk ogenblik tijdens de geldigheidsduur van de goedkeuring beschikbaar worden gesteld voor inspectie door de goedkeuringsinstantie.


BIJLAGE VI

Technische voorschriften voor de compatibiliteit van eCall-boordsystemen met de plaatsbepalingsdiensten van de systemen Galileo en Egnos

1.   Voorschriften

1.1.   Compatibiliteitsvereisten

1.1.1.   Onder „compatibiliteit met het Galileosysteem” wordt verstaan: de ontvangst en verwerking van de signalen van de open dienst van Galileo en het gebruik ervan bij de berekening van de definitieve locatie.

1.1.2.   Onder „compatibiliteit met het Egnossysteem” wordt verstaan: de ontvangst van de correcties van de open dienst van Egnos en de toepassing ervan op de GNSS-signalen, en in het bijzonder op de GPS-signalen.

1.1.3.   De compatibiliteit van de eCall-boordsystemen met de plaatsbepalingsdiensten van de systemen Galileo en Egnos moet in overeenstemming zijn met de in punt 1.2 bedoelde plaatsbepalingscapaciteit en moet worden aangetoond door middel van de in punt 2 bedoelde testprocedures.

1.1.4.   De in punt 2.2 bedoelde testprocedures kunnen ofwel worden uitgevoerd op de eCall-eenheid die voorzien is van een post-processingcapaciteit of rechtstreeks op de GNSS-ontvanger die deel uitmaakt van het eCall-systeem.

1.2.   Prestatievoorschriften

1.2.1.   De GNSS-ontvanger moet de navigatieoplossing kunnen omzetten in een formaat dat geschikt is voor NMEA-0183-protocol (RMC, GGA, VTG, GSA en GSV). In de gebruikershandleiding moet worden beschreven hoe het eCall-systeem moet worden ingesteld om NMEA-0183-berichten te kunnen genereren.

1.2.2.   De GNSS-ontvanger die deel uitmaakt van het eCall-systeem moet van ten minste twee wereldwijde satellietnavigatiesystemen, met inbegrip van Galileo en GPS, aparte GNSS-signalen in de L1/E1-banden kunnen ontvangen en verwerken.

1.2.3.   De GNSS-ontvanger die deel uitmaakt van het eCall-systeem moet van ten minste twee wereldwijde satellietnavigatiesystemen, met inbegrip van Galileo, GPS en SBAS, gecombineerde GNSS-signalen op de L1/E1-banden kunnen ontvangen en verwerken.

1.2.4.   De GNSS-ontvanger die deel uitmaakt van het eCall-systeem moet plaatsbepalingsinformatie kunnen verschaffen volgens het coördinatenreferentiesysteem WGS-84.

1.2.5.   De foutmarge van de horizontale plaatsbepaling mag niet meer bedragen dan:

in een open omgeving: 15 meter bij een betrouwbaarheidsgraad van 0,95 met een verzwakking van de positienauwkeurigheid (PDOP) in het bereik van 2,0 tot en met 2,5;

in een urban canyon: 40 meter bij een betrouwbaarheidsgraad van 0,95 met een verzwakking van de positienauwkeurigheid (PDOP) in het bereik van 3,5 tot en met 4,0;

1.2.6.   De vastgestelde nauwkeurigheid moet worden bereikt onder de volgende omstandigheden:

bij een snelheid van 0 tot [140] km/h;

bij een lineaire acceleratie van 0 tot [2] G.

1.2.7.   De koudestartperiode mag niet langer duren dan

60 seconden bij een signaalsterkte tot — 130 dBm;

300 seconden bij een signaalsterkte tot — 140 dBm.

1.2.8.   Na een blokkering van 60 seconden van de GNSS-signaalontvangst mag de reacquisitietijd na het herstel van de satellietzichtbaarheid bij een signaalsterkte tot — 130 dBm niet meer dan 20 seconden duren.

1.2.9.   De gevoeligheid bij de ontvanger moet als volgt zijn:

voor de detectie van de GNSS-signalen (bij koude start) is niet meer dan 3 600 seconden nodig bij een signaalsterkte aan de antenne-ingang van het eCall-systeem van — 144 dBm;

het traceren van GNSS-signalen en het berekenen van een navigatieoplossing kan ten minste 600 seconden lang aanhouden bij een signaalsterkte aan de antenne-ingang van het eCall-systeem van — 155 dBm;

de reacquisitie van het GNSS-signaal en de berekening van de navigatieoplossing zijn mogelijk, in welk geval niet meer dan 60 seconden nodig is bij een signaalsterkte van — 150 dBm aan de antenne-ingang van het eCall-systeem;

1.2.10.   De GNSS-ontvanger moet minstens elke seconde een plaatsbepaling kunnen ontvangen.

2.   Testmethoden

2.1.   Testvoorwaarden

2.1.1.   Het te testen voorwerp is het eCall-systeem, met inbegrip van een GNSS-ontvanger en een GNSS-antenne, teneinde de navigatiekenmerken van het geteste systeem te specificeren.

2.1.2.   Er moeten ten minste drie exemplaren van het eCall-systeem worden getest; deze kunnen tegelijkertijd worden getest.

2.1.3.   Voor de test wordt het eCall-systeem voorzien van een SIM-kaart, een gebruikershandleiding en de software (op een elektronische drager).

2.1.4.   De bijgevoegde documenten bevatten de volgende gegevens:

het serienummer van het toestel;

de versie van de hardware;

de versie van de software;

het identificatienummer van de leverancier van het toestel;

de technische documentatie die relevant is voor het uitvoeren van de tests.

2.1.5.   De tests worden uitgevoerd onder normale klimatologische omstandigheden overeenkomstig de norm ISO 16750-1: 2006:

luchttemperatuur 23 (± 5) °C;

relatieve luchtvochtigheid van 25 % tot 75 %.

2.1.6.   De GNSS-ontvanger van het eCall-systeem wordt getest met behulp van de in tabel 1 gespecificeerde test- en hulpapparatuur.

Tabel 1

Lijst van aanbevolen meetinstrumenten en test- en hulpapparatuur

Benaming van de apparatuur

Vereiste technische kenmerken van de testapparatuur

Schaalbereik

Nauwkeurigheid van de schaalwaarde

GNSS-simulator van Galileo- en GPS-signalen

Aantal gesimuleerde signalen: minstens 12

De gemiddelde kwadratische afwijking van de willekeurige nauwkeurigheid van de pseudoafstand tot de Galileo- en GPS-satellieten bedraagt niet meer dan:

stadiometrische codefase: 0,1 meter

draaggolffase: 0,001 meter

pseudosnelheid: 0,005 meter/seconde

Digitale chronometer

Maximaal meetbereik: 9 uur 59 minuten 59,99 seconden

Dag-tot-dagvariatie bij 25 (± 5) °C mag niet meer bedragen dan 1,0 seconden

Meetprecisie 0,01 seconden

Vector network analyser

Frequentiebereik: 300 kHz. 4 000 kHz

Dynamisch bereik:

(– 85 .. 40) dB

Nauwkeurigheid F = ± 1 · 10– 6 kHz

Nauwkeurigheid D = (0,1 .. 0,5) dB

Versterker met laag ruisgetal

Frequentiebereik: 1 200 .. 1 700 MHz

Ruiscoëfficiënt: niet meer dan 2,0 dB

Winstcoëfficiënt versterker: 24 dB

 

Verzwakker 1

Dynamisch bereik: (0 .. 11) dB

Nauwkeurigheid ± 0,5 dB

Verzwakker 2

Dynamisch bereik: (0 .. 110) dB

Nauwkeurigheid ± 0,5 dB

Stroombron

Bereik van de gelijkstroomopstelling: van 0,1 tot 30 volt

Nauwkeurigheid V = ± 3 %

Stroomsterkte van de uitgangsspanning: ten minste 3 ampère

Nauwkeurigheid A = ± 1 %

Opmerking: het is toegestaan andere vergelijkbare types apparatuur te gebruiken indien deze de kenmerken met de vereiste nauwkeurigheid kunnen vaststellen.

2.1.7.   Tenzij anders gespecificeerd, gebeurt de simulatie van de GNSS-signalen volgens het in figuur 1 weergegeven schema in een open omgeving.

