ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 72

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

59e jaargang
17 maart 2016


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/378 van de Commissie van 11 maart 2016 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het tijdstip, het formaat en het model van de kennisgevingen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad bij de bevoegde autoriteiten moeten worden ingediend ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/379 van de Commissie van 11 maart 2016 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 684/2009 wat betreft de gegevens die moeten worden ingediend in het kader van de geautomatiseerde procedure voor de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns

13

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/380 van de Commissie van 16 maart 2016 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

51

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2016/381 van de Raad van 14 maart 2016 inzake het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Comité havenstaatcontrole van het Memorandum van overeenstemming van Parijs inzake havenstaatcontrole

53

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2016/382 van de Commissie van 15 maart 2016 betreffende een door Duitsland krachtens Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad genomen maatregel om het in de handel brengen van een type kabelpelmachine te verbieden (Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 1520)  ( 1 )

57

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

*

Besluit nr. 1/2016 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 7 maart 2016 betreffende de goedkeuring van afwijkingen van het financieel reglement van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (COB) [2016/383]

59

 

*

Besluit nr. 2/2016 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 7 maart 2016 houdende benoeming van een lid van de raad van bestuur van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (COB) [2016/384]

61

 

*

Besluit nr. 1/2016 van het Gemengd Comité EU-Noorwegen van 8 februari 2016 tot wijziging van Protocol 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de definitie van het begrip producten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking [2016/385]

63

 

*

Besluit nr. 1/2016 van het Gemengd Comité EU-IJsland van 17 februari 2016 tot wijziging van Protocol 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland betreffende de definitie van het begrip producten van oorsprong en methoden van administratieve samenwerking [2016/386]

66

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom ( PB L 13 van 17.1.2014 )

69

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/378 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2016

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het tijdstip, het formaat en het model van de kennisgevingen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad bij de bevoegde autoriteiten moeten worden ingediend

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 596/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende marktmisbruik (verordening marktmisbruik) en houdende intrekking van Richtlijn 2003/6/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Richtlijnen 2003/124/EG, 2003/125/EG en 2004/72/EG van de Commissie (1), en met name artikel 4, lid 5, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ten einde de samenhang van de rapportageverplichtingen te waarborgen en ten einde de administratieve lasten voor entiteiten die onderworpen zijn aan deze verplichtingen te beperken, is het noodzakelijk de rapportageverplichtingen neergelegd in de onderhavige verordening en in de gedelegeerde verordening van de Commissie, welke verordeningen overeenkomstig artikel 27, lid 3, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad (2) moeten worden vastgesteld, op elkaar af te stemmen.

(2)

Teneinde de bevoegde autoriteiten en de Europese Autoriteit voor effecten en markten (ESMA) in staat te stellen de kwaliteit van de gegevens te waarborgen en een doeltreffend markttoezicht uit te oefenen in het belang van de integriteit van de markten, zouden zij met betrekking tot elke handelsdag onverwijld volledige kennisgevingen moeten kunnen ontvangen.

(3)

Met het oog op een effectief en efficiënt gebruik van gegevens door de bevoegde autoriteiten moeten de modellen en formaten die voor het indienen van kennisgevingen van financiële instrumenten worden gebruikt, samenhangend zijn. Het zou bevorderlijk voor deze samenhang zijn om de nadere gegevens overeenkomstig de relevante internationale normen in deze kennisgevingen op te nemen.

(4)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de ESMA aan de Commissie heeft voorgelegd.

(5)

De ESMA heeft openbare raadplegingen gehouden over het ontwerp van een technische uitvoeringsnorm waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd, en de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) opgerichte Stakeholdergroep effecten en markten om advies verzocht.

(6)

Teneinde de goede werking van de financiële markten te waarborgen, is het noodzakelijk dat deze verordening met spoed in werking treedt en dat de bepalingen van deze verordening vanaf dezelfde datum van toepassing zijn als de bepalingen van Verordening (EU) nr. 596/2014,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Een handelsplatform deelt, uiterlijk om 21.00 uur MET van elke dag waarop het open is voor handel, met gebruikmaking van geautomatiseerde processen, overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 596/2014 de kennisgevingen van alle financiële instrumenten aan zijn bevoegde autoriteit mee die vóór 18.00 uur MET op die dag voor het eerst voorwerp waren van een verzoek tot toelating tot de handel of tot de handel zijn toegelaten of worden verhandeld op dat handelsplatform, inclusief de via zijn systeem geplaatste orders en afgegeven koersen, of die niet meer worden verhandeld of niet meer tot de handel zijn toegelaten.

2.   Kennisgevingen van financiële instrumenten die na 18.00 uur MET voor het eerst voorwerp waren van een verzoek om toelating tot de handel of tot de handel zijn toegelaten of worden verhandeld op het handelsplatform, inclusief de via zijn systeem geplaatste orders en afgegeven koersen, of die niet meer worden verhandeld of niet meer tot de handel zijn toegelaten, worden uiterlijk om 21.00 uur MET van de eerstvolgende dag waarop het handelsplatform open is voor handel, door het platform met gebruikmaking van geautomatiseerde processen aan de bevoegde autoriteit meegedeeld.

3.   De bevoegde autoriteiten geven de kennisgevingen als bedoeld in de leden 1 en 2, overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) nr. 596/2014 elke dag uiterlijk om 23.59 uur MET door aan de ESMA met gebruikmaking van geautomatiseerde processen en beveiligde elektronische communicatiekanalen tussen de bevoegde autoriteiten en de ESMA.

Artikel 2

Alle gegevens die overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 596/2014 in de kennisgevingen moeten worden opgenomen, worden ingediend overeenkomstig de normen en formaten die in de bijlage bij deze verordening worden gespecificeerd, in een elektronisch en machinaal leesbare vorm en in een gemeenschappelijk XML-model overeenkomstig de ISO 20022-methode.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 3 juli 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 173 van 12.6.2014, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten in financiële instrumenten en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 84).

(3)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).


BIJLAGE

Normen en formaten van de kennisgevingen die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 596/2014 bij de bevoegde autoriteiten moeten worden ingediend

Tabel 1

Verklaring bij tabel 3

SYMBOOL

GEGEVENS-SOORT

DEFINITIE

{ALPHANUM-n}

Maximaal n alfanumerieke tekens

Veld voor vrije tekst.

{CFI_CODE}

6 tekens

ISO 10962 CFI-code.

{COUNTRYCODE_2}

2 alfanumerieke tekens

2-letterige landcode volgens ISO 3166-1 alpha-2 landcode.

{CURRENCYCODE_3}

3 alfanumerieke tekens

3-letterige valutacode volgens ISO 4217 valutacodes.

{DATE_TIME_FORMAT}

Datum- en tijdformaat volgens ISO 8601

Datum en tijdstip in het volgende formaat:

JJJJ-MM-DDTuu:mm:ss.ddddddZ,

„JJJJ” is het jaar,

„MM” is de maand,

„DD” is de dag,

„T” — betekent dat de letter „T” moet worden gebruikt,

„uu” is het uur,

„mm” is de minuut,

„ss.dddddd” is de seconde en de fractie van een seconde,

Z is het UTC-tijdstip.

Data en tijdstippen moeten worden uitgedrukt in UTC.

{DATEFORMAT}

Datumformaat volgens ISO 8601

Data worden weergegeven in het volgende formaat:

JJJJ-MM-DD.

{DECIMAL-n/m}

Decimaal getal van maximaal n cijfers in totaal, waarvan maximaal m cijfers fractiecijfers kunnen zijn.

Numeriek veld voor zowel positieve als negatieve waarden:

het decimaal teken is „.” (punt),

negatieve getallen worden voorafgegaan door „–” (minus).

Waarden worden afgerond, niet afgebroken.

{INDEX}

4 letters

„EONA” — EONIA

„EONS” — EONIA SWAP

„EURI” — EURIBOR

„EUUS” — EURODOLLAR

„EUCH” — EuroSwiss

„GCFR” — GCF REPO

„ISDA” — ISDAFIX

„LIBI” — LIBID

„LIBO” — LIBOR

„MAAA” — Muni AAA

„PFAN” — Pandbrieven

„TIBO” — TIBOR

„STBO” — STIBOR

„BBSW” — BBSW

„JIBA” — JIBAR

„BUBO” — BUBOR

„CDOR” — CDOR

„CIBO” — CIBOR

„MOSP” — MOSPRIM

„NIBO” — NIBOR

„PRBO” — PRIBOR

„TLBO” — TELBOR

„WIBO” — WIBOR

„TREA” — Thesaurie

„SWAP” — SWAP

„FUSW” — Future SWAP

{INTEGER-n}

Geheel getal van maximaal n tekens in totaal

Numeriek veld voor zowel positieve als negatieve gehele waarden.

{ISIN}

12 alfanumerieke tekens

ISIN-code volgens ISO 6166.

{LEI}

20 alfanumerieke tekens

Identificatiecode juridische entiteit volgens ISO 17442.

{MIC}

4 alfanumerieke tekens

Marktidentificatiecode volgens ISO 10383.

{FISN}

35 alfanumerieke tekens

FISN-code volgens ISO 18774.


Tabel 2

Indeling van grondstoffen- en emissierechtenderivaten voor tabel 3 (velden 35-37)

Basisproduct

Subproduct

Verder subproduct

„AGRI” — Landbouw

„GROS” — Granen en oliehoudende zaden

„FWHT” — Voedertarwe

„SOYB” — Sojabonen

„CORN” — Maïs

„RPSD” — Raapzaad

„RICE” — Rijst

„OTHR” — Overig

„SOFT” — Zachte landbouwproducten

„CCOA” — Cacao

„ROBU” — Robustakoffie

„WHSG” — Witte suiker

„BRWN” — Ruwe suiker

„OTHR” — Overig

„POTA” — Aardappelen

 

„OOLI” — Olijfolie

„LAMP” — Olijfolie voor verlichting

„DIRY” — Zuivel

 

„FRST” — Bosbouw

 

„SEAF” — Zeevruchten

 

„LSTK” — Vee

 

„GRIN” — Granen

„MWHT” — Maaltarwe

„NRGY” — Energie

„ELEC” — Elektriciteit

„BSLD” — Basislast

„FITR” — Financiële transmissierechten

„PKLD” — Pieklast

„OFFP” — Dalbelasting

„OTHR” — Overig

„NGAS” — Aardgas

„GASP” — Gaspool

„LNGG” — LNG

„NBPG” — NBP

„NCGG” — NCG

„TTFG” — TTF

„OILP” — Olie

„BAKK” — Bakken

„BDSL” — Biodiesel

„BRNX” — Brent NX

„BRNX” — Brent NX

„CNDA” — Canadese

„COND” — Condensaat

„DSEL” — Diesel

„DUBA” — Dubai

„ESPO” — ESPO

„ETHA” — Ethanol

„FUEL” — Fuel

„FOIL” — Stookolie

„GOIL” — Gasolie

„GSLN” — Benzine

„HEAT” — Stookolie

„JTFL” — Reactiemotorbrandstof

„KERO” — Kerosine

„LLSO” — Light Louisiana Sweet (LLS)

