ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 140

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
27 mei 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Besluit (EU) 2016/828 van de Raad van 21 april 2016 betreffende de sluiting, namens de Unie, van het wijzigingsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling

1

 

*

Besluit (Euratom) 2016/829 van de Raad van 12 mei 2016 tot goedkeuring van de sluiting door de Europese Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van een protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

3

 

*

Besluit (EU) 2016/830 van de Raad van 12 mei 2016 betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

5

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/831 van de Commissie van 25 mei 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

7

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/832 van de Commissie van 26 mei 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

10

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2016/833 van de Raad van 17 mei 2016 tot vaststelling van het standpunt dat door de Europese Unie moet worden ingenomen op de 54e zitting van de commissie van deskundigen betreffende het spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen, opgericht door de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF), voor wat betreft bepaalde wijzigingen in aanhangsel C van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer

12

 

*

Besluit (EU) 2016/834 van de Raad van 20 mei 2016 tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is opgericht krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie, met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van het Gemengd Comité

15

 

*

Besluit (EU) 2016/835 van de Commissie van 25 mei 2016 inzake de verlenging van het mandaat van de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën

21

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Besluit (EU) 2016/827 van de Commissie van 20 mei 2016 inzake de verlenging van het mandaat van de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën ( PB L 137 van 26.5.2016 )

26

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/1


BESLUIT (EU) 2016/828 VAN DE RAAD

van 21 april 2016

betreffende de sluiting, namens de Unie, van het wijzigingsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 115, in samenhang met artikel 218, lid 6, onder b), en artikel 218, lid 8, tweede alinea,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit (EU) 2015/2469 van de Raad (2) is op 8 december 2015 het wijzigingsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (hierna het „wijzigingsprotocol” genoemd), ondertekend, onder voorbehoud van sluiting op een later tijdstip.

(2)

De uit deze onderhandelingen voortgevloeide tekst van het wijzigingsprotocol is in overeenstemming met de door de Raad gegeven onderhandelingsrichtsnoeren, aangezien hij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino, waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (3) (hierna de „overeenkomst” genoemd), aanpast aan de recentste internationale ontwikkelingen inzake de automatische uitwisseling van inlichtingen, namelijk aan de mondiale standaard voor automatische uitwisseling van inlichtingen over financiële rekeningen in fiscale aangelegenheden, die is ontwikkeld door de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (hierna de „OESO” genoemd). De Unie, haar lidstaten en de Republiek San Marino hebben actief bijgedragen aan de werkzaamheden van het Mondiaal Forum van de OESO om de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van deze standaard te ondersteunen. De tekst van de overeenkomst zoals gewijzigd bij dit wijzigingsprotocol moet de rechtsgrondslag vormen voor de toepassing van de mondiale standaard in de betrekkingen tussen de Europese Unie en de Republiek San Marino.

(3)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (4) geraadpleegd.

(4)

Het wijzigingsprotocol moet worden goedgekeurd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het wijzigingsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling, wordt namens de Unie (5) goedgekeurd.

Artikel 2

1.   De voorzitter van de Raad verricht namens de Unie de in artikel 2, lid 1, van het wijzigingsprotocol bedoelde kennisgeving.

2.   De Commissie stelt de Republiek San Marino en de lidstaten in kennis van de kennisgevingen ontvangen in overeenstemming met artikel 1, lid 1, onder d), van de overeenkomst in de versie zoals die luidt naar aanleiding van het wijzigingsprotocol.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 21 april 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

G.A. VAN DER STEUR


(1)  Advies van 3 maart 2016 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Besluit (EU) 2015/2469 van de Raad van 8 december 2015 betreffende de ondertekening, namens de Unie, en de voorlopige toepassing van het wijzigingsprotocol bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek San Marino waarbij wordt voorzien in maatregelen van gelijke strekking als die welke zijn vervat in Richtlijn 2003/48/EG van de Raad betreffende belastingheffing op inkomsten uit spaargelden in de vorm van rentebetaling (PB L 346 van 31.12.2015, blz. 1).

(3)   PB L 381 van 28.12.2004, blz. 33.

(4)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(5)  De tekst van het wijzigingsprotocol werd samen met het besluit betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing ervan bekendgemaakt in PB L 346 van 31.12.2015, blz. 3.


27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/3


BESLUIT (Euratom) 2016/829 VAN DE RAAD

van 12 mei 2016

tot goedkeuring van de sluiting door de Europese Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van een protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 101, tweede alinea,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Akte van toetreding van 2011 moet de toetreding tot een door de lidstaten en de Unie met derde landen of internationale organisaties ondertekende of gesloten overeenkomst worden geregeld door middel van een protocol bij die overeenkomst. Overeenkomstig dat artikel moet een vereenvoudigde procedure voor een dergelijke toetreding worden toegepast, waarbij een protocol moet worden gesloten door de Raad, handelend met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en het betrokken derde land.