Figuur 1

Definitie van „open omgeving”

Zone

Elevatiebereik (in graden)

Azimutbereik (in graden)

A

0-5

0-360

Achtergrond

Gebied buiten zone A

Image 8

Achteruit

Links

Rechts

Vooruit

Verzwakking: x1 dB

Verzwakking: x2 dB

2.1.8.   Open omgeving — verzwakking:

 

0 dB

A

– 100 dB of signaal is uitgeschakeld

2.2.   Testprocedures

2.2.1.   Test betreffende het genereren van NMEA-0183-berichten.

2.2.1.1.   Breng een verbinding tot stand overeenkomstig figuur 2.

Figuur 2

Schema van de testopstelling

Image 9

Stroomadapter

Signaal- simulator

eCall

PC

2.2.1.2   Bereid het eCall-systeem voor en schakel het in. Stel aan de hand van de gebruikershandleiding en de ontwikkelingssoftware de GNSS-ontvanger in voor de ontvangst van Galileo-, GPS- en SBAS-signalen. Stel de GNSS-ontvanger in om NMEA-0183-berichten te genereren (in RMC, GGA, VTG, GSA en GSV).

2.2.1.3.   Stel de simulator in aan de hand van de gebruikershandleiding. Start het simulatiescript met gebruikmaking van de in tabel 2 opgenomen parameters voor Galileo-, GPS- en SBAS-signalen.

Tabel 2

Belangrijkste parameters van het simulatiescript bij een statisch scenario

Gesimuleerde parameter

Waarde

Testduur, hh:mm:ss

01:00:00

Uitgangsfrequentie

1 hertz

eCall-locatie

Om het even welk gespecificeerd punt op het aardoppervlak tussen 80°NB en 80°ZB volgens het coördinatenreferentiesysteem WGS-84

Troposfeer:

Het door de GNSS-simulator vooraf gedefinieerde standaardmodel

Ionosfeer:

Het door de GNSS-simulator vooraf gedefinieerde standaardmodel

PDOP-waarde tijdens het testinterval

2,0 ≤ PDOP ≤ 2,5

Gesimuleerde signalen

Galileo (E1-frequentieband OS);

GPS (L1 frequentieband C/A-code);

gecombineerde Galileo/GPS/SBAS-signalen.

Signaalsterkte:

 

GNSS Galileo

min 135 dBm

GNSS GPS

min 138,5 dBm

Aantal gesimuleerde satellieten:

ten minste 6 Galileo-satellieten

ten minste 6 GPS-satellieten

ten minste 2 SBAS-satellieten

2.2.1.4.   Creëer een verbinding tussen het eCall-systeem en de PC met behulp van de daarvoor bestemde seriële interface. Controleer of er navigatie-informatie kan worden ontvangen in NMEA-0183-protocol. De waarde van veld 6 van de GGA-berichten wordt ingesteld op „2”.

2.2.1.5.   De testresultaten worden als geslaagd beschouwd als alle testexemplaren van eCall-systemen de navigatie-informatie in NMEA-0183-protocol hebben kunnen ontvangen.

2.2.1.6.   De test betreffende het genereren van NMEA-0183-berichten en de beoordeling van de plaatsbepalingsnauwkeurigheid in een autonome statische toestand kunnen worden gecombineerd.

2.2.2.   Beoordeling van de plaatsbepalingsnauwkeurigheid van een autonome statische toestand.

2.2.2.1.   Breng een verbinding tot stand overeenkomstig figuur 2.

2.2.2.2.   Bereid het eCall-systeem voor en schakel het in. Stel aan de hand van de ontwikkelingssoftware de GNSS-ontvanger op voor de ontvangst van gecombineerde Galileo-, GPS- en SBAS-signalen. Stel de GNSS-ontvanger op om NMEA-0183-berichten te genereren (in RMC, GGA, VTG, GSA en GSV).

2.2.2.3.   Stel de simulator op volgens de gebruikershandleiding. Start het simulatiescript voor gecombineerde Galileo-, GPS- en SBAS-signalen met gebruikmaking van de in tabel 2 vastgestelde parameters.

2.2.2.4.   Zet het systeem op voor de registratie van NMEA-0183-berichten na ontvangst van de navigatieoplossing. Tot het moment waarop het simulatiescript voltooid is, worden de door de GNSS-ontvanger gegenereerde NMEA-0183-berichten in een map opgeslagen.

2.2.2.5.   Na ontvangst van de navigatie-oplossing worden de opnames van de door de GNSS-ontvanger gegenereerde NMEA-0183-berichten in een map opgeslagen tot het moment waarop het simulatiescript volledig is.

2.2.2.6.   Extraheer de coördinaten, met name de breedtegraad (B) en de lengtegraad (L), die in de GGA (RMC)-berichten vervat zijn.

2.2.2.7.   Gebruik de formules 1 en 2 voor de berekening van de systematische fout bij het bepalen van de coördinaten op vaste intervallen. Voorbeeld: breedtecoördinaat B:

(1)

ΔB(j) = B(j) – B truej,

(2)

Formula

,

Btruej is de actuele waarde van coördinaat B op het tijdstip j in boogseconden.

B(j) is de door de GNSS-ontvanger vastgestelde waarde van coördinaat B op het tijdstip j in boogseconden.

N is het aantal GGA(RMC)-berichten dat de GNSS-ontvanger tijdens de test heeft ontvangen.

2.2.2.8.   Gebruik dezelfde formule voor de berekening van de systematische fout van coördinaat L (lengtegraad).

2.2.2.9.   Gebruik formule 3 voor de berekening van de waarde van de standaardafwijking voor coördinaat B:

(3)

Formula

,

2.2.2.10.   Gebruik dezelfde formule voor de berekening van de waarde van de standaardafwijking voor coördinaat L (lengtegraad).

2.2.2.11.   Converteer de berekende coördinaten en de waarden van de standaardafwijking bij de bepaling van de lengte- en breedtegraad van boogseconden naar meters volgens de formules 4 en 5.

2.2.2.12.   Voor de breedtegraad:

(4-1)

Formula

,

(4-2)

Formula

,

2.2.2.13.   Voor de lengtegraad:

(5-1)

Formula

,

(5-2)

Formula

,

—   a— halve lange as van de ellipsoïde, in meters

—   e— eerste excentriciteit, [0-1]

—   φ— vastgestelde waarde van de breedtegraad, radiaal.

2.2.2.14.   Gebruik formule 6 voor de berekening van de fout bij de horizontale plaatsbepaling:

(6)

Formula

,

2.2.2.15.   Herhaal de in de punten 2.2.2.3 tot en met 2.2.2.14 vastgestelde testprocedures voor GNSS-signalen van Galileo met gebruikmaking van de in tabel 2 vastgestelde parameters.

2.2.2.16.   Herhaal de in de punten 2.2.2.3 tot en met 2.2.2.14 vastgestelde testprocedures voor GNSS-signalen van GPS alleen, met gebruikmaking van de in tabel 2 vastgestelde parameters.

2.2.2.17.   Herhaal de in de punten 2.2.2.3 tot en met 2.2.2.16 vastgestelde testprocedures met andere testexemplaren van eCall-systemen die voor de test zijn verstrekt.

2.2.2.18.   Gebruik formule 6 voor de berekening van de gemiddelde waarden voor alle geteste testexemplaren van eCall-systemen.

2.2.2.19.   De testresultaten worden als bevredigend beschouwd indien de met formule 6 berekende horizontale plaatsbepalingsfouten voor alle testexemplaren van eCall-systemen niet meer dan 15 meter bedragen in een open omgeving bij een betrouwbaarheidsniveau van ten minste 0,95 voor alle simulatiescripts.

2.2.3.   Beoordeling van de plaatsbepalingsnauwkeurigheid in een autonome dynamische toestand.

2.2.3.1.   Herhaal de testprocedures van punt 2.2.2, maar gebruik voor de punten 2.2.2.15 en 2.2.2.16 het simulatiescript bij een manoeuvrebeweging (zie tabel 3).

