ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 355

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
24 december 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Mededeling betreffende de inwerkingtreding van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling betreffende de Europese Unie en de Volksrepubliek China uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie

1

 

*

Mededeling betreffende de inwerkingtreding van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Republiek ten oosten van de Uruguay uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie

2

 

 

VERORDENINGEN

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/2385 van de Commissie van 23 december 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

3

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2016/2386 van het Hof van Justitie van 20 september 2016 betreffende de beveiligingsvoorschriften die van toepassing zijn op de inlichtingen of stukken die aan het Gerecht worden overgelegd op grond van artikel 105 van zijn Reglement voor de procesvoering

5

 

*

Besluit (EU) 2016/2387 van het Gerecht van 14 september 2016 betreffende de beveiligingsvoorschriften die van toepassing zijn op de inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden overgelegd

18

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Besluit nr. 1/2016 van de Associatieraad EU-Jordanië van 19 december 2016 waarbij overeenstemming wordt bereikt over de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië [2016/2388]

31

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

24.12.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/1


Mededeling betreffende de inwerkingtreding van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling betreffende de Europese Unie en de Volksrepubliek China uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie

De op 19 april 2016 in Brussel ondertekende Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Volksrepubliek China uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie (1), treedt op 1 januari 2017 in werking.


(1)   PB L 291 van 26.10.2016, blz. 9.


24.12.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/2


Mededeling betreffende de inwerkingtreding van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Republiek ten oosten van de Uruguay uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie

De op 16 juni 2016 in Brussel ondertekende Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Republiek ten oosten van de Uruguay uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijst van verbintenissen van de Republiek Kroatië, in verband met haar toetreding tot de Europese Unie (1), treedt op 1 januari 2017 in werking.


(1)   PB L 291 van 26.10.2016, blz. 3.


VERORDENINGEN

24.12.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/2385 VAN DE COMMISSIE

van 23 december 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 december 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal

Directoraat-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

206,3

MA

104,0

TN

262,8

TR

134,1

ZZ

176,8

0707 00 05

MA

79,2

TR

160,2

ZZ

119,7

0709 93 10

MA

213,7

TR

159,2

ZZ

186,5

0805 10 20

TR

69,9

ZA

70,9

ZZ

70,4

0805 20 10

MA

67,6

ZZ

67,6

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

IL

148,5

JM

129,1

TR

74,2

ZZ

117,3

0805 50 10

TR

75,4

ZZ

75,4

0808 30 90

CN

87,8

ZZ

87,8


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

24.12.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/5


BESLUIT (EU) 2016/2386 VAN HET HOF VAN JUSTITIE

van 20 september 2016

betreffende de beveiligingsvoorschriften die van toepassing zijn op de inlichtingen of stukken die aan het Gerecht worden overgelegd op grond van artikel 105 van zijn Reglement voor de procesvoering

HET HOF,

Gezien het Reglement voor de procesvoering, met name artikel 190 bis, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 105, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht kan een hoofdpartij in het geding, uit eigen beweging of na een door het Gerecht getroffen maatregel van instructie, inlichtingen of stukken overleggen die de veiligheid van de Europese Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen raken. De leden 3 tot en met 10 van deze bepaling bevatten een procedurele regeling die op dergelijke inlichtingen of stukken van toepassing is.

(2)

Gelet op de gevoeligheid en de vertrouwelijkheid van de betrokken inlichtingen of stukken, moet er voor de bij artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht ingevoerde regeling een passend beveiligingsmechanisme zijn waarmee wordt gewaarborgd dat deze inlichtingen of stukken een hoge mate van bescherming genieten.

(3)

Het beveiligingsmechanisme moet daarom van toepassing zijn op alle inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van genoemd Reglement worden overgelegd, zijnde gerubriceerde EU-informatie of informatie waarvan de hoofdpartij die deze heeft overgelegd, heeft gesteld dat de mededeling ervan aan de andere hoofdpartij de veiligheid van de Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen zou aantasten, ook wanneer deze inlichtingen of stukken geen gerubriceerde EU-informatie zijn.

(4)

Om te zorgen voor een hoge mate van bescherming van deze inlichtingen of stukken is voor de grondbeginselen en minimumnormen inzake beveiliging ter bescherming van genoemde inlichtingen of stukken aangesloten bij die welke van toepassing zijn op de bescherming van informatie die als SECRET UE/EU SECRET is gerubriceerd volgens de regels van de instellingen van de Unie op het gebied van de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (EUCI), met name die welke zijn vastgesteld door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Europese Commissie.

(5)

De inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden overgelegd, zullen worden voorzien van een voor het Hof van Justitie van de Europese Unie specifieke markering, „FIDUCIA”, waarmee wordt bepaald welke beveiligingsregeling daar gedurende de gehele procedure voor het Gerecht en, in geval van hogere voorziening, voor het Hof van Justitie op van toepassing is. Het aanbrengen en verwijderen van die FIDUCIA-markering heeft geen gevolgen voor de rubricering van de aan het Gerecht meegedeelde informatie.

(6)

Voor de toegang tot FIDUCIA-informatie geldt het beginsel dat daartoe alleen toegang kan worden verkregen voor zover kennisname daarvan noodzakelijk is (need-to-know-beginsel),

BESLUIT:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „beveiligingsinstantie”: de door het Hof van Justitie van de Europese Unie aangewezen instantie die voor de beveiliging van het Hof van Justitie van de Europese Unie verantwoordelijk is, die de uitvoering van de bij dit besluit voorziene taken geheel of ten dele kan delegeren;

b)   „FIDUCIA-bureau”: het bureau van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de FIDUCIA-informatie beheert;

c)   „houder”: een naar behoren geautoriseerd persoon van wie is komen vast te staan dat hij kennis moet nemen van FIDUCIA-informatie, die dergelijke informatie houdt en die bijgevolg voor de bescherming ervan moet instaan;

d)   „bescheid”: elke informatie, ongeacht de vorm of de fysieke eigenschappen;

e)   „informatie”: elke schriftelijke of mondelinge informatie, ongeacht de drager of de auteur;

f)   „gerubriceerde EU-informatie” (EUCI): elke informatie of elk materiaal dat op grond van de daarop toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie als zodanig is aangemerkt volgens de beveiligingsrubricering van de Europese Unie en dat onder een van de volgende rubriceringen valt:

TRÈS SECRET UE/EU TOP SECRET,

SECRET UE/EU SECRET,

CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL,

RESTREINT UE/EU RESTRICTED;

g)   „FIDUCIA-informatie”: elke informatie die de FIDUCIA-markering draagt;

h)   „verwerking” van FIDUCIA-informatie: alle handelingen die ten aanzien van FIDUCIA-informatie kunnen worden verricht in de loop van de procedure voor het Hof van Justitie. Bedoeld worden het registreren, inzien, genereren, vermenigvuldigen, opslaan, teruggeven en vernietigen ervan.

Artikel 2

Voorwerp en werkingssfeer

1.   Bij dit besluit worden de grondbeginselen en minimumnormen voor beveiliging vastgesteld voor de bescherming van FIDUCIA-informatie in het kader van de procedure voor het Hof van Justitie.

2.   Deze grondbeginselen en minimumnormen voor beveiliging zijn van toepassing op elke FIDUCIA-informatie, alsook op elk schriftelijk of mondeling gebruik ervan en op de daar in voorkomend geval van gemaakte afschriften volgens de beveiligingsvoorschriften in dit besluit.

Artikel 3

Wijzen van neerlegging en teruggave

Voor de toepassing van het bij dit besluit voorziene mechanisme:

doet de hoofdpartij mededeling aan de griffie van het Gerecht op de dag dat de inlichtingen of stukken op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden neergelegd;

dient de hoofdpartij, vergezeld door een vertegenwoordiger van de griffie van het Gerecht, de op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van genoemd Reglement over te leggen stukken neer te leggen bij het FIDUCIA-bureau tijdens de uren waarop de griffie voor het publiek geopend is;

dient de hoofdpartij die de inlichtingen of stukken op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht heeft overgelegd, deze in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de griffie van het Gerecht weer op te halen bij het FIDUCIA-bureau, wanneer zij geen toestemming verleent voor de mededeling ervan op grond van artikel 105, lid 4, van genoemd Reglement dan wel onmiddellijk nadat de betrokken inlichtingen of stukken overeenkomstig artikel 105, lid 7, van datzelfde Reglement zijn teruggetrokken dan wel onmiddellijk na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, tenzij binnen deze termijn hogere voorziening is ingesteld;

worden, indien binnen de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie hogere voorziening wordt ingesteld tegen de beslissing van het Gerecht, de in het kader van die zaak op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht overgelegde inlichtingen of stukken ter beschikking van het Hof van Justitie gesteld. Zodra de griffier van het Gerecht van deze hogere voorziening in kennis is gesteld, zendt hij de griffier van het Hof van Justitie met het oog daarop een bericht waarin hij hem in kennis stelt van het feit dat de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Hof worden gesteld. Tegelijkertijd stelt de griffier van het Gerecht de beveiligingsinstantie ervan in kennis dat de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Hof van Justitie moeten worden gesteld, zonder deze inlichtingen of stukken fysiek te verplaatsen. Deze informatie wordt door het FIDUCIA-bureau geregistreerd. De hoofdpartij die deze inlichtingen of stukken heeft overgelegd, dient deze in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de griffie van het Hof van Justitie weer op te halen bij het FIDUCIA-bureau, zodra de beslissing waardoor een einde komt aan de hogere voorziening is betekend, tenzij de zaak voor afdoening naar het Gerecht wordt terugverwezen;

stelt het Hof van Justitie, indien de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Gerecht, zodra de beslissing waardoor een einde komt aan de hogere voorziening is betekend. Met het oog daarop zendt de griffier van het Hof van Justitie aan de griffier van het Gerecht een bericht waarin hij hem in kennis stelt van het feit dat de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Gerecht worden gesteld. Tegelijkertijd stelt de griffier van het Hof van Justitie de beveiligingsinstantie ervan in kennis dat de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Gerecht moeten worden gesteld, zonder deze inlichtingen of stukken fysiek te verplaatsen. Deze informatie wordt door het FIDUCIA-bureau geregistreerd. De hoofdpartij die deze inlichtingen of stukken heeft overgelegd, dient deze in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de griffie van het Gerecht weer op te halen bij het FIDUCIA-bureau, zodra de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is verstreken, tenzij binnen deze termijn hogere voorziening is ingesteld.

Artikel 4

FIDUCIA-markering

1.   De FIDUCIA-markering wordt door het FIDUCIA-bureau toegekend aan alle inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden overgelegd.

2.   De FIDUCIA-markering wordt door het FIDUCIA-bureau tevens toegekend aan elke informatie waarin de inhoud van de op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van genoemd Reglement overgelegde inlichtingen of stukken geheel of ten dele is overgenomen alsook aan elk afschrift van dergelijke inlichtingen of stukken.

3.   De FIDUCIA-markering wordt door het FIDUCIA-bureau tevens toegekend aan bescheiden en registers die door het FIDUCIA-bureau zijn opgesteld in het kader van de toepassing van dit besluit en waarvan de niet-geautoriseerde openbaarmaking de veiligheid van de Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen zou kunnen aantasten.

4.   De FIDUCIA-markering wordt op zichtbare wijze aangebracht op alle bladzijden en dragers van FIDUCIA-informatie.

5.   Wanneer de FIDUCIA-markering in de omstandigheden bedoeld in bijlage III wordt aangebracht of verwijderd, laat dit de rubricering van de aan het Gerecht meegedeelde informatie onverlet.

Artikel 5

Bescherming van FIDUCIA-informatie

1.   De bescherming van FIDUCIA-informatie is gelijkwaardig aan die van EUCI met rubricering SECRET UE/EU SECRET overeenkomstig de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

2.   Het staat aan de houder van enige FIDUCIA-informatie om deze overeenkomstig dit besluit te beschermen.

Artikel 6

Beheer van de veiligheidsrisico's

1.   Risico's voor FIDUCIA-informatie worden beheerd als een proces van risicoanalyse. Dit proces is gericht op het bepalen van de bekende beveiligingsrisico's, op het vaststellen van beveiligingsmaatregelen om deze risico's tot een aanvaardbaar niveau te beperken conform de grondbeginselen en minimumnormen van dit besluit en op het toepassen van deze maatregelen. De doeltreffendheid van deze maatregelen wordt constant geëvalueerd door de beveiligingsinstantie.

2.   De beveiligingsmaatregelen voor de bescherming van de FIDUCIA-informatie zijn gedurende de gehele procedure voor het Hof van Justitie evenredig aan met name de vorm en de omvang van de betrokken informatie of het materiaal, de omgeving en inrichting van de ruimten waarin het FIDUCIA-bureau is ondergebracht, en de lokaal beoordeelde dreiging die uitgaat van kwaadwillige en/of criminele activiteiten, met name spionage, sabotage en terrorisme.

3.   In het interne rampenplan van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt rekening gehouden met de noodzaak om FIDUCIA-informatie in noodsituaties te beschermen, teneinde toegang en niet-geautoriseerde openbaarmaking alsook aantasting van de integriteit of beschikbaarheid te voorkomen.

4.   In het interne rampenplan van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden preventie- en herstelmaatregelen opgenomen om de gevolgen van ernstige storingen of incidenten voor de verwerking en opslag van FIDUCIA-informatie zo gering mogelijk te houden.

Artikel 7

Veiligheidsmaatregelen met betrekking tot personen

1.   Toegang tot FIDUCIA-informatie wordt uitsluitend verleend aan personen die:

daarvan kennis moeten nemen (need-to-know-beginsel),

behoudens het bepaalde in lid 2 van dit artikel, geautoriseerd zijn om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben, en

op hun verantwoordelijkheden zijn gewezen.

2.   De rechters en advocaten-generaal in het Hof van Justitie worden op grond van hun ambt geacht te zijn geautoriseerd om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

3.   De procedure ten behoeve van de bepaling of een ambtenaar of ander personeelslid van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gezien zijn loyaliteit, integriteit en betrouwbaarheid, kan worden geautoriseerd om toegang tot FIDUCIA-informatie te verkrijgen, is nader uiteengezet in bijlage I.

4.   Vóór de verlening van de autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te verkrijgen en met geregelde tussenpozen daarna, worden de betrokkenen in kennis gesteld van de overeenkomstig dit besluit op hen rustende verantwoordelijkheden op het gebied van de bescherming van FIDUCIA-informatie en erkennen zij deze verantwoordelijkheden in schriftelijke vorm.

Artikel 8

Fysieke beveiliging

1.   Onder „fysieke beveiliging” wordt verstaan de toepassing van fysieke en technische beschermingsmaatregelen om de niet-geautoriseerde toegang tot FIDUCIA-informatie te voorkomen.

2.   De maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging hebben tot doel om het met list of geweld binnendringen van de ruimten van het FIDUCIA-bureau te verhinderen, om acties waarvoor geen toestemming is verleend te ontraden, te verhinderen en op te sporen en om op basis van het need-to-know-beginsel een onderscheid mogelijk te maken tussen personeelsleden die wel en die niet zijn geautoriseerd om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben. Deze maatregelen worden op een proces van risicomanagement gebaseerd.

3.   De maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging worden ingevoerd voor de ruimten van het FIDUCIA-bureau waarin de FIDUCIA-informatie wordt verwerkt en opgeslagen. Deze maatregelen zijn bedoeld om voor een bescherming te zorgen die gelijkwaardig is aan die van EUCI met rubricering SECRET UE/EU SECRET overeenkomstig de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie. Geen enkele FIDUCIA-informatie mag worden opgeslagen of ingezien buiten de ruimten van het FIDUCIA-bureau, die daarvoor zijn ingericht binnen een zone die zelf ook is beveiligd.

4.   Uitsluitend apparatuur en voorzieningen die voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie, mogen voor de bescherming van FIDUCIA-informatie worden gebruikt.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in bijlage II.

Artikel 9

Beheer van FIDUCIA-informatie

1.   Het „beheer van FIDUCIA-informatie” houdt in dat gedurende de gehele procedure voor het Hof van Justitie administratieve maatregelen voor de bescherming van FIDUCIA-informatie worden toegepast en dat daarop controle wordt uitgeoefend om bij te dragen tot de preventie en detectie van de al dan niet opzettelijke compromittering of het al dan niet opzettelijke verlies van dergelijke informatie.

2.   De maatregelen voor het beheer van FIDUCIA-informatie hebben met name betrekking op het registreren, inzien, genereren, vermenigvuldigen, opslaan, teruggeven en vernietigen van FIDUCIA-informatie.

3.   Bij de ontvangst ervan en vóór elke bewerking wordt de FIDUCIA-informatie door het FIDUCIA-bureau geregistreerd.

4.   De ruimten van het FIDUCIA-bureau worden regelmatig aan een inspectie door de beveiligingsinstantie onderworpen.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in bijlage III.

Artikel 10

Bescherming van FIDUCIA-informatie die elektronisch wordt verwerkt

1.   De ICT-systemen (computers en randapparatuur) die voor de verwerking van FIDUCIA-informatie worden gebruikt, bevinden zich in de ruimten van het FIDUCIA-bureau. Zij zijn niet aan enig IT-netwerk gekoppeld.

2.   Er worden beveiligingsmaatregelen getroffen voor de bescherming van de voor de bewerking van FIDUCIA-informatie gebruikte IT-apparatuur tegen het compromitteren van die informatie door onopzettelijke elektromagnetische emissies (gelijkwaardige beveiligingsmaatregelen als die voor EUCI met rubricering SECRET UE/EU SECRET overeenkomstig de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie).

3.   Voor de ICT-systemen wordt een typegoedkeuring afgegeven door de beveiligingsinstantie, die zich ervan vergewist dat deze voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

4.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in bijlage IV.

Artikel 11

Beveiliging in geval van externe interventie

1.   „Beveiliging in geval van externe interventie” houdt in dat maatregelen worden toegepast die ervoor moeten zorgen dat de FIDUCIA-informatie wordt beschermd door contractanten die moeten interveniëren in het kader van het onderhoud van ICT-systemen die niet gekoppeld zijn aan het IT-netwerk of wanneer het voor een interventie noodzakelijk is dat de FIDUCIA-informatie dringend wordt verplaatst om die naar een veilige plaats over te brengen.

2.   De beveiligingsinstantie mag aan contractanten die in een lidstaat zijn ingeschreven, taken toevertrouwen die op grond van hun contract toegang tot FIDUCIA-informatie inhouden of noodzakelijk maken.

3.   De beveiligingsinstantie ziet erop toe dat de minimumnormen voor beveiliging die zijn opgenomen in dit besluit en die in het contract zijn vermeld, in acht worden genomen bij de toekenning van contracten.

4.   De personeelsleden van een contractant kunnen pas toegang tot FIDUCIA-informatie krijgen nadat zij daartoe zijn geautoriseerd door de beveiligingsinstantie op basis van een veiligheidsverklaring voor personeel die door de bevoegde nationale veiligheidsautoriteit of enige andere bevoegde veiligheidsautoriteit is afgegeven overeenkomstig de nationale wet- of regelgeving.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in bijlage V.

