|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 205 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
59e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
Uitvoeringsverordening (EU) 2016/1253 van de Commissie van 29 juli 2016 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 92/2010 wat de uitwisseling van gegevens tussen douaneautoriteiten en de nationale statistische diensten en de opstelling van statistieken betreft ( 1 ) |
|
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1255 van de Commissie van 29 juli 2016 tot wijziging van de Uitvoeringsbesluiten (EU) 2015/1500 en (EU) 2015/2055 betreffende beschermende maatregelen en inenting tegen nodulaire dermatose in Griekenland (Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 5035) ( 1 ) |
|
|
|
|
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
30.7.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 205/1 |
Informatie over de inwerkingtreding van het protocol bij de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan over de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Azerbeidzjan aan programma's van de Unie
Het protocol bij de Overeenkomst inzake partnerschap en samenwerking tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Azerbeidzjan, anderzijds, inzake een kaderovereenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan over de algemene beginselen voor de deelname van de Republiek Azerbeidzjan aan EU-programma's (1), dat op 14 juni 2014 is ondertekend in Baku, treedt in werking op 1 augustus 2016 overeenkomstig artikel 10, lid 1, van het protocol.
VERORDENINGEN
|
30.7.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 205/2 |
VERORDENING (EU) 2016/1252 VAN DE RAAD
van 28 juli 2016
tot wijziging van de Verordeningen (EU) 2016/72 en (EU) 2015/2072 met betrekking tot bepaalde vangstmogelijkheden
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) 2016/72 van de Raad (1) zijn voor 2016 voor sommige visbestanden en groepen visbestanden de vangstmogelijkheden vastgesteld welke in de Uniewateren en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn. |
|
(2) |
Aan het begin van het kalenderjaar worden bepaalde overdrachten of uitwisselingen van quota tussen de verdragsluitende partijen bij een regionale organisatie voor visserijbeheer (ROVB) overeengekomen. Het is derhalve dienstig dat de toepasselijke wettelijke bepalingen inzake de overdrachten en uitwisselingen van quota uit hoofde van Verordening (EU) 2016/72 begin 2017 van toepassing blijven. |
|
(3) |
Aangezien de bepalingen van Verordening (EU) 2016/72 inzake het verbod op vangsten van kwetsbare soorten of op vangsten in perioden die voor de visserij gesloten moeten zijn, op permanente basis moeten worden toegepast en rechtsonzekerheid moet worden voorkomen in de periode tussen eind 2016 en de datum van inwerkingtreding van de verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2017, dient te worden bepaald dat die bepalingen inzake het verbod op vangsten en de gesloten perioden begin 2017 van kracht blijven totdat de verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2017 in werking treedt. |
|
(4) |
Op basis van wetenschappelijk advies over de haringbestanden in ICES-gebieden VIa(N), VIa(S) en VIIb en VIIc kan een TAC (Total Allowable Catches — totale toegestane vangst) worden vastgesteld om de verzameling van visserijafhankelijke gegevens in de twee beheersgebieden mogelijk te maken. Dit zou leiden tot beter wetenschappelijk advies over deze bestanden. |
|
(5) |
Volgens het wetenschappelijk advies van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (International Council for the Exploration of the Sea — „ICES”) dient er minder Noordse garnaal (Pandalus borealis) te worden gevangen. Naar aanleiding van het overleg met Noorwegen moeten de vangstbeperkingen voor Noordse garnaal in ICES-sector IIIa en de Noorse wateren ten zuiden van 62° NB worden gewijzigd. |
|
(6) |
Het wetenschappelijk advies van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) ondersteunt de toekenning van een klein extra commercieel quotum om vissersvaartuigen aan te moedigen deel te nemen aan een wetenschappelijk programma betreffende tong in ICES-sector VIIa, dat zou worden uitgevoerd onder specifieke voorwaarden. Dat extra quotum moet uitsluitend voor de looptijd van het wetenschappelijk programma worden toegekend en zou geen negatieve invloed hebben op de relatieve stabiliteit. |
|
(7) |
Volgens het wetenschappelijk advies van ICES dient er minder sprot in de Noordzee te worden gevangen. Bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden moet er rekening mee worden gehouden dat een plotse aanzienlijke daling, tijdens het jaar, van de vangstbeperkingen de sociale en economische duurzaamheid van de betrokken vloten in gevaar zou brengen; tegelijkertijd moet echter ook de voorzorgsaanpak voor het visserijbeheer in acht worden genomen. Het is derhalve dienstig de overeenkomstige vangstmogelijkhedentabel te wijzigen. De in 2016 toegewezen vangsthoeveelheden voor sprot dienen in aanmerking te worden genomen bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2017 voor die soort. |