Tabel 3

Belangrijkste parameters voor het simulatiescript bij een manoeuvrebeweging

Gesimuleerde parameter

Waarde

Testduur, hh:mm:ss

01:00:00

Uitgangsfrequentie

1 hertz

eCall-locatie

Om het even welk gespecificeerd punt op het aardoppervlak tussen 80°NB en 80°ZB in het coördinatenreferentiesysteem WGS-84

Bewegingsmodel:

Manoeuvrebeweging

Snelheid in km/h

140

draairadius, meters

500

draaiversnelling, meters/seconde2

0,2

Troposfeer:

Het door de GNSS-simulator vooraf gedefinieerde standaardmodel

Ionosfeer:

Het door de GNSS-simulator vooraf gedefinieerde standaardmodel

PDOP-waarde tijdens het testinterval

2,0 ≤ PDOP ≤ 2,5

Gesimuleerde signalen

gecombineerde Galileo/GPS/SBAS-signalen

Signaalsterkte:

 

GNSS Galileo

min 135 dBm

—GNSS GPS

min 138,5 dBm

Aantal gesimuleerde satellieten:

ten minste 6 Galileo-satellieten

ten minste 6 GPS-satellieten

ten minste 2 SBAS-satellieten

2.2.3.2.   Gebruik formule 6 voor de berekening van de gemiddelde waarden voor alle geteste testexemplaren van eCall-systemen.

2.2.3.3.   De testresultaten worden als bevredigend beschouwd indien de horizontale plaatsbepalingsfouten die voor alle testexemplaren van eCall-systemen werden berekend niet meer dan 15 meter bedragen in een open omgeving bij een betrouwbaarheidsniveau van ten minste 0,95.

2.2.4.   Beweging in gebieden met satellietschaduw, gebieden met een intermitterende ontvangst van navigatiesignalen en urban canyons.

2.2.4.1.   Herhaal de in punt 2.2.3 beschreven procedures voor het simulatiescript bij beweging in gebieden met satellietschaduw en gebieden met een intermitterende ontvangst van navigatiesignalen (zie tabel 4) met het signaalpatroon van een urban canyon zoals weergegeven in figuur 3.

Tabel 4

Belangrijkste parameters bij beweging in gebieden met satellietschaduw en gebieden met een intermitterende ontvangst van navigatiesignalen

Gesimuleerde parameter

Waarde

Testduur, hh:mm:ss

01:00:00

Uitgangsfrequentie

1 hertz

eCall-locatie

Om het even welk gespecificeerd punt op het aardoppervlak tussen 80°NB en 80°ZB volgens het coördinatenreferentiesysteem WGS-84

Bewegingsmodel:

Manoeuvrebeweging

Snelheid in km/h

140

draairadius, meters

500

draaiversnelling, meters/seconde2

0,2

Satellietzichtbaarheid:

 

interval van de signaalzichtbaarheid, in seconden

300

interval van de signaalonderbreking, in seconden

600

Troposfeer:

Het door de GNSS-simulator vooraf gedefinieerde standaardmodel

Ionosfeer:

Het door de GNSS-simulator vooraf gedefinieerde standaardmodel

PDOP-waarde tijdens het testinterval

3,5 ≤ PDOP ≤ 4,0

Gesimuleerde signalen

gecombineerde Galileo/GPS/SBAS-signalen

Signaalsterkte:

 

GNSS Galileo

min 135 dBm

GNSS GPS

min 138,5 dBm

Aantal gesimuleerde satellieten:

ten minste 6 Galileo-satellieten

ten minste 6 GPS-satellieten

ten minste 2 SBAS-satellieten

Figuur 3

Definitie van urban canyon

Gebied

Elevatiebereik (in graden)

Azimutbereik (in graden)

A

0-5

0-360

B

5-30

210-330

C

5-30

30-150

Achtergrond

Gebied buiten zone A, B en C

Image 10

Achteruit

Rechts

Links

Verzwakking: x3 dB

Vooruit

Verzwakking: x1 dB

Verzwakking: x2 dB

2.2.4.2.   Urban canyon-verzwakking:

 

0 dB

B

min 40 dB

C

min 40 dB

A

min 100 dB of signaal is uitgeschakeld

2.2.4.3.   De testresultaten worden als bevredigend beschouwd indien de horizontale plaatsbepalingsfouten die voor alle testexemplaren van eCall-systemen werden berekend niet meer dan 40 meter bedragen in een urban canyon bij een betrouwbaarheidsniveau van ten minste 0,95.

2.2.5.   Koudestartperiode

2.2.5.1.   Bereid het eCall-systeem voor en schakel het in. Stel aan de hand van de ontwikkelingssoftware de GNSS-ontvanger in voor de ontvangst van Galileo- en GPS-signalen.

2.2.5.2.   Wis alle locatie-, snelheids-, tijds-, almanak- en efemere gegevens van de GNSS-ontvanger.

2.2.5.3.   Stel de simulator in aan de hand van de gebruikershandleiding van de simulator. Start het simulatiescript met gebruikmaking van de in tabel 2 vastgestelde parameters voor Galileo- en GPS-signalen bij een signaalsterkte van — 130 dBm.

2.2.5.4.   Meet met behulp van een chronometer het tijdsinterval tussen het begin van de signaalsimulatie en de eerste ontvangst van een navigatieoplossing.

2.2.5.5.   Voer de in de punten 2.2.5.2 tot en met 2.2.5.4 beschreven testprocedures ten minste tien keer uit.

2.2.5.6.   Bereken de gemiddelde koudestartperiode op basis van metingen met alle testexemplaren van eCall-systemen die voor de test werden verstrekt.

2.2.5.7.   Het testresultaat wordt als positief beschouwd, indien het overeenkomstig punt 2.2.5.6 berekende gemiddelde van de waarden van de koudestartperiode niet meer dan 60 seconden bedraagt bij een signaalsterkte van — 130 dBm voor alle gesimuleerde signalen.

2.2.5.8.   Herhaal de procedure volgens de punten 2.2.5.1 tot en met 2.2.5.5 bij een signaalsterkte van — 140 dBm.

2.2.5.9.   Het overeenkomstig punt 2.2.5.8 behaalde testresultaat wordt als positief beschouwd, indien de overeenkomstig punt 2.2.5.6 berekende gemiddelde waarden van de koudestartperiode niet meer dan 60 seconden bedragen bij een signaalsterkte van — 140 dBm voor alle gesimuleerde signalen.

2.2.6.   Test van de reacquisitietijd na een 60 seconden durende blokkering van de signalen.

2.2.6.1.   Bereid het eCall-systeem voor en schakel het in aan de hand van de gebruikershandleiding. Stel aan de hand van de ontwikkelingssoftware de GNSS-ontvanger in voor de ontvangst van Galileo- en GPS-signalen.

2.2.6.2.   Stel de simulator in aan de hand van de gebruikershandleiding van de simulator. Start het simulatiescript met gebruikmaking van de in tabel 2 vastgestelde parameters voor Galileo- en GPS-signalen bij een signaalsterkte van — 130 dBm.

2.2.6.3.   Wacht 15 minuten en controleer of de GNSS-ontvanger de locatie van het eCall-systeem heeft berekend.

2.2.6.4.   Koppel de GNSS-antennekabel los van het eCall-systeem en sluit hem weer aan na een tijdsinterval van 60 seconden. Meet met een chronometer hoeveel tijd er verstrijkt tussen het moment waarop de kabel weer wordt aangesloten en het moment waarop de satelliettracering en de berekening van de navigatieoplossing hersteld is.

2.2.6.5.   Voer de in punt 2.2.6.4 beschreven testprocedure ten minste 10 keer uit.

2.2.6.6.   Bereken de gemiddelde waarde van de reacquisitietijd die het eCall-systeem nodig heeft om de satellietsignalen opnieuw te traceren voor alle uitgevoerde metingen en alle voor deze tekst verstrekte e-Call-systemen.

2.2.6.7.   Het testresultaat wordt als positief beschouwd, indien het gemiddelde van de waarden van de reacquisitietijd na een 60 seconden durende blokkering van de signalen zoals beschreven in punt 2.2.6.6, niet meer dan 20 seconden is.

2.2.7.   Test om de gevoeligheid van de GNSS-ontvanger te meten in koudestartmodus, traceringsmodus en reacquisitiemodus.

