|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 351 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
59e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
BESLUITEN
|
22.12.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 351/1 |
BESLUIT (EU) 2016/2326 VAN DE COMMISSIE
van 21 oktober 2015
betreffende steunmaatregel SA.38375 (2014/C) (ex 2014/NN) door Luxemburg ten gunste van Fiat ten uitvoer gelegd
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 7152)
(Slechts de tekst in de Franse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea (1),
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen (2) te hebben aangemaand hun opmerkingen kenbaar te maken en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Bij brief van 19 juni 2013 heeft de Commissie Luxemburg een verzoek om inlichtingen toegezonden met gedetailleerde vragen over de praktijken inzake fiscale ruling (3) van het land. |
|
(2) |
Bij brief van 17 juli 2013 hebben de Luxemburgse autoriteiten een algemeen antwoord gestuurd en een deel van de gevraagde informatie verstrekt. Meer bepaald gaven zij in hun antwoord een beschrijving van de rechtsbeginselen en nationale regels die gelden voor de Administration des contributions directes (Luxemburgse belastingdienst) wanneer deze voorafgaande beslissingen op het gebied van de vennootschapsbelasting („fiscale rulings” of „rulings” (4)) neemt, gaven zij aan hoe dergelijke rulings kunnen worden verkregen en welke informatie de belastingplichtige daartoe dient over te leggen, en vermeldden zij of de door de belastingdienst afgegeven rulings al dan niet worden bekendgemaakt. De Luxemburgse autoriteiten hebben geen gehoor gegeven aan het verzoek van de Commissie om haar een lijst te verstrekken van fiscale rulings die in 2010, 2011 en 2012 door hun belastingdienst zijn afgegeven en hebben ook andere nuttige informatie achterwege gelaten, zoals de naam van ondernemingen, hun activiteiten, de datum van de rulings, de looptijd daarvan en het soort transacties waarop zij betrekking hadden. |
|
(3) |
Bij brief van 30 augustus 2013 heeft de Commissie de Luxemburgse autoriteiten een aanmaning doen toekomen met betrekking tot de gevraagde lijst van de in 2010, 2011 en 2012 afgegeven fiscale rulings (5). |
|
(4) |
Bij brieven van 20 en 23 september 2013 hebben de Luxemburgse autoriteiten hun teleurstelling uitgesproken over het feit dat bepaalde informatie over het verzoek om inlichtingen van de Commissie via de pers naar buiten was gekomen. Verder hebben zij vraagtekens geplaatst bij de rechtsgrondslag van het verzoek om inlichtingen van de Commissie. |
|
(5) |
Bij brief van 2 oktober 2013 heeft de Commissie de Luxemburgse autoriteiten antwoord gegeven. Zij heeft aangeven op welke rechtsgrond zij zich heeft gebaseerd om op eigen initiatief een onderzoek naar de Luxemburgse praktijk inzake fiscale ruling te openen en Luxemburg extra tijd gegeven voor het verstrekken van de gevraagde lijst van fiscale rulings. |
|
(6) |
Op 11 oktober 2013 vond een ontmoeting tussen de Luxemburgse autoriteiten en de Commissie plaats. Bij schrijven van 14 oktober 2013 hebben de Luxemburgse autoriteiten aangegeven te betwijfelen of de door de Commissie aangevoerde rechtsgrondslag het uitgebreide, algemene verzoek om inlichtingen kon rechtvaardigen. Bij brief van 15 oktober 2013 heeft de Commissie op dit schrijven geantwoord. |
|
(7) |
In het kader van een nieuwe briefwisseling tussen de Luxemburgse autoriteiten (brieven van 11 november en 2 december 2013) en de Commissie (brieven van 14 november en 12 december 2013) heeft Luxemburg uitgelegd dat het vanwege de vorming van een nieuwe regering niet mogelijk was aan het verzoek om inlichtingen gehoor te geven. Daarom heeft de Commissie de antwoordtermijn verlengd tot 15 januari 2014, maar in haar twee brieven duidelijk gemaakt dat zij wellicht een bevel tot het verstrekken van informatie zou geven als ook dan geen antwoord op haar verzoek om inlichtingen zou zijn ontvangen. |
|
(8) |
Bij brief van 15 januari 2014 hebben de Luxemburgse autoriteiten documentatie over 22 fiscale rulings uit de periode 2010-2013 overgelegd, waarin de namen van de belastingplichtigen evenwel waren weggelaten. Volgens de Luxemburgse autoriteiten waren deze 22 rulings — waarvan er één betrekking had op een voorafgaande prijsafspraak (advance pricing agreement; hierna „APA” genoemd) met een onderneming met de naam „FFT” (hierna „APA van FFT” of „betwiste fiscale ruling” genoemd) — representatief voor de Luxemburgse rulingpraktijk. |
|
(9) |
De documentatie inzake de APA van FFT omvatte het volgende (6):
|
|
(10) |
Bij brief van 7 maart 2014 heeft de Commissie de Luxemburgse autoriteiten verzocht te bevestigen dat „Fiat Finance and Trade Ltd” de belastingplichtige was die in de APA van FFT met „FFT” werd aangeduid. Tevens heeft zij aangegeven dat zij gelet op de verstrekte informatie niet kon uitsluiten dat de APA van FFT met de interne markt onverenigbare staatssteun ten gunste van FFT vormt. De Commissie heeft de Luxemburgse autoriteiten verzocht haar nadere informatie te verstrekken die haar kon helpen de APA van FFT te beoordelen. Aangezien de Luxemburgse autoriteiten deze brief niet hebben beantwoord, heeft de Commissie hun op 7 april 2014 een aanmaning toegezonden (7). |
|
(11) |
Op 24 april 2014 hebben de Luxemburgse autoriteiten antwoord gegeven op de brief van 7 maart 2014 en bevestigd dat zij niet beschikten over nadere informatie die nuttig en nodig zou kunnen zijn voor het beoordelen van de APA van FFT. Wat de vraag betreft of „FFT” stond voor „Fiat Finance and Trade Ltd”, hebben de Luxemburgse autoriteiten aangegeven dat het hun op grond van de geheimhoudingsbepalingen van de Luxemburgse wetgeving niet was toegestaan de identiteit van de betrokken belastingplichtige te bevestigen. |
|
(12) |
Op 24 maart 2014 heeft de Commissie een bevel tot het verstrekken van informatie gegeven op grond van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (8), waarin de Luxemburgse autoriteiten worden gelast de in overweging 2 bedoelde lijst van rulings te verstrekken. |
|
(13) |
Bij besluit van 11 juni 2014 (hierna „inleidingsbesluit” genoemd) (9) heeft de Commissie de formele onderzoeksprocedure van artikel 108, lid 2, VWEU ingeleid ten aanzien van de APA van FFT. Het inleidingsbesluit ging vergezeld van een bevel tot het verstrekken van informatie (hierna „bevel tot informatieverstrekking” genoemd) waarin Luxemburg werd gelast binnen een maand na de kennisgeving van het bevel alle documenten, inlichtingen en gegevens te verstrekken die de Commissie nodig had om uit te maken of daadwerkelijk sprake is van staatssteun en zo ja, of die steun met de interne markt verenigbaar is. Meer bepaald verzocht de Commissie Luxemburg de identiteit van de begunstigde van de steunmaatregel te bevestigen. |
|
(14) |
Bij brief van 14 juli 2014 heeft Luxemburg opmerkingen over het inleidingsbesluit gemaakt. Ook stelde het land dat de Commissie niet had kunnen vaststellen dat sprake was van staatssteun en dat het bijgevolg niet hoefde te antwoorden op de vragen in het inleidingsbesluit en in het bevel tot informatieverstrekking. |
|
(15) |
Bij brief van 14 augustus 2014 heeft de Commissie Luxemburg verzocht haar de in het inleidingsbesluit en het bevel tot informatieverstrekking bedoelde ontbrekende informatie te verstrekken. Tevens heeft zij Luxemburg om toestemming verzocht om zich voor de onbeantwoord gebleven vragen krachtens artikel 6 bis van Verordening (EG) nr. 659/1999 rechtstreeks tot FFT te wenden. |
|
(16) |
Op 3 september 2014 hebben de Luxemburgse autoriteiten de op dat moment nog openstaande vragen gedeeltelijk beantwoord; een deel van de gevraagde inlichtingen zou onder het bedrijfsgeheim van FFT vallen en daarom niet in hun bezit zijn. Verder bevestigden zij dat FFT inderdaad de onderneming Fiat Finance and Trade Ltd was en gaven zij de Commissie toestemming om haar vragen rechtstreeks tot FFT te richten. |
|
(17) |
Op 17 oktober 2014 is het inleidingsbesluit bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (10). De Commissie nodigde belanghebbenden erin uit hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel kenbaar te maken. Bij brief van 30 oktober 2014 heeft zij opmerkingen van FFT ontvangen. |
|
(18) |
Op 22 december 2014 heeft Luxemburg een lijst van begunstigden van fiscale rulings verstrekt overeenkomstig het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 19 juni 2013. Het betreft een overzicht van rulings die de Luxemburgse belastingdienst in 2010, 2011 en 2012 heeft afgegeven. |
|
(19) |
Bij brief van 5 januari 2015 heeft Luxemburg zijn commentaar op de naar aanleiding van het inleidingsbesluit ontvangen opmerkingen kenbaar gemaakt. |
|
(20) |
Op 12 februari 2015 heeft de Commissie een besluit vastgesteld waarbij Luxemburg ervan in kennis werd gesteld dat zij overeenkomstig artikel 6 bis van Verordening (EG) nr. 659/1999 had vastgesteld dat de formele onderzoeksprocedure betreffende de betwiste fiscale ruling tot dan toe ontoereikend was geweest. Op grond van die omstandigheid en gelet op de toestemming van Luxemburg (11) kon de Commissie haar vragen rechtstreeks tot FFT richten. |
|
(21) |
Bij brieven van 20 februari 2015 heeft de Commissie een verzoek om inlichtingen toegezonden aan Luxemburg en aan FFT. Het aan FFT gerichte verzoek om inlichtingen was gebaseerd op artikel 6 bis, lid 6, van Verordening (EG) nr. 659/1999. |
|
(22) |
Bij brief van 24 februari 2015 heeft Luxemburg gereageerd op het besluit van de Commissie van 12 februari 2015. Het land heeft aangegeven verbaasd te zijn over het verloop van de procedure in deze zaak en te betwijfelen of op goede gronden kon worden gesteld dat de procedure ontoereikend was geweest, gezien de grote hoeveelheid gegevens die Luxemburg de Commissie tijdens het onderzoek had verstrekt. |
|
(23) |
Bij brieven van 26 februari en 3 maart 2015 heeft FFT verzocht om opheldering over het verzoek om inlichtingen en om verlenging van de antwoordtermijn, die de Commissie haar bij schrijven van 5 maart 2015 heeft toegekend. |
|
(24) |
Bij brief van 5 maart 2015 heeft de Commissie op de brief van Luxemburg van 24 februari 2015 geantwoord. |
|
(25) |
Op 23 maart 2015 heeft de Commissie Luxemburg om nadere inlichtingen verzocht (12) over de lijst van in 2010, 2011 en 2012 afgegeven rulings die het land op 22 december 2014 had verstrekt. Meer bepaald heeft zij Luxemburg gevraagd aan te geven welke rulings betrekking hadden op een treasuryfunctie en welke niet-geïntegreerde of op zichzelf staande ondernemingen betroffen. Ook heeft de Commissie Luxemburg om informatie gevraagd over een aantal rulings die betrekking hadden op enkele specifieke groepen van ondernemingen. |
|
(26) |
Bij brief van 24 maart 2015 heeft Luxemburg op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 20 februari 2015 geantwoord (13). |
|
(27) |
Bij brief van 31 maart 2015 heeft FFT op het verzoek om inlichtingen van de Commissie van 20 februari 2015 geantwoord. Haar antwoord bevatte onder andere de richtsnoeren van de Fiat-groep inzake verrekenprijzen. |
|
(28) |
Op 23 april 2015 heeft Luxemburg nadere inlichtingen verstrekt over 1 900 van de rulings die het land in zijn antwoord van 22 december 2014 had vermeld. Luxemburg heeft aangegeven dat drie van de genoemde rulings betrekking hadden op een treasuryfunctie; twee daarvan dateerden uit 2010, één uit 2011. Op 23 maart 2015 had de Commissie om informatie over twee van deze rulings verzocht (de ondernemingen waarop deze twee rulings betrekking hadden, had zij namelijk in dat verzoek van 23 maart 2015 vermeld). |
|
(29) |
Op 27 april 2015 vond een ontmoeting tussen FFT, de Luxemburgse autoriteiten en de Commissie plaats. |
|
(30) |
Op 4 juni 2015 heeft Luxemburg de door de Commissie op 23 maart 2015 verlangde aanvullende informatie verstrekt over 5 327 van de rulings die het land in zijn antwoord van 22 december 2014 had vermeld. Meer bepaald heeft Luxemburg aangegeven dat nog eens tien rulings betrekking hadden op financiële functies […]. Verder werd de Commissie op 25 juni 2015 van een ruling betreffende de onderneming G in kennis gesteld. |
|
(31) |
Op 18 juni 2015 heeft Luxemburg een ruling (uit 2011) betreffende de onderneming E meegedeeld. |
|
(32) |
Bij brief van 10 juli 2015 heeft Luxemburg betoogd dat de Commissie in geval van een negatieve eindbesluit eventueel ontvangen steun niet met terugwerkende kracht, dat wil zeggen gerekend vanaf de datum van afgifte van de fiscale ruling, van de begunstigde zou moeten kunnen terugvorderen. |
|
(33) |
Op 15 juli 2015 vond een ontmoeting plaats tussen de financieel directeur van Fiat Chrysler Automobiles N.V (de rechtsopvolger van Fiat S.p.A.), de Luxemburgse autoriteiten en de Commissie. |
2. BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL
2.1. Beschrijving van de begunstigde
|
(34) |
FFT maakt deel uit van de Fiat-groep. Ten tijde van de betwiste fiscale ruling bestond de Fiat-groep uit Fiat S.p.A., een vennootschap naar Italiaans recht met hoofdkantoor te Turijn, en alle onder de zeggenschap van Fiat S.p.A. vallende vennootschappen (hierna samen „Fiat” of „Fiat-groep” genoemd). Fiat S.p.A. is op 12 oktober 2014 gefuseerd met Fiat Investments N.V.; Fiat Chrysler Automobiles N.V. is haar rechtsopvolger (14). |
|
(35) |
Fiat houdt zich bezig met industriële activiteiten en financiële dienstverlening in de automobielsector. Voor een nadere beschrijving van de activiteiten van Fiat wordt verwezen naar de overwegingen 20 en 21 van het inleidingsbesluit. |
|
(36) |
FFT biedt treasury- en financieringsdiensten aan (hoofdzakelijk) in Europa (maar niet in Italië) gevestigde ondernemingen van de Fiat-groep aan. Ook beheert zij diverse cash pooling-structuren ten behoeve van de ondernemingen van de Fiat-groep in België, Denemarken, Duitsland, Nederland, Oostenrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. FFT opereert vanuit Luxemburg, waar haar hoofdkantoor is gevestigd, en via twee filialen, één in Londen (Verenigd Koninkrijk) en één in Madrid (Spanje). |
|
(37) |
In de overwegingen 38 tot en met 51 wordt beknopt weergegeven wat het door Luxemburg op 15 januari 2014 aan de Commissie overgelegde verrekenprijzenrapport ten aanzien van FFT vermeldt (15). |
|
(38) |
Fiat heeft besloten de treasury- en financieringsfuncties centraal te regelen en daartoe alle activiteiten inzake financiering, onderlinge financiële diensten, bankrelaties, beheer van rente- en wisselkoersrisico, cash pooling, transacties op de monetaire markt, kasbeheer en initiëring van invorderings- en betalingstransacties ondergebracht bij „financieringsmaatschappijen”. |
|
(39) |
De financieringsmaatschappijen zijn als volgt georganiseerd:
|
|
(40) |
De grensoverschrijdende intragroeptransacties waaraan FFT deelneemt, kunnen in twee hoofdcategorieën worden verdeeld:
|
|
(41) |
De figuur hieronder geeft de financieringstransacties (T1 t.e.m. T3) grafisch weer). Voornaamste grensoverschrijdende intragroeptransacties LT-leningen FF KT-leningen Deposito’s FF&T Markt FFNA |
|
(42) |
De door FFT uitgeoefende functies betreffen financiering via de markt en belegging van liquide middelen, onderhouden van betrekkingen met marktspelers in de financiële sector, coördinatiediensten en financieel advies ten behoeve van groepsondernemingen, kasbeheerdiensten ten behoeve van groepsondernemingen, onderlinge kortetermijnfinanciering (hierna „KT-financiering” genoemd) en middellangetermijnfinanciering (hierna „MT-financiering” genoemd) en coördinatie met de andere financieringsmaatschappijen. |
|
(43) |
Wat financiering via de markt en beleggingen van liquide middelen betreft, zij opgemerkt dat FFT de middelen aantrekt om transacties en groei van de groepsondernemingen te ondersteunen en die middelen dienovereenkomstig te beleggen. Wat het beheer van financiële risico's betreft, volgt FFT de richtsnoeren als vastgesteld in het desbetreffende intern beleid van de groep (rente- en wisselkoersrisico). De financiering van FFT berust op instrumenten als uitgifte van obligaties (via een „Global Medium Term Note” of het „GMTN”-programma waarin FFT naast FFNA en FFC een uitgevende instelling is), kort- of langlopende bankleningen, toegewezen of niet-toegewezen kredietlijnen enz. Wat het beheer van liquide middelen betreft, belegt FFT het surplus aan liquiditeiten bij eersteklas bankinstellingen of liquiditeitsfondsen met een hoge beurswaarde. |
|
(44) |
De blootstelling aan het wisselkoersrisico beheert FFT voornamelijk via deviezenfutures en valutaswaps. Deze blootstelling hangt nauw samen met het verschil in looptijd tussen passiva en activa en met het beheer. FFT maakt hoofdzakelijk gebruik van renteswaps (interest rate swaps; hierna „IRS” genoemd) en rentetermijncontracten (forward rate agreements; hierna „FRA” genoemd). |
|
(45) |
Wat het onderhouden van betrekkingen met marktspelers in de financiële sector betreft, onderhandelt FFT — in samenspraak met FF — met de financiële markten en instellingen en verstrekt zij deze informatie en cijfers over de groep die de solvabiliteit en financiële positie daarvan onderbouwen. |
|
(46) |
De coördinatiediensten en het financieel advies ten behoeve van de groepsondernemingen behelzen: bieden van financiële bijstand aan de groepsondernemingen, onderzoeken van hun financieringsbehoeften, in kaart brengen van de beste financieringsoplossingen, opstellen van financieringscontracten en beoordelen van de prestaties van de financiële producten in het licht van de behoeften van de groepsondernemingen. |
|
(47) |
FFT houdt toezicht op de liquiditeitsstromen, de financieringsbehoeften en de liquide middelen van de groepsondernemingen om het beheer van het eigen vermogen van de groep zo doelmatig en doeltreffend mogelijk te maken. Zij beheert de cash pooling-structuren in België, Denemarken, Duitsland, Nederland, Oostenrijk, Spanje, het Verenigd Koninkrijk en Zwitserland. Iedere dag worden de saldi per land samengevoegd op een centrale rekening van FFT, zodat de financiële positie integraal kan worden beheerd. De gang van zaken is als volgt. In de loop van de dag vinden in het kader van de reguliere activiteiten van de groepsondernemingen overschrijvingen van en naar hun (bij banken aangehouden) rekeningen plaats. Aan het einde van de dag vertonen deze rekeningen een positief of negatief saldo. In beide gevallen worden de saldi automatisch getransfereerd naar de centrale rekening die FFT in elk land aanhoudt. Vervolgens worden de bedragen van de verschillende centrale rekeningen in de diverse landen via handmatige overschrijvingen (in de vorm van bij- of afboekingen) doorgeleid naar een gemeenschappelijke centrale rekening. De rekeningen-courant van de groepsondernemingen worden dus dagelijks op nul gesteld. Afhankelijk van de dagpositie van de rekeningen-courant worden de groepsondernemingen die deelnemen aan de cash-poolingregelingen gecrediteerd of gedebiteerd voor de rente, die wordt berekend volgens de onderlinge tariefstructuur. |
|
(48) |
Voor de rente op groepsinterne leningen wordt de som van de gewogen gemiddelde kosten van het groepskapitaal genomen, vermeerderd met een marge. Voor de rente op deposito's wordt de risicovrije rentevoet gehanteerd, die voor kortetermijndeposito's bij banken wordt vermeerderd met een marge, een en ander conform het liquiditeitsbeleid van de groep. |
|
(49) |
Wat de onderlinge KT- en MT-financiering en de coördinatie met de andere financieringsmaatschappijen betreft, gaat FFT als volgt te werk. Voor KT-financiering stelt FFT de groepsondernemingen middelen ter beschikking die in grote volumes tegen groothandelsvoorwaarden op de gereglementeerde markten (obligatiemarkt) of via onderhandelingen met financiële instellingen zijn gefinancierd. Voor MT-financiering geldt dat wanneer de liquiditeitspositie van de groep als geheel positief is, veelvuldig buiten de markt om overdracht van middelen tussen de financieringsmaatschappijen plaatsvindt om te voldoen aan de vraag naar financiering van de groepsondernemingen. |
|
(50) |
De belangrijkste risico's waarmee de financieringsmaatschappijen doorgaans worden geconfronteerd, worden in het verrekenprijzenrapport nadrukkelijk genoemd. Het betreft:
|
|
(51) |
FFT beheert een grote hoeveelheid financiële activa die hoofdzakelijk verband houden met leningen tussen en vorderingen van groepsondernemingen en, in mindere mate, met bankdeposito's. Zij maakt gebruik van informatiesystemen om de dagelijkse transacties te kunnen verrichten en de resultaten van de financiële markten te kunnen volgen. |
2.2. Betwiste fiscale ruling
|
(52) |
Dit besluit heeft betrekking op de APA van FFT, een fiscale ruling inzake verrekenprijzen die Luxemburg bij brief van 3 september 2012 aan FFT heeft afgegeven. Deze ruling behelst instemming met een door de belastingadviseur van FFT voorgestelde methode voor het toerekenen van winst aan FFT binnen de Fiat-groep aan de hand waarvan FFT jaarlijks het aan Luxemburg te betalen bedrag van de vennootschapsbelasting kan bepalen. |
2.2.1. APA van FFT
|
(53) |
De door Luxemburg aan de Commissie overgelegde documentatie — die volgens het land alle belangrijke gegevens ter onderbouwing van de betwiste fiscale ruling bevat — bestaat uit twee brieven en het in overweging 9 bedoelde verrekenprijzenrapport. |
|
(54) |
Bij brief van 3 september 2012 heeft de Luxemburgse belastingdienst bevestigd dat „onderstaande verrekenprijsanalyse is verricht overeenkomstig circulaire 164/2 van 28 januari 2011 en strookt met het zakelijkheidsbeginsel” (sic). Anders gezegd, de Luxemburgse belastingdienst heeft erkend dat de door de belastingadviseur in het verrekenprijzenrapport gegeven verrekenprijsanalyse resulteerde in een zakelijke vergoeding voor de door FFT uitgeoefende functies en gedragen risico's. De „zakelijke vergoeding” voor FFT zoals die in het verrekenprijzenrapport is vastgesteld en bij de betwiste fiscale ruling is aanvaard, houdt het volgende in: „In het kader van het verrekenprijsonderzoek wordt een passende vergoeding voor het aan risico's blootgestelde eigen vermogen en het voor vergoeding van de door de onderneming uitgeoefende functies in aanmerking te nemen kapitaal vastgesteld van 2,542 miljoen EUR, met een marge van ± 10 %.” Op de door FFT op basis van deze vergoeding behaalde nettowinst wordt het in Luxemburg gebruikelijke vennootschapsbelastingtarief van 28,80 % toegepast. Bovengenoemde brief vermeldt tevens dat de door de belastingdienst genomen beslissing bindend is voor vijf jaar (boekjaar 2012 t.e.m. boekjaar 2016) (18). |
2.2.2. Verrekenprijzenrapport
|
(55) |
Volgens het verrekenprijzenrapport is de „transactional netto margin”-methode (hierna „TNMM” genoemd) de geschiktste methode om de belastbare winst van FFT binnen de Fiat-groep te bepalen. De belastingadviseur meent dat de TNMM met name geschikt is wanneer een partij in een transactie geen waardevolle, unieke bijdragen levert. Aangezien FFT volgens de belastingadviseur uitsluitend financiële diensten levert, acht hij deze methode het meest geschikt om te komen tot zakelijke prijzen die in overeenstemming zijn met de OESO-richtlijnen inzake verrekenprijzen. Bovendien oefent FFT haar functies alleen uit voor ondernemingen van de Fiat-groep, die geen soortgelijke diensten van derden ontvangen, zodat interne vergelijking niet mogelijk is. De belastingadviseur is dan ook van mening dat de voorkeur moet uitgaan naar een externe vergelijking, waarbij wordt bepaald welke nettomarges zouden zijn behaald als vergelijkbare transacties door onafhankelijke ondernemingen zouden zijn verricht (19). |
|
(56) |
In het verrekenprijzenrapport stelt de belastingadviseur de vergoeding voor FFT — de belastbare winst — vast op basis van het kapitaal dat FFT, gelet op de gebruikte activa, nodig heeft om haar functies uit te oefenen en de gelopen risico's te dragen (20). |
|
(57) |
Deze vergoeding wordt als volgt bepaald: i) raming van het „aan risico blootgestelde eigen vermogen” van FFT; ii) vaststelling van het eigen vermogen dat FFT aanwendt om haar functies uit te oefenen en de financiële investeringen te ondersteunen; iii) raming van het verwachte rendement op het „aan risico blootgestelde eigen vermogen” van FFT aan de hand van het Capital Asset Pricing Model (hierna „CAPM” genoemd) (21) en vaststelling van het rendement voor de vergoeding van het voor het uitoefenen van de functies aangewende eigen vermogen, en iv) berekening van de algehele winstgevendheid die FFT zou moeten hebben voor het vergoeden van de risico's die zij draagt en de functies die zij uitoefent, door de uitkomsten van de stappen i) tot en met iii) te combineren. |
|
(58) |
Wat stap i) betreft, stelt de belastingadviseur op basis van de functieanalyse in het verrekenprijzenrapport vast dat FFT is blootgesteld aan het operationeel risico, het kredietrisico en het tegenpartijrisico, maar niet aan het valutarisico. Onder analoge toepassing van het kader van Bazel II (22) (23) heeft hij de minimumkapitaalvereisten voor FFT in verband met het operationeel, tegenpartij-, valuta- en kredietrisico als volgt geraamd:
|
|
(59) |
Deze berekeningen leiden tot wat de belastingadviseur het „aan risico blootgestelde eigen vermogen” van FFT noemt; het komt overeen met het hypothetische wettelijk eigen vermogen dat FFT zou moeten aanhouden volgens Bazel II als toegepast in zijn rapport. Tabel 1 geeft een en ander beknopt weer. Tabel 1 Minimumkapitaalvereisten voor FFT
|
||||||||||||||
|
(60) |
Wat stap ii) betreft, wordt het „voor het uitoefenen van de functies aangewende eigen vermogen” (24), zoals het in het verrekenprijzenrapport wordt genoemd, geraamd door op het totale eigen vermogen van FFT in mindering te brengen, ten eerste, het deel van de uit Bazel II voortvloeiende minimumkapitaalvereisten als geraamd door de belastingadviseur en, ten tweede, het deel van het eigen vermogen van FFT dat wordt aangewend ter ondersteuning van de financiële investeringen in FFNA en FFC. |
|
(61) |
Volgens de belastingadviseur van FFT bedroeg het eigen vermogen van FFT eind 2011 287,5 miljoen EUR, waarvan:
|
|
(62) |
Tabel 2 toont de eigenvermogensbestanddelen van FFT zoals deze door de belastingadviseur in het verrekenprijzenrapport worden beschreven. Tabel 2 Eigenvermogensbestanddelen van FFT
|
||||||||||||
|
(63) |
Bij stap iii) stelt de belastingadviseur om te beginnen voor de vergoeding voor het deel van het eigen vermogen van FFT dat hij aanduidt met „aan risico blootgesteld minimumkapitaal” — dat overeenkomt met het door hem bij stap i) bepaalde hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT — vast te stellen op basis van een raming van het rendement op eigen vermogen (return on equity; hierna „RoE” genoemd) dat de beleggers konden verwachten (het „verwacht rendement voor belastingen”). Voor deze raming gebruikt hij het CAPM: Verwacht rendement voor belastingen = (Risicovrije rentevoet + β × Risicopremie op eigen vermogen)/(1 — Belastingtarief) |
|
(64) |
Bij de toepassing van het CAPM heeft de belastingadviseur van FFT de volgende variabelen gebruikt:
|
|
(65) |
Door deze variabelen toe te passen in de formule als vermeld in overweging 63, komt de belastingadviseur van FFT tot een „door de beleggers voor de gedragen risico's verwachte RoE” van 6,05 %. |
|
(66) |
Tabel 3 bevat de lijst van op zichzelf staande financiële dienstverleners die de belastingadviseur van FFT als benchmark heeft geselecteerd, met vermelding van de bèta's die voor het berekenen van de in het CAPM te hanteren bèta zijn gebruikt. Tabel 3 Lijst van vergelijkbare financiële dienstverleners
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(67) |
Tabel 4 toont de door de belastingadviseur van FFT berekende zakelijke range („arm's length range”) van de bèta's van de als benchmark geselecteerde ondernemingen. Tabel 4 Zakelijke range van de bèta's van vergelijkbare ondernemingen
|
|
(68) |
Vervolgens stelt de belastingadviseur van FFT voor de vergoeding voor het deel van het eigen vermogen van FFT dat hij in tabel 2 aanduidt met „kapitaal voor de uitgeoefende functies” — dat hetzelfde is als het in stap ii) bepaalde „voor het uitoefenen van de functies aangewend eigen vermogen” — vast te stellen op basis van de marktrente voor kortlopende deposito's (30), die volgens hem 0,87 % bedraagt. |
|
(69) |
Voorts stelt de belastingadviseur van FFT voor geen vergoeding te bepalen voor het deel van het eigen vermogen van FFT dat hij in tabel 2 aanduidt met „kapitaal ter dekking van de financiële investeringen in FFNA en FFC”; anders gezegd, de vergoeding voor dit deel zou voor de belastingheffing nihil zijn. |
|
(70) |
Ten slotte berekent de belastingadviseur in stap iv) de totale vergoeding die FFT voor haar financierings- en treasuryactiviteiten en voor de door haar gedragen risico's zou moeten ontvangen. Deze vergoeding is als volgt opgebouwd, overeenkomstig bovenstaande stappen i) tot en met iii) hierboven:
|
|
(71) |
Tabel 5 toont de algehele winstgevendheid die FFT volgens de ramingen van de belastingadviseur voor de belastingheffing in Luxemburg zou moeten hebben. Tabel 5 Raming van de heffingsgrondslag van FFT
|
||||||||||||
|
(72) |
Het totaalbedrag van 2,542 miljoen EUR komt overeen met het bedrag dat de Luxemburgse belastingdienst in de betwiste fiscale ruling als een zakelijke vergoeding heeft aangemerkt (32). |
|
(73) |
Tabel 6 geeft de conclusies weer van de belastingadviseur van FFT na het doorlopen van de in de overwegingen 58 tot en met 72 hierboven beschreven stappen i) tot en met iv). Tabel 6 Overzichtsberekening van de minimumkapitaalvereisten en de gevolgen voor het resultaat voor belastingen van FFT
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
2.3. Beschrijving van de Luxemburgse regels voor verrekenprijzen
|
(74) |
De fiscale ruling ten gunste van FFT is afgegeven op grond van artikel 164, derde alinea, van het Luxemburgs wetboek inkomstenbelastingen (gewijzigde wet van 4 december 1967 betreffende de inkomstenbelasting; hierna „WIB” genoemd) en WIB-circulaire nr. 164/2 van 28 januari 2011 (hierna „circulaire” genoemd) (33). |
2.3.1. Artikel 164 van het Luxemburgse wetboek inkomstenbelastingen
|
(75) |
Artikel 164, derde alinea, WIB luidt als volgt: „Verkapte winstuitkeringen moeten in de belastbare inkomsten worden opgenomen. Van verkapte winstuitkering is sprake indien een vennoot, lid of belanghebbende al dan niet rechtstreeks voordelen van een onderneming of vereniging ontvangt die hij normalerwijze niet zou hebben ontvangen als hij die hoedanigheid niet had gehad.” Hiermee is in het Luxemburgse belastingrecht het zakelijkheidsbeginsel vastgelegd. Dit beginsel houdt in dat transacties tussen ondernemingen van dezelfde groep moeten worden vergoed als waren zij aangegaan door onafhankelijke ondernemingen die in vergelijkbare omstandigheden zakelijk onderhandelen. |
2.3.2. WIB-circulaire nr. 164/2
|
(76) |
Artikel 164, derde alinea, WIB wordt verduidelijkt door de circulaire. Deze kent de volgende opzet. Deel 1 omschrijft de begrippen „groepsfinancieringsmaatschappij” (34), „financieringstransactie binnen een groep” (35) en „verbonden ondernemingen” (36). |
|
(77) |
Deel 2, „Algemeen”, begint met onderstaande beschrijving van de groepsdiensten waarop de circulaire van toepassing is: „Van een groepsdienst (zoals een financieringstransactie binnen een groep) is sprake wanneer een onafhankelijke onderneming in vergelijkbare omstandigheden bereid zou zijn geweest een andere onafhankelijke onderneming voor deze activiteit te betalen of deze zelf zou hebben uitgevoerd.” Deel 2 van de circulaire bevat ook een beschrijving van het zakelijkheidsbeginsel zoals dat in de OESO-richtlijnen inzake verrekenprijzen is gedefinieerd en in het nationale recht is omgezet. Vermeld wordt dat „[i]ndien een groepsdienst is geleverd, dient te worden bepaald, net zoals voor de andere vormen van overdracht binnen de groep, of de overeengekomen vergoeding voldoet aan het zakelijkheidsbeginsel, dat wil zeggen overeenkomt met de prijs die in vergelijkbare omstandigheden door onafhankelijke ondernemingen zou zijn gehanteerd en aanvaard” (37). |
|
(78) |
Wat de verwijzing naar „vergelijkbare omstandigheden” betreft, verduidelijkt de circulaire dat bij het vergelijkbaarheidsonderzoek aspecten als „de kenmerken van de overgedragen goederen of diensten, de door partijen uitgeoefende functies, de contractbepalingen, de economische omstandigheden van de partijen en het door hen gevoerde bedrijfs- of commerciële beleid” in aanmerking moeten worden genomen (38). |
|
(79) |
In deel 3 van de circulaire wordt uiteengezet hoe een zakelijke vergoeding moet worden bepaald in het specifieke geval van groepsfinancieringsmaatschappijen. De functies die worden uitgeoefend door deze maatschappijen, die de vergoeding van elke onderneming bepalen, moeten volgens de circulaire vergelijkbaar zijn met de functies van onafhankelijke financiële instellingen die onder toezicht staan van de Commission de Surveillance du Secteur Financier (commissie voor toezicht op de financiële sector). Voor de zakelijke vergoeding voor de uitgeoefende functies geldt dan ook zij (rekening houdend met de gebruikte activa en gelopen risico's) „zou moeten zijn gebaseerd op de vergoeding die deze instellingen vragen voor vergelijkbare krediettransacties” (39). |
|
(80) |
Voordat zij een krediet of voorschot toekennen, voeren de financiële instellingen ook een risicoanalyse uit waarbij met name het financiële risico in verband met de transactie, het aan de kredietnemer inherente risico, het risico van de onderneming die het krediet ontvangt en het structurele risico worden beoordeeld. Verder moeten de kosten in verband met de verstrekking van leningen onder meer „extra kosten in verband met de naleving van de solvabiliteitseisen, extra kosten in verband met het kredietrisico, verwerkingskosten of extra kosten als gevolg van het valutarisico” omvatten (40). Het kredietrisico wordt bepaald op basis van de voorwaarden van de kredietovereenkomst en de resultaten van de risicoanalyse. |
|
(81) |
Ten slotte koppelen onafhankelijke financiële dienstverleners het bedrag van de vergoeding doorgaans aan hetzij het bedrag van de lening, hetzij de reële waarde van het beheerde vermogen. Precies zo „zouden ook zouden ook groepsfinancieringsmaatschappijen die krediettransacties binnen een groep verrichten, een risicoanalyse moeten uitvoeren voordat zij een krediet verlenen aan een verbonden onderneming en alle andere factoren moeten beoordelen die van invloed kunnen zijn op de vaststelling van hun verrekenprijzen” (41). |
|
(82) |
In deel 4 van de circulaire wordt vermeld dat de belastingautoriteiten inlichtingen met voor hen bindende gevolgen alleen verstrekken indien de betrokken onderneming feitelijk in Luxemburg gevestigd is. Vervolgens wordt vermeld onder welke voorwaarden een groepsfinancieringsmaatschappij wordt geacht feitelijk in het land te zijn gevestigd. Met name moet het eigen vermogen van de maatschappij zijn afgestemd op de uit te oefenen functies (rekening houdend met de gebruikte activa en de gelopen risico's) en ten minste 1 % van de nominale waarde van het (de) verleende krediet(en) of 2 miljoen EUR bedragen, zonder dat dit nader wordt toegelicht. |
|
(83) |
Ook vermeldt de circulaire de gegevens en documenten die moeten worden overgelegd om inlichtingen te verkrijgen die de belastingdienst binden. Onderdeel van een bindend verzoek om inlichtingen moet onder andere zijn „een verrekenprijsonderzoek volgens de richtlijnen van de OESO ter zake, met onder meer een volledige beschrijving van de voorgestelde methodiek en uitgebreide gegevens en analyses ter onderbouwing van die methodiek, bijvoorbeeld met betrekking tot de identificatie van vergelijkingspunten en het scala van beoogde resultaten” (42). Ten slotte staat in de circulaire te lezen dat een fiscale ruling doorgaans vijf jaar geldig is, tenzij de feiten of omstandigheden veranderen, wijzigingen optreden in de wettelijke voorschriften waarop de ruling is gebaseerd of de transactie op een wezenlijk punt wordt gewijzigd (43). |
2.4. Richtsnoeren van de OESO inzake verrekenprijzen
|
(84) |
De Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling („OESO”) biedt haar lidstaten een leidraad voor belastingheffing. De richtsnoeren van de OESO inzake verrekenprijzen zijn opgenomen in de Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (hierna „OESO-richtlijnen Verrekenprijzen” genoemd). Deze richtsnoeren voor verrekenprijzen vormen een niet-bindend juridisch instrument (44). |
|
(85) |
Verrekenprijzen zijn prijzen die in rekening worden gebracht voor zakelijke transacties tussen verschillende onderdelen van een groep van ondernemingen. Multinationale ondernemingen hebben er financieel belang bij zo min mogelijk winst toe te rekenen aan jurisdicties waar die winst zwaarder wordt belast. Zij hanteren daarom soms buitensporige verrekenprijzen, die niet mogen worden aanvaard als grondslag voor de berekening van de belastbare inkomsten. Om die reden mogen belastingdiensten alleen verrekenprijzen tussen ondernemingen van dezelfde groep aanvaarden wanneer de transacties worden vergoed als waren zij aangegaan door onafhankelijke ondernemingen die in vergelijkbare omstandigheden zakelijk onderhandelen (45). Dit wordt het „zakelijkheidsbeginsel” genoemd. |
|
(86) |
Het zakelijkheidsbeginsel is neergelegd in artikel 9, lid 1, van het OESO-modelbelastingverdrag, dat de basis vormt voor bilaterale belastingverdragen tussen OESO-lidstaten en steeds meer niet-OESO-lidstaten. Artikel 9 bepaalt: „[Indien] tussen de twee [verbonden] ondernemingen in hun handelsbetrekkingen of financiële betrekkingen voorwaarden worden overeengekomen of opgelegd die afwijken van die welke zouden worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen, mag winst die een van de ondernemingen zonder deze voorwaarden zou hebben behaald maar ten gevolge van die voorwaarden niet heeft behaald, worden begrepen in de winst van die onderneming en dienovereenkomstig worden belast.” |
|
(87) |
Op 27 juni 1995 heeft het Comité voor Fiscale Aangelegenheden van de OESO de richtlijnen voor verrekenprijzen in hun oorspronkelijke versie vastgesteld (46). Deze versie is in juli 2010 grondig herzien (47). De richtlijnen hebben geen bindende werking; de belastingdiensten van de OESO-landen worden enkel aangespoord ze te volgen. Doorgaans fungeren de richtlijnen echter als referentie en hebben zij duidelijk invloed op de fiscale praktijken van de OESO-lidstaten (en zelfs van niet-OESO-lidstaten). Bovendien hebben deze richtlijnen in een groot aantal OESO-lidstaten formele rechtskracht gekregen of dienen zij als referentie bij de uitlegging van de nationale belastingwetgeving. Voor zover de Commissie de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen in dit besluit aanhaalt, doet zij dit omdat die richtlijnen een beschikbare handleiding op het gebied van verrekenprijzen vormen die het resultaat is van besprekingen tussen deskundigen in OESO-verband en details bevat over technieken voor het oplossen van problemen waarmee veel landen worstelen bij de toepassing van het zakelijkheidsbeginsel in concrete situaties. De OESO-richtlijnen Verrekenprijzen bieden belastingdiensten en multinationale ondernemingen dus nuttige handvatten voor het toepassen van dat beginsel. Zij weerspiegelen ook de internationale consensus over verrekenprijzen. |
|
(88) |
In de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen worden vijf methoden genoemd om een zakelijke prijs voor transacties en een winsttoerekening tussen ondernemingen van eenzelfde groep te benaderen: i) de „comparable-uncontrolled-price”-methode (hierna „CUP-methode” genoemd); ii) de „cost-plus”-methode; iii) de „resale price”-methode; iv) de TNMM, en v) de transactionelewinstmethode. Daarbij wordt onderscheid gemaakt tussen traditionele transactiemethoden (de eerste drie) en transactionelewinstmethoden (de laatste twee). Het staat multinationale ondernemingen vrij andere dan de in de richtlijnen beschreven methoden te hanteren om de verrekenprijzen vast te stellen, mits die prijzen voldoen aan het zakelijkheidsbeginsel. |
|
(89) |
De CUP-methode en de TNMM zijn voor het onderhavige besluit relevant en worden daarom uitgebreider beschreven in de overwegingen 90 tot en met 92. |
|
(90) |
Bij de CUP-methode wordt de prijs voor goederen die worden overgedragen of diensten die worden verleend in het kader een verbonden transactie (d.w.z. een transactie tussen twee ondernemingen die met elkaar verbonden zijn) vergeleken met de prijs die in vergelijkbare omstandigheden wordt aangerekend voor goederen die worden overgedragen of diensten die worden verleend in het kader van een vergelijkbare vrijemarkttransactie (d.w.z. een transactie tussen twee ondernemingen die van elkaar onafhankelijk zijn). |
|
(91) |
De TNMM is een van de „indirecte methoden” om een zakelijke prijs voor transacties en een winsttoerekening tussen ondernemingen van eenzelfde groep van ondernemingen te benaderen. Bij deze methode wordt geraamd wat de zakelijke winst zou zijn voor een activiteit in haar geheel, en niet voor bepaalde transacties. Doel is niet de prijs van verkochte goederen te bepalen, maar te komen tot een raming van de winst die onafhankelijke ondernemingen naar verwachting zouden kunnen maken op een bepaalde activiteit, zoals de verkoop van goederen. Hiervoor wordt een passende grondslag (een „winstniveau-indicator”) gekozen, zoals kosten, omzet of vaste investeringen, waarop een winstpercentage wordt toegepast dat overeenkomt met het winstpercentage dat in vergelijkbare vrijemarkttransacties wordt waargenomen. |
|
(92) |
Aangezien met de TNMM geen prijs wordt bepaald voor afzonderlijke transacties, kan het zijn dat de belastbare inkomsten van een entiteit waarop de methode wordt toegepast, geen rechtstreekse invloed heeft op het belastbare bedrag van een andere entiteit van dezelfde groep van ondernemingen. Daarin verschilt deze methode dus van de CUP-methode, waarbij door middel van verrekenprijzen de prijs van een bepaald goed of een bepaalde dienst wordt vastgesteld die vervolgens voor hetzelfde bedrag wordt opgenomen in de belastbare inkomsten van de verkopende en de kopende groepsonderneming. |
2.5. Aanvullende informatie die na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure is verstrekt
2.5.1. Brief van Luxemburg van 3 september 2014
|
(93) |
In antwoord op de vragen in het inleidingsbesluit heeft Luxemburg de Commissie laten weten dat voor de binnen de Fiat-groep verleende kredieten geen maximum was vastgesteld. |
|
(94) |
Luxemburg heeft tevens nadere details verstrekt over de gemiddelde prijs van de door FFT in de periode 2011-2013 binnen de groep verstrekte c.q. ontvangen leningen. De rente op door FFT binnen de groep verstrekte leningen was […]. Eind 2011 kwam zij overeen met de Euribor-rentevoet plus een marge van [6-9 %]. De gemiddelde rente op de saldi van rekeningen-courant van de groepsondernemingen bedroeg in 2012 en 2013 [6-9 %] respectievelijk [6-9 %]. In 2011, 2012 en 2013 lag de gemiddelde rente die FFT betaalde op deposito's binnen de groep op respectievelijk [0-3 %], [0-3 %] en [0-3 %] (gemiddelde vaste tarieven). |
|
(95) |
Luxemburg heeft ook informatie verstrekt over de kapitaalvergoeding waarvoor in de betwiste fiscale ruling toestemming was gegeven. Het land heeft met name aangegeven dat in deelnemingen geïnvesteerd kapitaal werd vergoed in de vorm van dividend, dat bij een verrekenprijsanalyse per definitie buiten beschouwing blijft, omdat een onderneming het enkel als aandeelhouder ontvangt. Het dividend is dus niet in aanmerking genomen bij het bepalen van het belang van de uitgeoefende functies en gelopen risico's. |
|
(96) |
Verder heeft Luxemburg uiteengezet dat de verwerving van deelnemingen door FFT geheel uit eigen vermogen is gefinancierd en dat deze wijze van financieren impliceert dat dit deel van het vermogen niet meer beschikbaar is voor het afdekken van andere risico's die FFT draagt. |
|
(97) |
Ook heeft Luxemburg verwezen naar artikel 57 van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (48) betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen, uit hoofde waarvan deelnemingen in andere kredietinstellingen ten belope van meer dan 10 % van het kapitaal van die instellingen niet tot het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen worden gerekend. |
|
(98) |
Daarnaast heeft Luxemburg verwezen naar de basisbenadering van Bazel II, waarin het tarief voor het gemiddelde van drie perioden van positieve brutojaarinkomsten op 15 % is bepaald. |
2.5.2. Brief van Luxemburg van 24 maart 2015
|
(99) |
In antwoord op het verzoek van de Commissie om voorbeelden over te leggen van rulings ten gunste van met FFT vergelijkbare belastingplichtigen, heeft Luxemburg in zijn brief van 24 maart 2015 aangegeven dat de situatie van FFT zeer bijzonder was. De reden zou zijn dat FFT een financieringsmaatschappij is die kapitaal aantrekt op de markt, terwijl de meeste financieringsmaatschappijen in Luxemburg leningen met een marge leningen verstrekken op basis van middelen die hun ter beschikking zijn gesteld door andere ondernemingen van de groep waartoe zij behoren. |
|
(100) |
Verder is de situatie van iedere belastingplichtige volgens de Luxemburgse belastingdienst dusdanig specifiek dat vergelijking met de situatie van andere belastingplichtigen niet mogelijk is. Dat zou de reden zijn dat het Luxemburgse recht enkel een algemene bepaling voor verrekenprijzen kent (namelijk artikel 164 WIB), waarmee de economische realiteit van elk geval maximaal nauwkeurig kan worden beoordeeld, al dan niet in de context van een fiscale ruling. |
|
(101) |
Luxemburg heeft ook de heffingsgrondslag van FFT voor de periode 2009-2013 volgens de belastingaangiften van de onderneming meegedeeld (49). Deze is in tabel 7 weergegeven. Tabel 7 Heffingsgrondslag van FFT voor de periode 2009-2013
|
||||||||||||
|
(102) |
Volgens Luxemburg blijkt uit de belastingaangifte van FFT over 2013 dat de in overweging 64 van het inleidingsbesluit geuite kritiek dat voor de heffingsgrondslag een bandbreedte van 2 288 000 EUR tot 2 796 000 EUR werd aangehouden, volstrekt ongegrond was. Het is immers duidelijk dat de betwiste fiscale ruling uitsluitend instemming met de geselecteerde methode inhoudt en dat de marktparameters variabel zijn. |
|
(103) |
Ten slotte heeft Luxemburg de Commissie op haar verzoek tevens alle eerdere fiscale rulings meegedeeld die de Luxemburgse belastingdienst aan ondernemingen van de Fiat-groep heeft afgegeven. |
|
(104) |
Ten eerste wordt melding gemaakt van een door de Luxemburgse belastingdienst ingewilligd rulingverzoek van 9 december 2009 waarin om instemming met de heffingsgrondslag van FFT […] werd verzocht. |
|
(105) |
Ten tweede heeft de Luxemburgse belastingdienst twee brieven van 3 september 2012 overgelegd. De eerste betreft de betwiste fiscale ruling, die is gebaseerd op een rulingverzoek van 14 maart 2012, zoals vermeld in overweging 9. Dit verzoek is nogmaals, in zijn geheel, aan de Commissie overgelegd in de brief van Luxemburg van 24 maart 2015, die informatie bevatte die Luxemburg eerder, toen deze ruling voor het eerst aan de Commissie werd meegedeeld, onleesbaar had gemaakt. |
|
(106) |
De tweede, nagenoeg identieke brief die is overgelegd, betreft een antwoord op een parallel rulingverzoek van […] dat op 18 april 2012 bij de Luxemburgse belastingdienst is ingediend voor een onderneming met de naam [F]. Het lijkt te gaan om FFT, in een andere structuur van financieringsmaatschappijen van de groep. De functies van [onderneming F] worden in dit tweede rulingverzoek precies zo beschreven als de functies van FFT in het verzoek van 14 maart 2012. Wat deze andere structuur betreft, zou het enige verschil zijn dat de onderneming slechts één filiaal in het Verenigd Koninkrijk en geen filialen in Spanje zou bezitten en dat [onderneming F] [geen enkele dochteronderneming] in eigendom zou hebben. |
|
(107) |
Het tweede rulingverzoek, dat wordt gestaafd door een verrekenprijzenrapport, bevat een conclusie die net zo is geformuleerd als de conclusie in het rulingverzoek betreffende FFT (zie overweging 54). Het resultaat van de verrekenprijsanalyse wijkt echter sterk af. Wat de zakelijke vergoeding voor [onderneming F] betreft, vermeldt het verrekenprijzenrapport het volgende: „In het kader van het verrekenprijsonderzoek wordt een passende vergoeding voor i) het risicokapitaal ten belope van 44,6 miljoen EUR en ii) het kapitaal dat dient ter vergoeding van de functies van de onderneming ten belope van 8,8 miljoen EUR vastgesteld, met een marge van ± 10 %.” |
|
(108) |
De twee rulings stonden op de lijst van fiscale rulings aangaande een treasuryfunctie die Luxemburg op 4 juni 2015 aan de Commissie heeft doen toekomen (zie overweging 29). |
|
(109) |
Ten derde zijn nog twee andere door de Luxemburgse belastingdienst ingewilligde rulingverzoeken […] aan de Commissie overgelegd. Deze verzoeken uit 2002 en 2012 hebben betrekking op andere aspecten van de structuur van de Fiat-groep in Luxemburg. Zij zijn in het kader van dit besluit niet onderzocht. |
2.5.3. Door Fiat op 31 maart 2015 verstrekte informatie
2.5.3.1.
|
(110) |
Fiat wijst erop dat FFT voor circa 40 % eigendom is van Fiat S.p.A. en voor circa 60 % van FF, een volle dochteronderneming van Fiat S.p.A. (50). FFT heeft op haar beurt volledige zeggenschap over FFNA en FFC (51). Ook brengt Fiat in herinnering dat FFT een van de — in overweging 39 genoemde — financieringsmaatschappijen van de Fiat-groep is. |
|
(111) |
Op verzoek van de Commissie heeft Fiat gedetailleerde financiële informatie over de groepsfinancieringsmaatschappijen verstrekt. Zo heeft Fiat het jaarverslag van FFT, FF, FFNA, FFC en FFB voor de jaren 2011 tot en met 2013 en een beschrijving van de functies van deze maatschappijen overgelegd. Daaruit blijkt dat FF 52 medewerkers telt, van wie er [20-30] werkzaam zijn bij de afdeling „financiering” en [10-20] bij de afdeling „boekhouding”. FFT heeft 14 medewerkers: een directeur, [0-10] frontofficemedewerkers (in het Verenigd Koninkrijk), [0-10] administratief medewerkers en [0-10] medewerkers belast met boekhouding en controles. FFNA telt vijf medewerkers. FFC voert slecht beperkt activiteiten uit. |
|
(112) |
Volgens de informatie van Fiat bedraagt de boekwaarde van de dochterondernemingen van FFT (FFNA en FFC) […]. Het jaarverslag van FFT vermeldt dat FFNA en FFC in 2011 van Fiat S.p.A. en FF zijn overgenomen. Sinds 2011 stelt FFT geconsolideerde jaarrekeningen op in Luxemburg. |
|
(113) |
FF en FFT zijn de financieringsmaatschappijen voor de eurozone. De tabellen 8 en 9 geven de financiële gegevens over de periode 2010-2013 weer. Deze gegevens zijn ontleend aan de overgelegde jaarverslagen (52). Tabel 8 Financiële gegevens van FFT voor de periode 2010-2013
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(114) |
Eind 2011, 2012 en 2013 heeft FFT bij verschillende banken garanties ten gunste van groepsondernemingen uitgegeven voor een totaalbedrag van respectievelijk 2 560 802 EUR, 10 772 314 EUR en 10 155 339 EUR. Tabel 9 Financiële gegevens van FF voor de periode 2010-2013
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(115) |
Eind 2013 (en eind 2012) bestond de deelneming van FF in het kapitaal van gelieerde ondernemingen uit deelnemingen in FFT ten belope van 157 269 000 EUR (60 % van het aandelenkapitaal van FFT), deelnemingen in FFB ten belope van 2 013 000 EUR en belangen zonder enige vorm van zeggenschap in andere groepsondernemingen ten belope van 725 000 EUR. Eind 2011 waren alle aandelen van FFT voor een bedrag van 262 102 000 EUR in de deelnemingen van FF opgenomen. Eind 2010, voordat FFNA en FFC (in 2011) aan FFT werden verkocht, hield FF een belang van 7 213 000 EUR in FFC, van 262 077 000 EUR in FFT, van 87 055 EUR in FFNA en van 2 013 000 EUR in FFB, oftewel een totaalbelang van 358 000 000 EUR in volle dochterondernemingen van Fiat, zoals aangegeven in tabel 8. |
2.5.3.2.
|
(116) |
Fiat heeft de namen meegedeeld van 61 tegenpartijen binnen de groep waarmee FFT in de periode 2011-2013 transacties is aangegaan, onder vermelding van het gemiddelde tussen FFT en deze tegenpartijen uitstaande saldo voor de zes belangrijkste crediteuren en debiteuren voor de jaren 2011, 2012 en 2013. Tabel 10 geeft de gegevens over 2013 weer (de kolom met betrekking tot de rente op het gemiddelde saldo is door de Commissie toegevoegd). Tabel 10 Tegenpartijen van FFT in 2013
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(117) |
Fiat heeft ook informatie verstrekt over de schuldbewijzen die FFT sinds 2009 heeft uitgegeven in het kader van het EMTN-programma (54), de belangrijkste financieringsbron voor FFT, en over haar emissieprospectus. FFT heeft in deze periode 14 emissies met een maximale looptijd van zeven jaar afgerond. Het betrof obligaties luidend in euro, met coupons tussen 5,75 % en 7,75 % (9 % bij één uitgifte), en in Zwitserse frank, met coupons tussen 4 % en 5 %. |
|
(118) |
In de door Fiat meegedeelde informatie wordt ook de looptijd van de groepsinterne financieringstransacties vermeld. Eind 2013 stonden voor een bedrag van 12 613 000 EUR, op een totaalbedrag van 12 858 000 EUR, vorderingen met een contractuele looptijd van minder dan één jaar uit (liquide middelen en leningen aan groepsondernemingen worden vermeld in tabel 9). |
|
(119) |
Uit de gegevens over de verschillende intragroeptransacties blijkt dat het in veel gevallen om overnight-transacties gaat. FFT gaat echter ook transacties met verschillende termijnen […] aan. Zij verstrekt in verschillende vormen leningen aan de groep […]. Eind 2013 was de looptijd van vrijwel alle deposito's […]. De emissies van obligaties kenden verschillende termijnen […]. |
|
(120) |
Fiat heeft ook het document over het liquiditeitenbeleid van de groep overgelegd waarvan gewag wordt gemaakt in het verrekenprijzenrapport waarop het rulingverzoek is gebaseerd. Dit document bevat interne regels voor het beleggen van geldmiddelen van de groep. […] |
2.5.3.3.
