ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 275

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
12 oktober 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1798 van de Commissie van 30 september 2016 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (ข้าวสังข์หยดเมืองพัทลุง (Khao Sangyod Muang Phatthalung) (BGA))

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1799 van de Commissie van 7 oktober 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de mapping van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen voor kredietrisico in overeenstemming met artikel 136, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

3

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1800 van de Commissie van 11 oktober 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de verdeling van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen over een objectieve schaal van kredietkwaliteitscategorieën in overeenstemming met Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

19

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1801 van de Commissie van 11 oktober 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de mapping van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen voor securitisaties in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

27

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1802 van de Commissie van 11 oktober 2016 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 414/2013 van de Commissie tot vaststelling van de procedure voor de toelating van dezelfde biociden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad ( 1 )

34

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1803 van de Commissie van 11 oktober 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

37

 

 

BESLUITEN

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1804 van de Commissie van 10 oktober 2016 betreffende de nadere regels voor de toepassing van de artikelen 34 en 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 6351)  ( 1 )

39

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

12.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1798 VAN DE COMMISSIE

van 30 september 2016

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (ข้าวสังข์หยดเมืองพัทลุง (Khao Sangyod Muang Phatthalung) (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Thailand ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „ข้าวสังข์หยดเมืองพัทลุง” (Khao Sangyod Muang Phatthalung) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „ข้าวสังข์หยดเมืองพัทลุง” (Khao Sangyod Muang Phatthalung) worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De benaming „ข้าวสังข์หยดเมืองพัทลุง” (Khao Sangyod Muang Phatthalung) (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.6. (Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 30 september 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 188 van 27.5.2016, blz. 50.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


12.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1799 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2016

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de mapping van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen voor kredietrisico in overeenstemming met artikel 136, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (1), en met name artikel 136, lid 1, derde alinea, en artikel 136, lid 3, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De bepalingen van deze verordening hangen nauw met elkaar samen daar zij betrekking hebben op de mapping van kredietbeoordelingen, met uitzondering van die welke aan securitisatieposities worden toegekend. Om de samenhang te verzekeren tussen deze bepalingen, die op hetzelfde moment in werking moeten treden, en om aan de personen voor wie deze verplichtingen gelden een volledig beeld van en een compacte toegang tot deze bepalingen te bieden, is het wenselijk alle bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vereiste technische uitvoeringsnormen in verband met de mapping van kredietbeoordelingen, met uitzondering van die welke aan securitisatieposities worden toegekend, in één enkele verordening op te nemen.

(2)

Overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 moet voor alle externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI's) worden bepaald in welke kredietkwaliteitscategorie van afdeling 2 van genoemde verordening de betrokken kredietbeoordelingen van de EKBI's moeten worden ondergebracht („mapping”). EKBI's zijn ratingbureaus die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) zijn geregistreerd of gecertificeerd, dan wel centrale banken die ratings afgeven en die van de toepassing van genoemde verordening zijn vrijgesteld.

(3)

Sommige vergelijkbare termen en concepten die in Verordening (EG) nr. 1060/2009 en in Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gehanteerd, kunnen aanleiding geven tot verwarring. Zo wordt in Verordening (EU) nr. 575/2013 met de term „kredietbeoordeling” zowel op de „labels” van de verschillende ratingcategorieën van EKBI's als op de toekenning van een dergelijke rating aan een bepaalde post gedoeld. In de punten h) en a) van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt met het gebruik van respectievelijk de termen „ratingcategorie” en „rating” echter een duidelijk onderscheid tussen deze beide concepten gemaakt. Om verwarring te vermijden, gezien het feit dat afzonderlijk naar deze beide specifieke concepten moet kunnen worden verwezen, alsook gezien de complementariteit van beide genoemde verordeningen, moet de terminologie van Verordening (EG) nr. 1060/2009 worden gehanteerd omdat deze preciezer is.

(4)

Aangezien kredietinstellingen en beleggingsondernemingen krachtens artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 alleen voor regelgevingsdoeleinden van ratings mogen gebruikmaken indien deze zijn afgegeven door in de Unie gevestigde ratingbureaus die overeenkomstig deze verordening zijn geregistreerd of gecertificeerd, moet de mapping van EKBI-kredietbeoordelingen betrekking hebben op kredietbeoordelingen die voldoen aan de in artikel 3, lid 1, onder a), van genoemde verordening vervatte definitie van „rating”. Daar bovendien op grond van artikel 136 van Verordening (EU) nr. 575/2013 een mapping is vereist voor alle EKBI's, waartoe volgens de in artikel 4, lid 1, punt 98, van genoemde verordening vervatte definitie ook centrale banken behoren die ratings afgeven en die van de toepassing van Verordening (EG) nr. 1060/2009 zijn ontheven, moet de mapping van EKBI-ratingcategorieën ook dergelijke ratings bestrijken. Verordening (EU) nr. 575/2013 verbiedt het gebruik van ratings voor bepaalde activaklassen (zoals aandelen) in het kader van de standaardbenadering. Daarom mogen alleen beoordelingen van vastrenderende instellingen voor collectieve belegging welke uitsluitend van de kredietkwaliteit van de onderliggende activa afhankelijk zijn, door de mapping van EKBI-kredietbeoordelingen worden bestreken.

(5)

Met de mapping wordt beoogd de passende risicogewichten van Verordening (EU) nr. 575/2013 aan de ratingcategorieën van een EKBI toe te wijzen. De mapping moet het bijgevolg mogelijk maken niet alleen relatieve risicoverschillen, maar ook de absolute risiconiveaus van elke ratingcategorie te onderkennen, zodat in het kader van de standaardbenadering toereikende kapitaalniveaus worden gewaarborgd.

(6)

Gezien het brede scala van methoden die EKBI's hanteren, zijn objectiviteit en consistentie van de mappingmethodiek van essentieel belang voor het verzekeren zowel van een gelijk speelveld voor de instellingen als van een eerlijke behandeling van EKBI's. Om die reden moet bij het opstellen van regels voor het gebruik van kwantitatieve en kwalitatieve factoren en de vergelijking ervan met de referentiewaarde worden voortgebouwd op het vorige regelgevingskader, namelijk deel 3 van de „Revised Guidelines on the recognition of External Credit Assessment Institutions” van 30 november 2010, teneinde een vlotte overgang naar de in deze verordening beschreven mapping te garanderen. Aldus zou ook de consistentie worden gewaarborgd met de internationale normen ter zake, die op hun beurt zijn weergegeven in bijlage 2 bij „Basel II: International Convergence of Capital Measurement and Capital Standards: A Revised Framework — Comprehensive Version” van juni 2006.

(7)

De door EKBI's gehanteerde definities van wanbetaling kunnen verschillen van die in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013, zoals weerspiegeld in Verordening (EG) nr. 1060/2009 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2 van de Commissie (3). Om ervoor te zorgen dat het totale voor blootstellingen met externe ratings vereiste kapitaalniveau ongewijzigd blijft, moeten de soorten wanbetalingsgebeurtenissen die voor de kalibratie van de in artikel 136, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde referentiewaarde worden gehanteerd, voor de toepassing van deze verordening niettemin als definitie van wanbetaling worden gebruikt.

(8)

Onder mapping moet de onderbrenging van de ratingcategorieën van een EKBI in een voor prudentiële doeleinden vastgestelde wettelijke schaal worden verstaan. Dit moet derhalve als een ander concept worden beschouwd dan dat wat de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) op grond van artikel 21, lid 4 ter, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 in de vorm van een verslag moet verstrekken en dat beleggers in staat moet stellen alle met betrekking tot een bepaalde beoordeelde entiteit bestaande ratings gemakkelijk met elkaar te vergelijken. Voor de toepassing van deze verordening worden met „mapping” evenmin mappings bedoeld die uit hoofde van andere kaders, zoals het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem, zijn ontwikkeld, omdat deze mogelijk op andere methoden en definities berusten.

(9)

Voor elke betrokken reeks ratingcategorieën („ratingschaal”) moet een verschillende mapping worden uitgevoerd. Wanneer de ratingschaal van een EKBI voor alle blootstellingscategorieën gelijk is, mag de mapping niet verschillen teneinde het bij Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde onderscheid tussen de risicogewichten naar gelang van de blootstellingscategorieën te verzekeren. Wanneer een EKBI meerdere ratingschalen heeft, moet bij de mapping de door de EKBI vastgestelde relatie tussen deze schalen in aanmerking worden genomen.

(10)

Ongevraagde ratings als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder x), van Verordening (EG) nr. 1060/2009 dienen in de mapping van een EKBI te worden opgenomen, mits deze ratings overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 voor regelgevingsdoeleinden kunnen worden gebruikt en mits de Europese Bankautoriteit (EBA) overeenkomstig artikel 138 van Verordening (EU) nr. 575/2013 heeft bevestigd dat zij geen kwaliteitsverschil met gevraagde ratings van die EKBI vertonen.

(11)

Bij de opstelling van een mapping moeten zowel kwantitatieve als kwalitatieve factoren worden gebruikt, waarbij de kwalitatieve factoren in een tweede fase in aanmerking moeten worden genomen wanneer dat nodig is, en dan vooral wanneer kwantitatieve factoren niet volstaan. Kwalitatieve factoren moeten bijgevolg helpen bij de herziening, correctie en verbetering van een initiële mapping op basis van kwantitatieve factoren ingeval een dergelijke herziening gerechtvaardigd en noodzakelijk is. Deze aanpak in twee stappen is noodzakelijk om tot de objectiviteit van de mapping bij te dragen en ervoor te zorgen dat de mapping daadwerkelijk de overeenstemming van de ratingcategorieën van een EKBI met een voor prudentiële doeleinden vastgestelde wettelijke schaal weergeeft.

(12)

Om een goed evenwicht tussen prudentiële en marktoverwegingen te bewerkstelligen, moet worden vermeden dat EKBI's waarvoor wegens hun recentere toetreding tot de markt slechts beperkte kwantitatieve informatie voorhanden is, onwenselijk groot nadeel ondervinden. Bij de opstelling van de mapping dient derhalve minder strikt de hand te worden gehouden aan de relevantie van de kwantitatieve factoren. De mapping moet worden bijgewerkt telkens als dit noodzakelijk wordt geacht in het licht van de kwantitatieve informatie die na de inwerkingtreding van deze verordening is verzameld.

(13)

De wanbetalingsgraad van posten van dezelfde ratingcategorie moet als de meest representatieve kwantitatieve factor worden beschouwd en moet worden berekend op basis van de met deze posten overeenstemmende wanbetalingsgegevens. Ingeval er niet genoeg met dergelijke posten overeenstemmende wanbetalingsgegevens beschikbaar zijn, moet er toch een raming van de wanbetalingsgraad worden gemaakt op basis van het advies van de betrokken EKBI en van wanbetalingsgegevens over de posten van de ratingcategorie waarvoor de mapping wordt uitgevoerd.

(14)

De berekening van de wanbetalingsgraad moet aan bepaalde vereisten voldoen om ervoor te zorgen dat deze vergelijkbaar is tussen EKBI's. Zo moet de wanbetalingsgraad over een tijdshorizon van drie jaar worden gemeten om een significant aantal wanbetalingen te kunnen waarnemen wanneer er van een zeer klein risico sprake is; de wanbetalingsgraad moet tevens met verwijderingen rekening houden om een onderschatting van het risico te vermijden. Bovendien mogen in de wanbetalingsgraad noch ratings betreffende de overheidssector, noch ratings van emissies zijn opgenomen omdat bij de eerstgenoemde soort ratings wanbetalingen zeldzaam zijn en omdat moet worden vermeden dat als gevolg van het gebruik van de laatstgenoemde soort ratings de wanbetalingsgraden worden vertekend in de richting van emittenten met een groter aantal emissies.

(15)

Voor elke ratingcategorie moeten de wanbetalingsgraden voor zover mogelijk over een lange en een korte waarnemingsperiode worden berekend. De eerstgenoemde periode moet de basis vormen voor de mapping, terwijl de laatstgenoemde periode dient voor het geven van een vroegtijdige waarschuwing voor een potentiële toename, of afname, van het risiconiveau van de ratingcategorie. Indien er niet genoeg ratings beschikbaar zijn, mag alleen de wanbetalingsgraad op lange termijn worden berekend omdat de berekening van wanbetalingsgraden op korte termijn met veel onzekerheid omgeven is. In dat geval moet naar de kwalitatieve factoren worden gekeken als waarschuwingssignaal voor een potentiële toename van het risiconiveau van de ratingcategorie.

(16)

De door de EKBI gehanteerde definitie van wanbetaling voor de berekening van de wanbetalingsgraad van posten van dezelfde ratingcategorie is een essentieel element van de mapping. Een striktere definitie van wanbetaling kan hogere wanbetalingsgraden opleveren dan andere, minder strikte definities van wanbetaling. Daarom moet een raming van het effect van de definitie van wanbetaling op de berekening van de wanbetalingsgraad worden gemaakt om tot een accurate mapping te komen.

(17)

Wanneer maar weinig wanbetalingsgegevens beschikbaar zijn, moet bij de mapping met de in een ratingcategorie beschouwde tijdshorizon rekening worden gehouden om de consistentie tussen EKBI's te waarborgen. Indien een korte tijdshorizon is gekozen, kunnen sommige posten bijgevolg met een gegeven risiconiveau overeenstemmen. Deze zelfde posten kunnen echter met een heel ander risiconiveau overeenstemmen indien zij worden beoordeeld over de voor de berekening van de wanbetalingsgraad gekozen tijdshorizon van drie jaar. Deze factor moet in aanmerking worden genomen bij en op passende wijze tot uitdrukking komen in de mapping.

(18)

De betekenis van de ratingcategorie en de relatieve positie ervan binnen de ratingschaal zouden bijzonder nuttig moeten zijn wanneer er geen kwantitatieve factor beschikbaar is en de mapping van de aangrenzende ratingcategorie bekend is. Daartoe moeten kredietkwaliteitscategorieën worden beschreven in termen van aspecten zoals het vermogen van de emittent om zijn financiële verplichtingen na te komen, de gevoeligheid ervan voor de economische situatie of hoe ver een categorie van de wanbetalingsstatus verwijderd is.

(19)

Ook moet met algemene risicodeterminanten van de posten van eenzelfde ratingcategorie rekening worden gehouden. De omvang en de mate van diversificatie qua activiteit van de posten van eenzelfde ratingcategorie moeten in aanmerking worden genomen als relevante indicatoren van hun onderliggende risicoprofiel. Tevens moet het mogelijk zijn andere maatstaven van kredietwaardigheid die aan posten van dezelfde ratingcategorie zijn toegekend, in aanmerking te nemen als kwalitatieve factoren die aanvullende informatie over het wanbetalingsgedrag van de betrokken ratingcategorie verschaffen. De relevantie, objectiviteit en betrouwbaarheid van de verschillende maatstaven van kredietwaardigheid moeten zorgvuldig worden geanalyseerd voordat deze bij de mapping worden gehanteerd.

(20)

Om de consistentie met de internationale normen te waarborgen, moeten bij de mapping de in het document „Basel II: International Convergence of Capital Measurement and Capital Standards: A Revised Framework — Comprehensive Version” van juni 2006 vermelde referentiewaarden voor wanbetalingsgraden op lange en korte termijn worden gebruikt. Er moet echter in meer gedetailleerde regels worden voorzien om rekening te kunnen houden met de verscheidenheid aan EKBI's die momenteel op de EU-markt actief zijn en waarvan de wanbetalingsgraden sterk kunnen afwijken van het patroon van de internationale EKBI's dat aan de huidige referentiewaarde ten grondslag ligt. De referentiewaarde op lange termijn moet meer in het bijzonder in termen van intervallen worden gedefinieerd om aan te geven dat met elke kredietkwaliteitscategorie een bandbreedte van waarden kan overeenstemmen.

(21)

Bij het mappen van ratingcategorieën in een kredietkwaliteitscategorie moet in eerste instantie worden uitgegaan van een vergelijking van hun wanbetalingsgraad op lange termijn met de referentiewaarde op lange termijn, alsook van de van kwalitatieve factoren afkomstige informatie.

