|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
59e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
Verordening (EU) 2016/452 van de Commissie van 29 maart 2016 tot wijziging van de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor captan, propiconazool en spiroxamine in of op bepaalde producten ( 1 ) |
|
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
30.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79/1 |
Informatie betreffende de inwerkingtreding van het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie
Het Aanvullend Protocol bij de Overeenkomst inzake handel, ontwikkeling en samenwerking tussen de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, enerzijds, en de Republiek Zuid-Afrika, anderzijds, om rekening te houden met de toetreding van de Republiek Kroatië tot de Europese Unie (1), waarvan op respectievelijk 29 juli 2015 en 24 februari 2016 kennis is gegeven, is overeenkomstig artikel 7, lid 1, van het protocol op 1 maart 2016 in werking getreden.
VERORDENINGEN
|
30.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79/2 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2016/451 VAN DE COMMISSIE
van 16 december 2015
tot vaststelling van algemene beginselen en criteria voor de beleggingsstrategie en regels voor het beheer van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (1), en met name artikel 75, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) nr. 806/2014 richt het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (hierna „het fonds” genoemd) op, dat eigendom is van de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (hierna „de Afwikkelingsraad” genoemd). |
|
(2) |
De algemene beginselen en criteria voor de beleggingsstrategie van het fonds moeten de essentiële en fundamentele elementen van de door de Afwikkelingsraad te volgen beleggingsstrategie omschrijven De beleggingsdoelstellingen moeten een van die elementen vormen. In overeenstemming met het vereiste dat de Afwikkelingsraad over een veilige en prudente beleggingsstrategie beschikt, moet de allesomvattende doelstelling erin bestaan de waarde van het fonds te beschermen en aan de liquiditeitsbehoeften ervan te voldoen. Gezien echter de intrinsieke aard van beleggingen, veranderende marktomstandigheden en renteomgeving kunnen zelfs de meest veilige en liquide activa negatieve rendementen met zich brengen. In dit opzicht hoeft een verlies op de portefeuille niet te betekenen dat de beleggingsdoelstellingen geschonden zijn. |
|
(3) |
Verordening (EU) nr. 806/2014 vereist dat bedragen die in het fonds worden gehouden, worden belegd in obligaties van de lidstaten of intergouvernementele organisaties of in zeer liquide activa van hoge kredietwaardigheid, rekening houdend met Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie (2), die omschrijft wat zeer liquide activa en activa met een hoge kredietwaardigheid zijn en vereisten met betrekking tot de samenstelling ervan vaststelt. Derhalve moeten activa die in aanmerking komen voor beleggingen van het fonds en criteria voor de samenstelling van de portefeuille worden omschreven onder verwijzing naar Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. Het feit dat een actief in aanmerking komt voor belegging hoeft er niet toe te leiden dat de Afwikkelingsraad automatisch besluit erin te beleggen. Veeleer dient de Afwikkelingsraad altijd een beoordeling te maken van in aanmerking komende activa. De interactie met de gehele beleggingsportefeuille moet in aanmerking worden genomen bij het bepalen of het prudent is een bepaalde belegging te doen Zo zou een volatiel actief met een negatieve correlatie met de portefeuille afzonderlijk als te riskant kunnen worden beschouwd, maar een positief diversificatie-effect voor de totale portefeuille kunnen hebben. Voor die beoordeling moet de Afwikkelingsraad kiezen uit de verschillende niveaus (emittent, activacategorie, veiligheid) en bronnen van informatie waarmee hij de liquiditeit, kredietwaardigheid en verenigbaarheid met de beleggingsdoelstellingen kan evalueren. |
|
(4) |
Er moet in criteria worden voorzien om sectorale diversificatie nader te specificeren. Om toepasselijk te zijn, vereist sectorale diversificatie een omschrijving van „sector”. Om praktische redenen moeten hoge niveaus van sectorale classificatie worden gebruikt. Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad (3) omschrijft de institutionele sectoren die kunnen worden gebruikt om de beleggingen van het fonds per type economische entiteit te diversifiëren. Bovendien omschrijft Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (4) een statistische classificatie van economische activiteiten waarvan het hoogste niveau (afdeling) criteria voor diversificatie kan bieden voor de Afwikkelingsraad. Gezien ten slotte de opdracht van het fonds moeten niet alleen directe, maar ook indirecte blootstellingen aan de financiële sector beperkt blijven. |
|
(5) |
Er moet in criteria worden voorzien om geografische diversificatie nader te specificeren. Om voor voldoende geografische diversificatie te zorgen, moet de Afwikkelingsraad gebruikmaken van gemakkelijk beschikbare criteria, namelijk de in artikel 77 van Verordening (EU) nr. 806/2014 bedoelde beginselen, die impliceren dat het aandeel van de bijdragen van de instellingen in elke deelnemende lidstaat wordt berekend. Aangezien dat aandeel op de omvang van de bijdragende kredietinstellingen en beleggingsondernemingen gebaseerd is, en aan hun risicoprofiel is aangepast, zal het positief correleren met de omvang en diepte van de betrokken financiële markten. Aangezien andere overwegingen extra beleggingen in een bepaalde deelnemende lidstaat kunnen rechtvaardigen, moet een buffer worden ingevoerd als verdere beoordelingsmarge door de Afwikkelingsraad, waarbij voor minimale diversificatie over een voldoende aantal deelnemende lidstaten wordt gezorgd. Bovendien moeten er, aangezien dat aandeel mogelijk niet wordt berekend voor beleggingen in niet-deelnemende lidstaten of derde landen, grenzen aan worden gesteld die door de Afwikkelingsraad op basis van de gelijkenissen tussen de landen evenredig met die voor deelnemende lidstaten moeten worden vastgesteld. |
|
(6) |
Er moet in criteria worden voorzien om evenredige diversificatie nader te specificeren. Het is prudent dat de Afwikkelingsraad de blootstelling aan een bepaalde emissie of emittent begrenst en van verschillende looptijden gebruikmaakt om aan zijn beleggingsdoelstellingen te voldoen. Wat individuele emissie betreft wordt commercial paper uitgegeven met een International Securities Identification Number (ISIN) dat overeenkomt met de specifieke belegging van de belegger (wat betreft looptijd, bedrag en andere kenmerken), zodat de belegger voor 100 % eigenaar is van het effect, ook al is hij niet voor 100 % eigenaar van het gehele commercial paper-programma. Hiermee moet rekening worden gehouden bij het stellen van grenzen aan de blootstelling aan een bepaalde emissie. Aangezien bovendien onherroepelijke betalingstoezeggingen een aanzienlijk deel van het totale bedrag van de bijdragen aan het fonds kunnen vertegenwoordigen, moet de Afwikkelingsraad bij de monitoring van zijn totale concentratierisico eveneens met de ter dekking van onherroepelijke betalingstoezeggingen verstrekte zekerheden rekening houden. |
|
(7) |
Omdat een prudente en veilige beleggingsstrategie moet worden opgezet, moet de Afwikkelingsraad zijn gebruik van derivaten beperken. Om tegenpartijkredietrisico te minimaliseren, mag de Afwikkelingsraad alleen van derivaten gebruikmaken die door een centrale tegenpartij zijn gecleard zoals toegelaten of erkend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (5). Transacties met bepaalde centrale banken kunnen eveneens in overeenstemming zijn met de doelstelling van minimaliseren van tegenpartijrisico, op voorwaarde dat andere risico's, zoals kredietrisico, op geschikte wijze onder controle zijn. Aangezien derivaten gewoonlijk door kredietinstellingen en andere in artikel 7, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 bedoelde entiteiten worden uitgegeven, mag het in die bepaling neergelegde algemene verbod om in door deze entiteiten uitgegeven activa te beleggen niet voor het gebruik van derivaten gelden. |
|
(8) |
De Afwikkelingsraad moet het valutarisico in een mix van de valuta's van de lidstaten die aan het fonds deelnemen trachten af te dekken op basis van de financiële draagkracht van het fonds en van de verwachte uitbetalingen zoals bepaald door de huidige informatie, aannames en stressscenario's. De omvang van de afdekking, en bijgevolg van de resterende open valutablootstelling moet worden gekalibreerd om het valutarisico van het fonds te beperken in de mate die geschikt is voor en verenigbaar met zijn beleggingsdoelstellingen. |
|
(9) |
Met betrekking tot risicobeheer moet de Afwikkelingsraad van beste praktijken gebruikmaken en interne capaciteiten en functies instellen om deze te effectueren. De toereikende meting van risico dient een essentieel element te zijn van dat doorlopende proces. |
|
(10) |
Hoewel het binnen de prerogatieven van de Afwikkelingsraad ligt te beslissen over de implementatie van beleggingen, en derhalve zijn beleggingstaken gedeeltelijk uit te besteden, moeten alle potentiële conflicten met de prudente en veilige handelwijze die de Afwikkelingsraad aan de dag moet leggen en met zijn algehele beleggingsdoelstellingen worden vermeden, gezien het algemene belang dat het fonds te allen tijde in staat is zijn taken te vervullen. Derhalve mag de Afwikkelingsraad beleggingstaken alleen uitbesteden aan aanbieders die non-profit ondernemingen zijn. Desondanks moeten dienstverleners en de Afwikkelingsraad voor uitvoeringsdoeleinden de noodzakelijk dienstverleningscontracten met derden kunnen aangaan. Voorts moet de Afwikkelingsraad, ongeacht een uitbestedingsbeslissing, te allen tijde verantwoordelijk blijven en toezicht blijven uitoefenen. Wanneer naar de beste zakelijke praktijken inzake uitbesteding binnen de financiële sector wordt verwezen, moet de Afwikkelingsraad, voor zover mogelijk, rekening houden met de bestaande beste praktijken, zoals de richtsnoeren inzake uitbesteding van 14 december 2006 van het Comité van Europese bankentoezichthouders. |
|
(11) |
Totdat de Afwikkelingsraad zijn eerste beleggingsstrategie heeft vastgesteld, moet het hem worden toegestaan artikel 75, lid 3, van Verordening (EU) nr. 806/2014 uit te voeren uit hoofde van deposito's bij centrale banken. Evenzo moet het de Afwikkelingsraad worden toegestaan ramingen te gebruiken om de procentuele limieten met betrekking tot geografische concentratie te bepalen als neergelegd in deze verordening voordat de feitelijke gegevens om deze te berekenen beschikbaar komen. |
|
(12) |
Gezien de unieke aard van het fonds moeten de algemene beginselen en criteria voor zijn beleggingsstrategie en de regels voor zijn beheer neergelegd in deze verordening mogelijk vrij snel na de inwerkingtreding ervan worden getoetst, zodra de Afwikkelingsraad deze is beginnen toepassen. Hiertoe moet de Afwikkelingsraad één jaar na de oprichting van het fonds aan de Commissie voldoende informatie over de praktische toepassing van de nieuwe regels verstrekken, onder voorbehoud van artikel 99 van Verordening (EU) nr. 806/2014. |
|
(13) |
Deze verordening moet van toepassing zijn vanaf 1 januari 2016, wanneer het fonds operationeel wordt ingevolge Verordening (EU) nr. 806/2014, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Toepassingsgebied
1. Deze verordening stelt regels vast betreffende de beleggingen door de Gemeenschappelijke Afwikkelingsraad (hierna „de Afwikkelingsraad” genoemd) van de bedragen van het gemeenschappelijk afwikkelingsfonds (hierna „het fonds” genoemd) als bedoeld in artikel 75, lid 3, van Verordening (EU) nr. 806/2014.