„MARS” — MARS

„NAPH” — NAFTA

„NGLO” — Aardgas

„TAPI” — Tapis

„URAL” — Oeral

„WTIO” — WTI

„COAL” — Kolen

„INRG” — Inter Energy

„RNNG” — Hernieuwbare energie

„LGHT” — Lichte eindfracties

„DIST” — Distillaten

 

„ENVR” — Milieu

„EMIS” — Emissies

„CERE” — CER

„ERUE” — ERU

„EUAE” — EUA

„EUAA” — EUAA

„OTHR” — Overig

„WTHR” — Weer

„CRBR” — Koolstofgerelateerd

 

„FRGT” — Vracht

„WETF” — Nat

„TNKR” — Tankers

„DRYF” — Droog

„DBCR” — Drogebulkcarriers

„CSHP” — Containerschepen

 

„FRTL” — Meststoffen

„AMMO” — Ammoniak

„DAPH” — DAP (diammoniumfosfaat)

„PTSH” — Potas

„SLPH” — Zwavel

„UREA” — Ureum

„UAAN” — UAN (ureum en ammoniumnitraat)

 

„INDP” — Industriële producten

„CSTR” — Bouw

„MFTG” — Be- en verwerkende industrie

 

„METL” — Metalen

„NPRM” — Onedel

„ALUM” — Aluminium

„ALUA” — Aluminiumlegering

„CBLT” — Kobalt

„COPR” — Koper

„IRON” — IJzererts

„LEAD” — Lood

„MOLY” — Molybdeen

„NASC” — NASAAC

„NICK” — Nikkel

„STEL” — Staal

„TINN” — Tin

„ZINC” — Zink

„OTHR” — Overig

„PRME” — Edel

„GOLD” — Goud

„SLVR” — Zilver

„PTNM” — Platinum

„PLDM” — Palladium

„OTHR” — Overig

„MCEX” — Multi Commodity Exotic

 

 

„PAPR” — Papier

„CBRD” — Golfkarton

„NSPT” — Krantenpapier

„PULP” — Pulp

„RCVP” — Teruggewonnen papier

 

„POLY” — Polypropeen

„PLST” — Plastic

 

„INFL” — Inflatie

 

 

„OEST” — Officiële economische statistieken

 

 

„OTHC” — Overige C10 in de zin van Tabel 10.1 deel 10 van bijlage III bij de gedelegeerde verordening van de Commissie tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 600/2014 van het Europees parlement en de Raad wat betreft technische reguleringsnormen inzake transparantievereisten voor handelsplatforms en beleggingsondernemingen ten aanzien van obligaties, gestructureerde financiële producten, emissierechten en derivaten.

„DLVR” — Leverbaar

„NDLV” — Niet leverbaar

 

„OTHR” — Overig

 

 


Tabel 3

De normen en formaten die moeten worden gebruikt in de kennisgevingen welke overeenkomstig artikel 4, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 596/2014 moeten worden ingediend

Nr.

VELD

NORMEN EN FORMATEN DIE VOOR DE RAPPORTAGE MOETEN WORDEN GEBRUIKT

Algemene velden

1

Identificatiecode instrument

{ISIN}

2

Volledige naam instrument

{ALPHANUM-350}

3

Indeling instrument

{CFI_CODE}

4

Indicator grondstoffenderivaten

„waar” — Ja

„niet waar” — Neen

Velden met betrekking tot de uitgevende instelling

5

Identificator van de uitgevende instelling of exploitant van het handelsplatform

{LEI}

Velden met betrekking tot het platform

6

Handelsplatformen

{MIC}

7

Korte naam financieel instrument

{FISN}

8

Verzoek uitgevende instelling om toelating tot de handel

„waar” — Ja

„niet waar” — Neen

9

Datum goedkeuring toelating tot de handel

{DATE_TIME_FORMAT}

10

Datum verzoek om toelating tot de handel

{DATE_TIME_FORMAT}

11

Datum toelating tot de handel of datum van de eerste transactie

{DATE_TIME_FORMAT}

12

Einddatum

{DATE_TIME_FORMAT}

Velden met betrekking tot notionele waarden

13

Notionele valuta 1

{CURRENCYCODE_3}

Velden met betrekking tot obligaties of andere gesecuritiseerde schuld

14

Totale uitgegeven nominale bedrag

{DECIMAL-18/5}

15

Vervaldatum

{DATEFORMAT}

16

Valuta nominale waarde

{CURRENCYCODE_3}

17

Nominale waarde per eenheid/minimaal verhandelde waarde

{DECIMAL-18/5}

18

Vast percentage

{DECIMAL-11/10}

Uitgedrukt als een percentage (bv.: 7.0 is 7 %, 0.3 is 0.3 %)

19

Identificator index/benchmark van obligatie met variabele rente

{ISIN}

20

Naam index/benchmark van obligatie met variabele rente

{INDEX}

Of

{ALPHANUM-25} — wanneer de naam van de index niet is opgenomen op de {INDEX} lijst

21

Looptijd index/benchmark van obligatie met variabele rente.

{INTEGER-3}+„DAGEN” — dagen

{INTEGER-3}+„WEEK” — weken

{INTEGER-3}+„MAAND” — maanden

{INTEGER-3}+„JAAR” — jaren

22

Spread in basispunten van de index/benchmark van obligatie met variabele rente

{INTEGER-5}

23

Rangorde van de obligatie

„SNDB” — Schuld van hogere rang

„MZZD” — Mezzanine

„SBOD” — Achtergestelde schuld

„JUND” — Schuld van lagere rang

Velden met betrekking tot derivaten en gesecuritiseerde derivaten

24

Vervaldatum

{DATEFORMAT}

25

Prijsmultiplicator

{DECIMAL-18/17}

26

Code onderliggend instrument

{ISIN}

27

Onderliggende uitgevende instelling

{LEI}

28

Naam onderliggende index

{INDEX}

Of

{ALPHANUM-25} — wanneer de naam van de index niet is opgenomen op de {INDEX} lijst

29

Looptijd onderliggende index

{INTEGER-3}+„DAGEN” — dagen

{INTEGER-3}+„WEEK” — weken

{INTEGER-3}+„MAAND” — maanden

{INTEGER-3}+„JAAR” — jaren

30

Soort optie

„PUTO” — Putoptie

„CALL” — Calloptie

„Overige” — wanneer niet kan worden bepaald of het een calloptie of een putoptie betreft

31

Uitoefenprijs

{DECIMAL-18/13} wanneer de prijs wordt uitgedrukt in monetaire waarde

{DECIMAL-11/10} wanneer de prijs wordt uitgedrukt als percentage of rendement

{DECIMAL-18/17} wanneer de prijs wordt uitgedrukt in basispunten

„PNDG” wanneer de prijs niet beschikbaar is

32

Valuta uitoefenprijs

{CURRENCYCODE_3}

33

Uitoefenstijl opties

„EURO” — Europees

„AMER” — Amerikaans

„ASIA” — Aziatisch

„BERM” — Bermudaans

„OTHR” — Alle andere typen

34

Wijze van levering

„PHYS” — Materieel afgewikkeld

„CASH” — Afgewikkeld in contanten

„OPTN” — Optioneel voor tegenpartij of wanneer door een derde partij bepaald

Grondstoffen- en emissierechtenderivaten

35

Basisproduct

Slechts de waarden in de kolom „Basisproduct” van de tabel met de nomenclatuur van derivaten van grondstoffen en emissierechten zijn toegestaan.

36

Subproduct

Slechts de waarden in de kolom „Subproduct” van de tabel met de nomenclatuur van derivaten van grondstoffen en emissierechten zijn toegestaan.

37

Ander subproduct

Slechts de waarden in de kolom „Ander subproduct” van de tabel met de nomenclatuur van derivaten van grondstoffen en emissierechten zijn toegestaan.

38

Soort transactie

„FUTR” — Termijncontract

„OPTN” — Optie

„TAPO” — TAPO

„SWAP” — Swap

„MINI” — Mini-future

„OTCT” — OTC-derivaat

„ORIT” — Rechtstreekse aan- of verkoop van waardepapier

„CRCK” — Crack

„DIFF” — Differential

„OTHR” — Overig

39

Soort eindprijs

„ARGM” — Argus/McCloskey

„BLTC” — Baltic

„EXOF” — Exchange

„GBCL” — GlobalCOAL

„IHSM” — IHSMcCloskey

„PLAT” — Platts

„OTHR” — Overig

Rentederivaten

De velden in dit deel dienen alleen te worden ingevuld voor instrumenten die niet-financiële instrumenten van het type „rente” als onderliggende waarde hebben.

40

Referentiepercentage

{INDEX}

Of

{ALPHANUM-25} — wanneer het referentierentepercentage niet is opgenomen op de {INDEX} lijst

41

Rente looptijd contract

{INTEGER-3}+„DAGEN” — dagen

{INTEGER-3}+„WEEK” — weken

{INTEGER-3}+„MAAND” — maanden

{INTEGER-3}+„JAAR” — jaren

42

Notionele valuta 2

{CURRENCYCODE_3}

43

Vaste rente deel 1

{DECIMAL-11/10}

Uitgedrukt als percentage (bv.: 7.0 is 7 %, 0.3 is 0.3 %)

44

Vaste rente deel 2

{DECIMAL-11/10}

Uitgedrukt als percentage (bv.: 7.0 is 7 %, 0.3 is 0.3 %)

45

Variabele rente deel 2

{INDEX}

Of

{ALPHANUM-25} — indien het referentiepercentage niet is opgenomen op de {INDEX} lijst

46

Rente looptijd contract van deel 2

{INTEGER-3}+„DAGEN” — dagen

{INTEGER-3}+„WEEK” — weken

{INTEGER-3}+„MAAND” — maanden

{INTEGER-3}+„JAAR” — jaren

Valutaderivaten

De velden in dit deel dienen alleen te worden ingevuld voor instrumenten die niet-financiële instrumenten van het type „valuta” als onderliggende waarde hebben.

47

Notionele valuta 2

{CURRENCYCODE_3}

48

Soort wisselkoerstransactie

„FXCR” — FX Kruiselingse wisselkoersen

„FXEM” — FX Opkomende markten

„FXMJ” — FX Majors


17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/379 VAN DE COMMISSIE

van 11 maart 2016

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 684/2009 wat betreft de gegevens die moeten worden ingediend in het kader van de geautomatiseerde procedure voor de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/118/EG van de Raad van 16 december 2008 houdende een algemene regeling inzake accijns en houdende intrekking van Richtlijn 92/12/EEG (1), en met name artikel 29, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de bijlagen bij Verordening (EG) nr. 684/2009 van de Commissie (2) worden de structuur en inhoud vastgesteld van de elektronische berichten die bij de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns worden gebruikt, alsmede de codes welke in die berichten in bepaalde gegevensvelden moeten worden ingevuld.