|
(121) |
In haar brief van 20 februari 2015 heeft de Commissie Fiat verzocht om een toelichting op het mechanisme dat Fiat hanteert om te komen tot een nettoresultaat dat gelijk is aan het eigen vermogen in de periode 2009-2011 (zie tabel 4 in overweging 51 van het inleidingsbesluit), ondanks grote verschillen wat activa/passiva, financiële lasten en inkomsten betreft. |
|
(122) |
In antwoord op dit verzoek om uitleg over de tarifering van leningen en -deposito's binnen de groep heeft Fiat een document met de naam „Transfer Pricing Policy” (beleid inzake verrekenprijzen) overgelegd. Daaruit blijkt dat Fiat de prijzen van door de groepsfinancieringsmaatschappijen verstrekte onderlinge leningen zodanig vaststelt dat die maatschappijen een vooraf bepaald rendement behalen. |
|
(123) |
De beschrijving van de functies die FFT volgens dit document uitoefent en het risico dat zij loopt, komen overeen met die in het verrekenprijzenrapport als samengevat in de overwegingen 38 tot en met 51, behalve op enkele punten. […] het document over het beleid inzake verrekenprijzen wijst op het krediet- en tegenpartijrisico; dat wordt aangemerkt als „beperkt”, terwijl dit risico volgens het rulingverzoek voor de activa van de groep ontbrak. |
|
(124) |
In het document over het beleid inzake verrekenprijzen wordt uiteengezet hoe de prijs van intragroeptransacties wordt geraamd. […], raamt zij het bedrag van de leningen binnen de groep die moeten worden gefinancierd. […], raamt zij op basis daarvan een marge voor de onderlinge leningen door de som van het beoogde rendement, vermeerderd met de exploitatiekosten, te delen door het totale bedrag van de leningen waarvoor financiering wordt gevraagd. Ten slotte voegt zij deze marge toe aan de financieringskosten van de financieringsmaatschappijen om te komen tot een raming van het tarief voor de leningen binnen de groep. |
|
(125) |
In het document over het beleid inzake verrekenprijzen wordt deze methode voor de tarifering van onderlinge leningen geïllustreerd aan de hand van de cijfers over 2012. Voor FF en FFT is de verwachte RoE op geconsolideerde basis voor 2012 geraamd op [4-7 %]. Het document bevat ook ramingen van bèta's voor de Europese Unie voor 2012, en risicovrije rentevoeten en risicopremies voor Italië en Luxemburg, die apart worden vermeld. Een en ander leidt tot de volgende raming van het verwachte rendement: Tabel 11 Gegevens in het interne document over het beleid inzake verrekenprijzen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(126) |
Verder wordt in het document onderscheid gemaakt tussen leningen van langer geleden met een vooraf vastgestelde looptijd waarvoor de tariefvoorwaarden niet kunnen worden gewijzigd, en onderlinge leningen met variabele rente die kunnen worden aangepast. […] |
2.5.4. Brief van Luxemburg van 10 juli 2015
|
(127) |
In zijn brief van 10 juli 2015 voert Luxemburg aan dat de Commissie het rechtszekerheidsbeginsel zou schenden indien zij in haar besluit tot afsluiting van de formele onderzoeksprocedure zou gelasten dat de vermeende steun van de begunstigde wordt teruggevorderd. Het land verwijst naar eerdere relevante beslissingen van de Commissie met betrekking tot fiscale steunregelingen, in het kader waarvan zij heeft erkend dat dit beginsel een beletsel kon vormen voor terugvordering van de steun (56) en een overgangsperiode heeft toegestaan omdat sprake was van een gewettigd vertrouwen (57). |
|
(128) |
Daarnaast betoogt Luxemburg dat het volgens de OESO-richtlijnen niet mogelijk en ook niet nodig is bij de vaststelling van verrekenprijzen de exacte zakelijke prijs te bepalen en dat de Commissie dus niet de terugvordering van een precies steunbedrag kan gelasten. Ook stelt Luxemburg dat het een nieuwe maatregel betreft en dat de Commissie conform eerdere beslissingen derhalve geen terugvordering van de steun zou moeten gelasten, omdat het beginsel van gewettigd vertrouwen zich daartegen verzet (58). |
3. REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE
|
(129) |
De Commissie heeft tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure besloten omdat zij tot het voorlopige oordeel was gekomen dat FFT bij de betwiste fiscale ruling met de interne markt onverenigbare staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU werd verleend. |
|
(130) |
De Commissie betwijfelde met name of de betwiste fiscale ruling in overeenstemming was met het zakelijkheidsbeginsel. In de overwegingen 131 tot en met 137 hieronder worden haar twijfels nader beschreven. |
|
(131) |
Ten eerste leek de ruling instemming in te houden met een vaste heffingsgrondslag van 2,542 miljoen EUR (± 10 %) voor de activiteiten van FFT in Luxemburg. Deze grondslag kon nauwelijks variëren en zou ook in geval van, bijvoorbeeld, een forse toename van de activiteiten van FFT (waarop de vaststelling van heffingsgrondslag is gebaseerd), hetzelfde blijven. |
|
(132) |
Ten tweede heeft de Commissie twijfels geuit over de geschiktheid van de door de belastingadviseur van FFT gekozen methode voor het ramen van de vergoeding voor de door FFT uitgeoefende functies. In zijn verrekenprijsanalyse heeft de belastingadviseur een indirecte methode, de TNMM, gebruikt om deze vergoeding te berekenen, maar de Commissie is van mening dat beter gebruik kan worden gemaakt van directe methoden, meer bepaald de CUP-methode, wanneer voorbeelden van vergelijkbare markttransacties voorhanden zijn. Dienaangaande heeft de Commissie opgemerkt dat Chrysler, de Amerikaanse onderneming van de Fiat-groep, rechtstreeks kapitaal aantrekt op de markt om haar transacties te financieren en dat sommige van die transacties vergelijkbaar zijn met die van FFT. |
|
(133) |
Ten derde heeft de Commissie, wat betreft het gebruik van het CAPM om het vereiste rendement op eigen vermogen te ramen, vraagtekens geplaatst bij de manier waarop de belastingadviseur van FFT dit model heeft toegepast. Zij heeft erop gewezen dat de twee componenten die de vergoeding van FFT op basis van het CAPM bepalen, namelijk het bedrag van het eigen vermogen waarvoor een vergoeding wordt berekend en de hoogte van de op dat bedrag toegepaste vergoeding, te laag waren vastgesteld. |
|
(134) |
Wat het bedrag van het voor vergoeding in aanmerking te nemen eigen vermogen betreft, stond de betwiste fiscale ruling toe dat het CAPM uitsluitend werd toegepast op niet meer dan een deel van het eigen vermogen, aangeduid als „aan risico blootgesteld eigen vermogen”; het in FFNA en FFC ingebrachte kapitaal werd zonder plausibele verklaring op het voor vergoeding in aanmerking te nemen eigen vermogen in mindering gebracht (59). Voorts is gebleken dat de berekening van het „aan risico blootgesteld eigen vermogen” resulteerde in de vaststelling van een te lage heffingsgrondslag, daar de groepsinterne activa niet bij dat vermogen werden betrokken. Ook hiervoor werd geen duidelijke reden gegeven. In het inleidingsbesluit heeft de Commissie vraagtekens geplaatst bij de veronderstelling dat aan de transacties met de groepsondernemingen geen kredietrisico was verbonden. Ook heeft zij twijfels geuit over de berekening van de minimumkapitaalvereisten voor het krediet- en tegenpartijrisico. Meer bepaald waren er geen gronden om te kiezen voor een tamelijk lage risicowegingsfactor van 20 % voor het tegenpartijrisico, en er was niets bepaald over wat er moest gebeuren als het regelgevingskader ingrijpend zou worden gewijzigd. Het verrekenprijzenrapport van de belastingadviseur legt niet uit in hoeverre het „verschil tussen de op bankdeposito's ontvangen rente en op bankleningen verschuldigde rente” een goede indicatie geeft van het operationeel risico en licht ook niet toe waarom een risicowegingsfactor van 15 % aangewezen zou zijn. Evenmin wordt uitgelegd waarom het tegenpartijrisico met 6 % en niet met 8 % wordt vermenigvuldigd. Bazel II, waarnaar het verrekenprijzenrapport uitdrukkelijk verwijst, schrijft voor de minimumkapitaalvereisten voor het tegenpartijrisico immers 8 % voor. |
|
(135) |
Wat betreft de vergoeding die op dit kapitaal is toegepast, heeft de Commissie twijfels geuit over de vaststelling van de bèta, die te laag leek in vergelijking met die van andere financiële dienstverleners. Ook heeft zij zich kritisch uitgelaten over het feit dat de belastingadviseur voor de berekening van de bèta het 25e percentiel in plaats van de mediaan heeft genomen. |
|
(136) |
Wat, ten vierde, het verwachte rendement op in het rulingverzoek als overtollig aangemerkte eigen vermogen betreft, heeft de Commissie twijfels geuit over het feit dat de betwiste fiscale ruling het gebruik van een zeer laag percentage, 0,87 %, zonder enige motivering aanvaardt. |
|
(137) |
Aangezien de in de betwiste fiscale ruling aanvaarde verrekenprijsanalyse niet in overeenstemming leek te zijn met het zakelijkheidsbeginsel, heeft de Commissie zich op het voorlopige standpunt gesteld dat deze ruling FFT een voordeel verleende. Geoordeeld is dat dit voordeel ieder jaar en steeds wanneer de op basis van deze ruling berekende belastingverplichting door de Luxemburgse belastingdienst werd aanvaard, werd verkregen. Volgens de Commissie is dit voordeel tevens selectief verleend, aangezien het een afwijking van de administratieve praktijk inhield die FFT specifiek bevoordeelde ten opzichte van ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevonden. |
|
(138) |
Daar aan alle andere voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU was voldaan en een duidelijke grond voor verenigbaarheid ontbrak, is de Commissie tot de voorlopige conclusie gekomen dat de betwiste fiscale ruling een met de interne markt onverenigbare steunmaatregel vormde. Bijgevolg heeft zij besloten ten aanzien van deze fiscale ruling de formele onderzoeksprocedure in te leiden. |
|
(139) |
In het inleidingsbesluit heeft de Commissie Luxemburg bovendien krachtens artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 659/1999 gelast haar alle documenten, informatie en gegevens over de betwiste maatregel te doen toekomen die zij nodig had om een beslissing te kunnen geven over het bestaan van staatssteun en, indien daarvan sprake zou zijn, over de verenigbaarheid ervan met de interne markt. Zij heeft Luxemburg krachtens artikel 6 bis, lid 2, onder b), van Verordening (EG) nr. 659/1999 verzocht ermee in te stemmen dat zij, indien Luxemburg niet alle gevraagde informatie zou verstrekken, de begunstigde van de betwiste maatregel, FFT, zou verzoeken haar de gevraagde inlichtingen te verstrekken. |
4. OPMERKINGEN VAN LUXEMBURG
|
(140) |
Luxemburg heeft zijn opmerkingen over het inleidingsbesluit op 19 juli 2014 toegezonden. Het land verwijt de Commissie dat zij, ten eerste, procedureel onjuist heeft gehandeld en, ten tweede, in het inleidingsbesluit inhoudelijke fouten heeft gemaakt. |
4.1. Opmerkingen van Luxemburg over de procedure als toegepast door de Commissie
|
(141) |
Wat het procedurele aspect betreft, beweert Luxemburg dat voor het afgeven van het bevel tot informatieverstrekking in casu niet de juiste procedure is gevolgd, in zoverre dat Verordening (EG) nr. 659/1999 de Commissie niet de mogelijkheid biedt bevelen te geven in een inleidingsbesluit. Een dergelijk bevel kan volgens Luxemburg pas worden gegeven wanneer de procedure van artikel 10 van bovengenoemde verordening is gevolgd. |
|
(142) |
Wat betreft de informatie waarom in het bevel tot informatieverstrekking werd verzocht, stelt Luxemburg voorts dat de Commissie niet heeft uitgelegd waarom zij de identiteit van de begunstigde moest kennen om de maatregel aan de staatssteunregels te kunnen toetsen. Gelet op het grote aantal lekken bij de Commissie, die zich bovendien in het openbaar weleens wat laat ontvallen, kon Luxemburg de identiteit van de begunstigde op dat moment niet onthullen. Daarnaast vermeldde het bevel tot informatieverstrekking in het geheel geen specifieke andere informatie die moest worden verstrekt. Volgens het procedurehandboek van de Commissie moet een bevel echter duidelijk uiteenzetten welke informatie in het kader van de betrokken procedure nodig is. |
|
(143) |
Luxemburg beweert tevens de opschortingsverplichting niet te kunnen nakomen, omdat in het inleidingsbesluit niet wordt uitgelegd in welk opzicht de betwiste fiscale ruling staatssteun vormt. FFT moet belastingaangifte doen, en aangezien de Commissie in het inleidingsbesluit niet heeft vermeld wat de aangewezen methode is om de verschuldigde belasting te berekenen, zal de Luxemburgse belastingdienst de methodiek van de fiscale ruling hanteren. |
|
(144) |
Luxemburg betoogt voorts dat de Commissie de beginselen van loyale samenwerking, onpartijdigheid en behoorlijk bestuur heeft geschonden, met name doordat zij niet is ingegaan op voorstellen van Luxemburg om bijeen te komen. Had zij dat wel gedaan, dat hadden de Luxemburgse autoriteiten uitleg kunnen geven over de in de betwiste fiscale ruling gebruikte methodiek. |
|
(145) |
Luxemburg heeft kritiek op het besluit van de Commissie om ten aanzien van FFT een procedure (onder het nieuwe zaaknummer SA.38375) in te leiden die losstaat van de — algemene — procedure inzake de rulingpraktijken van Luxemburg die is ingeleid onder zaaknummer SA.37267. Luxemburg had bij het Gerecht beroep ingesteld tegen het door de Commissie in het kader van de zaak SA.37267 gegeven bevel tot informatieverstrekking; de Commissie heeft nietigverklaring van dat bevel dus kunstmatig kunnen omzeilen door een nieuw dossier te openen. |
|
(146) |
Ten slotte verwijt Luxemburg de Commissie misbruik van bevoegdheid, in zoverre dat zij de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid en de simpele uitlegging van een regel van gemeen recht door elkaar heeft gehaald. Meer bepaald houdt de fiscale ruling betreffende FFT geen verband met de uitoefening van een discretionaire bevoegdheid door de Luxemburgse belastingdienst, maar vloeit zij voort uit de toepassing van artikel 164, derde alinea, WIB en uit de circulaire. Volgens Luxemburg moeten deze bepalingen, wanneer zij worden toegepast, worden uitgelegd in het licht van de feiten van het concrete geval om oplossingen te kunnen vinden die worden bepaald door en zijn gebaseerd op de bijzondere omstandigheden van dat geval. De Commissie veronachtzaamt het onderscheid tussen discretionaire bevoegdheid en de uitlegging van regels, waaronder de uitlegging van abstracte juridische termen die vervolgens op de zaak in kwestie moeten worden toegepast. Bovendien stelt zij zich in de plaats van de Luxemburgse autoriteiten voor het uitleggen van het Luxemburgse recht, waarmee zij de bevoegdheid van de lidstaten op het gebied van de directe belastingen miskent. |
|
(147) |
Luxemburg stelt dat zijn belastingdienst in het geval van FFT zijn discretionaire bevoegdheid niet heeft uitgeoefend en dat de Commissie bijgevolg niet heeft kunnen aantonen dat de betwiste fiscale ruling afweek van de normale administratieve praktijk. Luxemburg licht toe dat zijn administratief handelen berust op het legaliteits- en gelijkheidsbeginsel, hetgeen betekent dat alle belastingplichtigen die in wezen in dezelfde situatie verkeren, gelijk worden behandeld. Het land betoogt dat de zaak in het inleidingsbesluit alleen vanuit de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen en niet vanuit de Luxemburgse administratieve praktijk is onderzocht. |
4.2. Opmerkingen van Luxemburg met betrekking tot inhoudelijke fouten in het inleidingsbesluit
|
(148) |
In algemene zin stelt Luxemburg dat de Commissie een inhoudelijke fout heeft gemaakt door het in de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen neergelegde zakelijkheidsbeginsel en niet de nationale wetgeving en praktijk als referentiestelsel te nemen om te bepalen of sprake was van een selectief voordeel. |
|
(149) |
Verder beweert Luxemburg dat de Commissie bovengenoemde richtlijnen verkeerd heeft uitgelegd. In overweging 65 van het inleidingsbesluit betoogt de Commissie dat directe verrekenprijsmethoden, met name de CUP-methode, zijn te verkiezen boven indirecte methoden zoals de TNMM, waarmee zij een hiërarchie van verrekenprijsmethoden lijkt in te stellen. Zij gaat er derhalve aan voorbij dat een hiërarchie van methoden in de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen sinds 2010 niet meer wordt geacht met de huidige eisen en praktijken in overeenstemming te zijn. Volgens Luxemburg, dat verwijst naar paragraaf 1.13 van die richtlijnen, wordt daarin erkend dat „de vaststelling van verrekenprijzen geen exacte wetenschap is” en dat „de keuze van de juiste methode voor het vaststellen van de zakelijke prijs in veel gevallen niet eenduidig zal zijn”. De belastingadviseur van FFT zag goede gronden voor het gebruik van de TNMM en heeft artikel 164 WIB toegepast; de Luxemburgse belastingdienst heeft dus enkel de juistheid in rechte van de analyse bevestigd. |
|
(150) |
Volgens Luxemburg erkent de Commissie dat de uitlegging en de toepassing die aan het zakelijkheidsbeginsel worden gegeven, verschillen tussen de belastingdiensten onderling en tussen belastingdiensten en ondernemingen (60); zij kan dus niet aan de ene kant toestaan dat het zakelijkheidsbeginsel op uiteenlopende wijze wordt uitgelegd en toegepast en aan de andere kant oordelen dat er slechts één juiste methode was aan de hand waarvan Luxemburg dat beginsel had mogen toepassen. |
|
(151) |
Verder verwijt Luxemburg de Commissie dat zij in casu de relevante nationale wettelijke bepaling, artikel 164, derde alinea, WIB, en de daaruit voortvloeiende administratieve praktijk buiten beschouwing heeft gelaten en uitsluitend de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen als referentie heeft genomen. Zo bepaalt de Commissie de rekenmethode die haar de geschiktste lijkt, terwijl het Luxemburgse recht niet voorziet in het gebruik van specifieke methoden voor het vaststellen van de verrekenprijs. De Commissie miskent dus ten enenmale het rechtskader en de administratieve praktijk van Luxemburg ter zake. Bovendien laat de Commissie na, wat de selectiviteitsanalyse betreft, de fiscale behandeling van FFT te vergelijken met die van andere ondernemingen in Luxemburg die in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie verkeren. |
|
(152) |
Wat de door de Commissie in haar inleidingsbesluit geuite twijfels betreft, verwijt Luxemburg haar de aandacht te veel en te eenzijdig op de vermeende groepsbrede belastingstrategie van Fiat te richten en buiten beschouwing te laten dat Fiat, juist omdat het om een groep gaat, andere redenen kan hebben gehad om te kiezen voor de structuur zoals die thans bestaat. |
|
(153) |
Ten eerste hebben de Luxemburgse belastingautoriteiten zeker niet ingestemd met een „vaste heffingsgrondslag” zoals wordt gesteld in overweging 64 van het inleidingsbesluit. De belastbare inkomsten van FFT hangen af van de omvang van de verstrekte leningen, en het enige wat in het verrekenprijzenrapport wordt bepaald, is een bandbreedte voor basispunten met betrekking tot de te behalen marge. |
|
(154) |
Wat, ten tweede, het bedrag van het vereiste eigen vermogen en de twijfels van de Commissie dienaangaande betreft, is Luxemburg van oordeel dat de keuze voor Bazel II redelijk is, net als de keuze voor het uitsluiten van deelnemingen. Luxemburg stelt dat het logisch was de financiële deelnemingen bij de berekeningen buiten beschouwing te laten, aangezien deze niet ter zake doen wanneer het enkel erom gaat verrekenprijzen voor groepsinterne leningen vast te stellen. Bovendien is het bedrag voor de financiering van de deelnemingen volgens het verrekenprijzenrapport 165 244 000 EUR; dat komt overeen met de aankoopprijs van de door FFT gehouden deelnemingen en is volgens Luxemburg dus niet vatbaar voor kritiek. Verder zijn inkomsten uit deelnemingen in het Luxemburgse recht vrijgesteld van belasting; de daarmee samenhangende kosten, zoals rentelasten, zijn dus ook niet aftrekbaar. Ten slotte vindt vergoeding voor de deelnemingen plaats in de vorm van door de dochterondernemingen uitgekeerd dividend, waarvan het bedrag kan variëren naargelang van de resultaten van die dochterondernemingen en hun herinvesteringsbehoeften; het idee van een marge die op deze inkomstenstroom zou moeten worden toegepast, is zakelijk gezien dus onlogisch. |
|
(155) |
Ten derde betoogt Luxemburg dat ook het uitsluiten van groepsinterne vorderingen van de berekening gerechtvaardigd is, aangezien de schulden van FFT door een expliciete garantie ten gunste van haar kredietverstrekkers zijn gedekt. Gelet op de bedrijfsstrategie, de economische belangen en het reputatierisico van een mogelijk faillissement kan het wanbetalingsrisico van FFT als zeer gering worden aangemerkt en volstaat het „vrije” bedrag van 93 710 000 EUR ruimschoots om dat risico af te dekken. |
|
(156) |
Ten vierde verwijt Luxemburg de Commissie vraagtekens te hebben geplaatst bij de manier waarop de bèta voor het bepalen van de risicopremie was berekend. In de eerste plaats gaat het hier niet om louter mathematische berekeningen en zijn verschillende aanvaardbare resultaten mogelijk; de resultaten in het verrekenprijzenrapport zijn dan ook volledig verantwoord en betrouwbaar. Zouden, in de tweede plaats, de resultaten van de berekeningen van Commissie al verschillen, dan zou laatstgenoemde niettemin moeten nagaan of dit FFT een voordeel oplevert ten opzichte van de andere in Luxemburg gevestigde ondernemingen. Ten derde levert een alternatieve waardering waarbij de voor FFT berekende risicopremie wordt vergeleken met de vergoeding die de aandeelhouders van de beursgenoteerde onderneming ontvangen, een percentage op van 3,5 tot 4 %; dat is aanmerkelijk lager dan de voor FFT berekende risicopremie van 6,05 %, zodat ook uit een vergelijking in deze zin kan worden afgeleid dat die risicopremie van 6,05 % volstrekt verantwoord is en ten volle aan de eisen van artikel 164 WIB voldoet. |
|
(157) |
Ten slotte voert Luxemburg aan dat de Groep gedragscode (belastingregeling voor ondernemingen) uitdrukkelijk heeft bevestigd dat de praktijk van fiscale rulings van Luxemburg strookte met de gedragscode en de richtlijnen van de OESO en dat FFT zich krachtens het vertrouwensbeginsel derhalve zou moeten kunnen verlaten op de fiscale ruling van 3 september 2012 voor de volledige looptijd daarvan, d.w.z. gedurende vijf jaar. |
5. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
|
(158) |
FFT heeft op 30 oktober 2014 haar opmerkingen over het inleidingsbesluit toegezonden, in twee afzonderlijke documenten. |
5.1. Eerste reeks opmerkingen van FFT
|
(159) |
De eerste reeks opmerkingen van FFT valt uiteen in twee delen. In het eerste deel wordt uiteengezet waarom FFT van mening is dat de Commissie de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen onjuist op de APA van FFT heeft toegepast. Het tweede deel betreft het verwijt dat het inleidingsbesluit voorbijgaat aan de voorgeschreven rechtsnorm, die luidt dat selectiviteit in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU moet worden vastgesteld. |
5.1.1. Onjuiste toepassing van de OESO-richtlijnen
|
(160) |
In de eerste plaats stelt FFT dat zij, anders dan de Commissie in haar inleidingsbesluit beweert, met de Luxemburgse belastingdienst geen afspraken heeft gemaakt over een vast belastbaar bedrag. De regeling betrof enkel een methode voor het vergoeden van de door FFT uitgeoefende treasuryfuncties. Sinds 2011 werkt FFT jaarlijks alle parameters bij die zij gebruikt om haar aan risico blootgesteld eigen vermogen en haar RoE te ramen voor het berekenen van de streefwinst. Voorts is de APA van FFT, voor zover zich geen veranderingen voordien in de feiten en omstandigheden waarop deze is gebaseerd, slechts vijf jaar geldig. In andere lidstaten wordt voor fiscale rulings een vergelijkbare looptijd gehanteerd. |
|
(161) |
In de tweede plaats is er niets bezwaarlijks aan het feit dat de belastingadviseur van FFT heeft gekozen voor de TNMM, daar er voor de transacties van FFT geen intern vergelijkingsmateriaal beschikbaar is dat voor de toepassing van de CUP-methode zou kunnen worden gebruikt. De reden is dat i) FFT geen leningen verstrekt aan derden en ii) de ondernemingen van de Fiat-groep soortgelijke leningen niet van derden ontvangen. FFT verwijst naar paragraaf 2.2 van de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen, waarin staat dat het selectieproces steeds gericht moet zijn op het vinden van de in een bepaald geval geschiktste methode. Vervolgens noemt FFT paragraaf 2.4 van deze richtlijnen, waarin wordt verklaard dat er situaties zijn waarin de transactionelewinstmethoden als geschikter kunnen worden aangemerkt dan de traditionele transactiemethoden. |
|
(162) |
Zou de belastingadviseur de waardering van de obligaties van FFT volgens de CUP-methode hebben gebruikt om de verrekenprijzen voor de leningen aan de groepsondernemingen vast te stellen, dan zou FFT naar eigen zeggen verlies hebben geleden, daar zij de kosten van de voor het dekken van de financiële behoeften van de groep vereiste liquide middelen dan niet zou hebben terugverdiend. FFT is een minder complexe entiteit dan de andere groepsondernemingen; haar marges kunnen, zo stelt zij, via de TNMM worden geverifieerd. Deze methode wordt in verrekenprijsanalyses steeds vaker gebruikt, en in de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen uit 2010 wordt geen hiërarchie voor de methoden gehanteerd. |
|
(163) |
Verder komt het volgens FFT vaak voor dat het eigen vermogen het resultaat is van eerdere beslissingen omtrent de activiteiten van een ondernemingen niet één op één overeenkomt met het kapitaalniveau dat nodig is om de risico's in verband met de bedrijfsactiviteiten te dragen. |
|
(164) |
Ten slotte merkt FFT op dat in de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen wordt erkend dat de vaststelling van verrekenprijzen geen exacte wetenschap is. Daarbij verwijst zij naar paragraaf 1.13 van die richtlijnen, meer bepaald naar de volgende overweging: „Niet uit het oog moet worden verloren dat het doel is op basis van betrouwbare informatie te komen tot een redelijke benadering van een zakelijk resultaat. Ook zij erop gewezen dat het vaststellen van verrekenprijzen geen exacte wetenschap is en om een beoordeling van zowel de belastingdienst als de belastingplichtige vraagt.” FFT vermeldt dat zij niettemin al het mogelijke heeft gedaan om tot een raming van een zakelijke vergoeding voor haar activiteiten te komen. |
|
(165) |
Wat, in de derde plaats, de kapitaaltoereikendheid van FFT betreft, moet laatstgenoemde aantonen dat haar eigen vermogen volstaat om de risico's in verband met haar financieringsactiviteit te dragen. De circulaire bevat geen specifieke richtsnoeren om te bepalen welk deel van het eigen vermogen aan risico is blootgesteld. Daarom heeft FFT besloten een analyse van haar eigen vermogen te verrichten; zo kon zij beoordelen welk deel daarvan in het licht van Bazel II nodig was voor haar activiteiten en de risico's die zij droeg. Zo wordt in de circulaire ook een vergelijking gemaakt tussen ondernemingen die actief zijn op het gebied van intermediaire financiering en onafhankelijke financiële instellingen. De circulaire schrijft tevens voor dat belastingplichtigen die financieringstransacties binnen een groep verrichten, beschikken over voldoende eigen vermogen om de aan die transacties verbonden financieringsrisico's te dragen. Deelnemingsactiviteiten daarentegen vallen buiten de APA van FFT; de deelnemingen van FFT konden derhalve op goede gronden van haar aan risico blootgesteld eigen vermogen worden uitgesloten. Verder is het met de investering in de dochterondernemingen van FFT overeenkomende bedrag van het eigen vermogen niet in aanmerking genomen, daar het ook investeringen buiten de handelsportefeuille in dochterondernemingen omvat die in de vorm van dividend worden vergoed. Dividend wordt bij verrekenprijsanalyses niet meegerekend, omdat het losstaat van het belang van de uitgeoefende functies en de gelopen risico's. Deze aftrek is ook in overeenstemming met Bazel II (61) en artikel 57 van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad („RKV III”) (62). |
|
(166) |
Wat, in de vierde plaats, de analyse betreft die de Commissie geeft van de behandeling van groepsinterne vorderingen en het feit dat de APA van FFT niet alle activa in aanmerking neemt die niet in eigendom zijn van derden, stelt FFT dat zij de kredietrating van de groep al in de financieringskosten van de groep heeft verwerkt. Aangezien de kredietrating van FFT en alle verbonden groepsondernemingen gelijk is aan die van Fiat S.p.A. (63), is FFT ten aanzien van haar leningen aan de met haar binnen de groep verbonden ondernemingen niet aan extra kredietrisico blootgesteld. De rente die FFT deze groepsondernemingen in rekening brengt, is dan ook de som van i) de financieringskosten van de groep; ii) de aan Fiat S.p.A. betaalde garantievergoeding; iii) de operationele kosten die zij maakt voor het verlenen van haar eigen diensten aan de groepsondernemingen; iv) de negatieve „carry” die het gevolg is van het feit dat de ruime leningen die FFT aangaat een korte looptijd en een lagere rente moeten hebben in verband met de liquiditeitsbehoeften van de groep op korte termijn, en v) de kapitaalvergoeding voor de gedragen risico's, die verband houdt met de kasbeheerfuncties van FFT binnen de groep. |
|
(167) |
In de vijfde plaats was het gebruik van de coëfficiënt van 6 % voor de risicogewogen activa volgens FFT gerechtvaardigd; het strookt met de opvatting die FFT heeft van Bazel II zoals dat kader in sommige rechtsgebieden van de EU (waaronder Italië) overeenkomstig de RKV door de plaatselijke toezichthoudende instanties op niet-bancaire financiële instellingen wordt toegepast. Aangezien de vorderingen van FFT op derden voornamelijk bestaan uit bankdeposito's, werd voorts een risicogewicht van 20 % overeenkomstig de standaardbenadering van Bazel II toegepast (64). Ook wat het risicogewicht van 15 % voor het operationeel risico betreft, verwijst FFT de Commissie naar Bazel II, meer bepaald naar de basisindicatorbenadering van punt 649 daarvan, waarin een dergelijke coëfficiënt wordt voorgeschreven. Evenzo komt de bruto-opbrengst volgens dezelfde benadering overeen met de nettorentebaten plus de netto niet-rentebaten, inclusief alle voorzieningen en exploitatiekosten, maar exclusief eenmalige maatregelen. Aangezien FFT geen niet-rentebaten heeft, is het cijfer voor de kredietrente op bankdeposito's na aftrek van de debetrente op bankleningen aan te merken als de beste benadering van de operationele risico's die FFT draagt. Wat eventuele wijzigingen van het regelgevingskader betreft, stelt FFT dat de toepasselijke criteria zelfs in het kader van Bazel III (65) en Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (66) („RKV IV”) betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen onverminderd van toepassing zijn. |
|
(168) |
Wat, in de zesde plaats, de twijfels van de Commissie ten aanzien van de gebruikte bèta betreft, betoogt FFT dat zelfs wanneer bepaalde vergelijkingspunten (bijvoorbeeld centrale banken) worden uitgesloten, de zakelijke range nagenoeg gelijk blijft. Aangezien FFT optreedt als financieringsmaatschappij en niet met een bank kan worden gelijkgesteld, beschouwen FFT en [de belastingadviseur] de bèta's van financieringsmaatschappijen als de geschiktste vergelijkingspunten. Bovendien verwijst de circulaire duidelijk naar financiële dienstverleners. Het is dan ook redelijk om voor het bepalen van een geschikte bèta uit te gaan van een reeks ondernemingen op het gebied van financiële dienstverlening. Verder is het gebruik van het 25e percentiel van de zakelijke range in overeenstemming met de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen, waarin alle punten van deze range worden geacht marktconforme prijzen/winsten op te leveren. Bovendien wordt ervan uitgegaan dat FFT slechts in beperkte mate risico loopt, aangezien zij uitsluitend werkt voor ondernemingen van de groep, de activiteiten van de groep in hoge mate zijn geïntegreerd en de moedermaatschappij er alle belang bij heeft de activiteiten van haar dochterondernemingen te ondersteunen. |
|
(169) |
In de zevende plaats acht FFT de twijfels van de Commissie ten aanzien van de RoE van 0,87 %, die zij als te laag beoordeelt, ongegrond. Het surplus kapitaal, d.w.z. het kapitaal dat niet nodig is om de risico's die FFT in het kader van haar financieringsactiviteit draagt te dekken, wordt ofwel uitgeleend aan een andere groepsonderneming met extra financieringsbehoeften, ofwel aangewend ter financiering van de met de financiële dienstverlening verband houdende exploitatiekosten van FFT. De vergoeding voor dat kapitaal moet dus zijn afgestemd op kortetermijninvesteringen in geldmiddelen. |
5.1.2. Selectiviteitsanalyse als verricht door de Commissie
|
(170) |
FFT stelt dat, zo de analyse van de Commissie ter zake van de inachtneming van het zakelijkheidsbeginsel al juist zou zijn, in het inleidingsbesluit geenszins wordt aangetoond dat FFT gunstiger is behandeld dan iedere andere Luxemburgse belastingplichtige die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevindt. Voornoemd besluit bevat geen enkele vergelijking van de positie van FFT met die van andere Luxemburgse belastingplichtigen, zoals de 21 andere belastingplichtigen waarvan de APA's door de Commissie zijn onderzocht. |
|
(171) |
FFT heeft toestemming voor een APA met de Luxemburgse belastingdienst gekregen, zoals iedere andere feitelijk in Luxemburg gevestigde belastingplichtige die kan krijgen. |
|
(172) |
Voorts wijst FFT erop dat het totale vennootschapsbelastingtarief dat voor haar in Luxemburg gold, 28,8 % bedroeg (voor het boekjaar 2011), terwijl het belangrijkste vennootschapsbelastingtarief in Italië circa 33 % bedraagt; een hogere winst zou FFT derhalve hogere aftrekbare kosten in Italië hebben opgeleverd, aangezien zij hoofdzakelijk leningen aan Fiat Finance S.p.A. verstrekt. Het is dan ook niet duidelijk welk soort „steun” de groep in zijn geheel heeft ontvangen als FFT in Luxemburg een lagere winst heeft opgegeven en in Italië dus minder rente heeft kunnen aftrekken. |
5.2. Tweede reeks opmerkingen van FFT
5.2.1. De APA verleent geen „voordeel”
|
(173) |
FFT begint haar tweede reeks opmerkingen met een uitleg over het belang van APA's in algemene zin; deze worden geacht deel uit te maken van het algemene belastingstelsel en worden in het belastingstelsel van Luxemburg aanvaard. De APA van FFT is in overeenstemming met de richtsnoeren van de circulaire en wijkt niet af van het algemene Luxemburgse belastingstelsel. De looptijd ervan — vijf jaar — is gelijk aan de standaardlooptijd van APA's die in andere lidstaten worden overeengekomen. |
|
(174) |
De Luxemburgse regels voor verrekenprijzen (waarop de circulaire is gebaseerd) maken deel uit van het algemene belastingstelsel, aangezien zij gelden voor onderlinge transacties tussen binnen een groep verbonden ondernemingen. Deze regels wijken niet af van het algemene belastingstelsel, in de zin dat zij in de praktijk overeenstemmen met de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen en beogen te komen tot een marktconforme winst. |
|
(175) |
Wat betreft de door de Commissie in haar inleidingsbesluit geuite twijfels over de keuze van de verrekenprijsmethode, stelt FFT dat de TNMM een algemeen aanvaarde, door de OESO goedgekeurde methodiek is die verenigbaar is met het algemene belastingstelsel van Luxemburg. De Commissie heeft erkend dat de TNMM vaak wordt toegepast en dat daarbij problemen kunnen optreden (67). Op bepaalde specifieke punten bieden de richtsnoeren te weinig houvast, maar de Commissie claimt het recht om verrekenprijskwesties waarover discussie ontstaat op te lossen op basis van wat zij zelf als de juiste toepassing van de TNMM in het concrete geval beschouwt. Bovendien wordt de fiscale winst van FFT afgestemd op de statutaire winst, hetgeen eens te meer bevestigt dat de TNMM FFT geen economisch voordeel heeft opgeleverd. |
|
(176) |
Volgens FFT zouden de belastingautoriteiten over een zekere beoordelingsmarge moeten beschikken wanneer zij gebruikmaken van de TNMM, die wat de vaststelling van de belastbare winst betreft, nooit één vaste uitkomst maar meerdere geldige resultaten oplevert. Het verschil tussen door FFT berekende (en door de Luxemburgse belastingautoriteiten aanvaarde) belastbare inkomsten en de belastbare inkomsten als gesteld door de Commissie zou daarom niet als een voordeel in de zin van de staatssteunregels moeten worden gezien. Een dergelijk voordeel ontstaat alleen als de maatregel onmiskenbaar afwijkt van de standaardregels inzake verrekenprijzen en buiten de beoordelingsmarge van de belastingdienst valt (68). In het tegenovergestelde geval moet de Commissie worden geacht zich te mengen in de bevoegdheden van een lidstaat op belastinggebied. |
|
(177) |
Ten slotte beweert FFT dat de Commissie bij het beoordelen van de vraag of sprake was van een voordeel, had moeten uitgaan van het algehele „groepseffect”. De Fiat-groep geniet geen enkele voordeel, aangezien iedere verhoging van de heffingsgrondslag in Luxemburg wordt gecompenseerd door een verhoging van de belastingaftrek in andere Europese landen (de laatste jaren voornamelijk Italië). FFT stelt dat de Commissie dit effect in diverse beschikkingen heeft erkend (69). |
5.2.2. Ontbreken van „selectiviteit”
|
(178) |
Volgens FFT kan het referentiestelsel voor het beoordelen van de selectiviteit enkel ondernemingen omvatten die zijn onderworpen aan regels voor verrekenprijzen, d.w.z. ondernemingen die uitsluitend handelen met aan hen gelieerde derden. Dat is erkend in de beschikking van de Commissie betreffende de groepsrenteboxregeling (70), waarin ten aanzien van financieringsactiviteiten met vreemd vermogen wordt verklaard dat verbonden ondernemingen in een situatie verkeren die feitelijk en juridisch niet vergelijkbaar is met die van niet-verbonden ondernemingen. De Commissie zou voor het aantonen van selectiviteit dan ook moeten bewijzen dat met FFT een APP is overeengekomen onder voorwaarden die afwijken van die welke gelden voor andere Luxemburgse groepsentiteiten die financieringsactiviteiten ontplooien. Volgens de circulaire komen evenwel alle ondernemingen van financiële groepen voor APA's in aanmerking. Van selectiviteit is dus geen sprake. |
|
(179) |
De Commissie beschouwt fiscale rulings in de regel als een middel dat belastingplichtigen rechtszekerheid en voorspelbaarheid garandeert omtrent hun fiscale positie. De fiscale rulings die de Luxemburgse belastingdienst afgeeft, zijn niet discretionair, daar zij berusten op de beginselen van de circulaire, waarin specifiek wordt verwezen naar het zakelijkheidsbeginsel van artikel 9 van het OESO-modelbelastingverdrag en die richtsnoeren en details bevat over de minimumkapitaalvereisten en de verplichte verrekenprijsanalyse voor Luxemburgse ondernemingen die een financieringsactiviteit binnen een groep verrichten. De beoordelingsmarge van de Luxemburgse belastingdienst, voor zover daarvan sprake is, wordt dus beperkt door de richtsnoeren van de circulaire. Verder is deze beperkte beoordelingsmarge van de belastingdienst inherent aan de toepassing van de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen. Dit simpele gegeven kan op zich geen staatssteun impliceren. Daarnaast stelt FFT dat de APA te haren gunste periodiek wordt onderzocht en maximaal vijf jaar geldig is. |
|
(180) |
Voorts heeft de Commissie volgens FFT niet aangetoond dat de toepassing van de TNMM in de APA van FFT afweek van andere fiscale rulings voor ondernemingen die ten opzichte van FFT in een vergelijkbare situatie verkeren. Het staat volgens FFT buiten kijf dat ondernemingen waarvan de situatie vergelijkbaar is met die van haarzelf, eveneens om een fiscale ruling hadden kunnen verzoeken en hun belastbare winst op basis van de TNMM hadden kunnen bepalen. Daar FFT en met haar vergelijkbare ondernemingen onder dezelfde belastingregeling vallen, is het zinloos vast te stellen of de verrekenprijsmethode die op FFT is toegepast al dan niet in overeenstemming was met de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen (hetgeen hoe dan ook het geval was). |
5.2.3. Feitelijke situatie van FFT wezenlijk anders dan die waarvan sprake is in de beschikkingen betreffende coördinatiecentra
|
(181) |
Volgens FFT vertoont het inleidingsbesluit meerdere opmerkelijke verschillen met eerdere beschikkingen waarin de Commissie bezwaar heeft gemaakt tegen de toepassing van een verrekenprijsmethode (de „cost-plus”-methode) omdat het naar haar oordeel ging om een fiscale maatregel waaruit een selectief voordeel voortvloeide (71). In deze beschikkingen was de regeling enkel beschikbaar voor belastingplichtigen die aan bepaalde eisen voldeden, terwijl de Commissie in het inleidingsbesluit uitsluitend vraagtekens plaatst bij de toepassing van de TNMM (voor het specifiek bepalen van de belastbare winst) in het kader van een APA-procedure die openstaat voor alle Luxemburgse belastingplichtigen die financieringsactiviteiten met gelieerde partijen verrichten. |
|
(182) |
Verder konden, wat deze beschikkingen betreft, de aan de hand van de „cost-plus”-methode vastgestelde inkomsten sterk afwijken van de statutaire winst, hetgeen niet zo is bij FFT, waarvan de via de TNMM bepaalde inkomsten overeenkomen met het boekhoudkundig resultaat van de onderneming zelf. Evenzo strookte de toepassing van de verrekenprijsmethode bij die beschikkingen kennelijk niet met de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen. In het onderhavige geval is geen sprake van strijdigheid met deze richtlijnen. Anders dan in de beschikkingen betreffende de coördinatiecentra is opgemerkt, bevatten ook de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen echter geen duidelijke richtsnoeren voor het vaststellen van verrekenprijzen voor bepaalde activiteiten van FFT (zoals de financierings- en treasuryactiviteiten). |
|
(183) |
Tot slot stelt FFT dat de Commissie evenmin in aanmerking heeft genomen dat de APA van FFT berustte op een economische studie overeenkomstig de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen, terwijl daaruit toch blijkt dat de winst niet willekeurig is vastgesteld en dat er geen sprake is van de uitoefening van discretionaire bevoegdheid door de Luxemburgse belastingautoriteiten. |
6. ANTWOORD VAN LUXEMBURG OP DE OPMERKINGEN VAN DERDEN
|
(184) |
Bij brief van 5 januari 2015 heeft Luxemburg aangegeven de opmerkingen van Fiat ten volle te onderschrijven. |
7. BEOORDELING VAN DE BETWISTE MAATREGEL
7.1. De vraag of sprake is van steun
|
(185) |
Volgens artikel 107, lid 1, VWEU zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. |
|
(186) |
Volgens vaste rechtspraak is voor de kwalificatie als steun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU vereist dat is voldaan aan alle in deze bepaling bedoelde voorwaarden (72). De algemene regel luidt dus dat, om een maatregel als staatssteun in de zin van voornoemde bepaling te kunnen kwalificeren, het in de eerste plaats moet gaan om een maatregel van de staat of met staatsmiddelen bekostigd, in de tweede plaats deze maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig moet kunnen beïnvloeden, in de derde plaats de maatregel de begunstigde een selectief voordeel moet verschaffen en in de vierde plaats hij de mededinging moet vervalsen of dreigen te vervalsen (73). |
|
(187) |
Wat de eerste voorwaarde voor het bestaan van staatssteun betreft, zij opgemerkt dat de betwiste fiscale ruling is afgegeven door de Administration des contributions directes, onderdeel van de belastingdienst van het Groothertogdom Luxemburg. Deze ruling behelst aanvaarding door de Luxemburgse belastingdienst van een door de belastingadviseur van FFT voorgestelde methode voor het toerekenen van winst aan FFT binnen de Fiat-groep die voornoemde belastingdienst voor vijf jaar bindt en op basis waarvan FFT jaarlijks het bedrag van de aan Luxemburg verschuldigde vennootschapsbelasting berekent. De betwiste fiscale ruling kan dus aan Luxemburg worden toegerekend. |
|
(188) |
Wat de bekostiging van de maatregel met staatsmiddelen betreft, volgt uit vaste rechtspraak van het Hof dat een maatregel waarbij de overheid bepaalde ondernemingen een belastingvrijstelling verleent die, hoewel in dat kader niet daadwerkelijk staatsmiddelen worden overgedragen, de financiële situatie van de begunstigden verbetert ten opzichte van de andere belastingplichtigen, als een steunmaatregel is aan te merken (74). In paragraaf 7.2 zal de Commissie aantonen dat de betwiste fiscale ruling resulteert in een verlaging van de belastingverplichting van FFT in Luxemburg, doordat wordt afgeweken van de belasting die FFT anders uit hoofde van het algemene vennootschapsbelastingstelsel van Luxemburg zou moeten betalen. Bijgevolg moet de betwiste fiscale ruling worden geacht te leiden tot een verlies van staatsmiddelen, daar elke belastingverlaging voor FFT resulteert in een verlies van belastinginkomsten waarover Luxemburg anders had kunnen beschikken. |
|
(189) |
Wat de tweede voorwaarde voor het bestaan van staatssteun betreft, zij erop gewezen dat FFT deel uitmaakt van de Fiat-groep, een op wereldschaal opererende entiteit die in alle lidstaten van de Unie actief is. Elke vorm van steun aan de Fiat-groep kan dus het handelsverkeer binnen de Unie ongunstig beïnvloeden. Een door de staat toegekende maatregel wordt voorts geacht de mededinging te vervalsen of het risico daartoe in te houden wanneer daarmee de concurrentiepositie van de begunstigde onderneming ten opzichte van andere, concurrerende ondernemingen kan worden versterkt (75). Aangezien de betwiste fiscale ruling FFT vrijstelt van belasting die zij normaliter uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd zou zijn, vervalst deze ruling de mededinging, of houdt zij het risico daartoe in, in de zin dat hij de financiële positie van FFT en de Fiat-groep versterkt. Ook aan de vierde voorwaarde voor het bestaan van staatssteun is in casu dus voldaan. |
|
(190) |
Wat de derde voorwaarde voor het bestaan van staatssteun betreft, zal de Commissie in deel 7.2 uiteenzetten waarom de betwiste fiscale ruling FFT naar haar oordeel een selectief voordeel oplevert, in zoverre dat hij resulteert in een verlaging van de belastingverplichting van de betrokkene in Luxemburg, doordat wordt afgeweken van de belasting die FFT op grond van het reguliere vennootschapsbelastingstelsel had moeten betalen. Een en ander betekent dat aan alle voorwaarden voor het bestaan van staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is voldaan. |
7.2. De vraag of sprake is van een selectief voordeel
|
(191) |
Volgens vaste rechtspraak „[legt] artikel 107, lid 1, van het Verdrag de verplichting [op] om te bepalen of een nationale maatregel binnen het kader van een bepaalde rechtsregeling „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” kan begunstigen ten opzichte van andere, die zich, gelet op de doelstelling van de betrokken regeling, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Wanneer dat het geval is, voldoet de betrokken maatregel aan de voorwaarde van selectiviteit […]” (76). |
|
(192) |
In belastingzaken heeft het Hof van Justitie een analyse in drie stappen ontwikkeld om na te gaan of een specifieke fiscale maatregel selectief is (77). Om te beginnen wordt de in de lidstaat geldende algemene of normale belastingregeling bepaald: het „referentiestelsel”. Vervolgens wordt nagegaan of de fiscale maatregel een afwijking van dat stelsel vormt, in zoverre dat hij onderscheid maakt tussen marktdeelnemers die zich, gelet op de aan het stelsel inherente doelstellingen, in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. Vormt de maatregel een afwijking van het referentiestelsel, dan wordt ten slotte vastgesteld of die maatregel gerechtvaardigd wordt door de aard of de algemene opzet van het referentiestelsel. Een fiscale maatregel die een afwijking van de toepassing van het referentiestelsel vormt, kan gerechtvaardigd zijn indien de betrokken lidstaat kan aantonen dat die maatregel rechtstreeks uit de basis- of hoofdbeginselen van zijn belastingstelsel voortvloeit (78). Is dat het geval, dan is de fiscale maatregel niet selectief. In deze derde stap ligt de bewijslast bij de lidstaat. |
7.2.1. Bepalen van het referentiestelsel
7.2.1.1.
|
(193) |
Voor de analyse van de selectiviteit van een steunmaatregel wordt een referentiestelsel in de regel geacht te bestaan uit een coherent geheel van regels die op basis van objectieve criteria gelden voor alle ondernemingen die vallen binnen het toepassingsgebied ervan zoals dat in de doelstelling ervan wordt omschreven. |
|
(194) |
In de onderhavige zaak is het referentiestelsel volgens de Commissie het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel, dat het belasten van de winst van alle belastingplichtige ondernemingen in Luxemburg tot doel heeft (79). Het Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel is van toepassing op binnenlandse ondernemingen en op in Luxemburg gevestigde buitenlandse ondernemingen, waaronder Luxemburgse filialen van buitenlandse ondernemingen. Een onderneming wordt geacht in Luxemburg te zijn gevestigd als de statutaire zetel of het hoofdkantoor zich in Luxemburg bevindt. Binnenlandse ondernemingen en in Luxemburg gevestigde buitenlandse ondernemingen moeten vennootschapsbelasting betalen over de wereldwijd behaalde winst, tenzij een dubbelbelastingverdrag van toepassing is. Voor niet-ingezeten ondernemingen worden alleen bepaalde soorten inkomsten uit Luxemburgse bronnen belast (80). De belasting is verschuldigd over de behaalde winst, na aftrek van fiscaal aftrekbare uitgaven en verliezen, die voor onbepaalde tijd kunnen worden overgedragen. |
|
(195) |
De vennootschapsbelasting in Luxemburg bestaat uit een belasting op de winst van ondernemingen („impôt sur le revenu des collectivités” of „IRC”), waarvoor een tarief geldt van 21 %, en, voor in de stad Luxemburg gevestigde ondernemingen, een gemeentelijke belasting op ondernemingswinst („impôt commercial communal”), waarvoor het tarief is bepaald op 6,75 %. Verder wordt een toeslag van 5 % op de IRC van 21 % toegepast ter financiering van een werkgelegenheidsfonds (81). Sinds 1 januari 2011 bedraagt het totale cumulatieve vennootschapsbelastingtarief in Luxemburg dus 28,80 % (82) (83). |
|
(196) |
De berekening van de belastbare winst voor de Luxemburgse vennootschapsbelasting is in beginsel gebaseerd op de bedrijfsboekhouding van de belastingplichtige, onder voorbehoud van correcties krachtens de Luxemburgse wet, hoofdzakelijk in verband met vrijstelling van dividend/vermogenswinst, heropneming van niet-aftrekbare uitgaven (84), wijziging van de belastbare baten van transacties die niet onder zakelijke voorwaarden zijn verricht, en toepassing van verschillende afschrijvingsregels voor boekhoudkundige respectievelijk fiscale doeleinden. |
|
(197) |
In het geval van op zichzelf staande, niet-geïntegreerde/binnenlandse ondernemingen die markttransacties verrichten, is de berekening van de belastbare winst relatief eenvoudig: zij berust op het verschil tussen de baten en lasten op een concurrerende markt. Voor de berekening van de belastbare winst van fiscaal geïntegreerde groepsondernemingen (zoals FFT) daarentegen moeten indirecte gegevens worden gebruikt. Op zichzelf staande, niet-geïntegreerde ondernemingen kunnen voor het bepalen van de grondslag voor de vennootschapsbelasting uitgaan van hun boekhoudkundige winst, aangezien deze afhangt van de door de markt gedicteerde prijzen die de onderneming voor haar inputs heeft betaald en voor haar producten en diensten heeft ontvangen. Een geïntegreerde onderneming die met ondernemingen van dezelfde groep handelt, zal daarentegen tot een raming van de prijzen voor de transacties binnen de groep moeten komen om haar belastbare winst voor fiscale doeleinden te kunnen vaststellen. Deze raming berust niet op marktwerking, maar wordt verricht door de onderneming die ook de zeggenschap heeft over de groep. |
|
(198) |
Dit verschil in de berekening van de belastbare winst tussen niet-geïntegreerde ondernemingen, d.w.z. ondernemingen die niet tot een groep behoren en dus op zichzelf staan, en geïntegreerde ondernemingen, d.w.z. ondernemingen die deel uitmaken van een groep, is echter niet van invloed op het doel van het Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel, nl. de winst van alle in Luxemburg gevestigde ondernemingen, geïntegreerd of niet, te belasten. De IRC heeft betrekking op entiteiten in Luxemburg die vennootschapsbelasting verschuldigd zijn; zij geldt voor „elke economische entiteit die rechtstreeks aan de vennootschapsbelasting kan worden onderworpen”. Noch de vorm van de onderneming, noch de structuur ervan (groep van ondernemingen of niet) is een bepalend criterium voor de heffing van de vennootschapsbelasting in Luxemburg. Daarnaast kan weliswaar worden aangenomen dat financieringsbeslissingen in het belang van de groep in zijn geheel worden genomen, maar de Luxemburgse vennootschapsbelasting wordt op het niveau van afzonderlijke entiteiten, niet op groepsniveau geheven, en de betwiste fiscale ruling betreft uitsluitend de belastbare winst van FFT, zodat iedere vermindering van belastingopbrengsten berust op alleen de resultaten van deze onderneming. De belastingwetgeving kent wel bijzondere bepalingen voor groepen (zoals de regeling fiscale consolidatie (85)), maar het doel daarvan is niet-geïntegreerde ondernemingen en in groepsvorm gegoten economische entiteiten gelijk te behandelen, en niet groepen te bevoordelen (86). |
|
(199) |
Het feit dat de belastbare winst voor geïntegreerde ondernemingen en niet-geïntegreerde ondernemingen noodzakelijkerwijs verschillend wordt berekend, is dus volstrekt irrelevant voor de vraag wat in het onderhavige geval het referentiestelsel voor de selectiviteitsanalyse is. Aangezien de winst van alle in Luxemburg gevestigde ondernemingen uit hoofde van het vennootschapsbelastingstelsel in Luxemburg op dezelfde wijze wordt belast, ongeacht of het om geïntegreerde of om niet-geïntegreerde ondernemingen gaat, moeten beide soorten ondernemingen worden geacht ten aanzien van het intrinsieke doel van dit stelsel in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie te verkeren (87). Daar het doel van de betwiste fiscale ruling is de belastbare winst van FFT te bepalen voor de inning van de vennootschapsbelasting uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel, is dit stelsel het referentiestelsel waaraan de ruling moet worden getoetst om vast te stellen of FFT een selectief voordeel heeft genoten. |
|
(200) |
Wat, ten slotte, de verschillende argumenten betreft die FFT geeft voor haar stelling dat groepsondernemingen en op zichzelf staande ondernemingen niet onder hetzelfde referentiestelsel vallen, merkt de Commissie het volgende op. |
|
(201) |
Volgens FFT moet het referentiestelsel voor de beoordeling van de selectiviteit van de betwiste fiscale ruling alleen ondernemingen omvatten die zijn onderworpen aan de regels voor verrekenprijzen, d.w.z. ondernemingen die uitsluitend handelen met verbonden ondernemingen (88), hetgeen betekent dat de Commissie, om de selectiviteit van de maatregel in kwestie aan te tonen, dient te bewijzen dat aan FFT een fiscale ruling is afgegeven onder voorwaarden die verschillen van die welke gelden voor andere in Luxemburg opererende groepsentiteiten die financieringsactiviteiten verrichten (89). FFT meent dat deze uitlegging wordt bevestigd door de beschikking groepsrentebox en de beschikking groepsrenteaftrek Hongarije (90). |
|
(202) |
Om te beginnen brengt de Commissie in herinnering dat zij niet gebonden is door haar beschikkingspraktijk. Iedere potentiële steunmaatregel moet op basis van zijn eigen merites in het licht van de objectieve criteria van artikel 107, lid 1, VWEU worden beoordeeld, zodat zelfs indien het bestaan van een tegengestelde beschikkingspraktijk zou komen vast te staan, deze niet de geldigheid van de conclusies van het onderhavige besluit zou kunnen aantasten (91). |
|
(203) |
Anders dan FFT beweert, bevestigen deze beschikkingen hoe dan ook geen van beide dat wanneer een fiscale maatregel ten gunste van een geïntegreerde onderneming wordt genomen, het referentiestelsel per definitie alleen dat soort ondernemingen moet omvatten. Bovendien is het doel van de in de beschikkingen van de Commissie beoordeelde maatregelen niet vergelijkbaar met dat van de maatregel die in het onderhavige geval ter discussie staat en kunnen de conclusies die uit deze beschikkingen kunnen worden getrokken, daarop dus niet worden toegepast. |
|
(204) |
De regeling inzake de groepsrentebox is door de Nederlandse overheid ingevoerd met de bedoeling het verschil in fiscale behandeling van eigen vermogen en vreemd vermogen in het kader van groepsinterne financiering te verminderen en aldus arbitrage tussen deze twee wijzen van financiering binnen een groep tegen te gaan (92). In haar eindbeschikking heeft de Commissie opgemerkt dat, gelet op dat doel, „slechts in groepsverband [en niet voor op zichzelf staande ondernemingen] arbitrage tussen financiering met eigen vermogen en met vreemd vermogen mogelijk is” (93). Vanuit dat perspectief, en gezien het doel van de regeling, „het aanzetten tot arbitrage tussen financiering via een kapitaalinjectie en een lening te verminderen en in dit opzicht fiscale neutraliteit te waarborgen” (94), heeft de Commissie geoordeeld dat het referentiestelsel in deze zaak enkel ondernemingen omvatte die aan vennootschapsbelasting onderworpen zijn en betrekkingen binnen een groep onderhouden (95). |
|
(205) |
Het doel van de betwiste fiscale ruling daarentegen is het bepalen van de heffingsgrondslag van FFT op basis waarvan zij haar belastingverplichting uit hoofde van de Luxemburgse vennootschapsbelasting kan berekenen. Ten eerste zou weliswaar kunnen worden aangevoerd dat het doel dat de beschikking groepsrentebox rechtvaardigt, slechts in groepsverband geldig is (op zichzelf staande ondernemingen kennen het probleem van arbitrage tussen verschillende financieringsvormen immers niet), maar het bepalen van de heffingsgrondslag voor de berekening van de jaarlijks verschuldigde vennootschapsbelasting betreft zowel entiteiten die behoren tot een groep als op zichzelf staande ondernemingen. |
|
(206) |
Ten tweede oefent FFT de functie van financieringsmaatschappij uit en levert zij haar diensten enkel aan andere ondernemingen van de Fiat-groep. De transacties die zij verricht zouden echter ook buiten groepsverband kunnen worden verricht. De circulaire vergelijkt dit type financieringstransacties binnen een groep met transacties die door onafhankelijke financiële instellingen worden verricht (96) en schrijft voor dat de vergoeding voor deze financiële diensten in verhouding staat tot hetzij het bedrag van de lening, hetzij de reële waarde van het beheerde vermogen, oftewel overeenstemt met de vergoeding die door een onafhankelijke financiële instelling zou worden gevraagd. Volgens de circulaire zijn dus ook intragroeptransacties rechtstreeks vergelijkbaar met normale markttransacties. |
|
(207) |
Deze kenmerken van de onderhavige zaak bevestigen eens te meer dat de observatie van de Commissie in de beschikking groepsrentebox — wat financieringsactiviteiten met vreemd vermogen betreft, verkeren verbonden ondernemingen niet in een situatie die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is met die van niet-verbonden ondernemingen — niet tevens kan worden toegepast op situaties waarin een fiscale ruling tot doel heeft de heffingsgrondslag voor de inning van vennootschapsbelasting te bepalen. In hetgeen in de circulaire wordt gesteld ten aanzien van de vergelijkbaarheid van de transacties klinkt de basisgedachte van het zakelijkheidsbeginsel door, namelijk dat de handels- en financiële betrekkingen tussen verbonden ondernemingen niet mogen verschillen van die welke tot stand zouden komen tussen onafhankelijke ondernemingen (97). De regels inzake verrekenprijzen zijn juist bedoeld om transacties tussen verbonden/tot eenzelfde groep behorende ondernemingen te vergelijken met transacties tussen onafhankelijke ondernemingen, zodat afwijkingen kunnen worden gecorrigeerd. Gelet op het bovenstaande beroept FFT zich ten onrecht op de beschikking groepsrentebox om haar betoog te onderbouwen. |
|
(208) |
Hetzelfde geldt voor de beschikking groepsrenteaftrek Hongarije, waarop FFT zich eveneens beroept. Deze beschikking betrof een regeling die tot doel had arbitrage (in binnenlandse situaties) tegen te gaan door de belasting van groepsrente meer in lijn te brengen met de belasting op groepsdividend, waardoor de technische neutraliteit van het belastingstelsel werd versterkt (98). Het doel van beperking van arbitrage, dat de Commissie destijds als een kenmerk van betrekkingen binnen een groep heeft aangemerkt, is niet het doel van de maatregel in casu, die erop is gericht de heffingsgrondslag van FFT voor de Luxemburgse vennootschapsbelasting te bepalen. Voor dit laatste doel onderscheidt FFT zich als groepsentiteit niet van andere (op zichzelf staande) entiteiten die zich voor het bepalen van hun heffingsgrondslag tot de Luxemburgse belastingautoriteiten wenden. Het is juist dat het bepalen van de heffingsgrondslag in het geval van FFT ingewikkelder is, omdat daarvoor de regels inzake verrekenprijzen en het zakelijkheidsbeginsel moeten worden toegepast, terwijl de belastbare inkomsten in het geval van een op zichzelf staande onderneming in beginsel gelijk zijn aan de boekhoudkundige winst (onder voorbehoud van eventuele correcties op grond van de belastingwetgeving). Het doel van de wetgeving inzake de vennootschapsbelasting en van fiscale rulings is evenwel belasting te heffen op alle winst van ondernemingen die in Luxemburg belastingplichtig zijn, en dat zijn zij ongeacht of zij al dan niet deel uitmaken van een groep. |
|
(209) |
Een en ander brengt de Commissie tot de slotsom dat het referentiestelsel waaraan de betwiste fiscale ruling moet worden getoetst, het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel is dat wordt gevormd door de regels inzake de vennootschapsbelasting van Luxemburg (IRC) als beschreven in de overwegingen 193 tot en met 208. Meer bepaald bestaat dit referentiestelsel uit een coherent geheel van regels die op basis van objectieve criteria worden toegepast voor het belasten van de winst van zowel op zichzelf staande ondernemingen, waarvoor de belastbare winst doorgaans samenvalt met de boekhoudkundige winst (behoudens bepaalde correcties op grond van de belastingwetgeving), als groepsondernemingen, die verrekenprijzen hanteren voor het toerekenen van de winst. In het licht van het intrinsieke doel van dit stelsel moeten beide soorten ondernemingen — geïntegreerde en niet-geïntegreerde ondernemingen — worden geacht in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie te verkeren. |
7.2.1.2.
|
(210) |
Luxemburg is van mening dat het referentiestelsel enkel onder artikel 164, derde alinea, WIB vallende groepsondernemingen zou moeten omvatten (99). FFT lijkt nog verder te gaan; zij meent dat het referentiestelsel op de circulaire zou moeten berusten en alleen betrekking zou moeten hebben op groepsondernemingen die financieringsactiviteiten verrichten. Om te kunnen vaststellen dat de maatregel selectief is, zou in deze zienswijzen moeten worden bewezen dat FFT anders is behandeld dan andere groepsentiteiten die financieringsactiviteiten verrichten (100) en die ten aanzien van de doelstellingen van artikel 164, derde alinea, WIB en/of de circulaire in een situatie verkeren die feitelijk en juridisch vergelijkbaar is met die van FFT. De Commissie had de betwiste fiscale ruling derhalve moeten vergelijken met de APA's van de 21 andere belastingplichtigen waarvan zij in kennis is gesteld (zie overweging 8) (101). Volgens Luxemburg en FFT was de behandeling van FFT in overeenstemming met artikel 164, derde alinea, WIB, de circulaire en de administratieve praktijk ter zake en is via de ruling dus geen selectief voordeel toegekend. |
|
(211) |
De Commissie is het met deze redenering niet eens. |
|
(212) |
Zoals uitgelegd in overweging 198, heeft het Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel tot doel de winst van alle aan de fiscale jurisdictie van het land onderworpen ondernemingen te belasten, ongeacht of het geïntegreerde of niet-geïntegreerde ondernemingen betreft. Zoals uiteengezet in overweging 194, wordt in Luxemburg vennootschapsbelasting geheven op de winst die wereldwijd wordt behaald door binnenlandse ondernemingen en in Luxemburg gevestigde buitenlandse ondernemingen (tenzij een dubbelbelastingverdrag van toepassing is), waaronder Luxemburgse filialen van buitenlandse ondernemingen; voor niet-ingezeten ondernemingen worden slechts bepaalde soorten inkomsten uit Luxemburgse bronnen belast. |
|
(213) |
De door Luxemburg en FFT verdedigde opvatting dat het referentiestelsel enkel groepsondernemingen omvat, aangezien alleen die ondernemingen prijzen volgens het zakelijkheidsbeginsel moeten hanteren om hun heffingsgrondslag te bepalen, komt erop neer dat voor het bepalen van de belastbare winst een kunstmatig onderscheid tussen ondernemingen op basis van hun structuur wordt gemaakt, welk onderscheid het algemene vennootschapsbelastingstelsel van Luxemburg niet maakt voor het belasten van de winst van ondernemingen die aan de fiscale jurisdictie van het land zijn onderworpen. |
|
(214) |
Zo is ook het onderscheid tussen groepen en op zichzelf staande ondernemingen dat FFT maakt op basis van de activiteiten van de betrokken groepsentiteit — zij stelt immers dat het referentiestelsel alleen ondernemingen omvat die de circulaire toepassen — niet in overeenstemming met het doel van het Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel. De activiteiten van FFT betreffen weliswaar vrijwel uitsluitend intragroeptransacties (102), maar de financiële transacties die zij verricht, zouden evengoed buiten een groep door onafhankelijke financiële instellingen kunnen worden verricht, zoals de circulaire vermeldt. Voor de inning van de vennootschapsbelasting in Luxemburg moet FFT dan ook worden vergeleken met eender welk ander type onderneming, al dan niet geïntegreerd, die economische activiteiten ontplooit, aangezien voor de winst van onafhankelijke financiële instellingen krachtens de Luxemburgse wetgeving inzake de vennootschapsbelasting dezelfde belastingregels gelden als voor de uit intragroeptransacties voortvloeiende winst die wordt berekend volgens het zakelijkheidsbeginsel. Derhalve kan de Commissie het argument van FFT dat het referentiestelsel alleen betrekking zou moeten hebben op groepsondernemingen die financieringstransacties binnen een groep verrichten, niet aanvaarden. |
|
(215) |
De Commissie concludeert derhalve dat het referentiestelsel waaraan de betwiste fiscale ruling in casu moet worden getoetst, het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel is als beschreven in de overwegingen 193 tot en met 208, ongeacht of de vennootschapsbelasting op de winst van groepsondernemingen of op die van op zichzelf staande ondernemingen wordt geheven en ongeacht de activiteiten van deze ondernemingen. |
7.2.2. Selectief voordeel door een afwijking van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel
|
(216) |
Nu is komen vast te staan dat het algemene vennootschapsbelastingstelsel van Luxemburg het referentiestelsel is waaraan de betwiste fiscale ruling moet worden getoetst, dient te worden nagegaan of deze ruling een afwijking van dit referentiestelsel vormt waardoor ondernemingen die in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie verkeren, ongelijk worden behandeld. |
|
(217) |
De vraag of een fiscale maatregel een afwijking vormt van het referentiestelsel — de tweede stap van het selectiviteitsonderzoek — houdt doorgaans in dat moet worden nagegaan of de begunstigde via deze maatregel een voordeel is verleend. Wanneer een fiscale maatregel leidt tot een ongerechtvaardigde vermindering van de belastingverplichting van een begunstigde die anders uit hoofde van het referentiestelsel aan een hogere belasting zou zijn onderworpen, vormt die vermindering immers zowel het voordeel dat de fiscale maatregel verschaft als de afwijking van het referentiestelsel. |
|
(218) |
Volgens het Hof van Justitie kan bij een individuele steunmaatregel, anders dan bij een regeling, „bij de vaststelling van een economisch voordeel in beginsel worden vermoed dat er sprake is van selectiviteit” (103). In casu is de individuele steunmaatregel waarvan FFT profiteert, de betwiste fiscale ruling, waarin een methodiek wordt geaccordeerd voor het berekenen van haar belastbare winst in Luxemburg voor de functies die zij binnen de Fiat-groep uitoefent, welke winst vervolgens overeenkomstig het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel wordt belast. |
7.2.2.1.
|
(219) |
In beginsel heeft een fiscale ruling tot doel op voorhand vast te stellen hoe het algemene belastingstelsel op een specifiek geval zal worden toegepast, gelet op een reeks feiten en omstandigheden die eigen zijn aan dat geval, voor een bepaalde periode en voor zover deze feiten en omstandigheden tijdens de looptijd van deze ruling niet materieel veranderen. Een fiscale ruling gebaseerd op een waarderingsmethode die zonder rechtvaardiging afwijkt van hetgeen uit een normale toepassing van het algemene belastingstelsel zou voortvloeien, wordt geacht de begunstigde een selectief voordeel te verschaffen, aangezien een dergelijke selectieve behandeling leidt tot een vermindering van de belastingverplichting van die begunstigde in de betrokken lidstaat ten opzichte van ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. |
|
(220) |
Een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is een economisch voordeel dat een onderneming onder normale marktvoorwaarden, d.w.z. zonder overheidsmaatregel, niet zou hebben verkregen (104). Als de financiële situatie van de onderneming is verbeterd als gevolg van de tussenkomst van de staat, is er dus sprake van een voordeel (105). Een dergelijke verbetering kan komen vast te staan door de financiële situatie van de onderneming zoals die voortvloeit uit de betwiste maatregel te vergelijken met de financiële situatie van diezelfde onderneming wanneer de betrokken maatregel achterwege blijft (106). Een voordeel kan bestaan in de toekenning van positief economisch profijt, maar ook in maatregelen ter verlichting van de lasten die normaliter op het budget van een onderneming drukken (107). |
|
(221) |
Zoals uiteengezet in overweging 52 en volgende heeft Luxemburg met het afgeven van de betwiste fiscale ruling ingestemd met een methode voor het bepalen van de in Luxemburg belastbare winst van FFT zoals die door de belastingadviseur van FFT in zijn verrekenprijzenrapport was voorgesteld, welke methode FFT de mogelijkheid biedt de in Luxemburg verschuldigde vennootschapsbelasting voor de volledige looptijd van de ruling jaarlijks te berekenen. In het bij de betwiste fiscale ruling aanvaarde verrekenprijzenrapport wordt met name, bij gebreke van markttransacties zoals in het geval van niet-geïntegreerde onafhankelijke ondernemingen, de aan deze onderneming van de Fiat-groep toe te rekenen winst bepaald door prijzen vast te stellen voor de transacties die zij met de andere ondernemingen van de groep aangaat. |
|
(222) |
Het Hof van Justitie heeft reeds verklaard dat een verlaging van de heffingsgrondslag die het gevolg is van een fiscale maatregel op grond waarvan een belastingplichtige voor intragroeptransacties verrekenprijzen kan hanteren die niet in de buurt liggen van de prijzen die zouden worden gehanteerd in een omgeving waarin vrije mededinging heerst tussen onafhankelijke ondernemingen die in vergelijkbare omstandigheden zakelijk onderhandelen, deze belastingplichtige een selectief voordeel oplevert, aangezien de belasting die hij uit hoofde van het algemene belastingstelsel moet betalen lager is dan die van onafhankelijke ondernemingen die hun heffingsgrondslag op basis van hun boekhoudkundige winst berekenen (108). |
|
(223) |
In de zaak betreffende de Belgische fiscale regeling voor coördinatiecentra (109) heeft het Hof van Justitie zich gebogen over een beroep tegen een beschikking van de Commissie waarin onder meer was vastgesteld dat deze centra een selectief voordeel ontleenden aan de methode voor het bepalen van de belastbare inkomsten waarin deze regeling voorzag (110). Op grond van deze regeling werd de belastbare winst forfaitair vastgesteld, namelijk als een percentage van het totaalbedrag van de uitgaven en bedrijfskosten, exclusief personeelskosten en financiële lasten. Volgens Het Hof moet, „[o]m na te gaan of de vaststelling van de belastbare inkomsten als voorzien in de regeling voor coördinatiecentra, deze een voordeel verschaft, […] de genoemde regeling, zoals de Commissie in punt 95 van de bestreden beschikking suggereert, worden vergeleken met de algemene regeling, die is gebaseerd op het verschil tussen lasten en baten van een onderneming die haar bedrijf uitoefent in een omgeving waarin vrije mededinging heerst”. Het Hof van Justitie heeft tevens verklaard dat „de uitsluiting van [personeelskosten en financiële lasten] van de kosten aan de hand waarvan de belastbare inkomsten van deze centra worden vastgesteld, niet [kan] leiden tot verrekenprijzen die in de buurt liggen van die welke zouden worden gehanteerd in een omgeving waarin vrije mededinging heerst”, hetgeen naar zijn oordeel „de genoemde centra een economisch voordeel [verschaft]” (111). |
|
(224) |
Het Hof van Justitie heeft zodoende aanvaard dat een fiscale maatregel die ertoe leidt dat een groepsonderneming verrekenprijzen hanteert die geen afspiegeling vormen van de prijzen die in een omgeving van vrije mededinging zouden worden gehanteerd, d.w.z. prijzen die in vergelijkbare omstandigheden onder zakelijke voorwaarden door onafhankelijke ondernemingen zouden worden overeengekomen, die onderneming een voordeel verleent, in zoverre dat dit resulteert in een verlaging van haar heffingsgrondslag en dus van de belasting die zij uit hoofde van het algemene vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd is. |
|
(225) |
Het beginsel dat transacties tussen ondernemingen van eenzelfde groep moeten worden vergoed als waren zij overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen die in vergelijkbare omstandigheden onder zakelijke voorwaarden onderhandelen, wordt doorgaans het „zakelijkheidsbeginsel” genoemd. In zijn arrest betreffende de Belgische coördinatiecentra heeft het Hof van Justitie het zakelijkheidsbeginsel bekrachtigd als ijkpunt om te bepalen of een groepsonderneming een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU geniet ten gevolge van een fiscale maatregel voor het vaststellen van haar verrekenprijzen en dus haar heffingsgrondslag. |
|
(226) |
Het doel van het zakelijkheidsbeginsel is ervoor te zorgen dat transacties tussen groepsondernemingen voor belastingdoeleinden worden behandeld op basis van de winst die zou zijn behaald als diezelfde transacties tussen onafhankelijke ondernemingen tot stand zouden zijn gekomen. Groepsondernemingen zouden anders voor de berekening van hun belastbare winst uit hoofde van het algemene vennootschapsbelastingstelsel een gunstige behandeling genieten die onafhankelijke ondernemingen wordt onthouden, hetgeen gelet op het doel van dat stelsel, het belasten van de winst van alle onder de betreffende fiscale jurisdictie vallende ondernemingen, zou leiden tot een ongelijke behandeling van ondernemingen die zich in een feitelijk en juridisch vergelijkbare situatie bevinden. |
|
(227) |
Bij de beoordeling van de vraag of Luxemburg een selectief voordeel aan FFT heeft toegekend, moet de Commissie dus nagaan of de door de Luxemburgse belastingdienst via de betwiste fiscale ruling aanvaarde methode voor het bepalen van de belastbare winst van FFT in Luxemburg afwijkt van een methode die leidt tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst en dus van het zakelijkheidsbeginsel. Voor zover de door Luxemburg via de betwiste fiscale ruling geaccordeerde methode leidt tot een verlaging van de belasting die FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd is in vergelijking met niet-geïntegreerde ondernemingen waarvan de belastbare winst volgens dit stelsel door de markt wordt bepaald, zal deze fiscale ruling worden geacht FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU op te leveren. |
|
(228) |
Het zakelijkheidsbeginsel maakt dus noodzakelijkerwijs deel uit van de beoordeling door de Commissie van de vraag of belastingmaatregelen ten voordele van groepsondernemingen met artikel 107, lid 1, VWEU, in overeenstemming zijn, ongeacht of een lidstaat dit beginsel al dan niet in zijn nationale rechtsorde heeft opgenomen. Het wordt toegepast om vast te stellen of de belastbare winst van een groepsonderneming met het oog op de vennootschapsbelasting is bepaald aan de hand van een methode die marktvoorwaarden benadert, zodat deze onderneming uit hoofde van het algemene vennootschapsbelastingstelsel niet gunstiger wordt behandeld dan niet-geïntegreerde ondernemingen waarvan de belastbare winst door de markt wordt bepaald. Voor alle duidelijkheid zij opgemerkt dat het zakelijkheidsbeginsel dat de Commissie in het kader van haar staatssteunbeoordeling toepast, dus niet het beginsel is dat voortvloeit uit artikel 9 van het OESO-modelbelastingverdrag, dat een niet-bindend instrument is, maar een algemeen beginsel van gelijke fiscale behandeling dat valt binnen de werkingssfeer van artikel 107, lid 1, VWEU, welke bepaling de lidstaten bindt en nationale fiscale regelingen niet van haar werkingssfeer uitsluit (112). |
|
(229) |
Wat betreft het argument van Luxemburg dat de Commissie, door een dergelijke beoordeling te verrichten, zich voor de uitlegging van het Luxemburgse recht in de plaats stelt van de nationale belastingautoriteiten (113), wijst de Commissie er dan ook op dat zij niet onderzoekt of de betwiste fiscale ruling in overeenstemming is met het zakelijkheidsbeginsel als vervat in artikel 164, derde alinea, WIB of in de circulaire, maar beoogt vast te stellen of de Luxemburgse belastingdienst FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU heeft verleend door een fiscale ruling af te geven waarin een winsttoerekening wordt aanvaard die afwijkt van de hoeveelheid winst die uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel zou zijn belast als dezelfde transacties zouden zijn verricht door onafhankelijke ondernemingen die in vergelijkbare omstandigheden zakelijk onderhandelen. |
|
(230) |
Wat, ten slotte, het argument van Luxemburg en FFT betreft dat de vaststelling van verrekenprijzen geen exacte wetenschap is en dat de beoordeling door de Commissie van de bij de betwiste fiscale ruling overeengekomen verrekenprijzenregeling daarom noodzakelijkerwijs beperkt moet zijn, wijst de Commissie erop dat het „benaderings”-aspect van verrekenprijzen aan het doel van de exercitie moet worden gerelateerd. In paragraaf 1.13 van de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen wordt weliswaar erkend dat het vaststellen van verrekenprijzen geen exacte wetenschap is, maar op dezelfde plaats wordt eerst uitgelegd dat „[h]et belangrijk [is] dat het doel, te komen tot een redelijke benadering van een zakelijk resultaat op basis van betrouwbare informatie, niet uit het oog wordt verloren”. De OESO-richtlijnen Verrekenprijzen zijn bedoeld om ten behoeve van belastingdiensten en multinationale ondernemingen vast te leggen wat de geschiktste methoden zijn om voor belastingdoeleinden zakelijke prijzen te ramen van grensoverschrijdende transacties tussen verbonden ondernemingen. Dit doel zou worden doorkruist als het feit dat de verrekenprijsexercitie approximatief van aard is, zou kunnen worden gebruikt om de consensus over passende verrekenprijsmethoden die uit deze richtlijnen blijkt te negeren. De approximatieve aard van het zakelijkheidsbeginsel kan dus niet worden aangevoerd ter rechtvaardiging van een verrekenprijsanalyse die ofwel methodologisch gezien inconsistent is, ofwel op een inadequate selectie van vergelijkingspunten berust. |
|
(231) |
Uit een en ander volgt dat als kan worden aangetoond dat de via de betwiste fiscale ruling door de Luxemburgse belastingdienst aanvaarde methode voor het vaststellen van de in Luxemburg belastbare winst van FFT afwijkt van een methode die leidt tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst, en dus van het zakelijkheidsbeginsel, deze ruling zal worden geacht FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, op te leveren, voor zover hij leidt tot een verlaging van de belasting die FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd is in vergelijking met niet-geïntegreerde ondernemingen waarvan de heffingsgrondslag wordt bepaald door de winst die zij onder marktvoorwaarden behalen. |
7.2.2.2.
|
(232) |
Het eerste punt van twijfel van de Commissie in het inleidingsbesluit betrof het feit dat de bij de betwiste fiscale ruling aanvaarde heffingsgrondslag van FFT een vaste bandbreedte leek te vormen. Verder blijkt uit de documenten die tijdens het formele onderzoek zijn overgelegd dat de heffingsgrondslag van FFT vóór de afgifte van de ruling was bepaald op 2 miljoen EUR per jaar. FFT was krachtens de circulaire verplicht een nieuw verzoek om een fiscale ruling op basis van een verrekenprijzenrapport in te dienen, maar het verrekenprijzenrapport dat voor de betwiste fiscale ruling is opgesteld, heeft een resultaat opgeleverd dat wat de heffingsgrondslag betreft, vrijwel gelijk is aan het forfaitaire bedrag dat eerder was aanvaard. |
|
(233) |
Luxemburg heeft tijdens de administratieve procedure evenwel verduidelijkt dat bij de betwiste fiscale ruling een methode en niet een vaste bandbreedte werd goedgekeurd (114), en ook gegevens overgelegd waaruit blijkt dat de heffingsgrondslag van FFT voor 2012 en 2013 beneden de ondergrens van de vermeende bij deze ruling aanvaarde bandbreedte lag (115). Derhalve is de Commissie van oordeel dat haar twijfels in afdoende mate zijn weggenomen. |
7.2.2.3.
|
(234) |
De betwiste fiscale ruling aanvaardt een methode voor de toerekening van de winst aan FFT die berust op een door de belastingadviseur van FFT verrichte verrekenprijsanalyse waarbij een vergoeding voor de door FFT uitgeoefende groepsfinancierings- en treasuryfuncties en voor de door haar gedragen risico's is berekend. |
|
(235) |
Voor deze verrekenprijsanalyse zijn diverse methodologische keuzen gemaakt: i) beslissing om de TNMM te gebruiken voor het ramen van de in Luxemburg belastbare winst van FFT; ii) selectie van het kapitaal dat fungeert als winstindicator in het kader van de TNMM; iii) keuze van Bazel II voor de berekening van dat kapitaal, en iv) beslissing om het op de aandelenprijs gebaseerde CAPM te gebruiken voor het bepalen van een vereist rendement op het aldus berekende eigen vermogen. |
|
(236) |
Zoals in de delen hierna, in de overwegingen 241 tot en met 301, wordt uiteengezet, betreft keuze i) een selectie uit de vijf methoden die in de OESO-richtlijnen uitvoerig worden behandeld. De OESO-richtlijnen zijn ook relevant voor keuze ii), de selectie van een winstindicator voor de toepassing van de TNMM. De methodologische keuzen iii) en iv) die daarop volgen, vallen evenwel niet onder deze richtlijnen. |
|
(237) |
De belastingadviseur van FFT selecteert vervolgens enkele parameters, namelijk feitelijke kwantitatieve gegevens, voor het ramen van het bedrag van eigen vermogen waarop een vergoeding moet worden toegepast (voor keuze iii)) en het vereiste rendement op dat eigen vermogen (voor keuze iv)). Wat het bedrag van voor vergoeding in aanmerking te nemen eigen vermogen betreft, selecteert de belastingadviseur parameters voor risicogewicht en minimumkapitaalvereisten waarmee hij beoogt het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT te ramen. Wat het vereiste rendement op dat eigen vermogen betreft, selecteert hij parameters voor een risicovrije rentevoet, een bèta en een marktpremie die nodig zijn voor de toepassing van het CAPM (116). |
|
(238) |
Ten slotte kiest de belastingadviseur ervoor, niet het totale eigen vermogen van FFT in aanmerking te nemen voor de berekening van een zakelijke vergoeding: op dit eigen vermogen brengt hij het bedrag van de deelnemingen van FFT in FFNA en FFC in mindering, en voor het resterende bedrag rekent hij een vergoeding voor de uitgeoefende functies (117). Deze keuzen lijken echter niet met parameters verband te houden; het lijkt te gaan om aanpassingen van de methodiek voor het bepalen van de winsttoerekening aan FFT die met geen enkele gangbare methodiek in verband te brengen zijn. |
|
(239) |
Op basis van deze methodologische keuzen, voor de toepassing daarvan geselecteerde parameters en de aanpassingen […] komt de belastingadviseur tot een vergoeding voor de groepsfinancierings- en treasuryactiviteiten van FFT die bij de betwiste fiscale ruling in overeenstemming is bevonden met de circulaire en het zakelijkheidsbeginsel en derhalve is geaccordeerd. |
|
(240) |
In de delen hierna, in de overwegingen 241 tot en met 301, wordt uiteengezet waarom de Commissie van oordeel is dat een aantal van de beschreven methodologische keuzen, keuzen van parameters en aanpassingen […] leidt tot een belastingverplichting voor FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel die lager is dan die van niet-geïntegreerde ondernemingen waarvan de belastbare winst wordt bepaald op basis van de transacties die zij onder marktvoorwaarden verrichten, en dus waarom de betwiste fiscale ruling, waarbij deze keuzen en aanpassingen in afwijking van het zakelijkheidsbeginsel worden aanvaard, FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verschaft. |
7.2.2.4.
|
(241) |
Wat keuze i) betreft, is de bij de betwiste fiscale ruling aanvaarde vergoeding voor de door FFT uitgeoefende functies en gedragen risico's door de belastingadviseur geraamd aan de hand van de TNMM (118). Het betreft een keuze uit de vijf methoden die uitgebreid worden behandeld in de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen. Uitgangspunt daarin is dat moet worden gezocht naar de geschiktste methode om in het kader van verrekenprijzen tot een raming van een zakelijke prijs te komen (119). |
|
(242) |
Voorts vraagt de toepassing van een methode om het gebruik van een of meer parameters die waarborgen dat deze methode een doeltreffend resultaat oplevert. De methode en de parameters kunnen niet willekeurig worden gekozen. Een volledig vrije keuze voor de belastingplichtige in dit verband zou geïntegreerde grensoverschrijdende groepen een voordeel opleveren ten opzichte van ondernemingen die markttransacties verrichten; die groepen zouden bij de berekening van hun heffingsgrondslag immers zelf de methode en parameters voor het vaststellen van de prijs van intragroeptransacties kunnen kiezen, terwijl ondernemingen die transacties onder marktvoorwaarden verrichten, hun heffingsgrondslag niet kunnen aanpassen. Daarom moeten deze keuzen worden gemaakt vanuit het streven een zakelijke prijs voor de intragroeptransacties te bepalen. |
|
(243) |
Bij het ramen van een zakelijke prijs in het kader van verrekenprijzen levert de toepassing van de op één na beste methode geïntegreerde grensoverschrijdende groepen echter niet stelselmatig een voordeel op. Wanneer een dergelijke methode wordt gekozen maar samen met een reeks uiterst prudente parameters wordt toegepast, kan het resultaat van de berekening een vergoeding zijn die in het concrete geval gelijk is aan een marktconform resultaat of leiden tot een buitensporige fiscale last. In dat geval zou een fiscale ruling waarbij die op één na beste methode wordt aanvaard, geen voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verschaffen. |
|
(244) |
Wordt daarentegen de geschiktste methode gekozen maar in combinatie met al te gunstige parameters toegepast, dan kan de aldus berekende vergoeding een te lage belastingverplichting voor de belastingplichtige inhouden en deze dus een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU opleveren. |
|
(245) |
In het inleidingsbesluit heeft de Commissie aangegeven er niet zeker van te zijn dat de TNMM de geschiktste methode is om een zakelijke vergoeding en dus om de belastbare winst van FFT vast te stellen. Vergeleken met de vier andere methoden die in de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen worden beschreven, zou de meer directe CUP-methode een betrouwbaardere benadering van een marktconforme uitkomst opleveren. |
|
(246) |
Gelet op de informatie die tijdens de formele onderzoeksprocedure is meegedeeld, aanvaardt de Commissie evenwel het argument van FFT dat de CUP-methode in het onderhavige geval mogelijk niet de geschiktste methode is. Uit die informatie blijkt dat FFT transacties aangaat met verschillende tegenpartijen van de Fiat-groep en dat de toepasselijke rentetarieven en de vorm en de looptijd van de door FFT verstrekte leningen en uitgegeven obligaties variëren (al lijken er geen verschillen in seniority tussen de betrokken instrumenten te bestaan). Zou de CUP-methode voor de verrekenprijzen worden toegepast, dan zouden vergelijkbare transacties moeten worden gevonden voor elke afzonderlijke lening die FFT heeft verstrekt. Dat de belastingadviseur de TNMM heeft toegepast om te komen tot een raming van een zakelijke vergoeding voor de door FFT uitgeoefende functies en gedragen risico's, lijkt dan ook gepast. |
|
(247) |
Daarnaast erkent de Commissie dat de verrekenprijsanalyse met betrekking tot FFT is gebaseerd op een RoE die kan worden aangemerkt als een aanvaardbare prestatie-indicator voor de financiële sector en dat de door FFT uitgeoefende functies kunnen worden vergeleken met die van financiële instellingen. De complexiteit van de activa- en passivastructuur van FFT bevestigt dat laatstgenoemde een functie inzake looptijdtransformatie en een functie als financiële intermediair vervult, aangezien zij een beroep doet op externe beleggers om te voorzien in de financieringsbehoeften van de groep (120). Derhalve is de Commissie van oordeel dat de toepassing van de TNMM voor de verrekenprijzen in het geval van FFT een passende keuze is. |
7.2.2.5.
|
(248) |
De Commissie acht het gebruik van de TNMM door de belastingadviseur in het geval van FFT weliswaar gepast, maar zij is niettemin van oordeel dat sommige van diens methodologische keuzen, keuzen van parameters en aanpassingen […] bij de toepassing van de methode niet geschikt zijn voor het berekenen van de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg. |
7.2.2.6.