(2)

Op 14 september 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd tot het openen van onderhandelingen met het oog op de aanpassing van de tussen de Unie, of de Unie en haar lidstaten, en een of meer derde landen of internationale organisaties gesloten of ondertekende overeenkomsten in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie.

(3)

De onderhandelingen met de Republiek Tadzjikistan zijn met succes afgerond met de parafering van een protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie (1) („het protocol”).

(4)

De ondertekening en de sluiting van het protocol zijn onderworpen aan een afzonderlijke procedure met betrekking tot de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Unie en haar lidstaten behoren.

(5)

De sluiting van het protocol door de Commissie dient te worden goedgekeurd met betrekking tot de aangelegenheden die tot de bevoegdheid van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie behoren,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De sluiting door de Europese Commissie, namens de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, van het protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, wordt hierbij goedgekeurd (2).

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 12 mei 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)   PB L 350 van 29.12.2009, blz. 3.

(2)  De tekst van het protocol is gehecht aan het besluit betreffende de sluiting, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van een protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie.


27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/5


BESLUIT (EU) 2016/830 VAN DE RAAD

van 12 mei 2016

betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie en haar lidstaten, van het protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 91, 100, lid 2, 207 en 209, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien de Akte van toetreding van de Republiek Kroatië van 2011, en met name artikel 6, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van de Akte van toetreding van 2011 moet de toetreding van de Republiek Kroatië tot een door de lidstaten en de Unie met derde landen of internationale organisaties ondertekende of gesloten overeenkomst worden geregeld door middel van een protocol bij die overeenkomst. Overeenkomstig dat artikel moet een vereenvoudigde procedure voor een dergelijke toetreding worden toegepast, waarbij een protocol moet worden gesloten door de Raad, handelend met eenparigheid van stemmen namens de lidstaten, en het betrokken derde land.

(2)

Op 14 september 2012 heeft de Raad de Commissie gemachtigd tot het openen van onderhandelingen met het oog op de aanpassing van de tussen de Unie, of de Unie en haar lidstaten, en een of meer derde landen of internationale organisaties gesloten of ondertekende overeenkomsten in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie.

(3)

De onderhandelingen met de Republiek Tadzjikistan zijn met succes afgerond met de parafering van een protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Unie (1) („het protocol”).

(4)

Het protocol dient te worden ondertekend namens de Unie en haar lidstaten,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Hierbij wordt machtiging verleend tot de ondertekening namens de Unie en haar lidstaten van het protocol bij de Partnerschaps- en samenwerkingsovereenkomst waarbij een partnerschap tot stand wordt gebracht tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Tadzjikistan, anderzijds, in verband met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie, onder voorbehoud van de sluiting van dat protocol (2).

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) het protocol namens de Unie en haar lidstaten te ondertekenen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 12 mei 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

F. MOGHERINI


(1)   PB L 350 van 29.12.2009, blz. 3.

(2)  De tekst van het protocol zal samen met het besluit betreffende de sluiting ervan worden bekendgemaakt.


VERORDENINGEN

27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/831 VAN DE COMMISSIE

van 25 mei 2016

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de vaststelling van de representatieve prijzen voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 183, onder b),

Gezien Verordening (EU) nr. 510/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van de handelsregeling voor bepaalde door verwerking van landbouwproducten verkregen goederen en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 1216/2009 en (EG) nr. 614/2009 van de Raad (2), en met name artikel 5, lid 6, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn voor de sectoren slachtpluimvee en eieren, en voor ovalbumine, bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten, alsmede de representatieve prijzen vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen voor de producten van de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking te treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 mei 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 150 van 20.5.2014, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie van 28 juni 1995 houdende bepalingen voor de toepassing van de aanvullende invoerrechten in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede voor ovalbumine, en houdende vaststelling van representatieve prijzen en intrekking van Verordening nr. 163/67/EEG (PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3 bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 10

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren

130,1

0

AR

0207 12 90

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren

131,7

0

AR

161,9

0

BR

0207 14 10

Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren

281,1

6

AR

188,4

36

BR

280,0

6

CL

207,3

28

TH

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

334,8

0

BR

197,0

30

CL

0408 91 80

Eieren uit de schaal, gedroogd

380,2

0

AR

1602 32 11

Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

185,0

32

BR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „andere oorsprong”.”


27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/832 VAN DE COMMISSIE

van 26 mei 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 mei 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

428,2

MA

117,6

TR

60,8

ZZ

202,2

0707 00 05

TR

99,6

ZZ

99,6

0709 93 10

TR

128,9

ZZ

128,9

0805 10 20

EG

51,6

IL

42,2

MA

54,6

TR

59,2

ZA

84,5

ZZ

58,4

0805 50 10

AR

78,6

TR

143,1

ZA

181,4

ZZ

134,4

0808 10 80

AR

111,7

BR

98,9

CL

125,3

CN

139,8

NZ

157,0

US

191,3

ZA

108,9

ZZ

133,3

0809 29 00

TR

601,9

US

904,6

ZZ

753,3


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/12


BESLUIT (EU) 2016/833 VAN DE RAAD

van 17 mei 2016

tot vaststelling van het standpunt dat door de Europese Unie moet worden ingenomen op de 54e zitting van de commissie van deskundigen betreffende het spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen, opgericht door de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer (OTIF), voor wat betreft bepaalde wijzigingen in aanhangsel C van het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 91, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Unie is toegetreden tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer van 9 mei 1980, als gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999 („COTIF-verdrag”), op grond van Besluit 2013/103/EU van de Raad (1).

