|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 338 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
59e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
13.12.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 338/1 |
VERORDENING (EU) 2016/2134 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 23 november 2016
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad (2) is in 2005 vastgesteld en op 30 juli 2006 in werking getreden. In reactie op de oproep van het Europees Parlement in 2010 (3) en ten gevolge van aanwijzingen dat vanuit de Europese Unie uitgevoerde geneesmiddelen waren gebruikt voor de voltrekking van de doodstraf in een derde land, zijn de lijsten in de bijlagen II en III bij deze verordening van goederen waarin de handel is verboden of wordt gecontroleerd, gewijzigd door middel van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1352/2011 van de Commissie (4). De Commissie, bijgestaan door een groep van deskundigen, heeft de noodzaak voor verdere wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 en de bijhorende bijlagen onderzocht. In juli 2014 zijn de bijlagen II en III dienovereenkomstig bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 775/2014 van de Commissie gewijzigd (5). |
|
(2) |
Het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie (het „Handvest”) werd wettelijk bindend bij de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon op 1 december 2009. De in Verordening (EG) nr. 1236/2005 opgenomen definitie van foltering is ontleend aan het Verdrag tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing uit 1984, en blijft van toepassing. De definitie van „andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing”, die niet in dat Verdrag is te vinden, moet worden gewijzigd om deze in overeenstemming te brengen met de rechtspraak van het Europees Hof voor de rechten van de mens. Ook is het zinvol om de betekenis van de term „wettige straf” in de definities van „foltering” en „andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing” te verduidelijken, rekening houdend met het Uniebeleid op het vlak van de doodstraf. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 1236/2005 heeft voorzien in een regeling voor uitvoervergunningen die is bedoeld om te voorkomen dat de in bijlage III bij die verordening vermelde goederen worden gebruikt voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen. |
|
(4) |
Deze regeling voor uitvoervergunningen moet evenredig blijven. Zij mag daarom geen belemmering vormen voor de uitvoer van voor rechtmatige medische doeleinden te gebruiken geneesmiddelen. |
|
(5) |
Gelet op de verschillen tussen de doodstraf enerzijds en foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen anderzijds, is het passend om te voorzien in een specifieke regeling voor uitvoervergunningen om het gebruik van bepaalde goederen voor de doodstraf te voorkomen. Een dergelijke regeling dient rekening te houden met het feit dat een aantal landen voor alle misdaden de doodstraf heeft afgeschaft en daar een internationale verbintenis voor zijn aangegaan. Omdat er een risico bestaat op wederuitvoer naar landen die dit niet hebben gedaan, moeten bepaalde voorwaarden en eisen worden opgelegd voor het toestaan van uitvoer naar landen die de doodstraf hebben afgeschaft. Om die reden is het gepast om een algemene uitvoervergunning te verlenen voor uitvoer naar de landen die voor alle misdaden de doodstraf hebben afgeschaft en deze afschaffing door middel van een internationale verbintenis hebben bevestigd. |
|
(6) |
Indien een land de doodstraf voor alle misdaden niet op dergelijke manier heeft afgeschaft en bevestigd door middel van een internationale verbintenis, moeten de bevoegde autoriteiten, bij het onderzoeken van een aanvraag voor een uitvoervergunning, controleren of er een risico bestaat dat de eindgebruiker in het land van bestemming de uitgevoerde goederen voor een dergelijke bestraffing zou gebruiken. Er moeten passende voorwaarden en eisen worden opgelegd om de verkoop of overdracht naar derden door de eindgebruiker te controleren. Indien meerdere leveringen tussen dezelfde exporteur en eindgebruiker plaatsvinden, moet de bevoegde autoriteiten worden toegestaan de status van de eindgebruiker periodiek te controleren, bijvoorbeeld elke zes maanden, in plaats van bij elke toekenning van een uitvoervergunning voor een verzending, zonder afbreuk te doen aan het recht van de bevoegde autoriteiten om, wanneer nodig, een uitvoervergunning te annuleren, op te schorten, te wijzigen of te herroepen overeenkomstig artikel 9, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1236/2005. |
|
(7) |
Om de administratieve belasting voor exporteurs te beperken, zouden de bevoegde autoriteiten een exporteur een globale vergunning moeten kunnen toekennen voor alle verzendingen van geneesmiddelen door de exporteur naar een specifieke eindgebruiker gedurende een specifieke periode, waar nodig met vermelding van een hoeveelheid die overeenkomt met het normale gebruik van dergelijke goederen door de eindgebruiker. Een dergelijke vergunning zou, overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1236/2005 geldig zijn gedurende één tot drie jaar, met een mogelijke verlenging van maximaal twee jaar. |
|
(8) |
Het toestaan van een globale vergunning zou ook gepast zijn wanneer een fabrikant voornemens is binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1236/2005 vallende geneesmiddelen uit te voeren naar een distributeur in een land dat de doodstraf niet heeft afgeschaft, op voorwaarde dat de exporteur en de distributeur een wettelijk bindende overeenkomst hebben gesloten die vereist dat de distributeur een passende reeks maatregelen neemt om ervoor te zorgen dat de geneesmiddelen niet voor voltrekking van de doodstraf worden gebruikt. |
|
(9) |
De lijst van goederen voor de uitvoer waarvan een vergunning is vereist om te voorkomen dat deze goederen voor de doodstraf worden gebruikt, dient uitsluitend goederen te omvatten die voor de doodstraf zijn gebruikt in een derde land dat de doodstraf niet heeft afgeschaft, evenals goederen die in een dergelijk derde land voor de doodstraf mogen worden gebruikt, zonder dat deze reeds voor dat doeleind zijn gebruikt. Op de lijst mogen geen niet-dodelijke goederen worden opgenomen die niet essentieel zijn voor de executie van een veroordeelde, zoals standaardmeubilair dat in de executieruimte kan staan. |
|
(10) |
Geneesmiddelen die binnen het toepassingsgebied vallen van Verordening (EG) nr. 1236/2005, kunnen onderworpen zijn aan controles overeenkomstig de internationale verdragen inzake narcotica en psychotrope stoffen, zoals het Verdrag inzake psychotrope stoffen van 1971. Aangezien dergelijke controles niet worden verricht om te voorkomen dat de desbetreffende geneesmiddelen voor de doodstraf worden gebruikt, maar om illegale drugshandel te voorkomen, zouden naast de internationale controles ook de uitvoercontroles van Verordening (EG) nr. 1236/2005 moeten worden toegepast. Lidstaten zouden echter moeten worden aangemoedigd om één procedure te gebruiken voor beide controlesystemen. |
|
(11) |
Om de administratieve belasting voor exporteurs te beperken, zouden de bevoegde autoriteiten een globale vergunning moeten kunnen toekennen voor in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 vermelde goederen om te voorkomen dat de desbetreffende goederen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen. |
|
(12) |
De uitvoercontroles overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1236/2005 zijn niet van toepassing op de goederen waarvan de uitvoer wordt geregeld overeenkomstig Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad (6), Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad (7) en Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad (8). |
|
(13) |
Bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 is de uitvoer en invoer van in bijlage II bij deze verordening vermelde goederen en de verlening van technische bijstand met betrekking tot dergelijke goederen verboden. Het is noodzakelijk om tussenhandelaars in de Unie te verbieden tussenhandeldiensten te verlenen met betrekking tot dergelijke goederen, aangezien zij geen ander praktisch nut hebben dan voor de doodstraf, foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen. Het verbieden van de verlening van dergelijke tussenhandeldiensten zou beogen de openbare zeden te beschermen en de beginselen van menselijke waardigheid te eerbiedigen die ten grondslag liggen aan de Europese waarden, zoals vervat in het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Handvest. |
|
(14) |
De verlening van tussenhandeldiensten en de verlening van technische bijstand met betrekking tot de in bijlage III of in bijlage III bis bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 vermelde goederen moet onderworpen zijn aan een voorafgaande vergunning om te voorkomen dat de tussenhandeldiensten of de technische bijstand worden gebruikt voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen. |
|
(15) |