2.2.7.1.   Schakel de vector network analyser in. Kalibreer de vector network analyser aan de hand van de gebruikershandleiding ervan.

2.2.7.2.   Stel het schema op overeenkomstig figuur 4.

Figuur 4

Schema van het kalibratietraject

Image 11

Versterker met lag ruisgetal

Verzwakker 2

0…110 dB

Verzwakker 1

0…110 dB

Vector network analyzer

2.2.7.3.   Installeer een nulsignaaltrajectverzwakking op de verzwakkers. Meet de frequentierespons van een signaaltraject in de E1/L1-band van respectievelijk Galileo en GPS. Registreer de gemiddelde transmissiefactor van het traject in [dB] en voor deze frequentieband.

2.2.7.4.   Monteer het circuit zoals afgebeeld in figuur 5.

Figuur 5

Opstelling voor de beoordeling van de gevoeligheid van de GNSS-ontvanger

Image 12

Signaal-simulator

eCall

Stroom- bron

PC

Versterker met lag ruisgetal

Verzwakker 2

0…110 dB

Verzwakker 1

0…11 dB

2.2.7.5.   Bereid het eCall-systeem voor en schakel het in aan de hand van de gebruikershandleiding ervan. Stel aan de hand van de ontwikkelingssoftware de GNSS-ontvanger in voor de ontvangst van Galileo- en GPS-signalen. Wis het RAM-geheugen van de GNSS-ontvanger van het eCall-systeem zodat deze zich in koudestartmodus bevindt. Controleer of de locatie-, snelheids- en tijdsgegevens gewist zijn.

2.2.7.6.   Bereid de simulator van de GNSS-signalen voor aan de hand van de gebruikershandleiding. Start het simulatiescript voor Galileo- en GPS-signalen met gebruikmaking van de in tabel 2 vastgestelde parameters. Stel het uitgangsvermogen van de simulator in op — 144 dBm.

2.2.7.7.   Meet met behulp van een chronometer het tijdsinterval tussen het begin van de signaalsimulatie en de eerste ontvangst van een navigatieoplossing.

2.2.7.8.   Stel de signaaltrajectverzwakking op de verzwakkers zo in dat het signaal op de antenne-ingang van het eCall-systeem gelijk is aan — 155 dBm.

2.2.7.9.   Meet met behulp van een chronometer of het eCall-systeem nog voor ten minste 600 seconden een navigatieoplossing verstrekt.

2.2.7.10.   Stel de signaaltrajectverzwakking op de verzwakkers zo in dat het signaal op de antenne-ingang van het eCall-systeem gelijk is aan — 150 dBm.

2.2.7.11.   Koppel de GNSS-antennekabel los van het eCall-systeem en sluit hem na een tijdsinterval van 20 seconden weer aan.

2.2.7.12.   Meet met een chronometer hoeveel tijd er verstrijkt tussen het moment waarop de kabel weer wordt aangesloten en het moment waarop de satelliettracering en de berekening van de navigatieoplossing hersteld zijn.

2.2.7.13.   Het testresultaat wordt als positief beschouwd wanneer:

de waarde voor de overeenkomstig punt 2.2.7.7 berekende koudestartperiode niet meer is dan 3 600 seconden bij een signaalsterkte van — 144 dBm aan de antenne-ingang voor alle testexemplaren van eCall-systemen;

de GNSS-navigatie-oplossing ten minste 600 seconden lang beschikbaar is bij een overeenkomstig punt 2.2.7.9 gemeten signaalsterkte aan de antenne-ingang van het eCall-systeem van — 155 dBm voor alle testexemplaren van eCall-systemen;

en de reacquisitie van GNSS-signalen en de berekening van een navigatie-oplossing bij een signaalsterkte aan de antenne-ingang van het eCall-systeem van — 150 dBm mogelijk zijn, waarbij de in punt 2.2.7.12 gemeten tijdsinterval niet meer dan 60 seconden bedraagt voor alle testexemplaren van eCall-systemen.


BIJLAGE VII

Zelftest van het boordsysteem

1.   Voorschriften

1.1.   De volgende voorschriften zijn van toepassing op voertuigen die voorzien zijn van een eCall-boordsysteem, technische eenheden en facultatief op onderdelen.

1.2.   Prestatievoorschriften

1.2.1.   Het eCall-systeem moet bij elke inschakeling van het systeem een zelftest uitvoeren.

1.2.2.   De zelftestfunctie controleert ten minste de in tabel vermelde technische posten.

1.2.3.   Indien er door de zelftestfunctie een storing wordt gedetecteerd, moet er een waarschuwing worden gegeven in de vorm van een visuele verklikker of een storingsbericht in een gemeenschappelijke ruimte.

1.2.3.1.   Deze moet geactiveerd blijven zolang de storing aanwezig is.

1.2.3.2.   Deze mag tijdelijk worden gedeactiveerd, maar moet worden herhaald bij elke activering van het ontstekingssysteem of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig.

1.3.   Documentatievoorschriften

1.3.1.   De fabrikant verstrekt aan de typegoedkeuringsinstantie de in tabel bedoelde documentatie, waarin voor elke post wordt aangegeven met welke techniek deze wordt gemonitord.

Tabel

Model voor informatie over de zelftestfunctie

Post

Techniek gebruikt voor monitoring

De controlemodule van het eCall-systeem functioneert goed (bv. geen defect van de interne hardware, processor en geheugen zijn beschikbaar, de software is in de verwachte standaardinstelling)

 

De externe antenne van het mobiele netwerk is aangesloten

 

Het toestel voor communicatie via het mobiele netwerk functioneert goed (geen defect van de interne hardware, responsief)

 

De externe GNSS-antenne is aangesloten

 

De GNSS-ontvanger functioneert goed (geen defect van de interne hardware, output naar verwachting)

 

Een controle-eenheid voor botsingen is aangesloten

 

Geen communicatiestoringen (defecten van busverbindingen) bij relevante onderdelen in deze tabel

 

SIM is aanwezig (alleen van toepassing wanneer een verwijderbare SIM wordt gebruikt)

 

Stroombron is aangesloten

 

Stroombron is voldoende opgeladen (drempel bepaald door de fabrikant)

 

2.   Testprocedure

2.1.   Test van de zelftestfunctie

2.1.1.   De volgende test wordt uitgevoerd op voertuigen met een eCall-boordsysteem overeenkomstig artikel 4, op technische eenheden overeenkomstig artikel 6, en (facultatief op) op onderdelen die deel uitmaken van een volledig systeem voor testdoeleinden overeenkomstig artikel 5.

2.1.2.   Simuleer een storing van het eCall-systeem door een kritisch defect te introduceren in een of meer items die door de zelftest worden gemonitord volgens de door de fabrikant verstrekte technische documentatie. Het(de) item(s) moet(en) worden geselecteerd door de typegoedkeuringsinstantie.

2.1.3.   Start het eCall-systeem op (door bv. de contactsleutel om te draaien of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig te activeren) en controleer of kort daarna de storingsindicator aangaat.

2.1.4.   Schakel het eCall-systeem uit (door bv. de contactsleutel om te draaien of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig te deactiveren) en herstel de normale werking ervan.

2.1.5.   Start het eCall-systeem op en controleer of de storingsindicator niet aangaat of anders kort daarna uitgaat.

3.   Wijziging van een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem of een op 112 gebaseerd eCall-boordsysteem als technische eenheid

3.1.   Wanneer de fabrikant een aanvraag indient voor de herziening of de uitbreiding van een bestaande typegoedkeuring met het oog op de toevoeging van een bijkomende GNSS-antenne, een elektronische controle-eenheid, een antenne voor mobiele netwerken en/of een stroombron, is het niet nodig de onderdelen van het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem opnieuw te testen om aan de voorschriften van deze bijlage te voldoen, mits deze onderdelen waarvoor typegoedkeuring is verleend minstens dezelfde functionele eigenschappen hebben en overeenkomstig artikel 5, lid 3, onder deze bijlage vallen.


BIJLAGE VIII

Technische voorschriften en testprocedures in verband met privacy en gegevensbescherming

DEEL I

Procedure om te controleren dat het eCall-boordsysteem of de technische eenheid niet traceerbaar zijn

1.   Doel

1.1.   Deze testprocedure heeft tot doel om te controleren dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem of het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid in de normale werkingsstand niet traceerbaar is en niet permanent wordt gevolgd.

