|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
59e jaargang |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
3.6.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/879 VAN DE COMMISSIE
van 2 juni 2016
tot vaststelling van de nadere regelingen met betrekking tot de conformiteitsverklaring bij het op de markt brengen van met fluorkoolwaterstoffen gevulde koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur, en de controle ervan door een onafhankelijke auditor, ingevolge Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (1), en met name artikel 14, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uit hoofde van artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 517/2014 mag met fluorkoolwaterstoffen gevulde koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur op de markt worden gebracht indien de fluorkoolwaterstoffen waarmee deze apparatuur is gevuld, zijn opgenomen in de in hoofdstuk IV van die verordening bedoelde quotumregeling. Bij het op de markt brengen van voorgevulde apparatuur moeten de fabrikanten en invoerders van de apparatuur ervoor zorgen dat de naleving van dat voorschrift gedocumenteerd is en in dit verband een conformiteitsverklaring opstellen. |
|
(2) |
Bij de opstelling van de conformiteitsverklaringen en de documentatie moet rekening worden gehouden met de verschillende mogelijkheden die fabrikanten en invoerders ter beschikking staan om de voorschriften na te leven. Het kan namelijk gaan om het op de markt brengen van apparatuur die is gevuld met fluorkoolwaterstoffen waarvoor een vergunning krachtens artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) nr. 517/2014 is verleend, apparatuur die is gevuld met fluorkoolwaterstoffen die eerder als bulkstof op de markt zijn gebracht, vervolgens zijn uitgevoerd, waarna de apparatuur er buiten de Unie mee is gevuld, en apparatuur die in de Unie met fluorkoolwaterstoffen is gevuld. Afhankelijk van het soort activiteiten dat de onderneming verricht, zijn verschillende soorten documenten vereist van invoerders en fabrikanten. |
|
(3) |
Om de geloofwaardigheid te waarborgen van conformiteitsverklaringen die gebaseerd zijn op vergunningen krachtens artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) nr. 517/2014, moet ervoor worden gezorgd dat dergelijke vergunningen traceerbaar zijn. Daarom moeten de vergunningen naar behoren geregistreerd worden in het register dat overeenkomstig artikel 17 van die verordening is ingesteld. |
|
(4) |
Om richtsnoeren te geven voor de in artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 517/2014 voorgeschreven controle van de conformiteitsverklaring en de onderliggende documentatie door een derde, moeten de reikwijdte van die controle alsook de wijze van indiening van de controledocumenten worden bepaald. |
|
(5) |
Omwille van de consistentie moeten de desbetreffende bepalingen van deze verordening en van Verordening (EU) nr. 517/2014 vanaf dezelfde datum van toepassing zijn. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 24 van Verordening (EU) nr. 517/2014 opgerichte comité, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Conformiteitsverklaring
1. Invoerders en fabrikanten van met fluorkoolwaterstoffen gevulde koel-, klimaatregelings- en warmtepompapparatuur („apparatuur”) stellen de in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 517/2014 bedoelde conformiteitsverklaring op volgens het model in bijlage I bij deze verordening. De conformiteitsverklaring wordt ondertekend door een wettelijke vertegenwoordiger van de fabrikant of invoerder van de apparatuur.
2. Bij invoer van de in artikel 1 bedoelde apparatuur zorgt de invoerder ervoor dat de douaneautoriteiten over een kopie van de conformiteitsverklaring kunnen beschikken op het moment waarop de douaneaangifte in verband met de vrijgave voor vrij verkeer in de Unie wordt gedaan.
3. In een conformiteitsverklaring mag alleen naar een vergunning als bedoeld in artikel 18 van Verordening (EU) nr. 517/2014 worden verwezen wanneer die vergunning naar behoren geregistreerd is in het register dat overeenkomstig artikel 17 van die verordening is ingesteld.
Artikel 2
Documentatie
1. Fabrikanten die in de Unie met fluorkoolwaterstoffen gevulde apparatuur op de markt brengen, bewaren de volgende, in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 517/2014 bedoelde documentatie:
|
a) |
de conformiteitsverklaring; |
|
b) |
een lijst ter identificatie van de apparatuur, met vermelding van het type en de totale hoeveelheid in kilogram per type fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld; deze lijst is niet vereist als de fabrikant kan aantonen dat de fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, eerder op de markt zijn gebracht voordat de apparatuur ermee werd gevuld; |
|
c) |
als de fluorkoolwaterstoffen door een andere onderneming in de Unie zijn geleverd: de leveringsbon of factuur van de desbetreffende, eerder in de Unie op de markt gebrachte fluorkoolwaterstoffen; |
|
d) |
als de fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, zijn ingevoerd en vrijgegeven voor vrij verkeer in de Unie door de fabrikant van apparatuur voordat de apparatuur werd gevuld: de desbetreffende douanedocumenten waaruit blijkt dat de hoeveelheid fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, voor vrij verkeer in de Unie is vrijgegeven; |
|
e) |
als de fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, door de fabrikant zijn ingevoerd, maar niet voor vrij verkeer in de Unie zijn vrijgegeven voordat de apparatuur werd gevuld: een bewijs dat de toepasselijke douaneprocedures voor de vrijgave voor vrij verkeer van de betrokken hoeveelheden fluorkoolwaterstoffen zijn gevolgd wanneer de apparatuur op de markt wordt gebracht; |
|
f) |
als de fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, zijn geproduceerd door de fabrikant van de apparatuur en de apparatuur er in de Unie mee is gevuld: een document waaruit blijkt met welke hoeveelheid fluorkoolwaterstoffen de apparatuur is gevuld. |
2. Invoerders van apparatuur bewaren de volgende, in artikel 14 van Verordening (EU) nr. 517/2014 bedoelde documentatie voor alle apparatuur die valt onder één douaneaangifte in verband met de vrijgave voor vrij verkeer in de Unie:
|
a) |
de conformiteitsverklaring; |
|
b) |
een lijst ter identificatie van de voor vrij verkeer vrijgegeven apparatuur, met de volgende informatie:
|
|
c) |
de douaneaangifte in verband met de vrijgave van de apparatuur voor vrij verkeer in de Unie; |
|
d) |
als de fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, in de Unie op de markt zijn gebracht, vervolgens zijn uitgevoerd, waarna de apparatuur er buiten de Unie mee is gevuld: een leveringsbon of factuur, alsook een verklaring door de onderneming die de fluorkoolwaterstoffen op de markt heeft gebracht dat de hoeveelheid fluorkoolwaterstoffen is of zal worden gerapporteerd als zijnde in de Unie op de markt gebracht en niet is of zal worden gerapporteerd als zijnde rechtstreeks geleverd voor uitvoer in de zin van artikel 15, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 517/2014 krachtens artikel 19 van Verordening (EU) nr. 517/2014 en onderdeel 5C van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1191/2014 van de Commissie (2). |
Artikel 3
Controle
1. De in artikel 14, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 517/2014 bedoelde onafhankelijke auditor controleert de documentatie en conformiteitsverklaringen van de invoerder van de apparatuur op de volgende punten:
|
a) |
consistentie van de conformiteitsverklaringen en de bijbehorende documenten met de rapportage ingevolge artikel 19 van Verordening (EU) nr. 517/2014 en de onderdelen 11, 12 en 13 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1191/2014; |
|
b) |
nauwkeurigheid en volledigheid van de informatie in de conformiteitsverklaringen en de bijbehorende documenten op basis van de registers van de onderneming voor de betrokken transacties; |
|
c) |
als een invoerder van apparatuur verwijst naar een krachtens artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) nr. 517/2014 verleende vergunning: de beschikbaarheid van voldoende vergunningen, door de gegevens in het in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 517/2014 bedoelde register te vergelijken met bewijsstukken van het op de markt brengen; |
|
d) |
als de fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, in de Unie op de markt zijn gebracht, vervolgens zijn uitgevoerd, waarna de apparatuur er buiten de Unie mee is gevuld: het bestaan van een verklaring door de onderneming die de fluorkoolwaterstoffen op de markt heeft gebracht overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder d), die geldt voor de betrokken hoeveelheden. |
2. Na de controle overeenkomstig lid 1 verstrekt de onafhankelijke auditor een controledocument met zijn bevindingen. Dit document bevat een verklaring betreffende de mate van nauwkeurigheid van de desbetreffende documentatie en verklaringen.
Artikel 4
Indiening van controledocumenten
De invoerder van de apparatuur dient het in artikel 3, lid 2, van deze verordening bedoelde controledocument elk jaar uiterlijk op 31 maart voor het voorafgaande kalenderjaar in met behulp van het ingevolge artikel 1 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1191/2014 beschikbaar gestelde rapportagesysteem en vermeldt in dat systeem de bevindingen van de auditor over de mate van nauwkeurigheid van de desbetreffende documentatie en verklaringen.
Artikel 5
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
De artikelen 1 en 2 zijn echter van toepassing vanaf 1 januari 2017 en de artikelen 3 en 4 vanaf 1 januari 2018.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 2 juni 2016.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1191/2014 van de Commissie van 30 oktober 2014 tot vaststelling van de vorm en indieningswijze van het verslag bedoeld in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gefluoreerde broeikasgassen (PB L 318 van 5.11.2014, blz. 5).