|
(249) |
De Commissie is van oordeel dat het door de belastingadviseur gekozen wettelijk eigen vermogen geen geschikte winstniveau-indicator vormt om in het kader van de toepassing van de TNMM te komen tot een raming van een zakelijke vergoeding voor de door FFT uitgeoefende functies. Zij meent veeleer dat gezien de keuze voor de TNMM en het gebruik van het CAPM voor het ramen van de RoE, het boekhoudkundig eigen vermogen moet worden gehanteerd als winstniveau-indicator waarop een RoE wordt toegepast om deze vergoeding te berekenen, als het doel is te komen tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst. |
|
(250) |
Meer bepaald moet ervoor worden gezorgd, wil de heffingsgrondslag van FFT een betrouwbare benadering vormen van een marktconforme uitkomst die voldoet aan het zakelijkheidsbeginsel, dat de methodiek die wordt gebruikt om tot een zakelijke vergoeding voor de door FFT uitgeoefende functies te komen, boekhoudkundig gezien consistent is, hetgeen bij de keuzen van de belastingadviseur niet het geval is. |
|
(251) |
Volgens het verrekenprijzenrapport bestaat de geraamde heffingsgrondslag van FFT uit twee componenten: een „vergoeding voor risico” en een „vergoeding voor functies” (121). De belastingadviseur stelt de vergoeding voor risico van FFT vast door het geraamde bedrag van het voor vergoeding in aanmerking te nemen eigen vermogen, dat hij heeft verkregen door het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT te berekenen op basis van analoge toepassing van Bazel II (122), te vermenigvuldigen met een vereist rendement op dat eigen vermogen dat hij aan de hand van het CAPM heeft geraamd. |
|
(252) |
Ramingen op basis van het CAPM hebben evenwel betrekking op een theoretisch vereist rendement van investeringen met eigen vermogen, en de voor deze berekening gebruikte bèta berust op een variatie van het rendement op de aandelenkoers van de ondernemingen (of van de RoE's) (123). Berekening volgens het CAPM levert door de opzet ervan dus een RoE op in plaats van een rendement op een andere vorm van kapitaal, zoals een hypothetisch wettelijk eigen vermogen dat wordt bepaald door analoge toepassing van Bazel II (124). |
|
(253) |
Een RoE is een rentabiliteitsratio. Vergoeding van het kapitaal vindt plaats via de nettowinst van een onderneming, d.w.z. de inkomsten van die onderneming minus alle kosten die zij maakt in verband met de uitoefening van haar bedrijf, maar ook minus alle vergoedingen die zij aan schuldeisers betaalt. Deze nettowinst is dus de winst die de onderneming overhoudt voor het vergoeden van de aandeelhouders: zij vormt een rendement op eigen vermogen doordat ofwel dividend wordt uitgekeerd, ofwel de waarde van de onderneming toeneemt. Omwille van de consistentie moet de RoE dus gelijk zijn aan de boekhoudkundige nettowinst die overblijft voor de aandeelhouders nadat alle andere kosten zijn betaald, gedeeld door de boekwaarde van de aandelen (d.w.z. het boekhoudkundig eigen vermogen) waarvoor de winst de vergoeding vormt. |
|
(254) |
Het is echter niet consistent de boekhoudkundige nettowinst van de onderneming te gebruiken voor het toepassen van een vergoeding op het wettelijk eigen vermogen. Het wettelijk eigen vermogen is de door een regelgevende instantie geraamde minimale kapitalisatiegraad die een bank of een andere financiële instelling moet aanhouden; het vormt als zodanig niet een evenredig recht op de winst van de gereglementeerde entiteit. Bovendien moeten financiële instellingen dit kapitaalniveau te allen tijde aanhouden; in de praktijk betekent dit dat zij doorgaans meer aanhouden dan het wettelijk vereiste eigen vermogen, zodat er een buffer beschikbaar is om ook bij verlies aan de minimumkapitaalvereisten te blijven voldoen. Er zal dan dus minder kapitaal beschikbaar zijn. Voor al het kapitaal boven het vereiste minimum moet vanuit investeerdersoogpunt op dezelfde wijze een vergoeding worden bepaald. |
|
(255) |
Voor een boekhoudkundig consistente methodiek en dus voor een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst had de belastingadviseur van FFT de aan de hand van het CAPM berekende RoE derhalve op het boekhoudkundige eigen vermogen van FFT moeten toepassen. De horizontale pijlen in de tabel hieronder geven aan welke benaderingen methodologisch gezien consistent zouden zijn; de diagonale pijl staat voor de benadering die de belastingadviseur van FFT heeft gevolgd: Rendementsmaatstaven Kapitaalbasis Return on Equity (RoE) = Winst / Kapitaal onder IFRS Door FFT geraamd aan de hand van het CAPM, met een bèta gebaseerd op een steekproef van 66 ondernemingen Kapitaal onder IFRS Beschikbaar in de balans van FFT Rendement op wettelijk eigen vermogen = Winst / Wettelijk eigen vermogen Geen raming overgelegd. Wettelijk eigen vermogen volgens Bazel II FFT heeft een – onjuiste – raming van het wettelijk eigen vermogen verstrekt. |
|
(256) |
De belastingadviseur van FFT volgt een inconsistente methodiek waarbij een RoE wordt toegepast op het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT en komt zo tot een geraamde vergoeding voor de door FFT uitgeoefende functies en gedragen risico's die geen betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst vormt. Deze inconsistentie heeft namelijk grote gevolgen voor de in Luxemburg belastbare vergoeding van FFT. In 2011 bedroeg het boekhoudkundig eigen vermogen van FFT 287,5 miljoen EUR, maar bij de toepassing van de TNMM hanteert de belastingadviseur als winstniveau-indicator het hypothetische wettelijk eigen vermogen van de onderneming, oftewel 28,5 miljoen EUR. Doordat de belastingadviseur de geraamde, aan de hand van het CAPM bepaalde RoE niet op het boekhoudkundig eigen vermogen maar op het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT toepast, wordt de in Luxemburg belastbare vergoeding van FFT met een factor tien verlaagd (125). Anders gezegd, de methodologische keuzen van de belastingadviseur leiden tot een verlaging van de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg in vergelijking met die van niet fiscaal geïntegreerde ondernemingen waarvan de belastbare winst onder marktvoorwaarden wordt bepaald. |
|
(257) |
Aangezien het eigen vermogen van FFT kan worden geverifieerd en het CAPM een raming van de RoE oplevert, had de belastingadviseur bij de toepassing van de TNMM het boekhoudkundige eigen vermogen van FFT en niet een hypothetisch wettelijk eigen vermogen moeten gebruiken om de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg conform het zakelijkheidsbeginsel vast te stellen. |
|
(258) |
De Commissie kan niet instemmen met het argument van FFT dienaangaande dat de feitelijke omvang van haar eigen vermogen voor de vaststelling van de verrekenprijzen niet in aanmerking moet worden genomen, daar die omvang het resultaat is van eerdere beslissingen (126). Volgens deze argumentatie is het boekhoudkundige eigen vermogen van FFT om historische redenen te groot en hoeft er dus geen vergoeding over te worden betaald. Die redenering strookt echter niet met de eisen van de markt, aangezien een suboptimale omvang van eigen vermogen op een concurrerende markt niet houdbaar is. Een vergoeding betalen over eigen vermogen is voor ondernemingen immers duurder dan vergoedingen betalen over schuldvorderingen. Als een onderneming in een context van vrije mededinging om historische redenen overgekapitaliseerd is, zoals FFT stelt te zijn, zal zij het surplus aan eigen vermogen dus teruggeven aan haar aandeelhouders (bijvoorbeeld door aandelen terug te kopen of toe te kennen); dat surplus kan immers doeltreffender in andere investeringsprojecten worden aangewend. Ondernemingen die in een vrije markt opereren, moeten bij de berekening van de heffingsgrondslag een vergoeding voor het totale door hun aandeelhouders ingebrachte kapitaal vaststellen tot een als marktconform aan te merken niveau. |
|
(259) |
Volgens de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen kan het rendement op kapitaal in geval van kapitaalintensieve financiële activiteiten een goede winstniveau-indicator zijn bij de toepassing van de TNMM (127). In deze richtlijnen wordt ook het „aangewend kapitaal” genoemd als mogelijke geschikte indicator voor de omvang van de winst in situaties waarin de TNMM wordt toegepast (128). Het begrip „aangewend kapitaal” wordt in de OESO-richtlijnen niet nader omschreven, maar lijkt niet overeen te komen met een benaming voor het wettelijk eigen vermogen die wordt gebruikt in Bazel II of Bazel III of in de richtlijnen voor de omzetting daarvan. |
|
(260) |
Ook in de circulaire ontbreekt een nadere aanduiding van het kapitaal dat bij de toepassing van de TNMM als winstniveau-indicator dient te fungeren (129). Er worden twee mogelijke uitgangspunten voor de vergoeding van financierings- en treasuryfuncties in genoemd: de waarde van toegekende kredieten en de omvang van de beheerde activa (130). Door te kiezen voor de TNMM met een hypothetisch wettelijk eigen vermogen als uitgangspunt, opteert TTF evenwel niet voor een vergoeding die rechtstreeks op de waarde van de toegekende kredieten is gebaseerd, en bij beheerde activa gaat het om activa die voor derden (fondsbeheerders bijvoorbeeld) worden aangehouden; dat is een functie die FFT in beginsel niet uitoefent. |
|
(261) |
Hoe dan ook merkt de Commissie op dat zij, hoewel het in de financiële sector gebruikelijk is uit te gaan van het boekhoudkundig eigen vermogen om de rentabiliteit van een onderneming te berekenen, in beginsel een andere kapitaalbasis aanvaardbaar acht bij de toepassing van de TNMM voor de vaststelling van verrekenprijzen, mits de methodiek die voor het bepalen van een vergoeding voor de intragroeptransacties wordt gebruikt, consistent is. In het specifieke geval van FFT meent de Commissie evenwel dat de keuze die de belastingadviseur in dit opzicht heeft gemaakt — uitgaan van het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT — ongeschikt is om tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst te komen, om de hierna volgende redenen. |
|
(262) |
Ten eerste is FFT geen gereglementeerde financiële entiteit waarop Bazel II van toepassing is; wordt dit kader uitsluitend voor fiscale doeleinden toegepast, dan is het dus lastig na te gaan of het juist is toegepast voor het ramen van het hypothetische wettelijk eigen vermogen. In Bazel II wordt het wettelijke eigenvermogensvereiste immers gedefinieerd als een deel van de door de instelling gehouden activa dat wordt gewogen voor het onderliggende risico van elk van die activa. Concreet hangt de voor dit wettelijke doel verrichte risicoweging van elk actief met name af van de rating van de tegenpartij, maar ook van andere per actief toe te passen criteria. De overheid moet de weging van de met elk actief verbonden risico's controleren, maar die taak omvat meer dan prudentieel toezicht wanneer deze weging tot doel heeft de heffingsgrondslag voor het bepalen van verrekenprijzen in plaats van de wettelijke minimumkapitaalvereisten te bepalen. Het is dan ook niet erg waarschijnlijk dat de resultaten van deze exercitie door de belastingdienst gemakkelijk kunnen worden gecontroleerd en zullen worden aangemerkt als een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst die voldoet aan het zakelijkheidsbeginsel. |
|
(263) |
Aangezien, ten tweede, het rendement op het minimaal vereist eigen vermogen in de financiële sector geen gangbare prestatie-indicator is, worden gemiddelden van dat rendement niet vaak berekend en zijn zij dus ook niet ruim beschikbaar (131). Elk resultaat dat via deze kapitaalbasis wordt verkregen, zal dan ook zeker een minder betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst opleveren dan wanneer het boekhoudkundig eigen vermogen wordt gebruikt als winstniveau-indicator waarop een RoE volgens de normen van de sector wordt toegepast. |
|
(264) |
Ten derde zijn de 66 vergelijkingspunten die de belastingadviseur heeft geselecteerd voor het ramen van een RoE aan de hand van het CAPM, duidelijk niet geschikt om het gemiddelde wettelijk eigen vermogen in de sector of het vereiste rendement op dat eigen vermogen te ramen. Verschillende van deze ondernemingen zijn immers geen gereglementeerde entiteiten die onder Bazel II vallen (zoals beurzen). Dit betekent dat deze ondernemingen geen raming van hun wettelijke eigenvermogensvereisten zouden kunnen berekenen en dat het onmogelijk zou zijn uitsluitend op basis van de openbaar gemaakte informatie de minimale wettelijke vereisten van elke niet-gereglementeerde instelling te ramen. |
|
(265) |
Verder had de belastingadviseur, wanneer hij in het onderhavige geval het boekhoudkundig eigen vermogen als winstniveau-indicator had genomen, niet een aparte „vergoeding voor functies” hoeven te berekenen, de tweede component van de geraamde heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg, die, zoals uitgelegd in overweging 80 van het inleidingsbesluit, op zich op geen enkele deugdelijke methode lijkt te berusten. Wat de belastingadviseur van FFT in het verrekenprijzenrapport het „voor het uitoefenen van de functies aangewende eigen vermogen” noemt, lijkt immers niet overeen te komen met een van de gebruikelijke eigenvermogensbestanddelen die worden gebruikt bij het berekenen van de rendementsvereisten in het kader van een marktwaardering. Dit begrip wordt in het verrekenprijzenrapport niet nader omschreven, en er is geen reden om aan te nemen dat het risico waarop de benaming van de belastingadviseur doelt, niet zou zijn gedekt door een van de categorieën van het wettelijk eigen vermogen, zoals het eigen vermogen dat wordt aangehouden ter dekking van het operationeel risico en met name het procesrisico, als het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT door de belastingadviseur correct was beoordeeld, hetgeen niet het geval is. In de overwegingen 277 tot en met 289 hieronder worden andere zorgen besproken in verband met de opsplitsing van het eigen vermogen in aparte componenten waarop verschillende rendementspercentages (in sommige gevallen zelfs nihil) van toepassing zijn. |
|
(266) |
Een en ander brengt de Commissie tot de conclusie dat de betwiste fiscale ruling afwijkt van een marktconforme uitkomst die voldoet aan het zakelijkheidsbeginsel, daar hij instemming inhoudt met de keuze van de belastingadviseur om bij de toepassing van de TNMM het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT als winstniveau-indicator te nemen en daarop een aan de hand van het CAPM geraamde RoE toe te passen om een component van de in Luxemburg belastbare winst van FFT te verkrijgen. Aangezien deze methodologische keuze leidt tot een verlaging van de belasting die FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd is in vergelijking met niet fiscaal geïntegreerde ondernemingen die transacties onder marktvoorwaarden verrichten (132), moet de betwiste fiscale ruling worden geacht FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te verlenen. |
7.2.2.7.
|
(267) |
Onverminderd de bezwaren die de Commissie heeft tegen het gebruik van het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT bij de toepassing van de TNMM, is zij voorts van oordeel dat de inconsistente wijze waarop de belastingadviseur van FFT Bazel II naar analogie heeft toegepast om tot deze hypothetische omvang van wettelijk eigen vermogen te komen, FFT eveneens een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU oplevert, aangezien ook die resulteert in een verlaging van de belasting die FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd is ten opzichte van niet fiscaal geïntegreerde ondernemingen die onder marktvoorwaarden transacties verrichten. |
|
(268) |
Een correcte toepassing van Bazel II vereist allereerst een raming van de risicogewogen activa van FFT en vervolgens de toepassing van een geschikte kapitaalratio op die raming. Beide elementen worden door de belastingadviseur van FFT in het verrekenprijzenrapport te laag geraamd. |
|
(269) |
In de eerste plaats zijn de hypothetische risicogewogen activa van FFT niet juist berekend, aangezien de belastingadviseur de groepsinterne activa een risicogewicht van nul toekent (133). Uit overweging 123 blijkt duidelijk dat de groepsinterne leningen, waaruit de activa van FFT hoofdzakelijk bestaan, anders dan Luxemburg en FFT beweren, niet risicovrij zijn, en er zijn geen aanwijzingen dat aan deze leningen minder grote risico's zijn verbonden dan aan door banken verstrekte leningen. Hoe dan ook worden het krediet- en het tegenpartijrisico van FFT in het interne document van Fiat over het beleid inzake verrekenprijzen aangemerkt als „beperkt”, niet als nihil, zodat een risicogewicht van nul duidelijk niet passend is. Dat de hypothetische risicogewogen activa van FFT niet correct zijn berekend, hangt er ook mee samen dat het gewicht van 20 % voor activa van derden noch door Luxemburg, noch door FFT is onderbouwd. |
|
(270) |
Zou, om aan te geven wat de correcte omvang van de hypothetische risicogewogen activa van FFT had kunnen zijn, het Europese gemiddelde risicogewicht van 2010 voor de activa van banken — 36 % (134), welk percentage bekend was toen de betwiste fiscale ruling werd afgegeven — als relevante benchmark zijn toegepast op het totaal van de activa van FFT ten belope van 14 827 674 000 EUR, dan zou voor deze hypothetische risicogewogen activa een bedrag van circa 5 338 000 000 EUR zijn berekend. Als de kapitaalratio van 8 % van Bazel II als minimaal kapitalisatievereiste was aangehouden, had FFT volgens Bazel II over een hypothetisch minimaal vereist eigen vermogen van ongeveer 427 miljoen EUR moeten beschikken, en niet over het door de belastingadviseur van FFT in het verrekenprijzenrapport geraamde minimum van 28,5 miljoen EUR. |
|
(271) |
In de tweede plaats is de berekening die de belastingadviseur van het krediet- en het tegenpartijrisico van FFT maakt naar analogie met Bazel II (135), op grond waarvan banken kapitaal moeten aanhouden naar evenredigheid met hun risicogewogen activa, in strijd met dat kader. Voor het bepalen van het aan risico blootgestelde eigen vermogen van FFT, gebruikt de belastingadviseur van FFT in zijn verrekenprijsanalyse een kapitaalratiovereiste van 6 % om deze risico's te berekenen, terwijl de juiste ratio volgens dit kader 8 % is. |
|
(272) |
In antwoord op de zorgen die de Commissie hieromtrent heeft geuit in het inleidingsbesluit (136), heeft FFT de ratio van 6 % gerechtvaardigd door erop te wijzen dat dit vereiste in Italië op niet-bancaire financiële instellingen wordt toegepast (137). FFT heeft echter geen enkele referentie inzake deze toepassing verstrekt en ook niet uitgelegd waarom toepassing door de Italiaanse wetgever in Luxemburg geldigheid zou hebben of als referentie zou worden gebruikt. |
|
(273) |
Daar komt bij dat volgens Bazel II voor de helft van het vereiste van 8 % tier 2-kapitaal mag worden aangehouden, maar FFT lijkt niet te beschikken over dit type kapitaal, dat voor wettelijke doeleinden had kunnen worden gebruikt als het vereiste was toegepast. Aangezien andere in aanmerking komende vormen van beschikbaar kapitaal ontbreken, had de 8 % door het aandelenkapitaal moeten zijn gedekt. |
|
(274) |
De Commissie blijft derhalve bij haar standpunt dat de ratio voor het eigenvermogensvereiste uit hoofde van Bazel II 8 % is en dat het feit dat de belastingadviseur een ratio van 6 % hanteert en de Luxemburgse belastingdienst deze heeft aanvaard, twijfel doet ontstaan omtrent de vaststelling in de betwiste fiscale ruling dat de daaruit voortvloeiende toerekening van winst aan FFT een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst vormt die aan het zakelijkheidsbeginsel voldoet. |
|
(275) |
Wat, ten slotte, de berekening door de belastingadviseur van het operationeel risico betreft, kan de Commissie op grond van de uitleg van FFT (138) en Luxemburg (139) weliswaar instemmen met het gebruik van de 15 %, maar de basis waarop deze marge van 15 % wordt toegepast, lijkt geen correcte raming van de jaarlijkse bruto-inkomsten van FFT te zijn. De belastingadviseur van FFT past dit percentage alleen toe op de netto-ontvangsten uit bankdeposito's en leningen (140), hetgeen niet strookt met de door Luxemburg verdedigde methodiek (141), en laat bij de berekening van de jaarlijkse bruto-inkomsten van FFT alle groepsinterne activiteiten buiten beschouwing. De leningen en bankdeposito's vormen echter slechts een klein deel van de activa en passiva van FFT. |
|
(276) |
De Commissie concludeert, kortom, dat zelfs als het hypothetische minimum wettelijk eigen vermogen van FFT had kunnen worden aanvaard als winstniveau-indicator bij de toepassing van de TNMM, de belastingadviseur dit vermogen te laag heeft geraamd door op de activa een willekeurige en lage risicowegingsfactor toe te passen (waarbij de meeste activa van de risicoweging zijn uitgesloten), door een lagere ratio dan de minimale door Bazel II voorgeschreven ratio te hanteren en door de inkomsten voortvloeiend uit de activa en passiva van de groep voor de jaarlijkse bruto-inkomsten van FFT buiten beschouwing te laten. Bijgevolg stelt de Commissie vast dat de betwiste fiscale ruling, waarin deze keuzen zijn aanvaard, afwijkt van een marktconforme uitkomst die voldoet aan het zakelijkheidsbeginsel. Aangezien deze methodologische keuzen leiden tot een verlaging van de belasting die FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd is ten opzichte van niet fiscaal geïntegreerde ondernemingen die transacties onder marktvoorwaarden verrichten, moet de betwiste fiscale ruling worden geacht FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te verlenen. |
7.2.2.8.
|
(277) |
Niet alleen schat de belastingadviseur het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT te laag, ook brengt hij diverse bedragen in mindering op het resterende kapitaal van FFT, waardoor het resultaat afwijkt van een marktconforme uitkomst. Zoals blijkt uit tabel 2 heeft de belastingadviseur, om te komen tot wat hij het „kapitaal voor de uitgeoefende functies” noemt, op het resterende kapitaal van FFT, minus het te laag geraamde hypothetische wettelijk eigen vermogen, een door hem als „kapitaal ter dekking van de financiële investeringen in FFNA en FFC” aangeduide component in mindering gebracht. Zou het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT evenwel correct zijn geraamd, dan zou er waarschijnlijk geen kapitaal boven het wettelijk eigen vermogen zijn waargenomen (142). Geen van beide componenten van geraamd kapitaal zou dus van toepassing zijn geweest. |
|
(278) |
Niettemin is de Commissie tevens van oordeel dat de beslissing van de belastingadviseur om een eigenvermogensbestanddeel „kapitaal ter dekking van de financiële investeringen in FFNA en FFC” te onderscheiden en daaraan een vergoeding van nihil toe te kennen voor het ramen van de heffingsgrondslag van FFT (143), niet correct is, aangezien zij leidt tot een verlaging van de belasting die FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel is verschuldigd ten opzichte van niet fiscaal geïntegreerde ondernemingen die transacties onder marktvoorwaarden verrichten. |
|
(279) |
Om te beginnen is niet duidelijk of de keuze van de belastingadviseur voor het scheiden van de twee eigenvermogensbestanddelen moet worden gezien als een „toepassing” van Bazel II, dan wel of het bij de aftrek van de deelnemingen in FFNA en FFC om een ad-hocaanpassing gaat, in de zin dat de belastingadviseur deze deelnemingen voor de berekening van de heffingsgrondslag van FFT eveneens op het eigen vermogen van FFT in mindering zou hebben gebracht als hij, zoals hij had moeten doen, bij de toepassing van de TNMM het boekhoudkundig eigen vermogen van FFT als winstniveau-indicator had genomen. De reden is, zoals uiteengezet in overweging 238, dat de belastingadviseur zich voor het opsplitsen van het kapitaal van FFT in drie componenten niet op een gangbare methodiek lijkt te baseren (144). |
|
(280) |
Hoe dan ook is de beslissing van de belastingadviseur om voor het door hem als „kapitaal ter dekking van de financiële investeringen in FFNA en FFC” aangeduide bestanddeel van het eigen vermogen van FFC geen vergoeding te rekenen, niet correct (zie de overwegingen 281 t.e.m. 290). Aangezien deze keuze feitelijk leidt tot een ongerechtvaardigde verlaging van het kapitaal waarop een vergoeding moet worden toegepast en dus van de heffingsgrondslag van FFT voor belastingdoeleinden, kan van geen enkele op deze keuze gebaseerde verrekenprijsmethode worden aangenomen dat zij leidt tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst die aan het zakelijkheidsbeginsel voldoet. |
|
(281) |
Ten eerste zijn de argumenten van Luxemburg met betrekking tot de aftrekbaarheid van deelnemingen in andere kredietinstellingen uit hoofde van Bazel II (145) in het geval van FFT niet van toepassing, niet alleen omdat FFT, zoals aangegeven in overweging 262, geen gereglementeerde instelling is, maar ook omdat de delen van Bazel II waarnaar Luxemburg en FFT verwijzen, betrekking hebben op niet-geconsolideerde entiteiten, terwijl, in casu, FFNA en FFC geconsolideerde entiteiten zijn. Zoals uiteengezet in overweging 112, dient FFT in Luxemburg geconsolideerde jaarrekeningen in. In theorie moet het geconsolideerde eigen vermogen groter zijn dan het eigen vermogen vóór aftrek in verband met deelnemingen dat in de niet-geconsolideerde jaarrekeningen van FFT wordt vermeld. Zouden Luxemburg en Fiat correct en stelselmatig aftrek volgens de regels hebben toegepast, dan zou het geraamde bedrag van het kapitaal waarop de RoE zou zijn toegepast en dus ook de daaruit voortvloeiende heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg hoger zijn geweest. |
|
(282) |
Wat, ten tweede, in meer algemene zin de aftrek op eigen vermogen in het kader van Bazel II en de waardering van het boekhoudkundig eigen vermogen van FFT betreft, kan de Commissie niet instemmen met het argument van Luxemburg dat de verwerving van deelnemingen door FFT geheel uit eigen vermogen was gefinancierd (146) en dat deze financieringswijze per definitie tot gevolg heeft dat dit vermogen niet meer beschikbaar is om andere risico's van FFT te dekken. Financieringsbronnen van eender welke aard — eigen vermogen of onder de passiva van de balans opgenomen schuld — worden niet aan een identificeerbaar actief toegekend, tenzij specifieke wettelijke bepalingen het passief aan een actief of een specifieke reeks activa koppelen (zoals bij hypothecaire obligaties). Is er geen enkele specifieke vordering aan de passiva van een onderneming gekoppeld, dan dragen het eigen vermogen en de passiva samen bij aan de financiering van de activa van die onderneming. In geval van insolvabiliteit zou dit kapitaal, anders dan Luxemburg in bovengenoemd argument betoogt, kunnen worden aangewend om uit de activa van FFT voortvloeiende verliezen op te vangen. Het moge zo zijn dat de op het eigen vermogen van FFT in mindering gebrachte bedragen als vermeld in het verrekenprijzenrapport overeenkomen met de prijzen die FFT voor de verwerving van de deelnemingen in FFNA en FFC heeft betaald (147), maar dat staat geheel los van het feit dat financieringsbronnen in beginsel niet aan specifieke activa kunnen worden toegekend, hetgeen voor eender welke deelnemingsbedrag zou gelden. Het eigen vermogen van FFT is geheel beschikbaar voor het ondersteunen van de solvabiliteit van de onderneming en zou in zijn geheel in aanmerking moeten worden genomen voor het berekenen van een vergoeding conform de aan de activa van FFT verbonden risico's. |
|
(283) |
Hoe dan ook lijkt de bewering van Luxemburg dat deze verwervingen uit eigen vermogen waren gefinancierd door de jaarverslagen niet te worden bevestigd, voor zover deze bewering inhoudt dat de groep FFT extra kapitaal voor de verwerving van FFNA en FFC ter beschikking zou hebben gesteld. Het eigen vermogen van FFT (aandelenkapitaal en reserves) bedroeg in 2010, d.w.z. vóór de verwerving, immers 286 miljoen EUR en in 2011, d.w.z. na de verwerving, nog altijd 287 miljoen EUR. |
|
(284) |
Luxemburg betoogt tevens dat de kosten in verband met de deelnemingen in Luxemburg fiscaal niet aftrekbaar zijn en dat over dividend geen belasting kan worden geheven (148). Aangezien de deelnemingen in FFNA en FFC via de uitkering van dividend worden vergoed, zouden zij niet moeten worden belast en bij de waardering van de uitgeoefende functies en gedragen risico's buiten beschouwing moeten blijven (149). Ook dit argument moet, net zoals het vergelijkbare argument van FFT (150), worden afgewezen. De Commissie stelt wat dit betreft vast dat FFNA en FFC tijdens de looptijd van de betwiste fiscale ruling geen dividend hebben uitgekeerd. Was dat wel gebeurd, dan zou dat echter geen enkel gevolg hebben gehad voor de berekening van de belastbare vergoeding van FFT, daar deze vergoeding door de belastingadviseur is vastgesteld via de TNMM, toegepast op het eigen vermogen. De TNMM is een transactionelewinstmethode die op het voor de treasuryfuncties van FFT aangewende kapitaal is toegepast. Had de belastingadviseur van FFT de CUP-methode gebruikt om de verrekenprijzen vast te stellen, dan zouden afzonderlijke transacties of vergoedingsstromen zoals afzonderlijke leningen of, in het geval van FFT, uitkeringen van dividend relevant zijn geweest voor het berekenen van de belastbare vergoeding van FFT. Bij de CUP-methode wordt immers de prijs van afzonderlijke transacties bepaald, terwijl de TNMM is gericht op het ramen van de rentabiliteit van een functie. Niettemin heeft de belastingadviseur van FFT om de in overweging 161 genoemde redenen gemeend dat de TNMM in het geval van FFT een geschiktere methode was. Door zich te beroepen op de relevantie van bepaalde soorten vergoedingen voor bepaalde activa van FFT (dividend) maken Luxemburg en FTT voor het berekenen van de belastbare vergoeding van FFT dus gebruik van zowel de CUP-methode als de TNMM, zonder in het verrekenprijzenrapport een rechtvaardiging voor deze hybride methodiek te geven. Aangezien de belastingadviseur in dat rapport gronden voor het gebruik van de TNMM heeft aangevoerd, zou het ongemotiveerde gebruik van deze combinatie van methoden niet leiden tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst. |
|
(285) |
Ten derde zou bij de toepassing van de TNMM op basis van het eigen vermogen elke raming van dat eigen vermogen erop moeten berusten dat FFT correct volgens de normen van sector is gekapitaliseerd. Dat volgt ook uit de benadering van de circulaire, waarin is bepaald dat functies die door groepsfinancieringsmaatschappijen worden uitgeoefend, in wezen vergelijkbaar zijn met de functies van onafhankelijke financiële instellingen. |
|
(286) |
Eind 2011 — de in het verrekenprijzenrapport vermelde referentiedatum — bedroeg de gemiddelde hefboomratio, gedefinieerd als de verhouding tussen het tier 1-kapitaal en de totale risicoblootstelling volgens de balans (151), naar opgave van de Europese Bankautoriteit 2,9 % voor banken van toezichtsgroep 1 (grotere Europese banken) en 3,3 % voor banken van toezichtsgroep 2 (kleinere Europese banken). Toepassing van een hefboomratio (eigen vermogen/totale activa) die voldoet aan de standaarden van de sector (en aan het nieuwe kader van Bazel III), leert dat het eigen vermogen onder IFRS van FFT niet boven het marktgemiddelde lag. Volgens deze berekening bedroeg de hefboomratio van FFT namelijk [2-3 %] (152), […]. Met andere woorden, het […] kapitaal van FFT laat geen enkele ruimte voor aftrek, noch van geraamd surplus kapitaal, noch van enige deelneming, aangezien het kapitaal van FFT door een dergelijke aftrek zou uitkomen op […]. |
|
(287) |
De kapitalisatiegraad van FFT liet dus geen verlaging van het eigen vermogen of het hypothetische wettelijk eigen vermogen voor fiscale doeleinden toe (153), […]. Uit deze vaststelling volgt dat de twijfel die in overweging 80 van het inleidingsbesluit wordt uitgesproken over het lage vergoedingspercentage voor surpluskapitaal niet relevant is, daar een gedifferentieerde vergoeding niet aan de orde is. |
|
(288) |
Hoe inconsistent het is, ten vierde, om de deelnemingen in FFNA en FFC op het eigen vermogen van FFT in mindering te brengen teneinde bij de analyse van de verrekenprijzen tot een raming te komen van het kapitaal waarop een vergoeding moet worden toegepast, blijkt wanneer dezelfde methodiek op de rekeningen van FF wordt toegepast. Volgens het interne document van Fiat over het beleid inzake verrekenprijzen (154) wordt bij het berekenen van de vergoeding van FFT en van FF voor het bepalen van de prijs van leningen een identieke methode gehanteerd, maar in dit document wordt alleen beschreven hoe deze methode wordt toegepast om de heffingsgrondslag van FFT nauwkeurig te ramen. Zou echter voor het eigen vermogen van FF waarop een vergoeding moet worden toegepast een raming worden gemaakt aan de hand van de methode die in het verrekenprijzenrapport voor FFT is gebruikt, dan zou het eigen vermogen van FF in 2010, toen FF een belang had in FFNA en FFC, volgens deze raming negatief zijn geweest (155). Eind 2010 bedroeg het eigen vermogen van FF namelijk 271 miljoen EUR, terwijl de totale waarde van de deelnemingen die op dat eigen vermogen in mindering hadden moeten worden gebracht wanneer dezelfde — in de betwiste fiscale ruling goedgekeurde — methode was toegepast, 358 miljoen EUR bedroeg. FF zou dus een negatief, voor vergoeding in aanmerking te nemen eigen vermogen van 87 miljoen EUR hebben gehad. Aangezien de waarde van de deelnemingen het totale eigen vermogen van FF overschreed, zou een raming van het voor vergoeding in aanmerking te nemen kapitaal op basis van de methodiek die in het verrekenprijzenrapport voor het bepalen van de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg is toegepast, een negatief eigen vermogen hebben opgeleverd, als betrof het een insolvabele onderneming. FF was destijds echter niet insolvabel. Een en ander laat zien dat het in mindering brengen van de deelnemingen van FFT op haar eigen vermogen niet de juiste methode lijkt te zijn om te komen tot een raming van het kapitaal waarop in het kader van de vaststelling van de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg een vergoeding moet worden toegepast. |
|
(289) |
Verder zou deze inconsistentie ook optreden wanneer FFT tijdens de looptijd van de betwiste fiscale ruling nieuwe deelnemingen verwerft. Door een methodologisch onzuivere aftrek van deelnemingen te valideren, zou de betwiste fiscale ruling er feitelijk toe kunnen leiden dat FFT in Luxemburg in het geheel geen belasting verschuldigd is, namelijk wanneer het voor vergoeding in aanmerking te nemen kapitaal van de onderneming door de waarde van de later verworven deelnemingen nihil of zelfs negatief zou worden. In dat geval zouden de groepsfinancieringsfuncties die FFT uitoefent, ongewijzigd kunnen blijven, terwijl de belastingdruk aanmerkelijk lager of zelfs nihil zou zijn, als de bij de betwiste fiscale ruling gevalideerde methode zou worden toegepast. |
|
(290) |
Indien de belastingadviseur van FFT Bazel II correct had toegepast om de verrekenprijzen vast te stellen, zou deze aftrek, gelet op de huidige kapitalisatiegraad van FFT, niet mogelijk zijn geweest. Daar FFT geen gereglementeerde entiteit is, zijn geen gegevens beschikbaar over de risicogewogen activa die een financiële toezichthouder aanvaardbaar zou hebben geacht. Op grond van dit hypothetische wettelijk eigen vermogen zou FFT ook geen deelnemingen mogen aanhouden als de waarde daarvan op dat vermogen in mindering moet worden gebracht (156). |
|
(291) |
Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat de betwiste fiscale ruling, waarbij is ingestemd met het voorstel van de belastingadviseur om een aan de hand van het CAPM geraamd rendement toe te passen op een hypothetisch wettelijk eigen vermogen — dat te laag is berekend omdat Bazel II onjuist is toegepast en onterecht aftrek is toegepast —, afwijkt van het zakelijkheidsbeginsel. Aangezien deze afwijking leidt tot een verlaging van de heffingsgrondslag van FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel ten opzichte van niet fiscaal geïntegreerde ondernemingen die transacties onder marktvoorwaarden verrichten, moet de betwiste fiscale ruling worden geacht FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te verlenen. |
7.2.2.9.
|
(292) |
Niet alleen stelt de Commissie vast dat de belastingadviseur van FFT bij de toepassing van de TNMM en het ramen van het voor vergoeding in aanmerking te nemen kapitaal inconsistent te werk is gegaan, maar ook is zij van oordeel dat de wijze waarop hij het op die kapitaalbasis toe te passen vereiste rendement heeft geraamd, niet leidt tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst en dus niet in overeenstemming is met het zakelijkheidsbeginsel, om de hieronder in de overwegingen 293 tot en met 300 beschreven redenen. |
|
(293) |
In de eerste plaats komt de bèta van 0,29 die de belastingadviseur voor de toepassing van het CAPM heeft gekozen, waarschijnlijk niet overeen met de bèta van ondernemingen in de financiële sector die in de verrekenprijsanalyse als valide vergelijkingspunten worden beschouwd en als benchmark voor het geraamde vereiste rendement hadden moeten worden geselecteerd. De bèta van dergelijke ondernemingen is doorgaans erg hoog (zie tabel 3) en ligt vaak ruim boven de gemiddelde bèta van de markt (= 1). Zie bijvoorbeeld de bèta van de subindex Stoxx 50 Bank, die voor de periode tussen 31 december 2009 en 31 december 2011 1,36 bedroeg (157). Vrijwel alle banken in deze subindex hadden een bèta van meer dan 1. |
|
(294) |
In de tweede plaats bevat de lijst met 66 ondernemingen in tabel 3 ondernemingen die actief zijn in volstrekt andere handelssectoren dan die waarin FFT opereert, en er staan zelfs twee centrale banken op, de Nationale Bank van België en de Zwitserse centrale bank (Schweizerische Nationalbank). Veel in de steekproef opgenomen ondernemingen voeren specialistische financiële activiteiten uit, zoals leasing of factoring, of zijn beurzen in plaats van banken (158), terwijl tal van Europese banken die in beginsel betrokken zijn bij financieringsactiviteiten op groothandelsniveau, ontbreken. De vergelijkingspunten die de belastingadviseur voor het berekenen van de bèta heeft geselecteerd, zijn dus niet geschikt om tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst te komen. |
|
(295) |
In de derde plaats, los van de vraag of de benchmarks in de door de belastingadviseur van FFT gekozen steekproef al dan niet geschikt zijn, wordt in de verrekenprijsanalyse voor de berekening van de bèta zonder opgaaf van reden niet de mediaan, maar, het 25e percentiel gebruikt. Aldus komt FFT tot een relatief lage bèta van 0,29, terwijl de mediaan van de steekproef een bèta van 0,64 zou hebben opgeleverd (159). In paragraaf 3.57 van de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen staat evenwel te lezen dat naarmate vergelijkbaarheid een probleem vormt, voor de zakelijke range nadrukkelijker naar de centrale tendens van de steekproef moet worden gekeken. |
|
(296) |
In dit verband zij opgemerkt dat de bèta staat voor het niet-diversifieerbare risico van een rendement op eigen vermogen. Portfolio's van leningen van banken zouden in beginsel gediversifieerder zijn dan die van FFT, waarvan de risicoblootstelling voornamelijk met de ondernemingen uit de automobielsector van de Fiat-groep verband houdt. Daarom kan worden gesteld dat de belastingadviseur van FFT voor het vaststellen van de bèta een punt hoger in de lijst van vergelijkingspunten had moeten kiezen, namelijk een punt boven de mediaan, en niet in het 25e percentiel. |
|
(297) |
De circulaire zelf verwijst voor het vaststellen van een passende vergoeding immers specifiek naar het tegenpartijrisico en met name naar het sectorale risico, dat hier des te sterker is daar FFT slechts in één bedrijfstak actief is. De circulaire vermeldt weliswaar niet specifiek hoe met deze risico's moeten worden omgegaan wanneer de vergoeding feitelijk wordt berekend, maar zeker is dat de door de belastingadviseur van FFT gekozen methode, waarbij risico's van groepsinterne leningen (anders dan risico's van vorderingen op derden) van de risicoweging worden uitgesloten en dus ook niet resulteren in een kapitaalvereiste of een vergoeding, niet strookt met de circulaire. Met de opmerkingen over het beperkte risico dat aan de activiteiten van FFT zou zijn verbonden, kan derhalve niet worden ingestemd. |
|
(298) |
Voorts wordt in het interne document van Fiat over het beleid inzake verrekenprijzen gewezen op een belangrijke functie die in het verrekenprijzenrapport niet wordt vermeld. Zoals aangegeven in overweging 123, oefent FFT niet alleen de in dit rapport genoemde functies uit, maar verstrekt zij ook garanties voor ondernemingen van de Fiat-groep. In 2013 waren deze garanties goed voor een bedrag van 10 miljoen EUR (160). In het genoemde document wordt ook erkend dat aan de groepsinterne leningen, anders dan wat het verrekenprijzenrapport vermeldt, een zeker tegenpartij- en kredietrisico verbonden is (161). […] |
|
(299) |
Wat betreft de garanties van Fiat S.p.A. aan FFT waarnaar Luxemburg in zijn opmerkingen verwijst (162), zij opgemerkt dat zij dienen ter dekking van de passiva van FFT, niet van haar activa. Zij komen dus ten goede aan de houders van de uitgegeven gegarandeerde certificaten, maar beperken niet het risico van de activa van FFT. De winst in termen van financieringskosten die door de garantie van Fiat S.p.A. op de uitgegeven certificaten en obligaties wordt gegenereerd, wordt via het in overweging 124 beschreven prijsvaststellingsmechanisme aan de groepsondernemingen doorgegeven. Bij de berekening van de prijs van de leningen aan de groepsondernemingen wordt namelijk een marge voor de financieringskosten van de financieringsmaatschappijen toegepast overeenkomstig de winst die eventueel uit de garantie van de moedermaatschappij voortvloeit. |
|
(300) |
In het licht van het bovenstaande is de Commissie van oordeel dat noch de impliciete garanties, noch de expliciete garanties het risico dat FFT bij de uitoefening van haar functies draagt, significant verlagen. Dit risico is groter dan in het verrekenprijzenrapport wordt vermeld, omdat aan de groepsondernemingen garanties worden verstrekt die een aanzienlijke blootstelling buiten de balanstelling tot gevolg hebben. Dat is ook de reden waarom een bèta boven het 25e percentiel had moeten worden gekozen. |
|
(301) |
De Commissie komt derhalve tot de slotsom dat de betwiste fiscale ruling, waarin wordt ingestemd met de keuze van de belastingadviseur om in het kader van het CAPM een bèta van 0,29 toe te passen voor het bepalen van de vereiste RoE op het hypothetische wettelijk eigen vermogen van FFT, leidt tot een winsttoerekening aan FFT die afwijkt van de marktvoorwaarden en dus van het zakelijkheidsbeginsel. Aangezien deze afwijking resulteert in een verlaging van de belasting die FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd is ten opzichte van niet-geïntegreerde ondernemingen die transacties onder marktvoorwaarden verrichten, moet de betwiste fiscale ruling worden geacht FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, te verlenen. |
7.2.2.10.
|
(302) |
Gezien de keuze voor de TNMM die de belastingadviseur in de verrekenprijsanalyse heeft gemaakt en gelet op het bovenstaande, is de Commissie van mening dat een passende marktconforme, op het zakelijkheidsbeginsel gebaseerde vergoeding voor de financierings- en treasuryfuncties die FFT binnen de Fiat-groep uitoefent, enkel kan worden verkregen indien de vergoeding wordt vastgesteld op basis van het boekhoudkundig eigen vermogen van FFT en de specifieke feiten en omstandigheden van deze onderneming. |
|
(303) |
De Commissie aanvaardt 2012 als referentiejaar voor de waardering van de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg. Zij verzet zich ook niet tegen het zoeken in de databank met vergelijkingspunten om zakelijke rendementen te berekenen, maar blijft bij haar in overweging 294 geuite bezwaren tegen de gemaakte keuze van vergelijkingspunten. |
|
(304) |
De analyse in deel 7.2.2.9 wijst immers uit dat de risico's die FFT draagt en die voor de berekening van een zakelijke vergoeding in aanmerking moeten worden genomen, groter zijn dan in het verrekenprijzenrapport wordt vermeld, en dat de bij de betwiste fiscale ruling aanvaarde RoE vóór belastingen van 6,05 % (en na belastingen van 4,3 %) als berekend door de belastingadviseur van FFT in het kader van het CAPM dus ruim onder de in de financiële sector vereiste RoE's ligt, die zonder onderbreking op 10 % of hoger lagen. Dit bevestigt de vaststelling van de Commissie dat de vergelijkingspunten die de belastingadviseur heeft gekozen, niet passend waren. |
|
(305) |
Voorts blijkt uit een vergelijking van de gerapporteerde rentabiliteit van FF en die van FFT, de financieringsmaatschappijen voor de eurozone van Fiat, dat beide ondernemingen grote gelijkenis vertonen wat betreft de structuur van activa, functies en inkomsten, maar desondanks een verschil in winst laten zien dat is terug te voeren op het streven de in Luxemburg gerapporteerde rentabiliteit laag te houden. De activa- en passivastructuur en de winst- en verliesrekening van FF en FFT (163) laten zien dat de balansomvang en activastructuur van deze twee ondernemingen nauw met elkaar overeenkomen. Ook de bedragen voor rentebaten en uitgaven zijn vergelijkbaar. FF is de belangrijkste tegenpartij van FFT; laatstgenoemde trekt kapitaal aan op de markt en geeft een deel daarvan door aan FF, die het vervolgens leent aan Italiaanse ondernemingen van de Fiat-groep. […] |
|
(306) |
Het interne document van Fiat over het beleid inzake verrekenprijzen lijkt vergoeding met vergelijkbare rendementen voor beide ondernemingen te beogen (164). De cijfers van de ondernemingen zelf laten echter zien dat de gerapporteerde en belastbare feitelijke RoE voor FF aanmerkelijk hoger is dan voor FFT. In de tabellen hieronder wordt op basis van de cijfers in de in de overwegingen 113 en 114 gepresenteerde tabellen de behaalde RoE als berekend voor FF en FFT weergegeven.
|
|
(307) |
Uit de tabellen in overweging 306 blijkt dat de gemiddelde RoE in de periode 2010-2013 voor FF 7,2 % en voor FFT 0,5 % bedroeg, hetgeen eens te meer bevestigt dat de keuze van de vergelijkingspunten die de belastingadviseur in het verrekenprijzenrapport heeft gemaakt en de daaruit voortvloeiende RoE niet passend waren. |
|
(308) |
Om te komen tot een raming van een passende, op het boekhoudkundig eigen vermogen van FFT toe te passen RoE lijken de totaalcijfers voor de banksector geschikter te zijn dan de cijfers voor een reeks van 66 financiële ondernemingen die grotendeels specifieke financiële activiteiten lijken te verrichten. De eerste oplossing zou in elk geval dichter bij een centrale tendens komen. |
|
(309) |
Zoals aangegeven in overweging 304 bedraagt de vereiste RoE voor de Europese banken momenteel ongeveer 10 %. Zelfs tijdens de financiële crisis werd dit percentage gerealiseerd. Gegevens uit de periode waarin de betwiste fiscale ruling is afgegeven, bevestigen dit. Zo wordt in een publicatie uit 2011 van de Bank voor Internationale Betalingen vermeld dat „[g]emeten over langere tijd […] het rendement op eigen vermogen van financiële ondernemingen namelijk op 11-12 % [ligt]” (165). Verder wordt in een studie van de ECB uit 2011 geconstateerd dat „bij een gemiddelde kapitalisatiegraad in de steekproef [van 54 internationale banken] het vereiste rendement op eigen vermogen ongeveer […] 10,3 % bedraagt” (166). Ook in onderzoeksverslagen inzake de waarde van vastgoed uit 2011 worden deze cijfers bevestigd; zo staat in een document van Deutsche Bank te lezen dat „[Deutsche Bank] streeft naar een [aandelenprijs] die overeenkomt met houdbare RoE's iets boven tien en kosten van eigen vermogen die [Deutsche Bank] in de huidige cyclus boven de 10 % verwacht te kunnen houden” (167), terwijl in een onderzoeksverslag inzake de waarde van vastgoed van Morgan Stanley en Oliver Wyman van 19 maart 2015 de doelrendementen op 10-12 % worden bepaald. |
|
(310) |
De Commissie merkt tevens op dat een zakelijke vergoeding niet lager mag zijn dan het verschil tussen de baten en lasten van de onderneming. Als de vergoeding voor de door FFT verstrekte leningen en ontvangen deposito's moet worden gecorrigeerd en de resulterende vergoeding hoger is dan een via de verrekenprijzen berekende vergoeding, zou derhalve de gerapporteerde winst in haar geheel moeten worden belast, daar een derde geen genoegen zou nemen met een lagere vergoeding zonder dat zijn tegenpartijen op goede gronden aanspraak kunnen maken op een hogere te ontvangen vergoeding op gestorte deposito's of een lagere te betalen vergoeding op ontvangen leningen. |
|
(311) |
De Commissie is dan ook van mening dat als de TNMM in het kader van verrekenprijzen wordt gebruikt om een passende vergoeding voor de door FFT binnen de Fiat-groep uitgeoefende functies te berekenen, de juiste raming van de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg gelijk zou moeten zijn aan ten minste 10 % na belastingen toegepast op het totale bedrag van het boekhoudkundig eigen vermogen van FFT, waarvan wordt aangenomen dat het in grote lijnen overeenkomt met het sectorgemiddelde wat de hefboomratio betreft. Een aldus berekende heffingsgrondslag zou leiden tot een marktconforme winsttoerekening die voldoet aan het zakelijkheidsbeginsel, daar het gaat om een winstniveau dat op zichzelf staande financiële instellingen op de markt zouden verwachten te realiseren. Iedere fiscale ruling waarin deze grondslag wordt aanvaard voor het bepalen van de belasting die FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel verschuldigd is, zou dan ook kunnen worden geacht niet een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU te verschaffen. |
7.2.3. „Voordeel voor de groep”
|
(312) |
In haar opmerkingen over het inleidingsbesluit betoogt FFT dat de Commissie rekening zou moeten houden met het „groepseffect” van de maatregel; de Fiat-groep zou geen voordeel hebben genoten omdat iedere verhoging van de heffingsgrondslag in Luxemburg volledig zou worden gecompenseerd door een verhoging van de belastingaftrek in andere lidstaten (168). Volgens FFT is dit effect in diverse beschikkingen van de Commissie erkend (169). |
|
(313) |
Om te beginnen wijst de Commissie erop dat zij niet gebonden is door haar beschikkingspraktijk en dat iedere maatregel op zijn eigen merites in het licht van artikel 107, lid 1, VWEU moet worden beoordeeld (170). Hoe dan ook berust de verwijzing door FFT naar de beschikking groepsrenteaftrek Hongarije, waarvoor de Commissie een dergelijk „groepseffect” zou hebben erkend, op een onjuiste uitlegging van deze beschikking. Daarin heeft de Commissie zich uitgesproken tegen het argument van Hongarije dat op het niveau van de groep moet worden beoordeeld of sprake is van een voordeel, en vastgesteld dat die beoordeling op het niveau van de afzonderlijke entiteiten moet plaatsvinden. |
|
(314) |
In het onderhavige besluit is de vraag aan de orde of Luxemburg FFT met het afgeven van de betwiste fiscale ruling een selectief voordeel heeft verleend door de belasting die laatstgenoemde in deze lidstaat verschuldigd is te verlagen. De beoordeling van de vraag of deze ruling een voordeel verschaft, moet derhalve betrekking hebben op de behandeling van de onderneming in kwestie, FFT, in de lidstaat in kwestie, Luxemburg; de mogelijkheid dat andere ondernemingen van de Fiat-groep geen effect ondervinden als gevolg van de wijze waarop zij in andere lidstaten worden behandeld, moet buiten beschouwing blijven (171). Hoe dan ook volgt uit de rechtspraak (172) dat het enkele feit dat een bepaalde vrijstellingsmaatregel wordt gecompenseerd door de verzwaring van een specifieke andere last die geen verband houdt met de eerste, niet betekent dat de eerstgenoemde maatregel niet als staatssteun kan worden aangemerkt. Anders gezegd, een voordeel dat een lidstaat de ene onderneming verleent, kan niet worden gecompenseerd door een nadeel voor een andere, zelfs als die onderneming tot dezelfde groep behoort. |
7.2.4. Subsidiair: selectief voordeel ten gevolge van een afwijking van artikel 164 WIB en/of de circulaire
|
(315) |
Luxemburg en FFT hebben betoogd dat artikel 164 WIB dan wel de circulaire het referentiestelsel vormt waaraan moet worden getoetst of sprake is van een uit de betwiste fiscale ruling voortvloeiend selectief voordeel. Luxemburg heeft tevens aangevoerd dat zijn belastingdienst enkel de regels heeft uitgelegd en dat er in het geval van FFT geen aanwijzingen zijn dat deze dienst is afgeweken van de algemeen geldende fiscale voorschriften, voor zover de Commissie deze heeft onderzocht (173). |
|
(316) |
Zoals aangegeven in de overwegingen 210 tot en met 215, wijst de Commissie de argumenten van Luxemburg en FFT inzake het toepasselijke referentiestelsel af. Subsidiair stelt zij evenwel vast dat de betwiste fiscale ruling FFT ook een voordeel verleent wanneer wordt uitgegaan van het beperktere referentiestelsel van groepsondernemingen die verrekenprijzen toepassen en waarop artikel 164, derde alinea, WIB en de circulaire van toepassing zijn. Daarin wordt voor het fiscale recht van Luxemburg het zakelijkheidsbeginsel ingesteld, d.w.z. het beginsel dat transacties tussen ondernemingen van eenzelfde groep moeten worden vergoed tegen een prijs die zou zijn aanvaard door onafhankelijke ondernemingen die in vergelijkbare omstandigheden zakelijk onderhandelen. Deel 2 van de circulaire bevat onder meer een beschrijving van het zakelijkheidsbeginsel conform de definitie ervan in de OESO-richtlijnen Verrekenprijzen en zoals het in het nationale recht is omgezet (174). |
|
(317) |
De Commissie heeft in deel 7.2.2 reeds aangetoond dat bij de betwiste fiscale ruling wordt ingestemd met een aantal methodologische keuzen, keuzen van toepasselijke parameters en ad-hocaanpassingen die de belastingadviseur van FFT heeft verricht om verrekenprijzen vast te stellen die niet kunnen worden geacht tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst te leiden en bijgevolg resulteren in een verlaging van de heffingsgrondslag van FTT in Luxemburg. Derhalve kan zij tevens vaststellen dat deze ruling ook op basis van het beperktere referentiestelsel van artikel 164, derde alinea, WIB dan wel de circulaire een selectief voordeel verleent, aangezien hij leidt tot een lagere belasting voor FFT dan die welke zij verschuldigd zou zijn wanneer het in deze bepaling neergelegde zakelijkheidsbeginsel correct zou zijn toegepast. |
7.2.5. Kennelijk ontbreken van een consistente, op de circulaire gebaseerde rulingpraktijk die een geschikt referentiestelsel zou kunnen vormen
|
(318) |
FFT heeft ook betoogd dat de Commissie, om aan te tonen dat de betwiste fiscale ruling leidt tot een selectieve behandeling te haren gunste, deze ruling zou moeten vergelijken met de op de circulaire gebaseerde administratieve praktijk van de Luxemburgse belastingdienst, met name met de aan andere financieringsmaatschappijen afgegeven rulings, waarvan Luxemburg de Commissie een aantal voorbeelden heeft verstrekt die representatief zijn voor de rulingpraktijk van het land (175). |
|
(319) |
De Commissie verwerpt deze redenering, daar zij impliceert dat het referentiestelsel waaraan de betwiste fiscale ruling zou moeten worden getoetst, de op de circulaire gebaseerde Luxemburgse praktijk inzake fiscale rulings zou zijn, die betrekking heeft op andere financieringsmaatschappijen. Zij heeft reeds aangetoond waarom het algemene vennootschapsbelastingstelsel van Luxemburg het geschikte referentiekader voor de selectiviteitsanalyse vormt (176). |
|
(320) |
Hoe dan ook zal de Commissie hieronder, meer subsidiair, uiteenzetten waarom de op de circulaire gebaseerde Luxemburgse rulingpraktijk een geschikt referentiestelsel vormt om te bepalen of de betwiste fiscale ruling FFT een selectief voordeel verschaft. In de eerste plaats is de circulaire te algemeen geformuleerd en biedt zij dus geen objectieve criteria die gelden voor alle financieringsmaatschappijen die voor de vaststelling van verrekenprijzen om een fiscale ruling verzoeken. In de tweede plaats blijkt ook uit het onderzoek door de Commissie van de door Luxemburg meegedeelde rulings dat er geen sprake is van een coherent geheel van op basis van objectieve criteria algemeen toepasbare regels waaraan de betwiste fiscale ruling zou kunnen worden getoetst om te bepalen of FFT als gevolg van deze ruling een selectief voordeel heeft genoten. |
7.2.5.1.
|
(321) |
Zoals aangegeven in overweging 193, bestaat een referentiestelsel uit een coherent geheel van regels die, op basis van objectieve criteria, algemeen van toepassing zijn op alle ondernemingen die vallen binnen het toepassingsgebied ervan zoals dat in de doelstelling ervan wordt omschreven. Naar het oordeel van de Commissie kan de circulaire voor groepsfinancieringsmaatschappijen niet een dergelijk stelsel zijn, daar objectieve criteria voor een consistente toepassing van het zakelijkheidsbeginsel op groepsinterne financieringstransacties ontbreken. |
|
(322) |
De tekst van de circulaire is zeer algemeen van aard en bevat slechts een beknopte beschrijving van de factoren waarmee de belastingdienst rekening moet houden bij de toepassing van het zakelijkheidsbeginsel op groepsfinancieringsmaatschappijen. Een van die factoren is dat deze ondernemingen de door hen gedragen risico's moeten analyseren en dienen te bepalen wat de extra kosten, boven op de basiskosten, zijn voor het verlenen van een krediet, hetgeen ook een analyse van het kredietrisico vereist. Verder bepaalt de circulaire dat „de groepsfinancieringsmaatschappij over voldoende eigen vermogen dient te beschikken om de risico's in verband met haar activiteiten te kunnen dragen” en dat „op basis van de specifieke feiten en omstandigheden van elk afzonderlijk geval moet worden beoordeeld […] wat de risico's zijn […] en of het kapitaal van de onderneming die groepsfinancieringstransacties verricht in het licht van deze risico's toereikend is” (177). |
|
(323) |
De circulaire bevat echter geen informatie over de manier waarop de verwachte RoE moet worden geraamd, over de vraag of het CAPM mag worden toegepast en, voor zover dat zo is, over de manier waarop de relevante parameters voor dit model moeten worden bepaald. Verder is het enige wat over het in aanmerking te nemen eigen vermogen wordt vermeld dat dit „in het licht van deze risico's toereikend” moet zijn. |
|
(324) |
In zijn opmerkingen over het inleidingsbesluit stelt Luxemburg dat de fiscale ruling is gebaseerd op de uitoefening van een beperkte discretionaire bevoegdheid krachtens artikel 164, derde alinea, WIB, waarin het zakelijkheidsbeginsel voor het fiscale recht van Luxemburg is neergelegd (178), met dien verstande dat „de standaarden op belastinggebied […] moeten worden uitgelegd in het licht van de feiten van elk geval, hetgeen betekent dat te allen tijde rekening moet worden gehouden met de kenmerken van de feitelijke activiteiten van de belastingplichtige en de omstandigheden waarin hij deze uitoefent” (179). Enerzijds erkent Luxemburg dus dat de regels moeten worden uitgelegd in het licht van de omstandigheden van het afzonderlijke geval, maar anderzijds legt het niet uit hoe de in de circulaire genoemde algemene criteria moeten worden vertaald in een concreet onderzoek van de fiscale situatie van FFT en hoe bij de toepassing van de circulaire voor een consistente behandeling van alle belastingplichtigen kan worden gezorgd. Het is dan ook niet verwonderlijk dat het verrekenprijzenrapport van FFT — op één verwijzing aan het begin na — niet aan de criteria van de circulaire refereert en ook niet vermeldt hoe de circulaire in het speciale geval van FFT is toegepast. |
|
(325) |
De vaststelling van de Luxemburgse belastingdienst dat de verrekenprijsanalyse „is verricht overeenkomstig circulaire 164/2 van 28 januari 2011 en strookt met het zakelijkheidsbeginsel” is dus niet gebaseerd op een objectief criterium dat in de circulaire zou zijn vermeld, daar dit document geen duidelijk omschreven, objectief criterium bevat voor een consistente toepassing van het zakelijkheidsbeginsel op financieringstransacties binnen een groep. |
7.2.5.2.
|
(326) |
Los van de algemene aard van de circulaire heeft de Commissie de haar door Luxemburg meegedeelde rulings onderzocht en vastgesteld dat ook uit de Luxemburgse rulingpraktijk ten aanzien van groepsfinancieringsmaatschappijen blijkt dat er geen sprake is van een coherent geheel van regels die algemeen, op basis van objectieve criteria, op alle in een vergelijkbare situatie verkerende belastingplichtigen van toepassing zijn. |
|
(327) |
Van de 21 rulings die in eerste instantie, tegelijk met de APA van FFT, zijn meegedeeld, zijn er slechts twee die betrekking hebben op krachtens de circulaire goedgekeurde financieringsactiviteiten en waarvoor een verrekenprijzenrapport is opgesteld:
|
|
(328) |
Bij vluchtige lezing van deze twee rulings en vergelijking daarvan met de betwiste fiscale ruling blijkt dat er geen sprake is van een consistente aanpak bij de behandeling van financieringsmaatschappijen krachtens de circulaire en bij het onderzoek door de Luxemburgse belastingdienst van de belastbare winst. Los van de vraag of in de twee genoemde rulings de CUP-methode correct is toegepast, zij opgemerkt dat daarin uitdrukkelijk wordt erkend dat deze methode voor transacties inzake intermediaire financiering hoe dan ook de geschiktste is, gelet op de functieanalyse en de beschikbaarheid van vergelijkingspunten, waaronder met name banken. Dat sluit ook aan bij de circulaire, waarin wordt verklaard dat functies die door groepsfinancieringsmaatschappijen worden uitgeoefend, in wezen vergelijkbaar zijn met de functies van onafhankelijke financiële instellingen. Anders dan in het geval van deze twee rulings is de CUP-methode voor de betwiste fiscale ruling niet toegepast, daar de belastingadviseur van FFT van oordeel was dat de TNMM de beste keuze was omdat deze methode „geschikt [leek] te zijn” (181). |
|
(329) |
Drie andere door Luxemburg meegedeelde rulings hebben eveneens betrekking op groepsfinancieringsactiviteiten waarvoor de circulaire is toegepast, maar zij gaan niet vergezeld van een verrekenprijzenrapport waarin het verzoek wordt gemotiveerd:
|
|
(330) |
Vergelijking van de rulings 1, 5 en 22 met de betwiste fiscale ruling laat een duidelijk verschil in behandeling door de Luxemburgse belastingdienst zien: anders dan bij de betwiste fiscale ruling gingen de verzoeken om de rulings 1, 5 en 22 niet vergezeld van een verrekenprijzenrapport, hoewel de circulaire dat uitdrukkelijk vereist (182). |
|
(331) |
Twee andere door Luxemburg aan de Commissie meegedeelde rulings betreffen weliswaar financieringsactiviteiten, maar zijn niet op de circulaire gebaseerd:
|
|
(332) |
Ten slotte heeft de Commissie zich gebogen over twee van de 13 fiscale rulings inzake een treasuryfunctie die zijn aangetroffen op de lijst van 5 323 rulings die Luxemburg op 22 december 2014 heeft overgelegd (183). Deze rulings zijn beide op de circulaire gebaseerd:
|
|
(333) |
De Commissie merkt op dat bij deze twee rulings, anders dan bij de betwiste fiscale ruling, geen gebruik is gemaakt van de TNMM of het CAPM en dat voor het bepalen van de belastbare winst van de onderneming in geen van beide gevallen het rendement op het hypothetische wettelijk eigen vermogen lijkt te zijn genomen. Voorts wordt in het rulingverzoek van onderneming G weliswaar verwezen naar een later te verstrekken verrekenprijzenrapport, maar dat lijkt nooit aan de Luxemburgse belastingdienst te zijn overgelegd (184). Hoewel, ten slotte, de ruling voor onderneming G niet duidelijk aangeeft hoe hoog de marge is en waarop zij van toepassing is, verschilt hij van de betwiste fiscale ruling in de zin dat de marge volgens het rulingverzoek op de activa zou worden gebaseerd en boven op een eigenvermogensrendement zou komen. Kortom, de wijze waarop deze twee ondernemingen voor hun treasuryfuncties fiscaal zijn behandeld, lijkt niet te berusten op een benadering of methode die strookt met die van de betwiste fiscale ruling. |
|
(334) |
Luxemburg stelt dat FFT niet met andere financieringsmaatschappijen kan worden vergeleken, omdat zij kapitaal aantrekt op de markt, terwijl andere financieringsmaatschappijen doorgaans werken met groepsinterne financiering. Ook beweert Luxemburg dat FFT met geen enkele andere in Luxemburg belastbare onderneming kan worden vergeleken, daar „de situatie van elke belastingplichtige […] dusdanig specifiek [is] dat een relevante vergelijking met dossiers van andere belastingplichtigen niet mogelijk is” (185). |
|
(335) |
De Commissie is het niet eens met dit betoog; zij stelt in dit verband dat het ontbreken van een coherent geheel van regels die algemeen, op basis van objectieve criteria, van toepassing zijn op financieringsmaatschappijen die om een ruling hebben verzocht, duidelijk blijkt uit het bestaan van een andere fiscale ruling, ten gunste van [onderneming F]. Deze ruling, die is afgegeven op dezelfde dag als de betwiste fiscale ruling en ook op dezelfde functies betrekking heeft ([onderneming F] zou het industriesegment […] in een andere structuur van financieringsmaatschappijen van de groep financieren) komt tot een wezenlijk andere conclusie ten aanzien van de respectieve heffingsgrondslagen van de ondernemingen, zonder dat dit verschil in behandeling duidelijk wordt gemotiveerd. De betwiste fiscale ruling aanvaardt namelijk een heffingsgrondslag van ongeveer 2,5 miljoen EUR, terwijl de fiscale ruling ten gunste van [onderneming F] een vergoeding voor soortgelijke financierings- en treasuryactiviteiten accordeert die leidt tot een heffingsgrondslag van […] EUR. Ook uit dit verschil in behandeling tussen nagenoeg identieke ondernemingen, waarvoor een duidelijke rechtvaardiging ontbreekt, blijkt dat de Luxemburgse rulingpraktijk, die is gebaseerd op de algemene formuleringen van de circulaire, geen passend referentiestelsel voor de selectiviteitsanalyse vormt. |
|
(336) |
Samenvattend kan worden gesteld dat uit de Luxemburgse praktijk inzake fiscale rulings niet een coherent geheel van regels kan worden gedestilleerd die algemeen, op grond van objectieve criteria, van toepassing zijn op alle ondernemingen die vallen binnen het toepassingsgebied ervan zoals dat in de doelstelling ervan wordt omschreven. Derhalve kan deze praktijk niet het kader vormen waaraan de betwiste fiscale ruling wordt getoetst om te bepalen of FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, heeft genoten. |
7.2.6. Rechtvaardiging door de aard of de algemene opzet van het belastingstelsel
|
(337) |
Noch Luxemburg, noch FFT heeft een mogelijke rechtvaardigingsgrond voor de selectieve behandeling van FFT ten gevolge van de betwiste fiscale ruling naar voren gebracht. De Commissie herinnert eraan dat de lidstaat een dergelijke rechtsvaardigingsgrond moet aanvoeren. |
|
(338) |
De Commissie heeft hoe dan ook geen enkele mogelijke grond ter rechtvaardiging van de voorkeursbehandeling van FFT ten gevolge van de betwiste fiscale ruling kunnen vaststellen die zou kunnen worden geacht rechtstreeks uit de basis- of hoofdbeginselen van het referentiestelsel voort te vloeien of die het resultaat is van aan dat stelsel inherente mechanismen die nodig zijn voor de werking en doeltreffendheid ervan (186), of dat referentiestelsel nu het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel is, zoals de Commissie stelt, dan wel artikel 164 WIB en de circulaire, zoals Luxemburg en Fiat betogen. |
7.2.7. Conclusie inzake het bestaan van een selectief voordeel
|
(339) |
De Commissie komt tot de slotsom dat de betwiste fiscale ruling, waarin een methode wordt goedgekeurd voor een toerekening van winst aan FFT binnen de Fiat-groep die afwijkt van een marktconforme uitkomst overeenkomstig het zakelijkheidsbeginsel en die leidt tot een lagere belasting voor FFT uit hoofde van het algemene Luxemburgse vennootschapsbelastingstelsel dan die voor niet-geïntegreerde, in dat land belastingplichtige ondernemingen die transacties onder marktvoorwaarden verrichten, FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verleent. |
|
(340) |
Subsidiair concludeert de Commissie dat de betwiste fiscale ruling, waarin een methode wordt goedgekeurd voor een toerekening van winst aan FFT binnen de Fiat-groep die afwijkt van een marktconforme uitkomst overeenkomstig het zakelijkheidsbeginsel en die leidt tot een lagere belasting voor FFT uit hoofde van artikel 164, derde alinea, WIB en de circulaire dan voor andere in Luxemburg belastingplichtige groepsondernemingen, FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verleent. |
7.3. Begunstigde van de betwiste maatregel
|
(341) |
De Commissie is van oordeel dat de betwiste fiscale ruling FFT een selectief voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verschaft, aangezien hij tot gevolg heeft dat de in Luxemburg belastbare winst van deze entiteit lager uitvalt dan die van niet-geïntegreerde ondernemingen waarvan de belastbare winst wordt bepaald op basis van onder marktvoorwaarden verrichte transacties. Zij merkt evenwel op dat FFT deel uitmaakt van een multinationale groep, Fiat Chrysler Automobiles (hierna „FCA” genoemd), dat haar functie binnen deze groep bestaat in de levering van financierings- en treasurydiensten aan de andere ondernemingen van de Fiat-groep en dat de betwiste fiscale ruling op de vergoeding voor deze functie betrekking heeft. |
|
(342) |
Voor de toepassing van de staatssteunregels kunnen meerdere afzonderlijke rechtspersonen worden geacht één economische entiteit te vormen. Die economische entiteit wordt dan geacht de relevante onderneming te vormen die de begunstigde van de steunmaatregel is. Het Hof van Justitie heeft dienaangaande het volgende verklaard: „In het kader van het mededingingsrecht moet onder het begrip onderneming worden verstaan een […] economische entiteit, ook al wordt deze eenheid gevormd door verscheidene natuurlijke of rechtspersonen” (187). Om te bepalen of verscheidene entiteiten een eenheid vormen, gaat het Hof van Justitie na of sprake is van een zeggenschapsdeelneming of van functionele, economische of organieke banden (188). In casu staat FFT onder zeggenschap van Fiat S.p.A. (thans Fiat Chrysler Automobiles NV) en van FF, die op haar beurt een volle dochter is van Fiat S.p.A. (189). FFT staat dus onder volledige zeggenschap van Fiat S.p.A., die zelf zeggenschap heeft over de Fiat-groep (190). |
|
(343) |
Verder was de beslissing om FFT in Luxemburg te vestigen een beslissing van de Fiat-groep en profiteert de groep dus van de betwiste fiscale ruling, daar deze, zoals aangegeven in overweging 52, de winst bepaalt die binnen de groep aan FFT moet worden toegerekend voor de financierings- en treasurydiensten die laatstgenoemde levert aan de ondernemingen van de groep. De betwiste fiscale ruling is uiteindelijk een beslissing waarbij een verrekenprijsmethode voor transacties binnen de Fiat-groep wordt goedgekeurd, zodat een gunstige fiscale behandeling van FFT door de Luxemburgse belastingdienst de Fiat-groep in zijn geheel dus voordeel oplevert, in de zin dat niet alleen FFT, maar de gehele groep aanvullende middelen worden toegekend. Anders gezegd, en zoals aangegeven in overweging 221, wanneer het vaststellen van verrekenprijzen nodig is om de prijsstelling van producten en diensten binnen verschillende rechtspersonen van een en dezelfde groep te bepalen, heeft het mechanisme voor het vaststellen van die verrekenprijzen automatisch gevolgen voor meer dan één groepsonderneming (een prijsstijging bij de ene onderneming leidt tot een lagere winst van de andere). |
|
(344) |
Ofschoon de groep in afzonderlijke rechtspersonen is georganiseerd, moeten deze ondernemingen in het kader van een verrekenprijzenregeling dan ook als één enkele groep worden beschouwd die de begunstigde van de betwiste steunmaatregel is (191). |
|
(345) |
Ten slotte is het bedrag van de door FFT in Luxemburg betaalde belasting van invloed op de prijsvoorwaarden voor de interne leningen die zij aan ondernemingen van de Fiat-groep verstrekt, aangezien deze zijn gebaseerd op de gemiddelde gewogen kapitaalkosten en op een marge (192). De verlaging van de belasting die FFT verschuldigd is, heeft dus per definitie lagere prijzen voor de door haar verstrekte interne leningen tot gevolg. Wanneer FFT in Luxemburg minder belasting verschuldigd is, levert dat niet alleen haarzelf maar ook alle groepsondernemingen die financiering van haar ontvangen en dus de Fiat-groep voordeel op. |
7.4. Conclusie inzake het bestaan van steun
|
(346) |
In het licht van het voorgaande concludeert de Commissie dat de door Luxemburg aan FFT afgegeven fiscale ruling laatstgenoemde en de Fiat-groep een selectief voordeel verleent dat aan Luxemburg kan worden toegerekend, met staatsmiddelen wordt bekostigd, de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer binnen de Unie ongunstig kan beïnvloeden. Bijgevolg vormt de betwiste fiscale ruling staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
(347) |
Aangezien de betwiste fiscale ruling leidt tot een vermindering van de lasten die FFT normaal gesproken zou moeten dragen bij de uitoefening van haar bedrijfsactiviteiten, moet hij worden geacht exploitatiesteun te verlenen aan FFT en de Fiat-groep. |
8. ONVERENIGBAARHEID VAN DE STEUN MET DE INTERNE MARKT
|
(348) |
Staatssteun wordt met de interne markt verenigbaar geacht als hij in een van de categorieën van artikel 107, lid 2, VWEU valt (193), en kan met de interne markt verenigbaar worden verklaard als de Commissie tot de bevinding is gekomen dat de steun in een van de in artikel 107, lid 3, VWEU genoemde categorieën valt. Het staat evenwel aan de lidstaat die de steun verleent om aan te tonen dat die steun verenigbaar is met de interne markt overeenkomstig artikel 107, leden 2 en 3, VWEU. |
|
(349) |
Luxemburg heeft zich niet beroepen op een van de in bovengenoemde bepalingen vastgestelde gronden voor verenigbaarheid van de steun die het land via de betwiste fiscale ruling aan FFT en de Fiat-groep heeft verleend. |
|
(350) |
Bovendien moet de betwiste fiscale ruling, zoals in overweging 347 is uiteengezet, worden geacht exploitatiesteun aan FFT en de Fiat-groep te verlenen. In de regel kan dergelijke steun niet als verenigbaar met de interne markt worden aangemerkt op grond van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU, daar die steun niet dient ter vergemakkelijking van de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid of van bepaalde regionale economieën; evenmin zijn de betreffende fiscale prikkels beperkt in de tijd, degressief of evenredig aan hetgeen noodzakelijk is om een specifieke economische handicap in de betrokken gebieden te verhelpen. |
|
(351) |
De staatssteun die Luxemburg via de betwiste fiscale ruling aan FFT en de Fiat-groep heeft verleend, is bijgevolg onverenigbaar met de interne markt. |
9. ONRECHTMATIGHEID VAN DE STEUN
|
(352) |
Krachtens artikel 108, lid 3, VWEU zijn de lidstaten verplicht de Commissie van elk voornemen tot steunverlening op de hoogte te brengen (aanmeldingsverplichting) en mogen zij de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering brengen totdat zij over de betrokken maatregelen een eindbesluit heeft vastgesteld („standstill”-verplichting). |
|
(353) |
De Commissie merkt op dat Luxemburg bij haar geen voornemen tot afgifte van de betwiste fiscale ruling heeft aangemeld en evenmin de „standstill”-verplichting uit hoofde van artikel 108, lid 3, VWEU in acht heeft genomen. Derhalve vormt de betwiste fiscale ruling, overeenkomstig artikel 1, onder f), van Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad (194), onrechtmatige staatssteun die in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU tot uitvoering is gebracht. |
10. TERUGVORDERING
|
(354) |
In artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) 2015/1589 is bepaald dat de Commissie de terugvordering van onrechtmatige, met de interne markt onverenigbare steun moet gelasten. Volgens deze bepaling moet de betrokken lidstaat ook alle nodige maatregelen nemen om onrechtmatige, met de interne markt onverenigbaar verklaarde steun terug te vorderen. In artikel 16, lid 2, van voornoemde verordening is bepaald dat de steun moet worden teruggevorderd met inbegrip van rente vanaf de datum waarop de onrechtmatige steun voor de begunstigde beschikbaar was tot de datum van daadwerkelijke terugbetaling van de steun. In Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (195) zijn de methoden voor het berekenen van de terugvorderingsrente nader uitgewerkt. Artikel 16, lid 3, van Verordening (EU) 2015/1589, ten slotte, bepaalt dat „terugvordering onverwijld en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures van de betrokken lidstaat [dient] te geschieden, voor zover die procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van het besluit van de Commissie toelaten”. |
10.1. Gewettigd vertrouwen en rechtszekerheid
|
(355) |
In artikel 16, lid 1, van Verordening 2015/1589 is tevens bepaald dat de Commissie geen terugvordering van de steun verlangt indien zulks in strijd zou zijn met een algemeen rechtsbeginsel. |
|
(356) |
Luxemburg beweert in de eerste plaats dat een besluit waarbij wordt vastgesteld dat sprake is van een steunmaatregel, op grond van het vertrouwensbeginsel pas na de looptijd van de betrokken fiscale ruling, in casu na afloop van het boekjaar 2016, in werking kan treden. Volgens Luxemburg heeft zowel de Groep gedragscode als het OESO-forum inzake schadelijke fiscale praktijken verzekerd dat de op de circulaire gebaseerde rulingpraktijk van het land strookte met de gedragscode en richtlijnen van de OESO. Luxemburg betoogt dus dat tijdens de bijeenkomst van de Raad van 27 mei 2011 uitdrukkelijk is bevestigd dat de rulingpraktijk gelet op de vaststelling van de circulaire niet aan de gedragscode hoefde te worden getoetst (196). |
|
(357) |
Volgens vaste rechtspraak kan een lidstaat waarvan de instanties in strijd met de procedureregels van artikel 108, lid 3, VWEU steun hebben toegekend, zich niet op het gewettigd vertrouwen van een ontvanger van de steun beroepen om zich te onttrekken aan zijn verplichting de nodige maatregelen te treffen voor de uitvoering van een besluit waarbij de Commissie hem gelast de steun terug te vorderen. Zou men dit toelaten, dan zouden de artikelen 107 en 108 VWEU elk nuttig effect verliezen, aangezien de nationale instanties zich dan op hun eigen onwettig gedrag zouden kunnen beroepen om door de Commissie op grond van deze verdragsartikelen vastgestelde besluiten elke werking te ontnemen (197). Bijgevolg kan niet de betrokken lidstaat, maar wel de onderneming die de steun ontvangt het bestaan aanvoeren van uitzonderlijke omstandigheden die haar gewettigd vertrouwen hebben gewekt, teneinde zich te verzetten tegen de terugvordering van die steun (198). Daar FFT in haar opmerkingen aan het adres van de Commissie geen enkel argument dienaangaande heeft aangevoerd, meent de Commissie dat het argument van Luxemburg inzake het beginsel van gewettigd vertrouwen voor het onderhavige besluit niet kan slagen. |
|
(358) |
Hoe dan ook kan een beroep op het gewettigd vertrouwen alleen slagen wanneer dat vertrouwen is gewekt door eerder handelen van de Commissie waarbij zij precieze toezeggingen heeft gedaan (199). Volgens Luxemburg is het tijdens een bijeenkomst van de Groep gedragscode ingenomen standpunt dat de Luxemburgse fiscale maatregel inzake groepsfinancieringsmaatschappijen niet aan de criteria van de gedragscode hoefde te worden getoetst, een precieze toezegging die een gewettigd vertrouwen kon wekken. De Commissie herinnert eraan dat de gedragscode van de Raad Ecofin (200) een niet-bindend juridisch instrument is dat tot doel heeft de lidstaten een platform te bieden voor het bespreken van maatregelen die de locatie van economische activiteiten van ondernemingen in de Unie in aanzienlijke mate beïnvloeden of kunnen beïnvloeden. De gedragscode en de regelgeving inzake staatssteun zijn op verschillende doelen gericht. De gedragscode heeft tot doel oneerlijke belastingconcurrentie tussen de lidstaten tegen te gaan, terwijl de regelgeving inzake staatssteun is gericht op het beperken van verstoringen van de mededinging als gevolg van begunstiging door de lidstaten van bepaalde ondernemingen, met name in de vorm van belastingverlaging. Daarnaast beschikt de Groep gedragscode over een zekere beoordelingsmarge, maar ontbeert de Commissie iedere discretionaire bevoegdheid om te bepalen of een maatregel als staatssteun is aan te merken, daar dit een objectief begrip is. Een akkoord binnen de Groep gedragscode kan het optreden van de Commissie bij de uitoefening van de haar bij het VWEU verleende bevoegdheden op het gebied van staatssteun dus niet bepalen of beperken (201). |
|
(359) |
Dezelfde redenering gaat op voor standpunten die binnen het OESO-forum inzake schadelijke fiscale praktijken worden ingenomen. Tijdens de bijeenkomst van 6 december 2011 is in dit forum het volgende overeengekomen (tekst in het Engels): „[…] de tien volgende regelingen hoefden niet verder te worden onderzocht […] Luxemburg — uitvoerige fiscale analyse van groepsfinanciering” (vrije vertaling). De OESO is geen instelling van de Unie en de Unie is niet aangesloten bij deze organisatie (202). Haar — niet-bindende — conclusies kunnen aan de instellingen van de Unie geen verplichtingen opleggen. Het OESO-forum heeft in het geheel geen precieze toezeggingen gedaan, maar enkel besloten de fiscale analyse die Luxemburg van groepsfinancieringsactiviteiten had verricht niet nader te onderzoeken. Uit dit citaat kan derhalve niets worden geconcludeerd of gededuceerd wat betreft de toepassing van de staatssteunregels op de betwiste fiscale ruling. |
|
(360) |
In de tweede plaats stelt Luxemburg dat de Commissie het rechtszekerheidsbeginsel heeft geschonden. Luxemburg verwijst naar een eerdere beschikkingspraktijk van de Commissie waarin zij heeft aanvaard de terugvordering op grond van dit beginsel te beperken. |
|
(361) |
Er bestaat echter geen eerdere beschikkingspraktijk die onzekerheid kan hebben doen ontstaan over de vraag of fiscale rulings kunnen worden geacht verlening van staatssteun in te houden. In de beschikking waarnaar Luxemburg verwijst, heeft de Commissie de terugvordering beperkt wegens de onzekerheid die door een eerdere door haar gegeven beschikking was gecreëerd. In de onderhavige zaak daarentegen wordt in de mededeling over de directe belastingen voor ondernemingen uitdrukkelijk verwezen naar fiscale rulings en naar de omstandigheden waarin deze als verlening van staatssteun moeten worden aangemerkt. |
|
(362) |
Wat betreft het argument van Luxemburg dat het steunbedrag niet exact kan worden bepaald omdat, met name, de gekozen benadering nieuw is, zodat terugvordering niet mogelijk is, merkt de Commissie op dat zij in haar eerdere beschikkingspraktijk het zakelijkheidsbeginsel heeft toegepast, met name voor maatregelen van Luxemburg, en heeft geconcludeerd dat schending van dit beginsel staatssteun kon inhouden (203). Deze conclusie is bovendien bevestigd door het Hof van Justitie (204). De benadering die de Commissie voor de betwiste fiscale ruling volgt, is dus zeker niet nieuw. De lidstaten behoren te weten dat een afspraak tussen een belastingdienst en een onderneming die leidt tot een gunstige behandeling van die onderneming, in de zin dat haar heffingsgrondslag kunstmatig wordt verlaagd doordat de gebruikte verrekenprijzen geen betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst vormen, een inbreuk op de staatssteunregels oplevert en in geval van twijfel bij de Commissie moet worden aangemeld. |
|
(363) |
Wat, ten slotte, het argument betreft dat het steunbedrag niet exact kan worden bepaald en dat terugvordering dus achterwege zou moeten blijven, zij erop gewezen dat het Hof van Justitie eerder (205) heeft geoordeeld dat de Commissie niet verplicht is het precieze bedrag van de terug te vorderen steun aan te geven. Het Unierecht vereist simpelweg dat de onrechtmatig verleende steun wordt teruggevorderd met het oog op herstel van de vroegere toestand en dat de terugbetaling plaatsvindt overeenkomstig de regels van het nationale recht (206). De Commissie kan er dus mee volstaan vast te stellen dat de betrokken steun moet worden terugbetaald en het aan de nationale autoriteiten overlaten om het precieze bedrag van de terug te betalen steun te berekenen (207). |
|
(364) |
Bijgevolg kan de Commissie concluderen dat de argumenten van Luxemburg aangaande het vertrouwens- en rechtszekerheidsbeginsel niet kunnen afdoen aan de verplichting van Luxemburg om de via de betwiste fiscale ruling onrechtmatig aan FFT verleende steun terug te vorderen. |
10.2. Methodiek voor de terugvordering
|
(365) |
Wanneer de Commissie heeft vastgesteld dat een steunmaatregel onverenigbaar is met de interne markt, is zij volgens het VWEU en de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie bevoegd te beslissen dat de betrokken lidstaat die maatregel moet intrekken of wijzigen. Het Hof van Justitie heeft eveneens meermaals geoordeeld dat de verplichting van een lidstaat tot intrekking van de steun die door de Commissie als onverenigbaar met de interne markt wordt beschouwd, is bedoeld om de eerder bestaande situatie te herstellen. In dit verband heeft het Hof van Justitie verklaard dat dit doel wordt bereikt wanneer de ontvanger de middels onrechtmatige steun toegekende bedragen heeft terugbetaald en zo het marktvoordeel verliest dat hij ten opzichte van zijn concurrenten genoot, waardoor de situatie van voor de betaling van de steun wordt hersteld. |
|
(366) |
In het geval van onrechtmatige staatssteun in de vorm van een fiscale maatregel moet volgens punt 35 van de mededeling over de directe belastingen voor ondernemingen (208) het terug te vorderen bedrag worden berekend op basis van een vergelijking tussen de feitelijk betaalde belasting en de belasting die verschuldigd zou zijn geweest indien de algemeen geldende regel was toegepast. Om het bedrag te bepalen van de belasting die verschuldigd zou zijn geweest indien de algemeen geldende regels waren gevolgd, d.w.z. indien het zakelijkheidsbeginsel correct was toegepast om de heffingsgrondslag van FFT in Luxemburg vast te stellen, moet de Luxemburgse belastingdienst aanpassingen doorvoeren in de methode voor de jaarlijkse berekening die FFT in het kader van de TNMM op basis van het CAPM gebruikt, te weten wat betreft i) de omvang van het eigen vermogen waarvoor een vergoeding wordt berekend, en ii) de hoogte van de vergoeding die op dat eigen vermogen moet worden toegepast volgens de in overweging 311 hierboven beschreven waardering. |
|
(367) |
Er is geen bepaling van Unierecht op grond waarvan de Commissie, wanneer zij de terugvordering gelast van steun die met de interne markt onverenigbaar is verklaard, het precieze bedrag van de terug te vorderen steun moet vaststellen. Het volstaat integendeel dat de beslissing van de Commissie de gegevens bevat aan de hand waarvan de adressaat van de beslissing zonder buitensporige moeilijkheden dit bedrag zelf kan vaststellen (209). |
|
(368) |
In deel 7.2.2.10 en in het bijzonder in overweging 311 heeft de Commissie een methodiek voorgesteld waarmee het via de betwiste fiscale ruling aan FFT verleende selectieve voordeel ongedaan kan worden gemaakt (210), mocht Luxemburg vasthouden aan de TNMM voor het bepalen van de heffingsgrondslag van FFT. De Commissie is zich er evenwel van bewust dat ook andere verrekenprijsmethoden kunnen leiden tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst die voldoet aan het zakelijkheidsbeginsel. Mocht Luxemburg voor de datum van inwerkingtreding van het onderhavige besluit een terugvorderingsmethodiek voorstellen waarvoor een andere verrekenprijsmethode wordt gebruikt, dan zou de Commissie derhalve bereid zijn deze methode te aanvaarden, mits die leidt tot een betrouwbare benadering van een marktconforme uitkomst en, welke keuze ook wordt gemaakt, niet de keuzen en aanpassingen van de belastingadviseur van FFT in het verrekenprijzenrapport, die de Commissie beschouwt als afwijkingen van het zakelijkheidsbeginsel. |
|
(369) |
Meer bepaald ziet de Commissie geen enkele reden om correcties op het boekhoudkundig eigen vermogen aan te brengen voor het berekenen van het eigen vermogen waarop een vergoeding moet worden toegepast. Wat voorts de geraamde zakelijke vergoeding voor dat eigen vermogen betreft, kan het gebruik van het CAPM weliswaar omslachtig lijken, maar er is niets op tegen om dit model voor de vaststelling van verrekenprijzen te gebruiken, tenzij daarmee wordt beoogd nadrukkelijk af te wijken van een marktconforme uitkomst, waarvoor de bij vergelijkbare ondernemingen waargenomen RoE een maatstaf vormt. |
10.3. Entiteit waarvan de steun moet worden teruggevorderd
|
(370) |
In het licht van hetgeen in de overwegingen 341 tot en met 345 naar voren is gebracht, is de Commissie van oordeel dat Luxemburg in de eerste plaats de via de betwiste fiscale ruling verleende onrechtmatige, met de interne markt onverenigbare steun van FFT moet terugvorderen. Mocht FFT niet in staat zijn de via deze ruling verkregen steun volledig terug te betalen, dan moet Luxemburg het resterende steunbedrag terugvorderen van Fiat Chrysler Automobiles N.V., de rechtsopvolger van Fiat S.p.A. en dus de entiteit die de zeggenschap heeft over de Fiat-groep, zodat de mededingingssituatie die eerder op de markt bestond, wordt hersteld. |
11. CONCLUSIE
|
(371) |
De Commissie stelt vast dat Luxemburg, in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU, via de betwiste fiscale ruling onrechtmatig staatssteun heeft verleend aan FFT en de Fiat-groep, dat deze steun met de interne markt onverenigbaar is en dat hij daarom krachtens artikel 16 van Verordening (EU) 2015/1589 door Luxemburg moet worden teruggevorderd van FFT en, voor zover FFT het steunbedrag niet in zijn geheel terugbetaalt, van Fiat Chrysler Automobiles N.V. wat het uitstaande bedrag betreft, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De door Luxemburg op 3 september 2012 ten gunste van Fiat Finance and Trade Ltd afgegeven fiscale ruling, op grond waarvan laatstgenoemde haar heffingsgrondslag in Luxemburg voor een periode van vijf jaar op jaarbasis kan vaststellen, vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU die met de interne markt onverenigbaar is en die onrechtmatig in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU door Luxemburg ten uitvoer is gelegd.