De tussenhandeldiensten en technische bijstand waarvoor op grond van deze verordening een voorafgaande vergunning is vereist, dienen diensten en bijstand te zijn die vanuit de Unie worden verleend, dat wil zeggen vanuit de grondgebieden die binnen de territoriale werkingssfeer van de Verdragen vallen, met inbegrip van het luchtruim en van luchtvaartuigen of andere vaartuigen die onder de jurisdictie van een lidstaat vallen. |
|
(16) |
Wanneer zij toestemming geven voor de verlening van technische bijstand voor in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 vermelde goederen, moeten de bevoegde autoriteiten ernaar streven te waarborgen dat de technische bijstand en eventuele opleiding over het gebruik van dergelijke goederen die worden verstrekt of aangeboden in combinatie met de technische bijstand waarvoor om toestemming is verzocht, zodanig worden verstrekt dat hierbij rechtshandhavingsnormen die de mensenrechten eerbiedigen, worden bevorderd en wordt bijgedragen aan de voorkoming van foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen. |
|
(17) |
Aangezien de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 vermelde goederen geen ander praktisch nut hebben dan voor de doodstraf foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen, is het gepast om tussenhandelaars en verstrekkers van technische bijstand te verbieden een opleiding te verstrekken over het gebruik van dergelijke goederen aan derde landen, en om zowel de promotie van dergelijke goederen op handelsbeurzen of tentoonstellingen in de Unie als de verkoop of aankoop van reclameruimte in gedrukte media of op internet en van reclametijd op televisie of radio met betrekking tot dergelijke goederen, te verbieden. |
|
(18) |
Om te voorkomen dat marktdeelnemers voordeel halen uit het vervoer van goederen die via het douanegebied van de Unie naar een derde land worden doorgevoerd en voor gebruik voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen bedoeld zijn, is het noodzakelijk het vervoer binnen de Unie van dergelijke goederen te verbieden, indien deze in bijlage II zijn vermeld of, indien de marktdeelnemer op de hoogte is van het beoogde gebruik ervan, indien deze in bijlage III of bijlage III bis bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 zijn vermeld. |
|
(19) |
Het is gepast te verduidelijken dat de lidstaten maatregelen mogen toepassen die de verstrekking van bepaalde diensten met betrekking tot in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 vermelde goederen beperken, in overeenstemming met de toepasselijke regels van de Unie. |
|
(20) |
Terwijl douaneautoriteiten bepaalde informatie met andere douaneautoriteiten moeten uitwisselen door middel van het risicobeheerssysteem overeenkomstig de douanewetgeving van de Unie, dienen de in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1236/2005 bedoelde bevoegde autoriteiten bepaalde informatie uit te wisselen met andere bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 11 van deze verordening. Het is gepast om verplicht te stellen dat de bevoegde autoriteiten een veilig en versleuteld systeem gebruiken voor de uitwisseling van informatie over weigeringen op grond van artikel 11 bij Verordening (EG) nr. 1236/2005. Hiertoe dient de Commissie een nieuwe functionaliteit beschikbaar te stellen in het bestaande systeem dat is ingevoerd krachtens artikel 19, lid 4, van Verordening (EG) nr. 428/2009. |
|
(21) |
Wat persoonsgegevens betreft, dient het verwerken en uitwisselen van informatie te voldoen aan de toepasselijke regels inzake het verwerken en uitwisselen van persoonsgegevens overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (10). |
|
(22) |
Met het oog op de vaststelling van de bepalingen die noodzakelijk zijn voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1236/2005, dient de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) te worden gedelegeerd aan de Commissie wat betreft de wijziging van de nieuwe bijlagen III bis, III ter, VI en VII bij Verordening (EG) nr. 1236/2005. In herinnering wordt gebracht dat op grond van Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad (11) de bevoegdheid om handelingen vast te stellen overeenkomstig artikel 290 VWEU aan de Commissie is gedelegeerd voor wat betreft de wijziging van de bijlagen I, II, III, IV en V bij Verordening (EG) nr. 1236/2005. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen gebeuren in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (12). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. |
|
(23) |
Ten einde de Unie in staat te stellen snel te reageren wanneer nieuwe goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen, worden ontwikkeld, en indien er een duidelijk en onmiddellijk risico bestaat dat deze goederen zullen worden gebruikt voor doeleinden die dergelijke mensenrechtenschendingen tot gevolg hebben, moet de betrokken handeling van de Commissie onmiddellijk worden toegepast wanneer de bijlagen II of III bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 om dwingende redenen van urgentie moeten worden gewijzigd. Teneinde de Unie in staat te stellen snel te reageren wanneer een of meer derde landen ofwel goedkeuring geven voor goederen voor gebruik voor de doodstraf, ofwel een internationale verbintenis om de doodstraf voor alle misdaden af te schaffen op zich nemen of schenden, moet de betrokken handeling van de Commissie onmiddellijk worden toegepast wanneer de bijlagen III bis of III ter bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 om dwingende redenen van urgentie moeten worden gewijzigd. Indien de spoedprocedure wordt gevolgd is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau. |
|
(24) |
Er dient een coördinatiegroep te worden opgericht. Deze groep moet dienen als platform waarop de deskundigen uit de lidstaten en de Commissie informatie over administratieve praktijken kunnen uitwisselen en kunnen discussiëren over de uitlegging van deze verordening, over technische vragen met betrekking tot de vermelde goederen, over ontwikkelingen in verband met deze verordening en over eventuele andere vraagstukken. De groep kan in het bijzonder discussiëren over vragen in verband met de aard en het beoogde gebruik van goederen, de beschikbaarheid van goederen in derde landen en de vraag of goederen specifiek zijn ontworpen of gewijzigd voor de doodstraf of voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandelingen of bestraffingen. Indien de Commissie besluit de groep te raadplegen bij de voorbereiding van gedelegeerde handelingen, dient zij dit te doen in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven. |
|
(25) |
De Commissie koopt geen uitrusting voor rechtshandhaving aan, aangezien zij niet verantwoordelijk is voor de rechts- en ordehandhaving, voor strafvervolging of voor het afdwingen van rechterlijke beslissingen in strafzaken. Daarom dient te worden voorzien in een procedure om ervoor te zorgen dat de Commissie informatie ontvangt over niet in de lijsten vermelde uitrusting en goederen voor rechtshandhaving die op de markt gebracht zijn in de Unie, zodat de lijsten van goederen waarin de handel is verboden of wordt gecontroleerd, worden aangepast aan nieuwe ontwikkelingen. Wanneer een lidstaat bij de Commissie een verzoek indient om goederen toe te voegen aan de bijlagen II, III of III bis bij Verordening (EG) nr. 1236/2005, dient deze dit verzoek aan de andere lidstaten door te sturen. |
|
(26) |
Teneinde marktdeelnemers en de bevoegde autoriteiten enige tijd te geven om de vereiste vergunningen aan te vragen en toe te kennen, dient een korte overgangsperiode voor de toepassing van de nieuwe controles op tussenhandeldiensten en technische bijstand te worden vastgesteld, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EG) nr. 1236/2005 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1 wordt vervangen door: „Artikel 1 Onderwerp In deze verordening worden de regels van de Unie vastgelegd met betrekking tot de handel met derde landen in goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf of voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, en met betrekking tot de verlening van tussenhandeldiensten, van technische bijstand, opleiding en reclame met betrekking tot dergelijke goederen.”. |
|
2) |
Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
In artikel 3 wordt lid 1 vervangen door: „1. Het is verboden in bijlage II vermelde goederen uit te voeren, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen. Bijlage II omvat goederen die geen andere toepassingen in de praktijk hebben dan de doodstraf, foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing. Het is een verlener van technische bijstand verboden om, al dan niet tegen vergoeding, technische bijstand te verlenen die samenhangt met in bijlage II vermelde goederen aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land.”. |
|
4) |
In artikel 4 wordt lid 1 vervangen door: „1. Het is verboden in bijlage II vermelde goederen in te voeren ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen. Het is een persoon, entiteit of instantie in de Unie verboden technische bijstand te aanvaarden die samenhangt met in bijlage II vermelde goederen, en die al dan niet tegen vergoeding door een persoon, entiteit of instantie vanuit een derde land wordt verleend.”. |
|
5) |
