|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
59e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/1 |
VERORDENING (EU) 2016/1903 VAN DE RAAD
van 28 oktober 2016
tot vaststelling, voor 2017, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2016/72
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 43, lid 3, van het Verdrag is bepaald dat de Raad op voorstel van de Commissie maatregelen voor de vaststelling en verdeling van de vangstmogelijkheden vaststelt. |
|
(2) |
Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) moeten instandhoudingsmaatregelen worden vastgesteld, rekening houdend met de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, met inbegrip van, waar relevant, verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij en van andere adviesinstanties, alsmede in het licht van eventuele adviezen van adviesraden en gezamenlijke aanbevelingen van de lidstaten. |
|
(3) |
De Raad moet maatregelen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden vaststellen, inclusief, in voorkomend geval, bepaalde voorwaarden die daar functioneel verband mee houden. De vangstmogelijkheden moeten zo over de lidstaten worden verdeeld dat een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van elke lidstaat voor elk visbestand of elke visserij wordt gewaarborgd, mede met inachtneming van de in Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB). |
|
(4) |
Op grond van Verordening (EU) nr. 1380/2013 heeft het GVB onder meer tot doel het exploitatieniveau voor de maximale duurzame opbrengst indien mogelijk in 2015 en, door het geleidelijk te laten oplopen, uiterlijk in 2020 voor alle bestanden te verwezenlijken. |
|
(5) |
De totale toegestane vangsten (TAC's) dienen derhalve, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013, te worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, rekening houdend met de biologische en sociaaleconomische aspecten, waarbij wordt gezorgd voor een gelijke behandeling van de visserijsectoren, en met inachtneming van de standpunten die tijdens de raadpleging van de belanghebbende partijen naar voren zijn gebracht. |
|
(6) |
Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad (2) stelt een meerjarenplan vast voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en voor de visserijen die deze bestanden exploiteren („het plan”). Het plan beoogt ervoor te zorgen dat de mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat de populaties van de beviste soorten worden hersteld en gehandhaafd op een peil dat hoger is dan datgene wat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. Daartoe worden de streefwaarden voor de visserijsterfte, uitgedrukt in bandbreedtes, zo snel mogelijk, en geleidelijk oplopend, uiterlijk in 2020 gerealiseerd. Het is passend dat de vangstmogelijkheden voor 2017 voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee worden vastgesteld met het oog op het verwezenlijken van de doelstellingen van het plan. |
|
(7) |
Volgens het plan moeten, indien uit het wetenschappelijk advies blijkt dat de paaibiomassa van een van de bestanden in kwestie beneden de in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/1139 vastgestelde referentiepunten voor de paaibiomassa ligt, alle passende corrigerende maatregelen worden genomen zodat het betrokken bestand snel opnieuw boven het niveau zit dat de maximale duurzame opbrengst kan opleveren. De Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) heeft aangegeven dat de biomassa van het kabeljauwbestand in het westelijke deel van de Oostzee zich onder de in bijlage II bij die verordening vermelde instandhoudingsreferentiepunten bevindt. Bijgevolg is het passend de vangstmogelijkheden van kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee onder de in kolom B van bijlage I bij Verordening (EU) 2016/1139 genoemde bandbreedte voor visserijsterfte vast te stellen, op een niveau dat rekening houdt met de afname van de biomassa. Daartoe dient rekening te worden gehouden met de termijn voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB in het algemeen en van het plan in het bijzonder, het verwachte effect van corrigerende maatregelen en de noodzaak economische, sociale en werkgelegenheidsvoordelen te bewerkstelligen, zoals bepaald in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. |
|
(8) |
Nadere corrigerende maatregelen moeten worden genomen. Een verlenging van de thans geldende termijn van zes weken sluiting met twee weken zou de bescherming voor scholen paaiende kabeljauw verhogen. Volgens wetenschappelijk advies dragen recreatieve visserijen op kabeljauw in aanzienlijke mate bij tot de algemene visserijsterfte van dit bestand. Rekening houdend met de huidige toestand van dat bestand is het aangewezen bepaalde maatregelen te treffen betreffende recreatievisserij. Meer in het bijzonder moet een bag limit (vangstlimiet) per dag per visser gelden die restrictiever moet zijn tijdens de paaitijd. Dit laat het beginsel van relatieve stabiliteit, van toepassing op commerciële visserijactiviteiten, onverlet. |
|
(9) |
Wat het kabeljauwbestand in het oostelijke deel van de Oostzee betreft, heeft de ICES, als gevolg van biologische veranderingen in dat bestand, geen biologische referentiepunten kunnen vaststellen en heeft zij in plaats daarvan aanbevolen de TAC voor dit kabeljauwbestand vast te stellen op basis van de aanpak voor bestanden waarover weinig gegevens beschikbaar zijn. Daarom is het, vanuit het oogpunt van de verwezenlijking van de doelstellingen van het plan, zinvol de TAC voor kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee vast te stellen overeenkomstig het voorzorgsbeginsel. |
|
(10) |
Wat haring in de Golf van Riga betreft, blijkt uit de beschikbare wetenschappelijke adviezen dat er voor 2015 een zeer sterke jaarklasse is. Het vaststellen van een TAC in overeenstemming met de bandbreedte voor visserijsterfte in kolom A van bijlage I bij Verordening (EU) 2016/1139 zou leiden tot een aanzienlijke toename van de paaibiomassa, die op zijn beurt zou leiden tot sterke voedselconcurrentie, lagere groei, een lagere conditiefactor en een algemeen lagere viskwaliteit. Aangezien de paaibiomassa van het bestand boven het in kolom A van bijlage II bij die verordening vastgestelde biomassareferentiepunt ligt, is het aangewezen de TAC vast te stellen overeenkomstig de bandbreedtes voor de visserijsterfte in kolom B van bijlage I bij die verordening, vermits dit noodzakelijk is om ernstige schade aan dat bestand als gevolg van wisselwerkingen binnen de soort te voorkomen in de zin van artikel 4, lid 4, onder b), van die verordening. |
|
(11) |
De bij deze verordening vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (3), en met name de artikelen 33 en 34 betreffende de registratie van de vangsten en de visserijinspanning, respectievelijk de toezending van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden aan de Commissie. Daarom moeten in de onderhavige verordening de codes worden gespecificeerd die de lidstaten dienen te gebruiken wanneer zij gegevens aan de Commissie toezenden betreffende de aangelande hoeveelheden van bestanden die onder deze verordening vallen. |
|
(12) |
Bij Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (4) zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's ingevoerd, onder meer op grond van de artikelen 3 en 4, in de vorm van flexibiliteit voor bestanden waarvoor TAC's bij wijze van voorzorgsmaatregel en analytische TAC's zijn vastgesteld. Krachtens artikel 2 van die verordening bepaalt de Raad bij de vaststelling van de TAC's, in het bijzonder op basis van de biologische situatie van de bestanden, voor welke bestanden de artikelen 3 en 4 niet van toepassing zijn. Recent is deze jaarflexibiliteit bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 ingevoerd voor alle bestanden waarvoor de aanlandingsverplichting geldt. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie van de levende biologische rijkdommen van de zee zou ondergraven, een belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het GVB en tot een verslechtering in de biologische toestand van de bestanden zou leiden, moet worden vastgesteld dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen van toepassing zijn op analytische TAC's wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013. |
|
(13) |
Op basis van nieuw wetenschappelijk advies moet een voorlopige TAC voor kever in ICES-gebied IIIa en de Uniewateren van ICES-gebieden IIa en IV worden vastgesteld voor de periode van 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017. Verordening (EU) 2016/72 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Om een onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen, moeten de bepalingen met betrekking tot kever van toepassing zijn met ingang van 1 november 2016. |
|
(14) |
Om een onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen en om het inkomen van de vissers van de Unie veilig te stellen, moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2017. Gezien de urgentie moet deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Onderwerp
Bij deze verordening wordt vastgesteld welke vangstmogelijkheden in 2017 in de Oostzee van toepassing zijn op sommige visbestanden en groepen visbestanden.
Artikel 2
Werkingssfeer
1. Deze verordening is van toepassing op Unievissersvaartuigen die actief zijn in de Oostzee.
2. Deze verordening is tevens van toepassing op recreatievisserij wanneer in de desbetreffende bepalingen uitdrukkelijk naar deze visserij wordt verwezen.
Artikel 3
Definities
Voor de toepassing van deze verordening zijn de definities bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van toepassing. Daarnaast wordt verstaan onder:
1) „deelsector”: een ICES-deelsector van de Oostzee als gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (5);
2) „totale toegestane vangst” (TAC): de hoeveelheid van elk bestand die in een jaar mag worden gevangen;
3) „quotum”: een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Unie, aan een lidstaat of aan een derde land;
4) „recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee de biologische rijkdommen van de zee worden geëxploiteerd, onder meer voor recreatieve, toeristische of sportdoeleinden.
HOOFDSTUK II
VANGSTMOGELIJKHEDEN
Artikel 4
TAC's en toewijzingen
De TAC's, de quota en, in voorkomend geval, de functioneel daarmee verbonden voorwaarden worden vastgesteld in de bijlage.
Artikel 5
Bijzondere bepalingen inzake toewijzingen van vangstmogelijkheden
De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig deze verordening aan de lidstaten toegewezen, onverminderd:
|
a) |
het uitwisselen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013; |
|
b) |
kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009; |
|
c) |
extra aanlandingen die worden toegestaan op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 of artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013; |
|
d) |
hoeveelheden die worden ingehouden overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 of overgedragen op grond van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013; |
|
e) |
verlagingen op grond van de artikelen 105 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009. |
Artikel 6
Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten
1. Vis van soorten waarvoor vangstbeperkingen gelden en die is gevangen in visserijen als gespecificeerd in artikel 15, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, valt onder de aanlandingsverplichting van dat artikel 15.
2. De in artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bedoelde bestanden van niet-doelsoorten die zich binnen biologisch veilige grenzen bevinden, worden in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgesteld met het oog op de afwijking van de verplichting om vangsten in mindering te brengen op de betrokken, in dat artikel bedoelde quota.
Artikel 7
Maatregelen betreffende de recreatievisserij op kabeljauw in de deelsectoren 22-24
1. In het kader van de recreatievisserij kan elke visser per dag in de deelsectoren 22-24 maximaal vijf kabeljauwen in bezit hebben.
2. In afwijking van lid 1 kan elke visser per dag in de deelsectoren 22-24 in de periode van 1 februari 2017 tot en met 31 maart 2017 maximaal drie kabeljauwen in bezit hebben.
3. De leden 1 en 2 gelden onverminderd strengere nationale maatregelen.
HOOFDSTUK III
SLOTBEPALINGEN
Artikel 8
Toezending van gegevens
Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de hoeveelheden gevangen of aangelande hoeveelheden vis aan de Commissie doen toekomen, gebruiken zij daarvoor de in bijlage bij de onderhavige verordening vermelde bestandscodes.
Artikel 9
Flexibiliteit
1. Tenzij anders vermeld in de bijlage bij de onderhavige verordening, is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op bestanden waarvoor een voorzorgs-TAC geldt, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor een analytische TAC geldt.
2. Artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing indien een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit als bedoeld in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013.
Artikel 10
Wijziging van Verordening (EU) 2016/72
In bijlage IA bij Verordening (EU) 2016/72 wordt de tabel voor kever in gebied IIIa en de Uniewateren van de gebieden IIa en IV vervangen door:
|
Soort: |
Kever en bijvangsten Trisopterus esmarkii |
Gebied: |
IIIa; Uniewateren van de gebieden IIa en IV (NOP/2A3A4.) |
||
|
Jaar |
2016 |
2017 |
|
|
|
|
Denemarken |
|
|
|||
|
Duitsland |
|
|
|||
|
Nederland |
|
|
|||
|
Unie |
|
|
|||
|
Noorwegen |
15 000 (9) |
|
|
|
|
|
Faeröer |
6 000 (10) |
|
|
|
|
|
TAC |
Niet relevant |
Niet relevant |
|
Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing |
|
Artikel 11
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2017, met uitzondering van artikel 10, dat met ingang van 1 november 2016 van toepassing is.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 28 oktober 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
M. LAJČÁK
(1) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(2) Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).
(5) Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad van 21 december 2005 betreffende de instandhouding door middel van technische maatregelen van de visbestanden in de Oostzee, de Belten en de Sont, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1434/98 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 88/98 (PB L 349 van 31.12.2005, blz. 1).
(6) Onverminderd de aanlandingsverplichting mogen vangsten van wijting voor ten hoogste 5 % in mindering worden gebracht op het quotum (OT2/*2A3A4), op voorwaarde dat deze vangsten en bijvangsten van die soorten, zoals geregeld uit hoofde van artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, niet meer dan 9 % van dit quotum voor kever uitmaken.
(7) Het quotum mag uitsluitend worden gevangen in de wateren van de Unie van ICES-zones IIa, IIIa en IV.
(8) Het quotum van de Unie mag slechts worden gevangen van 1 januari tot en met 31 oktober 2016.
(9) Er moet een sorteerrooster worden gebruikt.
(10) Er moet een sorteerrooster worden gebruikt, met inbegrip van maximaal 15 % onvermijdelijke bijvangsten (NOP/*2A3A4) die op dit quotum in mindering moeten worden gebracht.
(11) Het quotum van de Unie mag slechts worden gevangen van 1 november 2016 tot en met 31 oktober 2017.
BIJLAGE
NAAR SOORT EN GEBIED UITGESPLITSTE TAC'S VOOR UNIEVISSERSVAARTUIGEN IN GEBIEDEN WAAR TAC'S GELDEN
Onderstaande tabellen bevatten de TAC's en quota per bestand (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) en de voorwaarden die daar functioneel verband mee houden.
Tenzij anders bepaald, zijn de verwijzingen naar visserijgebieden verwijzingen naar ICES-gebieden.
De visbestanden zijn vermeld in alfabetische volgorde op de Latijnse naam van de soort.
Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende vergelijkende tabel van wetenschappelijke en gewone namen:
|
Wetenschappelijke naam |
Drielettercode |
Gewone naam |
|
Clupea harengus |
HER |
Haring |
|
Gadus morhua |
COD |
Kabeljauw |
|
Pleuronectes platessa |
PLE |
Schol |
|
Salmo salar |
SAL |
Atlantische zalm |
|
Sprattus sprattus |
SPR |
Sprot |
|
Soort: |
Haring Clupea harengus |
Gebied: |
Deelsectoren 30-31 (HER/30/31.) |
|
|
Finland |
115 599 |
|
|
|
|
Zweden |
25 399 |
|
|
|
|
Unie |
140 998 |
|
|
|
|
TAC |
140 998 |
|
Analytische TAC
|
|
|
Soort: |
Haring Clupea harengus |
Gebied: |
Deelsectoren 22-24 (HER/3BC+24) |
|
|
Denemarken |
3 981 |
|
|
|
|
Duitsland |
15 670 |
|
|
|
|
Finland |
2 |
|
|
|
|
Polen |
3 695 |
|
|
|
|
Zweden |
5 053 |
|
|
|
|
Unie |
28 401 |
|
|
|
|
TAC |
28 401 |
|
Analytische TAC Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing Artikel 6, lid 2, van deze verordening is van toepassing |
|
|
Soort: |
Haring Clupea harengus |
Gebied: |
Uniewateren van de deelsectoren 25-27, 28.2, 29 en 32 (HER/3D-R30) |
|
|
Denemarken |
4 205 |
|
|
|
|
Duitsland |
1 115 |
|
|
|
|
Estland |
21 473 |
|
|
|
|
Finland |
41 914 |
|
|
|
|
Letland |
5 299 |
|
|
|
|
Litouwen |
5 580 |
|
|
|
|
Polen |
47 618 |
|
|
|
|
Zweden |
63 925 |
|
|
|
|
Unie |
191 129 |
|
|
|
|
TAC |
Niet relevant |
|
Analytische TAC Artikel 6, lid 2, van deze verordening is van toepassing |
|
|
Soort: |
Haring Clupea harengus |
Gebied: |
Deelsector 28.1 (HER/03D.RG) |
|
|
Estland |
14 350 |
|
|
|
|
Letland |
16 724 |
|
|
|
|
Unie |
31 074 |
|
|
|
|
TAC |
31 074 |
|
Analytische TAC Artikel 6, lid 2, van deze verordening is van toepassing |
|
|
Soort |
Kabeljauw Gadus morhua |
Gebied: |
Uniewateren van de deelsectoren 25-32 (COD/3DX32.) |
|
|
Denemarken |
7 089 |
|
|
|
|
Duitsland |
2 820 |
|
|
|
|
Estland |
691 |
|
|
|
|
Finland |
542 |
|
|
|
|
Letland |
2 636 |
|
|
|
|
Litouwen |
1 736 |
|
|
|
|
Polen |
8 161 |
|
|
|
|
Zweden |
7 182 |
|
|
|
|
Unie |
30 857 |
|
|
|
|
TAC |
Niet relevant |
|
Voorzorgs-TAC Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing |
|
|
Soort: |
Kabeljauw Gadus morhua |
Gebied: |
Deelsectoren 22-24 (COD/3BC+24) |
|
|
Denemarken |
2 444 |
|
|
|
|
Duitsland |
1 194 |
|
|
|
|
Estland |
54 |
|
|
|
|
Finland |
48 |
|
|
|
|
Letland |
202 |
|
|
|
|
Litouwen |
131 |
|
|
|
|
Polen |
654 |
|
|
|
|
Zweden |
870 |
|
|
|
|
Unie |
5 597 |
|
|
|
|
TAC |
5 597 (1) |
|
Analytische TAC Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing |
|
|
Soort: |
Schol Pleuronectes platessa |
Gebied: |
Uniewateren van de deelsectoren 22-32 (PLE/3BCD-C) |
|
|
Denemarken |
5 632 |
|
|
|
|
Duitsland |
626 |
|
|
|
|
Polen |
1 179 |
|
|
|
|
Zweden |
425 |
|
|
|
|
Unie |
7 862 |
|
|
|
|
TAC |
7 862 |
|
Analytische TAC
|
|
|
Soort: |
Atlantische zalm Salmo salar |
Gebied: |
Uniewateren van de deelsectoren 22-31 (SAL/3BCD-F) |
|
|
Denemarken |
19 879 (2) |
|
|
|
|
Duitsland |
2 212 (2) |
|
|
|
|
Estland |
2 020 (2) |
|
|
|
|
Finland |
24 787 (2) |
|
|
|
|
Letland |
12 644 (2) |
|
|
|
|
Litouwen |
1 486 (2) |
|
|
|
|
Polen |
6 030 (2) |
|
|
|
|
Zweden |
26 870 (2) |
|
|
|
|
Unie |
95 928 (2) |
|
|
|
|
TAC |
Niet relevant |
|
Analytische TAC Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing |
|
|
Soort: |
Atlantische zalm Salmo salar |
Gebied: |
Uniewateren van deelsector 32 (SAL/3D32.) |
|
|
Estland |
1 075 (3) |
|
|
|
|
Finland |
9 410 (3) |
|
|
|
|
Unie |
10 485 (3) |
|
|
|
|
TAC |
Niet relevant |
|
Voorzorgs-TAC
|
|
|
Soort: |
Sprot Sprattus sprattus |
Gebied: |
Uniewateren van de deelsectoren 22-32 (SPR/3BCD-C) |
|
|
Denemarken |
25 745 |
|
|
|
|
Duitsland |
16 310 |
|
|
|
|
Estland |
29 896 |
|
|
|
|
Finland |
13 477 |
|
|
|
|
Letland |
36 107 |
|
|
|
|
Litouwen |
13 061 |
|
|
|
|
Polen |
76 627 |
|
|
|
|
Zweden |
49 770 |
|
|
|
|
Unie |
260 993 |
|
|
|
|
TAC |
Niet relevant |
|
Analytische TAC Artikel 6, lid 2, van deze verordening is van toepassing |
|
(1) Dit quotum mag worden gevangen van 1 januari tot en met 31 januari 2017 en van 1 april tot en met 31 december 2017.
(2) Aantal stuks.
(3) Aantal stuks.
|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/11 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/1904 VAN DE COMMISSIE
van 14 juli 2016
tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot productinterventie
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1286/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 26 november 2014 over essentiële-informatiedocumenten voor verpakte retailbeleggingsproducten en verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten (PRIIP's) (1), en met name artikel 16, lid 8, en artikel 17, lid 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In deze verordening worden bepaalde aspecten gespecificeerd van de interventiebevoegdheden die zijn verleend aan bevoegde autoriteiten en, in uitzonderlijke omstandigheden, aan de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority, Eiopa), die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) is opgericht en haar bevoegdheden uitoefent, wat de criteria en factoren betreft die in aanmerking moeten worden genomen bij het bepalen van het bestaan van een significante reden tot bezorgdheid over de bescherming van beleggers, dan wel van een bedreiging voor het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of voor de stabiliteit van het financiële stelsel, of een deel daarvan, in ten minste één lidstaat, respectievelijk in de Unie. |
|
(2) |
Er moet een lijst van criteria en factoren worden opgesteld waarmee de bevoegde autoriteiten en de Eiopa rekening moeten houden bij de beoordeling van de vraag of er van een dergelijke reden tot bezorgdheid of bedreiging sprake is, zodat een consistente aanpak wordt gegarandeerd en er tegelijkertijd passende maatregelen kunnen worden genomen wanneer er zich onvoorziene ongunstige gebeurtenissen of ontwikkelingen voordoen. Het bestaan van een „bedreiging”, wat een van de randvoorwaarden voor interventie met het oog op het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of de stabiliteit van het financiële stelsel is, vereist een hogere drempel dan het bestaan van een „significante reden tot bezorgdheid”, wat de randvoorwaarde voor interventie ten behoeve van de bescherming van beleggers is. Het feit dat alle criteria en factoren die in een specifieke situatie aanwezig zouden kunnen zijn, moeten worden beoordeeld, mag echter niet verhinderen dat de bevoegde autoriteiten en de Eiopa de tijdelijke interventiebevoegdheid uitoefenen wanneer slechts één van de factoren of criteria reden tot bezorgdheid geeft of een bedreiging vormt. |
|
(3) |
De bepalingen in deze verordening hangen nauw met elkaar samen, aangezien ze betrekking hebben op de productinterventiebevoegdheden van zowel de nationale bevoegde autoriteiten als de Eiopa. Ten behoeve van de coherentie tussen die bepalingen, die tegelijkertijd in werking moeten treden, en om belanghebbenden, en meer in het bijzonder de Eiopa en de bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van de interventiebevoegdheden, een volledig beeld van deze bepalingen te bieden, is het noodzakelijk deze in één enkele verordening op te nemen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Criteria en factoren voor de uitoefening van de tijdelijke productinterventiebevoegdheden van de Eiopa
(Artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1286/2014)
1. Voor de toepassing van artikel 16, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1286/2014 beoordeelt de Eiopa de relevantie van alle in lid 2 vermelde factoren en criteria, en neemt zij alle relevante factoren en criteria in aanmerking bij de beoordeling van de vraag of het op de markt brengen, distribueren of verkopen van bepaalde verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten, dan wel of een soort financiële activiteit of praktijk aanleiding geeft tot een significante reden tot bezorgdheid over de bescherming van beleggers, dan wel een bedreiging vormt voor het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of voor de stabiliteit van het financiële stelsel, of een deel daarvan, in de Unie.
Voor de toepassing van de eerste alinea kan de Eiopa zich baseren op een of meer van die factoren of criteria om te bepalen of er sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de bescherming van beleggers, dan wel van een bedreiging voor het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of voor de stabiliteit van het financiële stelsel, of een deel daarvan, in de Unie.