(2)

Alle lidstaten, met uitzondering van Cyprus en Malta, zijn verdragsluitende partij bij het COTIF-verdrag en passen dat verdrag toe.

(3)

Bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) zijn voorschriften vastgesteld voor het vervoer van gevaarlijke goederen over de weg, het spoor en de binnenwateren in of tussen lidstaten. Die voorschriften verwijzen onder meer naar het reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, dat als aanhangsel C bij het COTIF-verdrag is gevoegd („RID”). Bovendien is in artikel 4 van Richtlijn 2008/68/EG bepaald dat vervoer van gevaarlijke goederen tussen lidstaten en derde landen moet worden toegestaan indien wordt voldaan aan het RID, tenzij in de bijlagen anders is vermeld.

(4)

Tijdens haar 54e zitting, die plaatsvindt op 25 mei 2016, wordt verwacht dat de commissie van deskundigen betreffende het spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen („de commissie van deskundigen van het RID”), die is opgericht bij artikel 13, lid 1, onder d), van het COTIF-verdrag, een beslissing zal nemen over bepaalde wijzigingen van het RID. Deze wijzigingen, die betrekking hebben op technische normen of uniforme technische voorschriften, hebben tot doel het veilig en efficiënt vervoer van gevaarlijke goederen te garanderen, rekening houdend met de technische en wetenschappelijke vooruitgang in de sector en de ontwikkeling van nieuwe stoffen en goederen die gevaar kunnen opleveren tijdens het vervoer.

(5)

Het comité voor het vervoer van gevaarlijke goederen, opgericht bij Richtlijn 2008/68/EG, heeft voorbereidende gesprekken over de voorgestelde wijzigingen gehouden.

(6)

Alle voorgestelde wijzigingen zijn gerechtvaardigd en nuttig, en moeten derhalve door de Unie worden gesteund.

(7)

Het standpunt van de Unie op de 54e zitting van de commissie van deskundigen van het RID moet derhalve worden gebaseerd op de bijlage bij dit besluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen op de 54e zitting van de commissie van deskundigen van het RID in het kader van het COTIF-verdrag, is in overeenstemming met de bijlage bij dit besluit.

2.   Kleine wijzigingen van de in de bijlage bij dit besluit vermelde documenten kunnen worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie in de commissie van deskundigen van het RID zonder verder besluit van de Raad.

Artikel 2

De besluiten van de commissie van deskundigen van het RID worden na vaststelling bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, met vermelding van de datum van hun inwerkingtreding.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 17 mei 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

M.H.P. VAN DAM


(1)  Besluit 2013/103/EU van de Raad van 16 juni 2011 betreffende de ondertekening en sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Intergouvernementele Organisatie voor het internationale spoorwegvervoer tot toetreding van de Europese Unie tot het Verdrag betreffende het internationale spoorwegvervoer (COTIF) van 9 mei 1980, als gewijzigd bij het Protocol van Vilnius van 3 juni 1999 (PB L 51 van 23.2.2013, blz. 1).

(2)  Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).


BIJLAGE

Voorstel

Referentiedocument

Versie

Opmerkingen

Standpunt van de EU

1

OTIF/RID/CE/GTP/2015/2

OTIF/RID/CE/GTP/INF.14

OTIF/RID/CE/GTP/INF.15

Aanvulling van het RID met verplichtingen voor met het onderhoud belaste entiteiten (ECM)

Technische consensus binnen permanente werkgroep van de OTIF voor de vaststelling van een tekst als gewijzigd

Instemming met de wijzigingen, zoals herzien in de permanente werkgroep

2

OTIF/RID/CE/GTP/2015/3

Wijziging van de bijzondere bepaling TU 16 in RID/ADR/ADN hoofdstuk 4.3

Technische consensus binnen permanente werkgroep van de OTIF

Instemming met de wijziging, zoals herzien in de permanente werkgroep

3

OTIF/RID/CE/GTP/2015/5

Verplichting voor de verlader om de machinist op de hoogte te brengen van de positie van de gevaarlijke goederen in de trein.