Artikel 12

Geen digitale verspreiding, mededeling of uitwisseling van FIDUCIA-informatie

1.   FIDUCIA-informatie wordt in geen geval digitaal verspreid.

2.   Het Hof van Justitie zendt geen FIDUCIA-informatie door aan de instellingen, organen of instanties van de Unie noch aan de lidstaten, de andere partijen in het geding of derden.

Artikel 13

Inbreuken op de beveiligingsvoorschriften en compromittering van FIDUCIA-informatie

1.   Van een inbreuk op de beveiligingsvoorschriften is sprake wanneer iemand iets doet of nalaat dat met de beveiligingsvoorschriften in dit besluit in strijd is.

2.   Van compromittering is sprake wanneer FIDUCIA-informatie, na een inbreuk op de beveiligingsvoorschriften, geheel of gedeeltelijk is bekendgemaakt aan niet-geautoriseerde personen of personen die niet geacht worden geautoriseerd te zijn.

3.   Elke inbreuk of vermoedelijke inbreuk op de beveiligingsvoorschriften wordt onmiddellijk gemeld aan de beveiligingsinstantie.

4.   Wanneer is komen vast te staan dat, of wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat FIDUCIA-informatie is gecompromitteerd of verloren is gegaan, neemt de beveiligingsinstantie in nauw overleg met de president en de griffier van het Hof van Justitie alle maatregelen die overeenkomstig de toepasselijke bepalingen passend zijn om:

a)

de hoofdpartij die de betrokken inlichtingen of stukken heeft overgelegd, daarvan in kennis te stellen;

b)

de bevoegde instantie te verzoeken om een administratief onderzoek in te stellen;

c)

de schade te begroten die eventueel is toegebracht aan de veiligheid van de Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen;

d)

te voorkomen dat de feiten zich opnieuw voordoen, en

e)

de bevoegde instanties in kennis te stellen van de genomen maatregelen.

5.   Eenieder die verantwoordelijk is voor een inbreuk op de beveiligingsvoorschriften in dit besluit, stelt zich bloot aan disciplinaire maatregelen, in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen. Eenieder die verantwoordelijk is voor het compromitteren of het verlies van FIDUCIA-informatie, stelt zich bloot aan disciplinaire maatregelen en/of strafvervolging, in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen.

Artikel 14

Organisatie van de beveiliging binnen het Hof van Justitie

1.   Het FIDUCIA-bureau voert de beveiliging van FIDUCIA-informatie op grond van dit besluit uit.

2.   De beveiligingsinstantie is verantwoordelijk voor de juiste toepassing van dit besluit. Met het oog daarop zal de beveiligingsinstantie:

a)

uitvoering geven aan het beveiligingsbeleid van het Hof van Justitie van de Europese Unie en dit periodiek re-evalueren;

b)

toezicht uitoefenen op de tenuitvoerlegging van dit besluit door het FIDUCIA-bureau;

c)

in voorkomend geval, onder de voorwaarden genoemd in artikel 13 onderzoek laten doen naar enige daadwerkelijke of vermoedelijke compromittering of enig daadwerkelijk of vermoedelijk verlies van FIDUCIA-informatie;

d)

periodiek de beveiligingsmaatregelen voor de bescherming van FIDUCIA-informatie in de ruimten van het FIDUCIA-bureau inspecteren.

Artikel 15

Praktische uitvoeringsbepalingen

De praktische uitvoeringsbepalingen bij dit besluit worden vastgesteld door de beveiligingsinstantie met instemming van de griffier van het Hof van Justitie.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 20 september 2016.

De griffier

A. CALOT ESCOBAR

De president

K. LENAERTS


BIJLAGE I

VEILIGHEIDSMAATREGELEN MET BETREKKING TOT PERSONEN

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van het besluit.

2.

Het is aan de griffier van het Hof van Justitie om een lijst op te stellen van de posten waarvoor, voor zover het hem betreft en voor zover strikt noodzakelijk, toegang tot FIDUCIA-informatie nodig is, waarbij de ambtenaren en personeelsleden op die posten dus moeten worden geautoriseerd om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

3.

Met het oog op de toekenning van een autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben, zendt het FIDUCIA-bureau de door de ambtenaar of het andere personeelslid ingevulde beveiligingsvragenlijst aan de nationale veiligheidsautoriteit van de lidstaat waarvan de betrokkene onderdaan is of enige andere bevoegde nationale instantie, bepaald aan de hand van de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie (hierna: „bevoegde NSA”), met het verzoek om een veiligheidsonderzoek voor een rubriceringsniveau SECRET UE/EU SECRET uit te voeren.

4.

Nadat het veiligheidsonderzoek is afgesloten, brengt de bevoegde NSA het FIDUCIA-bureau overeenkomstig de in de lidstaat geldende wet- en regelgeving op de hoogte van de uitkomst ervan.

5.

Wanneer de bevoegde NSA na afloop van het veiligheidsonderzoek de zekerheid heeft verkregen dat er geen negatieve informatie bekend is die doet twijfelen aan de loyaliteit, integriteit en betrouwbaarheid van de betrokkene, kan het tot aanstelling bevoegde gezag (TABG) aan de betrokkene de autorisatie verlenen om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

6.

Wanneer het veiligheidsonderzoek niet tot de in punt 5 bedoelde zekerheid leidt, stelt het TABG de betrokkene daarvan in kennis. In dat geval mag het FIDUCIA-bureau, op instructie van het TABG, de bevoegde NSA om alle aanvullende verduidelijkingen vragen die zij volgens de nationale wet- en regelgeving mag verstrekken. Indien de uitkomst wordt bevestigd, wordt geen autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben verleend.

7.

De autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben geldt voor vijf jaar. Zij wordt ingetrokken wanneer de betrokkene de post waarvoor toegang tot FIDUCIA-informatie nodig is verlaat of wanneer het TABG van oordeel is dat er gronden zijn om de autorisatie in te trekken.

8.

De autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben kan worden verlengd overeenkomstig de procedure in de punten 3 tot en met 5 hierboven.

9.

Het FIDUCIA-bureau houdt een register bij van de autorisaties om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

10.

Indien het FIDUCIA-bureau de beschikking krijgt over informatie dat er een veiligheidsrisico bestaat met betrekking tot de houder van een autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben, stelt het FIDUCIA-bureau de bevoegde NSA daarvan in kennis en kan het TABG de toegang tot de FIDUCIA-informatie schorsen of de autorisatie om toegang tot die informatie te hebben intrekken.

11.

Het TABG kan in dringende gevallen, na raadpleging van de bevoegde NSA en onder voorbehoud van de uitkomst van een eerste controle of er geen negatieve informatie bekend is, aan de betrokken ambtenaren en andere personeelsleden tijdelijk een autorisatie verlenen om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben. Deze tijdelijke autorisatie is geldig tot aan de uitkomst van de in de punten 3 tot en met 5 bedoelde procedure, met een maximum van zes maanden, te rekenen vanaf de indiening van het verzoek om een veiligheidsonderzoek bij de bevoegde NSA.

12.

Voordat hun toegang tot FIDUCIA-informatie wordt verleend, volgen de betrokkenen met het oog daarop een opleiding met als doel om hen in staat te stellen hun verantwoordelijkheden bij de verwerking van FIDUCIA-informatie op zich te nemen. De autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben gaat pas in na het volgen van die opleiding en na een schriftelijke erkenning van de verantwoordelijkheden.

BIJLAGE II

FYSIEKE BEVEILIGING

I.   INLEIDING

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 8 van het besluit. Zij voorziet in minimumregels voor de fysieke bescherming van de ruimten van het FIDUCIA-bureau waarin FIDUCIA-informatie wordt verwerkt en opgeslagen.

2.

De maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging zijn bedoeld om te voorkomen dat niet-geautoriseerde toegang tot FIDUCIA-informatie wordt verkregen, door:

a)

ervoor te zorgen dat FIDUCIA-informatie naar behoren wordt verwerkt en opgeslagen;

b)

op basis van het need-to-know-beginsel een onderscheid mogelijk te maken tussen personen die wel en die niet geautoriseerd zijn om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben;

c)

een afschrikkende werking te hebben en niet-geautoriseerde handelingen te voorkomen en te detecteren, en

d)

enig door list of geweld binnendringen in de ruimten van het FIDUCIA-bureau te verhinderen of te vertragen.

3.

De maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging worden geselecteerd aan de hand van een evaluatie van de dreiging voor de FIDUCIA-informatie. Bij deze maatregelen wordt rekening gehouden met de omgeving en inrichting van de ruimten van het FIDUCIA-bureau. De beveiligingsinstantie bepaalt welke veiligheidsgraad moet worden bereikt met elk van de volgende maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging:

a)

afsluiting ter verdediging van de zone die bescherming behoeft;

b)

indringerdetectiesysteem dat verbonden is met de beveiligingscommandopost van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

c)

systeem voor elektronische of elektromechanische toegangscontrole dat door een lid van het beveiligingspersoneel wordt bediend;

d)

beveiligingspersoneel dat een opleiding heeft gekregen, onder toezicht werkt en geautoriseerd is om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben;

e)

gesloten videobewakingssysteem dat wordt bediend door het beveiligingspersoneel en verbonden is met het indringerdetectiesysteem en het systeem voor toegangscontrole;

f)

beveiligingsverlichting voor doeltreffende directe bewaking of door middel van een videobewakingssysteem;

g)

alle andere passende fysieke maatregelen om ongeoorloofde toegang te ontmoedigen of op te sporen of om inzage, verlies of beschadiging van FIDUCIA-informatie te voorkomen.

II.   RUIMTEN VOOR DE OPSLAG EN INZAGE VAN FIDUCIA-INFORMATIE

Voorzien in fysiek beschermde ruimten voor opslag en inzage

4.

Er wordt voorzien in beveiligde ruimten voor de opslag en inzage van FIDUCIA-informatie. FIDUCIA-informatie mag alleen worden opgeslagen en ingezien in de ruimten van het FIDUCIA-bureau, die op alle punten voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

5.

Binnen deze ruimten wordt de FIDUCIA-informatie opgeslagen in beveiligde opbergmiddelen die op alle punten voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

6.

Binnen de ruimten van het FIDUCIA-bureau mag geen enkel communicatiemiddel (telefoon of ander elektronisch toestel) worden gebracht.

7.

De vergaderruimte van het FIDUCIA-bureau is tegen afluisteren beschermd. Deze ruimte wordt geregeld aan een beveiligingsinspectie onderworpen.

Toegang tot de ruimten voor opslag en inzage

8.

De toegang tot de ruimten van het FIDUCIA-bureau wordt gecontroleerd door middel van een per video bewaakte toegangssluis voor identificatie.

9.

De personen met een autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben en de personen die geacht worden een dergelijke autorisatie te hebben, kunnen de ruimten van het FIDUCIA-bureau betreden om FIDUCIA-informatie in te zien onder de voorwaarden in artikel 7, leden 1 en 2, van dit besluit.

10.

De beveiligingsinstantie kan in uitzonderlijke omstandigheden een autorisatie voor toegang verlenen aan niet-geautoriseerde personen, wanneer hun toegang tot de ruimten van het FIDUCIA-bureau onontbeerlijk is omdat zij daar werkzaamheden moeten verrichten, mits de toegang tot die ruimten niet inhoudt dat zij toegang verkrijgen tot FIDUCIA-informatie, die uit het zicht wordt opgeborgen in de beveiligde opbergmiddelen. De toegang van deze personen kan alleen plaatsvinden onder begeleiding en constant toezicht van een medewerker van het FIDUCIA-bureau die geautoriseerd is om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

11.

Telkens wanneer toegang tot de ruimten van het FIDUCIA-bureau wordt verkregen, wordt dit bijgehouden in een toegangsregister. Dit register wordt op een werkstation binnen deze ruimten bijgehouden. Het daarvoor gebruikte ICT-systeem voldoet aan de beveiligingsvereisten in artikel 10 van het besluit en in bijlage IV.

12.

De beschermingsmaatregelen die het geschreven gebruik van FIDUCIA-informatie regelen, zijn ook van toepassing wanneer die informatie mondeling wordt gebruikt.

III.   CONTROLE VAN SLEUTELS EN CODECOMBINATIES DIE WORDEN GEBRUIKT VOOR DE BESCHERMING VAN FIDUCIA-INFORMATIE

13.

De beveiligingsinstantie stelt procedures vast voor het beheer van de sleutels en codecombinaties voor de ruimten van het FIDUCIA-bureau en de beveiligde opbergmiddelen. Deze procedures bieden bescherming tegen niet-geautoriseerde toegang.

14.

De codecombinaties worden gememoriseerd door het kleinst mogelijke aantal personen die er kennis van moeten nemen. De codecombinaties van beveiligde opbergmiddelen waarin FIDUCIA-informatie wordt opgeslagen, worden gewijzigd:

a)

bij ontvangst van een nieuw opbergmiddel;

b)

in geval van een wijziging in het personeel dat de combinatie kent;

c)

bij compromitteren of het vermoeden ervan;

d)

wanneer een slot in onderhoud of in reparatie is geweest;

e)

ten minste om de twaalf maanden.

15.

De technische uitrusting voor de fysieke bescherming van FIDUCIA-informatie voldoet aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie. De beveiligingsinstantie is verantwoordelijk voor de naleving van die regels.

16.

De technische uitrusting wordt periodiek aan een inspectie onderworpen en met geregelde tussenpozen onderhouden. Bij het onderhoud wordt rekening gehouden met de uitkomst van de inspecties om ervoor te zorgen dat de uitrusting steeds optimaal functioneert.

17.

Tijdens elke inspectie moet de doeltreffendheid van de verschillende beveiligingsmaatregelen en van het beveiligingssysteem in zijn geheel opnieuw worden geëvalueerd.

BIJLAGE III

BEHEER VAN FIDUCIA-INFORMATIE

I.   INLEIDING

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 9 van het besluit. Zij voorziet in de administratieve maatregelen voor de bescherming van FIDUCIA-informatie die gedurende de gehele procedure voor het Hof van Justitie worden toegepast en waarop controle wordt uitgeoefend om bij te dragen tot de preventie en detectie van de al dan niet opzettelijke compromittering of het al dan niet opzettelijke verlies van dergelijke informatie.

II.   REGISTER VAN FIDUCIA-INFORMATIE

2.

Er wordt een register van FIDUCIA-informatie aangelegd. Dit register wordt door het FIDUCIA-bureau bijgehouden op een werkstation dat zich in de ruimten van het FIDUCIA-bureau bevindt. Het ICT-systeem dat voor het bijhouden van het register wordt gebruikt, voldoet aan de beveiligingsvereisten in artikel 10 van het besluit en in bijlage IV.

III.   REGISTRATIE VAN FIDUCIA-INFORMATIE

3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder registratie voor beveiligingsdoeleinden (hierna: „registratie”) verstaan de toepassing van procedures waarmee de levenscyclus van FIDUCIA-informatie, ook de vernietiging ervan, kan worden geregistreerd.

4.

Het FIDUCIA-bureau draagt zorg voor de registratie van FIDUCIA-informatie.

5.

Het FIDUCIA-bureau kent automatisch de FIDUCIA-markering toe aan de inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht worden overgelegd. Het FIDUCIA-bureau registreert de FIDUCIA-informatie in het register van FIDUCIA-informatie.

6.

Het FIDUCIA-bureau stelt een verslag op dat bij het register van FIDUCIA-informatie wordt gevoegd, waarin is gepreciseerd hoe de informatie in ontvangst is genomen. Deze informatie wordt vervolgens behandeld op de wijze zoals in het vorige punt uiteengezet.

7.

De registratie van de FIDUCIA-informatie in het register van FIDUCIA-informatie overeenkomstig de punten 5 en 6 geschiedt onverminderd de procedurele inschrijving door de personen die geautoriseerd zijn om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben bij de griffie.

IV.   BEHEER VAN FIDUCIA-INFORMATIE

Markering

8.

Wanneer EUCI of andere informatie ten aanzien waarvan is aangegeven dat de mededeling ervan de veiligheid van de Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen aantast, wordt overgelegd in het kader van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht, wordt daaraan de FIDUCIA-markering toegekend door het FIDUCIA-bureau.

9.

De FIDUCIA-markering wordt duidelijk en correct aangegeven op elk deel van de bescheiden, los van de vorm waarin de informatie is gepresenteerd: in papieren vorm, in audiovorm, elektronisch of anderszins.

Genereren van FIDUCIA-informatie

10.

Alleen een persoon die geautoriseerd is om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben of een persoon die geacht wordt te zijn geautoriseerd, mag FIDUCIA-informatie genereren zoals nader omschreven in artikel 4, leden 2 en 3, van dit besluit.

11.

Alle gegenereerde FIDUCIA-informatie wordt geregistreerd door het FIDUCIA-bureau in het register van FIDUCIA-informatie.

12.

Voor alle gegenereerde FIDUCIA-informatie gelden alle regels voor de verwerking van FIDUCIA-informatie, zoals vastgesteld in dit besluit en de bijlagen daarbij.

Verwijderen van de FIDUCIA-markering

13.

De FIDUCIA-informatie verliest zijn markering in twee gevallen:

a)

wanneer de hoofdpartij die de FIDUCIA-informatie heeft overgelegd, toestemming verleent voor de toezending ervan aan de andere hoofdpartij, in welk geval de aanvankelijk toegezonden informatie en alle informatie die op basis van die informatie is gegenereerd zijn FIDUCIA-markering verliest;

b)

wanneer de FIDUCIA-informatie wordt teruggegeven aan de hoofdpartij die deze heeft overgelegd.

14.

De FIDUCIA-markering wordt verwijderd door het FIDUCIA-bureau, die deze verwijdering registreert in het register van FIDUCIA-informatie.

15.

De verwijdering van de FIDUCIA-markering betekent niet dat de rubricering van de EUCI wordt opgeheven.

V.   AFSCHRIFTEN VAN FIDUCIA-INFORMATIE

16.

Van FIDUCIA-informatie worden geen afschriften gemaakt, tenzij zij onontbeerlijk zijn. In dat laatste geval worden de afschriften door het FIDUCIA-bureau gemaakt, die deze nummert en registreert.

17.

Voor de afschriften gelden alle veiligheidsvoorschriften voor de verwerking van FIDUCIA-informatie, zoals vastgesteld in dit besluit en de bijlagen daarbij.

VI.   VERNIETIGING VAN FIDUCIA-INFORMATIE

18.

Wanneer de op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering van het Gerecht overgelegde inlichtingen of stukken worden teruggegeven aan de hoofdpartij die deze heeft overgelegd, wordt alle informatie waarin de inhoud van dergelijke inlichtingen of stukken geheel of ten dele is overgenomen, vernietigd, evenals eventuele daarvan gemaakte afschriften.

19.