De volgende artikelen worden ingevoegd: „Artikel 4 bis Verbod op doorvoer 1. Het is verboden de in bijlage II vermelde goederen door te voeren. 2. In afwijking van lid 1 mag de bevoegde autoriteit toestemming verlenen voor de doorvoer van in bijlage II vermelde goederen indien wordt aangetoond dat dergelijke goederen in het land van bestemming uitsluitend worden gebruikt om in een museum te worden tentoongesteld wegens hun historische betekenis. Artikel 4 ter Verbod op tussenhandeldiensten Het is een tussenhandelaar verboden om aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land tussenhandeldiensten te verlenen voor in bijlage II vermelde goederen, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen. Artikel 4 quater Verbod op opleiding Het is een verlener van technische bijstand of een tussenhandelaar verboden om aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land een opleiding over het gebruik van in bijlage II vermelde goederen te verlenen of aan te bieden. Artikel 4 quinquies Handelsbeurzen Het is een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, al dan niet verblijvend of gevestigd in een lidstaat, verboden om in bijlage II vermelde goederen tentoon te stellen of voor verkoop aan te bieden in een tentoonstelling of beurs in de Unie, behalve als wordt aangetoond dat, gezien de aard van de tentoonstelling of beurs, een dergelijke tentoonstelling of aanbod voor verkoop de verkoop of levering van de betrokken goederen aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land niet bevordert of eraan bijdraagt. Artikel 4 sexies Reclame Het is een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, verblijvend of gevestigd in een lidstaat die reclameruimte of reclametijd verkoopt of aankoopt binnen de Unie, een natuurlijke persoon met de nationaliteit van een lidstaat die reclameruimte of reclametijd verkoopt of aankoopt binnen de Unie, en een volgens het recht van een lidstaat erkende of opgerichte rechtspersoon, entiteit of instantie die reclameruimte of reclametijd verkoopt of aankoopt binnen de Unie, verboden om reclameruimte in gedrukte media of op internet of reclametijd op televisie of radio met betrekking tot in bijlage II vermelde goederen te verkopen aan of te kopen van een persoon, entiteit of instantie in een derde land. Artikel 4 septies Nationale maatregelen 1. Onverminderd de toepasselijke Unieregels, met inbegrip van het verbod op discriminatie op grond van nationaliteit, mogen de lidstaten nationale maatregelen aannemen of handhaven om vervoer, financiële diensten, verzekering of herverzekering, of algemene reclame of promotie met betrekking tot in bijlage II vermelde goederen, te beperken. 2. De lidstaten delen alle op grond van lid 1 genomen maatregelen mee aan de Commissie. Bestaande maatregelen worden uiterlijk op 17 februari 2017 meegedeeld. Nieuwe maatregelen, wijzigingen en intrekkingen worden vóór de inwerkingtreding ervan meegedeeld.”. |
|
6) |
In artikel 5 wordt lid 1 vervangen door: „1. Voor de in bijlage III vermelde goederen is een vergunning vereist, ongeacht de oorsprong van dergelijke goederen. Een vergunning is evenwel niet vereist voor goederen die slechts worden doorgevoerd over het douanegebied van de Unie; dit zijn goederen die geen andere douanebestemming hebben dan extern communautair douanevervoer in het kader van artikel 226 van Verordening (EU) nr. 952/2013, met inbegrip van opslag van niet-Uniegoederen in een vrije zone. Bijlage III omvat uitsluitend de volgende goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing:
Bijlage III omvat niet:
(*2) Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (VN-protocol inzake vuurwapens), en tot vaststelling van uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en maatregelen betreffende de invoer en doorvoer ervan (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 1)." (*3) Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1)." (*4) Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99).”." |
|
7) |
Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
8) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 6 bis Verbod op doorvoer Het is een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, al dan niet verblijvend of gevestigd in een lidstaat, verboden in bijlage III vermelde goederen door te voeren, indien hij of zij ervan op de hoogte is dat enig deel van de zending van dergelijke goederen bedoeld is voor gebruik voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing in een derde land.”. |
|
9) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 7 bis Vergunningsvereiste voor bepaalde diensten 1. Een vergunning is vereist voor de verlening, al dan niet tegen vergoeding, door een verlener van technische bijstand of een tussenhandelaar van een van de volgende diensten aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land:
2. Bij beslissingen over aanvragen voor een vergunning voor de verlening van tussenhandeldiensten met betrekking tot in bijlage III vermelde goederen, is artikel 6 van overeenkomstige toepassing. Bij beslissingen over aanvragen voor een vergunning voor de verlening van technische bijstand met betrekking tot in bijlage III vermelde goederen, wordt rekening gehouden met de in artikel 6 neergelegde criteria om te beoordelen:
3. Lid 1 is niet van toepassing op de verlening van technische bijstand indien
4. Niettegenstaande lid 1 mag een lidstaat een verbod op de levering van tussenhandeldiensten met betrekking tot voetboeien, groepskluisters en draagbare elektrische schokapparatuur handhaven. Indien een lidstaat een dergelijk verbod handhaaft, deelt zij de aangenomen maatregelen uiterlijk op 17 februari 2017 aan de Commissie mee en brengt deze de Commissie op de hoogte van de eventuele wijziging of intrekking van die maatregelen.”. |
|
10) |
Na artikel 7 bis wordt het volgende hoofdstuk ingevoegd: „HOOFDSTUK III bis Goederen die voor de doodstraf zouden kunnen worden gebruikt Artikel 7 ter Uitvoervergunningsvereiste 1. Voor de uitvoer van in bijlage III bis vermelde goederen is een vergunning vereist, ongeacht de oorsprong daarvan. Een vergunning is evenwel niet vereist voor goederen die slechts worden doorgevoerd over het douanegebied van de Unie; dit zijn goederen die geen andere douanebestemming hebben dan extern communautair douanevervoer in het kader van artikel 226 van Verordening (EU) nr. 952/2013, met inbegrip van opslag van niet-Uniegoederen in een vrije zone. Bijlage III bis omvat uitsluitend goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf en die zijn goedgekeurd of daadwerkelijk worden gebruikt voor de doodstraf door een of meer derde landen die de doodstraf niet hebben afgeschaft. De bijlage omvat niet:
2. Wanneer voor de uitvoer van geneesmiddelen een uitvoervergunning vereist is overeenkomstig deze verordening en tevens overeenkomstig internationale verdragen inzake narcotica en psychotrope stoffen, zoals het Verdrag inzake psychotrope stoffen uit 1971, dan kunnen lidstaten één procedure gebruiken om de door deze verordening en door het desbetreffende verdrag opgelegde verplichtingen uit te voeren. Artikel 7 quater Criteria voor de verlening van uitvoervergunningen 1. De bevoegde autoriteiten beslissen over uitvoervergunningen met betrekking tot in bijlage III bis vermelde goederen, rekening houdend met alle relevante overwegingen, met inbegrip van met name de vraag of een aanvraag voor een vergunning voor een in wezen identieke uitvoer in de afgelopen drie jaar is afgewezen door een andere lidstaat en overwegingen over het beoogde eindgebruik en het risico op bestemmingswijziging. 2. De bevoegde autoriteit verleent geen vergunning wanneer er redelijke gronden zijn om aan te nemen dat de in bijlage III bis vermelde goederen zouden kunnen worden gebruikt voor de doodstraf in een derde land. 3. De volgende regels zijn van toepassing op de controle van het beoogde eindgebruik en het risico op bestemmingswijziging:
4. De bevoegde autoriteit houdt bij de beoordeling van een aanvraag voor een globale vergunning niet alleen rekening met de in lid 1 vermelde criteria, maar ook met de toepassing door de exporteur van evenredige en passende middelen en procedures om ervoor te zorgen dat de bepalingen en de doelstellingen van deze verordening en de voorwaarden van de vergunning in acht worden genomen. Artikel 7 quinquies Verbod op doorvoer Het is een natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie, met inbegrip van een partnerschap, al dan niet verblijvend of gevestigd in een lidstaat, verboden in bijlage III bis vermelde goederen door te voeren, indien hij of zij ervan op de hoogte is dat enig deel van de zending van dergelijke goederen bedoeld is voor gebruik voor de doodstraf in een derde land. Artikel 7 sexies Vergunningsvereiste voor bepaalde diensten 1. Een vergunning is vereist voor de verlening, al dan niet tegen vergoeding, door een verlener van technische bijstand of een tussenhandelaar van een van de volgende diensten aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land:
2. Bij beslissingen over aanvragen voor een vergunning voor de verlening van tussenhandeldiensten met betrekking tot in bijlage III bis vermelde goederen, is artikel 7 quater van overeenkomstige toepassing. Bij beslissingen over aanvragen voor een vergunning voor de verlening van technische bijstand met betrekking tot in bijlage III bis vermelde goederen, wordt rekening gehouden met de in artikel 7 quater vastgestelde criteria om te beoordelen:
3. Lid 1 is niet van toepassing op de verlening van technische bijstand indien
|
|
11) |
Artikel 8 wordt vervangen door: „Artikel 8 Soorten vergunningen en autoriteiten van afgifte 1. Bij deze verordening wordt een algemene Unie-uitvoervergunning ingesteld, voor bepaalde uitvoer zoals beschreven in bijlage III ter. De bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur verblijvend of gevestigd is, kan de exporteur verbieden om deze vergunning te gebruiken als er redelijke twijfel bestaat over het vermogen van de exporteur om de voorwaarden van deze vergunning of een bepaling van de wetgeving inzake uitvoercontrole, na te leven. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten wisselen informatie uit over alle exporteurs die het recht zijn ontnomen om de algemene Unie-uitvoervergunning te gebruiken, tenzij zij vaststellen dat een specifieke exporteur niet zal proberen de in bijlage III bis vermelde goederen via een andere lidstaat uit te voeren. Hiervoor zal een beveiligd en versleuteld systeem voor het uitwisselen van informatie worden gebruikt. 2. Een vergunning voor andere dan de in lid 1 bedoelde uitvoer waarvoor overeenkomstig deze verordening een vergunning vereist is, wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de exporteur verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I. Een dergelijke vergunning kan een individuele of een globale vergunning zijn indien het in de bijlagen III of III bis vermelde goederen betreft. Voor in bijlage II vermelde goederen wordt alleen een individuele vergunning verleend. 3. Een vergunning voor doorvoer van in bijlage II vermelde goederen wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie die de goederen binnen het douanegebied van de Unie vervoert, verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I. Indien deze persoon, entiteit of instantie niet verblijvend of gevestigd is in een lidstaat, wordt een vergunning verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarin de binnenkomst van goederen in het douanegebied van de Unie, plaatsvindt. In een dergelijk geval wordt alleen een individuele vergunning verleend. 4. Een vergunning voor invoer waarvoor overeenkomstig deze verordening een vergunning is vereist, wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het museum is gevestigd, zoals vermeld in bijlage I. Voor in bijlage II vermelde goederen wordt alleen een individuele vergunning verleend. 5. Een vergunning voor het verlenen van technische bijstand voor in bijlage II vermelde goederen wordt verleend door:
6. Een vergunning voor het verlenen van technische bijstand voor in bijlage III of in bijlage III bis vermelde goederen wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de verlener van technische bijstand verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I, of, indien er geen dergelijke lidstaat is, de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de verlener van technische bijstand een onderdaan is of volgens het recht waarvan deze is erkend of opgericht. 7. Een vergunning voor het verlenen van tussenhandeldiensten voor in bijlage III of in bijlage III bis vermelde goederen wordt verleend door de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar de tussenhandelaar verblijvend of gevestigd is, zoals vermeld in bijlage I, of, indien er geen dergelijke lidstaat is, de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de tussenhandelaar een onderdaan is of volgens het recht waarvan deze is erkend of opgericht. Een dergelijke vergunning wordt afgegeven voor een bepaalde hoeveelheid specifieke goederen die tussen twee of meer derde landen worden verplaatst. De plaats van de goederen in het derde land van herkomst, de eindgebruiker en de precieze plaats waar die zich bevindt, moeten duidelijk vaststaan. 8. De aanvragers verstrekken aan de bevoegde autoriteit alle relevante informatie die nodig is voor hun aanvraag voor een individuele of globale vergunning voor uitvoer of voor tussenhandeldiensten, voor een vergunning voor technische bijstand, voor een individuele invoervergunning of voor een individuele doorvoervergunning. Met betrekking tot uitvoer ontvangen de bevoegde autoriteiten volledige informatie, in het bijzonder over de eindgebruiker, het land van bestemming en het eindgebruik van de goederen. Met betrekking tot tussenhandeldiensten ontvangen de bevoegde autoriteiten in het bijzonder details over de plaats waar de goederen zich in het derde land van herkomst bevinden, een duidelijke beschrijving van de aard en het aantal goederen, de bij de transactie betrokken derden, het derde land van bestemming, de eindgebruiker in dat land en de precieze plaats waar die zich bevindt. Indien nodig kan ook een verklaring over het eindgebruik worden verlangd. 9. In afwijking van lid 7 verstrekt de fabrikant, indien in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III of in deel I van bijlage III bis vermelde goederen worden uitgevoerd of worden verkocht en doorgevoerd door een fabrikant of een vertegenwoordiger van een fabrikant naar een distributeur in een derde land, informatie over de regelingen en maatregelen die zijn getroffen om te voorkomen dat de in punt 3.2 of 3.3 van bijlage III vermelde goederen worden gebruikt voor foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing of om te voorkomen dat de in deel 1 van bijlage III bis vermelde goederen worden gebruikt voor de doodstraf, alsook over het land van bestemming en, indien beschikbaar, over het eindgebruik en de eindgebruikers van de goederen. 10. Op verzoek van een nationaal preventiemechanisme opgericht in het kader van het Facultatief Protocol bij het VN-Verdrag van 1984 tegen foltering en andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing, mogen de bevoegde autoriteiten beslissen om de van een aanvrager ontvangen informatie over het land van bestemming, de ontvanger, het eindgebruik en de eindgebruikers of, indien van toepassing, de distributeur en de regelingen en maatregelen zoals vermeld in lid 9, aan dit nationale preventiemechanisme ter beschikking te stellen. De bevoegde autoriteiten verhoren de aanvrager voordat de informatie ter beschikking wordt gesteld en mogen beperkingen opleggen aan het gebruik dat van de informatie kan worden gemaakt. De bevoegde autoriteiten nemen hun beslissingen in overeenstemming met nationale wetgeving en praktijken. 11. De lidstaten verwerken aanvragen voor individuele of globale vergunningen binnen een door de nationale wetgeving of praktijken vastgelegde periode.”. |
|
12) |
Artikel 9 wordt vervangen door: „Artikel 9 Vergunningen 1. Vergunningen voor uitvoer, invoer of doorvoer worden verleend op een formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage V opgenomen model. Vergunningen voor tussenhandeldiensten worden verleend op een formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage VI opgenomen model. Vergunningen voor technische bijstand worden verleend op een formulier dat in overeenstemming is met het in bijlage VII opgenomen model. Dergelijke vergunningen zijn in de gehele Unie geldig. De geldigheidsduur van een vergunning bedraagt tussen drie en twaalf maanden, met een mogelijke verlenging met maximaal twaalf maanden. De geldigheidsduur van een globale vergunning bedraagt tussen één en drie jaar, met een mogelijke verlenging met maximaal twee jaar. 2. Met een overeenkomstig artikel 6 of artikel 7 quater verstrekte uitvoervergunning mag de exporteur technische bijstand verlenen aan de eindgebruiker voor zover dergelijke bijstand noodzakelijk is voor de installatie, de werking, het onderhoud of de reparatie van de goederen die mogen worden uitgevoerd. 3. De vergunningen mogen elektronisch worden afgegeven. De specifieke procedures worden op nationaal niveau vastgesteld. Wanneer de lidstaten gebruikmaken van deze optie, stellen zij de Commissie daarvan in kennis. 4. Vergunningen voor uitvoer, invoer, doorvoer, de verlening van technische bijstand of de verlening van tussenhandeldiensten zijn onderworpen aan de voorschriften en voorwaarden die de bevoegde autoriteit nodig acht. 5. De bevoegde autoriteiten mogen overeenkomstig deze verordening weigeren een vergunning af te geven en reeds verleende vergunningen intrekken, schorsen, wijzigen of herroepen.”. |
|
13) |
In artikel 10 wordt lid 2 vervangen door: „2. Indien een douaneaangifte wordt gedaan voor de in bijlage II, bijlage III of bijlage III bis vermelde goederen en wordt bevestigd dat geen vergunning uit hoofde van deze verordening is verleend voor de voorgenomen in- of uitvoer, dan leggen de douaneautoriteiten beslag op de aangegeven goederen en wijzen zij de exporteur of importeur op de mogelijkheid om een vergunning aan te vragen uit hoofde van deze verordening. Indien binnen zes maanden na de beslaglegging geen vergunningsaanvraag is ingediend of indien de bevoegde autoriteit een dergelijke aanvraag afwijst, kunnen de douaneautoriteiten over de vastgehouden goederen beschikken overeenkomstig het toepasselijke nationale recht.”. |
|
14) |