(2)

Om het traceren van handelaren door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending en van de lidstaat van uitvoer te verbeteren en om de correlatie van gegevens tussen de lidstaat van verzending en de lidstaat van uitvoer te verzekeren wanneer accijnsgoederen onder schorsing van accijns worden uitgevoerd als bedoeld in artikel 21, lid 5, van Richtlijn 2008/118/EG, dient de afzender de mogelijkheid te hebben het EORI-nummer (registratie- en identificatienummer van marktdeelnemer) als omschreven in artikel 1, punt 18, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie (3), van de aangever die de uitvoeraangifte indient, te vermelden.

(3)

Om de integriteit van in numerieke gegevensitems vervatte informatie te verbeteren, dient het invullen van gegevenselementen met foutieve nulwaarden niet te worden toegestaan.

(4)

Op grond van Verordening (EG) nr. 436/2009 (4) van de Commissie moeten bepaalde aanduidingen betreffende wijnproducten, met name de beschermde oorsprongsbenaming en beschermde geografische aanduiding, het oogstjaar en het druivenras, worden gecertificeerd in een begeleidend document. Wanneer het geautomatiseerde systeem wordt gebruikt, dient de inhoud van het elektronische administratieve document bijgevolg te worden aangepast om de vermelding van die aanduidingen mogelijk te maken.

(5)

Op grond van de in artikel 12, lid 3, van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5) vastgestelde voorwaarden mag in de aanduiding, de presentatie of de etikettering van een gedistilleerde drank melding worden gemaakt van ouderdom op voorwaarde dat de gedistilleerde drank is gerijpt onder toezicht van de belastingdienst. Derhalve dient de beschrijving van de gegevenselementen betreffende gedistilleerde dranken in het elektronische administratieve document te worden gewijzigd.

(6)

Om de overbrenging te annuleren, dient de code „reden annulering” te worden vermeld in het annuleringsbericht. De mogelijke waarden van die code bestaan uit één cijfer. De lengte van het betrokken gegevenselement dient derhalve te worden beperkt tot één cijfer.

(7)

Indien de geadresseerde van energieproducten die onder een accijnsschorsingsregeling over zee of via binnenwaterwegen worden overgebracht, nog niet definitief vaststaat wanneer de afzender het voorlopig elektronisch administratief document indient, kunnen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending, overeenkomstig artikel 22 van Richtlijn 2008/118/EG, toestaan dat de afzender de gegevens van de geadresseerde niet invult. Daarom dienen de vereisten inzake de identificatie van de handelaar niet te gelden indien een overbrenging van energieproducten onder schorsing van accijns overeenkomstig artikel 23 van Richtlijn 2008/118/EG wordt gesplitst en de geadresseerde nog niet definitief vaststaat.

(8)

Richtlijn 95/59/EG van de Raad (6) is ingetrokken en vervangen door Richtlijn 2011/64/EU van de Raad (7). Ter wille van de duidelijkheid dienen de verwijzingen naar de ingetrokken richtlijn in Verordening (EG) nr. 684/2009 te worden bijgewerkt.

(9)

Verordening (EG) nr. 684/2009 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Accijnscomité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 684/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

2)

Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 11 maart 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 9 van 14.1.2009, blz. 12.

(2)  Verordening (EG) nr. 684/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 tot uitvoering van Richtlijn 2008/118/EG van de Raad wat betreft de geautomatiseerde procedures voor de overbrenging van accijnsgoederen onder schorsing van accijns (PB L 197 van 29.7.2009, blz. 24).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/2446 van de Commissie van 28 juli 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad met nadere regels betreffende een aantal bepalingen van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 436/2009 van de Commissie van 26 mei 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad met betrekking tot het wijnbouwkadaster, de verplichte opgaven en de samenstelling van gegevens voor het volgen van de markt, de begeleidende documenten voor het vervoer van producten en de bij te houden registers in de wijnsector (PB L 128 van 27.5.2009, blz. 15).

(5)  Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).

(6)  Richtlijn 95/59/EG van de Raad van 27 november 1995 betreffende de belasting, andere dan omzetbelasting, op het verbruik van tabaksfabrikaten (PB L 291 van 6.12.1995, blz. 40).

(7)  Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikanten (PB L 176 van 5.7.2011, blz. 24).


BIJLAGE I

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 684/2009 worden de tabellen 1 tot en met 6 vervangen door:

„Tabel 1

(als bedoeld in artikel 3, lid 1, en artikel 8, lid 1)

Voorlopig elektronisch administratief document en elektronisch administratief document

A

B

C

D

E

F

G

 

KENMERK

R

 

 

 

 

a

Soort bericht

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

1

=

Standaardindiening (wordt gebruikt in alle gevallen behalve bij uitvoer volgens de domiciliëringsprocedure)

2

=

Indiening voor uitvoer volgens de domiciliëringsprocedure.

Het soort bericht mag niet verschijnen in het e-AD waaraan een ARC is toegekend noch op het in artikel 8, lid 1, van deze verordening bedoelde papieren document.

n1

 

b

Indicatie uitgestelde indiening

D

„R” voor de indiening van een e-AD voor een overbrenging die is aangevangen onder dekking van het in artikel 8, lid 1, bedoelde papieren document.

Mogelijke waarden:

0

=

onwaar

1

=

waar

De waarde staat standaard op „onwaar”.

Dit gegevenselement mag niet verschijnen in het e-AD waaraan een ARC is toegekend noch op het in artikel 8, lid 1, bedoelde papieren document.

n1

1

OVERBRENGING ACCIJNSGOEDEREN e-AD

R

 

 

 

 

a

Code soort bestemming

R

 

Vermeld de bestemming van de overbrenging met behulp van een van de volgende waarden:

1

=

Belastingentrepot (artikel 17, lid 1, onder a), i), van Richtlijn 2008/118/EG)

2

=

Geregistreerd geadresseerde (artikel 17, lid 1, onder a), ii), van Richtlijn 2008/118/EG)

3

=

Tijdelijk geregistreerd geadresseerde (artikel 17, lid 1, onder a), ii), en artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2008/118/EG)

4

=

Rechtstreekse aflevering (artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2008/118/EG)

5

=

Vrijgesteld geadresseerde (artikel 17, lid 1, onder a), iv), van Richtlijn 2008/118/EG)

6

=

Uitvoer (artikel 17, lid 1, onder a), iii), van Richtlijn 2008/118/EG)

8

=

Bestemming onbekend (geadresseerde onbekend; artikel 22 van Richtlijn 2008/118/EG).

n1

 

b

Reistijd

R

 

Vermeld, rekening houdende met het vervoermiddel en de afstand, de normale duur van de reis in uren (H) of dagen (D) gevolgd door twee cijfers (bv. H12 of D04). Het getal na „H” mag niet hoger zijn dan 24. Het getal na „D” mag niet hoger zijn dan 92.

an3

 

c

Regeling vervoer

R

 

Identificeer de persoon die verantwoordelijk is voor de organisatie van het eerste vervoer, met behulp van een van de volgende waarden:

1

=

Afzender

2

=

Geadresseerde

3

=

Eigenaar van de goederen

4

=

Overige

n1

 

d

ARC

R

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending bij geldigmaking van het voorlopige e-AD.

Zie bijlage II, codelijst 2.

an21

 

e

Datum en tijdstip geldigmaking e-AD

R

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending bij geldigmaking van het voorlopige e-AD.

Het opgegeven tijdstip is de plaatselijke tijd.

datumtijd

 

f

Volgnummer

R

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending bij geldigmaking van het voorlopige e-AD en bij iedere wijziging van bestemming.

Staat op 1 bij de eerste geldigmaking en wordt vervolgens telkens met 1 verhoogd op elk e-AD dat door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending wordt aangemaakt bij iedere wijziging van bestemming.

n..2

 

g

Datum en tijdstip geldigmaking bijwerking

C

Datum en tijdstip van geldigmaking van het bericht van bestemmingswijziging in tabel 3; wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending in geval van wijziging van bestemming.

Het opgegeven tijdstip is de plaatselijke tijd.

datumtijd

2

HANDELAAR afzender

R

 

 

 

 

a

Accijnsnummer handelaar

R

 

Vermeld een geldig SEED-registratienummer van de erkende entrepothouder of de geregistreerde afzender.

an13

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

3

HANDELAAR plaats van verzending

C

„R” indien de code soort herkomst in vak 9d „1” is.

 

 

 

a

Referentie belastingentrepot

R

 

Vermeld een geldig SEED-registratienummer van het belastingentrepot van verzending.

an13

 

b

Naam handelaar

O

 

 

an..182

 

c

Straat

O

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

an..11

 

e

Postcode

O

 

an..10

 

f

Stad

O

 

an..50

 

g

NAD_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

4

KANTOOR van verzending — invoer

C

„R” indien de code soort herkomst in vak 9d „2” is.

 

 

 

a

Identificatienummer kantoor

R

 

Vermeld de code van het douanekantoor dat verantwoordelijk is voor het in het vrije verkeer brengen. Zie bijlage II, codelijst 5.

Vermeld een code van een douanekantoor dat is opgenomen in de lijst van douanekantoren.

an8

5

HANDELAAR geadresseerde

C

„R”, behalve voor soort bericht „2 — Indiening voor uitvoer volgens de domiciliëringsprocedure” of bij code soort bestemming 8

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

 

 

 

a

Identificatie handelaar

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2, 3 en 4

„O” voor code soort bestemming 6

Dit gegevenselement is niet van toepassing op code soort bestemming 5

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1, 2, 3 en 4: vermeld een geldig SEED-registratienummer van de erkende entrepothouder of de geregistreerde geadresseerde;

6: vermeld het btw-identificatienummer van de persoon die de afzender bij het kantoor van uitvoer vertegenwoordigt.

an..16

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

h

EORI-nummer

C

„O” voor code soort bestemming 6

Dit gegevenselement is niet van toepassing op codes soort bestemming 1, 2, 3, 4, 5 en 8

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

Vermeld het EORI-nummer van de persoon die verantwoordelijk is voor het indienen van de uitvoeraangifte als beschreven in artikel 21, lid 5, van Richtlijn 2008/118/EG.

an..17

6

AANVULLING HANDELAAR geadresseerde

C

„R” voor code soort bestemming 5

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

 

 

 

a

Code lidstaat

R

 

Vermeld de lidstaat van bestemming met behulp van de code lidstaat uit bijlage II, codelijst 3.

a2

 

b

Volgnummer certificaat van vrijstelling

D

„R” indien een volgnummer is vermeld op het certificaat van vrijstelling van accijnzen zoals vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 31/96 van de Commissie (1)

 

an..255

7

HANDELAAR plaats van levering

C

„R” voor codes soort bestemming 1 en 4

„O” voor codes soort bestemming 2, 3 en 5

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

Vermeld de werkelijke plaats van levering van de accijnsgoederen.

Voor code soort bestemming 2 is de gegevensgroep:

„O” voor het e-AD aangezien de lidstaat van verzending in dit vak het in SEED opgenomen adres van de geregistreerde geadresseerde kan vermelden;

niet van toepassing op het voorlopige e-AD.