BIJLAGE
Verklaring van conformiteit met artikel 14 van Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad (1)
Wij, [naam van onderneming, btw-identificatienummer en voor invoerders van apparatuur registratie-ID van F-gas-portaal invullen], verklaren onder onze eigen verantwoordelijkheid dat wanneer wij voorgevulde apparatuur op de markt brengen die wij in de Unie invoeren of vervaardigen, de fluorkoolwaterstoffen waarmee deze apparatuur is gevuld, zijn opgenomen in de in hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 517/2014 bedoelde quotumregeling, namelijk:
[vakje(s) aankruisen dat (die) van toepassing is (zijn); de opname in de quotumregeling wordt op een of meer van de onderstaande wijzen bereikt]
|
☐ A. |
wij beschikken op het moment van vrijgave voor vrij verkeer over één of meer vergunningen die overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening (EU) nr. 517/2014 zijn verleend en in het in artikel 17 van die verordening bedoelde register zijn geregistreerd om het quotum te gebruiken van een producent of invoerder van fluorkoolwaterstoffen waarop artikel 15 van Verordening (EU) nr. 517/2014 van toepassing is, die de in de apparatuur opgenomen hoeveelheid dekken; |
|
☐ B. |
[uitsluitend voor invoerders van apparatuur] de fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, zijn in de Unie op de markt gebracht en vervolgens uitgevoerd, waarna de apparatuur er buiten de Unie mee is gevuld, en de onderneming die de fluorkoolwaterstoffen op de markt heeft gebracht, heeft een verklaring afgegeven dat de hoeveelheid fluorkoolwaterstoffen is of zal worden gerapporteerd als zijnde in de Unie op de markt gebracht en niet is of zal worden gerapporteerd als zijnde rechtstreeks geleverd voor uitvoer in de zin van artikel 15, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 517/2014 krachtens artikel 19 van Verordening (EU) nr. 517/2014 en onderdeel 5C van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1191/2014 van de Commissie (2); |
|
☐ C. |
[uitsluitend voor apparatuur die in de Unie is vervaardigd] de fluorkoolwaterstoffen waarmee de apparatuur is gevuld, zijn op de markt gebracht door een producent of invoerder van fluorkoolwaterstoffen waarop artikel 15 van Verordening (EU) nr. 517/2014 van toepassing is. |
[naam en functie van de wettelijke vertegenwoordiger]
[handtekening van de wettelijke vertegenwoordiger]
[datum]
(1) Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europese Raad en de Raad van 16 april 2014 betreffende gefluoreerde broeikasgassen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 842/2006 (PB L 150 van 20.5.2014, blz. 195).
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1191/2014 van de Commissie van 30 oktober 2014 tot vaststelling van de vorm en indieningswijze van het verslag bedoeld in artikel 19 van Verordening (EU) nr. 517/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende gefluoreerde broeikasgassen (PB L 318 van 5.11.2014, blz. 5.
|
3.6.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/6 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/880 VAN DE COMMISSIE
van 2 juni 2016
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 2 juni 2016.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
127,1 |
|
TR |
66,0 |
|
|
ZZ |
96,6 |
|
|
0707 00 05 |
TR |
99,6 |
|
ZZ |
99,6 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
149,1 |
|
ZZ |
149,1 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
171,0 |
|
MA |
160,2 |
|
|
TR |
75,0 |
|
|
ZA |
188,7 |
|
|
ZZ |
148,7 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
112,0 |
|
BR |
103,6 |
|
|
CL |
135,6 |
|
|
CN |
112,1 |
|
|
NZ |
156,1 |
|
|
PE |
111,0 |
|
|
US |
192,9 |
|
|
ZA |
112,7 |
|
|
ZZ |
129,5 |
|
|
0809 10 00 |
TR |
260,5 |
|
ZZ |
260,5 |
|
|
0809 29 00 |
TR |
572,4 |
|
US |
828,7 |
|
|
ZZ |
700,6 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
RICHTLIJNEN
|
3.6.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/8 |
RICHTLIJN (EU) 2016/881 VAN DE RAAD
van 25 mei 2016
tot wijziging van Richtlijn 2011/16/EU wat betreft verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op belastinggebied
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 113 en 115,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Belastingfraude en belastingontduiking zijn de afgelopen jaren een almaar grotere uitdaging geworden en vormen thans een grote reden tot bezorgdheid, zowel in de Unie als op mondiaal niveau. De automatische uitwisseling van inlichtingen is in dit verband een belangrijk instrument; in haar mededeling van 6 december 2012, die een actieplan ter versterking van de strijd tegen belastingfraude en belastingontduiking bevat, heeft de Commissie de nadruk gelegd op de noodzaak om er daadkrachtig voor te ijveren dat automatische inlichtingenuitwisseling de toekomstige Europese en internationale standaard voor transparantie en uitwisseling van inlichtingen in belastingzaken wordt. De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 22 mei 2013 verzocht het toepassingsgebied van de automatische inlichtingenuitwisseling op Unie- en mondiaal niveau te verruimen met het oog op de bestrijding van belastingfraude, belastingontduiking en agressieve fiscale planning. |
|
(2) |
Aangezien groepen van multinationale ondernemingen („MNO-Groepen”) actief zijn in verschillende landen, hebben zij de mogelijkheid om aan agressieve fiscale planning te doen, wat voor binnenlandse ondernemingen onmogelijk is. Die praktijken van MNO-Groepen kunnen ondernemingen die uitsluitend nationaal actief zijn — normaal gesproken kleine en middelgrote ondernemingen — bijzonder sterk treffen, aangezien de belastingdruk voor deze bedrijven hoger is dan voor MNO-Groepen. Aan de andere kant lopen alle lidstaten een risico op inkomstenderving en dreigt concurrentie bij het aantrekken van MNO-Groepen te ontstaan waarbij aan deze groepen verdere belastingvoordelen worden geboden. |
|
(3) |
De belastingautoriteiten van de lidstaten hebben uitgebreide en relevante informatie over MNO-Groepen nodig met betrekking tot hun structuur, verrekenprijsbeleid en interne transacties binnen en buiten de Unie. Op grond van deze informatie kunnen de belastingautoriteiten met wijzigingen in de wetgeving of adequate risicobeoordelingen en belastingcontroles optreden tegen schadelijke belastingpraktijken en nagaan of ondernemingen zich schuldig hebben gemaakt aan praktijken die een kunstmatige verschuiving van aanzienlijke inkomsten naar belastingvoordelige omgevingen tot gevolg hebben. |
|
(4) |
Meer transparantie ten overstaan van de belastingautoriteiten zou tot gevolg kunnen hebben dat MNO-Groepen ertoe worden aangezet bepaalde praktijken stop te zetten en een billijke bijdrage in de belastingen te leveren in het land waar de winst wordt gegenereerd. Scherpere transparantie-eisen voor MNO-Groepen zijn derhalve een essentieel onderdeel van de strijd tegen grondslaguitholling en winstverschuiving. |
|
(5) |
De resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten betreffende een gedragscode inzake verrekenprijsdocumentatie voor gelieerde ondernemingen in de Europese Unie („EU-TPD”) (3) geeft reeds een manier aan voor MNO-Groepen in de Unie om de belastingautoriteiten inlichtingen te verstrekken over wereldwijde bedrijfsactiviteiten en het verrekenprijsbeleid („het groepsdossier”) en over de concrete transacties van de lokale entiteit („het lokaal dossier”). De EU-TPD voorziet momenteel evenwel niet in een mechanisme voor het verstrekken van een landenrapport. |
|
(6) |
In het landenrapport moeten MNO-Groepen jaarlijks en voor elk fiscaal rechtsgebied waarin zij zaken doen, volgende inlichtingen verstrekken: het bedrag van de inkomsten, de winst vóór inkomstenbelasting, de betaalde en toerekenbare inkomstenbelasting. MNO-Groepen moeten ook verslag uitbrengen over het aantal personeelsleden, het gestorte kapitaal, de gecumuleerde winst en de materiële activa in elk fiscaal rechtsgebied. Ten slotte moeten de MNO-Groepen elke entiteit binnen de groep identificeren die zaken doet in een specifiek fiscaal rechtsgebied en moeten zij een indicatie geven van de bedrijfsactiviteiten die elke entiteit verricht. |
|
(7) |
Teneinde de overheidsmiddelen efficiënter in te zetten en de administratieve lasten voor MNO-Groepen te beperken, geldt de rapportageverplichting alleen voor MNO-Groepen waarvan het jaarlijks geconsolideerde groepsopbrengsten een bepaald bedrag overschrijdt. Deze richtlijn moet ervoor zorgen dat dezelfde informatie tijdig wordt ingezameld en ter beschikking wordt gesteld van de belastingdiensten in de gehele Unie. |
|
(8) |
Om de goede werking van de interne markt te garanderen, moet de Unie zorgen voor eerlijke concurrentie tussen MNO-Groepen van binnen de Unie en MNO-Groepen van buiten de Unie waarvan een of verscheidene entiteiten zich in de Unie bevinden. De rapportageverplichting moet dus voor beide soorten groepen gelden. Om een vlotte overgang te waarborgen, moeten de lidstaten evenwel de rapportageverplichting voor een Groepsentiteit die ingezetene is van een lidstaat en die niet de Uiteindelijkemoederentiteit of Surrogaatmoederentiteit van een MNO-Groep is, met één jaar kunnen uitstellen. |
|
(9) |
De lidstaten moeten regels vaststellen met betrekking tot de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen en zij moeten ervoor zorgen dat deze sancties worden toegepast. Hoewel de keuze van de sancties bij de lidstaten blijft berusten, moeten de sancties doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. |
|
(10) |
Om de goede werking van de interne markt te garanderen, is het noodzakelijk ervoor te zorgen dat de lidstaten gecoördineerde regels inzake de transparantieverplichtingen van MNO-Groepen vaststellen. |
|
(11) |
Wat betreft de uitwisseling van inlichtingen tussen lidstaten, voorziet Richtlijn 2011/16/EU van de Raad (4) reeds in verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen op een aantal terreinen. |
|
(12) |
Bij verplichte automatische uitwisseling van landenrapporten tussen lidstaten moet telkens een welomschreven set basisinlichtingen aan alle lidstaten worden verstrekt, waar blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-Groep fiscaal ingezetene zijn of aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot bedrijfsactiviteiten die met behulp van een vaste inrichting van de MNO-Groep worden uitgeoefend. |
|
(13) |
Om de kosten te drukken en de administratieve lasten voor zowel de belastingdiensten als de MNO-Groepen te beperken, is het noodzakelijk te voorzien in regels die in overeenstemming zijn met de internationale ontwikkelingen en op een positieve manier bijdragen aan de tenuitvoerlegging ervan. Op 19 juli 2013 heeft de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) haar actieplan inzake grondslaguitholling en winstverschuiving (Action Plan on Base Erosion and Profit Shifting — „BEPS-actieplan”) bekendgemaakt; dat actieplan is een belangrijk initiatief voor het wijzigen van de bestaande internationale belastingregels. Op 5 oktober 2015 heeft de OESO haar eindrapporten gepresenteerd, die door de ministers van Financiën van de G20 zijn bekrachtigd. Tijdens de bijeenkomst van 15 en 16 november 2015 is het OESO-pakket ook door de leiders van de G20 bekrachtigd. |