2. Om te bepalen of er sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de bescherming van beleggers, dan wel van een bedreiging voor het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of voor de stabiliteit van het financiële stelsel, of een deel daarvan, in de Unie, beoordeelt de Eiopa de volgende factoren en criteria:
|
a) |
de mate van complexiteit van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct of van het soort financiële activiteit of praktijk van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
b) |
de omvang van potentieel nadelige gevolgen, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
c) |
het soort beleggers dat bij een financiële activiteit of een financiële praktijk is betrokken of aan wie een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct wordt aangeboden of verkocht, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
d) |
de mate van transparantie van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct of van het soort financiële activiteit of praktijk, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
e) |
de bijzondere kenmerken of onderliggende activa van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, de financiële activiteit of de financiële praktijk, waaronder eventuele ingebedde hefboomwerkingen, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
f) |
het bestaan en de mate van discrepantie tussen het verwachte rendement of de verwachte winst voor beleggers en het risico van verlies met betrekking tot het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, de financiële activiteit of de financiële praktijk, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
g) |
het gemak en de kosten waarmee beleggers het betrokken verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct kunnen verkopen of op een ander product kunnen overstappen, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
h) |
de prijsstelling en bijbehorende kosten van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, de financiële activiteit of de financiële praktijk, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
i) |
het innovatiegehalte van een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, een financiële activiteit of een financiële praktijk, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
j) |
de verkooppraktijken die met het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct gepaard gaan, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
k) |
de financiële en zakelijke situatie van de emittent van een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
l) |
of de onderliggende activa van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, dan wel de financiële activiteiten of de financiële praktijken een hoog risico vormen voor het rendement van de transacties die door deelnemers of beleggers op de betrokken markt worden aangegaan; |
|
m) |
of de kenmerken van een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct het bijzonder vatbaar maken om voor financiële misdrijven te worden gebruikt, en meer bepaald of die kenmerken het gebruik van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct mogelijk zouden kunnen aanmoedigen voor het volgende:
|
|
n) |
of de financiële activiteit of de financiële praktijk een bijzonder hoog risico vormt voor de weerbaarheid of de goede werking van markten; |
|
o) |
of een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, een financiële activiteit of een financiële praktijk zou kunnen leiden tot een significante en kunstmatige discrepantie tussen de prijzen van een derivaat en die op de onderliggende markt; |
|
p) |
of een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, een financiële activiteit of een financiële praktijk een hoog risico inhoudt voor de infrastructuur van markten of betaalsystemen, waaronder handels-, clearing- en afwikkelingssystemen; |
|
q) |
of een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, een financiële activiteit of een financiële praktijk een bedreiging kan vormen voor het vertrouwen van beleggers in het financiële stelsel, of |
|
r) |
of het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, de financiële activiteit of de financiële praktijk een hoog risico inhoudt van verstoring van financiële instellingen die belangrijk worden geacht voor het financiële stelsel van de Unie. |
Artikel 2
Criteria en factoren waarmee de bevoegde autoriteiten bij de uitoefening van interventiebevoegdheden op het gebied van verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten rekening moeten houden
(Artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1286/2014)
1. Voor de toepassing van artikel 17, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1286/2014 beoordelen de bevoegde autoriteiten de relevantie van alle in lid 2 vermelde factoren en criteria, en nemen zij alle relevante factoren en criteria in aanmerking bij de beoordeling van de vraag of het op de markt brengen, distribueren of verkopen van bepaalde verzekeringsgebaseerde beleggingsproducten, dan wel of een soort financiële activiteit of praktijk aanleiding geeft tot een significante reden tot bezorgdheid over de bescherming van beleggers, dan wel een bedreiging vormt voor het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of voor de stabiliteit van het financiële stelsel, of een deel daarvan, in ten minste één lidstaat.
Voor de toepassing van de eerste alinea kunnen de bevoegde autoriteiten zich baseren op een of meer van die factoren en criteria om te bepalen of er sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de bescherming van beleggers, dan wel van een bedreiging voor het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of voor de stabiliteit van het financiële stelsel, of een deel daarvan, in ten minste één lidstaat.
2. Om te bepalen of er sprake is van een significante reden tot bezorgdheid over de bescherming van beleggers, dan wel van een bedreiging voor het ordelijk functioneren en de integriteit van financiële markten of voor de stabiliteit van het financiële stelsel, of een deel daarvan, in ten minste één lidstaat, beoordelen de bevoegde autoriteiten de volgende criteria en factoren:
|
a) |
de mate van complexiteit van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct of van het soort financiële activiteit of praktijk van een verzekerings- of herverzekeringsonderneming, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
b) |
de omvang van potentieel nadelige gevolgen, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
c) |
het soort beleggers dat bij een financiële activiteit of een financiële praktijk is betrokken of aan wie een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct wordt aangeboden of verkocht, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
d) |
de mate van transparantie van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct of van het soort financiële activiteit of praktijk, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
e) |
de bijzondere kenmerken of onderliggende activa van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, de financiële activiteit of de financiële praktijk, waaronder eventuele ingebedde hefboomwerkingen, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
f) |
het bestaan en de mate van discrepantie tussen het verwachte rendement of de verwachte winst voor beleggers en het risico van verlies met betrekking tot het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, de financiële activiteit of de financiële praktijk, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
g) |
het gemak en de kosten waarmee beleggers het betrokken verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct kunnen verkopen of op een ander product kunnen overstappen, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
h) |
de prijsstelling en bijbehorende kosten van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, de financiële activiteit of de financiële praktijk, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
i) |
het innovatiegehalte van een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, een financiële activiteit of een financiële praktijk, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
j) |
de verkooppraktijken die met het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct gepaard gaan, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
k) |
de financiële en zakelijke situatie van de emittent van een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, waarbij meer bepaald met het volgende rekening wordt gehouden:
|
|
l) |
of de onderliggende activa van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, dan wel de financiële activiteiten of de financiële praktijken een hoog risico vormen voor het rendement van de transacties die door deelnemers of beleggers op de betrokken markt worden aangegaan; |
|
m) |
of de kenmerken van een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct het bijzonder vatbaar maken om voor financiële misdrijven te worden gebruikt, en meer bepaald of die kenmerken het gebruik van het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct mogelijk zouden kunnen aanmoedigen voor het volgende:
|
|
n) |
of de financiële activiteit of de financiële praktijk een bijzonder hoog risico vormt voor de weerbaarheid of de goede werking van markten; |
|
o) |
of een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, een financiële activiteit of een financiële praktijk zou kunnen leiden tot een significante en kunstmatige discrepantie tussen de prijzen van een derivaat en die op de onderliggende markt; |
|
p) |
of een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, een financiële activiteit of een financiële praktijk risico's inhoudt voor de infrastructuur van markten of betaalsystemen, waaronder handels-, clearing- en afwikkelingssystemen; |
|
q) |
of een verzekeringsgebaseerd beleggingsproduct, een financiële activiteit of een financiële praktijk een bedreiging kan vormen voor het vertrouwen van beleggers in het financiële stelsel, of |
|
r) |
of het verzekeringsgebaseerde beleggingsproduct, de financiële activiteit of de financiële praktijk een hoog risico inhoudt van verstoring van financiële instellingen die belangrijk worden geacht voor het financiële stelsel van de lidstaat van de betrokken bevoegde autoriteit. |
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 31 december 2016.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 juli 2016.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 352 van 9.12.2014, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).
(3) Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).
|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/19 |
VERORDENING (EU) 2016/1905 VAN DE COMMISSIE
van 22 september 2016
houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 15 betreft
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name artikel 3, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie (2) is een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd. |
|
(2) |
In mei 2014 heeft de International Accounting Standards Board (IASB) een nieuwe International Financial Reporting Standard (IFRS) 15 getiteld Opbrengsten van contracten met klanten uitgegeven. Deze standaard beoogt de financiële rapportage van opbrengsten te verbeteren en de vergelijkbaarheid van de bovenste regel van jaarrekeningen wereldwijd te verbeteren. |
|
(3) |
In september 2015 heeft de IASB een wijziging van IFRS 15 uitgegeven die de ingangsdatum van 1 januari 2017 naar 1 januari 2018 verschuift. |
|
(4) |
IFRS 15 bevat een aantal verwijzingen naar IFRS 9 die momenteel niet kunnen worden toegepast omdat IFRS 9 door de Unie nog niet is goedgekeurd. Daarom dient elke in de bijlage bij deze verordening voorkomende verwijzing naar IFRS 9 te worden gelezen als een verwijzing naar IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering. |
|
(5) |
De goedkeuring van IFRS 15 brengt met zich mee dat IFRS 1, 3 en 4, IAS 1, 2, 12, 16, 32, 34, 36, 37, 38, 39 en 40, interpretatie 12 van het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC), interpretatie 27 van het Standing Interpretations Committee (SIC) en SIC 32 moeten worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen. Bovendien brengt zij met zich mee dat IAS 11 en IAS 18, IFRIC 13, IFRIC 15 en IFRIC 18 en SIC 31 moeten worden ingetrokken. |
|
(6) |
De European Financial Reporting Advisory Group bevestigt dat IFRS 15 voldoet aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte goedkeuringscriteria. |
|
(7) |
Verordening (EG) nr. 1126/2008 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd. |
|
(8) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt als volgt gewijzigd:
|
(a) |
International Financial Reporting Standard (IFRS) 15 Opbrengsten van contracten met klanten wordt ingevoegd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening; |
|
(b) |
IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards, IFRS 3 Bedrijfscombinaties, IFRS 4 Verzekeringscontracten, International Accounting Standard (IAS) 1 Presentatie van de jaarrekening, IAS 2 Voorraden, IAS 12 Winstbelastingen, IAS 16 Materiële vaste activa, IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie, IAS 34 Tussentijdse financiële verslaggeving, IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa, IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa, IAS 38 Immateriële vaste activa, IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering, IAS 40 Vastgoedbeleggingen, interpretatie 12 van het International Financial Reporting Interpretations Committee IFRIC Dienstverlening uit hoofde van concessieovereenkomsten, interpretatie 27 van het Standing Interpretations Committee SIC Evaluatie van de economische realiteit van transacties in de juridische vorm van een leaseovereenkomst, SIC 32 Immateriële activa — Kosten van websites, worden gewijzigd in overeenstemming met IFRS 15 als vervat in de bijlage bij deze verordening; |
|
(c) |
IAS 11 Onderhanden projecten in opdracht van derden, IAS 18 Opbrengsten, IFRIC 13 Klantenbindingsprogramma's, IFRIC 15 Contracten voor de bouw van vastgoed en IFRIC 18 Overdracht van activa van klanten en SIC 31 Opbrengsten — Ruiltransacties met betrekking tot advertentiediensten worden vervangen in overeenstemming met IFRS 15 als vervat in de bijlage bij deze verordening. |
2. Elke in de bijlage bij deze verordening voorkomende verwijzing naar IFRS 9 wordt gelezen als een verwijzing naar IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering.
Artikel 2
Elke onderneming past de in artikel 1, lid 1, bedoelde wijzigingen toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2018 van start gaat.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 september 2016.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1).
BIJLAGE
International Financial Reporting Standard 15
Opbrengsten van contracten met klanten
International Financial Reporting Standard 15
Opbrengsten van contracten met klanten
DOEL
|
1. |
Het doel van deze standaard is het vaststellen van de principes die een entiteit moet toepassen om aan gebruikers van jaarrekeningen nuttige informatie te rapporteren over de aard, het bedrag, het tijdstip en de onzekerheid van de opbrengsten en kasstromen uit hoofde van een contract met een klant. |
Verwezenlijking van het doel
|
2. |
Om het doel waarvan sprake in alinea 1 te verwezenlijken, is het kernprincipe van deze standaard dat een entiteit opbrengsten moet opnemen om de overdracht van beloofde goederen of diensten aan klanten tot uitdrukking te brengen in een bedrag dat de vergoeding tot uitdrukking brengt waarop de entiteit verwacht in ruil voor die goederen of diensten recht te zullen hebben. |
|
3. |
Een entiteit moet bij de toepassing van deze standaard de voorwaarden van het contract en alle relevante feiten en omstandigheden in aanmerking nemen. Een entiteit moet deze standaard in vergelijkbare omstandigheden consequent op contracten met vergelijkbare eigenschappen, inclusief alle praktische oplossingen, toepassen. |
|
4. |
Deze standaard bepaalt hoe een individueel contract met een klant administratief wordt verwerkt. Als praktische oplossing mag een entiteit deze standaard echter op een portefeuille van contracten (of prestatieverplichtingen) met vergelijkbare eigenschappen toepassen als de entiteit in redelijkheid verwacht dat de effecten op de jaarrekening van het toepassen van deze standaard op de portefeuille niet materieel zouden verschillen van de toepassing van deze standaard op de individuele contracten (of prestatieverplichtingen) binnen de portefeuille. Bij het administratief verwerken van een portefeuille moet een entiteit schattingen en veronderstellingen gebruiken waarin de omvang en de samenstelling van de portefeuille tot uitdrukking komen. |
TOEPASSINGSGEBIED
|
5. |
Een entiteit moet deze standaard toepassen op alle contracten met klanten, met uitzondering van:
|
|
6. |
Een entiteit moet deze standaard op een contract (behalve een contract waarvan sprake in alinea 5) slechts toepassen als de tegenpartij bij het contract een klant is. Een klant is een partij die met een entiteit een contract heeft gesloten om goederen of diensten die een output zijn van de normale bedrijfsvoering van de entiteit te verkrijgen in ruil voor een vergoeding. Een tegenpartij bij het contract zou geen klant zijn als bijvoorbeeld de tegenpartij met de entiteit een contract heeft gesloten om deel te nemen aan een activiteit of proces waarbij de partijen bij het contract delen in de risico's en voordelen uit hoofde van de activiteit of het proces (zoals het ontwikkelen van een actief in het kader van een samenwerkingsovereenkomst) in plaats van om de output te verkrijgen van de normale bedrijfsvoering van de entiteit. |
|
7. |
Een contract met een klant kan gedeeltelijk binnen het toepassingsgebied van deze standaard en gedeeltelijk binnen het toepassingsgebied van andere standaarden waarvan sprake in alinea 5 vallen.
|
|
8. |
Deze standaard bepaalt de wijze waarop de marginale kosten van verkrijging van een contract met een klant en van de kosten die zijn gemaakt om een contract met een klant te vervullen administratief worden verwerkt als die kosten niet binnen het toepassingsgebied van een andere standaard vallen (zie de alinea's 91 tot en met 104). Een entiteit moet die alinea's slechts toepassen op de gemaakte kosten die verband houden met een contract met een klant (of een deel van dat contract) dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt. |
OPNAME
Identificatie van het contract
|
9. |
Een entiteit moet een contract met een klant dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt alleen administratief verwerken wanneer alle volgende criteria zijn vervuld:
|
|
10. |
Een contract is een overeenkomst tussen twee of meer partijen die afdwingbare rechten en verplichtingen creëert. De afdwingbaarheid van de rechten en verplichtingen in een contract is een rechtskwestie. Contracten kunnen schriftelijk of mondeling zijn of impliciet voortvloeien uit de gebruikelijke bedrijfspraktijken van een entiteit. De praktijken en processen voor het instellen van contracten met klanten verschillen in de rechtsgebieden, sectoren en entiteiten. Bovendien kunnen zij binnen een entiteit verschillen (zij kunnen bijvoorbeeld van de categorie van klant of de aard van de beloofde goederen of diensten afhangen). Een entiteit neemt deze praktijken en processen in aanmerking bij het bepalen of en wanneer een overeenkomst met een klant afdwingbare rechten en verplichtingen creëert. |
|
11. |
Sommige contracten met klanten kunnen van onbepaalde duur zijn en door elke partij op elk ogenblik worden beëindigd of herzien. Andere contracten kunnen met een in het contract bepaalde periodiciteit automatisch worden verlengd. Een entiteit moet deze standaard toepassen tijdens de duur van het contract (d.w.z. de contractuele looptijd) waarin de partijen bij het contract actuele afdwingbare rechten en verplichtingen hebben. |
|
12. |
Voor de toepassing van deze standaard bestaat een contract niet als elke partij bij het contract het eenzijdige afdwingbare recht heeft om een geheel niet-vervuld contract te beëindigen zonder de andere partij (of partijen) te vergoeden. Een contract is geheel niet-vervuld als aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
|
13. |
Als een contract met een klant bij aanvang van het contract de criteria in alinea 9 vervult, herbeoordeelt een entiteit deze criteria niet tenzij er een indicatie is van een significante wijziging van de feiten en de omstandigheden. Als bijvoorbeeld een klant significant minder goed in staat is de vergoeding te betalen, zou een entiteit herbeoordelen of het waarschijnlijk is dat de entiteit de vergoeding zal innen waarop de entiteit recht heeft in ruil voor de resterende goederen of diensten die aan de klant zullen worden overgedragen. |
|
14. |
Als een contract met een klant niet aan de criteria in alinea 9 voldoet, moet een entiteit het contract blijven beoordelen om te bepalen of de criteria in alinea 9 vervolgens worden vervuld. |
|
15. |
Wanneer een contract met een klant niet aan de criteria in alinea 9 voldoet en een entiteit een vergoeding van de klant ontvangt, neemt de entiteit de ontvangen vergoeding enkel als opbrengst op wanneer een van de volgende gebeurtenissen heeft plaatsgevonden:
|
|
16. |
Een entiteit neemt de van een klant ontvangen vergoeding als een verplichting op totdat een van de gebeurtenissen waarvan sprake in alinea 15 plaatsvindt of totdat de criteria in alinea 9 vervolgens worden vervuld (zie alinea 14). Afhankelijk van de feiten en omstandigheden met betrekking tot het contract vormt de opgenomen verplichting de verplichting van de entiteit om in de toekomst goederen of diensten over te dragen of de ontvangen vergoeding terug te betalen. In elk van de gevallen moet de verplichting worden gewaardeerd op de van de klant ontvangen vergoeding. |
Combinatie van contracten
|
17. |
Een entiteit moet twee of meer op of rond hetzelfde tijdstip met dezelfde klant (of verbonden partijen van de klant) aangegane contracten combineren en de contracten als één enkel contract administratief verwerken als een of meer van de volgende criteria zijn vervuld:
|
Contractherzieningen
|
18. |
Een contractherziening is een wijziging in het toepassingsgebied of de prijs (of beide) van een contract die door de partijen bij het contract wordt goedgekeurd. In sommige sectoren en rechtsgebieden kan een contractherziening worden aangeduid als een wijzigingsopdracht, een variant of een wijziging. Een contractherziening bestaat wanneer de partijen bij een contract een herziening goedkeuren die nieuwe afdwingbare rechten en verplichtingen van de partijen bij het contract creëert of bestaande wijzigt. Een contractherziening zou schriftelijk of bij mondelinge overeenkomst kunnen worden goedgekeurd of impliciet uit de gebruikelijke bedrijfspraktijken kunnen voortvloeien. Als de partijen bij het contract een contractherziening niet hebben goedgekeurd, moet een entiteit deze standaard op het bestaande contract blijven toepassen totdat de contractherziening wordt goedgekeurd. |
|
19. |
Een contractherziening kan bestaan, ook al hebben de partijen bij het contract een meningsverschil over het toepassingsgebied of de prijs (of beide) van de herziening of ook al hebben de partijen een herziening van het toepassingsgebied van het contract goedgekeurd maar nog niet de overeenkomstige wijziging in prijs bepaald. Bij de bepaling of de rechten en verplichtingen die door een herziening zijn gecreëerd of gewijzigd afdwingbaar zijn, moet een entiteit rekening houden met alle relevante feiten en omstandigheden, inclusief de voorwaarden van het contract en andere indicaties. Als de partijen bij een contract een wijziging in het toepassingsgebied van het contract hebben goedgekeurd maar nog niet de overeenkomstige wijziging in prijs hebben bepaald, moet een entiteit de wijziging van de transactieprijs uit hoofde van de herziening in overeenstemming met de alinea's 50 tot en met 54 betreffende de schatting van de variabele vergoeding en de alinea's 56 tot en met 58 betreffende de beperking van schattingen van een variabele vergoeding schatten. |
|
20. |
Een entiteit moet een contractherziening als een afzonderlijk contract administratief verwerken als beide volgende voorwaarden aanwezig zijn:
|
|
21. |
Als een contractherziening niet als een afzonderlijk contract administratief verwerkt wordt in overeenstemming met alinea 20 moet een entiteit de beloofde goederen of diensten die op de datum van de contractherziening nog niet zijn overgedragen (dat wil zeggen de resterende goederen of diensten) op om het even welke van de volgende toepasselijke wijzen administratief verwerken:
|
Identificatie van prestatieverplichtingen
|
22. |
Bij aanvang van het contract moet een entiteit de in een contract met een klant beloofde goederen of diensten beoordelen en als een prestatieverplichting elke belofte identificeren om aan de klant over te dragen:
|
|
23. |
Een reeks van onderscheiden goederen of diensten vertoont hetzelfde patroon van overdracht aan de klant als aan beide volgende criteria wordt voldaan:
|
Beloften in contracten met klanten
|
24. |
In een contract met een klant worden over het algemeen expliciet de goederen of diensten vermeld die een entiteit belooft aan een klant te zullen overdragen. De in een contract met een klant geïdentificeerde prestatieverplichtingen mogen zich echter niet tot de goederen of diensten beperken die expliciet in dat contract worden vermeld. Dit komt omdat een contract met een klant ook beloften die impliciet uit de gebruikelijke bedrijfspraktijken, gepubliceerde gedragslijnen of specifieke verklaringen van een entiteit voortvloeien kunnen omvatten als bij het aangaan van het contract die beloften bij de klant een geldige verwachting wekken dat de entiteit een goed of een dienst aan de klant zal overdragen. |
|
25. |
Prestatieverplichtingen omvatten geen activiteiten die een entiteit moet ondernemen om een contract te vervullen tenzij bij die activiteiten een goed of dienst aan een klant wordt overgedragen. Een dienstverlener kan bijvoorbeeld diverse administratieve taken moeten uitvoeren om een contract in te stellen. Bij de uitvoering van die taken wordt geen dienst aan de klant overgedragen naarmate de taken worden uitgevoerd. Die instellingsactiviteiten zijn dan ook geen prestatieverplichting. |