Artikel 11 wordt vervangen door: „Artikel 11 Verplichte kennisgeving en raadpleging 1. Een lidstaat stelt de overige lidstaten en de Commissie ervan in kennis indien de bijlage I vermelde bevoegde autoriteiten van deze lidstaat beslissen om uit hoofde van deze verordening een vergunningsaanvraag af te wijzen of indien zij een reeds verleende vergunning intrekken. Deze kennisgeving geschiedt uiterlijk 30 dagen na de datum waarop de beslissing of intrekking werd genomen. 2. De bevoegde autoriteit raadpleegt, indien nodig of gepast via diplomatieke weg, de autoriteiten die in de afgelopen drie jaar uit hoofde van deze verordening een aanvraag voor een vergunning voor uitvoer, doorvoer, technische bijstandsverlening aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land of verlening van tussenhandeldiensten hebben afgewezen, indien die bevoegde autoriteit een aanvraag ontvangt voor uitvoer, doorvoer, technische bijstandsverlening aan een persoon, entiteit of instantie in een derde land of verlening van tussenhandeldiensten voor een transactie die in wezen identiek is aan die welke in zo'n eerdere aanvraag was vermeld, en zij van oordeel is dat een vergunning toch zou moeten worden verleend. 3. Indien de bevoegde autoriteit, na de in lid 2 bedoelde raadplegingen, beslist om een vergunning te verlenen, stelt de betrokken lidstaat de overige lidstaten en de Commissie onmiddellijk van deze beslissing in kennis en zet zij de aan die beslissing ten grondslag liggende redenen uiteen, waarbij in voorkomend geval informatie ter staving wordt verstrekt. 4. Indien een weigering om een vergunning te verlenen gebaseerd is op een nationaal verbod dat in overeenstemming met artikel 7, lid 1, of artikel 7 bis, lid 4, is aangenomen, is dat geen beslissing tot afwijzing van een aanvraag in de zin van lid 1 van dit artikel. 5. Alle overeenkomstig dit artikel vereiste kennisgevingen geschieden via een beveiligd en versleuteld systeem voor informatie-uitwisseling.”. |
|
15) |
Artikel 12 wordt vervangen door: „Artikel 12 Wijziging van de bijlagen De Commissie is overeenkomstig artikel 15 bis bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om de bijlagen I, II, III, III bis, III ter, IV, V, VI en VII te wijzigen. De gegevens in bijlage I inzake de bevoegde autoriteiten van de lidstaten wordt gewijzigd op basis van de door de lidstaten verstrekte informatie. Wanneer de bijlagen II, III, III bis of III ter, om dwingende redenen van urgentie moeten worden gewijzigd, is de in artikel 15 ter vastgelegde procedure van toepassing op gedelegeerde handelingen die overeenkomstig dit artikel zijn vastgesteld.”. |
|
16) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 12 bis Verzoeken om goederen aan een van de goederenlijsten toe te voegen 1. Elke lidstaat kan bij de Commissie een met redenen omkleed verzoek indienen om voor rechtshandhaving ontworpen of in de handel gebrachte goederen aan de bijlagen II, III of III bis toe te voegen. Een dergelijk verzoek omvat informatie over:
Wanneer een lidstaat een verzoek aan de Commissie richt, stuurt deze lidstaat dit verzoek ook aan de andere lidstaten door. 2. De Commissie kan de verzoekende lidstaat binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek vragen om aanvullende informatie te verstrekken, indien zij vindt dat het verzoek een of meerdere relevante punten niet behandelt of dat meer informatie over een of meer relevante punten noodzakelijk is. De Commissie vermeldt de punten waarvoor aanvullende informatie vereist is. De Commissie stuurt haar vragen aan de overige lidstaten door. De overige lidstaten kunnen de Commissie ook verdere informatie verstrekken voor de beoordeling van het verzoek. 3. Indien de Commissie van mening is dat er geen aanvullende informatie nodig is of, indien van toepassing, na ontvangst van de gevraagde aanvullende informatie, start de Commissie binnen twintig weken na ontvangst van de informatie, respectievelijk aanvullende informatie, de procedure voor het vaststellen van de gevraagde wijziging of informeert zij de verzoekende lidstaat over de redenen om dit niet te doen.”. |
|
17) |
In artikel 13 wordt het volgende lid ingevoegd: „3 bis. De Commissie bereidt een jaarverslag voor dat bestaat uit de in lid 3 genoemde jaarlijkse activiteitenverslagen. Dat jaarverslag wordt voor het publiek toegankelijk gemaakt.”. |
|
18) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 13 bis Verwerking van persoonsgegevens Persoonsgegevens worden verwerkt en uitgewisseld overeenkomstig de regels die zijn vastgelegd in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (*5) en Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (*6). (*5) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31)." (*6) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).”." |
|
19) |
Artikel 15 bis wordt vervangen door: „Artikel 15 bis Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie 1. De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden. 2. De in artikel 12 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een periode van vijf jaar vanaf 16 december 2016. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet. 3. Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 12 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet. 4. Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (*7). 5. Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving het Europees Parlement en de Raad. 6. Een overeenkomstig artikel 12 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn kan op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden worden verlengd. |
|
20) |
De volgende artikelen worden ingevoegd: „Artikel 15 ter Spoedprocedure 1. Een overeenkomstig dit artikel vastgestelde gedelegeerde handeling treedt onverwijld in werking en is van toepassing zolang geen bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig lid 2. In de kennisgeving van de gedelegeerde handeling aan het Europees Parlement en de Raad wordt vermeld om welke redenen wordt gebruikgemaakt van de spoedprocedure. 2. Het Europees Parlement of de Raad kan overeenkomstig de in artikel 15 bis, lid 6, bedoelde procedure bezwaar maken tegen een gedelegeerde handeling. In dat geval trekt de Commissie de handeling onmiddellijk in na de kennisgeving van het besluit waarbij het Europees Parlement of de Raad bezwaar maakt. Artikel 15 quater Coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering 1. Er wordt een coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering ingesteld waarvan het voorzitterschap door een vertegenwoordiger van de Commissie wordt bekleed. Elke lidstaat wijst voor deze groep een vertegenwoordiger aan. 2. De coördinatiegroep onderzoekt alle vragen in verband met de toepassing van deze verordening met inbegrip van onder meer de uitwisseling van informatie over administratieve praktijken en alle vragen die door de voorzitter of door een vertegenwoordiger van een lidstaat aan de orde worden gesteld. 3. De coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering kan, wanneer zij dit nodig acht, exporteurs, tussenhandelaars, verleners van technische bijstand en andere relevante belanghebbenden waarop deze verordening betrekking heeft raadplegen. 4. De Commissie legt het Europees Parlement een schriftelijk jaarverslag voor over de activiteiten, onderzoeken en raadplegingen van de coördinatiegroep voor de bestrijding van foltering. Bij de opstelling van het jaarverslag wordt naar behoren rekening gehouden met de noodzaak om geen afbreuk te doen aan de commerciële belangen van natuurlijke personen of rechtspersonen. De in de groep gevoerde discussies zijn vertrouwelijk. Artikel 15 quinquies Beoordeling 1. Uiterlijk op 31 juli 2020, en vervolgens om de vijf jaar beoordeelt de Commissie de tenuitvoerlegging van deze verordening en legt zij het Europees Parlement en de Raad een uitgebreid uitvoerings- en effectbeoordelingsverslag voor, waarin voorstellen tot wijziging ervan kunnen worden opgenomen. Bij de beoordeling wordt overwogen of de activiteiten van Unieonderdanen in het buitenland in het verslag moeten worden opgenomen. De lidstaten verstrekken de Commissie alle dienstige informatie die voor de voorbereiding van dit verslag. 2. In specifieke delen van het verslag worden de volgende zaken behandeld:
|
|
21) |
In artikel 18 wordt lid 1 vervangen door: „1. Deze verordening heeft dezelfde territoriale werkingssfeer als de Verdragen, met uitzondering van artikel 3, lid 1, eerste alinea, artikel 4, lid 1, eerste alinea, de artikelen 4 bis, 5, 6 bis, 7, 7 ter en 7 quinquies, artikel 8, leden 1 tot en met 4, en artikel 10, die betrekking hebben op:
|
|
22) |
De bijlagen worden als volgt gewijzigd:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag volgende op die van haar bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, punt 9, en artikel 1, punt 10, voor zover het artikel 7 sexies toevoegt, zijn van toepassing met ingang van 17 maart 2017.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 23 november 2016.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
M. SCHULZ
Voor de Raad
De voorzitter
I. KORČOK
(1) Standpunt van het Europees Parlement van 4 oktober 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 november 2016.