|
(8) |
ICES verleent wetenschappelijk advies voor de soort squalus acanthias en de rapporteringscode is eveneens gebaseerd op de Latijnse naam van deze soort. In sommige taalversies van Verordening (EU) 2016/72 komt de gewone naam van de soortechter niet overeen met de Latijnse naam. Derhalve moet de gewone naam waar nodig worden verbeterd. |
|
(9) |
Op dit moment zijn de vangstmogelijkheden voor doornhaai (squalus acanthias) vastgesteld op 0 ton. Het WTECV heeft een project om de vangst van doornhaai (squalus acanthias) in realtime te vermijden, geëvalueerd. Bij die evaluatie is het WTECV nagegaan in welke mate het project het vermijden van bijvangsten van doornhaai (squalus acanthias) kan bevorderen. De vaartuigen die deelnemen aan het project moeten worden toegestaan beperkte hoeveelheden doornhaai (squalus acanthias) die dood zijn of die niet zouden overleven zelfs bij onmiddellijke vrijlating, aan te landen. Als voorzorgsmaatregel om ervoor te zorgen dat het herstel van het bestand op de lange termijn niet in het gedrang komt, dienen die aanlandingen te worden beperkt tot een totale jaarlijkse hoeveelheid van 270 ton, met een maandelijkse beperking van maximaal 2 ton voor elk vaartuig dat deelneemt aan het project. De lidstaten moeten een lijst van deelnemende vaartuigen indienen bij de Commissie. |
|
(10) |
Bij de tussentijdse vergadering van de Internationale Commissie voor de instandhouding van Atlantische tonijnen (International Commission for the Conservation of Atlantic Tunas — ICCAT) in maart 2016 werd overeengekomen dat de Europese Unie een deel van haar reservekweekcapaciteit aan Portugal zou toewijzen voor de inzet van in het wild gevangen blauwvintonijn in de kweek. Zo zou Portugal in de toekomst een blauwvintonijnkwekerij kunnen exploiteren. Derhalve moet worden vastgesteld hoeveel in het wild gevangen blauwvintonijn Portugal aan zijn kwekerij mag toewijzen. |
|
(11) |
In Verordening (EU) 2015/2072 van de Raad (2) is bepaald welke bestanden in de Oostzee zich binnen biologisch veilige grenzen bevinden. Volgens het recentste advies bevindt het sprotbestand in de Oostzee zich binnen biologisch veilige grenzen. Bijgevolg moet de bepaling van biologisch veilige grenzen in die verordening worden gewijzigd. |
|
(12) |
Aangezien de wijzigingen in de vangstbeperkingen invloed hebben op de economische activiteiten van Unievaartuigen en de programmering van de visseizoenen, moet deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. |
|
(13) |
De in Verordening (EU) 2016/72 vastgestelde vangstbeperkingen zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2016. De bepalingen van deze verordening tot wijziging van die verordening dienen daarom eveneens met ingang van die datum van toepassing te zijn. Deze toepassing met terugwerkende kracht doet geen afbreuk aan de rechtszekerheid en de bescherming van gewettigd vertrouwen, aangezien de betrokken vangstmogelijkheden nog niet zijn uitgeput. |
|
(14) |
Verordening (EU) 2016/72 en Verordening (EU) 2015/2072 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van Verordening (EU) 2016/72
Verordening (EU) 2016/72 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Niet van toepassing voor het Nederlands; |
|
2) |
In artikel 21 wordt het volgende lid toegevoegd: „5. Dit artikel is van toepassing tot en met 31 januari 2017 voor overdrachten van quota van een verdragsluitende partij bij een ROVB naar de Unie en de daaropvolgende toewijzing ervan aan de lidstaten.”. |
|
3) |
Het volgende artikel wordt toegevoegd: „Artikel 48 bis Overgangsbepaling Artikel 10, leden 1, 2 en 5, artikel 12, lid 2, en de artikelen 13, 24, 25, 30, 34, 35, 36, 40, 42 en 46 blijven van overeenkomstige toepassing in 2017 totdat de verordening tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor 2017 in werking treedt.”. |
|
4. |
de bijlagen I, IA en IV bij Verordening (EU) 2016/72 worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening. |
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EU) 2015/2072
De bijlage bij Verordening (EU) 2015/2072 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 28 juli 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
M. LAJČÁK
(1) Verordening (EU) 2016/72 van de Raad van 22 januari 2016 tot vaststelling, voor 2016, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Uniewateren en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn, en tot wijziging van Verordening (EU) 2015/104 (PB L 22 van 28.1.2016, blz. 1).