|
(14) |
In het kader van de werkzaamheden met betrekking tot actie 13 van het BEPS-actieplan zijn normen opgesteld voor het verstrekken van informatie door MNO-Groepen, met inbegrip van het groepsdossier, het lokaal dossier en het landenrapport. Daarom is het passend bij de vaststelling van de regels met betrekking tot het landenrapport rekening te houden met de OESO-normen. |
|
(15) |
Ingeval een Groepsentiteit niet alle informatie kan ontvangen of verkrijgen die nodig zijn om aan het rapportagevoorschrift van deze richtlijn te voldoen, kunnen de lidstaten dit beschouwen als een aanwijzing dat het nodig is om grote verrekenprijsrisico's en andere risico's inzake grondslaguitholling en winstverschuiving in verband met deze MNO-Groep te beoordelen. |
|
(16) |
Wanneer een lidstaat vaststelt dat een andere lidstaat herhaaldelijk nalaat om automatisch landenrapporten te verstrekken, moet hij trachten met die lidstaat in overleg te treden. |
|
(17) |
De Unie moet in haar optreden op het vlak van landenrapporten met name rekening blijven houden met toekomstige ontwikkelingen op OESO-niveau. Teneinde te garanderen dat deze richtlijn in alle lidstaten consequent wordt toegepast, moeten de lidstaten bij het omzetten van deze richtlijn het door de OESO in 2015 opgestelde eindrapport over actie 13 van het in het kader van de OESO/G20 uitgevoerde project over grondslaguitholling en winstverschuiving, gebruiken ter illustratie of uitlegging van deze richtlijn. |
|
(18) |
Het is noodzakelijk om de taaleisen vast te stellen voor de uitwisseling van inlichtingen tussen de lidstaten met betrekking tot het landenrapport. Het is ook noodzakelijk om de praktische regelingen vast te stellen voor de upgrade van het in punt 13 van artikel 3 van Richtlijn 2011/16/EU gedefinieerde gemeenschappelijke communicatienetwerk (common communication network — „CCN-netwerk”). Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de tenuitvoerlegging van artikel 20, lid 6, en artikel 21, lid 6, van Richtlijn 2011/16/EU moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (5). |
|
(19) |
Teneinde middelen efficiënter in te zetten, de inlichtingenuitwisseling te vergemakkelijken en te voorkomen dat elke lidstaat soortgelijke aanpassingen in zijn systemen moet doorvoeren, moet de uitwisseling van inlichtingen tot stand komen via het CCN-netwerk. De praktische regelingen voor de upgrade van het systeem moeten door de Commissie worden vastgesteld volgens de in artikel 26, lid 2, van Richtlijn 2011/16/EU bedoelde procedure. |
|
(20) |
De reikwijdte van de verplichte uitwisseling van inlichtingen moet derhalve worden uitgebreid tot de automatische uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot landenrapporten. |
|
(21) |
In het verslag dat de lidstaten op grond van artikel 23 van Richtlijn 2011/16/EU jaarlijks aan de Commissie moeten doen toekomen, moet worden aangegeven in welke mate overeenkomstig artikel 8 bis bis van die ricthlijn en bijlage III, deel II, punt 1, daarbij, lokale dossiers worden ingediend, en moet een lijst worden opgenomen van de rechtsgebieden waar Uiteindelijkemoederentiteiten van in de Unie gebaseerde Groepsentiteiten zijn gevestigd, maar volledige verslagen zijn niet ingediend of uitgewisseld. |
|
(22) |
De uit hoofde van deze richtlijn uitgewisselde inlichtingen geven geen aanleiding tot de onthulling van een commercieel, industrieel of beroepsgeheim of van een handelswerkwijze of van gegevens waarvan de onthulling in strijd zou zijn met de openbare orde. |
|
(23) |
Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. |
|
(24) |
Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk een doeltreffende administratieve samenwerking tussen de lidstaten onder voorwaarden die verenigbaar zijn met het goed functioneren van de interne markt, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en zij wegens de vereiste uniformiteit en doeltreffendheid dus beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan hetgeen nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken. |
|
(25) |
Richtlijn 2011/16/EU moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Richtlijn 2011/16/EU wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Punt 9 van artikel 3 wordt vervangen door: „9. „automatische uitwisseling”:
In het kader van artikel 8, lid 3 bis, artikel 8, lid 7 bis, artikel 21, lid 2, en artikel 25, leden 2 en 3, hebben termen met een hoofdletter de betekenis die zij hebben volgens de overeenkomstige definities in bijlage I. In het kader van artikel 8 bis bis en bijlage III hebben termen met een hoofdletter de betekenis die ze hebben volgens de overeenkomstige definities in bijlage III.”. |
|
2) |
In afdeling II van hoofdstuk II wordt het volgende artikel toegevoegd: „Artikel 8 bis bis Reikwijdte van en voorwaarden met betrekking tot de verplichte automatische uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot de landenrapporten 1. Iedere lidstaat neemt de noodzakelijke maatregelen om de Uiteindelijkemoederentiteit van een MNO-Groep die fiscaal ingezetene van die lidstaat is, of elke andere Rapporterende Entiteit overeenkomstig deel II van bijlage III, te verplichten een landenrapport in te dienen met betrekking tot het Te Rapporteren Boekjaar binnen een termijn van twaalf maanden na de laatste dag van het Te Rapporteren Boekjaar van de MNO-Groep overeenkomstig deel II van bijlage III. 2. De bevoegde autoriteit van een lidstaat waar het landenrapport overeenkomstig lid 1 is ingediend, bezorgt het landenrapport binnen de in lid 4 bepaalde termijn via automatische uitwisseling aan alle andere lidstaten waarvan, blijkens de informatie in het landenrapport, één of meer Groepsentiteiten van de MNO-Groep van de Rapporterende Entiteit fiscaal ingezetene zijn of waarin deze aan belasting onderworpen zijn met betrekking tot de activiteiten die via een vaste inrichting worden uitgeoefend. 3. Het landenrapport bevat de volgende informatie met betrekking tot de MNO-Groep:
4. De mededeling vindt plaats binnen een termijn van 15 maanden na de laatste dag van het boekjaar van de MNO-Groep waarop het landenrapport betrekking heeft. Het eerste landenrapport wordt meegedeeld voor het boekjaar van de MNO-Groep dat begint op of na 1 januari 2016, en wel binnen 18 maanden na de laatste dag van dat boekjaar.”. |
|
3) |
In artikel 16 wordt het volgende lid toegevoegd: „6. Niettegenstaande de leden 1 tot en met 4 van dit artikel worden de inlichtingen die de lidstaten elkaar op grond van artikel 8 bis bis verstrekken, gebruikt voor de beoordeling van grote risico's inzake verrekenprijzen en andere risico's inzake grondslaguitholling en winstverschuiving, met inbegrip van het risico van niet-naleving van de voor verrekenprijzen geldende regels door de leden van de MNO-Groep, en, in voorkomend geval, voor economische en statistische analyse. Verrekenprijscorrecties door de belastingautoriteiten van de ontvangende lidstaat worden niet gebaseerd op de overeenkomstig artikel 8 bis bis uitgewisselde inlichtingen. Niettegenstaande het voorgaande is het niet verboden de inlichtingen die de lidstaten elkaar op grond van artikel 8 bis bis verstrekken, te gebruiken als basis voor verdere onderzoeken naar de verrekenprijsregelingen van de MNO-Groep of naar andere belastingaangelegenheden in het kader van een belastingcontrole en kunnen als gevolg daarvan de nodige aanpassingen worden aangebracht in het belastbare inkomen van een Groepsentiteit.”. |
|
4) |
In artikel 20 wordt het volgende lid toegevoegd: „6. Bij de automatische uitwisseling van inlichtingen met betrekking tot het landenrapport overeenkomstig artikel 8 bis bis wordt gebruikgemaakt van het standaardformulier zoals in de tabellen 1, 2 en 3 van deel III van bijlage III is vastgesteld. De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen uiterlijk op 31 december 2016 de talenregeling voor deze uitwisseling vast. Die talenregeling verhindert niet dat de lidstaten de in artikel 8 bis bis bedoelde inlichtingen in een van de officiële talen of werktalen van de Unie verstrekken. Niettemin kan in die talenregeling worden bepaald dat de belangrijkste elementen van deze inlichtingen ook in een andere officiële taal van de Unie worden verstrekt. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.”. |
|
5) |
In artikel 21 wordt het volgende lid toegevoegd: „6. De verstrekking van inlichtingen overeenkomstig artikel 8 bis bis, lid 2, geschiedt langs elektronische weg met gebruikmaking van het CCN-netwerk. De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen de noodzakelijke praktische regelingen vast voor de upgrade van het CCN-netwerk. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.”. |
|
6) |
Artikel 23, lid 3, wordt vervangen door: „3. De lidstaten doen de Commissie een jaarlijkse beoordeling toekomen van de doeltreffendheid van de in de artikelen 8, 8 bis en 8 bis bis bedoelde automatische inlichtingenuitwisseling en de daarmee bereikte resultaten. De Commissie stelt aan de hand van uitvoeringshandelingen de vorm en wijze van mededeling van deze jaarlijkse beoordeling vast. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 26, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.”. |
|
7) |
Het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 25 bis Sancties De lidstaten stellen de regels vast inzake de sancties die van toepassing zijn op inbreuken op krachtens deze richtlijn vastgestelde nationale bepalingen ter uitvoering van artikel 8 bis bis, en treffen alle maatregelen om ervoor te zorgen dat zij worden toegepast. De sancties zijn doeltreffend, evenredig en afschrikkend.”. |
|
8) |
Artikel 26 wordt vervangen door: „Artikel 26 Comitéprocedure 1. De Commissie wordt bijgestaan door het Comité inzake administratieve samenwerking op belastinggebied. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (*1). 2. Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. (*1) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”." |
|
9) |
Bijlage III, waarvan de tekst is weergegeven in de bijlage bij deze richtlijn, wordt toegevoegd. |
Artikel 2
1. De lidstaten stellen uiterlijk op 4 juni 2017 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast om aan deze richtlijn te voldoen en maken deze bekend. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 5 juni 2017.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 25 mei 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
J.R.V.A. DIJSSELBLOEM
(1) Advies van het Europees Parlement van 12 mei 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité van 28 april 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)
(3) Resolutie van de Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen der lidstaten, in het kader van de Raad bijeen, van 27 juni 2006 betreffende een gedragscode inzake verrekenprijsdocumentatie voor gelieerde ondernemingen in de Europese Unie (EU-TDP) (PB C 176 van 28.7.2006, blz. 1).