De vernietiging van FIDUCIA-informatie als bedoeld in punt 18 geschiedt door het FIDUCIA-bureau, dat daarvoor methoden gebruikt die voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie om te voorkomen dat deze geheel of ten dele kan worden gereconstrueerd.

20.

De vernietiging van FIDUCIA-informatie als bedoeld in punt 18 geschiedt in tegenwoordigheid van een getuige die geautoriseerd is om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

21.

Het FIDUCIA-bureau stelt van de vernietiging een proces-verbaal op.

22.

Het proces-verbaal van de vernietiging wordt aan het register van FIDUCIA-informatie gehecht. Een afschrift wordt toegezonden aan de hoofdpartij die het betrokken bescheid heeft overgelegd.

BIJLAGE IV

BESCHERMING VAN FIDUCIA-INFORMATIE DIE ELEKTRONISCH WORDT VERWERKT

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 10.

2.

FIDUCIA-informatie mag uitsluitend worden verwerkt op elektronische apparatuur (werkstations, printers, fotokopieerapparaten) die niet met een IT-netwerk zijn verbonden en die in de ruimten van het FIDUCIA-bureau zijn geplaatst.

3.

Alle apparatuur die voor de verwerking van FIDUCIA-informatie wordt gebruikt, voldoet aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie. Op de beveiliging van deze apparatuur wordt gedurende hun gehele levenscyclus toegezien.

4.

De mogelijkheid om verbinding met internet en andere hulpmiddelen (LAN, WLAN, Bluetooth enz.) te krijgen, wordt permanent uitgeschakeld.

5.

De werkstations worden met een passende bescherming tegen virussen uitgerust. De update van het antivirusprogramma geschiedt met behulp van cd-roms of usb-sticks die uitsluitend ten behoeve daarvan worden gebruikt.

6.

Het geheugen van de printers en fotokopieerapparaten wordt vóór elke onderhoudsbeurt gewist.

7.

Voor de verwerking van verzoeken om een onderzoek als bedoeld in bijlage I worden uitsluitend encryptieproducten gebruikt die voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

BIJLAGE V

BEVEILIGING IN GEVAL VAN EXTERNE INTERVENTIE

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 11.

2.

Contractanten mogen alleen in het kader van het onderhoud van de ICT-systemen die niet aan het IT-netwerk zijn gekoppeld of wanneer FIDUCIA-informatie dringend moet worden verplaatst om die naar een veilige plaats over te brengen, toegang tot FIDUCIA-informatie hebben.

3.

De beveiligingsinstantie stelt richtsnoeren inzake externe interventie op die met name betrekking hebben op de veiligheidsverklaring voor het personeel van de contractanten en de inhoud van de in deze bijlage bedoelde contracten.

4.

De bescheiden betreffende de aanbestedingen en het onderhoudscontract voor de ICT-systemen worden FIDUCIA-gemarkeerd wanneer die informatie bevatten waarvan de niet-geautoriseerde openbaarmaking de veiligheid van de Europese Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen zou kunnen aantasten. De bijlage inzake beveiliging bij dat contract bevat bepalingen waarin de contractant wordt verplicht om de in dit besluit opgenomen minimumnormen na te leven. Niet-naleving van deze minimumnormen kan voldoende reden zijn voor opzegging van het contract.

5.

Wanneer het contract interventies inhoudt waarbij de FIDUCIA-informatie dringend moet worden verplaatst om die naar een veilige plaats over te brengen, wordt daarin bepaald hoeveel beveiligingsagenten over een veiligheidsverklaring voor personeel moeten beschikken. Daarin wordt niets bepaald over de procedures die moeten worden gevolgd. Dit contract wordt niet FIDUCIA-gemarkeerd.

6.

De contractant mag de activiteiten die zijn omschreven in de aanbesteding en in het contract dat toegang tot FIDUCIA-informatie inhoudt of vereist, niet uitbesteden.

24.12.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/18


BESLUIT (EU) 2016/2387 VAN HET GERECHT

van 14 september 2016

betreffende de beveiligingsvoorschriften die van toepassing zijn op de inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden overgelegd

HET GERECHT

Gezien het Reglement voor de procesvoering, met name artikel 105, lid 11,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Volgens artikel 105, leden 1 en 2, van het Reglement voor de procesvoering kan een hoofdpartij in het geding, uit eigen beweging of na een door het Gerecht getroffen maatregel van instructie, inlichtingen of stukken overleggen die de veiligheid van de Europese Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen raken. De leden 3 tot en met 10 van deze bepaling bevatten een procedurele regeling die op dergelijke inlichtingen of stukken van toepassing is.

(2)

Gelet op de gevoeligheid en de vertrouwelijkheid van de betrokken inlichtingen of stukken, moet er voor de bij artikel 105 van het Reglement voor de procesvoering ingevoerde regeling een passend beveiligingsmechanisme zijn waarmee wordt gewaarborgd dat deze inlichtingen of stukken een hoge mate van bescherming genieten.

(3)

Het beveiligingsmechanisme moet daarom van toepassing zijn op alle inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden overgelegd, zijnde gerubriceerde EU-informatie of informatie waarvan de hoofdpartij die deze heeft overgelegd, heeft gesteld dat de mededeling ervan aan de andere hoofdpartij de veiligheid van de Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen zou aantasten, ook wanneer deze inlichtingen of stukken geen gerubriceerde EU-informatie zijn.

(4)

Om te zorgen voor een hoge mate van bescherming van deze inlichtingen of stukken is voor de grondbeginselen en minimumnormen inzake beveiliging ter bescherming van genoemde inlichtingen of stukken aangesloten bij die welke van toepassing zijn op de bescherming van informatie die als SECRET UE/EU SECRET is gerubriceerd volgens de regels van de instellingen van de Unie op het gebied van de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (EUCI), met name die welke zijn vastgesteld door de Raad van de Europese Unie, het Europees Parlement en de Europese Commissie.

(5)

De inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden overgelegd, zullen worden voorzien van een voor het Hof van Justitie van de Europese Unie specifieke markering, „FIDUCIA”, waarmee wordt bepaald welke beveiligingsregeling daar gedurende de gehele procedure voor het Gerecht en, in geval van hogere voorziening, voor het Hof van Justitie op van toepassing is. Het aanbrengen en verwijderen van die FIDUCIA-markering heeft geen gevolgen voor de rubricering van de aan het Gerecht meegedeelde informatie.

(6)

Voor de toegang tot FIDUCIA-informatie geldt het beginsel dat daartoe alleen toegang kan worden verkregen voor zover kennisname daarvan noodzakelijk is (need-to-know-beginsel),

BESLUIT:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „beveiligingsinstantie”: de door het Hof van Justitie van de Europese Unie aangewezen instantie die voor de beveiliging van het Hof van Justitie van de Europese Unie verantwoordelijk is, die de uitvoering van de bij dit besluit voorziene taken geheel of ten dele kan delegeren;

b)   „FIDUCIA-bureau”: het bureau van het Hof van Justitie van de Europese Unie dat de FIDUCIA-informatie beheert;

c)   „houder”: een naar behoren geautoriseerd persoon van wie is komen vast te staan dat hij kennis moet nemen van FIDUCIA-informatie, die dergelijke informatie houdt en die bijgevolg voor de bescherming ervan moet instaan;

d)   „bescheid”: elke informatie, ongeacht de vorm of de fysieke eigenschappen;

e)   „informatie”: elke schriftelijke of mondelinge informatie, ongeacht de drager of de auteur;

f)   „gerubriceerde EU-informatie” (EUCI): elke informatie of elk materiaal dat op grond van de daarop toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie als zodanig is aangemerkt volgens de beveiligingsrubricering van de Europese Unie en dat onder een van de volgende rubriceringen valt:

TRÈS SECRET UE/EU TOP SECRET,

SECRET UE/EU SECRET,

CONFIDENTIEL UE/EU CONFIDENTIAL,

RESTREINT UE/EU RESTRICTED;

g)   „FIDUCIA-informatie”: elke informatie die de FIDUCIA-markering draagt;

h)   „verwerking” van FIDUCIA-informatie: alle handelingen die ten aanzien van FIDUCIA-informatie kunnen worden verricht in de loop van de procedure voor het Gerecht en uiterlijk tot aan het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie. Bedoeld worden het registreren, inzien, genereren, vermenigvuldigen, opslaan, teruggeven en vernietigen ervan.

Artikel 2

Voorwerp en werkingssfeer

1.   Bij dit besluit worden de grondbeginselen en minimumnormen voor beveiliging vastgesteld voor de bescherming van FIDUCIA-informatie in het kader van de procedure voor het Gerecht en uiterlijk tot aan het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie.

2.   Deze grondbeginselen en minimumnormen voor beveiliging zijn van toepassing op elke FIDUCIA-informatie, alsook op elk schriftelijk of mondeling gebruik ervan en op de daar in voorkomend geval van gemaakte afschriften volgens de beveiligingsvoorschriften in dit besluit.

Artikel 3

Wijzen van neerlegging en teruggave

Voor de toepassing van het bij dit besluit voorziene mechanisme:

doet de hoofdpartij mededeling aan de griffie van het Gerecht op de dag dat de inlichtingen of stukken op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden neergelegd;

dient de hoofdpartij, vergezeld door een vertegenwoordiger van de griffie, de op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering over te leggen stukken neer te leggen bij het FIDUCIA-bureau tijdens de uren waarop de griffie voor het publiek geopend is;

dient de hoofdpartij die de inlichtingen of stukken op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering heeft overgelegd, deze in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de griffie weer op te halen bij het FIDUCIA-bureau, wanneer zij geen toestemming verleent voor de mededeling ervan op grond van artikel 105, lid 4, van genoemd Reglement dan wel onmiddellijk nadat de betrokken inlichtingen of stukken overeenkomstig artikel 105, lid 7, van datzelfde Reglement zijn teruggetrokken dan wel onmiddellijk na het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, tenzij binnen deze termijn hogere voorziening is ingesteld;

worden, indien binnen de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie hogere voorziening wordt ingesteld tegen de beslissing van het Gerecht, de in het kader van die zaak op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering overgelegde inlichtingen of stukken ter beschikking van het Hof van Justitie gesteld. Zodra de griffier van het Gerecht van deze hogere voorziening in kennis is gesteld, zendt hij de griffier van het Hof van Justitie met het oog daarop een bericht waarin hij hem in kennis stelt van het feit dat de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Hof worden gesteld. Tegelijkertijd stelt de griffier van het Gerecht de beveiligingsinstantie ervan in kennis dat de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Hof van Justitie moeten worden gesteld, zonder deze inlichtingen of stukken fysiek te verplaatsen. Deze informatie wordt door het FIDUCIA-bureau geregistreerd. De hoofdpartij die deze inlichtingen of stukken heeft overgelegd, dient deze in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de griffie van het Hof van Justitie weer op te halen bij het FIDUCIA-bureau, zodra de beslissing waardoor een einde komt aan de hogere voorziening is betekend, tenzij de zaak voor afdoening naar het Gerecht wordt terugverwezen;

stelt het Hof van Justitie, indien de zaak naar het Gerecht wordt terugverwezen, de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Gerecht, zodra de beslissing waardoor een einde komt aan de hogere voorziening is betekend. Met het oog daarop zendt de griffier van het Hof van Justitie aan de griffier van het Gerecht een bericht waarin hij hem in kennis stelt van het feit dat de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Gerecht worden gesteld. Tegelijkertijd stelt de griffier van het Hof van Justitie de beveiligingsinstantie ervan in kennis dat de betrokken inlichtingen of stukken ter beschikking van het Gerecht moeten worden gesteld, zonder deze inlichtingen of stukken fysiek te verplaatsen. Deze informatie wordt door het FIDUCIA-bureau geregistreerd. De hoofdpartij die deze inlichtingen of stukken heeft overgelegd, dient deze in tegenwoordigheid van een vertegenwoordiger van de griffie van het Gerecht weer op te halen bij het FIDUCIA-bureau, zodra de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie is verstreken, tenzij binnen deze termijn hogere voorziening is ingesteld.

Artikel 4

FIDUCIA-markering

1.   De FIDUCIA-markering wordt door het FIDUCIA-bureau toegekend aan alle inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden overgelegd.

2.   De FIDUCIA-markering wordt door het FIDUCIA-bureau tevens toegekend aan elke informatie waarin de inhoud van de op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering overgelegde inlichtingen of stukken geheel of ten dele is overgenomen alsook aan elk afschrift van dergelijke inlichtingen of stukken.

3.   De FIDUCIA-markering wordt door het FIDUCIA-bureau tevens toegekend aan bescheiden en registers die door het FIDUCIA-bureau zijn opgesteld in het kader van de toepassing van dit besluit en waarvan de niet-geautoriseerde openbaarmaking de veiligheid van de Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen zou kunnen aantasten.

4.   De FIDUCIA-markering wordt op zichtbare wijze aangebracht op alle bladzijden en dragers van FIDUCIA-informatie.

5.   Wanneer de FIDUCIA-markering in de omstandigheden bedoeld in bijlage III wordt aangebracht of verwijderd, laat dit de rubricering van de aan het Gerecht meegedeelde informatie onverlet.

Artikel 5

Bescherming van FIDUCIA-informatie

1.   De bescherming van FIDUCIA-informatie is gelijkwaardig aan die van EUCI met rubricering SECRET UE/EU SECRET overeenkomstig de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

2.   Het staat aan de houder van enige FIDUCIA-informatie om deze overeenkomstig dit besluit te beschermen.

Artikel 6

Beheer van de veiligheidsrisico's

1.   Risico's voor FIDUCIA-informatie worden beheerd als een proces van risicoanalyse. Dit proces is gericht op het bepalen van de bekende beveiligingsrisico's, op het vaststellen van beveiligingsmaatregelen om deze risico's tot een aanvaardbaar niveau te beperken conform de grondbeginselen en minimumnormen van dit besluit en op het toepassen van deze maatregelen. De doeltreffendheid van deze maatregelen wordt constant geëvalueerd door de beveiligingsinstantie.

2.   De beveiligingsmaatregelen voor de bescherming van de FIDUCIA-informatie zijn gedurende de gehele procedure voor het Gerecht en uiterlijk tot aan het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie evenredig aan met name de vorm en de omvang van de betrokken informatie of het materiaal, de omgeving en inrichting van de ruimten waarin het FIDUCIA-bureau is ondergebracht, en de lokaal beoordeelde dreiging die uitgaat van kwaadwillige en/of criminele activiteiten, met name spionage, sabotage en terrorisme.

3.   In het interne rampenplan van het Hof van Justitie van de Europese Unie wordt rekening gehouden met de noodzaak om FIDUCIA-informatie in noodsituaties te beschermen, teneinde toegang en niet- geautoriseerde openbaarmaking alsook aantasting van de integriteit of beschikbaarheid te voorkomen.

4.   In het interne rampenplan van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden preventie- en herstelmaatregelen opgenomen om de gevolgen van ernstige storingen of incidenten voor de verwerking en opslag van FIDUCIA-informatie zo gering mogelijk te houden.

Artikel 7

Veiligheidsmaatregelen met betrekking tot personen

1.   Toegang tot FIDUCIA-informatie wordt uitsluitend verleend aan personen die:

daarvan kennis moeten nemen (need-to-know-beginsel),

behoudens het bepaalde in lid 2 van dit artikel, geautoriseerd zijn om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben, en

op hun verantwoordelijkheden zijn gewezen.

2.   De rechters in het Gerecht worden op grond van hun ambt geacht te zijn geautoriseerd om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

3.   De procedure ten behoeve van de bepaling of een ambtenaar of ander personeelslid van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gezien zijn loyaliteit, integriteit en betrouwbaarheid, kan worden geautoriseerd om toegang tot FIDUCIA-informatie te verkrijgen, is nader uiteengezet in bijlage I.

4.   Vóór de verlening van de autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te verkrijgen en met geregelde tussenpozen daarna, worden de betrokkenen in kennis gesteld van de overeenkomstig dit besluit op hen rustende verantwoordelijkheden op het gebied van de bescherming van FIDUCIA-informatie en erkennen zij deze verantwoordelijkheden in schriftelijke vorm.

Artikel 8

Fysieke beveiliging

1.   Onder „fysieke beveiliging” wordt verstaan de toepassing van fysieke en technische beschermingsmaatregelen om de niet-geautoriseerde toegang tot FIDUCIA-informatie te voorkomen.

2.   De maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging hebben tot doel om het met list of geweld binnendringen van de ruimten van het FIDUCIA-bureau te verhinderen, om acties waarvoor geen toestemming is verleend te ontraden, te verhinderen en op te sporen en om op basis van het need-to-know-beginsel een onderscheid mogelijk te maken tussen personeelsleden die wel en die niet zijn geautoriseerd om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben. Deze maatregelen worden op een proces van risicomanagement gebaseerd.

3.   De maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging worden ingevoerd voor de ruimten van het FIDUCIA-bureau waarin de FIDUCIA-informatie wordt verwerkt en opgeslagen. Deze maatregelen zijn bedoeld om voor een bescherming te zorgen die gelijkwaardig is aan die van EUCI met rubricering SECRET UE/EU SECRET overeenkomstig de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie. Geen enkele FIDUCIA-informatie mag worden opgeslagen of ingezien buiten de ruimten van het FIDUCIA-bureau, die daarvoor zijn ingericht binnen een zone die zelf ook is beveiligd.

4.   Uitsluitend apparatuur en voorzieningen die voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie, mogen voor de bescherming van FIDUCIA-informatie worden gebruikt.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in bijlage II.

Artikel 9

Beheer van FIDUCIA-informatie

1.   Het „beheer van FIDUCIA-informatie” houdt in dat gedurende de gehele procedure voor het Gerecht en uiterlijk tot aan het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie administratieve maatregelen voor de bescherming van FIDUCIA-informatie worden toegepast en dat daarop controle wordt uitgeoefend om bij te dragen tot de preventie en detectie van de al dan niet opzettelijke compromittering of het al dan niet opzettelijke verlies van dergelijke informatie.

2.   De maatregelen voor het beheer van FIDUCIA-informatie hebben met name betrekking op het registreren, inzien, genereren, vermenigvuldigen, opslaan, teruggeven en vernietigen van FIDUCIA-informatie.

3.   Bij de ontvangst ervan en vóór elke bewerking wordt de FIDUCIA-informatie door het FIDUCIA-bureau geregistreerd.

4.   De ruimten van het FIDUCIA-bureau worden regelmatig aan een inspectie door de beveiligingsinstantie onderworpen.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in bijlage III.

Artikel 10

Bescherming van FIDUCIA-informatie die elektronisch wordt verwerkt

1.   De ICT-systemen (computers en randapparatuur) die voor de verwerking van FIDUCIA-informatie worden gebruikt, bevinden zich in de ruimten van het FIDUCIA-bureau. Zij zijn niet aan enig IT-netwerk gekoppeld.