(22)

Overeenkomstig artikel 136, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013 moet de juistheid van de mapping veelvuldig worden getoetst omdat de wanbetalingsgraad op lange termijn kan veranderen en representatief kan worden voor een andere kredietkwaliteitscategorie. Daartoe moeten recente wanbetalingsgraden op korte termijn binnen een ratingcategorie regelmatig aan hun overeenkomstige referentiewaarden op korte termijn worden getoetst („monitoring”- en „trigger”-niveaus). Een overschrijding van de referentiewaarden op korte termijn gedurende een aaneengesloten periode van twee jaar kan op een verzwakking van de evaluatienormen duiden, wat kan betekenen dat de nieuwe onderliggende wanbetalingsgraad op lange termijn representatief is voor een minder gunstige kredietkwaliteitscategorie. Dit signaal zou des te relevanter zijn wanneer het triggerniveau in plaats van het monitoringniveau wordt overschreden. Zo kan met name één enkele post van de hoogste ratingcategorieën ten aanzien waarvan er zich een wanbetaling heeft voorgedaan, aanleiding geven tot het overwegen van de herziening van de mapping die geldt voor die ene EKBI die een rating voor die post heeft afgegeven.

(23)

Er moeten herziene ontwerpen van technische uitvoeringsnormen worden voorgelegd wanneer zulks noodzakelijk is om nieuw opgerichte EKBI's in de mapping op te nemen.

(24)

Aangezien Verordening (EU) nr. 575/2013 te allen tijde in acht moet worden genomen, is een permanente monitoring van de prestatie van de mappings vereist.

(25)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de EBA, de ESMA en de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (EIOPA) (de „Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's)”) gezamenlijk aan de Commissie hebben voorgelegd.

(26)

Op 29 maart 2016 heeft de Commissie het gemengd comité van de ETA's in kennis gesteld van haar voornemen om de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen in gewijzigde vorm te bevestigen teneinde een evenwicht te bewerkstelligen tussen een solide prudentiële benadering en de noodzaak verdere concentratie te vermijden op een reeds zeer geconcentreerde ratingmarkt die door drie grote EKBI's met een gezamenlijk marktaandeel van ongeveer 90 % wordt gedomineerd. In haar kennisgeving heeft de Commissie met name de aandacht gevestigd op de noodzaak de automatische toepassing na drie jaar te vermijden van een conservatievere mapping op alle EKBI's die niet genoeg ratings hebben afgegeven, ongeacht de kwaliteit van hun ratings, omdat een dergelijke benadering in een regelgevende belemmering voor de markttoegang dreigt te resulteren en tevens de concurrentiepositie van kleinere/nieuwere EKBI's dreigt te ondermijnen, gewoon omdat zij minder ratings afgeven dan grote gevestigde ratingbureaus. In zijn formeel advies van 12 mei 2016 heeft het gemengd comité van de ETA's zijn oorspronkelijke standpunt bevestigd en geen technische uitvoeringsnormen heringediend die zodanig waren gewijzigd dat zij met de wijzigingsvoorstellen van de Commissie overeenstemden.

(27)

Teneinde een evenwicht tussen een solide prudentiële benadering en de concurrentie op de ratingmarkt te bewerkstelligen, moeten de bepalingen van de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen worden gewijzigd welke voor kleinere/nieuwere EKBI's wegens hun meer recente toetreding tot de markt een onwenselijk groot nadeel met zich kunnen meebrengen, en met name de bepalingen met betrekking tot de toepassing van een conservatievere behandeling in geval van de beperkte beschikbaarheid van gegevens, de automatische inwerkingtreding van een nieuwe mapping vanaf 2019, de bepaling betreffende de herziening van de mapping en de met ingang van 2019 toepasselijke mappingtabellen.

(28)

De EBA, de ESMA en de EIOPA hebben open publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de potentiële desbetreffende kosten en baten geanalyseerd en het advies ingewonnen van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (4) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen, de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (5) opgerichte Stakeholdergroep effecten en markten en de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (6) opgerichte Stakeholdergroep verzekeringen en herverzekeringen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

KWANTITATIEVE FACTOREN, KWALITATIEVE FACTOREN EN REFERENTIEWAARDE

HOOFDSTUK 1

Kwantitatieve factoren

Artikel 1

Kwantitatieve factoren van de mapping van een ratingcategorie

De in artikel 136, lid 2, onder a), van artikel 136 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde kwantitatieve factoren zijn de wanbetalingsgraden op korte en op lange termijn van posten van dezelfde ratingcategorie, zoals beschreven in de artikelen 2 tot en met 6.

Artikel 2

Voor de berekening van de kwantitatieve factoren gebruikte posten

De in artikel 1 bedoelde wanbetalingsgraden voor elke ratingcategorie worden uitsluitend berekend op basis van posten die door de externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) waarvoor de mapping wordt uitgevoerd, in dezelfde ratingcategorie zijn ondergebracht, waarbij de posten aan alle volgende vereisten voldoen:

a)

zij vallen onder het in artikel 3, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2 bedoelde ratingtype „ratings van ondernemingen” en zijn op emittentbasis ondergebracht;

b)

zij hebben de volgende rating gekregen:

i)

ofwel een gevraagde rating;

ii)

ofwel een ongevraagde rating die aan de vereisten van artikel 138 van Verordening (EU) nr. 575/2013 voldoet.

Afdeling 1

Berekening van de kwantitatieve factoren van een ratingcategorie wanneer er genoeg ratings beschikbaar zijn

Artikel 3

Bepaling of er genoeg ratings beschikbaar zijn

1.   Bij de berekening van de wanbetalingsgraad op korte termijn wordt aangenomen dat er genoeg posten zijn die door de EKBI waarvoor de mapping wordt uitgevoerd, in dezelfde ratingcategorie zijn ondergebracht, wanneer de posten aan alle volgende vereisten voldoen:

a)

hun aantal is toereikend in het licht van het waargenomen risicoprofiel van de ratingcategorie, waarbij het aantal posten dat de inverse vertegenwoordigt van de in artikel 14, onder a), bedoelde referentiewaarde voor de wanbetalingsgraad op lange termijn van de ratingcategorie, als indicator wordt beschouwd;

b)

zij zijn representatief voor de meest recente groep posten die in dezelfde ratingcategorie zijn ondergebracht.

2.   Bij de berekening van de wanbetalingsgraad op lange termijn wordt aangenomen dat er genoeg posten zijn die door de EKBI waarvoor de mapping wordt uitgevoerd, in dezelfde ratingcategorie zijn ondergebracht, wanneer ten minste de meest recente 10 wanbetalingsgraden op korte termijn als bedoeld in lid 1 beschikbaar zijn.

Artikel 4

Wanbetalingsgraden op korte termijn van een ratingcategorie wanneer er genoeg ratings beschikbaar zijn

1.   Wanneer er overeenkomstig artikel 3, lid 1, genoeg ratings beschikbaar zijn, worden de in artikel 1 bedoelde wanbetalingsgraden op korte termijn berekend op de in de leden 2 tot en met 5 beschreven wijze.

2.   De wanbetalingsgraden op korte termijn van een ratingcategorie worden over een tijdshorizon van drie jaar berekend als een ratio waarbij:

a)

de noemer het bij de aanvang van de tijdshorizon voorhanden aantal posten van dezelfde ratingcategorie is;

b)

de teller het aantal onder a) bedoelde posten is waarvoor vóór het einde van de tijdshorizon van wanbetaling sprake is.

3.   Het gewicht van de bijdrage aan de in lid 2, onder a), bedoelde noemer van de wanbetalingsgraden op korte termijn van posten die vóór het einde van de tijdshorizon zijn verwijderd en waarvoor er geen sprake is van wanbetaling, bedraagt slechts 50 %. Elke post waarvoor er bewijs is dat deze is verwijderd voordat er een wanbetaling plaatsvond, wordt beschouwd als een post ten aanzien waarvan er zich een wanbetaling heeft voorgedaan.

4.   Posten worden beschouwd als posten ten aanzien waarvan er zich een wanbetaling heeft voorgedaan en die in de in lid 2, onder b), bedoelde teller moeten worden opgenomen, wanneer één van de volgende soorten gebeurtenissen heeft plaatsgevonden:

a)

een faillissementsaanvraag of de aanstelling door de rechter van een curator waardoor toekomstige contractueel verplichte schuldendienstbetalingen waarschijnlijk zullen worden gemist of te laat zullen plaatsvinden;

b)

een gemiste of te late betaling van een contractueel verplichte aflossing van rente of hoofdsom, tenzij de betalingen plaatsvinden binnen een contractueel toegestane aflossingsvrije periode;

c)

een gedwongen ruil indien het aanbod inhoudt dat de belegger minder zal ontvangen dan de in de oorspronkelijke effecten toegezegde waarde;

d)

de beoordeelde entiteit staat onder een strenge vorm van wettelijk toezicht wegens de financiële situatie waarin zij verkeert.

5.   De wanbetalingsgraden op korte termijn van elke voorhanden groep posten van dezelfde ratingcategorie worden berekend op basis van halfjaarlijkse perioden, die op 1 januari en 1 juli van elk jaar aanvangen.

Artikel 5

Wanbetalingsgraad op lange termijn van een ratingcategorie wanneer er genoeg ratings beschikbaar zijn

1.   Wanneer er overeenkomstig artikel 3 genoeg ratings beschikbaar zijn, wordt de in artikel 1 bedoelde wanbetalingsgraad op lange termijn berekend conform de leden 2, 3 en 4.

2.   De wanbetalingsgraad op lange termijn wordt berekend als het gewogen gemiddelde van ten minste de 20 meest recente wanbetalingsgraden op korte termijn, berekend overeenkomstig artikel 4, lid 1. Indien de beschikbare wanbetalingsgraden op korte termijn een langere periode omspannen en relevant zijn, worden de wanbetalingsgraden op korte termijn voor die langere periode gebruikt. Indien er minder dan 20 overeenkomstig artikel 4, lid 1, berekende wanbetalingsgraden op korte termijn beschikbaar zijn, worden de resterende wanbetalingsgraden op korte termijn geraamd om 20 wanbetalingsgraden op korte termijn te verkrijgen.

3.   De overeenkomstig artikel 4 berekende wanbetalingsgraden op korte termijn die voor de bepaling van het in lid 2 bedoelde gewogen gemiddelde worden gebruikt, bestrijken de meest recente recessieperiode. Deze recessieperiode omvat ten minste een half jaar waarin er sprake was van negatieve groeicijfers van het bruto binnenlands product in de belangrijkste geografische gebieden die als referentie voor de beoordeelde posten fungeren.

4.   Bij de bepaling van het in lid 2 bedoelde gewogen gemiddelde is het volgende van toepassing:

a)

de overeenkomstig artikel 4, lid 1, berekende wanbetalingsgraden op korte termijn worden gewogen op basis van het aantal in artikel 4, lid 2, onder a), gespecificeerde aantal posten;

b)

de geraamde wanbetalingsgraden op korte termijn worden gewogen op basis van ramingen van het bij de aanvang van de tijdshorizon voorhanden aantal posten van dezelfde ratingcategorie.

De gewichten waarborgen een adequate vertegenwoordiging van recessie- en niet-recessiejaren in een volledige economische cyclus.

Afdeling 2

Berekening van de kwantitatieve factoren van een ratingcategorie wanneer er niet genoeg ratings beschikbaar zijn

Artikel 6

Gebruikte posten en wanbetalingsgraad op lange termijn van een ratingcategorie wanneer er niet genoeg ratings beschikbaar zijn

Wanneer er niet genoeg ratings in de zin van artikel 3 beschikbaar zijn, worden bij de berekening van de in artikel 1 bedoelde wanbetalingsgraad op lange termijn beide volgende voorschriften in acht genomen:

a)

de berekening wordt gebaseerd op de door de EKBI verstrekte raming van de wanbetalingsgraad op lange termijn van alle posten van dezelfde ratingcategorie in overeenstemming met artikel 136, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

de onder a) bedoelde raming wordt aangevuld met het aantal posten dat wel en dat niet door wanbetaling wordt gekenmerkt en dat in de betrokken ratingcategorie is ondergebracht door de EKBI waarvoor de mapping wordt uitgevoerd.

HOOFDSTUK 2

Kwalitatieve factoren

Artikel 7

Kwalitatieve factoren van de mapping van een ratingcategorie

De kwalitatieve factoren in de zin van artikel 136, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn:

a)

de door de EKBI gehanteerde definitie van wanbetaling, als bedoeld in artikel 8;

b)

de door de EKBI beschouwde tijdshorizon van een ratingcategorie, als bedoeld in artikel 9;

c)

de betekenis van een ratingcategorie en de relatieve positie ervan binnen de door de EKBI vastgestelde ratingschaal, als bedoeld in artikel 10;

d)

de kredietwaardigheid van de posten van dezelfde ratingcategorie, als bedoeld in artikel 11;

e)

de door de EKBI verstrekte raming van de wanbetalingsgraad op lange termijn van alle posten van dezelfde ratingcategorie in overeenstemming met artikel 136, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, als bedoeld in artikel 12;

f)

in voorkomend geval, de door de EKBI vastgestelde relatie („interne mapping”) tussen, enerzijds, de ratingcategorie waarvoor de mapping wordt uitgevoerd, en, anderzijds, andere door dezelfde EKBI opgestelde ratingcategorieën waarvoor reeds een mapping in overeenstemming met deze verordening is vastgesteld, als bedoeld in artikel 13;

g)

alle andere relevante informatie die een beschrijving kan geven van de risicograad waaraan door een ratingcategorie uitdrukking wordt gegeven.

Artikel 8

Door de EKBI gehanteerde definitie van wanbetaling

De door de EKBI in aanmerking genomen soorten gebeurtenissen om uit te maken of er voor een post van wanbetaling sprake is, worden met behulp van alle beschikbare informatie vergeleken met die welke in artikel 4, lid 4, zijn vermeld. Wanneer uit de vergelijking blijkt dat niet al deze soorten wanbetalingsgebeurtenissen door de EKBI in aanmerking zijn genomen, worden de in artikel 1 bedoelde kwantitatieve factoren dienovereenkomstig aangepast.

Artikel 9

Tijdshorizon van een ratingcategorie

De door de EKBI beschouwde tijdshorizon voor de vaststelling van een ratingcategorie geeft een relevante indicatie of het risiconiveau van de ratingcategorie in kwestie houdbaar is over de in artikel 4, lid 2, vermelde tijdshorizon.

Artikel 10

Betekenis en relatieve positie van een ratingcategorie

1.   De betekenis van een door de EKBI vastgestelde ratingcategorie wordt bepaald op basis van de kenmerken van het vermogen om de in de posten van die ratingcategorie weerspiegelde financiële verplichtingen na te komen, en meer in het bijzonder door de gevoeligheid van de ratingcategorie voor de economische omgeving en door het antwoord op de vraag hoe ver zij van de wanbetalingssituatie verwijderd is.

2.   De betekenis van een ratingcategorie wordt vergeleken met die van elke kredietkwaliteitscategorie, als bedoeld in artikel 15.

3.   De betekenis van een ratingcategorie wordt beoordeeld in combinatie met de relatieve positie ervan binnen de door de EKBI vastgestelde ratingschaal.

Artikel 11

Kredietwaardigheid van posten van dezelfde ratingcategorie

1.   De kredietwaardigheid van posten van dezelfde ratingcategorie wordt bepaald met inaanmerkingneming van ten minste de omvang ervan en de mate van sectorale en geografische diversificatie ervan qua bedrijfsactiviteit.

2.   Voor zover zulks passend is, mag er, ter aanvulling van de informatie afkomstig van de in artikel 1 bedoelde kwantitatieve factoren, worden gebruikgemaakt van andere maatstaven van kredietwaardigheid welke aan posten van dezelfde ratingcategorie zijn toegekend, mits deze maatstaven betrouwbaar zijn en nuttig zijn voor de mapping.