Technische consensus binnen permanente werkgroep van de OTIF

Instemming met de wijziging, zoals herzien in de permanente werkgroep

4

OTIF/RID/CE/GTP/2015/6

Bigbags

Technische consensus binnen permanente werkgroep van de OTIF

Instemming met de tekst betreffende bigbags in OTIF/RID/CE/GTP/2015/12

5

OTIF/RID/CE/GTP/2015/7

Definities van bloktrein vs. wagenladingverkeer

Technische consensus binnen permanente werkgroep van de OTIF

Instemming met de wijzigingen

6

OTIF/RID/CE/GTP/2015/12

OTIF/RID/CE/GTP/2015/INF.2

OTIF/RID/CE/GTP/2015/INF.3

Diverse geconsolideerde wijzigingen die door de permanente werkgroep zijn overeengekomen

Technische consensus binnen permanente werkgroep van de OTIF

Instemming met de wijzigingen

7

Idem

Wijzigingen voor verder onderzoek door de permanente werkgroep

8

Idem

Zij die oproepen tot een gemeenschappelijk standpunt op de gezamenlijke vergadering van de VN-ECE en de OTIF

Efficiënt multimodaal vervoer moet worden vergemakkelijkt

Instemming met de wijzigingen, zoals aanbevolen door de gezamenlijke vergadering

9

OTIF/RID/CE/GTP/2015/14

Melden van voorvallen waarbij gevaarlijke goederen zijn betrokken overeenkomstig RID 1.8.5 Hamburg-Billwerder, 3 juli 2013

Technische consensus binnen permanente werkgroep van de OTIF

Instemming met de wijziging, zoals herzien in de permanente werkgroep

10

OTIF/RID/CE/GTP/2015/INF.4

Veiligheidsafstand voor wegvoertuigen

Technische consensus binnen permanente werkgroep van de OTIF

Instemming met de wijzigingen


27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/15


BESLUIT (EU) 2016/834 VAN DE RAAD

van 20 mei 2016

tot vaststelling van het standpunt dat namens de Europese Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is opgericht krachtens de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie, met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van het Gemengd Comité

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 77, lid 2, onder a), in samenhang met artikel 218, lid 9,

Besluit 2013/521/EU van de Raad van 7 oktober 2013 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie (1),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie (2) („de overeenkomst”) is op 1 december 2014 in werking getreden.

(2)

Artikel 10 van de overeenkomst bepaalt dat de partijen een Gemengd Comité van deskundigen („het comité”) moeten oprichten.

(3)

Artikel 10, lid 4, van de overeenkomst bepaalt dat het comité zijn reglement van orde moet vaststellen. Het reglement van orde is noodzakelijk voor de organisatie van de werkzaamheden van het comité, dat belast is met het beheer van de overeenkomst en het toezicht op de toepassing ervan.

(4)

Het is daarom passend het standpunt te bepalen dat namens de Unie in het comité moet worden ingenomen met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van het comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het standpunt dat namens de Unie moet worden ingenomen in het Gemengd Comité dat is opgericht krachtens de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie, met betrekking tot de vaststelling van het reglement van orde van het Gemengd Comité, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité.

2.   Kleine technische wijzigingen van het ontwerpbesluit mogen door de vertegenwoordigers van de Unie in het Gemengd Comite worden goedgekeurd zonder verder besluit van de Raad.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 20 mei 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

K.H.D.M. DIJKHOFF


(1)   PB L 282 van 24.10.2013, blz. 1.

(2)   PB L 282 van 24.10.2013, blz. 3.


ONTWERP

BESLUIT Nr. …/2016 VAN HET GEMENGD COMITÉ DAT IS OPGERICHT KRACHTENS DE OVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN DE REPUBLIEK KAAPVERDIË INZAKE DE VERSOEPELING VAN DE AFGIFTE VAN VISA VOOR KORT VERBLIJF AAN DE BURGERS VAN DE REPUBLIEK KAAPVERDIË EN VAN DE EUROPESE UNIE

van …

betreffende de vaststelling van zijn reglement van orde

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien de overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Kaapverdië inzake de versoepeling van de afgifte van visa voor kort verblijf aan de burgers van de Republiek Kaapverdië en van de Europese Unie („de overeenkomst”), en met name artikel 10, lid 4,

Overwegende dat de overeenkomst op 1 december 2014 in werking is getreden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorzitterschap

Het Gemengd Comité („het comité”) wordt gezamenlijk voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Europese Unie en een vertegenwoordiger van de Republiek Kaapverdië.

Artikel 2

Taken van het comité

1.   Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van de overeenkomst heeft het comité met name de volgende taken:

a)

toezien op de toepassing van de overeenkomst;

b)

wijzigingen van of toevoegingen aan de overeenkomst voorstellen;

c)

geschillen beslechten die voortvloeien uit de interpretatie of de toepassing van de bepalingen van de overeenkomst.

2.   Het comité kan aanbevelingen met richtsnoeren of beste praktijken uitvaardigen om te helpen bij de toepassing van de overeenkomst.

Artikel 3

Vergaderingen

1.   Het comité komt zo vaak als nodig is op verzoek van een van de partijen bijeen, maar ten minste eens per jaar.

2.   De partijen treden bij toerbeurt op als gastheer van de vergadering, tenzij anders wordt overeengekomen.

3.   De vergaderingen van het comité worden door de medevoorzitters bijeengeroepen.

4.   De medevoorzitters stellen een datum voor de vergadering vast en wisselen tijdig, zo mogelijk 14 dagen voor de vergadering, alle documenten uit die nodig zijn voor een goede voorbereiding.