2.   Er worden beveiligingsmaatregelen getroffen voor de bescherming van de voor de bewerking van FIDUCIA-informatie gebruikte IT-apparatuur tegen het compromitteren van die informatie door onopzettelijke elektromagnetische emissies (gelijkwaardige beveiligingsmaatregelen als die voor EUCI met rubricering SECRET UE/EU SECRET overeenkomstig de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie).

3.   Voor de ICT-systemen wordt een typegoedkeuring afgegeven door de beveiligingsinstantie, die zich ervan vergewist dat deze voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

4.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in bijlage IV.

Artikel 11

Beveiliging in geval van externe interventie

1.   „Beveiliging in geval van externe interventie” houdt in dat maatregelen worden toegepast die ervoor moeten zorgen dat de FIDUCIA-informatie wordt beschermd door contractanten die moeten interveniëren in het kader van het onderhoud van ICT-systemen die niet gekoppeld zijn aan het IT-netwerk of wanneer het voor een interventie noodzakelijk is dat de FIDUCIA-informatie dringend wordt verplaatst om die naar een veilige plaats over te brengen.

2.   De beveiligingsinstantie mag aan contractanten die in een lidstaat zijn ingeschreven, taken toevertrouwen die op grond van hun contract toegang tot FIDUCIA-informatie inhouden of noodzakelijk maken.

3.   De beveiligingsinstantie ziet erop toe dat de minimumnormen voor beveiliging die zijn opgenomen in dit besluit en die in het contract zijn vermeld, in acht worden genomen bij de toekenning van contracten.

4.   De personeelsleden van een contractant kunnen pas toegang tot FIDUCIA-informatie krijgen nadat zij daartoe zijn geautoriseerd door de beveiligingsinstantie op basis van een veiligheidsverklaring voor personeel die door de bevoegde nationale veiligheidsautoriteit of enige andere bevoegde veiligheidsautoriteit is afgegeven overeenkomstig de nationale wet- of regelgeving.

5.   De bepalingen ter uitvoering van dit artikel zijn opgenomen in bijlage V.

Artikel 12

Geen digitale verspreiding, mededeling of uitwisseling van FIDUCIA-informatie

1.   FIDUCIA-informatie wordt in geen geval digitaal verspreid.

2.   Het Gerecht zendt geen FIDUCIA-informatie door aan de instellingen, organen of instanties van de Unie noch aan de lidstaten, de andere partijen in het geding of derden.

Artikel 13

Inbreuken op de beveiligingsvoorschriften en compromittering van FIDUCIA-informatie

1.   Van een inbreuk op de beveiligingsvoorschriften is sprake wanneer iemand iets doet of nalaat dat met de beveiligingsvoorschriften in dit besluit in strijd is.

2.   Van compromittering is sprake wanneer FIDUCIA-informatie, na een inbreuk op de beveiligingsvoorschriften, geheel of gedeeltelijk is bekendgemaakt aan niet-geautoriseerde personen of personen die niet geacht worden geautoriseerd te zijn.

3.   Elke inbreuk of vermoedelijke inbreuk op de beveiligingsvoorschriften wordt onmiddellijk gemeld aan de beveiligingsinstantie.

4.   Wanneer is komen vast te staan dat, of wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat FIDUCIA-informatie is gecompromitteerd of verloren is gegaan, neemt de beveiligingsinstantie in nauw overleg met de president en de griffier van het Gerecht alle maatregelen die overeenkomstig de toepasselijke bepalingen passend zijn om:

a)

de hoofdpartij die de betrokken inlichtingen of stukken heeft overgelegd, daarvan in kennis te stellen;

b)

de bevoegde instantie te verzoeken om een administratief onderzoek in te stellen;

c)

de schade te begroten die eventueel is toegebracht aan de veiligheid van de Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen;

d)

te voorkomen dat de feiten zich opnieuw voordoen, en

e)

de bevoegde instanties in kennis te stellen van de genomen maatregelen.

5.   Eenieder die verantwoordelijk is voor een inbreuk op de beveiligingsvoorschriften in dit besluit, stelt zich bloot aan disciplinaire maatregelen, in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen. Eenieder die verantwoordelijk is voor het compromitteren of het verlies van FIDUCIA-informatie, stelt zich bloot aan disciplinaire maatregelen en/of strafvervolging, in overeenstemming met de toepasselijke bepalingen.

Artikel 14

Organisatie van de beveiliging binnen het Gerecht

1.   Het FIDUCIA-bureau voert de beveiliging van FIDUCIA-informatie op grond van dit besluit uit.

2.   De beveiligingsinstantie is verantwoordelijk voor de juiste toepassing van dit besluit. Met het oog daarop zal de beveiligingsinstantie:

a)

uitvoering geven aan het beveiligingsbeleid van het Hof van Justitie van de Europese Unie en dit periodiek re-evalueren;

b)

toezicht uitoefenen op de tenuitvoerlegging van dit besluit door het FIDUCIA-bureau;

c)

in voorkomend geval, onder de voorwaarden genoemd in artikel 13 onderzoek laten doen naar enige daadwerkelijke of vermoedelijke compromittering of enig daadwerkelijk of vermoedelijk verlies van FIDUCIA-informatie;

d)

periodiek de beveiligingsmaatregelen voor de bescherming van FIDUCIA-informatie in de ruimten van het FIDUCIA-bureau inspecteren.

Artikel 15

Praktische uitvoeringsbepalingen

De praktische uitvoeringsbepalingen bij dit besluit worden vastgesteld door de beveiligingsinstantie met instemming van de griffier van het Gerecht.

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Luxemburg, 14 september 2016.

De griffier

E. COULON

De president

M. JAEGER


BIJLAGE I

VEILIGHEIDSMAATREGELEN MET BETREKKING TOT PERSONEN

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 7 van het besluit.

2.

Het is aan de griffier van het Gerecht om een lijst op te stellen van de posten waarvoor, voor zover het hem betreft en voor zover strikt noodzakelijk, toegang tot FIDUCIA-informatie nodig is, waarbij de ambtenaren en personeelsleden op die posten binnen het Gerecht dus moeten worden geautoriseerd om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

3.

Met het oog op de toekenning van een autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben, zendt het FIDUCIA-bureau de door de ambtenaar of het andere personeelslid ingevulde beveiligingsvragenlijst aan de nationale veiligheidsautoriteit van de lidstaat waarvan de betrokkene onderdaan is of enige andere bevoegde nationale instantie, bepaald aan de hand van de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie (hierna: „bevoegde NSA”), met het verzoek om een veiligheidsonderzoek voor een rubriceringsniveau SECRET UE/EU SECRET uit te voeren.

4.

Nadat het veiligheidsonderzoek is afgesloten, brengt de bevoegde NSA het FIDUCIA-bureau overeenkomstig de in de lidstaat geldende wet- en regelgeving op de hoogte van de uitkomst ervan.

5.

Wanneer de bevoegde NSA na afloop van het veiligheidsonderzoek de zekerheid heeft verkregen dat er geen negatieve informatie bekend is die doet twijfelen aan de loyaliteit, integriteit en betrouwbaarheid van de betrokkene, kan het tot aanstelling bevoegde gezag (TABG) aan de betrokkene de autorisatie verlenen om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

6.

Wanneer het veiligheidsonderzoek niet tot de in punt 5 bedoelde zekerheid leidt, stelt het TABG de betrokkene daarvan in kennis. In dat geval mag het FIDUCIA-bureau, op instructie van het TABG, de bevoegde NSA om alle aanvullende verduidelijkingen vragen die zij volgens de nationale wet- en regelgeving mag verstrekken. Indien de uitkomst wordt bevestigd, wordt geen autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben verleend.

7.

De autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben geldt voor vijf jaar. Zij wordt ingetrokken wanneer de betrokkene de post waarvoor toegang tot FIDUCIA-informatie nodig is verlaat of wanneer het TABG van oordeel is dat er gronden zijn om de autorisatie in te trekken.

8.

De autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben kan worden verlengd overeenkomstig de procedure in de punten 3 tot en met 5 hierboven.

9.

Het FIDUCIA-bureau houdt een register bij van de autorisaties om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

10.

Indien het FIDUCIA-bureau de beschikking krijgt over informatie dat er een veiligheidsrisico bestaat met betrekking tot de houder van een autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben, stelt het FIDUCIA-bureau de bevoegde NSA daarvan in kennis en kan het TABG de toegang tot de FIDUCIA-informatie schorsen of de autorisatie om toegang tot die informatie te hebben intrekken.

11.

Het TABG kan in dringende gevallen, na raadpleging van de bevoegde NSA en onder voorbehoud van de uitkomst van een eerste controle of er geen negatieve informatie bekend is, aan de betrokken ambtenaren en andere personeelsleden tijdelijk een autorisatie verlenen om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben. Deze tijdelijke autorisatie is geldig tot aan de uitkomst van de in de punten 3 tot en met 5 bedoelde procedure, met een maximum van zes maanden, te rekenen vanaf de indiening van het verzoek om een veiligheidsonderzoek bij de bevoegde NSA.

12.

Voordat hun toegang tot FIDUCIA-informatie wordt verleend, volgen de betrokkenen met het oog daarop een opleiding met als doel om hen in staat te stellen hun verantwoordelijkheden bij de verwerking van FIDUCIA-informatie op zich te nemen. De autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben gaat pas in na het volgen van die opleiding en na een schriftelijke erkenning van de verantwoordelijkheden.

BIJLAGE II

FYSIEKE BEVEILIGING

I.   INLEIDING

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 8 van het besluit. Zij voorziet in minimumregels voor de fysieke bescherming van de ruimten van het FIDUCIA-bureau waarin FIDUCIA-informatie wordt verwerkt en opgeslagen.

2.

De maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging zijn bedoeld om te voorkomen dat niet-geautoriseerde toegang tot FIDUCIA-informatie wordt verkregen, door:

a)

ervoor te zorgen dat FIDUCIA-informatie naar behoren wordt verwerkt en opgeslagen;

b)

op basis van het need-to-know-beginsel een onderscheid mogelijk te maken tussen personen die wel en die niet geautoriseerd zijn om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben;

c)

een afschrikkende werking te hebben en niet-geautoriseerde handelingen te voorkomen en te detecteren, en

d)

enig door list of geweld binnendringen in de ruimten van het FIDUCIA-bureau te verhinderen of te vertragen.

3.

De maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging worden geselecteerd aan de hand van een evaluatie van de dreiging voor de FIDUCIA-informatie. Bij deze maatregelen wordt rekening gehouden met de omgeving en inrichting van de ruimten van het FIDUCIA-bureau. De beveiligingsinstantie bepaalt welke veiligheidsgraad moet worden bereikt met elk van de volgende maatregelen op het gebied van de fysieke beveiliging:

a)

afsluiting ter verdediging van de zone die bescherming behoeft;

b)

indringerdetectiesysteem dat verbonden is met de beveiligingscommandopost van het Hof van Justitie van de Europese Unie;

c)

systeem voor elektronische of elektromechanische toegangscontrole dat door een lid van het beveiligingspersoneel wordt bediend;

d)

beveiligingspersoneel dat een opleiding heeft gekregen, onder toezicht werkt en geautoriseerd is om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben;

e)

gesloten videobewakingssysteem dat wordt bediend door het beveiligingspersoneel en verbonden is met het indringerdetectiesysteem en het systeem voor toegangscontrole;

f)

beveiligingsverlichting voor doeltreffende directe bewaking of door middel van een videobewakingssysteem;

g)

alle andere passende fysieke maatregelen om ongeoorloofde toegang te ontmoedigen of op te sporen of om inzage, verlies of beschadiging van FIDUCIA-informatie te voorkomen.

II.   RUIMTEN VOOR DE OPSLAG EN INZAGE VAN FIDUCIA-INFORMATIE

Voorzien in fysiek beschermde ruimten voor opslag en inzage

4.

Er wordt voorzien in beveiligde ruimten voor de opslag en inzage van FIDUCIA-informatie. FIDUCIA-informatie mag alleen worden opgeslagen en ingezien in de ruimten van het FIDUCIA-bureau, die op alle punten voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

5.

Binnen deze ruimten wordt de FIDUCIA-informatie opgeslagen in beveiligde opbergmiddelen die op alle punten voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

6.

Binnen de ruimten van het FIDUCIA-bureau mag geen enkel communicatiemiddel (telefoon of ander elektronisch toestel) worden gebracht.

7.

De vergaderruimte van het FIDUCIA-bureau is tegen afluisteren beschermd. Deze ruimte wordt geregeld aan een beveiligingsinspectie onderworpen.

Toegang tot de ruimten voor opslag en inzage

8.

De toegang tot de ruimten van het FIDUCIA-bureau wordt gecontroleerd door middel van een per video bewaakte toegangssluis voor identificatie.

9.

De personen met een autorisatie om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben en de personen die geacht worden een dergelijke autorisatie te hebben, kunnen de ruimten van het FIDUCIA-bureau betreden om FIDUCIA-informatie in te zien onder de voorwaarden in artikel 7, leden 1 en 2, van dit besluit.

10.

De beveiligingsinstantie kan in uitzonderlijke omstandigheden een autorisatie voor toegang verlenen aan niet-geautoriseerde personen, wanneer hun toegang tot de ruimten van het FIDUCIA-bureau onontbeerlijk is omdat zij daar werkzaamheden moeten verrichten, mits de toegang tot die ruimten niet inhoudt dat zij toegang verkrijgen tot FIDUCIA-informatie, die uit het zicht wordt opgeborgen in de beveiligde opbergmiddelen. De toegang van deze personen kan alleen plaatsvinden onder begeleiding en constant toezicht van een medewerker van het FIDUCIA-bureau die geautoriseerd is om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

11.

Telkens wanneer toegang tot de ruimten van het FIDUCIA-bureau wordt verkregen, wordt dit bijgehouden in een toegangsregister. Dit register wordt op een werkstation binnen deze ruimten bijgehouden. Het daarvoor gebruikte ICT-systeem voldoet aan de beveiligingsvereisten in artikel 10 van het besluit en in bijlage IV.

12.

De beschermingsmaatregelen die het geschreven gebruik van FIDUCIA-informatie regelen, zijn ook van toepassing wanneer die informatie mondeling wordt gebruikt.

III.   CONTROLE VAN SLEUTELS EN CODECOMBINATIES DIE WORDEN GEBRUIKT VOOR DE BESCHERMING VAN FIDUCIA-INFORMATIE

13.

De beveiligingsinstantie stelt procedures vast voor het beheer van de sleutels en codecombinaties voor de ruimten van het FIDUCIA-bureau en de beveiligde opbergmiddelen. Deze procedures bieden bescherming tegen niet-geautoriseerde toegang.

14.

De codecombinaties worden gememoriseerd door het kleinst mogelijke aantal personen die er kennis van moeten nemen. De codecombinaties van beveiligde opbergmiddelen waarin FIDUCIA-informatie wordt opgeslagen, worden gewijzigd:

a)

bij ontvangst van een nieuw opbergmiddel;

b)

in geval van een wijziging in het personeel dat de combinatie kent;

c)

bij compromitteren of het vermoeden ervan;

d)

wanneer een slot in onderhoud of in reparatie is geweest;

e)

ten minste om de twaalf maanden.

15.

De technische uitrusting voor de fysieke bescherming van FIDUCIA-informatie voldoet aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie. De beveiligingsinstantie is verantwoordelijk voor de naleving van die regels.

16.

De technische uitrusting wordt periodiek aan een inspectie onderworpen en met geregelde tussenpozen onderhouden. Bij het onderhoud wordt rekening gehouden met de uitkomst van de inspecties om ervoor te zorgen dat de uitrusting steeds optimaal functioneert.

17.

Tijdens elke inspectie moet de doeltreffendheid van de verschillende beveiligingsmaatregelen en van het beveiligingssysteem in zijn geheel opnieuw worden geëvalueerd.

BIJLAGE III

BEHEER VAN FIDUCIA-INFORMATIE

I.   INLEIDING

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 9 van het besluit. Zij voorziet in de administratieve maatregelen voor de bescherming van FIDUCIA-informatie die gedurende de gehele procedure voor het Gerecht en uiterlijk tot aan het verstrijken van de termijn bedoeld in artikel 56, eerste alinea, van het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie worden toegepast en waarop controle wordt uitgeoefend om bij te dragen tot de preventie en detectie van de al dan niet opzettelijke compromittering of het al dan niet opzettelijke verlies van dergelijke informatie.

II.   REGISTER VAN FIDUCIA-INFORMATIE

2.

Er wordt een register van FIDUCIA-informatie aangelegd. Dit register wordt door het FIDUCIA-bureau bijgehouden op een werkstation dat zich in de ruimten van het FIDUCIA-bureau bevindt. Het ICT-systeem dat voor het bijhouden van het register wordt gebruikt, voldoet aan de beveiligingsvereisten in artikel 10 van het besluit en in bijlage IV.

III.   REGISTRATIE VAN FIDUCIA-INFORMATIE

3.

Voor de toepassing van dit besluit wordt onder registratie voor beveiligingsdoeleinden (hierna: „registratie”) verstaan de toepassing van procedures waarmee de levenscyclus van FIDUCIA-informatie, ook de vernietiging ervan, kan worden geregistreerd.

4.

Het FIDUCIA-bureau draagt zorg voor de registratie van FIDUCIA-informatie.

5.

Het FIDUCIA-bureau kent automatisch de FIDUCIA-markering toe aan de inlichtingen of stukken die op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering worden overgelegd. Het FIDUCIA-bureau registreert de FIDUCIA-informatie in het register van FIDUCIA-informatie.

6.

Het FIDUCIA-bureau stelt een verslag op dat bij het register van FIDUCIA-informatie wordt gevoegd, waarin is gepreciseerd hoe de informatie in ontvangst is genomen. Deze informatie wordt vervolgens behandeld op de wijze zoals in het vorige punt uiteengezet.

7.

De registratie van de FIDUCIA-informatie in het register van FIDUCIA-informatie overeenkomstig de punten 5 en 6 geschiedt onverminderd de procedurele inschrijving door de personen die geautoriseerd zijn om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben bij de griffie.

IV.   BEHEER VAN FIDUCIA-INFORMATIE

Markering

8.

Wanneer EUCI of andere informatie ten aanzien waarvan is aangegeven dat de mededeling ervan de veiligheid van de Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen aantast, wordt overgelegd in het kader van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, wordt daaraan de FIDUCIA-markering toegekend door het FIDUCIA-bureau.

9.

De FIDUCIA-markering wordt duidelijk en correct aangegeven op elk deel van de bescheiden, los van de vorm waarin de informatie is gepresenteerd: in papieren vorm, in audiovorm, elektronisch of anderszins.

Genereren van FIDUCIA-informatie

10.

Alleen een persoon die geautoriseerd is om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben of een persoon die geacht wordt te zijn geautoriseerd, mag FIDUCIA-informatie genereren zoals nader omschreven in artikel 4, leden 2 en 3, van dit besluit.

11.

Alle gegenereerde FIDUCIA-informatie wordt geregistreerd door het FIDUCIA-bureau in het register van FIDUCIA-informatie.

12.