(4) Richtlijn 2011/16/EU van de Raad van 15 februari 2011 betreffende de administratieve samenwerking op het gebied van de belastingen en tot intrekking van Richtlijn 77/799/EEG (PB L 64 van 11.3.2011, blz. 1).
(5) Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).
BIJLAGE
„BIJLAGE III
DOCUMENTATIEREGELS VOOR GROEPEN VAN MULTINATIONALE ONDERNEMINGEN
DEEL I
DEFINITIES
|
1. |
„Groep”: een groepering van Ondernemingen die door eigendom of zeggenschap zodanig zijn verbonden dat die groepering ofwel op grond van de toepasselijke boekhoudbeginselen een Geconsolideerde Jaarrekening moet opmaken voor de financiële verslaggeving, ofwel dit zou moeten doen indien aandelenbelangen in een van de Ondernemingen op een openbare effectenbeurs werden verhandeld. |
|
2. |
„Onderneming”: elke vorm van bedrijfsvoering door alle in artikel 3, punt 11, onder b), c) en d), bedoelde personen. |
|
3. |
„MNO-Groep”: een Groep die twee of meer Ondernemingen omvat die fiscaal ingezetene zijn van een verschillend rechtsgebied, of een Onderneming omvat die fiscaal ingezetene is van het ene rechtsgebied en in een ander rechtsgebied aan belasting onderworpen is met betrekking tot de activiteiten die met behulp van een vaste inrichting in dat andere rechtsgebied worden uitgeoefend, en die geen Vrijgestelde MNO-Groep is. |
|
4. |
„Vrijgestelde MNO-Groep”: een Groep die met ingang van januari 2015, met betrekking tot een bepaald Boekjaar van de Groep, totaal aan geconsolideerde groepsopbrengsten van minder dan 750 000 000 EUR, of een bedrag in de lokale valuta dat ongeveer gelijk is aan 750 000 000 EUR, heeft behaald in het Boekjaar dat onmiddellijk voorafgaat aan het Te Rapporteren Boekjaar, zoals weergegeven in de Geconsolideerde Jaarrekening van dat voorafgaande Boekjaar. |
|
5. |
„Groepsentiteit”: een van de volgende entiteiten:
|
|
6. |
„Rapporterende Entiteit”: de Groepsentiteit die, in het rechtsgebied waar zij fiscaal ingezetene is, namens de MNO-Groep een landenrapport moet indienen dat voldoet aan de voorwaarden van artikel 8 bis bis, lid 3. De Rapporterende Entiteit kan de Uiteindelijkemoederentiteit, de Surrogaatmoederentiteit of een andere in deel II, punt 1, beschreven entiteit zijn. |
|
7. |
„Uiteindelijkemoederentiteit”: een Groepsentiteit van een MNO-Groep die aan de volgende criteria voldoet:
|
|
8. |
„Surrogaatmoederentiteit”: een Groepsentiteit van een MNO-Groep die door die MNO-Groep is aangewezen als enige plaatsvervanger voor de Uiteindelijkemoederentiteit om namens die MNO-Groep het landenrapport in te dienen in het rechtsgebied waarvan die Groepsentiteit fiscaal ingezetene is, indien aan één of meer van de in deel II, punt 1, eerste alinea, onder b), bedoelde voorwaarden wordt voldaan. |
|
9. |
„Boekjaar”: een jaarlijkse verslagleggingsperiode waarover de Uiteindelijkemoederentiteit van de MNO-Groep haar jaarrekening opmaakt. |
|
10. |
„Te Rapporteren Boekjaar”: het Boekjaar waarvan de financiële en operationele resultaten worden weergegeven in het in artikel 8 bis bis, lid 3, bedoelde landenrapport. |
|
11. |
„Adequate Overeenkomst tussen Bevoegde Autoriteiten”: een overeenkomst tussen gemachtigde vertegenwoordigers van een EU-lidstaat en een rechtsgebied buiten de Unie die partijen zijn bij een Internationale Overeenkomst, en waarin wordt voorgeschreven dat tussen de betrokken rechtsgebieden automatisch landenrapporten worden uitgewisseld. |
|
12. |
„Internationale Overeenkomst”: het multilaterale Verdrag inzake wederzijdse administratieve bijstand in belastingzaken, een bilateraal of multilateraal belastingverdrag, of een overeenkomst inzake de uitwisseling van fiscale inlichtingen waarbij de lidstaat partij is en uit hoofde waarvan de wettelijke bevoegdheid wordt verleend om fiscale inlichtingen tussen rechtsgebieden uit te wisselen, met inbegrip van de automatische uitwisseling van dergelijke inlichtingen. |
|
13. |
„Geconsolideerde Jaarrekening”: de jaarrekening van een MNO-Groep waarin de activa, de passiva, de inkomsten, de uitgaven en de kasstromen van de Uiteindelijkemoederentiteit en van de Groepsentiteiten zijn weergegeven als die van één enkele economische entiteit. |
|
14. |
„Systematische Nalatigheid”: houdt met betrekking tot een rechtsgebied in, hetzij dat een rechtsgebied een in werking zijnde Adequate Overeenkomst tussen Bevoegde Autoriteiten met een lidstaat heeft, maar (om andere redenen dan die welke in overeenstemming zijn met de bepalingen van die Overeenkomst) de automatische uitwisseling heeft opgeschort, hetzij dat een rechtsgebied anderszins stelselmatig nalaat om aan een lidstaat automatisch de landenrapporten te verstrekken die het in zijn bezit heeft en die MNO-Groepen betreffen met Groepsentiteiten in die lidstaat. |
DEEL II
ALGEMENE RAPPORTAGEVOORSCHRIFTEN
|
1. |
Een Groepsentiteit die fiscaal ingezetene is van een lidstaat en die niet de Uiteindelijkemoederentiteit van een MNO-Groep is, dient een landenrapport in met betrekking tot het Te Rapporteren Boekjaar van de MNO-Groep waarvan zij een Groepsentiteit is, als aan de volgende criteria is voldaan:
|
|
2. |
In afwijking van punt 1, indien is voldaan aan één of meer van de in punt 1, eerste alinea, onder b), beschreven voorwaarden, hoeft een in punt 1 bedoelde entiteit geen landenrapport met betrekking tot een Te Rapporteren Boekjaar in te dienen indien de MNO-Groep waarvan zij een Groepsentiteit is, een landenrapport met betrekking tot dat Boekjaar overeenkomstig artikel 8 bis bis, lid 3, ter beschikking heeft gesteld via een Surrogaatmoederentiteit die dat landenrapport uiterlijk op de in artikel 8 bis bis, lid 1, vermelde datum heeft ingediend bij de belastingautoriteit van het rechtsgebied waarvan zij fiscaal ingezetene is; indien de Surrogaatmoederentiteit fiscaal ingezetene is van een rechtsgebied buiten de Unie, moet bovendien aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:
|
|
3. |
Een lidstaat verzoekt alle Groepsentiteiten van een MNO-Groep die fiscaal ingezetene van die lidstaat zijn, om hem ervan in kennis te stellen of zij de Uiteindelijkemoederentiteit, de Surrogaatmoederentiteit of de in punt 1 aangewezen Groepsentiteit zijn, en dit uiterlijk op de laatste dag van het Te Rapporteren Boekjaar van die MNO-Groep. Een lidstaat mag die termijn verlengen tot en met de laatste dag van de termijn voor de indiening van een belastingaangifte van die Groepsentiteit voor het voorafgaande boekjaar. |
|
4. |
Indien een Groepsentiteit van een MNO-Groep die fiscaal ingezetene van een lidstaat is, niet de Uiteindelijkemoederentiteit of de Surrogaatmoederentiteit, noch de in punt 1 aangewezen Groepsentiteit is, verzoekt de lidstaat die Groepsentiteit om hem in kennis te stellen van de identiteit en de fiscale vestigingsplaats van de Rapporterende Entiteit, en dit uiterlijk op de laatste dag van het Te Rapporteren Boekjaar van die MNO-Groep. Een lidstaat mag die termijn verlengen tot en met de laatste dag van de termijn voor de indiening van een belastingaangifte door die Groepsentiteit voor het voorafgaande boekjaar. |
|
5. |
In het landenrapport is de valuta van de in het rapport opgegeven bedragen vermeld. |
DEEL III
LANDENRAPPORT
Α. Model landenrapport
Tabel 1: Overzicht van verdeling van inkomsten, belastingen en bedrijfsactiviteiten naar fiscaal rechtsgebied
|