5.   De partij die als gastheer optreedt, regelt het logistieke aspect.

Artikel 4

Delegaties

1.   De partijen stellen elkaar ten minste zeven dagen voor de vergadering op de hoogte van de voorgenomen samenstelling van hun delegaties.

2.   De Europese Unie wordt vertegenwoordigd door de Commissie, bijgestaan door deskundigen uit de lidstaen.

Artikel 5

Agenda van de vergaderingen

1.   Uiterlijk 14 dagen voor elke vergadering stellen de medevoorzitters een voorlopige agenda op. Op de voorlopige agenda staan de punten ten aanzien waarvan de medevoorzitters uiterlijk 14 dagen voor de vergadering een verzoek tot agendering hebben ontvangen.

2.   Elk van beide partijen kan voorafgaand aan de vergadering punten aan de voorlopige agenda toevoegen, als de andere partij daarmee instemt. Verzoeken om punten aan de voorlopige agenda toe te voegen, worden schriftelijk ingediend en voor zover mogelijk ingewilligd.

3.   De definitieve agenda wordt bij het begin van de vergadering door de medevoorzitters vastgesteld. Punten die niet op de voorlopige agenda staan, kunnen op de agenda worden geplaatst als de partijen daarmee instemmen; verzoeken daartoe worden voor zover mogelijk ingewilligd.

Artikel 6

Notulen van de vergaderingen

1.   De ontwerpnotulen worden zo spoedig mogelijk opgesteld door de medevoorzitter die gastheer van de vergadering is.

2.   In de notulen worden over het algemeen voor ieder agendapunt de volgende gegevens vermeld:

a)

aan het comité voorgelegde documenten;

b)

verklaringen die op verzoek van een partij worden opgenomen; en

c)

over een specifiek punt genomen besluiten, gedane aanbevelingen en vastgestelde conclusies.

3.   De notulen vermelden tevens de namen van de afzonderlijke leden van de delegaties, met vermelding van het ministerie, de instantie of de instelling die zij vertegenwoordigen.

4.   De notulen worden door het comité op zijn volgende vergadering goedgekeurd.

Artikel 7

Besluiten en aanbevelingen van het comité

1.   Het comité besluit door middel van overeenstemming van beide partijen.

2.   De besluiten van het comité worden voorzien van de titel „Besluit”, gevolgd door een volgnummer en een omschrijving van het onderwerp. Voorts wordt aangegeven wanneer het besluit van kracht wordt. De besluiten worden ondertekend door vertegenwoordigers van het comité die gemachtigd zijn namens de partijen te handelen. De besluiten worden opgesteld in tweevoud, waarbij beide teksten gelijkelijk authentiek zijn.

3.   De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op aanbevelingen van het comité.

Artikel 8

Kosten

1.   Elke partij draagt zelf de kosten die voortvloeien uit haar deelname aan de vergaderingen van het comité, met inbegrip van de personeels-, reis- en verblijfkosten en de kosten voor post en telecommunicatie.

2.   Overige kosten die voortvloeien uit de organisatie van de vergaderingen komen in het algemeen voor rekening van de partij die gastheer is van de vergadering.

Artikel 9

Administratieve procedures

1.   De vergaderingen van het comité zijn niet openbaar, tenzij het comité anders beslist.

2.   De notulen en andere documenten van het comité worden vertrouwelijk behandeld.

3.   Met instemming van de beide medevoorzitters kunnen andere deelnemers dan functionarissen van de partijen en de lidstaten worden uitgenodigd; voor hen gelden dezelfde vertrouwelijkheidsvoorschriften.

4.   De partijen kunnen openbare briefings organiseren of belangstellenden op een andere wijze informeren over de resultaten van de vergaderingen van het comité.

Artikel 10

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te …,

Voor de Europese Unie

Voor de Republiek Kaapverdië


GEZAMENLIJKE VERKLARING GEHECHT AAN HET REGLEMENT VAN ORDE

Met het oog op de voortgezette, geharmoniseerde en correcte toepassing van de overeenkomst onderhouden de Republiek Kaapverdië, de lidstaten en de Europese Commissie in de perioden tussen de formele vergaderingen van het Gemengd Comité ook informele contacten om dringende aangelegenheden te behandelen. Op de eerstvolgende vergadering van het Gemengd brengen zij verslag uit over deze aangelegenheden en informele contacten.


27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/21


BESLUIT (EU) 2016/835 VAN DE COMMISSIE

van 25 mei 2016

inzake de verlenging van het mandaat van de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie zijn de waarden neergelegd waarop de Unie berust, en volgens artikel 6 heeft het Handvest van de grondrechten dezelfde juridische waarde als de Verdragen en maken de grondrechten als algemene beginselen deel uit van het recht van de Unie.