(2) Verordening (EU) 2015/2072 van de Raad van 17 november 2015 tot vaststelling, voor 2016, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de Oostzee van toepassing zijn en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1221/2014 en Verordening (EU) 2015/104 (PB L 302 van 19.11.2015, blz. 1).
BIJLAGE I
WIJZIGINGEN VAN DE BIJLAGEN I, IA EN IV BIJ VERORDENING (EU) 2016/72
|
A. |
Bijlage I bij Verordening (EU) 2016/72 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
B. |
Bijlage IA bij Verordening (EU) 2016/72 wordt als volgt gewijzigd:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
C. |
In punt 6 van bijlage IV bij Verordening (EU) 2016/72 wordt tabel B vervangen door: „TABEL B
|
||||||||||||||||
(1) Bedoeld is het haringbestand in het deel van ICES-gebied VIa ten oosten van 7° WL en ten noorden van 55° NB, of ten westen van 7° WL en ten noorden van 56° NB met uitzondering van de Clyde.
(2) Het is verboden gericht op haring te vissen in het deel van de onder deze TAC vallende ICES-gebieden dat tussen 56° NB en 57° 30′ NB ligt, met uitzondering van een gordel van zes mijl gemeten vanaf de basislijn van de territoriale zee van het Verenigd Koninkrijk.”
(3) Bedoeld is het haringbestand in VIa ten zuiden van 56° 00′ NB en ten westen van 07° 00′ WL.”
(4) Bijvangsten van kabeljauw, schelvis, wittekoolvis, wijting en zwarte koolvis worden in mindering gebracht op de quota voor deze soorten.”
(5) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.
(6) Bovenop deze TAC kunnen de lidstaten die over een quotum voor tong in VIIa beschikken, onderling overeenkomen een algemeen totaal van 7 ton toe te wijzen aan een of meer vaartuigen die deelnemen aan door het WTECV geëvalueerde wetenschappelijke visserijactiviteiten om de wetenschappelijke informatie over dit bestand (SOL/*07A.) te verbeteren. Alvorens enige aanlanding toe te staan, stellen de betrokken lidstaten de Commissie in kennis van de na(a)m(en) van het (de) vaartuig(en).”
(7) Onverminderd de aanlandingsverplichting, mogen vangsten van schar en wijting voor ten hoogste 2 % in mindering worden gebracht op het quotum (OTH/*2AC4C), op voorwaarde dat deze vangsten en bijvangsten van die soorten, zoals geregeld uit hoofde van artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, niet meer dan 9 % van dit quotum voor sprot uitmaken.
(8) Inclusief zandspieringen.
(9) Mag tot 4 % bijvangsten van haring bevatten.”
(10) In het gebied waarvoor deze TAC geldt, mag niet gericht op doornhaai worden gevist. Exemplaren die incidenteel worden gevangen in visserijen waarin doornhaai niet onder de aanlandingsverplichting valt, worden ongedeerd gelaten en worden onmiddellijk vrijgelaten. De vorige bepalingen gelden onverminderd de verbodsbepalingen in de artikelen 13 en 46 van deze verordening voor de daarin vermelde gebieden.”
(11) In het gebied waarvoor deze TAC geldt, mag niet gericht op doornhaai worden gevist. Exemplaren die incidenteel worden gevangen in visserijen waarin doornhaai niet onder de aanlandingsverplichting valt, worden ongedeerd gelaten en worden onmiddellijk vrijgelaten. De vorige bepalingen gelden onverminderd de verbodsbepalingen in de artikelen 13 en 46 van deze verordening voor de daarin vermelde gebieden.”
(12) In het gebied waarvoor deze TAC geldt, mag niet gericht op doornhaai worden gevist. Exemplaren die incidenteel worden gevangen in visserijen waarin doornhaai niet onder de aanlandingsverplichting valt, worden ongedeerd gelaten en worden onmiddellijk vrijgelaten. De vorige bepalingen gelden onverminderd de verbodsbepalingen in de artikelen 13 en 46 van deze verordening voor de daarin vermelde gebieden.
(13) In afwijking hiervan mag een vaartuig dat deelneemt aan het door het WTECV positief beoordeelde programma ter vermijding van bijvangsten, per maand niet meer dan 2 ton doornhaai die dood is op het moment dat het vistuig aan boord wordt gehesen, aanlanden. De lidstaten die deelnemen aan het programma ter vermijding van bijvangsten, zorgen ervoor dat de totale hoeveelheden doornhaai die jaarlijks op grond van deze afwijking worden aangeland, niet hoger zijn dan de hieronder vermelde hoeveelheden. Alvorens enige aanlanding toe te staan, stellen ze de Commissie in kennis van de lijst van deelnemende vaartuigen. De lidstaten wisselen informatie uit over de gebieden waar bijvangsten worden vermeden.