Voor alle gegenereerde FIDUCIA-informatie gelden alle regels voor de verwerking van FIDUCIA-informatie, zoals vastgesteld in dit besluit en de bijlagen daarbij.

Verwijderen van de FIDUCIA-markering

13.

De FIDUCIA-informatie verliest zijn markering in twee gevallen:

a)

wanneer de hoofdpartij die de FIDUCIA-informatie heeft overgelegd, toestemming verleent voor de toezending ervan aan de andere hoofdpartij, in welk geval de aanvankelijk toegezonden informatie en alle informatie die op basis van die informatie is gegenereerd zijn FIDUCIA-markering verliest;

b)

wanneer de FIDUCIA-informatie wordt teruggegeven aan de hoofdpartij die deze heeft overgelegd.

14.

De FIDUCIA-markering wordt verwijderd door het FIDUCIA-bureau, die deze verwijdering registreert in het register van FIDUCIA-informatie.

15.

De verwijdering van de FIDUCIA-markering betekent niet dat de rubricering van de EUCI wordt opgeheven.

V.   AFSCHRIFTEN VAN FIDUCIA-INFORMATIE

16.

Van FIDUCIA-informatie worden geen afschriften gemaakt, tenzij zij onontbeerlijk zijn. In dat laatste geval worden de afschriften door het FIDUCIA-bureau gemaakt, die deze nummert en registreert.

17.

Voor de afschriften gelden alle veiligheidsvoorschriften voor de verwerking van FIDUCIA-informatie, zoals vastgesteld in dit besluit en de bijlagen daarbij.

VI.   VERNIETIGING VAN FIDUCIA-INFORMATIE

18.

Wanneer de op grond van artikel 105, lid 1 of lid 2, van het Reglement voor de procesvoering overgelegde inlichtingen of stukken worden teruggegeven aan de hoofdpartij die deze heeft overgelegd, wordt alle informatie waarin de inhoud van dergelijke inlichtingen of stukken geheel of ten dele is overgenomen, vernietigd, evenals eventuele daarvan gemaakte afschriften.

19.

De vernietiging van FIDUCIA-informatie als bedoeld in punt 18 geschiedt door het FIDUCIA-bureau, dat daarvoor methoden gebruikt die voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie om te voorkomen dat deze geheel of ten dele kan worden gereconstrueerd.

20.

De vernietiging van FIDUCIA-informatie als bedoeld in punt 18 geschiedt in tegenwoordigheid van een getuige die geautoriseerd is om toegang tot FIDUCIA-informatie te hebben.

21.

Het FIDUCIA-bureau stelt van de vernietiging een proces-verbaal op.

22.

Het proces-verbaal van de vernietiging wordt aan het register van FIDUCIA-informatie gehecht. Een afschrift wordt toegezonden aan de hoofdpartij die het betrokken bescheid heeft overgelegd.

BIJLAGE IV

BESCHERMING VAN FIDUCIA-INFORMATIE DIE ELEKTRONISCH WORDT VERWERKT

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 10.

2.

FIDUCIA-informatie mag uitsluitend worden verwerkt op elektronische apparatuur (werkstations, printers, fotokopieerapparaten) die niet met een IT-netwerk zijn verbonden en die in de ruimten van het FIDUCIA-bureau zijn geplaatst.

3.

Alle apparatuur die voor de verwerking van FIDUCIA-informatie wordt gebruikt, voldoet aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie. Op de beveiliging van deze apparatuur wordt gedurende hun gehele levenscyclus toegezien.

4.

De mogelijkheid om verbinding met internet en andere hulpmiddelen (LAN, WLAN, Bluetooth enz.) te krijgen, wordt permanent uitgeschakeld.

5.

De werkstations worden met een passende bescherming tegen virussen uitgerust. De update van het antivirusprogramma geschiedt met behulp van cd-roms of usb-sticks die uitsluitend ten behoeve daarvan worden gebruikt.

6.

Het geheugen van de printers en fotokopieerapparaten wordt vóór elke onderhoudsbeurt gewist.

7.

Voor de verwerking van verzoeken om een onderzoek als bedoeld in bijlage I worden uitsluitend encryptieproducten gebruikt die voldoen aan de op de bescherming van EUCI toepasselijke regels binnen de instellingen van de Unie.

BIJLAGE V

BEVEILIGING IN GEVAL VAN EXTERNE INTERVENTIE

1.

Deze bijlage bevat de bepalingen ter uitvoering van artikel 11.

2.

Contractanten mogen alleen in het kader van het onderhoud van de ICT-systemen die niet aan het IT-netwerk zijn gekoppeld of wanneer FIDUCIA-informatie dringend moet worden verplaatst om die naar een veilige plaats over te brengen, toegang tot FIDUCIA-informatie hebben.

3.

De beveiligingsinstantie stelt richtsnoeren inzake externe interventie op die met name betrekking hebben op de veiligheidsverklaring voor het personeel van de contractanten en de inhoud van de in deze bijlage bedoelde contracten.

4.

De bescheiden betreffende de aanbestedingen en het onderhoudscontract voor de ICT-systemen worden FIDUCIA-gemarkeerd wanneer die informatie bevatten waarvan de niet-geautoriseerde openbaarmaking de veiligheid van de Europese Unie of die van een of meerdere van haar lidstaten of de door hen onderhouden internationale betrekkingen zou kunnen aantasten. De bijlage inzake beveiliging bij dat contract bevat bepalingen waarin de contractant wordt verplicht om de in dit besluit opgenomen minimumnormen na te leven. Niet-naleving van deze minimumnormen kan voldoende reden zijn voor opzegging van het contract.

5.

Wanneer het contract interventies inhoudt waarbij de FIDUCIA-informatie dringend moet worden verplaatst om die naar een veilige plaats over te brengen, wordt daarin bepaald hoeveel beveiligingsagenten over een veiligheidsverklaring voor personeel moeten beschikken. Daarin wordt niets bepaald over de procedures die moeten worden gevolgd. Dit contract wordt niet FIDUCIA-gemarkeerd.

6.

De contractant mag de activiteiten die zijn omschreven in de aanbesteding en in het contract dat toegang tot FIDUCIA-informatie inhoudt of vereist, niet uitbesteden.

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

24.12.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 355/31


BESLUIT Nr. 1/2016 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-JORDANIË

van 19 december 2016

waarbij overeenstemming wordt bereikt over de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië [2016/2388]

DE ASSOCIATIERAAD EU-JORDANIË,

Gezien de Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europees-mediterrane Overeenkomst waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en het Hasjemitisch Koninkrijk Jordanië, anderzijds (de „overeenkomst”), is op 24 november 1997 ondertekend en op 1 mei 2002 in werking getreden.

(2)

Artikel 91 van de overeenkomst geeft de Associatieraad de bevoegdheid besluiten vast te stellen om de doelstellingen van de overeenkomst te verwezenlijken en passende aanbevelingen te doen.

(3)

Overeenkomstig artikel 101 van de overeenkomst dienen de partijen alle algemene en bijzondere maatregelen te treffen die vereist zijn om aan hun verplichtingen krachtens de overeenkomst te voldoen, en dienen zij erop toe te zien dat de in de overeenkomst vastgelegde doelstellingen worden verwezenlijkt.

(4)

Bij de herziening van het Europees nabuurschapsbeleid is voorgesteld de samenwerking met partners naar een volgend niveau te brengen, waarbij aan beide kanten meer zeggenschap mogelijk wordt.

(5)

De EU en Jordanië hebben besloten hun partnerschap te consolideren door overeenstemming te bereiken over een aantal prioriteiten voor de periode 2016-2018, om de veerkracht en stabiliteit van Jordanië te ondersteunen en te bevorderen en tegelijkertijd de gevolgen van het aanhoudende conflict in Syrië aan te pakken.

(6)

De partijen bij de overeenkomst hebben overeenstemming bereikt over de tekst van de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië, met inbegrip van het pact daarbij, die de uitvoering van de overeenkomst zullen bevorderen en de nadruk leggen op samenwerking op het gebied van gedeelde belangen die in gezamenlijk overleg zijn geïdentificeerd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De Associatieraad beveelt aan dat de partijen de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië uitvoeren, met inbegip van het pact daarbij, zoals opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

De Associatieraad besluit dat het actieplan EU-Jordanië dat in oktober 2012 in werking is getreden, wordt vervangen door de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië, met inbegrip van het pact daarbij.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 19 december 2016.

Voor de Associatieraad EU-Jordanië

De voorzitter

F. MOGHERINI


BIJLAGE

PARTNERSCHAPSPRIORITEITEN EU-JORDANIË EN PACT

Partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië 2016-2018

I.    Context

Om de solide en veelzijdige betrekkingen tussen de EU en Jordanië verder te versterken, zijn partnerschapsprioriteiten vastgesteld voor de periode 2016-2018. Eind 2018 zal worden nagegaan of het in het licht van de ontwikkelingen op politiek, economisch en veiligheidsvlak aangewezen is om de prioriteiten met twee jaar te verlengen. De partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië belichamen de gedeelde doelstellingen van het Europees nabuurschapsbeleid, die erin bestaan te komen tot een gemeenschappelijke ruimte van vrede, welvaart en stabiliteit. Zij omvatten de belangrijkste aspecten ervan, namelijk differentiatie en gedeelde verantwoordelijkheid, maar zijn ook flexibel, zodat zij kunnen worden aangepast aan veranderende omstandigheden, volgens wat de EU en Jordanië overeenkomen. De partnerschapsprioriteiten zijn een dynamisch document, dat inhoudt dat wederzijdse verbintenissen die in het pact EU-Jordanië daarbij zijn opgenomen, moeten worden nagekomen.

Het partnerschap en de prioritaire samenwerkingsgebieden zullen verder vorm krijgen via regelmatige politieke vergaderingen op hoog niveau, dialogen inzake economie, handel, justitie en mensenrechten, het mobiliteitspartnerschap EU-Jordanië, de overeenkomst tussen de EU en Jordanië inzake wetenschappelijke en technologische samenwerking en andere overeenkomsten, de toezeggingen van de EU en Jordanië om de dialoog en samenwerking inzake veiligheid, met inbegrip van de bestrijding van extremisme en terrorisme, te bevorderen, en de huidige bilaterale samenwerking ter ondersteuning van de Jordaanse bevolking.

Met de partnerschapsprioriteiten worden de vaste betrekkingen tussen de EU en Jordanië bevestigd en wordt de reikwijdte van de verdieping van het wederzijdse engagement vastgelegd.

In de huidige context is het zeer aangewezen dat de EU en Jordanië hun betrekkingen consolideren. Zij hebben gedeelde belangen en worden met dezelfde problemen geconfronteerd. De crisis in Syrië heeft sinds 2011 een zware impact op Jordanië, de regio en de EU. De EU en Jordanië hebben bevestigd dat zij gemeenschappelijke doelen nastreven en gemeenschappelijke belangen hebben bij het vredesproces en het herstel van de stabiliteit en vrede in Syrië, waarbij ook duurzame ontwikkeling wordt bevorderd.

De EU erkent de belangrijke rol die Jordanië speelt op nationaal, regionaal en internationaal niveau. Zij prijst Jordanië voor de grote inspanningen die het levert voor het opvangen van grote aantallen vluchtelingen, onder wie Syriërs, maar ook Palestijnen, Irakezen en Jemenieten. De EU zal Jordanië blijven helpen bij het bieden van levensreddende steun aan vluchtelingen die bescherming zoeken in Jordanië en bij het bevorderen van zijn veerkracht. Jordanië levert ook toonaangevende inspanningen en speelt een voortrekkersrol voor het bevorderen van de vrede en veiligheid in het Midden-Oosten (onder meer bij het vredesproces in het Midden-Oosten) en daarbuiten. Het zet zich in tegen radicalisering en terrorisme, onder meer als niet-permanent lid van de VN-Veiligheidsraad (2014-2015) en in het kader van de Unie voor het Middellandse Zeegebied (UMZ), waarvan het sinds 2012 samen met de EU voorzitter van is.

De partnerschapsprioriteiten steunen op gezamenlijke verwezenlijkingen en hebben betrekking op gebieden die van wederzijds belang zijn. Zij bouwen ook voort op het momentum dat is gecreëerd door de Conferentie van Londen van 4 februari 2016 over steun voor Syrië en de regio en de toezeggingen die Jordanië en de andere organisatoren van de conferentie in het internationale pact („international compact”) hebben gedaan. Die waren erop gericht de ontwikkelingsresultaten van Jordanië hoog te houden in een context van aanhoudende humanitaire hulp en adequate steun voor de gastgemeenschap. De EU en Jordanië willen de moeilijkheden ten gevolge van de Syrische crisis omzetten in concrete kansen voor de Jordaanse bevolking, de Syrische vluchtelingen en de EU.

De specifieke maatregelen die ten behoeve van Syrische vluchtelingen worden genomen, zullen niet ten koste gaan van andere personen die in Jordanië verblijven of er bescherming zoeken.

II.    Prioriteiten

De partnerschapsprioriteiten belichamen gedeelde belangen en spitsen zich toe op gebieden waarop samenwerking tussen de EU en Jordanië wederzijdse voordelen oplevert. Tegen deze achtergrond verbinden de EU en Jordanië zich ertoe hun samenwerking op te voeren met betrekking tot horizontale kwesties zoals stabilisering, veiligheid, de rechtsstaat, mensenrechten, gendergelijkheid en het versterken van de positie van vrouwen, de dialoog met het maatschappelijk middenveld, migratie en mobiliteit, het aanpakken van gewelddadig extremisme en radicalisering, en duurzaam gebruik van natuurlijke hulpbronnen.

Het partnerschap legt bijvoorbeeld nadruk op jongeren en inzetbaarheid, met als doel de maatschappelijke samenhang te bevorderen, duurzame economische mogelijkheden te creëren, onder meer op basis van kwalitatief hoogwaardig onderwijs en beroepsopleiding, en een gunstig klimaat voor innovatie en ondernemerschap te scheppen. Er zou ook moeten worden nagedacht over initiatieven op het vlak van cultuur, waaronder initiatieven voor de ontwikkeling van een culturele en creatieve sector, aangezien deze sectoren in grote mate bijdragen tot de interculturele dialoog en sociaal-economische ontwikkeling.

Wat migratie en mobiliteit betreft, is verdere uitvoering van de verschillende onderdelen van het mobiliteitspartnerschap een horizontale prioriteit. Een duurzaam en goed beheerd kader dat er ook voor zorgt dat personen op wettige wijze en gemakkelijker tussen Jordanië en de EU kunnen reizen, kan de ontwikkeling van menselijk kapitaal en de economische groei bevorderen.

i)

De EU en Jordanië zijn sterke partners op het gebied van buitenlandse zaken en veiligheid. De strategische en operationele samenwerking zal zowel op bilateraal niveau als in multilaterale fora worden nagestreefd, en op regionaal vlak onder meer via het co-voorzitterschap van de Unie voor het Middellandse Zeegebied. Het is zowel in het belang van de EU als van Jordanië om de stabiliteit en vrede in de regio en wereldwijd te bevorderen, door bijvoorbeeld verdere samenwerking ten behoeve van de politieke overgang en het herstel van de vrede in Syrië. Zowel de EU als Jordanië wil model staan voor een tolerante samenleving, en ook in dat verband moeten zij intensiever samenwerken op het gebied van buitenlandse zaken.

ii)

De tweede prioriteit heeft betrekking op het in stand houden van de macro-economische stabiliteit in Jordanië en het bevorderen van de sociale en economische ontwikkeling van het land, overeenkomstig de nationale visie en strategie voor Jordanië voor 2025. Deze prioriteit komt boven op de noodzaak Jordanië beter bestand te maken tegen de gevolgen van de Syrische crisis en regionale instabiliteit.

Een sterke en stabiele Jordaanse economie, ondersteund door verdere versoepeling van de handelsregeling tussen Jordanië en de EU en een beter investeringsklimaat (via hervorming van het ondernemingsklimaat), zijn van wezenlijk belang voor het scheppen van banen voor Jordaniërs en, indien van toepassing, Syrische vluchtelingen. Ondersteuning van door innovatie gestuurde groei en kennisdeling zal zorgen voor verdere modernisering en diversificatie van de economie. Ook in dat verband zal intensiever worden samengewerkt om de inzetbaarheid, de ontwikkeling van vaardigheden en daarmee verband houdende onderwijshervormingen te bevorderen, zodat jongeren een belangrijkere rol krijgen in de economie en de samenleving.

Onderhandelingen over een diepe en brede vrijhandelsruimte (DCFTA), waarbij aandacht wordt besteed aan alle markttoegangsproblemen waardoor Jordanië de mogelijkheden van de Associatieovereenkomst niet volledig kan benutten, kunnen de bestaande Associatieovereenkomst versterken. Een DCFTA zal ook de integratie van Jordanië in de EU-markt bevorderen en nieuwe kansen creëren voor handel, investeringen en ontwikkeling.

iii)

De derde partnerschapsprioriteit staat in nauw verband met de eerste twee prioriteiten en betreft de ondersteuning van de inspanningen van Jordanië ten behoeve van sterker bestuur, de rechtsstaat, democratische hervorming en de mensenrechten. De mensenrechten en fundamentele vrijheden zoals vastgelegd in het internationale, regionale en nationale recht, zijn gedeelde waarden. De eerbiediging van democratische beginselen en de mensenrechten is een essentieel element van de betrekkingen tussen de EU en Jordanië.

1.   Versterken van de samenwerking op het gebied van regionale stabiliteit en veiligheid, met inbegrip van terrorismebestrijding

De EU onderkent alle relevante inspanningen die Jordanië levert. Zij moet nauw met Jordanië blijven samenwerken voor het aanpakken van de destabilisatie van de regio en de toegenomen veiligheidsdreiging ten gevolge van de verdere verspreiding van Da'esh en andere terreurgroepen. De EU en Jordanië hebben dezelfde doelstellingen met betrekking tot de crisis in Syrië. De werkzaamheden in het kader van de Internationale Steungroep voor Syrië en andere fora en de samenwerking in de context van het stappenplan EU-Jordanië voor meer veiligheid en terrorismebestrijding, moeten worden voortgezet. Daarbij moet bijzondere nadruk worden gelegd op gezamenlijke projecten en het delen van informatie.

De EU en Jordanië zouden ook meer inspanningen moeten leveren om bruggen te slaan in andere conflictsituaties, bijvoorbeeld met betrekking tot het vredesproces in het Midden-Oosten en de situatie in de Hoorn van Afrika (het Aqaba-proces). In een andere context dan die van de onmiddellijke conflicten zullen de EU en Jordanië in het kader van het EU-mechanisme voor civiele bescherming nauwer gaan samenwerken op het gebied van crisisbeheer en civiele bescherming.

De EU en Jordanië zijn partners bij het bevorderen en stimuleren van de interreligieuze en interculturele dialoog, op globale en regionale niveaus waarop Jordanië een leidende rol speelt.