Artikel 2
1. Luxemburg vordert de in artikel 1 bedoelde onverenigbare en onrechtmatige steun terug van Fiat Finance and Trade Ltd.
2. Bedragen die niet van Fiat Finance and Trade Ltd kunnen worden teruggevorderd ingevolge de in lid 1 beschreven terugvordering, worden teruggevorderd van Fiat Chrysler Automobiles N.V.
3. De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf de datum waarop zij de begunstigden ter beschikking zijn gesteld tot de datum van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.
4. De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004.
Artikel 3
1. De terugvordering van de in artikel 1 bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.
2. Luxemburg zorgt ervoor dat het onderhavige besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd.
Artikel 4
1. Binnen twee maanden na de kennisgeving van het onderhavige besluit verstrekt Luxemburg de Commissie informatie over de methode die wordt gebruikt om het precieze bedrag van de steun te berekenen.
2. Luxemburg houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen ter uitvoering van dit besluit, en dit totdat de in artikel 1 bedoelde steun volledig is teruggevorderd. Luxemburg verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld inlichtingen over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot het Groothertogdom Luxemburg.
Gedaan te Brussel, 21 oktober 2015.
Voor de Commissie
Margrethe VESTAGER
Lid van de Commissie
(1) Met ingang van 1 december 2009 zijn de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag de artikelen 107 respectievelijk 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie („VWEU”) geworden. De bepalingen in beide verdragen zijn inhoudelijk identiek. In het kader van dit besluit moeten verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU waar nodig worden begrepen als verwijzingen naar de artikelen 87 respectievelijk 88 EG-Verdrag. Bij het VWEU zijn ook enkele wijzigingen in de terminologie aangebracht, zoals de vervanging van „Gemeenschap” door „Unie” en van „gemeenschappelijke markt” door „interne markt”. In dit besluit wordt de terminologie van het VWEU gebezigd.
(2) PB C 369 van 17.10.2014, blz. 37.
(3) Referentie HT.4020 — Praktijken inzake fiscale ruling.
(4) In hun brieven gebruiken de Luxemburgse autoriteiten de term „décision anticipative” (voorafgaande beslissing) in plaats van „fiscale ruling”. Beide uitdrukkingen verwijzen evenwel naar eenzelfde soort procedure, waarbij de belastingplichtige een bepaalde mate van zekerheid wordt geboden wat betreft de wijze waarop de regels van de vennootschapsbelasting in een specifiek geval zullen worden toegepast. In dit besluit wordt de term „(fiscale) ruling” gebruikt, maar in een betekenis die gelijk is aan die van „décision anticipative” (voorafgaande beslissing).
(5) Onder zaaknummer SA.37267 (2013/CP) — Praktijken inzake fiscale ruling — LU.
(6) De Luxemburgse autoriteiten hadden specifieke informatie onleesbaar gemaakt, in het bijzonder de namen van ondernemingen en dochterondernemingen.
(*1) Bepaalde delen van deze tekst zijn vanwege het vertrouwelijke karakter van de informatie weggelaten. Deze weglatingen worden aangegeven door drie punten tussen vierkante haken.
(7) Voor haar onderzoek met betrekking tot FFT heeft de Commissie een nieuw zaaknummer geopend; de aanmaning van 7 april 2014 en alle latere mededelingen heeft zij verzonden onder zaaknummer SA.38375 (2014/CP) — Luxemburg — Vermeende steun aan FFT.
(8) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1). Verordening (EG) nr. 659/1999 is met ingang van 14 oktober 2015 ingetrokken bij Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9). Alle tijdens de procedure genomen procedurele maatregelen zijn vastgesteld uit hoofde van Verordening (EG) nr. 659/1999. Verwijzingen naar Verordening (EG) nr. 659/1999 dienen te worden begrepen als verwijzingen naar Verordening (EU) 2015/1589 en te worden gelezen volgens de in bijlage II bij laatstgenoemde verordening opgenomen concordantietabel.
(9) Zie voetnoot 2.
(10) Zie voetnoot 2.
(11) Zie overweging 16.
(12) Zie voetnoot 5.
(13) De brief van 24 maart 2015 is op 24 maart 2015 en vervolgens nogmaals op 26 maart 2015 binnengekomen.
(14) Zie jaarverslag 2014 van Fiat Chrysler Automobiles N.V. In dit besluit gelden verwijzingen naar Fiat S.p.A. als verwijzingen naar Fiat Chrysler Automobiles N.V., en andersom.
(15) In het rapport wordt nu eens verwezen naar FFT, dan weer naar „FF&T”. Het betreft evenwel dezelfde entiteit.
(16) De beschrijving van de „door Fiat S.p.A.” uitgeoefende functies in de van Luxemburg ontvangen versie van de betwiste fiscale ruling (als beschreven in het inleidingsbesluit) was deels onleesbaar gemaakt. De woorden „door Fiat S.p.A.” zijn aan deze beschrijving toegevoegd op basis van de door Luxemburg op 24 maart 2014 overgelegde, niet-bewerkte versie van deze ruling.
(17) In het verrekenprijzenrapport wordt deze stelling niet onderbouwd.
(18) De betwiste fiscale ruling komt evenwel te vervallen indien blijkt dat de feiten of omstandigheden in de aanvraag onvolledig of onjuist zijn beschreven, indien de feitelijk verrichte transacties op wezenlijke punten verschillen van de beschrijving ervan in het verzoek om inlichtingen of indien de APA volgens nationaal of internationaal recht niet meer is toegestaan.
(19) In de overwegingen 44 t.e.m. 46 van het inleidingsbesluit wordt uitgebreider ingegaan op de motivering die de belastingadviseur geeft voor de keuze van de TNMM voor het bepalen van de belastbare winst van FFT.
(20) Zie overweging 51.
(21) Het CAPM wordt gebruikt om een theoretisch vereist rendement voor de activa, meer bepaald het eigen vermogen, te bepalen. In de overwegingen 39 t.e.m. 42 van het inleidingsbesluit wordt dit model nader beschreven.
(22) Bazels Comité voor het bankentoezicht, Internationale convergentie van kapitaalmetingen en –normen — Herzien kader, juni 2004 (hierna „Bazel II” genoemd).
(23) FFT is geen gereglementeerde entiteit; de wijze waarop de belastingadviseur Bazel II met het oog op de afgifte van de betwiste fiscale ruling op FFT heeft toegepast, is dus niet onderzocht en niet gevalideerd door een financiële toezichthouder.
(24) „Fonds propres utilisés pour exercer les fonctions” (voor het uitoefenen van de functies aangewend eigen vermogen) lijkt niet met een welomschreven wettelijke categorie van eigen vermogen overeen te komen.
(25) De uitdrukkingen „fonds propres exposés au risque” (aan risico blootgesteld eigen vermogen), „exigences minimales de fonds propres” (minimumkapitaalvereisten), „fonds propres minimaux exigés par le dispositif de Bâle II” (minimumkapitaalvereisten onder Bazel II), „fonds propres minimaux exposés au risque” (aan risico blootgesteld minimumkapitaal) en „fonds propres minimaux” (minimumkapitaal) worden door elkaar gebruikt in het verrekenprijzenrapport, maar verwijzen naar hetzelfde concept, te weten de hypothetische wettelijke eigenvermogensbestanddelen van FFT als geraamd door de belastingadviseur op basis van analoge toepassing van Bazel II.
(26) Op het eigen vermogen van FFT is de waarde van de deelnemingen in FFNA en FFC in mindering gebracht, aangezien deze worden vergoed in de vorm van dividend.
(27) „Fonds propres couvrant les fonctions exercées” (kapitaal voor de uitgeoefende functies) is een andere benaming van de belastingadviseur voor de door hem (in zijn rapport) geïntroduceerde uitdrukking „fonds propres utilisés pour exercer les fonctions” (voor het uitoefenen van de functies aangewend eigen vermogen).
(28) De belastingadviseur heeft bij de toepassing van het CAPM het 25e percentiel van de bèta's genomen, omdat FFT naar zijn mening slechts in beperkte mate aan risico's is blootgesteld.
(29) Gegevens verzameld door prof. A. Damodaran, in te zien op het volgende adres: http://pages.stern.nyu.edu/~adamodar/
(30) Jaargemiddelde 2011 van EONIA (Euro OverNight Index Average).
(31) Onder deelneming wordt verstaan een investering in de aandelen (het eigen vermogen) van een onderneming.
(32) Zie overweging 54.
(33) Beschikbaar op: http://www.impotsdirects.public.lu/legislation/legi11/Circulaire_L_I_R__n___164-2_du_28_janvier_2011.pdf
(34) Onder „groepsfinancieringsmaatschappij” moet worden verstaan elke entiteit die hoofdzakelijk financieringstransacties binnen een groep, uitgezonderd het houden van deelnemingen, verricht (circulaire, blz. 1).
(35) Onder „financieringstransactie binnen een groep” moet worden verstaan elke activiteit waarbij aan verbonden ondernemingen leningen of voorschotten worden verstrekt die worden geherfinancierd via financiële middelen en instrumenten als overheidsemissies, particuliere leningen, voorschotten of bankleningen (circulaire, blz. 1).
(36) Twee ondernemingen zijn „verbonden ondernemingen” wanneer de ene onderneming rechtstreeks of middellijk deelneemt aan de leiding van, aan de zeggenschap in of in het kapitaal van de andere, of wanneer dezelfde personen rechtstreeks of middellijk deelnemen aan de leiding van, aan de zeggenschap in of in het kapitaal van de twee ondernemingen (circulaire, blz. 1).
(37) Circulaire, blz. 2.
(38) Ibidem.
(39) Ibidem.
(40) Circulaire, blz. 3.
(41) Circulaire, blz. 4.
(42) Circulaire, blz. 7.
(43) Circulaire, blz. 5 tot en met 8.
(44) De belastingdiensten van de OESO-lidstaten worden aangespoord deze richtlijnen te volgen. Doorgaans fungeren deze echter als referentie en hebben zij duidelijk invloed op de fiscale praktijken van de OESO-lidstaten (en zelfs van niet-OESO-lidstaten).
(45) Belastingdiensten en wetgevers zijn zich bewust van dit probleem. De belastingwetgeving biedt de belastingdienst doorgaans de mogelijkheid op onjuiste verrekenprijzen gebaseerde belastingaangiften van geïntegreerde ondernemingen te corrigeren door de gehanteerde prijzen te vervangen door prijzen die overeenstemmen met een betrouwbare benadering van wat zou worden overeengekomen tussen onafhankelijke ondernemingen die in vergelijkbare omstandigheden zakelijk onderhandelen.
(46) OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (Richtlijnen inzake verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten), OESO, juli 1995.
(47) OECD Transfer Pricing Guidelines for Multinational Enterprises and Tax Administrations (Richtlijnen inzake verrekenprijzen voor multinationale ondernemingen en belastingdiensten), OESO, 22 juli 2010.
(48) Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1).
(49) Deze waarden zijn door Luxemburg meegedeeld in de inlichtingen die het land op 24 maart 2015 heeft verstrekt. Ze komen niet volledig overeen met de cijfers voor de belastbare winst die zijn opgenomen in de jaarrekeningen.
(50) Zie overweging 21 van het inleidingsbesluit.
(51) Zie overweging 24 van het inleidingsbesluit.
(52) Zie overweging 51 van het inleidingsbesluit voor de financiële gegevens van FFT voor de periode 2009-2011 als vermeld in het verrekenprijzenrapport. De terminologie in tabel 8 is die welke in het jaarverslag en in de door Fiat op 31 maart 2015 verstrekte informatie wordt gehanteerd. Deze terminologie komt mogelijk niet geheel overeen met de terminologie die de belastingadviseur in het verrekenprijzenrapport gebruikt.
(53) Luxemburg heeft verduidelijkt dat de garantiepremie voor de periode 2011-2013 aan Fiat S.p.A. is betaald; voor 2010 ontbrak deze informatie in het jaarverslag.
(*2) De haken rond de cijfers geven aan dat de getallen bij benadering worden gegeven. De cijfers zijn afgerond op meervouden van 50, 500, 5 000, 500 000 of 5 000 000.
(54) „Euro Medium Term Note”-programma — Europees programma voor de uitgifte van commercial papers met middellange looptijd.
(55) RoE = Return on Equity.
(56) Besluit 2014/200/EU van de Commissie van 17 juli 2013 betreffende de door Spanje ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.21233 C/11 (ex NN/11, ex CP 137/06) — Belastingregeling voor bepaalde leaseovereenkomsten met het oog op financiering, ook Spaanse belasting-leaseregeling genoemd (PB L 114 van 16.4.2014, blz. 1).
(57) Beschikking 2008/283/EG van de Commissie van 13 november 2007 betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunregeling ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra en tot wijziging van Beschikking 2003/757/EG (PB L 90 van 2.4.2008, blz. 7).
(58) Beschikking 2006/621/EG van de Commissie van 2 augustus 2004 betreffende de door Frankrijk ten uitvoer gelegde steunmaatregel ten gunste van France Télécom (PB L 257 van 20.9.2006, blz. 11).
(59) De verklaring hiervoor in het verrekenprijzenrapport is dat de investeringen in FFNA en FFC worden vergoed in de vorm van dividend.
(60) Luxemburg verwijst in dit verband naar de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité van 4 juni 2014 over de werkzaamheden van het Gezamenlijk EU-Forum voor verrekenprijzen van juli 2012 tot januari 2014 (COM(2014) 315 final).
(61) Het volgende lid wordt aangehaald: „49 (xv). Besloten is dat onderstaande aftrekken op het kapitaal moeten worden toegepast voor het berekenen van de risicogewogen kapitaalratio. Het betreft: […] investeringen in dochterondernemingen die bancaire en financiële activiteiten ontplooien en die niet binnen nationale stelsels zijn geconsolideerd. De normale praktijk zal zijn dat dochterondernemingen worden geconsolideerd om de kapitaaltoereikendheid van bankgroepen te beoordelen. Gebeurt dat niet, dan is aftrek cruciaal om te voorkomen dat hetzelfde kapitaal meermaals in verschillende eenheden van de groep wordt gebruikt. Aftrek van deze investeringen geschiedt overeenkomstig lid 37 hierboven. De activa ter dekking van deelnemingen in dochterondernemingen waarvan het kapitaal in mindering is gebracht op dat van de moedermaatschappij, worden niet opgenomen in het totaal van de activa voor het berekenen van de ratio.”
(62) Artikel 57 bepaalt dat het niet-geconsolideerde eigen vermogen van kredietinstellingen niet „deelnemingen in andere kredietinstellingen en in financiële instellingen ten belope van meer dan 10 % van het kapitaal van die instellingen” omvat.
(63) Gevolg van de vergaande integratie van de activiteiten van de groep en de steun die Fiat S.p.A. van oudsher aan haar dochterondernemingen verleent. Volgens FFT gebruiken de ratingbureaus de geconsolideerde jaarrekeningen van de groep om de rating van Fiat S.p.A. te bepalen.
(64) FFT handelt uitsluitend met grote financiële instellingen die in landen van de eurozone zijn gevestigd; het betreft voornamelijk instellingen waarin „optie 1” (de optie die verwijzing naar de rating van de centrale overheid in plaats van naar de rating van de bank mogelijk maakt) door de nationale toezichthouders is gevalideerd. Verder kent de RKV III een risicogewicht van 0 % toe aan centrale overheden die obligaties uitgeven in hun eigen valuta, ongeacht hun rating (bijlage VI, deel 1, punt 1.2, lid 4). Volgens de opvatting die FFT en [de belastingadviseur] hebben van Bazel II en de regels van de RKV, zou op de betrokken banken derhalve een risicogewicht kunnen worden toegepast van één stap onder het risicogewicht dat geldt voor het land waarin de bank actief is. Een dergelijke toepassing van Bazel II leidt tot de keuze van een risicogewicht van 20 % voor vorderingen van FFT op banken. Deze redenering gaat op voor zowel de kredietrisico's als de tegenpartijrisico's van FFT ten aanzien van banken.
(65) Bazels Comité voor bankentoezicht, internationaal regelgevingskader voor banken (Bazel III).
(66) Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).
(67) FFT zet dit argument kracht bij door te verwijzen naar punt 5.3.2 van de mededeling van de Commissie over de vennootschapsbelasting in de interne markt (COM(2001) 582 definitief van 23 oktober 2001).
(68) FFT verwijst in dit verband naar het besluit van de Commissie inzake Umicore (besluit van de Commissie van 26 mei 2010 betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunmaatregel C 76/2003 (ex NN 69/2003) in de vorm van een dading met de fiscus ten gunste van Umicore NV (voorheen Union minière NV) (PB L 122 van 11.5.2011, blz. 76)), waarin zij heeft verklaard dat een belastingvoordeel „onevenredig” moet zijn om aan de staatssteunregels te kunnen worden getoetst.
(69) Meer bepaald beschikking van de Commissie van 28 oktober 2009 betreffende de door Hongarije ten uitvoer gelegde steunmaatregel C 10/07 (ex NN 13/07) inzake belastingaftrek voor groepsrente (PB L 42 van 17.2.2010, blz. 3) (hierna „beschikking groepsrenteaftrek Hongarije” genoemd).
(70) Beschikking 2009/809/EG van de Commissie van 8 juli 2009 betreffende de regeling inzake de groepsrentebox C 4/07 (ex N 465/2006) die Nederland voornemens is ten uitvoer te leggen (PB L 288 van 4.11.2009, blz. 26) (hierna „beschikking groepsrentebox” genoemd).
(71) Beschikking 2004/77/EG van de Commissie van 24 juni 2003 betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunregeling in de vorm van een fiscaal rulingstelsel voor US Foreign Sales Corporations (PB L 23 van 28.1.2004, blz. 14); Beschikking 2003/755/EG van de Commissie van 17 februari 2003 betreffende de steunregeling die door België ten uitvoer is gelegd ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra (PB L 282 van 30.10.2003, blz. 25); Beschikking 2003/501/EG van de Commissie van 16 oktober 2002 betreffende staatssteunmaatregel C 49/2001 (ex NN 46/2000) — Coördinatiecentra — ten uitvoer gelegd door Luxemburg (PB L 170 van 9.7.2003, blz. 20); Beschikking 2004/76/EG van de Commissie van 13 mei 2003 betreffende de steunregeling die Frankrijk ten uitvoer heeft gelegd ten faveure van hoofdkantoren en logistieke centra (PB L 23 van 28.1.2004, blz. 1), en Beschikking 2003/512/EG van de Commissie van 5 september 2002 betreffende staatssteun van Duitsland voor controle- en coördinatiecentra (PB L 177 van 16.7.2003, blz. 17).
(72) Zie arrest van het Hof van Justitie van 2 september 2010 in zaak C-399/08 P, Commissie/Deutsche Post, ECLI:EU:C:2010:481, punt 38, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
(73) Zie arrest van het Hof van Justitie van 2 september 2010 in zaak C-399/08 P, Commissie/Deutsche Post, ECLI:EU:C:2010:481, punt 39, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
(74) Zie arrest van het Hof van Justitie van 15 november 2011 in gevoegde zaken C-106/09 P en C-107/09 P, Commissie/Government of Gibraltar en Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, ECLI:EU:C:2011:732, punt 72, en aldaar aangehaalde rechtspraak.
(75) Zie arrest van het Hof van Justitie van 17 september 1980 in zaak 730/79, Philip Morris, ECLI:EU:C:1980:209, punt 11, en arrest van het Gerecht van 15 juni 2000 in gevoegde zaken T-298/97, T-312/97 etc., Alzetta, ECLI:EU:T:2000:151, punt 80.
(76) Zie arrest van het Hof van Justitie van 3 maart 2005 in zaak C-172/03, Heiser, ECLI:EU:C:2005:130, punt 40.
(77) Zie arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011 in gevoegde zaken C-78/08–C-80/08, Paint Graphos e.a., ECLI:EU:C:2011:550.
(78) Zie arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011 in gevoegde zaken C-78/08–C-80/08, Paint Graphos e.a., ECLI:EU:C:2011:550, punt 65.
(79) Zie ook arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011 in gevoegde zaken C-78/08–C-80/08, Paint Graphos e.a., ECLI:EU:C:2011:550, punt 50.
(80) Tot deze categorie behoren inkomsten die aan een vaste inrichting in Luxemburg zijn toe te rekenen, inkomsten uit binnenslands verleende professionele diensten, dividend, rente op participatieleningen en rente op obligaties indien de staat, een ingezeten natuurlijke persoon of een ingezeten rechtspersoon de uitbetalende instantie is, en vermogenswinst gegenereerd door de verkoop van deelnemingen van ten minste 10 % in het kapitaal van ingezeten ondernemingen (uitgezonderd durfkapitaalfondsen).
(81) Cijfer voor 2012. De solidariteitsheffing van 5 % is met ingang van het belastingjaar 2013 verhoogd naar 7 %.
(82) De voor het belastingjaar 2013 ingevoerde wijzigingen in aanmerking genomen, is het cumulatieve vennootschapsbelastingtarief voor de stad Luxemburg gestegen van 28,80 % naar 29,22 %.
(83) Ondernemingen zijn in Luxemburg ook onderworpen aan een jaarlijkse vermogensbelasting die wordt geheven over hun nettovermogen. Het betreft een heffing van 0,5 % op de nettowaarde van het wereldwijde vermogen van de onderneming per 1 januari van elk jaar.
(84) Zoals rente-uitgaven op activa die vrijgestelde inkomsten genereren of presentiegelden, die niet onder de normale bedrijfsvoering van de onderneming vallen.
(85) Voor de regeling fiscale consolidatie geldt een aantal voorwaarden: de moedermaatschappij moet direct of indirect een belang van ten minste 95 % houden in het kapitaal van de dochteronderneming, en wel vanaf het begin van de boekhoudperiode waarin het verzoek om toepassing van de regeling wordt ingediend; de dochteronderneming moet een in Luxemburg gevestigde en onbeperkt belastingplichtige kapitaalvennootschap zijn; ook de moedermaatschappij moet een in Luxemburg gevestigde en onbeperkt belastingplichtige kapitaalvennootschap zijn, dan wel een filiaal van een niet-ingezeten vennootschap die in het rechtsgebied van vestiging onbeperkt belastingplichtig is uit hoofde van de Luxemburgse vennootschapsbelasting gelijkwaardige belasting, en de regeling moet voor minimaal vijf exploitatiejaren worden aangevraagd.
(86) Een geïntegreerde onderneming kan verliezen die in bepaalde vestigingen zijn geleden, compenseren met in andere vestigingen behaalde winst. Voor de regeling fiscale integratie geldt een groep van ondernemingen als één belastingplichtige. Daarmee wordt de nadelige positie van groepen van ondernemingen ten opzichte van geïntegreerde ondernemingen wat betreft de inkomstenbelasting opgeheven. De regeling vormt geen staatssteun als de groep, zodra deze is geconsolideerd, niet gunstiger wordt behandeld dan een geïntegreerde onderneming.
(87) In de regel worden alle ondernemingen die inkomsten ontvangen geacht voor de directe belastingen op ondernemingen in een feitelijk en juridisch vergelijkbare positie te verkeren.
(88) Opmerkingen van FFT over het inleidingsbesluit, punt 2.1.
(89) Opmerkingen van FFT over het inleidingsbesluit, punt 2.1.3.
(90) Zie voetnoten 66 en 67.
(91) Zie arrest van het Hof van Justitie van 20 mei 2010 in zaak C-138/09, Todaro Nunziatina & C., ECLI:EU:C:2010:291, punt 21.
(92) De regeling bepaalde dat het positieve saldo van ontvangen rente op groepsleningen en betaalde rente in het kader van financieringstransacties binnen de groep niet tegen het destijds reguliere vennootschapsbelastingtarief van 25,5 % werd belast, maar in een „groepsrentebox” tegen het tarief van 5 %.
(93) Beschikking groepsrentebox, overweging 85.
(94) Beschikking groepsrentebox, overweging 101.
(95) Beschikking groepsrentebox, overweging 107.
(96) De circulaire bepaalt dat „wat groepsfinancieringsmaatschappijen betreft, […] de functies die zij uitoefenen in verband met de verstrekking van leningen aan entiteiten van de groep inhoudelijk vergelijkbaar [zijn] met de functies van onafhankelijke financiële instellingen die onder toezicht staan van de Commission de Surveillance du Secteur Financier (CSSF)”.
(97) Zie artikel 9 van het OESO-modelbelastingverdrag.
(98) In deze zaak voorzag de maatregel in de mogelijkheid voor ondernemingen om 50 % van het bedrag van de van gelieerde ondernemingen ontvangen nettorente — oftewel 50 % van het verschil tussen de van die ondernemingen ontvangen en aan die ondernemingen betaalde rente — af te trekken van hun heffingsgrondslag in Hongarije. Aldus wordt slechts de helft van de nettorentebaten belast, terwijl bij normale toepassing van het belastingstelsel het gehele bedrag zou moeten worden belast. Op het niveau van de gelieerde onderneming die de nettorente heeft betaald, wordt de heffingsgrondslag van de onderneming vermeerderd met 50 % van het totale bedrag aan nettorentelasten. Gevolg is dat deze ondernemingen de nettorentelasten niet zoals bij normale toepassing van het belastingstelsel volledig van hun heffingsgrondslag kunnen aftrekken, maar dat slechts voor de helft kunnen doen. De regeling is alleen van toepassing op rente die is ontvangen van en betaald aan gelieerde ondernemingen en heeft tot doel het verschil tussen financiering met eigen en met vreemd vermogen binnen een groep te beperken.
(99) Opmerkingen van Luxemburg over het inleidingsbesluit, punt 73.
(100) Tweede reeks opmerkingen van FFT, punten 2.1.3 en 2.1.4.
(101) Eerste reeks opmerkingen van FFT, punt 60.
(102) Zoals aangegeven in overweging 206.
(103) Zie arrest van het Hof van Justitie van 4 juni 2015 in zaak C-15/14 P, Commissie/MOL, ECLI:EU:C:2015:362, punt 60. Zie ook arrest van het Gerecht van 26 februari 2015 in zaak T-385/12, Orange/Commissie, ECLI:EU:T:2015:117.
(104) Zaak C-39/94, SFEI e.a., ECLI:EU:C:1996:285, punt 60; zaak C-342/96, Spanje/Commissie, ECLI:EU:C:1999:210, punt 41.
(105) Dit voordeel mag niet „onevenredig” zijn, zoals FFT in haar opmerkingen betoogt (paragrafen 1.7.1 en 1.7.2). Een voordeel hoeft enkel aan de andere voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU te voldoen om als staatssteun te worden aangemerkt. Het door FFT aangehaalde besluit van de Commissie betreffende Umicore (Besluit van de Commissie van 26 mei 2010 betreffende de door België ten uitvoer gelegde steunmaatregel C 76/2003 (ex NN 69/2003) in de vorm van een dading met de fiscus ten gunste van Umicore NV (voorheen Union minière NV)) is in casu niet relevant, aangezien de Commissie niet gebonden is door haar beschikkingspraktijk (zie overweging 202). Hoe dan ook kunnen wegens het verschil tussen de onderhavige zaak en de zaak Umicore geen parallellen tussen beide zaken worden getrokken. De zaak Umicore betrof de toepassing door Umicore van btw-vrijstellingen bij de verkoop van bepaalde vormen van zilver aan in andere lidstaten gevestigde ondernemingen. In december 2000 is de Bijzondere Belastinginspectie van de Belgische belastingdienst (BBI) een dading met de onderneming overeengekomen. Een dergelijke dading behoorde tot de administratieve praktijk van de Belgische belastingautoriteiten, maar alleen voor zover zij betrekking had op de feiten van het concrete geval, en niet op de hoogte van de belasting: „Niettemin zijn, overeenkomstig artikel 84 [van het Belgische btw-wetboek], dergelijke dadingen slechts mogelijk voor zover deze niet leiden tot vrijstelling of vermindering van belasting. Op grond van dat beginsel kan een dading dus niet zien op het uit vaststaande feiten resulterende belastingbedrag, doch wel op feitelijke kwesties.” (overweging 154 van voornoemd besluit).
(106) Zie zaak 173/73, Italië/Commissie, ECLI:EU:C:1974:71, punt 13.
(107) Zie bijvoorbeeld zaak C-387/92, Banco Exterior de Espana, ECLI:EU:C:1994:100.
(108) Zie gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03, België en Forum 187/Commissie, ECLI:EU:C:2006:416.
(109) Ibidem.
(110) Beschikking 2003/757/EG van de Commissie van 17 februari 2003 betreffende de steunregeling die door België ten uitvoer is gelegd ten gunste van in België gevestigde coördinatiecentra (PB L 282 van 30.10.2003, blz. 25).
(111) Zie gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03, België en Forum 187/Commissie, ECLI:EU:C:2006:416, punten 96 en 97.
(112) Zie gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03, België en Forum 187/Commissie, ECLI:EU:C:2006:416, punt 81.
(113) Opmerkingen van Luxemburg over het inleidingsbesluit, punten 38 tot en met 40.
(114) Zie overweging 102.
(115) Zie tabel 7.
(116) Zie overweging 64.
(117) Zie overweging 70.
(118) Zie overweging 91 voor een beschrijving van de TNMM.
(119) Het argument van FFT dat toepassing van de TNMM gerechtvaardigd is omdat deze methode steeds vaker wordt gebruikt (zie overweging 162), wijst de Commissie af. Het is in tegenspraak met de verwijzing van FFT naar paragraaf 2.2 van de OESO-richtlijnen, waarnaar FFT zelf verwijst (zie overweging 161), waarin staat te lezen dat „[d]e selectie van een verrekenprijsmethode […] steeds gericht [moet] zijn op het vinden van de in een bepaald geval geschiktste methode”. Deze doelstelling van de OESO-beginselen laat zich niet verenigen met de uitlegging dat de belastingplichtige vrij kan kiezen uit de diverse methoden, zonder rekening te houden met de feiten en omstandigheden van het concrete geval.
(120) Anders is dat in een situatie waarin een onderneming weliswaar binnen een groep leningen verstrekt, maar enkel directe transacties verricht, d.w.z. transacties waarvoor een op zichzelf staande onderneming een derde geen vergoeding zou bieden, omdat voor dergelijke transacties een van andere functies en verrichtingen losstaande economische rechtvaardiging ontbreekt (directe transacties kunnen worden gebruikt ter dekking van risico's die uit een andere activiteit voortvloeien). Dergelijke transacties — en andere functies — kunnen dus niet worden vergeleken met de hoofdfuncties van een financiële instelling. De prijs ervan kan niet goed op basis van eigen vermogen worden bepaald, aangezien in andere sectoren andere indicatoren, zoals het rendement op het totale vermogen of het rendement op de omzet, geschikter kunnen zijn.
(121) Zie voetnoot 114.
(122) Zie de overwegingen 58 en 59.
(123) Zie ook overweging 68 van het inleidingsbesluit.
(124) Zie voor andere voorbeelden van verschillen tussen diverse op eigen vermogen gebaseerde winstindicatoren met name McKinsey Working Papers on Risk, nummer 24, „The use of economic capital in performance management for banks”, januari 2011, inzonderheid figuur 10, blz. 13.
(125) In het verrekenprijzenrapport komt de belastingadviseur tot een vergoeding voor risico van 1 726 000 EUR; zou de door hem berekende RoE van 6,05 % op het boekhoudkundige eigen vermogen van FFT worden toegepast, dan zou die vergoeding 17 392 000 EUR bedragen.
(126) Zie overweging 163.
(127) Zie paragraaf 2.97 van de OESO-richtlijnen.
(128) Zie paragraaf 2.86 van de OESO-richtlijnen.
(129) In de circulaire wordt opgemerkt dat de functies van de dienstverleners waarop zij betrekking heeft, in hoge mate vergelijkbaar zijn met die van gereglementeerde instellingen. Ook wordt erin verwezen naar mogelijke extra bedragen, boven op de kosten voor de toekenning van een krediet, in verband met de verplichting om aan de solvabiliteitseisen te voldoen. Het eigen vermogen waarvoor een vergoeding moet worden bepaald, omvat volgens de circulaire echter meer dan hetgeen voor de solvabiliteit is vereist.
(130) Zie overweging 81.
(131) Toepassing van het rendement op het wettelijk eigen vermogen is in de praktijk moeilijker geworden doordat gereglementeerde instellingen verschillende soorten wettelijk eigen vermogen aanhouden, zoals tier 1- en tier 2-kapitaal, terwijl aandelenkapitaal het enige soort kapitaal is waarover FFT beschikt. In Bazel III is een en ander nog complexer geworden. Gereglementeerde financiële instellingen brengen het bedrag van hun vereist minimumkapitaal doorgaans niet naar buiten, al kan dat indirect wel worden herberekend. Veelal maken zij de feitelijke omvang van het door hen aangehouden wettelijke eigen vermogen bekend, die altijd boven het vereiste minimum ligt. Ten slotte wordt de risicogewogen RoE, die min of meer vergelijkbaar is met een rendement op het wettelijk eigen vermogen, soms door gereglementeerde instellingen gebruikt voor het intern vaststellen van prijzen. In dat geval wordt die RoE echter per actief en niet in zijn totaliteit als indicator voor de winst van de instelling in haar geheel gebruikt en vindt vermelding ervan dus in beginsel evenmin plaats.
(132) Zie overweging 256.
(133) Zie tabel 6.
(134) FMI WP/12/36, How Risky Are Banks' Risk Weighted Assets? Sonali Das en Amadou N.R. Sy, 2012, blz. 6.
(135) Overwegingen 58 en 59.
(136) Inleidingsbesluit, overweging 72.
(137) Overweging 167.
(138) Ibidem.
(139) Overweging 98.
(140) Zie overweging 58.
(141) Zie voetnoot 136.
(142) Er zijn onvoldoende gegevens voorhanden om het minimaal vereiste eigen vermogen van FFT correct te ramen. Zou het sectorgemiddelde zijn toegepast, dan zou het 427 miljoen EUR hebben bedragen (zie overweging 270), meer dus dan het totale eigen vermogen van FFT van 287 miljoen EUR.
(143) Overweging 69 en tabel 1.
(144) Zie overweging 61.
(145) Overweging 97.
(146) Zie overweging 96.
(147) Zoals Luxemburg heeft betoogd (zie overweging 154).
(148) Zie overweging 154.
(149) Zie overweging 95.
(150) Zie overweging 165.
(151) De hefboom is het aandeel van door eigen vermogen gefinancierde activa. Daar de overige activa via schuld worden gefinancierd, is de hefboom een maatstaf voor de schuldpositie en, omgekeerd, voor de kapitalisatie van een onderneming.
(152) In het geval van FFT vormt het eigen vermogen in zijn geheel tier 1-kapitaal, daar FFT geen instrumenten van andere categorieën gebruikt.
(153) Zie overweging 268.
(154) Zie de overwegingen 121 t.e.m. 126.
(155) Uitgaande van de in de tabel in overweging 114 gepresenteerde financiële gegevens van FF.
(156) Het hypothetische wettelijk eigen vermogen van 427 miljoen EUR zou ook groter zijn dan het eigen vermogen van 286 miljoen EUR waarover FFT beschikte toen zij FFNA en FFC overnam.
(157) Het verrekenprijzenrapport dateert uit 2011. Dat is dan ook de referentieperiode waarvoor is gekozen. Ter vergelijking: in de periode van 12 mei 2012 tot en met 12 mei 2014 lag de bèta van de index op 1,3.
(158) Zie tabel 6 van het inleidingsbesluit.
(159) Zie tabel 4.
(160) Zie overweging 114.
(161) Zoals aangegeven in overweging 123.
(162) Zie overweging 155.
(163) Zie de overwegingen 113 en 114.
(164) Zie de tabel in overweging 125.
(165) Bank voor Internationale Betalingen, 81e jaarverslag, 1 april 2010-31 maart 2011, 26 juni 2011, blz. 90.
(166) ECB, Financial Stability Review, december 2011, blz. 130 (vrije vertaling).
(167) Deutsche Bank, European Banks: Running the Numbers: Spring edition, 5 april 2011 (vrije vertaling). In een verslag van Deutsche Bank van 20 maart 2015 worden de impliciete kosten van eigen vermogen voor de Europese banken geraamd op 10 %.
(168) Eerste reeks opmerkingen van FFT, punt 64; tweede reeks opmerkingen van FFT, punt 1.8.1 e.v. en punt 3.1.8.
(169) Met name de beschikking groepsrenteaftrek Hongarije.
(170) Zie overweging 202.
(171) Zie ook beschikking groepsrentebox, overwegingen 80 tot en met 82, en beschikking groepsrenteaftrek Hongarije, overwegingen 131 en 132.
(172) Zie zaak C-81/10 P, France Télécom/Commissie, ECLI:EU:C:2011:811, punt 43; zaak C-66/02, Italië/Commissie, ECLI:EU:C:2005:768, punt 34, en gevoegde zaken T-427/04 en T-17/05, Frankrijk en France Télécom/Commissie, ECLI:EU:T:2009:474, punten 207 en 215.
(173) Opmerkingen van Luxemburg over het inleidingsbesluit, punt 28.
(174) Zie overweging 77.
(175) Eerste reeks opmerkingen van FFT, punt 60; tweede reeks opmerkingen van FFT, punt 1.4.
(176) Zie deel 7.2.1.1.
(177) Circulaire, blz. 3 en 4.
(178) Opmerkingen van Luxemburg over het inleidingsbesluit, punt 34.
(179) Opmerkingen van Luxemburg over het inleidingsbesluit, punt 36.
(180) De nummers verwijzen naar de nummering van de rulings zoals die door Luxemburg aan de Commissie zijn meegedeeld.
(181) Verrekenprijzenrapport van FFT, blz. 34.
(182) Zie overweging 83.
(183) Waaronder twee rulings die betrekking hadden op de verzoeken van FFT en [onderneming F], zie overwegingen 28 en 29.
(184) Het verzoek van de Commissie van 23 juni 2015 betreft alle door de onderneming overgelegde verrekenprijzenrapporten; de mededeling van Luxemburg van 25 juni 2015 bevat geen enkel later rapport van dien aard.
(185) Brief van Luxemburg van 24 maart 2015, antwoord op vraag 6.
(186) Arrest in gevoegde zaken C-78/08–C-80/08, Paint Graphos e.a., ECLI:EU:C:2011:550, punt 69.
(187) Arrest van het Hof van Justitie in zaak C-170/83, Hydrotherm, ECLI:EU:C:1984:271, punt 11, en arrest van het Gerecht in zaak T-137/02, Pollmeier Malchow/Commissie, ECLI:EU:T:2004:304, punt 50.
(188) Arresten van het Hof van Justitie in zaak C-480/09 P, Acea Electrabel Produzione/ Commissie, ECLI:EU:C:2010:787, punten 47-55, en zaak C-222/04, Cassa di Risparmio di Firenze e.a., ECLI:EU:C:2006:8, punt 112.
(189) Zie overweging 110.
(190) Zie overweging 34.
(191) Zie naar analogie arrest van het Hof van Justitie in zaak 323/82, Intermills/Commissie, ECLI:EU:C:1984:345, punt 11: „Uit de door verzoeksters zelf verstrekte inlichtingen blijkt, dat sinds de herstructurering, toezicht wordt uitgeoefend door het Waalse Gewest op zowel de onderneming Intermills als de drie industriële ondernemingen en dat de onderneming Intermills na de overdracht van de productie-installaties aan de drie nieuw opgerichte ondernemingen, daarin nog steeds een belang heeft. Bijgevolg moet worden vastgesteld dat, ondanks het feit dat elk van de drie industriële ondernemingen een juridische identiteit heeft, onafhankelijk van de oude onderneming Intermills, al deze ondernemingen tezamen, althans wat de steun van de Belgische overheid betreft, een groep vormen. […].”
(192) Zie overweging 48.
(193) Geen van de uitzonderingsbepalingen van artikel 107, lid 2, VWEU (die betrekking hebben op steunmaatregelen van sociale aard aan individuele verbruikers, steunmaatregelen tot herstel van de schade veroorzaakt door natuurrampen of andere buitengewone gebeurtenissen, en steunmaatregelen aan de economie van bepaalde streken van de Bondsrepubliek Duitsland) is in het onderhavige geval van toepassing.
(194) Verordening (EU) 2015/1589 van de Raad van 13 juli 2015 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (PB L 248 van 24.9.2015, blz. 9).
(195) Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1).
(196) Opmerkingen van Luxemburg over het inleidingsbesluit, punt 104 e.v. Luxemburg haalt punt 19 van het verslag van de Groep gedragscode (belastingregeling ondernemingen) van de Raad (Ecofin) aan, waarin het volgende wordt verklaard (tekst in het Engels): „With respect to the Luxembourg tax measure concerning companies engaged in intra-group financing activities the Group discussed the agreed description at the meeting on 17 February 2011. Luxembourg informed the Group that Circular No 164/2 dated 28 January 2011 determines the conditions for providing advance pricing agreements confirming the remuneration of the transactions. At the meeting on 11 April 2011, Luxembourg informed that Group that Circular No 164/2 bis dated 8 April 2011 ensured that advance confirmations granted prior to the entry into force of Circular No 164/2 would cease to be valid by 31 December 2011. With the benefit of this information, the Group agreed that there was no need for this measure to be assessed against the criteria of the Code of Conduct.”
(197) Zie arresten van het Hof van Justitie in zaak C-5/89, Commissie/Duitsland, ECLI:EU:C:1990:320, punt 17, en zaak C-310/99, Italië/Commissie, ECLI:EU:C:2002:143, punt 104.
(198) Zie arrest van het Gerecht in zaak T-67/94, Ladbroke Racing/Commissie, ECLI:EU:T:1998:7, punt 183; zie ook arrest van het Gerecht in gevoegde zaken T-116/01 en T-118/01, P&O European Ferries (Vizcaya) SA en Diputacion Floral de Vizcaya/Commissie, ECLI:EU:T:2003:217, punt 203.
(199) Zie arrest van het Gerecht in zaak T-290/97, Mehibas Dordtselaan/Commissie, ECLI:EU:T:2000:8, punt 59, en arrest van het Hof van Justitie in gevoegde zaken C-182/03 en C-217/03, België en Forum 187/Commissie, ECLI:EU:C:2006:416, punt 147.
(200) Conclusies van de Raad (Ecofin) van 1 december 1997 inzake het belastingbeleid (PB C 2 van 6.1.1998, blz. 1). Zie ook de documenten die beschikbaar zijn op het volgende adres: http://ec.europa.eu/taxation_customs/business/company-tax/harmful-tax-competition_en#code_conduct
(201) Zie in die zin conclusie van advocaat-generaal Léger in zaak C-217/03, België en Forum 187/Commissie, ECLI:EU:C:2006:89, punt 376.
(202) In Aanvullend Protocol nr. 1 bij het Verdrag nopens de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling van 14 december 1960 zijn de verdragsluitende partijen overeengekomen dat de Europese Commissie deelneemt aan de werkzaamheden van de organisatie. Vertegenwoordigers van de Commissie nemen naast de leden deel aan de discussies over het werkprogramma van de OESO en zijn betrokken bij het werk van de organisatie als geheel en dat van haar diverse organen. De Commissie is dus zeker meer dan enkel een waarnemer, maar zij heeft geen stemrecht en houdt zich formeel afzijdig bij de vaststelling van handelingen waarover de Raad van de OESO beslist.
(203) Beschikking van de Commissie van 11 juli 2001 betreffende steunmaatregel C 47/2001 (ex NN 42/2000) — Duitsland: Controle- en coördinatiecentra van buitenlandse ondernemingen (PB C 304 van 30.10.2001, blz. 2). Beschikking 2003/501/EG.
(204) Zie voetnoot 105.
(205) Zij het in een context waarin werd gesteld dat terugvordering niet mogelijk was, en niet in een context waarin het steunbedrag „niet exact kan worden bepaald”.
(206) Arrest van het Hof van Justitie in gevoegde zaken T-427/04 en T-17/05, Frankrijk/Commissie, ECLI:EU:T:2009:474, punt 297.
(207) Arrest van het Hof van Justitie in gevoegde zaken T-427/04 en T-17/05, Frankrijk/Commissie, ECLI:EU:T:2009:474, punt 299.
(208) Mededeling van de Commissie over de toepassing van de regels betreffende steunmaatregelen van de staten op maatregelen op het gebied van de directe belastingen op ondernemingen (PB C 384 van 10.12.1998, blz. 3).
(209) Arrest in zaak C-441/06, Commissie/Frankrijk, ECLI:EU:C:2007:616, punt 29 en aldaar aangehaalde rechtspraak.
(210) Zie met name de overwegingen 308 t.e.m. 311.
|
22.12.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 351/68 |
BESLUIT (EU) 2016/2327 VAN DE COMMISSIE
van 5 juli 2016
betreffende steunmaatregel SA.19864 — 2014/C (ex 2009/NN54) die door België ten uitvoer is gelegd — Overheidsfinanciering van de Brusselse openbare ziekenhuizen van het IRIS-netwerk
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 4051)
(Slechts de teksten in de Nederlandse en de Franse taal zijn authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea, (1)
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na overeenkomstig bovengenoemde artikelen de belanghebbenden te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (2), en gezien deze opmerkingen,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
Bij brieven van 7 september 2005 en 17 oktober 2005, geregistreerd op respectievelijk 12 september 2005 en 19 oktober 2005, ontving de Commissie een klacht tegen de Belgische Staat met betrekking tot de vermeende toekenning van onrechtmatige en onverenigbare steun sinds 1995 aan de vijf openbare algemene ziekenhuizen (3) (hierna „de IRIS-ziekenhuizen” genoemd) (4) die behoren tot het IRIS-netwerk van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (5) (hierna „IRIS” genoemd). De klacht was ingediend door twee verenigingen, namelijk de Coördinatie van Brusselse instellingen voor welzijnswerk en gezondheidszorg (CBI) en de Brusselse Vereniging der Private Verzorgingsinstellingen (BVPZI), die optreden als vertegenwoordigers van ziekenhuizen die door privaatrechtelijke rechtspersonen worden beheerd (hierna „particuliere ziekenhuizen” genoemd), en ook individueel door verschillende ziekenhuizen die lid zijn van die verenigingen (6). |
|
(2) |
De klacht is gebaseerd op de volgende argumenten: i) geen of onvoldoende duidelijke omschrijving en toewijzing van de specifieke openbaredienstverplichtingen waarmee alleen de IRIS-ziekenhuizen, en dus niet de Brusselse particuliere ziekenhuizen, zijn belast ii) de compensatie van de verliezen van de IRIS-ziekenhuizen door de overheid, iii) de overcompensatie van de kosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen via het Brussels Gewestelijk Herfinancieringsfonds voor de Gemeentelijke Thesaurieën (BGHGT), iv) het gebrek aan transparantie in de methode van overheidsfinanciering van de IRIS-ziekenhuizen, en ten slotte v) de kruissubsidiëring van de niet-ziekenhuisactiviteiten van de IRIS-ziekenhuizen via de overheidscompensatie voor de uitvoering van hun ziekenhuisopdrachten (7). |
|
(3) |
Nadat de Belgische autoriteiten nadere informatie hadden verstrekt, deelden de diensten van de Commissie de klagers bij brief van 10 januari 2008 hun voorlopige standpunt over de klacht mee (8) en vroegen zij de klagers nieuwe informatie in te dienen die hun voorlopige beoordeling van de klacht zou kunnen wijzigen, bij gebreke waarvan de klacht als ingetrokken zou worden beschouwd. Na het antwoord van de klager bevestigden de diensten van de Commissie hun voorlopige beoordeling in hun brief van 10 april 2008. |
|
(4) |
Vervolgens brachten de klagers de Commissie op de hoogte van het feit dat zij tegen de brief van 10 januari 2008, die zij als een beschikking van de Commissie beschouwden, een beroep tot nietigverklaring hadden ingesteld bij het Gerecht van eerste aanleg van de Europese Gemeenschappen (9). Voorts dienden de klagers op 20 juni 2008 een beroep tot nietigverklaring in tegen de brief van de diensten van de Commissie van 10 april 2008 (10). Beide gerechtelijke procedures werden door het Gerecht van eerste aanleg geschorst tot en met 31 oktober 2009, omdat de Commissie had meegedeeld dat zij voornemens was een beschikking vast te stellen krachtens Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (11). Om die beschikking vast te kunnen stellen, verzochten de diensten van de Commissie de Belgische autoriteiten en de klaagsters om aanvullende informatie. |
|
(5) |
In haar beschikking van 28 oktober 2009 (12) (hierna „de beschikking van de Commissie van 2009” genoemd, zie ook punt 4.1) besloot de Commissie geen bezwaar te maken tegen de steun voor de financiering van de openbare ziekenhuizen van het IRIS-netwerk in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, omdat de betrokken financiering verenigbaar werd geacht met de gemeenschappelijke markt onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in Beschikking 2005/842/EG van de Commissie (13) (hierna „de DAEB-beschikking van 2005” genoemd) en rechtstreeks met artikel 86, lid 2, van het EG-Verdrag (thans artikel 106, lid 2, VWEU) met betrekking tot de verplichtingen die vóór de inwerkingtreding van de DAEB-beschikking van 2005 op 19 december 2005 waren toegewezen. |
|
(6) |
Vervolgens stelden de klagers tegen die beschikking van de Commissie een beroep tot nietigverklaring in bij het Gerecht. Het Gerecht verklaarde de beschikking van de Commissie nietig bij zijn arrest van 7 november 2012 in zaak T-137/10 (14) (zie ook punt 4.2), op grond van de conclusie dat die beschikking was vastgesteld met schending van de procedurele rechten van de klagers. Het Gerecht oordeelde met name dat, gelet op de argumenten van de klagers met betrekking tot de verenigbaarheid van de betrokken maatregelen met de interne markt, de Commissie ernstige twijfels over die verenigbaarheid had moeten hebben. Het Gerecht was derhalve van oordeel dat de Commissie verplicht was de formele onderzoeksprocedure in te leiden om alle relevante gegevens te verzamelen voor de controle van de verenigbaarheid van alle betrokken steunmaatregelen met de interne markt en om de klagers en andere belanghebbenden de gelegenheid te bieden opmerkingen in verband met die procedure in te dienen (15). |
|
(7) |
Bij brief van 1 oktober 2014 heeft de Commissie België in kennis gesteld van haar besluit tot inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU ten aanzien van de overheidsfinanciering ten gunste van de Brusselse openbare ziekenhuizen van het IRIS-netwerk. |
|
(8) |
Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure (hierna „inleidingsbesluit” genoemd) is in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (16). De Commissie verzocht alle belanghebbenden hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregelen kenbaar te maken. |
|
(9) |
Bij brief van 22 oktober 2014 verzochten de Belgische autoriteiten om een verlenging van de termijn voor het indienen van hun opmerkingen over het inleidingsbesluit, waarmee de Commissie bij brief van 23 oktober 2014 instemde. Bij e-mail van 1 december 2014 is verzocht om een extra verlenging van de termijn, waarmee de Commissie bij brief van 2 december 2014 instemde. Bij brief van 16 december 2014 diende het Koninkrijk België zijn opmerkingen over het inleidingsbesluit in. |
|
(10) |
De Commissie ontving opmerkingen van belanghebbenden (zie punt 5 hieronder) op 15 december 2014, 5 januari 2015 en 9 januari 2015. Bij brieven van 13 en 20 februari 2015 zond de Commissie die opmerkingen ter reactie door aan België. De opmerkingen van België werden ontvangen bij brief van 13 maart 2015 en geregistreerd op 17 maart 2015. |
|
(11) |
Op basis daarvan heeft de Commissie de zaak opnieuw beoordeeld en bepaalde elementen anders geïnterpreteerd dan in de beoordeling van haar nietig verklaarde beschikking van 2009. |
2. ACHTERGROND
|
(12) |
De IRIS-ziekenhuizen werken in een complex wetgevend en regelgevend kader dat door verschillende overheidsinstanties vorm wordt gegeven. Om omvattend te kunnen beoordelen of de ontvangen overheidsfinanciering voldoet aan de staatssteunregels, is in de eerste plaats een korte beschrijving nodig van het wetgevende en regelgevende kader zoals dat van toepassing is op de IRIS-ziekenhuizen. Die beschrijving omvat een inleiding tot de OCMW-wet (op grond waarvan de IRIS-ziekenhuizen zijn opgericht), een korte uiteenzetting over de oprichting van de IRIS-ziekenhuizen, een overzicht van de wetgevende en andere documenten waarin de activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen zijn geregeld, een kort overzicht van de belangrijkste activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen en een opsomming van de verschillende toepasselijke financieringsmechanismen. |
2.1. Het recht op maatschappelijke dienstverlening en de OCMW-wet
|
(13) |
Het recht op maatschappelijke dienstverlening is een grondwettelijk recht in België. Met name is in artikel 23 van de Belgische grondwet het volgende bepaald: „Ieder heeft het recht een menswaardig leven te leiden. Daartoe waarborgen de wet, het decreet of de in artikel 134 bedoelde regel, rekening houdend met de overeenkomstige plichten, de economische, sociale en culturele rechten, waarvan ze de voorwaarden voor de uitoefening bepalen. Die rechten omvatten inzonderheid: […]
|
|
(14) |
Daadwerkelijke toegang tot maatschappelijke dienstverlening voor burgers is voornamelijk geregeld bij de organieke wet van 8 juli 1976 (17) (hierna „de OCMW-wet” genoemd), waarbij de openbare centra voor maatschappelijk welzijn (hierna „de OCMW's” genoemd) zijn opgericht. De OCMW's zijn in elke Belgische gemeente bestaande openbare instellingen met rechtspersoonlijkheid. De OCMW's worden bestuurd door een raad waarvan de leden worden verkozen door de gemeenteraad van de respectieve gemeenten. In artikel 1 van de OCMW-wet is het volgende bepaald: „Elke persoon heeft recht op maatschappelijke dienstverlening. Deze heeft tot doel eenieder in de mogelijkheid te stellen een leven te leiden dat beantwoordt aan de menselijke waardigheid. Er worden openbare centra voor maatschappelijk welzijn opgericht die, onder de door deze wet bepaalde voorwaarden, tot opdracht hebben deze dienstverlening te verzekeren.”. |
|
(15) |
In de praktijk verzekeren de OCMW's maatschappelijke dienstverlening aan personen die niet over de middelen beschikken om een menswaardig leven te leiden en die niet in aanmerking komen voor andere vormen van sociale zekerheid (zoals werkloosheidsuitkeringen). In dit verband is in artikel 57, lid 1, van de OCMW-wet bepaald dat de OCMW's tot taak hebben aan personen en gezinnen de dienstverlening te verzekeren waartoe de gemeenschap gehouden is en wordt die dienstverlening als volgt omschreven: „Het verzekert niet alleen lenigende of curatieve doch ook preventieve hulp. (Het bevordert de maatschappelijke participatie van de gebruikers.) Deze dienstverlening kan van materiële, sociale, geneeskundige, sociaal-geneeskundige of psychologische aard zijn.”. |
|
(16) |
Hoewel elk OCMW verplicht is maatschappelijke dienstverlening te verstrekken aan personen en gezinnen, beschikt het evenwel over een zekere beoordelingsruimte ten aanzien van de wijze waarop die dienstverlening wordt verstrekt. Meer bepaald kan een OCMW die dienstverlening:
|
|
(17) |
In de laatste twee gevallen delegeert het OCMW (een deel van) haar verplichting tot maatschappelijke dienstverlening alleen voor zover dit consistent is met het doel van de deelnemende inrichting. Indien het een door het OCMW opgerichte inrichting betreft, oefent het OCMW controle uit op dit doel. In het geval van een derde inrichting wordt de samenwerking beperkt door het doel van die inrichting. |
|
(18) |
De wettelijke verplichting voor het OCMW om maatschappelijke dienstverlening te verzekeren, of het nu materiële, sociale, medische, medisch-sociale of psychologische dienstverlening is, geldt ongeacht of het OCMW de dienstverlening rechtstreeks verstrekt, dan wel via inrichtingen die het opricht of waarmee het samenwerkt. Op grond van artikel 57 van de OCMW-wet is (alleen) het OCMW verplicht die dienstverlening in alle gevallen te verzekeren. Elke vorm van delegatie is louter een regeling voor de uitoefening van die verplichting en ontslaat het OCMW niet van zijn verantwoordelijkheid om ervoor te zorgen dat zijn verplichting (verder) wordt nagekomen. |
|
(19) |
De eisen die van toepassing zijn wanneer een OCMW een inrichting of dienst (zoals een ziekenhuis) wenst op te richten voor de uitvoering van (een deel van) de taak van het OCMW om maatschappelijke dienstverlening te verzekeren, zijn vastgelegd in artikel 60 § 6 van de OCMW-wet: „Waar de noodzakelijkheid zich voordoet, richt het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn, desgevallend in het kader van een bestaande planning, inrichtingen of diensten op met sociaal, curatief of preventief karakter, breidt deze uit en beheert deze. De noodzaak tot het oprichten of het uitbreiden van een inrichting of van een dienst moet blijken uit een dossier dat een onderzoek bevat naar de behoeften van de gemeente en/of de streek en naar de gelijkaardige inrichtingen of diensten die reeds in functie zijn, een beschrijving van de wijze van functioneren, een nauwkeurige raming van de kostprijs en van de uitgaven die moeten gedaan worden, alsook, indien mogelijk, inlichtingen die een vergelijking met gelijkaardige instellingen en diensten mogelijk maken. De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de organieke wetgeving of reglementering voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden. Onverminderd de machtigingen te verkrijgen vanwege andere overheidsorganen, wordt het besluit om een inrichting of een dienst op te richten of uit te breiden voor goedkeuring voorgelegd aan de gemeenteraad (…), zodra het besluit van die aard is dat het een tegemoetkoming uit de gemeentebegroting zal meebrengen of deze zal verhogen.”. |
|
(20) |
De verplichting in artikel 57 van de OCMW-wet om aan personen en gezinnen dienstverlening te verstrekken (van sociale, medische, medisch-sociale of psychologische aard) is:
|
|
(21) |
Op basis van het beginsel van gemeentelijke autonomie neemt elk OCMW in zijn respectieve gemeente een autonoom besluit, met inachtneming van de OCMW-wet, over het meest geschikte middel om zijn verplichting tot het verzekeren van dienstverlening (met inbegrip van medische hulp) na te komen. De grondwettelijke keuze om maatschappelijke dienstverlening op gemeentelijk niveau te organiseren, wordt ook bepaald door de wens en de noodzaak om een beleid voor maatschappelijke dienstverlening in te voeren dat zo dicht mogelijk bij de bevolking staat. Wanneer een OCMW besluit een inrichting voor curatieve gezondheidszorg op te richten om tegemoet te komen aan de gezondheidsbehoeften van de plaatselijke bevolking, wordt de aldus opgerichte inrichting geregeld door zowel de OCMW-wet als het federale rechtskader voor ziekenhuizen (zie overweging 32 wat dit kader betreft), dat geldt voor alle ziekenhuizen, ongeacht hun status (openbaar of privaat), en dat voorziet in een gemeenschappelijk organisatorisch systeem voor het hele land. In tegenstelling tot particuliere ziekenhuizen hebben door een OCMW opgerichte ziekenhuizen, zoals de IRIS-ziekenhuizen, evenwel in de eerste plaats tot doel steeds bij te dragen tot het verstrekken van maatschappelijke dienstverlening. De precieze aard van de voor de IRIS-ziekenhuizen geldende verplichtingen tot maatschappelijke dienstverlening (zie ook punt 7.3.4.1) is vastgesteld in de statuten van de IRIS-ziekenhuizen en in de strategische plannen van IRIS in overeenstemming met de vereisten van de OCMW-wet (met name in de artikelen 120 en 135 quinquies). |
|
(22) |
Tot slot moeten gemeenten op grond van artikel 106 van de OCMW-wet het tekort van hun OCMW dekken indien laatstgenoemde niet over voldoende middelen beschikt om de uitgaven in verband met de uitvoering van zijn verplichting tot maatschappelijke dienstverlening te dekken. |
2.2. De oprichting van de IRIS-ziekenhuizen
|
(23) |
Zoals hierboven uiteengezet (zie overweging 15) omvat de maatschappelijke dienstverlening van het OCMW medische en medisch-sociale bijstand, en kan ze zowel een preventief als een curatief karakter hebben. Die bijstand kan hetzij i) rechtstreeks door het OCMW worden verleend, of ii) via derden (zoals particuliere ziekenhuizen), overeenkomstig hun statutaire autonomie, of nog iii), met name als het OCMW controle wil hebben over de middelen om die doelstellingen te bereiken, door de oprichting van een inrichting of dienst om een deel van de taak van het OCMW uit te voeren (die dan wordt omschreven in de statuten van die inrichting of dienst en in het geval van de IRIS-ziekenhuizen ook in de strategische plannen van IRIS (zie overwegingen 16 en 21). Om hun taak op het gebied van medische bijstand uit te oefenen, hebben de OCMW's in verschillende Belgische steden en gemeenten ziekenhuizen opgericht die zij blijven (mede)beheren. |
|
(24) |
In het verleden hebben de OCMW's in de zes betrokken Brusselse gemeenten (18) zelf maatschappelijke dienstverlening van medische en medisch-sociale aard verstrekt via acht openbare ziekenhuizen (19) die verspreid zijn over acht verschillende sites. Die ziekenhuizen werden rechtstreeks beheerd door de respectieve OCMW's en hadden geen rechtspersoonlijkheid. Die ziekenhuizen droegen dus duidelijk bij tot het nakomen van de verplichting tot maatschappelijke dienstverlening van de respectieve OCMW's. In de eerste helft van de jaren negentig hebben de Brusselse overheden echter vastgesteld dat de structurele tekorten van die ziekenhuizen hun continuïteit in gevaar brachten. Ter verzekering van het voortbestaan en de levensvatbaarheid (in het Frans „pérennité” genoemd) van de Brusselse openbare ziekenhuizen hebben de Brusselse overheden besloten die ziekenhuizen te herstructureren. |
|
(25) |
De eerste stap in de herstructurering was de ondertekening van een samenwerkingsakkoord inzake ziekenhuisbeleid door de Belgische federale regering, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Brusselse Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie op 19 mei 1994. Dat akkoord voorzag in de tenuitvoerlegging van een herstructureringspact om de continuïteit van de diensten van openbare en plaatselijke ziekenhuizen te waarborgen. In artikel 2 van dat samenwerkingsakkoord is het volgende bepaald: „Dit herstructureringspact moet aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
|
(26) |
In de preambule van het samenwerkingsakkoord is in dit verband het volgende bepaald: „Overwegende dat de financiële tekorten van de openbare ziekenhuizen gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest een onrustwekkende omvang hebben aangenomen; Dat, ondanks meerdere saneringsplannen, het financieel evenwicht van deze instellingen uiterst wankel blijkt en de gemeentelijke begrotingen op structurele wijze bezwaart; Overwegende dat het daardoor noodzakelijk is geworden om het instellen van coördinatie- en samenwerkingsmechanismen aan te moedigen tussen de gemeenten en de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en verenigingen opgericht overeenkomstig [hoofdstuk XII van de OCMW-wet], die verantwoordelijkheid dragen voor de verschillende openbare ziekenhuizen gelegen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest; Overwegende dat dergelijke coördinatie- en samenwerkingsmechanismen zullen bijdragen tot het voortbestaan van de openbare ziekenhuizen door het aanmoedigen van samenwerking zowel op het vlak van uitrusting en infrastructuur als op het vlak van hun beheers- en ontwikkelingsmogelijkheden en door bij te dragen tot het verhelpen van de tekorten op de gemeentebegrotingen; Overwegende dat dit samenwerkingsakkoord op geen enkele wijze de financieringsregeling van de ziekenhuizen wijzigt, maar enkel bedoeld is om de structurele tekorten van de openbare centra voor maatschappelijk welzijn en van de gemeenten te verhelpen.” (21). |
|
(27) |
Het is op die grondslag dat de Brusselse Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie de Ordonnantie van 22 december 1995 heeft vastgesteld, waarbij een hoofdstuk XII bis is ingevoegd in de versie van de OCMW-wet die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest van toepassing is. In het ontwerp van die Ordonnantie (22) wordt verwezen naar het samenwerkingsakkoord van 19 mei 1994 (zie overweging 25), waarvan de hoofddoelstelling erin bestond het voortbestaan van de Brusselse openbare ziekenhuizen te garanderen door middel van de voorgestelde herstructurering (23). |
|
(28) |
De herstructurering omvatte de volgende belangrijke elementen:
|
|
(29) |
Overeenkomstig hoofdstuk XII van de OCMW-wet wordt elk van de plaatselijke ziekenhuisverenigingen opgericht op grond van statuten waarin onder andere het doel, de rechten en verplichtingen van de leden, alsook de besluitvormingsorganen van de vereniging zijn vastgelegd (27). Op grond hiervan heeft elke vereniging een algemene vergadering en een raad van bestuur, waarin de oprichtende partijen van de vereniging (zie overweging 28) zijn vertegenwoordigd; de regeringsvertegenwoordigers (d.w.z. de gemeente en de OCMW's) beschikken echter altijd over een meerderheid van de zetels in die besluitvormingsorganen (28). Hieruit blijkt dat elk van de IRIS-ziekenhuizen door overheidsinstanties wordt beheerd. De gemeenten en de OCMW's beschikken eveneens over een ruime meerderheid in de algemene vergadering en de raad van bestuur van de koepelvereniging IRIS. |
|
(30) |
Hoofdstuk XII bis van de OCMW-wet bevat onder andere de voor de plaatselijke ziekenhuisverenigingen geldende regels inzake controle en administratief toezicht. Meer in het bijzonder moet de koepelvereniging IRIS een strategisch plan opstellen dat bindend is voor de overeenkomstig hoofdstuk XII opgerichte plaatselijke verenigingen. Op basis van dit plan dient elke plaatselijke ziekenhuisvereniging bedrijfsplannen en financiële plannen vast te stellen en die ter goedkeuring aan IRIS voor te leggen (zie artikel 135 quinquies van de OCMW-wet). De plaatselijke ziekenhuisverenigingen zijn ook verplicht bepaalde belangrijke beslissingen ter goedkeuring aan IRIS voor te leggen (zie artikel 135 sexies), die ze elk kwartaal controleert (zie artikel 135 octies). IRIS wijst voorts een commissaris aan bij elke plaatselijke ziekenhuisvereniging die de vergaderingen van de besluitvormingsorganen van die verenigingen bijwoont en die over een vetorecht beschikt voor beslissingen die niet in overeenstemming zijn met die van IRIS zelf (zie artikel 135 novies). |
|
(31) |
Ten slotte omvatte, zoals uiteengezet in de punten 31 en 32 van het inleidingsbesluit, de herstructurering van de Brusselse openbare ziekenhuizen die onder toezicht stonden van en werden beheerd door de OCMW's, ook een financieel gedeelte. Meer bepaald heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest via het Brussels Gewestelijk Herfinancieringsfonds voor de gemeentelijke Thesaurieën (hierna „het BGHGT” genoemd) een lening van 4 miljard BEF (ongeveer 100 miljoen EUR) over een periode van 20 jaar toegekend aan gemeenten die (via hun respectieve OCMW's) een openbaar ziekenhuis beheerden (29). De gemeenten kenden die middelen op hun beurt toe aan hun openbare ziekenhuizen om een deel van hun financiële passiva te dekken (30). Op 6 juni 1996 besloot het Brussels Hoofdstedelijk Gewest om geen terugbetaling van de lening en rente te eisen, mits de herstructureringspacten van de ziekenhuizen volledig waren uitgevoerd en de financiële plannen waren nageleefd. |
2.3. Het regelgevingskader voor de IRIS-ziekenhuizen
|
(32) |
Uit de vorige overwegingen blijkt dat de IRIS-ziekenhuizen op grond van de OCMW-wet zijn opgericht om de OCMW's in staat te stellen hun verplichting tot maatschappelijke dienstverlening na te komen. Die ziekenhuizen worden derhalve in de eerste plaats door de OCMW-wet geregeld. Als ziekenhuis vallen ze echter ook onder de wet van 7 augustus 1987 (gecoördineerde wet op de ziekenhuizen, hierna „de GWZ” genoemd) (31). In artikel 147 daarvan (thans artikel 163 GWZ in de versie van de wet van 10 juli 2008) (32), is het volgende bepaald: „Wat betreft de ziekenhuizen beheerd door een [OCMW] en de in die ziekenhuizen werkzame geneesheren, strekken de bepalingen van deze gecoördineerde wet tot aanvulling van de [OCMW-wet].”. |
|
(33) |
Bij de GWZ zijn onder andere de soorten ziekenhuizen vastgesteld die formeel kunnen worden erkend (33), de voorwaarden voor het beheer van een ziekenhuis en de structuur van de medische activiteit (34), de ziekenhuisprogrammatie (35), de voorwaarden voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten (36), de rechtsverhouding tussen een ziekenhuis en de ziekenhuisartsen, het financieel statuut van de ziekenhuisartsen, met inbegrip van onder andere de inning en de vaststelling van de honoraria, de provisies en de toewijzing van de centraal geïnde honoraria (37). |
|
(34) |
Daarnaast gelden voor de IRIS-ziekenhuizen ook de in de statuten van de plaatselijke ziekenhuisverenigingen vastgestelde regels, waarin onder andere het doel van de IRIS-ziekenhuizen, evenals de rechten en verplichtingen van de leden van de vereniging zijn vastgelegd (zie ook overweging 29). |
|
(35) |
Ten slotte werken de plaatselijke ziekenhuisverenigingen onder het toezicht van de koepelvereniging IRIS, waardoor hun autonomie op het vlak van een aantal financiële en beheersbeslissingen wordt beperkt (zie ook overweging 30). Belangrijk daarbij is dat de koepelvereniging IRIS strategische meerjarenplannen vaststelt die bindend zijn voor de plaatselijke ziekenhuisverenigingen zoals bepaald in artikel 135 quinquies van de OCMW-wet. |
|
(36) |
Tot slot omvat het regelgevingskader waarbinnen de IRIS-ziekenhuizen werken de OCMW-wet, de GWZ, de statuten van de plaatselijke ziekenhuisverenigingen en de door de koepelvereniging IRIS vastgestelde bindende strategische plannen. |
2.4. Belangrijkste activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen
|
(37) |
De hoofdactiviteit van de IRIS-ziekenhuizen is het verstrekken van ziekenhuisdiensten aan patiënten in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. De IRIS-ziekenhuizen hebben samen bijna 10 000 personeelsleden in dienst, zijn goed voor meer dan 1 miljoen raadplegingen per jaar en vormen de grootste hulpdienst van België. De IRIS-ziekenhuizen bieden op alle belangrijke medische gebieden een brede waaier aan van medische diensten, waarbij twee van hen zijn gespecialiseerd in specifieke vakgebieden (het Universitaire Kinderziekenhuis Koningin Fabiola in kindergeneeskunde, en het Jules Bordet Instituut in oncologie). |
|
(38) |
Behalve met medische diensten houden de IRIS-ziekenhuizen zich ook bezig met een reeks aanverwante sociale activiteiten. Met name helpen sociale assistenten van de IRIS-ziekenhuizen de meest kwetsbare patiënten en hun familie bij het oplossen en beheersen van financiële, administratieve, interpersoonlijke en sociale problemen. |
|
(39) |
De vijf IRIS-ziekenhuizen verstrekken hun medische en aanverwante sociale diensten momenteel via een netwerk van elf sites in Brussel. Die sites zijn verspreid over zes gemeenten (Anderlecht, Stad Brussel, Etterbeek, Vorst, Elsene en Schaarbeek). |
|
(40) |
De IRIS-ziekenhuizen omschrijven hun taak als volgt: „Vanaf de geboorte tot het einde van het leven staan onze ziekenhuizen in dienst van iedereen, op elk moment van zijn bestaan, ongeacht zijn medische problemen” (38). Tien van de elf sites van de IRIS-ziekenhuizen bevinden zich in gemeenten waar het gemiddelde inkomen niet boven de mediaan (39) voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest uitkomt. Volgens een ranglijst van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid (zie overweging 185 voor de tabel met die ranglijst) is het patiëntenprofiel van de drie grote IRIS-ziekenhuizen (het UMC Sint-Pieter, het UVC Brugmann en de IZZ) in sociaaleconomische termen het zwakste van heel België. Dit wordt ook geïllustreerd door het feit dat in 2012 bijna 11 % van het totale aantal in het UMC Sint-Pieter en het UVC Brugmann opgenomen patiënten niet waren gedekt door de verplichte Belgische ziektekostenverzekering, en niet konden betalen voor hun behandeling, terwijl 15 % van de patiënten van die ziekenhuizen (ook) afhankelijk waren van OCMW-steun. |
|
(41) |
Ten slotte verrichten de IRIS-ziekenhuizen ook een aantal ondersteunende activiteiten (zoals vervoer van patiënten tussen ziekenhuizen met de ziekenwagen, een crèche voor de kinderen van personeelsleden, verpleeg- en bejaardentehuizen, scholen voor verpleegkundigen, onderzoek, begeleid wonen, psychiatrische verzorgingstehuizen, een winkeltje voor patiënten en bezoekers, de verhuur van tv's aan patiënten, de verhuur van kamers aan derden, een kantine en parkeerplaatsen). Die ondersteunende activiteiten maken slechts een zeer klein percentage uit van de totale activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen, zoals tot uiting komt in hun geringe aandeel (gemiddeld minder dan 2 %) in de totale inkomsten van de IRIS-ziekenhuizen. |
|
(42) |
Al die activiteiten samen vormen de kosten en inkomsten van de IRIS-ziekenhuizen. Hun kosten worden niet alleen beïnvloed door de specifieke werkzaamheden die ze verrichten, maar ook door hun status van openbare ziekenhuizen, die een aantal beperkingen inhoudt die niet gelden voor particuliere ziekenhuizen. In het bijzonder hebben de IRIS-ziekenhuizen als gevolg van de volgende factoren hogere exploitatiekosten in verband met de uitvoering van hun diensten van algemeen economisch belang (hierna „DAEB's”) en aanverwante activiteiten:
|
|
(43) |
Die residuele kosten moeten door de IRIS-ziekenhuizen worden gedragen en worden niet gedekt door andere openbare financieringsbronnen (zoals bijvoorbeeld het budget van financiële middelen, zie overweging 46, onder a)). |
2.5. De financierings- en boekhoudmechanismen van de IRIS-ziekenhuizen
2.5.1. Financieringsmechanismen
|
(44) |
Het basisbeginsel van de financiering van de IRIS-ziekenhuizen is vastgelegd in artikel 46 (47) van de statuten van elk van de vijf plaatselijke ziekenhuisverenigingen (zie overwegingen 28 en 29), waarin het volgende is bepaald: „Onverminderd artikel 109 [GWZ] wordt het resultaat van het boekjaar, op basis van een beraadslaging van de Algemene Vergadering, verdeeld onder de geassocieerde leden die in de Algemene Vergadering minstens een vijfde van de stemmen hebben.” (48). Op basis hiervan zijn de gemeenten en de OCMW's verplicht eventuele tekorten van de IRIS-ziekenhuizen zoals gerapporteerd in hun financiële rekeningen volledig op te vangen. Daarnaast moeten de gemeenten op grond van artikel 106 van de OCMW-wet ook eventuele tekorten van hun OCMW's dekken (zie overweging 22). Bijgevolg garanderen de gemeenten (rechtstreeks en via hun financieringsverplichting tegenover hun respectieve OCMW's) uiteindelijk het voortbestaan van de IRIS-ziekenhuizen door eventuele tekorten van die ziekenhuizen volledig te dekken. |
|
(45) |
De mate waarin de gemeenten en de OCMW's eventuele tekorten van de IRIS-ziekenhuizen moeten dekken op grond van artikel 46 van hun respectieve statuten, is uiteraard afhankelijk van de mate waarin de IRIS-ziekenhuizen hun kosten kunnen dekken uit andere financieringsbronnen. |
|
(46) |
In de GWZ worden vijf financieringsbronnen beschreven die onder gelijke voorwaarden beschikbaar zijn voor openbare en particuliere ziekenhuizen. De exploitatiekosten van Belgische ziekenhuizen worden voornamelijk gedekt door de eerste drie financieringsbronnen (49), terwijl de vierde en de vijfde bron kunnen worden aangesproken voor investeringskosten van ziekenhuizen.