|
Soort: |
Doornhaai Squalus acanthias |
Gebied: |
Uniewateren en internationale wateren van I, V, VI, VII, VIII, XII en XIV (DGS/*15X14) |
|
|
België |
20 |
|
|
|
|
Duitsland |
4 |
|
|
|
|
Spanje |
10 |
|
|
|
|
Frankrijk |
83 |
|
|
|
|
Ierland |
53 |
|
|
|
|
Nederland |
0 |
|
|
|
|
Portugal |
0 |
|
|
|
|
Verenigd Koninkrijk |
100 |
|
|
|
|
Unie |
270 |
|
|
|
|
TAC |
270 |
|
Analytische TAC Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing. Artikel 12, lid 1, van deze verordening is van toepassing.” |
|
BIJLAGE II
WIJZIGING VAN DE BIJLAGE BIJ VERORDENING (EU) 2015/2072
In de bijlage bij Verordening (EU) 2015/2072 wordt de vangstmogelijkhedentabel voor sprot in Uniewateren van de deelsectoren 22-32 vervangen door de volgende tabel:
|
„Soort: |
Sprot Sprattus sprattus |
Gebied: |
Uniewateren van de deelsectoren 22-32 SPR/3B23.; SPR/3C22.; SPR/3D24.; SPR/3D25.; SPR/3D26.; SPR/3D27.; SPR/3D28.; SPR/3D29.; SPR/3D30.; SPR/3D31.; SPR/3D32. |
|
|
Denemarken |
19 958 |
|
|
|
|
Duitsland |
12 644 |
|
|
|
|
Estland |
23 175 |
|
|
|
|
Finland |
10 447 |
|
|
|
|
Letland |
27 990 |
|
|
|
|
Litouwen |
10 125 |
|
|
|
|
Polen |
59 399 |
|
|
|
|
Zweden |
38 582 |
|
|
|
|
Unie |
202 320 |
|
|
|
|
TAC |
Niet relevant |
|
Artikel 6, lid 3, van deze verordening is van toepassing. Analytische TAC” |
|
|
30.7.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 205/12 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1253 VAN DE COMMISSIE
van 29 juli 2016
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 92/2010 wat de uitwisseling van gegevens tussen douaneautoriteiten en de nationale statistische diensten en de opstelling van statistieken betreft
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1172/95 van de Raad (1), en met name artikel 6, lid 1, en artikel 7, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 471/2009 is een gemeenschappelijk kader vastgesteld voor de systematische productie van Europese statistieken van het goederenverkeer met derde landen. De belangrijkste gegevensbron voor deze statistieken zijn gegevens die uit douaneaangiften zijn verkregen. Deze verordening is ingesteld om rekening te houden met specifieke en nieuwe vereenvoudigingen bij de inklaring die worden uitgevoerd op grond van Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad (2) (het „gemoderniseerd douanewetboek”). Dit betreft voornamelijk „het zelf bepalen van in- en uitvoerrechten” waarbij is voorzien in een ontheffing voor de aangifte bij de douane en de gecentraliseerde douaneafhandeling wanneer in meer dan één lidstaat aan de invoer- of uitvoerformaliteiten kan worden voldaan. |
|
(2) |
Bij Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) (het „douanewetboek van de Unie”) is het gemoderniseerd douanewetboek ingetrokken en zijn de douanebepalingen van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (4) met ingang van 1 mei 2016 ingetrokken. |
|
(3) |
Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578 van de Commissie (5) stelt het werkprogramma als bedoeld in artikel 280 van het douanewetboek van de Unie vast en heeft betrekking op de elektronische douanesystemen die in het kader hiervan worden ontwikkeld. |
|
(4) |
Tot deze elektronische systemen beschikbaar worden, voorziet Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie (6) („de gedelegeerde overgangsverordening”) in overgangsmaatregelen voor de uitwisseling en de opslag van informatie tussen de douaneautoriteiten onderling en tussen de douaneautoriteiten en de marktdeelnemers. |
|
(5) |
Verordening (EG) nr. 471/2009 werd uitgevoerd door Verordening (EU) nr. 92/2010 van de Commissie (7). |
|
(6) |
Verordening (EU) nr. 92/2010 moet worden aangepast aan de bepalingen van het douanewetboek van de Unie met betrekking tot de specifieke procedures voor de uitwisseling van gegevens tussen douaneautoriteiten en de nationale statistische diensten, in het bijzonder met betrekking tot de douanevereenvoudigingen waarnaar verwezen wordt als de „gecentraliseerde vrijmaking” zoals bedoeld in artikel 179 van het douanewetboek van de Unie. |
|
(7) |
De overeenkomst van de douaneautoriteiten over een vereenvoudiging voor het opstellen van douaneaangiften betreffende goederen die onder verschillende tariefonderverdelingen vallen, moet worden weerspiegeld in de opgestelde statistieken. |
|
(8) |
Teneinde informatie te verkrijgen over economisch relevant verkeer tussen de lidstaten na inklaring (bij invoer) of vóór uitklaring (bij uitvoer) moeten maatregelen worden genomen die erop gericht zijn de betrokken lidstaten te identificeren ten behoeve van de handelsstatistieken. |
|
(9) |
Wijzigingen waarvoor een aanpassing van de toezending van gegevens door de lidstaten aan de Commissie (Eurostat) nodig is, mogen alleen worden toegepast op de maandelijkse referentieperioden, te beginnen met de referentiemaand januari 2017. |
|
(10) |