 

 

a

Identificatie handelaar

C

„R” voor code soort bestemming 1

„O” voor codes soort bestemming 2, 3 en 5

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1: vermeld een geldig SEED-registratienummer van het belastingentrepot van bestemming;

2, 3 en 5: vermeld het btw-identificatienummer of een ander kenmerk.

an..16

 

b

Naam handelaar

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2, 3 en 5

„O” voor code soort bestemming 4

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

 

an..182

 

c

Straat

C

Voor de vakken 7c, 7e en 7f:

„R” voor codes soort bestemming 2, 3, 4 en 5

„O” voor code soort bestemming 1

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

an..11

 

e

Postcode

C

 

an..10

 

f

Stad

C

 

an..50

 

g

NAD_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

8

KANTOOR plaats van levering — douane

C

„R” bij uitvoer (code soort bestemming 6)

(zie vak 1a voor de codes soort bestemming)

 

 

 

a

Identificatienummer kantoor

R

 

Vermeld de code van het kantoor van uitvoer waar de uitvoeraangifte zal worden ingediend. Zie bijlage II, codelijst 5.

Vermeld een code van een douanekantoor dat is opgenomen in de lijst van douanekantoren die belast zijn met taken op het gebied van uitvoer.

an8

9

e-AD

R

 

 

 

 

a

Lokaal referentienummer

R

 

Een uniek volgnummer dat de afzender aan het e-AD toekent en waarmee hij de zending in zijn administratie identificeert.

an..22

 

b

Factuurnummer

R

 

Vermeld het nummer van de factuur die betrekking heeft op de goederen. Als er nog geen factuur is opgesteld, moet het nummer van de leveringsbon of van een ander vervoersdocument worden vermeld.

an..35

 

c

Factuurdatum

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is.

De datum van het in vak 9b vermelde document.

datum

 

d

Code soort herkomst

R

 

De mogelijke waarden voor de herkomst van de overbrenging zijn:

1

=

Herkomst — belastingentrepot (in de in artikel 17, lid 1, onder a), van Richtlijn 2008/118/EG bedoelde situaties)

2

=

Herkomst — invoer (in de in artikel 17, lid 1, onder b), van Richtlijn 2008/118/EG bedoelde situatie)

n1

 

e

Datum van verzending

R

 

De datum waarop de overbrenging aanvangt in overeenstemming met artikel 20, lid 1, van Richtlijn 2008/118/EG. Deze datum kan niet later zijn dan zeven dagen na de datum van indiening van het voorlopige e-AD. De datum van verzending kan een datum in het verleden zijn in het in artikel 26 van Richtlijn 2008/118/EG bedoelde geval.

datum

 

f

Tijdstip van verzending

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is.

Het tijdstip waarop de overbrenging aanvangt in overeenstemming met artikel 20, lid 1, van Richtlijn 2008/118/EG. Het opgegeven tijdstip is de plaatselijke tijd.

tijd

 

g

Voorafgaande ARC

D

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending bij geldigmaking van nieuwe e-AD's volgend op de geldigmaking van het bericht van splitsing (tabel 5).

De te vermelden ARC is de ARC van het vervangen e-AD.

an21

9.1

ED INVOER

C

„R” indien de code soort herkomst in vak 9d „2” (invoer) is.

 

9X

 

a

ED-nummer invoer

R

Het ED-nummer wordt verstrekt door de afzender bij indiening van het voorlopige e-AD dan wel door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending bij geldigmaking van het voorlopige e-AD.

Vermeld het (de) nummer(s) van het (de) Enig(e) Document(en) voor het in het vrije verkeer brengen van de goederen in kwestie.

an..21

10

KANTOOR bevoegde autoriteit van verzending

R

 

 

 

 

a

Identificatienummer kantoor

R

 

Vermeld de code van het kantoor van de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van verzending die op de plaats van verzending met de accijnscontrole belast zijn. Zie bijlage II, codelijst 5.

an8

11

ZEKERHEIDSTELLING OVERBRENGING

R

 

 

 

 

a

Code soort zekerheidsteller

R

 

Identificeer de persoon (personen) die verantwoordelijk is (zijn) voor de zekerheidstelling, met behulp van de code soort zekerheidsteller uit bijlage II, codelijst 6.

n..4

12

HANDELAAR zekerheidsteller

C

„R” indien een van de volgende codes soort zekerheidsteller van toepassing is: 2, 3, 12, 13, 23, 24, 34, 123, 124, 134, 234 of 1234

(zie codes soort zekerheidsteller in bijlage II, codelijst 6)

Identificeer de vervoerder en/of de eigenaar van de goederen indien deze de zekerheid stelt.

2X

 

a

Accijnsnummer handelaar

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is.

Vermeld een geldig SEED-registratienummer of btw-identificatienummer van de vervoerder of de eigenaar van de accijnsgoederen.

an13

 

b

Btw-nummer

O

an..14

 

c

Naam handelaar

C

Voor 12c, d, f en g:

„O” indien het accijnsnummer van de handelaar is verstrekt, zo niet „R”.

 

an..182

 

d

Straat

C

 

an..65

 

e

Nummer

O

 

an..11

 

f

Postcode

C

 

an..10

 

g

Stad

C

 

an..50

 

h

NAD_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

13

VERVOER

R

 

 

 

 

a

Code vervoerswijze

R

 

Vermeld de wijze van vervoer bij de aanvang van de overbrenging met behulp van de codes uit bijlage II, codelijst 7.

n..2

 

b

Aanvullende informatie

C

„R” indien de code vervoerswijze „Overige” is.

Anders „O”.

Geef een nadere omschrijving van de vervoerswijze.

an..350

 

c

Aanvullende informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

14

HANDELAAR organisator van het vervoer

C

„R” om de persoon te identificeren die verantwoordelijk is voor de organisatie van het eerste vervoer, indien de waarde in vak 1c „3” of „4” is.

 

 

 

a

Btw-nummer

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is.

 

an..14

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

15

HANDELAAR eerste vervoerder

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is.

Identificeer de persoon die het eerste vervoer verricht.

 

 

a

Btw-nummer

O

 

 

an..14

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

16

VERVOERSGEGEVENS

R

 

 

99X

 

a

Code vervoerseenheid

R

 

Vermeld de code(s) vervoerseenheid met betrekking tot de in vak 13a opgegeven vervoerswijze.

Zie bijlage II, codelijst 8.

n..2

 

b

Identiteit vervoerseenheden

C

„R” indien de code vervoerseenheid verschilt van 5

(zie vak 16a)

Vermeld het registratienummer van de vervoerseenheid (vervoerseenheden) wanneer de code vervoerseenheid verschilt van 5.

an..35

 

c

Identiteit handelszegel

D

„R” indien handelszegels worden gebruikt.

Vermeld de identificatie van de handelszegels, indien deze worden gebruikt om de vervoerseenheid te verzegelen.

an..35

 

d

Informatie zegels

O

 

Vermeld aanvullende informatie over deze handelszegels (bv. het soort zegels dat wordt gebruikt).

an..350

 

e

Informatie zegels_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

f

Aanvullende informatie

O

 

Vermeld aanvullende informatie over het vervoer, bv. de identiteit van eventuele volgende vervoerders, informatie over volgende vervoerseenheden.

an..350

 

g

Aanvullende informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

17

Hoofdgedeelte e-AD

R

 

Voor elk product in de zending moet een aparte gegevensgroep worden gebruikt.

999x

 

a

Unieke referentie record

R

 

Vermeld een uniek volgnummer, te beginnen met 1.

n..3

 

b

Code accijnsgoed

R

 

Vermeld de toepasselijke code accijnsgoed uit bijlage II, codelijst 11.

an4

 

c

GN-code

R

 

Vermeld de toepasselijke GN-code op de datum van verzending.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n8

 

d

Hoeveelheid

R

 

Vermeld de hoeveelheid (in de maateenheid voor de desbetreffende goederencode — zie bijlage II, codelijsten 11 en 12).

Bij een overbrenging naar een in artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2008/118/EG bedoelde geregistreerde geadresseerde mag de hoeveelheid de aan deze persoon toegestane hoeveelheid niet overschrijden.

Bij een overbrenging naar een in artikel 12 van Richtlijn 2008/118/EG bedoelde vrijgestelde organisatie mag de hoeveelheid de in het certificaat van vrijstelling van accijnzen geregistreerde hoeveelheid niet overschrijden.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..15,3

 

e

Brutogewicht

R

 

Vermeld het brutogewicht van de zending (de accijnsgoederen met verpakking).

n..15,2

 

f

Nettogewicht

R

 

Vermeld het gewicht van de accijnsgoederen zonder verpakking (alcohol en alcoholhoudende dranken, energieproducten en alle tabaksproducten behalve sigaretten).

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..15,2

 

g

Alcoholgehalte

C

„R” indien van toepassing op het accijnsgoed in kwestie.

Vermeld het alcoholgehalte (volumepercentage bij 20 °C) indien van toepassing in overeenstemming met bijlage II, codelijst 11.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..5,2

 

h

Graden Plato

D

„R” indien bier in de lidstaat van verzending en/of de lidstaat van bestemming wordt belast naar graden Plato.

Vermeld bij bier de graden Plato indien het op die basis wordt belast in de lidstaat van verzending en/of de lidstaat van bestemming. Zie bijlage II, codelijst 11.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..5,2

 

i

Fiscaal merkteken

O

 

Vermeld aanvullende informatie over de door de lidstaat van bestemming vereiste fiscale merktekens.

an..350

 

j

Fiscaal merkteken_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

k

Indicatie fiscaal merkteken gebruikt

D

„R” indien fiscale merktekens worden gebruikt

Vermeld „1” wanneer de goederen een fiscaal merkteken dragen of bevatten dan wel „0” wanneer zij geen fiscaal merkteken dragen of bevatten.

n1

 

l

Oorsprongsbenaming

O

 

Dit vak kan worden gebruikt om een verklaring af te geven:

1.

ten aanzien van bepaalde wijnen, over de beschermde oorsprongsbenaming of geografische aanduiding (BOB of BGA) en het oogstjaar of de wijnsoort(en), in overeenstemming met de artikelen 24 en 31 van Verordening (EG) nr. 436/2009 van de Commissie (2) De verklaring moet als volgt luiden: „Verklaring: het hierboven vermelde product is geproduceerd in overeenstemming met de in Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) en de daarbij behorende gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.” Indien het product een BOB of BGA is, wordt de verklaring gevolgd door de naam of namen van de BOB of BGA en de registernummer(s) ervan als bepaald in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie (4).

2.

ten aanzien van bepaalde gedistilleerde dranken, waarvoor het in de handel brengen verband houdt met de categorie of categorieën gedistilleerde dranken, de geografische aanduiding (GA) of de leeftijd van het product, moet, in overeenstemming met de desbetreffende Uniewetgeving inzake gedistilleerde dranken (met name artikel 4, artikel 12, lid 3, en artikel 15 en bijlage II van Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (5)) de verklaring als volgt luiden: „Verklaring: het hierboven vermelde product is in de handel gebracht en geëtiketteerd in overeenstemming met de voorwaarden van artikel 4, artikel 12, lid 3, en artikel 15 en bijlage II van Verordening (EG) nr. 110/2008 en de daarbij behorende gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen.”