2. Deze verordening is niet van toepassing op zekerheden van activa met een laag risico die niet met rechten van derden zijn bezwaard, waarover vrij kan worden beschikt en waarvan uitsluitend gebruik kan worden gemaakt door de Afwikkelingsraad als bedoeld in artikel 70, lid 3, van Verordening (EU) nr. 806/2014.
Artikel 2
Definities
Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:
1. „institutionele sectoren”: institutionele sectoren zoals omschreven bij punt 1.28 van bijlage A bij Verordening (EG) nr. 2223/96;
2. „sectoren van economische activiteit”: secties vervat in bijlage I van Verordening (EG) nr. 1893/2006;
3. „publiekrechtelijke instellingen”: publiekrechtelijke instellingen als omschreven in artikel 1, lid 9, van Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad (6);
4. „centrale banken van het ESCB”: centrale banken van het ESCB als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 45, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7).
Artikel 3
Beleggingsdoelstellingen
1. De Afwikkelingsraad voert een prudent en veilig beleggingsbeleid met als doel de bescherming van de waarde van de bedragen van het fonds en de naleving van de liquiditeitsvereisten van het fonds. De Afwikkelingsraad houdt rekening met zowel de financiële draagkracht van het fonds als de verwachte uitbetalingen overeenkomstig de opdracht van het fonds als omschreven in artikel 76 van Verordening (EU) nr. 806/2014. Hij houdt rekening met alle beschikbare informatie en toereikende aannames en stressscenario's.
2. De beleggingsstrategie behelst een omschrijving van de risicobereidheid, waarbij het maximum toelaatbaar potentieel verlies over een bepaalde tijdshorizon met een bepaalde waarschijnlijkheid wordt gekwantificeerd.
3. De in artikel 1, lid 1, van deze verordening bedoelde bedragen worden alle samen belegd als één pool van middelen, ongeacht de opdeling van het fonds in nationale compartimenten bedoeld in artikel 77 van Verordening (EU) nr. 806/2014.
Artikel 4
Voor beleggingen in aanmerking komende activa
1. De Afwikkelingsraad bepaalt het in aanmerking komen van activa voor beleggingen op basis van de algemene vereisten voor liquide activa van kredietinstellingen neergelegd in artikel 7, leden 2, 4, 5 en 6, en in artikel 7, lid 7, onder a) en b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.
2. De Afwikkelingsraad belegt de bedragen bedoeld in artikel 1, lid 1, uitsluitend in activa die voldoen aan de vereisten vastgesteld in artikel 10, lid 1, artikel 11, lid 1, artikel 12, lid 1, onder a) tot en met e), en artikel 15, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.
3. De vereisten voor kredietinstellingen neergelegd in artikel 10, lid 1, onder d), tweede zin, en in artikel 10, lid 1, onder f), iii), artikel 11, lid 1, onder c), iii), artikel 11, lid 1, onder d), v), en artikel 12, lid 1, onder e), ii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 zijn niet van toepassing op de Afwikkelingsraad.
4. De Afwikkelingsraad voert een passende beoordeling van een in aanmerking komend actief uit alvorens erin te beleggen, met inbegrip van een evaluatie van de liquiditeit en krdietwaardigheid ervan en van de verenigbaarheid ervan met de beleggingsdoelstellingen vervat in artikel 3. De interactie met de gehele beleggingsportefeuille moet in aanmerking worden genomen bij het bepalen of het prudent is een bepaalde belegging te doen
5. Indien een actief niet langer in aanmerking komt voor beleggingen, vermindert de Afwikkelingsraad geleidelijk de blootstelling van het Fonds aan dat specifieke actief. Onverminderd artikel 3 doet de Afwikkelingsraad dit binnen een tijdsbestek en op een wijze waarbij een impact op de marktprijzen wordt geminimaliseerd.
Artikel 5
Samenstelling van de portefeuille
1. De Afwikkelingsraad voldoet aan de volgende vereisten met betrekking tot de samenstelling van de portefeuille van het fonds:
|
a) |
minimum 60 % van de portefeuille bestaat uit activa die voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 10, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61; |
|
b) |
minimum 30 % van de portefeuille bestaat uit activa die voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 10, lid 1, onder a) tot en met e) en g), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61; |
|
c) |
maximum 15 % van de portefeuille wordt gehouden in activa die voldoen aan de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 12, lid 1, onder a) tot en met e), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. |
2. Voor de toepassing van lid 1 worden activa die voldoen aan de vereisten vastgesteld in artikel 15, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 op equivalente wijze behandeld als de onderliggende activa van de betreffende onderneming.
Artikel 6
Sectorale diversificatie
1. De beleggingen van de bedragen van het fonds worden voldoende gediversifieerd over de sectoren.
2. De Afwikkelingsraad beperkt de blootstellingen aan individuele institutionele sectoren en aan individuele sectoren van economische activiteit.
3. De Afwikkelingsraad houdt er rekening mee dat correlaties tussen sectoren van economische activiteit de werkelijke diversificatie die door toepassing van lid 2 tot stand is gebracht kunnen verminderen.
4. Naast de vereisten van artikel 4, lid 1, van deze verordening, beperkt de Afwikkelingsraad eveneens indirecte blootstellingen aan de emittenten vervat in artikel 7, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.
Artikel 7
Geografische diversificatie
1. Beleggingen van de bedragen van het fonds worden geografisch gediversifieerd, rekening houdend met de structuur en samenstelling van alle uitgaven van het fonds geraamd in deel II van de begroting van de Afwikkelingsraad ingevolge artikel 60 van Verordening (EU) nr. 806/2014.
2. De blootstellingen aan in artikel 4 gespecificeerde in aanmerking komende activa van emittenten die in een bepaalde deelnemende lidstaat gevestigd zijn, mogen, als aandeel van de totale blootstellingen van het fonds, niet meer uitmaken dan 1,2 maal het aandeel van de vooraf te betalen bijdragen geïnd in overeenstemming met artikel 70 van Verordening (EU) nr. 806/2014 van de instellingen waaraan in de betrokken lidstaat vergunning is verleend.
3. De blootstellingen aan in artikel 4 gespecificeerde in aanmerking komende activa van emittenten die in een bepaalde niet-deelnemende lidstaat of in een bepaald derde land gevestigd zijn, zijn, uitgedrukt als aandeel van de totale blootstellingen van het fonds, voldoende geografisch gediversifieerd, rekening houdend met criteria zoals de omvang van de economie, de diepte en liquiditeit van de financiële markt en de extra beleggingsmogelijkheden, mede in termen van risicodiversificatie.
Die blootstelling mag in geen geval de hoogste limiet overschrijden vastgesteld bij lid 2.
Artikel 8
Diversificatie naar emittent en emissie
1. De Afwikkelingsraad stelt een plafond vast van maximaal 30 % van één enkele emissie waarin bedragen van het fonds mogen worden belegd. Dat plafond mag alleen worden overschreden indien, gezien de aard van de belegging, de aankoop van een bedrag van een effect van die bepaalde belegging resulteert in eigendom van 100 % van het overeenkomstige International Securities Identification Number (ISIN).
2. De Afwikkelingsraad stelt een plafond vast van maximaal 30 % voor de totale emissies van een emittent waarin bedragen van het fonds mogen worden belegd.
Artikel 9
Bijkomende criteria inzake diversificatie
1. Onverminderd artikel 3 tracht de Afwikkelingsraad de beleggingen te diversifiëren naar looptijd.
2. Bij het nemen van een besluit inzake diversificatie houdt de Afwikkelingsraad rekening met de elementen die zijn vastgesteld in artikel 3, lid 1, van deze verordening en, in voorkomend geval, de liquiditeit en andere kenmerken van de zekerheden als bedoeld in artikel 70, lid 3, van Verordening (EU) nr. 806/2014.
Artikel 10
Derivaten
1. De Afwikkelingsraad gebruikt derivaten alleen voor risicobeheerdoeleinden, met inbegrip van het beheer van marktrisico en liquiditeitsrisico. De Afwikkelingsraad kan richtsnoeren vaststellen om het in aanmerking komende gebruik van derivaten te specificeren.
2. De Afwikkelingsraad gebruikt alleen derivaten die zijn gecleard door:
|
a) |
een centrale tegenpartij waaraan vergunning overeenkomstig artikel 14 of 15 van Verordening (EU) nr. 648/2012 of erkenning overeenkomstig artikel 25 van die verordening is verleend, of |
|
b) |
een centrale bank, op voorwaarde dat aan blootstellingen aan die centrale bank of de betreffende centrale overheid een kredietbeoordeling van een aangewezen externe kredietbeoordelingsinstelling (EKBI) van ten minste kredietkwaliteitscategorie 1 is toegekend overeenkomstig artikel 114, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013. |
3. Het vereiste neergelegd in artikel 7, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 is niet van toepassing op het gebruik van derivaten door de Afwikkelingsraad ingevolge dit artikel.