Onderscheiden goederen of diensten
|
26. |
Afhankelijk van het contract kunnen beloofde goederen of diensten onder meer omvatten:
|
|
27. |
Een goed of een dienst dat of die aan een klant wordt beloofd, is onderscheiden als aan beide volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
|
28. |
Een klant kan in overeenstemming met alinea 27(a) van een goed of een dienst profiteren als het goed of de dienst zou kunnen worden gebruikt, geconsumeerd, verkocht voor een bedrag groter dan de schrootwaarde of anderszins worden aangehouden op een wijze die economische voordelen genereert. Voor sommige goederen of diensten is een klant mogelijk in staat van een goed of een dienst op zichzelf te profiteren. Voor andere goederen of diensten is een klant mogelijk alleen samen met andere gemakkelijk beschikbare middelen in staat van een goed of een dienst op zichzelf te profiteren. Een gemakkelijk beschikbaar middel is een goed of een dienst dat of die (door de entiteit of een andere entiteit) afzonderlijk wordt verkocht of een middel dat de klant reeds heeft van de entiteit heeft verkregen (inclusief goederen of diensten die de entiteit op basis van het contract reeds aan de klant heeft overgedragen) of van andere transacties of gebeurtenissen afkomstig is. Uit diverse factoren kan blijken dat de klant van een goed of een dienst op zichzelf of samen met andere gemakkelijk beschikbare middelen kan profiteren. Het feit bijvoorbeeld dat de entiteit een goed of dienst regelmatig afzonderlijk verkoopt zou erop wijzen dat een klant van het goed of de dienst op zichzelf of samen met andere gemakkelijk beschikbare middelen kan profiteren. |
|
29. |
Onder meer de volgende factoren wijzen erop dat de belofte van een entiteit om een goed of een dienst aan een klant over te dragen afzonderlijk identificeerbaar is (in overeenstemming met alinea 27(b)):
|
|
30. |
Als een beloofd goed of een beloofde dienst niet onderscheiden is, moet een entiteit dat goed of die dienst met andere beloofde goederen of diensten combineren totdat zij een onderscheiden bundel van goederen of diensten identificeert. In sommige gevallen zou dat ertoe leiden dat de entiteit alle in een contract beloofde goederen of diensten administratief verwerkt als één enkele prestatieverplichting. |
Vervulling van prestatieverplichtingen
|
31. |
Een entiteit neemt opbrengsten op wanneer (of naarmate) de entiteit een prestatieverplichting vervult door een beloofd goed of een beloofde dienst (d.w.z. een actief) aan een klant over te dragen. Een actief wordt overgedragen wanneer (of naarmate) de klant zeggenschap over dat actief verkrijgt. |
|
32. |
Voor elke in overeenstemming met de alinea's 22 tot en met 30 geïdentificeerde prestatieverplichting moet een entiteit bij aanvang van het contract bepalen of deze de prestatieverplichting over een periode (in overeenstemming met de alinea's 35 tot en met 37) dan wel op een tijdstip (in overeenstemming met alinea 38) vervult. Als een entiteit een prestatieverplichting niet over een periode vervult, wordt de prestatieverplichting op een tijdstip vervult. |
|
33. |
Goederen en diensten zijn activa, ook al zijn ze dit slechts tijdelijk, wanneer zij worden ontvangen en gebruikt (zoals ingeval van veel diensten). Zeggenschap over een actief heeft betrekking op het vermogen om het gebruik van een actief te bestemmen en grotendeels alle resterende voordelen van een actief te verkrijgen. Zeggenschap omvat het vermogen om te voorkomen dat andere entiteiten het gebruik van een actief bestemmen en de voordelen van een actief verkrijgen. De voordelen van een actief zijn de potentiële kasstromen (instromen of besparingen op uitstromen) die direct of indirect op veel wijzen kunnen worden verkregen, zoals door:
|
|
34. |
Bij het beoordelen of een klant zeggenschap over een actief verkrijgt, moet een entiteit elke overeenkomst om het actief terug te kopen in aanmerking nemen (zie de alinea's B64 tot en met B76). |
Over een periode vervulde prestatieverplichtingen
|
35. |
Een entiteit draagt de zeggenschap over een goed of een dienst over een periode over en vervult derhalve een prestatieverplichting en neemt opbrengsten over een periode op als aan een van de volgende criteria wordt voldaan:
|
|
36. |
Een door de prestaties van een entiteit gecreëerd actief heeft geen alternatieve gebruiksmogelijkheid voor een entiteit als de entiteit contractueel beperkt wordt om het actief gemakkelijk voor een ander gebruik te bestemmen gedurende de creatie of de versterking van dat actief of praktisch beperkt wordt om het actief in zijn uitgevoerde staat gemakkelijk voor een andere gebruik te bestemmen. De beoordeling of een actief een alternatieve gebruiksmogelijkheid voor de entiteit heeft gebeurt bij aanvang van het contract. Na aanvang van het contract mag een entiteit de beoordeling van het alternatieve gebruik van een actief niet actualiseren tenzij de partijen bij het contract een contractherziening goedkeuren die de prestatieverplichting substantieel wijzigt. De alinea's B6 tot en met B8 verschaffen leidraden voor het beoordelen of een actief een alternatieve gebruiksmogelijkheid voor een entiteit heeft. |
|
37. |
Een entiteit neemt de voorwaarden van het contract alsook alle wetten die voor het contract gelden in aanmerking bij het beoordelen of zij een afdwingbaar recht heeft op betaling voor reeds verrichte prestaties in overeenstemming met alinea 35(c). Het recht op betaling voor reeds verrichte prestaties moet geen betrekking hebben op een vast bedrag. De entiteit moet echter op elk tijdstip tijdens de volledige duur van het contract recht hebben op een bedrag dat de entiteit ten minste voor reeds verrichte prestaties vergoedt als het contract door de klant of een andere partij wordt beëindigd om andere redenen dan dat de entiteit niet heeft gepresteerd zoals beloofd. De alinea's B9 tot en met B13 verschaffen leidraden voor het beoordelen van het bestaan en de afdwingbaarheid van een recht op betaling en of het recht op betaling van een entiteit de entiteit het recht zou geven voor haar reeds verrichte prestaties te worden betaald. |
Op een tijdstip vervulde prestatieverplichtingen
|
38. |
Als een prestatieverplichting niet over een periode wordt vervuld in overeenstemming met de alinea's 35 tot en met 37, vervult een entiteit de prestatieverplichting op een tijdstip. Om het tijdstip te bepalen waarop een klant zeggenschap over een beloofd actief verkrijgt en de entiteit een prestatieverplichting vervult, neemt de entiteit de vereisten voor zeggenschap in de alinea's 31 tot en met 34 in aanmerking. Bovendien moet een entiteit onder meer de volgende indicatoren voor de overdracht van zeggenschap in aanmerking nemen:
|
Meting van de voortgang naar volledige vervulling van een prestatieverplichting
|
39. |
Voor elke prestatieverplichting die over een periode wordt vervuld in overeenstemming met de alinea's 35 tot en met 37 moet een entiteit de opbrengsten over een periode opnemen door het meten van de voortgang naar volledige vervulling van die prestatieverplichting. De doelstelling bij het meten van de voortgang is de prestaties van een entiteit weer te geven wat betreft de overdracht van de zeggenschap over aan een klant beloofde goederen of diensten (d.w.z. de vervulling van een prestatieverplichting van een entiteit). |
|
40. |
Een entiteit moet één enkele methode voor het meten van de voortgang voor elke over een periode vervulde prestatieverplichting toepassen en de entiteit moet die methode consequent op vergelijkbare prestatieverplichtingen in vergelijkbare omstandigheden toepassen. Aan het einde van elke verslagperiode moet een entiteit haar voortgang naar volledige vervulling van een over een periode vervulde prestatieverplichting opnieuw meten. |
Methoden voor het meten van voortgang
|
41. |
Passende methoden voor het meten van voortgang omvatten outputmethoden en inputmethoden. De alinea's B14 tot en met B19 verschaffen leidraden voor het gebruik van outputmethoden en inputmethoden voor het meten van voortgang van een entiteit naar volledige vervulling van een prestatieverplichting. Bij het bepalen van de passende methode voor het meten van voortgang moet een entiteit rekening houden met de aard van de goederen of diensten die de entiteit beloofd heeft over te dragen aan de klant. |
|
42. |
Bij toepassing van een methode voor het meten van voortgang moet een entiteit van de meting van voortgang alle goederen of diensten uitsluiten waarover de entiteit geen zeggenschap aan een klant overdraagt. Een entiteit moet daarentegen bij de meting van vooruitgang alle goederen of diensten betrekken waarover de entiteit wel de zeggenschap aan een klant overdraagt bij het vervullen van die prestatieverplichting. |
|
43. |
Naargelang de omstandigheden over een periode veranderen, moet een entiteit haar meting van vooruitgang actualiseren om alle wijzigingen in het resultaat van de prestatieverplichting tot uitdrukking te brengen. Zulke wijzigingen in de meting door een entiteit van voortgang moeten administratief worden verwerkt als een schattingswijziging in overeenstemming met IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten). |
Redelijke metingen van voortgang
|
44. |
Een entiteit moet opbrengsten voor een over een periode vervulde prestatieverplichting slechts opnemen als de entiteit haar voortgang naar volledige vervulling van de prestatieverplichting redelijkerwijs kan meten. Een entiteit zou niet in staat zijn haar voortgang naar volledige vervulling van de prestatieverplichting redelijkerwijs te meten als zij niet over betrouwbare informatie beschikt die vereist zou zijn om een passende methode voor het meten van voortgang toe te passen. |
|
45. |
In sommige omstandigheden (bijvoorbeeld in de vroege fasen van een contract) is een entiteit mogelijk niet in staat redelijkerwijs het resultaat van een prestatieverplichting te meten, maar verwacht de entiteit de gemaakte kosten goed te maken door vervulling van de prestatieverplichting. In dat geval moet de entiteit de opbrengsten slechts opnemen overeenkomstig de omvang van de gemaakte kosten totdat zij het resultaat van de prestatieverplichting redelijkerwijs kan meten. |
WAARDERING
|
46. |
Wanneer (of naarmate) een prestatieverplichting wordt vervuld, moet een entiteit als opbrengsten het bedrag van de transactieprijs opnemen (exclusief schattingen van de variabele vergoeding die beperkt worden in overeenstemming met de alinea's 56 tot en met 58) dat aan deze prestatieverplichting is toegewezen. |
Bepalen van de transactieprijs
|
47. |
Een entiteit moet met de voorwaarden van het contract en haar gebruikelijke bedrijfspraktijken rekening houden om de transactieprijs te bepalen. De transactieprijs is de vergoeding waarop een entiteit verwacht recht te hebben in ruil voor de overdracht van beloofde goederen of diensten aan een klant, exclusief namens derden geïnde bedragen (bijvoorbeeld bepaalde omzetbelastingen). De in een contract met een klant beloofde vergoeding kan vaste bedragen, variabele bedragen, of beide omvatten. |
|
48. |
De aard, het tijdstip en het bedrag van de door een klant beloofde vergoeding zijn van invloed zijn op de schatting van de transactieprijs. Bij het bepalen van de transactieprijs moet een entiteit rekening houden met de effecten van:
|
|
49. |
Voor het bepalen van de transactieprijs moet een entiteit ervan uitgaan dat de goederen of diensten zoals beloofd in overeenstemming met het bestaande contract aan de klant zullen worden overgedragen en dat het contract niet zal worden geannuleerd, verlengd of herzien. |
Variabele vergoeding
|
50. |
Als de in een contract beloofde vergoeding een variabel bedrag omvat, moet een entiteit de vergoeding schatten waarop de entiteit in ruil voor de overdracht van de beloofde goederen of diensten aan een klant recht zal hebben. |
|
51. |
De vergoeding kan variëren vanwege kortingen, teruggaven, terugbetalingen, spaarpunten, prijsconcessies, incentives, prestatiebonussen, sancties of andere soortgelijke elementen. De beloofde vergoeding kan eveneens variëren als het recht van een entiteit op de vergoeding afhankelijk is van het al dan niet plaatsvinden van een toekomstige gebeurtenis. Een vergoeding zou bijvoorbeeld variabel zijn als een product met een recht van retour werd verkocht of als een vast bedrag als prestatiebonus werd beloofd bij het bereiken van een specifieke mijlpaal. |
|
52. |
De variabiliteit met betrekking tot de door een klant beloofde vergoeding kan expliciet worden vermeld in het contract. Naast de voorwaarden van het contract is de beloofde vergoeding variabel als een van de volgende omstandigheden bestaat:
|
|
53. |
Een entiteit moet een bedrag van de variabele vergoeding schatten met behulp van een van de volgende methoden, afhankelijk ervan welke methode naar verwachting van de entiteit het best de vergoeding waarop zij recht zal hebben zal voorspellen:
|
|
54. |
Een entiteit moet tijdens de hele duur van het contract één methode consequent toepassen bij het schatten van het effect van een onzekerheid op een bedrag van de variabele vergoeding waarop de entiteit recht heeft. Daarnaast moet een entiteit rekening houden met alle informatie (historische, actuele en voorspelde) die redelijkerwijs beschikbaar is voor de entiteit en moet de entiteit een redelijk aantal mogelijke vergoedingen identificeren. De informatie die een entiteit gebruikt voor de schatting van het bedrag van de variabele vergoeding zou doorgaans vergelijkbaar zijn met de informatie die het management van de entiteit gebruikt bij het offerte- en voorstelproces en bij de vaststelling van prijzen voor beloofde goederen of diensten. |
Terugbetalingsverplichtingen
|
55. |
Een entiteit moet een terugbetalingsverplichting opnemen als de entiteit een vergoeding van een klant ontvangt en verwacht die vergoeding geheel of gedeeltelijk aan de klant te zullen terugbetalen. Een terugbetalingsverplichting wordt gewaardeerd op het bedrag van de ontvangen (of te ontvangen) vergoeding waarop de entiteit niet verwacht recht te zullen hebben (d.w.z. bedragen die niet in de transactieprijs zijn inbegrepen). De terugbetalingsverplichting (en overeenkomstige wijziging in de transactieprijs en derhalve de contractverplichting moet aan het einde van elke verslagperiode voor wijzigingen in de omstandigheden worden geactualiseerd. Om een terugbetalingsverplichting met betrekking tot een verkoop met een recht van retour administratief te verwerken, moet een entiteit de leidraden in de alinea's B20 tot en met B27 toepassen. |
Beperking van schattingen van de variabele vergoeding
|
56. |
Een entiteit moet in de transactieprijs een deel van of het volledige bedrag van de in overeenstemming met alinea 53 geraamde variabele vergoeding slechts in zoverre opnemen dat het zeer waarschijnlijk is dat geen significante terugneming van het bedrag van de opgenomen cumulatieve opbrengsten zal plaatsvinden wanneer de onzekerheid in verband met de variabele vergoeding vervolgens wordt opgelost. |
|
57. |
Bij de beoordeling of het zeer waarschijnlijk is dat geen significante terugneming van het bedrag van de opgenomen cumulatieve opbrengsten zal plaatsvinden wanneer de onzekerheid in verband met de variabele vergoeding vervolgens wordt opgelost, moet een entiteit rekening houden met zowel de waarschijnlijkheid als de omvang van de terugneming van opbrengsten. Onder meer de volgende factoren kunnen de waarschijnlijkheid of de omvang van een terugneming van opbrengsten vergroten:
|
|
58. |
Een entiteit moet alinea B63 toepassen om een vergoeding in de vorm van een in ruil voor een licentie op intellectuele eigendom beloofd auteursrecht op basis van gerealiseerde verkopen of op basis van gebruik administratief te verwerken. |
Herbeoordeling van de variabele vergoeding
|
59. |
Aan het einde van elke verslagperiode moet een entiteit de geraamde transactieprijs (inclusief haar beoordeling of een schatting van de variabele vergoeding wordt beperkt) actualiseren om de aan het einde van de verslagperiode aanwezige omstandigheden en de wijzigingen in omstandigheden tijdens de verslagperiode getrouw weer te geven. De entiteit moet wijzigingen in de transactieprijs administratief verwerken in overeenstemming met de alinea's 87 tot en met 90. |
Het bestaan van een significante financieringscomponent in het contract
|
60. |
Bij het bepalen van de transactieprijs moet een entiteit de beloofde vergoeding aanpassen voor de effecten van de tijdswaarde van geld als gezien het tijdstip van de betalingen waarmee door de partijen bij het contract (expliciet of impliciet) is ingestemd de klant of de entiteit een significant voordeel verkrijgt van financiering van de overdracht van goederen of diensten aan de klant. In dat geval omvat het contract een significante financieringscomponent. Een significante financieringscomponent kan bestaan ongeacht of de belofte van financiering uitdrukkelijk in het contract wordt vermeld dan wel impliciet voortvloeit uit de door de partijen bij het contract overeengekomen betalingsvoorwaarden. |
|
61. |
Het doel van het aanpassen van de beloofde vergoeding voor een significante financieringscomponent is dat een entiteit opbrengsten opneemt voor een bedrag waarin de prijs tot uitdrukking komt die een klant voor de beloofde goederen of diensten zou hebben betaald als de klant voor deze goederen contant zou hebben betaald wanneer (of naarmate) deze aan de klant worden overgedragen (d.w.z. de contante verkoopprijs). Een entiteit moet bij het beoordelen of een contract een financieringscomponent bevat en of die financieringscomponent voor het contract significant is met alle relevante feiten en omstandigheden rekening houden, inclusief:
|
|
62. |
Niettegenstaande de beoordeling in alinea 61 zou een contract met een klant in de volgende gevallen geen significante financieringscomponent hebben:
|
|
63. |
Als praktische oplossing moet een entiteit de beloofde vergoeding niet voor de effecten van een significante financieringscomponent aanpassen als de entiteit bij aanvang van het contract verwacht dat de periode tussen het ogenblik waarop de entiteit een beloofd goed of een beloofde dienst aan een klant overdraagt en het ogenblik waarop de klant voor dat goed of die dienst betaalt één jaar of minder is. |
|
64. |
Om bij de aanpassing van de beloofde vergoeding voor een significante financieringscomponent aan de doelstelling in alinea 61 te voldoen, moet een entiteit het disconteringspercentage gebruiken dat bij aanvang van het contract in een afzonderlijke financieringstransactie tussen de entiteit en haar klant tot uitdrukking zou komen. In dat percentage zouden de kredietkenmerken van de partij die in het kader van het contract financiering ontvangt tot uitdrukking komen alsook alle door de klant of de entiteit verstrekte zekerheid of onderpand, inclusief de in het kader van het contract overgedragen activa. Een entiteit is mogelijk in staat dat percentage te bepalen door het percentage te identificeren dat het nominale bedrag van de beloofde vergoeding disconteert tot de prijs die de klant contant voor de goederen of diensten zou betalen wanneer (of naarmate) deze aan de klant worden overgedragen. Na aanvang van het contract mag een entiteit het disconteringspercentage niet actualiseren voor wijzigingen in rentevoeten of andere omstandigheden (zoals een wijziging in de beoordeling van het kredietrisico van de klant). |
|
65. |
Een entiteit moet de effecten van financiering (renteopbrengsten of rentelasten) afzonderlijk van de opbrengsten van contracten met klanten in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten presenteren. Renteopbrengsten of rentelasten worden slechts in zoverre opgenomen dat bij administratieve verwerking van een contract met een klant een contractactief (of een contractvordering) of een contractverplichting wordt opgenomen. |
Niet-geldelijke vergoeding
|
66. |
Om voor contracten waarin een klant een vergoeding in een andere vorm dan geldmiddelen belooft de transactieprijs te bepalen, moet een entiteit de niet-geldelijke vergoeding (of de belofte van een niet-geldelijke vergoeding) tegen reële waarde waarderen. |
|
67. |
Als een entiteit redelijkerwijs de reële waarde van de niet-geldelijke vergoeding niet kan schatten, moet de entiteit de vergoeding indirect waarderen op basis van de opzichzelfstaande verkoopprijs van de goederen of diensten die in ruil voor de vergoeding aan de klant (of de klantencategorie) zijn beloofd. |
|
68. |
De reële waarde van de niet-geldelijke vergoeding kan variëren vanwege de vorm van de vergoeding (bijvoorbeeld een wijziging in de prijs van een aandeel dat een entiteit het recht heeft van een klant te ontvangen). Als de reële waarde van de door een klant beloofde niet-geldelijke vergoeding om andere redenen dan alleen de vorm van de vergoeding varieert (de reële waarde zou bijvoorbeeld kunnen variëren vanwege de prestaties van de entiteit) moet een entiteit de vereisten in de alinea's 56 tot en met 58 toepassen. |
|
69. |
Als een klant goederen of diensten (bijvoorbeeld grondstoffen, uitrusting of arbeid) bijdraagt om de vervulling van het contract door een entiteit te vergemakkelijken, beoordeelt de entiteit of zij zeggenschap over die bijgedragen goederen of diensten verkrijgt. Zo ja, dan moet de entiteit de bijgedragen goederen of diensten als een van de klant ontvangen niet-geldelijke vergoeding administratief verwerken. |
De aan een klant te betalen vergoeding
|
70. |
De aan een klant te betalen vergoeding omvat de geldbedragen die een entiteit aan de klant (of aan andere partijen die de goederen of diensten van de entiteit van de klant kopen) betaalt of verwacht te betalen. De aan een klant te betalen vergoeding omvat ook spaarpunten of andere elementen (bijvoorbeeld een coupon of een voucher) die met aan de entiteit (of aan andere partijen die de goederen of diensten van de entiteit van de klant kopen) verschuldigde bedragen kunnen worden verrekend. Een entiteit moet de aan een klant te betalen vergoeding als een vermindering van de transactieprijs en derhalve van de opbrengsten administratief verwerken tenzij de betaling aan de klant plaatsvindt in ruil voor een onderscheiden goed of dienst (als beschreven in de alinea's 26 tot en met 30) dat of die de klant aan de entiteit overdraagt. Als de aan een klant te betalen vergoeding een variabel bedrag omvat, moet een entiteit in overeenstemming met de alinea's 50 tot en met 58 de transactieprijs schatten en beoordelen of de schatting van de variabele vergoeding beperkt wordt. |
|
71. |
Als de aan een klant te betalen vergoeding een betaling is voor een onderscheiden goed of dienst van de klant, moet een entiteit de aankoop van het goed of de dienst op dezelfde wijze administratief verwerken als de andere aankopen bij leveranciers. Als de aan de klant te betalen vergoeding de reële waarde van het onderscheiden goed of de onderscheiden dienst dat of die de entiteit van de klant ontvangt overschrijdt, moet de entiteit een dergelijke overschrijding administratief verwerken als een vermindering van de transactieprijs. Als de entiteit de reële waarde van het van de klant ontvangen goed of de van de klant ontvangen dienst niet redelijkerwijs kan schatten, moet zij de volledige aan de klant te betalen vergoeding administratief verwerken als een vermindering van de transactieprijs. |
|
72. |
Derhalve moet een entiteit, als de aan een klant te betalen vergoeding administratief wordt verwerkt als een vermindering van de transactieprijs, de vermindering van de opbrengsten opnemen wanneer (of naarmate) de laatste van een van de volgende gebeurtenissen plaatsvindt:
|
Toewijzing van de transactieprijs aan prestatieverplichtingen
|
73. |
Het toewijzen van de transactieprijs heeft tot doel dat een entiteit de transactieprijs aan elke prestatieverplichting (of onderscheiden goed of dienst) toewijst voor een bedrag dat met de vergoeding overeenstemt waarop de entiteit verwacht recht te zullen hebben in ruil voor het overdragen van de beloofde goederen of diensten aan de klant. |
|
74. |
Om aan de toewijzingsdoelstelling te voldoen, moet een entiteit de transactieprijs aan elke in het contract geïdentificeerde prestatieverplichting op basis van een relatieve opzichzelfstaande verkoopprijs toewijzen in overeenstemming met de alinea's 76 tot en met 80, behoudens het bepaalde in de alinea's 81 tot en met 83 (voor het toewijzen van kortingen) en de alinea's 84 tot en met 86 (voor het toewijzen van een vergoeding die variabele bedragen omvat). |
|
75. |
De alinea's 76 tot en met 86 zijn niet van toepassing als het contract slechts één prestatieverplichting omvat. De alinea's 84 tot en met 86 kunnen echter van toepassing zijn als een entiteit belooft een reeks van onderscheiden goederen of diensten die in overeenstemming met alinea 22(b) als één enkele prestatieverplichting zijn geïdentificeerd over te dragen en de beloofde vergoeding variabele bedragen omvat. |
Toewijzing op basis van opzichzelfstaande verkoopprijzen
|
76. |
Om de transactieprijs op basis van een relatieve opzichzelfstaande verkoopprijs aan elke prestatieverplichting toe te wijzen, moet een entiteit de opzichzelfstaande verkoopprijs van het onderscheiden goed of de onderscheiden dienst die aan elke prestatieverplichting in het contract ten grondslag ligt bij aanvang van het contract bepalen en de transactieprijs naar rato van die opzichzelfstaande verkoopprijzen toewijzen. |
|
77. |
De opzichzelfstaande verkoopprijs is prijs waarvoor een entiteit een beloofd goed of een beloofde dienst afzonderlijk zou verkopen aan een klant. De beste indicatie voor een opzichzelfstaande verkoopprijs geeft de waarneembare prijs van een goed of een dienst wanneer de entiteit dat goed of die dienst in vergelijkbare omstandigheden en aan vergelijkbare klanten afzonderlijk verkoopt. Een contractueel vermelde prijs of een catalogusprijs voor een goed of een dienst kan (maar mag niet worden geacht) de opzichzelfstaande verkoopprijs van dat goed of die dienst (te) zijn |
|
78. |