Verordening (EU) nr. 92/2010 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(11) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de statistiek van het goederenverkeer met derde landen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EU) nr. 92/2010 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd: „Artikel 1 Uitwisseling van gegevens tussen de douaneautoriteiten en de nationale statistische diensten 1. Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities: a) „gecentraliseerde vrijmaking in de overgangsperiode”: gecentraliseerde vrijmaking als bedoeld in artikel 179 van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (*1) (het „douanewetboek van de Unie”), waarbij de douaneautoriteiten van meer dan één lidstaat zijn betrokken en waarbij het middel voor de uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten is geregeld in artikel 18 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie (*2); b) „geautomatiseerde gecentraliseerde vrijmaking”: gecentraliseerde vrijmaking waarbij de douaneautoriteiten van meer dan één lidstaat zijn betrokken en waarbij het middel voor de uitwisseling van informatie tussen de douaneautoriteiten is geregeld in de respectieve transnationale elektronische systemen voor gecentraliseerde vrijmaking voor invoer of uitvoer als bedoeld in het werkprogramma waarvan sprake is in artikel 280 van het douanewetboek van de Unie (*3). 2. De nationale douaneautoriteiten leveren de statistische diensten van hun land onverwijld en uiterlijk in de maand volgende op die waarin de douaneaangiften werden aanvaard of tot een besluit van de douane ter zake hebben geleid, de gegevens over de invoer en de uitvoer op basis van de douaneaangiften
De verplichting om aan de nationale statistische diensten verslagen te verstrekken van de douaneaangiften is niet van toepassing op douaneaangiften die door geautomatiseerde gecentraliseerde vrijmaking bestreken worden en aan een andere lidstaat moeten worden verstrekt op grond van lid 3. De eerste alinea doet geen afbreuk aan de rechten van de nationale statistische diensten op hun toegang tot en gebruik van administratieve bestanden als bedoeld in artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad (*5). 3. Met ingang van de datum van invoering van het mechanisme voor de onderlinge elektronische uitwisseling van gegevens overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 471/2009, dat wil zeggen zodra de respectieve lidstaat geautomatiseerde gecentraliseerde vrijmaking toepast, is het volgende van toepassing: Indien een douaneaangifte door geautomatiseerde gecentraliseerde vrijmaking is geregeld, moet de douaneautoriteit waarbij de aangifte wordt ingediend erop toezien dat kopieën van de gegevens van de douaneaangifte worden ingediend volgens hetzelfde tijdschema als beschreven in lid 2, eerste alinea, aan de douaneautoriteiten van de lidstaat waar de goederen zich op het moment van vrijgave voor de douaneregeling bevinden. De verplichting om de gegevens in te dienen geldt ook voor een douaneaangifte waarvoor de aanvullende aangifte, overeenkomstig artikel 225 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447, beschikbaar is via rechtstreekse elektronische toegang tot het systeem van de vergunninghouder. De indiening wordt geacht te worden gewaarborgd met eerbiediging van de termijn wanneer de overdracht tussen lidstaten plaatsvindt in het kader van de regelingen als bedoeld in de artikelen 231 en 232 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447. De ontvangende douaneautoriteit stuurt deze gegevens onverwijld door aan de nationale statistische diensten. Dit doet echter geen afbreuk aan de rechten van de nationale statistische diensten op hun toegang tot en gebruik van administratieve bestanden als bedoeld in artikel 17 bis van Verordening (EG) nr. 223/2009. 4. De douaneautoriteiten controleren op verzoek van de nationale statistische diensten de juistheid en volledigheid van de door hen verstrekte invoer- en uitvoergegevens. (*1) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1)." (*2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PB L 69 van 15.3.2016, blz. 1)." (*3) Het recentste is Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578 van de Commissie van 11 april 2016 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet (PB L 99 van 15.4.2016, blz. 6)." (*4) Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558)." (*5) Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1101/2008 betreffende de toezending van onder de statistische geheimhoudingsplicht vallende gegevens aan het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Verordening (EG) nr. 322/97 van de Raad betreffende de communautaire statistiek en Besluit 89/382/EEG, Euratom van de Raad tot oprichting van een Comité statistisch programma van de Europese Gemeenschappen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164).”." |
|
2) |
In artikel 2, lid 1, wordt punt a) wordt vervangen door:
|
|
3) |
Artikel 2, lid 2, wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
In artikel 2, lid 3, wordt de eerste zin vervangen door: „De statistieken bevatten correcties met betrekking tot ontbrekende, te laat ingediende of onvolledige gegevens.”. |
|
5) |
In artikel 2, lid 4, wordt de eerste zin vervangen door: „De lidstaten kunnen voor individuele transacties onder de statistische drempel informatie opstellen die minder gedetailleerd is dan gespecificeerd in artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 471/2009.”. |
Artikel 2
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, lid 3, en artikel 1, lid 4, gelden voor de referentieperioden vanaf januari 2017.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juli 2016.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 152 van 16.6.2009, blz. 23.