2.   Voorschriften

2.1.   Het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem of het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem als technische eenheid is niet beschikbaar voor communicatie met het PSAP-testpunt als de alarmcentrale de communicatie opstart.

2.2.   Het onvermogen om een verbinding tot stand te brengen kan worden toegeschreven aan het feit dat het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem niet op het netwerk is geregistreerd.

3.   Testprocedure

3.1.   De volgende tests worden uitgevoerd op een representatief geheel van onderdelen (zonder carrosserie).

3.2.   Deze test wordt uitgevoerd nadat een verbinding van het eCall-boordsysteem met het netwerk tot stand is gebracht en het toestel geregistreerd is, zodat de doorsturing van het minimumgegevensbericht gemakkelijker is.

3.2.1.   De eerste noodoproep moet afgesloten zijn en nog voor de test uit het netwerk worden verwijderd (bv. door op te hangen), omdat anders het PSAP-testpunt eventueel een verbinding tot stand zou kunnen brengen.

3.2.2.   Controleer voor de uitvoering van de test of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

e)

voor elke testoproep zal één van de in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening omschreven verbindingsprocedures, zoals overeengekomen tussen de technische dienst en de fabrikant, worden toegepast;

f)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door een op 112 gebaseerd eCall-systeem uitgezonden noodoproep;

g)

de ontstekings- of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig is geactiveerd;

h)

alle mogelijke TPS-systemen of andere systemen met diensten met toegevoegde waarde worden uitgeschakeld.

3.2.3.   Het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem is ingeschakeld.

3.2.4.   Probeer om via het PSAP-testpunt een verbinding tot stand te brengen met het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem.

4.   Beoordeling

4.1.   Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem niet beschikbaar is voor communicatie met de alarmcentrale wanneer de alarmcentrale een verbinding tot stand probeert te brengen.

4.2.   Indien er een verbinding met het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem tot stand kan worden gebracht wanneer het PSAP-testpunt de communicatie opstart, wordt dit gezien als een tekortkoming.

DEEL II

Procedure om te controleren hoe lang een eCall-logbestand door het eCall-boordsysteem of de technische eenheid wordt bewaard

1.   Doel

1.1.   Deze testprocedure heeft tot doel te controleren dat het eCall-boordsysteem de overeenkomstig Verordening (EU) 2015/758 verwerkte persoonsgegevens niet langer bewaart dan nodig is voor de afhandeling van de noodsituaties en dat deze gegevens volledig worden gewist zodra zij voor dat doel niet meer nodig zijn.

1.2.   Door aan te tonen dat de eCall-logbestanden niet langer dan 13 uur na de inleiding van een eCall-noodoproep worden bewaard, wordt bewezen dat zij automatisch worden gewist.

2.   Voorschriften

2.1.   Wanneer het eCall-boordsysteem of de technische eenheid wordt geconsulteerd, mag in het geheugen geen logbestand worden teruggevonden dat langer dan 13 uur na de inleiding van een eCall-noodoproep is bewaard.

3.   Testomstandigheden

3.1.   De technische dienst moet toegang worden verleend tot het gedeelte van het boordsysteem waar de eCall-logbestanden worden bewaard.

3.2.   De volgende test moet worden uitgevoerd op een representatief geheel van onderdelen.

4.   Testmethode

4.1.   De in punt 2.7 van bijlage I beschreven testen moeten worden uitgevoerd. Voor het controleren van de goede werking moet een testoproep worden uitgevoerd.

4.2.   13 uur na deze testoproep moet de tester van de technische dienst toegang worden verleend tot het gedeelte van het boordsysteem waar de eCall-logbestanden worden bewaard. De tester moet onder meer alle logbestanden van het boordsysteem kunnen downloaden om ze te bekijken.

5.   Beoordeling

5.1.   Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien er in het geheugen van het eCall-boordsysteem geen logbestanden aanwezig zijn.

5.2.   Indien er een logbestand is van een eCall-noodoproep die meer dan 13 uur eerder heeft plaatsgevonden, wordt dit gezien als een tekortkoming.

DEEL III

Procedure om te controleren of de gegevens in het interne geheugen van het eCall-boordsysteem of de technische eenheid automatisch en permanent worden verwijderd

1.   Doel

1.1.   Deze testprocedure heeft tot doel om te waarborgen dat de persoonsgegevens uitsluitend worden gebruikt voor het afhandelen van noodsituaties en automatisch en permanent uit het interne geheugen van het eCall-boordsysteem of de technische eenheid worden verwijderd.

1.2.   Dit wordt bewezen door aan te tonen dat in het interne geheugen van het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem of de technische eenheid maximaal de laatste drie locaties van het voertuig worden bewaard.

2.   Voorschriften

2.1.   Wanneer het eCall-boordsysteem of de technische eenheid wordt geconsulteerd, mag in het geheugen informatie worden teruggevonden over niet meer dan drie recente locaties van het voertuig.

3.   Testomstandigheden

3.1.   De technische dienst moet toegang worden verleend tot het gedeelte van het boordsysteem waar de gegevens worden bewaard.

3.2.   De volgende test moet worden uitgevoerd op een representatief geheel van onderdelen.

4.   Testmethode

4.1.   De tester van de technische dienst moet toegang worden verleend tot het gedeelte van het interne geheugen van het boordsysteem waar de gegevens worden bewaard. De tester moet onder meer alle informatie van het boordsysteem met betrekking tot de locatie van het voertuig kunnen downloaden om ze te bekijken.

5.   Beoordeling

5.1.   Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien niet meer dan drie logbestanden met betrekking tot de locatie van het voertuig in het geheugen van het eCall-boordsysteem aanwezig zijn.

5.2.   Als er informatie is opgeslagen over meer dan drie locaties, vormt dit een tekortkoming.

DEEL IV

Procedure om te controleren dat geen persoonsgegevens worden uitgewisseld tussen eCall-boordsystemen of technische eenheden en TPS-systemen

1.   Doel

1.1.   Deze testprocedure is bedoeld om te controleren dat de op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen en eventueel andere systemen van derde partijen die eCall-diensten of andere diensten met een toegevoegde waarde verstrekken, zo zijn ontworpen dat er nooit onderling persoonsgegevens kunnen worden uitgewisseld.

2.   Voorschriften

2.1.   De volgende voorschriften zijn van toepassing op eCall-boordsystemen of technische eenheden die in combinatie met een TPS-systeem voor eCall-diensten worden gebruikt.

2.2.   Prestatievoorschriften

2.2.1.   Er worden geen persoonsgegevens uitgewisseld tussen de op 112 gebaseerde eCall-boordsystemen en eventuele andere systemen van derde partijen die eCall-diensten of andere diensten met een toegevoegde waarde verstrekken.

2.2.2.   Een eCall-noodoproep die via het op 112 gebaseerde eCall-boordsysteem of de technische eenheid is gemaakt, mag niet in het geheugen van het TPS-systeem voor eCall-diensten of voor andere diensten met een toegevoegde waarde worden geregistreerd.

3.   Testprocedure

3.1.   De volgende tests moeten worden uitgevoerd op een voertuig dat voorzien is van een eCall-boordsysteem of op een representatief geheel van onderdelen.

3.2.   Het TPS-systeem moet worden uitgeschakeld voor de duur van de testoproep.

3.2.1.   Controleer voor de uitvoering van de test of aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

voor elke testoproep zal één van de in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening omschreven verbindingsprocedures, zoals overeengekomen tussen de technische dienst en de fabrikant, worden toegepast;

b)

het speciaal hiervoor bestemde PSAP-testpunt is beschikbaar voor het ontvangen van een door een op 112 gebaseerd eCall-systeem uitgezonden noodoproep;

c)

het is niet mogelijk dat een gesimuleerde eCall-noodoproep via het reële netwerk door een echte PSAP wordt ontvangen, en

d)

de ontstekings- of de hoofdbesturingsschakelaar van het voertuig is geactiveerd.