(2)

Op 20 november 1991 heeft de Commissie van de Europese Gemeenschappen besloten de afweging van ethische aspecten op te nemen in het besluitvormingsproces voor communautair beleid op het gebied van onderzoek en technologische ontwikkeling door de instelling van de Adviesgroep ethische implicaties van de biotechnologie (AGEIB).

(3)

De Commissie heeft op 16 december 1997 besloten de AGEIB te vervangen door de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën (EGE) en daarbij het werkgebied van de groep uit te breiden tot alle toepassingsgebieden van de exacte wetenschappen en technologie. Het mandaat van de EGE is meerdere malen verlengd, laatstelijk bij Besluit 2010/1/EU van de Commissie (1). Het is thans aangewezen het mandaat met een periode van vijf jaar te verlengen en vervolgens de nieuwe leden te benoemen.

(4)

De EGE heeft als taak aan de Europese Commissie op haar verzoek of op eigen initiatief en in overleg met de Commissie bijstand te verlenen. De Commissie kan de aandacht van de EGE vestigen op vraagstukken die het Europees Parlement en de Raad van groot ethisch belang achten.

(5)

Voor de openbaarmaking van informatie door de leden van de groep moeten voorschriften worden vastgesteld.

(6)

Persoonsgegevens moeten worden verwerkt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (2).

(7)

Besluit 2010/1/EU moet worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Mandaat

Het mandaat van de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën (EGE) wordt met vijf jaar verlengd.

Artikel 2

Taak

De EGE heeft als taak de Commissie op haar verzoek of op verzoek van de voorzitter van de EGE en met instemming van de diensten van de Commissie te adviseren over ethische vraagstukken betreffende de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën en over de ruimere maatschappelijke implicaties van de vooruitgang op deze gebieden. De groep moet daarom:

a)

ethische vraagstukken die voortvloeien uit ontwikkelingen op het gebied van de exacte wetenschappen en technologieën in kaart brengen, definiëren en onderzoeken;

b)

bijstand verlenen in de vorm van analysen en aanbevelingen ter bevordering van ethische EU-beleidsvorming, met inachtneming van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

Artikel 3

Raadpleging

De Commissie kan de groep raadplegen over alle zaken die onder de in artikel 2 bedoelde taak vallen. Binnen dit kader kan de Commissie de aandacht van de EGE vestigen op vraagstukken die het Europees Parlement en de Raad van groot ethisch belang achten.

Artikel 4

Samenstelling — Benoeming van de leden

1.   De EGE heeft ten hoogste vijftien leden. De leden beschikken over deskundigheid inzake de in artikel 2 bedoelde taak.

2.   De leden treden op in hun persoonlijke hoedanigheid. Zij brengen in het algemeen belang en onafhankelijk van invloeden van buitenaf advies uit aan de Commissie. De leden stellen de Commissie tijdig in kennis van alle belangenconflicten die hun onafhankelijkheid in gevaar kunnen brengen.

3.   De leden worden door de voorzitter van de Commissie benoemd op voorstel van het lid van de Commissie dat belast is met Onderzoek, Wetenschap en Innovatie, nadat zij zich kandidaat hebben gesteld als reactie op een oproep tot het indienen van blijken van belangstelling voor lidmaatschap van de EGE en na een selectieprocedure op basis van de in de leden 4 en 6 vastgestelde criteria, waarop toezicht wordt gehouden door een comité van aanbeveling.

4.   In zijn voorstel voor de samenstelling van de EGE streeft het comité van aanbeveling zoveel mogelijk naar een hoog niveau van deskundigheid en pluralisme, geografische spreiding en een evenwichtige vertegenwoordiging van relevante specialismen en aandachtspunten, rekening houdend met de specifieke taken van de EGE, de vereiste soort deskundigheid en de reactie op de oproep tot het indienen van blijken van belangstelling. De EGE is onafhankelijk, pluralistisch en multidisciplinair.

5.   Ieder lid van de EGE wordt benoemd voor een ambtstermijn van tweeënhalf jaar. Een ambtstermijn kan aan het einde worden verlengd. Het lidmaatschap van de EGE wordt beperkt tot maximaal drie ambtstermijnen.

6.   Bij de selectie van kandidaten voor lidmaatschap van de groep wordt rekening gehouden met de volgende factoren en criteria:

a)

de samenstelling van de groep is zodanig dat onafhankelijk advies van de hoogste kwaliteit kan worden verstrekt, waarbij wijsheid en vooruitziendheid worden gecombineerd. De geloofwaardigheid van de groep steunt op het evenwicht tussen de kwaliteiten van de mannen en vrouwen waaruit zij bestaat; samen weerspiegelen deze leden de verscheidenheid aan gezichtspunten in Europa. Er wordt streng de hand gehouden aan een evenwichtige vertegenwoordiging van mannen en vrouwen en er wordt de nodige aandacht besteed aan een evenwichtige vertegenwoordiging naar leeftijd en aan geografische spreiding;

b)