(2) Verordening (EG) nr. 450/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (gemoderniseerd douanewetboek) (PB L 145 van 4.6.2008, blz. 1).
(3) Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en van de Raad van 9 oktober 2013 tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 269 van 10.10.2013, blz. 1).
(4) Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).
(5) Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/578 van de Commissie van 11 april 2016 tot vaststelling van het werkprogramma voor de ontwikkeling en de uitrol van de elektronische systemen waarin het douanewetboek van de Unie voorziet (PB L 99 van 15.4.2016, blz. 6).
(6) Gedelegeerde Verordening (EU) 2016/341 van de Commissie van 17 december 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met overgangsregels voor enkele bepalingen van het douanewetboek van de Unie voor de gevallen waarin de relevante elektronische systemen nog niet operationeel zijn, en tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 (PB L 69 van 15.3.2016, blz. 1).
(7) Verordening (EU) nr. 92/2010 van de Commissie van 2 februari 2010 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de uitwisseling van gegevens tussen douaneautoriteiten en de nationale statistische diensten, de opstelling van statistieken en de kwaliteitscontrole betreft (PB L 31 van 3.2.2010, blz. 4).
|
30.7.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 205/17 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/1254 VAN DE COMMISSIE
van 29 juli 2016
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 juli 2016.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
157,7 |
|
ZZ |
157,7 |
|
|
0707 00 05 |
TR |
116,3 |
|
ZZ |
116,3 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
140,0 |
|
ZZ |
140,0 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
198,4 |
|
CL |
206,2 |
|
|
MA |
157,0 |
|
|
TR |
153,3 |
|
|
UY |
148,8 |
|
|
ZA |
177,4 |
|
|
ZZ |
173,5 |
|
|
0806 10 10 |
BR |
269,1 |
|
EG |
213,1 |
|
|
MA |
186,9 |
|
|
MX |
378,3 |
|
|
US |
233,8 |
|
|
ZZ |
256,2 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
176,8 |
|
BR |
111,3 |
|
|
CL |
125,1 |
|
|
CN |
74,5 |
|
|
NZ |
137,8 |
|
|
US |
165,0 |
|
|
UY |
99,9 |
|
|
ZA |
106,2 |
|
|
ZZ |
124,6 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
202,6 |
|
CL |
127,1 |
|
|
TR |
172,9 |
|
|
ZA |
114,2 |
|
|
ZZ |
154,2 |
|
|
0809 10 00 |
TR |
196,6 |
|
ZZ |
196,6 |
|
|
0809 29 00 |
TR |
252,5 |
|
US |
485,5 |
|
|
ZA |
271,2 |
|
|
ZZ |
336,4 |
|
|
0809 30 10 , 0809 30 90 |
TR |
166,5 |
|
ZZ |
166,5 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
30.7.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 205/20 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/1255 VAN DE COMMISSIE
van 29 juli 2016
tot wijziging van de Uitvoeringsbesluiten (EU) 2015/1500 en (EU) 2015/2055 betreffende beschermende maatregelen en inenting tegen nodulaire dermatose in Griekenland
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 5035)
(Slechts de tekst in de Griekse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,
Gezien Richtlijn 92/119/EEG van de Raad van 17 december 1992 tot vaststelling van algemene communautaire maatregelen voor de bestrijding van bepaalde dierziekten en van specifieke maatregelen ten aanzien van de vesiculaire varkensziekte (3), en met name artikel 19, lid 1, onder a), lid 3, onder a), en lid 6,
Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (4), en met name artikel 4, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Richtlijn 92/119/EEG zijn algemene bestrijdingsmaatregelen vastgesteld die moeten worden genomen in geval van een uitbraak van bepaalde dierziekten, waaronder nodulaire dermatose. Die bestrijdingsmaatregelen omvatten de instelling van beschermings- en toezichtsgebieden rond het besmette bedrijf en zij voorzien ook in noodinenting in geval van een uitbraak van nodulaire dermatose als aanvulling op andere bestrijdingsmaatregelen. |
|
(2) |
In Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500 van de Commissie (5) zijn bepaalde beschermende maatregelen vastgesteld op het gebied van de diergezondheid in verband met de bevestiging van nodulaire dermatose in Griekenland in 2015. Die maatregelen behelzen de instelling van een beperkingsgebied dat is beschreven in de bijlage bij dat uitvoeringsbesluit; dit omvat het gebied waarin nodulaire dermatose werd bevestigd en de door Griekenland overeenkomstig Richtlijn 92/119/EEG ingestelde beschermings- en toezichtsgebieden. |
|
(3) |