3.2.2.   Voer een testoproep uit middels een manuele initiëring van het systeem (op „push”-wijze) terwijl het TPS-systeem is uitgeschakeld.

3.2.3.   Controleer of contact is gemaakt met het PSAP-testpunt aan de hand van een registratie van het PSAP-testpunt waaruit blijkt dat deze een signaal heeft ontvangen van een noodoproep of aan de hand van een succesvolle spraakverbinding met het PSAP-testpunt;

3.2.4.   Sluit de testoproep af met het juiste commando van het PSAP-testpunt (bv. ophangen).

3.2.5.   Als het op 112 gebaseerde systeem er tijdens de test niet in slaagt om contact te maken, mag de testprocedure worden herhaald.

3.3.   Er wordt gecontroleerd dat er geen logbestand is aangemaakt in het TPS-systeem in het deel van het systeem waar eCall-logbestanden worden opgeslagen.

3.3.1.   De tester van de technische dienst moet toegang worden verleend tot het gedeelte van het boordsysteem waar de eCall-logbestanden worden bewaard. Hiertoe moet de tester onder meer alle logbestanden van het boordsysteem kunnen downloaden om ze te bekijken.

3.3.2.   Aan dit voorschrift wordt geacht te zijn voldaan indien geen logbestanden aanwezig zijn in het geheugen van het TPS-systeem.

3.3.3.   Indien er in het TPS-systeem een logbestand is van een eCall-noodoproep die via het op 112 gebaseerde systeem is uitgevoerd, wordt dit beschouwd als een tekortkoming.

3.4.   Verbindingsprocedures

De in punt 2.7 van bijlage I bij deze verordening beschreven verbindingsprocedures zijn van toepassing.


BIJLAGE IX

Voertuigklassen als bedoeld in artikel 2

Gepantserde voertuigen van de categorieën M1 en N1, zoals gedefinieerd in bijlage II, deel A, punt 5.2, bij Richtlijn 2007/46/EG, die zijn uitgerust met kogelwerend glas van weerstandsklasse BR 7 volgens de classificatie overeenkomstig de Europese norm EN 1063:2000 (Beveiligingsbeglazing — Beproeven en classificatie van de kogelwerendheid) en met carrosserie-onderdelen die voldoen aan de Europese norm EN 1522:1999 (Ramen, deuren en luiken — Kogelwerendheid), indien deze voertuigen vanwege hun bijzondere bestemming niet kunnen voldoen aan de eisen van Verordening (EU) 2015/758.


17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/86


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/80 VAN DE COMMISSIE

van 16 januari 2017

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 329/2007 van de Raad betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Volksrepubliek Korea

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 329/2007 van de Raad van 27 maart 2007 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van de Democratische Volksrepubliek Korea (1), en met name artikel 13, lid 1, onder d),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 329/2007 worden personen, entiteiten en lichamen vermeld die door de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties of het Sanctiecomité zijn aangewezen en wier tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren.

(2)

Op 17 december 2016 heeft het krachtens Resolutie 1718 (2006) ingestelde comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties besloten dat vijf in bijlage III van Resolutie 2270 (2016) genoemde vaartuigen overeenkomstig paragraaf 23 van dezelfde resolutie, geen economische middelen zijn die worden gecontroleerd of geëxploiteerd door Ocean Maritime Management, en bijgevolg niet onderworpen zijn aan de bevriezing van tegoeden opgelegd bij paragraaf 8, onder d), van Resolutie 1718 (2006).

(3)

Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 329/2007 moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 329/2007 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 januari 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Waarnemend hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid


(1)   PB L 88 van 29.3.2007, blz. 1.


BIJLAGE

In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 329/2007 wordt de volgende vermelding onder „Rechtspersonen, entiteiten en lichamen”: „Ocean Maritime Management Company, Limited (ook bekend als: OMM). Adres: a) Donghung Dong, Central District, PO Box 120, Pyongyang, DVK; b) Dongheung-dong Changgwang Street, Chung-Ku, PO Box 125, Pyongyang, DVK. Overige informatie: a) IMO-nummer: 1790183; b) Ocean Maritime Management Company, Limited speelde een belangrijke rol in de organisatie van het vervoer in juli 2013 van verborgen ladingen wapens en aanverwant materiaal van Cuba naar de DVK. Ocean Maritime Management Company, Limited, heeft op die wijze bijgedragen aan activiteiten die bij resoluties verboden waren, zoals het bij Resolutie 1718 (2006), als gewijzigd bij Resolutie 1874 (2009), ingestelde wapenembargo, en aan het ontwijken van de bij die resoluties ingestelde maatregelen, c) Ocean Maritime Management Company, Limited is de exploitant/beheerder van de volgende schepen met IMO-nummer: a) Chol Ryong (Ryong Gun Bong) 8606173, b) Chong Bong (Greenlight) (Blue Nouvelle) 8909575, c) Chong Rim 2 8916293, d) Dawnlight 9110236, e) Ever Bright 88 (J Star) 8914934, f) Gold Star 3 (Benevolence 2) 8405402, g) Hoe Ryong 9041552, h) Hu Chang (O Un Chong Nyon) 8330815, i) Hui Chon (Hwang Gum San 2) 8405270, j) Ji Hye San (Hyok Sin 2) 8018900, k) Kang Gye (Pi Ryu Gang) 8829593, l) Mi Rim 8713471, m) Mi Rim 2 9361407, n) Rang (Po Thong Gang) 8829555, o) Orion Star (Richocean) 9333589, p) Ra Nam 2 8625545, q) Ra Nam 3 9314650, r) Ryo Myong 8987333, s) Ryong Rim (Jon Jin 2) 8018912, t) Se Pho (Rak Won 2) 8819017, u) Songjin (Jang Ja San Chong Nyon Ho) 8133530, v) South Hill 2 8412467, w) South Hill 5 9138680, x) Tan Chon (Ryon Gang 2) 7640378, y) Thae Pyong San (Petrel 1) 9009085, z) Tong Hung San (Chong Chon Gang) 7937317, aa) Tong Hung 8661575. Datum van aanwijzing: 28.7.2014.” vervangen door:

„Ocean Maritime Management Company, Limited (ook bekend als: OMM). Adres: a) Donghung Dong, Central District, PO Box 120, Pyongyang, DVK; b) Dongheung-dong Changgwang Street, Chung-Ku, PO Box 125, Pyongyang, DVK. Overige informatie: a) IMO-nummer: 1790183; b) Ocean Maritime Management Company, Limited speelde een belangrijke rol in de organisatie van het vervoer in juli 2013 van verborgen ladingen wapens en aanverwant materiaal van Cuba naar de DVK. Ocean Maritime Management Company, Limited, heeft op die wijze bijgedragen aan activiteiten die bij resoluties verboden waren, zoals het bij Resolutie 1718 (2006), als gewijzigd bij Resolutie 1874 (2009), ingestelde wapenembargo, en aan het ontwijken van de bij die resoluties ingestelde maatregelen, c) Ocean Maritime Management Company, Limited is de exploitant/beheerder van de volgende schepen met IMO-nummer: a) Chol Ryong (Ryong Gun Bong) 8606173, b) Chong Bong (Greenlight) (Blue Nouvelle) 8909575, c) Chong Rim 2 8916293, d) Hoe Ryong 9041552, e) Hu Chang (O Un Chong Nyon) 8330815, f) Hui Chon (Hwang Gum San 2) 8405270, g) Ji Hye San (Hyok Sin 2) 8018900, h) Kang Gye (Pi Ryu Gang) 8829593, i) Mi Rim 8713471, j) Mi Rim 2 9361407, k) Rang (Po Thong Gang) 8829555, l) Ra Nam 2 8625545, m) Ra Nam 3 9314650, n) Ryo Myong 8987333, o) Ryong Rim (Jon Jin 2) 8018912, p) Se Pho (Rak Won 2) 8819017, q) Songjin (Jang Ja San Chong Nyon Ho) 8133530, r) South Hill 2 8412467, s) Tan Chon (Ryon Gang 2) 7640378, t) Thae Pyong San (Petrel 1) 9009085, u) Tong Hung San (Chong Chon Gang) 7937317, v) Tong Hung 8661575. Datum van aanwijzing: 28.7.2014.”