Als een opzichzelfstaande verkoopprijs niet direct waarneembaar is, schat een entiteit de opzichzelfstaande verkoopprijs op een bedrag dat erin zou resulteren dat de transactieprijs die aan de toewijzingsdoelstelling in alinea 73 voldoet, wordt toegewezen. Wanneer een entiteit een opzichzelfstaande verkoopprijs schat, moet zij alle informatie (inclusief marktvoorwaarden, entiteitspecifieke factoren en informatie over de klant of de klantencategorie) in aanmerking nemen die redelijkerwijs voor de entiteit beschikbaar is. Zodoende moet een entiteit het gebruik van waarneembare inputs maximaliseren en schattingsmethoden in vergelijkbare omstandigheden consequent toepassen. |
|
79. |
Onder meer de volgende methoden zijn geschikt voor het schatten van de opzichzelfstaande verkoopprijs van een goed of een dienst:
|
|
80. |
Er kan voor het schatten van de opzichzelfstaande verkoopprijs van in het contract beloofde goederen of diensten een combinatie van methoden moeten worden gebruikt als de opzichzelfstaande verkoopprijs van twee of meer van die goederen of diensten zeer variabel of onzeker zou zijn. Een entiteit zou bijvoorbeeld de totale opzichzelfstaande verkoopprijs van de beloofde goederen of diensten met een zeer variabele of onzekere opzichzelfstaande verkoopprijs met behulp van de residuele aanpak kunnen schatten en vervolgens, met betrekking tot die aan de hand van de residuele aanpak bepaalde geschatte totale opzichzelfstaande verkoopprijs, de opzichzelfstaande verkoopprijs van de afzonderlijke goederen of diensten volgens een andere methode kunnen schatten. Wanneer een entiteit voor het schatten van de opzichzelfstaande verkoopprijs van elk in het contract beloofd goed of elke in het contract beloofde dienst een combinatie van methoden gebruikt, moet de entiteit beoordelen of het toewijzen van de transactieprijs aan die geschatte opzichzelfstaande verkoopprijzen in overeenstemming zou zijn met de toewijzingsdoelstelling in alinea 73 en de vereisten voor het schatten van opzichzelfstaande verkoopprijzen in alinea 78. |
Toewijzing van een korting
|
81. |
Een klant ontvangt een korting voor het kopen van een bundel van goederen of diensten als de som van de opzichzelfstaande verkoopprijs van die in het contract beloofde goederen of diensten de in een contract beloofde vergoeding overschrijdt. Behalve wanneer een entiteit in overeenstemming met alinea 82 waarneembare aanwijzingen heeft dat de volledige korting slechts op één of meer, maar niet alle prestatieverplichtingen in een contract betrekking heeft, moet de entiteit een korting proportioneel aan alle prestatieverplichtingen in het contract toewijzen. De proportionele toewijzing van de korting is er in dat geval een gevolg van dat de entiteit de transactieprijs aan elke prestatieverplichting toewijst op basis van de relatieve opzichzelfstaande verkoopprijs van de onderliggende onderscheiden goederen of diensten. |
|
82. |
Een entiteit moet een korting volledig aan één of meer, maar niet alle, prestatieverplichtingen in het contract toewijzen als aan alle volgende criteria wordt voldaan:
|
|
83. |
Als een korting volledig aan één of meer prestatieverplichtingen in het contract wordt toegewezen in overeenstemming met alinea 82, moet een entiteit de korting toewijzen alvorens gebruik te maken van de residuele aanpak om de opzichzelfstaande verkoopprijs van een goed of een dienst te schatten in overeenstemming met alinea 79(c). |
Toewijzing van de variabele vergoeding
|
84. |
Een in een contract beloofde variabele vergoeding kan toe te schrijven zijn aan het hele contract of aan een specifiek deel van het contract, zoals:
|
|
85. |
Een entiteit moet een variabele vergoeding (en verdere wijzigingen van dat bedrag) volledig aan een prestatieverplichting of aan een onderscheiden goed of dienst dat of die in overeenstemming met alinea 22(b) van één enkele prestatieverplichting deel uitmaakt, toewijzen als beide volgende criteria zijn vervuld:
|
|
86. |
De toewijzingsvereisten in de alinea's 73 tot en met 83 moeten worden toegepast voor het toewijzen van het resterende bedrag van de transactieprijs dat niet aan de criteria in alinea 85 voldoet. |
Wijzigingen in de transactieprijs
|
87. |
Na aanvang van het contract kan de transactieprijs om verschillende redenen wijzigen, inclusief de oplossing van onzekere gebeurtenissen of andere wijzigingen in de omstandigheden waardoor de vergoeding waarop een entiteit verwacht in ruil voor de beloofde goederen of diensten recht te hebben wordt gewijzigd. |
|
88. |
Een entiteit moet alle verdere wijzigingen in de transactieprijs op dezelfde basis als bij aanvang van het contract aan de prestatieverplichtingen in het contract toewijzen. Derhalve mag een entiteit de transactieprijs niet hertoewijzen om wijzigingen in de opzichzelfstaande verkoopprijzen na aanvang van het contract tot uitdrukking te brengen. Aan een vervulde prestatieverplichting toegewezen bedragen moeten in de periode waarin de transactieprijs wijzigt als opbrengsten, of als een vermindering van opbrengsten worden opgenomen. |
|
89. |
Een entiteit moet een wijziging in de transactieprijs slechts volledig aan één of meer, maar niet alle, prestatieverplichtingen of onderscheiden beloofde goederen of diensten in een reeks die in overeenstemming met alinea 22(b) van één enkele prestatieverplichting deel uitmaakt, toewijzen als de criteria in alinea 85 met betrekking tot toewijzing van een variabele vergoeding zijn vervuld. |
|
90. |
Een entiteit moet een wijziging in de transactieprijs uit hoofde van een contractherziening administratief verwerken in overeenstemming met de alinea's 18 tot en met 21. Voor een wijziging in de transactieprijs na een contractherziening moet een entiteit echter de alinea's 87 tot en met 89 toepassen om de wijziging in de transactieprijs op om het even welke van de volgende toepasselijke wijzen toe te wijzen:
|
CONTRACTKOSTEN
Marginale kosten van verkrijging van een contract
|
91. |
Een entiteit moet de marginale kosten van verkrijging van een contract met een klant als een actief opnemen als de entiteit verwacht die kosten te zullen terugverdienen. |
|
92. |
De marginale kosten van verkrijging van een contract zijn de kosten die een entiteit maakt om een contract met een klant te verkrijgen die zij niet zou hebben gemaakt als het contract niet was verkregen (bijvoorbeeld een provisie bij verkoop). |
|
93. |
Kosten om een contract te verkrijgen die zouden zijn gemaakt ongeacht of het contract werd verkregen, moeten worden opgenomen als een last wanneer zij worden gemaakt, tenzij die kosten expliciet voor rekening van de klant zijn ongeacht of het contract wordt verkregen. |
|
94. |
Als praktische oplossing mag een entiteit de marginale kosten van verkrijging van een contract wanneer zij zijn gemaakt als een last opnemen als de afschrijvingsperiode voor het actief die de entiteit anders zou hebben opgenomen één jaar of minder bedraagt. |
Kosten om een contract te vervullen
|
95. |
Als de bij het vervullen van een contract met een klant gemaakte kosten niet binnen het toepassingsgebied van een andere standaard (bijvoorbeeld, IAS 2 Voorraden, IAS 16 Materiële vaste activa of IAS 38 Immateriële vaste activa) vallen, neemt een entiteit een actief uit hoofde van de voor de vervulling van een contract gemaakte kosten alleen op als die kosten aan alle volgende criteria voldoen:
|
|
96. |
Binnen het toepassingsgebied van een andere standaard vallende kosten die worden gemaakt bij het vervullen van een contract moet een entiteit administratief verwerken in overeenstemming met die andere standaarden. |
|
97. |
Kosten die direct betrekking hebben op een contract (of een bepaald verwacht contract) omvatten:
|
|
98. |
Een entiteit moet de volgende kosten als lasten opnemen wanneer zij worden gemaakt:
|
Afschrijving en bijzondere waardevermindering
|
99. |
Een in overeenstemming met alinea 91 of 95 opgenomen actief wordt afgeschreven op een systematische basis, die in overeenstemming is met de overdracht aan de klant van de goederen of diensten waarop het actief betrekking heeft. Het actief kan betrekking hebben op goederen of diensten die op grond van een bepaald verwacht contract moeten worden overgedragen (als beschreven in alinea 95(a)). |
|
100. |
Een entiteit moet de afschrijving actualiseren om een significante wijziging in het door de entiteit verwachte tijdstip van de overdracht aan de klant van de goederen of diensten waarop het actief betrekking heeft tot uitdrukking te brengen. Een dergelijke wijziging moet in overeenstemming met IAS 8 administratief worden verwerkt als een schattingswijziging. |
|
101. |
Een entiteit moet een bijzonder waardeverminderingsverlies in winst of verlies opnemen voor zover de in overeenstemming met alinea 91 of 95 opgenomen boekwaarde van een actief groter is dan:
|
|
102. |
Voor de toepassing van alinea 101 moet een entiteit, om de vergoeding te bepalen die een entiteit verwacht te zullen ontvangen, de principes toepassen voor het bepalen van de transactieprijs (met uitzondering van de vereisten in de alinea's 56 tot en met 58 met betrekking tot de beperking van ramingen van een variabele vergoeding) en dat bedrag aanpassen om de effecten van het kredietrisico van de klant tot uitdrukking te brengen. |
|
103. |
Voordat een entiteit een bijzonder waardeverminderingsverlies voor een in overeenstemming met alinea 91 of 95 opgenomen actief opneemt, moet de entiteit elk bijzonder waardeverminderingsverlies voor in overeenstemming met een andere standaard (bijvoorbeeld, IAS 2, IAS 16 en IAS 38) opgenomen activa in verband met het contract opnemen. Na toepassing van de bijzondere waardeverminderingstoets in alinea 101 moet een entiteit de daaruit voortvloeiende boekwaarde van het actief opgenomen in overeenstemming met alinea 91 of 95 opnemen in de boekwaarde van de kasstroomgenererende eenheid waartoe het behoort ten behoeve van de toepassing van IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa op die kasstroomgenererende eenheid. |
|
104. |
Een entiteit moet een terugneming van sommige of alle voorheen in overeenstemming met alinea 101 opgenomen bijzondere waardeverminderingsverliezen in winst of verlies opnemen wanneer de bijzondere waardeverminderingomstandigheden niet langer bestaan of zijn verbeterd. De verhoogde boekwaarde van het actief mag niet hoger liggen dan het bedrag dat zou zijn bepaald (na afschrijvingen) als voorheen geen bijzonder waardeverminderingsverlies was opgenomen. |
PRESENTATIE
|
105. |
Wanneer elke partij bij een contract heeft gepresteerd, moet een entiteit, afhankelijk van de relatie tussen de prestaties van de entiteit en de betaling van de klant, het contract in het overzicht van de financiële positie als een contractactief of een contractverplichting presenteren. Een entiteit moet alle onvoorwaardelijke rechten op een vergoeding afzonderlijk als een vordering presenteren. |
|
106. |
Als een klant de vergoeding betaalt, of een entiteit een recht op een vergoeding die onvoorwaardelijk is (d.w.z. een vordering) heeft, moet de entiteit alvorens een goed of een dienst aan de klant over te dragen het contract als een contractverplichting presenteren wanneer de betaling wordt gedaan of, wanneer dit vroeger valt, wanneer de betaling verschuldigd is. Een contractverplichting is de verplichting van een entiteit om goederen of diensten aan een klant over te dragen waarvoor de entiteit een vergoeding heeft ontvangen van (of een vergoeding verschuldigd is door) de klant. |
|
107. |
Als een entiteit presteert door goederen of diensten aan een klant over te dragen voordat de klant de vergoeding betaalt of voordat betaling verschuldigd is, moet de entiteit het contract als een contractactief presenteren, exclusief alle als een vordering gepresenteerde bedragen. Een contractactief is het recht van een entiteit op een vergoeding in ruil voor goederen of diensten die de entiteit aan een klant heeft overgedragen. Een entiteit moet een contractactief op bijzondere waardevermindering beoordelen in overeenstemming met IFRS 9. Een bijzondere waardevermindering van een contractactief moet op dezelfde basis worden gewaardeerd, gepresenteerd en gepubliceerd als een financieel actief dat binnen het toepassingsgebied van IFRS 9 valt (zie ook alinea 113(b)). |
|
108. |
Een vordering is het recht van een entiteit op vergoeding dat onvoorwaardelijk is. Een recht op vergoeding is onvoorwaardelijk als slechts het verstrijken van tijd vereist is voordat die vergoeding verschuldigd is. Een entiteit zou bijvoorbeeld een vordering opnemen als zij een actueel recht op betaling heeft ook al zou dat bedrag in de toekomst aan terugbetaling onderworpen kunnen zijn. Een entiteit moet een vordering administratief verwerken in overeenstemming met IFRS 9. Bij eerste opname van een vordering uit hoofde van een contract met een klant moet elk verschil tussen de waardering van de vordering in overeenstemming met IFRS 9 en het opgenomen overeenkomstige opbrengstenbedrag als een last (bijvoorbeeld als een bijzonder waardeverminderingsverlies) worden gepresenteerd. |
|
109. |
Deze standaard gebruikt „contractactief” en „contractverplichting” maar verbiedt niet dat een entiteit voor die elementen in het overzicht van de financiële positie alternatieve omschrijvingen gebruikt. Als een entiteit een alternatieve omschrijving voor een contractactief gebruikt, moet de entiteit voor een gebruiker van de jaarrekening voldoende informatie verstrekken om vorderingen en contractactiva van elkaar te onderscheiden. |
INFORMATIEVERSCHAFFING
|
110. |
Het doel van de informatieverschaffingsvereisten is dat een entiteit voldoende informatie publiceert om gebruikers van jaarrekeningen in staat te stellen inzicht te verkrijgen in de aard, het bedrag, het tijdstip en de onzekerheid van opbrengsten en kasstromen uit hoofde van contracten met klanten. Om dat doel te bereiken, moet een entiteit kwalitatieve en kwantitatieve informatie publiceren over:
|
|
111. |
Een entiteit moet beoordelen hoe ver in detail moet worden gegaan om aan de informatiedoelstelling te voldoen en hoeveel nadruk op elk van de verschillende vereisten van deze IFRS moet worden gelegd. Een entiteit moet de informatie zodanig samenvoegen of opsplitsen dat nuttige informatie niet wordt versluierd doordat deze is opgenomen te midden van een grote hoeveelheid onbeduidende details, dan wel doordat posten zijn samengevoegd die grotendeels verschillende kenmerken hebben. |
|
112. |
Een entiteit moet geen informatie in overeenstemming met deze standaard publiceren als zij de informatie in overeenstemming met een andere standaard heeft verstrekt. |
Contracten met klanten
|
113. |
Een entiteit moet alle volgende bedragen voor de verslagperiode publiceren tenzij die bedragen in overeenstemming met andere standaarden afzonderlijk in het overzicht van gerealiseerde en niet-gerealiseerde resultaten worden gepresenteerd:
|
Opsplitsing van opbrengsten
|
114. |
Een entiteit moet opgenomen opbrengsten van contracten met klanten in categorieën opsplitsen die weergeven op welke wijze de aard, het bedrag, het tijdstip en de onzekerheid van opbrengsten en kasstromen door economische factoren worden beïnvloed. Een entiteit moet de leidraden in de alinea's B87 tot en met B89 toepassen bij het selecteren van de voor het opsplitsen van opbrengsten te gebruiken categorieën. |
|
115. |
Bovendien moet een entiteit voldoende informatie publiceren om gebruikers van jaarrekeningen in staat te stellen inzicht te verkrijgen in de relatie tussen de publicatie van opgesplitste opbrengsten (in overeenstemming met alinea 114) en informatie over opbrengsten die wordt gepubliceerd voor elk rapporteerbaar segment, als de entiteit IFRS 8 Operationele segmenten toepast. |
Contractsaldi
|
116. |
Een entiteit moet de volgende informatie verschaffen:
|
|
117. |
Een entiteit licht toe op welke wijze het tijdstip van de vervulling van haar prestatieverplichtingen (zie alinea 119(a)) verband houdt met het normale tijdstip van de betaling (zie alinea 119(b)) en welk effect die factoren op de saldi van contractactiva en contractverplichtingen hebben. Bij de verstrekte toelichting mag kwalitatieve informatie worden gebruikt. |
|
118. |
Een entiteit moet toelichting verstrekken bij significante wijzigingen in het saldo van contractactiva en contractverplichtingen tijdens de verslagperiode. De toelichting moet kwalitatieve en kwantitatieve informatie omvatten. Voorbeelden van wijzigingen in het saldo van contractactiva en contractverplichtingen van de entiteit zijn onder meer:
|
Prestatieverplichtingen
|
119. |
Een entiteit publiceert informatie over haar prestatieverplichtingen in contracten met klanten, inclusief een beschrijving van:
|
Aan de resterende prestatieverplichtingen toegewezen transactieprijs
|
120. |
Een entiteit moet de volgende informatie publiceren over haar resterende prestatieverplichtingen:
|
|
121. |
Als praktische oplossing moet een entiteit de informatie waarvan sprake in alinea 120 voor een prestatieverplichting niet publiceren als aan een van de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
|
122. |
Een entiteit moet op kwalitatieve wijze toelichten of zij de praktische oplossing in alinea 121 toepast en of enige vergoeding uit hoofde van contracten met klanten niet in de transactieprijs is opgenomen en derhalve niet in de in overeenstemming met alinea 120 gepubliceerde informatie is opgenomen. Een schatting van de transactieprijs zou bijvoorbeeld geen geschatte variabele vergoedingen omvatten die beperkt worden (zie de alinea's 56 tot en met 58). |
Significante oordelen bij de toepassing van deze standaard
|
123. |
Een entiteit moet de oordelen, en gewijzigde oordelen, die zijn gevormd bij de toepassing van deze standaard en die een significante invloed hebben op de bepaling van het bedrag en het tijdstip van de opbrengsten van contracten met klanten publiceren. Met name moet een entiteit toelichting verstrekken bij de oordelen, en gewijzigde oordelen, die zijn gebruikt bij het bepalen van het volgende:
|
Bepaling van het tijdstip van vervulling van prestatieverplichtingen
|
124. |
Voor wat betreft prestatieverplichtingen die een entiteit over een periode vervult moet een entiteit de volgende informatie verschaffen:
|
|
125. |
Voor wat betreft op een tijdstip vervulde prestatieverplichtingen moet een entiteit informatie verschaffen over de significante oordelen die zijn gevormd bij het beoordelen wanneer een klant zeggenschap over beloofde goederen of diensten verkrijgt. |
Bepaling van de transactieprijs en de bedragen die aan de prestatieverplichtingen zijn toegewezen
|
126. |
Een entiteit moet informatie verschaffen over de methoden, inputs en veronderstellingen die zijn gebruikt voor:
|
Activa opgenomen uit hoofde van de kosten om een contract met een klant te verkrijgen of te vervullen
|
127. |
Een entiteit moet het volgende beschrijven:
|
|
128. |
Een entiteit moet de volgende informatie verschaffen:
|
Praktische oplossingen
|
129. |
Als een entiteit ervoor kiest de praktische oplossing in alinea 63 (over het bestaan van een significante financieringscomponent) of alinea 94 (over de marginale kosten van verkrijging van een contract) te gebruiken, moet de entiteit dit bekendmaken. |
Bijlage A
Definities
Deze bijlage maakt integraal deel uit van deze standaard.
|
Contract |
Een overeenkomst tussen twee of meer partijen die afdwingbare rechten en verplichtingen creëert. |
||||
|
Contractactief |
Het recht van een entiteit op vergoeding in ruil voor goederen of diensten die de entiteit heeft overgedragen aan een klant wanneer dat recht afhankelijk is van iets anders dan het verstrijken van de tijd (bijvoorbeeld de toekomstige prestaties van de entiteit). |
||||
|
Contractverplichting |
De verplichting van een entiteit om goederen of diensten aan een klant over te dragen waarvoor de entiteit een vergoeding heeft ontvangen van (of het bedrag verschuldigd is door) de klant. |
||||
|
Klant |
Een partij die met een entiteit een contract heeft gesloten om goederen of diensten die een output zijn van de normale bedrijfsvoering van de entiteit te verkrijgen in ruil voor een vergoeding. |
||||
|
Baten |
Tijdens de verslagperiode toegenomen economische voordelen in de vorm van een instroom van nieuwe activa of de versterking van bestaande activa, dan wel afgenomen verplichtingen, een en ander resulterend in de toename van het eigen vermogen, zonder de toenames die verband houden met bijdragen van deelhebbers in het eigen vermogen. |
||||
|
Prestatieverplichting |
Een belofte in een contract met een klant tot overdracht aan de klant van:
|
||||
|
Opbrengsten |
Baten die ontstaan in het kader van de normale bedrijfsvoering van een entiteit. |
||||
|
Opzichzelfstaande verkoopprijs (van een goed of dienst) |
De prijs waarvoor een entiteit een beloofd goed of een beloofde dienst afzonderlijk zou verkopen aan een klant. |
||||
|
Transactieprijs (voor een contract met een klant) |
De vergoeding waarop een entiteit verwacht recht te zullen hebben in ruil voor het overdragen van beloofde goederen of diensten aan een klant, exclusief namens derden geïnde bedragen. |
Bijlage B
Toepassingsleidraad
Deze bijlage maakt integraal deel uit van deze standaard. Zij beschrijft de toepassing van de alinea's 1 tot en met 129 en heeft dezelfde status als de andere delen van de standaard.
|
B1 |
Deze toepassingsleidraad is in de volgende categorieën georganiseerd:
|
Over een periode vervulde prestatieverplichtingen
|
B2 |
In overeenstemming met alinea 35 wordt een prestatieverplichting over een periode vervuld als aan een van de volgende criteria wordt voldaan:
|
Gelijktijdige ontvangst en consumptie van de voordelen van de prestaties van de entiteit (alinea 35(a))
|
B3 |
Voor sommige soorten prestatieverplichtingen zal gemakkelijk kunnen worden beoordeeld of een klant de voordelen van de prestaties van een entiteit ontvangt naarmate de entiteit presteert en gelijktijdig die voordelen consumeert naarmate zij worden ontvangen. Voorbeelden zijn onder meer routine- of terugkerende diensten (zoals schoonmaakdiensten) waarbij de ontvangst en gelijktijdig consumptie door de klant van de voordelen van de prestaties van de entiteit gemakkelijk te identificeren is. |
|
B4 |
Voor andere soorten prestatieverplichtingen is een entiteit mogelijk niet in staat gemakkelijk te identificeren of een klant gelijktijdig de voordelen van de prestaties van de entiteit ontvangt en consumeert naarmate de entiteit presteert. In dat geval wordt een prestatieverplichting over een periode vervuld als een entiteit bepaalt dat een andere entiteit het werk dat de entiteit reeds heeft verricht niet grotendeels opnieuw zou moeten uitvoeren als die andere entiteit de resterende prestatieverplichting voor de klant zou moeten vervullen. Bij het bepalen of een andere entiteit het werk dat de entiteit reeds heeft verricht niet grotendeels opnieuw zou moeten uitvoeren, moet een entiteit van de volgende veronderstellingen uitgaan:
|
De klant heeft zeggenschap over het actief naarmate het wordt gecreëerd of versterkt (alinea 35(b))
|
B5 |
Bij het bepalen of een klant zeggenschap over een actief heeft naarmate het wordt gecreëerd of versterkt in overeenstemming met alinea 35(b), moet de entiteit de vereisten inzake zeggenschap in de alinea's 31 tot en met 34 en 38 toepassen. Het actief dat wordt gecreëerd of versterkt (bijvoorbeeld een actief onderhanden werk) zou materieel of immaterieel kunnen zijn. |
De prestaties van de entiteit creëren geen actief met een alternatieve gebruiksmogelijkheid (alinea 35(c))
|
B6 |
Bij het beoordelen of een actief voor een entiteit een alternatieve gebruiksmogelijkheid heeft in overeenstemming met alinea 36, moet een entiteit de effecten in aanmerking nemen van contractuele restricties en praktische beperkingen op het vermogen van de entiteit om dat actief voor een ander gebruik te bestemmen, zoals het verkopen ervan aan een andere klant. De mogelijkheid dat het contract met de klant wordt beëindigd, is geen relevante overweging bij het beoordelen of de entiteit in staat zou zijn het actief gemakkelijk voor een ander gebruik te bestemmen. |
|
B7 |
Een contractuele restrictie van het vermogen van een entiteit om een actief voor een ander gebruik te bestemmen, moet materieel zijn wil het actief geen alternatieve gebruiksmogelijkheid voor de entiteit hebben. Een contractuele restrictie is materieel als de klant zijn rechten op het beloofde actief zou kunnen afdwingen als de entiteit zou trachten het actief voor een ander gebruik te bestemmen. Een contractuele restrictie is daarentegen niet materieel als bijvoorbeeld een actief in hoge mate uitwisselbaar is met andere activa die de entiteit aan een andere klant zou kunnen overdragen zonder inbreuk te maken op het contract en zonder significante kosten te maken die met betrekking tot het contract anders niet zouden zijn gemaakt. |
|
B8 |
Een praktische beperking van het vermogen van een entiteit om een actief voor een ander gebruik te bestemmen, bestaat als een entiteit significante economische verliezen zou lijden om het actief voor een ander gebruik te bestemmen. Een significant economisch verlies zou kunnen worden geleden omdat de entiteit significante kosten zou maken om het actief te bewerken of het actief alleen met een significant verlies zou kunnen verkopen. Een entiteit zou bijvoorbeeld praktisch beperkt kunnen worden in het herbestemmen van activa die klantspecifieke ontwerpspecificaties hebben of in verafgelegen gebieden gelokaliseerd zijn. |
Recht op betaling voor reeds verrichte prestaties (alinea 35(c))
|
B9 |
In overeenstemming met alinea 37 heeft een entiteit recht op betaling voor reeds verrichte prestaties als de entiteit recht zou hebben op een bedrag dat de entiteit ten minste voor reeds verrichte prestaties vergoedt ingeval het contract door de klant of een andere partij om andere redenen dan dat de entiteit niet heeft gepresteerd zoals beloofd, wordt beëindigd. Een bedrag dat de entiteit voor reeds verrichte prestaties zou vergoeden, zou een bedrag zijn dat in de buurt ligt van de verkoopprijs van de reeds overgedragen goederen of diensten (waarbij bijvoorbeeld de kosten worden terugverdiend die door een entiteit bij het vervullen van de prestatieverplichting zijn gemaakt, vermeerderd met een redelijke winstmarge) veeleer dan een vergoeding van alleen de potentiële winstderving door de entiteit als het contract zou worden beëindigd. De vergoeding voor een redelijke winstmarge moet niet gelijk zijn aan de verwachte winstmarge als het contract zou worden vervuld zoals beloofd, maar een entiteit zou op een vergoeding voor een van de volgende bedragen recht moeten hebben:
|
|
B10 |
Het recht van een entiteit op betaling voor reeds verrichte prestaties moet geen actueel onvoorwaardelijk recht op betaling zijn. Veelal zal een entiteit slechts een onvoorwaardelijk recht op betaling hebben bij het bereiken van een overeengekomen mijlpaal of bij volledige vervulling van de prestatieverplichting. Bij het beoordelen of zij een recht heeft op betaling voor reeds verrichte prestaties moet een entiteit in aanmerking nemen of zij een afdwingbaar recht om voor reeds verrichte prestaties de betaling te vragen of te behouden zou hebben als het contract vóór voltooiing om andere redenen zou worden beëindigd dan dat de entiteit niet gepresteerd heeft zoals beloofd. |
|
B11 |
Bij sommige contracten heeft een klant alleen op bepaalde momenten tijdens de duur van het contract het recht het contract te beëindigen of heeft een klant niet het recht om het contract te beëindigen. Als een klant overgaat tot beëindiging van een contract zonder het recht te hebben het contract te beëindigen op dat moment (inclusief wanneer een klant zijn verplichtingen niet nakomt zoals beloofd), kan de entiteit contractueel (of wettelijk) het recht hebben aan de klant de in het contract beloofde goederen of diensten te blijven overdragen en de klant te verplichten de in ruil voor die goederen of diensten beloofde vergoeding te betalen. In dat geval heeft een entiteit recht op betaling voor reeds verrichte prestaties omdat de entiteit het recht heeft zijn verplichtingen te blijven nakomen in overeenstemming met het contract en de klant te verplichten zijn verplichtingen (inclusief betaling van de beloofde vergoeding) na te komen. |
|
B12 |
Bij het beoordelen van het bestaan en de afdwingbaarheid van een recht op betaling voor reeds verrichte prestaties moet een entiteit de contractuele voorwaarden en alle wetgeving of juridische precedenten in aanmerking nemen die die contractuele voorwaarden kunnen aanvullen of er voorrang op kunnen hebben. Dit zou een beoordeling omvatten:
|
|
B13 |
De in een contract bepaalde betalingsregeling is er niet noodzakelijk een indicatie voor of een entiteit een afdwingbaar recht heeft om voor reeds verrichte prestaties te worden betaald. Hoewel de betalingsregeling in een contract het tijdstip en de vergoeding bepaalt dat aan een klant moet worden betaald, blijkt uit de betalingsregeling misschien niet noodzakelijk dat de entiteit het recht heeft voor reeds verrichte prestaties te worden betaald. Dit komt omdat het contract bijvoorbeeld zou kunnen bepalen dat de van de klant ontvangen vergoeding terugbetaalbaar is om andere redenen dan dat de entiteit niet presteert zoals in het contract beloofd. |
Methoden voor de meting van de voortgang naar volledige vervulling van een prestatieverplichting
|
B14 |
Methoden die kunnen worden gebruikt voor het meten van de voortgang van een entiteit naar volledige vervulling van een prestatieverplichting die over een periode wordt vervuld in overeenstemming met de alinea's 35 tot en met 37 omvatten:
|
Outputmethoden
|
B15 |
Bij outputmethoden worden opbrengsten opgenomen op basis van directe bepalingen van de waarde voor de klant van de reeds overgedragen goederen of diensten in verhouding tot de resterende onder het contract beloofde goederen of diensten. Outputmethoden omvatten methoden zoals onderzoeken naar reeds uitgevoerde prestaties, beoordelingen van de behaalde resultaten, bereikte mijlpalen, verstreken tijd en geproduceerde of geleverde eenheden. Wanneer een entiteit beoordeelt of zij een outputmethode zal toepassen om haar voortgang te meten, moet de entiteit in aanmerking nemen of de geselecteerde output de prestaties van de entiteit voor wat betreft volledige vervulling van de prestatieverplichting getrouw zou weergeven. Een outputmethode zou de prestaties van de entiteit niet getrouw weergeven als de geselecteerde output sommige goederen of diensten niet zou meten waarvoor de zeggenschap op de klant is overgegaan. Bij outputmethoden op basis van geproduceerde eenheden of geleverde eenheden bijvoorbeeld zouden de prestaties van een entiteit voor wat betreft het vervullen van een prestatieverplichting niet getrouw worden weergegeven als aan het einde van de verslagperiode de prestaties van de entiteit onderhanden werk of gereed product waarover de klant zeggenschap heeft hebben opgeleverd die niet in de meting van de output zijn betrokken. |
|
B16 |
Als praktische oplossing mag een entiteit, als zij recht heeft op een vergoeding van een klant voor een bedrag dat direct overeenstemt met de waarde voor de klant van de door de entiteit reeds verrichte prestaties (bijvoorbeeld een dienstverleningscontract waarbij een entiteit een vast bedrag factureert voor elk uur dienstverlening), opbrengsten opnemen voor het bedrag waarvoor de entiteit mag factureren. |
|
B17 |
De nadelen van outputmethoden zijn dat de outputs die worden gebruikt om de voortgang te meten mogelijk niet direct waarneembaar zijn en de informatie die vereist is om deze toe te passen zonder excessieve kosten voor een entiteit mogelijk niet beschikbaar is. Derhalve kan een inputmethode noodzakelijk zijn. |
Inputmethoden
|
B18 |
Bij inputmethoden worden opbrengsten opgenomen op basis van de inspanningen of inputs van de entiteit voor het vervullen van een prestatieverplichting (bijvoorbeeld de geconsumeerde middelen, gepresteerde arbeidsuren, gemaakte kosten, verstreken tijd of gebruikte machine-uren) in verhouding tot de totale verwachte inputs voor het vervullen van die prestatieverplichting. Als de inspanningen of inputs van de entiteit gelijkmatig over de gehele prestatieperiode gepresteerd zijn, kan het voor de entiteit passend zijn de opbrengsten op tijdsevenredige basis op te nemen. |
|
B19 |
Een nadeel van inputmethoden is dat er mogelijk geen directe relatie is tussen de inputs van een entiteit en de overdracht van zeggenschap over goederen of diensten aan een klant. Derhalve moet een entiteit van een inputmethode de effecten uitsluiten van alle inputs die, in overeenstemming met de doelstelling van meting van de voortgang in alinea 39, de prestaties van de entiteit op het punt van het overdragen van zeggenschap over goederen of diensten aan de klant niet weergeven. Bij gebruik van een op kostprijs gebaseerde input bijvoorbeeld kan in de volgende omstandigheden een aanpassing van de meting van de voortgang vereist zijn:
|
Verkoop met een recht van retour
|
B20 |
Bij sommige contracten draagt een entiteit de zeggenschap over een product aan een klant over en verleent zij de klant ook het recht om om diverse redenen (zoals ontevredenheid over het product) het product te retourneren en een combinatie te ontvangen van:
|
|
B21 |
Om de overdracht van producten met een recht van retour (en bepaalde diensten die worden geleverd en onderworpen zijn aan de mogelijkheid van terugbetaling) administratief te verwerken, moet een entiteit opnemen:
|
|
B22 |
De belofte van een entiteit om bereid te zijn tijdens de periode van retour een geretourneerd product te aanvaarden, moet niet als een prestatieverplichting naast de verplichting tot terugbetaling administratief worden verwerkt. |
|
B23 |
Een entiteit moet de vereisten in de alinea's 47 tot en met 72 (inclusief de vereisten met betrekking tot de beperking van ramingen van een variabele vergoeding in de alinea's 56 tot en met 58) toepassen om de vergoeding te bepalen waarop de entiteit verwacht recht te zullen hebben (d.w.z. exclusief de producten die naar verwachting zullen worden geretourneerd). Voor alle ontvangen (of te ontvangen) bedragen waarop een entiteit niet verwacht recht te zullen hebben, neemt de entiteit geen opbrengsten op wanneer zij producten aan klanten overdraagt, maar neemt zij deze ontvangen (of te ontvangen) bedragen als een terugbetalingsverplichting op. Vervolgens, aan het einde van elke verslagperiode, moet de entiteit haar beoordeling van bedragen waarop zij in ruil voor de overgedragen producten verwacht recht te zullen hebben actualiseren en moet zij een overeenkomstige wijziging in de transactieprijs en derhalve in het opgenomen bedrag van de opbrengsten aanbrengen. |
|
B24 |
Een entiteit moet de waardering van de terugbetalingsverplichting aan het einde van elke verslagperiode actualiseren voor wijzigingen in de verwachtingen over het bedrag van de terugbetalingen. Een entiteit moet de overeenkomstige aanpassingen als opbrengsten (of verminderingen van opbrengsten) opnemen. |
|
B25 |
Een actief opgenomen voor het recht van een entiteit om producten van een klant terug te krijgen bij de afwikkeling van een terugbetalingsverplichting moet initieel worden gewaardeerd op basis van de vroegere boekwaarde van het product (bijvoorbeeld voorraad) verminderd met alle verwachte kosten om die producten terug te krijgen (inclusief mogelijke dalingen in waarde voor de entiteit van geretourneerde producten). Aan het einde van elke verslagperiode moet een entiteit de waardering van het actief uit hoofde van wijzigingen in de verwachtingen over te retourneren producten actualiseren. Een entiteit moet het actief afzonderlijk van de terugbetalingsverplichting presenteren. |
|
B26 |
De ruil door klanten van een product tegen een ander product van dezelfde soort, kwaliteit, conditie en prijs (bijvoorbeeld een kleur of maat voor een andere kleur of maat) wordt voor de toepassing van deze standaard niet als een retour beschouwd. |
|
B27 |
Contracten waarbij een klant een ondeugdelijk product mag retourneren in ruil voor een werkend product moeten worden beoordeeld in overeenstemming met de leidraad over garanties in de alinea's B28 tot en met B33. |
Garanties
|
B28 |
Het komt veel voor dat een entiteit (in overeenstemming met het contract, de wet of de gebruikelijke bedrijfspraktijken van de entiteit) een garantie verstrekt in verband met de verkoop van een product (een goed of een dienst). De aard van een garantie kan significant variëren per sector en per contract. Sommige garanties bieden een klant zekerheid ervoor dat het betrokken product zal werken zoals de partijen in gedachten hadden omdat het aan overeengekomen specificaties voldoet. Andere garanties verlenen de klant een dienst naast de zekerheid dat het product aan de overeengekomen specificaties voldoet. |
|
B29 |
Als een klant de optie heeft om afzonderlijk een garantie te kopen (bijvoorbeeld omdat de garantie afzonderlijk wordt geprijsd of bedongen), is de garantie een onderscheiden dienst omdat de entiteit belooft de dienst aan de klant te zullen leveren naast het product met de in het contract beschreven functionaliteit. In dat geval moet een entiteit de beloofde garantie administratief verwerken als een prestatieverplichting in overeenstemming met de alinea's 22 tot en met 30 en een deel van de transactieprijs aan die prestatieverplichting toewijzen in overeenstemming met de alinea's 73 tot en met 86. |
|
B30 |
Als een klant niet de optie heeft om afzonderlijk een garantie te kopen, moet een entiteit de garantie administratief verwerken in overeenstemming met IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa tenzij de beloofde garantie, of een deel van de beloofde garantie, de klant een dienst biedt naast de zekerheid dat het product aan de overeengekomen specificaties voldoet. |
|
B31 |
Bij het beoordelen of een garantie een klant een dienst biedt naast de zekerheid dat het product aan de overeengekomen specificaties voldoet, moet een entiteit factoren in aanmerking nemen zoals:
|
|
B32 |
Als een garantie of een deel van een garantie in een dienst aan een klant voorziet naast de zekerheid dat het product aan overeengekomen specificaties voldoet, is de beloofde dienst een prestatieverplichting. Derhalve moet een entiteit de transactieprijs aan het product en de dienst toewijzen. Als een entiteit zowel een verzekeringsachtige als een dienstachtige garantie belooft, maar deze redelijkerwijs niet afzonderlijk administratief kan verwerken, moet de entiteit beide garanties samen als één enkele prestatieverplichting administratief verwerken. |
|
B33 |
Indien een entiteit wettelijk een vergoeding moet betalen als haar producten nadeel of schade berokkenen, geeft dit geen aanleiding tot een prestatieverplichting. Het zou zich bijvoorbeeld kunnen voordoen dat een fabrikant producten verkoopt in een rechtsgebied waar de fabrikant wettelijk aansprakelijk is voor alle schade (bijvoorbeeld aan persoonlijke goederen) die zou kunnen worden veroorzaakt door een consument die een product voor zijn beoogde doel gebruikt. Evenzo geeft de belofte van een entiteit om de klant te vrijwaren tegen aansprakelijkheid en schadevergoeding uit hoofde van claims wegens octrooirechtelijke, auteursrechtelijke, handelsmerkrechtelijke of andere inbreuken door de producten van de entiteit geen aanleiding tot een prestatieverplichting. De entiteit moet dergelijke verplichtingen administratief verwerken in overeenstemming met IAS 37. |
De principaal vergeleken met de agent
|
B34 |
Wanneer een andere partij betrokken is bij het leveren van goederen of diensten aan een klant, moet de entiteit bepalen of de aard van haar belofte een prestatieverplichting is om specifieke goederen of diensten zelf te leveren (d.w.z. de entiteit is een principaal) of om te regelen dat de andere partij die goederen of diensten levert (d.w.z. de entiteit is een agent). |
|
B35 |
Een entiteit is een principaal als de entiteit over een beloofd goed of een beloofde dienst zeggenschap heeft voordat de entiteit het goed of de dienst aan een klant overdraagt. Een entiteit handelt niet noodzakelijk als een principaal als de entiteit slechts tijdelijk de juridische eigendom van een product verkrijgt voordat de juridische eigendom aan een klant wordt overgedragen. Een entiteit die een principaal is bij een contract kan een prestatieverplichting zelf vervullen of kan een andere partij (bijvoorbeeld een onderaannemer) inhuren om namens haar sommige of alle prestatieverplichtingen te vervullen. Wanneer een entiteit die een principaal is een prestatieverplichting vervult, neemt de entiteit opbrengsten op voor de brutovergoeding waarop zij verwacht in ruil voor de overgedragen goederen of diensten recht te zullen hebben. |
|
B36 |
Een entiteit is een agent als de prestatieverplichting van de entiteit erin bestaat de levering van goederen of diensten door een andere partij te regelen. Wanneer een entiteit die een agent is een prestatieverplichting vervult, neemt de entiteit opbrengsten op voor het bedrag van de honoraria of provisies waarop zij verwacht recht te zullen hebben in ruil om te regelen dat de andere partij haar goederen of diensten levert. Het honorarium of de provisie van een entiteit zou de nettovergoeding kunnen zijn die de entiteit behoudt na het betalen aan de andere partij van de vergoeding ontvangen in ruil voor de goederen of diensten die door die partij moeten worden geleverd. |
|
B37 |
Indicatoren dat een entiteit een agent is (en derhalve geen zeggenschap over het goed of de dienst heeft voordat deze aan een klant wordt geleverd) zijn onder meer:
|
|
B38 |
Als een andere entiteit de prestatieverplichtingen en contractuele rechten in het contract op zich neemt zodat de entiteit niet langer verplicht is de prestatieverplichting te vervullen om de beloofde goederen of diensten aan de klant over te dragen (d.w.z. de entiteit handelt niet langer als principaal), moet de entiteit geen opbrengsten voor die prestatieverplichting opnemen. In plaats daarvan moet de entiteit beoordelen of zij opbrengsten opneemt voor het vervullen van een prestatieverplichting om een contract voor de andere partij te verkrijgen (d.w.z. of de entiteit als een agent handelt). |
Klantenopties voor bijkomende goederen of diensten
|
B39 |
Klantenopties om bijkomende goederen of diensten gratis of tegen een korting te verwerven nemen veel vormen aan, inclusief verkoopincentives, klantenspaarpunten (of punten), contractverlengingsopties of andere kortingen op toekomstige goederen of diensten. |
|
B40 |
Als in een contract een entiteit een klant de optie verleent om bijkomende goederen of diensten te verwerven, geeft die optie alleen tot een prestatieverplichting in het contract aanleiding als de optie aan de klant een materieel recht verleent dat hij niet zou ontvangen zonder dat contract aan te gaan (bijvoorbeeld een korting bovenop de uiteenlopende kortingen die gewoonlijk voor die goederen of diensten aan die categorie van klanten in dat geografische gebied of op die markt worden gegeven). Als de optie een materieel recht aan de klant verleent, betaalt de klant in feite de entiteit vooraf voor toekomstige goederen of diensten en neemt de entiteit opbrengsten op wanneer die toekomstige goederen of diensten worden overgedragen of wanneer de optie verstrijkt. |
|
B41 |
Als een klant de optie heeft om een bijkomend goed of een bijkomende dienst te verwerven tegen een prijs waarin de opzichzelfstaande verkoopprijs voor dat goed of die dienst tot uitdrukking zou komen, verleent die optie de klant geen materieel recht ook al kan de optie alleen worden uitgeoefend door een voorafgaand contract aan te gaan. In die gevallen heeft de entiteit een verkoopaanbod gedaan die zij in overeenstemming met deze standaard alleen administratief moet verwerken wanneer de klant de optie uitoefent om de bijkomende goederen of diensten te kopen. |
|
B42 |
Alinea 74 verplicht een entiteit de transactieprijs op basis van een relatieve opzichzelfstaande verkoopprijs aan prestatieverplichtingen toe te wijzen. Als de opzichzelfstaande verkoopprijs voor een optie van een klant om bijkomende goederen of diensten te verwerven niet direct waarneembaar is, moet een entiteit deze schatten. In die schatting moet de korting tot uitdrukking komen die de klant zou verkrijgen bij uitoefening van de optie, aangepast voor:
|
|
B43 |
Als een klant een materieel recht heeft om toekomstige goederen of diensten te verwerven en die goederen of diensten vergelijkbaar zijn met de oorspronkelijke goederen of diensten in het contract en worden geleverd in overeenstemming met de voorwaarden van het oorspronkelijke contract, mag een entiteit, als praktisch alternatief voor het schatten van de opzichzelfstaande verkoopprijs van de optie, de transactieprijs aan de optionele goederen of diensten toeschrijven op basis van de goederen of diensten die naar verwachting zullen worden geleverd en de overeenkomstige verwachte vergoeding. Gewoonlijk gaat het bij die soorten opties om opties voor contractverlengingen. |
Door de klanten niet uitgeoefende rechten
|
B44 |
In overeenstemming met alinea 106 moet een entiteit bij ontvangst van een vooruitbetaling van een klant een contractverplichting opnemen voor het bedrag van de vooruitbetaling voor haar prestatieverplichting om in de toekomst goederen of diensten over te dragen of bereid te zijn dat te doen. Een entiteit moet die contractverplichting verwijderen (en opbrengsten opnemen) wanneer zij die goederen of diensten overdraagt en derhalve haar prestatieverplichting vervult. |
|
B45 |
Een niet-terugbetaalbare vooruitbetaling van een klant aan een entiteit geeft de klant een recht om in de toekomst een goed of een dienst te ontvangen (en verplicht de entiteit bereid te zijn om een goed of een dienst over te dragen). Klanten oefenen echter misschien niet al hun contractuele rechten uit. Die niet-uitgeoefende rechten worden in het Engels vaak „breakage” genoemd. |
|
B46 |
Als een entiteit verwacht recht te zullen hebben op een bedrag uit hoofde van niet-uitgeoefende rechten in verband met een contractverplichting, moet de entiteit het verwachte bedrag uit hoofde van niet-uitgeoefende rechten als opbrengst opnemen in verhouding tot het patroon van de door de klant uitgeoefende rechten. Als een entiteit niet verwacht op een bedrag uit hoofde van niet-uitgeoefende rechten recht te zullen hebben, neemt de entiteit het verwachte bedrag uit hoofde van niet-uitgeoefende rechten als opbrengst op wanneer de waarschijnlijkheid dat de klant zijn resterende rechten zal uitoefenen klein is. Om te bepalen of een entiteit verwacht recht te zullen hebben op een bedrag uit hoofde van niet-uitgeoefende rechten, moet de entiteit de vereisten in de alinea's 56 tot en met 58 met betrekking tot beperking van schattingen van de variabele vergoeding in aanmerking nemen. |
|
B47 |
Een entiteit neemt een verplichting (en geen opbrengst) op voor elke ontvangen vergoeding die toe te schrijven is aan de door een klant niet-uitgeoefende rechten waarvoor de entiteit, in overeenstemming met de geldende wetten inzake niet-opgeëiste goederen, geld moet overmaken aan een andere partij, bijvoorbeeld een overheidsentiteit. |
Niet-terugbetaalbare vooruitbetalingen (en bepaalde desbetreffende kosten)
|
B48 |
Bij sommige contracten rekent een entiteit een klant een niet-terugbetaalbare vooruitbetaling aan bij of rond de aanvang van het contract. Voorbeelden zijn onder meer aansluitingsgeld in contracten om lid te worden van een fitnessclub, activeringskosten in telecommunicatiecontracten, instellingskosten in bepaalde dienstverleningscontracten en voorbereidingskosten in bepaalde leveringscontracten. |
|
B49 |
Om in dergelijke contracten prestatieverplichtingen te identificeren, moet een entiteit beoordelen of de kosten betrekking hebben op de overdracht van een beloofd goed of een beloofde dienst. Hoewel een niet-terugbetaalbare vooruitbetaling betrekking heeft op een activiteit die een onderneming bij of rond de aanvang van het contract moet ondernemen om het contract te vervullen, resulteert die activiteit veelal niet in de overdracht van een beloofd goed of een beloofde dienst aan de klant (zie alinea 25). Veeleer is de vooruitbetaling een voorschot voor toekomstige goederen of diensten en zou zij derhalve als opbrengst opgenomen worden wanneer die toekomstige goederen of diensten worden geleverd. De opbrengstopnameperiode zou zich tot voorbij de initiële contractuele periode uitstrekken als de entiteit de klant de optie verleent het contract te verlengen en die optie de klant een materieel recht verleent als beschreven in alinea B40. |
|
B50 |
Als de niet-terugbetaalbare vooruitbetaling betrekking heeft op een goed of een dienst, moet de entiteit beoordelen of het goed of de dienst administratief verwerkt wordt als een afzonderlijke prestatieverplichting in overeenstemming met de alinea's 22 tot en met 30. |
|
B51 |
Een entiteit mag een niet-terugbetaalbare vooruitbetaling gedeeltelijk als vergoeding aanrekenen voor kosten die worden gemaakt bij het instellen van een contract (of andere administratieve taken als beschreven in alinea 25). Als bij die instellingsactiviteiten geen prestatieverplichting vervuld wordt, moet de entiteit die activiteiten (en de desbetreffende kosten) buiten beschouwing laten bij het meten van de voortgang in overeenstemming met alinea B19. Dat komt omdat de kosten van instellingsactiviteiten geen weergave zijn van de overdracht van diensten aan de klant. De entiteit moet beoordelen of kosten die worden gemaakt bij het instellen van een contract in een actief hebben geresulteerd dat moet worden opgenomen in overeenstemming met alinea 95. |
Licentieverlening
|
B52 |
Een licentie stelt de rechten van een klant op de intellectuele eigendom van een entiteit vast. Licenties van intellectuele eigendom kunnen onder meer omvatten:
|
|
B53 |
Naast een belofte om een licentie aan een klant te verlenen, kan een entiteit ook beloven andere goederen of diensten aan de klant over te dragen. Die beloften kunnen expliciet vermeld worden in het contract of impliciet uit de gebruikelijke bedrijfspraktijken, gepubliceerde gedragslijnen of specifieke verklaringen van een entiteit voortvloeien (zie alinea 24). Net als bij andere soorten contracten moet een entiteit, wanneer een contract met een klant naast andere beloofde goederen of diensten een belofte omvat om een licentie te verlenen, de alinea's 22 tot en met 30 toepassen om elk van de prestatieverplichtingen in het contract te identificeren. |
|
B54 |
Als de belofte om een licentie te verlenen niet onderscheiden is van andere beloofde goederen of diensten in het contract in overeenstemming met de alinea's 26 tot en met 30, moet een entiteit de belofte om een licentie te verlenen en die andere beloofde goederen of diensten samen als één enkele prestatieverplichting administratief verwerken. Voorbeelden van licenties die niet onderscheiden zijn van andere beloofde goederen of diensten in het contract zijn onder meer:
|
|
B55 |
Als de licentie niet onderscheiden is, moet een entiteit de alinea's 31 tot en met 38 toepassen om te bepalen of de prestatieverplichting (die de beloofde licentie omvat) een over een periode of een op een tijdstip vervulde prestatieverplichting is. |
|
B56 |
Als de belofte om de licentie te verlenen onderscheiden is van de andere beloofde goederen of diensten in het contract en de belofte om de licentie te verlenen derhalve een afzonderlijke prestatieverplichting is, moet een entiteit bepalen of de licentie op een tijdstip dan wel over een periode aan een klant wordt overgedragen. Hierbij moet een entiteit in aanmerking nemen of de aard van de belofte van de entiteit in zoverre de licentie aan een klant wordt toegekend, erin bestaat aan de klant:
|
Bepalen van de aard van de belofte van een entiteit
|
B57 |