Artikel 11
Valuta
1. De Afwikkelingsraad dekt valutarisico in euro of in valuta's van deelnemende lidstaten die niet de euro als munt hebben af om voor een beperkt resterend valutarisico voor het fonds te zorgen.
2. In voorkomend geval houdt de Afwikkelingsraad, om het valutarisico tussen de verschillende valuta's bedoeld in lid 1 te beheren, rekening met de elementen neergelegd in artikel 3, lid 1.
Artikel 12
Bijkomende algemene beginselen
1. Voor alle beleggingsbeslissingen houdt de Afwikkelingsraad rekening met de mogelijke repercussies op de kredietwaardigheid van het fonds om de prerogatieven van de Afwikkelingsraad ten aanzien van beide alternatieve financieringsmiddelen, zoals vastgesteld bij artikel 73 van Verordening (EU) nr. 806/2014, te beschermen en om toegang te verkrijgen tot financiële regelingen betreffende de onmiddellijke beschikbaarheid van extra financiële middelen, zoals vastgesteld bij artikel 74 van die verordening.
2. Onverminderd artikel 3 voert de Afwikkelingsraad alle transacties in verband met de beleggingen van het fonds uit op een wijze die alle effecten op de markprijzen beperkt, zelfs in situaties van marktstress.
3. Aangezien een onmiddellijke aankoop of verkoop van beleggingen van de bedragen als bedoeld in artikel 1, lid 1, tot marktimpacts zou kunnen leiden, kan de Afwikkelingsraad bepaald tijdelijk afwijken van de algemene beginselen en criteria voor de beleggingsstrategie van het fonds toestaan.
Artikel 13
Toetsing van de strategie
De Afwikkelingsraad toetst ieder jaar de beleggingsstrategie.
Artikel 14
Administratie
1. De Afwikkelingsraad stelt een governancekader vast, met inbegrip van een toewijzing van taken en verantwoordelijkheden en noodzakelijke delegaties, om voor een efficiënte implementatie van de beleggingsstrategie te zorgen.
2. De Afwikkelingsraad stelt interne controlenormen vast om na te gaan of de implementatie van de beleggingsstrategie, de beleggingsstrategie en de in deze verordening vervatte regels met elkaar in overeenstemming zijn.
3. De plenaire vergadering van de Afwikkelingsraad wordt door de bestuursvergadering op de hoogte gehouden van de resultaten van de implementatie van de beleggingsstrategie.
4. De Afwikkelingsraad stelt alle interne regels en procedures vast die noodzakelijk zijn om deze verordening toe te passen.
5. De Afwikkelingsraad kan een comité van de plenaire vergadering oprichten met het mandaat om de Afwikkelingsraad bij te staan bij de toepassing van deze verordening.
Artikel 15
Risicobeheer
1. De Afwikkelingsraad voldoet aan de beginselen van gezond financieel en risicobeheer.
2. De Afwikkelingsraad kwantificeert alle risico's aan de hand van passende maatstaven voor het beheer van en de controle op de betrokken typen risico.
3. De Afwikkelingsraad past meerdere risicomaatstaven voor ieder type risico toe, registreert zowel actuele als toekomstgerichte aspecten en gebruikt zowel kwantitatieve als kwalitatieve informatie om te vermijden dat teveel op één risicomaatstaf gesteund wordt.
4. De Afwikkelingsraad vult regelmatige risicometing met stresstests en scenarioanalyse aan om na te gaan welke gebieden een hoog risico lopen en om de gecombineerde effecten van financiële schokken te evalueren.
Artikel 16
Uitbesteding
1. De bestuursvergadering van de Afwikkelingsraad kan besluiten tot de volledige of gedeeltelijke uitbesteding van bepaalde activiteiten die bij artikel 75, lid 3, van Verordening (EU) nr. 806/2014 aan de Afwikkelingsraad zijn opgedragen.
2. De Afwikkelingsraad mag de activiteiten bedoeld in lid 1 slechts uitbesteden aan één of meer publiekrechtelijke instellingen, centrale banken van het ESCB, krachtens het volkenrecht opgerichte internationale instellingen of Unierechtelijke instellingen, mits deze instellingen een vaste praktijk van het beheer van vergelijkbare beleggingen hebben en onverminderd de mogelijkheid van de dienstverlener om contracten te sluiten voor diensten van derden.
3. In het beleggingsmandaat van de Afwikkelingsraad aan de dienstverlener wordt een duidelijke omschrijving gegeven van ten minste de duur, de looptijd, het in aanmerking komende terrein en de benchmarkingvereisten, en wordt ook een kader vastgesteld voor regelmatige verslaggeving door de dienstverlener aan de Afwikkelingsraad.
4. Elk contract tussen de Afwikkelingsraad en een dienstverlener voor de activiteiten bedoeld in lid 1 bevat clausules die gelden voor de annuleringsrechten van de Afwikkelingsraad, uitbestedingsketens en wanprestatie van de dienstverlener.
5. De bestuursvergadering van de Afwikkelingsraad stelt de plenaire vergadering van komende besluiten inzake uitbesteding op de hoogte.
6. Als de Afwikkelingsraad de activiteiten bedoeld in lid 1 geheel of gedeeltelijk uitbesteedt, blijft hij volledig verantwoordelijk voor het naleven van al zijn verplichtingen in het kader van Verordening (EU) nr. 806/2014 en deze verordening.
7. Indien hij besluit een activiteit bedoeld in lid 1 uit te besteden, houdt de Afwikkelingsraad rekening met de beste zakelijke praktijken met betrekking tot uitbesteding in de financiële sector.
8. Als de Afwikkelingsraad de activiteiten bedoeld in lid 1 geheel of gedeeltelijk uitbesteedt, zorgt hij er te allen tijde voor dat:
|
a) |
uitbesteding geen delegatie van de verantwoordelijkheid van de Afwikkelingsraad tot gevolg heeft; |
|
b) |
uitbesteding niet de verantwoordingsplicht van de Afwikkelingsraad op grond van artikel 45 en artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 806/2014, noch de onafhankelijkheid ervan op grond van artikel 47 uitsluit; |
|
c) |
uitbesteding niet betekent dat de nodige risicobeheersystemen en -controles aan de Afwikkelingsraad worden ontnomen; |
|
d) |
de dienstverlener equivalente regelingen voor bedrijfscontinuïteit toepast als die van de Afwikkelingsraad; |
|
e) |
de Afwikkelingsraad de vereiste deskundigheid en middelen behoudt om de kwaliteit van de verleende diensten en de organisatorische bekwaamheid en de kapitaaltoereikendheid van de dienstverlener te beoordelen, om effectief toezicht te houden op de uitbestede taken en om de aan de uitbesteding verbonden risico's te beheren, en daarnaast op permanente basis toezicht houdt op deze taken en deze risico's beheert; |
|
f) |
de Afwikkelingsraad directe toegang heeft tot de relevante informatie over de uitbestede activiteiten; |
|
g) |
de dienstverlener vertrouwelijke informatie betreffende de Afwikkelingsraad beschermt. |
Artikel 17
Overgangsbepalingen
1. Vóór de vaststelling van zijn eerste beleggingsstrategie kan de Afwikkelingsraad alle in artikel 1, lid 1, bedoelde bedragen bij de centrale bank van één of meer lidstaten deponeren.
2. Alvorens de berekeningen die vereist zijn voor de bepaling van de aandelen als bedoeld in artikel 7, lid 2, voor het eerst uit te voeren, kan de Afwikkelingsraad gebruikmaken van schattingen met het oog op de toepassing van de artikelen 7, leden 2 en 3.
Artikel 18
Verslag
De Afwikkelingsraad dient tegen 31 december 2016 bij de Commissie een verslag in over de toepassing van deze verordening.
Artikel 19
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 december 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (PB L 11 van 17.1.2015, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 3037/90 en enkele EG-verordeningen op specifieke statistische gebieden (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).
(5) Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1)
(6) Richtlijn 2004/18/EG van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 houdende coördinatie van de procedures voor het plaatsen van opdrachten in de sectoren water- en energievoorziening, vervoer en postdiensten (PB L 134 van 30.4.2004, blz. 114).
(7) Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).