3.

ten aanzien van bier gebrouwen door een kleine zelfstandige brouwerij zoals omschreven in Richtlijn 92/83/EEG van de Raad (6), waarvoor beoogd wordt in de lidstaat van bestemming aanspraak te maken op een verlaagd accijnstarief. De verklaring moet als volgt luiden: „Verklaring: het hierboven vermelde product is door een kleine zelfstandige brouwerij gebrouwen.”

4.

ten aanzien van ethylalcohol gedistilleerd door een kleine distilleerderij zoals omschreven in Richtlijn 92/83/EEG, waarvoor beoogd wordt in de lidstaat van bestemming aanspraak te maken op een verlaagd accijnstarief. De verklaring moet als volgt luiden: „Verklaring: het hierboven vermelde product is door een kleine distilleerderij geproduceerd.”

an..350

 

m

Oorsprongsbenaming_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

n

Grootte van de producent

O

 

Vermeld voor bier of gedistilleerde dranken waarvoor in vak 17l (oorsprongsbenaming) een verklaring is afgegeven, de jaarproductie van het vorige jaar in hectoliters bier respectievelijk zuivere alcohol.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..15

 

o

Dichtheid

C

„R” indien van toepassing op het accijnsgoed in kwestie.

Vermeld de densiteit bij 15 °C, indien van toepassing in overeenstemming met bijlage II, codelijst 11.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..5,2

 

p

Handelsbenaming

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven verstrekt moet worden.

Vermeld de handelsbenaming van de goederen ten behoeve van de identificatie van de vervoerde goederen.

Wanneer wijnen bedoeld in de punten 1 tot en met 9, 15 en 16 van deel II van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 onverpakt worden vervoerd, omvat de omschrijving van het product de in artikel 120 van die verordening bedoelde facultatieve aanduidingen voor zover die aanduidingen voorkomen in de etikettering of het de bedoeling is ze daarin op te nemen.

an..350

 

q

Handelsbenaming_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

r

Merknaam van het product

D

„R” indien de accijnsgoederen een merknaam hebben. De lidstaat van verzending kan bepalen dat de merknaam van de vervoerde goederen niet moet worden vermeld wanneer hij op de factuur of een ander handelsdocument als bedoeld in vak 9b is vermeld.

Vermeld in voorkomend geval de merknaam van de goederen.

an..350

 

s

Merknaam van het product_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

17.1

VERPAKKING

R

 

 

99x

 

a

Code soort colli

R

 

Vermeld het soort colli met behulp van de codes in bijlage II, codelijst 9.

an2

 

b

Aantal colli

C

„R” indien als „telbaar” gemarkeerd.

Vermeld het aantal colli indien de colli telbaar zijn in overeenstemming met bijlage II, codelijst 9.

n..15

 

c

Identiteit handelszegel

D

„R” indien handelszegels worden gebruikt.

Vermeld de identificatie van de handelszegels, indien deze worden gebruikt om de colli te verzegelen.

an..35

 

d

Informatie zegels

O

 

Vermeld aanvullende informatie over deze handelszegels (bv. het soort zegels dat wordt gebruikt).

an..350

 

e

Informatie zegels_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

17.2

WIJNPRODUCT

D

„R” voor wijnproducten opgenomen in deel XII van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.

 

 

 

a

Categorie wijnproduct

R

 

Vermeld voor wijnproducten opgenomen in deel XII van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 een van de volgende waarden:

1

=

Wijn zonder BOB/BGA

2

=

Cépagewijn zonder BOB/BGA

3

=

Wijn met BOB/BGA

4

=

Ingevoerde wijn

5

=

Overige

n1

 

b

Code wijnbouwzone

D

„R” voor wijnproducten die onverpakt worden vervoerd (nominaal volume > 60 liter).

Vermeld de wijnbouwzone van oorsprong van het vervoerde product in overeenstemming met Aanhangsel 1 van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013.

n..2

 

c

Derde land van oorsprong

C

„R” indien categorie wijnproduct in vak 17.2a „4” is (ingevoerde wijn).

Vermeld een landencode uit bijlage II, codelijst 4, die niet is opgenomen in bijlage II, codelijst 3, of gelijk is aan de landencode „GR”.

a2

 

d

Andere informatie

O

 

 

an..350

 

e

Andere informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

17.2.1

Code WIJNBEHANDELING

D

„R” voor wijnproducten die onverpakt worden vervoerd (nominaal volume > 60 liter).

 

99x

 

a

Code wijnbehandeling

R

 

Vermeld een of meer code(s) wijnbehandeling in overeenstemming met de lijst in bijlage VI, deel B, punt 1.4, onder b), bij Verordening (EG) nr. 436/2009.

n..2

18

DOCUMENT certificaat

O

 

 

9x

 

a

Korte beschrijving document

C

„R” tenzij gegevensveld 18c wordt gebruikt.

Geef een beschrijving van eventuele certificaten die betrekking hebben op de vervoerde goederen, bv. certificaten met betrekking tot de in vak 17l bedoelde oorsprongsbenaming.

an..350

 

b

Korte beschrijving document_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

c

Referentie document

C

„R” tenzij gegevensveld 18a wordt gebruikt.

Vermeld een referentie naar eventuele certificaten die betrekking hebben op de vervoerde goederen.

an..350

 

d

Referentie document_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2


Tabel 2

(als bedoeld in artikel 4, lid 1)

Annulering

A

B

C

D

E

F

G

1

KENMERK

R

 

 

 

 

a

Datum en tijdstip geldigmaking annulering

C

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending bij geldigmaking van het voorlopige annuleringsbericht

Het opgegeven tijdstip is de plaatselijke tijd.

datumtijd

2

OVERBRENGING ACCIJNSGOEDEREN e-AD

R

 

 

 

 

a

ARC

R

 

Vermeld de ARC van het e-AD waarvan annulering wordt gevraagd.

an21

3

ANNULERING

R

 

 

 

 

a

Reden annulering

R

 

Geef de reden voor de annulering van het e-AD met behulp van de codes in bijlage II, codelijst 10.

n1

 

b

Aanvullende informatie

C

„R” wanneer de reden van annulering 0 is

„O” wanneer de reden van annulering 1, 2, 3 of 4 is

(zie vak 3a)

Vermeld aanvullende informatie in verband met de annulering van het e-AD.

an..350

 

c

Aanvullende informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2


Tabel 3

(als bedoeld in artikel 5, lid 1, en artikel 8, lid 2)

Wijziging van bestemming

A

B

C

D

E

F

G

1

KENMERK

R

 

 

 

 

a

Datum en tijdstip geldigmaking bestemmingswijziging

C

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending bij geldigmaking van het voorlopige bericht van bestemmingswijziging.

Het opgegeven tijdstip is de plaatselijke tijd.

datumtijd

2

Bijwerking e-AD

R

 

 

 

 

a

Volgnummer

C

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending bij geldigmaking van het voorlopige bericht van bestemmingswijziging.

Staat op 1 bij de eerste geldigmaking van het e-AD en wordt vervolgens telkens met 1 verhoogd bij iedere wijziging van bestemming.

n..2

 

b

ARC

R

 

Vermeld de ARC van het e-AD waarvan de bestemming wordt gewijzigd.

an21

 

c

Reistijd

D

„R” wanneer de reistijd wijzigt ingevolge de bestemmingswijziging.

Vermeld, rekening houdende met het vervoermiddel en de afstand, de normale duur van de reis in uren (H) of dagen (D) gevolgd door twee cijfers (bv. H12 of D04). Het getal na „H” mag niet hoger zijn dan 24. Het getal na „D” mag niet hoger zijn dan 92.

an3

 

d

Gewijzigde regeling vervoer

D

„R” wanneer de voor de organisatie van het vervoer verantwoordelijke persoon wijzigt ingevolge de bestemmingswijziging.

Identificeer de persoon die verantwoordelijk is voor de organisatie van het vervoer, met behulp van een van de volgende waarden:

1

=

Afzender

2

=

Geadresseerde

3

=

Eigenaar van de goederen

4

=

Overige

n1

 

e

Factuurnummer

D

„R” wanneer de factuur wijzigt ingevolge de bestemmingswijziging.

Vermeld het nummer van de factuur die betrekking heeft op de goederen. Als er nog geen factuur is opgesteld, moet het nummer van de leveringsbon of van een ander vervoersdocument worden vermeld.

an..35

 

f

Factuurdatum

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is wanneer het factuurnummer wijzigt ingevolge de bestemmingswijziging.

De datum van het in vak 2e vermelde document.

datum

 

g

Code vervoerswijze

D

„R” wanneer de vervoerswijze wijzigt ingevolge de bestemmingswijziging.

Vermeld de vervoerswijze met behulp van de codes in bijlage II, codelijst 7.

n..2

 

h

Aanvullende informatie

C

„R” indien de code vervoerswijze is vermeld en „Overige” is.

Geef een nadere omschrijving van de vervoerswijze.

an..350

 

i

Aanvullende informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

3

GEWIJZIGDE bestemming

R

 

 

 

 

a

Code soort bestemming

R

 

Vermeld de nieuwe bestemming van de overbrenging met behulp van een van de volgende waarden:

1

=

Belastingentrepot (artikel 17, lid 1, onder a), i), van Richtlijn 2008/118/EG)

2

=

Geregistreerd geadresseerde (artikel 17, lid 1, onder a), ii), van Richtlijn 2008/118/EG)

3

=

Tijdelijk geregistreerd geadresseerde (artikel 17, lid 1, onder a), ii), en artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2008/118/EG)

4

=

Rechtstreekse aflevering (artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2008/118/EG)

6

=

Uitvoer (artikel 17, lid 1, onder a), iii), van Richtlijn 2008/118/EG)

n1

4

HANDELAAR nieuwe geadresseerde

D

„R” wanneer de geadresseerde wijzigt ingevolge de bestemmingswijziging.

 

 

 

a

Identificatie handelaar

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2, 3 en 4

„O” voor code soort bestemming 6

(zie vak 3a voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1, 2, 3 en 4: vermeld een geldig SEED-registratienummer van de erkende entrepothouder of de geregistreerde geadresseerde;

6: vermeld het btw-identificatienummer van de persoon die de afzender bij het kantoor van uitvoer vertegenwoordigt.

an..16

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

h

EORI-nummer

C

„O” voor code soort bestemming 6

Dit gegevenselement is niet van toepassing op codes soort bestemming 1, 2, 3, en 4

(zie vak 3a voor de codes soort bestemming)

Vermeld het EORI-nummer van de persoon die verantwoordelijk is voor het indienen van de uitvoeraangifte als beschreven in artikel 21, lid 5, van Richtlijn 2008/118/EG.

an..17

5

HANDELAAR plaats van levering

C

„R” voor codes soort bestemming 1 en 4

„O” voor codes soort bestemming 2 en 3

(zie vak 3a voor de codes soort bestemming)

Vermeld de werkelijke plaats van levering van de accijnsgoederen.

Voor code soort bestemming 2 is de gegevensgroep:

„O” na geslaagde geldigmaking van de voorlopige bestemmingswijziging, aangezien de lidstaat van verzending in dit vak het in SEED opgenomen adres van de geregistreerde geadresseerde kan vermelden;

niet van toepassing voor de voorlopige bestemmingswijziging.