Artikel 12

Door de EKBI verstrekte raming van de wanbetalingsgraad op lange termijn van alle posten van dezelfde ratingcategorie

De door de EKBI verstrekte raming van de wanbetalingsgraad op lange termijn van alle posten van dezelfde ratingcategorie wordt voor de uitvoering van de mapping in aanmerking genomen, mits deze raming afdoende onderbouwd is.

Artikel 13

Door de EKBI vastgestelde interne mapping van een ratingcategorie

De overeenkomstige kredietkwaliteitscategorie van andere door dezelfde EKBI vastgestelde ratingcategorieën waarvoor een interne mapping in de zin van artikel 7, onder f), bestaat, wordt gebruikt als relevante indicatie van het risiconiveau van de ratingcategorie waarvoor de mapping wordt uitgevoerd.

HOOFDSTUK 3

Referentiewaarde en gerelateerde referenties

Artikel 14

Referentiewaarde

Wat de in artikel 136, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde referentiewaarde betreft, wordt een onderscheid gemaakt tussen:

a)

een referentiewaarde voor de wanbetalingsgraad op lange termijn voor elke kredietkwaliteitscategorie zoals vermeld in tabel 1 van bijlage I;

b)

een referentiewaarde voor de wanbetalingsgraad op korte termijn voor elke kredietkwaliteitscategorie zoals vermeld in tabel 2 van bijlage I.

Artikel 15

Referentiebetekenis van de ratingcategorie per kredietkwaliteitscategorie

De met elke kredietkwaliteitscategorie overeenstemmende referentiebetekenis van een ratingcategorie is vermeld in bijlage II.

TITEL II

MAPPINGTABELLEN

Artikel 16

Mappingtabellen

In bijlage III is de overeenstemming weergegeven tussen de ratingcategorieën van elke EKBI en de in deel drie, titel II, hoofdstuk 2, afdeling 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 beschreven kredietkwaliteitscategorieën.

TITEL III

SLOTBEPALING

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2 van de Commissie van 30 september 2014 tot aanvulling van Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen voor de presentatie van de informatie die ratingbureaus aan de Europese Autoriteit voor effecten en markten ter beschikking stellen (PB L 2 van 6.1.2015, blz. 24).

(4)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(5)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).

(6)  Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).


BIJLAGE I

Referentiewaarden in de zin van artikel 14

Tabel 1

Referentiewaarde op lange termijn

(tijdshorizon van 3 jaar)

Kredietkwaliteitscategorie

Referentiewaarde op lange termijn

Middenwaarde

Ondergrens

Bovengrens

1

0,10 %

0,00 %

0,16 %

2

0,25 %

0,17 %

0,54 %

3

1,00 %

0,55 %

2,39 %

4

7,50 %

2,40 %

10,99 %

5

20,00 %

11,00 %

26,49 %

6

34,00 %

26,50 %

100,00 %


Tabel 2

Referentiewaarden op korte termijn

(tijdshorizon van 3 jaar)

Kredietkwaliteitscategorie

Referentiewaarden op korte termijn

Monitoringniveau

Triggerniveau

1

0,80 %

1,20 %

2

1,00 %

1,30 %

3

2,40 %

3,00 %

4

11,00 %

12,40 %

5

28,60 %

35,00 %

6

niet van toepassing

niet van toepassing


BIJLAGE II

Referentiebetekenis van de ratingcategorie per kredietkwaliteitscategorie voor de toepassing van artikel 15

Kredietkwaliteits-categorie

Betekenis van de ratingcategorie

1

De beoordeelde entiteit beschikt over een uiterst/zeer sterk vermogen om haar financiële verplichtingen na te komen en is aan een minimaal/zeer laag kredietrisico onderhevig.

2

De beoordeelde entiteit beschikt over een sterk vermogen om haar financiële verplichtingen na te komen en is aan een laag kredietrisico onderhevig maar is iets gevoeliger voor de negatieve effecten van veranderingen in de omstandigheden en economische voorwaarden dan beoordeelde entiteiten van kredietkwaliteitscategorie 1.

3

De beoordeelde entiteit beschikt over een afdoende vermogen om haar financiële verplichtingen na te komen en is aan een gematigd kredietrisico onderhevig.

Het is echter waarschijnlijker dat ongunstige economische voorwaarden of veranderende omstandigheden leiden tot een verzwakt vermogen van de beoordeelde entiteit om haar financiële verplichtingen na te komen.

4

De beoordeelde entiteit beschikt over het vermogen om haar financiële verplichtingen na te komen maar is aan een aanzienlijk kredietrisico onderhevig.

Zij wordt met grote aanhoudende onzekerheden geconfronteerd en is blootgesteld aan ongunstige zakelijke, financiële of economische voorwaarden, die ertoe kunnen leiden dat de beoordeelde entiteit niet goed in staat is om haar financiële verplichtingen na te komen.

5

De beoordeelde entiteit beschikt over het vermogen om haar financiële verplichtingen na te komen maar is aan een groot kredietrisico onderhevig.

Ongunstige zakelijke, financiële of economische voorwaarden zullen waarschijnlijk afbreuk doen aan het vermogen of de bereidheid van de beoordeelde entiteit om haar financiële verplichtingen na te komen.

6

De beoordeelde entiteit is momenteel kwetsbaar of zeer kwetsbaar en is aan een zeer groot kredietrisico onderhevig, waarbij zij in of zeer dicht bij een wanbetalingssituatie verkeert.

Zij is van gunstige zakelijke, financiële en economische voorwaarden afhankelijk om haar financiële verplichtingen na te komen.


BIJLAGE III

Mappingtabellen voor de toepassing van artikel 16

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

AM Best Europe-Rating Services Ltd

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

aaa, aa+, aa, aa-

a+, a, a-

bbb+, bbb, bbb-

bb+, bb, bb-

b+, b, b-

ccc+, ccc, ccc-, cc, c, rs

Ratingschaal voor langlopende schuld

aaa, aa+, aa, aa-

a+, a, a-

bbb+, bbb, bbb-

bb+, bb, bb-

b+, b, b-

ccc+, ccc, ccc-, cc, c, d

Ratingschaal voor financiële soliditeit

A++, A+

A, A-

B++, B+

B, B-

C++, C+

C, C-, D, E, F, S

Ratingschaal voor de korte termijn

AMB-1+

AMB-1-

AMB-2,N AMB-3

AMB- 4

 

 

ARC Ratings S.A.

Ratingschaal voor emittenten van waardepapier op middellange en lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor emissies op middellange en lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Ratingschaal voor emissies op korte termijn

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

ASSEKURATA Assekuranz Rating-Agentur GmbH

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC/C, D

Ratingschaal voor kortlopend bedrijfspapier

A++

A

 

B, C, D

 

 

Axesor SA

Algemene ratingschaal

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D, E

BCRA — Credit Rating Agency AD

Ratingschaal voor langlopend bankpapier

AAA, AA

A

BBB

BB

B

C, D

Ratingschaal voor verzekeringen op lange termijn

iAAA, iAA

iA

iBBB

iBB

iB

iC, iD

Ratingschaal voor langlopend bedrijfspapier

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor langlopend papier van gemeenten

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor emissies op lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor kortlopend bankpapier

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Ratingschaal voor kortlopend bedrijfspapier

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Ratingschaal voor kortlopend papier van gemeenten

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Ratingschaal voor emissies op korte termijn

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Banque de France

Algemene ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

3++

3+, 3

4+

4, 5+

5, 6

7, 8, 9, P

Capital Intelligence Ltd

Internationale ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA, AA

A

BBB

BB

B

C, RS, SD, D

Internationale ratingschaal voor emissies op lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Internationale ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Internationale ratingschaal voor emissies op korte termijn

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Cerved Rating Agency S.p.A.

Ratingschaal voor langlopend bedrijfspapier

A1.1, A1.2, A1.3

A2.1, A2.2, A3.1

B1.1, B1.2

B2.1, B2.2

C1.1

C1.2, C2.1

Creditreform Ratings AG

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

C, D

CRIF S.p.A.

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, D1, D2

Dagong Europe Credit Rating

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor de korte termijn

A-1

 

A-2, A-3

B, C, D

 

 

DBRS Ratings Limited

Ratingschaal voor langetermijnverplichtingen

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor commercial paper en schuld op korte termijn

R-1 H, R-1 M

R-1 L

R-2, R-3

R-4, R-5, D

 

 

Ratingschaal voor de capaciteit tot afwikkeling voor schadegevallen

IC-1

IC-2

IC-3

IC-4

IC-5

D

European Rating Agency, a.s.

Ratingschaal voor de lange termijn

 

AAA, AA, A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor de korte termijn

 

S1

S2

S3, S4, NS

 

 

EuroRating Sp. z o.o.

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Euler Hermes Rating GmbH

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, SD, D

FERI EuroRating Services AG

Ratingschaal van FERI EuroRating

AAA, AA

A

 

BBB, BB

B

CCC, CC, D

Fitch Ratings

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, RD, D

Ratingschaal voor langlopende financiële bedrijfsverplichtingen

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C

Internationale IFS-ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C

Ratingschaal voor de korte termijn

F1+

F1

F2, F3

B, C, RD, D

 

 

IFS-ratingschaal voor de korte termijn

F1+

F1

F2, F3

B, C

 

 

GBB-Rating Gesellschaft für Bonitätsbeurteilung GmbH

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

 

A, BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

ICAP Group S.A

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

 

AA, A

BB, B

C, D

E, F

G, H

Japan Credit Rating Agency Ltd

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, LD, D

Ratingschaal voor emissies op lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

J-1+

J-1

J-2

J-3, NJ, LD, D

 

 

Ratingschaal voor emissies op korte termijn

J-1+

J-1

J-2

J-3, NJ, D

 

 

Kroll Bond Rating Agency

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor de korte termijn

K1+

K1

K2, K3

B, C, D

 

 

Moody's Investors Service

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

Aaa, Aa

A

Baa

Ba

B

Caa, Ca, C

Ratingschaal voor obligatiefondsen

Aaa-bf, Aa-bf

A-bf

Baa-bf

Ba-bf

B-bf

Caa-bf, Ca-bf, C-bf

Algemene ratingschaal voor de korte termijn

P-1

P-2

P-3

NP

 

 

Standard & Poor's Ratings Services

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, R, SD/D

Ratingschaal voor emissies op lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor de financiële soliditeit van verzekeraars

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, SD/D, R

Ratingschaal van de kredietwaardigheid van fondsen

AAAf, AAf

Af

BBBf

BBf

Bf

CCCf

Ratingschaal voor midcap-bedrijven

 

MM1

MM2

MM3, MM4

MM5, MM6

MM7, MM8, MMD

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, R, SD/D

 

 

Ratingschaal voor emissies op korte termijn

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Scope Ratings AG

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC,C, D

Algemene ratingschaal voor de korte termijn

S-1+

S-1

S-2

S-3, S-4

 

 

Spread Research

Internationale ratingschaal voor de lange termijn

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

The Economist Intelligence Unit Ltd

Schaal van ratingbanden voor overheidsemittenten

AAA, AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D


12.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1800 VAN DE COMMISSIE

van 11 oktober 2016

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de verdeling van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen over een objectieve schaal van kredietkwaliteitscategorieën in overeenstemming met Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (1), en met name artikel 109 bis, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 111, lid 1, onder n), van Richtlijn 2009/138/EG moet de verdeling van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI's) over een objectieve schaal van kredietkwaliteitscategorieën voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste (hierna de „verdeling” genoemd) consistent zijn met het gebruik van externe kredietbeoordelingen van EKBI's bij de berekening van de kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en financiële instellingen zoals gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(2)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1799 van de Commissie (3) wordt de mappingmethode vastgesteld voor het gebruik van externe kredietbeoordelingen van EKBI's bij de berekening van de kapitaalvereisten voor kredietinstellingen en financiële instellingen, en met name de regels betreffende de wijze waarop de desbetreffende kredietbeoordelingen met de zes kredietkwaliteitscategorieën van Verordening (EU) nr. 575/2013 in overeenstemming worden gebracht.

(3)

Wat de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste betreft, is in artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie (4) bepaald dat de verdeling plaatsvindt op basis van een schaal van zeven kredietkwaliteitscategorieën in plaats van de zes kredietkwaliteitscategorieën die in Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn vastgelegd en die in het kader van de mappingmethode voor kredietinstellingen en financiële instellingen worden gehanteerd.

(4)

Teneinde de krachtens artikel 111, lid 1, onder n), van Richtlijn 2009/138/EG vereiste consistentie te verwezenlijken, is de verdeling gebaseerd op de mappingmethode voor kredietinstellingen en financiële instellingen; deze methode is, waar nodig, gewijzigd om met de extra categorie van het kredietkwaliteitsysteem voor de berekening van het solvabiliteitskapitaalvereiste rekening te houden.

(5)

Bij deze verordening wordt een verdelingsregeling vastgesteld waarin met kwantitatieve en kwalitatieve factoren rekening is gehouden. Om een goed evenwicht tussen prudentiële en marktoverwegingen te bewerkstelligen, moet worden vermeden dat EKBI's waarvoor wegens hun recentere toetreding tot de markt slechts beperkte kwantitatieve informatie voorhanden is, onwenselijk groot nadeel ondervinden. Wanneer er slechts beperkte kwantitatieve informatie beschikbaar is, moet derhalve minder strikt de hand worden gehouden aan de relevantie van kwantitatieve factoren voor de mapping. De mapping moet worden bijgewerkt telkens als dit noodzakelijk wordt geacht in het licht van de kwantitatieve informatie die na de inwerkingtreding van deze verordening is verzameld.

(6)

De verdelingsregelingen zijn van toepassing op zowel kredietbeoordelingen van EKBI's (dit zijn ratingbureaus die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5) zijn geregistreerd of gecertificeerd, dan wel centrale banken die ratings afgeven en die van de toepassing van genoemde verordening zijn vrijgesteld) als op kredietbeoordelingen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 door een EKBI zijn bekrachtigd.

(7)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die door de Europese toezichthoudende autoriteiten (ETA's) (de Europese Bankautoriteit, de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen en de Europese Autoriteit voor effecten en markten) aan de Commissie zijn voorgelegd.

(8)

Op 29 maart 2016 heeft de Commissie het gemengd comité van de ETA's in kennis gesteld van haar voornemen om de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen in gewijzigde vorm te bevestigen teneinde een evenwicht te bewerkstelligen tussen een solide prudentiële benadering en de noodzaak verdere concentratie te vermijden op een reeds zeer geconcentreerde ratingmarkt die door drie grote EKBI's met een gezamenlijk marktaandeel van ongeveer 90 % wordt gedomineerd. In haar kennisgeving heeft de Commissie er met name de aandacht op gevestigd dat de automatische toepassing na drie jaar moet worden vermeden van een conservatievere mapping op alle EKBI's die niet genoeg ratings hebben afgegeven, ongeacht de kwaliteit van hun ratings, omdat een dergelijke benadering in een regelgevende belemmering voor de markttoegang dreigt te resulteren en tevens de concurrentiepositie van kleinere/nieuwere EKBI's dreigt te ondermijnen, gewoon omdat zij minder ratings afgeven dan grote gevestigde ratingbureaus. In zijn formeel advies van 12 mei 2016 heeft het gemengd comité van de ETA's zijn oorspronkelijke standpunt bevestigd en geen technische uitvoeringsnormen heringediend die zodanig waren gewijzigd dat zij met de wijzigingsvoorstellen van de Commissie overeenstemden.

(9)

Teneinde een evenwicht tussen een solide prudentiële benadering en de concurrentie op de ratingmarkt te bewerkstelligen, moeten de bepalingen van de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen worden gewijzigd die voor kleinere/nieuwere EKBI's wegens hun meer recente toetreding tot de markt een onwenselijk groot nadeel kunnen meebrengen, en met name de bepalingen met betrekking tot de toepassing van een conservatievere behandeling in geval van beperkte beschikbaarheid van gegevens, de automatische inwerkingtreding van een nieuwe mapping vanaf 2019, de bepaling betreffende de herziening van de mapping en de met ingang van 2019 toepasselijke mappingtabellen.