|
30.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79/10 |
VERORDENING (EU) 2016/452 VAN DE COMMISSIE
van 29 maart 2016
tot wijziging van de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor captan, propiconazool en spiroxamine in of op bepaalde producten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 14, lid 1, onder a), en artikel 49, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Voor captan, propiconazool en spiroxamine zijn maximumresidugehalten (MRL's) vastgesteld in bijlage II en bijlage III, deel B, bij Verordening (EG) nr. 396/2005. |
|
(2) |
Voor captan heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) overeenkomstig artikel 12, lid 2, juncto artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (2). Zij heeft voorgesteld de residudefinitie voor plantenproducten te wijzigen. Zij heeft aanbevolen om de bestaande MRL's voor bepaalde producten te verhogen of te handhaven. Zij heeft geconcludeerd dat met betrekking tot de MRL's voor appelen, peren, kweeperen, mispels, loquats, abrikozen, kersen, perziken, pruimen, aardbeien, bramen, frambozen, blauwe bessen, aalbessen, kruisbessen en tomaten sommige gegevens niet beschikbaar waren en dat er behoefte was aan verder onderzoek door risicomanagers. Aangezien er geen risico voor consumenten is, moeten de MRL's voor deze producten in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden vastgesteld op het bestaande niveau of op het door de EFSA vastgestelde niveau. Deze MRL's worden later opnieuw beoordeeld; daarbij zal rekening worden gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. De EFSA heeft geconcludeerd dat met betrekking tot de MRL's voor amandelen, tafeldruiven, wijndruiven, aardappelen, komkommers, meloenen, andijvie, preien, maïs en sorghum geen gegevens beschikbaar waren en dat er behoefte was aan verder onderzoek door risicomanagers. De MRL's voor deze producten moeten worden vastgesteld op de specifieke bepaalbaarheidsgrens. |
|
(3) |
Voor propiconazool heeft de EFSA overeenkomstig artikel 12, lid 2, juncto artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (3). Zij heeft geconcludeerd dat met betrekking tot de MRL's voor grapefruits, citroenen, lemmetjes, mandarijnen, appelen, abrikozen, tafel- en wijndruiven, bananen, koolzaad, gerst, haver, rijst, rogge, tarwe, suikerbiet, varkens (spier en vetweefsel), runderen (spier en vetweefsel), schapen (spier en vetweefsel), geiten (spier en vetweefsel), pluimvee (spier en vetweefsel), melk van runderen, schapen en geiten en vogeleieren sommige gegevens niet beschikbaar waren en dat er behoefte was aan verder onderzoek door risicomanagers. Aangezien er geen risico voor consumenten is, moeten de MRL's voor deze producten in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden vastgesteld op het bestaande niveau of op het door de EFSA vastgestelde niveau. Deze MRL's worden later opnieuw beoordeeld; daarbij zal rekening worden gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. De EFSA heeft geconcludeerd dat met betrekking tot de MRL's voor amandelen, kersen, pruimen, aardbeien, aalbessen (rood, wit en zwart), kruisbessen, paprika's, komkommers, artisjokken, pinda's en thee geen gegevens beschikbaar waren en dat er behoefte was aan verder onderzoek door risicomanagers. De MRL's voor deze producten moeten worden vastgesteld op de specifieke bepaalbaarheidsgrens. |
|
(4) |
Voor spiroxamine heeft de EFSA overeenkomstig artikel 12, lid 2, juncto artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (4). Zij heeft voorgesteld de residudefinitie te wijzigen en heeft geconcludeerd dat met betrekking tot de MRL's voor tafel- en wijndruiven, bananen, gerst, haver, rogge, tarwe, pluimvee (spier, vetweefsel en lever) en vogeleieren sommige gegevens niet beschikbaar waren en dat er behoefte was aan verder onderzoek door risicomanagers. Aangezien er geen risico voor consumenten is, moeten de MRL's voor deze producten in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden vastgesteld op het bestaande niveau of op het door de EFSA vastgestelde niveau. Deze MRL's worden later opnieuw beoordeeld; daarbij zal rekening worden gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. Aangezien het passend is om de residudefinitie voor producten van dierlijke oorsprong vast te stellen als „spiroxaminecarbonzuur metaboliet M06, uitgedrukt als spiroxamine (som van de isomeren)”, is er voldoende informatie beschikbaar om de MRL's voor varkens (spier, vetweefsel, lever en nier), runderen (spier, vetweefsel, lever en nier), schapen (spier, vetweefsel, lever en nier), geiten (spier, vetweefsel, lever en nier) en melk van runderen, schapen en geiten vast te stellen. Aangezien de MRL's voor gerst en haver van 0,4 mg/kg gebaseerd zijn op een goede landbouwpraktijk die niet meer wordt ondersteund, moeten de MRL's voor deze producten worden verlaagd tot 0,05 mg/kg. |
|
(5) |
Met betrekking tot producten waarop het gebruik van het betrokken gewasbeschermingsmiddel niet is toegelaten, en waarvoor geen invoertoleranties of Codex-grenswaarden (CXL's) bestaan, moeten de MRL's worden vastgesteld op de specifieke bepaalbaarheidsgrens of moet het standaard-MRL overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 396/2005 van toepassing zijn. |
|
(6) |
De Commissie heeft de referentielaboratoria van de Europese Unie voor bestrijdingsmiddelenresiduen geraadpleegd over de noodzaak enkele bepaalbaarheidsgrenzen aan te passen. Voor een aantal stoffen kwamen die laboratoria tot de conclusie dat voor bepaalde producten in verband met de technische ontwikkelingen specifieke bepaalbaarheidsgrenzen moeten worden vastgesteld. |
|
(7) |
Op grond van de met redenen omklede adviezen van de EFSA en rekening houdend met de ter zake relevante factoren voldoen de wijzigingen van de MRL's aan de vereisten van artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 396/2005. |
|
(8) |
Via de Wereldhandelsorganisatie zijn de handelspartners van de Unie geraadpleegd over de nieuwe MRL's. Er zijn van verschillende derde landen opmerkingen over de nieuwe residudefinitie en het MRL voor captan in wijndruiven ontvangen. Het is passend de bestaande residudefinitie en het MRL tijdelijk te handhaven zodat voor wijndruiven residugegevens in overeenstemming met de voorgestelde residudefinitie kunnen worden verzameld. Dit MRL wordt herzien; daarbij zal rekening worden gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. |
|
(9) |
Verordening (EG) nr. 396/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
Deze verordening moet voorzien in een overgangsregeling voor producten die vóór de wijziging van de MRL's werden vervaardigd en waarvoor informatie beschikbaar is waaruit blijkt dat een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gehandhaafd, zodat deze op een normale wijze in de handel gebracht, verwerkt en geconsumeerd kunnen worden. |
|
(11) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat de gewijzigde MRL's van toepassing worden, zodat de lidstaten, derde landen en de exploitanten van levensmiddelenbedrijven zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de wijziging van de MRL's zullen voortvloeien. |
|
(12) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Verordening (EG) nr. 396/2005 blijft in de versie die vóór de wijziging uit hoofde van deze verordening van kracht was, van toepassing op producten die vóór 19 oktober 2016 zijn geproduceerd.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 19 oktober 2016.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 maart 2016.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(2) EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), 2014: Reasoned opinion on the review of the existing maximum residue levels (MRLs) for captan according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2014;12(4):3663 [55 blz.].
(3) EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), 2015: Review of the existing maximum residue levels (MRLs) for propiconazole according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2015;13(1):3975.
(4) EFSA (Europese Autoriteit voor voedselveiligheid), 2015: Review of the existing maximum residue levels (MRLs) for spiroxamine according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2015;13(1):3992.
BIJLAGE
De bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
In bijlage II worden de kolommen voor captan, propiconazool en spiroxamine vervangen door: „Bestrijdingsmiddelenresiduen en maximumresidugehalten (mg/kg)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
In bijlage III, deel B, worden de kolommen voor captan, propiconazool en spiroxamine geschrapt. |
(*1) Bepaalbaarheidsgrens
(1) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.
|
30.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79/28 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/453 VAN DE COMMISSIE
van 29 maart 2016
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 maart 2016.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
EG |
109,3 |
|
IL |
136,2 |
|
|
MA |
67,4 |
|
|
SN |
144,4 |
|
|
TR |
94,3 |
|
|
ZZ |
110,3 |
|
|
0707 00 05 |
MA |
77,1 |
|
TR |
137,0 |
|
|
ZZ |
107,1 |
|
|
0709 93 10 |
EG |
44,3 |
|
MA |
41,8 |
|
|
TR |
159,5 |
|
|
ZZ |
81,9 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
51,3 |
|
IL |
69,5 |
|
|
MA |
55,6 |
|
|
TN |
69,7 |
|
|
TR |
72,3 |
|
|
ZZ |
63,7 |
|
|
0805 50 10 |
MA |
85,8 |
|
TR |
88,5 |
|
|
ZZ |
87,2 |
|
|
0808 10 80 |
BR |
91,0 |
|
CL |
130,3 |
|
|
US |
134,5 |
|
|
ZA |
99,3 |
|
|
ZZ |
113,8 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
78,4 |
|
CL |
163,1 |
|
|
CN |
88,3 |
|
|
TR |
159,2 |
|
|
ZA |
121,7 |
|
|
ZZ |
122,1 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
30.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79/30 |
BESLUIT (EU, Euratom) 2016/454 VAN DE RAAD
van 22 maart 2016
tot benoeming van drie rechters bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 257, vierde alinea,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het mandaat van twee rechters bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie („het Gerecht voor ambtenarenzaken”) is op 30 september 2014 verstreken, en het mandaat van een derde rechter is op 31 augustus 2015 verstreken. Krachtens artikel 2 en artikel 3, lid 1, van bijlage I bij Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, moeten er derhalve drie nieuwe rechters worden benoemd om in die vacante zetels te voorzien. |
|
(2) |
Naar aanleiding van de in 2013 gepubliceerde openbare oproep tot kandidaatstelling (1) met het oog op de benoeming van twee rechters bij het Gerecht voor ambtenarenzaken bracht het comité, opgericht bij artikel 3, lid 3, van bijlage I bij Protocol nr. 3 („het selectiecomité”), advies uit over de geschiktheid van de kandidaten voor de uitoefening van het ambt van rechter in het Gerecht voor ambtenarenzaken. Het selectiecomité voegde bij dit advies een lijst van zes kandidaten met de meest passende ervaring op hoog niveau. |
|
(3) |
Naar aanleiding van het politiek akkoord over de hervorming van de gerechtelijke structuur van de Unie, dat heeft geleid tot de vaststelling van Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad (2), presenteerde het Hof van Justitie op 17 november 2015 een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende de overdracht aan het Gerecht van de Europese Unie van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar personeelsleden; die verordening zou met ingang van 1 september 2016 van toepassing zijn. |
|
(4) |
Het is vanwege het tijdsbestek passend om geen nieuwe openbare oproep tot kandidaatstelling te publiceren, maar om te putten uit de lijst van zes kandidaten met de meest passende ervaring op hoog niveau die het selectiecomité na de in 2013 gepubliceerde openbare oproep tot kandidaatstelling heeft samengesteld. |
|
(5) |
Het is derhalve passend over te gaan tot de benoeming van drie van de op bovengenoemde lijst vermelde personen tot rechter bij het Gerecht voor ambtenarenzaken, waarbij moet worden toegezien op een evenwichtige samenstelling van het Gerecht voor ambtenarenzaken op basis van een zo breed mogelijke geografische spreiding onder de onderdanen van de lidstaten en met betrekking tot de vertegenwoordigde nationale rechtsstelsels. De drie personen op die lijst die de meest passende ervaring op hoog niveau hebben, zijn de heer Sean VAN RAEPENBUSCH, de heer João SANT'ANNA en de heer Alexander KORNEZOV. De heer João SANT'ANNA en de heer Alexander KORNEZOV moeten worden benoemd met ingang van de datum van inwerkingtreding van dit besluit. Aangezien de heer Sean VAN RAEPENBUSCH tot en met 30 september 2014 reeds rechter bij het Gerecht voor ambtenarenzaken was, en in overeenstemming met artikel 5 van Protocol nr. 3 in afwachting van het besluit van de Raad zijn ambt is blijven uitoefenen, is het passend hem voor een nieuw mandaat te benoemen dat ingaat op de dag na het einde van zijn vorige mandaat. |
|
(6) |
Uit artikel 2 van bijlage I bij Protocol nr. 3 volgt dat in elke vacante zetel moet worden voorzien door benoeming van een nieuwe rechter voor een periode van zes jaar. Vanaf de toepassing van de voorgestelde verordening betreffende de overdracht aan het Gerecht van de Europese Unie van de bevoegdheid om in eerste aanleg uitspraak te doen in geschillen tussen de Unie en haar personeelsleden houdt het Gerecht voor ambtenarenzaken evenwel op te bestaan en verstrijkt het mandaat van de bij dit besluit benoemde drie rechters feitelijk op de dag voorafgaand aan de datum van toepassing van die verordening, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De volgende personen worden benoemd tot rechter bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie:
|
— |
de heer Sean VAN RAEPENBUSCH, met ingang van 1 oktober 2014, |
|
— |
de heer João SANT'ANNA, met ingang van 1 april 2016, |
|
— |
de heer Alexander KORNEZOV met ingang van 1 april 2016. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op 1 april 2016.