Naam van de MNO-Groep: Betreffende Boekjaar: Gebruikte valuta: |
||||||||||
|
Fiscaal rechtsgebied |
Inkomsten |
Winst (verlies) vóór inkomstenbelasting |
Betaalde inkomstenbelasting (op kasbasis) |
Toerekenbare inkomstenbelasting — lopend boekjaar |
Gestort kapitaal |
Gecumuleerde winst |
Aantal personeelsleden |
Materiële activa andere dan geldmiddelen en kasequivalenten |
||
|
Niet-gelieerde partij |
Gelieerde partij |
Totaal |
||||||||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Tabel 2: Lijst van alle Groepsentiteiten van de MNO-Groep die vallen onder iedere totalisatie per fiscaal rechtsgebied
|
Naam van de MNO-Groep: Betreffende Boekjaar: |
|||||||||||||||
|
Fiscaal rechtsgebied |
Groepsentiteiten die fiscaal ingezetenen zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied |
Indien afwijkend van het fiscale rechtsgebied waarvan de Groepsentiteit een fiscaal ingezetene is, het fiscale rechtsgebied naar het recht waarvan de Groepsentiteit is ingericht of opgericht |
Belangrijkste bedrijfsactiviteit(en) |
||||||||||||
|
Onderzoek en ontwikkeling |
Houden of beheren van intellectuele eigendom |
Inkoop of afname |
Fabricage of productie |
Verkoop, marketing of distributie |
Diensten op het gebied van administratie, beheer of ondersteuning |
Dienstverlening aan niet-gelieerde partijen |
Interne groepsfinanciering |
Gereguleerde financiële diensten |
Verzekering |
Houden van aandelen of andere eigenvermogensinstrumenten |
Slapend |
Anderszins (1) |
|||
|
|
1. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
1. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
2. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
3. |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Tabel 3: Aanvullende informatie
Naam van de MNO-Groep:
Betreffende Boekjaar:
Gelieve hier beknopt iedere nadere informatie of toelichting te verstrekken die u noodzakelijk acht of die helpt om de verplichte informatie in het landenrapport te begrijpen.
B. Algemene instructies voor het invullen van het landenrapport
1. Doel
Het model wordt gebruikt voor de rapportage van de verdeling van de inkomsten, belastingen en bedrijfsactiviteiten van een groep van multinationale ondernemingen (MNO's) per fiscaal rechtsgebied.
2. Behandeling van bijkantoren en vaste inrichtingen
De gegevens van de vaste inrichting worden gerapporteerd onder verwijzing naar het fiscale rechtsgebied waar de vaste inrichting is gelegen, en niet onder verwijzing naar het fiscale rechtsgebied waarvan de bedrijfseenheid waarvan de vaste inrichting deel uitmaakt, fiscaal ingezetene is. In de rapportage betreffende het fiscale rechtsgebied van de vestigingsplaats die betrekking heeft op de bedrijfseenheid waarvan de vaste inrichting deel uitmaakt, worden financiële gegevens die gerelateerd zijn aan de vaste inrichting, uitgesloten.
3. Periode waarop het jaarlijks model voor het landenrapport betrekking heeft
Het model heeft betrekking op het Boekjaar van de rapporterende MNO. Voor Groepsentiteiten wordt in het model, naar goeddunken van de rapporterende MNO, op consistente basis de volgende informatie weergegeven:
|
a) |
informatie over het Boekjaar van de relevante Groepsentiteiten dat eindigt op dezelfde datum als het Boekjaar van de rapporterende MNO, of dat eindigt binnen het tijdvak van twaalf maanden dat aan die datum voorafgaat; of |
|
b) |
informatie over alle relevante Groepsentiteiten waarover gerapporteerd wordt voor het Boekjaar van de rapporterende MNO. |
4. Gegevensbronnen
De rapporterende MNO maakt bij het invullen van het model ieder jaar op consistente wijze gebruik van dezelfde gegevensbronnen. De rapporterende MNO kan ervoor kiezen om gegevens te gebruiken uit haar geconsideerde staten, uit wettelijk voorgeschreven jaarrekeningen van afzonderlijke entiteiten, gereguleerde jaarrekeningen of interne beheersrekeningen. Het is niet noodzakelijk de rapportage op het gebied van inkomsten, winst en belasting in het model in overeenstemming te brengen met de Geconsolideerde Jaarrekening. Indien wettelijk voorgeschreven jaarrekeningen als de basis voor de rapportage worden gebruikt, worden alle bedragen omgezet in de aangegeven functionele valuta van de rapporterende MNO tegen de gemiddelde wisselkoers over het jaar dat aangegeven wordt in het onderdeel „Aanvullende informatie” van het model. Er hoeven echter geen aanpassingen te worden gemaakt voor verschillen in boekhoudbeginselen tussen de fiscale rechtsgebieden.
De rapporterende MNO geeft in het onderdeel „Aanvullende informatie” van het model een korte beschrijving van de gegevensbronnen die bij het invullen van het model worden gebruikt. Indien er een verandering wordt aangebracht in de gegevensbron die jaarlijks wordt gebruikt, zet de rapporterende MNO in het onderdeel „Aanvullende informatie” van het model de redenen voor de verandering en de gevolgen daarvan uiteen.
C. Specifieke instructies voor het invullen van het landenrapport
1. Overzicht van verdeling van inkomsten, belastingen en bedrijfsactiviteiten naar fiscaal rechtsgebied (tabel 1)
1.1. Fiscaal rechtsgebied
In de eerste kolom van het model somt de rapporterende MNO alle fiscale rechtsgebieden op waarvan Groepsentiteiten van de MNO-Groep fiscaal ingezetene zijn. Een fiscaal rechtsgebied wordt gedefinieerd als een staat of als een rechtsgebied dat geen staat is maar wel fiscale autonomie heeft. Er wordt een afzonderlijke regel toegevoegd voor alle Groepsentiteiten van de MNO-Groep die volgens de rapporterende MNO van geen enkel fiscaal rechtsgebied fiscaal ingezetene zijn voor belastingdoeleinden. Ingeval een Groepsentiteit fiscaal ingezetene is van meer dan één fiscaal rechtsgebied, worden de beslissingsregels (tiebreaker) van het van toepassing zijnde belastingverdrag toegepast om het fiscale rechtsgebied waarvan de Groepsentiteit fiscaal ingezetene is te bepalen. Waar geen sprake is van een toepasselijk belastingverdrag, wordt over de Groepsentiteit gerapporteerd in het fiscale rechtsgebied waar de Groepsentiteit haar plaats van werkelijke leiding heeft. De plaats van de werkelijke leiding wordt vastgesteld conform internationaal overeengekomen standaarden.
1.2. Inkomsten
In de drie kolommen van het model onder het kopje „Inkomsten” wordt door de rapporterende MNO de volgende informatie opgenomen:
|
a) |
de som van de uit transacties met gelieerde ondernemingen gegenereerde inkomsten van alle Groepsentiteiten van de MNO-Groep in het betreffende fiscale rechtsgebied; |
|
b) |
de som van de uit transacties met onafhankelijke partijen gegenereerde inkomsten van alle Groepsentiteiten van de MNO-Groep in het betreffende fiscale rechtsgebied; |
|
c) |
het totaal van a) en b). |
Inkomsten omvatten inkomsten uit de verkoop van voorraad en onroerend goed, diensten, royaltyrechten, rente, premies en andere bedragen. Van inkomsten zijn uitgesloten de van andere Groepsentiteiten ontvangen betalingen die behandeld worden als dividenden in het fiscale rechtsgebied van de betaler.
1.3. Winst (verlies) vóór inkomstenbelasting
In de vijfde kolom van het model geeft de rapporterende MNO de som op van de winst (het verlies) vóór inkomstenbelasting voor alle Groepsentiteiten die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied. De winst (het verlies) vóór inkomstenbelasting omvat alle buitengewone inkomsten- en uitgavenposten.