 

 

a

Identificatie handelaar

C

„R” voor code soort bestemming 1

„O” voor codes soort bestemming 2 en 3

(zie vak 3a voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1: vermeld een geldig SEED-registratienummer van het belastingentrepot van bestemming;

2 en 3: vermeld het btw-identificatienummer of een ander kenmerk.

an..16

 

b

Naam handelaar

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2 en 3

„O” voor code soort bestemming 4

(zie vak 3a voor de codes soort bestemming)

 

an..182

 

c

Straat

C

Voor de vakken 5c, 5e en 5f:

„R” voor codes soort bestemming 2, 3 en 4

„O” voor code soort bestemming 1

(zie vak 3a voor de codes soort bestemming)

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

an..11

 

e

Postcode

C

 

an..10

 

f

Stad

C

 

an..50

 

g

NAD_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

6

KANTOOR plaats van levering — douane

C

„R” bij uitvoer (code soort bestemming 6)

(zie vak 3a voor de codes soort bestemming)

 

 

 

a

Identificatienummer kantoor

R

 

Vermeld de code van het kantoor van uitvoer waar de uitvoeraangifte zal worden ingediend overeenkomstig artikel 161, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 2913/92. Zie bijlage II, codelijst 5.

Vermeld een code van een douanekantoor dat is opgenomen in de lijst van douanekantoren die belast zijn met taken op het gebied van uitvoer.

an8

7

HANDELAAR nieuwe organisator van het vervoer

C

„R” om de persoon te identificeren die verantwoordelijk is voor de organisatie van het vervoer, indien de waarde in vak 2d „3” of „4” is.

 

 

 

a

Btw-nummer

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is.

 

an..14

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

8

HANDELAAR nieuwe vervoerder

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is wanneer de vervoerder wijzigt ingevolge de bestemmingswijziging.

Identificeer de nieuwe persoon die het vervoer verricht.

 

 

a

Btw-nummer

O

 

 

an..14

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

9

VERVOERSGEGEVENS

D

„R” wanneer de vervoersgegevens wijzigen ingevolge de bestemmingswijziging.

 

99x

 

a

Code vervoerseenheid

R

 

Vermeld de code(s) vervoerseenheid met betrekking tot de in vak 2 g opgegeven vervoerswijze; zie bijlage II, codelijst 8.

n..2

 

b

Identiteit vervoerseenheden

C

„R” indien de code vervoerseenheid verschilt van 5

(zie vak 9a)

Vermeld het registratienummer van de vervoerseenheid (vervoerseenheden) wanneer de code vervoerseenheid verschilt van 5.

an..35

 

c

Identiteit handelszegel

D

„R” indien handelszegels worden gebruikt.

Vermeld de identificatie van de handelszegels, indien deze worden gebruikt om de vervoerseenheid te verzegelen.

an..35

 

d

Informatie zegels

O

 

Vermeld aanvullende informatie over deze handelszegels (bv. het soort zegels dat wordt gebruikt).

an..350

 

e

Informatie zegels_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode; zie bijlage II, codelijst 1.

a2

 

f

Aanvullende informatie

O

 

Vermeld aanvullende informatie over het vervoer, bv. de identiteit van eventuele volgende vervoerders, informatie over volgende vervoerseenheden.

an..350

 

g

Aanvullende informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2


Tabel 4

(als bedoeld in artikel 5, lid 3, tweede alinea, artikel 5, lid 6, en artikel 6, lid 2, onder b))

Kennisgeving van wijziging van bestemming/kennisgeving van splitsing

A

B

C

D

E

F

G

1

 

KENNISGEVING ACCIJNS

R

 

 

 

 

a

Soort kennisgeving

R

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming (bij kennisgeving van wijziging van bestemming) of van de lidstaat van verzending (bij kennisgeving van splitsing).

Vermeld de reden van de kennisgeving met behulp van een van de volgende waarden:

1

=

Wijziging van bestemming

2

=

Splitsing

n1

 

b

Datum en tijdstip kennisgeving

R

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming (bij kennisgeving van wijziging van bestemming) of van de lidstaat van verzending (bij kennisgeving van splitsing).

Het opgegeven tijdstip is de plaatselijke tijd.

datumtijd

 

c

ARC

R

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming (bij kennisgeving van wijziging van bestemming) of van de lidstaat van verzending (bij kennisgeving van splitsing).

Vermeld de ARC van het e-AD waarvoor de kennisgeving wordt gedaan.

an21

 

d

Volgnummer

R

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming (bij kennisgeving van wijziging van bestemming) of van de lidstaat van verzending (bij kennisgeving van splitsing).

Vermeld het volgnummer van het e-AD.

Staat op 1 bij de eerste geldigmaking van het e-AD en wordt vervolgens telkens met 1 verhoogd bij iedere wijziging van bestemming.

n..2

2

 

VOLGENDE ARC

C

„R” indien het soort kennisgeving in vak 1a „2” is.

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending.

 

9x

 

a

ARC

R

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van verzending.

 

an21


Tabel 5

(als bedoeld in artikel 6, lid 1, en artikel 8, lid 2)

Splitsing

A

B

C

D

E

F

G

1

Splitsing e-AD

R

 

 

 

 

a

Voorafgaande ARC

R

 

Vermeld de ARC van het e-AD dat wordt gesplitst.

Zie bijlage II, codelijst 2.

an21

2

Lidstaat van splitsing

R

 

 

 

 

a

Code lidstaat

R

 

Vermeld de lidstaat op wiens grondgebied het transport wordt gesplitst, met behulp van de code lidstaat uit bijlage II, codelijst 3.

a2

3

Gegevens splitsing e-AD

R

 

De splitsing gebeurt door het e-AD in kwestie integraal te vervangen door twee of meer nieuwe e-AD's.

9x

 

a

Lokaal referentienummer

R

 

Een uniek volgnummer dat de afzender aan het e-AD toekent en waarmee hij de zending in zijn administratie identificeert.

an..22

 

b

Reistijd

D

„R” wanneer de reistijd wijzigt ingevolge de splitsing.

Vermeld, rekening houdende met het vervoermiddel en de afstand, de normale duur van de reis in uren (H) of dagen (D) gevolgd door twee cijfers (bv. H12 of D04). Het getal na „H” mag niet hoger zijn dan 24. Het getal na „D” mag niet hoger zijn dan 92.

an3

 

c

Gewijzigde regeling vervoer

D

„R” wanneer de voor de organisatie van het vervoer verantwoordelijke persoon wijzigt ingevolge de splitsing.

Identificeer de persoon die verantwoordelijk is voor de organisatie van het eerste vervoer, met behulp van een van de volgende waarden:

1

=

Afzender

2

=

Geadresseerde

3

=

Eigenaar van de goederen

4

=

Overige

n1

3.1

GEWIJZIGDE bestemming

R

 

 

 

 

a

Code soort bestemming

R

 

Vermeld de bestemming van de overbrenging met behulp van een van de volgende waarden:

1

=

Belastingentrepot (artikel 17, lid 1, onder a), i), van Richtlijn 2008/118/EG)

2

=

Geregistreerd geadresseerde (artikel 17, lid 1, onder a), ii), van Richtlijn 2008/118/EG)

3

=

Tijdelijk geregistreerd geadresseerde (artikel 17, lid 1, onder a), ii), en artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2008/118/EG)

4

=

Rechtstreekse aflevering (artikel 17, lid 2, van Richtlijn 2008/118/EG)

6

=

Uitvoer (artikel 17, lid 1, onder a), iii), van Richtlijn 2008/118/EG)

8

=

Bestemming onbekend (geadresseerde onbekend; artikel 22 van Richtlijn 2008/118/EG)

n1

3.2

HANDELAAR nieuwe geadresseerde

C

„O” indien de code soort bestemming verschilt van 8

(zie vak 3.1a voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1, 2, 3, 4 en 6: door de wijziging van de geadresseerde ingevolge de splitsing wordt deze gegevensgroep „R”

 

 

a

Identificatie handelaar

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2, 3 en 4

„O” voor code soort bestemming 6

Dit gegevenselement is niet van toepassing op code soort bestemming 8

(zie vak 3.1a voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1, 2, 3 en 4: vermeld een geldig SEED-registratienummer van de erkende entrepothouder of de geregistreerde geadresseerde;

6: vermeld het btw-identificatienummer van de persoon die de afzender bij het kantoor van uitvoer vertegenwoordigt.

an..16

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

h

EORI-nummer

C

„O” voor code soort bestemming 6

Dit gegevenselement is niet van toepassing op codes soort bestemming 1, 2, 3, 4 en 8

(zie vak 3.1a voor de codes soort bestemming)

Vermeld het EORI-nummer van de persoon die verantwoordelijk is voor het indienen van de uitvoeraangifte als beschreven in artikel 21, lid 5, van Richtlijn 2008/118/EG.

an..17

3.3

HANDELAAR plaats van levering

C

„R” voor codes soort bestemming 1 en 4

„O” voor codes soort bestemming 2 en 3

(zie vak 3.1a voor de codes soort bestemming)

 

 

 

a

Identificatie handelaar

C

„R” voor code soort bestemming 1

„O” voor codes soort bestemming 2 en 3

(zie vak 3.1a voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1: vermeld een geldig SEED-registratienummer van het belastingentrepot van bestemming;

2 en 3: vermeld het btw-identificatienummer of een ander kenmerk.

an..16

 

b

Naam handelaar

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2 en 3

„O” voor code soort bestemming 4

(zie vak 3.1a voor de codes soort bestemming)

 

an..182

 

c

Straat

C

Voor de vakken 3.3c, 3.3e en 3.3f:

„R” voor codes soort bestemming 2, 3 en 4

„O” voor code soort bestemming 1

(zie vak 3.1a voor de codes soort bestemming)

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

an..11

 

e

Postcode

C

 

an..10

 

f

Stad

C

 

an..50

 

g

NAD_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

3.4

KANTOOR plaats van levering — douane

C

„R” bij uitvoer (code soort gewijzigde bestemming 6).

(zie vak 3.1a voor de codes soort bestemming)

 

 

 

a

Identificatienummer kantoor

R

 

Vermeld de code van het kantoor van uitvoer waar de uitvoeraangifte zal worden ingediend overeenkomstig artikel 161, lid 5, van Verordening (EEG) nr. 2913/92.

Zie bijlage II, codelijst 5.

Vermeld een code van een douanekantoor dat is opgenomen in de lijst van douanekantoren die belast zijn met taken op het gebied van uitvoer.

an8

3.5

HANDELAAR nieuwe organisator van het vervoer

C

„R” om de persoon te identificeren die verantwoordelijk is voor de organisatie van het vervoer, indien de waarde in vak 3c„3” of „4” is.

 

 

 

a

Btw-nummer

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is.

 

an..14

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

3.6

HANDELAAR nieuwe vervoerder

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven „R” is wanneer de vervoerder wijzigt ingevolge de splitsing.

Identificeer de persoon die het nieuwe vervoer verricht.

 

 

a

Btw-nummer

O

 

 

an..14

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

3.7

VERVOERSGEGEVENS

D

„R” wanneer de vervoersgegevens wijzigen ingevolge de splitsing.