|
|
(47) |
Artikel 109 GWZ (thans artikel 125 GWZ in de versie van de Wet van 10 juli 2008 (58)) voorziet in een zesde financieringsmechanisme waarvoor alleen openbare ziekenhuizen (zoals de IRIS-ziekenhuizen) in aanmerking komen. Volgens die bepaling moeten de uit de ziekenhuisactiviteiten van openbare ziekenhuizen voortvloeiende tekorten worden gedekt door de gemeenten waardoor ze worden beheerd (d.w.z. via hun OCMW of via een centrale structuur zoals IRIS). Het beginsel van die (gedeeltelijke) dekking van het tekort door de gemeenten was al opgenomen in de Wet van 23 december 1963 (59), de voorganger van de GWZ, en is bevestigd in artikel 34 van de Wet van 28 december 1973 (60). De criteria voor de berekening van de tekorten die door de gemeenten moeten worden gedekt, zijn vastgelegd in een koninklijk besluit (61). Op basis daarvan bepaalt de federale minister van Volksgezondheid elk jaar het tekort dat voor elk openbaar ziekenhuis moet worden gedekt. In de praktijk is het tekort in de zin van artikel 109 GWZ, dat op de door de minister bepaalde wijze moet worden gedekt, niet precies gelijk aan het tekort dat uit de boekhouding van het ziekenhuis blijkt, daar bepaalde kostenelementen daarin (bv. het resultaat van niet-ziekenhuisactiviteiten die in het geval van de IRIS-ziekenhuizen zuiver ondersteunende activiteiten zijn, zoals wordt uitgelegd in overweging 155) (62) van het tekort in de zin van artikel 109 GWZ zijn uitgesloten. |
|
(48) |
Concluderend kan worden gesteld dat de IRIS-ziekenhuizen derhalve over een uitgebreid financieringsmechanisme beschikken dat de dekking van hun eventuele tekorten garandeert. De vijf algemene financieringsmaatregelen waarin de GWZ voorziet (zie overweging 46 bestrijken het merendeel van de exploitatie- en investeringskosten van de ziekenhuizen. Voor zover die bronnen ontoereikend zijn ter dekking van de uit de activiteiten van de ziekenhuizen voortvloeiende kosten, zijn de gemeenten op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen verplicht eventuele tekorten van de IRIS-ziekenhuizen volledig te dekken (zie de overwegingen 44 en 45). Het boekhoudkundig tekort als bedoeld in artikel 46 van de statuten omvat noodzakelijkerwijs het tekort in de zin van artikel 109 GWZ (63) (zie overweging 47) en door het boekhoudkundig tekort volledig te dekken, komen de gemeenten ook hun verplichting uit hoofde van artikel 109 GWZ na. De betalingsvoorwaarden van dit mechanisme om tekorten te compenseren worden hieronder beschreven (zie punt 7.3.5). |
2.5.2. Boekhoudkundige vereisten
|
(49) |
Alle ziekenhuizen (d.w.z. openbare en particuliere) moeten voldoen aan boekhoudkundige en transparantievereisten. Elk ziekenhuis moet met name een boekhouding voeren waaruit de kosten van elke dienst blijken en die voldoet aan bepaalde elementen van de Wet van 17 juli 1975 (64) op de boekhouding (65). De niet-ziekenhuisactiviteiten moeten in een aparte boekhouding worden opgenomen. Ziekenhuizen moeten ook een bedrijfsrevisor aanstellen die de boekhouding en de jaarrekening van het ziekenhuis certificeert (66). Ten slotte moeten ziekenhuizen bepaalde (financiële) informatie indienen bij de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid (67), die ook toeziet op de naleving van de GWZ (68). |
3. BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN WAAROP DE KLACHT BETREKKING HEEFT
|
(50) |
Volgens de klagers heeft het Brussels Hoofdstedelijk Gewest er de facto voor gekozen de rol van de betrokken Brusselse gemeenten op zich te nemen wat de compensatie van de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen betreft. In de klacht wordt met name verwezen naar tussenkomsten van het Brussels Gewestelijk Herfinancieringsfonds voor de Gemeentelijke Thesaurieën (BGHGT), dat is opgericht door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (69). In de klacht wordt daaraan toegevoegd dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest sedert 2003 zelf ook bijzondere subsidies aan de gemeenten zou hebben toegekend (70) (d.w.z. bijna 10 miljoen EUR per jaar), die beweerdelijk waren bedoeld om als steun aan de IRIS-ziekenhuizen te worden overgedragen. |
|
(51) |
Hoewel de klagers de bevoegdheid van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ten aanzien van die gemeenten niet in twijfel trekken, zijn zij van mening dat wat zij als gewestelijke financiering van de IRIS-ziekenhuizen aanmerken, verder gaat dan wat wordt beoogd met de dekking van het tekort in de zin van artikel 109 GWZ (zie ook overweging 47. De klagers stellen dat de IRIS-ziekenhuizen beduidend hebben geprofiteerd van de gewestelijke financiering die is verleend aan de gemeenten waarin die ziekenhuizen zijn gevestigd en dat die financiering niet kan worden gerechtvaardigd op basis van de bepalingen van de GWZ. De klagers verwezen niet naar de in artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen neergelegde verplichting om de tekorten te dekken. |
|
(52) |
Ten slotte verwijzen de klagers naar het bedrag van ongeveer 100 miljoen EUR dat via het BGHGT is verleend in het kader van de herstructurering van de Brusselse openbare ziekenhuizen, die heeft geleid tot de oprichting van de IRIS-ziekenhuizen (zie ook punt 2.2). Volgens de klagers heeft dit geleid tot overcompensatie van de IRIS-ziekenhuizen. |
4. REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE
4.1. Beschikking van de Commissie van 2009
|
(53) |
Zoals hierboven vermeld (zie overweging 5), besloot de Commissie op 28 oktober 2009 geen bezwaar te maken (71) en kwam zij tot het besluit dat de overheidsfinanciering van de IRIS-ziekenhuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest staatssteun vormde die verenigbaar was met de interne markt, ter compensatie voor de verrichting van diensten van algemeen economisch belang. De Commissie baseerde zich daarbij op de DAEB-beschikking van 2005 en rechtstreeks op artikel 86, lid 2, van het EG-Verdrag (thans artikel 106, lid 2, VWEU). |
|
(54) |
In haar besluit heeft de Commissie geoordeeld dat de IRIS-ziekenhuizen waren belast met drie taken van openbare dienstverlening inzake ziekenhuizen: ten eerste de algemene ziekenhuisopdrachten waarmee alle (openbare en particuliere) ziekenhuizen krachtens de GWZ zijn belast (72); ten tweede de verplichting te zorgen voor alle patiënten in alle omstandigheden, ook na het stadium van spoedeisende hulp (73); en ten derde de verplichting om op verschillende sites een volledige ziekenhuiszorg aan te bieden (74). Daarnaast concludeerde de Commissie dat de IRIS-ziekenhuizen waren belast met de extramurale taak van openbare dienstverlening om naast de medische hulp sociale hulp te verlenen (75). Ten slotte werd ook verwezen naar een verplichting met betrekking tot tweetaligheid (76). Die taken werden geacht aan de IRIS-ziekenhuizen te zijn toevertrouwd via de GWZ, de OCMW-wet, de strategische plannen van IRIS en ten slotte een overeenkomst tussen de IRIS-ziekenhuizen en de OCMW's. Voorts was de Commissie van mening dat de compensatieparameters vooraf waren vastgesteld (77) en dat er voldoende procedures waren om overcompensatie te vermijden en te corrigeren (78). Ten slotte was de Commissie er ook van overtuigd dat de IRIS-ziekenhuizen een gescheiden boekhouding voerden voor ziekenhuis- en niet-ziekenhuisactiviteiten (79), waardoor werd gewaarborgd dat er geen sprake was van kruissubsidiëring van commerciële niet-DAEB-activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen (80). |
|
(55) |
De Commissie heeft ook onderzocht of er in het verleden (d.w.z. in de periode 1996-2007) sprake is geweest van overcompensatie voor de IRIS-ziekenhuizen (81) en kwam tot de conclusie dat dit niet het geval was (82). Los van de beoordeling van de financieringsmaatregelen in hun geheel, heeft de Commissie ook onderzoek gedaan naar een vermeend voorschottenmechanisme. Aangezien de compensatie van de tekorten op grond van artikel 109 GWZ regelmatig met aanzienlijke vertraging werd betaald, en die vertraging kon oplopen tot tien jaar, zouden de IRIS-ziekenhuizen via het BGHGT een voorschot op die uitstaande betalingen hebben ontvangen. De Commissie oordeelde dat, aangezien die vermeende voorschotten hoe dan ook moesten worden terugbetaald na de betaling van de compensatie van het tekort op grond van artikel 109 GWZ, die voorschotten niet tot overcompensatie van de IRIS-ziekenhuizen konden leiden (83). |
4.2. Arrest tot nietigverklaring van het Gerecht van 2012
|
(56) |
Naar aanleiding van de beschikking van de Commissie van 2009 hebben de klagers bij het Gerecht een beroep tot nietigverklaring van die beschikking ingesteld (84). De klagers voerden aan dat de Commissie de procedurele rechten van de klager had geschonden door de formele onderzoeksprocedure niet in te leiden, aangezien de Commissie had moeten constateren dat het betrokken onderzoek ernstige moeilijkheden opleverde (85). |
|
(57) |
In zijn arrest van 7 november 2012 in zaak T-137/10 heeft het Gerecht de beschikking van 2009 nietig verklaard en geoordeeld dat de Commissie verplicht was de formele onderzoeksprocedure in te leiden (86). |
|
(58) |
Het Gerecht ging eerst na of de IRIS-ziekenhuizen waren belast met duidelijk omschreven verplichtingen van openbare dienst (87). Het Gerecht wees er om te beginnen op dat alle partijen het erover eens waren dat alle ziekenhuizen (zowel openbare als particuliere) door de GWZ zijn belast met een algemene opdracht van openbare dienst ter zake van ziekenhuiswerkzaamheden (88). Het Gerecht had bijgevolg alleen twijfels over de vraag of de Commissie tijdens het vooronderzoek ten onrechte had vastgesteld dat de IRIS-ziekenhuizen waren belast met aanvullende opdrachten van openbare dienst ter zake van ziekenhuiswerkzaamheden en andere dan ziekenhuiswerkzaamheden (89). Het Gerecht oordeelde dat er twijfels bestonden over de vraag of de door de Commissie in haar beschikking aangevoerde bepalingen toereikend waren voor de toewijzing aan de IRIS-ziekenhuizen van de bijkomende opdrachten om alle patiënten in alle omstandigheden te behandelen (90), op verschillende sites ziekenhuiszorg te verlenen (91) en aanvullende sociale diensten te verstrekken (92). Met betrekking tot de vermeende opdracht om op verschillende sites ziekenhuiszorg te verlenen, heeft het Gerecht bovendien opgemerkt dat niet duidelijk was in welk opzicht die opdracht verschilde van de algemene eisen inzake programmatie en werking, die gelden voor alle onder de GWZ vallende ziekenhuizen (93). |
|
(59) |
In de tweede plaats ging het Gerecht na of de Commissie het bestaan van duidelijke compensatieparameters had aangetoond (94). Met betrekking tot de ziekenhuisopdrachten onderzocht het Gerecht het mechanisme om tekorten te compenseren op grond van artikel 109 GWZ (95) — en merkte daarbij op dat dat mechanisme expliciet niet door de klaagsters werd betwist (96) — alsook het vermeende gewestelijke financieringsmechanisme via het BGHGT, dat tot stand was gebracht om tijdelijk de bedragen voor te schieten die noodzakelijk zijn ter aanvulling van de tekorten totdat de dekking van de tekorten op grond van artikel 109 GWZ ingaat (97). Aangaande artikel 109 stelde het Gerecht vast dat de klaagsters geen argumenten hadden aangedragen die van invloed waren op de positieve beoordeling van de Commissie (98). Aangaande de vermeende betaling van voorschotten via het BGHGT oordeelde het Gerecht evenwel dat de Commissie geen parameters voor de berekening van die voorschotten had vastgesteld (99) en die voorschotten dus niet volledig had onderzocht (100). Het Gerecht voegde daaraan toe dat de Commissie haar beschikking tegensprak toen zij tijdens de hoorzittingen betoogde dat het BGHGT slechts een mechanisme was waarmee het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de Brusselse gemeenten, maar niet de IRIS-ziekenhuizen financierde (101). |
|
(60) |
Aangaande de overheidsfinanciering voor de vermeende aanvullende sociale opdrachten van de IRIS-ziekenhuizen (102), merkte het Gerecht op dat die financiering klaarblijkelijk weer afkomstig was van het BGHGT, dat een overeenkomst had gesloten met de betrokken Brusselse gemeenten om hun een bijzondere subsidie te verlenen waardoor zij de sociale opdrachten van de IRIS-ziekenhuizen konden financieren (103). Het Gerecht oordeelde dat die overeenkomst geen nadere gegevens bevatte over de vooraf vastgestelde compensatieparameters met betrekking tot de vermeende aanvullende sociale opdrachten van de IRIS-ziekenhuizen (104). |
|
(61) |
Vervolgens onderzocht het Gerecht of de Commissie had aangetoond dat er regelingen waren om overcompensatie te vermijden en dat er geen sprake was van overcompensatie (105). Het Gerecht stelde in de eerste plaats vast dat de GWZ voorziet in toereikende waarborgen om ervoor te zorgen dat de regeling van artikel 109 GWZ niet leidt tot overcompensatie (106). Verder oordeelde het Gerecht dat de Commissie niet had aangetoond dat er met betrekking tot de vermeende door de gemeenten betaalde voorschotten een vergelijkbare regeling was (107), en wees het met name op het schijnbare ontbreken van een wettelijke verplichting voor de IRIS-ziekenhuizen om die voorschotten terug te betalen zodra de financiering van de tekorten krachtens artikel 109 GWZ was ontvangen (108). Met betrekking tot de bijzondere subsidie waarnaar de Commissie had verwezen als financiering van de aanvullende sociale opdracht, oordeelde het Gerecht dat de Commissie de regelingen ter vermijding van overcompensatie voor de financiering van de sociale opdrachten onvoldoende had onderzocht (109). |
|
(62) |
Aangaande de vraag of er in de praktijk sprake was geweest van overcompensatie voor de IRIS-ziekenhuizen (110), merkte het Gerecht slechts op dat de analyse zeer omvangrijk was en alle financiële resultaten van de IRIS-ziekenhuizen over een periode van meer dan tien jaar bestreek (111). Zonder specifiek uitspraak te doen over de vaststelling van de Commissie dat er geen sprake was geweest van overcompensatie, oordeelde het Gerecht dat de omvang en de ingewikkeldheid van de beoordeling die de Commissie had verricht, op zichzelf reeds steun boden aan de stelling van de klaagsters dat er ernstige moeilijkheden waren (112). |
|
(63) |
Tot slot voerden de klagers aan dat de Commissie in haar beoordeling rekening had moeten houden met het criterium van de economische efficiëntie van een DAEB-beheerder (113). Het Gerecht wees dat argument evenwel af en oordeelde als volgt: „het criterium inzake de economische efficiëntie van een onderneming voor het verrichten van DAEB geen plaats heeft bij de toetsing van een steunmaatregel aan artikel 86, lid 2, EG [thans artikel 106, lid 2, VWEU] en dat de keuze van de nationale autoriteiten ter zake van de economische efficiëntie van de verrichter van openbare diensten op dit punt dus niet kan worden gelaakt” (114). |
|
(64) |
In een samenvatting van zijn bevindingen stelde het Gerecht het volgende: „Verzoekster heeft immers een samenstel van overeenstemmende aanwijzingen verstrekt voor het bestaan van ernstige twijfel omtrent de verenigbaarheid van de onderzochte maatregelen met de interne markt ten aanzien van de criteria voor de toepassing van artikel 86, lid 2, EG [thans artikel 106, lid 2, VWEU]. Het gaat daarbij ten eerste om het criterium van een duidelijke opdracht betreffende de specifiek door de IRIS-ziekenhuizen te verrichten openbare dienst ter zake van ziekenhuiswerkzaamheden en sociale werkzaamheden, ten tweede om het criterium van vooraf vastgestelde parameters voor compensatie en ten derde om het criterium van regelingen om overcompensatie in het kader van deze opdrachten van openbare dienst te vermijden […].” (115). |
4.3. Inleidingsbesluit van de Commissie van 1 oktober 2014 (116)
|
(65) |
In het licht van het oordeel van het Gerecht (117) dat de Commissie twijfels had moeten hebben over de verenigbaarheid met de interne markt van de betwiste en op grond van artikel 106, lid 2, VWEU aan de IRIS-ziekenhuizen toegekende overheidsfinanciering, was de Commissie verplicht de formele onderzoeksprocedure in te leiden. Zij deed dit bij besluit van 1 oktober 2014. In haar inleidingsbesluit merkte de Commissie op dat volgens de Belgische autoriteiten de betrokken Brusselse gemeenten en OCMW's ervoor hadden gekozen de openbare IRIS-ziekenhuizen, en niet de particuliere ziekenhuizen te belasten met de volgende aanvullende verplichtingen (118), wat de maatregelen ter compensatie van tekorten ten gunste van de IRIS-ziekenhuizen zou rechtvaardigen:
|
|
(66) |
Op grond van de door het Gerecht geuite twijfels (119) heeft de Commissie de Belgische autoriteiten, de klagers en alle andere belanghebbenden uitgenodigd om alle relevante informatie te verstrekken, zodat de verenigbaarheid van de betwiste overheidsfinanciering kan worden gecontroleerd. Die informatie betrof met name:
|
|
(67) |
De Commissie heeft tevens van de vaststelling van het inleidingsbesluit gebruik gemaakt om verduidelijking te krijgen over de volgende aanvullende feitelijke vragen:
|
5. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
|
(68) |
De Commissie heeft opmerkingen ontvangen van vier belanghebbenden (de CBI, de BVPZI, Zorgnet Vlaanderen en de UNCPSY), die hieronder samengevat worden weergegeven: |
5.1. De CBI
|
(69) |
In antwoord op het inleidingsbesluit merkt de CBI, de klaagster, op dat het besluit volgens haar geen nieuwe elementen, argumenten of verduidelijkingen bevat met betrekking tot het bestaan van een specifieke aan de IRIS-ziekenhuizen toegewezen opdracht of met betrekking tot de compensatiemechanismen voor die beweerde opdracht of de controles die in dat verband zouden zijn ingevoerd. De CBI verwijst derhalve voornamelijk naar de argumenten in haar eerdere verklaringen. |
|
(70) |
De CBI bevestigt haar standpunt dat 1) de IRIS-ziekenhuizen niet zijn belast met specifieke DAEB's bovenop die waarmee alle Belgische (openbare en particuliere) ziekenhuizen zijn belast en dat 2) zelfs indien de Commissie tot het besluit zou komen dat dergelijke aanvullende opdrachten bestaan, ze niet duidelijk genoeg zijn omschreven om te voldoen aan de eisen van het Unierecht op dit gebied. De CBI wijst ook op het door de nieuwe Brusselse regering voorgestelde beleidsprogramma (gepubliceerd in juli 2014), waarin staat dat zal worden overgegaan „tot een hervorming van de ordonnantie van 13 februari 2003 voor het nader bepalen van de opdrachten van gemeentelijk belang die de specifieke subsidies voor de gemeenten rechtvaardigen”. Volgens de klaagsters is dit een aanwijzing dat momenteel geen dergelijke opdrachten bestaan, maar dat ze in de toekomst zouden worden vastgesteld. |
|
(71) |
Aangaande de vereisten van artikel 60 § 6, van de OCMW-wet is de CBI van oordeel dat die niets toevoegen aan de GWZ wat betreft de omschrijving van aanvullende of specifieke DAEB's die alleen zouden gelden voor openbare ziekenhuizen zoals de IRIS-ziekenhuizen. De klaagsters voeren ook aan dat de aanvullende sociale opdracht slechts lijkt te bestaan in een groter aantal sociale diensten dan wordt aangeboden door andere ziekenhuizen, die die diensten omschrijven als een „sociale basisopdracht (zowel voor openbare als voor particuliere ziekenhuizen)”. De CBI is van mening dat dit onvoldoende is om aan te nemen dat de IRIS-ziekenhuizen een aanvullende sociale opdracht hebben. Met betrekking tot de vraag of die diensten economisch van aard zijn, stellen zij dat het feit dat die diensten kosteloos worden verstrekt, niet betekent dat ze niet economisch van aard zijn. Ten slotte is de CBI van mening dat de aanvullende sociale diensten niet kunnen worden gescheiden van een ruimere gezondheidszorgdienst die zelf duidelijk economisch van aard is, aangezien dit nooit in twijfel is getrokken. |
|
(72) |
Volgens de CBI bestaat de opdracht tot universele gezondheidszorg zowel voor openbare ziekenhuizen als voor particuliere ziekenhuizen. Zij is van mening dat aangaande de behandeling van „sociale patiënten”, hetzij in een spoedgeval, hetzij na een spoedeisende situatie, geen verschil bestaat tussen openbare ziekenhuizen en particuliere ziekenhuizen. De CBI verwijst in dit verband naar een vonnis van de rechtbank van eerste aanleg van Brussel (120) inzake dringende medische hulp (121) aan buitenlanders die illegaal in België verblijven (hierna „migranten zonder papieren” genoemd), waaruit zou blijken dat in dit verband dergelijke steun kan worden verleend door zowel openbare als particuliere ziekenhuizen. De CBI voegt daaraan toe dat volgens een publicatie van de Christelijke Mutualiteit (122) van februari 2004 (123) de particuliere ziekenhuizen meer dan 60 % van de „sociale patiënten” behandelen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voorts zijn klaagsters van oordeel dat noch in de OCMW-wet, noch in de strategische plannen van IRIS, noch in de onderstandsdomicilie-overeenkomsten een aanvullende opdracht is vastgesteld (124). |
|
(73) |
Aangaande de opdracht op meerdere sites zorg te verstrekken, is de CBI van oordeel dat nog steeds niet duidelijk is gemaakt wat de inhoud is van de verplichting om te voorzien in een volledige ziekenhuiszorg op meerdere sites, noch in welke mate die verplichting extra lasten voor de IRIS-ziekenhuizen met zich meebrengt. Aangaande de aanvullende sociale opdracht is de CBI van mening dat artikel 57 van de OCMW-wet de IRIS-ziekenhuizen geen aanvullende verplichtingen oplegt en die verplichtingen hoe dan ook niet op een begrijpelijke wijze omschrijft (niet meer dan de strategische plannen van IRIS of de „onderstandsdomicilie-overeenkomsten”). |
|
(74) |
Aangaande de vraag naar een duidelijke omschrijving van de compensatieparameters wijst de CBI erop dat de IRIS-ziekenhuizen volgens de Belgische autoriteiten een specifieke opdracht uitvoeren die verschilt van die van particuliere ziekenhuizen, en dat die specifieke opdracht niet is omschreven in de GWZ, maar een andere rechtsgrondslag heeft. Volgens de CBI is het duidelijk uitgesloten dat de GWZ compensatieparameters vaststelt voor een of meer openbaredienstverleningsta(a)k(en) waarin die GWZ niet voorziet. Bovendien merkt de CBI op dat er geen overeenstemming is tussen de aangevoerde rechtsgrondslagen voor de betrokken specifieke opdrachten en de compensatiemechanismen. Klaagsters merken op dat het erop lijkt dat geen onderscheid wordt gemaakt tussen tekorten die voortvloeien uit de kosten van de beweerde specifieke opdrachten en die welke voortvloeien uit de kosten van de basisopdracht. Ten slotte verwijst de CBI naar een reeks adviezen van de Belgische Inspectie van Financiën waarin is vastgesteld dat het onmogelijk was om toezicht te houden op het gebruik van de bijzondere subsidies die op grond van de Ordonnantie van 13 februari 2003 zijn verleend, daar de taken van gemeentelijk belang waarvoor die subsidies werden verleend, niet in die Ordonnantie zijn omschreven. |
|
(75) |
De CBI herhaalt ook haar eerdere beweringen dat er geen maatregelen zijn om overcompensatie te voorkomen. Zij voegt daaraan toe dat, wegens het ontbreken van een precieze definitie van de specifieke opdrachten die door de IRIS-ziekenhuizen worden verricht, men onmogelijk kan weten welke activiteiten al dan niet vergoed moeten worden. Volgens de CBI is het derhalve onmogelijk na te gaan of er sprake is van een toezichtmechanisme om overcompensaties te voorkomen. |
|
(76) |
Ten slotte wijst de CBI erop dat, hoewel het samenwerkingsakkoord van 19 mei 1994 het voortbestaan van de openbare ziekenhuizen vermeldt, dit document een dergelijke opdracht niet omschrijft en geen toewijzing inhoudt. Volgens de CBI geeft die overeenkomst met name geenszins aan dat een gemeente of een stad een openbaar ziekenhuis op haar grondgebied moet hebben en bevat zij evenmin voorschriften inzake de programmatie van ziekenhuisdiensten in België die het beheer van een dienst in een openbaar ziekenhuis vereisen. |
5.2. De BVPZI
|
(77) |
De Brusselse Vereniging der Private Verzorgingsinstellingen (BVPZI), een van de oorspronkelijke klagers (zie overweging 1), wijst er in haar opmerkingen over het inleidingsbesluit op dat alle Belgische ziekenhuizen, ongeacht hun statuten of eigenaren, wettelijk verplicht zijn een taak van algemeen belang te vervullen. De BVPZI verwijst in dit verband naar artikel 2 van de GWZ (125). Ten slotte herinnert de BVPZI eraan dat zij haar klacht heeft ingetrokken. |
5.3. Zorgnet Vlaanderen
|
(78) |
Zorgnet Vlaanderen vertegenwoordigt meer dan 500 Vlaamse zorgverleners (waaronder algemene ziekenhuizen, psychiatrische verzorgingstehuizen en verpleeghuizen). In zijn opmerkingen over het inleidingsbesluit benadrukt Zorgnet Vlaanderen dat alle Belgische ziekenhuizen, ongeacht of zij openbaar of privaat zijn, dezelfde openbaredienstverplichtingen in het kader van de GWZ vervullen. Daarnaast wijst Zorgnet Vlaanderen erop dat de GWZ niet voorziet in voorwaarden betreffende de rechtsvorm (d.w.z. openbaar of privaat) om te worden erkend als ziekenhuis. Voorts merkt Zorgnet Vlaanderen op dat in de omschrijving van de openbaredienstverplichtingen van de ziekenhuizen niet wordt verwezen naar een regionale specificiteit. Ten slotte betoogt Zorgnet Vlaanderen dat de sociale taak van ziekenhuizen in Vlaanderen niet verschilt van die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. |
5.4. De UNCPSY
|
(79) |
De Union Nationale des Cliniques Psychiatriques Privées (UNCPSY) is de federatie van particuliere psychiatrische klinieken in Frankrijk. In haar opmerkingen over het inleidingsbesluit stelt de UNCPSY dat in verband met de controle om na te gaan of de overheidsfinanciering niet meer bedraagt dan de nettokosten van de openbare dienst, voor die nettokosten een beperking moet gelden en dat moet worden nagegaan of de dienstverlener al dan niet goed wordt beheerd. De UNCPSY is in dit verband van mening dat de Commissie de openbare en de particuliere ziekenhuizen moet vergelijken om te bepalen of de steun al dan niet evenredig is in de zin van artikel 106, lid 2, VWEU. |
|
(80) |
De Commissie merkt in dit verband op dat de opmerkingen van de UNCPSY indruisen tegen de conclusie van het Gerecht in punt 300 van zijn arrest van 7 november 2012 (T-137/10) dat het criterium inzake de economische efficiëntie van een onderneming voor het verrichten van de DAEB geen plaats heeft bij de toetsing van een steunmaatregel aan artikel 106, lid 2, VWEU (zie in dit verband overweging 63). |
6. OPMERKINGEN VAN HET KONINKRIJK BELGIË
6.1. Opmerkingen van België over het inleidingsbesluit
|
(81) |
In hun reactie op het besluit van de Commissie van 1 oktober 2014, en met name op punt 17 van dat besluit, wijzen de Belgische autoriteiten erop dat de financiële tussenkomsten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (d.w.z. de bijzondere subsidies tot 10 miljoen EUR per jaar) en van het BGHGT financiële transfers waren die uitsluitend aan de gemeenten en niet aan de IRIS-ziekenhuizen werden verleend. De Belgische autoriteiten zijn dan ook van mening dat het financiële transfers tussen overheidsinstanties betrof die niet onder artikel 107, lid 1, VWEU vallen. Volgens de Belgische autoriteiten heeft noch het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, noch het BGHGT steun verleend aan de IRIS-ziekenhuizen. Zij zijn veeleer van mening dat die transfers plaatsvonden in het kader van de gewestelijke bevoegdheid inzake de algemene financiering van de gemeenten, die laatstgenoemde in staat stelt hun taken van gemeenschappelijk belang te vervullen, met inbegrip van de taken van de OCMW's. In dit verband heeft de verwijzing van klaagsters naar de adviezen van de Inspectie van Financiën uitsluitend betrekking op het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de gemeenten, en niet op de IRIS-ziekenhuizen. Ten slotte stellen de Belgische autoriteiten dat het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op grond van de bijzondere wet van 8 augustus 1980 tot hervorming der instellingen en op grond van het advies van de Raad van State (126) alleen de gemeenten en niet de IRIS-ziekenhuizen kan financieren, aangezien de financiering van specifieke ziekenhuisopdrachten niet binnen de bevoegdheden van het Gewest valt. |
|
(82) |
Met betrekking tot de twijfel in punt 26 van het inleidingsbesluit lichten de Belgische autoriteiten het verschil toe tussen enerzijds de verplichting van artikel 60 § 6 van de OCMW-wet en anderzijds de mogelijkheden voor een openbaar ziekenhuis om het mechanisme van ziekenhuisprogrammatie op te heffen. Volgens hen zijn in artikel 60 § 6 van de OCMW-wet (127) de voorwaarden vastgesteld waaraan een OCMW moet voldoen om een ziekenhuis te kunnen oprichten. Het OCMW moet met name nagaan of er daadwerkelijk behoefte is aan een dergelijk ziekenhuis, rekening houdend met de behoeften van het gebied, met inbegrip van de medisch-sociale behoeften, en het bestaan van vergelijkbare voorzieningen. De Belgische autoriteiten wijzen er voorts op dat het mechanisme van ziekenhuisprogrammatie bestaat in de vaststelling van het maximumaantal ziekenhuisbedden per gewest door de federale regering, die haar besluit uitsluitend baseert op de ziekenhuisbehoeften, zonder rekening te houden met het niveau van de sociale behoeften in elk gebied (128). Zij leggen uit dat het maximumaantal ziekenhuisbedden voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest wordt bepaald voor het hele gewest en niet voor elk van de 19 gemeenten afzonderlijk. Elk van de 19 OCMW's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft daarentegen autonoom, op basis van de plaatselijke behoeften, voor zijn gemeente bepaald of al dan niet een ziekenhuis moest worden opgericht. |
|
(83) |
De Belgische autoriteiten hebben ook uitgelegd dat de sluiting van een openbaar ziekenhuis of de overdracht ervan aan een partner uit de particuliere sector niet formeel of specifiek wordt behandeld in de GWZ of de OCMW-wet (129). Volgens de Belgische autoriteiten heeft de rechtspraak van de Belgische Raad van State evenwel de regelingen en voorwaarden voor de sluiting en/of de overdracht van door een OCMW opgerichte inrichtingen verduidelijkt. Bij arrest nr. 113.428 van 9 december 2002 heeft de Raad van State geoordeeld dat de overdracht aan een particuliere uitbater van een door een OCMW geëxploiteerd rusthuis nietig moest worden verklaard. De Raad van State vond met name dat, alvorens te besluiten een inrichting te sluiten of over te dragen, eveneens moest worden beoordeeld of er behoefte was aan de verstrekking van medisch-sociale diensten. Bij die beoordeling dient rekening te worden gehouden met de beoordeling op het ogenblik van de oprichting van de inrichting en bijgevolg ook met alle wijzigingen die zich sinds het besluit tot oprichting van de inrichting hebben voorgedaan. Voorts merken de Belgische autoriteiten op dat die beoordeling niet louter gebaseerd mocht zijn op de financiële situatie van de inrichting of op de kosten voor het onderhoud ervan. Op basis hiervan concluderen de Belgische autoriteiten dat een OCMW zijn ziekenhuis niet mag sluiten, tenzij het eerst heeft vastgesteld dat de medische en sociale behoeften waarin het ziekenhuis moet voorzien, niet langer bestaan. |
|
(84) |
Volgens de Belgische autoriteiten moet voor de oprichting van een openbaar ziekenhuis zijn voldaan aan zowel de vereisten van artikel 60 § 6 van de OCMW-wet als de ziekenhuisprogrammatie van de autoriteiten, terwijl voor particuliere ziekenhuizen alleen die laatste geldt. Overeenkomstig artikel 60 § 6 van de OCMW-wet moet de opening van een nieuw openbaar ziekenhuis worden gerechtvaardigd door het bestaan van een werkelijke behoefte. Voorts verklaren de Belgische autoriteiten dat wanneer een openbaar ziekenhuis wordt geopend met een capaciteit die gelijk is aan het aantal bedden waarin de ziekenhuisprogrammatie voorziet, er geen ruimte meer is voor een ander (openbaar of privaat) ziekenhuis in die streek in het kader van dat programma, in welk geval er geen andere manier is om te voorzien in de behoeften van de bevolking. De Belgische autoriteiten merken op dat wanneer een OCMW een ziekenhuis wenst te sluiten, het overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State eerst moet vaststellen dat de noodzaak ervoor niet langer bestaat. Wanneer een particuliere beheerder daarentegen besluit zijn ziekenhuis te sluiten, is die in tegenstelling tot OCMW's niet wettelijk verplicht te blijven voorzien in gezondheidszorg voor de bevolking. Volgens de Belgische autoriteiten is het besluit van een privaat ziekenhuis om open te blijven een eigen keuze, die op elk moment kan worden gewijzigd. Bij wijze van voorbeeld verwijzen de Belgische autoriteiten naar de plotse sluiting van het particuliere Hôpital Français in Sint-Agatha-Berchem (Brussel) in 2008 (130). Concluderend verklaren de Belgische autoriteiten dat het mechanisme van ziekenhuisprogrammatie de vrijheid van openbare en particuliere marktdeelnemers om een ziekenhuis op te richten in gelijke mate beperkt (aangezien dit alleen mogelijk is als het maximumaantal ziekenhuisbedden in een gebied nog niet bereikt is). Volgens hen leggen de uit de OCMW-wet voortvloeiende verplichtingen evenwel een extra druk op de mogelijkheid voor een OCMW om een openbaar ziekenhuis op te richten en te sluiten, terwijl particuliere ziekenhuizen te allen tijde kunnen sluiten. |
|
(85) |
Met betrekking tot de verplichtingen die uitsluitend zouden gelden voor de IRIS-ziekenhuizen (zie de punten 87 tot en met 89 van het inleidingsbesluit), voeren de Belgische autoriteiten aan dat die verplichtingen het rechtstreekse gevolg zijn van het feit dat de IRIS-ziekenhuizen zijn opgericht om bij te dragen aan maatschappelijke dienstverlening door het OCMW (zie ook punt 2.2). De Belgische autoriteiten zijn van mening dat die verplichtingen voortvloeien uit de OCMW-wet, op grond waarvan de IRIS-ziekenhuizen zijn opgericht, en worden opgelegd door de statuten van de IRIS-ziekenhuizen en de strategische plannen van IRIS. Voor de nauwkeurige omschrijving van die verplichtingen verwijzen de Belgische autoriteiten ook naar bovengenoemde documenten. Ter wille van de beknoptheid en om herhaling te voorkomen zal de Commissie uitsluitend verwijzen naar de relevante citaten in haar beoordeling (zie punt 7.3.4.1). |
|
(86) |
In haar inleidingsbesluit (zie punt 48) uit de Commissie twijfels ten aanzien van het al dan niet economische karakter van de aanvullende sociale diensten die door de IRIS-ziekenhuizen worden verricht. In hun antwoord op het inleidingsbesluit zijn de Belgische autoriteiten van mening dat die sociale diensten niet-economische activiteiten zijn. Zij stellen in wezen dat de maatschappelijke dienstverlening in de vorm van materiële, sociale, medische, medisch-sociale en psychologische bijstand door de Brusselse OCMW's geen deel uitmaakt van een concurrerende markt en dat dit nog steeds het geval is wanneer een deel van de maatschappelijke dienstverlening (d.w.z. de aanvullende sociale diensten) door de IRIS-ziekenhuizen wordt verricht op basis van een toewijzing. |
|
(87) |
Aangaande de rechtsgrondslag voor de compensatie van de tekorten (zie punt 91 van het inleidingsbesluit) zijn de Belgische autoriteiten van mening dat de verplichting voor de gemeenten om de tekorten van hun openbare ziekenhuizen te dekken, is vastgelegd in artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen, evenals in artikel 109 GWZ. Zij verklaren dat in artikel 109 GWZ een algemeen beginsel is vastgelegd dat voor alle Belgische openbare ziekenhuizen geldt, en dat voorziet in minimumverplichtingen voor de gemeenten (aangezien ze slechts een deel van het tekort moeten dekken, zie ook overweging 47). De Belgische autoriteiten wijzen er voorts op dat artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen een specifieke verplichting inhoudt die uitsluitend geldt voor de zes gemeenten die de IRIS-ziekenhuizen hebben opgericht en die ervoor hebben gekozen verder te gaan dan de minimumverplichting van artikel 109 GWZ door het hele boekhoudkundig tekort van de IRIS-ziekenhuizen te dekken. |
|
(88) |
In punt 92 van haar inleidingsbesluit vraagt de Commissie of de overdracht van de bijzondere subsidies (die het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de gemeenten verleent) door de gemeenten aan de IRIS-ziekenhuizen al dan niet kan worden beschouwd als een verrichting die los staat van het mechanisme om tekorten te dekken. In hun antwoord stellen de Belgische autoriteiten dat de Brusselse gemeenten slechts gebruik maken van de bijzondere subsidies om (ten dele) te voldoen aan hun verplichting om de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen te dekken. Zoals hieronder nader wordt toegelicht (zie punt 7.3.5) wordt de compensatie van het tekort uitbetaald in verschillende stappen, waaronder de overdracht van de bijzondere subsidies van de gemeente aan de IRIS-ziekenhuizen, maar worden al die betalingen op dezelfde grondslag verricht, namelijk de verplichting van de gemeente om het tekort te dekken. |
|
(89) |
De Commissie heeft ook om verduidelijking verzocht met betrekking tot een vermeend mechanisme van voorschotten (als daarvan al sprake is), de rechtsgrondslag en werking ervan, het verschil met het mechanisme om tekorten te dekken en de rol van het BGHGT in de financiering ervan (zie punt 93 van het inleidingsbesluit). Volgens de Belgische autoriteiten is er geen mechanisme van voorschotten. Meer bepaald verklaren zij dat de verplichting om de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen te dekken, ingaat zodra het tekort zich voordoet. Volgens de Belgische autoriteiten wordt in artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen namelijk verwezen naar het boekhoudkundig tekort zoals vastgesteld in de jaarrekening van de ziekenhuizen uiterlijk zes maanden na het einde van het boekjaar. De berekening van het tekort in de zin van artikel 109 GWZ door de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid neemt daarentegen veel meer tijd in beslag (tot wel tien jaar). De Belgische autoriteiten stellen echter dat, aangezien het tekort in de zin van artikel 109 GWZ slechts een deel is van het boekhoudkundig tekort dat rechtstreeks op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen wordt gedekt, aan de IRIS-ziekenhuizen geen voorschotten worden betaald die kunnen worden aangemerkt als steun die losstaat van het mechanisme om tekorten te dekken. Ten slotte herhalen de Belgische autoriteiten dat het BGHGT financiering aan de gemeenten heeft verleend die hen heeft geholpen bij het nakomen van hun verplichting om hun tekort te dekken en die, zoals hierboven uiteengezet, geen mechanisme van voorschotten vormt. |
|
(90) |
Met betrekking tot de maatregelen om overcompensatie te vermijden en het ontbreken van feitelijke overcompensatie (zie de punten 95 tot en met 97 van het inleidingsbesluit) brengen de Belgische autoriteiten de volgende argumenten naar voren. In de eerste plaats verklaren zij dat de besluiten tot compensatie van het tekort jaarlijks worden genomen op een moment dat het geraamde tekort voor het betrokken jaar bekend is, zodat er geen gevaar is voor overcompensatie. Zij voegen hieraan toe dat het Belgische rechtskader (onder andere de wet van 14 november 1983 en de OCMW-wet) de gemeenten de mogelijkheid geeft erop toe te zien dat de IRIS-ziekenhuizen de staatssteun correct gebruiken en die steun terug te vorderen in geval van niet-naleving of overcompensatie. Om aan te tonen dat er geen sprake is van overcompensatie verwijzen de Belgische autoriteiten bovendien naar verschillende tabellen die aan de Commissie zijn overgelegd met daarin de tekorten en de tussenkomsten van de gemeenten voor elk van de vijf IRIS-ziekenhuizen over de periode 1996-2014 (zie ook punt 7.3.5 voor die cijfers). |
|
(91) |
Zoals gevraagd hebben de Belgische autoriteiten in hun antwoord ook het begrip „voortbestaan” nader toegelicht (zie de punten 102 en 103 van het inleidingsbesluit). Volgens hen is de verplichting om de continuïteit (of het voortbestaan) van de IRIS-ziekenhuizen te waarborgen, rechtstreeks op de OCMW-wet gebaseerd. Zoals hierboven uiteengezet (zie punt 2.1) kan elk OCMW inrichtingen oprichten ter verstrekking van maatschappelijke dienstverlening, waaronder medische en medisch-sociale bijstand, als het kan aantonen dat dit noodzakelijk is om te voorzien in een daadwerkelijke behoefte overeenkomstig artikel 60 § 6 van de OCMW-wet. Zij verklaren dat om maatschappelijke dienstverlening te verstrekken zes van de negentien OCMW's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest in het verleden ziekenhuizen (zonder eigen rechtspersoonlijkheid) hebben opgericht die zij tot eind 1995 zelf hebben beheerd. Volgens hen deed de herstructurering van die openbare ziekenhuizen, die leidde tot de oprichting van de openbare IRIS-ziekenhuizen, die op 1 januari 1996 juridisch onafhankelijk werden van de OCMW's (zie ook punt 2.2), niets af aan de verplichting van de OCMW's om maatschappelijke dienstverlening te verstrekken, hetzij zelf, rechtstreeks, hetzij via de IRIS-ziekenhuizen. In dit verband wijzen de Belgische autoriteiten erop dat de hoofddoelstelling van de herstructurering en de oprichting van het IRIS-netwerk en de IRIS-ziekenhuizen erin bestond de continuïteit van de openbare ziekenhuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest te waarborgen (zie ook overweging 27). Zij wijzen er dan ook op dat om de continuïteit van de IRIS-ziekenhuizen te waarborgen en derhalve te garanderen dat wordt voorzien in de sociale behoeften van de bevolking, de gemeenten en de OCMW's op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen elk ziekenhuistekort moeten opvangen. Voorts zijn de Belgische autoriteiten van mening dat de overheidsinstanties, overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State (zie overweging 83), de IRIS-ziekenhuizen niet kunnen sluiten, noch overdragen aan een particuliere eigenaar zolang de daadwerkelijke behoefte bestaat. |
|
(92) |
Tot slot stelt de Commissie in punt 103 van het inleidingsbesluit de vraag of er andere redenen zijn die de aanvullende financiering voor de IRIS-ziekenhuizen kunnen rechtvaardigen. In dit verband merken de Belgische autoriteiten op dat het doel van de IRIS-ziekenhuizen er niet louter in bestaat „levensvatbare” ziekenhuisdiensten, opdrachten en programma's in te stellen, zoals Belgische particuliere ziekenhuizen kunnen doen. Volgens de Belgische autoriteiten moeten de IRIS-ziekenhuizen veeleer zorgen voor een zo ruim mogelijk scala van gezondheidszorgdiensten, met name om voor iedereen, ook de meest behoeftigen, toegang te garanderen tot gelijk welke behandeling die hun pathologie vereist, ook als dat veel verder gaat dan de normen inzake ziekenhuisplanning en erkenning die voor alle ziekenhuizen gelden, op grond van en in het kader van de GWZ. De Belgische autoriteiten verwijzen in dit verband ook naar punt 162 van het arrest van het Gerecht van 7 november 2012, waarin het volgende is bepaald: „[…] kan de compensatie van de tekorten van de openbare ziekenhuizen met name om redenen van volksgezondheid of om sociale redenen noodzakelijk blijken te zijn om de continuïteit en het voortbestaan van het ziekenhuisstelsel te verzekeren”. De Belgische autoriteiten wijzen er ook op dat de status van een openbaar ziekenhuis bepaalde kosten meebrengt die niet volledig worden gecompenseerd door de federale financieringsmaatregelen. Zij merken op dat die kosten onder andere het volgende omvatten: de betaling van premies voor tweetalig personeel, hogere pensioenkosten en ziektekosten voor statutaire werknemers (ambtenaren) en loonschaalverhogingen die worden opgelegd (maar slechts gedeeltelijk worden betaald) door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. |
6.2. Opmerkingen van België over de opmerkingen van derden
|
(93) |
De Belgische autoriteiten merken allereerst op dat de opmerkingen van de CBI, de BVPZI en Zorgnet Vlaanderen over het inleidingsbesluit van de Commissie zijn gebaseerd op de gemeenschappelijke bewering dat de IRIS-ziekenhuizen volgens hen niet zijn belast met DAEB's bovenop die waarmee alle (openbare of particuliere) ziekenhuizen in België zijn belast. Volgens de Belgische autoriteiten berust die bewering op één enkele veronderstelling, namelijk dat openbare en particuliere ziekenhuizen bij de GWZ zijn belast met dezelfde taak van openbare dienstverlening, ongeacht eventuele specifieke regionale aspecten. Volgens de Belgische autoriteiten leggen de interveniërende partijen echter niet uit waarom de OCMW-wet niet van toepassing zou zijn op de IRIS-ziekenhuizen, terwijl die wet volgens België de specifieke juridische grond voor het bestaan van de IRIS-ziekenhuizen is. De Belgische autoriteiten wijzen erop dat in artikel 147 GWZ uitdrukkelijk wordt erkend dat, wat betreft ziekenhuizen die door een OCMW worden beheerd (zoals de IRIS-ziekenhuizen (131)), de GWZ de OCMW-wet aanvult, hetgeen bevestigt dat de GWZ niet de enige relevante rechtsgrondslag is voor ziekenhuizen die door een OCMW worden beheerd. |
|
(94) |
De bewering van de CBI dat het voornemen van de Brusselse regering om de Ordonnantie van 13 februari 2003 te herformuleren, teneinde de taken van algemeen belang te specificeren die de bijzondere subsidies voor gemeenten rechtvaardigen (zie overweging 70), een aanwijzing is dat er momenteel geen specifieke (uitsluitend voor de IRIS-ziekenhuizen geldende) taken bestaan, is volgens de Belgische autoriteiten onjuist. Zij wijzen er met name op dat de bijzondere subsidies in het kader van die Ordonnantie uitsluitend worden toegekend aan de gemeenten en niet aan de IRIS-ziekenhuizen. België bevestigt voorts dat zowel de tussenkomsten van het BGHGT als die van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zelf (tot 10 miljoen EUR per jaar (132)) ter ondersteuning van de gemeenten, financiële transfers vormen tussen overheidsinstanties die buiten het toepassingsgebied van artikel 107, lid 1, VWEU vallen. De Belgische autoriteiten herhalen dat het Gewest of het BGHGT geen enkele van deze bedragen heeft toegekend aan de IRIS-ziekenhuizen. Integendeel, volgens België betreft het gewoon transfers tussen het Gewest en de gemeenten binnen de bevoegdheid van het Gewest op het vlak van de algemene financiering van gemeenten. Die algemene financiering van de gemeenten is bedoeld om de gemeenten in staat te stellen hun taken van gemeentelijk belang, waaronder de taken van de OCMW's, te vervullen. Volgens de Belgische autoriteiten betekent de aangekondigde hervorming van de Ordonnantie van 13 februari 2003 hoe dan ook niet dat wordt erkend dat de IRIS-ziekenhuizen geen aanvullende DAEB's hebben. Het zijn de gemeenten die de DAEB's specificeren waarmee de door hen opgerichte ziekenhuizen worden belast, en de Ordonnantie is in deze context niet relevant, aangezien die uitsluitend betrekking heeft op financiering binnen de staat. |
|
(95) |
De Belgische autoriteiten weerleggen ook de beweerdelijk onnauwkeurige omschrijving van de sociale opdrachten die de CBI in haar opmerkingen heeft gemaakt. De CBI was met name van mening dat de GWZ voorziet in een „sociale basisopdracht” voor zowel openbare als particuliere ziekenhuizen, maar dat alleen de IRIS-ziekenhuizen die opdracht intensiever uitvoeren. Vanuit dat oogpunt zouden de „aanvullende” sociale opdrachten van de IRIS-ziekenhuizen niet los kunnen worden gezien van de verstrekte ziekenhuisdiensten en zouden zij er integraal deel van uitmaken. Volgens de Belgische autoriteiten kan dit standpunt niet worden verdedigd. De Belgische autoriteiten zijn van mening dat de CBI hier weliswaar uitdrukkelijk erkent dat er wel degelijk een intrinsiek verschil is tussen openbare en particuliere ziekenhuizen (namelijk dat de IRIS-ziekenhuizen een groter aantal sociale diensten verstrekken), maar niet aangeeft wat zij precies verstaat onder het begrip „sociale basisopdracht”, dat zij als een DAEB van een ziekenhuis beschouwt, en evenmin aangeeft wat de rechtsgrondslag ervan is of aangeeft welk specifiek mandaat die opdracht heeft toegewezen. Volgens de Belgische autoriteiten kan alleen de OCMW-wet worden gebruikt om „sociale basisopdrachten” aan openbare ziekenhuizen toe te wijzen. Naar hun oordeel is de GWZ, voor zover het alleen om de openbare ziekenhuizen gaat, in feite slechts een aanvulling op de OCMW-wet (zie artikel 147 GWZ). De essentiële opdracht of „basisopdracht” van de IRIS-ziekenhuizen wordt vastgesteld op grond van of in het kader van de OCMW-wet, en is derhalve niet „gemeenschappelijk” voor alle ziekenhuizen. Volgens hen is die opdracht niet economisch van aard. De IRIS-ziekenhuizen zijn bijgevolg opgericht op grond van de OCMW-wet en worden na hun oprichting geacht te voldoen aan de aanvullende regels van de GWZ (133). |
|
(96) |
Aangaande de opmerkingen van de CBI betreffende de universele zorgopdracht, merken de Belgische autoriteiten op dat de CBI de universele zorgopdracht, die naar zij beweert gemeenschappelijk is voor alle ziekenhuizen, beperkt tot uitsluitend zorg in en na spoedeisende situaties. De Belgische autoriteiten zijn dan ook van mening dat de CBI impliciet erkent dat de Brusselse particuliere ziekenhuizen niet verplicht zijn patiënten te behandelen wanneer het geen hulp in of na spoedeisende situaties betreft. Die hulp maakt evenwel het grootste deel uit van de zorg die aan behoeftigen wordt verstrekt. Voorts voeren de Belgische autoriteiten aan dat de verwijzing van de CBI naar de in artikel 2 GWZ omschreven opdracht van algemeen belang geen grondslag biedt voor dergelijke verplichting. Volgens hen is het niet omdat men is belast met een basisziekenhuisopdracht dat men ook is belast met de opdracht om zorg te verstrekken aan alle patiënten in alle omstandigheden en ongeacht of ze kunnen betalen. Dat blijkt duidelijk uit het loutere feit dat er specifieke regels zijn voor spoedeisende gevallen. Volgens de Belgische autoriteiten kan een taak van algemeen belang niet worden geacht impliciet besloten te liggen in de basisopdracht, maar wordt zij opgelegd. Naar hun mening moesten specifieke vereisten worden vastgesteld voor spoedeisende gevallen, omdat in de definitie van basisziekenhuisopdracht in de GWZ geen sprake is van spoedeisende gevallen. De Belgische autoriteiten voeren aan de Wet van 8 juli 1964 (134) en de uitvoeringsbesluiten daarvan de dringende geneeskundige hulpverlening (135) en hulpdiensten (inclusief ziekenwagendiensten) regelen. Op basis daarvan verricht een aantal ziekenhuizen, zowel openbare als particuliere, bepaalde taken op het gebied van dringende geneeskundige hulpverlening. |
|
(97) |
De Belgische autoriteiten voeren echter aan dat de verplichting om zowel in openbare als particuliere ziekenhuizen te voorzien in dringende hulpverlening, niet voortvloeit uit de GWZ, maar een algemene verplichting is om hulp te bieden aan mensen die in gevaar verkeren. Volgens de Belgische autoriteiten zijn ziekenhuizen verplicht hulp te bieden in medische spoedgevallen, volgens hun organisatie en beschikbare expertise (136). Die verplichting geldt voor zowel openbare als particuliere ziekenhuizen, zoals overigens voor iedereen, op grond van hun plicht om hulp te bieden aan mensen die in gevaar verkeren. De Belgische autoriteiten verklaren voorts dat die verplichting op grond van artikel 422 ter van het Belgische Strafwetboek alleen geldt in noodgevallen en in het bijzonder in levensbedreigende medische noodgevallen. Zij wijzen er evenwel op dat in alle andere (d.w.z. niet-spoedeisende) gevallen ziekenhuizen die niet zijn belast met een universele zorgopdracht, niet verplicht zijn patiënten te behandelen wanneer die niet kunnen betalen voor hun behandeling. Ten slotte merken de Belgische autoriteiten op dat, hoewel de Belgische ziekenhuizen uiteraard niet mogen discrimineren op basis van het vermogen van een patiënt (en dus op basis van het loutere feit dat iemand arm is), ze niet kunnen worden gedwongen gratis zorg te verlenen aan een patiënt die zich in een niet-spoedeisende situatie bevindt en niet kan of niet zal betalen. |
|
(98) |
In hun opmerkingen bij de opmerkingen van de CBI hebben de Belgische autoriteiten de verwijzing van de CBI naar een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel ook in perspectief geplaatst (zie overweging 72). Volgens de Belgische autoriteiten heeft het vonnis waarnaar de CBI verwijst, slechts betrekking op een zeer specifiek geval van dringende medische hulp (137) voor een migrant zonder papieren die psychiatrische zorg nodig had. Zij wijzen erop dat de IRIS-ziekenhuizen niet voorzien in dit soort zorg. Volgens hen bevestigt dat vonnis eigenlijk dat dringende medische hulp voor migranten zonder papieren doorgaans wordt verstrekt door ziekenhuizen die zijn opgericht door een OCMW of door ziekenhuizen waarmee de OCMW's een overeenkomst hebben gesloten (138). Ten slotte wijzen de Belgische autoriteiten erop dat de CBI de beweerde verplichting voor particuliere ziekenhuizen om te voorzien in hulp voor alle patiënten na spoedeisende situaties, niet staaft of zelfs niet probeert te staven. Volgens de Belgische autoriteiten bestaat een dergelijke verplichting niet voor particuliere ziekenhuizen, terwijl de IRIS-ziekenhuizen verplicht zijn alle patiënten in alle omstandigheden te behandelen, ook wanneer er geen sprake is van een medische noodsituatie. |
7. BEOORDELING VAN DE MAATREGELEN
7.1. Toepassingsgebied van dit besluit
|
(99) |
In de klacht werd gewag gemaakt van een steunmaatregel van ongeveer 100 miljoen EUR in het kader van de herstructureringsoperatie die tot de oprichting van de IRIS-ziekenhuizen leidde (zie punt 2.2). Zoals uitgelegd in punt 3.1 van het inleidingsbesluit, heeft de Commissie met betrekking tot de herstructureringssteun echter pas maatregelen genomen nadat de verjaringstermijn voor de terugvordering van die steun was verstreken. Die steunmaatregel werd dus niet opgenomen in het formele onderzoek dat door de Commissie werd verricht en zal dus niet verder aan bod komen in dit besluit. |
|
(100) |
Naast de maatregel die onder de verjaringstermijn valt, had de klacht formeel betrekking op i) de middelen die door het BGHGT worden verdeeld onder de gemeenten die de IRIS-ziekenhuizen onder hun bevoegdheid hebben, en ii) de bijzondere subsidies (tot 10 miljoen EUR per jaar) die aan die gemeenten worden toegekend door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op grond van de Ordonnantie van 13 februari 2003. |
|
(101) |
Die twee soorten middelen worden echter alleen toegekend aan de gemeenten die de IRIS-ziekenhuizen onder hun bevoegdheid hebben en niet aan de IRIS-ziekenhuizen zelf. Ze zijn in werkelijkheid slechts financieringsstromen tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de zes Brusselse gemeenten die de IRIS-ziekenhuizen onder hun bevoegdheid hebben en vormen dus geen staatssteun aan de IRIS-ziekenhuizen. |
|
(102) |
Het is waar dat in de nietig verklaarde beschikking van de Commissie van 2009 verwarring leek te bestaan tussen de betalingen van het BGHGT en het in artikel 109 GWZ opgenomen mechanisme om tekorten te compenseren en dat de compensatieparameters van die twee maatregelen niet afzonderlijk werden beoordeeld (139). Voorts worden de middelen van het BGHGT door de gemeenten gebruikt om het tekort van de IRIS-ziekenhuizen te compenseren (140) en hadden de gemeenten de verplichting om de middelen van het BGHGT binnen een maximumtermijn van zeven werkdagen aan de IRIS-ziekenhuizen te betalen (141). |
|
(103) |
Op basis van de informatie die de Commissie in antwoord op haar inleidingsbesluit heeft ontvangen en zoals hieronder zal worden uitgelegd (zie overweging 230), is het niettemin zo dat de financiële transfers van het BGHGT en het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de gemeenten die de IRIS-ziekenhuizen onder hun bevoegdheid hebben, nodig zijn omdat die gemeenten onvoldoende eigen middelen hebben om de gemeentelijke verplichting na te komen om de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen te compenseren. Het is in die context dat zowel het BGHGT als het Brussels Hoofdstedelijk Gewest de Brusselse gemeenten heeft opgelegd om, bijna onmiddellijk na ontvangst van die transfers, de middelen van het BGHGT en de bijzondere subsidies ter beschikking van de IRIS-ziekenhuizen te stellen. Ongeacht die doorgifteverplichting zijn het slechts de betrokken gemeenten die verplicht zijn de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen te compenseren en hebben die ziekenhuizen geen enkel recht op compensatie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of het BGHGT. Het zijn bovendien alleen de gemeenten, en dus niet het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, die de IRIS-ziekenhuizen met bepaalde opdrachten belasten (zie punt 7.3.4.1). Bijgevolg kunnen alleen de betalingen van de gemeenten aan de IRIS-ziekenhuizen ter compensatie van hun tekorten als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU worden aangemerkt, ongeacht of die betalingen zijn gefinancierd met eigen middelen van de gemeenten, dan wel met middelen die de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hebben ontvangen. |
|
(104) |
De Commissie concludeert dat de financiering binnen de staat (van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, hetzij direct of indirect via het BGHGT, aan de gemeenten) slechts een financieringsbron is voor de gemeentelijke betalingen ter compensatie van de tekorten en geen maatregel vormt waarvan de IRIS-ziekenhuizen kunnen profiteren bovenop die compensatie van de tekorten. Om die reden zullen de geldstromen tussen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de betrokken Brusselse gemeenten, en de rechtsgrondslagen daarvoor (bv. de Ordonnantie van 13 februari 2003) als zodanig niet in dit besluit worden beoordeeld. In plaats daarvan zal de Commissie in dit besluit overgaan tot een beoordeling van de gemeentelijke betalingen ter compensatie van de tekorten, waarvan de IRIS-ziekenhuizen profiteren en waarvoor de gemeenten in grote mate een beroep doen op de financiering binnen de staat die zij van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ontvingen (142). Hoewel er niet verder wordt ingegaan op de maatregelen waarop de klacht formeel betrekking heeft, zal de staatssteunbeoordeling van de gemeentelijke compensatie van tekorten in wezen een volledig antwoord bieden op de staatssteunbezwaren van de klaagsters, omdat de facto ook de middelen die door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden toegekend, hetzij direct, hetzij via het BGHGT, in die beoordeling aan bod zullen komen, daar de gemeenten die middelen volledig gebruiken om de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen te compenseren. Om die reden worden in de hieronder beschreven controles op overcompensatie (zie de tabellen 9 tot en met 13 in punt 7.3.5) ook de betalingen ter compensatie van de tekorten aangeduid die met middelen van het BGHGT of met bijzondere subsidies van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest werden gefinancierd. Ten slotte moet worden onderstreept dat het door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of via het BGHGT gefinancierde deel van de gemeentelijke betalingen ter compensatie van de tekorten niet volstond (143) om de volledige tekorten van de IRIS-ziekenhuizen te dekken en dat die betalingen op geen enkel ogenblik in de periode 1996-2014 tot een situatie hebben geleid waarin een van de IRIS-ziekenhuizen daadwerkelijk een overcompensatie ontving en (een deel van) de compensatie van het tekort had moeten terugbetalen (zie ook de overwegingen 234 en 238). |
|
(105) |
De Commissie zal dus de compensatie van tekorten die de gemeenten sinds 1996 aan de IRIS-ziekenhuizen hebben toegekend, beoordelen (144). Op basis daarvan is in figuur 1 hieronder de overheidsfinanciering samengevat die in dit besluit aan bod komt (in de rechthoek met volle lijn) en zijn ook de financieringsmaatregelen binnen de staat aangegeven waarop de klacht betrekking heeft (in de rechthoek met stippellijn). Nadere informatie over die maatregelen zal worden gegeven in punt 7.3.5 hieronder. Figuur 1 Financieringsstromen en toepassingsgebied van dit besluit Bijzondere sub-sidie (van max. 10 miljoen EUR per jaar) Vijf IRIS-zieken- huizen (4) Brussels Hoofd-stedelijk Gewest 100 % dekking van tekorten (art. 46 statuten IRIS-ziekenhuizen) Gedeeltelijke dekking van tekorten (art. 109 GWZ) maar onmiddellijk terugbetaald Toepassingsgebied van dit besluit Formeel onderwerp van de klacht Financiering via het BGHGT (1) Zes Brusselse gemeenten (2) en OCMW's (3) (1) Brussels Gewestelijk Herfinancieringsfonds voor de gemeentelijke thesauriën. (2) Stad Brussel, Anderlecht, Etterbeek, Elsene, Sint-Gillis, en Schaarbeek (tot eind 2013). (3) Openbare Centra voor maatschappelijk welzijn, die bij de gemeenten horen. (4) UMC Sint-Pieter, UVC Brugmann, Jules Bordet Instituut, Universitair Kinderziekenhuis Koningin Fabiola (UKZKF), en IRIS-ziekenhuizen Zuid. |
7.2. Staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU
|
(106) |
In artikel 107, lid 1, VWEU is bepaald dat „steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, […] onverenigbaar [zijn] met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”. Een maatregel vormt dus staatssteun indien aan de volgende vier cumulatieve voorwaarden is voldaan (145):
|
7.2.1. Selectief economisch voordeel voor een onderneming
7.2.1.1.