1.4. Betaalde inkomstenbelasting (op kasbasis)
In de zesde kolom van het model geeft de rapporterende MNO het totale bedrag op van de feitelijk door alle Groepsentiteiten die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied betaalde inkomstenbelasting gedurende het betreffende Boekjaar. Betaalde belastingen omvatten contante belastingen die door de Groepsentiteit aan het fiscale rechtsgebied van de fiscale woonplaats en aan alle andere fiscale rechtsgebieden werden betaald. Betaalde belastingen omvatten bronbelastingen die door andere entiteiten (gelieerde ondernemingen en onafhankelijke ondernemingen) met betrekking tot betalingen aan de Groepsentiteit betaald zijn. Indien vennootschap A, die fiscaal ingezetene is van fiscaal rechtsgebied A, rente ontvangt in fiscaal rechtsgebied B, moet de in fiscaal rechtsgebied B ingehouden belasting dus door vennootschap A worden gerapporteerd.
1.5. Toerekenbare inkomstenbelasting (lopend Boekjaar)
In de zevende kolom van het model wordt door de rapporterende MNO de som opgegeven van de toerekenbare belastinglasten van het lopende jaar die geboekt zijn op belastbare winsten of verliezen van het te rapporteren jaar, van alle Groepsentiteiten die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied. De belastinglasten van het lopende jaar hebben enkel betrekking op bedrijfsactiviteiten van het lopende jaar en omvatten geen uitgestelde belastingen of voorzieningen voor onzekere belastingschulden.
1.6. Gestort kapitaal
In de achtste kolom van het model wordt door de rapporterende MNO de som opgegeven van het gestorte kapitaal van alle Groepsentiteiten die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied. Met betrekking tot vaste inrichtingen wordt het gestorte kapitaal opgegeven door de juridische entiteit waartoe de vaste inrichting behoort, tenzij er voor regelgevende doeleinden sprake is van een vastgesteld vermogensvereiste in het fiscale rechtsgebied van de vaste inrichting.
1.7. Gecumuleerde winst
In de negende kolom van het model wordt door de rapporterende MNO de som opgegeven van de totale gecumuleerde winst per einde van het jaar van alle Groepsentiteiten die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied. Met betrekking tot vaste inrichtingen wordt de gecumuleerde winst gerapporteerd door de juridische entiteit waartoe de vaste inrichting behoort.
1.8. Aantal personeelsleden
In de tiende kolom van het model wordt door de rapporterende MNO het totale aantal personeelsleden in voltijdequivalenten (full-time equivalent — „FTE”) opgegeven van alle Groepsentiteiten die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied. Het aantal personeelsleden kan worden gerapporteerd naar de situatie aan het einde van het jaar, op basis van de gemiddelde tewerkstelling over het jaar, of op een andere basis die van jaar tot jaar en in de verschillende fiscale rechtsgebieden consistent wordt toegepast. Hiertoe kunnen onafhankelijke contractanten die deelnemen aan de gewone bedrijfsactiviteiten van de Groepsentiteit, worden gerapporteerd als personeelsleden. Een redelijke afronding of benadering van het aantal personeelsleden is toelaatbaar, op voorwaarde dat een dergelijke afronding of benadering de relatieve verdeling van de personeelsleden over de verschillende fiscale rechtsgebieden niet wezenlijk vertekent. De benadering moet van jaar tot jaar en met betrekking tot alle entiteiten consistent zijn.
1.9. Materiële activa andere dan geldmiddelen en kasequivalenten
In de elfde kolom van het model wordt door de rapporterende MNO de som opgegeven van de nettoboekwaarden van de materiële activa van alle Groepsentiteiten die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied. Met betrekking tot vaste inrichtingen worden activa opgegeven onder verwijzing naar het fiscale rechtsgebied waar de vaste inrichting is gelegen. Materiële activa omvatten dan ook geen geldmiddelen of kasequivalenten, immateriële of financiële activa.
2. Lijst van alle Groepsentiteiten van de MNO-Groep die vallen onder iedere totalisatie per fiscaal rechtsgebied (tabel 2)
2.1. Groepsentiteiten die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied
De rapporterende MNO noteert per fiscaal rechtsgebied en via de naam van de rechtspersoon alle Groepsentiteiten van de MNO-Groep die fiscaal ingezetene zijn van het betreffende fiscale rechtsgebied. Zoals vermeld in punt 2 van de algemene instructies met betrekking tot vaste inrichtingen, wordt een vaste inrichting echter genoteerd onder verwijzing naar het fiscale rechtsgebied waar deze gelegen is. De juridische entiteit waartoe de vaste inrichting behoort, wordt eveneens vermeld.
2.2. Het fiscale rechtsgebied naar het recht waarvan de Groepsentiteit is ingericht of opgericht indien dit niet hetzelfde is als het fiscale rechtsgebied waarvan de Groepsentiteit een fiscaal ingezetene is
De rapporterende MNO vermeldt de naam van het fiscale rechtsgebied naar het recht waarvan de Groepsentiteit van de MNO-Groep is ingericht of opgericht, indien deze verschilt van het fiscale rechtsgebied waarvan de Groepsentiteit een fiscaal ingezetene is.
2.3. Belangrijkste bedrijfsactiviteit(en)
De rapporterende MNO bepaalt de aard van de belangrijkste bedrijfsactiviteit(en) die wordt (worden) uitgevoerd door de Groepsentiteit in het betreffende fiscale rechtsgebied, door één of meer van de toepasselijke vakjes aan te kruisen.”.
(1) Gelieve de aard van de activiteit van de Groepsentiteit te vermelden onder „Aanvullende informatie”
|
3.6.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/22 |
RICHTLIJN (EU) 2016/882 VAN DE COMMISSIE
van 1 juni 2016
tot wijziging van Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de taalvereisten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2007/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 inzake de certificering van machinisten die locomotieven en treinen op het spoorwegsysteem van de Gemeenschap besturen (1), en met name artikel 31,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Sommige bepalingen van bijlage VI bij Richtlijn 2007/59/EG betreffende het vereiste B1-taalniveau voor machinisten betekenen een onnodig zware last in heel specifieke gevallen waarin machinisten slechts tot het grensstation van een naburige lidstaat rijden en hebben derhalve gevolgen voor de continuïteit van grensoverschrijdende operaties. |
|
(2) |
Bijgevolg moet op de voor grensoverschrijdende operaties aangewezen tracés tussen de grenzen en de dicht bij de grenzen gelegen stations de overbodige taallast worden verminderd door de betrokken machinisten vrij te stellen van het vereiste B1-taalniveau. |
|
(3) |
Als voorwaarde voor de vrijstelling moeten voldoende voorzieningen worden getroffen om de communicatie tussen de betrokken bestuurders en het personeel van de infrastructuurbeheerder te verzekeren onder normale omstandigheden, in moeilijke situaties en in noodsituaties, om eventuele negatieve gevolgen voor de veiligheid van het spoorwegsysteem te vermijden. |
|
(4) |
Er moeten overgangsmaatregelen worden vastgesteld voor machinisten die hun vergunning overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG hebben behaald of zullen behalen vóór de datum waarop de nationale bepalingen tot omzetting van die richtlijn worden toegepast. |
|
(5) |
Richtlijn 2007/59/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 32, lid 1, van Richtlijn 2007/59/EG bedoelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage VI bij Richtlijn 2007/59/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige richtlijn.
Artikel 2
Machinisten die hun vergunning overeenkomstig Richtlijn 2007/59/EG hebben behaald of zullen behalen vóór 1 juli 2016, worden geacht te voldoen aan de voorschriften van die richtlijn.
Artikel 3
1. De lidstaten dienen uiterlijk op 1 juli 2016 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mede.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 juli 2016.
Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mede die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
3. De verplichting tot omzetting en uitvoering van deze richtlijn is niet van toepassing op Cyprus en Malta zolang deze landen op hun respectieve grondgebied niet over een spoorwegnet beschikken.