 

99X

 

a

Code vervoerseenheid

R

 

Vermeld de code(s) vervoerseenheid. Zie bijlage II, codelijst 8.

n..2

 

b

Identiteit vervoerseenheden

C

„R” indien de code vervoerseenheid verschilt van 5

(zie vak 3.7a)

Vermeld het registratienummer van de vervoerseenheid (vervoerseenheden) wanneer de code vervoerseenheid verschilt van 5.

an..35

 

c

Identiteit handelszegel

D

„R” indien handelszegels worden gebruikt.

Vermeld de identificatie van de handelszegels, indien deze worden gebruikt om de vervoerseenheid te verzegelen.

an..35

 

d

Informatie zegels

O

 

Vermeld aanvullende informatie over deze handelszegels (bv. het soort zegels dat wordt gebruikt).

an..350

 

e

Informatie zegels_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

f

Aanvullende informatie

O

 

Vermeld aanvullende informatie over het vervoer, bv. de identiteit van eventuele volgende vervoerders, informatie over volgende vervoerseenheden.

an..350

 

g

Aanvullende informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

3.8

Hoofdgedeelte e-AD

R

 

Voor elk product in de zending moet een aparte gegevensgroep worden gebruikt.

999x

 

a

Unieke referentie record

R

 

Vermeld de unieke referentie van de record van het product in het oorspronkelijke gesplitste e-AD. De unieke referentie van de record moet uniek zijn per „Gegevens splitsing e-AD”.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..3

 

b

Code accijnsgoed

R

 

Vermeld de toepasselijke code accijnsgoed uit bijlage II, codelijst 11.

an..4

 

c

GN-code

R

 

Vermeld de GN-code die van toepassing is op de datum van indiening van de splitsing.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n8

 

d

Hoeveelheid

R

 

Vermeld de hoeveelheid (in de maateenheid voor de desbetreffende goederencode — zie bijlage II, codelijsten 11 en 12).

Bij een overbrenging naar een in artikel 19, lid 3, van Richtlijn 2008/118/EG bedoelde geregistreerde geadresseerde mag de hoeveelheid de aan deze persoon toegestane hoeveelheid niet overschrijden.

Bij een overbrenging naar een in artikel 12 van Richtlijn 2008/118/EG bedoelde vrijgestelde organisatie mag de hoeveelheid de in het certificaat van vrijstelling van accijnzen geregistreerde hoeveelheid niet overschrijden.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..15,3

 

e

Brutogewicht

R

 

Vermeld het brutogewicht van de zending (de accijnsgoederen met verpakking).

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..15,2

 

f

Nettogewicht

R

 

Vermeld het gewicht van de accijnsgoederen zonder verpakking.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..15,2

 

i

Fiscaal merkteken

O

 

Vermeld aanvullende informatie over de door de lidstaat van bestemming vereiste fiscale merktekens.

an..350

 

j

Fiscaal merkteken_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

k

Indicatie fiscaal merkteken gebruikt

D

„R” indien fiscale merktekens worden gebruikt

Vermeld „1” wanneer de goederen een fiscaal merkteken dragen of bevatten dan wel „0” wanneer zij geen fiscaal merkteken dragen of bevatten.

n1

 

o

Densiteit

C

„R” indien van toepassing op het accijnsgoed in kwestie.

Vermeld de densiteit bij 15 °C, indien van toepassing in overeenstemming met de tabel in bijlage II, codelijst 11.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..5,2

 

p

Handelsbenaming

O

De lidstaat van verzending kan bepalen dat dit gegeven verstrekt moet worden.

Vermeld de handelsbenaming van de goederen ten behoeve van de identificatie van de vervoerde goederen.

an..350

 

q

Handelsbenaming_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

r

Merknaam van het product

D

„R” indien de accijnsgoederen een merknaam hebben.

Vermeld in voorkomend geval de merknaam van de goederen.

an..350

 

s

Merknaam van het product_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

3.8.1

VERPAKKING

R

 

 

99x

 

a

Code soort colli

R

 

Vermeld het soort colli met behulp van de codes in bijlage II, codelijst 9.

an2

 

b

Aantal colli

C

„R” indien als „telbaar” gemarkeerd.

Vermeld het aantal colli indien de colli telbaar zijn in overeenstemming met bijlage II, codelijst 9.

n..15

 

c

Identiteit handelszegel

D

„R” indien handelszegels worden gebruikt.

Vermeld de identificatie van de handelszegels, indien deze worden gebruikt om de colli te verzegelen.

an..35

 

d

Informatie zegels

O

 

Vermeld aanvullende informatie over deze handelszegels (bv. het soort zegels dat wordt gebruikt).

an..350

 

e

Informatie zegels_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2


Tabel 6

(als bedoeld in artikel 7 en artikel 8, lid 3)

Bericht van ontvangst/bericht van uitvoer

A

B

C

D

E

F

G

1

KENMERK

R

 

 

 

 

a

Datum en tijdstip geldigmaking bericht van ontvangst/uitvoer

C

Wordt verstrekt door de bevoegde autoriteiten van de lidstaat van bestemming/uitvoer bij geldigmaking van het bericht van ontvangst/bericht van uitvoer.

Het opgegeven tijdstip is de plaatselijke tijd.

datumtijd

2

OVERBRENGING ACCIJNSGOEDEREN e-AD

R

 

 

 

 

a

ARC

R

 

Vermeld de ARC van het e-AD. Zie bijlage II, codelijst 2.

an21

 

b

Volgnummer

R

 

Vermeld het volgnummer van het e-AD.

Staat op 1 bij de eerste geldigmaking van het e-AD en wordt vervolgens telkens met 1 verhoogd bij iedere wijziging van bestemming.

n..2

3

HANDELAAR geadresseerde

C

„R”, behalve wanneer het gegevenselement voor het soort bericht in het overeenkomstige e-AD op „2 — Indiening voor uitvoer volgens de domiciliëringsprocedure” staat.

 

 

 

a

Identificatie handelaar

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2, 3 en 4

„O” voor code soort bestemming 6

Geldt niet voor code soort bestemming 5

(zie vak 1a van tabel 1 voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1, 2, 3 en 4: vermeld een geldig SEED-registratienummer van de erkende entrepothouder of de geregistreerde geadresseerde;

6: vermeld het btw-identificatienummer van de persoon die de afzender bij het kantoor van uitvoer vertegenwoordigt.

an..16

 

b

Naam handelaar

R

 

 

an..182

 

c

Straat

R

 

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

 

an..11

 

e

Postcode

R

 

 

an..10

 

f

Stad

R

 

 

an..50

 

g

NAD_LNG

R

 

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

 

h

EORI-nummer

C

„O” voor code soort bestemming 6

Dit gegevenselement is niet van toepassing op codes soort bestemming 1, 2, 3, 4, 5 en 8

(zie vak 1a van tabel 1 voor de codes soort bestemming)

Vermeld het EORI-nummer van de persoon die verantwoordelijk is voor het indienen van de uitvoeraangifte als beschreven in artikel 21, lid 5, van Richtlijn 2008/118/EG.

an..17

4

HANDELAAR plaats van levering

C

„R” voor codes soort bestemming 1 en 4

„O” voor codes soort bestemming 2, 3 en 5

(zie vak 1a van tabel 1 voor de codes soort bestemming)

Vermeld de werkelijke plaats van levering van de accijnsgoederen.

 

 

a

Identificatie handelaar

C

„R” voor code soort bestemming 1

„O” voor codes soort bestemming 2, 3 en 5

(zie vak 1a van tabel 1 voor de codes soort bestemming)

Voor code soort bestemming:

1: vermeld een geldig SEED-registratienummer van het belastingentrepot van bestemming;

2, 3 en 5: vermeld het btw-identificatienummer of een ander kenmerk.

an..16

 

b

Naam handelaar

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2, 3 en 5

„O” voor code soort bestemming 4

(zie vak 1a van tabel 1 voor de codes soort bestemming)

 

an..182

 

c

Straat

C

Voor de vakken 4c, 4e en 4f:

„R” voor codes soort bestemming 2, 3, 4 en 5

„O” voor code soort bestemming 1

(zie vak 1a van tabel 1 voor de codes soort bestemming)

 

an..65

 

d

Nummer

O

 

an..11

 

e

Postcode

C

 

an..10

 

f

Stad

C

 

an..50

 

g

NAD_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

5

KANTOOR van bestemming

C

„R” voor codes soort bestemming 1, 2, 3, 4 en 5

(zie vak 1a van tabel 1 voor de codes soort bestemming)

 

 

 

a

Identificatienummer kantoor

R

 

Vermeld de code van het kantoor van de bevoegde autoriteiten in de lidstaat van bestemming die op de plaats van bestemming met de accijnscontrole belast zijn. Zie bijlage II, codelijst 5.

an8

6

BERICHT van ontvangst/uitvoer

R

 

 

 

 

a

Datum van aankomst van de accijnsgoederen

R

 

De datum waarop de overbrenging eindigt in overeenstemming met artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2008/118/EG.

datum

 

b

Algemene conclusie bij ontvangst

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

1

=

Ontvangst aanvaard en conform

2

=

Ontvangst aanvaard maar niet-conform

3

=

Ontvangst geweigerd

4

=

Ontvangst gedeeltelijk geweigerd

21

=

Uitgang aanvaard en conform

22

=

Uitgang aanvaard maar niet-conform

23

=

Uitgang geweigerd

n..2

 

c

Aanvullende informatie

O

 

Vermeld aanvullende informatie over de ontvangst van de accijnsgoederen.

an..350

 

d

Aanvullende informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2

7

HOOFDGEDEELTE BERICHT van ontvangst/uitvoer

C

„R” wanneer de waarde van de algemene conclusie bij ontvangst niet „1” of „21” is

(zie vak 6b)

 

999X

 

a

Unieke referentie record

R

 

Vermeld de unieke referentie van de record van het overeenkomstige e-AD (vak 17a van tabel 1) dat betrekking heeft op hetzelfde accijnsgoed als in het overeenkomstige e-AD waarop een andere code dan „1” of „21” van toepassing is.

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..3

 

b

Indicator meer- of minderbevinding

D

„R” wanneer er voor de desbetreffende record sprake is van een tekort of een teveel.

De volgende waarden zijn mogelijk:

S

=

Tekort

E

=

Teveel

a1

 

c

Meer- of minderbevinding

C

„R” indien de indicator in vak 7b is vermeld.

Vermeld de hoeveelheid (in de maateenheid voor de desbetreffende goederencode — zie codelijsten 11 en 12).

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..15,3

 

d

Code accijnsgoed

R

 

Vermeld de toepasselijke code accijnsgoed uit bijlage II, codelijst 11.

an4

 

e

Geweigerde hoeveelheid

C

„R” wanneer de algemene conclusie bij ontvangst code 4 heeft

(zie vak 6b)

Vermeld de hoeveelheid voor iedere record waarvoor accijnsgoederen worden geweigerd (in de maateenheid voor de desbetreffende goederencode — zie bijlage II, codelijsten 11 en 12).