Om te bepalen of de belofte van een entiteit om een licentie toe te kennen een klant een recht verleent om toegang te hebben tot de intellectuele eigendom van een entiteit of een recht verleent om gebruik te maken van de intellectuele eigendom van een entiteit, moet een entiteit in aanmerking nemen of een klant op het tijdstip waarop de licentie wordt toegekend het gebruik ervan kan bestemmen en grotendeels alle resterende voordelen ervan kan verkrijgen. Een klant kan op het tijdstip waarop de licentie wordt toegekend niet het gebruik ervan bestemmen en grotendeels alle resterende voordelen ervan verkrijgen als de intellectuele eigendom waarop de klant rechten heeft tijdens de hele duur van de licentie wijzigt. De intellectuele eigendom zal wijzigen (en aldus van invloed zijn op de beoordeling door de entiteit wanneer de klant zeggenschap heeft over de licentie) wanneer de entiteit betrokken blijft bij haar intellectuele eigendom en de entiteit activiteiten onderneemt die significant van invloed zijn op de intellectuele eigendom waarop de klant rechten heeft. In die gevallen verleent de licentie de klant een recht op toegang tot de intellectuele eigendom van de entiteit (zie alinea B58). Een klant kan daarentegen op het tijdstip waarop de licentie wordt toegekend het gebruik ervan bestemmen en grotendeels alle resterende voordelen ervan verkrijgen als de intellectuele eigendom waarop de klant rechten heeft niet wijzigt. In die gevallen wijzigen alle door de entiteit ondernomen activiteiten alleen haar eigen actief (d.w.z. de onderliggende intellectuele eigendom), hetgeen van invloed kan zijn op het vermogen van de entiteit om toekomstige licenties te verlenen; die activiteiten zouden echter niet van invloed zijn op het bepalen waar de licentie in voorziet of waar de klant zeggenschap over heeft. |
|
B58 |
De aard van de belofte van een entiteit in zoverre een licentie wordt verleend is een belofte om een recht op toegang tot de intellectuele eigendom van de entiteit te verlenen als alle volgende criteria zijn vervuld:
|
|
B59 |
Factoren die er een indicatie voor kunnen zijn dat een klant redelijkerwijs zou kunnen verwachten dat een entiteit activiteiten zal ondernemen die significant van invloed zijn op de intellectuele eigendom zijn onder meer de gebruikelijke bedrijfspraktijken, gepubliceerde gedragslijnen of specifieke verklaringen van een entiteit. Hoewel niet bepalend, kan ook het bestaan van een gedeeld economisch belang (bijvoorbeeld een auteursrecht op basis van gerealiseerde verkopen) tussen de entiteit en de klant met betrekking tot de intellectuele eigendom waarop de klant rechten heeft erop wijzen dat de klant redelijkerwijs zou kunnen verwachten dat de entiteit zulke activiteiten zal ondernemen. |
|
B60 |
Als de criteria in alinea B58 worden vervuld, moet een entiteit de belofte om een licentie te verlenen administratief verwerken als een over een periode vervulde prestatieverplichting omdat de klant het voordeel van de prestatie van de entiteit om toegang tot haar intellectuele eigendom te verlenen gelijktijdig zal ontvangen en consumeren naarmate de prestatie plaatsvindt (zie alinea 35(a)). Een entiteit moet de alinea's 39 tot en met 45 toepassen om een passende methode te selecteren om haar voortgang te meten naar volledige vervulling van die prestatieverplichting om toegang te verlenen. |
|
B61 |
Als de criteria in alinea B58 niet zijn vervuld, is de aard van de belofte van een entiteit een recht te verlenen om gebruik te maken van de intellectuele eigendom van de entiteit naarmate die intellectuele eigendom (in termen van vorm en functionaliteit) bestaat op het tijdstip waarop de licentie aan de klant wordt verleend. Dit betekent dat de klant op het tijdstip waarop de licentie wordt overgedragen het gebruik ervan kan bestemmen en grotendeels alle resterende voordelen ervan kan verkrijgen. Een entiteit moet de belofte om een recht te verlenen om gebruik te maken van de intellectuele eigendom van de entiteit administratief verwerken als een op een tijdstip vervulde prestatieverplichting. Een entiteit moet alinea 38 toepassen om het tijdstip te bepalen waarop de licentie aan de gebruiker wordt overgedragen. Er kunnen echter geen opbrengsten worden opgenomen voor een licentie die vóór het begin van de periode tijdens welke de klant in staat is gebruik te maken en te profiteren van de licentie een recht verleent om van de intellectuele eigendom van de entiteit gebruik te maken. Als bijvoorbeeld een softwarelicentieperiode ingaat voordat een entiteit aan de klant een code levert (of op andere wijze beschikbaar stelt) waarmee de klant de software onmiddellijk kan gebruiken, zou de entiteit geen opbrengsten opnemen voordat die code is geleverd (of op andere wijze beschikbaar gesteld). |
|
B62 |
Een entiteit moet de volgende factoren buiten beschouwing laten bij het bepalen of een licentie een recht om toegang te hebben tot de intellectuele eigendom van de entiteit of een recht om de intellectuele eigendom van de entiteit te gebruiken inhoudt:
|
Auteursrechten op basis van gerealiseerde verkopen of op basis van gebruik
|
B63 |
Niettegenstaande de vereisten in de alinea's 56 tot en met 59 moet een entiteit opbrengsten voor een in ruil voor een licentie op intellectuele eigendom beloofd auteursrecht op basis van gerealiseerde verkopen of op basis van gebruik alleen opnemen wanneer (of naarmate) de laatste van de volgende gebeurtenissen plaatsvindt:
|
Terugkoopovereenkomsten
|
B64 |
Een terugkoopovereenkomst is een contract waarin een entiteit een actief verkoopt en (in hetzelfde contract of in een ander contract) eveneens belooft of een optie heeft om het actief terug te kopen. Het teruggekochte actief kan het actief zijn dat oorspronkelijk aan de klant is verkocht, een actief dat grotendeels hetzelfde is als dat actief of een ander actief zijn waarvan het actief dat oorspronkelijk werd verkocht een component is. |
|
B65 |
Terugkoopovereenkomsten nemen gewoonlijk drie vormen aan:
|
Een forward of een calloptie
|
B66 |
Als een entiteit verplicht is of het recht heeft het actief terug te kopen (een forward of een calloptie) verkrijgt een klant geen zeggenschap over het actief omdat de klant beperkt wordt in zijn vermogen om het gebruik van het actief te bestemmen en grotendeels alle resterende voordelen van het actief te verkrijgen ook al heeft de klant misschien het actief fysiek in zijn bezit. Bijgevolg moet de entiteit het contract als volgt administratief verwerken:
|
|
B67 |
Wanneer een entiteit de terugkoopprijs met de verkoopprijs vergelijkt, moet een entiteit de tijdwaarde van geld in aanmerking nemen. |
|
B68 |
Als de terugkoopovereenkomst een financieringsovereenkomst is, moet de entiteit het actief blijven opnemen en ook een financiële verplichting opnemen voor elke van de klant ontvangen vergoeding. De entiteit moet het verschil opnemen tussen de van de klant ontvangen vergoeding en de aan de klant als rente en, in voorkomend geval, als kosten van verwerking of aanhouding (bijvoorbeeld verzekering) te betalen vergoeding. |
|
B69 |
Als de optie onuitgeoefend verstrijkt, moet een entiteit de verplichting verwijderen en de opbrengsten opnemen. |
Een putoptie
|
B70 |
Als een entiteit verplicht is het actief op verzoek van de klant terug te kopen (een putoptie) tegen een prijs die lager is dan de oorspronkelijke verkoopprijs van het actief, moet de entiteit bij aanvang van het contract in aanmerking nemen of de klant een significante economische incentive heeft om dat recht uit te oefenen. Wanneer de klant dat recht uitoefent, resulteert dit erin dat de klant de entiteit in feite een vergoeding betaalt voor het recht om een bepaald actief voor een periode te gebruiken. Derhalve moet de entiteit, als de klant een significante economische incentive heeft om dat recht uit te oefenen, de overeenkomst administratief verwerken als een leaseovereenkomst in overeenstemming met IAS 17. |
|
B71 |
Om te bepalen of een klant een significante economische incentive heeft om zijn recht uit te oefenen, moet een entiteit diverse factoren in aanmerking nemen, inclusief de verhouding van de terugkoopprijs tot de verwachte marktwaarde van het actief op de datum van de terugkoop en de tijd totdat het recht verstrijkt. Als bijvoorbeeld verwacht wordt dat de terugkoopprijs de marktwaarde van het actief significant zal overschrijden, kan dat erop wijzen dat de klant een significante economische incentive heeft om de putoptie uit te oefenen. |
|
B72 |
Als de klant geen significante economische incentive heeft om zijn recht uit te oefenen voor een prijs die lager is dan de oorspronkelijke verkoopprijs van het actief, moet de entiteit de overeenkomst administratief verwerken als de verkoop van een product met een recht van retour als beschreven in de alinea's B20 tot en met B27. |
|
B73 |
Als de terugkoopprijs van het actief gelijk is aan of groter dan de oorspronkelijke verkoopprijs en groter is dan de verwachte marktwaarde van het actief, is het contract in feite een financieringsovereenkomst en moet het derhalve als beschreven in alinea B68 administratief worden verwerkt. |
|
B74 |
Als de terugkoopprijs van het actief gelijk is aan of groter is dan de oorspronkelijke verkoopprijs en kleiner is dan of gelijk is aan de verwachte marktwaarde van het actief, en de klant geen economische incentive heeft om zijn recht uit te oefenen, moet de entiteit de overeenkomst administratief verwerken als de verkoop van een product met een recht van retour als beschreven in de alinea's B20 tot en met B27. |
|
B75 |
Wanneer een entiteit de terugkoopprijs met de verkoopprijs vergelijkt, moet een entiteit de tijdwaarde van geld in aanmerking nemen. |
|
B76 |
Als de optie onuitgeoefend verstrijkt, moet een entiteit de verplichting verwijderen en de opbrengsten opnemen. |
Consignatieovereenkomsten
|
B77 |
Wanneer een entiteit een product aan een andere partij (zoals een handelaar of een distributeur) voor verkoop aan eindklanten levert, moet de entiteit beoordelen of die andere partij op dat tijdstip zeggenschap over het product heeft verkregen. Een product dat aan een andere partij is geleverd kan in het kader van een consignatieovereenkomst worden gehouden als die andere partij geen zeggenschap over het product heeft verkregen. Bijgevolg moet een entiteit opbrengsten bij levering van een product aan een andere partij niet opnemen als het geleverde product in consignatie wordt gehouden. |
|
B78 |
Uit onder meer de volgende indicatoren kan blijken dat een overeenkomst een consignatieovereenkomst is:
|
Factureer-en-bewaarovereenkomsten
|
B79 |
Een factureer-en-bewaarovereenkomst is een contract op grond waarvan een entiteit een klant factureert voor een product, maar de entiteit het product fysiek in haar bezit houdt totdat het op een tijdstip in de toekomst aan de klant wordt overgedragen. Een klant kan bijvoorbeeld een entiteit verzoeken zulk een contract aan te gaan wegens het gebrek aan beschikbare ruimte voor het product bij de klant of productievertragingen bij de klant. |
|
B80 |
Een entiteit moet bepalen wanneer zij haar prestatieverplichting om een product over te dragen heeft vervuld door te beoordelen wanneer een klant zeggenschap over dat product verkrijgt (zie alinea 38). Voor sommige contracten wordt zeggenschap overgedragen wanneer het product wordt geleverd op de locatie van de klant of wanneer het product wordt verzonden, afhankelijk van de voorwaarden van het contract (inclusief leverings- en verzendingsvoorwaarden). Voor sommige contracten kan een klant echter zeggenschap over een product verkrijgen ook al blijft dat product fysiek in het bezit van de entiteit. In dat geval is de klant in staat om het gebruik van het actief te bestemmen en grotendeels alle resterende voordelen van het product te verkrijgen ook al heeft hij besloten zijn recht niet uit te oefenen om dat product fysiek in bezit te nemen. Bijgevolg heeft de entiteit geen zeggenschap over het product. Veeleer verleent de entiteit aan de klant bewaringsdiensten voor het actief van de klant. |
|
B81 |
Naast toepassing van de vereisten in alinea 38 moeten, wil een klant in het kader van een factureer-en-bewaarovereenkomst zeggenschap over een product hebben verkregen, alle volgende criteria zijn vervuld:
|
|
B82 |
Als een entiteit opbrengsten voor de verkoop van een product op factureer-en-bewaarbasis opneemt, moet de entiteit in aanmerking nemen of zij nog prestatieverplichtingen (bijvoorbeeld in verband met bewaringsdiensten) in overeenstemming met de alinea's 22 tot en met 30 heeft waaraan de entiteit in overeenstemming met de alinea's 73 tot en met 86 een deel van de transactieprijs moet toeschrijven. |
Aanvaarding door de klant
|
B83 |
In overeenstemming met alinea 38(e) kan aanvaarding door de klant van een actief erop wijzen dat de klant zeggenschap over het actief heeft verkregen. Clausules inzake aanvaarding door de klant stellen een klant in staat een contract te annuleren of verplichten een entiteit remediërende actie te ondernemen als een goed of een dienst niet aan overeengekomen specificaties voldoet. Een entiteit moet zulke clausules in aanmerking nemen bij het beoordelen wanneer een klant zeggenschap over een goed of een dienst verkrijgt. |
|
B84 |
Als een entiteit objectief kan bepalen dat de zeggenschap over een goed of een dienst aan de klant is overgedragen in overeenstemming met de overeengekomen specificaties in het contract, dan is aanvaarding door de klant een formaliteit die geen invloed zou hebben op de bepaling door de entiteit wanneer de klant zeggenschap over het goed of de dienst heeft verkregen. Als bijvoorbeeld de clausule inzake aanvaarding door de klant gebaseerd is op het voldoen aan bepaalde grootte- en gewichtkenmerken, zou een entiteit in staat zijn te bepalen of aan die criteria wordt voldaan alvorens bevestiging te ontvangen van de aanvaarding door de klant. Uit de ervaring van de entiteit met contracten voor vergelijkbare goederen of diensten kan blijken dat aan de klant geleverde goederen of diensten in overeenstemming zijn met de overeengekomen specificaties in het contract. Als opbrengsten worden opgenomen alvorens aanvaarding door de klant plaatsvindt, moet de entiteit nog steeds in aanmerking nemen of er nog prestatieverplichtingen (bijvoorbeeld installatie van uitrusting) moeten worden vervuld en beoordelen of deze afzonderlijk administratief worden verwerkt. |
|
B85 |
Als echter een entiteit niet objectief kan bepalen dat de aan de klant geleverde goederen of diensten in overeenstemming zijn met de overeengekomen specificaties in het contract, zou de entiteit pas kunnen concluderen dat de klant de zeggenschap heeft verkregen wanneer de entiteit de aanvaarding door de klant ontvangt. Dit komt omdat in dat geval de entiteit niet kan bepalen dat de klant in staat is om het gebruik van de goederen of diensten te bestemmen en grotendeels alle resterende voordelen ervan te verkrijgen. |
|
B86 |
Als een entiteit producten op proef of ter beoordeling aan een klant levert en de klant pas verplicht is een vergoeding te betalen wanneer de proefperiode verstrijkt, wordt zeggenschap over het product pas aan de klant overgedragen als de klant het product aanvaardt of de proefperiode verstrijkt. |
Informatieverschaffing over opgesplitste opbrengsten
|
B87 |
Alinea 114 vereist dat een entiteit opbrengsten van contracten met klanten in categorieën opsplitst die weergeven op welke wijze de aard, het bedrag, het tijdstip en de onzekerheid van opbrengsten en kasstromen door economische factoren worden beïnvloed. Bijgevolg hangt de mate waarin de opbrengsten van een entiteit ten behoeve van deze informatieverschaffing worden opgesplitst af van de feiten en omstandigheden die betrekking hebben op de contracten van de entiteit met de klanten. Sommige entiteiten moeten misschien meer dan één soort categorie gebruiken om aan de doelstelling in alinea 114 voor het opsplitsen van opbrengsten te voldoen. Andere entiteiten kunnen aan de doelstelling voldoen door slechts één soort categorie te gebruiken om opbrengsten op te splitsen. |
|
B88 |
Bij het selecteren van het soort categorie (of categorieën) dat moet worden gebruikt om opbrengsten op te splitsen, moet een entiteit in aanmerking nemen op welke wijze informatie over de opbrengsten van een entiteit voor andere doeleinden is gepresenteerd, inclusief:
|
|
B89 |
Voorbeelden van mogelijk geschikte categorieën zijn onder meer:
|
Bijlage C
Ingangsdatum en overgang
Deze bijlage maakt integraal deel uit van de standaard en heeft dezelfde status als de overige delen van de standaard.
INGANGSDATUM
|
C1 |
Een entiteit moet deze standaard toepassen op jaarverslagperioden die op of na 1 januari 2018 beginnen. Eerdere toepassing is toegestaan. Als een entiteit deze standaard eerder toepast, moet zij dat feit vermelden. |
OVERGANG
|
C2 |
Voor de toepassing van de overgangsvereisten in de alinea's C3 tot en met C8:
|
|
C3 |
Een entiteit moet deze standaard aan de hand van een van de volgende twee methoden toepassen:
|
|
C4 |
Niettegenstaande de vereisten van alinea 28 van IAS 8 moet een entiteit, wanneer deze standaard voor het eerst wordt toegepast, alleen de door alinea 28(f) van IAS 8 vereiste kwantitatieve informatie presenteren voor de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de eerste jaarperiode waarvoor deze standaard wordt toegepast (de „onmiddellijk voorafgaande periode”) en alleen als de entiteit deze standaard retroactief toepast in overeenstemming met alinea C3(a). Een entiteit mag deze informatie ook voor de lopende periode of voor eerdere vergelijkende perioden presenteren, maar is daartoe niet verplicht. |
|
C5 |
Een entiteit mag van één of meer van de volgende praktische oplossingen gebruikmaken wanneer zij deze standaard retroactief toepast in overeenstemming met alinea C3(a):
|
|
C6 |
Voor elk van de praktische oplossingen in alinea C5 waarvan een entiteit gebruik maakt, moet de entiteit die praktische oplossing consequent op alle contracten binnen alle gepresenteerde verslagperioden toepassen. Bovendien moet de entiteit de volgende informatie verschaffen:
|
|
C7 |
Als een entiteit ervoor kiest deze standaard retroactief toe te passen in overeenstemming met alinea C3(b), moet de entiteit het cumulatieve effect van de eerste toepassing van deze standaard opnemen als een aanpassing van het openingssaldo van de ingehouden winsten (of een andere eigenvermogenscomponent, naargelang van het geval) van de jaarlijkse verslagperiode die de datum van eerste toepassing omvat. Volgens deze overgangsmethode mag een entiteit deze standaard retroactief alleen op contracten toepassen die op de datum van eerste toepassing geen uitgevoerde contracten zijn (bijvoorbeeld 1 januari 2018 voor een entiteit met een jaareinde op 31 december). |
|
C8 |
Voor verslagperioden die de datum van eerste toepassing omvatten, moet een entiteit de volgende bijkomende informatie verschaffen als deze standaard retroactief wordt toegepast in overeenstemming met alinea C3(b):
|
Verwijzingen naar IFRS 9
|
C9 |
Als een entiteit wel deze standaard maar nog niet IFRS 9 Financiële instrumenten toepast, moeten alle verwijzingen in deze standaard naar IFRS 9 worden gelezen als een verwijzing naar IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering. |
INTREKKING VAN ANDERE STANDAARDEN
|
C10 |
Deze standaard vervangt de volgende standaarden:
|
Bijlage D
Wijzigingen in andere standaarden
In deze bijlage worden de wijzigingen in andere standaarden beschreven die de IASB heeft aangebracht bij het afronden van IFRS 15.
Deze tabel laat zien hoe de volgende verwijzingen zijn gewijzigd in andere standaarden.
|
Bestaande verwijzing naar |
opgenomen |
in |
wordt gewijzigd in een verwijzing naar |
|
IAS 18 Opbrengsten of IAS 18 |
IFRS 4 |
Alinea's 4(a) en (c), B18(h) |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten of IFRS 15 |
|
IAS 16 |
Alinea 68A |
||
|
IAS 39 |
Alinea TL2 |
||
|
IAS 40 |
Alinea 3(b) |
||
|
IAS 11 Onderhanden projecten in opdracht van derden of IAS 11 |
SIC-32 |
Alinea 6 |
IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards
Alinea 39X wordt toegevoegd.
INGANGSDATUM
…
|
39X |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft alinea D24 en het desbetreffende kopje verwijderd en heeft de alinea's D34 tot en met D35 en het desbetreffende kopje toegevoegd. Een entiteit moet die wijzigingen toepassen wanneer zij IFRS 15 toepast. |
In bijlage D worden de alinea's D34 tot en met D35 en het desbetreffende kopje toegevoegd.
Opbrengsten
|
D34 |
Eerste toepassers mogen de overgangsbepalingen in alinea C5 van IFRS 15 toepassen. In die alinea's moet „datum van eerste toepassing” als het begin van de eerste IFRS-verslagperiode worden geïnterpreteerd. Als een eerste toepasser besluit die overgangsbepalingen toe te passen, past hij eveneens alinea C6 van IFRS 15 toe. |
|
D35 |
Een eerste toepasser moet geen contracten aanpassen die vóór de vroegst gepresenteerde periode zijn uitgevoerd. Een uitgevoerd contract is een contract waarvoor de entiteit alle in overeenstemming met de voorheen toegepaste GAAP geïdentificeerde goederen of diensten heeft overgedragen. |
IFRS 3 Bedrijfscombinaties
Alinea 56 wordt gewijzigd en alinea 64 K wordt toegevoegd.
Voorwaardelijke verplichtingen
|
56. |
Na eerste opname en tot de verplichting wordt afgewikkeld, wordt geannuleerd of afloopt, moet de overnemende partij een in een bedrijfscombinatie opgenomen voorwaardelijke verplichting waarderen tegen het hoogste van de volgende bedragen:
Deze vereiste is niet van toepassing op contracten die administratief worden verwerkt in overeenstemming met IAS 39. … |
Ingangsdatum
…
|
64K |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft alinea 56 gewijzigd. Een entiteit moet die wijziging toepassen wanneer zij IFRS 15 toepast. |
IFRS 4 Verzekeringscontracten
Alinea 41G wordt toegevoegd.
INGANGSDATUM EN OVERGANG
…
|
41G |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 4, 114 and 116 gewijzigd. Een entiteit moet die wijzigingen toepassen wanneer zij IFRS 15 toepast. |
In bijlage B worden de alinea's B7 and B21 gewijzigd.
Uitkering in natura
…
|
B7 |
Toepassing van IFRS 4 op de in alinea B6 beschreven contracten is waarschijnlijk niet méér belastend dan toepassing van de IFRSs die zouden gelden indien dergelijke contracten buiten het toepassingsgebied van deze IFRS zouden vallen:
|
Voorbeelden van verzekeringscontracten
…
|
B21 |
Indien via de in alinea B19 beschreven contracten geen financiële activa of financiële verplichtingen worden gecreëerd, geldt IFRS 15. Volgens IFRS 15 worden opbrengsten opgenomen wanneer (of naarmate) een entiteit een prestatieverplichting vervult door een beloofd goed of een beloofde dienst aan een klant over te dragen voor een bedrag waarin de vergoeding tot uitdrukking komt waarop de entiteit verwacht recht te zullen hebben. |
IFRS 9 Financiële instrumenten (november 2009)
De alinea's 3.1.1, 5.1.1 en 5.4.5 worden gewijzigd en de alinea's 5.1.2, 5.4.1A en 8.1.5 worden toegevoegd.
3.1 EERSTE OPNAME VAN FINANCIËLE ACTIVA
|
3.1.1. |
Een entiteit moet een financieel actief in haar overzicht van de financiële positie opnemen als en alleen als de entiteit een contract afsluit voor het instrument (zie de alinea's TL34 en TL35 van IAS 39). Wanneer een entiteit een financieel actief voor het eerst opneemt, moet zij dat classificeren in overeenstemming met de alinea's 4.1 tot en met 4.5 en waarderen in overeenstemming met de alinea's 5.1.1, 5.1.2 en 5.1.2.
… |
5.1 EERSTE WAARDERING
|
5.1.1. |
Behalve bij handelsvorderingen die binnen het toepassingsgebied van alinea 5.1.2 vallen, moet een entiteit een financieel actief bij de eerste opname ervan waarderen tegen de reële waarde ervan plus, in het geval van een financieel actief dat niet tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies wordt gewaardeerd, de transactiekosten die direct aan de verwerving van het financiële actief kunnen worden toegerekend.
… |
|
5.1.2. |
Niettegenstaande het vereiste van alinea 5.1.1 moet een entiteit handelsvorderingen die geen significante financieringscomponent hebben (bepaald in overeenstemming met IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten) bij de eerste opname ervan tegen hun transactieprijs (als omschreven in IFRS 15) waarderen. |
5.4 WINSTEN EN VERLIEZEN
…
|
5.4.1A |
Dividenden worden alleen in winst en verlies opgenomen wanneer:
… |
Beleggingen in eigenvermogensinstrumenten
…
|
5.4.5. |
Indien een entiteit de in alinea 5.4.4 beschreven keuze maakt, moet zij de in alinea 5.4.1A bedoelde dividenden van die belegging in winst of verlies opnemen.
… |
8.1 INGANGSDATUM
…
|
8.1.5. |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 3.1.1, 5.1.1, 5.4.5 en B5.12 gewijzigd en heeft alinea C16 en het desbetreffende kopje verwijderd. De alinea's 5.1.2 en 5.4.1A en een definitie in bijlage A zijn toegevoegd. Een entiteit moet die wijzigingen toepassen wanneer zij IFRS 15 toepast. |
In bijlage A wordt een definitie toegevoegd.
|
dividenden |
Uitkeringen van winsten aan houders van eigenvermogensinstrumenten naar rato van hun participaties in een specifieke vermogensklasse. |
In bijlage B wordt alinea B5.12 gewijzigd.
Winsten en verliezen
|
B5.12 |
Op grond van alinea 5.4.4 mag een entiteit de onherroepelijke keuze maken veranderingen in de reële waarde van een belegging in een eigenvermogensinstrument dat niet voor handelsdoeleinden aangehouden wordt in niet-gerealiseerde resultaten te presenteren. Deze keuze wordt per instrument (d.w.z. per aandeel) gemaakt. In niet-gerealiseerde resultaten gepresenteerde bedragen mogen vervolgens niet naar winst of verlies worden overgeboekt. De entiteit mag echter de cumulatieve winst of het cumulatieve verlies binnen eigen vermogen overboeken. Dividenden met betrekking tot dergelijke beleggingen worden in winst of verlies opgenomen in overeenstemming met alinea 5.4.5 tenzij het dividend in feite een terugbetaling vormt van een deel van de kostprijs. |
In bijlage C worden alinea C16 en het desbetreffende kopje verwijderd.
IFRS 9 Financiële instrumenten (oktober 2010)
De alinea's 3.1.1, 4.2.1, 5.1.1, 5.2.1 en 5.7.6 worden gewijzigd en de alinea's 5.1.3, 5.7.1A en 7.1.4 worden toegevoegd.
3.1 EERSTE OPNAME
|
3.1.1. |
Een entiteit moet een financieel actief of financiële verplichting in het overzicht van de financiële positie opnemen als en alleen als de entiteit een contract afsluit voor het instrument (zie de alinea's B3.1.1 en B3.1.2). Wanneer een entiteit een financieel actief voor het eerst opneemt, moet zij dat classificeren in overeenstemming met de alinea's 4.1.1 tot en met 4.1.5 en waarderen in overeenstemming met de alinea's 5.1.1 tot en met 5.1.3. Wanneer een entiteit een financiële verplichting voor het eerst opneemt, moet zij deze classificeren in overeenstemming met de alinea's 4.2.1 en 4.2.2 en waarderen in overeenstemming met alinea 5.1.1.