17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/88


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2017/81 VAN DE COMMISSIE

van 16 januari 2017

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 januari 2017.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

162,4

MA

132,4

SN

190,2

TR

122,3

ZZ

151,8

0707 00 05

MA

79,2

TR

186,2

ZZ

132,7

0709 93 10

MA

280,6

TR

257,1

ZZ

268,9

0805 10 20

EG

47,7

IL

126,4

MA

57,3

TR

76,5

ZZ

77,0

0805 20 10

IL

155,4

MA

72,5

ZZ

114,0

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

EG

97,9

IL

112,5

JM

99,3

MA

93,5

TR

75,6

ZZ

95,8

0805 50 10

TR

73,1

ZZ

73,1

0808 10 80

CN

119,1

US

137,0

ZZ

128,1

0808 30 90

CL

307,7

CN

79,6

TR

133,1

ZZ

173,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/90


BESLUIT (GBVB) 2017/82 VAN DE RAAD

van 16 januari 2017

tot wijziging van Besluit (GBVB) 2016/849 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 31, lid 2,

Gezien Besluit (GBVB) 2016/849 van de Raad van 27 mei 2016 betreffende beperkende maatregelen tegen de Democratische Volksrepubliek Korea en tot intrekking van Besluit 2013/183/GBVB (1), en met name artikel 33,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 27 mei 2016 Besluit (GBVB) 2016/849 vastgesteld.

(2)

Op 17 december 2016 heeft het Comité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, ingesteld krachtens Resolutie 1718 (2006) van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties, de namen van vijf vaartuigen geschrapt van de lijst van personen en entiteiten die aan beperkende maatregelen onderworpen zijn.

(3)

Bijlage I bij Besluit (GBVB) 2016/849 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Besluit (GBVB) 2016/849 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan teBrussel, 16 januari 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)   PB L 141 van 28.5.2016, blz. 79.


BIJLAGE

De vaartuigen met de volgende IMO-nummers worden geschrapt van de lijst in vermelding 20 van deel B (Entiteiten) van bijlage I bij Besluit (GBVB) 2016/849:

d)

Dawnlight 9110236

e)

Ever Bright 88 (J Star) 8914934

f)

Gold Star 3 (benevolence) 8405402

o)

Orion Star (Richocean) 9333589

w)

South Hill 5 9138680


17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/92


BESLUIT (GBVB) 2017/83 VAN DE RAAD

van 16 januari 2017

tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Gezien Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran en tot intrekking van Gemeenschappelijk Standpunt 2007/140/GBVB (1), en met name artikel 23, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 26 juli 2010 heeft de Raad Besluit 2010/413/GBVB vastgesteld.

(2)

Overeenkomstig artikel 26, lid 3, van Besluit 2010/413/GBVB heeft de Raad de lijst van aangewezen personen en entiteiten in bijlage II bij dat besluit opnieuw bezien.

(3)

Verscheidene entiteiten dienen te worden geschrapt van de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB.

(4)

Naar aanleiding van de arresten van het Gerecht in zaken T-182/13 (2), T-433/13 (3), T-158/13 (4), T-5/13 (5), T-45/14 (6) en T-539/14 (7) en gevoegde zaken T-423/13 en T-64/14 (8) worden Moallem Insurance Company, Petropars Operation & Management Company, Petropars Resources Engineering Ltd, Iran Aluminium Company, Iran Liquefied Natural Gas Co., Hanseatic Trade Trust & Shipping Company (HTTS) GmbH, Naser Bateni, North Drilling Company en Good Luck Shipping LLC niet opgenomen in de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB.

(5)

Naar aanleiding van de arresten van het Hof van Justitie in zaken C-176/13 (9) en C-200/13 P (10) worden Bank Mellat en Bank Saderat Iran niet opgenomen in de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB. Derhalve moet de vermelding met betrekking tot Bank Saderat PLC (London) in die bijlage worden geschrapt.

(6)

Besluit 2010/413/GBVB moet dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 16 januari 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)   PB L 195 van 27.7.2010, blz. 39.

(2)  Arrest van het Gerecht van 10 juli 2014, Moallem Insurance CO/Raad van de Europese Unie, T-182/13, ECLI:EU:T:2014:624.

(3)  Arrest van het Gerecht van 5 mei 2015, Petropars Iran Co. e.a./Raad van de Europese Unie, T-433/13, ECLI:EU:T:2015:255.

(4)  Arrest van het Gerecht van 15 september 2015, Iranian Aluminium Company (Iralco)/Raad van de Europese Unie, T-158/13, ECLI:EU:T:2015:634.

(5)  Arrest van het Gerecht van 18 september 2015, Iran Liquefied Natural Gas Co./Raad van de Europese Unie, T-5/13, ECLI:EU:T:2015:644.

(6)  Arrest van het Gerecht van 18 september 2015, HTTS Hanseatic Trade Trust & Shipping GmbH en Naser Bateni/Raad van de Europese Unie, T-45/14, ECLI:EU:T:2015:650.

(7)  Arrest van het Gerecht van 19 november 2015, North Drilling Co./Raad van de Europese Unie, T-539/14, ECLI:EU:T:2015:871.

(8)  Arrest van het Gerecht van 24 mei 2016, Good Luck Shipping LLC/Raad van de Europese Unie, T-423/13 en T-64/14, ECLI:EU:T:2016:308.

(9)  Arrest van het Hof van Justitie van 18 februari 2016, Raad van de Europese Unie/Bank Mellat, C-176/13 P, ECLI:EU:C:2016:96.

(10)  Arrest van het Hof van Justitie van 21 april 2016, Raad van de Europese Unie/Bank Saderat Iran, C-200/13 P, ECLI:EU:C:2016:284.


BIJLAGE

De vermeldingen met betrekking tot de hierna genoemde entiteiten worden geschrapt van de lijst in deel I.B van bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB:

I.   Personen en entiteiten die betrokken zijn bij nucleaire activiteiten of activiteiten met betrekking tot ballistische raketten en personen en entiteiten die de regering van Iran steunen

B.   Entiteiten

„7.

(a) Bank Saderat PLC (London)

48.

Neka Novin (o.b.a. Niksa Nirou)

65.

West Sun Trade GMBH

159.

Oil Industry Pension Fund Investment Company (OPIC)”.

AANBEVELINGEN

17.1.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 12/95


AANBEVELING (EU) 2017/84 VAN DE COMMISSIE

van 16 januari 2017

inzake de controle van koolwaterstoffen uit minerale oliën in levensmiddelen en in materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Koolwaterstoffen uit minerale oliën (mineral oil hydrocarbons, „MOH's”) zijn chemische verbindingen die voornamelijk worden gewonnen uit ruwe olie, maar ook kunstmatig worden geproduceerd uit kolen, aardgas en biomassa. MOH's kunnen in levensmiddelen aanwezig zijn als gevolg van milieuverontreiniging of via smeermiddelen voor machines die worden gebruikt bij de oogst en de productie van levensmiddelen, verwerkingsapparatuur, levensmiddelenadditieven en materialen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen. Producten van levensmiddelenkwaliteit die MOH's bevatten, ondergaan een behandeling waardoor het gehalte aan aromatische koolwaterstoffen uit minerale oliën (mineral oil aromatic hydrocarbons, „MOAH's”) tot een minimum wordt beperkt.

(2)

In 2012 concludeerde het Wetenschappelijke Panel voor contaminanten in de voedselketen (Contam-panel) van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) dat de mogelijke gevolgen voor de gezondheid van de mens van de verschillende MOH's sterk uiteenlopen (1). MOAH's kunnen als genotoxische carcinogenen optreden, en sommige verzadigde koolwaterstoffen uit minerale oliën (mineral oil saturated hydrocarbons, „MOSH's”) kunnen zich ophopen in menselijk weefsel en negatieve gevolgen hebben voor de lever. Aangezien sommige MOAH's als mutageen en carcinogeen worden beschouwd, is het belangrijk de controle van MOH's te organiseren om een beter overzicht te krijgen van de relatieve gehalten aan MOSH's en MOAH's in de levensmiddelen die een belangrijk aandeel hebben in de blootstelling aan die stoffen via de voeding.