Naar aanleiding van de ontwikkeling van de epidemiologische situatie in Griekenland heeft de Commissie Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2055 van de Commissie (6) vastgesteld. In dat uitvoeringsbesluit is bepaald dat Griekenland kan overgaan tot de noodinenting van runderen die worden gehouden op bedrijven in het inentingsgebied zoals beschreven in bijlage I bij dat uitvoeringsbesluit. Bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2055 zijn eveneens een aantal bepalingen van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500 gewijzigd, met inbegrip van de uitbreiding van het beperkingsgebied dat in de bijlage ervan wordt bepaald. |
|
(4) |
De Uitvoeringsbesluiten (EU) 2015/1500 en (EU) 2015/2055 zijn vervolgens gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2311 van de Commissie (7), met het oog op de uitbreiding van het beperkingsgebied zoals beschreven in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500 en het inentingsgebied zoals beschreven in bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2055, naar aanleiding van de bevestiging van extra uitbraken in de regionale eenheid Chalkidiki en de ontvangst van de kennisgeving van Griekenland inzake haar voornemen om noodinentingen tegen nodulaire dermatose uit te voeren in bepaalde regionale eenheden. |
|
(5) |
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500 en bijlage II bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2055 zijn later gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1116 van de Commissie (8), teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen in de epidemiologische situatie in Griekenland en de door die lidstaat genomen inentingsmaatregelen. |
|
(6) |
Griekenland heeft sinds 19 juli 2016 een nieuwe uitbraak van nodulaire dermatose gemeld in de regionale eenheid Achaia, een gebied op het Griekse vasteland, op de Peloponnesos, waar nooit eerder uitbraken van nodulaire dermatose zijn gemeld en die op meer dan 150 km ten zuiden ligt van de dichtstbijzijnde regionale eenheid die momenteel is onderworpen aan beperkingen en inentingsmaatregelen in verband met nodulaire dermatose. |
|
(7) |
Om rekening te houden met de huidige epidemiologische situatie in Griekenland en de snelheid van de overbrenging van nodulaire dermatose moet zowel het beperkingsgebied, zoals bepaald in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500, als het inentingsgebied, zoals bepaald in bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2055, worden uitgebreid naar het gehele grondgebied van continentaal Griekenland. De Uitvoeringsbesluiten (EU) 2015/1500 en (EU) 2015/2055 van de Commissie moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(8) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500 van de Commissie wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij dit besluit.
Artikel 2
Bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2055 van de Commissie wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij dit besluit.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de Helleense Republiek.
Gedaan te Brussel, 29 juli 2016.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.
(2) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(3) PB L 62 van 15.3.1993, blz. 69.
(4) PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.
(5) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500 van de Commissie van 7 september 2015 betreffende bepaalde beschermende maatregelen tegen nodulaire dermatose in Griekenland en tot intrekking van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1423 (PB L 234 van 8.9.2015, blz. 19).
(6) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2055 van de Commissie van 10 november 2015 tot vaststelling van de voorwaarden voor het programma voor noodinenting van runderen tegen nodulaire dermatose in Griekenland en tot wijziging van Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500 (PB L 300 van 17.11.2015, blz. 31).
(7) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2311 van de Commissie van 9 december 2015 tot wijziging van de Uitvoeringsbesluiten (EU) 2015/1500 en (EU) 2015/2055 betreffende beschermende maatregelen tegen nodulaire dermatose in Griekenland (PB L 326 van 11.12.2015, blz. 65).
(8) Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/1116 van de Commissie van 7 juli 2016 tot wijziging van de Uitvoeringsbesluiten (EU) 2015/1500 en (EU) 2015/2055 betreffende beschermende maatregelen en inenting tegen nodulaire dermatose in Griekenland (PB L 186 van 9.7.2016, blz. 24).