Artikel 4
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 5
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 1 juni 2016.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
BIJLAGE
Punt 8 van bijlage VI bij Richtlijn 2007/59/EEG wordt vervangen door:
„8. TAALEXAMEN
|
1. |
Machinisten die contact met de infrastructuurbeheerder moeten onderhouden over kritieke veiligheidskwesties, dienen te beschikken over kennis van ten minste één van de talen die door de betrokken infrastructuurbeheerder worden voorgeschreven. Deze taalkennis moet hen in staat stellen actief en doeltreffend te communiceren onder normale omstandigheden, in moeilijke situaties en in noodsituaties. Zij dienen in staat te zijn de in de TSI „Exploitatie en verkeersleiding” opgenomen berichten en communicatiemethodiek toe te passen. |
|
2. |
Om te voldoen aan de eisen van lid 1 dient een machinist in staat te zijn om te begrijpen (luisteren en lezen) en te communiceren (spreken en schrijven) op niveau B1 van het gemeenschappelijk Europees referentiekader voor talen (CEFR) van de Raad van Europa (1). |
|
3. |
Op voor grensoverschrijdende operaties aangewezen tracés tussen de grenzen en de dicht bij de grenzen gelegen stations kunnen bestuurders van treinen die worden geëxploiteerd door een spoorwegonderneming, door de infrastructuurbeheerder worden vrijgesteld van de eisen van lid 2 op voorwaarde dat de volgende procedure wordt toegepast:
|
(1) Common European Framework of Reference for Languages: Learning, Teaching, Assessment, 2001 (Cambridge University Press voor de Engelse versie — ISBN 0-521-00531-0). Ook beschikbaar op de website van Cedefop: http://www.cedefop.europa.eu/
BESLUITEN
|
3.6.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/25 |
BESLUIT (EU, Euratom) 2016/883 VAN DE COMMISSIE
van 31 mei 2016
inzake uitvoeringsbepalingen voor standaardveiligheidsmaatregelen, alarmfasen en het beheer van crisissituaties binnen de Commissie, overeenkomstig artikel 21 van Besluit (EU, Euratom) 2015/443 betreffende veiligheid binnen de Commissie
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie,
Gezien Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (1), en met name artikel 21,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Uitvoeringsbepalingen voor standaardveiligheidsmaatregelen, alarmfasen en het beheer van crisissituaties hebben tot doel om een passend niveau van bescherming te bieden voor de fysieke integriteit van personen, gebouwen en andere activa, die in passende verhouding staat tot de geïdentificeerde risico's en waarmee de veiligheid op efficiënte en passende wijze wordt gewaarborgd. |
|
(2) |
Het systeem van alarmfasen voor de Commissie dat werd ingevoerd bij Besluit 2007/65/EG van de Commissie (2), moet worden herzien en vereenvoudigd zodat flexibeler en doeltreffender kan worden gereageerd op veiligheidsrisico's. |
|
(3) |
Vanwege de oprichting van de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO) als een autonoom functionerend orgaan van de Unie moeten de bestaande regels inzake de alarmfasen worden gewijzigd in verband met de vervulling van de zorgverplichting van de Commissie ten aanzien van haar personeel. De EDEO is verantwoordelijk voor de veiligheid en beveiliging van de gebouwen van de delegaties van de Europese Unie en de personeelsleden die daar werken. |
|
(4) |
Dit besluit wordt vastgesteld via een machtigingsbesluit van de Commissie ten bate van het lid van de Commissie dat bevoegd is voor veiligheidszaken, geheel in overeenstemming met het reglement van orde, als beschreven in artikel 21 van Besluit (EU, Euratom) 2015/443. |
|
(5) |
Besluit 2007/65/EG moet daarom worden ingetrokken, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Definitie
Naast de definities van artikel 1 van Besluit (EU, Euratom) 2015/443 is de volgende definitie van toepassing:
„alarmfase”: een pakket veiligheidsmaatregelen dat tot doel heeft om een specifiek niveau van bescherming te bieden voor de fysieke integriteit van personen, gebouwen of andere activa binnen de Commissie, en dat in passende verhouding staat tot het veiligheidsrisico.
Artikel 2
Onderwerp en toepassingsgebied
1. In dit besluit worden alarmfasemaatregelen vastgesteld overeenkomstig Besluit (EU, Euratom) 2015/443 ter anticipatie op risico's en incidenten die de veiligheid binnen de Commissie in gevaar brengen, evenals maatregelen voor het beheer van crisissituaties.
2. In de gebouwen van de Commissie geldt een veiligheidssysteem bestaande uit standaardveiligheidsmaatregelen en drie alarmfasen. Deze worden aangegeven met een kleur: WIT voor de standaardveiligheidsmaatregelen; GEEL, ORANJE en ROOD voor toenemende dreigingsniveaus.
3. Dit besluit is van toepassing op alle diensten van de Commissie en in alle gebouwen van de Commissie, binnen en buiten de Europese Unie, volgens de in artikel 4 beschreven verantwoordelijkheden.
Artikel 3
Alarmniveaus
1. Wanneer er geen sprake is van een risico of incident dat een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van personen, gebouwen of andere activa binnen de Commissie, geldt code WIT (standaardveiligheidsmaatregelen). Deze standaardveiligheidsmaatregelen worden op dagelijkse basis toegepast en zijn bedoeld om een passend veiligheidsniveau te waarborgen.
2. Wanneer er sprake is van een risico of incident dat een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van personen, gebouwen of andere activa en dat een negatief effect zou kunnen hebben op de Commissie of haar functioneren, geldt code GEEL.
3. Wanneer er sprake is van een risico of incident dat een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van personen, gebouwen of andere activa en dat specifiek gericht is tegen de Commissie of haar functioneren, ook zonder dat een specifiek doel of tijdstip is geïdentificeerd, geldt code ORANJE.
4. Wanneer er sprake is van onmiddellijke dreiging van een aanval die een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van personen, gebouwen of andere activa en die specifiek gericht is tegen de Commissie of haar functioneren, geldt code ROOD.
Artikel 4
Verantwoordelijkheden
1. Het lid van de Commissie dat bevoegd is voor veiligheidszaken:
|
a) |
besluit in overleg met de andere Europese instellingen en andere relevante Europese entiteiten over wijziging van het alarmniveau; |
|
b) |
besluit op advies van het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid welke specifieke alarmfasemaatregelen worden toegepast gezien de actuele veiligheidssituatie en welke aanvullende maatregelen moeten worden getroffen; |
|
c) |
informeert de voorzitter en de andere leden van de Commissie over elk besluit dat op grond van dit artikel word genomen. |
2. Het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid:
|
a) |
is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit besluit in de gebouwen van de Commissie die zich in de lidstaten van de Europese Unie bevinden; |
|
b) |
verzorgt de externe contacten zoals beschreven in artikel 18, lid 2, van Besluit (EU, Euratom) 2015/443 wanneer er sprake is van een risico of incident dat een gevaar vormt voor de fysieke integriteit van personen, gebouwen of andere activa binnen de Commissie; |
|
c) |
neemt in noodgevallen de in lid 1, onder a) en b), bedoelde besluiten. Het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid informeert het lid van de Commissie dat bevoegd is voor veiligheidszaken zo snel mogelijk na het nemen van het besluit over de maatregelen en de redenen daarvoor; |
|
d) |
volgt voortdurend de veiligheidsdreigingen en -risico's. |
3. Het directoraat-generaal Humanitaire Hulp en Civiele Bescherming is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit besluit in al zijn gebouwen die zich in derde landen bevinden.
4. Het directoraat-generaal Communicatie is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit besluit in alle vertegenwoordigingen van de Commissie en in alle regionale vertegenwoordigingen.
5. Het directoraat-generaal van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit besluit in de gebouwen van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek.
6. De genoemde directoraten-generaal kunnen in noodgevallen aanvullende veiligheidsmaatregelen treffen overeenkomstig het onderhavige besluit en Besluit (EU, Euratom) 2015/443. Het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid wordt onverwijld geïnformeerd over dergelijke maatregelen.
Artikel 5
Maatregelen
1. Het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid neemt en implementeert veiligheidsmaatregelen overeenkomstig Besluit (EU, Euratom) 2015/443. Het directoraat-generaal Personele Middelen en Veiligheid stelt een niet-uitputtende lijst op van maatregelen en implementeert deze.
2. Alarmfasemaatregelen voldoen strikt aan Besluit (EU, Euratom) 2015/443. De alarmniveaus worden vastgesteld in nauwe samenwerking met de bevoegde diensten van andere Europese instellingen en andere relevante Europese entiteiten, en met de lidstaten die gebouwen van de Commissie huisvesten.
3. De kleurcodering van het actuele alarmniveau wordt in gemeenschappelijke ruimten geafficheerd.
4. De veiligheidsmaatregelen van niveau WIT worden beschreven in een veiligheidsmededeling, overeenkomstig artikel 21, lid 2, van Besluit (EU, Euratom) 2015/443.
HOOFDSTUK 2
DIVERSE EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 6
Transparantie
Dit besluit wordt ter kennis gebracht van het personeel van de Commissie en alle personen op wie het van toepassing is.
Artikel 7
Intrekking
Besluit 2007/65/EG wordt ingetrokken.
Artikel 8
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 31 mei 2016.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Kristalina GEORGIEVA
Vicevoorzitter
(1) PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41.
(2) Besluit 2007/65/EG van de Commissie van 15 december 2006 tot vaststelling van de standaardveiligheidsmaatregelen en alarmfasen van de Commissie en tot wijziging van haar reglement van orde wat operationele procedures voor het beheer van crisissituaties betreft (PB L 32 van 6.2.2007, blz. 144).