(2) Verordening (EG) nr. 1236/2005 van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1).
(3) Resolutie van het Europees Parlement van 17 juni 2010 over de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB C 236 E van 12.8.2011, blz. 107).
(4) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1352/2011 van de Commissie van 20 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L 338 van 21.12.2011, blz. 31).
(5) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 775/2014 van de Commissie van 16 juli 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L 210 van 17.7.2014, blz. 1).
(6) Gemeenschappelijk Standpunt 2008/944/GBVB van de Raad van 8 december 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor de controle op de uitvoer van militaire goederen en technologie (PB L 335 van 13.12.2008, blz. 99).
(7) Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).
(8) Verordening (EU) nr. 258/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot uitvoering van artikel 10 van het Protocol van de Verenigde Naties tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties ter bestrijding van grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (VN-protocol inzake vuurwapens), en tot vaststelling van uitvoervergunningen voor vuurwapens, hun onderdelen, componenten en munitie en maatregelen betreffende de invoer en doorvoer ervan (PB L 94 van 30.3.2012, blz. 1).
(9) Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).
(10) Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).
(11) Verordening (EU) nr. 37/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2014 tot wijziging van bepaalde verordeningen op het gebied van de gemeenschappelijke handelspolitiek voor wat de procedures tot het nemen van bepaalde maatregelen betreft (PB L 18 van 21.1.2014, blz. 1).
BIJLAGE I
„BIJLAGE III BIS
GOEDEREN DIE VOOR DE DOODSTRAF ZOUDEN KUNNEN WORDEN GEBRUIKT ZOALS VERMELD IN ARTIKEL 7 ter
|
GN-code |
Beschrijving |
||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||
|
|
|
||||||||||||||||
|
ex 2933 53 90 (a tot en met f) ex 2933 59 95 (g en h) |
|
||||||||||||||||
|
ex 3003 90 00 ex 3004 90 00 ex 3824 90 96 |
Opmerking: Dit artikel omvat tevens producten die een of meer van de anesthetica bevatten die zijn vermeld in de lijst van kort en middellang werkende anesthetica op basis van barbituraten.” |
BIJLAGE II
„BIJLAGE III TER
ALGEMENE UNIE-UITVOERVERGUNNING EU GEA 1236/2005
Deel 1 — Goederen
Deze algemene uitvoervergunning geldt voor de goederen die zijn vermeld in bijlage III bis bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad (*1).
Deze algemene uitvoervergunning geldt ook voor de verlening van technische bijstand aan de eindgebruiker voor zover dergelijke bijstand noodzakelijk is voor de installatie, de werking, het onderhoud of de reparatie van de goederen die mogen worden uitgevoerd, en indien dergelijke bijstand door de exporteur wordt verleend.
Deel 2 — Bestemmingen
Voor leveringen naar een land of grondgebied dat deel uitmaakt van het douanegebied van de Unie, dat voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1236/2005 tevens Ceuta, Helgoland en Melilla omvat (artikel 18, lid 2), is geen uitvoervergunning uit hoofde van die verordening vereist.
Deze algemene uitvoervergunning is in de hele Unie geldig voor uitvoer naar de volgende bestemmingen:
|
Deense gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied:
|
|
Franse gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied:
|
|
Nederlandse gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied:
|
|
Desbetreffende Britse gebieden die geen deel uitmaken van het douanegebied:
|
|
Albanië |
|
Andorra |
|
Argentinië |
|
Australië |
|
Benin |
|
Bolivia |
|
Bosnië en Herzegovina |
|
Canada |
|
Colombia |
|
Costa Rica |
|
Djibouti |
|
Ecuador |
|
Filipijnen |
|
Gabon |
|
Georgië |
|
Guinee-Bissau |
|
Honduras |
|
IJsland |
|
Kaapverdië |
|
Kirgizië |
|
Liberia |
|
Liechtenstein |
|
Mexico |
|
Moldavië |
|
Mongolië |
|
Montenegro |
|
Mozambique |
|
Namibië |
|
Nepal |
|
Nicaragua |
|
Nieuw-Zeeland |
|
Noorwegen |
|
Oekraïne |
|
Oezbekistan |
|
Oost-Timor |
|
Panama |
|
Paraguay |
|
Rwanda |
|
San Marino |
|
Servië |
|
Seychellen |
|
Turkije |
|
Turkmenistan |
|
Uruguay |
|
Venezuela |
|
Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië |
|
Zuid-Afrika |
|
Zwitserland (met inbegrip van Büsingen en Campione d'Italia) |
Deel 3 — Voorwaarden en eisen voor het gebruik van deze algemene uitvoervergunning
|
1) |
Deze algemene uitvoervergunning mag niet worden gebruikt indien:
|
|
2) |
Exporteurs die deze algemene uitvoervergunning EU GEA 1236/2005 gebruiken, stellen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar zij verblijvend of gevestigd zijn, binnen 30 dagen na de datum van de eerste uitvoer in kennis van hun eerste gebruik van deze algemene uitvoervergunning. Exporteurs vermelden in de douaneaangifte tevens dat zij algemene uitvoervergunning EU GEA 1236/2005 gebruiken en brengen daartoe in vak 44 de desbetreffende in de Taric-databank gevonden code aan. |
|
3) |
De lidstaten bepalen welke rapportageverplichtingen gelden voor het gebruik van deze algemene uitvoervergunning en welke aanvullende informatie over de krachtens deze algemene uitvoervergunning uitgevoerde producten kan worden geëist door de lidstaat van waaruit de uitvoer plaatsvindt. Een lidstaat kan verlangen dat de in die lidstaat verblijvende of gevestigde exporteurs zich laten registreren vóór het eerste gebruik van deze algemene uitvoervergunning. Onverminderd artikel 8, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1236/2005 geschiedt de registratie automatisch en wordt onverwijld, en in elk geval binnen tien werkdagen na ontvangst, door de bevoegde autoriteiten aan de exporteur bevestigd. |
(*1) Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1).” ”
BIJLAGE III
„BIJLAGE VI
VERGUNNINGSFORMULIER VOOR DE VERLENING VAN TUSSENHANDELDIENSTEN, ZOALS VERMELD IN ARTIKEL 9, LID 1
Technische specificatie:
De afmetingen van onderstaand formulier zijn 210 × 297 mm, waarbij een afwijking van ten hoogste 5 mm minder en 8 mm meer is toegestaan. De vakken zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal en een zesde inch verticaal. De onderverdelingen zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal.
Toelichting bij het formulier
„Vergunning voor de verlening van tussenhandeldiensten voor goederen die zouden kunnen worden gebruikt voor foltering of voor de doodstraf (Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad (*1) )”
Dit vergunningsformulier wordt gebruikt voor de afgifte van een vergunning voor de verlening van tussenhandeldiensten overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1236/2005.