Gedaan te Brussel, 22 maart 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
A.G. KOENDERS
(1) PB C 353 van 3.12.2013, blz. 11.
(2) Verordening (EU, Euratom) 2015/2422 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van Protocol nr. 3 betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (PB L 341 van 24.12.2015, blz. 14).
|
30.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79/32 |
BESLUIT (EU) 2016/455 VAN DE RAAD
van 22 maart 2016
waarbij machtiging wordt verleend tot het openen van onderhandelingen namens de Unie over de onderdelen van een ontwerptekst voor een juridisch bindend internationaal instrument, in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, betreffende de instandhouding en het duurzame gebruik van mariene biodiversiteit van gebieden buiten nationale jurisdictie
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name op artikel 192, lid 1, in samenhang met artikel 218, leden 3 en 4,
Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Besluit 98/392/EG van de Raad (1) heeft de Unie het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee (Unclos, hierna het „Zeerechtverdrag” genoemd), voor wat betreft de onder het Zeerechtverdrag vallende aangelegenheden waarvoor de bevoegdheid door de lidstaten aan de Unie is overgedragen, formeel gesloten; de Unie is de enige internationale organisatie in de zin van artikel 305, lid 1, onder f), en artikel 1 van bijlage IX bij het Zeerechtverdrag die tot op heden partij is bij dat verdrag. |
|
(2) |
Als partij bij het Zeerechtverdrag heeft de Unie, naast haar lidstaten, deelgenomen aan de informele open werkgroep ad hoc van de VN (de „werkgroep”) om zich te buigen over kwesties die verband houden met de instandhouding en het duurzame gebruik van mariene biodiversiteit in gebieden buiten nationale jurisdictie. Tijdens de laatste bijeenkomst van de werkgroep werd aanbevolen een juridisch bindend internationaal instrument in het kader van het Zeerechtverdrag te ontwikkelen inzake de instandhouding en het duurzame gebruik van mariene biodiversiteit in gebieden buiten nationale jurisdictie (het „instrument”). |
|
(3) |
Naar aanleiding van de op 23 januari 2015 door de werkgroep aangenomen aanbevelingen heeft de Algemene vergadering van de VN op 19 juni 2015 Resolutie 69/292 aangenomen, waarbij in de aanloop naar een intergouvernementele conferentie een voorbereidend comité is ingesteld dat open staat voor alle staten die lid zijn van de Verenigde Naties, voor de leden van gespecialiseerde agentschappen en voor de partijen bij het Zeerechtverdrag, en dat als opdracht heeft de Algemene vergadering van de VN inhoudelijke aanbevelingen te doen over de onderdelen van een ontwerpinstrument. Het voorbereidend comité zal zijn werkzaamheden aanvangen in 2016 en zal uiterlijk eind 2017 over de geboekte vooruitgang verslag uitbrengen aan de vergadering, die zal beslissen of en wanneer een intergouvernementele conferentie wordt bijeengeroepen om de aanbevelingen van het voorbereidend comité betreffende de onderdelen te bespreken en de tekst van een juridisch bindend internationaal instrument in het kader van het Zeerechtverdrag uit te werken. |
|
(4) |
De Unie en haar lidstaten zijn partij bij het Zeerechtverdrag. De Unie moet, naast haar lidstaten, deelnemen aan de onderhandelingen over de door het voorbereidend comité uit te werken onderdelen van een ontwerpinstrument. Het recht van de Unie om aan de bijeenkomsten van het voorbereidend comité deel te nemen, volgt uit punt 1, onder j), van Resolutie 69/292. |
|
(5) |
In een later stadium kunnen dit besluit tot het openen van onderhandelingen en de bijbehorende onderhandelingsrichtsnoeren worden aangevuld met een nieuw besluit met onderhandelingsrichtsnoeren voor de deelname aan de eventuele intergouvernementele conferentie. |
|
(6) |
De door de onderhandelingen bestreken aangelegenheden kunnen zowel binnen de bevoegdheid van de Unie als die van de lidstaten vallen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De Commissie wordt hierbij gemachtigd om, namens de Unie, met betrekking tot aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen en ten aanzien waarvan de Unie regels heeft vastgesteld, te onderhandelen over de onderdelen van een ontwerptekst voor een internationaal juridisch bindend instrument in het kader van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee, betreffende de instandhouding en het duurzame gebruik van mariene biodiversiteit van gebieden buiten nationale jurisdictie tijdens vergaderingen van het voorbereidend comité van de VN dat is ingesteld bij Resolutie 69/292 van de Algemene Vergadering van de VN.
Artikel 2
De Commissie voert deze onderhandelingen namens de Unie, met betrekking tot aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen en ten aanzien waarvan de Unie regels heeft vastgesteld, overeenkomstig de onderhandelingsrichtsnoeren in de bijlage bij dit besluit. De onderhandelingsrichtsnoeren kunnen niet zodanig worden gelezen dat ze op enige wijze afbreuk doen aan de respectieve bevoegdheden van de Unie en de lidstaten.
Artikel 3
De Commissie voert deze onderhandelingen in overleg met een speciaal comité dat hierbij wordt ingesteld. Het speciaal comité is de Groep zeerecht (COMAR).
Artikel 4
Voor zover de inhoud van de onderhandelingen zowel onder de bevoegdheid van de Unie als onder die van haar lidstaten valt, dienen de Commissie en de lidstaten gedurende de onderhandelingen intensief samen te werken teneinde te zorgen voor eenheid bij de internationale vertegenwoordiging van de Unie en haar lidstaten.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de Commissie.
Gedaan te Brussel, 22 maart 2016.
Voor de Raad
De voorzitter
A.G. KOENDERS
(1) Besluit 98/392/EG van de Raad van 23 maart 1998 betreffende de sluiting door de Europese Gemeenschap van het verdrag van de Verenigde Naties inzake het recht van de zee van 10 december 1982 en de overeenkomst inzake de toepassing van deel XI van dat verdrag van 28 juli 1994 (PB L 179 van 23.6.1998, blz. 1).
|
30.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79/34 |
BESLUIT (EU) 2016/456 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 4 maart 2016
betreffende de voorwaarden voor onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding ten aanzien van de Europese Centrale Bank, op het gebied van fraudepreventie, corruptie en elke andere onwettige activiteit die de financiële belangen van de unie schaadt (ECB/2016/3)
(herschikking)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 12.3,
Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 september 2013 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (Euratom) nr. 1074/1999 van de Raad (1), met name artikel 4, lid 1 en 7,
Overwegende:
|
(1) |
Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 bepaalt dat het Europees Bureau voor fraudebestrijding (het „Bureau”) bij instellingen, organen en instanties, die werden opgericht bij of krachtens de Verdragen, administratieve fraudeonderzoeken („interne onderzoeken”) moet openen en verrichten ter bestrijding van fraude, corruptie en elke andere ontwettige activiteit die de financiële belangen van de Unie schaadt. Het Bureau spoort daartoe ernstige feiten op in verband met de uitoefening van werkzaamheden in dienstverband die onverenigbaar kunnen zijn met de plichten van ambtenaren en andere personeelsleden van de Unie, en kunnen resulteren in disciplinaire of, in voorkomend geval, strafrechtelijke procedures, dan wel een equivalent tekortschieten door leden van instellingen en organen, hoofden van instanties of personeelsleden van instellingen, organen en instanties die niet vallen onder het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie of de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (het „Statuut”). |
|
(2) |
Voor de Europese Centrale Bank (ECB) zijn die werkzaamheden en verplichtingen in dienstverband, met name de verplichtingen in verband met gedragsregels en beroepsgeheim, vastgelegd in a) de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank, en b) de personeelsverordeningen en -regelingen van de Europese Centrale Bank, en c) bijlage IIb bij de arbeidsvoorwaarden inzake kortetermijntewerkstelling, en d) de regelingen van de Europese Centrale Bank inzake kortetermijntewerkstelling, en voorts fungeren als leidraad e) de Gedragscode voor de leden van de Raad van bestuur (2), f) de aanvullende Code met ethische criteria voor de leden van de directie van de Europese Centrale Bank (3) en g) de Gedragscode voor de leden van de Raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (4) (hierna gezamenlijk de „arbeidsvoorwaarden van de ECB”). |
|
(3) |
Artikel 4, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 bepaalt dat aangaande de bescherming van de financiële belangen van de Unie en fraudebestrijding, en elke andere ontwettige activiteit die de financiële belangen van de Unie schaadt, het Bureau administratieve onderzoeken verricht binnen de instellingen, organen en instanties onder de voorwaarden die zijn vastgesteld in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en in de besluiten van elke instelling, orgaan en instantie. Artikel 4, lid 7 bepaalt van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 elke instelling, elk orgaan en elke instantie een besluit moet vaststellen dat „in het bijzonder een regel omvat betreffende de verplichting voor ambtenaren, andere personeelsleden, leden van instellingen of organen, hoofden van instanties of personeelsleden om samen te werken met en gegevens te verstrekken aan het Bureau, met inachtneming van het vertrouwelijke karakter van het interne onderzoek”. Overeenkomstig de rechtspraak van de Unie kan het Bureau slechts een onderzoek openen op grond van voldoende ernstige verdenking (5). |
|
(4) |
Luidens overweging 12 van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 moeten onderzoeken conform de Verdragen uitgevoerd worden, met name overeenkomstig Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, met inachtneming van het Statuut en tevens met inachtneming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, met name van het billikheidsbeginsel, van het recht van de betrokkene zich over de haar of hem betreffende feiten uit te spreken en van het recht dat de bevindingen van een onderzoek alleen mogen berusten op elementen die bewijskracht hebben, alsook met inachtneming van algemene beginselen die de lidstaten gemeen hebben en die het Hof van Justitie van de Europese Unie erkend heeft, zoals bijvoorbeeld de vertrouwelijkheid van juridische adviezen (vertrouwelijkheid van de communicatie tussen advocaat en cliënt). Daartoe moeten instellingen, organen en instanties voorwaarden vaststellen waaronder interne onderzoeken verricht moeten worden. |
|
(5) |