de leden van de groep zijn internationaal erkende deskundigen die op Europees en mondiaal niveau blijk hebben gegeven van uitmuntendheid en ervaring;

c)

de leden vormen een weerspiegeling van het ruime interdisciplinaire werkgebied van de groep, dat gaat van filosofie en ethiek over natuur- en sociale wetenschappen tot recht. Zij mogen zichzelf echter niet als vertegenwoordigers van een bepaald vakgebied, wereldbeeld of onderzoeksstroming beschouwen; zij hebben ieder een ruime blik en zorgen samen voor inzicht in de belangrijke huidige en komende ontwikkelingen, onder meer door inter-, trans- en multidisciplinaire gezichtspunten, en in de behoefte aan bijstand bij ethische vraagstukken op Europees niveau;

d)

naast hun bewezen reputatie brengen de leden samen ervaring met ethische adviesverlening aan beleidsmakers mee, die zij in verschillende lidstaten en zowel op Europees als internationaal niveau hebben opgedaan;

e)

de groep omvat leden die ervaringen hebben in organen zoals adviesraden en -comités, overheidsadviesorganen, nationale raden voor ethiek, universiteiten en onderzoeksinstellingen. Het kan voor de groep waardevol zijn om leden die in meerdere landen ervaring hebben opgedaan en leden van buiten de Europese Unie op te nemen.

7.   De selectie van de leden van de EGE vindt plaats op basis van een open oproep tot het indienen van blijken van belangstelling, waarin de voorwaarden voor het indienen van een volledige aanvraag worden vermeld. De Commissie maakt de oproep bekend op de Europa-website. Er wordt ook gezorgd voor een link van het register van deskundigengroepen en andere adviesorganen van de Commissie („het register van deskundigengroepen”) naar de Europa-website.

8.   Er mogen leden worden voorgedragen, mits de voorgedragen persoon voldoet aan de voorwaarden voor het indienen van een volledige aanvraag.

9.   De ledenlijst van de EGE wordt door de Commissie in het register van deskundigengroepen bekendgemaakt.

10.   Geschikte kandidaten die niet krachtens lid 2 worden benoemd, worden op een reservelijst geplaatst. De voorzitter van de Commissie kan uit deze reservelijst leden benoemen.

11.   Indien een lid geen doeltreffende bijdrage meer kan leveren aan de werkzaamheden van de EGE, ontslag neemt of niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 339 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, kan de voorzitter van de Commissie uit de reservelijst een vervangend lid benoemen voor de resterende duur van de ambtstermijn van het oorspronkelijke lid.

Artikel 5

Werkwijze

1.   Het directoraat-generaal Onderzoek en Innovatie is in nauwe samenwerking met de voorzit(s)ter van de EGE verantwoordelijk voor de coördinatie en organisatie van de werkzaamheden van de EGE en voor het voeren van haar secretariaat.

2.   De leden van de EGE kiezen voor de duur van hun ambtstermijn met een gewone meerderheid uit hun midden een voorzit(s)ter en een vice-voorzit(s)ter.

3.   De leden van de EGE en de externe deskundigen voldoen aan de bij de Verdragen en de uitvoeringsregels ervan vastgestelde verplichtingen tot geheimhouding, alsmede aan de veiligheidsvoorschriften van de Commissie betreffende de bescherming van gerubriceerde EU-informatie die zijn neergelegd in de Besluiten (EU, Euratom) 2015/443 (3) en (EU, Euratom) 2015/444 (4) van de Commissie. Bij niet-nakoming van die verplichtingen kan de Commissie alle passende maatregelen nemen.

4.   Het werkprogramma van de EGE, met inbegrip van de ethische analysen die uit hoofde van haar initiatiefrecht door de EGE zelf worden voorgesteld, wordt door de Commissie goedgekeurd. Elk verzoek tot ethische analyse omvat de parameters van de gevraagde analyse. Wanneer de Commissie de EGE om advies vraagt, bepaalt zij binnen welke termijn dit advies wordt uitgebracht.

5.   Een advies van de EGE omvat een reeks aanbevelingen. Deze worden gebaseerd op een overzicht van de huidige stand van de betrokken exacte wetenschappen en technologieën en op een grondige analyse van de ethische vraagstukken in kwestie. De betrokken diensten van de Commissie worden in kennis gesteld van de door de EGE opgestelde aanbevelingen.

6.   De leden van de EGE gaan collegiaal te werk en streven naar consensus. De EGE stelt haar reglement van orde vast op basis van het standaardreglement van orde voor deskundigengroepen en in overleg met de vertegenwoordiger van de Commissie. De werkprocedures zijn zodanig dat ieder lid actief kan deelnemen aan de werkzaamheden van de groep.

7.   De vergaderingen van de EGE vinden normaal gesproken plaats in de kantoren van de Commissie, overeenkomstig de door de Commissie vastgestelde procedures en tijdschema's. De EGE vergadert ten minste zes keer in een periode van twaalf maanden, hetgeen neerkomt op ongeveer twaalf werkdagen per jaar. Indien nodig kunnen in overleg met de vertegenwoordiger van de Commissie aanvullende vergaderingen worden georganiseerd.