(10)

De Europese toezichthoudende autoriteiten hebben openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd en het advies ingewonnen van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (6) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen, de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (7) opgerichte Stakeholdergroep verzekeringen en herverzekeringen, en de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (8) opgerichte Stakeholdergroep effecten en markten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

In de bijlage is de verdeling weergegeven van de kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen over een objectieve schaal van kredietkwaliteitscategorieën.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 oktober 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1799 van de Commissie van 7 oktober 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de mapping van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen voor kredietrisico in overeenstemming met artikel 136, leden 1 en 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 3 van dit Publicatieblad).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 12 van 17.1.2015, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(7)  Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).

(8)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


BIJLAGE

Verdeling van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen over een objectieve schaal van kredietkwaliteitscategorieën

Kredietkwaliteitscategorie

0

1

2

3

4

5

6

AM Best Europe-Rating Services Ltd

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

aaa

aa+, aa, aa-

a+, a, a-

bbb+, bbb, bbb-

bb+, bb, bb-

b+, b, b-

ccc+, ccc, ccc-, cc, c, rs

Ratingschaal voor langlopende schuld

aaa

aa+, aa, aa-

a+, a, a-

bbb+, bbb, bbb-

bb+, bb, bb-

b+, b, b-

ccc+, ccc, ccc-, cc, c, d

Ratingschaal voor financiële soliditeit

 

A++, A+

A, A-

B++, B+

B, B-

C++, C+

C, C-, D, E, F, S

Ratingschaal voor de korte termijn

 

AMB-1+

AMB-1-

AMB-2, AMB-3

AMB-4

 

 

ARC Ratings S.A.

Ratingschaal voor emittenten van waardepapier op middellange en lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor emissies op middellange en lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Ratingschaal voor emissies op korte termijn

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

ASSEKURATA Assekuranz Rating-Agentur GmbH

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC/C, D

Ratingschaal voor kortlopend bedrijfspapier

 

A++

A

 

B, C, D

 

 

Axesor SA

Algemene ratingschaal

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D, E

BCRA — Credit Rating Agency AD

Ratingschaal voor langlopend bankpapier

AAA

AA

A

BBB

BB

B

C, D

Ratingschaal voor verzekeringen op lange termijn

iAAA

iAA

iA

iBBB

iBB

iB

iC, iD

Ratingschaal voor langlopend bedrijfspapier

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor langlopend papier van gemeenten

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor emissies op lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor kortlopend bankpapier

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Ratingschaal voor kortlopend bedrijfspapier

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Ratingschaal voor kortlopend papier van gemeenten

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Ratingschaal voor emissies op korte termijn

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Banque de France

Algemene ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

 

3++

3+, 3

4+

4, 5+

5, 6

7, 8, 9, P

Capital Intelligence

Internationale ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA

AA

A

BBB

BB

B

C, RS, SD, D

Internationale ratingschaal voor emissies op lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Internationale ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Internationale ratingschaal voor emissies op korte termijn

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Cerved Rating Agency S.p.A.

Ratingschaal voor langlopend bedrijfspapier

A1.1

A1.2, A1.3

A2.1, A2.2, A3.1

B1.1, B1.2

B2.1, B2.2

C1.1

C1.2, C2.1

Creditreform Ratings AG

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

C, D

CRIF S.p.A.

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, D1, D2

Dagong Europe Credit Rating

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor de korte termijn

 

A-1

 

A-2, A-3

B, C, D

 

 

DBRS Ratings Limited

Ratingschaal voor langetermijnverplichtingen

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor commercial paper en schuld op korte termijn

 

R-1 H, R-1 M

R-1 L

R-2, R-3

R-4, R-5, D

 

 

Ratingschaal voor de capaciteit tot afwikkeling voor schadegevallen

 

IC-1

IC-2

IC-3

IC-4

IC-5

D

European Rating Agency

Ratingschaal voor de lange termijn

 

 

AAA, AA, A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor de korte termijn

 

 

S1

S2

S3, S4, NS

 

 

EuroRating Sp. z o.o.

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Euler Hermes Rating

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, SD, D

FERI EuroRating Services AG

Ratingschaal van FERI EuroRating

AAA

AA

A

 

BBB, BB

B

CCC, CC, D

Fitch France S.A.S., Fitch Deutschland GmbH, Fitch Italia S.p.A., Fitch Polska S.A., Fitch Ratings España S.A.U., Fitch Ratings Limited UK, Fitch Ratings CIS Limited

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, RD, D

Ratingschaal voor langlopende financiële bedrijfsverplichtingen

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C

Internationale IFS-ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C

Ratingschaal voor de korte termijn

 

F1+

F1

F2, F3

B, C, RD, D

 

 

IFS-ratingschaal voor de korte termijn

 

F1+

F1

F2, F3

B, C

 

 

GBB-Rating Gesellschaft für Bonitätsbeurteilung GmbH

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

 

A, BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

ICAP Group S.A.

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

 

 

AA, A

BB, B

C, D

E, F

G, H

Japan Credit Rating Agency Ltd

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, LD, D

Ratingschaal voor emissies op lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

 

J-1+

J-1

J-2

J-3, NJ, LD, D

 

 

Ratingschaal voor emissies op korte termijn

 

J-1+

J-1

J-2

J-3, NJ, D

 

 

Kroll Bond Rating Agency

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor de korte termijn

 

K1+

K1

K2, K3

B, C, D

 

 

Moody's Investors Service Cyprus Ltd, Moody's France S.A.S., Moody's Deutschland GmbH, Moody's Italia S.r.l., Moody's Investors Service España S.A., Moody's Investors Service Ltd

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

Aaa

Aa

A

Baa

Ba

B

Caa, Ca, C

Ratingschaal voor obligatiefondsen

Aaa-bf

Aa-bf

A-bf

Baa-bf

Ba-bf

B-bf

Caa-bf, Ca-bf, C-bf

Algemene ratingschaal voor de korte termijn

 

P-1

P-2

P-3

NP

 

 

Standard & Poor's Credit Market Services France S.A.S., Standard & Poor's Credit Market Services Italy S.r.l., Standard & Poor's Credit Market Services Europe Limited

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, R, SD/D

Ratingschaal voor emissies op lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

Ratingschaal voor de financiële soliditeit van verzekeraars

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, SD/D, R

Ratingschaal van de kredietwaardigheid van fondsen

AAAf

AAf

Af

BBBf

BBf

Bf

CCCf

Ratingschaal voor midcap-bedrijven

 

 

MM1

MM2

MM3, MM4

MM5, MM6

MM7, MM8, MMD

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, R, SD/D

 

 

Ratingschaal voor emissies op korte termijn

 

A-1+

A-1

A-2, A-3

B, C, D

 

 

Scope Rating

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC,C, D

Algemene ratingschaal voor de korte termijn

 

S-1+

S-1

S-2

S-3, S-4

 

 

Spread Research

Internationale ratingschaal voor de lange termijn

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D

The Economist Intelligence Unit Ltd

Schaal van ratingbanden voor overheidsemittenten

AAA

AA

A

BBB

BB

B

CCC, CC, C, D


12.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/27


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1801 VAN DE COMMISSIE

van 11 oktober 2016

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de mapping van kredietbeoordelingen van externe kredietbeoordelingsinstellingen voor securitisaties in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 270, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 270 van Verordening (EU) nr. 575/2013 moet voor alle externe kredietbeoordelingsinstellingen (EKBI's) worden bepaald met welke kredietkwaliteitscategorieën van hoofdstuk 5 van genoemde verordening de door een EKBI afgegeven relevante kredietbeoordelingen overeenstemmen (hierna „mapping” genoemd). EKBI's zijn ratingbureaus die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2) zijn geregistreerd of gecertificeerd, dan wel centrale banken die ratings afgeven en die van de toepassing van genoemde verordening zijn vrijgesteld.

(2)

Sommige vergelijkbare termen en concepten die in Verordening (EG) nr. 1060/2009 en in Verordening (EU) nr. 575/2013 worden gehanteerd, kunnen aanleiding geven tot verwarring. Zo wordt in Verordening (EU) nr. 575/2013 met de term „kredietbeoordeling” zowel op de „labels” van de verschillende ratingcategorieën van EKBI's als op de toewijzing van een dergelijke rating aan een bepaalde post gedoeld. In de punten h) en a) van artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 wordt met het gebruik van respectievelijk de termen „ratingcategorie” en „rating” echter een duidelijk onderscheid tussen deze beide concepten gemaakt. Om verwarring te vermijden en gezien het feit dat afzonderlijk naar deze beide bijzondere concepten moet kunnen worden verwezen, alsook gezien de complementariteit van beide genoemde verordeningen, moeten deze termen in de onderhavige verordening in de zin van Verordening (EG) nr. 1060/2009 worden toegepast.

(3)

Krachtens artikel 267 van Verordening (EU) nr. 575/2013 mag voor het bepalen van het risicogewicht van een securitisatiepositie pas van een rating worden gebruikgemaakt als die rating overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1060/2009 door een EKBI is afgegeven of bekrachtigd. Bovendien wordt in artikel 268, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 het gebruik van een rating van een EKBI afhankelijk gesteld van de publicatie door de EKBI van de procedures, methoden, aannames en de belangrijkste elementen ter ondersteuning van de ratings in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 1060/2009. Daarnaast schrijft artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1060/2009 voor dat ratingcategorieën die aan gestructureerde financieringsinstrumenten worden toegekend, duidelijk moeten worden gedifferentieerd van ratingcategorieën die voor alle andere entiteiten worden gebruikt. Daarom verdient het aanbeveling om alleen voor ratingcategorieën van securitisatieposities welke aan al deze voorwaarden voldoen, te specificeren met welke kredietkwaliteitscategorie van hoofdstuk 5 van Verordening (EU) nr. 575/2013 de door EKBI's afgegeven ratings overeenstemmen.

(4)

Bij mappings van ratings voor securitisatieposities moet met zowel kwantitatieve factoren (zoals wanbetalingsgraden en verliespercentages en de historische prestaties van ratings) als met kwalitatieve factoren (zoals het scala van transacties, de toegepaste methoden en de betekenis van ratingcategorieën) rekening worden gehouden. Er zij niettemin op gewezen dat securitisatieratings op een breed scala van transacties van toepassing zijn en dat de historische prestaties ervan tijdens de financiële crisis van 2007-2009 sterk uiteenliepen. De crisis heeft er bovendien toe geleid dat zowel de door de EKBI's gehanteerde methoden als de door de Unie gevolgde regelgevende aanpak voor securitisaties veranderingen doormaken en dat het securitisatiekader ook op internationaal niveau wordt besproken. Teneinde met al deze ontwikkelingen in het regelgevingskader, alsook met de uiteenlopende prestaties van securitisatieratings rekening te houden en tevens een verstoring van de securitisatiemarkt te vermijden, is het noodzakelijk de nadruk te leggen op de kwalitatieve aspecten van de analyse van de beschikbare kwantitatieve gegevens.

(5)

Om tot een objectieve en consistente mapping te komen en tegelijkertijd een vlotte overgang voor de markt te waarborgen, is het noodzakelijk om in de context van een kwalitatieve analyse uit te gaan van de mapping in kredietkwaliteitscategorieën van kredietbeoordelingen die in 2006 op grond van artikel 97 van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) zijn afgegeven. Deze mappings, die golden voor EKBI's die destijds securitisatieratings afgaven, waren niet alleen gebaseerd op een kwantitatieve mappingmethode maar ook op historische gegevens over de prestaties van ratings vóór het uitbreken van de financiële crisis. Met deze mappings werd beoogd de algemene objectiviteit en consistentie te waarborgen van de relatieve risicograden waaraan uitdrukking werd gegeven door de verschillende ratingklassen waarvan de destijds op de securitisatiemarkt actieve EKBI's gebruikmaakten om ratings af te geven.

(6)

Nieuwe EKBI's die na de ontwikkeling in 2006 van de mappings op grond van artikel 97 van Richtlijn 2006/48/EG tot de securitisatiemarkt zijn toegetreden, hebben nog niet voldoende ratings afgegeven om de historische prestatie van die ratings op statistisch betrouwbare wijze te beoordelen. Het is niettemin noodzakelijk om de voor gevestigde EKBI's geldende mapping van kredietbeoordelingen in kredietkwaliteitscategorieën tot nieuwe EKBI's uit te breiden om een juist evenwicht te bewerkstelligen tussen de ontwikkeling van een prudente mapping voor alle EKBI's en het vermijden van het veroorzaken van aanmerkelijke concurrentienadelen.

(7)

Aangezien voor de berekening van risicogewogen posten van securitisatieposities in het kader van de standaardbenadering in overeenstemming met artikel 251 van Verordening (EU) nr. 575/2013 aparte kredietkwaliteitscategorieën gelden die verschillen van die welke van toepassing zijn op securitisatieposities in het kader van de op ratings gebaseerde methode als bedoeld in artikel 261 van genoemde verordening, moet in aparte mappings voor de standaardbenadering en voor de op ratings gebaseerde benadering worden voorzien.

(8)

Zowel in artikel 251 als in artikel 261 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn kredietkwaliteitscategorieën voor hersecuritisatieposities vermeld. Als gevolg hiervan bestrijkt het securitisatiekader van Verordening (EU) nr. 575/2013 ook hersecuritisatieposities. Daarom moeten de mappings betrekking hebben op ratings van zowel securitisatie- als hersecuritisatieposities.

(9)

Na de afronding van de lopende hervormingen van de regelgeving betreffende op securitisaties toepasselijke kapitaalvereisten en met het oog op de inaanmerkingneming van nieuwe historische gegevens die een voldoende lange periode na de crisis bestrijken, moeten de mappings worden geactualiseerd wanneer beschikbare informatie kan bijdragen tot een betere opzet van een volledig consistente en objectieve kwantitatieve mappingmethode in overeenstemming met artikel 270, onder b) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013, waarbij meer met kwantitatieve gegevens rekening wordt gehouden.

(10)

Gezien het grote belang dat aan de kwalitatieve aspecten van de analyse van de prestatie van securitisatieratings wordt gehecht, is het noodzakelijk de gerapporteerde gegevens regelmatig te monitoren om in geval van wanbetalingen op securitisatieposities na te gaan of het de moeite waard is de toegewezen mappings te herzien en om, in voorkomend geval, een wijziging van de mappings te overwegen in overeenstemming met artikel 270, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013.

(11)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) aan de Commissie heeft voorgelegd.

(12)

De Europese Bankautoriteit heeft open publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de potentiële desbetreffende kosten en baten geanalyseerd en het advies van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (4) opgerichte Stakeholdergroep bankwezen ingewonnen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Mappingtabellen in het kader van de standaardbenadering

In bijlage I bij deze verordening is aangegeven welke ratingcategorieën van elke EKBI voor securitisatieposities in het kader van de standaardbenadering met welke in tabel 1 van artikel 251 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde kredietkwaliteitscategorieën in het kader van de standaardbenadering overeenstemmen.

Artikel 2

Mappingtabellen in het kader van de op ratings gebaseerde benadering

In bijlage II bij deze verordening is aangegeven welke ratingcategorieën van elke EKBI voor securitisatieposities in het kader van de op ratings gebaseerde benadering met welke in tabel 4 van artikel 261, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vermelde kredietkwaliteitscategorieën overeenstemmen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 oktober 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1060/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 inzake ratingbureaus (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 1).

(3)  Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).


BIJLAGE I

Mappingtabel in het kader van de standaardbenadering als bedoeld in artikel 1

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

Alle andere

ARC Ratings S.A.