De autoriteit van afgifte is de autoriteit zoals omschreven in artikel 2, onder h), van Verordening (EG) nr. 1236/2005. Het gaat om een autoriteit die is opgenomen in de lijst van bevoegde autoriteiten in bijlage I bij die verordening.
|
Vak 1 |
Tussenhandelaar die de vergunning aanvraagt |
Gelieve de naam en het volledige adres van de tussenhandelaar die de vergunning aanvraagt in te vullen. Het begrip „tussenhandelaar” wordt omschreven in artikel 2, onder l), van Verordening (EG) nr. 1236/2005. |
|
Vak 3 |
Nr. van de vergunning |
Gelieve het nummer in te vullen en aan te kruisen of het om een individuele of een algemene vergunning gaat (zie artikel 2, onder p) en q), van Verordening (EG) nr. 1236/2005, voor een omschrijving van deze begrippen). |
|
Vak 4 |
Vervaldatum |
Gelieve de dag (twee cijfers), de maand (twee cijfers) en het jaar (vier cijfers) te vermelden. De geldigheidsduur van een individuele vergunning bedraagt tussen drie en twaalf maanden en de geldigheidsduur van een globale vergunning bedraagt tussen één tot drie jaar. Wanneer de geldigheidsduur verstrijkt, kan indien noodzakelijk een verlenging worden aangevraagd. |
|
Vak 5 |
Ontvanger |
Gelieve de naam en het adres in te vullen en aan te geven of de ontvanger in het derde land van bestemming een eindgebruiker, een distributeur als bedoeld in artikel 2, onder r), van Verordening (EG) nr. 1236/2005 of een partij met een andere rol in de transactie is. Indien de ontvanger een distributeur is maar ook een deel van de zending gebruikt voor een specifiek eindgebruik, gelieve zowel „distributeur” als „eindgebruiker” aan te kruisen en het eindgebruik in vak 11 te vermelden. |
|
Vak 6 |
Derde land waar de goederen zich bevinden |
Gelieve zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gebruik de landencodes die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad (*2). Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie (*3). |
|
Vak 7 |
Derde land van bestemming |
Gelieve zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gebruik de landencodes die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012. |
|
Vak 9 |
Lidstaat van afgifte |
Gelieve op de passende regel zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gebruik de landencodes die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012. |
|
Vak 11 |
Eindgebruik |
Gelieve een nauwkeurige beschrijving te geven van het gebruik dat van de goederen zal worden gemaakt en eveneens te vermelden of de eindgebruiker een wetshandhavingsinstantie is zoals omschreven in artikel 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1236/2005, of een verlener van opleiding over het gebruik van goederen die via tussenhandel worden verhandeld. Gelieve niet in te vullen indien de tussenhandeldiensten worden verleend aan een distributeur, tenzij de distributeur zelf een deel van de goederen gebruikt voor een specifiek eindgebruik. |
|
Vak 12 |
Gelieve de plaats van de goederen in het derde land van waaruit deze zullen worden uitgevoerd, te vermelden |
Gelieve de plaats van de goederen in het derde land van waaruit deze zullen worden geleverd aan de in vak 2 vermelde persoon, entiteit of instantie, te vermelden. De plaats moet een adres in het in vak 6 vermelde land zijn of een soortgelijke beschrijving van de plaats van de goederen. Het is niet toegestaan om een postbusnummer of een vergelijkbaar postadres in te vullen. |
|
Vak 13 |
Beschrijving van het product |
De beschrijving van de goederen dient een verwijzing te bevatten naar een specifiek product zoals opgenomen in bijlage III of III bis van Verordening (EG) nr. 1236/2005. Gelieve eraan te denken gegevens met betrekking tot de verpakking van de betrokken goederen te verstrekken. Indien er niet voldoende ruimte in vak 13 is, gelieve verder te gaan op een blanco blad, met vermelding van het vergunningsnummer. Gelieve het aantal bijlagen in vak 20 te vermelden. |
|
Vak 14 |
Productnr. |
Dit vak moet alleen op de achterzijde van het formulier worden ingevuld. Gelieve ervoor te zorgen dat het productnummer overeenkomt met het gedrukte productnummer in vak 14 naast de beschrijving van het betrokken product op de voorzijde. |
|
Vak 15 |
HS-code |
De HS-code is een douanecode die aan de goederen wordt toegekend in het geharmoniseerd systeem. Indien de code van de gecombineerde nomenclatuur van de Unie bekend is, mag deze code in plaats van de HS-code worden gebruikt. Zie Uitvoeringsverordening (EU) nr. 2015/1754 (*4) van de Commissie voor de huidige versie van de gecombineerde nomenclatuur. |
|
Vak 17 |
Valuta en waarde |
Gelieve de waarde en de valuta in te vullen en hierbij de te betalen prijs te gebruiken (zonder deze om te rekenen). Indien deze prijs niet bekend is, gelieve de geschatte waarde te vermelden, voorafgegaan door de letters „EV”. De valuta moet in de alfabetische code worden ingevuld (ISO 4217:2015). |
|
Vak 18 |
Specifieke voorschriften en voorwaarden |
Vak 18 heeft betrekking op product 1,2 of 3 (gelieve dit product te vermelden, indien van toepassing) zoals omschreven in bovenstaande vakken 14 t/m 16. Indien er niet voldoende ruimte in vak 18 is, gelieve verder te gaan op een blanco blad, met vermelding van het vergunningsnummer. Gelieve het aantal bijlagen in vak 20 te vermelden. |
|
Vak 20 |
Aantal bijlagen |
Gelieve het aantal eventuele bijlagen te vermelden (zie de toelichting bij de vakken 13 en 18). |
(*1) Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1).
BIJLAGE IV
„BIJLAGE VII
VERGUNNINGSFORMULIER VOOR DE VERLENING VAN TECHNISCHE BIJSTAND, ZOALS VERMELD IN ARTIKEL 9, LID 1
Technische specificatie:
De afmetingen van onderstaand formulier zijn 210 × 297 mm, waarbij een afwijking van ten hoogste 5 mm minder of 8 mm meer is toegestaan. De vakken zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal en een zesde inch verticaal. De onderverdelingen zijn gebaseerd op een meeteenheid van een tiende inch horizontaal.
Toelichting bij het formulier
„Vergunning voor de verlening van technische bijstand voor goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor foltering of voor de doodstraf (Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad (*1) )”
Dit vergunningsformulier wordt gebruikt om toestemming te verlenen voor de verlening van technische bijstand overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1236/2005. Indien de technische bijstand wordt verleend in het kader van uitvoer waarvoor een vergunning is verleend uit hoofde van of overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1236/2005 wordt dit formulier niet gebruikt, behalve in de volgende gevallen:
|
— |
de technische bijstand betreft in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 vermelde goederen (zie artikel 3, lid 2), of |
|
— |
de technische bijstand voor in bijlage III of in bijlage III bis bij Verordening (EG) nr. 1236/2005 vermelde goederen is uitgebreider dan noodzakelijk voor de installatie, de werking, het onderhoud of de reparatie van de uitgevoerde goederen (zie artikel 9, lid 2, en, wat betreft in bijlage III bis vermelde goederen, deel 1 van de Algemene Unie-uitvoervergunning EU GEA 1236/2005 in bijlage III ter bij Verordening (EG) nr. 1236/2005). |
De autoriteit van afgifte is de autoriteit zoals omschreven in artikel 2, onder h), van Verordening (EG) nr. 1236/2005. Het gaat om een autoriteit die is opgenomen in de lijst van bevoegde autoriteiten in bijlage I bij die verordening.
Vergunningen worden afgegeven op dit uit één blad bestaande formulier, met bijlagen indien noodzakelijk.