BIJLAGE I
De bijlage bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1500 wordt vervangen door:
„BIJLAGE
Beperkingsgebieden zoals bedoeld in artikel 2, onder b)
|
A. |
De volgende regio's in Griekenland:
|
|
B. |
De volgende regionale eenheden in Griekenland:
|
BIJLAGE II
Bijlage I bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/2055 wordt vervangen door:
„BIJLAGE I
|
A. |
De volgende regio's in Griekenland:
|
|
B. |
De volgende regionale eenheden in Griekenland:
|
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
30.7.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 205/24 |
BESLUIT Nr. 1/2016 VAN DE ASSOCIATIERAAD EU-PLO
van 18 februari 2016
tot vervanging van Protocol nr. 3 bij de Euro-mediterrane interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking [2016/1256]
HET GEMENGD COMITÉ EU-PLO,
Gezien de Euro-mediterrane interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, anderzijds (1), en met name artikel 25,
Gezien Protocol nr. 3 bij de Euro-mediterrane interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In artikel 25 van de Euro-mediterrane interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, anderzijds (de „overeenkomst”), wordt verwezen naar Protocol nr. 3 bij de overeenkomst („Protocol nr. 3”), dat de oorsprongsregels bevat en voorziet in cumulatie van oorsprong tussen de Europese Unie, de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook en andere partijen bij de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (2) (de „Conventie”). |
|
(2) |
Krachtens artikel 39 van Protocol nr. 3 kan het bij artikel 63 van de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité besluiten de bepalingen van dat protocol te wijzigen. |
|
(3) |
De Conventie strekt ertoe de protocollen inzake de oorsprongsregels die momenteel van kracht zijn tussen de landen van het pan-Euro-mediterrane gebied, door één rechtshandeling te vervangen. |
|
(4) |
De Europese Unie en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook hebben de Conventie respectievelijk op 15 juni 2011 en 18 september 2013 ondertekend. |
|
(5) |
De Europese Unie en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook hebben hun akte van aanvaarding respectievelijk op 26 maart 2012 en 27 mei 2014 bij de depositaris van de Conventie neergelegd. Bijgevolg is de Conventie op grond van artikel 10, lid 3, ervan voor de Unie en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook op respectievelijk 1 mei 2012 en 1 juli 2014 in werking getreden. |
|
(6) |
Protocol nr. 3 moet derhalve worden vervangen door een nieuw protocol dat naar de Conventie verwijst, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Protocol nr. 3 bij de Euro-mediterrane interim-associatieovereenkomst voor handel en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap, enerzijds, en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook, anderzijds, betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Het is van toepassing met ingang van 1 maart 2016.
Gedaan te Brussel, 18 februari 2016.
Voor de Associatieraad
De voorzitter
C. BERGER
BIJLAGE
PROTOCOL Nr. 3
betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking
Artikel 1
Toepasselijke regels van oorsprong
1. Voor de toepassing van deze overeenkomst zijn aanhangsel I en de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (1) (de „Conventie”), van toepassing.
2. Alle verwijzingen naar de „desbetreffende overeenkomst” in aanhangsel I en in de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels gelden als verwijzingen naar deze overeenkomst.
Artikel 2
Geschillenregeling
1. Indien er een geschil ontstaat in verband met de controleprocedures in artikel 32 van aanhangsel I van de Conventie dat niet kan worden opgelost door de douaneautoriteit die de controle heeft aangevraagd en de douaneautoriteit die de controle moet uitvoeren, wordt dit aan het Gemengd Comité voorgelegd.
2. In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.
Artikel 3
Wijzigingen van het protocol
Het Gemengd Comité kan besluiten de bepalingen van dit protocol te wijzigen.
Artikel 4
Opzegging van de Conventie
1. Indien ofwel de Europese Unie ofwel de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook de depositaris van de Conventie schriftelijk te kennen geeft de Conventie op grond van artikel 9 ervan te willen opzeggen, openen de Unie en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook onmiddellijk onderhandelingen over oorsprongsregels voor de toepassing van deze overeenkomst.
2. Tot de inwerkingtreding van deze nieuw overeengekomen oorsprongsregels blijven de op het moment van opzegging geldende oorsprongsregels in aanhangsel I van de Conventie en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II ervan van toepassing op deze overeenkomst. Vanaf de opzegging worden de oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Conventie evenwel zo uitgelegd dat zij uitsluitend bilaterale cumulatie tussen de Europese Unie en de Palestijnse Bevrijdingsorganisatie (PLO) ten behoeve van de Palestijnse Autoriteit van de Westelijke Jordaanoever en de Gazastrook toestaan.