… |
4.2 CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN
|
4.2.1. |
Een entiteit moet alle financiële verplichtingen na hun eerste opname met behulp van de effectieverentemethode als tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerde verplichtingen classificeren, met uitzondering van:
|
5.1 EERSTE WAARDERING
|
5.1.1. |
Behalve bij handelsvorderingen die binnen het toepassingsgebied van alinea 5.1.3 vallen, moet een entiteit een financieel actief of financiële verplichting bij de eerste opname ervan waarderen tegen de reële waarde ervan plus of minus, in het geval van een financieel actief dat, of een financiële verplichting die, niet tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies wordt gewaardeerd, de transactiekosten die direct aan de verwerving of uitgifte van het financiële actief of de financiële verplichting kunnen worden toegerekend.
… |
|
5.1.3. |
Niettegenstaande het vereiste van alinea 5.1.1 moet een entiteit handelsvorderingen die geen significante financieringscomponent hebben (bepaald in overeenstemming met IFRS 15) bij de eerste opname ervan tegen hun transactieprijs waarderen. |
5.2 WAARDERING VAN FINANCIËLE ACTIVA NA DE EERSTE OPNAME
|
5.2.1. |
Een entiteit moet een financieel actief na eerste opname ervan in overeenstemming met de alinea's 4.1.1 tot en met 4.1.5 waarderen tegen reële waarde of geamortiseerde kostprijs (zie de alinea's 9 en TL5 tot en met TL8C van IAS 39).
… |
5.7 WINSTEN EN VERLIEZEN
…
|
5.7.1A |
Dividenden worden alleen in winst en verlies opgenomen wanneer:
… |
Beleggingen in eigenvermogensinstrumenten
…
|
5.7.6. |
Indien een entiteit de in alinea 5.7.5 beschreven keuze maakt, moet zij de in alinea 5.7.1A bedoelde dividenden van die belegging in winst of verlies opnemen.
… |
7.1 INGANGSDATUM
…
|
7.1.4. |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 3.1.1, 4.2.1, 5.1.1, 5.2.1, 5.7.6, B3.2.13, B5.7.1, C5 en C42 gewijzigd en alinea C16 en het desbetreffende kopje verwijderd. De alinea's 5.1.3 en 5.7.1A en een definitie in bijlage A zijn toegevoegd. Een entiteit moet die wijzigingen toepassen wanneer zij IFRS 15 toepast. |
In bijlage A wordt een definitie toegevoegd.
|
dividenden |
Uitkeringen van winsten aan houders van eigenvermogensinstrumenten naar rato van hun participaties in een specifieke vermogensklasse. |
In bijlage B worden de alinea's B3.2.13 en B5.7.1 gewijzigd.
Aanhoudende betrokkenheid bij overgedragen activa
|
B3.2.13 |
Hierna volgen voorbeelden van de wijze waarop een entiteit een overgedragen actief en de hieraan verbonden verplichting op grond van alinea 3.2.16 waardeert. |
Alle activa
|
a) |
Indien een door een entiteit verstrekte garantie voor verliezen als gevolg van wanbetaling op een overgedragen actief het niet langer opnemen van het overgedragen actief tot de omvang van de aanhoudende betrokkenheid in de weg staat, wordt het overgedragen actief gewaardeerd op i) de boekwaarde van het actief of, indien lager, ii) het bedrag van de bij de overdracht ontvangen vergoeding dat de entiteit maximaal zou moeten terugbetalen („het garantiebedrag”). De hieraan verbonden verplichting wordt bij eerste opname gewaardeerd op het garantiebedrag vermeerderd met de reële waarde van de garantie (die normaliter overeenkomt met de voor de garantie ontvangen vergoeding). Na eerste opname wordt de eerste reële waarde van de garantie in winst of verlies opgenomen wanneer (of naarmate) de verplichting wordt nagekomen (overeenkomstig de beginselen van IFRS 15), en de boekwaarde van het actief verminderd met alle bijzondere waardeverminderingsverliezen. |
…
Winsten en verliezen (afdeling 5.7)
|
B5.7.1 |
Op grond van alinea 5.7.5 mag een entiteit de onherroepelijke keuze maken veranderingen in de reële waarde van een belegging in een eigenvermogensinstrument dat niet voor handelsdoeleinden aangehouden wordt in niet-gerealiseerde resultaten te presenteren. Deze keuze wordt per instrument (d.w.z. per aandeel) gemaakt. In niet-gerealiseerde resultaten gepresenteerde bedragen mogen vervolgens niet naar winst of verlies worden overgeboekt. De entiteit mag echter de cumulatieve winst of het cumulatieve verlies binnen eigen vermogen overboeken. Dividenden met betrekking tot dergelijke beleggingen worden in winst of verlies opgenomen in overeenstemming met alinea 5.7.6 tenzij het dividend in feite een terugbetaling vormt van een deel van de kostprijs. |
In bijlage C worden de alinea's C5 en C42 gewijzigd. Alinea C16 en het desbetreffende kopje worden verwijderd.
IFRS 3 Bedrijfscombinaties
|
C5 |
De alinea's 16, 42, 53, 56 en 58(b)8 worden gewijzigd als volgt, alinea 64A wordt verwijderd en alinea 64D wordt toegevoegd:
…
… |
IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering
…
|
C42 |
In bijlage B worden de alinea's TL3 tot en met TL4 als volgt gewijzigd:
…
|
IFRS 9 Financiële instrumenten (hedge accounting en wijzigingen van IFRS 9, IFRS 7 en IAS 39) (1)
Alinea 5.2.1 wordt gewijzigd.
5.2 WAARDERING VAN FINANCIËLE ACTIVA NA DE EERSTE OPNAME
|
5.2.1. |
Een entiteit moet een financieel actief na eerste opname ervan in overeenstemming met de alinea's 4.1.1 tot en met 4.1.5 waarderen tegen reële waarde of geamortiseerde kostprijs (zie de alinea's 9 en TL5 tot en met TL8C van IAS 39). |
In bijlage A wordt een definitie toegevoegd.
|
dividenden |
Uitkeringen van winsten aan houders van eigenvermogensinstrumenten naar rato van hun participaties in een specifieke vermogensklasse. |
In bijlage C worden de alinea's C5 en C38 gewijzigd. Alinea C21 en het desbetreffende kopje worden verwijderd.
IFRS 3 Bedrijfscombinaties
|
C5 |
De alinea's 16, 42, 53, 56 en 58(b) worden gewijzigd als volgt, de alinea's 64A en 64D worden verwijderd en alinea 64H wordt toegevoegd:
…
… |
IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering
…
|
C38 |
In bijlage B worden de alinea's TL3 tot en met TL4 als volgt gewijzigd:
…
|
IAS 1 Presentatie van de jaarrekening
Alinea 34 wordt gewijzigd en alinea 139 N wordt toegevoegd.
Saldering
…
|
34. |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten vereist dat een entiteit inkomsten uit hoofde van contracten met klanten waardeert tegen de vergoeding waarop de entiteit in ruil voor het overdragen van beloofde goederen of diensten verwacht recht te zullen hebben. In het opgenomen bedrag van de opbrengsten komen bijvoorbeeld alle door de entiteit toegekende handels- en kwantumkortingen tot uitdrukking. Bij de uitvoering van de normale activiteiten verricht een entiteit andere transacties die geen opbrengsten genereren maar die wel samenhangen met de belangrijkste opbrengstengenererende activiteiten. Een entiteit moet de resultaten van dergelijke transacties presenteren door van de baten van een transactie de met die transactie verband houdende kosten af te trekken, althans indien deze presentatie de economische realiteit van de transactie of andere gebeurtenis weerspiegelt. Bijvoorbeeld:
|
OVERGANG EN INGANGSDATUM
…
|
139 N |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft alinea 34 gewijzigd. Een entiteit moet die wijziging toepassen wanneer zij IFRS 15 toepast. |
IAS 2 Voorraden
De alinea's 2, 8, 29 en 37 worden gewijzigd en alinea 40E wordt toegevoegd. Alinea 19 wordt verwijderd.
TOEPASSINGSGEBIED
|
2. |
Deze standaard is van toepassing op alle voorraden, met uitzondering van:
|
DEFINITIES
…
|
8. |
Voorraden omvatten goederen die worden ingekocht en aangehouden om te worden verkocht, bijvoorbeeld handelswaar ingekocht door een detaillist en aangehouden voor verkoop, of gronden en andere onroerende goederen die worden aangehouden voor verkoop. Voorraden omvatten ook gereed product of onderhanden werk dat door een entiteit wordt geproduceerd, met inbegrip van grond- en hulpstoffen die bestemd zijn om te worden gebruikt in het productieproces. Kosten die worden gemaakt om een contract met een klant te vervullen die geen aanleiding geven tot voorraden (of activa binnen het toepassingsgebied van een andere standaard) worden administratief verwerkt in overeenstemming met IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten.
… |
Opbrengstwaarde
…
|
29. |
Voorraden worden gewoonlijk per bestanddeel afgeschreven tot de opbrengstwaarde. In sommige omstandigheden kan het echter gepast zijn om soortgelijke of verwante voorraadbestanddelen te groeperen. Dit kan het geval zijn bij voorraadbestanddelen voor hetzelfde productassortiment die soortgelijke doeleinden of een gelijkaardig eindgebruik hebben, in hetzelfde geografische gebied worden geproduceerd en verkocht, en praktisch niet los van andere bestanddelen van dat productassortiment kunnen worden beschouwd. Het is niet gepast voorraden af te schrijven op basis van een voorraadclassificatie, bijvoorbeeld gereed product, of alle voorraden in een bepaald operationeel segment.
… |
INFORMATIEVERSCHAFFING
…
|
37. |
Informatie over de boekwaarden die worden aangehouden in verschillende classificaties van voorraden en de omvang van de wijzigingen van deze activa is nuttig voor gebruikers van jaarrekeningen. Veel voorkomende classificaties van voorraden zijn handelsgoederen, hulpstoffen, grondstoffen, onderhanden werk en gereed product.
… |
INGANGSDATUM
…
|
40E |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 2, 8, 29 en 37 gewijzigd en alinea 19 verwijderd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
IAS 12 Winstbelastingen
Alinea 59 wordt gewijzigd en alinea 98E wordt toegevoegd.
In winst of verlies opgenomen posten
…
|
59. |
De meeste uitgestelde belastingverplichtingen en -vorderingen ontstaan wanneer baten of lasten in een bepaalde periode worden opgenomen in de commerciële winst, maar in een andere periode worden opgenomen in de fiscale winst (het fiscaal verlies). De resulterende uitgestelde belastingen worden opgenomen in winst of verlies. Voorbeelden:
|
INGANGSDATUM
…
|
98E |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft alinea 59 gewijzigd. Een entiteit moet die wijziging toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
IAS 16 Materiële vaste activa
De alinea's 69 en 72 worden gewijzigd en alinea 81J wordt toegevoegd.
NIET LANGER OPNEMEN
…
|
69. |
De vervreemding van een materieel vast actief kan op verschillende wijzen plaatsvinden (bijvoorbeeld door verkoop, door het afsluiten van een financiële lease of via donatie). De datum van vervreemding van een materieel vast actief is de datum waarop de ontvanger zeggenschap over dat actief verkrijgt in overeenstemming met de vereisten voor het bepalen wanneer een prestatieverplichting wordt vervuld in IFRS 15. IAS 17 is van toepassing op vervreemding via „sale and leaseback”.
… |
|
72. |
De vergoeding die in winst of verlies moet worden opgenomen uit hoofde van het niet langer opnemen van een materieel vast actief wordt bepaald in overeenstemming met de vereisten voor het bepalen van de transactieprijs in de alinea's 47 tot en met 72 van IFRS 15. Verdere wijzigingen van de geschatte vergoeding die is opgenomen in winst of verlies worden administratief verwerkt in overeenstemming met de vereisten voor wijzigingen van de transactieprijs in IFRS 15.
… |
INGANGSDATUM
…
|
81J |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 68A, 69 en 72 gewijzigd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie
Alinea 97QL wordt toegevoegd.
INGANGSDATUM EN OVERGANG
…
|
97Q |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft alinea TL21 gewijzigd. Een entiteit moet die wijziging toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
In de toepassingsleidraad wordt alinea TL21 gewijzigd.
Contracten tot aankoop of verkoop van niet-financiële goederen (alinea's 8 tot en met 10)
…
|
AG21 |
Behalve wanneer vereist bij IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, resulteert een contract waarbij sprake is van ontvangst of levering van fysieke activa niet in een financieel actief van één partij en een financiële verplichting van de andere partij, tenzij een overeenkomstige betaling wordt uitgesteld tot na de datum waarop de fysieke activa worden overgedragen. Dit is het geval bij de aankoop of verkoop van goederen op handelskrediet. |
IAS 34 Tussentijdse financiële verslaggeving
De alinea's 15B en 16A worden gewijzigd en alinea 55 wordt toegevoegd.
Wezenlijke gebeurtenissen en transacties
…
|
15 B |
Hierna volgt een lijst van gebeurtenissen en transacties waarover informatie moet worden verschaft indien deze van wezenlijk belang zijn: de lijst is niet limitatief.
|
Overige informatieverschaffing
|
16 A |
Naast het vermelden van wezenlijke gebeurtenissen en transacties in overeenstemming met de alinea's 15 tot en met 15C moet een entiteit de onderstaande informatie in de toelichtingen bij haar tussentijdse financiële overzichten opnemen indien deze informatie niet elders in het tussentijds financieel verslag is vermeld. De informatie moet normaliter cumulatief voor het lopende boekjaar worden gerapporteerd.
… |
INGANGSDATUM
…
|
55. |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 15B en 16A gewijzigd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa
Alinea 2 wordt gewijzigd en alinea 140L wordt toegevoegd.
TOEPASSINGSGEBIED
|
2. |
Deze standaard moet worden toegepast bij de administratieve verwerking van alle activa die een bijzondere waardevermindering hebben ondergaan, met uitzondering van:
|
OVERGANGSBEPALINGEN EN INGANGSDATUM
…
|
140L |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft alinea 2 gewijzigd. Een entiteit moet die wijziging toepassen wanneer zij IFRS 15 toepast. |
IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa (2)
Alinea 5 wordt gewijzigd en alinea 100 wordt toegevoegd. Alinea 6 wordt verwijderd.
TOEPASSINGSGEBIED
…
|
5. |
Indien een andere standaard een specifiek type van voorziening, voorwaardelijke verplichting of voorwaardelijk actief behandelt, moet een entiteit die andere standaard toepassen in plaats van de onderhavige standaard. Bepaalde typen voorzieningen worden behandeld in standaarden die handelen over:
… |
INGANGSDATUM
…
|
100. |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft alinea 5 gewijzigd en alinea 6 verwijderd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
IAS 38 Immateriële vaste activa
De alinea's 114 en 116 worden gewijzigd en alinea 130 K wordt toegevoegd.
TOEPASSINGSGEBIED
…
|
3. |
Als een andere standaard de verwerkingswijze voor een specifiek type immaterieel vast actief voorschrijft, moet een entiteit die andere standaard toepassen in plaats van deze standaard. Deze standaard is bijvoorbeeld niet van toepassing op:
… |
BUITENGEBRUIKSTELLING EN VERVREEMDING
…
|
114. |
De vervreemding van een immaterieel actief kan op verschillende wijzen plaatsvinden (bijvoorbeeld door verkoop, door het afsluiten van een financiële lease of via schenking). De datum van vervreemding van een immaterieel actief is de datum waarop de ontvanger zeggenschap over dat actief verkrijgt in overeenstemming met de vereisten voor het bepalen wanneer een prestatieverplichting wordt vervuld in IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten. IAS 17 is van toepassing op vervreemding via „sale and leaseback”. |
…
|
116. |
De vergoeding die in winst of verlies moet worden opgenomen uit hoofde van het niet langer opnemen van een immaterieel actief wordt bepaald in overeenstemming met de vereisten voor het bepalen van de transactieprijs in de alinea's 47 tot en met 72 van IFRS 15. Verdere wijzigingen van de geschatte vergoeding die is opgenomen in winst of verlies worden administratief verwerkt in overeenstemming met de vereisten voor wijzigingen van de transactieprijs in IFRS 15.
… |
OVERGANGSBEPALINGEN EN INGANGSDATUM
…
|
130 K |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 3, 114 en 116 gewijzigd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering
De alinea's 2, 9, 43, 47 en 55 worden gewijzigd en de alinea's 2A, 44A, 55A en 103T worden toegevoegd.
TOEPASSINGSGEBIED
|
2. |
Deze standaard moet door alle entiteiten worden toegepast op alle soorten financiële instrumenten, met uitzondering van:
|
|
2 A |
Met het oog op het opnemen van bijzondere waardeverminderingsverliezen worden de bepalingen van deze standaard inzake bijzondere waardevermindering toegepast op de rechten waarvoor in IFRS 15 is bepaald dat zij administratief worden verwerkt overeenkomstig deze standaard.
… |
DEFINITIES
…
|
9. |
…
Definities in verband met opname en waardering … De effectieverentemethode is een methode voor het berekenen van de amortisatie van een financieel actief of een financiële verplichting (of een groep van financiële activa of financiële verplichtingen) en voor het toerekenen van rentebaten en rentelasten aan de desbetreffende periode. De effectieve rentevoet is de rentevoet die de verwachte stroom van toekomstige geldbetalingen of -ontvangsten tijdens de verwachte looptijd van het financiële instrument of, indien relevant, een kortere periode, exact disconteert tot de nettoboekwaarde van het financieel actief of de financiële verplichting. Bij de berekening van de effectieve rentevoet moet een entiteit een schatting maken van de kasstromen, waarbij rekening wordt gehouden met alle contractuele bepalingen van het financiële instrument (bijvoorbeeld vooruitbetaling, call- en vergelijkbare opties), maar niet met toekomstige kredietverliezen. In de berekening worden alle door de contractpartijen betaalde of ontvangen provisies en vergoedingen opgenomen die integraal deel uitmaken van de effectieve rentevoet (zie de alinea's AG8A tot en met AG8B), alsook transactiekosten en alle overige premies en kortingen. Er wordt verondersteld dat de kasstromen en de verwachte looptijd van een groep van vergelijkbare financiële instrumenten betrouwbaar kan worden geschat. In het zeldzame geval waarin de kasstromen of de verwachte looptijd van het financiële instrument (of groep financiële instrumenten) niet betrouwbaar kunnen, respectievelijk kan, worden geschat, moet de entiteit echter uitgaan van de contractueel bepaalde kasstromen over de gehele contractduur van het financiële instrument (of groep financiële instrumenten). Niet langer opnemen is het verwijderen van een voorheen opgenomen financieel actief of financiële verplichting van het overzicht van de financiële positie van een entiteit. Dividenden zijn uitkeringen van winsten aan eigenaars naar rato van hun participaties in een specifieke vermogensklasse. Reële waarde is de prijs die zou worden ontvangen om een actief te verkopen of die zou worden betaald om een verplichting over te dragen in een regelmatige transactie tussen marktdeelnemers op de waarderingsdatum. (Zie IFRS 13.) … |
Eerste waardering van financiële activa en financiële verplichtingen
|
43. |
Behalve voor handelsvorderingen binnen het toepassingsgebied van alinea 44A moet, indien een financieel actief of een financiële verplichting voor het eerst wordt opgenomen, een entiteit dit actief of deze verplichting waarderen tegen de reële waarde vermeerderd met, bij een financieel actief dat, of financiële verplichting die, niet tegen reële waarde wordt gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, de transactiekosten die rechtstreeks zijn toe te rekenen aan de verwerving of uitgifte van het financieel actief of de financiële verplichting.
… |
|
44 A |
Niettegenstaande het vereiste van alinea 43 moet een entiteit handelsvorderingen die geen significante financieringscomponent hebben (bepaald in overeenstemming met IFRS 15) bij de eerste opname ervan tegen hun transactieprijs (die wordt omschreven in IFRS 15) waarderen.
… |
Waardering van financiële verplichtingen na de eerste opname
|
47. |
Een entiteit moet na de eerste opname alle financiële verplichtingen tegen geamortiseerde kostprijs waarderen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de effectieverentemethode, uitgezonderd:
Financiële verplichtingen die als afgedekte posities worden aangemerkt, zijn onderworpen aan de bepalingen inzake hedge accounting die in alinea's 89 tot en met 102 zijn uiteengezet. … |
Winsten en verliezen
|
55. |
Een winst die, of een verlies dat, voortvloeit uit een verandering in de reële waarde van een financieel actief dat of een financiële verplichting die geen deel uitmaakt van een afdekkingsrelatie (zie alinea's 89 tot en met 102) moet als volgt worden opgenomen.
|
|
55 A |
Dividenden worden alleen in winst en verlies opgenomen wanneer:
… |
INGANGSDATUM EN OVERGANG
…
|
103T |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 2, 9, 43, 47, 55, TL2, TL4 en TL48 gewijzigd en de alinea's 2A, 44A, 55A en TL8A tot en met TL8C toegevoegd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
In bijlage A worden de alinea's TL4 en TL48 gewijzigd en de alinea's TL8A tot en met TL8C toegevoegd.
TOEPASSINGSGEBIED (ALINEA'S 2 TOT EN MET 7)
…
|
TL4 |
Financiëlegarantiecontracten kunnen verschillende juridische vormen aannemen, zoals die van een garantie, bepaalde categorieën van kredietbrieven, een kredietderivaat („credit default contract”) of een verzekeringscontract. De wijze van administratieve verwerking is niet afhankelijk van de juridische vorm. Voorbeelden van de geëigende behandeling (zie alinea 2(e)) zijn onderstaand opgenomen:
… |
Effectieve rentevoet
…
|
TL8A |
Bij de toepassing van de effectieverentemethode identificeert een entiteit provisies die integraal deel uitmaken van de effectieve rente van een financieel instrument. De beschrijving van provisies voor financiële diensten is mogelijk niet indicatief voor de aard en economische realiteit van de verleende diensten. Provisies die integraal deel uitmaken van de effectieve rente van een financieel instrument worden verwerkt als een aanpassing van de effectieve rente, tenzij het financiële instrument wordt gewaardeerd tegen reële waarde met opname van waardeveranderingen in winst of verlies. In die gevallen worden de provisies bij de eerste opname van het instrument als opbrengsten opgenomen. |
|
TL8B |
Provisies die integraal deel uitmaken van de effectieve rente van een financieel instrument zijn onder meer:
|
|
TL8C |
Provisies die niet integraal deel uitmaken van de effectieve rente van een financieel instrument en die administratief worden verwerkt overeenkomstig IFRS 15, zijn onder meer:
… |
Aanhoudende betrokkenheid bij overgedragen activa
|
TL48 |
Hierna volgen voorbeelden van de wijze waarop een entiteit een overgedragen actief en de hieraan verbonden verplichting op basis van alinea 30 opneemt. |
Alle activa
|
a) |
Indien een door een entiteit verstrekte garantie voor verliezen als gevolg van wanbetaling op een overgedragen actief het niet langer opnemen van het overgedragen actief tot de omvang van de aanhoudende betrokkenheid in de weg staat, wordt het overgedragen actief gewaardeerd op i) de boekwaarde van het actief of, indien lager, ii) het bedrag van de bij de overdracht ontvangen vergoeding dat de entiteit maximaal zou moeten terugbetalen („het garantiebedrag”). De hieraan verbonden verplichting wordt bij eerste opname gewaardeerd op het garantiebedrag vermeerderd met de reële waarde van de garantie (die normaliter overeenkomt met de voor de garantie ontvangen vergoeding). Na eerste opname wordt de eerste reële waarde van de garantie in winst of verlies opgenomen wanneer (of naarmate) de verplichting wordt nagekomen (overeenkomstig de beginselen van IFRS 15), en de boekwaarde van het actief verminderd met alle bijzondere waardeverminderingsverliezen. |
…
IAS 40 Vastgoedbeleggingen
De alinea's 9, 67 en 700 worden gewijzigd en alinea 85E wordt toegevoegd.
CLASSIFICATIE VAN EEN ONROERENDE ZAAK ALS VASTGOEDBELEGGING OF ALS VASTGOED VOOR EIGEN GEBRUIK
…
|
9. |
De volgende lijst bevat voorbeelden van zaken die niet worden beschouwd als vastgoedbeleggingen en die derhalve buiten het toepassingsgebied van deze standaard vallen:
|
VERVREEMDING
…
|
67. |
De vervreemding van een vastgoedbelegging kan plaatsvinden door verkoop of door het afsluiten van een financiële lease. De datum van vervreemding van een vastgoedbelegging is de datum waarop de ontvanger zeggenschap over de vastgoedbelegging verkrijgt in overeenstemming met de vereisten voor het bepalen wanneer een prestatieverplichting wordt vervuld in IFRS 15. IAS 17 is van toepassing op een vervreemding als gevolg van het afsluiten van een financiële lease, en op een „sale and leaseback”-transactie.
… |
|
70. |
De vergoeding die in winst of verlies moet worden opgenomen uit hoofde van het niet langer opnemen van een vastgoedbelegging wordt bepaald in overeenstemming met de vereisten voor het bepalen van de transactieprijs in de alinea's 47 tot en met 72 van IFRS 15. Verdere wijzigingen van de geschatte vergoeding die is opgenomen in winst of verlies worden administratief verwerkt in overeenstemming met de vereisten voor wijzigingen van de transactieprijs in IFRS 15.