Met het oog op de opstelling van analysen door de EGE en binnen de grenzen van de hiervoor beschikbare middelen, kan de vertegenwoordiger van de Commissie:

indien passend voor een gedachtewisseling, ad hoc deskundigen en vertegenwoordigers van betrokken ngo's of representatieve organisaties uitnodigen. De Commissie kan ook ad hoc en tijdelijk externe deskundigen inschakelen om deel te nemen aan de werkzaamheden van de EGE indien dit nodig wordt geacht om het brede spectrum aan ethische vraagstukken in verband met de vooruitgang in de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën te bestrijken,

het initiatief nemen voor studies om alle nodige wetenschappelijke en technische informatie te verzamelen,

het mogelijk maken werkgroepen op te richten om specifieke vraagstukken te bestuderen,

intensieve contacten onderhouden met vertegenwoordigers van de verschillende organen op het gebied van de ethiek in de lidstaten en in derde landen.

Daarnaast organiseert de Commissie voor elk advies van de EGE een publieke rondetafelconferentie om de dialoog te bevorderen en de transparantie te verbeteren. De EGE onderhoudt intensieve contacten met de diensten van de Commissie die betrokken zijn bij de door de groep bestudeerde vraagstukken.

8.   De groep streeft naar consensus. Indien een advies echter niet met algemene stemmen wordt aangenomen, worden de afwijkende gezichtspunten (in de hoedanigheid van minderheidsstandpunt) samen met de naam (namen) van de leden die het oneens zijn erin opgenomen. Het advies wordt aan de voorzitter van de Commissie of aan de door hem aangeduide vertegenwoordiger toegezonden. Elk advies wordt na aanname onmiddellijk bekendgemaakt en aan het Europees Parlement en de Raad van de Europese Unie toegezonden.

9.   Indien een advies over een bepaald onderwerp om operationele redenen sneller moet worden uitgebracht dan via de aannameprocedure voor adviezen mogelijk is, kan een korte verklaring of een andere vorm van analyse worden opgesteld die indien nodig wordt gevolgd door een volledigere analyse in de vorm van een advies, zonder dat dit afbreuk doet aan de transparantie zoals die bij elk ander advies in acht wordt genomen. Verklaringen worden bekendgemaakt en op de website van de EGE ter beschikking gesteld. Indien de EGE dit nodig acht, kan zij in het kader van haar werkprogramma en in overleg met de vertegenwoordiger van de Commissie een advies aanpassen.

10.   De besprekingen binnen de EGE zijn vertrouwelijk. In overleg met de vertegenwoordiger van de Commissie kan de EGE, bij een gewone meerderheid van haar leden, besluiten om haar beraadslagingen open te stellen voor het publiek.

11.   Alle documenten die verband houden met de werkzaamheden van de EGE (zoals agenda's, notulen, adviezen en bijdragen van de deelnemers) worden ter beschikking gesteld via het register van deskundigengroepen of via een link in het register naar een speciale website. Van bekendmaking kan worden afgezien indien wordt geacht dat de openbaarmaking van een document de in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (5) bedoelde bescherming van het openbaar belang of van de persoonlijke levenssfeer zou ondermijnen.

12.   Vóór het eind van het mandaat van de EGE wordt onder verantwoordelijkheid van de voorzit(s)ter een verslag over haar werkzaamheden opgesteld. Dit verslag wordt bekendgemaakt en toegezonden overeenkomstig de in lid 11 vastgestelde procedures.

Artikel 6

Vergaderkosten

1.   Deelnemers aan de werkzaamheden van de EGE ontvangen geen bezoldiging voor hun diensten.

2.   De reis- en verblijfskosten voor de vergaderingen van de EGE worden overeenkomstig de geldende voorschriften door de Commissie vergoed.

3.   Deze kosten worden vergoed binnen de grenzen van de beschikbare kredieten die volgens de jaarlijkse procedure voor de toewijzing van middelen worden toegekend.

Artikel 7

Slotbepalingen

Dit besluit wordt in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt en treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Besluit 2010/1/EU wordt ingetrokken.

Gedaan te Brussel, 25 mei 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  Besluit 2010/1/EU van de Commissie van 23 december 2009 inzake de verlenging van het mandaat van de Europese groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën (PB L 1 van 5.1.2010, blz. 8).

(2)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(3)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).

(4)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(5)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145, van 31.5.2001, blz. 43).


Rectificaties

27.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 140/26


Rectificatie van Besluit (EU) 2016/827 van de Commissie van 20 mei 2016 inzake de verlenging van het mandaat van de Europese Groep ethiek van de exacte wetenschappen en de nieuwe technologieën

( Publicatieblad van de Europese Unie L 137 van 26 mei 2016 )

De bekendmaking van Besluit (EU) 2016/827 van de Commissie dient als nietig te worden beschouwd.