Emissies op middellange en lange termijn

AAASF t/m AA-SF

A+SF t/m A-SF

BBB+SF t/m BBB-SF

BB+SF t/m BB-F

Onder BB-SF

Emissies op korte termijn

A-1+SF, A-1SF

A-2SF

A-3SF

 

Onder A-3SF

Axesor SA

Ratingschaal voor gestructureerde financiering

AAA(sf) t/m AA-(sf)

A+(sf) t/m A-(sf)

BBB+(sf) t/m BBB-(sf)

BB+(sf) t/m BB-(sf)

Onder BB-(sf)

Creditreform Ratings AG

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA sf, AA- sf

A+ sf t/m A- sf

BBB+ sf t/m BBB- sf

BB+ sf t/m BB- sf

Onder BB- sf

DBRS Ratings Limited

Ratingschaal voor langetermijnverplichtingen

AAA (sf) t/m AA (low) (sf)

A (high) (sf) t/m A (low) (sf)

BBB (high) (sf) t/m BBB (low) (sf)

BB (high) (sf) t/m BB (low) (sf)

Onder BB (low) (sf)

Ratingschaal voor commercial paper en schuld op korte termijn

R-1 (high) (sf) t/m R-1 (low) (sf)

R-2 (high) (sf) t/m R-2 (low) (sf)

R-3 (sf)

 

Onder R-3 (sf)

FERI EuroRating Services AG

Ratingschaal

AAAsf t/m AA-sf

A+sf t/m A-sf

BBB+sf t/m BBB-sf

BB+sf t/m BB-sf

Onder BB-sf

Fitch Ratings

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAAsf t/m AA-sf

A+sf t/m A-sf

BBB+sf t/m BBB-sf

BB+sf t/m BB-sf

Onder BB-sf

Ratingschaal voor de korte termijn

F1+sf, F1sf

F2sf

F3sf

 

Onder F3sf

Japan Credit Rating Agency Ltd

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA t/m AA-

A+ t/m A-

BBB+ t/m BBB-

BB+ t/m BB-

Onder BB-

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

J-1+, J-1

J-2

J-3

 

Onder J-3

Kroll Bond Rating Agency

Langetermijnkrediet

AAA (sf) t/m AA- (sf)

A+ (sf) t/m A- (sf)

BBB+ (sf) t/m BBB- (sf)

BB+ (sf) t/m BB- (sf)

Onder BB- (sf)

Kortetermijnkrediet

K1+ (sf), K1 (sf)

K2 (sf)

K3 (sf)

 

Onder K3 (sf)

Moody's Investors Service

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

Aaa(sf) t/m Aa3(sf)

A1(sf) t/m A3(sf)

Baa1(sf) t/m Baa3(sf)

Ba1(sf) t/m Ba3(sf)

Onder Ba3(sf)

Algemene ratingschaal voor de korte termijn

P-1(sf)

P-2(sf)

P-3(sf)

 

NP(sf)

Standard & Poor's Ratings Services

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA (sf) t/m AA- (sf)

A+ (sf) t/m A- (sf)

BBB+ (sf) t/m BBB- (sf)

BB+ (sf) t/m BB- (sf)

Onder BB- (sf)

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

A-1+ (sf), A-1 (sf)

A-2 (sf)

A-3 (sf)

 

Onder A-3 (sf)

Scope Rating AG

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAASF t/m AA-SF

A+SF t/m A-SF

BBB+SF t/m BBB-SF

BB+SF t/m BB-SF

Onder BB-SF

Algemene ratingschaal voor de korte termijn

S-1+SF, S-1SF

S-2SF

S-3SF

 

S-4SF


BIJLAGE II

Mappingtabel in het kader van de op ratings gebaseerde benadering als bedoeld in artikel 2

Kredietkwaliteitscategorie

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

11

Alle andere

ARC Ratings S.A.

Emissies op middellange en lange termijn

AAASF

AA+SF t/m AA-SF

A+SF

ASF

A-SF

BBB+SF

BBBSF

BBB-SF

BB+SF

BBSF

BB-SF

Onder BB-SF

Emissies op korte termijn

A-1+SF, A-1SF

A-2SF

A-3SF

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder A-3SF

Axesor SA

Ratingschaal voor gestructureerde financiering

AAA(sf)

AA+(sf) t/m AA-(sf)

A+(sf)

A(sf)

A-(sf)

BBB+(sf)

BBB(sf)

BBB-(sf)

BB+(sf)

BB(sf)

BB-(sf)

Onder BB-(sf)

Creditreform Ratings AG

Ratingschaal voor de lange termijn

AAA sf

AA+ sf t/m AA- sf

A+ sf

A sf

A- sf

BBB+ sf

BBB sf

BBB- sf

BB+ sf

BB sf

BB- sf

Onder BB- sf

DBRS Ratings Limited

Ratingschaal voor langetermijnverplichtingen

AAA (sf)

AA (high) (sf) t/m AA (low) (sf)

A (high) (sf)

A (sf)

A (low) (sf)

BBB (high) (sf)

BBB (sf)

BBB (low) (sf)

BB (high) (sf)

BB (sf)

BB (low) (sf)

Onder BB (low) (sf)

Ratingschaal voor commercial paper en schuld op korte termijn

R-1 (high) (sf) t/m R-1 (low) (sf)

R-2 (high) (sf) t/m R-2 (low) (sf)

R-3 (sf)

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder R-3 (sf)

FERI EuroRating Services AG

Ratingschaal

AAAsf

AA+sf t/m AA-sf

A+sf

Asf

A-sf

BBB+sf

BBBsf

BBB-sf

BB+sf

BBsf

BB-sf

Onder BB-sf

Fitch Ratings

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAAsf

AA+sf t/m AA-sf

A+sf

Asf

A-sf

BBB+sf

BBBsf

BBB-sf

BB+sf

BBsf

BB-sf

Onder BB-sf

Ratingschaal voor de korte termijn

F1+sf, F1sf

F2sf

F3sf

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder Bsf

Japan Credit Rating Agency Ltd

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA

AA+ t/m AA-

A+

A

A-

BBB+

BBB

BBB-

BB+

BB

BB-

Onder BB-

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

J-1+, J-1

J-2

J-3

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder J-3

Kroll Bond Rating Agency

Langetermijnkrediet

AAA (sf)

AA+ (sf) t/m AA- (sf)

A+ (sf)

A (sf)

A- (sf)

BBB+ (sf)

BBB (sf)

BBB- (sf)

BB+ (sf)

BB (sf)

BB- (sf)

Onder BB- (sf)

Kortetermijnkrediet

K1+ (sf), K1 (sf)

K2 (sf)

K3 (sf)

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder K3 (sf)

Moody's Investors Service

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

Aaa(sf)

Aa1(sf) t/m Aa3(sf)

A1(sf)

A2(sf)

A3(sf)

Baa1(sf)

Baa2(sf)

Baa3(sf)

Ba1(sf)

Ba2(sf)

Ba3(sf)

Onder Ba3(sf)

Algemene ratingschaal voor de korte termijn

P-1(sf)

P-2(sf)

P-3(sf)

 

 

 

 

 

 

 

 

NP(sf)

Standard & Poor's Ratings Services

Ratingschaal voor emittenten van langlopend waardepapier

AAA (sf)

AA+ (sf) t/m AA- (sf)

A+ (sf)

A (sf)

A- (sf)

BBB+ (sf)

BBB (sf)

BBB- (sf)

BB+ (sf)

BB (sf)

BB- (sf)

Onder BB- (sf)

Ratingschaal voor emittenten van kortlopend waardepapier

A-1+ (sf), A-1 (sf)

A-2 (sf)

A-3 (sf)

 

 

 

 

 

 

 

 

Onder A-3 (sf)

Scope Rating AG

Algemene ratingschaal voor de lange termijn

AAASF

AA+SF t/m AA-SF

A+SF

ASF

A-SF

BBB+SF

BBBSF

BBB-SF

BB+SF

BBSF

BB-SF

Onder BB-SF

Algemene ratingschaal voor de korte termijn

S-1+SF, S-1SF

S-2SF

S-3SF

 

 

 

 

 

 

 

 

S-4SF


12.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/34


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1802 VAN DE COMMISSIE

van 11 oktober 2016

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 414/2013 van de Commissie tot vaststelling van de procedure voor de toelating van dezelfde biociden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), met name artikel 17, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Uitvoeringsverordening (EU) nr. 414/2013 van de Commissie (2) moet worden verduidelijkt dat een individueel biocide dat deel uitmaakt van een biocidefamilie waarvoor een toelating is verkregen ook op zich als verwant referentieproduct kan dienen bij een aanvraag om toelating van dezelfde biociden.

(2)

Verwijzingen naar aanvragen voor registratie zijn verouderd, aangezien deze procedure ten gevolge van de intrekking van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) niet meer van toepassing is, en moeten daarom worden geschrapt.

(3)

Om in te spelen op de behoeften van economische actoren, met name kleine en middelgrote ondernemingen, moet artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 414/2013 voorzien in de mogelijkheid om een nationale toelating van dezelfde biociden aan te vragen indien het verwante referentieproduct door de Unie is toegelaten of indien de Unie hiertoe een verzoek heeft ontvangen.

(4)

De procedure moet duidelijk worden vastgesteld en uitgewerkt voor de indiening van aanvragen voor toelating van dezelfde biociden en voor de aanvaarding van dergelijke aanvragen wanneer het verwante referentieproduct is toegelaten volgens de in artikel 26 van Verordening (EU) nr. 528/2012 vastgestelde vereenvoudigde procedure of het voorwerp is van een dergelijke toelatingsaanvraag.

(5)

Om de voorspelbaarheid te vergroten moet het Europees Agentschap voor chemische stoffen richtsnoeren opstellen met betrekking tot de bijzonderheden van de behandeling van aanvragen uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 414/2013, die vervolgens regelmatig op basis van de opgedane ervaring en de wetenschappelijke en technische vooruitgang moeten worden bijgewerkt.

(6)

Met het oog op een duidelijke en ondubbelzinnige tekst moet de formulering van de artikelen 5 en 6 worden gewijzigd.

(7)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 414/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 414/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1 wordt vervangen door:

„Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt de procedure vastgesteld die van toepassing is wanneer een toelating wordt gevraagd voor een product („eenzelfde product”) dat identiek is aan een ander uniek biocide, een andere biocidefamilie, of een van de afzonderlijke producten die deel uitmaken van een biocidefamilie, die overeenkomstig Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (*1) of Verordening (EU) nr. 528/2012 zijn toegelaten of geregistreerd of waarvoor een aanvraag voor een dergelijke toelating is ingediend (het „verwante referentieproduct”), wat betreft de meest recente informatie die met betrekking tot de toelating of registratie is ingediend, met uitzondering van de informatie die overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 354/2013 van de Commissie (*2) het voorwerp van een administratieve wijziging kan zijn.

(*1)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1)."

(*2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 354/2013 van de Commissie van 18 april 2013 betreffende wijzigingen in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad toegelaten biociden (PB L 109 van 19.4.2013, blz. 4).”."

2)

In artikel 3 wordt het volgende lid 1 bis ingevoegd:

„1 bis.   Wanneer het verwante referentieproduct op het niveau van de Unie toelating heeft verkregen of het voorwerp is van een dergelijke toelatingsaanvraag, moeten aanvragen voor nationale toelating van eenzelfde product worden ingediend bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvoor een nationale toelating wordt aangevraagd, overeenkomstig artikel 29, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012.”.

3)

De volgende artikelen 4 bis en 4 ter worden ingevoegd:

„Artikel 4 bis

Indiening en aanvaarding van aanvragen volgens de vereenvoudigde procedure

1.   Wanneer het verwante referentieproduct toelating heeft verkregen overeenkomstig artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 528/2012 of het voorwerp is van een dergelijke toelatingsaanvraag, moeten aanvragen voor dezelfde biociden overeenkomstig artikel 26, lid 1, van die verordening worden ingediend bij de bevoegde autoriteit die het verwante referentieproduct heeft toegelaten of een verzoek hiertoe heeft ontvangen.

2.   De bevoegde autoriteit aanvaardt de aanvraag overeenkomstig artikel 26, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012.

Artikel 4 ter

Richtsnoeren voor de behandeling van aanvragen voor toelating van eenzelfde product

1.   Het agentschap stelt in overleg met de lidstaten, de Commissie en belanghebbende partijen richtsnoeren op met betrekking tot de bijzonderheden van de behandeling van aanvragen uit hoofde van deze verordening.

2.   Waar nodig worden die richtsnoeren geregeld bijgewerkt, waarbij rekening wordt gehouden met de bijdragen van de lidstaten en belanghebbenden met betrekking tot de tenuitvoerlegging ervan, en de wetenschappelijke en technische vooruitgang.”.

4)

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

Beoordelen van en besluiten met betrekking tot aanvragen voor nationale toelating

In afwijking van artikel 30 van Verordening (EU) nr. 528/2012 besluit de ontvangende bevoegde autoriteit of overeenkomstig artikel 19 van die verordening toelating van eenzelfde product wordt verleend of geweigerd binnen 60 dagen vanaf de validering van de aanvraag overeenkomstig artikel 3 van deze verordening, dan wel indien van toepassing vanaf de latere datum van de goedkeuring van het besluit met betrekking tot het verwante referentieproduct.”.

5)

Artikel 6, lid 2, wordt vervangen door:

„2.   Indien het agentschap aanbeveelt om eenzelfde product toe te laten, dient het advies ten minste de volgende elementen te bevatten:

a)

een verklaring met vermelding dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 528/2012 en een ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van biociden, zoals beschreven in artikel 22, lid 2, van die verordening;

b)

indien van toepassing, de nadere voorwaarden die aan het op de markt aanbieden en het gebruik van eenzelfde product moeten worden verbonden.”.

6)

Het volgende artikel 6 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 6 bis

Beoordelen van en besluiten met betrekking tot aanvragen volgens de vereenvoudigde procedure

1.   In afwijking van artikel 26, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 528/2012 besluit de ontvangende bevoegde autoriteit of toelating van eenzelfde product wordt verleend of geweigerd overeenkomstig artikel 25 van die verordening binnen 60 dagen vanaf de validering van de aanvraag overeenkomstig artikel 4 bis, lid 2, van deze verordening, dan wel, indien van toepassing, vanaf de latere datum van de goedkeuring van het besluit met betrekking tot het verwante referentieproduct.

2.   Bij de beoordeling wordt gecontroleerd of de in artikel 2 bedoelde informatie is verstrekt en of de voorgestelde verschillen tussen eenzelfde product en het verwante referentieproduct louter betrekking hebben op informatie die overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 354/2013 het voorwerp van een administratieve wijziging kan zijn.

3.   Indien het via deze procedure toegelaten product bestemd is om in andere lidstaten op de markt te worden aangeboden, is artikel 27 van Verordening (EU) nr. 528/2012 van toepassing.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 oktober 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 414/2013 van de Commissie van 6 mei 2013 tot vaststelling van de procedure voor de toelating van dezelfde biociden overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 125 van 7.5.2013, blz. 4).

(3)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).


12.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/37


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1803 VAN DE COMMISSIE

van 11 oktober 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 oktober 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

173,9

ZZ

173,9

0707 00 05

TR

132,0

ZZ

132,0

0709 93 10

TR

131,1

ZZ

131,1

0805 50 10

AR

92,8

CL

103,2

TR

104,3

UY

51,2

ZA

104,2

ZZ

91,1

0806 10 10

BR

285,5

EG

206,9

TR

146,1

US

210,1

ZZ

212,2

0808 10 80

AR

100,0

BR

100,2

CL

154,6

NZ

142,5

US

141,5

ZA

112,9

ZZ

125,3

0808 30 90

CN

101,3

TR

134,9

ZZ

118,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

12.10.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/39


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/1804 VAN DE COMMISSIE

van 10 oktober 2016

betreffende de nadere regels voor de toepassing van de artikelen 34 en 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 6351)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (1), en met name artikel 35, lid 6,

Na raadpleging van het Raadgevend Comité inzake overheidsopdrachten,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Gezien de termijnen voor het verloop van de procedure van artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU moet worden bepaald dat verzoeken betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 de voor het onderzoek van het verzoek nuttige en relevante inlichtingen moeten bevatten. Daartoe moet een lijst van de in deze verzoeken op te nemen inlichtingen en van andere praktische regels betreffende deze verzoeken worden vastgesteld.