|
3.6.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/29 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/884 VAN DE COMMISSIE
van 1 juni 2016
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU tot tijdelijke opschorting van de invoer uit Bangladesh van levensmiddelen die betelbladeren („Piper betle”) bevatten of die daaruit bestaan, wat betreft de geldigheidsduur van dat besluit
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 3181)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name artikel 53, lid 1, onder b), i),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 178/2002 zijn de algemene beginselen inzake levensmiddelen in het algemeen en de voedselveiligheid in het bijzonder op het niveau van de Unie en op nationaal niveau vastgesteld. De verordening voorziet in door de Commissie te nemen noodmaatregelen wanneer blijkt dat een uit een derde land ingevoerd levensmiddel waarschijnlijk een ernstig risico voor de gezondheid van mens inhoudt. |
|
(2) |
Bij Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU van de Commissie (2) is de invoer in de Unie uit Bangladesh van levensmiddelen die betelbladeren bevatten of die daaruit bestaan, tot en met 31 juli 2014 verboden. Dat besluit werd vastgesteld nadat via het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders (RASFF) veel meldingen waren ontvangen waaruit bleek dat een groot aantal salmonellastammen, waaronder Salmonella typhimurium, was aangetroffen in levensmiddelen die betelbladeren uit Bangladesh bevatten of die daaruit bestonden. De stam Salmonella typhimurium is het op een na meest gemelde serotype bij mensen en er is een hoge prevalentie gevonden in levensmiddelen uit Bangladesh die betelbladeren („Piper betle”, algemeen bekend als „betelpeper” of „sirih”) bevatten of daaruit bestaan. Sinds 2011 heeft het Verenigd Koninkrijk melding gemaakt van verschillende uitbraken van salmonellavergiftigingen door betelbladeren. |
|
(3) |
Aangezien Bangladesh de veiligheid van de in de Unie ingevoerde betelbladeren niet kon garanderen, ondanks de inspanningen van de Commissie, is de geldigheidsduur van de bij Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU ingestelde tijdelijke opschorting van de invoer van deze producten bij de Uitvoeringsbesluiten 2014/510/EU (3) en (EU) 2015/1028 (4) van de Commissie verlengd tot 30 juni 2015, respectievelijk 30 juni 2016. |
|
(4) |
Het herziene actieplan dat Bangladesh in augustus 2015 heeft ingediend, was onvolledig. Er waren geen garanties dat het plan doeltreffend zou worden toegepast en gehandhaafd. Uit de nieuwe informatie die Bangladesh in april 2016 heeft ingediend, blijkt niet nader dat het actieplan doeltreffend zal zijn. Het zelf opgelegde verbod op de uitvoer van betelbladeren dat door Bangladesh in mei 2013 is ingesteld, blijft van kracht. Het verbod blijkt echter niet volledig doeltreffend te zijn en sinds de vaststelling ervan zijn 26 gevallen van pogingen tot invoer in de Unie van betelbladeren via het systeem voor snelle waarschuwingen gemeld. De door Bangladesh geboden garanties zijn bijgevolg onvoldoende om de ernstige risico's voor de menselijke gezondheid weg te nemen. De bij Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU vastgestelde noodmaatregelen moeten derhalve van kracht blijven. |
|
(5) |
De geldigheidsduur van Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU moet daarom opnieuw worden verlengd. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 4 van Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU wordt vervangen door:
„Artikel 4
Dit besluit is van toepassing tot en met 30 juni 2018.”.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 1 juni 2016.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
(2) Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU van de Commissie van 13 februari 2014 tot tijdelijke opschorting van de invoer uit Bangladesh van levensmiddelen die betelbladeren („Piper betle”) bevatten of die daaruit bestaan (PB L 45 van 15.2.2014, blz. 34).
(3) Uitvoeringsbesluit 2014/510/EU van de Commissie van 29 juli 2014 houdende wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU tot tijdelijke opschorting van de invoer uit Bangladesh van levensmiddelen die betelbladeren („Piper betle”) bevatten of die daaruit bestaan, wat betreft de geldigheidsduur van dat besluit (PB L 228 van 31.7.2014, blz. 33).
(4) Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1028 van de Commissie van 26 juni 2015 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/88/EU tot tijdelijke opschorting van de invoer uit Bangladesh van levensmiddelen die betelbladeren („Piper betle”) bevatten of die daaruit bestaan, wat betreft de geldigheidsduur van dat besluit (PB L 163 van 30.6.2015, blz. 53).
Rectificaties
|
3.6.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/31 |
Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 van de Commissie van 18 maart 2016 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de eisen voor de constructie, het testen, de installatie, de exploitatie en de reparatie van tachografen en tachograafonderdelen
( Publicatieblad van de Europese Unie L 139 van 26 mei 2016 )
Bijlage II wordt als volgt ingevoegd:
„BIJLAGE II
GOEDKEURINGSMERK EN -CERTIFICAAT
I. GOEDKEURINGSMERK
|
1. |
Het goedkeuringsmerk bestaat uit:
|
|
2. |
Het goedkeuringsmerk wordt aangebracht op het identificatieplaatje van elk apparaat, op elk registratieblad en op elke tachograafkaart. Het moet onuitwisbaar zijn en steeds goed leesbaar blijven. |
|
3. |
De afmetingen van het hierna weergegeven goedkeuringsmerk (1) zijn uitgedrukt in millimeters en gelden als minimumafmetingen. De verhoudingen tussen de afmetingen moeten in acht worden genomen.
|
II. GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR ANALOGE TACHOGRAFEN
De lidstaat die de goedkeuring heeft afgegeven, verleent de aanvrager een goedkeuringscertificaat volgens onderstaand model. Voor de mededeling van afgegeven goedkeuringen aan de overige lidstaten of eventuele intrekkingen gebruikt elke lidstaat kopieën van dit document.
GOEDKEURINGSCERTIFICAAT
Naam van de bevoegde instantie …
Mededeling betreffende (2):
|
— |
goedkeuring van een type controleapparaat |
|
— |
intrekking van de goedkeuring van een type controleapparaat |
|
— |
goedkeuring van een modelregistratieblad |
|
— |
intrekking van de goedkeuring van een modelregistratieblad |
Goedkeuring nr.:
…
|
1. |
Fabrieks- of handelsmerk … |
|
2. |
Benaming van het model … |
|
3. |
Naam van de fabrikant … |
|
4. |
Adres van de fabrikant … |
|
5. |
Ter goedkeuring aangeboden op … |
|
6. |
Getest te: … |
|
7. |
Datum en nummer van de test(en) … |
|
8. |
Datum van goedkeuring … |
|
9. |
Datum waarop de goedkeuring is ingetrokken … |
|
10. |
Types controleapparaten waarvoor het blad is ontworpen |
|
11. |
Plaats … |
|
12. |
Datum … |
|
13. |
Bijgevoegde beschrijvende documenten … |
|
14. |
Opmerkingen (inclusief de eventuele plaats van de verzegelingen) |
(Handtekening)
III. GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR DIGITALE TACHOGRAFEN
De lidstaat die de goedkeuring heeft afgegeven, verleent de aanvrager een goedkeuringscertificaat volgens onderstaand model. Voor de mededeling aan de overige lidstaten van afgegeven goedkeuringen of eventuele intrekkingen gebruikt elke lidstaat kopieën van dit document.
GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR DIGITALE TACHOGRAFEN
Naam van de bevoegde instantie …
Mededeling betreffende (3):
|
☐ |
goedkeuring van: |
|
☐ |
intrekking van de goedkeuring van: |
|
☐ |
een type controleapparaat |
|
☐ |
een onderdeel van een controleapparaat (4) |
|
☐ |
een bestuurderskaart |
|
☐ |
een werkplaatskaart |
|
☐ |
een bedrijfskaart |
|
☐ |
een controleurskaart |
Goedkeuring nr.:
…
|
1. |
Fabrieks- of handelsmerk … |
|
2. |
Benaming van het model … |
|
3. |
Naam van de fabrikant … |
|
4. |
Adres van de fabrikant … |
|
5. |
Ter goedkeuring aangeboden op … |
|
6. |
Laboratori(um)(a) … |
|
7. |
Datum en nummer van het laboratoriumverslag … |
|
8. |
Datum van goedkeuring … |
|
9. |
Datum waarop de goedkeuring is ingetrokken … |
|
10. |
Types controleapparaten waarvoor het onderdeel is ontworpen |
|
11. |
Plaats … |
|
12. |
Datum … |
|
13. |
Bijgevoegde beschrijvende documenten … |
|
14. |
Opmerkingen (waaronder desgevallend de plaats van de verzegeling) |
(Handtekening)
IV. GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR SLIMME TACHOGRAFEN
De lidstaat die de goedkeuring heeft afgegeven, verleent de aanvrager een goedkeuringscertificaat volgens onderstaand model. Voor de mededeling van afgegeven goedkeuringen of eventuele intrekkingen aan de overige lidstaten gebruikt elke lidstaat kopieën van dit document.
GOEDKEURINGSCERTIFICAAT VOOR SLIMME TACHOGRAFEN
Naam van de bevoegde instantie …
Mededeling betreffende (5):
|
☐ |
goedkeuring van: |
|
☐ |
intrekking van de goedkeuring van: |
|
☐ |
een type controleapparaat |
|
☐ |
een onderdeel van een controleapparaat (6) |
|
☐ |
een bestuurderskaart |
|
☐ |
een werkplaatskaart |
|
☐ |
een bedrijfskaart |
|
☐ |
een controleurskaart |
Goedkeuring nr.:
…
|
1. |
Fabrieks- of handelsmerk … |
|
2. |
Benaming van het model … |
|
3. |
Naam van de fabrikant … |
|
4. |
Adres van de fabrikant … |
|
5. |
Ter goedkeuring aangeboden op … |
|
6. |
|
|
7. |
|
|
8. |
Datum van goedkeuring … |
|
9. |
Datum waarop de goedkeuring is ingetrokken … |
|
10. |
Types controleapparaten waarvoor het onderdeel is ontworpen |
|
11. |
Plaats … |
|
12. |
Datum … |
|
13. |
Bijgevoegde beschrijvende documenten … |
|
14. |
Opmerkingen (waaronder desgevallend de plaats van de verzegeling) |
(Handtekening)
(1) Deze cijfers worden slechts aangegeven bij wijze van voorbeeld.
(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(3) Gelieve de toepasselijke vakjes aan te kruisen.
(4) In de kennisgeving aangeven welk onderdeel.
(5) Gelieve de toepasselijke vakjes aan te kruisen.
(6) In de kennisgeving aangeven welk onderdeel.”
|
3.6.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/37 |
Rectificatie van Uitvoeringsverordening (EU) 2016/535 van de Commissie van 5 april 2016 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 wat betreft de vermelding van Singapore in de lijst van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit vers vlees in de Unie mag worden binnengebracht
( Publicatieblad van de Europese Unie L 89 van 6 april 2016 )
Bladzijde 13, bijlage, model NZ-TRANSIT-SG, punt II.1 „Gezondheidsverklaring”, punt II.1.3:
in plaats van:
„… sectie I, respectievelijk sectie V van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 853/2004; en”,
lezen:
„… sectie I, respectievelijk sectie V van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 853/2004; en”.