(3)

Aangezien migratie van voorwerpen die met levensmiddelen in contact komen, zoals verpakkingen van papier of karton, vermoedelijk aanzienlijk bijdraagt aan de totale blootstelling, zouden voorverpakte levensmiddelen, de verpakkingsmaterialen en de aanwezigheid van functionele sperlagen en voor de opslag en verwerking gebruikte apparatuur eveneens moeten worden gecontroleerd. Door bepaalde parameters, zoals opslagtijd en -omstandigheden, kan de migratie van MOH's van verpakkingen naar levensmiddelen toenemen. Aangezien MOH's makkelijker zijn op te sporen in grote hoeveelheden, zou bij de bemonstering rekening moeten worden gehouden met die parameters wanneer de migratie het hoogst is.

(4)

Om de betrouwbaarheid van de verkregen analysegegevens te waarborgen, zouden de lidstaten ervoor moeten zorgen dat geschikte analyse-apparatuur beschikbaar is en zouden zij voldoende ervaring moeten opdoen met het analyseren van MOH's in levensmiddelen en in materialen die met levensmiddelen in aanraking komen alvorens de analyseresultaten te produceren.

(5)

Om te zorgen voor een uniforme toepassing van deze aanbeveling zou het referentielaboratorium van de Europese Unie voor materialen die in contact komen met levensmiddelen (EU-RL) verdere ondersteuning moeten bieden aan de bevoegde instanties van de lidstaten en aan andere belanghebbende partijen, onder meer door middel van richtsnoeren over informatie die tijdens onderzoeken kan worden vergaard en over bemonsterings- en analysemethoden,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.   

De lidstaten zouden de aanwezigheid van MOH's in levensmiddelen gedurende 2017 en 2018 moeten controleren, met actieve betrokkenheid van exploitanten van levensmiddelenbedrijven en fabrikanten, verwerkers en distributeurs van materialen die met levensmiddelen in contact komen, alsook van andere belanghebbende partijen. Die controle zou betrekking moeten hebben op dierlijk vet, brood en broodjes, banketbakkerswaren, ontbijtgranen, suikerwerk (met inbegrip van chocolade) en cacao, visvlees, visproducten (vis in blik), granen voor menselijke consumptie, ijs en desserts, oliehoudende zaden, deegwaren, van granen afgeleide producten, peulvruchten, worst, noten, plantaardige olie en materialen die met levensmiddelen in contact komen en voor die producten worden gebruikt.

2.   

Om een uniforme toepassing van deze aanbeveling te waarborgen en betrouwbare en vergelijkbare controleresultaten te produceren, zouden door het EU-RL in het kader van deze aanbeveling opgestelde specifieke richtsnoeren („de richtsnoeren”) moeten worden gevolgd. Aangezien dergelijke richtsnoeren nog niet bestaan, zouden de lidstaten moeten samenwerken met het EU-RL om die richtsnoeren gezamenlijk te ontwikkelen overeenkomstig hun behoeften voor de ontwikkeling van analytische capaciteiten.

3.   

De lidstaten zouden monsters van levensmiddelen moeten nemen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 333/2007 van de Commissie (2). Daarbij zou ook een evenredig aantal monsters van voorverpakte levensmiddelen moeten worden genomen. Bemonstering van materialen die met levensmiddelen in contact komen, zou moeten worden verricht volgens de beste praktijken die voor specifieke materialen of voorwerpen passend zijn, zoals in de richtsnoeren wordt vermeld. Verdere mogelijke bronnen van MOH's die verband houden met het gebruik van andere materialen in de toeleveringsketen die met levensmiddelen in contact komen, zoals tijdens opslag of verwerking, zouden moeten worden onderzocht wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn dat deze bijdragen aan de aanwezigheid van MOH's. Bij de bemonstering van voorverpakte levensmiddelen zou de nadruk moeten liggen op goederen die dichter bij de minimale houdbaarheidsdatum zijn, en waarvan de opslag en verwerking plaatsvinden onder relatief warme omstandigheden.

4.   

De monsters zouden moeten worden geanalyseerd zoals ze op de markt worden gebracht. Voor voorverpakte levensmiddelen zou het gehalte aan koolwaterstoffen uit minerale oliën moeten worden bepaald in zowel het levensmiddel als in het materiaal dat met het levensmiddel in contact komt, indien dat de vermoedelijke bron van de waargenomen MOH's is. Er zou in het bijzonder moeten worden gelet op de verschillen tussen MOSH's en MOAH's en op de interpretatie van de analyseresultaten om ervoor te zorgen dat de geproduceerde gegevens betrouwbaar en vergelijkbaar zijn. De lidstaten die voornemens zijn de aanwezigheid van MOSH's en MOAH's in levensmiddelen en materialen die met levensmiddelen in contact komen te analyseren, kunnen verzoeken om technische ondersteuning van het EU-RL voor materialen die met levensmiddelen in contact komen.

5.   

Wanneer MOH's in levensmiddelen worden geconstateerd, zouden de lidstaten verder onderzoek in de levensmiddelenbedrijven moeten verrichten om te kunnen vaststellen wat de mogelijke bronnen zijn. Dat onderzoek zou zo veel mogelijk moeten zijn gericht op de door de exploitant van het levensmiddelenbedrijf gebruikte systemen die een invloed op de contaminatie kunnen hebben of die contaminatie kunnen beheersen (bv. productie- en verwerkingsmethoden, risicoanalyse en kritische controlepunten (HACCP) of vergelijkbare systemen of maatregelen voor het voorkomen van contaminatie).

6.   

Wanneer MOH's worden geconstateerd in of afkomstig zijn uit materialen die met levensmiddelen in contact komen, zouden de lidstaten gegevens moeten verzamelen over het materiaal dat met levensmiddelen in contact komt (bv. soort en samenstelling van het verpakkingsmateriaal, aanwezigheid van functionele sperlagen, houdbaarheidsdatum van verpakte levensmiddelen) en verder onderzoek moeten verrichten in de bedrijven van de fabrikanten, verwerkers en distributeurs van materialen die met levensmiddelen in contact komen om vast te stellen welke systemen in de desbetreffende bedrijven worden gehanteerd (bv. productie- en verwerkingsmethoden van materialen die met levensmiddelen in contact komen, en de krachtens Verordening (EG) nr. 2023/2006 betreffende goede fabricagemethoden (3) vereiste documentatie) zoals vermeld in de richtsnoeren.

7.   

De lidstaten, exploitanten van levensmiddelenbedrijven en fabrikanten, verwerkers en distributeurs van materialen die met levensmiddelen in contact komen en andere belanghebbende partijen zouden de controlegegevens uitgedrukt op basis van de totale massa aan de EFSA moeten verstrekken met de informatie en in het elektronische rapportageformaat aangegeven door de EFSA, zodat zij in een gegevensbank kunnen worden samengevoegd. Zij zouden die controlegegevens bij voorkeur tegen 1 oktober 2017 en vervolgens tegen 1 oktober 2018 moeten verstrekken. De laatste resultaten zouden tegen 28 februari 2019 moeten worden ingediend. Gegevens over de aanwezigheid van MOH's voor 2016 die mogelijk beschikbaar zijn maar nog niet zijn ingediend, zouden bij de eerste gelegenheid volgens dezelfde voorwaarden moeten worden toegezonden.

Gedaan te Brussel, 16 januari 2017.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)  EFSA-panel voor contaminanten in de voedselketen (Contam-panel); Scientific Opinion on Mineral Oil Hydrocarbons in Food. EFSA Journal 2012;10(6):2704. p. 185 pp., doi:10.2903/j.efsa.2012.2704.

(2)  Verordening (EG) nr. 333/2007 van de Commissie van 28 maart 2007 tot vaststelling van bemonsteringswijzen en analysemethoden voor de officiële controle op de gehalten aan lood, cadmium, kwik, anorganisch tin, 3-MCPD en benzo(a)pyreen in levensmiddelen (PB L 88 van 29.3.2007, blz. 29).

(3)  Verordening (EG) nr. 2023/2006 van de Commissie van 22 december 2006 betreffende goede fabricagemethoden voor materialen en voorwerpen bestemd om met levensmiddelen in contact te komen (PB L 384 van 29.12.2006, blz. 75).