Het aanpakken van terrorisme, gewelddadig extremisme en radicalisering moet hoog op de agenda blijven. In dat verband zullen de EU en Jordanië, boven op de regelmatige politieke en thematische dialoog, meer concrete samenwerkingsmaatregelen nemen en meer informatie delen, om deze kwesties binnen de rechtsstaat aan te pakken. Zij zullen onder meer samenwerken in het kader van onderling overeengekomen onderwijsprogramma's en met een groot aantal Jordaanse maatschappelijke organisaties.

2.   Bevorderen van economische stabiliteit, duurzame en op kennis gebaseerde groei, kwalitatief hoogwaardig onderwijs en werkgelegenheid

a)

Door de crisis in Syrië verblijven er al enige tijd een groot aantal vluchtelingen in Jordanië, en dit heeft een zware impact op het sociaal-economische weefsel, de natuurlijke hulpbronnen en het verstrekken van basisdiensten. De kwetsbare economische situatie in Jordanië wordt daardoor zwaar op de proef gesteld. De economische dialoog en samenwerking inzake macro-economische aangelegenheden zullen in dat verband verder worden ontwikkeld, om tot een gezond macro-economische en structureel beleid te komen, dat het groeipotentieel en de veerkracht van de Jordaanse economie bevordert, volgens de doelstellingen van Jordanië 2025. Er zijn verdere inspanningen nodig voor het handhaven van de macro-economische stabiliteit, onder meer in het kader van het nieuwe programma van het Internationaal Monetair Fonds (IMF), dat door de EU kan worden aangevuld met een nieuw programma voor macrofinanciële bijstand.

Naast gezond beheer op fiscaal en budgettair vlak, zal ook intensiever worden samengewerkt met het oog op hervormingen in de publieke sector in Jordanië. Dat moet zorgen voor een beter beheer van de overheidsfinanciën en meer efficiëntie en betere dienstverlening in de publieke sector.

b)

Een belangrijke sociaal-economisch uitdaging voor Jordanië is het bevorderen van de werkgelegenheid en inzetbaarheid van met name Jordaanse jongeren, en de meeste kwetsbare personen, indien van toepassing. Daarvoor is het van belang banen te creëren, ondernemerschap en innovatie te ondersteunen, vaardigheden en kwalificaties te bevorderen, en gerichte opleiding, onderwijs en onderzoek aan te moedigen. In het kader van de partnerschapsprioriteiten zal worden getracht deze kwesties met de volgende beleidsinstrumenten aan te pakken: handel, ontwikkeling van het bedrijfsleven, onderwijs en opleiding, en meer mobiliteit. Daarbij zal er ook steeds worden gestreefd naar een verbetering van de economische positie en participatie van vrouwen.

a.

Handel ten behoeve van ontwikkeling is een belangrijk element van de partnerschapsprioriteiten en het pact daarbij. Een versoepeling van de oorsprongsregels van de EU voor handel tussen Jordanië en de EU en begeleidende maatregelen zullen de werkgelegenheid bevorderen, ten gunste van Syrische vluchtelingen en de Jordaanse gastgemeenschappen. Deze versoepeling zal niet vooruitlopen op de blijvende inspanningen die de EU en Jordanië leveren met het oog op een diepe en brede vrijhandelsruimte. De EU en Jordanië willen nog steeds onderhandelingen daarover aanvangen en daarbij onder meer alle toegangsproblemen voor de export van Jordaanse producten naar de EU behandelen. Tezelfdertijd zullen de EU en Jordanië verder overleg plegen om harmonisatie te bevorderen op gebieden als sanitaire en fytosanitaire maatregelen, technische handelsbelemmeringen en diensten.

b.

De EU en Jordanië zullen prioriteit schenken aan en intensievere inspanningen leveren voor het bevorderen van het ondernemingsklimaat en het aantrekken van investeringen, het ondersteunen van de ontwikkeling van de particuliere sector (onder meer via regelgevende en administratieve hervormingen en leningen aan ondernemingen) en het ontwikkelen van de kennis en vaardigheden die noodzakelijk zijn op de Jordaanse arbeidsmarkt. Daarnaast is het ook belangrijk op kennis gebaseerde sectoren te versterken, om duurzame en fatsoenlijke banen te scheppen voor met name jongeren.

c.

Ook onderwijs is belangrijk voor het bevorderen van de sociale en economische ontwikkeling. Vooruitgang op het gebied van onderwijs is van essentieel belang voor alle personen die in Jordanië verblijven, met inbegrip van vluchtelingen. Bij de samenwerking tussen de EU en Jordanië zal het handhaven en bevorderen van hoogwaardig openbaar onderwijs voor alle kinderen en op alle niveaus een belangrijke plaats innemen, omdat zo kan worden gegarandeerd dat iedereen de kans krijgt om te studeren en een toekomst uit te bouwen. Aan beroepsopleiding moet bijzondere aandacht worden besteed en specifieke steun worden toegekend.

c)

De EU en Jordanië zullen verdere inspanningen leveren ten behoeve van innovatief onderzoek, op kennis gebaseerde oplossingen en samenwerking op het gebied van hernieuwbare energie, energie-efficiëntie en duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen, met inbegrip van water- en afvalbeheer, en de resultaten van de Overeenkomst van Parijs inzake klimaatverandering.

Samenwerking tussen de EU en Jordanië in respons op de Syrische vluchtelingencrisis

De EU zal boven op de bilaterale samenwerking met Jordanië het land verder ondersteunen bij het verlenen van levensreddende steun aan Syrische vluchtelingen die bescherming zoeken in Jordanië, en wel door:

I.

een versoepeling door de EU van de oorsprongsregels ten behoeve van Jordanië en begeleidende maatregelen, om de export naar de EU-markt te bevorderen en banen te scheppen voor zowel de Jordaanse bevolking als Syrische vluchtelingen;

II.

een verbetering van de vaardigheden en capaciteiten van Syrische vluchtelingen, ook met het oog op de heropbouw van Syrië;

III.

onderwijs en opleiding van hoge kwaliteit voor alle kinderen die in Jordanië wonen, om ervoor te zorgen dat elk kind de kans krijgt om te studeren en een toekomst uit te bouwen, indien van toepassing en overeenkomstig het nationale recht;

IV.

begeleidende steun aan Jordanië en aan de meest kwetsbare gastgemeenschappen.

Het pact EU-Jordanië en de wederzijdse toezeggingen erin gaan dieper in op deze punten.

3.   Bevorderen van democratisch bestuur, de rechtsstaat en mensenrechten

In de lijn van het hervormingsproces dat Jordanië ondanks de onstabiele situatie in de regio doorzet, zullen de EU en Jordanië verder samenwerken aan het bevorderen van het democratische en rechtssysteem in Jordanië, de rechtsstaat, gendergelijkheid, mensenrechten en fundamentele vrijheden, en een juridische werkomgeving voor maatschappelijke organisaties die de ontwikkeling van een levendig maatschappelijk middenveld bevordert.

Er zal gericht worden samengewerkt ter bevordering van de hervorming van justitie, de toegang tot de rechter en de internationale justitiële samenwerking, alsook ter bevordering van het verkiezingsproces (met inbegrip van follow-up van de aanbevelingen van de EU-verkiezingswaarnemingsmissie), het politieke partijsysteem en het toezicht en de wetgevende rol van het parlement, het decentralisatieproces, en pluralistische media.

De EU en Jordanië zullen regelmatig overleg blijven plegen over democratie en goed bestuur, justitie, de rechtsstaat en mensenrechten, op een onderling overeengekomen manier. De dialoog zal voortbouwen op de internationale, regionale en nationale verwezenlijkingen en toezeggingen van Jordanië. Maatschappelijke organisaties kunnen gezamenlijk worden uitgenodigd om een bijdrage te leveren.

Specifiek wat mensenrechten betreft, zal regelmatig overleg worden gepleegd inzake de vrijheid van meningsuiting, de vrijheid van vereniging, ook met betrekking tot de omstandigheden waarin het maatschappelijk middenveld werkt, en de rechten van vrouwen en het bevorderen van hun positie in het politieke en openbare leven. Om vooruitgang te boeken op het gebied van de bovengenoemde doelstellingen, de democratie en het goede bestuur in Jordanië te bevorderen en corruptie beter te kunnen bestrijden, is een verantwoordelijk, transparant, efficiënt en inclusief overheidsapparaat nodig.

Er zal bij de dialoog naar behoren rekening worden gehouden met de toezeggingen die Jordanië al op multilateraal niveau heeft gedaan. Ook economische, sociale en culturele rechten, bijvoorbeeld op het gebied van onderwijs en werk, zullen aan bod komen. De dialoog zal zich met name toespitsen op de gebieden die in de partnerschapsprioriteiten aan bod komen.

III.    Mechanismen voor dialoog en wederzijdse samenwerking

Het algemene kader voor de betrekkingen tussen de EU en Jordanië is vastgelegd in de Associatieovereenkomst die in 2002 in werking is getreden en het „geavanceerde status”-partnerschap dat in 2010 is overeengekomen. Nu de Associatieovereenkomst bijna 15 jaar bestaat, is het van belang deze te herzien, of de uitvoering ervan te rationaliseren door de dialoog en de subcomités grondig opnieuw te overdenken. Door de subcomités volgens de partnerschapsprioriteiten samen te brengen in een aantal thematische dialogen, boven op de politieke dialogen, zal de samenwerking op de overeengekomen werkterreinen vooruit kunnen gaan.

De partnerschapsprioriteiten zullen in 2018 worden herzien. De resultaten van deze herziening zullen door de Associatieraad moeten worden goedgekeurd. In afwachting van de geplande herziening kunnen Jordanië en de EU, wanneer de omstandigheden dit vereisen, op elk tijdstip om een herziening vragen.

Voorts zal het pact, ter ondersteuning van de uitvoering ervan, regelmatig opnieuw worden bekeken in de context van de bilaterale samenwerking tussen de EU en Jordanië en andere relevante dialogen en vergaderingen. Waar passend en overeenkomstig het beginsel van meer verantwoordelijkheid van het Europees nabuurschapsbeleid zal de EU bijdragen aan coördinatiemechanismen met de regering van Jordanië en andere partners, zoals maatschappelijke organisaties en plaatselijke autoriteiten.

Volgens de doelstellingen die in de partnerschapsprioriteiten en het pact daarbij worden uiteengezet, verbindt de EU zich ertoe financiële steun te blijven verstrekken en samen met de internationale gemeenschap Jordanië te ondersteunen.


BIJLAGE BIJ DE PARTNERSCHAPSPRIORITEITEN EU-JORDANIË

Pact EU-Jordanië

Het pact EU-Jordanië dient ter aanvulling van de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië en geeft een beschrijving van de wederzijdse toezeggingen en evaluatiemechanismen.

Met het pact, dat werd aangekondigd op de Conferentie van Londen van 4 februari 2016 over steun voor Syrië en de regio, wordt positief gereageerd op de oproep van Jordanië om een pact met de internationale gemeenschap op te stellen waarin wordt gepleit voor een holistische aanpak van de Syrische vluchtelingencrisis. Het is een dynamisch document dat regelmatig moet worden geactualiseerd en waarin de drie pijlers en de geest van het internationale pact voor Jordanië dat de Jordaanse regering en de andere organisatoren van de conferentie hebben ondertekend, tot uiting komen. Het bouwt onder meer voort op het actieplan Jordanië 2016-2018 en de nationale visie en strategie voor Jordanië voor 2025. In het pact wordt nadruk gelegd op het versterken van de economische veerkracht van Jordanië en het bevorderen van de economische kansen voor Syrische vluchtelingen, door hun beter te beschermen en ervoor te zorgen dat zij gemakkelijker toegang hebben tot arbeid en kwalitatief hoogwaardig onderwijs.

Het pact dient ter uitvoering van de partnerschapsprioriteiten EU-Jordanië en gaat verder dan het internationale pact, doordat het de verschillende wederzijdse toezeggingen en evaluatiemechanismen voor de verschillende partnerschapsprioriteiten vastlegt. Het bouwt voort op de beleidsdialogen en samenwerking in de context van de Associatieovereenkomst EU-Jordanië, het integraal steunkader voor EU-steun voor Jordanië 2014-2017, de strategie voor Jordanië voor 2025 en de driejaarlijkse ontwikkelingsprogramma's voor de uitvoering daarvan.

Bescherming van en ontwikkelingskansen voor Syrische vluchtelingen

Jordanië vangt circa 1,3 miljoen Syriërs op, onder wie 630 000 vluchtelingen die door de UNHCR zijn geregistreerd. Ruim 70 % zijn vrouwen en kinderen en twee op de drie vluchtelingen zouden onder de absolute armoedegrens in Jordanië leven. Jordanië blijft bereid kwetsbare personen die conflicten ontvluchten, toegang te verlenen tot zijn grondgebied en de EU prijst Jordanië voor de aanhoudende inspanningen die het al sinds het begin van de crisis levert om Syrische vluchtelingen toegang, bescherming en steun te bieden.

Jordanië zal er ook voor blijven zorgen dat de betrokkenen in een veilige omgeving kunnen leven en een waardig leven kunnen leiden, bijvoorbeeld door te voorzien in een juridische status voor Syrische vluchtelingen in kampen en daarbuiten. Het is belangrijk dat vluchtelingen in een veilige omgeving kunnen leven, zodat in hun dringende behoeften kan worden voorzien. Bescherming zal daarom een centraal element blijven van de humanitaire activiteiten van de EU in Jordanië.

De EU zal haar humanitaire hulp aan Jordanië handhaven en zal daarbij nadruk blijven leggen op belangrijke levensreddende hulp. Met die hulp wordt voorzien in de basisbehoeften van nieuwkomers en van de meest kwetsbare vluchtelingen die in kampen en stedelijke omgevingen leven. Bijzondere aandacht gaat daarbij naar de behoeften van kinderen en vrouwen. Zowel de EU als Jordanië gaat na welke steunmaatregelen voor de meest kwetsbare vluchtelingen de voorkeur krijgen wat kostenefficiëntie betreft.

In het pact wordt volledig onderkend dat het van prioritair belang is voor Jordanië om de stabiliteit en veiligheid te garanderen langs zijn grenzen en op zijn grondgebied. Daarom wordt in het pact het voornemen uiteengezet om de samenwerking inzake het bestrijden van terrorisme en het voorkomen van radicalisering en gewelddadig extremisme op te voeren, zonder dat daardoor de toegang voor en bescherming van asielzoekers in het gedrang komen.

Het verblijf van de Syrische vluchtelingen in Jordanië is van lange duur geworden en Jordanië aanvaardt dat het merendeel van de vluchtelingen daar zal blijven totdat zij terug kunnen keren naar Syrië. In het licht daarvan is de internationale gemeenschap, met inbegrip van de EU, zeer tevreden dat Jordanië zich bereid heeft verklaard Syrische vluchtelingen toegang te bieden tot bestaansmogelijkheden, en heeft zij beloofd Jordanië daarbij te helpen.

Met de steun van de internationale gemeenschap, met name de toezegging van de EU om haar systeem van oorsprongsregels aan te passen om onder meer de werkgelegenheid voor Syrische vluchtelingen en de Jordaanse bevolking te bevorderen, heeft de overheid aangekondigd Syrische vluchtelingen toestemming te zullen geven om te werken in bepaalde sectoren waarin er weinig concurrentie is met Jordaniërs. Dit is een ontwikkeling die ten zeerste wordt toegejuicht en die de donorgemeenschap een belangrijke verantwoordelijkheid geeft om de Syrische vluchtelingencrisis om te buigen in ontwikkelingskansen.

De steun voor Syrische vluchtelingen zal niet ten koste gaan van andere personen die in Jordanië verblijven en er bescherming zoeken. De EU zal wat dat betreft nauw blijven samenwerken met de Jordaanse autoriteiten, de VN en andere nationale en internationale uitvoeringspartners.

De EU zal zich blijven inspannen voor een handhaving van haar eigen steun en van die van de brede internationale gemeenschap, zodat de gastgemeenschappen en vluchtelingen in Jordanië worden geholpen.

In het algemeen zullen de EU en Jordanië prioriteit geven aan betere ontwikkelingskansen en vooruitzichten voor de Jordaanse bevolking, met inbegrip van kwetsbare gastgemeenschappen, evenals voor vluchtelingen, die pas naar hun thuisland zullen kunnen terugkeren wanneer de situatie dat toelaat. In afwachting zullen de EU en Jordanië er samen voor proberen te zorgen dat personen die op de vlucht zijn voor het conflict in Syrië een waardig leven kunnen leiden te midden van de plaatselijke bevolking in Jordanië, door te voorzien in het noodzakelijke juridische en administratieve kader en de bijbehorende toegang tot bestaansmogelijkheden, onderwijs en betaalbare gezondheidszorg. De toezegging van Jordanië om vluchtelingen de mogelijkheid te bieden een werkvergunning te verkrijgen, kleine ondernemingen op te zetten en handelsactiviteiten te verrichten, indien van toepassing en overeenkomstig de nationale wetgeving, is in dat verband van essentieel belang.

1.    Faciliteren van de handel tussen de EU en Jordanië ten behoeve van investeringen, export en banen voor onder meer Syrische vluchtelingen

In het internationale pact is erom verzocht de EU-markt meer open te stellen, met name via vereenvoudigde oorsprongsregels, om investeringen aan te moedigen en banen te creëren voor Jordaniërs en voor Syrische vluchtelingen. In reactie daarop heeft de EU zich ertoe verbonden haar oorsprongsregels gedurende tien jaar te versoepelen voor specifieke goederen die worden geproduceerd in productiefaciliteiten in vooraf bepaalde speciale ontwikkelingszones (SEZ) en industriële gebieden. Voorwaarde is dat Jordaniërs en Syrische vluchtelingen daar onder dezelfde voorwaarden aan de slag kunnen (15 % vluchtelingen de eerste twee jaar, daarna 25 %), en het doel is om op landniveau tot 200 000 arbeidsmogelijkheden voor Syrische vluchtelingen te komen, overeenkomstig het internationale pact. Zodra dat doel is bereikt, zal de EU overwegen de afwijkingen van de oorsprongsregels verder uit te breiden en vereenvoudigde voorwaarden vast te stellen zodat Jordaanse producenten beter gebruik kunnen maken van deze regels. De EU en Jordanië komen overeen dat internationale organisaties met relevante expertise, zoals de Internationale Arbeidsorganisatie (IAO) en/of de Wereldbank, kunnen worden betrokken bij het ondersteunen en bevorderen van de werkgelegenheid en het toekomstige monitoringsproces.

De EU prijst de concrete maatregelen die Jordanië heeft genomen om Syrische vluchtelingen de kans te geven een tijdelijke werkvergunning te krijgen, een voorstel dat voor het eerst werd genoemd in het document Economic Response to the Syrian Refugee Crisis: Piloting a Holistic Approach. Een grotere formele arbeidsmarkt heeft een gunstig effect op de overheidsfinanciën. In het kader van zijn holistische aanpak stelt Jordanië voor Syriërs de toelating te geven te werken in 18 speciale economische zones (SEZ), in vluchtelingenkampen, in bepaalde sectoren (bv. landbouw en bouw, volgens vooraf bepaalde quota) en voor openbare werken die met middelen van de donorgemeenschap worden gefinancierd (infrastructuur of andere arbeidsintensieve gemeenschapsvoorzieningen). Voorwaarde is wel dat de Syriërs niet de plaats van de Jordaanse arbeidskrachten innemen.