Algemene beginselen
|
(107) |
Overheidsfinanciering voor een entiteit kan slechts als staatssteun worden aangemerkt indien die entiteit een „onderneming” is in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie zijn ondernemingen alle entiteiten die een economische activiteit verrichten (146). De kwalificatie van een entiteit als een onderneming hangt dus af van de aard van haar activiteit, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (147). Een activiteit moet algemeen als economisch van aard worden beschouwd wanneer zij bestaat in het aanbieden van goederen en diensten op een markt (148). Een entiteit die zowel economische als niet-economische activiteiten verricht, moet alleen voor die economische activiteiten als een onderneming worden beschouwd (149). Het enkele feit dat een entiteit geen winstoogmerk heeft, wil niet noodzakelijkerwijs zeggen dat de activiteiten die zij verricht geen economisch karakter hebben (150). |
Medische diensten
|
(108) |
Wanneer gezondheidszorg door ziekenhuizen en andere verleners van gezondheidszorg wordt verleend tegen betaling (151), hetzij rechtstreeks van de patiënten of uit andere bronnen, moet zij algemeen worden geacht een economische activiteit te vormen (152). De financiering van de IRIS-ziekenhuizen door verschillende subsidies van de federale of gefedereerde overheidsinstanties (zie bv. overweging 46), onder a), d) en e), aangaande de overheidsfinanciering waarover alle ziekenhuizen kunnen beschikken en overweging 44) aangaande de compensatie van tekorten voor de IRIS-ziekenhuizen) vormt samen met de rechtstreekse betalingen door de patiënten (zie overweging 46, onder c)) en de betalingen door het Riziv (zie overweging 46, onder b)) de vergoeding voor de door de IRIS-ziekenhuizen verrichte medische diensten en kan derhalve, in die context, worden beschouwd als de economische vergoeding voor de verrichte ziekenhuisdiensten. In een dergelijk systeem bestaat er tussen ziekenhuizen een zekere mate van mededinging wat het verrichten van gezondheidszorgdiensten betreft. De omstandigheid dat een ziekenhuis dat dergelijke diensten tegen betaling verricht een openbaar ziekenhuis is, betekent niet dat de activiteiten van dat ziekenhuis niet-economisch van aard zijn (153). |
|
(109) |
In deze zaak zijn de hoofdactiviteiten van de IRIS-ziekenhuizen ziekenhuisactiviteiten die bestaan in het verrichten van gezondheidszorgdiensten. Deze ziekenhuisactiviteiten die door de IRIS-ziekenhuizen worden verricht, worden ook verricht door andere soorten organen of entiteiten, meer bepaald klinieken, particuliere ziekenhuizen en andere gespecialiseerde centra, waaronder de particuliere ziekenhuizen van de klaagsters. Deze ziekenhuisactiviteiten die door de IRIS-ziekenhuizen worden verricht tegen betaling en in een concurrerende omgeving, moeten dus als economisch van aard worden beschouwd. |
|
(110) |
De solidariteitsaspecten waarop het Belgische nationale stelsel van gezondheidszorg steunt, doen geen afbreuk aan de economische aard van dergelijke ziekenhuisactiviteiten. Er zij immers aan herinnerd dat het Gerecht van eerste aanleg in verband met een nationaal gezondheidsstelsel, dat door ministeries en andere entiteiten wordt beheerd en werkt „op basis van het solidariteitsbeginsel in die zin dat het wordt gefinancierd door sociale bijdragen en andere bijdragen van de overheid en het zijn leden op basis van een algemene dekking gratis diensten verleent”, heeft verklaard dat de betrokken beheersorganen niet als ondernemingen handelden in hun beheer van dat nationale gezondheidsstelsel (154). De Commissie is echter van oordeel dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen het beheer van het nationale gezondheidsstelsel, dat is toevertrouwd aan overheidsinstanties die daartoe de prerogatieven van de staat uitoefenen, en het verlenen van ziekenhuiszorg tegen betaling in een concurrerende omgeving (wat in deze zaak aan de orde is, zoals uiteengezet in overwegingen 108 en 109). |
|
(111) |
Wat het verrichten van gezondheidszorgdiensten betreft, moeten de IRIS-ziekenhuizen dan ook worden geacht ondernemingen te vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
Sociale diensten
|
(112) |
Zoals uitgelegd in overweging 38 hierboven, bieden de IRIS-ziekenhuizen hun sociaal kwetsbare patiënten en hun familie een reeks sociale diensten aan. Het gaat naargelang de behoeften van de patiënt onder meer om psychosociale, sociaaladministratieve of sociaalmateriële bijstand. Wegens de specifieke aard van die sociale diensten moeten degenen die voor het verrichten ervan in aanmerking komen over specifieke middelen beschikken, zoals speciaal opgeleid personeel. |
|
(113) |
De aanvullende sociale activiteiten die de IRIS-ziekenhuizen naar verluidt moeten uitvoeren, hebben onmiskenbaar louter een sociaal doel. Zoals het Hof van Justitie heeft geoordeeld, volstaat het op zich echter niet dat een stelsel waarin een organisatie met specifieke taken wordt belast louter een sociale functie heeft om algemeen de economische aard van die taken uit te sluiten (155). |
|
(114) |
In het inleidingsbesluit van de Commissie werd verduidelijking gezocht over de vraag of de aanvullende sociale activiteiten die de IRIS-ziekenhuizen naar verluidt verrichten een economische activiteit vormen. In hun antwoord op het inleidingsbesluit van de Commissie voeren de Belgische autoriteiten aan dat de sociale activiteiten niet-economisch zijn omdat ze geen deel uitmaken van een concurrerende markt. Klaagsters voeren echter aan dat de sociale activiteiten niet kunnen worden gescheiden van de ziekenhuisactiviteiten die economisch van aard zijn. Hoewel de Commissie de argumenten van de Belgische autoriteiten zorgvuldig heeft onderzocht, kan zij niet uitsluiten dat de aanvullende sociale diensten een economische activiteit vormen. Voorts is de Commissie van oordeel, zoals hieronder zal worden uitgelegd (zie overweging 165), dat de aanvullende sociale activiteiten in werkelijkheid niet kunnen worden gescheiden van de ziekenhuisactiviteiten die economisch van aard zijn. |
|
(115) |
Om de beoordeling te verrichten, wordt in de rest van dit besluit dus uitgegaan van de hypothese dat het verrichten van de aanvullende sociale diensten inderdaad economisch van aard is. |
Ondersteunende activiteiten
|
(116) |
Zoals uiteengezet in overweging 41) hierboven, verrichten de IRIS-ziekenhuizen ook een reeks ondersteunende activiteiten. De Commissie merkt op dat sommige van die activiteiten, als ze apart van de hoofdactiviteiten van de IRIS-ziekenhuizen worden beoordeeld, van niet-economische aard lijken (bv. onderzoeksactiviteiten), terwijl andere op het eerste gezicht economische activiteiten lijken te vormen (bv. de kantine of de winkel voor patiënten en bezoekers). Aangevoerd kan echter worden dat alle vermelde ondersteunende activiteiten, vanwege hun nauwe band met de (economische) hoofdactiviteiten van de IRIS-ziekenhuizen, ook als economische activiteiten moeten worden beschouwd. |
|
(117) |
Om de beoordeling te verrichten, wordt in de rest van dit besluit dus uitgegaan van de hypothese dat de ondersteunende activiteiten inderdaad economisch van aard zijn. |
7.2.1.2.
Algemene beoordeling
|
(118) |
Een voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU is elk economisch voordeel dat een onderneming niet zou hebben verkregen onder normale marktvoorwaarden, d.w.z. zonder tussenkomst van de staat (156). Slechts het effect van de maatregel op de onderneming is relevant, niet de oorzaak of de doelstelling van de tussenkomst van de staat (157). Wanneer de financiële situatie van de onderneming is verbeterd als gevolg van de tussenkomst van de staat, is er sprake van een voordeel. |
|
(119) |
In de onderhavige zaak moet worden opgemerkt dat de IRIS-ziekenhuizen, dankzij de verschillende systemen van overheidsfinanciering (zoals beschreven in punt 2.5.1) die de algemene ziekenhuisactiviteiten en de aanvullende activiteiten bestrijken, waaronder ook de compensatie van tekorten, konden profiteren van een pakket maatregelen die zijn gericht op de vermindering van de lasten die normaal gezien door de verrichters van dergelijke activiteiten worden gedragen. Afhankelijk van het resultaat van de toetsing aan de beginselen van het Altmark-arrest, die in de volgende overwegingen wordt verricht, kan het mechanisme voor de compensatie van tekorten waarop dit besluit betrekking heeft dus worden geacht de IRIS-ziekenhuizen een economisch voordeel te verlenen dat zij onder normale marktvoorwaarden, d.w.z. zonder tussenkomst van de staat, niet zouden hebben verkregen. |
Altmark
|
(120) |
De Commissie merkt op dat de overheidsfinanciering van de IRIS-ziekenhuizen hun geen enkel voordeel zou verlenen in zoverre zij niet meer zou bedragen dan de compensatie voor diensten die de IRIS-ziekenhuizen verrichten op grond van openbaredienstverplichting(en) waarmee zij zijn belast, voor zover is voldaan aan de voorwaarden die in de Altmark-rechtspraak zijn vastgesteld. |
|
(121) |
In zijn Altmark-arrest heeft het Hof van Justitie verduidelijkt dat een compensatie uit staatsmiddelen voor kosten die zijn gemaakt om een dienst van algemeen economisch belang te verrichten, geen voordeel vormt wanneer aan vier cumulatieve voorwaarden is voldaan (158):
|
|
(122) |
De in het Altmark-arrest vastgestelde beginselen en overwegingen zijn van toepassing met terugwerkende kracht, d.w.z. ook op de rechtsbetrekkingen die dateren van vóór het betrokken arrest (159). Bijgevolg zijn de beoordelingscriteria die in het Altmark-arrest zijn vastgesteld volledig van toepassing op de feitelijke en juridische situatie van de onderhavige zaak, zelfs met betrekking tot steun die vóór de datum van het Altmark-arrest aan de IRIS-ziekenhuizen is toegekend (160). |
|
(123) |
Voor de beoordeling heeft de Commissie besloten eerst het vierde Altmark-criterium te analyseren (d.w.z. is de onderneming die een DAEB verricht, gekozen in het kader van een openbare aanbesteding of, indien niet, is de voor de DAEB toegekende compensatie gebaseerd op de analyse van de kosten van een gemiddelde, goed beheerde onderneming). De Commissie merkt op dat de IRIS-ziekenhuizen niet zijn gekozen in het kader van een openbare aanbesteding voor de openbaredienstverplichting(en) waarmee zij volgens de Belgische autoriteiten zijn belast. Geconcludeerd kan dus worden dat in de onderhavige zaak is voldaan aan het eerste deel van het betrokken criterium. |
|
(124) |
Met betrekking tot het tweede deel van te beoordelen criterium merkt de Commissie om te beginnen op dat de Belgische autoriteiten niet hebben aangevoerd dat de IRIS-ziekenhuizen efficiënte ondernemingen in die zin zijn. De Commissie merkt ten tweede op dat de informatie die door de Belgische autoriteiten en de klaagsters is verstrekt, niet volstaat om aan te tonen dat de systemen van compensatie voor de openbaredienstverplichting(en) waarmee de IRIS-ziekenhuizen mogelijk zijn belast, voldoen aan het criterium van een efficiënte marktdeelnemer in de zin van de vierde Altmark-voorwaarde. Er is geen aanwijzing dat de toegekende compensatie gebaseerd is op een analyse van de kosten van een gemiddelde onderneming met de kenmerken die in de desbetreffende rechtspraak van de gerechten van de Unie worden vereist. Er is evenmin voldoende bewijs dat aantoont dat de IRIS-ziekenhuizen zelf kunnen worden beschouwd als gemiddelde, goed beheerde en voldoende uitgeruste ondernemingen. Bij de bepaling van de toegekende compensatie lijken er geen overwegingen van goed beheer of voldoende uitrusting in aanmerking te zijn genomen. Ten slotte moet worden opgemerkt dat een compensatiemechanisme ter dekking van de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen die voortvloeien uit het verrichten van een DAEB en ondersteunende activiteiten, waarbij geen rekening wordt gehouden met de vraag of die ziekenhuizen efficiënt worden beheerd, niet aan het vierde Altmark-criterium kan voldoen. |
|
(125) |
De Commissie is bijgevolg van oordeel dat in deze zaak niet is voldaan aan het vierde criterium van het Altmark-arrest. Omdat de in het Altmark-arrest vastgestelde voorwaarden cumulatief zijn, leidt de omstandigheid dat aan één van de vier voorwaarden niet is voldaan, noodzakelijkerwijs tot de conclusie dat het in dit besluit onderzochte mechanisme om tekorten te compenseren, een economisch voordeel in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU verleent. |
7.2.1.3.
|
(126) |
Om binnen het toepassingsgebied van artikel 107, lid 1, VWEU te vallen, moet een overheidsmaatregel „bepaalde ondernemingen of bepaalde producties” begunstigen. Bijgevolg vallen slechts de maatregelen die ondernemingen op een selectieve manier begunstigen, onder het begrip steun. |
|
(127) |
De Commissie merkt op dat het compensatiemechanisme dat is opgezet om de tekorten van de openbare ziekenhuizen in Brussel te dekken (zie overweging 44), maar niet die van de particuliere ziekenhuizen, als selectief van aard moet worden beschouwd, omdat particuliere ziekenhuizen, alle andere verleners van gezondheidszorg en marktdeelnemers die tot andere activiteitensectoren behoren, daarvan zijn uitgesloten. |
7.2.2. Staatsmiddelen
|
(128) |
Een maatregel kan slechts staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, als hij door de staat is toegekend of uit staatsmiddelen is bekostigd. Staatsmiddelen omvatten alle overheidsmiddelen (161), waaronder middelen van lichamen binnen de staat (gedecentraliseerd, federatieve, gewestelijk of andere) (162). |
|
(129) |
In de onderhavige zaak komen de compensaties van tekorten die de IRIS-ziekenhuizen van hun respectieve gemeenten ontvangen voor het verrichten van de DAEB en ondersteunende activiteiten uit overheidsmiddelen en zijn ze toerekenbaar aan de staat. |
7.2.3. Vervalsing van de mededinging en ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer
|
(130) |
Steunmaatregelen van de staten voor ondernemingen is slechts staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, als daardoor „de mededinging wordt vervalst of dreigt te worden vervalst” en slechts voor zover „het handelsverkeer tussen de lidstaten daardoor ongunstig wordt beïnvloed”. |
7.2.3.1.
|
(131) |
Een door de staat toegekende maatregel wordt geacht de mededinging te vervalsen of het risico daartoe in te houden wanneer daarmee de concurrentiepositie van de begunstigde onderneming wordt versterkt ten opzichte van andere, concurrerende ondernemingen (163). Praktisch gezien wordt een vervalsing van de mededinging dus aangenomen zodra een staat een financieel voordeel verleent aan een onderneming in een geliberaliseerde sector waar er concurrentie is of zou kunnen zijn. |
|
(132) |
Omdat er tussen openbare ziekenhuizen, particuliere ziekenhuizen en andere gezondheidszorginrichtingen een zekere mate van mededinging bestaat, kan de mededinging worden vervalst door overheidsfinanciering die aan bepaalde gezondheidsinrichtingen (waaronder de IRIS-ziekenhuizen) wordt toegekend ter financiering van de ziekenhuisactiviteiten die zij verrichten. Hetzelfde geldt voor de aanvullende sociale activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen. |
7.2.3.2.
Algemene beginselen
|
(133) |
De gerechten van de Unie hebben geoordeeld dat „wanneer financiële steun van een staat de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het […] handelsverkeer binnen de Unie versterkt, […] dit handelsverkeer [moet] worden geacht door de steun te worden beïnvloed” (164). |
|
(134) |
Overheidssteun kan worden geacht het handelsverkeer binnen de Unie te beïnvloeden zelfs als de ontvanger niet rechtstreeks in grensoverschrijdend handelsverkeer betrokken is. Zo kan de subsidie het voor marktdeelnemers in andere lidstaten moeilijker maken om op de markt te komen doordat de binnenlandse activiteit in stand blijft of stijgt (165), of om hun recht van vestiging uit te oefenen. |
|
(135) |
Het is vaste rechtspraak dat de Commissie geen economische analyse van de werkelijke situatie op de betrokken markten, het marktaandeel van de ondernemingen die de steun ontvangen, de positie van de concurrerende ondernemingen of de handelsstromen tussen de lidstaten hoeft te verrichten (166). In het geval van onrechtmatig toegekende steun hoeft de Commissie niet de werkelijke beïnvloeding aan te tonen die de steun heeft gehad op de mededinging en het handelsverkeer. |
|
(136) |
Niettemin kan beïnvloeding van het handelsverkeer binnen de Unie niet louter hypothetisch of verondersteld zijn. Op basis van de voorzienbare gevolgen van de maatregel moet worden vastgesteld waarom de maatregel de mededinging vervalst of dreigt te vervalsen en het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden (167). |
|
(137) |
In dat verband heeft de Commissie in verschillende zaken (168) overwogen dat bepaalde activiteiten een louter lokale impact hebben en niet een dergelijk effect. Het lijkt passend om meer bepaald na te gaan of de begunstigde goederen of diensten levert aan een beperkt gebied in een lidstaat en het onwaarschijnlijk is dat hij klanten uit andere lidstaten zal aantrekken, en of valt te voorzien dat de maatregel niet meer dan een marginaal effect zal hebben op de voorwaarden voor grensoverschrijdende investeringen of grensoverschrijdende vestiging. |
Beoordeling
|
(138) |
Gelet op de hierboven in herinnering gebrachte beginselen, merkt de Commissie op dat de ongunstige beïnvloeding van het handelsverkeer kan worden aangetoond door te verwijzen naar uiteenlopende factoren, voornamelijk aan de „klantenzijde” (met betrekking tot het gebied waarin goederen en diensten worden geleverd en het gebied waaruit klanten worden aangetrokken) en de „leverancierszijde” (met betrekking tot de vraag of een maatregel belemmeringen creëert voor grensoverschrijdende investering en de vestiging van werkelijke of potentiële concurrenten). Om vast te stellen dat een maatregel het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt, volstaat het om aan te tonen dat ten minste een van die factoren het handelsverkeer ongunstig beïnvloedt. |
|
(139) |
Met betrekking tot het effect van de maatregelen aan de „klantenzijde” merkt de Commissie op dat de sector van de gezondheidszorg in het algemeen en de door ziekenhuizen verleende intramurale patiëntenzorg in het bijzonder onder het handelsverkeer binnen de Unie valt. De Commissie merkt op dat de grensoverschrijdende mobiliteit van patiënten toeneemt. Het is vanzelfsprekend juist dat de gezondheidszorg een bevoegdheid van de lidstaten blijft en dat de mobiliteit van patiënten wordt geregeld door strenge bepalingen inzake de tussenkomsten van de nationale socialezekerheidsstelsels. In de praktijk wordt intramurale patiëntenzorg doorgaans immers verleend in de buurt van de woonplaats van de patiënt in een culturele omgeving waarmee hij vertrouwd is en waardoor hij een vertrouwensband kan opbouwen met de artsen die hem behandelen. Grensoverschrijdende mobiliteit van patiënten is er vooral in grensgebieden of komt voor om een uiterst gespecialiseerde behandeling te krijgen voor specifieke aandoeningen. |
|
(140) |
In de onderhavige zaak is de Commissie van oordeel dat de betrokken maatregelen het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden. Deze zaak onderscheidt zich immers door haar specifieke kenmerken van die zaken waarin is vastgesteld dat de overheidssteun voor ziekenhuizen het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig beïnvloedde (169). Om tot deze conclusie te komen, baseert de Commissie zich meer bepaald op de combinatie van de volgende aanwijzingen:
|
|
(141) |
Wat de aanvullende sociale activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen betreft, merkt de Commissie op dat in de mate waarin niet kan worden uitgesloten dat het verrichten van die activiteiten gelijkstaat met een economische activiteit, en rekening houdend met hoe nauw die activiteiten verbonden zijn met de algemene ziekenhuisactiviteiten van de IRIS-ziekenhuizen, de hierboven uiteengezette redenering ook in dit verband geldt. In het licht van de hieronder uiteengezette overwegingen zie punt 7.3) is echter ten genoegen van de Commissie aangetoond dat zelfs indien de overheidsfinanciering van de aanvullende sociale diensten het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig zou beïnvloeden, de staatsfinanciering ten voordele van die activiteit staatssteun zou vormen die met de interne markt verenigbaar is. Om redenen van proceseconomie hoeft dus niet definitief te worden geconcludeerd over de vraag of de overheidsfinanciering van de aanvullende sociale activiteiten het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. |
|
(142) |
Dezelfde overwegingen gelden voor de ondersteunende activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen (zie de overwegingen 41, 116 en 117). Bij een afzonderlijke beoordeling van die activiteiten is de Commissie van oordeel dat kan worden aangevoerd dat de overheidsfinanciering (als daarvan al sprake is) van de meeste van de ondersteunende activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen (bv. een crèche voor de kinderen van de personeelsleden, de verhuring van kamers, een kleine winkel voor patiënten en bezoekers, de kantine en parkeerplaatsen, de verhuring van tv's aan patiënten) het handelsverkeer tussen de lidstaten niet ongunstig zou beïnvloeden. De nauwe band tussen de ondersteunende activiteiten en de hoofdactiviteiten van de IRIS-ziekenhuizen kan er echter op wijzen dat ook de overheidsfinanciering (als daarvan sprake is) van die ondersteunende activiteiten het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. Daar staatsfinanciering ten voordele van de ondersteunende activiteiten echter staatssteun zou vormen die verenigbaar is met de interne markt (zie punt 7.3), acht de Commissie het niet nodig definitief over dit punt te beslissen. |
|
(143) |
Om de beoordeling te verrichten, wordt in de rest van dit besluit dus uitgegaan van de hypothese dat de overheidsfinanciering van de aanvullende sociale activiteiten en de ondersteunende activiteiten het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kan beïnvloeden. |
|
(144) |
Na de vaststelling dat de maatregelen die in de onderhavige zaak worden onderzocht het handelsverkeer tussen de lidstaten in ten minste één opzicht (de „klantenzijde”) ongunstig kunnen beïnvloeden, acht de Commissie het niet nodig te beoordelen of ze ook het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden met betrekking tot grensoverschrijdende investeringen en het recht van vestiging (zie overweging 138). |
7.2.4. Conclusie
|
(145) |
Op grond van de bovenstaande overwegingen is de Commissie van oordeel dat met betrekking tot de in deze zaak onderzochte maatregelen, de cumulatieve staatssteuncriteria zijn vervuld en dat die maatregelen dus staatssteun vormen in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
7.3. Verenigbaarheid met de interne markt
7.3.1. Rechtsgrondslag
7.3.1.1.
|
(146) |
Omdat de compensatie van tekorten die voor de IRIS-ziekenhuizen van toepassing is, staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, moet worden beoordeeld of zij verenigbaar is met de interne markt. De redenen waarom een steunmaatregel van een staat verenigbaar met de interne markt kan of moet worden verklaard, zijn neergelegd in artikel 106, lid 2, artikel 107, lid 2, en artikel 107, lid 3, VWEU. |
|
(147) |
Daar de Belgische autoriteiten consequent hebben aangevoerd dat de overheidsfinanciering van de IRIS-ziekenhuizen de compensatie vormt voor het verrichten van DAEB's, moet de verenigbaarheid van de compensatie van tekorten met de interne markt in de eerste plaats worden getoetst aan artikel 106, lid 2, VWEU. In dat artikel is het volgende bepaald: „De ondernemingen belast met het beheer van diensten van algemeen economisch belang of die het karakter dragen van een fiscaal monopolie, vallen onder de regels van de Verdragen, met name onder de mededingingsregels, voor zover de toepassing daarvan de vervulling, in feite of in rechte, van de hun toevertrouwde bijzondere taken niet verhindert. De ontwikkeling van het handelsverkeer mag niet worden beïnvloed in een mate die strijdig is met het belang van de Unie.”. |
7.3.1.2.
|
(148) |
De Commissie heeft de precieze voorwaarden waaronder zij artikel 106, lid 2, toepast, vastgelegd in een reeks instrumenten, meest recentelijk in, onder meer, de DAEB-kaderregeling van 2012 (171) en het DAEB-besluit van 2012 (172) (hierna samen „het DAEB-pakket van 2012” genoemd). Eerder had de Commissie de DAEB-kaderregeling van 2005 (173) en de DAEB-beschikking van 2005 (174) vastgesteld en toegepast. Elke steunmaatregel die voldoet aan de in het DAEB-besluit van 2012 neergelegde criteria, wordt verenigbaar geacht met de interne markt en van aanmelding vrijgesteld. Steunmaatregelen die niet binnen het toepassingsgebied van het DAEB-besluit van 2012 vallen omdat ze niet voldoen aan alle daarin vastgestelde criteria, moeten na aanmelding worden beoordeeld volgens de DAEB-kaderregeling van 2012. |
|
(149) |
In de onderhavige zaak gaat de onderzochte compensatie van de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen terug tot 1996, dus vroeger in de tijd dan het DAEB-besluit van 2012 en de DAEB-kaderregeling van 2012. Het DAEB-pakket van 2012 bevat echter bepalingen — in artikel 10 van het DAEB-besluit van 2012 en in punt 69 van de DAEB-kaderregeling van 2012 — waardoor dat pakket ook van toepassing is op steun die is toegekend vóór de inwerkingtreding van dat pakket op 31 januari 2012. Met name in artikel 10, onder b), van het DAEB-besluit van 2012 is het volgende bepaald: „vóór de inwerkingtreding van dit besluit [d.w.z., vóór 31 januari 2012] van kracht geworden steunmaatregelen die overeenkomstig Beschikking 2005/842/EG niet verenigbaar waren met de interne markt noch waren vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, maar die aan de in het onderhavige besluit vastgestelde voorwaarden voldoen, zijn verenigbaar met de interne markt en zijn vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting”. Wat de DAEB-kaderregeling van 2012 betreft, is in de punten 68 en 69 van die kaderregeling gespecificeerd dat de Commissie de in die kaderregeling uiteengezette beginselen zal toepassen op alle bij haar aangemelde steunprojecten, ongeacht of de aanmelding vóór of na 31 januari 2012, de datum waarop die kaderregeling van toepassing werd, heeft plaatsgevonden, alsook op alle onrechtmatige steun waarover zij een besluit neemt na 31 januari 2012, zelfs indien die steun vóór die datum is toegekend. |
|
(150) |
De hierboven beschreven regels inzake de toepassing van het DAEB-besluit van 2012 en de DAEB-kaderregeling van 2012 betekenen bijgevolg dat de vanaf 1996 aan de IRIS-ziekenhuizen toegekende overheidsfinanciering kan worden beoordeeld overeenkomstig het DAEB-pakket van 2012. Als het mechanisme voor de compensatie van tekorten voldoet aan de voorwaarden van het DAEB-besluit van 2012 of de DAEB-kaderregeling van 2012, is het verenigbaar met de interne markt voor de volledige periode vanaf 1996. |
|
(151) |
Ten slotte moet de aandacht worden gevestigd op de overgangsbepaling in artikel 10, onder a), van het DAEB-besluit van 2012, waarin is bepaald dat vóór de inwerkingtreding van dat Besluit (d.w.z. vóór 31 januari 2012) van kracht geworden steunregelingen die overeenkomstig de DAEB-beschikking van 2005 verenigbaar waren met de interne markt en waren vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting, gedurende een periode van nog eens twee jaar verenigbaar blijven met de interne markt en vrijgesteld blijven van de aanmeldingsverplichting (d.w.z. tot 30 januari 2014). Dit betekent dat steun die in het kader van een dergelijke regeling is toegekend in de periode tussen de inwerkingtreding van de DAEB-beschikking van 2005 op 19 december 2005 en de inwerkingtreding van het DAEB-besluit van 2012 op 31 januari 2012, verenigbaar zal worden geacht met de interne markt maar alleen voor de periode vanaf de datum waarop die steun is toegekend tot en met 30 januari 2014. Hoe dan ook is voor steun die vanaf 31 januari 2012 is toegekend de overgangsbepaling van artikel 10, onder a), van het DAEB-besluit van 2012 niet van toepassing en moet de verenigbaarheid worden beoordeeld overeenkomstig het DAEB-besluit van 2012. |
|
(152) |
Bijgevolg beoordeelt de Commissie dus eerst of de onder de toepassing van dit besluit vallende overheidsfinanciering die vanaf 1996 aan de IRIS-ziekenhuizen is toegekend, voldoet aan de voorwaarden die in het DAEB-besluit van 2012 zijn vastgesteld. Alleen in de mate waarin dit niet het geval is, zal de Commissie diezelfde financiering toetsen aan de DAEB-beschikking van 2005 (voor steun die is toegekend tussen 19 december 2005 en 31 januari 2012) en de DAEB-kaderregeling van 2012. |
7.3.2. Toepasselijkheid van artikel 106, lid 2, VWEU: reële DAEB
|
(153) |
Artikel 106, lid 2, VWEU en het daarop gebaseerde DAEB-besluit van 2012 zijn alleen van toepassing op compensatie die is betaald aan een onderneming die belast is met het verrichten van een „reële dienst van algemeen economisch belang” (175). Het Hof van Justitie heeft vastgesteld dat DAEB's diensten zijn met specifieke kenmerken die hen onderscheiden van andere economische activiteiten (176). Het is voorts vaste rechtspraak dat bij gebreke van specifieke Unieregelgeving waarin de ruimte voor het bestaan van een DAEB wordt afgebakend, de lidstaten over een ruime beoordelingsmarge beschikken bij het omschrijven van een bepaalde dienst als een DAEB en bij het verlenen van compensatie aan de dienstverrichter (177). De bevoegdheid van de Commissie in dit verband is beperkt tot het nagaan of de lidstaat een kennelijke fout heeft gemaakt bij het omschrijven van de dienst als een DAEB. |
|
(154) |
Er is ten genoegen van de Commissie aangetoond dat alle economische activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen die overheidsfinanciering genieten (d.w.z. de waaier aan ziekenhuis- en sociale taken die door die ziekenhuizen worden verricht), kunnen worden aangemerkt als hetzij reële diensten van algemeen economisch belang, zoals door de Belgische autoriteiten wordt aangevoerd, hetzij als louter ondersteunende activiteiten daarvoor. Met name hebben alle medische en sociale diensten die in de onderhavige zaak aan de orde zijn specifieke kenmerken die hen onderscheiden van andere economische activiteiten, d.w.z. in de eerste plaats hun belang voor het medische en sociale welzijn van de samenleving. De Belgische autoriteiten hebben dan ook geen kennelijke fout gemaakt bij het omschrijven van die diensten als een DAEB. |
|
(155) |
Wat de in overweging 41) beschreven ondersteunende activiteiten betreft, merkt de Commissie op dat een activiteit als ondersteunend voor een DAEB kan worden beschouwd als zij direct ermee verband houdt en nodig is om die DAEB te verrichten, of er intrinsiek mee verbonden is. Dit laatste is het geval wanneer de betrokken activiteiten van dezelfde input gebruikmaken als die DAEB, bv. materiaal, uitrusting, arbeid, vast kapitaal. Ondersteunende activiteiten moeten ook beperkt van omvang blijven. De Commissie is van oordeel dat alle activiteiten die in overweging 41) hierboven zijn uiteengezet, kunnen worden gekwalificeerd als ondersteunend bij de DAEB-hoofdactiviteit van de IRIS-ziekenhuizen. De activiteiten die als ondersteunend worden beschouwd, 1) houden immers allemaal rechtstreeks verband met en zijn nodig voor het verrichten van de DAEB-activiteit van de IRIS-ziekenhuizen, omdat ze activiteiten vormen waarvan mag worden verwacht dat een modern ziekenhuis ze verricht bovenop de medische en sociale diensten, en/of 2) zijn daarmee intrinsiek verbonden omdat ze gebruikmaken van de infrastructuur van de ziekenhuizen (bv. hun gebouwen en terreinen). Op basis van het beperkte aandeel van de ondersteunende activiteiten in de totale inkomsten van de IRIS-ziekenhuizen (gemiddeld minder dan 2 %), is ten genoegen van de Commissie aangetoond dat alle ondersteunende activiteiten erg beperkt qua omvang blijven. |
7.3.3. Toepasselijkheid van het DAEB-besluit van 2012
|
(156) |
De Commissie is voorts van oordeel dat de overheidsfinanciering voor de DAEB die aan de IRIS-ziekenhuizen is toegekend, binnen het materiële toepassingsgebied van het DAEB-besluit van 2012 valt, zoals dat in artikel 2 daarvan is omschreven. Volgens artikel 2, lid 1, onder b) en c), van het DAEB-besluit van 2012, is dit besluit van toepassing op staatssteun in de vorm van DAEB-compensatie voor ziekenhuizen die medische zorg bieden (daaronder begrepen rechtstreeks daarmee verband houdende ondersteunende activiteiten zoals, maar niet beperkt tot, onderzoek) en ondernemingen die DAEB's verrichten waarmee wordt voldaan aan sociale behoeften wat betreft onder meer gezondheidszorg en sociale inclusie van kwetsbare groepen. Omdat de door de overheid gefinancierde DAEB's en ondersteunende activiteiten die door de IRIS-ziekenhuizen worden verricht, allemaal binnen die categorieën van activiteiten kunnen vallen, stelt de Commissie vast dat het mechanisme voor de compensatie van tekorten dat in de onderhavige zaak wordt onderzocht, binnen het materiële toepassingsgebied van het DAEB-besluit van 2012 valt. Bijgevolg komen de kosten die voortvloeien uit de totaliteit van de activiteiten van de IRIS-ziekenhuizen (DAEB's en ondersteunende activiteiten) in aanmerking om te worden gedekt door compensatie die overeenkomstig het DAEB-besluit van 2012 wordt toegekend. |
7.3.4. Het toewijzingsbesluit
|
(157) |
De eerste belangrijke voorwaarde voor verenigbaarheid die in het DAEB-besluit van 2012 is neergelegd, is dat de betrokken onderneming met het beheer van de DAEB moet zijn belast door middel van één of meer besluiten, waarvan de vorm door elke lidstaat kan worden bepaald (178). Een dergelijk besluit of dergelijke besluiten moeten duidelijk het volgende specificeren:
|
|
(158) |
Daarnaast wordt in het DAEB-besluit van 2012 vereist dat het toewijzingsbesluit een verwijzing naar dat Besluit bevat (184). |
7.3.4.1.
|
(159) |
In zijn arrest tot nietigverklaring van 7 november 2012 heeft het Gerecht de inleidende vaststelling gedaan dat „wanneer aan met een zelfde openbare dienst belaste openbare en particuliere entiteiten verschillende eisen worden gesteld — wat een verschillende hoogte van de kosten en van de compensatie impliceert — deze verschillen duidelijk blijken uit de respectieve opdrachten van deze entiteiten, met name om te kunnen nagaan of de subsidie verenigbaar is met het beginsel van gelijke behandeling. Staatssteun die wegens enkele van haar modaliteiten indruist tegen de algemene beginselen van het recht van de Unie, zoals het beginsel van gelijke behandeling, kan door de Commissie immers niet verenigbaar met de interne markt worden verklaard (arrest Hof van 15 april 2008, Nuova Agricast, C-390/06, Jurispr. blz. I-2577, punt 51).” (185). |
|
(160) |
In punt 66 van het arrest-Nuova Agricast (186) is het volgende verduidelijkt: „Het beginsel van gelijke behandeling vereist dat, behoudens objectieve rechtvaardiging, vergelijkbare situaties niet verschillend en verschillende situaties niet gelijk worden behandeld (zie met name arrest van 26 oktober 2006, Koninklijke Coöperatie Cosun, C-248/04, Jurispr. blz. I-10211, punt 72 en aldaar aangehaalde rechtspraak).”. |
|
(161) |
De Commissie merkt echter op dat in het DAEB-besluit van 2012 het discriminatieverbod niet als verenigbaarheidscriterium is vermeld. De Commissie zal niettemin beoordelen of de openbare IRIS-ziekenhuizen en de Brusselse particuliere ziekenhuizen zich al dan niet in een juridisch en feitelijk vergelijkbare of verschillende situatie bevinden. In dit verband zal de Commissie bij de beschrijving van de openbaredienstverplichtingen waarmee de IRIS-ziekenhuizen zijn belast, aangeven of de Brusselse particuliere ziekenhuizen al dan niet met een vergelijkbare verplichting zijn belast. |
|
(162) |
Zoals hierboven uitgelegd (zie punt 2.3), zijn de IRIS-ziekenhuizen onderworpen aan een regelgevingskader dat bestaat uit de OCMW-wet (op basis waarvan de IRIS-ziekenhuizen zijn opgericht), de GWZ, de statuten van de plaatselijke ziekenhuisverenigingen en de door de koepelvereniging IRIS vastgestelde strategische plannen. Omdat de overheidsinstanties (d.w.z. de gemeenten en de OCMW's) meerderheidszeggenschap hebben over de in hoofdstuk XII van de OCMW-wet bedoelde lokale verenigingen en de koepelvereniging IRIS, zijn zowel de statuten als de strategische plannen bindend voor de IRIS-ziekenhuizen en kunnen die worden aangemerkt als geldige toewijzingsbesluiten, waarvan de inhoud hieronder zal worden toegelicht (zie overwegingen 164), (170) e.v.). In dit verband moet ook erop worden gewezen dat de overheidsinstanties rechtstreeks kunnen toezien op de dagelijkse werking van de IRIS-ziekenhuizen en verdere instructies kunnen geven wanneer nodig. |
|
(163) |
Er is ook opgemerkt (zie overweging 24) dat de IRIS-ziekenhuizen aanvankelijk rechtstreeks werden beheerd en gecontroleerd door de OCMW's welke die ziekenhuizen hadden opgericht om hen te helpen hun verplichting van maatschappelijke dienstverlening overeenkomstig de OCMW-wet te vervullen. Om het voortbestaan en de levensvatbaarheid van de Brusselse openbare ziekenhuizen te garanderen (zie overweging 24), was een herstructurering nodig, wat heeft geleid tot de oprichting van de IRIS-ziekenhuizen (die de vorm aannamen van plaatselijke OCMW-verenigingen bedoeld in hoofdstuk XII met financiële en juridische onafhankelijkheid). Die herstructurering wijzigde echter niet het fundamentele doel van de Brusselse openbare IRIS-ziekenhuizen (187), namelijk medische en sociaalmedische zorg bieden en zodoende bijdragen aan de verplichting van maatschappelijke dienstverlening van de OCMW's die hen hebben opgericht. |
|
(164) |
De medische zorg die door de IRIS-ziekenhuizen wordt geboden, krijgt ook vorm door de GWZ, die het rechtskader is voor de organisatie van de Belgische ziekenhuissector in zijn geheel. Op basis daarvan zijn alle Belgische ziekenhuizen, ongeacht of zij openbaar of particulier zijn, met inbegrip van de IRIS-ziekenhuizen, door de GWZ belast met een basisziekenhuisopdracht. In artikel 2 GWZ is met name bepaald welke instellingen als ziekenhuizen kunnen worden beschouwd, terwijl in de artikelen 68 tot en met 76 sexies GWZ de voorwaarden zijn neergelegd voor de erkenning van ziekenhuizen en ziekenhuisdiensten (die voorwaarden worden nader toegelicht in uitvoeringsbepalingen waarin de kwaliteitsvoorwaarden, personeelsvereisten e.d. zijn neergelegd). De artikelen 23 tot en met 45 GWZ omvatten de vereisten met betrekking tot het ziekenhuisprogrammatiemechanisme, waardoor plafonds worden vastgesteld voor het aantal ziekenhuisbedden, ziekendiensten en bepaalde medische uitrusting (zoals scanners) dat in gebruik mag worden genomen en mag worden geëxploiteerd. Alleen erkende ziekenhuisdiensten die aan de programmatiecriteria voldoen, komen voor overheidsfinanciering in aanmerking. Zoals aangegeven in het inleidingsbesluit (188) en bevestigd door het gebrek aan opmerkingen van derden dienaangaande, waren en zijn er geen twijfels met betrekking tot de duidelijkheid van de basisziekenhuisopdracht zoals die in de GWZ is omschreven. Het is ook duidelijk dat de IRIS-ziekenhuizen aan die vereisten voldoen, omdat zij alle nodige erkenningen hebben en hun werking op grond van het programmatiemechanisme is goedgekeurd. |
|
(165) |
Naast die basisziekenhuisopdracht waarmee alle Belgische openbare en particuliere ziekenhuizen zijn belast, wordt in de beschikking van de Commissie van 28 oktober 2009 (zie punt 4.1 hierboven), het arrest houdende nietigverklaring van het Gerecht van 7 november 2012 (zie punt 4.2 hierboven) en het inleidingsbesluit van de Commissie van 1 oktober 2014 (zie punt 4.3) verwezen naar drie aanvullende (of specifieke) DAEB's waarmee alleen en uitsluitend de IRIS-ziekenhuizen zijn belast en die in wezen betrekking hebben op 1) universele zorg, 2) de verplichting zorg te verstrekken op verschillende ziekenhuissites, en 3) aanvullende sociale diensten. Dit hoeft echter niet te betekenen dat de basisziekenhuisopdracht en de aanvullende DAEB's noodzakelijkerwijs apart van elkaar moeten worden beoordeeld. In dit verband is in punt 23 van het inleidingsbesluit vermeld dat de Belgische autoriteiten hebben aangevoerd dat de basisziekenhuisopdracht deel is van, of complementair is met, een ruimere DAEB, namelijk de in de OCMW-wet neergelegde verplichting om maatschappelijke dienstverlening te verstrekken. |
|
(166) |
Tegen die achtergrond is de Commissie van oordeel dat de basisziekenhuisopdracht waarmee alle ziekenhuizen op grond van de GWZ zijn belast, en de drie aanvullende DAEB-verplichtingen waarmee alleen de IRIS-ziekenhuizen zijn belast (189), de facto samen één „DAEB van sociale gezondheidszorg” vormen, die specifiek is voor de IRIS-ziekenhuizen en die alleen door hen wordt verricht. De Commissie is van mening dat, wanneer wordt gekeken naar de werkelijkheid van alle DAEB-verplichtingen waarmee de IRIS-ziekenhuizen zijn belast en op basis van haar analyse van de inhoud en de kenmerken van al die verplichtingen, het niet passend zou zijn om de drie aanvullende DAEB-verplichtingen die op gemeentelijk niveau zijn toegewezen apart te beoordelen van de basisziekenhuisopdracht die op grond van de GWZ is toegewezen. De aanvullende DAEB-verplichtingen zijn immers enerzijds geworteld in en gebouwd op de basisziekenhuisopdracht van de IRIS-ziekenhuizen op grond van de GWZ, en gaan anderzijds veel verder dan die basisopdracht, omdat de IRIS-ziekenhuizen op grond daarvan 1) iedereen een ruim scala van gezondheidszorgdiensten moeten aanbieden, ongeacht of de patiënten daarvoor kunnen betalen (universele zorg, zie overwegingen 170-190, 2) ziekenhuizen op meerdere sites moeten hebben (nabije zorg, zie overwegingen 191-204), en 3) bijzondere aandacht moeten besteden aan de sociale behoeften van de patiënten (via aanvullende sociale diensten, zie overwegingen 205-214). Ten opzichte van de basisziekenhuisopdracht die op grond van de GWZ is toegewezen (zie overweging 164), kunnen de drie aanvullende verplichtingen niet als op zichzelf staande activiteiten worden beschouwd, wat duidelijk blijkt uit het feit dat die verplichtingen nooit zouden zijn toegewezen zonder de fundamentele verplichting op grond van de GWZ om de basisziekenhuisopdracht te vervullen. Ten slotte wordt die benadering tot op zekere hoogte ook door klaagsters bevestigd wanneer zij aanvoeren (zie overweging 71) dat de aanvullende sociale diensten niet kunnen worden gescheiden van een ruimere gezondheidszorgdienst. |
|
(167) |
Met betrekking tot de benadering die hierboven is ontwikkeld (zie overwegingen 162-166) wenst de Commissie de volgende drie punten te benadrukken. Om te beginnen bestaat de DAEB van sociale gezondheidszorg die door de IRIS-ziekenhuizen wordt verricht uit niet meer dan de basisziekenhuisopdracht waarmee zij zijn belast (zie overweging 164) en de drie aanvullende DAEB-verplichtingen waarmee zij zijn belast (zie overwegingen 170) e.v.). Ten tweede zal hieronder worden aangetoond dat de IRIS-ziekenhuizen en de Brusselse particuliere ziekenhuizen zich niet in een vergelijkbare situatie bevinden daar alleen de IRIS-ziekenhuizen met de drie aanvullende DAEB-verplichtingen zijn belast (zie overwegingen 170) e.v.) en dus alleen de IRIS-ziekenhuizen de hierboven omschreven DAEB van sociale gezondheidszorg verrichten (zie overwegingen 166-167). Ten derde zijn de IRIS-ziekenhuizen ook onderworpen aan beperkingen die een invloed hebben op het verrichten van de DAEB van sociale gezondheidszorg, namelijk de omstandigheid dat zij openbare ziekenhuizen zijn (zie overweging 42) en de omstandigheid dat de continuïteit (zie overwegingen 91 en 168) van het verrichten van deze DAEB verzekerd moet zijn. Figuur 2 hieronder illustreert die twee punten. Figuur 2 Verplichtingen, beperkingen en mechanismen van overheidsfinanciering die op de openbare IRIS-ziekenhuizen respectievelijk de particuliere ziekenhuizen van toepassing zijn DAEB van sociale gezondheidzorg: Continuïteit (van openbare ziekenhuisdien-sten) Openbare status (tweetalingheid, ambtenaren, ...) Gemeentelijke financiering van tekorten (art. 46 statuten IRIS-ziekenhuizien) Particuliere ziekenhuizen Openbare IRIS-ziekenhuizen Universele zorgverplichting Federale ziekenhuis-financiering (GWZ) Basisziekenhuis-opdracht (GWZ) Basisziekenhuis-opdracht (GWZ) Verplichting verschil-lende sites te hebbem Aanvullende sociale verplichting |
|
(168) |
Omdat de drie aanvullende DAEB-verplichtingen verder gaan dan de minimumvereisten die voor alle ziekenhuizen gelden (openbare of particuliere in België), brengen ze kosten met zich mee die niet of slechts gedeeltelijk door het budget van financiële middelen (zie punt 2.5.1) en het socialezekerheidsstelsel worden gedekt. In combinatie met de hogere kosten die uit hun openbare status voortvloeien (ambtenaren, tweetaligheid enz., zie ook overweging 42), verklaart dit waarom de IRIS-ziekenhuizen voor de meeste jaren in de periode 1996-2014 tekorten hebben opgelopen. Alles samen belopen de boekhoudkundige tekorten van de IRIS-ziekenhuizen over de periode 1996-2014 ongeveer 250 miljoen EUR (zie overweging 234). De respectieve Brusselse OCMW's en gemeenten willen en moeten (190) de continuïteit van hun IRIS-ziekenhuizen garanderen om ervoor te zorgen dat de DAEB van sociale gezondheidszorg wordt verricht en de verplichting van maatschappelijke dienstverlening van de OCMW's wordt nagekomen (zie ook punt 2.2). Dit is de reden waarom zij een volledige dekking van de tekorten geven, die de residuele kosten van de DAEB van sociale gezondheidszorg (bestaande uit de basisziekenhuisopdracht en de drie aanvullende DAEB-verplichtingen) compenseert (191), waardoor de continuïteit van de IRIS-ziekenhuizen verzekerd is (zie overweging 91). Daardoor maakt de compensatie van de tekorten geen onderscheid tussen de afzonderlijke DAEB-verplichtingen. Tegen die achtergrond is het passend dat de hieronder beschreven controles op overcompensatie (zie de tabellen 9 tot en met 13 in punt 7.3.5 hieronder) worden verricht op een totale grondslag (d.w.z. voor de verschillende DAEB's samen). |
|
(169) |
Zoals uitgelegd in de overwegingen 165-167, is de Commissie tot de conclusie gekomen dat de aanvullende verplichtingen van de IRIS-ziekenhuizen samen met hun basisziekenhuisopdracht de facto moeten worden beschouwd als één enkele DAEB van sociale gezondheidszorg. De basisziekenhuisopdracht is hierboven omschreven (zie overweging 164) en de precieze inhoud van elk van de aanvullende DAEB-verplichtingen wordt in de rest van dit punt omschreven. Voorts wordt toegelicht hoe die aanvullende DAEB-verplichtingen aan elkaar gekoppeld zijn en hoe ze bijdragen tot de DAEB van sociale gezondheidszorg. |
I. Verplichting alle patiënten te behandelen in alle omstandigheden, ongeacht of zij kunnen betalen (universelezorgverplichting)
|
(170) |
Volgens de Belgische autoriteiten hebben de IRIS-ziekenhuizen de verplichting alle patiënten te behandelen, zelfs als die niet kunnen betalen en/of niet verzekerd zijn, in alle omstandigheden, waaronder in situaties waarin patiënten geen dringende medische zorg nodig hebben. Klaagsters betwijfelen dat een dergelijke verplichting voor de IRIS-ziekenhuizen geldt, en voeren aan dat de Brusselse particuliere ziekenhuizen geen patiënten kunnen weigeren en in feite een groot aantal „sociale patiënten” behandelen. Ter staving van hun argumenten voeren de klaagsters aan dat de GWZ alle ziekenhuizen met dezelfde ziekenhuisopdracht belast en verwijzen zij ook, zoals verklaard in punt 150 van het arrest houdende nietigverklaring van 7 november 2012, naar het algemene discriminatieverbod dat hun zou beletten hun patiënten uit te kiezen op basis van de ideologische, filosofische of godsdienstige overtuiging of de behoeftigheid van de patiënt. Volgens hen hebben de openbare en de particuliere ziekenhuizen dezelfde verplichting om patiënten zowel in spoedgevallen als na spoedeisende omstandigheden te behandelen. |
|
(171) |
Om te beginnen merkt de Commissie op dat de GWZ geen enkele bewoording bevat die kan worden uitgelegd als een verplichting voor ziekenhuizen (openbare of particuliere) om patiënten in alle omstandigheden te behandelen, ongeacht of zij kunnen betalen. In het Belgische recht bestaat echter wel een algemene verplichting om hulp te bieden aan personen die in gevaar verkeren. Zoals door de Belgische autoriteiten is aangevoerd, geldt die in artikel 422 ter van het Belgische Strafwetboek neergelegde verplichting in spoedeisende situaties en in het bijzonder in levensbedreigende medische spoedgevallen. Ziekenhuizen zijn dus verplicht hulp te bieden in medische spoedgevallen, volgens hun organisatie en beschikbare deskundigheid. Die verplichting geldt zowel voor openbare als voor particuliere ziekenhuizen, zoals overigens voor iedereen, op grond van hun plicht om hulp te bieden aan mensen die in gevaar verkeren. Het lijdt dus geen twijfel dat de Brusselse openbare en particuliere ziekenhuizen verplicht zijn patiënten te behandelen in spoedgevallen, ongeacht of die kunnen betalen. In dezelfde geest staat de code van geneeskundige plichtenleer, die voor artsen geldt, artsen uitdrukkelijk toe patiënten te weigeren, maar niet in spoedgevallen (192). |
|
(172) |
Ten tweede verwijst de klager naar een vonnis van de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel (193) om te rechtvaardigen dat er geen verschil bestaat tussen openbare en particuliere ziekenhuizen wat de behandeling van „sociale patiënten” betreft, hetzij in een spoedgeval, hetzij na een spoedeisende situatie. Dat vonnis betreft een zeer specifieke zaak van dringende medische hulp die de OCMW's moeten verlenen op grond van artikel 57 § 2 OCMW-wet. De Rechtbank van eerste aanleg van Brussel merkte op dat de dringende medische hulp in feite nooit door het OCMW zelf wordt verleend, maar door gespecialiseerde medische diensten, en dat niets kan rechtvaardigen dat een onderscheid wordt gemaakt naargelang die dienst openbaar of particulier is. De Commissie merkt niettemin op dat de verplichting dringende medische hulp te verlenen voor de OCMW's geldt en niet voor de ziekenhuizen die de zorg verlenen. In die zaak ging het om een migrant zonder papieren die dringend in een Brussels particulier psychiatrisch ziekenhuis was opgenomen, waarna dat ziekenhuis, gelet op de kennelijke staat van behoeftigheid van de migrant, het OCMW om betaling van die dringende medische hulp vroeg. De Brusselse rechtbank oordeelde dat als een OCMW de dringende medische hulp niet in een door hem beheerd ziekenhuis verleent, het de kosten moet betalen van de zorg die door een privaat ziekenhuis zijn verleend wanneer de hulpdiensten vanwege de spoedeisendheid hadden beslist om de patiënt naar een particulier ziekenhuis te brengen. Dit vonnis heeft duidelijk betrekking op een uitzonderlijke situatie die afwijkt van het normale kader voor maatschappelijke dienstverlening waarin het OCMW een beroep doet op zijn eigen (openbare) ziekenhuizen. In die zaak vond de afwijking haar oorsprong in de omstandigheid dat de psychiatrische zorg die de betrokkene specifiek nodig had, niet door de openbare IRIS-ziekenhuizen wordt verleend. De Brusselse rechtbank verklaarde voorts het volgende: „Si l'aide est le plus souvent dispensée dans un établissement dépendant du CPAS concerné ou avec lequel il a conclu une convention, il peut arriver que l'hospitalisation se fasse dans un autre établissement, en raison de l'urgence résultant de la situation de la personne à hospitaliser.” (eigen vertaling Commissie: De hulp wordt het vaakst geboden in een instelling die van het betrokken OCMW afhangt of waarmee dat OCMW een overeenkomst heeft gesloten, maar het kan gebeuren dat de ziekenhuisopname in een andere instelling gebeurt, omdat de persoon die in het ziekenhuis moet worden opgenomen, in een spoedeisende situatie verkeert) De Brusselse rechtbank merkte ook op dat als het betrokken OCMW (in die zaak het OCMW van Ukkel) zijn eigen psychiatrische ziekenhuis had opgericht of met een dergelijk ziekenhuis een overeenkomst had gesloten, het betrokken particuliere ziekenhuis geen zorg had hoeven te verlenen aan de betrokken migrant zonder papieren, maar in plaats daarvan had kunnen vragen dat hij naar dat ziekenhuis werd overgebracht. Omdat dit niet het geval was, was er geen alternatief voorhanden en werd het OCMW daarom veroordeeld om het particuliere ziekenhuis te betalen voor de zorg die het aan de patiënt had verleend. Bijgevolg kan uit het door de klaagsters aangevoerde vonnis van de Brusselse rechtbank enkel worden geconcludeerd dat vanwege de spoedeisendheid particuliere ziekenhuizen in sommige gevallen ook dringende medische hulp aan migranten zonder papieren kunnen verlenen en dat de OCMW's die op die specifieke wijze hun verplichting tot verlening van dringende medische hulp nakomen, die particuliere ziekenhuizen moeten betalen. De omstandigheid dat in een beperkt aantal gevallen (194) dringende medische hulp door de Brusselse particuliere ziekenhuizen kan worden verleend, kan dus niet worden uitgelegd als een algemene verplichting voor die ziekenhuizen om alle patiënten te behandelen, ongeacht of die kunnen betalen. |
|
(173) |
Ten derde is het met betrekking tot het discriminatieverbod (dat door klaagsters wordt vermeld, zie overweging 170) duidelijk dat geen enkel ziekenhuis in België mag discrimineren op basis van het vermogen van de patiënt (en dus op basis van de loutere omstandigheid dat hij arm of rijk is) noch op basis van enig ander persoonlijk criterium (bv. godsdienst of etnische achtergrond). In een niet-spoedeisende situatie kan het discriminatieverbod ziekenhuizen echter niet dwingen om gratis zorg te verlenen wanneer duidelijk te verwachten valt dat een patiënt niet zal kunnen betalen. Als die voorwaarden zijn vervuld in een niet-spoedeisende situatie is er voor ziekenhuizen een objectieve rechtvaardiging om een onderscheid te maken door die patiënten te weigeren (195). Zoals hierboven reeds aangehaald (zie overweging 171), is het Belgische artsen in hun code van geneeskundige plichtenleer uitdrukkelijk toegestaan patiënten te weigeren in niet-spoedeisende situaties. Uit een onderzoek van schuldbemiddelaars (196) blijkt voorts dat artsen en ziekenhuizen soms patiënten weigeren die het in het verleden moeilijk hadden om voor een behandeling te betalen. In dit verband moet erop worden gewezen dat ziekenhuizen niet per se botweg patiënten weigeren maar hun om betaling van een voorschot vragen, wat afschrikkend kan werken voor wie arm is. Er zijn ook aanwijzingen dat particuliere ziekenhuizen patiënten voor hun behandeling soms doorverwijzen naar een OCMW-ziekenhuis (197). Om die redenen werd in 2013 in de Belgische Senaat een wet voorgesteld (maar niet aangenomen) waardoor het onmogelijk zou worden om patiënten gezondheidszorg te weigeren wegens hun financiële moeilijkheden en waardoor zou worden verboden dat om betaling van een voorschot wordt gevraagd (198). Bijgevolg kan het discriminatieverbod niet worden aangevoerd om te stellen dat alle Belgische ziekenhuizen (openbare en particuliere) zijn belast met een verplichting alle patiënten in alle omstandigheden (d.w.z. buiten spoedgevallen) te behandelen, zelfs als patiënten niet voor de behandeling kunnen betalen. |
|
(174) |
Uit het bovenstaande concludeert de Commissie dat er een onderscheid moet worden gemaakt tussen spoedgevallen en niet-spoedeisende situaties. In spoedgevallen zijn openbare en particuliere ziekenhuizen op dezelfde wijze onderworpen aan de algemene verplichting (op grond van het Belgische Strafwetboek) om patiënten te behandelen die dringende medische hulp nodig hebben. Er is echter geen rechtsgrondslag die de particuliere ziekenhuizen verplicht patiënten ook in niet-spoedeisende situaties te behandelen, ongeacht of die patiënten kunnen betalen, of hen met die opdracht belast. Noch de GWZ, noch het Strafwetboek bevat immers een dergelijke verplichting en het discriminatieverbod kan evenmin worden geacht die verplichting op te leggen. Ten slotte geldt de verplichting dringende medische hulp te bieden aan migranten zonder papieren voor de OCMW's, niet voor de ziekenhuizen die dergelijke zorg verlenen. |
De universelezorgverplichting die voor de IRIS-ziekenhuizen geldt
|
(175) |
Anders dan de particuliere ziekenhuizen zijn de IRIS-ziekenhuizen echter verplicht (199) alle patiënten in alle omstandigheden te behandelen, ook in niet-spoedeisende situaties, ongeacht of de patiënt kan betalen en ongeacht zijn verzekeringstoestand, op grond van de specifieke regels die alleen voor de IRIS-ziekenhuizen gelden, namelijk hun statuten en de strategische plannen van IRIS, die hieronder worden toegelicht. Zoals hierboven uitgelegd (zie overweging 24), zijn de IRIS-ziekenhuizen opgericht door de OCMW's zodat zij hun taak van maatschappelijke dienstverlening kunnen uitvoeren voor iedereen die dat nodig heeft. De OCMW's zijn verplicht tot die dienstverlening (met inbegrip van medische en sociaalmedische zorg) voor alle personen en gezinnen die dat nodig hebben (200). De OCMW's verrichten hun diensten gratis en zijn in het bijzonder opgericht om de armen en behoeftigen te helpen. In dat verband is in artikel 5 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen het volgende bepaald:
|
|
(176) |
Evenzo wordt in de inleiding van het strategisch plan 1996-2001 van IRIS het volgende vermeld: „Het openbaar ziekenhuis van de IRIS-structuur moet in het kader van zijn sociale taak op ieder ogenblik het dienstengamma verzorgen dat iedereen in algemeen aanvaardbare financiële omstandigheden een kwalitatief hoogstaande verzorging kan waarborgen en openstaan voor elke mogelijke patiënt, ongeacht diens inkomen, verzekerbaarheidsvoorwaarden, herkomst of levensbeschouwelijke overtuiging.” (202). |
|
(177) |
Die inleiding gaat voort als volgt: „De hoofddoelstelling van het IRIS-plan is het behoud te Brussel van een versterkt netwerk van openbare ziekenhuizen dat voor iedereen toegankelijk is, ongeacht inkomsten, verzekerbaarheidsvoorwaarden, afkomst of levensbeschouwelijke overtuiging.” (203). |
|
(178) |
In een ander deel van dit plan wordt opgemerkt dat het IRIS-handvest van de patiënt het volgende garandeert: „ De toegang voor alle patiënten zonder onderscheid van herkomst, inkomen, levensbeschouwelijke of ideologische overtuiging en verzekerbaarheid.” (204). |
|
(179) |
Voorts heeft het strategisch plan 1996-2001 van IRIS een onderafdeling 2.5.4 met de titel „Opneming en behandeling van iedereen die zich in een van de ziekenhuizen van de iris-structuur aandient”, waarin het volgende is verklaard: „De openbare ziekenhuizen [d.w.z. de IRIS-ziekenhuizen] hebben als taak een sociale geneeskunde te verstrekken. Dit houdt in dat ze moeten voldoen aan sociale basisvoorwaarden, ook al is deze functie niet steeds erkend in het wetgevend en verordenend arsenaal waaronder de ziekenhuissector valt. De openbare ziekenhuizen hebben als taak onthaal en verzorging te organiseren voor alle patiënten, ongeacht hun herkomst, cultuur, overtuigingen of pathologieën. Door hun openbare karakter zijn zij gehouden aan universaliteit, gelijkheid, continuïteit en verandering.
|
|
(180) |
Uit het bovenstaande blijkt duidelijk dat wanneer patiënten in de IRIS-ziekenhuizen worden opgenomen, geen rekening wordt gehouden met hun vermogen om te betalen en hun verzekeringstoestand, zodat de toegang tot gezondheidszorg voor iedereen gegarandeerd is, ook in niet-spoedeisende situaties. Verschillende elementen in het strategisch plan 1996-2001 van IRIS tonen ook de sociale aard aan van de ziekenhuiszorg die door de IRIS-ziekenhuizen wordt verleend (bv. „om de geneeskunde te blijven beoefenen met absolute uitsluiting van commerciële overwegingen” (206)), alsook de sterke wens om kwaliteitszorg aan te bieden aan alle lagen van de Brusselse bevolking, vooral aan de armste bevolkingslagen (207). |
|
(181) |
Het strategisch plan 2002-2014 van IRIS herhaalt sommige van de basisbeginselen (toegang voor alle patiënten, verhoogde toegankelijkheid voor de armen), onder meer door het citeren van artikel 5 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen (208) (zie ook overweging 175) en van de hoofddoelstelling van het strategisch plan 1996-2001 van IRIS (209) (zie overweging 177), maar ook door te verwijzen naar het IRIS-handvest van de patiënt (210) (zie overweging 178), en voegt daaraan toe: „In de openbare diensten staan drie basisprincipes centraal: universaliteit, gelijkheid en continuïteit. Overeenkomstig deze principes, en omdat ze een publiek karakter hebben, verbinden de ziekenhuizen van het IRIS-net er zich toe:
|
|
(182) |
Op basis van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de IRIS-ziekenhuizen verplicht zijn alle patiënten te behandelen, in alle omstandigheden (d.w.z. zowel in spoedgevallen als in niet-spoedeisende situaties), zelfs als die patiënten niet voor hun behandeling kunnen betalen of het voorzienbaar is dat zij niet zullen kunnen betalen, en/of als zij niet verzekerd zijn. Die verplichting is vastgelegd en toegewezen aan de IRIS-ziekenhuizen in de bovengenoemde statuten van de IRIS-ziekenhuizen en de strategische plannen van IRIS die voor de IRIS-ziekenhuizen bindend zijn, en die hun grondslag vinden in de in de OCMW-wet neergelegde verplichting maatschappelijke dienstverlening te verstrekken (een verplichting die door de OCMW's aan de IRIS-ziekenhuizen is gedelegeerd via die statuten en strategische plannen). |
Praktische weerslag van de universelezorgverplichting van de IRIS-ziekenhuizen
|
(183) |
De Commissie merkt ook op dat de bovenstaande conclusie, met name dat de IRIS-ziekenhuizen verplicht zijn alle patiënten in alle omstandigheden te behandelen (d.w.z. zowel in spoedgevallen als in niet-spoedeisende situaties) en ongeacht of de patiënt kan betalen, terwijl de particuliere ziekenhuizen slechts in spoedgevallen (d.w.z. wanneer zorg onmiddellijk nodig is voor een levensbedreigende aandoening) verplicht zijn alle patiënten te behandelen, bovendien is weerspiegeld in de verschillende profielen van de patiënten die in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest door de IRIS-ziekenhuizen en de particuliere ziekenhuizen worden behandeld, en in hun respectieve prijsbeleid. |
|
(184) |
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat ook in het strategisch plan 2002-2014 wordt verwezen naar de lagere inkomsten (212) en hogere kosten (213) voor de behandeling van patiënten die zich in een sociaaleconomische precaire situatie bevinden en die een groot deel van de patiënten van de IRIS-ziekenhuizen vormen. In dit verband moet erop worden gewezen dat de IRIS-ziekenhuizen met hun artsen zijn overeengekomen dat supplementen (zie overweging 46)(c) voor meer achtergrond) niet in rekening kunnen worden gebracht aan OCMW-patiënten en patiënten met een laag inkomen (d.w.z. die recht hebben op een verhoogde Riziv-terugbetaling). Daarnaast is het percentage opnamen in eenpersoonskamers (d.w.z. de enige kamers waarvoor supplementen in rekening kunnen worden gebracht) veel lager dan het gemiddelde voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (214). Uit de beschikbare cijfers van een van de ziekenfondsen (215) blijkt ook dat wanneer een supplement door de IRIS-ziekenhuizen in rekening wordt gebracht, het bedrag daarvan ook veel lager is dan het gemiddelde voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (d.w.z. tussen 25 % en 67 % lager). Ter vergelijking: in de betrokken periode brachten sommige particuliere ziekenhuizen hun patiënten gemiddeld 180 % meer in rekening dan de prijzen die door het socialezekerheidsstelsel zijn vastgesteld. |
|
(185) |
De universelezorgverplichting is aan de IRIS-ziekenhuizen toegewezen om ervoor te zorgen dat patiënten die niet kunnen betalen, die geen particuliere verzekering hebben en voor wie er misschien geen enkele (of slechts een gedeeltelijke) terugbetaling door de sociale zekerheid is, de medische zorg krijgen die zij nodig hebben. Een significante subgroep van die patiënten zijn de bovengenoemde migranten zonder papieren, aangezien zij niet door het Belgische socialezekerheidsstelsel zijn gedekt en doorgaans niet zelf voor zorg kunnen betalen. In 85 % van de gevallen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest krijgen die migranten dringende medische hulp van de IRIS-ziekenhuizen (zie overweging 172), ook al exploiteren die ziekenhuizen slechts 35 % van de ziekenhuisbedden in dat gewest. Een andere veelzeggende indicator is de ranglijst van de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid (216) van alle Belgische ziekenhuizen, op basis van het sociaaleconomische profiel van hun patiënten (zie tabel 1 hieronder en overweging 40) hierboven). Die ranglijst weerspiegelt onder meer het aandeel patiënten dat niet kan betalen en niet door de sociale zekerheid is gedekt en waarvoor het OCMW (217) de behandelingskosten kan terugbetalen (zie ook de overwegingen 187-188) (218). Voor de periode 2007-2013 en voor België als geheel worden de drie hoogste plaatsen op die ranglijst volledig ingenomen door de IRIS-ziekenhuizen (met het Jules Bordet Instituut en het UKZKF als uitzondering vanwege hun gespecialiseerde aard). Anderzijds staan de Brusselse particuliere ziekenhuizen voor dezelfde periode zelfs niet in de top 20, wat erop wijst dat het gemiddelde sociaaleconomische profiel van hun patiënten beduidend beter is dan dat van de patiënten van de IRIS-ziekenhuizen. Ofschoon de voor het opstellen van die ranglijst gebruikte criteria niet alleen patiënten betreffen die niet kunnen betalen of niet zijn verzekerd, stelt de ranglijst verdere vraagtekens bij het argument van klaagsters dat de Brusselse particuliere ziekenhuizen verplicht zijn alle patiënten in alle omstandigheden te behandelen en is zij verder bewijs dat in plaats daarvan alleen de IRIS-ziekenhuizen een dergelijke verplichting hebben. Als een dergelijke verplichting voor de Brusselse particuliere ziekenhuizen zou gelden, zou immers verwacht kunnen worden dat zij op een hogere plaats in de ranglijst staan. Tabel 1 Plaats op de ranglijst van het Federale Overheidsdienst Volksgezondheid op basis van het sociaaleconomische profiel van hun patiënten (* = IRIS-ziekenhuis, + = Brussels particulier ziekenhuis)
|
|
(186) |
De verwijzing van klaagsters naar een publicatie van februari 2004 van de Christelijke Mutualiteit (zie overweging 72), die alleen betrekking heeft op het jaar 2001 en die zou aantonen dat de particuliere ziekenhuizen meer dan 60 % van de „sociale patiënten” in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest behandelen, moet in perspectief worden geplaatst. De term „sociale patiënten” kan de indruk wekken dat het patiënten betreft die hun behandeling niet kunnen betalen en dus allemaal in aanmerking zouden komen voor de universelezorgverplichting. Dit is echter niet het geval om de volgende redenen:
Om alle bovenstaande redenen is de Commissie van oordeel dat de publicatie van de Christelijke Mutualiteit met statistieken voor het jaar 2001 niet als bewijs kan worden beschouwd voor het argument dat de IRIS-ziekenhuizen geen universelezorgverplichting zouden hebben of dat de Brusselse particuliere ziekenhuizen een vergelijkbare verplichting zouden hebben. |
|
(187) |
De universelezorgverplichting waarmee de IRIS-ziekenhuizen zijn belast, waarborgt dat patiënten die in extreme financiële moeilijkheden verkeren, politieke vluchtelingen, illegale immigranten enz., in alle omstandigheden worden behandeld. Als die patiënten hun behandeling niet kunnen betalen en geen verzekeringsdekking hebben (noch via de sociale zekerheid noch via een particuliere zorgverzekering), zal het OMCW de kosten van die patiënten slechts betalen mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Om de regels voor een dergelijke terugbetaling vast te stellen, hebben de IRIS-ziekenhuizen en 17 van de 19 OCMW's van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zogenaamde multilaterale overeenkomsten inzake het zogenoemde onderstandsdomicilie gesloten. Voor niet-dringende hulp verwijzen de OCMW's personen naar de IRIS-ziekenhuizen en verstrekken zij een schriftelijke verklaring (een zogenaamd requisitorium) dat het OCMW de behandelingskosten ten laste zal nemen. Als patiënten dat requisitorium laat zien, sturen de IRIS-ziekenhuizen de factuur rechtstreeks naar het OCMW. Voor dringende hulp kan die procedure uiteraard niet worden gevolgd. In dat geval hangt de terugbetaling door het OCMW af van i) een medisch getuigschrift waarin wordt bevestigd dat de persoon dringend moet worden opgenomen of onmiddellijk moet worden behandeld, en ii) de staat van behoeftigheid van de persoon zoals bevestigd door het OCMW aan de hand van de informatie die het ziekenhuis heeft verzameld om een sociaal onderzoek te voltooien. Het verzamelen van de vereiste informatie is een belangrijke taak voor de sociale diensten van de IRIS-ziekenhuizen (zie ook overwegingen 210-211) (222). |
|
(188) |
Mits aan de bovenvermelde voorwaarden is voldaan (d.w.z. een requisitorium voor niet-dringende zorg, een medisch getuigschrift en een sociaal onderzoek voor dringende zorg), betaalt het OCMW de IRIS-ziekenhuizen de behandelingskosten terug van patiënten die hun behandeling niet kunnen betalen en geen verzekeringsdekking hebben. Dat ontheft de IRIS-ziekenhuizen echter niet van de volledige last van de universelezorgverplichting. Om terugbetaling van het OCMW te verkrijgen, moeten de IRIS-ziekenhuizen immers informatie voor het sociaal onderzoek verzamelen (wat zij in 2012 voor 25 749 gevallen deden). Dat is een van de redenen waarom de IRIS-ziekenhuizen meer dan dubbel zoveel sociale assistenten tewerkstellen in vergelijking met bv. de universitaire ziekenhuizen (zie overweging 213). De OCMW's vergoeden de IRIS-ziekenhuizen echter niet voor de kosten die zij bij het verzamelen van informatie voor de sociale onderzoeken hebben gemaakt (223). Voorts hebben de OCMW's langere betalingstermijnen (soms langer dan een jaar) dan de ziekenfondsen en de verzekeringsmaatschappijen (die beide binnen één of twee maanden na ontvangst van de factuur betalen). Daardoor moeten de IRIS-ziekenhuizen die kosten gedurende een langere periode voorfinancieren dan voor „gewone” patiënten. Op 31 december 2010 waren de Brusselse OCMW's de IRIS-ziekenhuizen bijna 35 miljoen EUR verschuldigd (waarvan ongeveer 71 % facturen voor 2010 betrof, 12 % voor 2009 en ongeveer 13 % voor vroegere jaren). De IRIS-ziekenhuizen raamden de kosten van de langere betalingstermijnen aan de hand van een nominaal jaarlijks rentepercentage van 2 % op dat ogenblik op bijna 700 000 EUR (224). Ten slotte komen niet alle personen die het moeilijk hebben om hun rekening te betalen in aanmerking voor dekking door het OCMW (225). Op grond van hun universelezorgverplichting behandelen de IRIS-ziekenhuizen niettemin patiënten waarvoor zij geen toezegging hebben dat het OCMW de kosten zal betalen. In een dergelijke situatie sturen de IRIS-ziekenhuizen een factuur aan de patiënten, die in sommige gevallen niet in staat zullen zijn te betalen. Het resultaat is dat de IRIS-ziekenhuizen te kampen hebben met een niveau van oninbare schuld dat veel hoger is dan bij andere openbare en particuliere ziekenhuizen in België (226). Volgens een raming van de IRIS-ziekenhuizen lag hun bedrag aan afgeschreven schuld in 2010 ongeveer […] miljoen EUR hoger dan het gemiddelde van de openbare ziekenhuizen in België. |
|
(189) |
Ten slotte is het belangrijk dat de financiering op grond van onderdeel B8 van het budget van financiële middelen, die wordt toegekend aan ziekenhuizen met patiënten met een zwak sociaaleconomisch profiel, in perspectief wordt geplaatst. Die beperkte federale financiering is bedoeld om sommige van de kosten in verband met „sociale patiënten” te compenseren (bv. ten gevolge van het feit dat dergelijke patiënten gemiddeld langer in het ziekenhuis verblijven dan andere patiënten), maar is geen compensatie voor een universelezorgverplichting. De financiering op grond van onderdeel B8 compenseert niet de werkelijke kosten die ziekenhuizen maken voor de behandeling van sociale patiënten (bv. de niet-betaalde facturen voor sociale patiënten, de omstandigheid extra sociale assistenten nodig te hebben). In plaats daarvan wordt een vast budget (namelijk ongeveer 25 miljoen EUR per jaar voor heel België) toegewezen op basis van de plaats van de ziekenhuizen op de ranglijst volgens het sociaaleconomische profiel van de patiënten (zie overweging 185). Omdat de drie hoogste plaatsen op die ranglijst door de IRIS-ziekenhuizen worden ingenomen, ontvangen die ziekenhuizen ook een groter aandeel van de financiering op grond van onderdeel B8 dan de ziekenhuizen die op een lagere plaats staan (zoals de Brusselse particuliere ziekenhuizen). De reden waarom zowel openbare als particuliere ziekenhuizen in beginsel voor die financiering in aanmerking komen, is dat zelfs zonder een universelezorgverplichting zoals die waarmee de IRIS-ziekenhuizen belast zijn, ziekenhuizen vrijwillig ervoor kunnen kiezen om sociale patiënten te behandelen. Zij kunnen daarvoor kiezen omdat niet alle sociale patiënten niet kunnen betalen of niet-verzekerd zijn. Voor sociale patiënten die door de sociale zekerheid zijn gedekt, zijn immers vaak lagere tarieven van toepassing en betaalt het Riziv een groter aandeel, waardoor het ziekenhuis financieel minder risico loopt. Daarnaast is het zo dat niet elk OCMW in België ervoor gekozen heeft zijn eigen ziekenhuis op te richten. Om hun verplichting van maatschappelijke dienstverlening na te komen, kunnen de OCMW's dus een beroep doen op particuliere ziekenhuizen. In dergelijke situaties zou een particulier ziekenhuis uiteraard een aantal sociale patiënten behandelen en ook in aanmerking komen voor financiering op grond van onderdeel B8 van het budget van financiële middelen. In het Brussels Hoofdstedelijk Gewest kunnen de OCMW's echter een beroep doen op de openbare IRIS-ziekenhuizen, wat verklaart waarom de ranglijst in overweging 185) laat zien dat het gemiddelde sociaaleconomische profiel van de patiënten van de Brusselse particuliere ziekenhuizen beduidend beter is dan dat van de IRIS-ziekenhuizen. Om al die redenen kan de financiering op grond van onderdeel B8 van het budget van financiële middelen niet worden uitgelegd als een aanwijzing voor het bestaan van een universelezorgverplichting voor alle Belgische ziekenhuizen. |
Conclusie inzake de universelezorgverplichting van de IRIS-ziekenhuizen
|
(190) |
Op basis van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de universelezorgverplichting alleen voor de IRIS-ziekenhuizen geldt, duidelijk is toegewezen en omschreven in de statuten van de IRIS-ziekenhuizen en de strategische plannen van IRIS, overeenkomstig de vereisten van de OCMW-wet (zie overwegingen 29-30), en ook tot uiting komt in de ranglijst van de ziekenhuizen volgens het sociaaleconomische profiel van hun patiënten (zie overweging 185). Die verplichting zorgt ervoor dat arme mensen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest adequate medische behandeling krijgen, zelfs als zij die niet kunnen betalen en ook in niet-spoedeisende situaties. Op die manier verlenen de IRIS-ziekenhuizen sociale gezondheidszorg die voldoet aan de behoeften van de plaatselijke bevolking. Zoals uitgelegd in de vorige overweging, wordt slechts een deel van de last van die verplichting rechtstreeks gedekt (bv. via terugbetaling van de behandelingskosten door de OCMW's). De overblijvende last wordt dus gedekt door de in dit besluit aan de orde zijnde compensatie van tekorten. |
II. Verplichting een volledig aanbod basisziekenhuisdiensten te hebben op verschillende sites
|
(191) |
Volgens de Belgische autoriteiten hebben de IRIS-ziekenhuizen ook de specifieke verplichting een volledige waaier aan basisziekenhuisdiensten aan te bieden op verschillende sites in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Volgens klaagsters is het echter niet duidelijk wat die inhoudt en is evenmin duidelijk in welke mate die verplichting de IRIS-ziekenhuizen aanvullende lasten oplegt. Klaagsters voeren echter niet aan dat de Brusselse particuliere ziekenhuizen een dergelijke verplichting hebben. |
|
(192) |
De Commissie merkt op dat ziekenhuizen (openbare en particuliere) op grond van de GWZ niet verplicht zijn op verschillende sites actief te zijn. Het mechanisme van ziekenhuisprogrammatie bepaalt in plaats daarvan het maximumaantal ziekenhuisbedden dat in elk gewest van België kan worden aangeboden. Voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het aantal (algemene) ziekenhuisbedden beperkt tot ongeveer 7 260 en elk ziekenhuis in Brussel heeft een erkenning om een aantal bedden binnen die grens te exploiteren. Als de capaciteit van een ziekenhuis in het kader van het programmatiesysteem is goedgekeurd, kan het ziekenhuis in beginsel vrij beslissen of en in welke mate het die bedden op één site groepeert, dan wel of het die bedden over verschillende sites in dat specifieke gewest verdeelt. Op dezelfde wijze kan het ziekenhuis beslissen om bepaalde afdelingen over meer dan één site te verspreiden, dan wel om in plaats daarvan bepaalde soorten zorg alleen maar op bepaalde sites aan te bieden. In die context hebben sommige Brusselse particuliere ziekenhuizen vrij ervoor gekozen om op verschillende sites actief te zijn, terwijl andere op slechts één site actief zijn (227). Particuliere ziekenhuizen kunnen echter te allen tijde beslissen hun bedden en afdelingen te hergroeperen op één enkele site (228). Daarnaast moet worden opgemerkt dat particuliere ziekenhuizen, binnen de grenzen van het programmatiemechanisme (229), ook vrij kunnen kiezen welke soorten zorg zij aanbieden, waardoor zij zich kunnen specialiseren in de meest winstgevende soorten gezondheidszorg (230). |
De voor de IRIS-ziekenhuizen geldende verplichting verschillende sites te hebben
|
(193) |
Met betrekking tot de IRIS-ziekenhuizen hebben de gemeenten en OCMW's aan het behoud van plaatselijke zorgverlening voorrang gegeven boven de concentratie van ziekenhuisbedden. Zij hebben specifiek ervoor gekozen om op alle sites een volledig aanbod basisbehandelingen te hebben, wat tot hogere kosten heeft geleid omdat infrastructuur, uitrusting en activiteiten op meerdere sites beschikbaar moeten zijn. Op die basis hebben de OCMW's en de gemeenten, gezien de behoeften van de bevolking, bij de herstructurering van de Brusselse ziekenhuizen in 1995 bewust gekozen voor het behoud van de bestaande plaatselijke ziekenhuisdiensten met een volledig aanbod behandelingen op verschillende sites. Zij waren van mening dat de plaatselijke sociaalmedische behoeften, die initieel tot de oprichting van de openbare ziekenhuizen hadden geleid, nog altijd bestonden. In dat verband moet worden opgemerkt dat de meeste IRIS-ziekenhuizen in de armste gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest zijn gelegen (zie ook overweging 202). De overheidsinstanties hebben dus vrijwillig van efficiëntiewinst afgezien, ten nadele van hun louter financiële belangen, en hebben ervoor gekozen om alle bestaande ziekenhuissites te behouden, ook al wisten zij dat de federale maatregelen op het gebied van ziekenhuisfinanciering niet alle kosten zouden dekken (bv. omdat de infrastructuur op verschillende sites beschikbaar moet zijn en wegens de hogere exploitatiekosten, zie ook overweging 203). Die keuze komt tot uiting in de strategische plannen van IRIS en verplicht de IRIS-ziekenhuizen dus om alle ziekenhuissites te behouden, zodat de patiënten alle basisbehandelingen zo dicht mogelijk bij hun woning kunnen krijgen. |
|
(194) |
In het deel „Structurerende krachtlijnen” van het strategisch plan 1996-2001 van IRIS is met name het volgende bepaald: „ Behoud van een gedecentraliseerde hospitalisatie en een brede ambulante opvang. De activiteit wordt in stand gehouden op de negen sites ” (231) (232). […] „ Instandhouding van de basisactiviteit op de verschillende sites. De patiënten, en in het bijzonder de bejaarden, kunnen op die manier verder in het ziekenhuis worden verzorgd op een redelijke afstand van de plaats waar zij wonen. ” (233). |
|
(195) |
In het strategisch plan 1996-2001 wordt ook benadrukt dat de IRIS-ziekenhuizen voornamelijk patiënten behandelen die in de buurt wonen, reden waarom ze „buurtziekenhuizen” worden genoemd (234). Daarnaast willen de IRIS-ziekenhuizen „[hun] diensten optimaal [afstemmen] op de behoeften van de Brusselse bevolking, […] en [hun] toegankelijkheid voor alle lagen van de bevolking vergroten, en vooral dan voor de minder begoeden” (235). |
|
(196) |
In het strategisch plan 2002-2014 wordt aan het bovenstaande het volgende toegevoegd: „IRIS hanteert het principe van een organisatie gericht op de patiënt, als onderdeel van een openbaar net van instellingen die onderling samenwerken met als doel een gespecialiseerd en nabijgelegen zorgaanbod te waarborgen.” (236). |
|
(197) |
Met betrekking tot zorg in de nabijheid gaat dit strategisch plan voort als volgt: „Gelet op de geografische spreiding van de IRIS-sites en hun impact op het bereiken van algemene, soms sociaal zwakke bevolkingsgroepen, bestaat de eerste doelstelling erin op elke site een kwalitatief hoogstaande efficiënte en toegankelijke buurtgeneeskunde aan te bieden. De IRIS-ziekenhuizen, met uitzondering van het Instituut Bordet en het Kinderziekenhuis [het UKZKF] (237), die referentieziekenhuizen zijn met één specialisatie, hebben als hoofdopdracht een buurtgeneeskunde aan te bieden, die voldoet aan een lokale vraag van patiënten uit de omringende gemeenten.” (238). |
|
(198) |
In het strategisch plan 2002-2014 van IRIS is ook gespecificeerd dat de IRIS-ziekenhuizen niet alleen buurtgeneeskunde met betrekking tot basiszorg verlenen, maar ook gespecialiseerde zorg (d.w.z. een ruimer en/of meer ontwikkeld aanbod behandelingen) (239). Die zorg wordt echter niet op alle sites verleend (hoewel die doorgaans op meer dan één site wordt aangeboden) en hangt af van de planning op het niveau van het IRIS-netwerk (240). Het doel is altijd de Brusselse bevolking te garanderen dat een optimaal niveau van zorgverlening voor iedereen toegankelijk is (via buurtgeneeskunde of via gespecialiseerde zorg) (241). Dat strategisch plan bevat gedetailleerde tabellen waarin de soorten basiszorg en gespecialiseerde zorg die op elk van de sites van de IRIS-ziekenhuizen worden aangeboden, worden gespecificeerd. De basiszorgactiviteiten worden als „niveau 1 — buurtniveau” aangemerkt, terwijl de gespecialiseerde zorgactiviteiten worden aangemerkt als „niveau 2 — specialisatieniveau” en „niveau 3 — referentieniveau” (242). Het is dus zeer duidelijk voor de IRIS-ziekenhuizen welke soorten zorg zij op elk van hun sites moeten verlenen. |
|
(199) |
Om ervoor te zorgen dat elk IRIS-ziekenhuis zich volledig bewust is van en beheerd wordt in het licht van de sociaalmedische behoeften van de plaatselijke bevolking, werd de oprichting van de IRIS-ziekenhuizen ook specifiek gekoppeld aan het behoud van een „plaatselijke verankering” voor de openbare ziekenhuisdiensten. Dit komt tot uiting in de herstructuringsovereenkomst die wordt geschraagd door het samenwerkingsakkoord van 19 mei 1994 (243) en ook in de samenstelling van de bestuursorganen van de IRIS-ziekenhuizen (244). Meer bepaald is overeenkomstig artikel 11 van de statuten de meerderheid van de leden van de algemene vergadering van de IRIS-ziekenhuizen verkozen door de gemeenteraad en de raad voor maatschappelijk welzijn (georganiseerd op gemeentelijk niveau), terwijl de burgemeester en de OCMW-voorzitter ambtshalve lid zijn. Bovendien zijn 10 van de 14 leden van de raad van bestuur benoemd door de leden van de afvaardiging van de openbare autoriteiten op de algemene vergadering (zoals vereist door artikel 27 van de statuten). |
|
(200) |
Het voornemen om de IRIS-ziekenhuizen te beheren in het licht van de medischsociale behoeften van de plaatselijke bevolking is op 20 november 1996 bevestigd op de vergadering van de raad van bestuur van het IRIS-netwerk, waarop een wijziging van het strategisch plan 1996-2001 is aangenomen waarin in dat verband uitdrukkelijk het volgende is verklaard: „Al deze elementen die een herstructurering onontbeerlijk maken, moeten beschouwd worden in het ruimere kader van onze strategische doelstellingen:
|
|
(201) |
Die wijziging luidt vervolgens: „In die context moet de herstructurering borg staan voor:
|
Is de verplichting verschillende sites te hebben voor de IRIS-ziekenhuizen een werkelijke DAEB?