Besluit ECB/2004/11 (6) werd vastgesteld om de voorwaarden te bepalen waaronder interne onderzoeken krachtens Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad (7) in de ECB verricht moeten worden. Om rekening te houden met de intrekking en vervanging van Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad door Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013, en de oprichting van nieuwe ECB-organen sedert de vaststelling van Besluit ECB/2004/11 is een herziening van het vigerende juridische kader noodzakelijk. |
|
(6) |
Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (8) richtte de Raad van toezicht op als een intern ECB-orgaan voor de planning en uitvoering van specifieke taken betreffende beleid op het gebied prudentieel toezicht op kredietinstellingen dat aan de ECB werd opgedragen. Op basis van artikel 24, lid 1 en artikel 25, lid 5 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 heeft de ECB een Administratieve Raad voor toetsing (9) en een bemiddelingspanel opgericht (10). Voorts op basis van artikel 3, lid 1 en 143, lid 1, van Verordening EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (11) heeft de ECB gezamenlijk toezichthoudende teams opgericht voor het toezicht op iedere belangrijke onder toezicht staande entiteit of belangrijke onder toezicht staande groep, en teams voor inspecties ter plaatse. Vervolgens, heeft de ECB op basis van artikel 9 bis en 9 ter van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (12) respectievelijk, Ethisch comité (13) en een Auditcomité opgericht. |
|
(7) |
Dit besluit is van toepassing op de leden van gezamenlijk toezichthoudende teams en teams voor inspecties ter plaatse op wie de ECB-arbeidsvoorwaarden niet van toepassing zijn. Personeelsleden van nationaal bevoegde autoriteiten die leden zijn van gezamenlijk toezichthoudende teams en teams voor inspecties ter plaatse vallen binnen de controlesfeer van de ECB inzake aangelegenheden die verband houden met hun werk betreffende taken die krachtens de Verordening (EU) nr. 1024/2013 aan de ECB zijn opgedragen. Artikel 6, lid 1 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bepaalt dat de ECB verantwoordelijk is voor het doeltreffend en samenhangend functioneren van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM). Artikel 6, lid 1 en artikel 146, lid 1, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) bepalen dat de leden van gezamenlijk toezichthoudende teams en van teams voor inspectie ter plaatse de instructies van de respectievelijke teamcoördinator opvolgen. Deze bepalingen zijn gebaseerd op artikel 6, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 dat van de ECB vereist een kader vast te stellen om praktische regelingen te organiseren voor de implementatie van de samenwerking binnen het GTM. |
|
(8) |
Bij de vaststelling van dit besluit moet de ECB elke beperking ten aanzien van interne onderzoeken rechtvaardigen, die de bij artikel 127 en 128 van het Verdrag en bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 aan de ECB opgedragen specifieke taken en plichten betret. Die beperkingen moeten de voor bepaalde ECB-gegevens noodzakelijke vertrouwelijkheid verzekeren en uitvoering geven aan het oogmerk van de wetgever om de fraudebestrijding te versterken. Afgezien van deze specifieke taken en plichten moet de ECB ook binnen het kader van dit besluit worden behandeld als een met andere Unie-instellingen en -organen gelijk te stellen openbaar lichaam. |
|
(9) |
In uitzonderlijke gevallen waarin vertrouwelijke gegevens, waarover de ECB voor het uitvoeren van haar taken beschikt, buiten de ECB circuleren, zou dat het functioneren van de ECB ernstig kunnen ondermijnen. In dergelijke gevallen besluit de directie het Bureau toegang te verschaffen tot gegevens, dan wel het Bureau gegevens toe te sturen. Toegang moet verschaft worden tot gegevens die ouder zijn dan één jaar op het gebied van bijvoorbeeld monetairbeleidsbeslissingen, of transacties in verband met het beheer van externe reserves en interventies op de deviezenmarkten. Beperkingen in andere gebieden moeten niet beperkt zijn tot bepaalde tijdperiodes, bijvoorbeeld voor gegevens betreffende de bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 aan de ECB opgedragen taken, aangaande door de ECB van nationale bevoegde autoriteiten ontvangen gegevens betreffende de stabiliteit van het financiële stelsel of individuele kredietinstellingen, en gegevens betreffende veiligheidskenmerken en technische specificaties van bestaande en toekomstige eurobankbiljetten. Alhoewel dit besluit het toepassingsgebied van de gegevens, die in geval van circulatie buiten de ECB het functioneren van de ECB ernstig zou kunnen ondermijnen, moet beperken tot specieke werkterreinen, is het noodzakelijk in een mogelijke aanpassing van het besluit te voorzien ingeval zich onvoorziene ontwikkelingen voordoen, om te verzekeren dat de ECB de haar bij het Verdrag opgedragen taken blijft vervullen. |
|
(10) |
Dit besluit moet er rekening mee houden dat de leden van de Raad van bestuur en van de Algemene Raad van de ECB, die niet tevens lid zijn van de ECB-directie, naast hun taken binnen het Europees Stelsel van centrale banken tevens nationale taken uitvoeren, en dat de leden van de Raad van toezicht van de ECB bemiddelingspanel, van gezamenlijk toezichthoudende teams en van teams voor inspectie ter plaatse, die vertegenwoordigers zijn van de nationale bevoegde autoriteiten van de deelnemende lidstaten, eveneens nationale taken uitoefenen naast hun taken uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013. Het uitoefenen van die nationale taken is een aangelegenheid van nationaal recht die buiten het bereik van de interne onderzoeken van het Bureau valt. Dit besluit moet derhalve alleen van toepassing zijn op de beroepswerkzaamheden van die personen welke zij uitvoeren in hun hoedanigheid als leden van de Raad van bestuur, Algemene Raad, Raad van toezicht, bemiddelingspanel van de ECB, gezamenlijk toezichthoudende teams en team voor inspecties ter plaatse. |
|
(11) |
Dit besluit moet er tevens rekening mee houden dat de externe leden van de Administratieve Raad voor toetsing, Auditcomité en Ethisch comité naast hun mandaat andere taken kunnen uitvoeren. Het uitoefenen van die functies valt buiten het bereik van de interne onderzoeken van het Bureau. Dit besluit moet derhalve slechts van toepassing zijn op de beroepswerkzaamheden van die personen die zij verrichten in hun hoedanigheid als leden van Administratieve Raad voor toetsing, Auditcomité en Ethisch comité van de ECB. |
|
(12) |
Artikel 37.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (de „ESCB-statuten”) bepaalt dat leden van de bestuursorganen en personeelsleden van de ECB gehouden zijn, ook na beëindiging van hun taken, inlichtingen die naar hun aard onder het beroepsgeheim vallen, niet openbaar te maken. Artikel 27, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bepaalt dat de leden van de Raad van toezicht, de personeelsleden van de ECB en de door deelnemende lidstaten gedetacheerde personeelsleden die toezichttaken vervullen, ook na beëindiging van hun taken, gehouden zijn aan dezelfde voorschriften inzake beroepsgeheim. Artikel 22, lid 1, van Besluit ECB/2014/16 en artikel 2, lid 4 van Besluit (EU) 2015/433 (ECB/2014/59) bepalen zulks respectivelijk voor leden van Administratieve Raad voor toetsing van de ECB en hun plaatsvervangers, en voor leden van het Ethisch comité van de ECB. Lid 6 van het auditcomitémandaat (14) bepaalt dat leden van het Auditcomité aan personen of organen buiten de ECB/het Eurosysteem geen vertrouwelijke gegevens bekendmaken waarvan zij kennis verkrijgen bij de uitoefening van hun taken in dienstverband. Krachtens artikel 10 van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 zijn op het Bureau en zijn personeelsleden dezelfde voorwaarden inzake vertrouwelijkheid en beroepsgeheim van toepassing, die van toepassing zijn op ECB-personeelsleden, zulks krachtens de ESCB-statuten en de arbeidsvoorwaarden van de ECB. |
|
(13) |
Krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 verlenen de nationale bevoegde autoriteiten van de lidstaten, conform de nationale voorschriften, het personeel van het Bureau de nodige bijstand bij de doeltreffende uitvoering van zijn taken. De regering van de federale Republiek Duitsland en de ECB zijn ondertekenende partijen bij een zetelovereenkomst van 18 september 1998 (15), die uitvoering geeft aan Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie ten aanzien van de ECB en bevat bepalingen inzake de onschendbaarheid van de gebouwen, archieven, gegevensverwerking van de ECB, en inzake de diplomatieke voorrechten en immuniteiten van de ECB-directieleden. |
|
(14) |
Gezien de vervanging van Verordening (EG) nr. 1073/1999 door Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 en de vele noodzakelijke wijzigingen, moet Besluit ECB/2004/11 ingetrokken worden en worden vervangen door dit besluit, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Werkingssfeer
Dit besluit is van toepassing op:
|
— |
leden van de Raad van bestuur en de Algemene Raad van de ECB in aangelegenheden die verband houden met hun functie als leden van deze besluitvormende organen, |
|
— |
de ECB-directieleden, |
|
— |
leden van de Raad van toezicht van de ECB in aangelegenheden die verband houden met hun functie als lid van dat orgaan, |
|
— |
leden van de Administratieve Raad voor toetsing van de ECB in aangelegenheden die verband houden met hun functie als lid van dat orgaan, |
|
— |
leden van het bemiddelingspanel van de ECB in aangelegenheden die verband houden met hun functie als lid van dat orgaan, |
|
— |
leden van het Auditcomité van de ECB in aangelegenheden die verband houden met hun functie als lid van dat orgaan, |
|
— |
leden van het Ethisch comité van de ECB in aangelegenheden die verband houden met hun functie als lid van dat orgaan, |
|
— |
leden van de bestuursorganen of enig personeelslid van de nationale centrale banken of nationale bevoegde autoriteiten die als plaatsvervanger en/of bijstand verlenende personen deelnemen aan de vergaderingen van de Raad van bestuur en de Algemene Raad van de ECB en Raad van toezicht in aangelegenheden die verband houden met die functie |
(hierna gezamenlijk „deelnemers aan de besluitvormende en overige organen”), en
|
— |
vaste of tijdelijke ECB-personeelsleden, op wie de ECB-arbeidsvoorwaarden van toepassing zijn, |
|
— |
personen die werkzaam zijn voor de ECB, met uitzondering van die personen die werkzaam zijn op basis van een arbeidscontract, waaronder personeelsleden van nationaal bevoegde autoriteiten die lid zijn van gezamenlijk toezichthoudende teams en teams voor inspectie ter plaatse in aangelegenheden die verband houden met die functie |
(hierna gezamenlijk „betrokken personen”).