|
Vak 1 |
Verlener van technische bijstand die de vergunning aanvraagt |
Gelieve de naam en het volledige adres van de aanvrager te vermelden. Het begrip „verlener van technische bijstand” is omschreven in artikel 2, onder m), van Verordening (EG) nr. 1236/2005. Indien de technische bijstand wordt verleend in het kader van een uitvoer waarvoor een vergunning is verleend, gelieve eveneens het douanenummer van de aanvrager te vermelden, indien mogelijk, en het nummer van de ermee samenhangende uitvoervergunning in vak 14 te vermelden. |
|
Vak 3 |
Nr. van de vergunning |
Gelieve het nummer in te vullen en aan te kruisen op basis van welk artikel van de Verordening (EG) nr. 1236/2005 de vergunning is verleend. |
|
Vak 4 |
Vervaldatum |
Gelieve de dag (twee cijfers), de maand (twee cijfers) en het jaar (vier cijfers) te vermelden. De geldigheidsduur van een vergunning bedraagt tussen drie en twaalf maanden. Wanneer de geldigheidsduur afloopt kan, indien noodzakelijk, een verlenging worden aangevraagd. |
|
Vak 5 |
Activiteit van de natuurlijke of rechtspersoon, entiteit of instantie zoals vermeld in vak 2 |
Gelieve de hoofdactiviteit van de persoon, entiteit of instantie aan wie of waaraan de technische bijstand zal worden verleend, te vermelden. Het begrip „wetshandhavingsinstantie” wordt omschreven in artikel 2, onder c), van Verordening (EG) nr. 1236/2005. Indien de hoofdactiviteit niet in de lijst staat, gelieve „Geen van bovenstaande opties” aan te kruisen en de hoofdactiviteit in algemene woorden te beschrijven (bijv. groothandelaar, detailhandelaar, ziekenhuis). |
|
Vak 6 |
Derde land of lidstaat waaraan de technische bijstand zal worden verleend |
Gelieve zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gelieve de landencodes te gebruiken die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad (*2). Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie (*3). In vak 6 dient uitsluitend een lidstaat te worden vermeld indien de vergunning is verleend op basis van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1236/2005. |
|
Vak 7 |
Soort vergunning |
Gelieve te vermelden of de technische bijstand gedurende een bepaalde periode wordt verleend en, indien dit het geval is, de periode te vermelden in dagen, weken of maanden tijdens welke de verlener van technische bijstand moet ingaan op verzoeken om advies, bijstand of opleiding. Eén enkele verlening van technische bijstand betreft één specifiek verzoek om advies of bijstand of één specifieke opleiding (ook indien het gaat om een opleiding die een aantal dagen duurt). |
|
Vak 8 |
Lidstaat van afgifte |
Gelieve op de passende regel zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gelieve de landencodes te gebruiken die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012. |
|
Vak 9 |
Beschrijving van het soort goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft |
Gelieve het soort goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft, te beschrijven. De beschrijving dient een verwijzing te bevatten naar een specifiek product zoals opgenomen in bijlage II, III of III bis bij Verordening (EG) nr. 1236/2005. |
|
Vak 10 |
Beschrijving van de technische bijstand waarvoor een vergunning is verleend |
Gelieve de technische bijstand duidelijk en nauwkeurig te beschrijven. Gelieve een verwijzing naar de datum en het nummer van een door de verlener van technische bijstand gesloten overeenkomst toe te voegen of een dergelijke overeenkomst bij te voegen, indien van toepassing. |
|
Vak 11 |
Verleningsvorm |
Gelieve vak 11 niet in te vullen indien de vergunning is verleend op basis van artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1236/2005. Indien de technische bijstand wordt verleend vanuit een derde land dat niet het derde land is waar de ontvanger verblijft of gevestigd is, gelieve zowel de naam van het betrokken land als de desbetreffende landencode te vermelden; gelieve de landencodes te gebruiken die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 471/2009. Zie Verordening (EU) nr. 1106/2012. |
|
Vak 12 |
Beschrijving van de opleiding over het gebruik van goederen waarop de technische bijstand betrekking heeft |
Gelieve te vermelden of de technische steun of technische dienst die valt onder de omschrijving van technische bijstand in artikel 2, onder f), van Verordening (EG) nr. 1236/2005, wordt verstrekt in combinatie met een opleiding voor gebruikers van de betrokken goederen. Gelieve het soort gebruikers dat een dergelijke opleiding gaat volgen te vermelden en de doelstellingen en inhoud van het opleidingsprogramma te omschrijven. |
|
Vak 14 |
Specifieke voorschriften en voorwaarden |
Indien er niet voldoende ruimte in vak 14 is, gelieve verder te gaan op een blanco blad, met vermelding van het vergunningsnummer. Gelieve het aantal bijlagen in vak 16 te vermelden. |
|
Vak 16 |
Aantal bijlagen |
Gelieve het aantal eventuele bijlagen te vermelden (zie de toelichting bij de vakken 10 en 14). |
(*1) Verordening (EG) nr. 1236/2005 van de Raad van 27 juni 2005 met betrekking tot de handel in bepaalde goederen die gebruikt zouden kunnen worden voor de doodstraf, foltering of andere wrede, onmenselijke of onterende behandeling of bestraffing (PB L 200 van 30.7.2005, blz. 1).
|
13.12.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 338/34 |
VERORDENING (EU) 2016/2135 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD
van 23 november 2016
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1303/2013 wat betreft een aantal bepalingen inzake financieel beheer voor bepaalde lidstaten die ernstige moeilijkheden ondervinden of dreigen te ondervinden op het gebied van financiële stabiliteit
HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 177,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),
Na raadpleging van het Comité van de Regio's,
Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens artikel 24, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) moet de Commissie de verhoging onderzoeken van tussentijdse betalingen van de Europese structuur- en investeringsfondsen met een bedrag dat overeenkomt met tien procentpunten boven het bestaande medefinancieringspercentage voor elke prioriteit/maatregel voor lidstaten die na 21 december 2013 onder een aanpassingsprogramma vielen en verzocht hebben in aanmerking te komen voor deze verhoging tot 30 juni 2016, en bij het Europees Parlement en de Raad vóór 30 juni 2016 een verslag indienen met haar beoordeling en, indien nodig, een wetgevingsvoorstel. De Commissie heeft dat verslag op 27 juni 2016 ingediend bij het Europees Parlement en de Raad. |
|
(2) |
Vijf lidstaten kwamen in aanmerking voor een verhoogde betaling uit hoofde van artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1303/2013, namelijk Roemenië, Ierland, Portugal, Cyprus en Griekenland. Roemenië, Ierland, Portugal en Cyprus hebben hun respectieve economische aanpassingsprogramma's intussen afgerond. Alleen Griekenland valt nog steeds onder een aanpassingsprogramma en krijgt in dat verband financiële bijstand tot het derde kwartaal van 2018. Aangezien Griekenland nog steeds te kampen heeft met ernstige moeilijkheden op het gebied van financiële stabiliteit, moet de termijn voor de toepassing van verhoogde betalingen voor lidstaten met tijdelijke begrotingsproblemen worden verlengd. |
|
(3) |
De mogelijkheid om betalingen te verhogen moet echter aflopen op 30 juni van het jaar na het kalenderjaar waarin een lidstaat geen financiële bijstand in het kader van een aanpassingsprogramma meer ontvangt. |
|
(4) |
Krachtens artikel 120, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 moet de Commissie een evaluatie uitvoeren om te beoordelen of het behoud van een maximaal medefinancieringspercentage van 85 % voor elke prioritaire as van alle door het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling (EFRO) en het Europees Sociaal Fonds (ESF) ondersteunde operationele programma's in Cyprus na 30 juni 2017 verantwoord is en, indien nodig, vóór 30 juni 2016 een wetgevingsvoorstel indienen. |
|
(5) |
Sinds maart 2016 valt Cyprus niet meer onder een aanpassingsprogramma. De economische toestand van Cyprus is echter nog steeds fragiel zoals blijkt uit het lage groeipercentage, de dalende investeringen, de hoge werkloosheid en de onder druk staande financiële sector. Om de druk op de nationale begroting te verlichten en de broodnodige investeringen aan te zwengelen, moet het medefinancieringspercentage van 85 % voor alle door het EFRO en het ESF ondersteunde operationele programma's in Cyprus daarom worden verlengd tot de afsluiting van het operationele programma. |
|
(6) |
Om de in deze verordening opgenomen maatregelen snel te kunnen toepassen, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) nr. 1303/2013 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 24 wordt vervangen door: „Artikel 24 Verhoging van betalingen voor lidstaten met tijdelijke begrotingsproblemen 1. Op verzoek van een lidstaat kunnen tussentijdse betalingen worden verhoogd met tien procentpunten boven het medefinancieringspercentage dat van toepassing is op elke prioriteit van het EFRO, het ESF en het Cohesiefonds of op elke maatregel van het Elfpo en het EFMZV. Als een lidstaat voldoet aan een van de volgende voorwaarden na 21 december 2013, is het verhoogde percentage, dat niet meer dan 100 % mag bedragen, van toepassing op de betalingsaanvragen van die lidstaat die tot 30 juni 2016 worden ingediend:
Als een lidstaat na 30 juni 2016 aan een van de voorwaarden van de tweede alinea voldoet, is het verhoogde percentage van toepassing op de betalingsaanvragen van die lidstaat die tot 30 juni van het jaar na het kalenderjaar waarin de betreffende financiële bijstand is stopgezet, worden ingediend. Dit lid is niet van toepassing op programma's in het kader van de ETS-verordening. 2. Onverminderd lid 1 mag de steun van de Unie door middel van tussentijdse betalingen en betalingen van het eindsaldo evenwel niet hoger zijn dan:
indien dit bedrag lager is.”. |
|
2) |
In artikel 120, lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door: „Voor de periode van 1 januari 2014 tot de afsluiting van het operationele programma is het medefinancieringspercentage voor elke prioritaire as van alle operationele programma's in Cyprus niet hoger dan 85 %.”. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Straatsburg, 23 november 2016.
Voor het Europees Parlement
De voorzitter
M. SCHULZ
Voor de Raad
De voorzitter
I. KORČOK
(1) Advies van 21 september 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Standpunt van het Europees Parlement van 25 oktober 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 november 2016.
(3) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).