|
(202) |
De Commissie heeft ook het in het kader van de zaak voor het Gerecht (zie punt 4.2) door klaagsters aangevoerde argument onderzocht dat de plaatselijke gezondheidszorg moet worden bekeken in de context van het grote aantal openbare en particuliere ziekenhuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Zoals hierboven gezegd, bepaalt het mechanisme voor ziekenhuisprogrammatie het maximumaantal algemene ziekenhuisbedden in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest op 7 260, teneinde een buitensporig aanbod van medische diensten te voorkomen. Dit aantal bedden wordt gezamenlijk door de openbare en de particuliere ziekenhuizen verstrekt om te voldoen aan de behoefte aan ziekenhuiszorg in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Het programmatiemechanisme neemt echter alleen de medische behoeften op gewestelijk niveau in aanmerking en houdt geen rekening met de sociale behoeften van een specifieke bevolking en de specifieke sociale omstandigheden in een geografisch gebied. Die sociale behoeften worden beoordeeld in het kader van het beleid voor maatschappelijk welzijn van het OCMW (d.w.z. op gemeentelijk niveau). De rechtsvoorgangers van de IRIS-ziekenhuizen zijn opgericht om aan sociale behoeften te voldoen en na de herstructurering zijn de verschillende sites van de IRIS-ziekenhuizen behouden omdat ze aan een reële sociale behoefte blijven voldoen (zie overwegingen 82-84 en 91). Het is immers omdat alleen de IRIS-ziekenhuizen de DAEB van sociale gezondheidszorg verrichten dat er ook de noodzaak en de verplichting zijn om verschillende sites te hebben. Voor arme inwoners van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest is het niet alleen belangrijk om naar een ziekenhuis in de buurt te kunnen gaan, maar ook om er zeker van te zijn dat zij een behandeling zullen krijgen, zelfs als zij niet kunnen betalen, en om steun te kunnen vragen van de sociale diensten. Door de IRIS-ziekenhuizen te verplichten hun verschillende sites te behouden, willen de Brusselse gemeenten en OCMW's waarborgen dat sociale gezondheidszorg zo dicht mogelijk wordt verleend bij de buurt waar er een behoefte is. In dit verband moet erop worden gewezen dat tien van de elf sites van de IRIS-ziekenhuizen in gemeenten liggen waar het gemiddelde inkomen niet hoger is dan de mediaan (246) voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Anderzijds liggen vijf van de elf sites van de particuliere ziekenhuizen in gemeenten waar het gemiddelde inkomen hoger is dan die mediaan (247). Uit de kaart hieronder (248) (zie figuur 3) blijkt dat er geen significante geografische overlapping bestaat tussen de openbare (cirkels met stippellijn) en de particuliere algemene en universitaire ziekenhuizen (cirkels met volle lijn) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit wijst erop dat de loutere omstandigheid dat een groot aantal ziekenhuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest actief is, niet volstaat om de toegankelijkheid tot ziekenhuiszorg voor alle inwoners te verzekeren. Voorts zijn de IRIS-ziekenhuizen, zoals hierboven uitgelegd, de enige ziekenhuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest die een DAEB van sociale gezondheidszorg verrichten en kunnen de particuliere ziekenhuizen dus niet als gelijkwaardig worden beschouwd wanneer het gaat om het vervullen van de sociale behoeften van de plaatselijke bevolking. Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat het bestaan van verschillende particuliere ziekenhuizen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest geen reden vormt om te betwijfelen dat de voor de IRIS-ziekenhuizen maar niet voor de Brusselse particuliere ziekenhuizen geldende verplichting om verschillende sites te hebben een echte DAEB is, vooral in het licht van de DAEB van sociale gezondheidszorg. Figuur 3 Kaart van de ziekenhuissites in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest Algemeen ziekenhuis Algemeen ziekenhuis met universitair karakter Universitair ziekenhuis Geriatrisch & gespecialiseerd ziekenhuis Gespecialiseerd ziekenhuis Psychiatrisch ziekenhuis Ziekenhuissites |
Praktische weerslag op de IRIS-ziekenhuizen van de verplichting om verschillende sites te hebben
|
(203) |
Ook de verplichting verschillende sites te hebben kan als een last voor de IRIS-ziekenhuizen worden beschouwd, omdat zij op grond daarvan bepaalde infrastructuur op meerdere sites beschikbaar moeten hebben en de exploitatiekosten hoger zijn. Die kosten houden voornamelijk verband met het feit dat op elke site diensten aanwezig moeten zijn zoals een dienst spoedgevallen, een sterilisatiedienst, een toezichts- en beveiligingsdienst en een eigen administratie. De financiering uit het budget van financiële middelen (zie overweging 46, onder a)) wordt immers voor slechts één dergelijke dienst per ziekenhuis toegekend, ongeacht het aantal sites van dat ziekenhuis. Bovenop die extra infrastructuur- en uitrustingskosten komen allerhande exploitatiekosten (onderhoud, verwarming, schoonmaak enz.). Op basis van een studie van de IRIS-koepelvereniging uit 2009 werden de kosten van de verplichting verschillende sites te hebben en die niet door het budget van financiële middelen worden gedekt, geraamd op […] miljoen EUR voor 2008 en […] miljoen EUR voor 2009 voor de vijf IRIS-ziekenhuizen samen. |
Conclusie inzake de verplichting voor de IRIS-ziekenhuizen om verschillende sites te hebben
|
(204) |
De Commissie concludeert dat de IRIS-ziekenhuizen op grond van de strategische plannen van IRIS belast zijn met de duidelijke verplichting 1) al hun ziekenhuissites te behouden om aan de medischsociale behoeften van de respectieve plaatselijke bevolkingen te voldoen, en 2) op al die sites een volledig aanbod basiszorgactiviteiten te hebben. In het strategisch plan van IRIS zijn meer bepaald de soorten activiteiten vastgelegd die als basiszorg respectievelijk gespecialiseerde zorg worden beschouwd, en wordt voor elk van de sites van de IRIS-ziekenhuizen aangegeven welke soorten zorg er moeten worden aangeboden. Voorts zorgen de bepalingen in de statuten van de IRIS-ziekenhuizen en de OCMW-wet ervoor dat de IRIS-ziekenhuizen zich volledig bewust zijn van en worden beheerd in het licht van de medischsociale behoeften van de plaatselijke bevolking. Daarnaast gaat de verplichting verschillende sites te hebben verder dan de vereisten van de GWZ en de programmatiemechanismen, omdat die laatste geen rekening houden met de sociale behoeften van een specifieke bevolking en de specifieke sociale omstandigheden in een geografisch gebied. Particuliere ziekenhuizen zijn dus niet verplicht op verschillende sites actief te zijn, noch zijn ze verplicht op elke site een volledig aanbod basiszorg te hebben (indien zij ervoor kiezen verschillende sites te hebben). Ten slotte, zoals uitgelegd in de vorige overweging, brengt de verplichting verschillende sites te hebben significante kosten voor de IRIS-ziekenhuizen met zich mee die niet door het budget van financiële middelen worden gedekt en dus bijdragen tot het tekort van de IRIS-ziekenhuizen. |
III. Vergaande socialedienstverplichting
|
(205) |
Ten slotte voeren de Belgische autoriteiten aan dat de IRIS-ziekenhuizen de verplichting hebben vergaande sociale diensten te verrichten voor de patiënten en hun familie. Volgens klaagsters lijkt die verplichting alleen te bestaan in een hoger volume sociale diensten dan in andere ziekenhuizen. In dit verband moet erop worden gewezen dat noch de GWZ noch de voorwaarden voor de erkenning van ziekenhuizen (op grond van het Koninklijk Besluit van 23 oktober 1964) een algemene verplichting opleggen sociale diensten binnen een ziekenhuis te verrichten. Slechts in enkele afzonderlijke regels inzake specifieke ziekenhuisdiensten (met name voor geriatrische en psychiatrische afdelingen (249)) is voorzien in de interventie van sociale assistenten. Daarnaast geldt voor universitaire ziekenhuizen een specifieke regel dat er per 2 000 opnamen één sociaal assistent aanwezig moet zijn (250). Buiten die specifieke situaties zijn particuliere ziekenhuizen niet verplicht sociale diensten te verrichten voor al hun patiënten. De IRIS-ziekenhuizen daarentegen zijn op grond van de strategische plannen van IRIS verplicht een sociale dienst te hebben die alle patiënten helpt die hulp nodig hebben. |
De vergaande socialedienstverplichting die voor de IRIS-ziekenhuizen geldt
|
(206) |
In het strategisch plan 1996-2001 van IRIS is de algemene context geschetst voor de globale behandeling van patiënten in de IRIS-ziekenhuizen, waaronder psychosociale aspecten of aspecten met betrekking tot de omgeving van de patiënt: „Globale behandeling van de patiënt: de patiënt mag niet worden geïdentificeerd met pathologie waarvoor hij wordt behandeld. Bepaalde categorieën van patiënten hebben nood aan een globale behandeling, zowel louter geneeskundig als voor psychosociale aspecten of met betrekking tot de omgeving van de betrokkene. Dat zijn bij voorbeeld geriatriepatiënten, pediatriepatiënten, terminale patiënten, psychiatriepatiënten, sociaal minder bedeelden e.d.” (251). |
|
(207) |
De rol van de sociale diensten en hun belangrijkste taken worden in dat plan verder beschreven: „ moeten de [IRIS] ziekenhuizen beschikken over sociale diensten wiens fundamentele taak het is bij te dragen tot het welzijn van de patiënten, tot de geneeskundige kwaliteit en de optimale werking van de instelling. De sociale dienst is rechtstreeks medewerker van de Leidend Ambtenaar en partner van alle diensten in het ziekenhuis. Hij is verantwoordelijk voor de humanisering van de verblijfsvoorwaarden. Hij moet oog hebben voor de sociale moeilijkheden van de patiënten, dit idealiter voor, maar ook tijdens het verblijf en op het ogenblik waarop de patiënt het ziekenhuis verlaat. Hij brengt de bevoorrechte band tot stand tussen de patiënt, het ziekenhuis, de familie en de omgeving. Daartoe moet de dienst:
De sociale geneeskunde die door de openbare ziekenhuizen wordt beoefend, verleent hun een coördinerende functie voor de verschillende actoren in de gezondheidszorg, maakt ze deel uit van het netwerk aan sanitaire en sociale voorzieningen (die ze zelf kunnen oprichten) en geeft hun een rechtstreekse inbreng bij de oprichting van met IRIS verbonden diensten die noodzakelijk zijn in het tegemoetkomen aan de behoeften van de bevolking (verzorgingshotels, gezinshotels, palliatieve thuiszorg, opvangstructuren voor verslaafden en voor daklozen, thuiszorg …). De organismen waarmee zij samenwerken moeten zij accrediteren.” (252). |
|
(208) |
Volgens dit strategisch plan speelt de sociale dienst ook een belangrijke rol bij de opname van patiënten: „Het onthaal moet verschillend zijn al naargelang een patiënt binnenkomt via de spoedgevallen, voor een raadpleging of om te worden opgenomen. Het onthaal moet de patiënt hoe dan ook discretie en comfort verzekeren en maximaal rust brengen bij de betrokkene en diens familie. De sociale diensten van onze ziekenhuizen vervullen daarbij een primordiale functie.” (253). |
|
(209) |
In het strategisch plan 2002-2014 van IRIS wordt aan het bovenstaande het volgende toegevoegd: „ De sociale dienst vervult in openbare ziekenhuizen een noodzakelijke rol in het begeleiden van ambulante én opgenomen patiënten. De opdracht van de dienst bestaat erin de patiënten en hun familie te helpen in het oplossen van problemen en het verhelpen van administratieve, financiële, relationele en sociale moeilijkheden verbonden aan de ziektetoestand, aan het verblijf en de behandeling in het ziekenhuis, en ook aan de nieuwe perspectieven en de nieuwe situatie. De sociale dienst:
[…] De taken van de sociale dienst zijn dus veelzijdig:
De sociale dienst en alle sociale werknemers streven hierbij dezelfde doelstellingen en belangen na als het ziekenhuis. De specifieke activiteit van de dienst heeft een weerslag op de verkorting van de verblijfsduur en het terugwinnen van gedane kosten.” (254). |
|
(210) |
De rol van de sociale diensten in de terugvordering van de behandelingskosten bij de OCMW's (zie ook overweging 187) komt ook tot uiting in de daaropvolgende tekst van het strategisch plan 2002-2014 van IRIS. Daarin wordt meer bepaald opgemerkt dat de taken van de sociale diensten de voorbereiding van onderzoeken naar de solvabiliteit van de patiënten omvatten: „De sociale dienst stelt een geïnformatiseerd sociaal dossier op, aan de hand waarvan de weg van de patiënten doorheen het [IRIS-]net kan worden gevolgd. De dienst doet de onderzoeken naar solvabiliteit [van de patiënten], voert de V-codes van de MKG (255) in en doet andere registraties die het reglement vereist. Dit [sociale] dossier zal zodra mogelijk met het medisch dossier en de centrale computersystemen worden verbonden. Het medisch dossier moet een boordtabel vormen van de sociale taken van het openbaar [IRIS-]ziekenhuis.” (256). |
|
(211) |
Die taken hebben betrekking op het verzamelen van de nodige informatie voor de zogenoemde „sociale onderzoeken” die nodig zijn om te bepalen of de patiënten in aanmerking komen voor dekking van hun medische kosten door het OCMW (zie ook overwegingen 187-188). Meer specifiek verzamelen de sociale assistenten van het ziekenhuis de relevante informatie (257) aan de hand waarvan het OCMW overeenkomstig zijn wettelijke verplichtingen (258) de behoeftigheid van een patiënt kan controleren en dus kan besluiten of een terugbetaling door het OCMW al dan niet gerechtvaardigd is. |
Praktische weerslag op de IRIS-ziekenhuizen van de vergaande socialedienstverplichting
|
(212) |
De personeelsleden van de sociale diensten van de IRIS-ziekenhuizen hebben een speciale opleiding genoten en volgen een deontologische code, gezien hun verbindingsrol tussen de verschillende diensten binnen het ziekenhuis (waaronder artsen, verpleegkundigen, facturering en opname) of daarbuiten (zoals de instanties voor de sociale zekerheid, thuiszorg en ondersteuning, taalkundige en culturele aspecten). |
|
(213) |
Om de specifieke kosten van hun sociale diensten te beoordelen, hebben de IRIS-ziekenhuizen de werkelijke kosten van de sociale assistenten die in de IRIS-ziekenhuizen werken, vergeleken met een redelijke norm van één sociaal assistent per 2 000 opnamen (wat de verplichting is die voor universitaire ziekenhuizen geldt). Uit die analyse blijkt dat de vijf IRIS-ziekenhuizen 81,1 sociale assistenten (259) in dienst hadden, terwijl zij volgens de redelijke norm slechts 36,7 sociale assistenten in dienst zouden moeten hebben. Het verschil bedraagt dus 44,4 en geeft aan dat de IRIS-ziekenhuizen meer dan dubbel zoveel sociale assistenten in dienst hebben als zou worden verwacht op basis van de regel die op de universitaire ziekenhuizen van toepassing is. Dit illustreert dat de vereisten in de strategische plannen de IRIS-ziekenhuizen verplichten een veel ruimer aanbod sociale diensten te hebben dan het minimum (bv. voor geriatrische en psychiatrische afdelingen) dat geldt voor andere niet-universitaire ziekenhuizen (openbare of particuliere). De omstandigheid dat de niet-universitaire particuliere ziekenhuizen in Brussel ook sociale assistenten in dienst hebben, kan door die minimumvereisten worden verklaard, eerder dan door een uitgebreide verplichting om voor hun patiënten sociale diensten te verrichten. Zoals hierboven aangetoond, gaan de IRIS-ziekenhuizen bovendien veel verder dan het basisvereiste van één sociaal assistent per 2 000 opnamen dat voor de universitaire ziekenhuizen in België geldt. Hierdoor bedroegen de niet-gefinancierde kosten van de sociale diensten van de IRIS-ziekenhuizen in 2010 ongeveer […] miljoen EUR (260). De vergaande socialedienstverplichting vormt dus een significante last voor de IRIS-ziekenhuizen die de Brusselse particuliere ziekenhuizen niet hoeven te dragen. |
Conclusie inzake de vergaande socialedienstverplichting van de IRIS-ziekenhuizen
|
(214) |
Op basis van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de IRIS-ziekenhuizen, anders dan de Brusselse particuliere ziekenhuizen, de verplichting hebben uitgebreide sociale diensten te hebben, die de patiënten en hun familie helpen bij het oplossen en het beheren van administratieve, financiële, relationele en sociale problemen. Die verplichting is omschreven in en aan de IRIS-ziekenhuizen toegewezen in de strategische plannen van IRIS. Het bestaan van die vergaande socialedienstverplichting wordt weerspiegeld in het grote aantal sociale assistenten dat de IRIS-ziekenhuizen in dienst hebben, dat veel hoger is dan wat voor andere Belgische ziekenhuizen van toepassing is. De sociale diensten van de IRIS-ziekenhuizen hebben onder meer de taak de bovengenoemde moeilijkheden van patiënten te behandelen, niet alleen tijdens hun verblijf maar ook wanneer zij het ziekenhuis verlaten, patiënten te helpen om socialezekerheidsdekking te verkrijgen zodat zij hun medische kosten kunnen betalen, sociale onderzoeken voor te bereiden en informatie uit te wisselen met de andere ziekenhuisafdelingen en ook met de OCMW's. Die verplichting, en de last daarvan, zijn nauw verbonden met de andere verplichtingen die de DAEB van sociale gezondheidszorg vormen (zie overweging 167). Het is immers omdat de IRIS-ziekenhuizen de verplichting hebben alle patiënten in alle omstandigheden te behandelen, ongeacht of zij kunnen betalen, dat er een grotere vraag naar sociale assistenten is. Het zijn net de arme patiënten en hun familie die extra sociale diensten nodig hebben en waarvoor een sociaal onderzoek moet worden voorbereid. Daarnaast is het aantal sociale assistenten van de IRIS-ziekenhuizen hoger dan het aantal dat redelijkerwijs kan worden verwacht (d.w.z. één sociaal assistent per 2 000 opnamen, zie overweging 213), doordat de IRIS-ziekenhuizen de verplichting hebben verschillende sites te hebben. |
IV. Conclusie inzake de aanvullende verplichtingen
|
(215) |
De Commissie concludeert dat de IRIS-ziekenhuizen een DAEB van sociale gezondheidszorg verrichten, die naast hun basisziekenhuisopdracht bestaat uit hun verplichting 1) alle patiënten in alle omstandigheden te behandelen (met inbegrip van niet-spoedeisende situaties), ongeacht of de patiënten voor hun behandeling kunnen betalen, 2) een volledig aanbod basisziekenhuisdiensten op verschillende sites te hebben, en 3) de medische zorg aan te vullen met vergaande ondersteuning door hun uitgebreide sociale diensten. Die combinatie van verplichtingen zorgt ervoor dat de specifieke sociale behoeften van de Brusselse bevolking op het gebied van ziekenhuisdiensten vervuld worden en garandeert dat kwalitatief hoogwaardige ziekenhuiszorg toegankelijk is voor allen en vooral voor de armsten. Dergelijke aanvullende verplichtingen gelden niet voor de Brusselse particuliere ziekenhuizen, die alleen met de basisziekenhuisopdracht zijn belast zoals die in de GWZ is omschreven. De DAEB van sociale gezondheidszorg wordt dus alleen door de IRIS-ziekenhuizen verricht, omdat alleen zij belast zijn met de striktere en verder reikende verplichtingen bovenop de minimumvereisten (d.w.z. de basisziekenhuisopdracht) die op grond van de GWZ voor alle ziekenhuizen in België gelden. Het verrichten van die DAEB van sociale gezondheidszorg brengt voor de IRIS-ziekenhuizen significante kosten met zich mee, die niet of slechts gedeeltelijk worden gedekt door de financieringsbronnen die de openbare en particuliere ziekenhuizen delen, waardoor de IRIS-ziekenhuizen tekorten hebben geboekt. Om de continuïteit van hun openbare ziekenhuizen te verzekeren, compenseren de respectieve Brusselse OCMW's en gemeenten dus de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen op de wijze die hieronder in de punten 7.3.4.4 en 7.3.5 is beschreven. |
7.3.4.2.
|
(216) |
Elk individueel IRIS-ziekenhuis heeft eigen statuten waarin de doelstelling ervan is gespecificeerd en de strategische plannen van IRIS gelden voor elk van de vijf IRIS-ziekenhuizen. Daarnaast zijn de IRIS-ziekenhuizen net als alle Belgische ziekenhuizen individueel erkend, wat noodzakelijk is om voor de andere soorten overheidsfinanciering (zoals het budget van financiële middelen) in aanmerking te komen. Die toewijzingsbesluiten specificeren geen grondgebied voor het verrichten van hun DAEB. |
7.3.4.3.
|
(217) |
De IRIS-ziekenhuizen zijn niet belast met exclusieve of bijzondere rechten. |
7.3.4.4.
|
(218) |
Het mechanisme om tekorten te dekken is beschreven is artikel 46 van de statuten van elk van de vijf IRIS-ziekenhuizen. Dit artikel luidt momenteel als volgt (zie ook voetnoot 48): „Onverminderd artikel honderd en negen [GWZ], wordt het resultaat van het boekjaar, op basis van een beraadslaging van de Algemene Vergadering, verdeeld onder de geassocieerde leden die in de Algemene Vergadering minstens een vijfde van de stemmen hebben.”. |
|
(219) |
Uit artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen volgt duidelijk het volgende:
|
|
(220) |
Op basis van de omstandigheid dat de IRIS-ziekenhuizen alleen DAEB's en ondersteunende activiteiten verrichten, voert artikel 46 van de statuten van elk IRIS-ziekenhuis een duidelijk compensatiemechanisme in door aan te geven dat het resultaat van het boekjaar (zonder uitzonderingen) moet worden gedekt. Dit resultaat wordt bepaald op basis van een duidelijke reeks boekhoudkundige beginselen die op dezelfde wijze op de openbare en de particuliere Belgische ziekenhuizen van toepassing zijn. Voorts moeten alle ziekenhuizen (op grond van de artikelen 80-85 GWZ) een onafhankelijke bedrijfsrevisor aanwijzen, die hun boekhouding en jaarrekening controleert (zie overweging 49). |
|
(221) |
Door op te leggen dat het volledige tekort van de IRIS-ziekenhuizen wordt gedekt, gaat artikel 46 van de statuten verder dan het minimumvereiste waarin artikel 109 GWZ voorziet. De reden voor die volledige dekking van de tekorten voor het verrichten van de DAEB's en ondersteunende activiteiten (263) is dat de Brusselse plaatselijke overheidsinstanties te allen tijde de continuïteit en de levensvatbaarheid van de IRIS-ziekenhuizen willen garanderen (zie overweging 91). Artikel 46 is ook consistent met artikel 61 OCMW-wet, dat luidt als volgt: „Het centrum kan een beroep doen op de medewerking van personen, van inrichtingen of diensten, die, opgericht hetzij door openbare besturen, hetzij op privé-initiatief, in staat zijn de middelen aan te wenden tot verwezenlijking van de verschillende oplossingen die zich opdringen, met eerbiediging van de vrije keuze van de betrokkene. Het centrum kan de eventuele kosten van deze samenwerking dragen wanneer deze niet in uitvoering van een andere wet, een reglement, een overeenkomst of een rechterlijke beslissing worden gedekt.”. |
|
(222) |
Ten slotte moeten, zoals hierboven uitgelegd (zie overwegingen 22 en 44), de gemeenten het tekort van hun OCMW dekken. Het is bijgevolg de gemeente die de eindverantwoordelijkheid heeft voor het dekken van het volledige tekort van zijn openbaar ziekenhuis. |
7.3.4.5.
|
(223) |
Zoals hieronder zal worden uitgelegd, werkt het mechanisme om tekorten te compenseren zodanig dat het risico dat er zich überhaupt overcompensatie voordoet, van meet af aan al erg klein is (zie overweging 247). Daarnaast bieden de Wet van 14 november 1983 (zie overwegingen 248-250) en de OCMW-wet (zie overwegingen 251-252) de gemeenten alle nodige juridische middelen om op overcompensatie toe te zien en, in voorkomend geval, overcompensatie terug te vorderen. |
7.3.4.6.
|
(224) |
In artikel 4, onder f), van het DAEB-besluit van 2012 wordt vereist dat in het toewijzingsbesluit een verwijzing naar dat besluit wordt vermeld. Artikel 10, onder a), van het DAEB-besluit van 2012 voorziet in een overgangsperiode van twee jaar voor steunregelingen die vóór 31 januari 2012 van kracht zijn geworden en overeenkomstig de DAEB-beschikking van 2005 verenigbaar waren. Om die reden werd in de onderhavige zaak pas in 2014 een verwijzing naar het DAEB-besluit van 2012 ingevoerd. Meer bepaald wordt sinds 2014 in elk besluit van de respectieve Brusselse gemeenten tot het verrichten van een betaling aan de IRIS-ziekenhuizen op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen ook verwezen naar het DAEB-besluit van 2012. Daarnaast moet worden opgemerkt dat bij de Wet van 10 april 2014 (264) in artikel 108 van de huidige versie van de GWZ een verwijzing naar het DAEB-besluit van 2012 is toegevoegd. Meer specifiek vereist dit artikel dat elke mededeling van een besluit met betrekking tot het bedrag uit het budget van financiële middelen dat aan een ziekenhuis moet worden toegekend, een uitdrukkelijke verwijzing naar het DAEB-besluit van 2012 bevat. De Commissie concludeert dus dat die formele voorwaarde vervuld is. |
7.3.5. Compensatie
|
(225) |
De tweede belangrijke voorwaarde voor verenigbaarheid die in het DAEB-besluit van 2012 is vastgesteld, is dat het voor het verrichten van de DAEB betaalde compensatiebedrag niet hoger is dan hetgeen nodig is ter dekking van de nettokosten van de uitvoering van de openbaredienstverplichtingen, met inbegrip van een redelijke winst (265). In het DAEB-besluit van 2012 wordt voorts beschreven hoe de nettokosten moeten worden berekend (onder meer door de in aanmerking te nemen kosten en inkomsten te omschrijven), wordt aangegeven hoe de redelijke winst moet worden vastgesteld en is bepaald dat een onderneming die activiteiten verricht die zowel binnen als buiten de DAEB vallen, een gescheiden interne boekhouding moet voeren voor de DAEB en voor de andere activiteiten (266). |
|
(226) |
In de onderhavige zaak verrichten de IRIS-ziekenhuizen alleen DAEB's en de hierboven beschreven beperkte ondersteunende activiteiten die met die DAEB's verband houden (zie overwegingen 41 en 155). Bij het verrichten van die activiteiten (DAEB's en beperkte ondersteunende activiteiten) maken de IRIS-ziekenhuizen kosten die in grote mate (267) gedekt worden door de verschillende hierboven beschreven openbare en particuliere financieringsbronnen (zie overweging 46). Zoals hieronder zal worden aangetoond (zie de tabellen 3 tot en met 7), heeft het verrichten van die activiteiten door de IRIS-ziekenhuizen niettemin in de meeste jaren sinds 1996 tekorten gegenereerd. De Commissie beschouwt die tekorten als de residuele nettokosten (d.w.z. dat deel van de nettokosten dat niet wordt gedekt door de in overweging 46) beschreven financieringsbronnen) van de door de IRIS-ziekenhuizen verrichte DAEB's en beperkte ondersteunende activiteiten. Door die tekorten te compenseren, dekken de gemeenten niet meer dan de residuele nettokosten van de IRIS-ziekenhuizen voor het verrichten van de DAEB's en de ondersteunende activiteiten en kennen zij zelfs geen redelijke winst toe. Daarom kon de compensatie van de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen per definitie niet tot daadwerkelijke overcompensatie leiden en was dit ook niet het geval (zie ook overwegingen 234-245). |
|
(227) |
Volgens artikel 77 GWZ moet ieder ziekenhuis een eigen boekhouding hebben die de kostprijs van iedere dienst doet blijken. De boekhoudkundige beginselen die zowel voor openbare als particuliere ziekenhuizen van toepassing zijn, zijn vastgelegd bij het Koninklijk Besluit van 19 juni 2007 (268). Volgens dat Koninklijk Besluit moeten niet-ziekenhuisactiviteiten (in de onderhavige zaak de in de overwegingen 41 en 155 beschreven ondersteunende activiteiten) apart worden opgenomen (meer bepaald moeten ze in de kostenplaatsen 900 tot 999 worden opgenomen, zie ook overweging 49) hierboven). De Commissie heeft van de onafhankelijke bedrijfsrevisoren van elk van de IRIS-ziekenhuizen verklaringen ontvangen dat in overeenstemming met de Belgische wetgeving de boekhouding gescheiden wordt gevoerd (269). Op basis daarvan concludeert de Commissie dat is voldaan aan de vereiste in artikel 5, lid 9, van het DAEB-besluit van 2012 om een gescheiden boekhouding te voeren. |
|
(228) |
Zoals eerder vermeld (zie overweging 44), zijn de Brusselse gemeenten en OCMW's op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen verplicht de boekhoudkundige tekorten van hun ziekenhuizen volledig te dekken. Die verplichting, die bestaat sinds de oprichting van de IRIS-ziekenhuizen, gaat verder dan het in artikel 109 GWZ neergelegde mechanisme om tekorten gedeeltelijk te dekken (zie overweging 47). Niettemin kan de compensatie op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen nooit meer bedragen dan het boekhoudkundig tekort van het boekjaar. Ten slotte is in artikel 46 weliswaar een duidelijke verplichting opgenomen om de tekorten te compenseren, maar wordt er niet expliciet gespecificeerd wanneer de gemeenten en de OCMW's het geld daadwerkelijk moeten overmaken (270). |
|
(229) |
In de praktijk is het tijdstip van de betalingen door de gemeenten aan de IRIS-ziekenhuizen altijd afhankelijk geweest van de beschikbare middelen in de gemeentekas. Aangezien er gewoonlijk onvoldoende geld beschikbaar was, stelden de gemeenten de betaling van het ziekenhuistekort meestal uit. In theorie konden zij die betaling blijven uitstellen totdat de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid het in artikel 109 GWZ bedoelde tekort vaststelde, omdat de gemeenten pas dan verplicht zouden zijn (een deel van) de tekorten van de ziekenhuizen te betalen. Er verliep echter veel tijd (tot tien jaar) tussen het ogenblik waarop het boekhoudkundig tekort bekend was en de berekening van het in artikel 109 GWZ bedoelde tekort. Dat betekent dat de IRIS-ziekenhuizen tussen 1996 en 2002 enorme tekorten (meer dan 50 miljoen EUR) opstapelden. Om dat gat in de financiering te dichten, moesten de IRIS-ziekenhuizen bankleningen sluiten, waarvan de kosten hun tekorten verder deden oplopen. |
|
(230) |
De gemeenten beseften dat die situatie voor hen nadelig was, omdat zij via de dekking van de tekorten uiteindelijk de rente op die leningen betaalden. Zij wilden de IRIS-ziekenhuizen dus sneller betalen in plaats van te wachten totdat de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid hen zou verplichten om het in artikel 109 GWZ bedoelde tekort te betalen. Door het gebrek aan voldoende financiële middelen op gemeentelijk niveau moest het Brussels Hoofdstedelijk Gewest hiervoor tussenkomen. Meer in het bijzonder verstrekte het Gewest de respectieve gemeenten financiering 1) onrechtstreeks via het BGHGT (zie overweging 231) en 2) vanaf 2003 ook rechtstreeks door bijzondere subsidies toe te kennen (zie overwegingen 232-233). De gemeenten konden hierdoor sneller, weliswaar gedeeltelijk (271), hun verplichting nakomen om de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen te financieren. Zoals hierboven uiteengezet (zie punt 7.1), verstrekte het Brussels Hoofdstedelijk Gewest, en verstrekt het nog steeds, alleen financiering aan de respectieve Brusselse gemeenten en niet aan de IRIS-ziekenhuizen. |
|
(231) |
De tekorten van de IRIS-ziekenhuizen in de boekjaren 1996 tot en met 2002 werden pas vanaf 2002 door de gemeenten gecompenseerd door middel van de financiering die zij van het BGHGT hadden gekregen. De compensatie van de tekorten uit die periode werd pas in 2008 afgerond. Voor de compensatie van de tekorten die sinds 2003 zijn opgebouwd, hebben de gemeenten de financiering van het BGHGT niet meer aangesproken. |
|
(232) |
Vanaf boekjaar 2003 begon het Brussels Hoofdstedelijk Gewest met de toekenning van bijzondere subsidies van gemiddeld 10 miljoen EUR per jaar aan de gemeenten (zie tabel 2 hieronder voor de exacte bedragen). Op basis van het geraamde tekort van het ziekenhuis betaalde de gemeente op haar beurt, gewoonlijk aan het begin van het volgende jaar, haar aandeel van deze bijzondere subsidie (bv. begin 2015 voor het boekjaar 2014). Het tekort wordt geraamd op basis van de audit van de activiteiten van het ziekenhuis en het voorlopige resultaat van de eerste negen maanden van het jaar. Binnen de zes maanden na het einde van het boekjaar (d.w.z. tegen eind juni) keurt de algemene vergadering van elk IRIS-ziekenhuis de financiële rekeningen van het ziekenhuis goed en stelt zij het definitieve boekhoudkundig tekort vast. Het bedrag van het boekhoudkundig tekort dat na betaling van het aandeel van de bijzondere subsidie nog uitstaat, wordt vereffend naargelang van de middelen die in de gemeentekas beschikbaar zijn. De volledige vereffening kan nog meerdere jaren duren en de IRIS-ziekenhuizen zijn tijdens de volledige beoordelingsperiode (1996-2014) voortdurend blijven wachten op betalingen van de gemeenten (zie de tabellen in overweging 234) voor details over de uitstaande bedragen). Tabel 2 Betalingen (gefinancierd met de bijzondere subsidie) door de gemeenten aan de IRIS-ziekenhuizen
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(233) |
Boekhoudkundig gezien is het deel van de bijzondere subsidie sommige jaren rechtstreeks opgenomen in het resultaat van het ziekenhuis (waardoor het overblijvende tekort verlaagde), terwijl dat bedrag andere jaren als een compensatie voor het tekort werd geboekt (d.w.z. in de toewijzing van het resultaat). Bovendien was er in 2004 een boekhoudkundige vertraging bij het UMC Sint-Pieter, waardoor zijn deel van de bijzondere subsidie pas in de rekeningen van het volgende jaar is opgenomen. Dat verklaart waarom het totale bedrag van de bijzondere subsidie voor de vijf IRIS-ziekenhuizen in 2004 maar 8 867 072 EUR beliep, terwijl dat in 2005 11 132 928 EUR was; de som van beide bedragen is 20 miljoen EUR (of 10 miljoen EUR per jaar, wat de bedoeling was). Ondanks die verschillende boekhoudkundige behandeling was het idee achter deze betalingen altijd om het tekort snel (en gewoonlijk gedeeltelijk) te compenseren zonder dat dit tot overcompensatie leidt (zie de rest van dit punt). |
|
(234) |
In de tabellen 3 tot en met 7 hieronder worden voor elk van de vijf IRIS-ziekenhuizen de boekhoudkundige tekorten voor elk jaar (samen bedragen die tekorten voor de periode 1996-2014 bijna 250 miljoen EUR) en de betalingen door de gemeente in elk jaar (die betalingen kunnen betrekking hebben op tekorten van voorgaande jaren) weergegeven. In de tabellen 3 tot en met 7 wordt weergegeven wanneer (d.w.z. in welke jaren) de gemeenten betalingen deden om de tekorten van de respectieve IRIS-ziekenhuizen te compenseren, maar wordt niet getoond voor welk specifiek jaar die betalingen het tekort compenseren (272). De tabellen illustreren ook de opeenstapeling van de tekorten in de periode 1996-2002 en de vertraging bij de betalingen door de gemeenten. Voorts is het duidelijk dat de respectieve gemeenten op elk ogenblik in de periode 1996-2014 de IRIS-ziekenhuizen aanzienlijke bedragen voor de compensatie van tekorten verschuldigd waren. Eind 2014 stond voor de vijf IRIS-ziekenhuizen samen nog een saldo van meer dan 15 miljoen EUR open. In dit verband moet erop worden gewezen dat wanneer de IRIS-ziekenhuizen winst maken, zij die winst inhouden en gebruiken om vroegere of toekomstige tekorten te dekken, waardoor de tussenkomst van de gemeenten vermindert. Tot slot blijkt uit deze tabellen ook duidelijk dat, zoals de Belgische autoriteiten hebben aangevoerd (zie overweging 89) en anders dan klaagsters hadden beweerd, er geen sprake is van een mechanisme van voorschotten (zie overweging 55). De betalingen van de gemeente worden inderdaad met een aanzienlijke vertraging uitgevoerd nadat het tekort is ontstaan en de verplichting op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen van toepassing werd. Het tijdstip van de betalingen om tekorten te compenseren voor het verrichten van DAEB's en ondersteunende activiteiten kan daarom niet worden beschouwd als een voordeel voor de IRIS-ziekenhuizen. Tabel 3 Tijdschema van de betalingen van de tekorten en openstaand saldo voor het UMC Sint-Pieter
Tabel 4 Tijdschema van de betalingen van de tekorten en openstaand saldo voor het UVC Brugmann (273)
Tabel 5 Tijdschema van de betalingen van de tekorten en openstaand saldo voor het UKZKF
Tabel 6 Tijdschema van de betalingen van de tekorten en openstaand saldo (in EUR) voor het Jules Bordet Instituut
Tabel 7 Tijdschema van de betalingen van de tekorten en openstaand saldo voor de IZZ (274)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(235) |
In de praktijk krijgt de compensatie van de tekorten op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen voorrang op de compensatie van de tekorten op grond van artikel 109 GWZ. Nadat de federale minister van Volksgezondheid het in artikel 109 GWZ bedoelde tekort heeft vastgesteld (zie overweging 47), wordt een brief aan de gemeente gestuurd en krijgt de bank de opdracht om dit bedrag onmiddellijk aan het betrokken ziekenhuis te betalen, rekening houdend met eventuele betalingen ter compensatie van de tekorten die de gemeente al aan dat IRIS-ziekenhuis heeft overgemaakt op grond van artikel 46 van de statuten van dat ziekenhuis. Bovendien zijn de gemeenten en de IRIS-ziekenhuizen overeengekomen dat de ziekenhuizen onmiddellijk de bedragen die zij op basis van artikel 109 GWZ hebben ontvangen, aan de gemeenten terugbetalen om te voorkomen dat hetzelfde tekort twee keer wordt gedekt. In dit verband heeft de Commissie van Belfius, de bank van de gemeenten, een brief en een tabel ontvangen waarin wordt bevestigd dat die terugbetalingen voor elk jaar en voor alle vijf de IRIS-ziekenhuizen onmiddellijk zijn uitgevoerd en dat dus kan worden uitgesloten dat tekorten twee keer zijn gedekt. In tabel 8 hieronder wordt een volledig overzicht gegeven van alle bedragen van de compensatie van de tekorten op grond van artikel 109 GWZ die door de gemeenten aan de IRIS-ziekenhuizen werden betaald en onmiddellijk werden terugbetaald om die transacties te neutraliseren. Bijgevolg hebben de IRIS-ziekenhuizen geen enkel voordeel gehaald uit die betalingen op grond van artikel 109 GWZ en is dus alleen de compensatie van de tekorten op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen van belang voor de verdere beoordeling in dit besluit. Tabel 8 bevat enkel de betalingen tot en met boekjaar 2006 omdat dit momenteel het meest recente jaar is waarvoor de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid het in artikel 109 GWZ bedoelde tekort heeft vastgesteld. Dit illustreert de grote vertraging die zich in de praktijk voordoet bij de betaling van de compensatie van tekorten op grond van het mechanisme in artikel 109 GWZ en verklaart ook waarom de IRIS-ziekenhuizen er niet op vertrouwen (en het bedrag onmiddellijk na ontvangst terugbetalen). De compensatie op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen is immers een sneller mechanisme (met name sinds de invoering van de bijzondere subsidies voor de gemeenten, zie overweging 232) dan dat op grond van artikel 109 GWZ. Voorts gaat de dekking van de tekorten op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen verder dan de gedeeltelijke dekking van het tekort op grond van artikel 109 GWZ (zie overwegingen 47-48), omdat daarmee het volledige boekhoudkundig tekort van de IRIS-ziekenhuizen wordt gecompenseerd. Om die redenen is de beoordeling in dit besluit alleen toegespitst op het mechanisme om tekorten te dekken op grond van artikel 46 en wordt het mechanisme om tekorten te dekken op grond van artikel 109 GWZ niet meer beoordeeld, anders dan in de nietig verklaarde beschikking van de Commissie van 2009, waarin het mechanisme van artikel 109 GWZ werd beoordeeld. Tabel 8 Volledig overzicht van de bedragen van het in artikel 109 GWZ bedoelde tekort (275) die werden betaald en onmiddellijk terugbetaald (situatie op 9 november 2015)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(236) |
De Commissie heeft ook onderzocht of er in de periode 1996-2014 (276) sprake was van overcompensatie van de IRIS-ziekenhuizen. Door de fusies op 1 juli 1999 (zie ook overweging 28) en de lange tijd die ondertussen is verstreken, kan niet worden onderzocht of er in de jaren 1996-1998 sprake was van overcompensatie van het UVC Brugmann, omdat de cijfers in kwestie niet meer kunnen worden achterhaald. Om diezelfde redenen kan dit voor de IZZ voor de jaren 1996-1998 alleen op geaggregeerde basis worden onderzocht. In dit verband moet worden opgemerkt dat de Belgische autoriteiten alle relevante boekhoudkundige informatie over de IRIS-ziekenhuizen en de betalingen door de gemeenten om de tekorten te dekken, hebben verstrekt voor zover die gegevens beschikbaar waren. Tot de inwerkingtreding van de DAEB-beschikking van 2005 op 19 december 2005 moesten de lidstaten de gegevens immers maar vijf jaar voor de Commissie beschikbaar houden (277) (in plaats van tien jaar op grond van de DAEB-beschikking en het DAEB-besluit (278)). Ondanks het feit dat de Commissie haar eerste verzoek om informatie pas op 22 maart 2006 stuurde, konden de Belgische autoriteiten toch de relevante gegevens vanaf 1996 verstrekken voor het UMC Sint-Pieter, het UKZKF en het Jules Bordet Instituut en vanaf 1999 voor de IZZ (plus geaggregeerde cijfers voor 1996-1999) en het UVC Brugmann. |
|
(237) |
De Commissie heeft onderzocht of de betalingen ter compensatie van de tekorten door de gemeenten voor een bepaald jaar (of die nu met middelen van het BGHGT, met bijzondere subsidies van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of met eigen middelen werden gefinancierd) meer bedroegen dan het boekhoudkundig tekort van dat jaar. In dat verband herinnert de Commissie eraan dat de IRIS-ziekenhuizen enkel compensatie krijgen voor tekorten die zijn ontstaan bij het verrichten van DAEB's en een aantal beperkte ondersteunende activiteiten. In de tabellen 9 tot en met 13 hieronder worden deze cijfers voor elk IRIS-ziekenhuis weergegeven. Het is echter belangrijk voor ogen te houden dat die tabellen niet aantonen wanneer de gemeente (een deel van) het tekort heeft gecompenseerd. Het is immers in de tabellen 3 tot en met 7 hierboven (zie overweging 234) dat wordt getoond in welke jaren de gemeenten betalingen ter compensatie van de tekorten aan de IRIS-ziekenhuizen deden. In de tabellen 9 tot en met 13 wordt daarentegen weergegeven hoeveel de gemeenten aan de IRIS-ziekenhuizen betaalden (doorgaans in verschillende tranches) om het tekort van een bepaald jaar te dekken, zonder dat ermee rekening wordt gehouden wanneer die betalingen daadwerkelijk plaatsvonden. De tabellen 9 tot en met 13 zijn opgemaakt om te kunnen beoordelen of er voor dat jaar apart sprake was van overcompensatie, maar in de praktijk heeft geen enkel van de IRIS-ziekenhuizen ooit daadwerkelijk overcompensatie genoten, zoals hieronder zal worden uitgelegd (zie overweging 238). |
|
(238) |
Zoals in de volgende tabellen zal worden geïllustreerd, blijkt uit de vergelijking van het boekhoudkundig tekort en de voor een bepaald jaar betaalde compensatie slechts in een paar gevallen (279) dat er sprake is van technische overcompensatie wanneer dat specifieke jaar apart wordt bekeken. De tabellen 3 tot en met 7 in overweging 234) maken echter duidelijk dat geen van de IRIS-ziekenhuizen in de praktijk ooit daadwerkelijk overcompensatie heeft genoten, omdat de gemeenten op elk ogenblik van de onderzochte periode (1996-2014) de IRIS-ziekenhuizen grote sommen voor onbetaalde compensatie van tekorten verschuldigd waren. Het is mogelijk dat de technische overcompensaties hun oorsprong vonden in de omstandigheid dat een gemeente in een bepaald jaar niet alleen het boekhoudkundig tekort van dat jaar wilde dekken, maar ook haar betalingsachterstand wilde wegwerken door tekorten van voorgaande jaren te dekken. Ook al is die verklaring niet aantoonbaar, het blijft een feit dat in elk van de jaren dat een IRIS-ziekenhuis betalingen heeft ontvangen die, als dat jaar apart werd bekeken, in technisch opzicht overcompensatie zouden vormen voor de DAEB's en de beperkte ondersteunende activiteiten die in dat jaar waren verricht, het begunstigde IRIS-ziekenhuis zich geaggregeerd gezien eigenlijk in een toestand van feitelijke ondercompensatie bevond voor diezelfde DAEB's en beperkte ondersteunende activiteiten die het in de voorgaande jaren en het jaar in kwestie had verricht (280). |
|
(239) |
Voor het UMC Sint-Pieter blijkt uit tabel 9 hieronder dat, wanneer elk jaar apart wordt bekeken, er van beperkte technische overcompensaties sprake was in de jaren 1996, 1997 en 2012. In ieder geval bedroegen die overcompensaties minder dan 1,5 % van de voor dat jaar toegekende compensatie, waardoor ze overeenkomstig het DAEB-besluit (281) mochten worden overgedragen naar het volgende jaar. Zoals hierboven is aangetoond (zie tabel 3 in overweging 234), bevond het UMC Sint-Pieter zich echter geaggregeerd gezien in de praktijk op elk ogenblik van de periode 1996-2014 in een toestand van ondercompensatie en was de gemeente het UMC Sint-Pieter altijd geld verschuldigd. Over de hele periode 1996-2014 was er voor het UMC Sint-Pieter sprake van ondercompensatie ten bedrage van 3 666 541 EUR. Overeenkomstig hun verplichting op grond van artikel 46 van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen zullen de betrokken gemeenten in de toekomst dit resterende boekhoudkundig tekort nog steeds moeten compenseren (282). Tabel 9 Boekhoudkundig tekort en toegekende compensatie voor het UMC Sint-Pieter
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(240) |
Zoals hierboven uitgelegd (zie overweging 236), kon de controle op overcompensatie voor de IZZ voor de jaren 1996-1998 niet individueel worden uitgevoerd omdat de relevante gegevens ontbreken. Toch konden de Belgische autoriteiten geaggregeerde bedragen achterhalen voor die periode waarin de IZZ nog vier onafhankelijke ziekenhuizen waren. Gedurende die drie jaar hebben sommige van de IZZ in totaal voor 2 622 714 EUR verliezen geleden, terwijl andere IZZ in totaal 703 624 EUR winst boekten. De verliezen werden volledig gedekt met middelen die het BGHGT aan de gemeente had toegekend. De winsten werden naar het volgende jaar overgedragen, wat verklaart waarom de compensatie voor het tekort van 1999 maar een deel van dat tekort dekt. De rest van het tekort werd gecompenseerd door de ingehouden winsten uit de periode 1996-1998. Uit tabel 10 blijkt ook dat, met uitzondering van zeer beperkte technische overcompensaties in de jaren 2000, 2010, 2011, 2013 en 2014 (in ieder geval niet meer dan 0,12 % van de voor die jaren toegekende compensatie), bij de IZZ ieder jaar sprake is van ondercompensatie. De geaggregeerde ondercompensatie in de periode 1999-2014 bedraagt meer dan 9 miljoen EUR. Tabel 10 Boekhoudkundig tekort en toegekende compensatie voor de IZZ
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(241) |
Voor het UKZKF blijken uit tabel 11 hieronder zeer beperkte technische overcompensaties in de jaren 1998, 2002 en 2007 (in ieder geval minder dan 0,15 % van de voor dat jaar toegekende compensatie). In 2013 was er sprake van een aanzienlijk grotere technische overcompensatie (bijna 17 % van de voor dat jaar toegekende compensatie). In combinatie met de aanzienlijke ondercompensatie voor de jaren 2010 en 2011 was voor het UKZKF in 2013 geaggregeerd gezien echter nog steeds sprake van ruime ondercompensatie voor de DAEB's en de beperkte ondersteunende activiteiten die het tot dan toe had verricht. Voor de gehele periode 1996-2014 bedroeg de totale feitelijke ondercompensatie meer dan 700 000 EUR. Zoals hierboven is aangetoond (zie tabel 5 in overweging 234), bevond het UKZKF zich in de praktijk op geen enkel ogenblik in een situatie van feitelijke overcompensatie, waarbij het (een deel van) de compensatie van de tekorten had moeten terugbetalen. In feite bevond het UKZKF zich geaggregeerd gezien altijd in een toestand van ondercompensatie en was de gemeente het ziekenhuis op elk ogenblik van de periode 1996-2014 geld verschuldigd. Tabel 11 Boekhoudkundig tekort en toegekende compensatie voor het UKZKF
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(242) |
De boekhoudkundige resultaten van het Jules Bordet Instituut waren tussen 1996 en 2001 positief en die jaren is de gemeente dus niet tussengekomen. Vanaf 2002 was het boekhoudkundig resultaat echter negatief en werden dus betalingen uitgevoerd om de tekorten te compenseren. Uit tabel 12 hieronder blijkt dat er in de jaren 2005 en 2011 sprake was van beperkte technische overcompensaties (respectievelijk minder dan 4 % en 0,5 % van de voor die jaren toegekende compensatie). In 2009 lijkt er sprake te zijn van een aanzienlijke technische overcompensatie van ongeveer 580 000 EUR (bijna 46 % van de voor dat jaar toegekende compensatie). In 2008 was er echter sprake van een ondercompensatie van ongeveer 533 000 EUR (geaggregeerd bijna 505 000 EUR). Samengeteld betekent dit een geaggregeerde technische overcompensatie van maar 73 702 EUR (minder dan 6 % van de voor 2009 toegekende compensatie), die naar 2010 kon worden overgedragen (284) (terwijl voor 2010 tot op heden geen compensatie is toegekend). Voorts wachtte het Jules Bordet Instituut elk onderzocht jaar nog op compensatie van geleden tekorten (zie tabel 6 in overweging 234). In 2009 was de gemeente het Jules Bordet Instituut ongeveer 3 miljoen EUR verschuldigd. Voor de gehele periode 1996-2014 bedroeg de totale feitelijke ondercompensatie meer dan 2,4 miljoen EUR. Zoals uitgelegd in overweging 234), wordt door de winsten van de jaren 1996-2001 het openstaande saldo van de gemeenten kleiner, omdat zij die winsten in mindering brengen voordat zij tussenkomen. Tabel 12 Boekhoudkundig tekort en toegekende compensatie voor het Jules Bordet Instituut
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(243) |
Zoals hierboven uitgelegd (zie overweging 236) kon de controle op overcompensatie voor het UVC Brugmann voor de jaren 1996-1998 niet worden uitgevoerd omdat de relevante gegevens ontbraken. Uit tabel 13 hieronder blijkt dat er in de jaren 2000, 2003, 2004, 2008 en 2011 sprake was van beperkte technische overcompensaties (in ieder geval niet meer dan 7 % van de voor die jaren toegekende compensatie). In twee jaren, namelijk in 1999 en 2012, bedroeg de technische overcompensatie meer dan 10 % van de voor dat jaar toegekende compensatie (respectievelijk 15,3 % en 12,9 %). In combinatie met de aanzienlijke ondercompensatie voor 2009 en 2010 was er in 2012 geaggregeerd gezien in feite echter sprake van ondercompensatie (van 558 858 EUR). Wat 1999 betreft zijn er geen gegevens over voorgaande jaren beschikbaar waarmee rekening zou kunnen worden gehouden om de toestand van de compensatie voor het UVC Brugmann in 1999 geaggregeerd gezien te onderzoeken. Het is echter belangrijk op te merken dat de eerste betalingen door de gemeente (met financiering van het BGHGT) pas in 2003 plaatsvonden en dat, zoals uit tabel 4 in overweging 234) blijkt, het UVC Brugmann zich op geen enkel ogenblik in een situatie van feitelijke overcompensatie bevond en (een deel van) de compensatie van de tekorten aan de gemeente had moeten terugbetalen. Op elk ogenblik van de periode 1996-2014 bevond het UVC Brugmann zich geaggregeerd gezien immers in een toestand van ondercompensatie en was de gemeente het UVC Brugmann geld verschuldigd om vroegere tekorten te dekken. In totaal bedraagt de feitelijke ondercompensatie voor die periode ongeveer 935 000 EUR. Tabel 13 Boekhoudkundig tekort en toegekende compensatie voor het UVC Brugmann
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(244) |
Tot slot kunnen de beperkte winsten die sommige van de IRIS-ziekenhuizen hebben geboekt (namelijk het UMC Sint-Pieter in 2006, het UKZKF in 1999 en het Jules Bordet Instituut tussen 1996 en 2001) niet als een aanwijzing voor overcompensatie worden beschouwd. Op grond van de bestaande gescheiden boekhouding (zie overweging 226) in die IRIS-ziekenhuizen concludeert de Commissie immers dat die winsten, op één geval na, uit de winsten van de door die IRIS-ziekenhuizen verrichte ondersteunende activiteiten voortkomen (zie overwegingen 41, 116 en 117). De DAEB-activiteiten van het Jules Bordet Instituut genereerden in 1996 een beperkte winst, die ongeveer 1 % van de totale inkomsten van het ziekenhuis voor dat jaar uitmaakte. De Commissie is van mening dat een dergelijke beperkte winst hoe dan ook redelijk zou zijn en dus niet tot overcompensatie zou leiden. Zoals hierboven uitgelegd (zie overweging 234) worden voorts alle winsten (zowel uit DAEB's als uit ondersteunende activiteiten) ingehouden en gebruikt om toekomstige (of onbetaalde vroegere) tekorten te compenseren, waardoor de bijdrage van de gemeenten vermindert. |
|
(245) |
Op basis van het bovenstaande concludeert de Commissie dat er vanwege de vertraging bij de betalingen om de tekorten te compenseren, vanwege het feit dat de respectieve gemeenten op elk ogenblik in de periode 1996-2014 elk van de IRIS-ziekenhuizen aanzienlijke bedragen voor de compensatie van tekorten verschuldigd waren en vanwege het feit dat elk van de IRIS-ziekenhuizen zich geaggregeerd gezien over het algemeen in een toestand van ondercompensatie bevond, in de praktijk geen sprake was van overcompensatie van de IRIS-ziekenhuizen. |
7.3.6. Controle op overcompensatie
|
(246) |
De derde belangrijke voorwaarde voor verenigbaarheid die in het DAEB-besluit van 2012 is vastgesteld, houdt in dat lidstaten maatregelen moeten nemen om ervoor te zorgen dat ondernemingen die met het verrichten van een DAEB zijn belast geen overcompensatie ontvangen en dat lidstaten verplicht zijn ten minste om de drie jaar regelmatige controles uit te voeren of deze te laten uitvoeren (285). Bovendien moeten de lidstaten, wanneer een onderneming overcompensatie heeft ontvangen, van de betrokken onderneming eisen dat deze die overcompensatie terugbetaalt (286). |
|
(247) |
Om te beginnen moet worden opgemerkt dat wat de dekking van de tekorten betreft die in dit besluit aan de orde is, de aard van dit compensatiemechanisme op zich het risico op overcompensatie al sterk vermindert en dit dus een maatregel is die overcompensatie helpt voorkomen. De gemeenten mogen immers niet meer dekken dan het daadwerkelijke tekort van de IRIS-ziekenhuizen dat voortvloeit uit het verrichten van diensten van algemeen economisch belang en de beperkte ondersteunende activiteiten. De compensatie dekt dus alleen de residuele nettokosten (zie overweging 226) die voortvloeien uit het verrichten van die DAEB's en ondersteunende activiteiten en omvat zelfs geen redelijke winst. Alle betalingen worden achteraf gedaan, d.w.z. nadat de tekorten zijn ontstaan (zie in dit verband de tabellen in overweging 234). De betalingen worden in tranches uitgevoerd (zoals blijkt uit de tabellen in overweging 234), waardoor de gemeenten een betaling kunnen opschorten als er aanwijzingen zijn voor een risico op overcompensatie. De gemeenten gaan ook na hoeveel de geaggregeerde onbetaalde tekorten bedragen voordat zij een betaling aan de IRIS-ziekenhuizen doen. Zoals hierboven uitgelegd (zie overweging 235), zijn de gemeenten en de IRIS-ziekenhuizen ook overeengekomen om de compensatie van de tekorten op grond van artikel 109 GWZ onmiddellijk terug te betalen om te voorkomen dat hetzelfde tekort twee keer wordt gedekt. Er is dus maar een beperkt en theoretisch residueel risico op technische overcompensatie als de compensatie op basis van de gegevens van elk jaar apart wordt onderzocht (zie overwegingen 237-238). In de praktijk heeft echter geen van de IRIS-ziekenhuizen geaggregeerd gezien ooit daadwerkelijk overcompensatie genoten, omdat de gemeenten op elk ogenblik in de periode 1996-2014 de IRIS-ziekenhuizen grote sommen voor de compensatie van tekorten verschuldigd waren (zoals wordt bevestigd in de tabellen in overweging 234). |
|
(248) |
Ten tweede zijn in de Wet van 14 november 1983 betreffende de controle op de toekenning en op de aanwending van sommige toelagen (287) regels vastgesteld die van toepassing zijn op de controle op met name door plaatselijke overheidsinstanties toegekende subsidies. Die wet bevat dezelfde regels als de Organieke Brusselse Ordonnantie van 23 februari 2006 houdende de bepalingen die van toepassing zijn op de begroting, de boekhouding en de controle (288), die zelf de algemene regels voor het Brussels Hoofdstedelijk Gewest bevat die zijn vastgesteld in de Wet van 16 mei 2003 tot vaststelling van de algemene bepalingen die gelden voor de begrotingen, de controle op de subsidies en voor de boekhouding van de gemeenschappen en de gewesten, alsook voor de organisatie van de controle door het Rekenhof (289). Artikel 1 van de Wet van 14 november 1983 luidt als volgt: „Deze wet is van toepassing op elke toelage verleend door:
In artikel 2 van die Wet wordt het zeer algemene toepassingsgebied van die Wet omschreven: „Onder toelage […] dient te worden verstaan elke tegemoetkoming, elk voordeel of elke hulp, ongeacht de vorm of de benaming ervan, met inbegrip van de zonder interest verleende terugvorderbare voorschotten, toegekend ter bevordering van voor het algemeen belang dienstige activiteiten […].”. Uit de bovenstaande artikelen blijkt duidelijk dat de door de Brusselse gemeenten aan de IRIS-ziekenhuizen toegekende compensatie van de tekorten voor het verrichten van DAEB's en ondersteunende activiteiten binnen het toepassingsgebied van die Wet valt. |
|
(249) |
In artikel 3 van de Wet van 14 november 1983 is het beginsel vastgesteld dat de subsidie alleen mag worden gebruikt voor het doel waarvoor zij is toegekend en dat de begunstigde het gebruik ervan moet rechtvaardigen. In de artikelen 4 en 5 worden verdere regels vastgesteld voor het verlenen van dergelijke subsidies en worden de transparantieverplichtingen beschreven waaraan de begunstigde moet voldoen. In de artikelen 6 en 7 worden de regels vastgesteld voor de controle door of namens de subsidieverstrekker van de aanwending van de subsidies. Met name is in artikel 6 het volgende bepaald: „Ieder [subsidie]verstrekker heeft het recht om ter plaatse de aanwending van de verleende toelage te doen controleren.”. In artikel 7 worden de verplichtingen inzake terugbetaling en terugvordering van de subsidie beschreven. Dat artikel luidt als volgt: „Onverminderd de ontbindende bepalingen waaraan de toelage is onderworpen, is de toelagetrekker gehouden de toelagen terug te betalen in de volgende gevallen:
In het geval bedoeld in het eerste lid, 2o moet de toelagetrekker evenwel slechts het deel van de toelage dat niet is verantwoord terugbetalen. De publiekrechtelijke rechtspersonen die bevoegd zijn tot het heffen van directe belastingen, kunnen de terugvorderbare toelagen bij dwangbevel verhalen. Het dwangbevel wordt uitgegeven door de rekenplichtige die met de terugvordering is belast. Het wordt uitvoerbaar verklaard door de administratieve overheid die bevoegd is om het kohier van de respectieve directe belastingen van die publiekrechtelijke rechtspersonen uitvoerbaar te verklaren.”. |
|
(250) |
Door die Wet kunnen de gemeenten ervoor zorgen dat de subsidies overeenkomstig de vastgestelde voorwaarden worden toegekend en kunnen zij ook het gebruik ervan controleren en onnodige bedragen terugvorderen. Voor de betaling van de compensatie van de tekorten door de gemeenten gelden dus zeer strenge regels. Wanneer de betrokken ziekenhuizen die compensaties aanvaarden, stemmen zij in met controle door een onafhankelijke instantie, waardoor kan worden gegarandeerd dat de subsidie daadwerkelijk is toegewezen voor het gebruik waarvoor zij was verstrekt. Als dit niet het geval is, moet het ziekenhuis de subsidie onmiddellijk terugbetalen, waardoor wordt gegarandeerd dat eventuele overcompensatie voor het IRIS-ziekenhuis wordt teruggevorderd. |
|
(251) |
Dit wordt bevestigd in de OCMW-wet; in artikel 60 § 6 daarvan is het volgende bepaald: „De oprichting of de uitbreiding van inrichtingen of diensten, die in aanmerking kunnen komen voor het genieten van toelagen op het vlak van hetzij de investeringen, hetzij van de werking, kan alleen beslist worden op basis van een dossier waaruit blijkt dat de door de organieke wetgeving of reglementering voor het toekennen van deze toelagen voorziene voorwaarden, nageleefd zullen worden.”. Als een OCMW een openbaar ziekenhuis opricht, moet dus worden bewezen dat de regels voor de toekenning van de financiering zullen worden gevolgd. |
|
(252) |
Evenzo bevat artikel 135 octies van de OCMW-wet bepalingen voor het toezicht op de plaatselijke verenigingen op grond van hoofdstuk XII (in dit geval de IRIS-ziekenhuizen) die hun koepelvereniging (in dit geval IRIS) elk kwartaal uitoefent. Dit betekent met name dat IRIS nagaat of de door de IRIS-ziekenhuizen genomen beslissingen overeenstemmen met:
In geval van niet-overeenstemming neemt de koepelvereniging alle maatregelen die ze nuttig acht om de niet-overeenstemming te verhelpen en deelt deze ter uitvoering binnen de door haar vastgestelde termijn mee aan de betrokken plaatselijke vereniging. Indien de betrokken plaatselijke vereniging de maatregelen niet uitvoert binnen de toegemeten termijn, kan de koepelvereniging onmiddellijk de in artikel 135 novies bedoelde commissaris in de plaats stellen van de in gebreke zijnde plaatselijke vereniging.”. |
|
(253) |
Uit die bepalingen blijkt dat zowel de OCMW-wet als de Wet van 14 november 1983 de Brusselse gemeenten de mogelijkheid geeft erop toe te zien dat de aan de IRIS-ziekenhuizen betaalde subsidies correct worden gebruikt en niet tot overcompensatie leiden. De gezamenlijke toepassing van die bepalingen vergemakkelijkt de controle op overcompensatie en zorgt ervoor dat overcompensatie kan worden teruggevorderd. Voorts wordt in geval van niet-overeenstemming een substitutiebevoegdheid aan een derde toegekend om te garanderen dat aan die aan de IRIS-ziekenhuizen opgelegde verplichtingen wordt voldaan, in het bijzonder met betrekking tot de begroting. De gemeenten, de OCMW's en de koepelvereniging IRIS hebben dus vergaande controlebevoegdheden, zelfs al is er zo goed als geen risico op overcompensatie in het kader van het mechanisme voor compensatie van tekorten dat in dit besluit aan de orde is. |
|
(254) |
Als de winst-en-verliesrekening van een openbaar ziekenhuis een tekort vertoont, kan het college van burgemeester en schepenen op grond van artikel 111 § 2 en artikel 126 van de OCMW-wet bovendien de uitvoering schorsen van „elke beslissing van het openbaar centrum voor maatschappelijk welzijn die het gemeentelijk belang, en inzonderheid de financiële belangen van de gemeente schaadt.”. |
|
(255) |
Tot slot moet worden benadrukt dat de autoriteiten die de betrokken steun verlenen (namelijk de gemeenten en de OCMW's) de begunstigden rechtstreeks controleren. Die autoriteiten hebben met name de meerderheid van de stemmen in de raden van bestuur van de IRIS-ziekenhuizen, die onder meer de algemene directeurs van hun respectieve ziekenhuizen benoemen. In het onwaarschijnlijke geval dat een IRIS-ziekenhuis hypothetisch gezien zou weigeren de overcompensatie terug te betalen, zouden de openbare autoriteiten gemakkelijk de algemeen directeur kunnen vervangen om die situatie recht te zetten. Zoals vereist in de statuten van elk IRIS-ziekenhuis, komt de raad van bestuur voorts minstens acht keer per jaar samen, waardoor de steunverlenende autoriteiten de financiële situatie van de IRIS-ziekenhuizen van nabij kunnen volgen (onder meer via de kwartaalverslagen dienaangaande die in de statuten zijn vereist). |
|
(256) |
Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat er voldoende regelingen zijn om overcompensatie te vermijden, op te sporen en terug te vorderen, terwijl het risico op daadwerkelijke overcompensatie zeer beperkt lijkt te zijn vanwege de aard van de onderzochte steunmaatregel. |
7.3.7. Duur van toewijzingen
|
(257) |
In artikel 2, lid 2, van het DAEB-besluit van 2012 is bepaald dat het besluit alleen van toepassing is op toewijzingen waarvan de duur niet langer is dan tien jaar, tenzij een langere periode verantwoord kan worden doordat de onderneming waaraan het beheer van de DAEB wordt toegewezen aanzienlijke investeringen over een langere periode moet afschrijven, in overeenstemming met algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen. |
|
(258) |
De duur van de statuten van de IRIS-ziekenhuizen, die in de onderhavige zaak op gemeentelijk niveau de relevante toewijzingsbesluiten zijn, is op 30 jaar vastgesteld. De Commissie is van mening dat een dergelijke lange duur gerechtvaardigd is door de aanzienlijke investeringen die de IRIS-ziekenhuizen moeten doen als instellingen die met het beheer van de DAEB zijn belast. Meer bepaald zijn de belangrijkste activa van de IRIS-ziekenhuizen hun gebouwen (die meer dan 60 % van de waarde van hun activa vormen), die in overeenstemming met algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen over een periode van 30 jaar worden afgeschreven (290). Voorts zijn de strategische plannen van IRIS waarin de aanvullende verplichtingen worden beschreven waarmee de IRIS-ziekenhuizen zijn belast, ook in de tijd beperkt en hebben deze zelfs een kortere duur. Het eerste strategisch plan bestreek de periode van zes jaar van 1996 tot en met 2001. Het tweede strategisch plan bestreek aanvankelijk de periode 2002-2006 maar werd later gewijzigd en verlengd tot eind 2014. In januari 2015 werd een nieuw strategisch plan voor de periode 2015-2018 aangenomen. |
|
(259) |
Voorts werd in de Wet van 10 april 2014 (291) de duur van de federale toewijzing van de basisziekenhuisopdracht (292) beperkt door de wijziging van artikel 105 van de huidige versie van de GWZ (293). Met name wordt nu in artikel 105 vereist dat de periode waarvoor het budget van financiële middelen wordt toegekend niet langer kan duren dan tien jaar, behalve voor die bestanddelen van het budget van financiële middelen die kosten dekken van aanzienlijke investeringen van het ziekenhuis die, in overeenstemming met algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen, over een langere periode moeten worden afgeschreven. Ten slotte heeft ook de individuele erkenning die de ziekenhuizen nodig hebben om voor financiering uit het budget van financiële middelen in aanmerking te komen een beperkte duur (afhankelijk van het gewest, maar gewoonlijk ongeveer vijf jaar en in ieder geval niet meer dan tien jaar). |
|
(260) |
De Commissie is daarom van oordeel dat is voldaan aan het vereiste in artikel 2, lid 2, van het DAEB-besluit van 2012 om de duur van het toewijzingsbesluit te beperken en die duur te verantwoorden. |
7.3.8. Transparantie
|
(261) |
Tot slot moeten de lidstaten volgens het DAEB-besluit van 2012 bepaalde gegevens bekendmaken. Meer bepaald is in artikel 7 van het DAEB-besluit van 2012 vastgesteld dat de lidstaten voor compensatie van meer dan 15 miljoen EUR die wordt verleend aan een onderneming die ook activiteiten heeft buiten de dienst van algemeen economisch belang, op het internet of op een andere passende wijze de volgende gegevens moeten bekendmaken: het besluit waarbij de onderneming met het beheer van de dienst van algemeen economisch belang wordt belast (of een samenvatting daarvan die de in artikel 4 van het DAEB-besluit van 2012 genoemde gegevens bevat) en de bedragen die de onderneming jaarlijks aan steun ontvangt. |
|
(262) |
De transparantievereiste in het DAEB-besluit van 2012 is van toepassing op „compensatie van meer dan 15 miljoen EUR die wordt verleend aan een onderneming die ook activiteiten heeft buiten de dienst van algemeen economisch belang”. Zoals blijkt uit de tabellen 9-13, overschrijdt het bedrag van de gemeentelijke compensatie van de tekorten per IRIS-ziekenhuis in geen enkel jaar de drempel van 15 miljoen EUR. Daarom is de Commissie van oordeel dat de transparantievereiste in artikel 7 van het DAEB-besluit van 2012 in deze zaak niet van toepassing is. |
7.3.9. Samenvattende conclusies over de verenigbaarheid met de interne markt
|
(263) |
Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat de compensatie sinds 1996 van de tekorten van de Brusselse openbare IRIS-ziekenhuizen door de gemeenten, die het voorwerp van het onderhavige besluit vormt, voldoet aan de vereisten van het DAEB-besluit van 2012 en daarom verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 106, lid 2, VWEU. |
|
(264) |
Uit de bovenstaande conclusie en de in de overwegingen 148-152 gegeven verklaringen volgt dat de Commissie niet hoeft te onderzoeken of de compensatie van de tekorten van de Brusselse openbare IRIS-ziekenhuizen door de Brusselse gemeenten ook verenigbaar is met de interne markt op grond van de DAEB-beschikking van 2005 (voor steun die tussen 19 december 2005 en 31 januari 2012 werd toegekend) of de DAEB-kaderregeling van 2012. |
7.4. Slotopmerkingen
|
(265) |
Zoals hierboven uitgelegd (zie overweging 159), heeft het Gerecht in zijn arrest houdende nietigverklaring van 7 november 2012 verwezen naar het beginsel van gelijke behandeling. In dat verband herinnert de Commissie eraan dat het discriminatieverbod/beginsel van gelijke behandeling niet als verenigbaarheidscriterium is vermeld in het DAEB-besluit van 2012. In de onderhavige zaak concludeert de Commissie niettemin dat in ieder geval aan dit beginsel is voldaan, omdat de openbare IRIS-ziekenhuizen en de Brusselse particuliere ziekenhuizen zich juridisch en feitelijk in een verschillende situatie bevinden vanwege de omstandigheid dat de DAEB-opdracht van de openbare IRIS-ziekenhuizen ruimer is dan die van de particuliere ziekenhuizen en het dus duurder is om die uit te voeren (zoals hierboven uitgelegd, zie punt 7.3.4.1). Voor de volledigheid merkt de Commissie op dat de IRIS-ziekenhuizen zijn onderworpen aan een aantal beperkingen en ook extra kosten (zie overwegingen 42 en 43) bij het verrichten van de DAEB waarmee zij zijn belast. |
|
(266) |
Omdat de IRIS-ziekenhuizen en de Brusselse particuliere ziekenhuizen zich in verschillende/niet vergelijkbare situaties bevinden, kan de compensatie van de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen niet worden beschouwd als een schending van het beginsel van gelijke behandeling. |
8. CONCLUSIE
|
(267) |
Op basis van bovenstaande beoordeling heeft de Commissie besloten dat de staatssteun die in de onderhavige zaak aan de orde is, verenigbaar is met de interne markt op grond van artikel 106, lid 2, van het VWEU, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De staatssteun in de vorm van de compensatie sinds 1996 van de tekorten van de Brusselse openbare IRIS-ziekenhuizen door de Brusselse gemeenten is verenigbaar met de interne markt op grond van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België.