Artikel 2
Verplichting tot samenwerking met het Bureau
Deelnemers aan de besluitvormende en andere organen en betrokken personen werken samen met en verstrekken gegevens aan het Bureau onder eerbiediging van de vertrouwelijkheid van een intern onderzoek, zulks ongeacht de relevante bepalingen van de Verdragen, Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, de ESCB-statuten en het Statuut, onder volledige eerbiediging van de rechten van de mens, de fundamentele vrijheden en de algemene beginselen die de lidstaten gemeen hebben en behoudens de in Verordening (EU, Euratom) nr. 883/2013 vastgestelde procedures en de in dit besluit vastgestelde regels.
Artikel 3
Verplichting enige gegevens inzake onwettige activiteiten te rapporteren
1. Betrokken personen die kennis verkrijgen van gegevens die doen vermoeden dat er mogelijkerwijze sprake is van fraude, corruptie of enige andere onwettige activiteit die de financiële belangen van de Unie schaadt, verstrekken die gegevens onverwijld aan de directeur Interne Audit, de voor hun werkeenheid verantwoordelijke senior manager, dan wel het directielid dat primair verantwoordelijk is voor hun werkeenheid. De voornoemde personen geven de gegevens onverwijld door aan de directeur-generaal Secretariaat. Betrokken personen mogen geenszins onrechtvaardig of discriminerend behandeld worden, omdat zij de in dit artikel bedoelde gegevens gecommuniceerd hebben.
2. Deelnemers aan de besluitvormende en andere organen die kennis verkrijgen van de in lid 1 bedoelde gegevens stellen de directeur-generaal Secretariaat of de president daarvan in kennis.
3. Indien de directeur-generaal Secretariaat of, indien toepasselijk, de president van de ECB, overeenkomstig lid 1 of 2 in kennis wordt gesteld van gegevens, geven zij, behoudens artikel 4 van dit besluit, deze informatie onverwijld door aan het Bureau en stellen het directoraat Interne Audit en, indien toepasselijk, de president van de ECB daarvan in kennis.
4. Indien een deelnemer aan de besluitvormende en andere organen kennis heeft van concrete feiten die het vermoeden van een geval van fraude of corruptie of enige andere onwettige activiteit zoals bedoeld in lid 1, staven en, tegelijkertijd, redelijkerwijze mag veronderstellen dat de in de voornoemde bepalingen bedoelde procedure in dat concrete geval de passende rapportage van die gegevens aan het Bureau zou verhinderen, kunnen zij ongeacht artikel 4 direct aan het Bureau rapporteren.
Artikel 4
Samenwerking met het Bureau met betrekking tot gevoelige gegevens
1. In uitzonderlijke gevallen waarin bepaalde buiten de ECB circulerende gegevens het functioneren van de ECB ernstig zouden kunnen ondermijnen, besluit de directie het Bureau al dan niet toegang tot die gegevens te verschaffen, of het Bureau die gegevens door te sturen. Dit geldt voor:-gegevens omtrent monetairbeleidsbeslissingen, of transacties in verband met het beheer van externe reserves en interventies op de deviezenmarkten, indien die informatie minder dan één jaar oud is; gegevens aangaande de bij Verordening (EU) nr. 1024/2013 aan de ECB opgedragen taken;-gegevens die de ECB heeft ontvangen van nationale bevoegde autoriteiten betreffende de stabiliteit van het financiële stelsel of individuele kredietinstellingen; en gegevens betreffende beveiligingskenmerken en technische specificaties van eurobankbiljetten.
2. Enig besluit van de directie van dien aard houdt rekening met alle relevante factoren, waaronder de mate van gevoeligheid van de voor het onderzoek door het Bureau verlangde gegevens, het belang van de gegevens voor het onderzoek en de ernst van het vermoeden zoals het Bureau, de deelnemer aan de besluitvormende of andere organen of de betrokken persoon aan de president uiteen hebben gezet, en de ernst van het risico voor het toekomstige functioneren van de ECB. Indien geen toegang wordt verschaft, omkleedt het besluit de weigering met redenen. Met betrekking tot de door de ECB te ontvangen gegevens inzake de stabiliteit van het financiële stelsel of individuele kredietinstellingen, kan de directie besluiten het Bureau de toegang te weigeren, indien de directie of de betrokken nationale bevoegde autoriteit van mening is dat openbaarmaking van de betrokken gegevens de stabiliteit van het financiële stelsel of van de individuele kredietinstelling in gevaar brengt.
3. In zeer uitzonderlijke gevallen omtrent gegevens met betrekking tot een specifiek ECB-werkterrein die dezelfde mate van gevoeligheid hebben als de gegevenscategorieën van lid 1, kan de directie voorlopig besluiten het Bureau geen toegang te verschaffen tot die gegevens. Lid 2 is van toepassing op die besluiten die voor ten hoogste zes maanden gelden. Daarna krijgt het Bureau toegang tot de betrokken gegevens, tenzij de Raad van bestuur inmiddels het onderhavige besluit heeft gewijzigd middels de toevoeging van de betrokken gegevenscategorie aan de categorieën die vallen onder lid 1.
Artikel 5
Bijstand van de ECB in interne onderzoeken
1. Ingeval een intern onderzoek van de ECB wordt geopend, verleent de voor de beveiliging van de ECB verantwoordelijke manager de personeelsleden van het Bureau toegang tot de gebouwen van de ECB, zulks na vertoon van een door de directeur-generaal van het Bureau verstrekte schriftelijke machtiging, die het volgende vermeldt:
|
a) |
de identiteit van het personeelslid en functie in het Bureau; |
|
b) |
het onderwerp en het doel van het onderzoek; |
|
c) |
de rechtsgrondslagen voor het uitvoeren van het onderzoek en de uit deze rechtsgrondslagen voortvloeiende onderzoeksbevoegdheden. |
De president, de vicepresident en de directeur Interne Audit worden onmiddellijk ingelicht.
2. Het directoraat Interne Audit verleent het Bureau bijstand bij de praktische organisatie van onderzoeken.
3. Deelnemers aan de besluitvormende en andere organen verstrekken de personeelsleden van het Bureau, die een onderzoek uitvoeren alle door hen verlangde gegevens, tenzij die verzochte gegevens gevoelig zouden kunnen zijn in de betekenis van artikel 4, in welk geval de directie beslist of de gegevens al dan niet verstrekt moeten worden. Het directoraat Interne Audit registreert alle verstrekte gegevens.
Artikel 6
Inlichting van de betrokkenen
1. Indien blijkt dat een deelnemer aan de besluitvormende en andere organen, of een betrokken persoon, mogelijkerwijze betrokken is bij fraude, corruptie en enige andere in artikel 3, lid 1 bedoelde onwettige activiteit, wordt de belanghebbende snel geïnformeerd, mits zulks het onderzoek niet zal schaden (16). In geen geval mogen conclusies worden getrokken waarin een deelnemer aan besluitvormende of andere organen met name wordt genoemd zonder dat de betrokkene in de gelegenheid is gesteld zich over alle hem/haar betreffende feiten uit te spreken, waaronder feiten die tegen hen spreken. Belanghebbende partijen hebben het recht te zwijgen, hoeven niet aan hun eigen veroordeling mee te werken en hebben het recht persoonlijke rechtsbijstand te vragen.
2. In alle gevallen waarin met het oog op het onderzoek absolute geheimhouding is vereist en/of waarin gebruik moet worden gemaakt van opsporingsmiddelen die tot de bevoegdheid van een nationale rechterlijke instantie behoren, kan naleving van de verplichting om een deelnemer aan besluitvormende of andere organen uit te nodigen zich uit te spreken in overeenstemming met de president of de vicepresident voor een beperkte periode worden opgeschort.
Artikel 7
Kennisgeving van seponering van een onderzoek
Indien na afloop van een intern onderzoek een deelnemer aan besluitvormende of andere organen jegens wie bepaalde beschuldigingen zijn geuit, niets ten laste kan worden gelegd, wordt het interne onderzoek geseponeerd zonder verder gevolg, zulks op grond van een besluit van de directeur-generaal van het Bureau, die de betrokken deelnemer aan besluitvormende of andere organen daarvan schriftelijk in kennis stelt.
Artikel 8
Opheffing van vrijstelling van rechtsvervolging
Elk van een nationale politiële of gerechtelijke autoriteit uitgaand verzoek tot opheffing van toepasselijke vrijstelling van rechtsvervolging van een deelnemer aan besluitvormende of andere organen in verband met eventuele gevallen van fraude, corruptie en enige andere onwettige activiteit die de financiële belangen van de Unie schaadt, wordt voor advies aan de directeur-generaal van het Bureau meegedeeld. De Raad van bestuur neemt een besluit betreffende relevante opheffingen van vrijstelling van rechtsvervolging ten aanzien van deelnemers besluitvormende of andere organen, en de directie neemt een besluit betreffende relevante opheffingen van vrijstelling van rechtsvervolging ten aanzien van betrokken personen.
Artikel 9
Inwerkingtreding en intrekking
1. Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op de bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie.