Het creëren van arbeidsmogelijkheden in speciale economische zones is een centraal element van het voorstel van Jordanië. Verwacht wordt dat deze zones investeringen van Europa en andere regio's zullen aantrekken, met name van de Syrische diaspora die op zoek is naar een veilig toevluchtsoord, en de export naar de EU zullen bevorderen.

In dat verband heeft de EU, op verzoek van Jordanië en zoals hierboven beschreven, beloofd om de oorsprongsregels te versoepelen voor producten die in de speciale economische zones en andere industriële zones in Jordanië met vluchtelingenkrachten zijn geproduceerd. De EU is ook bereid inspanningen te leveren met betrekking tot specifieke behoeften op het gebied van op de arbeidsmarkt gerichte opleiding en ontwikkeling van vaardigheden, zodat de productiviteit in deze zones en daarbuiten toeneemt.

Er zij aan herinnerd dat Jordanië op grond van de bestaande Associatieovereenkomst met de EU al invoerrechtvrije en quotavrije toegang tot de EU markt geniet voor industriële producten en zeer ruimte toegang geniet voor landbouwproducten. De Jordaanse producenten hebben daar echter nog niet veel gebruik van gemaakt, omdat zij nog niet in staat zijn aan de oorsprongsregels en de technische normen van de overeenkomst te voldoen.

De EU heeft Jordanië de mogelijkheid aangeboden een diepe en brede vrijhandelsruimte te creëren. Jordanië heeft deze mogelijkheid positief ontvangen, maar de onderhandelingen zijn nog niet gestart. De EU heeft ook onderhandelingen over een overeenkomst inzake conformiteitsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten voorgesteld (OCA), op grond waarvan Jordaanse producten van specifieke sectoren zonder extra technische controles op de EU-markt zouden kunnen worden gebracht. Jordanië is al goed gevorderd met de voorbereidingen voor een OCA en met de aanpassing aan de EU-regels in bepaalde sectoren, hoewel er nog enige technische ondersteuning noodzakelijk kan zijn. De Jordaanse autoriteiten en de diensten van de EU zouden op hoog niveau een stand van zaken moeten opmaken. Daarna zouden de onderhandelingen over een OCA van start kunnen gaan. Aanhoudende inspanningen zullen nodig zijn om de bilaterale handel en het investeringskader te bevorderen, zodat er meer wordt geïnvesteerd en de Jordaanse exporteurs meer gebruik kunnen maken van de preferentiële toegang tot de EU-markt.

2.    Bevorderen van macro-economische stabiliteit en slimme en duurzame groei

Jordanië heeft benadrukt dat het behoefte heeft aan meer subsidies om zijn schulden af te bouwen. Voorts heeft Jordanië, onder meer in het internationale pact, aangegeven dat het meer concessionele financiering nodig heeft om het aanzienlijke financieringstekort terug te dringen. Jordanië heeft nood aan meer subsidies om tegemoet te komen aan bepaalde behoeften die onder meer verband houden met de vluchtelingencrisis, maar ook omdat het dringend in infrastructuur moet investeren. De EU stelt in het kader van de investeringsfaciliteit voor het nabuurschap (NIF) tegen gunstige voorwaarden aanzienlijke financiële middelen ter beschikking voor grootschalige investeringsprojecten, onder meer voor de ontwikkeling van een regionaal vervoerssysteem. Evenzo past de EIB flexibele financieringsprioriteiten toe om Jordanië te ondersteunen bij het verwezenlijken van zijn overheidsdoelstellingen, het scheppen van banen en het bevorderen van de particuliere sector/kmo's. De Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling hanteert een gelijkaardige aanpak.

Gezien de hoge overheidsschulden van Jordanië moet bij nieuwe leningen prioriteit worden gegeven aan investeringen met een hoog rendement, zoals exportbevorderende infrastructuur en starterscentra. De investeringen moeten het werkgelegenheidsniveau in Jordanië bevorderen, hetgeen vervolgens de productiviteit en overheidsinkomsten zal doen toenemen.

In lijn met haar toezeggingen op de Conferentie van Londen en op verzoek van de regering van Jordanië heeft de Commissie op 29 juni 2016 een tweede programma voor macrofinanciële bijstand voor Jordanië voorgesteld, ten belope van 200 miljoen EUR (Jordanië had om 350 miljoen EUR verzocht). In het licht van de budgettaire uitdagingen en uitzonderlijke omstandigheden waarmee Jordanië wordt geconfronteerd door de aanwezigheid van 1,3 miljoen Syriërs op zijn grondgebied, en omdat de EU een belangrijke partner is van Jordanië, zal de EU in 2017 een nieuw voorstel voor macrofinanciële bijstand aan Jordanië overwegen. Dat zal gebeuren na succesvolle afronding van het tweede programma, en mits aan de gewoonlijke voorwaarden voor dit type bijstand is voldaan. De Europese Commissie moet bijvoorbeeld eerst de externe financieringsbehoeften van Jordanië opnieuw bekijken. Deze belangrijke bijstand zal het land helpen macro-economische stabiliteit te bewaren en tezelfdertijd ontwikkelingsresultaten te boeken en verdere hervormingen door te voeren.

De EU zal de modernisering en diversificatie van de Jordaanse economie stimuleren. Zij zal dat onder meer doen via het ondersteunen van door innovatie gestuurde groei, kennisopbouw, kennisoverdracht, en door met name talentvolle jongeren en vrouwen aan te moedigen en te helpen innovatieve bedrijven op te richten.

3.    Zorgen voor een gunstigere omgeving voor de ontwikkeling van de particuliere sector, innovatie en nieuwe banen

In lijn met het internationale pact, legt het pact EU-Jordanië nadruk op het handhaven van een solide macro-economisch kader en het scheppen van gunstige omstandigheden voor investeringen, export, bbp-groei, innovatie en nieuwe banen. Jordanië heeft de vaste wil het ondernemingsklimaat te bevorderen en structurele hervormingen door te voeren om de productiviteit en arbeidsmarktomstandigheden te verbeteren.

De EU is bereid Jordanië daarbij te helpen, bijvoorbeeld met financiële middelen voor de ontwikkeling van de particuliere sector, om te zorgen voor de broodnodige verbetering van de dienstverlening aan bedrijven en voor het bevorderen van het investeringsklimaat. Daarnaast zal de EU via begrotingsondersteunende maatregelen op het gebied van vaardigheden en ontwikkeling belemmeringen voor het creëren van arbeidskansen proberen weg te nemen en kwetsbare categorieën personen aan de relevante vaardigheden proberen te helpen. De EU is bereid Jordanië verdere steun te bieden ter bevordering van innovatie en ondernemerschap en ter verbetering van het concurrentievermogen van zijn particuliere sector en van zijn exportpotentieel, bijvoorbeeld door de kans dat de productnormen van de EU worden gehaald, te maximaliseren. De Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), die zich toespitst op de particuliere sector, zal een belangrijke partner zijn voor de ontwikkeling van de particuliere sector in Jordanië.

Tegelijkertijd zijn er endogene mogelijkheden voor bbp-groei en kan van de bevolkingsgroei een positief verhaal worden gemaakt. Binnenlandse ondernemingen worden met een grotere binnenlandse vraag geconfronteerd en beschikken over betaalbare en vaak goed opgeleide arbeidskrachten, waardoor zij snel hun productiviteit kunnen opdrijven. De financiële middelen die door de donors in de vorm van subsidies of concessionele financiering ter beschikking worden gesteld, moeten op de meeste efficiënte wijze worden geprogrammeerd en gecoördineerd, wil Jordanië de groei opnieuw aanwakkeren en een voorbeeld zijn voor de regio en daarbuiten.

4.    Kwalitatief hoogwaardig onderwijs ten behoeve van sociale inclusie en ontwikkeling

De Jordaanse regering doet aanzienlijke inspanningen om ervoor te zorgen dat een zo groot mogelijk aantal Syrische vluchtelingen kan deelnemen aan openbaar onderwijs. Het pact EU-Jordanië geeft uiting aan de ambitie van Jordanië om ervoor te zorgen dat ieder kind dat in Jordanië verblijft, naar school kan gaan, ook Syrische vluchtelingen. Deze ambitie werd in het internationale pact bevestigd en moet een verloren generatie voorkomen. Om deze ambitie waar te maken, zijn veel overheidsmiddelen nodig, en de EU belooft steun te zullen blijven verstrekken om de lasten op dit gebied te verlichten en de omvang van de infrastructuur en de kwaliteit van het onderwijs te handhaven.

De EU heeft de onderwijssector sinds 2012 in aanzienlijke mate ondersteund en is van plan nog meer financiële middelen ter beschikking te stellen. Circa 143 000 Syrische kinderen zijn tijdelijk tot het openbaar onderwijs toegelaten, en dit zorgt voor overvolle klassen en tast de kwaliteit van het onderwijs aan. Het ministerie van Onderwijs is van plan om dat aantal voor het schooljaar 2016-2017 op te drijven tot 193 000 kinderen, waarvoor 100 extra scholen met dubbele dienst nodig zijn. Er zullen tijdelijke scholen moeten worden ingericht, in afwachting van de noodzakelijke financiële middelen waarmee de operationele uitgaven voor de bouw van nieuwe scholen kunnen worden gedekt. De nieuwe scholen zouden er binnen twee tot drie jaar komen, volgens het pact.

Aangezien het een dringende noodzaak is de bestaande scholen uit te breiden en nieuwe scholen te bouwen, heeft Jordanië beloofd daar zo snel mogelijk werk van te maken. Op deze manier zouden 15 000 Syrische kinderen die momenteel op een wachtlijst staan, een plaats moeten krijgen in een openbare school. Andere kinderen zullen toegang krijgen tot beroepsopleiding en beroepsonderwijs, wanneer daar reservecapaciteit is.

Als de oorlog en onstabiele situatie in Syrië aanhouden, zal Jordanië er door deze maatregelen voor kunnen zorgen dat scholieren uit de vluchtelingengemeenschap in het systeem van openbare scholen worden geïntegreerd. Kinderen zullen op deze manier hoop krijgen en de mogelijkheid krijgen om deel te nemen aan onderwijs dat aan de Jordaanse normen voldoet, waardoor ook het risico van gewelddadig extremisme wordt tegengegaan. Er moeten ook inspanningen worden geleverd om jongeren die niet deelnemen aan het onderwijs via informele systemen kansen te bieden. Op de middellange termijn zullen deze maatregelen ervoor zorgen dat er meer arbeidskrachten beschikbaar zijn op de arbeidsmarkt, hetgeen de economische ontwikkeling in het gastland zal bevorderen.

Er worden ook aanvullende maatregelen overwogen om Syrische studenten tijdens hun verblijf in Jordanië toegang tot hoger onderwijs te garanderen.

5.    Duurzaam gebruik en beheer van natuurlijke hulpbronnen

De langdurige aanwezigheid van een groot aantal Syrische vluchtelingen in Jordanië heeft het energietekort niet veroorzaakt; het heeft het bestaande probleem van energieschaarste in Jordanië slechts verergerd. Het Jordaanse ministerie van Planning en Internationale samenwerking (MOPIC) heeft recentelijk een document gepubliceerd over het herstel van de gastgemeenschappen, als spin-off van het actieplan Jordanië 2016-2018. In dat document worden de totale behoeften in verband met energieschaarste voor de komende drie jaar op 120 miljoen EUR geraamd. Er zou kunnen worden gestreefd naar meer synergie met de aanzienlijke EU-steun die sinds 2011 is uitgetrokken, omdat maatregelen op het gebied van hernieuwbare energie en energie-efficiëntie een groot aantal diverse werkkrachten vereisen, evenals meer inspanningen op het gebied van onderzoek en innovatie.

In het actieplan Jordanië 2016-2018 worden water en sanitaire voorzieningen aangemerkt als sectoren waar de behoefte aan steun uitermate groot is, ook in lokale gemeenschappen. De EU heeft hiervoor al aanzienlijke steun verstrekt, die nog kan worden uitgebreid voor verdere maatregelen in de toekomst. De EU zal ook een grootschalig programma over het beheer van vast afval financieren, dat de levenskwaliteit van de Jordaanse bevolking moet bevorderen. Voor de uitvoering zullen kwetsbare personen en ongeschoolden kunnen worden aangetrokken, hetgeen gunstig is voor de lokale economie.

De EU is in staat om op verzoek van de regering snel technische steun ter beschikking te stellen in verschillende sectoren. Er zal complementariteit worden gegarandeerd met EU-programma's zoals Horizon 2020, het EU-programma voor onderzoek en innovatie.

6.    Stabiliteit en veiligheid, met inbegrip van de bestrijding van terrorisme en het voorkomen van radicalisering en gewelddadig extremisme

Binnenlandse veiligheid is een belangrijke prioriteit voor Jordanië. Wat terrorismebestrijding betreft, beschikt Jordanië over een doeltreffend, solide en efficiënt systeem om de terreurdreiging te verminderen of weg te nemen. Door het aanhoudende conflict in Syrië en de situatie in Irak en daarbuiten trekt de regio echter steeds meer internationale jihadisten aan.

Het tegengaan van terrorisme, gewelddadig extremisme, radicalisering en intolerantie binnen en tussen religies, zijn gemeenschappelijk doelstellingen. De EU en Jordanië hebben er baat bij nauw samen te werken en ervaringen uit te wisselen om deze kwesties aan te pakken, en spitsen zich toe op preventie, reactie en eerbiediging van de rechtsstaat. De EU en Jordanië zullen veiligheidskwesties op een brede en alomvattende wijze blijven aanpakken, zowel op bilateraal niveau als in het kader van regionale en internationale fora. Daarbij zal aandacht worden besteed aan specifieke crises, zoals de crisis in Syrië, maar ook aan mondiale vraagstukken, zoals het tegengaan van radicalisering.

De EU en Jordanië zijn op de workshop over terrorismebestrijding en versterkte veiligheid van 15 maart 2016 overeengekomen verdere maatregelen te nemen op drie gebieden: de bestrijding van gewelddadig extremisme, het tegengaan van terrorismefinanciering, en veiligheid van het luchtverkeer en van de grenzen. Voorts wordt onder de koepel van het regionale secretariaat Midden-Oosten van het EU-initiatief voor centres of excellence op het gebied van CBRN-risicobestrijding, dat gevestigd is in Amman, de instelling van een regionaal opleidingscentrum in Jordanië gefinancierd.

De EU zal investeren in een analyse van de onderliggende kwetsbare plekken en aandrijvende factoren van radicalisering en heeft 10 miljoen EUR toegekend om de regering van Jordanië te helpen bij de bestrijding van gewelddadig extremisme. Jordanië wordt ertoe aangemoedigd deel te nemen aan relevante oproepen inzake het bestrijden van radicalisering in het kader van het EU-programma voor onderzoek en innovatie Horizon 2020.

Er is nog verdere financiële steun en thematische expertise beschikbaar. Die zou kunnen worden ingezet voor bijvoorbeeld het bevorderen van de dialoog tussen gemeenschappen, het creëren van economische kansen, huisvesting en ondersteuning van actoren die extremistische propaganda tegengaan. Daarmee zou een belangrijke stap worden gezet voor het doeltreffend bestrijden van de gemeenschappelijke terreurdreiging.

De EU en Jordanië zullen verder samenwerken om het begrip en de stabiliteit op mondiaal en regionaal niveau te bevorderen. Naast de maatregelen voor het tegengaan van radicalisering zullen verder regionale initiatieven inzake wetenschapsdiplomatie worden uitgevoerd, zoals SESAME (Synchroton-light for Experimental Science and Applications in the Middle East), dat door Jordanië wordt georganiseerd. Nog een initiatief is PRIMA (Partnership for Research and innovation in the Mediterranean Area). Naar verwachting zal gemeenschappelijk onderzoek worden gestart met betrekking tot twee uiterst belangrijke vraagstukken in het Euromediterrane gebied: de efficiëntie en duurzaamheid van de voedselproductie en watervoorziening.

Op het gebied van risicobeheersing in verband met rampen zullen de EU en Jordanië de mogelijkheid van een bilaterale regeling inzake civiele bescherming onderzoeken. Voorts zijn de EU en Jordanië ook van plan om in het kader van het EU-mechanisme voor civiele bescherming de samenwerking inzake risicobeheersing in verband met rampen te bevorderen. Zij zullen dat met name doen door ervaringen uit te wisselen, gezamenlijke opleidingen te organiseren en eventueel een regionaal opleidingscentrum te ontwikkelen, en capaciteit op te bouwen inzake rampenpreventie en paraatheid, onder meer door risico's te identificeren en te beoordelen.

7.    Mobiliteit en migratie

Op 9 oktober 2014 heeft de EU een mobiliteitspartnerschap ondertekend met Jordanië. Het mobiliteitspartnerschap omvat een reeks politieke toezeggingen die de EU, 16 deelnemende lidstaten en Jordanië zijn overeengekomen. Het is het resultaat van een dialoog die de EU en Jordanië in december 2013 hebben aangevat. Het voorziet in een coherent kader voor maatregelen op het gebied van migratie, mobiliteit en veiligheid, en omvat een bijlage met de uitvoeringsmaatregelen die de partijen zijn overeengekomen. De belangrijkste uitdaging is nu het partnerschap volledig en doeltreffend tot uitvoering te brengen.

Visumversoepeling voor reizen naar de EU (met daarbij ook een overnameovereenkomst) is een belangrijke doelstelling van de betrekkingen tussen de EU en Jordanië en is ook van belang voor het bevorderen van de mobiliteit tussen het grondgebied van de EU en Jordanië en van het persoonlijke contact tussen hun bevolking. Evenzo is de overname van irreguliere migranten belangrijk voor een goed beheer van migratiestromen. De onderhandelingen tussen de EU en Jordanië over visumversoepeling en overname zullen in het najaar van 2016 gelijktijdig worden aangevat.

In het kader van het pact zal ernaar worden gestreefd de impact van migratie en mobiliteit op ontwikkeling te bevorderen. Er zal onder meer aandacht gaan naar de mogelijke invloed van de diaspora op de economische ontwikkeling, regelingen voor brain circulation en meer regionale en internationale uitwisseling van studenten en economische actoren.

8.    Hervorming van justitie en politie, democratische verkiezingen en mensenrechten

De EU en Jordanië zullen blijven samenwerken ten behoeve van het versterken van het Jordaanse rechtssysteem en de toegang ertoe. Jordanië heeft de vaste wil de werking van het rechtssysteem te verbeteren en de rechterlijke onafhankelijkheid te garanderen. Bewijs daarvan zijn de recente wetswijzigingen die het heeft doorgevoerd met onder andere de wet inzake rechterlijke onafhankelijkheid en de wet inzake jeugdrecht. Jordanië heeft aanzienlijke vooruitgang geboekt met het systeem voor elektronische melding en interconnectie en heeft belangrijke opleidingsprogramma's voor rechters georganiseerd.