(2)

Omwille van de rechtszekerheid en de transparantie moeten aankondigingen betreffende de ontvangst of intrekking van verzoeken betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU, aankondigingen betreffende de verlenging of opschorting van de termijn voor de vaststelling door de Commissie van uitvoeringshandelingen betreffende die verzoeken, en aankondigingen betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 wanneer binnen de termijn geen uitvoeringshandeling is vastgesteld, worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Tevens moet worden bepaald welke inlichtingen in deze aankondigingen moeten worden verstrekt.

(3)

Met name wat de verlangde inlichtingen en de tekst van de aankondigingen betreft, bouwt dit besluit voort op de ervaring die is opgedaan bij de toepassing van Beschikking 2005/15/EG van de Commissie (2), die voorziet in praktische regels voor de toepassing van de procedure van artikel 30 van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad (3), aangezien de materiële voorwaarden om een activiteit vrij te stellen van de bepalingen van Richtlijn 2004/17/EG in wezen gelijk zijn aan de voorwaarden van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU.

(4)

Er moet aan worden herinnerd dat de eventuele beoordeling, in het kader van Richtlijn 2014/25/EU, of er sprake is van rechtstreekse concurrentie, niet afdoet aan de volledige toepassing van het mededingingsrecht.

(5)

Dit besluit moet Beschikking 2005/15/EG vervangen, die op basis van Richtlijn 2004/17/EG is vastgesteld. Beschikking 2005/15/EG moet derhalve worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Verzoeken betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU die overeenkomstig artikel 35 van die richtlijn worden ingediend („verzoeken betreffende de toepasselijkheid van artikel 34”), bevatten ten minste de inlichtingen zoals vastgelegd in bijlage I bij dit besluit. De verzoeken volgen de structuur van bijlage I bij dit besluit.

2.   Wanneer een onafhankelijke nationale instantie die bevoegd is voor de betrokken activiteit een gemotiveerd standpunt zoals bedoeld in artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU heeft ingenomen, wordt dat standpunt bij het verzoek gevoegd.

3.   De in lid 1 bedoelde verzoeken en de in lid 2 bedoelde standpunten worden langs elektronische weg verzonden naar het e-mailadres dat voor dit doel op de website van de Commissie wordt vermeld en aan de lidstaten wordt meegedeeld, behalve in de specifieke omstandigheden bedoeld in artikel 40, lid 1, vierde alinea, en wanneer algemeen gebruik van elektronischecommunicatiemiddelen op grond van artikel 106, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU is uitgesteld.

4.   Wanneer een in lid 1 bedoeld verzoek of een in lid 2 bedoeld standpunt overeenkomstig artikel 40, lid 1, of artikel 106, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU met een ander communicatiemiddel dan langs elektronische weg wordt verzonden, wordt het in drievoud per post of met een andere geschikte vervoerder verzonden naar het adres van de Commissie dat op haar website wordt vermeld en aan de lidstaten wordt meegedeeld.

Artikel 2

1.   Wanneer de Commissie een verzoek betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 ontvangt en de toegang tot de markt wordt geacht niet beperkt te zijn overeenkomstig artikel 34, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 2014/25/EU, maakt zij een aankondiging bekend met daarin de in bijlage II, deel A, van dit besluit vastgelegde inlichtingen.

Wanneer de Commissie een verzoek betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 ontvangt en niet van vrije toegang tot de markt kan worden uitgegaan overeenkomstig artikel 34, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 2014/25/EU, maakt zij een aankondiging bekend met daarin de in bijlage II, deel B, van dit besluit vastgelegde inlichtingen.

2.   Wanneer de termijn voor de vaststelling van de in artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU bedoelde uitvoeringshandelingen wordt verlengd overeenkomstig bijlage IV, punt 1, vierde alinea, van die richtlijn, maakt de Commissie een aankondiging bekend met daarin de in bijlage III, deel A, van dit besluit vastgelegde inlichtingen.

3.   Wanneer de termijn voor de vaststelling van de in artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU bedoelde uitvoeringshandelingen wordt opgeschort overeenkomstig bijlage IV, punt 2, van die richtlijn, maakt de Commissie een aankondiging bekend met daarin de in bijlage III, deel B, van dit besluit vastgelegde inlichtingen. Bij afloop van de opschorting maakt de Commissie een aankondiging bekend met daarin de in bijlage III, deel C, van dit besluit vastgelegde inlichtingen.

4.   Wanneer een verzoek betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU door de verzoeker wordt ingetrokken, maakt de Commissie een aankondiging bekend met daarin de in bijlage III, deel D, van dit besluit vastgelegde inlichtingen.

5.   Wanneer opdrachten die een bepaalde activiteit mogelijk moeten maken en prijsvragen die voor de uitoefening van die activiteit worden uitgeschreven, niet langer onder Richtlijn 2014/25/EU vallen omdat de Commissie de uitvoeringshandeling niet heeft vastgesteld binnen de in bijlage IV bij die richtlijn gestelde termijn, maakt de Commissie een aankondiging bekend met daarin de in bijlage IV bij dit besluit vastgelegde inlichtingen.

6.   De inlichtingen vervat in de aankondigingen die in de bijlagen II, III en IV worden vastgelegd, kunnen indien nodig worden gewijzigd en aangevuld, bijvoorbeeld wanneer een eerder ingediend verzoek grondig wordt gewijzigd overeenkomstig artikel 35, lid 4, van Richtlijn 2014/25/EU.

7.   De in de leden 1 tot en met 5 bedoelde aankondigingen worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

Beschikking 2005/15/EG wordt ingetrokken.

Artikel 4

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 10 oktober 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243.

(2)  Beschikking 2005/15/EG van de Commissie van 7 januari 2005 betreffende de praktische regels voor de toepassing van de procedure van artikel 30 van Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB L 7 van 11.1.2005, blz. 7).

(3)  Richtlijn 2004/17/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB L 134 van 30.4.2004, blz. 1).


BIJLAGE I

INLICHTINGEN DIE MOETEN WORDEN VERSTREKT IN VERZOEKEN BETREFFENDE DE TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 34 VAN RICHTLIJN 2014/25/EU

1.   Afdeling 1 — Identiteit en hoedanigheid van de verzoeker

In artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU is bepaald dat verzoeken betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 worden gedaan door de lidstaten of, indien de wetgeving van de betrokken lidstaat daarin voorziet, door de aanbestedende instanties. De term „verzoeker” kan bijgevolg op hetzij een lidstaat, hetzij de aanbestedende instanties betrekking hebben. Deze term wordt louter ter vereenvoudiging van de tekst gebruikt.

1.1.   Naam en volledig adres van de verzoeker:

Wanneer de activiteit waarop het verzoek betrekking heeft door met de hier vermelde verzoeker verbonden ondernemingen (1) wordt uitgevoerd, dekt de term „verzoeker” zowel de in punt 1.1 vermelde entiteit als de verbonden ondernemingen. Met name bij de afdelingen 5 en 6 moet de gevraagde informatie worden verstrekt voor de „verzoeker”, zoals hier gedefinieerd.

1.2.   Hoedanigheid van de verzoeker: aanbestedende dienst (2), overheidsonderneming (3) of particulier bedrijf?

1.3.   Voor aanbestedende diensten: doet u het verzoek namens of voor rekening van uw lidstaat?

Zo ja, verstrek de informatie van elk punt van de afdelingen 2 tot en met 6. Geef met name bij elk punt van de afdelingen 5 en 6 de gevraagde informatie voor elke entiteit die de activiteit waarop het verzoek betrekking heeft, uitvoert. Wanneer het echter om een groot aantal entiteiten gaat, mag deze informatie worden beperkt tot de entiteiten met een aandeel van ten minste 10 % op de beschouwde geografische markt (4). Indien de informatie voor verschillende entiteiten soortgelijk of gelijk is, mag deze worden gegroepeerd, mits dit wordt vermeld.

1.4.   Voor aanbestedende instanties (aanbestedende diensten, overheidsondernemingen en particuliere bedrijven die een van de onder Richtlijn 2014/25/EU vallende activiteiten (5) uitvoeren): vermeld de bepaling van nationaal recht op grond waarvan de aanbestedende instanties een verzoek uit hoofde van artikel 35 mogen doen.

2.   Afdeling 2 — Beschrijving van de activiteit waarop het verzoek betrekking heeft

2.1.   Beschrijf de activiteit die volgens u aan de voorwaarden van artikel 34, lid 1 (6), voldoet. De betrokken activiteit kan onderdeel zijn van een bredere sector (7) of slechts in delen van de betrokken lidstaat worden uitgeoefend.

2.2.   Geef aan op welk grondgebied de activiteit waarop het verzoek betrekking heeft, wordt uitgevoerd, indien dat niet het hele nationale grondgebied is. Vermeld uitsluitend het grondgebied waarop volgens u aan de voorwaarden van artikel 34, lid 1, wordt voldaan.

3.   Afdeling 3 — Relevante markt

Een relevante productmarkt omvat alle producten en/of diensten die op grond van hun kenmerken, hun prijzen en het gebruik waarvoor zij zijn bestemd, door de consument als onderling uitwisselbaar of substitueerbaar worden beschouwd (8).

De volgende factoren worden in de regel van belang geacht voor het afbakenen van de relevante productmarkt en moeten in deze analyse in aanmerking worden genomen (9):

de eigen- en de kruiselingse prijselasticiteit van de vraag naar de betrokken producten en/of diensten;

verschillen in het eindgebruik van de producten;

prijsverschillen tussen twee producten;

kosten van het overstappen van het ene op het andere product bij twee potentieel concurrerende producten;

gevestigde voorkeur van de consument voor een bepaald type of een bepaalde categorie producten;

productclassificaties (bijvoorbeeld nomenclaturen van verenigingen van bedrijven).

De relevante geografische markt is het gebied waarbinnen de betrokken entiteiten een rol spelen in de vraag naar en het aanbod van producten en diensten, waarbinnen de concurrentievoorwaarden voldoende homogeen zijn en dat van aangrenzende gebieden kan worden onderscheiden doordat daar duidelijk afwijkende concurrentievoorwaarden heersen (10).

Tot de factoren die voor het afbakenen van de relevante geografische markt van belang zijn (11), behoren:

de aard en de kenmerken van de betrokken producten of diensten,

het bestaan van toetredingsdrempels,

voorkeuren van de consument,

merkbare verschillen tussen de marktaandelen of aanzienlijke prijsverschillen in aangrenzende gebieden,

vervoerskosten.

3.1.   Zet, gelet op het bovenstaande, uiteen welke omschrijving van de relevante productmarkt(en) de Commissie volgens u als uitgangspunt voor haar analyse moet nemen.

Motiveer in uw antwoord uw schattingen of conclusies met behulp van gepaste empirische bewijzen (12) en zet uiteen hoe met de hierboven beschreven factoren rekening is gehouden. Vermeld met name welke specifieke producten of diensten rechtstreeks of onrechtstreeks door het verzoek worden geraakt en identificeer de categorieën producten die in uw omschrijving van de markt als substitueerbaar worden beschouwd.

In de onderstaande vragen geldt (gelden) voor „de relevante productmarkt(en)” deze omschrijving(en).

3.2.   Zet uiteen welke omschrijving van de relevante geografische markt(en) de Commissie volgens u als uitgangspunt voor haar analyse moet nemen. Motiveer in uw antwoord uw schattingen of conclusies met behulp van gepaste empirische bewijzen (13) en zet uiteen hoe met de hierboven beschreven factoren rekening is gehouden. Vermeld met name in welk geografisch gebied de bij het verzoek betrokken entiteiten actief zijn op de relevante productmarkt(en) en geef, indien u van mening bent dat de relevante geografische markt ruimer is dan één lidstaat, de redenen hiervoor.

In de onderstaande vragen geldt (gelden) voor „de relevante geografische markt(en)” deze omschrijving(en).

4.   Afdeling 4 — Toepasselijkheid van de in bijlage III bij Richtlijn 2014/25/EU vermelde rechtshandelingen

4.1.   Is een van de in bijlage III bij Richtlijn 2014/25/EU vermelde rechtshandelingen (14) van toepassing op de activiteit waarop het verzoek betrekking heeft? Zo ja, vermeld de nationale bepalingen tot omzetting van die wetgeving van de Unie.

5.   Afdeling 5 — Informatie over de relevante markt en de toegang tot die markt

Deze afdeling moet worden ingevuld ongeacht het antwoord bij punt 4.1.

Bepaalde punten zijn mogelijk niet van toepassing op sommige activiteiten of de feitelijke situatie van een bepaalde verzoeker; geef dat in dit geval punt per punt aan.

Het volstaat dat de verzoeker punt per punt nauwkeurig verwijst naar het (de) relevante de(e)l(en) van een gemotiveerd standpunt zoals bedoeld in artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van een onafhankelijke nationale instantie die bevoegd is voor de betrokken activiteit, waarin het punt in kwestie wordt geanalyseerd.

5.1.   Zet de redenen uiteen waarom u van mening bent dat de toegang tot de relevante markt niet beperkt is.

5.2.   Verstrek voor elke relevante markt, voor elk van de drie laatste boekjaren, en voor elk van de volgende gebieden (15):

a)

de EER,

b)

de hele Unie,

c)

de hele EVA,

d)

elke lidstaat en elke EVA-staat waar de verzoeker een activiteit uitoefent, en

e)

indien de verzoeker van een verschillende relevante geografische markt uitgaat, het gebied dat deze markt bestrijkt (16),

de volgende gegevens:

5.2.1.

de geschatte totale omvang van de markt in waarde (uitgedrukt in EUR) en in volume (uitgedrukt in eenheden) van de verkoop (17). Vermeld de grondslag en de bronnen van de berekeningen en verschaf indien mogelijk bescheiden om deze berekeningen te staven;

5.2.2.

de verkoop in waarde en in volume en het geschatte marktaandeel van de verzoeker;

5.2.3.

het geschatte marktaandeel in waarde (en in voorkomend geval in volume) van alle concurrenten (met inbegrip van importeurs) met een aandeel van ten minste 10 % op de beschouwde geografische markt. Verschaf indien mogelijk bescheiden om de berekening van deze marktaandelen te staven en vermeld voor elk van deze concurrenten naam, adres, telefoon- en faxnummer en de naam of functie van een bevoegde contactpersoon;

5.2.4.

de geschatte totale waarde, het geschatte totale volume en de herkomst van de invoer van buiten de EER. Geef aan:

a)

welk gedeelte van deze invoer van de verzoeker afkomstig is;

b)

in welke mate volgens uw schatting quota, invoerrechten of niet-tarifaire handelsbelemmeringen deze invoer beïnvloeden, en

c)

in welke mate volgens uw schatting vervoerskosten en andere kosten deze invoer beïnvloeden;

5.2.5.

de mate waarin de tussenstaatse handel in de EER wordt belemmerd door:

a)

vervoerskosten en andere kosten, en

b)

niet-tarifaire handelsbelemmeringen;

5.2.6.

de wijze waarop de verzoeker de producten en diensten produceert en afzet, bijvoorbeeld of er sprake is van lokale productie of afzet via lokale distributievoorzieningen;

5.2.7.

een vergelijking van de prijsniveaus van de verzoeker en zijn concurrenten in elk van de lidstaten en EVA-staten en een soortgelijke vergelijking van de prijsniveaus in de Unie, de EVA en andere gebieden waar deze producten worden geproduceerd (bijvoorbeeld Oost-Europa, de Verenigde Staten van Amerika, Japan of andere relevante gebieden);

5.2.8.

de aard en de mate van verticale integratie van de verzoeker, vergeleken met zijn belangrijkste concurrenten;

5.2.9.

gegevens over de kostenstructuur van de verzoeker (18). Specificeer ook of activa of infrastructuur met andere entiteiten gezamenlijk worden gebruikt of voor meer dan één onder Richtlijn 2014/25/EU vallende activiteit worden gebruikt. Vermeld de eventuele bijzondere voorwaarden, zoals verplichtingen inzake universele dienstverlening of bijzondere rechten, die voor het gebruik van deze activa of infrastructuur gelden.