2. Besluit ECB/2004/11 wordt met ingang van de twintigste dag volgende op de bekendmaking van dit besluit in het Publicatieblad van de Europese Unie, ingetrokken.
3. Verwijzingen naar Besluit ECB/2004/11 gelden als verwijzingen naar dit besluit.
Gedaan te Frankfurt am Main, 4 maart 2016.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 248 van 18.9.2013, blz. 1.
(2) Gedragscode voor de leden van de Raad van bestuur (PB C 123 van 24.5.2002, blz. 9).
(3) Aanvullende Code met Ethische Criteria voor de leden van de directie van de Europese Centrale Bank (overeenkomstig artikel 11.3 van het Reglement van orde van de Europese Centrale Bank) (PB C 104 van 23.4.2010, blz. 8).
(4) Gedragscode voor de leden van de Raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (PB C 93 van 20.3.2015, blz. 2).
(5) Commissie van de Europese Gemeenschappen vs. Europese Centrale Bank, C-11/00, ECLI:EU:C:2003:395.
(6) Besluit ECB/2004/11 van 3 juni 2004 betreffende de voorwaarden voor en de wijze van uitvoering van onderzoeken binnen de Europese Centrale Bank, door het Europees Bureau voor fraudebestrijding, op het gebied van de bestrijding van fraude, corruptie en elke andere onwettige activiteit waardoor de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen worden geschaad en tot wijziging van de arbeidsvoorwaarden voor het personeel van de Europese Centrale Bank (PB L 230 van 30.6.2004, blz. 56).
(7) Verordening (EG) nr. 1073/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 25 mei 1999 betreffende onderzoeken door het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) (PB L 136 van 31.5.1999, blz. 1).
(8) Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).
(9) Besluit ECB/2014/16 van 14 april 2014 betreffende de oprichting van een Administratieve Raad voor toetsing en zijn werkwijze (PB L 175 van 14.6.2014, blz. 47).
(10) Verordening (EU) nr. 673/2014 van de Europese Centrale Bank van 2 juni 2014 betreffende de oprichting van een bemiddelingspanel en zijn reglement van orde (ECB/2014/26) (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 72).
(11) Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).
(12) Besluit ECB/2004/2 van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33).
(13) Besluit (EU) 2015/433 van de Europese Centrale Bank van woensdag 17 december 2014 betreffende de oprichting van een Ethisch comité en zijn reglement van orde (ECB/2014/59) (PB L 70 van 14.3.2015, blz. 58).
(14) Beschikbaar op de ECB-website op www.ecb.europa.eu.
(15) Federaal Staatsblad (Bundesgesetzblatt) nr. 45, 1998 van 27.10.1998 en nr. 12, 1999 van 6.5.1999.
(16) Artikel 20 van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1) is van toepassing op elke beperking betreffende aan gegevenssubjecten te verstrekken gegevens in geval van gegevensverwerking.
|
30.3.2016 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 79/41 |
BESLUIT (EU) 2016/457 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 16 maart 2016
inzake de beleenbaarheid van door de Republiek Cyprus uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten (ECB/2016/5)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 127, lid 2, het eerste streepje,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 3.1, het eerste streepje, artikel 12.1, artikel 18 en artikel 34.1, het tweede streepje,
Gezien Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (algemene documentatie richtsnoer) (ECB/2014/60) (1), met name artikel 1, lid 4, deel vier, titel I, II, IV, V, VI en VIII, en deel zes,
Gezien Richtsnoer ECB/2014/31 van 9 juli 2014 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9 (2), met name artikel 1, lid 3 en artikel 8,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Conform artikel 18.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank mogen de Europese Centrale Bank (ECB) en de eurogebied-NCB's krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand. De standaardcriteria en minimumkredietkwaliteitsvereisten die de beleenbaarheid van verhandelbare activa als onderpand voor monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem bepalen, zijn vastgesteld in Richtsnoer (EU) 2015/50 (ECB/2014/60) en met name in artikel 59 en in deel vier, titel II. |
|
(2) |
Conform artikel 1, lid 4 van Richtsnoer (EU) 2015/50 (ECB/2014/60) kan de Raad van bestuur te allen tijde besluiten tot aanpassing van hulpmiddelen, instrumenten, vereisten, criteria en procedures voor de implementatie van monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem. Luidens artikel 59, lid 6 van Richtsnoer (EU) 2015/50 (ECB/2014/60) behoudt het Eurosysteem zich het recht voor om op basis van informatie die het Eurosysteem relevant acht voor de verzekering van voldoende risicobescherming, te bepalen of een emissie, emittent, debiteur of garant aan de kredietkwaliteitsvereisten van het Eurosysteem voldoet. |
|
(3) |
In afwijking van de kredietkwaliteitsvereisten van het Eurosysteem voor verhandelbare activa bepaalt artikel 8 van Richtsnoer ECB/2014/31 dat de kredietkwaliteitsdrempels van het Eurosysteem niet van toepassing zijn op verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door, dan wel volledig gegarandeerd worden door centrale regeringen van eurogebiedlidstaten, waarop een programma van de Europese Unie/Internationaal Monetair Fonds van toepassing is, tenzij de Raad van bestuur besluit dat de betrokken lidstaat niet voldoet aan de voorwaarde voor het programma inzake financiële steun en/of het macro-economische programma. |
|
(4) |
Bij wijze van uitzonderlijke maatregel schortte Besluit ECB/2013/13 (3) tijdelijk de minimumvereisten voor kredietkwaliteitsdrempels van het Eurosysteem op die van toepassing zijn op verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven of volledig worden gegarandeerd door de Republiek Cyprus. Nadat de Republiek Cyprus het schuldbeheer had voltooid, en werd bevestigd dat het voldoet aan de voorwaarde van het economisch en financieel aanpassingsprogramma dat het was aangegaan, heeft Besluit ECB/2013/22 (4) de beleenbaarheid hersteld van verhandelbare schuldinstrumenten, die zijn uitgegeven door, dan wel volledig gegarandeerd worden door de Republiek Cyprus, voor monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem, mits toepassing van specifieke surpluspercentages op die instrumenten, en op voorwaarde dat de Republiek Cyprus moet worden beschouwd als een eurogebiedlidstaat die voldoet aan een programma van de Europese Unie/Internationaal Monetair Fonds. |
|
(5) |
Thans bepaalt artikel 1, lid 3 van ECB/2014/31 dat voor de doeleinden van artikel 8 van dat richtsnoer de Republiek Cyprus moet worden beschouwd als een eurogebiedlidstaat die voldoet aan een programma van de Europese Unie/Internationaal Monetair Fonds. Bovendien bepaalt artikel 8, lid 3 van dat richtsnoer dat op verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door, dan wel volledig gegarandeerd worden door de Republiek Cyprus specifieke in bijlage II bij dat richtsnoer vastgestelde surpluspercentages van toepassing zijn. |
|
(6) |
Krachtens een door de Republiek Cyprus ingediend verzoek werd het op haar toepasselijke programma van het Internationaal Monetair Fonds met ingang van 7 maart 2016 ingetrokken (5). Krachtens artikel 1 van de Overeenkomst inzake financiële bijstand tussen Europees Stabiliteitsmechanisme (ESM), de Republiek Cyprus en de Central Bank of Cyprus (6), is de beëindigingsdatum van het ESM-programma 31 maart 2016. Derhalve wordt de Republiek Cyprus met ingang van 1 april 2016 niet langer beschouwd als een lidstaat waarop een programma van de Europese Unie/Internationaal Monetair Fonds van toepassing is. Met ingang van die datum zal niet langer voldaan worden aan de voorwaarde voor de tijdelijke opschorting van de kredietkwaliteitsdrempels van het Eurosysteem ten aanzien van verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door, dan wel volledig gegarandeerd worden door de Republiek Cyprus, zoals bepaald in artikel 8, lid 2 van Richtsnoer ECB/2014/31. |
|
(7) |
Derhalve heeft de Raad van bestuur besloten dat met ingang van 1 april 2016 de standaardcriteria en kredietkwaliteitsdrempels van het Eurosysteem van toepassing moeten zijn op verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door of volledig gegarandeerd worden door de Republiek Cyprus en dat op die schuldinstrumenten de in Richtsnoer (EU) 2016/65 van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/35) (7) vastgestelde standaardsurpluspercentages van toepassing zullen zijn, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Beleenbaarheid van door de Republiek Cyprus uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten
1. Binnen het kader van artikel 8 van Richtsnoer ECB/2014/31 wordt de Republiek Cyprus niet langer beschouwd als een lidstaat waarop een programma van de Europese Unie/Internationaal Monetair Fonds van toepassing is.
2. De in Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60), en met name in artikel 59 en in Deel Vier, Titel II vastgestelde minimumvereisten van het Eurosysteem voor kredietkwaliteitsdrempels zijn van toepassing op verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door, dan wel volledig gegarandeerd worden door de Republiek Cyprus.
3. Op door de Republiek Cyprus uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten zijn de in bijlage II bij Richtsnoer ECB/2014/31 vastgelegde specifieke surpluspercentages niet langer van toepassing.
4. Bij een discrepantie tussen dit besluit en Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) en Richtsnoer ECB/2014/31, zoals op nationaal niveau door de nationale centrale banken van de eurogebiedlidstaten uitgevoerd, geldt dit besluit.
Artikel 2
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt op 1 april 2016 in werking.
Gedaan te Frankfurt am Main, 16 maart 2016.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3.
(2) PB L 240 van 13.8.2014, blz. 28.
(3) Besluit ECB/2013/13 van 2 mei 2013 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Republiek Cyprus uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (PB L 133 van 17.5.2013, blz. 26).
(4) Besluit ECB/2013/22 van 5 juli 2013 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Republiek Cyprus uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (PB L 195 van 18.7.2013, blz. 27).
(5) Verklaring Christine Lagarde, directeur van het International Monetair Fonds, ten aanzien van Cyprus, 7 maart 2016, persbericht nr. 16/94.
(6) Beschikbaar op de ECB-website (www.ecb.europa.eu).
(7) Richtsnoer (EU) 2016/65 van de Europese Centrale Bank van 18 november 2015 betreffende binnen het kader van de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem toegepaste surpluspercentages (ECB/2015/35) (PB L 14 van 21.1.2016, blz. 30).