De EU stelt financiële en technische steun ter beschikking van het ministerie van Justitie, het instituut voor gerechtelijke scholing en de raad voor de rechterlijke macht. Jordanië en de EU hebben de vaste wil om het gebruik van voorlopige hechtenis terug te dringen, de rechtsbijstand voor met name kwetsbare groepen te bevorderen en het recidivisme te verminderen door alternatieve straffen en nazorgregelingen toe te passen.

Door nieuwe wetgeving vast te stellen inzake een nieuw electoraal kader, decentralisatie, gemeenten en politieke partijen, heeft Jordanië aangetoond dat het de politieke hervorming wil doorzetten, om verder toe te werken naar een parlementair systeem met grotere politieke participatie.

De EU is van plan om de inspanningen van Jordanië voor een sterker democratisch bestuur te blijven ondersteunen. Zij zal verdere steun bieden ter bevordering van de doeltreffende werking van belangrijke democratische instellingen, met name het parlement en de internationale kiescommissie.

De bevordering en eerbiediging van mensenrechten is een fundamenteel element van de samenwerking tussen de EU en Jordanië. Deze kwesties worden regelmatig besproken in multilaterale en bilaterale dialogen en maken het voorwerp uit van specifieke maatregelen, onder meer ter bevordering van het maatschappelijk middenveld, pluralistische media, gendergelijkheid en de rechten van vrouwen.

Het nationale plan van Jordanië voor de mensenrechten 2016-2025 en de internationale toezeggingen van het land (in het kader van internationale verdragen en VN-platforms zoals de Universal Peer Review) zijn benchmarks bij de betrekkingen tussen de EU en Jordanië.

Volgende stappen

De prioritaire maatregelen van het pact tussen de EU en Jordanië zullen worden uitgevoerd via thematische en beleidsdialogen. De toezeggingen en evaluatiemechanismen waarin het internationale pact en het pact tussen de EU en Jordanië voorzien, zullen compatibel en onderling versterkend zijn.

Via een aantal verschillende EU-begrotingsinstrumenten zullen maatregelen worden gefinancierd die in Jordanië zullen worden uitgevoerd in samenwerking met nationale en lokale autoriteiten, agentschappen van de EU-lidstaten, niet-gouvernementele organisaties, de VN en andere internationale organisaties. De financiering zal onder meer begrotingssteun en verdere macrofinanciële steun en concessionele financiering omvatten, als aan de geldende voorwaarden is voldaan. Via het Regionaal Trustfonds van de EU in respons op de Syrische crisis (het „Madad-fonds”) kan Jordanië in de vorm van subsidies steun krijgen ten behoeve van de Syrische vluchtelingen en gastgemeenschappen. De Jordaanse autoriteiten worden regelmatig geraadpleegd over het verloop van de activiteiten en de voorgestelde maatregelen en worden ertoe aangemoedigd voorstellen te doen voor financiering. Zij worden ook uitgenodigd om aanwezig te zijn op de bestuursvergaderingen van het Madad-fonds.

Addendum 1: Toezeggingen van de EU en Jordanië

Toezeggingen Jordanië

Toezeggingen EU

Bevorderen van de macro-economische stabiliteit (incl. de doelstellingen van het internationale pact)

Evaluatiemechanismen: economische dialogen en monitoring in het kader van het internationale pact

1)

de macro-economische stabiliteit handhaven en toewerken naar de goedkeuring van een programma inzake een uitgebreide financieringsfaciliteit met het IMF

2)

een solide investeringsprogramma ontwikkelen dat een geringe impact heeft op de schuldenlast, ten behoeve van groei, stabiliteit en nieuwe banen

Bilateraal

a)

steun via een nieuw programma van macro-financiële bijstand voor de periode 2016-2017, afhankelijk van een financiële regeling met het IMF; macro-financiële vervolgsteun overwegen indien de situatie dat vereist en de formele modaliteiten dat mogelijk maken

b)

significante financiële middelen uit de Investeringsfaciliteit voor het nabuurschapsbeleid, tegen gunstige voorwaarden en voor grootschalige investeringen en infrastructuurprojecten

Ontwikkeling van de particuliere sector, het ondernemingsklimaat, handel en investeringen en het scheppen van banen

(incl. de doelstellingen van het internationale pact)

Evaluatiemechanisme: subcomités en/of thematische vergaderingen, de Associatieraad en monitoring in het kader van het internationale pact

1)

het kader voor bilaterale handel en investeringen versterken (bv. DCFTA en OCA)

2)

het ondernemingsklimaat bevorderen (wet- en regelgevingskader) ten behoeve van investeringen, economische groei en het scheppen van banen; ondernemerschap en publiek-private samenwerking aanmoedigen

3)

operationele éénloketsystemen opzetten voor investeerders

4)

het gebruik door Jordaanse bedrijven van de bestaande handelsvoordelen in het kader van de huidige vrijhandelsovereenkomst tussen de EU en Jordanië, bevorderen

5)

ondernemingen (exportmarkt) helpen aan de Europese/internationale kwaliteitsnormen te voldoen

6)

een aantrekkelijk systeem ontwikkelen voor investeringen in specifieke zones en voor het afgeven van verblijfs/-werkvergunningen aan Syrische vluchtelingen (in de eerste twee jaar moet minstens 15 % van de banen in productiefaciliteiten in 18 specifieke economische zones en industriële gebieden naar Syrische vluchtelingen gaan, in het derde jaar 25 %); het doel is om tot in totaal 200 000 banen te komen voor Syrische vluchtelingen in Jordanië, volgens het internationale pact; monitoring door een derde partij (de Internationale Arbeidsorganisatie)

7)

op grotere schaal arbeidsintensieve activiteiten uitoefenen waarvoor Syriërs en Jordaniërs worden aangeworven

8)

voorzien in vereenvoudiging wat de administratieve status van Syrische vluchtelingen betreft, zodat zij toegang hebben tot werk en basisdiensten en binnen de kampen en daarbuiten bedrijven kunnen oprichten

9)

een nationaal beleid vaststellen om de informele arbeidsmarkt aan te pakken (overeenkomstig de aanbevelingen van de Internationale Arbeidsorganisatie)

10)

de economische positie en participatie van jongeren en vrouwen bevorderen

11)

in Jordanië een conferentie voor bedrijven en investeerders organiseren

Bilateraal

a)

onderhandelingen starten over een uitgebreide vrijhandelsovereenkomst en passende ondersteuning bieden voor het faciliteren van de uitvoering ervan

b)

intensievere voorbereidingen treffen voor het starten van onderhandelingen over een overeenkomst inzake conformiteitsbeoordeling en aanvaarding van industrieproducten (OCA) op grond waarvan Jordaanse producten van specifieke sectoren zonder extra technische controles op de EU-markt kunnen worden gebracht

c)

de regering van Jordanië helpen bij haar inspanningen ter bevordering van het ondernemingsklimaat, innovatie en het investeringsklimaat

d)

de regering van Jordanië en de particuliere sector helpen bij het bevorderen van het concurrentievermogen en het verhogen van de productkwaliteit, om het voldoen aan de internationale normen te bevorderen en de export aan te moedigen (bv. opzetten van een regionaal centrum voor voedselveiligheid, met laboratoria voor toezicht op de naleving van sanitaire en fytosanitaire normen)

e)

de organisatie van een conferentie voor bedrijven en investeerders in Jordanië ondersteunen

Syrische vluchtelingen

a)

voor een periode van tien jaar de oorsprongsregels versoepelen voor specifieke producten en met betrekking tot 18 specifieke economische zones en industriële gebieden, waar banen zijn gecreëerd voor zowel Syrische vluchtelingen als Jordaniërs, en een verdere afwijking van de oorsprongsregels overwegen zodra het doel van 200 000 banen voor vluchtelingen is bereikt, onder toezicht van een derde partij (IAO)

b)

de toegang tot krediet vergemakkelijken via een gedifferentieerde aanpak: i) vastlegging, door Europese en internationale financiële instellingen, van kredietlijnen die door Jordaanse financiële instellingen worden beheerd; ii) kredietverstrekking, startkapitaal en ondersteuning ten behoeve van micro-, kleine en middelgrote ondernemingen die zowel Syriërs als Jordaniërs tewerkstellen; iii) ondersteuning van microkredietmechanismen

c)

meer concessionele financiering van de Europese Investeringsbank (EIB) en de Europese Bank voor Wederopbouw en Ontwikkeling (EBRD), overeenkomstig hun respectievelijke mandaten

Kwalitatief hoogwaardig onderwijs en opleiding ten behoeve van sociale inclusie en ontwikkeling (incl. de doelstellingen van het internationale pact)

Evaluatiemechanismen: thematische dialogen en monitoring in het kader van het internationale pact

1)

het op de arbeidsmarkt gericht onderwijs bevorderen, de toegang tot kwalitatief hoogwaardig onderwijs verbeteren en het regelgevingskader van de Employment and Technical and Vocational Education and Training (ETVET) Council versterken

2)

een beleid ontwikkelen om vaardigheden te doen aansluiten op de arbeidsmarktbehoeften; de samenwerking tussen de academische wereld en het bedrijfsleven verbeteren en ervoor zorgen dat studenten vaardigheden ontwikkelen die bevorderlijk zijn voor hun inzetbaarheid

3)

sociale inclusie bevorderen door, naast andere actieve arbeidsmarktmaatregelen, de deelname van met name vrouwen, jongeren en personen met een handicap aan onderwijs en opleiding aan te moedigen

4)

het aantal Syrische vluchtelingen in het openbare basis- en secundair onderwijs in het schooljaar 2016-2017 verhogen tot 190 000 leerlingen, zonder te raken aan de kwaliteit van het onderwijs

5)

de toegang van Syrische vluchtelingen en kansarme Jordaniërs tot kwalitatief hoogwaardig formeel onderwijs faciliteren

6)

de toegang van Syriërs tot beroepsopleiding en de toegang van kwetsbare jongeren (Jordaniërs en Syriërs) tot tertiair/hoger onderwijs, bevorderen

Bilateraal

a)

in de periode 2016-2019 ervoor zorgen dat meer mensen van kansarme segmenten van de samenleving opleiding volgen

b)

voorzien in meer financiering door middel van begrotingssteun aan het ministerie van Arbeid, met het oog op het verstrekken van proactieve arbeidsmarktdiensten

c)

toezeggingen handhaven in afwachting van de bouw van nieuwe scholen, zoals overeengekomen

d)

de financiering voor hoger en technisch onderwijs bevorderen ten behoeve van Syrische vluchtelingen en kansarme Jordaniërs

e)

de mogelijkheden in het kader van Erasmus+-programma's bevorderen, met het oog op: i) het faciliteren van de mobiliteit van studenten, personeel, jongeren, jeugdwerkers en vrijwilligers tussen Jordanië en Europa; ii) het moderniseren van instellingen voor hoger onderwijs in Jordanië, via samenwerkingsprojecten

f)

bevorderen van regelingen voor brain circulation en mobiliteit van studenten en onderzoekers in het kader van Horizon 2020

Syrische vluchtelingen

via begrotingssteun meer financiering verstrekken voor de oplopende kosten voor leerkrachten, schoolboeken en inschrijvingsgeld en voor operationele kosten; de uitbreiding van schoolfaciliteiten voor Syrische leerlingen ondersteunen

Duurzaam gebruik en beheer van natuurlijke hulpbronnen

Evaluatiemechanismen: subcomités en thematische raadplegingen

1)

de coördinatie ten behoeve van duurzaam afvalwaterbeheer verbeteren

2)

op het gebied van energie-efficiëntie en hernieuwbare energiebronnen het energiegebruik tegen 2020 met 20 % doen dalen en het aandeel van hernieuwbare energie in de elektriciteitsopwekking doen stijgen tot ten minste 15 %

3)

onderzoek en innovatie op het gebied van hernieuwbare energie, water en afvalbeheer aanmoedigen

Bilateraal

a)

begrotingssteun en steun uit de Investeringsfaciliteit voor het nabuurschapsbeleid ten behoeve van hernieuwbare energie en duurzaam gebruik van beperkte natuurlijke hulpbronnen

b)

steun voor capaciteitsopbouw en opleiding met het oog op de ontwikkeling van passende expertise

c)

steun voor energie-efficiëntieprogramma's, onder meer met het oog op het scheppen van banen

d)

steun voor samenwerking op het gebied van onderzoek en innovatie inzake hernieuwbare energie en energie-efficiëntie

e)

de vestiging van regionale energiemarkten faciliteren

Versterken van de samenwerking op het gebied van stabiliteit en veiligheid, met inbegrip van terrorismebestrijding

Evaluatiemechanismen: dialogen inzake terrorismebestrijding, subcomités en/of thematische vergaderingen, en de Associatieraad

1)

de interdepartementale samenwerking en de coördinatie tussen internationale donoren bevorderen, ten behoeve van de verdere uitvoering van op het recht gebaseerde strategieën voor het bestrijden van terrorisme en gewelddadig extremisme

2)

de samenwerking op het gebied van radicalisering van jongeren en deradicaliseringinitiatieven verder opvoeren, onder meer via onderwijs en werkgelegenheidsprogramma's

3)

een strategische samenwerking en dialoog inzake terrorismebestrijding onderhouden met de EU

4)

op het gebied van rampenbeheersing: de interministeriële coördinatie verbeteren; de opleiding van burgerbeschermingsfunctionarissen inzake civiele bescherming en risicobeheersing in verband met rampen bevorderen en passende middelen bieden; de capaciteit van het nationale centrum voor veiligheid en crisisbeheer verhogen, zodat het kan fungeren als een regionaal centrum voor opleiding en oefeningen; en lokale gemeenschappen voorlichten

Bilateraal

a)

Jordanië verdere steun bieden voor het voorkomen en tegengaan van radicalisering, gewelddadig extremisme en terrorisme

b)

de samenwerking inzake de veiligheid van het luchtverkeer en van de grenzen en de justitiële samenwerking uitbreiden; de strijd tegen het witwassen van geld en terrorismefinanciering ondersteunen

c)

op het gebied van veiligheid en terrorismebestrijding samenwerking aangaan met onder meer gespecialiseerde agentschappen van de EU en de lidstaten

d)

op het gebied van rampenbeheersing steun bieden voor het bevorderen van de vroegtijdige waarschuwing, preventie en paraatheid, en nauwer samenwerken met het EU-mechanisme voor civiele bescherming

Goed beheer van het beleid inzake vluchtelingen, migratie en mobiliteit

Evaluatiemechanisme: mobiliteitspartnerschap en/of subcomités, en de Associatieraad

De EU en Jordanië hebben in oktober 2014 een mobiliteitspartnerschap ondertekend. Zij hebben zich ertoe verbonden de wederzijdse politieke verbintenissen van het partnerschap en alle maatregelen in de bijlage daarbij uit te voeren, in lijn met de volgende prioriteiten:

goed beheerde legale migratie en mobiliteit bevorderen

de capaciteit van de relevante Jordaanse autoriteiten inzake grensbeheer en het voorkomen van irreguliere migratie bevorderen

de samenhang tussen migratie en ontwikkeling versterken

de bescherming van migranten verbeteren, overeenkomstig internationale verplichtingen

De EU en Jordanië verbinden zich ertoe intensiever werk te maken van de uitvoering van het mobiliteitspartnerschap, met name de maatregelen in de bijlage. Zij houden er rekening mee dat de bijlage een dynamisch document is en de inhoud ervan kan worden bijgewerkt zolang die overeenstemt met de politieke toezeggingen van het mobiliteitspartnerschap.

Hervorming van justitie en politie, democratische verkiezingen en mensenrechten

Evaluatiemechanismen: VN-mensenrechtenmechanisme, mensenrechtendialogen, politieke dialogen en de Associatieraad

1)

verder toewerken naar een onafhankelijke rechterlijke macht

2)

de toegang tot rechtsbijstand verbeteren

3)

verdere politieke hervormingen uitvoeren, om de langetermijnstabiliteit en het democratische bestuur in Jordanië te garanderen

4)

de rol van democratische instellingen versterken

5)

verder democratische verkiezingen organiseren

6)

zorgen voor versterkte mechanismen ten behoeve van de deelname van het maatschappelijk middenveld aan een aantal proefsectoren

7)

het nationale plan voor de mensenrechten 2016-2025 uitvoeren

8)

de mensenrechten en de eerbiediging ervan bevorderen, onder meer wat betreft de rechten van vrouwen en de deelname van vrouwen aan het openbare leven

9)

de toezeggingen en verplichtingen in het kader van het internationale en nationale recht inzake mensenrechten uitvoeren

10)

kader voor het handhaven van pluralistische media

Bilateraal

a)

begrotingssteun voor de hervorming van justitie

b)

capaciteitsopbouw en ondersteuning van monitoring en effectbeoordelingen

c)

ondersteuning van het parlement en steun voor maatregelen ten behoeve van politieke partijen

d)

ondersteuning van een onafhankelijke kiescommissie

e)

EU-verkiezingswaarnemingsmissies (op uitnodiging van Jordanië)

f)

verdere ondersteuning van overheidsprogramma's en niet-gouvernementele initiatieven voor het bevorderen van de mensenrechten en de eerbiediging ervan, volgens de mondiale prioriteiten van de EU op dit gebied en ter ondersteuning van de mensenrechtenagenda van de Jordaanse regering voor 2016-2025

g)

verdere steun ter bevordering van gendergelijkheid en mensenrechten, onder meer op basis van het genderactieplan

Addendum 2: Benchmarks

Voorgesteld wordt om de vooruitgang van de uitvoering van het pact EU-Jordanië te beoordelen aan de hand van de onderstaande kwantitatieve benchmarks. Er zal regelmatig monitoring plaatsvinden, ten minste één keer per jaar, in het kader van de overeengekomen evaluatiemechanismen en de vergaderingen met betrekking tot de bilaterale samenwerking tussen de EU en Jordanië.

Toezeggingen Jordanië

Toezeggingen EU

50 000 banen voor Syrische vluchtelingen tegen eind 2016, 75 000 banen tegen eind 2017 en 100 000 banen tegen eind 2018, op voorwaarde dat er voldoende vraag is naar werkvergunningen

onderwijs: gratis openbaar onderwijs voor ten minste 140 000 Syrische kinderen tegen 2016 en voor ten minste 190 000 kinderen tegen eind 2017

Bilateraal

In 2016 en 2017 wordt minstens 747 miljoen EUR aan nieuwe financiering uitgetrokken, waaronder:

een macrofinanciële bijstandslening van 200 miljoen EUR, indien aan de voorwaarden daarvoor wordt voldaan

humanitaire hulp ten belope van 108 miljoen EUR voor 2016-2017

Syrische vluchtelingen

De EU past voor de export van Jordanië naar de EU versoepelde oorsprongsregels toe onder de volgende voorwaarden:

loopduur 10 jaar

geldig voor 18 specifieke economische zones en industriële gebieden