5.3.   Verstrek de volgende gegevens:

5.3.1.   Hebben de voorbije vijf jaar op één of meer relevante geografische productmarkten (19) belangrijke toetredingen plaatsgevonden? Zo ja, vermeld, voor zover mogelijk, naam, adres, telefoon- en faxnummer van de betrokken onderneming en de naam of functie van een bevoegde contactpersoon en geef een schatting van haar huidige marktaandeel.

5.3.2.   Zijn er naar het oordeel van de verzoeker ondernemingen (ook ondernemingen die thans uitsluitend op markten buiten de Unie of buiten de EER werkzaam zijn) die waarschijnlijk tot de markt zullen toetreden? Zo ja, leg uit waarop u dat oordeel baseert, vermeld naam, adres, telefoon- en faxnummer van deze ondernemingen en de naam of functie van een bevoegde contactpersoon, en geef bij benadering aan wanneer de toetreding vermoedelijk zal plaatsvinden.

5.3.3.   Beschrijf de verschillende factoren die in het onderhavige geval op de toetreding van ondernemingen tot de relevante markten van invloed zijn, zowel uit geografisch oogpunt als wat de producten betreft. Ga hierbij, voor zover van toepassing, op de volgende punten in:

a)

de totale toetredingskosten (onderzoek en ontwikkeling, het opzetten van distributiesystemen, verkoopbevordering, reclame, serviceverlening enz.) bij een schaalgrootte waarbij men zich als belangrijk concurrent kan handhaven en het marktaandeel van een dergelijke concurrent;

b)

wettelijke of bestuursrechtelijke toetredingsbelemmeringen, zoals in enigerlei vorm van overheidswege vereiste vergunningen of opgelegde normen;

c)

beperkingen ten gevolge van het bestaan van octrooien, knowhow en andere intellectuele-eigendomsrechten op deze markten of beperkingen voortvloeiende uit licenties op dergelijke rechten;

d)

de mate waarin de verzoeker licentienemer of licentiegever met betrekking tot octrooien, knowhow en andere rechten op de relevante markten is;

e)

het belang van schaalvoordelen voor de productie op de betrokken markten;

f)

de toegankelijkheid van voorzieningsbronnen, bijvoorbeeld de beschikbaarheid van grondstoffen.

ONDERZOEK EN ONTWIKKELING

5.3.4.   Leg uit hoe belangrijk onderzoek en ontwikkeling (O&O) voor een onderneming op de relevante markten is om op lange termijn als concurrent te kunnen standhouden. Beschrijf de O&O-activiteiten van de verzoeker op de relevante markten.

Ga hierbij, voor zover van toepassing, op de volgende punten in:

a)

de O&O-trends en -intensiteit (20) op deze markten en bij de verzoeker;

b)

de technologische ontwikkeling op deze markten over een passende periode (met name ontwikkelingen inzake producten en/of diensten, productieprocessen, distributiesystemen enz.);

c)

de belangrijke innovaties op deze markten en de ondernemingen die deze innovaties hebben gerealiseerd;

d)

de innovatiecyclus op deze markten en waar de partijen zich in deze cyclus bevinden.

SAMENWERKINGSOVEREENKOMSTEN

5.3.5.   In welke mate bestaan er op de relevante markten (horizontale of verticale) samenwerkingsovereenkomsten?

5.3.6.   Verstrek gegevens betreffende de belangrijkste samenwerkingsovereenkomsten waaraan de verzoeker op de relevante markten deelneemt, zoals overeenkomsten inzake onderzoek en ontwikkeling, licentieovereenkomsten, overeenkomsten inzake gezamenlijke productie, specialisatieovereenkomsten, distributieovereenkomsten, langlopende leveringsovereenkomsten en overeenkomsten inzake uitwisseling van informatie.

6.   Afdeling 6 — Blootstelling aan mededinging

Bepaalde punten zijn mogelijk niet van toepassing op sommige activiteiten of de feitelijke situatie van een bepaalde verzoeker; geef dat in dit geval punt per punt aan.

Het volstaat dat de verzoeker punt per punt nauwkeurig verwijst naar het (de) relevante de(e)l(en) van een gemotiveerd standpunt zoals bedoeld in artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van een onafhankelijke nationale instantie die bevoegd is voor de betrokken activiteit, waarin het punt in kwestie wordt geanalyseerd.

In artikel 34, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU is bepaald dat, om na te gaan of een activiteit rechtstreeks aan mededinging blootstaat, moet worden uitgegaan van criteria die in overeenstemming zijn met de mededingingsbepalingen van het VWEU, zoals de kenmerken van de desbetreffende goederen of diensten, het voorhanden zijn van alternatieve goederen of diensten, de prijzen en de werkelijke of mogelijke aanwezigheid van meer dan één leverancier van de betrokken goederen of diensten.

6.1.   Zet de redenen uiteen waarom u van mening bent dat de activiteit waarop het verzoek betrekking heeft op de relevante productmarkt in de relevante geografische markt(en) aan volledige mededinging is blootgesteld. Vermeld met name de volgende gegevens:

ALGEMENE VOORWAARDEN OP DE RELEVANTE MARKT

6.1.1.   Vermeld de vijf grootste onafhankelijke leveranciers (21) van de verzoeker en het aandeel van elk van deze leveranciers in de aankopen van de verzoeker (voor de grondstoffen of goederen die voor de productie van de relevante producten worden gebruikt). Vermeld naam, adres, telefoon- en faxnummer van deze leveranciers en de naam of functie van een bevoegde contactpersoon.

Vermeld tevens de met de verzoeker verbonden ondernemingen en het aandeel van elk van deze ondernemingen in de aankopen van de verzoeker (voor de grondstoffen of goederen die voor de productie van de relevante producten worden gebruikt). Vermeld naam, adres, telefoon- en faxnummer van de verbonden ondernemingen en de naam of functie van een bevoegde contactpersoon.

STRUCTUUR VAN HET AANBOD OP DE RELEVANTE MARKTEN

6.1.2.   Beschrijf de bestaande distributiekanalen en servicenetten op de relevante markten. Beantwoord, voor zover van toepassing, de volgende vragen:

a)

welke distributiesystemen bestaan er op deze markten en hoe belangrijk zijn zij? In hoeverre wordt de distributie verricht door derden of door met de verzoeker verbonden ondernemingen?

b)

welke servicenetten (bijvoorbeeld voor onderhoud en reparatie) bestaan er op deze markten en hoe belangrijk zijn zij? In hoeverre worden deze diensten verricht door derden of door met de verzoeker verbonden ondernemingen?

6.1.3.   Geef, voor zover van toepassing, een schatting van de totale capaciteit in de hele Unie en in de hele EVA tijdens de laatste drie jaar. Welke capaciteit had de verzoeker in deze periode en wat was de bezettingsgraad?

6.1.4.   Vermeld elke andere overweging in verband met de aanbodzijde die u relevant acht.

STRUCTUUR VAN DE VRAAG OP DE BETROKKEN MARKTEN

6.1.5.   Vermeld de vijf grootste onafhankelijke afnemers van de verzoeker op de relevante markt en het aandeel van elk van deze afnemers in de totale verkoop van de betrokken producten door de verzoeker. Vermeld voor elk van deze afnemers naam, adres, telefoon- en faxnummer en de naam of functie van een bevoegde contactpersoon.

6.1.6.   Beschrijf de structuur van de vraag en ga hierbij in op de volgende punten:

a)

in welke fase bevindt de markt zich (is het een jonge markt, een groeiende markt, een volgroeide markt of een markt die achteruitgaat)? Welke toename van de vraag valt te verwachten?;

b)

hoe belangrijk is de voorkeur van de afnemer (merktrouw, productdifferentiatie, aanbod van een volledig productengamma)?;

c)

hoe geconcentreerd of gefragmenteerd is de vraag?;

d)

bestaan er verschillende categorieën afnemers? Schets voor elke categorie het profiel van de „typische klant”;

e)

hoe belangrijk zijn alleenverkoopovereenkomsten en andere soorten langlopende overeenkomsten?;

f)

in hoeverre zijn aanbestedende diensten, overheidsondernemingen of soortgelijke entiteiten belangrijke afnemers?.

6.1.7.   Geef een schatting van de mate waarin consumenten in de afgelopen vijf jaar van leverancier zijn veranderd of nieuwe contractonderhandelingen hebben gevoerd. Vermeld tevens de hiervoor gebruikte bronnen en verschaf indien mogelijk bescheiden om de schatting te staven.


(1)  In artikel 29, lid 1, van Richtlijn 2014/25/EU wordt onder „verbonden onderneming” verstaan elke onderneming waarvan de jaarrekening geconsolideerd is met die van de aanbestedende instantie overeenkomstig de voorschriften van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19). In artikel 29, lid 2, wordt daaraan toegevoegd dat indien het instanties betreft die volgens Richtlijn 2013/34/EU niet onder die richtlijn vallen, onder „verbonden onderneming” elke onderneming wordt verstaan die:

a)

al dan niet rechtstreeks onderworpen kan zijn aan een overheersende invloed van de aanbestedende instantie;

b)

een overheersende invloed op de aanbestedende entiteit kan uitoefenen, of

c)

gezamenlijk met de aanbestedende instantie aan de overheersende invloed van een andere onderneming is onderworpen uit hoofde van eigendom, financiële deelname of de op de onderneming van toepassing zijnde voorschriften.

(2)  In artikel 3 van Richtlijn 2014/25/EU wordt onder „aanbestedende diensten” de staats-, regionale of lokale overheidsinstanties, publiekrechtelijke instellingen alsmede samenwerkingsverbanden bestaande uit één of meer van deze overheidsinstanties of één of meer van deze publiekrechtelijke instellingen verstaan.

Onder „publiekrechtelijke instelling” wordt een instelling verstaan die voldoet aan alle volgende kenmerken:

a)

zij is opgericht voor het specifieke doel te voorzien in andere behoeften van algemeen belang dan die van industriële of commerciële aard;

b)

zij bezit rechtspersoonlijkheid, en

c)

zij wordt merendeels door de staats-, regionale of lokale overheidsinstantie of andere publiekrechtelijke lichamen gefinancierd; of haar beheer staat onder toezicht van die overheidsinstanties of lichamen; of zij heeft een bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan waarvan de leden voor meer dan de helft door de staat, de regionale of lokale overheidsinstanties of andere publiekrechtelijke instellingen zijn aangewezen.

(3)  In artikel 4, lid 2, van Richtlijn 2014/25/EU wordt onder „overheidsonderneming” een onderneming verstaan waarop aanbestedende diensten rechtstreeks of onrechtstreeks een overheersende invloed kunnen uitoefenen uit hoofde van eigendom, financiële deelname of de op de onderneming van toepassing zijnde voorschriften.

Het vermoeden van overheersende invloed bestaat in een van de volgende gevallen wanneer een aanbestedende dienst, direct of indirect:

a)

de meerderheid van het geplaatste kapitaal van het bedrijf bezit;

b)

over de meerderheid van de stemrechten verbonden aan de door genoemd bedrijf uitgegeven aandelen beschikt;

c)

meer dan de helft van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van het bedrijf kan aanwijzen.

(4)  Zie afdeling 3.

(5)  De betrokken activiteiten of sectoren kunnen als volgt worden opgesomd:

elektriciteit (productie, vervoer, distributie); gas (productie, vervoer, distributie); warmte (productie, vervoer, distributie); koolwaterstoffen (winning); steenkool en andere vaste brandstoffen (exploratie en winning); drinkwater (productie, vervoer, distributie); stadsvervoer (bus, metro enz.); spoorwegen (vervoer van personen en goederen, beschikbaar stellen van infrastructuur en beheer/exploitatie van de vervoersdiensten); havens (zeehavens of binnenhavens, beschikbaar stellen van infrastructuur en beheer/exploitatie van de infrastructuur); luchthavens (beschikbaar stellen van infrastructuur en beheer/exploitatie van de infrastructuur); en postdiensten. Zie de artikelen 7 tot en met 14 van Richtlijn 2014/25/EU voor een nauwkeurige definitie van de onder de richtlijn vallende activiteiten.

(6)   „Deze richtlijn is niet van toepassing op opdrachten voor in de artikelen 8 tot en met 14 bedoelde activiteiten indien de lidstaat of de aanbestedende instantie die het verzoek krachtens artikel 35 heeft ingediend, kan aantonen dat de activiteit in de lidstaat waar zij wordt uitgeoefend, rechtstreeks blootstaat aan concurrentie op marktgebieden waarvoor de toegang niet beperkt is; de richtlijn is evenmin van toepassing op prijsvragen die in dat geografische gebied voor de uitoefening van een dergelijke activiteit worden uitgeschreven. […]”

(7)  Bijvoorbeeld elektriciteitsopwekking met behulp van uitsluitend conventionele middelen, wat een onderdeel van de bredere elektriciteitssector vormt.

(8)  In voorkomend geval moet worden gespecificeerd of het gaat om gemakkelijk substitueerbare producten; volmaakte vervangingsproducten; minder volmaakte vervangingsproducten; of gedeeltelijk substitueerbare producten.

Voor ieder product (waarbij de term „product” in deze definitie zowel producten als diensten omvat) bestaat er een reeks vervangingsproducten. Deze reeks is samengesteld uit alle vervangingsproducten die voor het product kunnen worden overwogen, dat wil zeggen alle producten die, in meerdere of mindere mate, dezelfde behoeften van de consument vervullen. Het gamma vervangingsproducten strekt zich uit van vervangingsproducten die het product zeer dicht benaderen (of volmaakte vervangingsproducten) (producten waarop de consument onmiddellijk zou overstappen, bijvoorbeeld bij een zeer lichte prijsstijging van het betrokken product) tot vervangingsproducten die het product slechts van ver benaderen (of onvolmaakte vervangingsproducten) (producten waarop de consument slechts zou overstappen bij een zeer sterke stijging van de prijs van het betrokken product).

Wanneer zij de relevante markt definieert, neemt de Commissie slechts de producten in aanmerking die de betrokken producten gemakkelijk kunnen vervangen. De gemakkelijk substitueerbare producten zijn die waarop de consument zou overstappen bij een bescheiden doch significante stijging van de prijs van het betrokken product (stel 5 %). Dit laat de Commissie toe de concurrentiepositie te beoordelen in het kader van een relevante markt, samengesteld uit alle producten waarop de consumenten van het betrokken product gemakkelijk zouden overstappen.

Dit betekent echter niet dat de Commissie nalaat de op het concurrentiegedrag van de betrokken partijen bestaande druk die voortvloeit uit het bestaan van onvolmaakte vervangingsproducten (producten waarop de consument niet zou overstappen bij een bescheiden doch significante stijging van de prijs van de betrokken producten (stel 5 %)), in overweging te nemen. Deze effecten worden in aanmerking genomen wanneer de markt eenmaal afgebakend is en de marktaandelen bepaald zijn.

Het is bijgevolg belangrijk voor de Commissie om over voldoende informatie te beschikken, zowel over gemakkelijk substitueerbare producten als over minder volmaakte vervangingsproducten. [Voorbeeld van volmaakte vervanging: op basis van kolen en op basis van duurzame bronnen geproduceerde elektriciteit.]

Als „gedeeltelijk substitueerbaar” worden de producten en diensten beschouwd die uitsluitend binnen een bepaalde geografische ruimte, gedurende een deel van het jaar of voor een bepaald gebruik onderling kunnen worden uitgewisseld. [Voorbeeld: voor het reizigersvervoer zijn vervoer per trein, metro, tram en bus op nationaal niveau gedeeltelijk substitueerbaar, omdat deze vormen van vervoer slechts binnen een bepaalde geografische ruimte naast elkaar bestaan. Binnen deze ruimte kunnen zij echter als volmaakte vervangingsproducten worden beschouwd.]

(9)  Deze lijst is niet uitputtend; de verzoeker kan op andere factoren wijzen.