… |
INGANGSDATUM
…
|
85E |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 3(b), 9, 67 en 70 gewijzigd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
IFRIC 12 Dienstverlening uit hoofde van concessieovereenkomsten
Onder het kopje „Referenties”, worden de referenties aan IAS 11 Onderhanden projecten in opdracht van derden en IAS 18 Opbrengsten verwijderd en een referentie aan IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten toegevoegd. De alinea's 13 tot en met 15, 18 tot en met 20 en 27 worden gewijzigd en alinea 28D wordt toegevoegd.
Opname en waardering van de overeenkomstvergoeding
…
|
13. |
De exploitant moet de opbrengsten van de door hem verleende diensten opnemen en waarderen overeenkomstig IFRS 15. De aard van de vergoeding is bepalend voor de verdere administratieve verwerking ervan. De verdere administratieve verwerking van de ontvangen vergoeding als een financieel actief en als een immaterieel actief is nader beschreven in de alinea's 23 tot en met 26. |
Bouw- of verbeteringsdiensten
|
14. |
De bouw- of verbeteringsdiensten moeten door de exploitant administratief worden verwerkt overeenkomstig IAS 15. |
Door de cedent aan de exploitant gegeven vergoeding
|
15. |
Indien de exploitant bouw- of verbeteringsdiensten verleent, moet de vergoeding die de exploitant heeft ontvangen of waarop hij recht heeft verkregen, in overeenstemming met IFRS 15 worden opgenomen. De vergoeding kan de vorm aannemen van rechten op:
… |
|
18. |
Indien de exploitant ten dele met een financieel actief en ten dele met een immaterieel actief voor de bouwdiensten wordt betaald, dan moet elke component van de vergoeding van de exploitant afzonderlijk administratief worden verwerkt. De voor beide componenten ontvangen of te ontvangen vergoeding moet voor het eerst worden opgenomen in overeenstemming met IFRS 15. |
|
19. |
De aard van de door de cedent aan de exploitant gegeven vergoeding moet worden bepaald op basis van de contractvoorwaarden en, wanneer dit bestaat, het relevante verbintenissenrecht. De aard van de vergoeding bepaalt de verdere administratieve verwerking als beschreven in de alinea's 23 tot en met 26. Beide soorten vergoeding worden echter tijdens de bouw- of verbeteringsperiode als een contractactief geclassificeerd in overeenstemming met IFRS 15. |
Exploitatiediensten
|
20. |
De exploitant moet exploitatiediensten administratief verwerken in overeenstemming met IFRS 15.
… |
Door de cedent aan de exploitant verstrekte middelen
|
27. |
Overeenkomstig alinea 11 mogen infrastructuuronderdelen waartoe de cedent de exploitant toegang verleent voor de uitvoering van de overeenkomst van dienstverlening, door de exploitant niet als materiële vaste activa worden opgenomen. De cedent kan de exploitant ook nog andere middelen ter hand stellen die hij mag behouden of naar eigen goeddunken mag aanwenden. Indien dergelijke activa deel uitmaken van de door de cedent voor de diensten verschuldigde vergoeding, zijn dit geen overheidssubsidies als omschreven in IAS 20. In plaats daarvan worden zij administratief verwerkt als onderdeel van de transactieprijs als omschreven in IFRS 15.
… |
INGANGSDATUM
…
|
28D |
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de afdeling „Referenties” en de alinea's 13 tot en met 15, 18 tot en met 20 en 27 gewijzigd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast. |
SIC-27 Evaluatie van de economische realiteit van transacties in de juridische vorm van een leaseovereenkomst
Onder het kopje „Referenties”, worden de referenties aan IAS 11 Onderhanden projecten in opdracht van derden en IAS 18 Opbrengsten verwijderd en een referentie aan IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten toegevoegd. Alinea 8 en de afdeling onder „Ingangsdatum” wordt gewijzigd.
CONSENSUS
…
|
8. |
De vereisten in IFRS 15 moeten worden toegepast op de feiten en omstandigheden van elke overeenkomst bij het bepalen wanneer een vergoeding administratief moet worden verwerkt als baat die een entiteit zou kunnen ontvangen. Factoren zoals het feit of er al dan niet een verdere betrokkenheid is in de vorm van belangrijke toekomstige prestatieverplichtingen die nodig zijn om een vergoeding te ontvangen, of er gehandhaafde risico's zijn, de bepalingen van eventuele garantieovereenkomsten, en het risico van terugbetaling van de vergoeding, moeten in overweging worden genomen. Aanwijzingen die individueel aantonen dat de opname van de volledige vergoeding als baat wanneer ze wordt ontvangen, indien ontvangen aan het begin van de overeenkomst, niet geëigend is, zijn onder meer:
|
INGANGSDATUM
…
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de afdeling „Referenties” en alinea 8 gewijzigd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen als zij IFRS 15 toepast.
SIC-32 Immateriële activa-Kosten van websites
Onder het kopje „Referenties”, wordt de referentie aan IAS 11 verwijderd en een referentie aan IFRS 15 Financiële instrumenten toegevoegd. De afdeling onder „Ingangsdatum” wordt gewijzigd.
INGANGSDATUM
…
IAS 1 (herziene versie van 2007) wijzigde de in de IFRSs gebruikte terminologie. Voorts werd alinea 5 door IAS 1 (herziene versie van 2007) gewijzigd. Entiteiten moeten deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2009 aanvangen. Als een entiteit IAS 1 (herziene versie van 2007) toepast op een periode die vóór 1 januari 2009 aanvangt, moeten ook deze wijzigingen op die periode worden toegepast.
IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten, uitgegeven in mei 2014, heeft de alinea's 3, 114 en 6 gewijzigd. Een entiteit moet die wijziging toepassen als zij IFRS 15 toepast.
(1) De daaruit voortvloeiende wijzigingen die IFRS 15 aanbrengt in IFRS 9 (hedge accounting en wijzigingen van IFRS 9, IFRS 7 en IAS 39) moeten in samenhang worden gelezen met de daaruit voortvloeiende wijzigingen die IFRS 15 in IFRS 9 (2010) aanbrengt. Dat komt omdat IFRS 9 (hedge accounting en wijzigingen van IFRS 9, IFRS 7 en IAS 39) alleen die alinea's van IFRS 9 (2010) omvat die zijn gewijzigd of die noodzakelijk waren om verwijzing te vergemakkelijken. Derhalve is aan IFRS 9 (hedge accounting en wijzigingen van IFRS 9, IFRS 7 en IAS 39) geen alinea over de ingangsdatum toegevoegd omdat deze vervat is in de alinea over de ingangsdatum die aan IFRS 9 (2010) wordt toegevoegd.
(2) In de jaarlijkse verbeteringen in IFRSs cyclus 2010-2012, als uitgegeven in december 2013, waren de wijzigingen in alinea 5 van IAS 37 gemarkeerd. Voor deze publicatie zijn die wijzigingen geaccepteerd en zijn nieuwe wijzigingen gemarkeerd.
|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/74 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1906 VAN DE COMMISSIE
van 28 oktober 2016
tot 256e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al-Qa'ida
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van bepaalde specifieke beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met de organisaties ISIS (Da'esh) en Al Qa'ida (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren. |
|
(2) |
Op 25 oktober 2016 heeft het Sanctiecomité van de Veiligheidsraad van de Verenigde Naties besloten tot wijziging van drie vermeldingen op de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren. Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 moet daarom dienovereenkomstig worden bijgewerkt, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 28 oktober 2016.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Waarnemend hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid
BIJLAGE
In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de identificatiegegevens voor de volgende vermeldingen in de lijst „Natuurlijke personen” als volgt gewijzigd:
|
a) |
„Mohamed Amin Mostafa. Adres: Via della Martinella 132, Parma, Italië. Geboortedatum: 11.10.1975. Geboorteplaats: Kirkuk, Irak. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 12.11.2003.” wordt vervangen door: „Mohamed Amin Mostafa. Geboortedatum: 11.10.1975. Geboorteplaats: Kirkuk, Irak. Nationaliteit: Irakees. Adres: Via della Martinella 132, Parma, Italië (domicilie). Overige informatie: onderworpen aan administratieve controlemaatregel in Italië tot 15 januari 2012. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 12.11.2003.”; |
|
b) |
„Hilarion Del Rosario Santos III (ook bekend als a) Akmad Santos, b) Ahmed Islam, c) Ahmad Islam Santos, d) Abu Hamsa, e) Hilarion Santos III, f) Abu Abdullah Santos, g) Faisal Santos, h) Lakay, i) Aki, j) Aqi). Titel: Emir. Adres: 50, Purdue Street, Cubao, Quezon City, Filipijnen. Geboortedatum: 12.3.1966. Geboorteplaats: 686 A. Mabini Street, Sangandaan, Caloocan City, Filipijnen. Nationaliteit: Filipijns. Paspoortnummer: AA780554 (Filipijns paspoort). Overige informatie: a) oprichter en leider van de Rajah Solaiman Movement en geassocieerd met de groep Abu Sayyaf; b) gedetineerd in de Filipijnen (situatie mei 2011). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 4.6.2008.” wordt vervangen door: „Hilarion Del Rosario Santos III (ook bekend als a) Akmad Santos, b) Ahmed Islam, c) Ahmad Islam Santos, d) Abu Hamsa, e) Hilarion Santos III, f) Abu Abdullah Santos, g) Faisal Santos, h) Lakay, i) Aki, j) Aqi). Titel: Emir. Adres: 50, Purdue Street, Cubao, Quezon City, Filipijnen. Geboortedatum: 12.3.1966. Geboorteplaats: 686 A. Mabini Street, Sangandaan, Caloocan City, Filipijnen. Nationaliteit: Filipijns. Paspoortnummer: AA780554 (Filipijns paspoort). Overige informatie: a) oprichter en leider van de Rajah Solaiman Movement en geassocieerd met de groep Abu Sayyaf; b) gedetineerd in de Filipijnen (situatie mei 2011). Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 4.6.2008.”; |
|
c) |
„Anas Hasan Khattab (ook bekend als: a) Samir Ahmed al-Khayat, b) Hani, c) Abu Hamzah, d) Abu-Ahmad Hadud). Titel: Emir. Geboortedatum: 7.4.1986. Geboorteplaats: Damascus, Syrië. Nationaal identiteitsnummer: 00351762055. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 23.9.2014.” wordt vervangen door: „Anas Hasan Khattab (ook bekend als: a) Samir Ahmed al-Khayat, b) Hani, c) Abu Hamzah, d) Abu-Ahmad Hadud). Titel: Emir. Geboortedatum: 7.4.1986. Geboorteplaats: Damascus, Syrië. Nationaliteit: Syrisch. Overige informatie: administratieve emir van het Al-Nusrah Front for the People of the Levant. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 7 quinquies, lid 2, onder i): 23.9.2014.”. |
|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/76 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1907 VAN DE COMMISSIE
van 28 oktober 2016
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 28 oktober 2016.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
118,3 |
|
ZZ |
118,3 |
|
|
0707 00 05 |
TR |
147,7 |
|
ZZ |
147,7 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
91,2 |
|
TR |
154,4 |
|
|
ZZ |
122,8 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
46,2 |
|
CL |
67,0 |
|
|
IL |
44,6 |
|
|
TR |
98,6 |
|
|
UY |
84,6 |
|
|
ZA |
65,7 |
|
|
ZZ |
67,8 |
|
|
0806 10 10 |
BR |
298,0 |
|
PE |
321,1 |
|
|
TR |
142,4 |
|
|
ZA |
228,5 |
|
|
ZZ |
247,5 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
260,6 |
|
AU |
218,6 |
|
|
BR |
119,9 |
|
|
CL |
139,2 |
|
|
NZ |
135,2 |
|
|
ZA |
131,7 |
|
|
ZZ |
167,5 |
|
|
0808 30 90 |
CN |
58,1 |
|
TR |
154,7 |
|
|
ZA |
164,5 |
|
|
ZZ |
125,8 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/78 |
BESLUIT (GBVB) 2016/1908 VAN DE RAAD
van 28 oktober 2016
houdende wijziging van Besluit 2010/573/GBVB inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 27 september 2010 Besluit 2010/573/GBVB vastgesteld (1). |
|
(2) |
Als uitvloeisel van een evaluatie van Besluit 2010/573/GBVB dienen de beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië te worden verlengd tot en met 31 oktober 2017. De Raad zal na zes maanden de situatie met betrekking tot de beperkende maatregelen opnieuw bezien. |
|
(3) |
Besluit 2010/573/GBVB dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 4, lid 2, van Besluit 2010/573/GBVB wordt vervangen door:
„2. Dit besluit is van toepassing tot en met 31 oktober 2017. Het wordt voortdurend geëvalueerd. Het wordt zo nodig verlengd of gewijzigd indien de Raad oordeelt dat de doelstellingen ervan niet zijn bereikt.”.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 28 oktober 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
M. LAJČÁK
(1) Besluit 2010/573/GBVB van de Raad van 27 september 2010 inzake beperkende maatregelen tegen de leiders van de regio Transnistrië van de Republiek Moldavië (PB L 253 van 28.9.2010, blz. 54).
|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/79 |
BESLUIT (EU) 2016/1909 VAN DE RAAD
van 28 oktober 2016
tot vaststelling van de financiële bijdragen van de lidstaten aan het Europees Ontwikkelingsfonds, met inbegrip van de derde tranche voor 2016
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (1), zoals laatstelijk gewijzigd („de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst”),
Gezien het Intern Akkoord tussen de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de financiering van de steun van de Europese Unie binnen het meerjarig financieel kader voor 2014-2020, overeenkomstig de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst en de toewijzing van financiële bijstand ten behoeve van de landen en gebieden overzee waarop de bepalingen van deel vier van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie van toepassing zijn (2) („het Intern Akkoord”), en met name artikel 7, lid 2,
Gezien Verordening (EU) 2015/323 van de Raad van 2 maart 2015 inzake het financieel reglement van toepassing op het 11e Europees Ontwikkelingsfonds (3) („het financieel reglement van het 11e EOF”), en met name artikel 21, lid 5,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 52 van het financieel reglement van het 11e EOF heeft de Europese Investeringsbank op 28 juli 2016 de Commissie haar bijgewerkte vastleggings- en betalingsramingen betreffende de door haar beheerde instrumenten doen toekomen. |
|
(2) |
In artikel 22, lid 1, van het financieel reglement van het 11e EOF is bepaald dat bij de verzoeken om bijdragen eerst in chronologische volgorde de bedragen voor vorige Europese ontwikkelingsfondsen (EOF's) worden opgebruikt. Daarom moet een verzoek om bijdragen in het kader van het 10e EOF worden gedaan. |
|
(3) |
De Raad heeft op 24 november 2015, op voorstel van de Commissie, besloten het maximum van de jaarlijkse EOF-bijdragen van de lidstaten voor 2016 vast te stellen op 3 450 000 000 EUR voor de Commissie en 150 000 000 EUR voor de Europese Investeringsbank. |
|
(4) |
Door middel van Besluit 2013/759/EU van de Raad (4) heeft de Raad op 12 december 2013 zijn goedkeuring gehecht aan de oprichting van een overgangsfaciliteit betreffende overgangsmaatregelen voor het beheer van het EOF tussen 1 januari 2014 en de inwerkingtreding van het 11e Europees Ontwikkelingsfonds, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De individuele bijdragen aan het Europees Ontwikkelingsfonds die de lidstaten voor de derde tranche van 2016 aan de Europese Commissie en de Europese Investeringsbank moeten betalen, zijn in de tabel in de bijlage bij dit besluit weergegeven.
Betalingen van deze bijdragen kunnen worden gecombineerd met aanpassingen in het kader van de aftrek van de middelen die zijn vastgelegd in het kader van de overbruggingsfaciliteit, volgens een aanpassingsplan dat door elke lidstaat bij de vaststelling van de derde tranche voor 2015 aan de Commissie is meegedeeld.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 28 oktober 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
M. LAJČÁK
(1) PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.
(2) PB L 210 van 6.8.2013, blz. 1.
(3) PB L 58 van 3.3.2015, blz. 17.
(4) Besluit 2013/759/EU van de Raad van 12 december 2013 betreffende overgangsmaatregelen voor het beheer van het EOF tussen 1 januari 2014 en de inwerkingtreding van het elfde Europees Ontwikkelingsfonds (PB L 335 van 14.12.2013, blz. 48).
BIJLAGE
|
Lidstaten |
Verdeelsleutel 10e EOF (in %) |
3e tranche 2016 (in EUR) |
||
|
Betaald aan EIB 10e EOF |
Betaald aan Commissie 10e EOF |
Totaal |
||
|
België |
3,53 |
1 765 000,00 |
24 710 000,00 |
26 475 000,00 |
|
Bulgarije |
0,14 |
70 000,00 |
980 000,00 |
1 050 000,00 |
|
Tsjechische Republiek |
0,51 |
255 000,00 |
3 570 000,00 |
3 825 000,00 |
|
Denemarken |
2,00 |
1 000 000,00 |
14 000 000,00 |
15 000 000,00 |
|
Duitsland |
20,50 |
10 250 000,00 |
143 500 000,00 |
153 750 000,00 |
|
Estland |
0,05 |
25 000,00 |
350 000,00 |
375 000,00 |
|
Ierland |
0,91 |
455 000,00 |
6 370 000,00 |
6 825 000,00 |
|
Griekenland |
1,47 |
735 000,00 |
10 290 000,00 |
11 025 000,00 |
|
Spanje |
7,85 |
3 925 000,00 |
54 950 000,00 |
58 875 000,00 |
|
Frankrijk |
19,55 |
9 775 000,00 |
136 850 000,00 |
146 625 000,00 |
|
Italië |
12,86 |
6 430 000,00 |
90 020 000,00 |
96 450 000,00 |
|
Cyprus |
0,09 |
45 000,00 |
630 000,00 |
675 000,00 |
|
Letland |
0,07 |
35 000,00 |
490 000,00 |
525 000,00 |
|
Litouwen |
0,12 |
60 000,00 |
840 000,00 |
900 000,00 |
|
Luxemburg |
0,27 |
135 000,00 |
1 890 000,00 |
2 025 000,00 |
|
Hongarije |
0,55 |
275 000,00 |
3 850 000,00 |
4 125 000,00 |
|
Malta |
0,03 |
15 000,00 |
210 000,00 |
225 000,00 |
|
Nederland |
4,85 |
2 425 000,00 |
33 950 000,00 |
36 375 000,00 |
|
Oostenrijk |
2,41 |
1 205 000,00 |
16 870 000,00 |
18 075 000,00 |
|
Polen |
1,30 |
650 000,00 |
9 100 000,00 |
9 750 000,00 |
|
Portugal |
1,15 |
575 000,00 |
8 050 000,00 |
8 625 000,00 |
|
Roemenië |
0,37 |
185 000,00 |
2 590 000,00 |
2 775 000,00 |
|
Slovenië |
0,18 |
90 000,00 |
1 260 000,00 |
1 350 000,00 |
|
Slowakije |
0,21 |
105 000,00 |
1 470 000,00 |
1 575 000,00 |
|
Finland |
1,47 |
735 000,00 |
10 290 000,00 |
11 025 000,00 |
|
Zweden |
2,74 |
1 370 000,00 |
19 180 000,00 |
20 550 000,00 |
|
Verenigd Koninkrijk |
14,82 |
7 410 000,00 |
103 740 000,00 |
111 150 000,00 |
|
Totaal EU-27 |
100,00 |
50 000 000,00 |
700 000 000,00 |
750 000 000,00 |
|
29.10.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/82 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/1910 VAN DE COMMISSIE
van 28 oktober 2016
betreffende de gelijkwaardigheid van de verslagleggingsvereisten van bepaalde derde landen over betalingen aan overheden met de vereisten van hoofdstuk 10 van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (1), en met name artikel 47,
Gezien Richtlijn 2004/109/EG van het Europees Parlement en de Raad van 15 december 2004 betreffende de transparantievereisten die gelden voor informatie over uitgevende instellingen waarvan effecten tot de handel op een gereglementeerde markt zijn toegelaten en tot wijziging van Richtlijn 2001/34/EG (2), en met name artikel 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het doel van de in artikel 46 van Richtlijn 2013/34/EU uiteengezette gelijkwaardigheidsbeoordeling is om regeldruk te verminderen en om problemen van dubbele verslaglegging te vermijden voor grote ondernemingen en alle organisaties van openbaar belang die actief zijn in de winningsindustrie of in de houtkap van oerbossen, en die verslagen opstellen en openbaar maken betreffende betalingen aan overheden als bedoeld in artikel 42 van Richtlijn 2013/34/EU. Overeenkomstig artikel 6 van Richtlijn 2004/109/EG dienen uitgevende instellingen die actief zijn in de winningsindustrie of de houtkap van oerbossen, overeenkomstig hoofdstuk 10 van die richtlijn, jaarlijks een verslag op te stellen van hun betalingen aan overheden. |
|
(2) |
Bij artikel 46 van Richtlijn 2013/34/EU worden ondernemingen en alle organisaties van openbaar belang die actief zijn in de winningsindustrie of in de houtkap van oerbossen, vrijgesteld van het opstellen en openbaar maken van een verslag over hun betalingen aan overheden op grond van de vereisten van hoofdstuk 10 van Richtlijn 2013/34/EU, voor zover de betrokken betalingen door de ondernemingen openbaar worden gemaakt uit hoofde van een wettelijke verplichting op grond van gelijkwaardige verslagleggingsvereisten van een derde land. Dit soort wettelijke verplichting kan de facto rusten op een moederonderneming als gevolg van haar dochterondernemingen. In dat geval zouden de ondernemingen verslag doen over hun betalingen op grond van wettelijke verslagleggingsvereisten in bepaalde derde landen uit hoofde van gelijkwaardig geachte verslagleggingsvereisten van die derde landen. Voor alle overige resterende betalingen zouden de ondernemingen verslag doen uit hoofde van de desbetreffende vereisten die in het Unierecht zijn vastgesteld. De betrokken ondernemingen zouden nog steeds aan hun verplichting moeten voldoen om het verslag openbaar te maken op de wijze die in de wetgeving van elke lidstaat overeenkomstig hoofdstuk 2 van Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) is vastgesteld, met inbegrip van door lidstaten bepaalde termijnen voor de publieke beschikbaarheid van documenten. |
|
(3) |
De gelijkwaardigheid van de verslaglegginsvereisten van derde landen dient te worden getoetst aan de in artikel 46, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU uiteengezette criteria. Bij die criteria gaat het met name om de doelondernemingen, de doelontvangers van betalingen, de betalingen waarmee rekening wordt gehouden, de toewijzing van de betalingen waarmee rekening wordt gehouden, de verdeling van de betalingen waarmee rekening wordt gehouden, de criteria voor verslaglegging op geconsolideerde basis, het verslagleggingsmedium, de frequentie van de verslaggeving en maatregelen om ontwijking tegen te gaan. |
|
(4) |
Canada heeft verslagleggingsvereisten voor betalingen aan overheden vastgelegd (Extractive Sector Transparency Measures Act (ESTMA) van 22 juni 2015 en de Technical Reporting Specifications ervan). Gezien de in artikel 46, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU opgesomde criteria leveren die verslagleggingsvereisten concrete resultaten op die gelijkwaardig zijn aan het bepaalde in hoofdstuk 10 van Richtlijn 2013/34/EU en in artikel 6 van Richtlijn 2004/109/EG. Die verslagleggingsvereisten zijn gericht tot ondernemingen en uitgevende instellingen die uitsluitend in de winningsindustrie actief zijn. Derhalve dient te worden geconcludeerd dat de verslagleggingsvereisten van Canada om verslag te doen over betalingen aan overheden door ondernemingen en uitgevende instellingen, als gelijkwaardig dient te worden beschouwd aan de vereisten van hoofdstuk 10 van Richtlijn 2013/34/EU wat betreft uitsluitend hun activiteiten in de winningsindustrie. |
|
(5) |
De regelmatige beoordeling van de in derde landen geldende verslagleggingsvereisten voor betalingen aan overheden waarop dit besluit ziet, laat voor de Commissie de mogelijkheid onverlet om een specifieke beoordeling te verrichten wanneer relevante ontwikkelingen vereisen dat de Commissie de bij dit besluit erkende gelijkwaardigheid herbeoordeelt. Dit soort herbeoordeling kan tot de intrekking van dit besluit leiden. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 50, lid 1, van Richtlijn 2013/34/EU ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de toepassing van artikel 47 van Richtlijn 2013/34/EU en artikel 6 van Richtlijn 2004/109/EG worden de verslagleggingsvereisten van de in de bijlage bij dit besluit vermelde landen, die gelden voor in de winningsindustrie actieve ondernemingen en uitgevende instellingen, in de zin van artikel 41, punt 1, van Richtlijn 2013/34/EU als gelijkwaardig aan de vereisten van hoofdstuk 10 van Richtlijn 2013/34/EU beschouwd.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 28 oktober 2016.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19.
(2) PB L 390 van 31.12.2004, blz. 38.
(3) Richtlijn 2009/101/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 strekkende tot het coördineren van de waarborgen, welke in de lidstaten worden verlangd van de vennootschappen in de zin van de tweede alinea van artikel 48 van het Verdrag, om de belangen te beschermen zowel van de deelnemers in deze vennootschappen als van derden, zulks teneinde die waarborgen gelijkwaardig te maken (PB L 258 van 1.10.2009, blz. 11).
BIJLAGE
LIJST VAN DERDE LANDEN VOOR DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 1 (IN DE WINNINGSINDUSTRIE ACTIEVE ONDERNEMINGEN EN UITGEVENDE INSTELLINGEN)
|
1) |
Canada |