Gedaan te Brussel, 5 juli 2016.
Voor de Commissie
Margrethe VESTAGER
Lid van de Commissie
(1) De artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag zijn sinds 1 december 2009 de artikelen 107 en 108 VWEU. De respectieve bepalingen zijn in wezen identiek. Voor zover van toepassing, dienen in dit besluit de verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU te worden gelezen als verwijzingen naar de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag. Bij het VWEU zijn ook enkele wijzigingen in de terminologie aangebracht, zoals de vervanging van „Gemeenschap” door „Unie” en van „gemeenschappelijke markt” door „interne markt”. In dit besluit wordt de terminologie van het VWEU gehanteerd.
(2) PB C 437 van 5.12.2014, blz. 10.
(3) Samen exploiteren deze vijf openbare ziekenhuizen ongeveer 2 425 van de ongeveer 7 260 bedden in de algemene en universitaire ziekenhuizen (waarbij psychiatrische, geriatrische en andere gespecialiseerde ziekenhuizen buiten beschouwing zijn gelaten) in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en hebben ze bijna 10 000 personeelsleden in dienst. Ze zijn goed voor meer dan 1 miljoen medische raadplegingen per jaar. Het aantal erkende ziekenhuisbedden is verstrekt door de Belgische autoriteiten (die de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie en de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid raadpleegden) en heeft betrekking op het jaar 2015. De overige informatie is beschikbaar op de website van IRIS (zie: http://www.iris-hopitaux.be/nl).
(4) Zie de punten 2.2 en 2.4 voor meer informatie over die openbare ziekenhuizen en hun activiteiten.
(5) De afkorting IRIS staat voor Interhospitalenkoepel van de Regio voor Infrastructurele Samenwerking.
(6) De klagers hadden verzocht hun respectieve identiteit vertrouwelijk te behandelen. Gezien de door die partijen ingestelde beroepen tot nietigverklaring en het daaropvolgende arrest tot nietigverklaring van 7 november 2012 van het Gerecht in zaak T-137/10 zijn die identiteiten nu publiek (zie de overwegingen 4 en 6. Tevens zij opgemerkt dat de BVPZI en haar leden de klacht niet langer voortzetten.
(7) Dit laatste argument is door de klagers voor het eerst aangevoerd in hun brief van 15 december 2008.
(8) De voorlopige beoordeling van de diensten van de Commissie kwam er in wezen op neer dat het leek dat de IRIS-ziekenhuizen naar behoren met openbaredienstverplichtingen waren belast, dat hun compensatie duidelijk was omschreven en dat er geen sprake was van overcompensatie. De diensten van de Commissie waren derhalve van oordeel dat er geen problemen waren op het vlak van de staatssteunregels. Daarnaast merkten zij op dat ook aan de eisen inzake transparantie leek te zijn voldaan. De diensten van de Commissie concludeerden daarom dat er onvoldoende redenen waren om het onderzoek voort te zetten tenzij de klager nieuwe elementen zou aanbrengen.
(9) Zaak T-128/08, niet gepubliceerd.
(10) Zaak T-241/08, niet gepubliceerd.
(11) Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1).
(12) PB C 74 van 24.3.2010, blz. 1.
(13) Beschikking 2005/842/EG van de Commissie van 28 november 2005 betreffende de toepassing van artikel 86, lid 2, van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst die aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen wordt toegekend (PB L 312 van 29.11.2005, blz. 67).
(14) Arrest van het Gerecht van 7 november 2012, CBI/Commissie, T-137/10, ECLI:EU:T:2012:584.
(15) Ibid., punt 313.
(16) Zie voetnoot 2.
(17) Belgisch Staatsblad van 5 augustus 1976, blz. 9876.
(18) Van de negentien gemeenten die samen het Brussels Hoofdstedelijk Gewest vormen, zijn de zes betrokken gemeenten: Anderlecht, Stad Brussel, Etterbeek, Elsene, Schaarbeek en Sint-Gillis.
(19) Meer bepaald: het UVC Brugmann- UKZKF (tot 1 januari 1997 één enkele entiteit), het UMC Sint-Pieter, het Jules Bordet Instituut, het Ziekenhuiscentrum Baron Lambert, het Ziekenhuiscentrum Bracops, het Ziekenhuiscentrum Molière, het Ziekenhuiscentrum Brien en het Ziekenhuiscentrum Etterbeek-Elsene.
(20) Vet toegevoegd.
(21) Vet toegevoegd.
(22) Gewone zitting 1995-1996. Documenten van de vergadering van de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie: ontwerp van ordonnantie: B-10/1. — Verslag: B-10/2. Woordelijk verslag. — Bespreking en goedkeuring: vergadering van 22 december 1995.
(23) In het ontwerp wordt met name opgemerkt dat het samenwerkingsakkoord van 19 mei 1994 om de volgende redenen was gesloten: „Met het oog op het voortbestaan van de Brusselse openbare ziekenhuizen zet dit samenwerkingsakkoord aan onder andere tot het tot stand brengen van coördinatie- en samenwerkingsmechanismen tussen de verantwoordelijken van de verschillende openbare ziekenhuizen op het grondgebied van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Dit zijn de gemeenten, de [OCMW's] en de verenigingen die werden opgericht met toepassing van hoofdstuk XII van de [OCMW-wet].”.
(24) In artikel 121 van de OCMW-wet is bepaald dat overeenkomstig hoofdstuk XII van de OCMW-wet opgerichte ziekenhuisverenigingen rechtspersoonlijkheid bezitten.
(25) Sommige van de IRIS-ziekenhuizen werken op verschillende sites. Het UVCB is momenteel werkzaam op drie sites (Victor Horta, Paul Brien en Koningin Astrid), het UMCSP op twee (Hallepoort en César De Paepe) en de IZZ op vier (Etterbeek-Elsene, J. Bracops, Molière-Longchamp en Baron Lambert).
(26) Het toezicht door IRIS vindt plaats onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in de Ordonnantie (van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest) van 22 december 1995 (Belgisch Staatsblad van 7 februari 1996, blz. 2737).
(27) In artikel 120 van de OCMW-wet zijn de minimumeisen voor de statuten van door een OCMW overeenkomstig hoofdstuk XII van de OCMW-wet opgerichte verenigingen vermeld.
(28) In dat verband is in artikel 125 van de OCMW-wet het volgende bepaald: „Ongeacht de verhouding van de inbreng van de verschillende deelgenoten, beschikken de openbare rechtspersonen steeds over de meerderheid van de stemmen in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de vereniging.”.
(29) Het BGHGT is opgericht bij Ordonnantie van 8 april 1993, Belgisch Staatsblad van 12 mei 1993, blz. 10889 (gewijzigd bij Ordonnantie van 2 mei 2002).
(30) Het bedrag van 100 miljoen EUR was niet toereikend om de totale financiële passiva van de ziekenhuizen, zoals die eind 1995 bestonden, te dekken, aangezien het gecumuleerde tekort op bijna 200 miljoen EUR werd geschat.
(31) Belgisch Staatsblad van 7 oktober 1987, blz. 14652, vervangen door de gecoördineerde ziekenhuiswet van 10 juli 2008 (Belgisch Staatsblad van 7 november 2008, blz. 58624).
(32) Gemakshalve wordt in dit besluit verwezen naar artikel 147 GWZ, wat vanaf de inwerkingtreding van de wet van 10 juli 2008 echter moet worden begrepen als een verwijzing naar artikel 163 GWZ.
(33) Zie de artikelen 2 tot en met 7 GWZ.
(34) Zie de artikelen 10 tot en met 17 GWZ.
(35) Zie de artikelen 23 tot en met 45 GWZ. Het mechanisme voor de ziekenhuisprogrammatie bestaat in de bepaling van het maximumaantal ziekenhuisbedden per regio op basis van de medische behoeften die door de federale regering zijn vastgesteld. Hieruit volgt dat, tenzij de vraag naar ziekenhuisbedden stijgt, er slechts nieuwe ziekenhuisbedden (of een nieuw ziekenhuis) kunnen komen indien elders gelijktijdig bestaande bedden verdwijnen.
(36) Zie de artikelen 68 tot en met 76 sexies GWZ.
(37) Zie de artikelen 130 tot en met 142 GWZ.
(38) See http://www.iris-hopitaux.be/nl (geraadpleegd op 19 augustus 2015).
(39) Zie voetnoot 246 voor meer bijzonderheden over de mediaan van het gemiddelde inkomen.
(40) Die verplichting is onder andere gebaseerd op de Wet van 18 juli 1966, artikel 42 § 5 van de OCMW-wet, de Wet van 24 juni 1988, het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Executieve van 25 juli 1991 en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999.
(41) Alle kostenramingen in deze en de volgende overweging hebben betrekking op 2010 en geven de residuele kosten ten laste van de IRIS-ziekenhuizen weer, na aftrek van overheidsfinanciering, in voorkomend geval, door het Brussels Hoofdstedelijk Gewest of de federale regering.
(42) Informatie die onder de geheimhoudingsplicht valt.
(43) Die verplichting is met name gebaseerd op artikel 156, artikel 161 § 1 en artikel 161 § 2, van de Wet van 24 juni 1988, artikel 42 § 5, van de OCMW-wet en punt 3.4 van het vakbondsprotocol 95/3 van 27 oktober 1995.
(44) Die verplichting is onder andere gebaseerd op de Wet van 14 februari 1961, artikel 42 § 5 van de OCMW-wet, de Wet van 24 juni 1988 en het Besluit van de Brusselse Hoofdstedelijke Regering van 6 mei 1999.
(45) Deze loonschaalverhogingen zijn vastgelegd in de akkoorden 2003/1, 2004/10, 2007/1 en 2009/1.
(46) Het Brussels Hoofdstedelijk Gewest heeft een koepelstructuur opgelegd die verantwoordelijk is voor de coördinatie van en het toezicht op de ziekenhuisactiviteiten van de IRIS-ziekenhuizen overeenkomstig hoofdstuk XII bis van de OCMW-wet.
(47) Opgemerkt zij dat dit beginsel voor sommige van de IRIS-ziekenhuizen oorspronkelijk was vastgelegd in artikel 44 of artikel 47. Inhoudelijk was dit beginsel evenwel reeds voor elk IRIS-ziekenhuis vermeld in de oorspronkelijke statuten.
(48) Ten tijde van de oprichting van de IRIS-ziekenhuizen was dit beginsel vastgelegd in artikel 44 van de statuten en luidde het als volgt: „Het exploitatieresultaat wordt verdeeld onder de geassocieerde leden die ten minste over één vijfde van de stemmen in de Algemene Vergadering beschikken, bij beraadslaging van de Algemene Vergadering en naar verhouding van hun vertegenwoordiging.”.
(49) In september 2013 publiceerde de Christelijke Mutualiteit, één van de grootste Belgische ziekenfondsen (de particuliere non-profitorganisaties die verantwoordelijk zijn voor de vergoeding van medische kosten in het kader van de sociale zekerheid), een artikel waaruit blijkt dat de inkomsten van de Belgische ziekenhuizen in 2011 gemiddeld als volgt uit deze drie bronnen kwamen: 1) budget van financiële middelen: 49 %, 2) Riziv: 42 %, en 3) patiënten (of hun particuliere verzekeraars): 9 %.
(50) Zie de artikelen 87 en volgende GWZ.
(51) Zie de artikelen 24 tot en met 87 van het Koninklijk Besluit van 25 april 2002, Belgisch Staatsblad van 5 juli 2002, blz. 30290.
(52) Zie de Wet van 9 augustus 1963, als gewijzigd, Belgisch Staatsblad van 1 november 1963, blz. 10555.
(53) Belgisch Staatsblad van 27 augustus 1994, blz. 21524.
(54) Zie de artikelen 133 tot en met 135 GWZ.
(55) Zie artikel 140 GWZ.
(56) Zie de artikelen 46 en volgende GWZ.
(57) Zie artikel 47 GWZ.
(58) Gemakshalve wordt in dit besluit verwezen naar artikel 109 GWZ, wat vanaf de inwerkingtreding van de wet van 10 juli 2008 echter moet worden begrepen als een verwijzing naar artikel 125 GWZ.
(59) Belgisch Staatsblad van 1 januari 1964, blz. 2. Op grond van die wet moest 10 % van het tekort worden gedekt door de gemeente waar het ziekenhuis was gevestigd en de overige 90 % door de Belgische gemeenten waar de patiënten woonden.
(60) Belgisch Staatsblad van 29 december 1973, blz. 15027.
(61) Oorspronkelijk was dit het Koninklijk Besluit van 8 december 1986 (Belgisch Staatsblad van 12 december 1986, blz. 17023), gewijzigd bij Koninklijk Besluit van 10 november 1989 en later vervangen door het Koninklijk Besluit van 8 maart 2006 (Belgisch Staatsblad van 12 april 2006, blz. 20232).
(62) Andere elementen die worden uitgesloten van het tekort in de zin van artikel 109 GWZ zijn onder andere de raming van de correctiebetalingen in het kader van het budget van financiële middelen, bepaalde voorzieningen en bepaalde soorten afschrijvingen.
(63) De reden hiervoor is dat voor de berekening van het tekort in de zin van artikel 109 GWZ wordt uitgegaan van het boekhoudkundig tekort, waarvan vervolgens bepaalde elementen worden uitgesloten.
(64) Belgisch Staatsblad van 4 september 1975, blz. 10847.
(65) Zie de artikelen 77 en 78 GWZ.
(66) Zie de artikelen 80 tot en met 85 GWZ.
(67) Zie de artikelen 86 tot en met 86 ter GWZ.
(68) Zie artikel 115 GWZ.
(69) Zie voetnoot 29.
(70) Die bijzondere subsidies werden toegekend op basis van de Ordonnantie van 13 februari 2003 (Belgisch Staatsblad van 5 mei 2003, blz. 24098).
(71) Besluit van de Commissie betreffende steunmaatregel SA.19864 (ex NN 54/2009) (PB C 74, 24.3.2010, blz. 1).
(72) Ibid., overwegingen 140-145.
(73) Ibid., overwegingen 146-150.
(74) Ibid., overwegingen.
(75) Ibid., overwegingen 151-155.
(76) Ibid., overweging 156.
(77) Ibid., overwegingen 175-181.
(78) Ibid., overwegingen 182-193.
(79) Ibid., overwegingen 204-205.
(80) Ibid., overweging 206.
(81) Ibid., overweging 198.
(82) Ibid., overweging 199.
(83) Ibid., overweging 201.
(84) Zie voetnoot 14.
(85) Ibid., punt 70.
(86) Ibid., punt 313.
(87) Ibid., punten 97-188.
(88) Ibid., punten 119-120.
(89) Ibid., punt 104.
(90) Ibid., punten 123-151.
(91) Ibid., punten 152-159.
(92) Ibid., punten 174-188.
(93) Ibid., punt 159.
(94) Ibid., punten 189-244.
(95) Ibid., punt 194-202.
(96) Ibid., punt 196.
(97) Ibid., punt 194.
(98) Ibid., punten 203-207.
(99) Ibid., punten 208-211.
(100) Ibid., punt 215.
(101) Ibid., punten 216-218.
(102) Ibid., punten 231-244.
(103) Ibid., punt 238.
(104) Ibid., punten 239-244.
(105) Ibid., punten 245-301.
(106) Ibid., punten 253-255.
(107) Ibid., punten 257-258 en 265.
(108) Ibid., punten 259-264.
(109) Ibid., punten 266-278.
(110) Ibid., punten 279-288.
(111) Ibid., punt 286.
(112) Ibid., punt 288.
(113) Ibid., punt 290.
(114) Ibid., punt 300.
(115) Ibid., punt 308.
(116) Zie voetnoot 2.
(117) Zie in dit verband zaak T-137/10, punten 310 en 313.
(118) Of die activiteiten daadwerkelijk diensten van algemeen economisch belang vormen in de zin van artikel 106, lid 2, VWEU, en of de ziekenhuizen daarmee naar behoren zijn belast, zal hieronder worden beoordeeld (punt 7.3.4).
(119) Zie in dit verband zaak T-137/10, punt 308.
(120) Zie het vonnis van 25 januari 2013 in zaak RG 2010/15534/A, ASBL La Clinique Fond'Roy/[…] en de OCMW's van Ukkel en Anderlecht.
(121) In het Koninklijk Besluit van 12 december 1996 betreffende dringende medische hulp is bepaald dat de dringendheid met een medisch getuigschrift wordt aangetoond. De dringendheid is niet bij wet vastgelegd, maar wordt beoordeeld door de geraadpleegde gezondheidsverstrekker. Dringende medische hulp kan derhalve curatieve en preventieve zorg omvatten die hetzij in een ziekenhuis, hetzij ambulant wordt verstrekt, alsook het voorschrijven van geneesmiddelen. Dringende medische hulp is dus niet hetzelfde als spoedeisende zorg bij levensbedreigende spoedgevallen zoals beschreven in overweging 97.
(122) Zie voetnoot 49 voor een korte beschrijving van die organisatie.
(123) CM-informatie nr. 211 (februari 2004), blz. 8 tot en met 14.
(124) De „onderstandsdomicilie-overeenkomsten” zijn gesloten tussen de IRIS-ziekenhuizen en 17 van de 19 OCMW's in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest (zie ook de overwegingen 187 en 188). Die overeenkomsten voorzien in de regelingen voor de terugbetaling van de behandelingskosten door het OCMW voor patiënten die hun behandeling niet kunnen betalen en die niet door de sociale zekerheid zijn gedekt, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Zo is onder andere bepaald dat de IRIS-ziekenhuizen, voor zover mogelijk, de benodigde informatie moeten verzamelen voor de zogenoemde „sociale onderzoeken” (zie ook de overwegingen 210 en 211(210)).
(125) Artikel 2 GWZ luidt als volgt: „Met het oog op de toepassing van deze gecoördineerde wet worden als ziekenhuizen beschouwd „de instellingen voor gezondheidszorg waarin op ieder ogenblik geëigende medisch-specialistische onderzoeken en/of behandelingen in het domein van de geneeskunde, de heelkunde en eventueel de verloskunde in pluridisciplinair verband kunnen verstrekt worden, binnen het nodige en aangepaste medisch, medisch-technisch, verpleegkundig, paramedisch en logistiek kader, aan (patiënten) die er worden opgenomen en kunnen verblijven, omdat hun gezondheidstoestand dit geheel van zorgen vereist om op een zo kort mogelijke tijd de ziekte te bestrijden of te verlichten, de gezondheidstoestand te herstellen of te verbeteren of de letsels te stabiliseren.”.”
(126) Advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State over het voorontwerp van de ordonnantie van 13 februari 2003 houdende de toekenning van bijzondere subsidies aan de gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
(127) Zie overweging 19 voor de precieze formulering van dit artikel.
(128) De federale regering keurt het plan betreffende de ziekenhuisbedden („ziekenhuisprogrammatie”) goed per dienst (algemene geneeskunde, chirurgie, geriatrie, materniteit, pediatrie, revalidatie, psychiatrie, neonatologie enz.) in het licht van de totale bevolking voor het Brusselse, Vlaamse en Waalse Gewest, en voor het hele Koninkrijk op basis van een voorstel van de Nationale Raad voor Ziekenhuisvoorzieningen.
(129) De Belgische autoriteiten merken meer in het bijzonder op dat de GWZ hooguit voorziet in regelingen voor de compensatie van het tekort ingeval een openbaar ziekenhuis wordt overgedragen aan een particuliere eigenaar, terwijl bij de OCMW-wet slechts algemene beginselen voor de opening en het beheer van door OCMW's opgerichte inrichtingen zijn vastgelegd.
(130) De Belgische autoriteiten merken op dat het Hôpital Français, ondanks dat naar een koper werd gezocht, op 9 mei 2008 plots zijn deuren sloot. Zij verklaren dat dit ziekenhuis eerder al zijn afdelingen pediatrie en materniteit had gesloten. Volgens de Belgische autoriteiten zijn de patiënten van die afdelingen in de loop van de dag naar andere ziekenhuizen in het Brusselse Gewest overgebracht.
(131) Voor de toepassing van de GWZ worden de IRIS-ziekenhuizen geacht te worden beheerd door een OCMW.
(132) Het bedrag per jaar hangt af van de beschikbare middelen op de begroting van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en van de aanvragen van de betrokken gemeenten. In de periode 2003-2014 bedroeg de bijzondere subsidie in op twee na alle jaren 10 miljoen EUR (in 2010 was dit slechts 9 miljoen EUR en in 2011 9,5 miljoen EUR).
(133) In dit verband wijzen de Belgische autoriteiten erop dat particuliere ziekenhuizen, die bijvoorbeeld zijn opgericht op grond van de wet op de verenigingen zonder winstoogmerk (hierna „de vzw-wet” genoemd), na hun oprichting ook moeten voldoen aan de GWZ wat hun ziekenhuisfuncties betreft. Aangezien de vzw-wet echter geen specifieke opdrachten toewijst aan de instellingen waarop hij betrekking heeft, worden de opdrachten van die particuliere ziekenhuizen uitsluitend geregeld in de GWZ.
(134) Zie de Wet van 8 juli 1964, zoals gewijzigd, Belgisch Staatsblad van 25 juli 1964, blz. 8153.
(135) In tegenstelling tot de eerder genoemde dringende medische hulp (zie overweging 72), die ook geprogrammeerde zorg omvat, betreft dringende geneeskundige hulpverlening zorg die onmiddellijk nodig is voor levensbedreigende aandoeningen.
(136) Dit betekent dat zelfs wanneer een ziekenhuis niet is belast met bepaalde taken op het gebied van dringende geneeskundige hulpverlening, zoals vastgelegd in de Wet van 8 juli 1964, het niettemin verplicht is naar beste vermogen (d.w.z. rekening houdend met zijn infrastructuur en personeel) hulp te bieden in medische noodgevallen.
(137) Dringende medische hulp is geregeld bij artikel 57, lid 2, en het Koninklijk Besluit van 12 december 1996.
(138) In zijn vonnis van 25 januari 2013 merkt de Rechtbank van eerste aanleg van Brussel het volgende op: „L'économie générale du système est que soit le CPAS fournit lui-même l'aide médicale urgente en soignant une personne nécessitant des soins urgents dans un hôpital qu'il gère, soit il prend en charge le coût des soins prodigués à cette personne par un hôpital privé. Si l'aide est le plus souvent dispensée dans un établissement dépendant du CPAS concerné ou avec lequel il a conclu une convention, il peut arriver que l'hospitalisation se fasse dans un autre établissement, en raison de l'urgence résultant de la situation de la personne à hospitaliser. Il n'y a dans cette hypothèse ni consultation préalable du CPAS, ni même le plus souvent de la personne concernée, mais décision rapide et unilatérale des ambulanciers du service de secours appelé, voire, comme en l'espèce, du Procureur du Roi. Le caractère inhabituel ou exceptionnel de cette procédure expéditive n'autorise pas les CPAS à refuser la prise en charge des frais d'hospitalisation dans un autre établissement que le leur.”. (Eigen vertaling Commissie: De algemene opzet van de regeling bestaat erin dat het OCMW de dringende medische hulp hetzij zelf verstrekt door een persoon die dringende zorg nodig heeft, te behandelen in een ziekenhuis dat het zelf beheert, hetzij de kosten van de zorg betaalt die door een particulier ziekenhuis aan die persoon is verstrekt. Die hulp wordt het vaakst wordt geboden in een instelling die van het betrokken OCMW afhangt of waarmee dat OCMW een overeenkomst heeft gesloten, maar het kan gebeuren dat de ziekenhuisopname in een andere instelling gebeurt, omdat de persoon die in het ziekenhuis moet worden opgenomen in een spoedeisende situatie verkeert. In dat geval wordt het OCMW niet vooraf geraadpleegd en de betrokken persoon doorgaans evenmin; in plaats daarvan wordt een snelle eenzijdige beslissing genomen door de paramedici van de opgeroepen nooddienst, of, zoals in dit geval, door de openbare aanklager. Het ongebruikelijke of uitzonderlijke karakter van die versnelde procedure verleent de OCMW's niet het recht de betaling van de kosten van een opname in een ander ziekenhuis dan hun eigen ziekenhuis te weigeren) (vet toegevoegd).
(139) Arrest van het Gerecht van 7 november 2012, CBI/Commissie, T-137/10, ECLI:EU:T:2012:584, punten 208-215.
(140) Ibid., punt 217.
(141) Ibid., punt 218.
(142) De beoordeling in dit besluit verschilt daardoor van die in de nietig verklaarde beschikking van de Commissie van 2009, waarin de tussenkomsten van het BGHGT en de bijzondere subsidies tot op zekere hoogte apart werden beoordeeld van de compensatie van de tekorten.
(143) Gemiddeld tussen 68 % en 90 % van de respectieve tekorten van de IRIS-ziekenhuizen over de volledige periode 1996-2014 is door de gemeenten gecompenseerd met behulp van de middelen van het BGHGT of de bijzondere subsidie van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest. Voor de rest moesten de gemeenten hun eigen middelen aanspreken en, zoals hieronder zal worden uitgelegd (zie overweging 234), waren zij eind 2014 nog altijd aanvullende compensaties van tekorten verschuldigd (opnieuw uit hun eigen middelen) van ongeveer 15 miljoen EUR voor de vijf IRIS-ziekenhuizen samen.
(144) Wanneer voor die beoordeling berekeningen moeten worden gemaakt, baseert de Commissie zich op de beschikbare cijfers, d.w.z. de periode 1996 tot en met 2014 (zie overweging 236 voor de uitzonderingen).
(145) Arrest van het Hof van Justitie van 10 januari 2006,Cassa di Risparmio di Firenze, C-222/04, ECLI:EU:C:2006:8, punt 129.
(146) Arrest van het Hof van Justitie van 12 september 2000, Pavlov, C-180/98 tot en met C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, punt 74.
(147) Arrest van het Hof van Justitie van 23 april 1991, Höfner en Elser, C-41/90, ECLI:EU:C:1991:161, punt 21, en arrest van het Hof van Justitie van 12 september 2000, Pavlov, C-180/98 tot en met C-184/98, ECLI:EU:C:2000:428, punt 74.
(148) Arrest van het Hof van Justitie van 16 juni 1987, Commissie /Italië, C-118/85, ECLI:EU:C:1987:283, punt 7, en arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 1998, Commissie/Italië, C-35/96, ECLI:EU:C:1998:303, punt 36.
(149) Arrest van het Hof van Justitie van 24 oktober 2002, Aéroports de Paris/Commissie, C-82/01 P, ECLI:EU:C:2002:617, punt 74, en arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, EU:C:2008:376, punt 25. Zie ook de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 2), punt 9.
(150) Arrest van het Hof van Justitie van 1 juli 2008, MOTOE, C-49/07, ECLI:EU:C:2008:376, punt 27, en arrest van het Hof van Justitie van 16 november 1995, FFSA, C-244/94, ECLI:EU:C:1995:392, punt 21.
(151) Arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 2001,Smits en Peerbooms, C-157/99, EU:C:2001:404, punt 58, waarin het Hof van Justitie oordeelde dat de omstandigheid dat een medische behandeling in een ziekenhuis door de ziekenfondsen rechtstreeks op basis van overeenkomsten en vooraf vastgestelde tarieven wordt betaald, die behandeling niet onttrekt aan het gebied van de diensten in de zin van het VWEU, en dat betalingen door het ziekenfonds, „ook al gaat het om forfaitaire betalingen, wel degelijk de economische tegenprestatie voor de door het ziekenhuis verleende diensten [vormen] […] en […] zonder enige twijfel het karakter van een vergoeding [hebben] voor het ziekenhuis dat de betaling ontvangt en dat een activiteit van economische aard verricht”. Het Hof van Justitie voegde in dit verband daaraan toe dat het niet nodig is dat die tegenprestatie wordt betaald door degene die de dienst geniet.
(152) Arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 2001, Smits en Peerbooms, C-157/99, EU:C:2001:404, punt 53, arrest van het Hof van Justitie van 31 januari 1984, Graziana, C-286/82, ECLI:EU:C:1984:35, punt 16, arrest van het Hof van Justitie van 4 oktober 1991, Grogan, C-159/90, ECLI:EU:C:1991:378, punt 18, arrest van het Hof van Justitie van 12 juli 2001, Van Braekel e.a., C-368/98, ECLI:EU:C:2001:400, punt 43, en arrest van het Gerecht van 11 juli 2007, Asklepios Kliniken /Commissie, T-167/04, ECLI:EU:T:2007:215, punten 49-55.
(153) Zie de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 2), punt 24.
(154) Arrest van het Gerecht van 4 maart 2003, FENIN/Commissie, T-319/99, ECLI:EU:T:2003:50, punt 39. Zie ook arrest van het Gerecht van 7 november 2012, CBI/Commissie, T-137/10, ECLI:EU:T:2012:584, punten 90 en 91, en de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de staatssteunregels van de Europese Unie op voor het verrichten van diensten van algemeen economisch belang verleende compensatie (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 2), punt 22.
(155) Zie met name arrest van het Hof van Justitie van 22 mei 2003, Freskot, C-355/00, ECLI:EU:C:2003:298, punt 53. In die zaak verwees het Hof van Justitie naar de omstandigheid dat de diensten en bijdragen op basis van het betrokken verplicht verzekeringsstelsel in detail door de nationale wetgever waren vastgesteld.
(156) Arrest van het Hof van Justitie van 14 juli 1996, SFEI e.a., C-39/94, ECLI:EU:C:1996:285, punt 60, en arrest van het Hof van Justitie van 29 april 1999, Spanje/Commissie, C-342/96, ECLI:EU:C:1999:210, punt 41.
(157) Arrest van het Hof van Justitie van 2 juli 1974, Italië/Commissie, 173/73, ECLI:EU:C:1974:71, punt 13.
(158) Arrest van het Hof van Justitie van 24 juli 2003, Altmark Trans und Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, ECLI:EU:C:2003:415, punten 87-95.
(159) Arrest van het Gerecht van 12 februari 2008, BUPA e.a./Commissie, T-289/03, ECLI:EU:T:2008:29, punt 159. Het Hof oordeelde als volgt: „… de uitlegging die het Hof geeft aan een bepaling van gemeenschapsrecht, [gaat] niet verder […] dan het verklaren en preciseren van de betekenis en de strekking van die bepaling zoals deze sinds het tijdstip van haar inwerkingtreding had moeten worden verstaan en toegepast. Hieruit volgt dat de aldus uitgelegde bepaling ook kan en moet worden toegepast op rechtsbetrekkingen die zijn ontstaan en tot stand gekomen vóór het betrokken arrest en het Hof kan slechts bij uitzondering op grond van een aan de communautaire rechtsorde inherent algemeen beginsel van rechtszekerheid aanleiding vinden om beperkingen te stellen aan de mogelijkheid voor iedere belanghebbende, met een beroep op een door het Hof uitgelegde bepaling te goeder trouw tot stand gekomen rechtsbetrekkingen opnieuw aan de orde te stellen.”.
(160) Arrest van het Hof van Justitie van 15 maart 2005, Bidar, C-209/03, ECLI:EU:C:2005:169, punten 66 en 67, en arrest van het Hof van Justitie van 6 maart 2007, Meilicke, e.a., C-292/04, ECLI:EU:C:2007:132, punten 34 tot en met 36.
(161) Arrest van het Gerecht van 12 december 1996, Air France/Commissie, T-358/94, ECLI:EU:T:1996:194, punt 56.
(162) Arrest van het Hof van Justitie van 14 oktober 1987, Duitsland/Commissie, 248/84, ECLI:EU:C:1987:437, punt 17; arrest van het Gerecht van 6 maart 2002, Diputación Foral de Álava/Commissie, T-92/00, EU:T:2002:61 en arrest van het Gerecht van 6 maart 2002, Ramondín en Ramondín Cápsulas/Commissie, T-103/00, ECLI:EU:T:2002:61, punt 57.
(163) Arrest van het Hof van Justitie van 17 september 1980, Philip Morris, 730/79, ECLI:EU:C:1980:209, punt 11, en arrest van het Gerecht van 15 juni 2000, Alzetta e.a./Commissie, T-298/97, T-312/97, T-313/97, T-315/97, T-600/97 tot en met 607/97, T-1/98, T-3/98 tot en met T-6/98 en T-23/98, ECLI:EU:T:2000:151, punt 80.
(164) Arrest van het Gerecht van 15 juni 1999, Regione autonoma Friuli-Venezia Giulia/Commissie, T-288/97, ECLI:EU:T:1999:125, punt 41.
(165) Zie bijvoorbeeld arrest van het Hof van Justitie van 24 juli 2003, Altmark Trans und Regierungspräsidium Magdeburg, C-280/00, ECLI:EU:C:2003:415, punt 78, arrest van het Hof van Justitie van 8 mei 2013,Libert e.a., C-197/11 en C-203/11, ECLI:EU:C:2013:288, punt 78, en arrest van het Hof van Justitie van 14 januari 2015, Eventech, C-518/13, ECLI:EU:C:2015:9, punt 67.
(166) Zie bijvoorbeeld arrest van het Hof van Justitie van 8 september 2011, Commissie/Nederland, C-279/08 P, ECLI:EU:C:2011:551, punt 131.
(167) Zie arrest van het Gerecht van 6 juli 1995, AITEC/Commissie, T-447/93, T-448/93 en T-449/93, ECLI:EU:T:1995:130, punt 141.
(168) Zie bijvoorbeeld de besluiten of beschikkingen van de Commissie in de volgende staatssteunzaken: N 258/2000 — Duitsland — Recreatiezwembad Dorsten (PB C 172 van 16.6.2001, blz. 16); Besluit 2004/114/EG van de Commissie van 29 oktober 2003 betreffende de door Nederland ten uitvoer gelegde steunmaatregelen ten gunste van jachthavens zonder winstoogmerk in Nederland (PB L 34 van 6.2.2004, blz. 63); N 458/2004 — Spanje — Espacio Editorial Andaluza Holding (PB C 131 van 28.5.2005, blz. 12); SA.33243 — Portugal — Jornal de Madeira (PB C 131 van 28.5.2005, blz. 12); SA.34576 — Portugal — Unidade de cuidados continuados de média e longa duração Jean Piaget/Nordeste (PB C 73 van 13.3.2013, blz. 1); N 543/2001 — Ierland — Fiscale afschrijving voor ziekenhuizen (PB C 154 van 28.6.2002, blz. 4); SA.37432 — Tsjechië — Openbare ziekenhuizen in Hradec Králové (PB C 203 van 19.6.2015, blz. 1); SA.37904 — Duitsland — Medisch centrum in Durmersheim (PB C 188 van 5.6.2015, blz. 1); SA.33149 — Duitsland — Stedelijke projectvennootschap Wirtschaftsbüro Gaarden-Kiel (PB C 188 van 5.6.2015, blz. 1); SA.38035 — Duitsland — Revalidatiekliniek Landgrafen (PB C 188 van 5.6.2015, blz. 1); SA.39403 — Nederland — Investeringssteun voor de haven van Lauwersoog (PB C 259 van 7.8.2015, blz. 1); SA.37963 — Verenigd Koninkrijk — Glenmore Lodge (PB C 277 van 21.8.2015, blz. 1, en SA.38208 — Verenigd Koninkrijk — Golfclubs die eigendom zijn van de leden (PB C 277 van 21.8.2015, blz. 1).
(169) Zie N 543/2001 — Ierland — Fiscale afschrijving voor ziekenhuizen (PB C 154 van 28.6.2002, blz. 4); SA.37432 — Tsjechië — Openbare ziekenhuizen in Hradec Králové (PB C 203 van 19.6.2015, blz. 1), en SA.38035 — Duitsland — Revalidatiekliniek Landgrafen (PB C 188 van 5.6.2015, blz. 1).
(170) http://ec.europa.eu/eurostat/statistics-explained/index.php/Statistics_on_European_cities, informatie op 8 juli 2015.
(171) Mededeling van de Commissie: EU-kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (PB C 8 van 11.1.2012, blz. 15).
(172) Besluit 2012/21/EU van de Commissie van 20 december 2011 betreffende de toepassing van artikel 106, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst, verleend aan bepaalde met het beheer van diensten van algemeen economisch belang belaste ondernemingen (PB L 7 van 11.1.2012, blz. 3).
(173) Communautaire kaderregeling inzake staatssteun in de vorm van compensatie voor de openbare dienst (PB C 297 van 29.11.2005, blz. 4).
(174) Zie voetnoot 13.
(175) Overweging 8 van het DAEB-besluit van 2012.
(176) Arrest van het Hof van Justitie van 10 december 1991, Merci convenzionali porto di Genova, C-179/90, ECLI:EU:C:1991:464, punt 27; arrest van het Hof van Justitie van 17 juli 1997, GT-Link, C-242/95, ECLI:EU:C:1997:376, punt 53, en arrest van het Hof van Justitie van 18 juni 1998, Corsica Ferries France/Gruppo Antichi Ormeggiatori del porto di Genova e.a., C-266/96, ECLI:EU:C:1998:306, punt 45.
(177) Arrest van het Gerecht van 12 februari 2008, BUPA e.a./Commissie, T-289/03, ECLI:EU:T:2008:29, punten 166-169 en 172, en arrest van het Gerecht van 15 juni 2005, Olsen /Commissie, T-17/02, ECLI:EU:T:2005:218, punt 216.
(178) Artikel 4 van het DAEB-besluit van 2012.
(179) Artikel 4, onder a), van het DAEB-besluit van 2012.
(180) Artikel 4, onder b), van het DAEB-besluit van 2012.
(181) Artikel 4, onder c), van het DAEB-besluit van 2012.
(182) Artikel 4, onder d), van het DAEB-besluit van 2012.
(183) Artikel 4, onder e), van het DAEB-besluit van 2012.
(184) Artikel 4, onder f), van het DAEB-besluit van 2012.
(185) Zaak T-137/10, punt 95.
(186) Arrest van het Hof van Justitie van 15 april 2008, Nuova Agricast, C-390/06, ECLI:EU:C:2008:224.
(187) Zie overweging 25 en meer bepaald de vermelding in het samenwerkingsakkoord van 19 mei 1994 van de noodzaak „waarborgen [te] bieden voor het behoud van […] de specifieke kenmerken van de openbare ziekenhuizen ” (vet toegevoegd). Zie ook het strategisch plan 1996-2001 van IRIS, met name de vermelding in het deel „Structurerende krachtlijnen” (blz. 3): „om de geneeskunde te blijven beoefenen met absolute uitsluiting van commerciële overwegingen ”, en in het deel „Contributieve doelstellingen” (blz. 54): „De openbare ziekenhuizen [d.w.z. de IRIS-ziekenhuizen] hebben als taak een sociale geneeskunde te verstrekken. Dit houdt in dat ze moeten voldoen aan sociale basisvoorwaarden ” (vet toegevoegd).
(188) Zie punt 87 van het inleidingsbesluit.
(189) Voor nadere informatie over de toewijzingsbesluiten voor die drie verplichtingen, zie overwegingen 170 e.v.
(190) Zoals hierboven uitgelegd (zie overwegingen 83 en 91), kunnen overeenkomstig de rechtspraak van de Belgische Raad van State de overheidsinstanties de IRIS-ziekenhuizen niet sluiten noch aan een particuliere eigenaar overdragen, zolang de medische en sociale behoeften waarvoor de IRIS-ziekenhuizen werden opgericht, bestaan.
(191) De kosten van de openbare status van de IRIS-ziekenhuizen worden weerspiegeld in de kosten van de basisziekenhuisopdracht en de aanvullende DAEB-verplichtingen en kunnen dus bijdragen aan de tekorten van die activiteiten.
(192) Zie met name artikel 28 van de code van geneeskundige plichtenleer, voorbereid door de Nationale Raad van de Orde der artsen (versie van 27 juli 2015).
(193) Zie voetnoot 120.
(194) Uit de door de Belgische autoriteiten verstrekte cijfers blijkt dat in meer dan 85 % van de gevallen in het Brussels Hoofdstedelijk Gewest dringende medische hulp door de IRIS-ziekenhuizen wordt verleend. Dit cijfer moet worden afgezet tegen de omstandigheid dat de IRIS-ziekenhuizen slechts ongeveer 35 % van het aantal ziekenhuisbedden in het Gewest exploiteren (zie ook voetnoot 3). De overige gevallen worden door andere zorgverleners behandeld, waaronder huisartsen en particuliere ziekenhuizen. Dit kan onder meer gaan om psychiatrische zorg zoals in de in overweging 172 beschreven zaak, omdat dit soort zorg niet door de IRIS-ziekenhuizen wordt verleend.
(195) Een soortgelijke rechtvaardiging zou kunnen worden aangevoerd tegen bv. een postexploitant die de universele postdienst verricht. Die exploitant is belast met een DAEB maar kan niet worden verplicht gratis brieven te vervoeren als de klant niet kan of niet zal betalen voor die dienst.
(196) Zie de studie van 2008 van Verbruikersateljee met de titel „Is uw portemonnee ook ziek? — Een onderzoek naar medische kosten en schulden”.
(197) Ibid.
(198) Vergadering van de Belgische Senaat van 16 juli 2013, wetsvoorstel om de gezondheidszorg toegankelijker te maken, ingediend door mevrouw Leona Detiège e.a. Het voorstel verviel door de federale verkiezingen van 2014.
(199) In de praktijk zijn de ziekenhuizen verantwoordelijk voor de opname van patiënten (zowel voor consultaties als voor ziekenhuisopnamen), voor de facturering en voor de follow-up in geval van niet-betaling. De meerderheid van de artsen in het UMC Sint-Pieter, het UMC Brugmann, het UKZKF en het Jules Bordet Instituut ontvangt een salaris, terwijl de overige artsen worden betaald op basis van de facturen voor de door hen verleende behandelingen, ongeacht of de patiënt betaalt. Geen van de artsen in die ziekenhuizen heeft dan ook een reden om patiënten die niet kunnen betalen te weigeren. De artsen die voor de IZZ werken, moeten dezelfde algemene regels van het ziekenhuis volgen tijdens ten minste 80 % van hun tijd, terwijl zij ervoor kunnen kiezen om een private praktijk te hebben voor ten hoogste 20 % van de tijd. Tijdens de 80 % moeten de artsen de Riziv-tarieven toepassen en werken volgens het beginsel dat alle patiënten moeten worden behandeld overeenkomstig de verplichting van de IRIS-ziekenhuizen. Op die manier garanderen de IZZ dat alle patiënten worden behandeld, ongeacht of die kunnen betalen.
(200) Artikel 57 § 2 OCMW-wet beperkt de taak van het OCMW in twee specifieke omstandigheden: voor vreemdelingen die illegaal in België verblijven (d.w.z. migranten zonder papieren) en voor kinderen van dergelijke vreemdelingen.
(201) Vet toegevoegd.
(202) Deel „Algemene doelstellingen strategisch plan” (blz. 2) (vet toegevoegd).
(203) Ibid. (vet toegevoegd).
(204) Deel „Contributieve doelstellingen” (blz. 52) (vet toegevoegd).
(205) Ibid. (blz. 54) (vet toegevoegd).
(206) Deel „Structurerende krachtlijnen” (blz. 3) (vet toegevoegd).
(207) Zie daaromtrent deel „Contributieve doelstellingen” (blz. 74): „onze toegankelijkheid voor alle lagen van de bevolking vergroten, en vooral dan voor de minder begoeden ” (vet toegevoegd).
(208) Zie deel „Inleiding” (blz. 7).
(209) Ibid. (blz. 10).
(210) Zie deel „Het ziekenhuisproject — Een ziekenhuis gericht op de patiënt” (blz. 79).
(211) Zie het deel „De specifieke opdrachten van een openbaar ziekenhuis” (blz. 85) (vet toegevoegd).
(212) Zie het deel „Inleiding” (blz. 12), waarin wordt opgemerkt dat de IRIS-ziekenhuizen in verhouding minder patiënten behandelen aan wie het ziekenhuis supplementen in rekening kan brengen (die voor ziekenhuizen een extra bron van inkomsten zijn).
(213) Zie het deel „Inleiding” (blz. 13), waarin wordt verwezen naar een raming (van 2001) van de aanvullende kosten van het aanvaarden van patiënten met een zwak(ker) sociaaleconomisch profiel. Die kosten zouden ongeveer 10,4 miljoen EUR per jaar bedragen en in stijgende lijn gaan.
(214) De uitzondering is het Jules Bordet Instituut, waar het percentage hoger is dan het gemiddelde, wat kan worden verklaard door de ernst van de pathologie (namelijk kanker) die in dit ziekenhuis wordt behandeld.
(215) Dit zijn de particuliere organisaties die binnen het Belgische socialezekerheidsstelsel verantwoordelijk zijn voor de vergoeding van medische kosten (met name de wettelijke verzekering voor ziektekosten en invaliditeit).
(216) Op basis van die ranglijst wordt de financiering op basis van onderdeel B8 van het budget van financiële middelen toegekend (zie ook overweging 189).
(217) De Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie kan dan de OCMW's terugbetalen, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan (zie ook voetnoot 257 voor de toepasselijke rechtsgrondslag).
(218) In de ranglijst wordt ook rekening gehouden met het aandeel patiënten dat door de sociale zekerheid is gedekt zijn die een lagere eigen bijdrage aan het ziekenhuis moeten betalen omdat die patiënten in aanmerking komen voor de zogenaamde 1) sociale maximumfactuur of 2) de maximumfactuur voor alleenstaande patiënten met een laag inkomen.
(219) In de publicatie van de Christelijke Mutualiteit worden sociale patiënten omschreven als patiënten die de „sociale franchise” genieten (d.w.z. gepensioneerden die een gewaarborgd inkomen genieten, degenen die in aanmerking komen voor een verhoogde tegemoetkoming of invaliditeitsuitkering, een integratietegemoetkoming, verhoogde kinderbijslag, en de langdurig werklozen). Volgens de Belgische autoriteiten is het begrip „sociale franchise” al in 1993 afgeschaft en in de Belgische wetgeving vervangen door de zogenaamde sociale maximumfactuur.
(220) Dit wordt bevestigd door het feit dat de tabellen in die publicatie zijn gebaseerd op gegevens van de „verzekeringsinstellingen”, wat verwijst naar de organisaties, zoals de ziekenfondsen, die verantwoordelijk zijn voor de terugbetaling van medische kosten in het kader van de Belgische sociale zekerheid die door het Riziv wordt beheerd.
(221) In de publicatie van de Christelijke Mutualiteit worden deze patiënten omschreven als patiënten die geregistreerd zijn bij het OCMW.
(222) In dit verband moet erop worden gewezen dat het de IRIS-ziekenhuizen zijn die de input voor het sociale onderzoek leveren, maar dat het OCMW beslist of een persoon al dan niet in aanmerking komt voor terugbetaling van de behandelingskosten. De overeenkomst inzake het onderstandsdomicilie specificeert in dit verband dat de IRIS-ziekenhuizen in de mate van het mogelijke de eerste bouwstenen voor het sociale onderzoek verzamelen en aan het OCMW overmaken.
(223) Omdat het verzamelen van informatie voor de sociale onderzoeken slechts een van de taken van de sociale diensten van de IRIS-ziekenhuizen is, maken die kosten deel uit van de totale last van de vergaande socialedienstverplichting van de IRIS-ziekenhuizen, die hieronder nader zal worden besproken (zie overweging 213).
(224) De Commissie merkt op dat het door de IRIS-ziekenhuizen gehanteerde rentepercentage overeenstemt met de markttarieven op dat ogenblik (d.w.z. begin 2011). Momenteel (in 2016) zijn de rentepercentages veel lager waardoor de kosten voor de IRIS-ziekenhuizen lager uitvallen. Niettemin is de langere betalingstermijn hoe dan ook een last voor de IRIS-ziekenhuizen, daar zij nog altijd een liquiditeitstekort moeten overbruggen tussen de uitgaande en de inkomende betalingen.
(225) De terugbetaling door het OCMW is geen automatisme voor arme patiënten, maar het resultaat van een beoordeling per geval door elk OCMW op basis van het sociaal onderzoek (voor dringende zorg). In dit verband merken de Belgische autoriteiten op dat in de eerste drie kwartalen van 2015 749 verzoeken van de IRIS-ziekenhuizen om terugbetaling door de OCMW's zijn geweigerd, wat neerkomt op een onbetaald bedrag van ongeveer 3 miljoen EUR. In 2012 weigerden de OCMW's de door de IRIS-ziekenhuizen gevraagde terugbetaling van facturen voor een totaal bedrag van 4 174 200 EUR. Ongeveer 80 % van die facturen had betrekking op zorg voor migranten zonder papieren.
(226) Meer specifiek blijkt uit een door Belfius Bank gepubliceerd verslag dat in België de nettokosten van afgeschreven kortermijnschulden (met name facturen die niet zullen worden betaald) in 2010 goed zijn voor gemiddeld 0,28 % van de inkomsten van particuliere ziekenhuizen en 0,40 % van de inkomsten van openbare ziekenhuizen. Ter vergelijking: bij de IRIS-ziekenhuizen maken die kosten 1,22 % van hun inkomsten uit of driemaal meer dan het gemiddelde voor openbare ziekenhuizen.
(227) Bijvoorbeeld: het particuliere ziekenhuis Europa Ziekenhuizen heeft een site in Ukkel en een site in Etterbeek, terwijl het particuliere Universitair Ziekenhuis Sint-Luc slechts één site heeft in Sint-Lambrechts-Woluwe.
(228) Een dergelijke keuze kan uiteraard kosten met zich meebrengen, die door efficiëntiewinst moeten worden gecompenseerd of die kunnen worden gerechtvaardigd door andere overwegingen die het management van de particuliere ziekenhuizen relevant achten.
(229) Het programmatiemechanisme bepaalt niet alleen het totale aantal ziekenhuisbedden per gewest, maar stelt ook limieten vast per soort dienst (bv. materniteit, geriatrie, pediatrie, psychiatrie enz.).
(230) Zo bieden niet alle particuliere ziekenhuizen de minder winstgevende geriatrische diensten aan.
(231) Deel „Structurerende krachtlijnen” (blz. 6) (vet toegevoegd).
(232) In het strategisch plan wordt melding gemaakt van negen sites in plaats van elf (het huidige aantal sites), omdat er twee ziekenhuiscampussen zijn die elk twee ziekenhuizen huisvesten: op de Victor Horta-site in Laken zijn dat het UKZKF en het UVC Brugmann en op de Hallepoort-site in Stad Brussel het Jules Bordet Instituut en het UMCSP.
(233) Zie deel „Structurerende krachtlijnen” (blz. 10). (vet toegevoegd).
(234) Zie het deel „Context en omgeving” (blz. 21): „[…]de openbare ziekenhuizen [de IRIS-ziekenhuizen] met hun basisactiviteit voor 80 %, zijn typische buurtziekenhuizen die een groot deel van de patiënten uit hun gastgemeente of uit de naburige wijken betrekken.”.
(235) Zie het deel „Contributieve doelstellingen” (blz. 74) (vet toegevoegd).
(236) Zie het deel „Het ziekenhuisproject”(blz. 36) (vet toegevoegd).
(237) Opgemerkt zij dat die twee gespecialiseerde ziekenhuizen elk een campus delen met een ander IRIS-ziekenhuis (zie voetnoot 232), wat garandeert dat alle basiszorgdiensten worden aangeboden op de respectieve sites (voetnoot toegevoegd).
(238) Zie het deel „Het ziekenhuisproject”(blz. 53) (vet toegevoegd).
(239) Op die manier vullen het Jules Bordet Instituut en het UKZKF, die voornamelijk gespecialiseerde zorg aanbieden, de andere drie IRIS-ziekenhuizen aan om aan de gezondheidsbehoeften van de plaatselijke bevolking te voldoen.
(240) Zie het deel „Het ziekenhuisproject” (blz. 53-54).
(241) Zie het deel „Het ziekenhuisproject”(blz. 62).
(242) Zie het deel „Het ziekenhuisproject” voor een beschrijving van deze niveaus (blz. 37) en de tabellen (blz. 55-59).
(243) In artikel 2 van het samenwerkingsakkoord tussen de Federale Staat, het Brussels Hoofdstedelijk Gewest en de Gemeenschappelijke Gemeenschapscommissie is dienaangaande het volgende verklaard: „Dit herstructureringspact moet aan de volgende voorwaarden voldoen: 1. waarborgen bieden voor het behoud van, enerzijds, de specifieke kenmerken van de openbare ziekenhuizen, onder meer door een rechtsvorm en coördinatiestructuur te kiezen waardoor een overwicht van de openbare sector in de beheersorganen en de beslissingsprocedures verzekerd blijft en van, anderzijds, de plaatselijke verankering door de opname van meer rechtstreeks verkozenen in de beheersorganen ” (vet toegevoegd).
(244) Volgens artikel 125 van de OCMW-wet moeten de overheidsinstanties ten minste de helft van de stemmen hebben in de verschillende bestuurs- en beheersorganen van de ziekenhuizen en in de IRIS-koepelvereniging.
(245) Vet toegevoegd.
(246) In 2012 was de mediaan van de gemiddelde inkomens in de 19 gemeenten van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest 13 746 EUR per inwoner. De overblijvende site van de IRIS-ziekenhuizen ligt in Elsene, waar het gemiddelde inkomen 14 513 EUR bedraagt, wat tussen de mediaan en het derde kwartiel (d.w.z. het 75e percentiel) van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest ligt. Bron: Brussels Informatie-, Documentatie- en Onderzoekscentrum (http://www.briobrussel.be/ned/webpage.asp?WebpageId=345).
(247) Drie van die vijf sites van de particuliere ziekenhuizen liggen in gemeenten waar het gemiddelde inkomen per inwoner hoger is dan het derde kwartiel (d.w.z. het 75e percentiel) van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest.
(248) De originele kaart werd gepubliceerd in „Gezondheidsindicatoren van het Brussels Gewest 2010” en geeft de situatie op 1 juli 2009 weer. De Commissie heeft de cirkels toegevoegd en één algemeen ziekenhuis uit de kaart weggehaald (Clinique des Deux Alice, dat in Ukkel was gevestigd), omdat het eind 2011 werd gesloten (zijn activiteiten werden overgebracht naar de site Sint-Elisabeth van de particuliere Europa Ziekenhuizen). Een van de sites van de IZZ (namelijk Baron Lambert in Etterbeek) is niet op de kaart opgenomen, omdat daar alleen ambulante zorg wordt verleend en er dus geen ziekenhuisbedden zijn die onder het programmatiemechanisme vallen.
(249) Zo is in bijlage 19 van het Koninklijk Besluit van 23 oktober 1964 (Belgisch Staatsblad van 7 november 1964, blz. 11709) gespecificeerd dat voor neuropsychiatrische diensten die volwassen patiënten behandelen, er ten minste één sociaal assistent per 120 patiënten moet zijn.
(250) Koninklijk Besluit van 15 december 1978 tot bepaling van bijzondere normen voor universitaire ziekenhuizen, Belgisch Staatsblad van 4 juli 1979, blz. 7818
(251) Zie het deel „Structurerende krachtlijnen” (blz. 6) (vet toegevoegd).
(252) Zie het deel „Contributieve doelstellingen” (blz. 54-55) (vet toegevoegd).
(253) Zie het strategisch plan 1996-2001, deel „Structurerende krachtlijnen” (blz. 10) (vet toegevoegd).
(254) Zie het deel „De specifieke opdrachten van het openbaar ziekenhuis” (blz. 82) (vet toegevoegd).
(255) MKG staat voor „minimale klinische gegevens” en is een gestandaardiseerde en beknopte samenvatting van het medisch dossier van de patiënt die algemene ziekenhuizen sinds 1990 moeten registreren. Die gegevens worden onder meer gebruikt om de behoeften aan ziekenhuisuitrusting te bepalen, kwalitatieve en kwantitatieve normen voor de accreditatie van ziekenhuizen en hun diensten te omschrijven en de ziekenhuisfinanciering te organiseren. De „V-codes” hebben betrekking op factoren die de gezondheidstoestand van de patiënt en het contact met gezondheidsdiensten beïnvloeden. Die codes kunnen worden gebruikt om melding te maken van de sociaaleconomische, juridische en familiale problemen die van invloed kunnen zijn op het verblijf van de patiënt.
(256) Zie het deel „De specifieke opdrachten van het openbaar ziekenhuis” (blz. 83) (vet toegevoegd).
(257) Zo verzamelden de sociale assistenten in de IRIS-ziekenhuizen in 2012 informatie voor 25 749 sociale onderzoeken. Die betroffen ongeveer 5,4 % van de gehospitaliseerde patiënten in dat jaar.
(258) Die verplichting vloeit voort uit artikel 60 § 1 OCMW-wet, artikel 9 bis van de Wet van 2 april 1965 (voor de mogelijke terugbetaling door de Programmatorische Overheidsdienst Maatschappelijke Integratie aan het OCMW, mits aan bepaalde voorwaarden is voldaan) en de Omzendbrief van 25 maart 2010 betreffende het sociaal onderzoek (Belgisch Staatsblad van 6 mei 2010, blz. 25432 ).
(259) Dit cijfer staat voor het aantal voltijdequivalenten (of vte's).
(260) Het budget van financiële middelen voorziet weliswaar in financiering voor sociale assistenten (d.w.z. op die gebieden, zoals geriatrie, waarvoor een minimumvereiste geldt), maar in 2010 bedroeg die slechts ongeveer 400 000 EUR.
(261) In een koninklijk besluit (momenteel het Koninklijk Besluit van 8 maart 2006) wordt de methode vastgesteld om het tekort te berekenen dat de gemeenten op grond van artikel 109 GWZ verplicht zijn te dekken.
(262) De vereniging die de artsen van het respectieve ziekenhuis vertegenwoordigt en, in voorkomend geval, de Université Libre de Bruxelles en/of de Vrije Universiteit Brussel, hebben altijd minder dan 20 % van de stemmen in de plaatselijke verenigingen van de IRIS-ziekenhuizen. Evenzo zijn de gemeente Jette en het OCMW van Jette sinds 2000 leden van de vereniging UVC Brugmann, maar omdat zij minder dan 20 % van de stemmen in die vereniging hebben, dragen zij niet bij tot de compensatie van het tekort. Ten slotte hebben de gemeente Schaarbeek en het OCMW van Schaarbeek sinds boekjaar 2014 ook minder dan 20 % van de stemmen in de vereniging UVC Brugmann, zodat zij niet langer bijdragen aan het tekort van dat ziekenhuis. Dit betekent dat vanaf 2014 alleen de Stad Brussel en het OCMW van Brussel verplicht zijn het tekort van het UVC Brugmann te dekken.
(263) Alle kosten die voor het verrichten van de DAEB's en ondersteunende activiteiten worden gemaakt, zijn kosten van de openbare dienst, met inbegrip van de kosten voor de ondersteunende activiteiten.
(264) Belgisch Staatsblad van 30 april 2014, blz. 35442. Van toepassing vanaf 10 mei 2014.
(265) Artikel 5 van het DAEB-besluit van 2012.
(266) Artikel 5, leden 2 tot en met 9, van het DAEB-besluit van 2012.
(267) In de periode 2007-2011 werd gemiddeld […] % van de kosten van de IRIS-ziekenhuizen met deze financiering gedekt.
(268) Belgisch Staatsblad van 29 juni 2007, blz. 35929. Van toepassing vanaf 9 juli 2007. Dit Koninklijk Besluit verving het Koninklijk Besluit van 14 december 1987 inzake de jaarrekeningen van ziekenhuizen, waarin sterk gelijkende vereisten waren vastgelegd.
(269) Hierbij moet worden opgemerkt dat sommige boekhoudkundige stromen die met de ziekenhuisactiviteiten verband houden, ook in de kostenplaatsen 900 tot 999 moeten worden opgenomen. Het betreft bepaalde stromen waarmee geen rekening wordt gehouden bij de vastlegging van de financiering uit het budget van financiële middelen (waarbij de logica van de kasboekhouding wordt gevolgd, en niet de boekhouding op transactiebasis die van toepassing is voor de boekhouding van ziekenhuizen).
(270) In theorie kunnen de IRIS-ziekenhuizen de gemeenten vragen de compensatie van het tekort te betalen zodra het resultaat van het boekjaar is bepaald. In de praktijk hebben de IRIS-ziekenhuizen dat niet gedaan omdat zij door de gemeenten worden beheerd en die geen of niet altijd middelen beschikbaar hadden om onmiddellijk te betalen.
(271) De gewestelijke financiering die aan de gemeenten werd toegekend, volstond in feite niet om de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen in de periode 1996-2014 volledig te dekken (zie ook voetnoot 143).
(272) Tabel 3 illustreert bijvoorbeeld dat het UMC Sint-Pieter in elk jaar sinds 1996 tekorten had, maar dat de eerste betaling ter compensatie van het tekort (van 3 368 351 EUR) door de gemeente pas in 2002 plaatsvond. Wat niet aan de hand van de tabel kan worden geconcludeerd, is welk van de jaarlijkse tekorten sinds 1996 door middel van de betaling in 2002 werd gecompenseerd. Uit de gedetailleerde informatie die door de Belgische autoriteiten aan de Commissie werd verstrekt, blijkt echter dat die betaling in feite werd gedaan om een deel van het tekort van het jaar 1996 te dekken.
(273) Zie overweging 236 voor de verklaring waarom de cijfers voor de jaren 1996, 1997 en 1998 ontbreken.
(274) Zie overweging 236 voor de verklaring waarom de cijfers voor de jaren 1996, 1997 en 1998 ontbreken.
(275) Dit zijn de bedragen die daadwerkelijk werden betaald en terugbetaald nadat eventuele betalingen ter compensatie van de tekorten die de gemeente al had uitgevoerd, in aanmerking waren genomen.
(276) 2014 is het meest recente boekjaar waarvan gegevens beschikbaar zijn.
(277) Zie artikel 5 van Richtlijn 80/723/EEG van de Commissie van 25 juni 1980 betreffende de doorzichtigheid in de financiële betrekkingen tussen lidstaten en openbare bedrijven (PB L 195 van 29.7.1980, blz. 35).
(278) Zie in dit verband artikel 7 van de DAEB-beschikking van 2005 en artikel 8 van het DAEB-besluit van 2012.
(279) In slechts vier van de 89 onderzochte jaren voor de vijf IRIS-ziekenhuizen bedroeg de technische overcompensatie voor dat jaar apart meer dan 10 % van het bedrag van de jaarcompensatie.
(280) Bovendien mag niet worden vergeten dat de bedragen van de compensatie van de tekorten maar een klein deel vormen van de totale overheidsfinanciering die de IRIS-ziekenhuizen hebben ontvangen voor de DAEB's die zij verrichten. In de periode 2007-2011 bedroegen de jaarlijkse betalingen uit het budget van financiële middelen door de federale overheid gemiddeld ongeveer 323 miljoen EUR voor alle IRIS-ziekenhuizen samen. In diezelfde periode boekten de IRIS-ziekenhuizen samen een boekhoudkundig tekort van gemiddeld 13,4 miljoen EUR per jaar, terwijl de gemeenten gemiddeld 16,4 miljoen EUR per jaar betaalden ter compensatie van de tekorten (waarmee ook tekorten van voorgaande jaren werden gedekt). De compensaties van de tekorten bedroegen dus maar ongeveer 5 % van de federale financiering uit het budget van financiële middelen die aan de IRIS-ziekenhuizen werd verstrekt. Als deze aanzienlijke bedragen overheidsfinanciering uit het budget van financiële middelen in aanmerking zouden worden genomen bij de berekening of de overcompensatie meer dan 10 % van de voor een bepaald jaar betaalde compensatie bedroeg (en of deze dus naar het volgende jaar mocht worden overgedragen, zoals is toegestaan in artikel 6, lid 2, van het DAEB-besluit van 2012), zou het percentage van overcompensatie dus wellicht beduidend lager zijn. Die conclusie is gebaseerd op de relatieve omvang van de betalingen uit het budget van financiële middelen ten opzichte van de tekorten en op het feit dat het risico van overcompensatie uit het budget van financiële middelen minimaal is. Het budget van financiële middelen is namelijk veeleer opgevat als forfaitaire financiering op basis van werkelijke ziekenhuiskosten uit vorige jaren (zonder overcompensatie). Voorts verricht de Federale Overheidsdienst Volksgezondheid gedetailleerde controles achteraf van de werkelijke kosten die elk ziekenhuis heeft gemaakt, en herberekent het het bedrag uit het budget van financiële middelen waarop zij recht hebben. Ten slotte zij opgemerkt dat er bij de vergelijking van de door de gemeenten betaalde compensatie en het boekhoudkundig tekort van de IRIS-ziekenhuizen geen rekening is gehouden met een redelijke winst.
(281) Het desbetreffende deel van artikel 6, lid 2, van het DAEB-besluit van 2012 luidt als volgt: „Wanneer het bedrag van de overcompensatie niet meer dan 10 % van het bedrag van de gemiddelde jaarcompensatie bedraagt, mag deze overcompensatie naar de volgende periode worden overgedragen en op het voor die periode te betalen compensatiebedrag in mindering worden gebracht.”. Omdat er geen sprake was van daadwerkelijke overcompensatie (met name omdat er voor het ziekenhuis geaggregeerd gezien op elk ogenblik in de periode 1996-2014 sprake was van ondercompensatie), moest een dergelijke overdracht in de praktijk nooit worden uitgevoerd. Die opmerking geldt voor alle IRIS-ziekenhuizen (zie ook overwegingen 240-243).
(282) Als het UMC Sint-Pieter in de toekomst toch winst zou maken, zou die winst normaal gezien worden ingehouden en gebruikt om de verliezen uit het verleden te compenseren. In dat geval zouden de gemeenten niet of slechts gedeeltelijk het resterend boekhoudkundig tekort moeten compenseren. Dit is echter een hypothetisch scenario omdat het UMC Sint-Pieter in de periode 1996-2014 slechts één jaar (namelijk in 2006) een beperkte winst heeft geboekt.
(283) Zoals uitgelegd in overweging 104 zijn het BGHGT en de bijzondere subsidies van het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de gemeenten financieringsmaatregelen binnen de staat die een financieringsbron zijn voor het mechanisme van gemeentelijke compensatie van de tekorten. Die bedragen worden in een aparte kolom weergegeven om aan te tonen dat de gemeenten die gewestelijke middelen volledig gebruiken voor de betalingen ter compensatie van de tekorten. Die weergave kan niet worden geïnterpreteerd als een aanwijzing dat bedragen van het BGHGT of het Brussels Hoofdstedelijk Gewest aan de IRIS-ziekenhuizen zijn overgedragen. Het ging om overdrachten aan de gemeenten, die de middelen op hun beurt gebruikten ter nakoming van hun verplichting om de tekorten van de IRIS-ziekenhuizen te financieren.
(*1) Inclusief de ingehouden winsten van 703 624 EUR uit de periode 1996-1998.
(284) Zie in dit verband artikel 6 van de DAEB-beschikking van 2005 en artikel 6, lid 2, van het DAEB-besluit van 2012.
(285) Artikel 6, lid 1, van het DAEB-besluit van 2012.
(286) Artikel 6, lid 2, van het DAEB-besluit van 2012.
(287) Belgisch Staatsblad van 6 december 1983, blz. 15009.
(288) Belgisch Staatsblad van 23 maart 2006, blz. 16710.
(289) Belgisch Staatsblad van 25 juni 2003, blz. 33692.
(290) Die afschrijvingsperiode is vastgelegd bij het Koninklijk Besluit van 19 juni 2007 dat op alle Belgische ziekenhuizen van toepassing is (zie ook overweging 226).
(291) Zie voetnoot 264.
(292) Zoals uitgelegd in overweging 166 is de Commissie van mening dat de drie aanvullende verplichtingen niet zouden zijn toegewezen zonder de basisziekenhuisopdracht. In dat verband vindt de Commissie het passend om de duur van de toewijzing van de basisziekenhuisopdracht te onderzoeken.
(293) D.w.z. de Gecoördineerde Ziekenhuiswet van 10 juli 2008 (Belgisch Staatsblad van 7 november 2008, blz. 58624).