(10)  Zie artikel 34, lid 2, tweede alinea, van Richtlijn 2014/25/EU.

(11)  Deze lijst is niet uitputtend; de verzoeker kan op andere factoren wijzen.

(12)  D.w.z. feiten en bewijzen die onafhankelijk kunnen worden geverifieerd. Alle analysen moeten onafhankelijk kunnen worden gereproduceerd. Met name wanneer bewijsstukken op basis van een empirische analyse worden verstrekt, moet de verzoeker de bronnen, de onbewerkte gegevens en alle nadere toelichtingen over de specifieke technische stappen die tot de eindconclusies hebben geleid, verstrekken.

(13)  D.w.z. feiten en bewijzen die onafhankelijk kunnen worden geverifieerd. Alle analysen moeten onafhankelijk kunnen worden gereproduceerd. Met name wanneer bewijsstukken op basis van een empirische analyse worden verstrekt, moet de verzoeker de bronnen, de onbewerkte gegevens en alle nadere toelichtingen over de specifieke technische stappen die tot de eindconclusies hebben geleid, verstrekken.

(14)  Bijlage III luidt als volgt:

A.

Vervoer of distributie van gas of warmte

Richtlijn 2009/73/EG

B.

Productie, vervoer of distributie van elektriciteit

Richtlijn 2009/72/EG

C.

Productie, vervoer of distributie van drinkwater

Geen

D.

Aanbestedende instanties op het gebied van spoorwegdiensten

Goederenvervoer per trein

Richtlijn 2012/34/EU

Internationaal passagiersvervoer per trein

Richtlijn 2012/34/EU

Nationaal passagiersvervoer per trein

Geen

E.

Aanbestedende instanties op het gebied van stadsspoorweg-, tram-, trolleybus- of busdiensten

Geen

F.

Aanbestedende instanties op het gebied van postdiensten

Richtlijn 97/67/EG

G.

Aardolie- en gaswinning

Richtlijn 94/22/EG

H.

Exploratie en winning van steenkool of andere vaste brandstoffen

Geen

I.

Aanbestedende instanties op het gebied van zeehaven-, binnenhaven- of andere terminalfaciliteiten

Geen

J.

Aanbestedende instanties op het gebied van luchthavenfaciliteiten

Geen

(15)  De hierna in de punten 5.2.1 en 5.2.2 gevraagde informatie moet worden verstrekt voor alle onder a) tot en met e) genoemde gebieden.

(16)  Zie afdeling 3.

(17)  De waarde en het volume van een markt moeten de productie in het beschouwde geografische gebied, vermeerderd met de invoer en verminderd met de uitvoer, weergeven.

(18)  Houd, voor zover van toepassing, rekening met mogelijke synergieën (bv. in het geval van de gezamenlijke productie van verschillende producten of het hergebruik van bijproducten) en kwantificeer de omvang ervan. Geef wanneer mogelijk ook een schatting van de marktpositie van de verzoeker wat kostenefficiëntie betreft (bv. door middel van een vergelijking van de kostenstructuur van de verzoeker met die van naaste concurrenten en/of van andere ondernemingen in dezelfde bedrijfstak of sector).

(19)  Zie afdeling 3.

(20)  De O&O-intensiteit is de verhouding tussen de uitgaven voor O&O en de omzet.

(21)  Onafhankelijke leveranciers zijn leveranciers die geen met de verzoeker verbonden ondernemingen zijn. Zie voetnoot 1 in punt 1.1 voor de definitie van verbonden ondernemingen.


BIJLAGE II

INLICHTINGEN DIE MOETEN WORDEN VERSTREKT IN AANKONDIGINGEN VAN VERZOEKEN BETREFFENDE DE TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 34 VAN RICHTLIJN 2014/25/EU

A.   De toegang tot de markt wordt geacht niet beperkt te zijn overeenkomstig artikel 34, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 2014/25/EU

Verzoek [van een lidstaat/ingediend door een aanbestedende instantie (1)]

Op […] heeft de Commissie een verzoek ontvangen krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (2). De eerste werkdag volgend op de ontvangst van het verzoek is […].

Dit verzoek, ingediend door [naam van de betrokken lidstaat/naam van de aanbestedende instantie] (3), betreft [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [dat land/aanduiding van de lidstaat]. Bij artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU wordt het volgende bepaald: „Deze richtlijn is niet van toepassing op opdrachten voor in de artikelen 8 tot en met 14 bedoelde activiteiten indien de lidstaat of de aanbestedende instantie die het verzoek krachtens artikel 35 heeft ingediend, kan aantonen dat de activiteit in de lidstaat waar zij wordt uitgeoefend, rechtstreeks blootstaat aan concurrentie op marktgebieden waarvoor de toegang niet beperkt is; de richtlijn is evenmin van toepassing op prijsvragen die in dat geografische gebied voor de uitoefening van een dergelijke activiteit worden uitgeschreven.”. De eventuele beoordeling, in het kader van Richtlijn 2014/25/EU, of er sprake is van rechtstreekse concurrentie, doet niet af aan de volledige toepassing van het mededingingsrecht.

De Commissie beschikt vanaf de hierboven genoemde werkdag over een termijn van [90 (4)/105 (5)(6) werkdagen om een besluit over dit verzoek te nemen. Deze termijn verstrijkt derhalve op […].

In artikel 35, lid 5, van Richtlijn 2014/25/EU is bepaald dat latere verzoeken betreffende [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [aanduiding van de lidstaat] die worden ingediend vóór het verstrijken van de voor dit verzoek vastgestelde termijn, niet als nieuwe procedures worden beschouwd, maar in het kader van dit verzoek worden behandeld.

B.   Er kan niet van vrije toegang tot de markt worden uitgegaan op grond van artikel 34, lid 3, eerste alinea, van Richtlijn 2014/25/EU

Verzoek [van een lidstaat/ingediend door een aanbestedende instantie (7)]

Op […] heeft de Commissie een verzoek ontvangen krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (8). De eerste werkdag volgend op de ontvangst van het verzoek is […].

Dit verzoek, ingediend door [naam van de betrokken lidstaat/naam van de aanbestedende instantie] (9), betreft [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [dat land/aanduiding van de lidstaat]. Bij artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU wordt het volgende bepaald: „Deze richtlijn is niet van toepassing op opdrachten voor in de artikelen 8 tot en met 14 bedoelde activiteiten indien de lidstaat of de aanbestedende instantie die het verzoek krachtens artikel 35 heeft ingediend, kan aantonen dat de activiteit in de lidstaat waar zij wordt uitgeoefend, rechtstreeks blootstaat aan concurrentie op marktgebieden waarvoor de toegang niet beperkt is; de richtlijn is evenmin van toepassing op prijsvragen die in dat geografische gebied voor de uitoefening van een dergelijke activiteit worden uitgeschreven.”. De eventuele beoordeling, in het kader van Richtlijn 2014/25/EU, of er sprake is van rechtstreekse concurrentie, doet niet af aan de volledige toepassing van het mededingingsrecht.

De Commissie beschikt vanaf de hierboven genoemde werkdag over een termijn van [130 (10)/145 (11)(12) werkdagen om een besluit over dit verzoek te nemen. Deze termijn verstrijkt derhalve op […].

In artikel 35, lid 5, van Richtlijn 2014/25/EU is bepaald dat latere verzoeken betreffende [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [aanduiding van de lidstaat] die worden ingediend vóór het verstrijken van de voor dit verzoek vastgestelde termijn, niet als nieuwe procedures worden beschouwd, maar in het kader van dit verzoek worden behandeld.


(1)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(3)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(4)  Overeenkomstig bijlage IV, punt 1, onder a), van Richtlijn 2014/25/EU.

(5)  Overeenkomstig bijlage IV, punt 1, onder a), van Richtlijn 2014/25/EU in samenhang met de tweede alinea van dat punt 1.

(6)  Doorhalen wat niet van toepassing is: de termijn van 105 werkdagen geldt indien het verzoek niet vergezeld gaat van een gemotiveerd standpunt van een onafhankelijke nationale instantie die bevoegd is voor de betrokken activiteit, waarin een diepgaande analyse wordt verricht van de voorwaarden om artikel 34, lid 1, op de betrokken activiteit te kunnen toepassen.

(7)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(8)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(9)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(10)  Overeenkomstig bijlage IV, punt 1, onder b), van Richtlijn 2014/25/EU.

(11)  Overeenkomstig bijlage IV, punt 1, onder b), van Richtlijn 2014/25/EU in samenhang met de tweede alinea van dat punt 1.

(12)  Doorhalen wat niet van toepassing is: de termijn van 145 werkdagen geldt indien het verzoek niet vergezeld gaat van een gemotiveerd standpunt van een onafhankelijke nationale instantie die bevoegd is voor de betrokken activiteit, waarin een diepgaande analyse wordt verricht van de voorwaarden om artikel 34, lid 1, op de betrokken activiteit te kunnen toepassen.


BIJLAGE III

INLICHTINGEN DIE MOETEN WORDEN VERSTREKT IN AANKONDIGINGEN VAN VERZOEKEN BETREFFENDE DE TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 34 VAN RICHTLIJN 2014/25/EU — VERLENGING OF OPSCHORTING VAN TERMIJNEN VOOR DE VASTSTELLING VAN UITVOERINGSHANDELINGEN OF INTREKKING VAN EEN VERZOEK

A.   Verlenging van de termijn voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen

Verzoek [van een lidstaat/ingediend door een aanbestedende instantie (1)] — verlenging van de termijn

Op […] heeft de Commissie een verzoek ontvangen krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (2).

Dit verzoek, ingediend door [naam van de betrokken lidstaat/naam van de aanbestedende instantie] (3), betreft [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [dat land/aanduiding van de lidstaat]. De desbetreffende aankondiging is bekendgemaakt op bladzijde […] van PB C […] van […]. De [oorspronkelijke/verlengde] (4) termijn was […].

Krachtens bijlage IV, punt 1, vierde alinea, van Richtlijn 2014/25/EU kan de termijn door de Commissie worden verlengd met instemming van de indiener van het betrokken verzoek om vrijstelling. Gezien [beknopte motivering van de verlenging] en met instemming van [naam van de betrokken lidstaat/naam van de aanbestedende instantie] (5) wordt de termijn waarover de Commissie beschikt om een besluit over dit verzoek te nemen, hierbij met […] werkdagen verlengd.

De definitieve termijn verstrijkt derhalve op […].

B.   Opschorting van de termijn voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen

Op […] heeft de Commissie een verzoek ontvangen krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (6). De eerste werkdag volgend op de ontvangst van het verzoek was […] en de oorspronkelijke termijn waarover de Commissie beschikte om een besluit over dit verzoek te nemen, bedroeg [90/105/130/145] (7) werkdagen.

Dit verzoek, ingediend door [naam van de betrokken lidstaat/naam van de aanbestedende instantie] (8), betreft [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [dat land/aanduiding van de lidstaat]. De desbetreffende aankondiging is bekendgemaakt op bladzijde […] van PB C […] van […]. De [oorspronkelijke/verlengde] (9) termijn was […].

Overeenkomstig bijlage IV, punt 2, van Richtlijn 2014/25/EU kan de Commissie de lidstaat of de betrokken aanbestedende instantie of de bevoegde onafhankelijke nationale instantie of elke andere bevoegde nationale instantie verzoeken alle nodige informatie te verstrekken of binnen een passende termijn de verstrekte informatie aan te vullen of te verduidelijken. Op […] heeft de Commissie […] verzocht uiterlijk op […] aanvullende informatie te verstrekken.

In geval van late of onvolledige antwoorden (10) wordt de oorspronkelijke termijn opgeschort voor de periode tussen het verstrijken van de in het verzoek om informatie gestelde termijn en de ontvangst van de volledige en juiste informatie.

De definitieve termijn verstrijkt derhalve [… (11)] werkdagen na de ontvangst van de volledige en juiste informatie.

C.   Einde van de opschorting van de termijn voor de vaststelling van uitvoeringshandelingen

Op […] heeft de Commissie een verzoek ontvangen krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (12).

Dit verzoek, ingediend door [naam van de betrokken lidstaat/naam van de aanbestedende instantie] (13), betreft [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [dat land/aanduiding van de lidstaat]. De desbetreffende aankondiging is bekendgemaakt op bladzijde […] van PB C […] van […].

Op […] heeft de Commissie […] verzocht uiterlijk op […] aanvullende informatie te verstrekken. Zoals gemeld in de aankondiging die is bekendgemaakt op bladzijde […] van PB C […] van […], is de definitieve termijn verlengd met […] werkdagen na de ontvangst van de volledige en juiste informatie. Volledige en juiste informatie is ontvangen op […].

De definitieve termijn verstrijkt derhalve op […].

D.   Intrekking van een verzoek betreffende de toepasselijkheid van artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU

Op […] heeft de Commissie een verzoek ontvangen krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (14).

Dit verzoek, ingediend door [naam van de betrokken lidstaat/naam van de aanbestedende instantie] (15), betreft [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [dat land/aanduiding van de lidstaat]. De desbetreffende aankondiging is bekendgemaakt op bladzijde […] van PB C […] van […]. De [oorspronkelijke/verlengde] (16) termijn was […].

Op […] heeft de indiener het verzoek ingetrokken, dat als nietig moet worden beschouwd. Er is dus geen reden om te beslissen of artikel 34 van Richtlijn 2014/25/EU van toepassing is op [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [dat land/aanduiding van de lidstaat]. Richtlijn 2014/25/EU blijft derhalve overeenkomstig haar eigen bepalingen van toepassing wanneer aanbestedende instanties opdrachten gunnen voor de uitoefening van [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [aanduiding van de lidstaat] en wanneer zij prijsvragen uitschrijven voor de uitoefening van die activiteit in dat geografische gebied.


(1)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(3)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(4)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(5)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(6)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(7)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(8)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(9)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(10)  Zie de genoemde bijlage IV, punt 2, tweede zin.

(11)  Het oorspronkelijk aantal beschikbare werkdagen minus het aantal werkdagen tussen de eerste werkdag volgend op de ontvangst van het verzoek om vrijstelling en het verstrijken van de termijn voor het verstrekken van aanvullende informatie.

(12)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(13)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(14)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(15)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(16)  Doorhalen wat niet van toepassing is.


BIJLAGE IV

INLICHTINGEN DIE MOETEN WORDEN VERSTREKT IN AANKONDIGINGEN VAN VERZOEKEN BETREFFENDE DE TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 34 VAN RICHTLIJN 2014/25/EU — TOEPASSELIJKHEID VAN ARTIKEL 34, LID 1, VAN DE RICHTLIJN WANNEER BINNEN DE TERMIJN GEEN UITVOERINGSHANDELING IS VASTGESTELD

Verzoek [van een lidstaat/ingediend door een aanbestedende instantie (1)]

Op […] heeft de Commissie een verzoek ontvangen krachtens artikel 35 van Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad (2).

Dit verzoek, ingediend door [naam van de betrokken lidstaat/naam van de aanbestedende instantie] (3), betreft [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [dat land/aanduiding van de lidstaat]. De desbetreffende aankondiging is bekendgemaakt op bladzijde […] van PB C […] van […]. De [oorspronkelijke/verlengde] (4) termijn was […].

Omdat op […] de termijn om een besluit te nemen is verstreken zonder dat een besluit is genomen, wordt artikel 34, lid 1, van de genoemde richtlijn geacht van toepassing te zijn. Bijgevolg is Richtlijn 2014/25/EU niet van toepassing op het gunnen van opdrachten voor de uitoefening van [korte beschrijving van de sector of activiteit] in [aanduiding van de lidstaat], noch op prijsvragen die in dat geografische gebied voor de uitoefening van die activiteit worden uitschreven.


(1)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(2)  Richtlijn 2014/25/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 februari 2014 betreffende het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten en houdende intrekking van Richtlijn 2004/17/EG (PB L 94 van 28.3.2014, blz. 243).

(3)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(4)  Doorhalen wat niet van toepassing is.