De waarde van dit gegevenselement moet groter zijn dan nul.

n..15,3

7.1

REDEN VAN NIET-OVEREENSTEMMING

D

„R” voor iedere record waarvoor de algemene conclusie bij ontvangst code 2, 3, 4, 22 of 23 heeft

(zie vak 6b)

 

9X

 

a

Reden van niet-overeenstemming

R

 

De volgende waarden zijn mogelijk:

0

=

Overige

1

=

Teveel

2

=

Tekort

3

=

Goederen beschadigd

4

=

Verzegeling verbroken

5

=

Gemeld door het ECS (exportcontrolesysteem)

7

=

Grotere hoeveelheid dan waarvoor tijdelijke machtiging is verleend

n1

 

b

Aanvullende informatie

C

„R” wanneer de reden van niet-overeenstemming code 0 heeft

„O” wanneer de reden van niet-overeenstemming code 1, 2, 3, 4, 5 of 7 heeft

(zie vak 7.1a)

Vermeld aanvullende informatie over de ontvangst van de accijnsgoederen.

an..350

 

c

Aanvullende informatie_LNG

C

„R” indien het overeenkomstige tekstveld wordt gebruikt.

Vermeld de taalcode uit bijlage II, codelijst 1, om de in deze gegevensgroep gebruikte taal te definiëren.

a2”


(1)  Verordening (EG) nr. 31/96 van de Commissie van 10 januari 1996 betreffende het certificaat van vrijstelling van accijnzen (PB L 8 van 11.1.1996, blz. 11).

(2)  Verordening (EG) nr. 436/2009 van de Commissie van 26 mei 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad met betrekking tot het wijnbouwkadaster, de verplichte opgaven en de samenstelling van gegevens voor het volgen van de markt, de begeleidende documenten voor het vervoer van producten en de bij te houden registers in de wijnsector (PB L 128 van 27.5.2009, blz. 15).

(3)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 67).

(4)  Verordening (EG) nr. 607/2009 van de Commissie van 14 juli 2009 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 479/2008 van de Raad wat betreft beschermde oorsprongsbenamingen en geografische aanduidingen, traditionele aanduidingen, etikettering en presentatie van bepaalde wijnbouwproducten (PB L 193 van 24.7.2009, blz. 60).

(5)  Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).

(6)  Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB L 316 van 31.10.1992, blz. 21).


BIJLAGE II

De tabel in punt 11 (Accijnsgoed) van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 684/2009 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

in de rij voor accijnsgoedcode T200 wordt de vermelding voor „Omschrijving” vervangen door:

„Sigaretten als omschreven in artikel 3 van Richtlijn 2011/64/EU van de Raad (*1), en overeenkomstig artikel 2, lid 2, van die richtlijn met sigaretten gelijkgestelde producten;

(*1)  Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikanten (PB L 176 van 5.7.2011, blz. 24)”;"

(2)

in de rij voor accijnsgoedcode T300 wordt de vermelding voor „Omschrijving” vervangen door:

„Sigaren en cigarillo's als omschreven in artikel 4 van Richtlijn 2011/64/EU”;

(3)

in de rij voor accijnsgoedcode T400 wordt de vermelding voor „Omschrijving” vervangen door:

„Tabak van fijne snede voor het rollen van sigaretten als omschreven in artikel 5, lid 2, van Richtlijn 2011/64/EU”;

(4)

in de rij voor accijnsgoedcode T500 wordt de vermelding voor „Omschrijving” vervangen door:

„Rooktabak als omschreven in artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2011/64/EU, andere dan tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten als omschreven in artikel 5, lid 2, van die richtlijn, en producten gelijkgesteld met rooktabak andere dan tabak van fijne snede bestemd voor het rollen van sigaretten in overeenstemming met artikel 2, lid 2, van die richtlijn.”


(*1)  Richtlijn 2011/64/EU van de Raad van 21 juni 2011 betreffende de structuur en de tarieven van de accijns op tabaksfabrikanten (PB L 176 van 5.7.2011, blz. 24)”;”


17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/51


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/380 VAN DE COMMISSIE

van 16 maart 2016

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 16 maart 2016.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

236,2

MA

101,5

SN

176,8

TN

107,9

TR

93,2

ZZ

143,1

0707 00 05

MA

84,5

TR

148,3

ZZ

116,4

0709 93 10

MA

59,8

TR

156,6

ZZ

108,2

0805 10 20

EG

48,7

IL

72,6

MA

59,7

TN

66,6

TR

64,7

ZZ

62,5

0805 50 10

MA

141,2

TR

94,8

ZZ

118,0

0808 10 80

BR

88,6

US

171,8

ZZ

130,2

0808 30 90

AR

111,3

CL

168,4

CN

73,0

TR

153,6

ZA

101,4

ZZ

121,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/53


BESLUIT (EU) 2016/381 VAN DE RAAD

van 14 maart 2016

inzake het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Comité havenstaatcontrole van het Memorandum van overeenstemming van Parijs inzake havenstaatcontrole

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100 en artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De maritieme veiligheid en beveiliging, het voorkomen van verontreiniging en de leef- en werkomstandigheden aan boord van schepen kunnen daadwerkelijk worden verbeterd door het aantal schepen in de onder de jurisdictie van de lidstaten vallende wateren dat niet aan de normen voldoet, drastisch terug te dringen, via een strikte toepassing van de verdragen, internationale codes en resoluties.

(2)

Hoewel de verantwoordelijkheid voor de controle op de naleving door schepen van de internationale normen op het gebied van veiligheid, beveiliging, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord in de eerste plaats bij de vlaggenstaat berust, is het de verantwoordelijkheid van de rederij om erop toe te zien dat het schip en de scheepsuitrusting in goede staat verkeren na het onderzoek waarbij wordt nagegaan of voldaan is aan de voorschriften van de internationale overeenkomsten die op het schip van toepassing zijn. Een aantal vlaggenstaten is echter ernstig in gebreke gebleven wat de toepassing en handhaving van de internationale normen betreft.

(3)

Daarom dient ook de havenstaat, als tweede verdedigingslinie tegen schepen die niet aan de normen voldoen, zorg te dragen voor de controle op de naleving van de vastgestelde internationale normen op het gebied van veiligheid, beveiliging, voorkoming van verontreiniging en leef- en werkomstandigheden aan boord, in het besef dat een inspectie in het kader van de havenstaatcontrole geen onderzoek is en de daarmee samenhangende inspectiedocumenten geen zeewaardigheidscertificaten zijn. Een geharmoniseerde aanpak met betrekking tot de daadwerkelijke handhaving van die internationale normen door de kustlidstaten van de EU ten aanzien van schepen die in de onder hun jurisdictie vallende wateren varen en hun havens gebruiken, moet concurrentieverstoring voorkomen.

(4)

Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad (1) bevat de EU-regeling inzake havenstaatcontrole, waarbij de eerdere EU-wetgeving op dit gebied, die sinds 1995 van kracht is, wordt geherformuleerd en aangescherpt. De EU-regeling is gebaseerd op de bestaande structuur van het Memorandum van overeenstemming van Parijs inzake havenstaatcontrole (het „MOU van Parijs”), dat op 26 januari 1982 is ondertekend.

(5)

Wat de lidstaten van de EU betreft, brengt Richtlijn 2009/16/EG de procedures, instrumenten en activiteiten van het MOU van Parijs inzake havenstaatcontrole daadwerkelijk binnen de werkingssfeer van de Uniewetgeving. Krachtens die richtlijn zijn bepaalde beslissingen die door het passende bevoegde orgaan van het MOU van Parijs zijn genomen, bindend voor de lidstaten van de Unie.

(6)

Het Comité havenstaatcontrole („CHSC”) van het MOU van Parijs vergadert jaarlijks en neemt tijdens zijn beraadslagingen besluiten over bepaalde kwesties die rechtsgevolgen hebben.

(7)

Overeenkomstig artikel 218, lid 9, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) moet het standpunt dat namens de Unie in internationale organisaties moet worden ingenomen wanneer deze organisaties handelingen met rechtsgevolgen vaststellen, worden vastgesteld bij besluit van de Raad, op voorstel van de Commissie.

(8)

Aangezien de interne regels van het MOU van Parijs het moeilijk maken om tijdig voor elke afzonderlijke vergadering van het CHSC overeenkomstig artikel 218, lid 9, VWEU, een standpunt vast te stellen dat namens de Unie moet worden ingenomen, is het in dit geval efficiënt om een dergelijk standpunt voor meerdere jaren vast te leggen; dat standpunt bestaat dan uit richtinggevende beginselen en beleidslijnen, samen met een kader voor de jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt. Anderzijds betreffen de meeste onderwerpen die worden besproken tijdens de afzonderlijke CHSC-vergaderingen kwesties inzake havencontrole, en vallen zij over het algemeen onder één rechtshandeling van de Unie, namelijk Richtlijn 2009/16/EG. Gegeven de bijzondere omstandigheden die gelden voor het MOU van Parijs, is het derhalve mogelijk een algemeen standpunt vast te leggen dat namens de Unie moet worden ingenomen voor verschillende van deze bijeenkomsten.

(9)

De Unie is geen verdragsluitende partij bij het MOU van Parijs. Daarom is het noodzakelijk dat de Raad de lidstaten toestemming geeft om in overeenstemming met het namens de Unie vast te stellen standpunt te handelen en te verklaren dat zij ermee instemmen gebonden te zijn aan de besluiten van het CHSC.

(10)

Gebleken is dat de huidige methode voor het opstellen van de witte, grijze en zwarte lijst van vlaggenstaten onevenredige en onbedoelde gevolgen heeft voor vlaggenstaten met kleine vloten. Tegelijkertijd heeft de ontwikkeling van een alternatieve berekeningsmethode op zich laten wachten. Billijkheidshalve is het daarom van belang snel een alternatieve methode te ontwikkelen.

(11)

Om te zorgen voor de doeltreffendheid en de goede functionering van het MOU van Parijs, zijn technische besprekingen en samenwerking met derde landen die lid zijn van het MOU van Parijs, in het kader van het CHSC, van groot belang.

(12)

Dit besluit heeft betrekking op de periode 2016 tot en met 2019,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in de jaarlijkse zitting van het CHSC van het MOU van Parijs in te nemen standpunt, wanneer dat lichaam besluiten met rechtsgevolgen dient te nemen, is vervat in bijlage I.

Artikel 2

De jaarlijkse nadere bepaling van het standpunt dat namens de Unie in de jaarlijkse zitting van het CHSC van het MOU van Parijs moet worden ingenomen, verloopt overeenkomstig bijlage II.

Artikel 3

De lidstaten die aan het MOU van Parijs zijn gebonden handelen in overeenstemming met het namens de Unie in te nemen standpunt, als bedoeld in artikel 1, en handelen samen in het belang van de Unie.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op 1 april 2016.

Het verstrijkt op 31 december 2019.

Gedaan te Brussel, 14 maart 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

M.H.P. VAN DAM


(1)  Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 betreffende havenstaatcontrole (PB L 131 van 28.5.2009, blz. 57).


BIJLAGE I

HET NAMENS DE UNIE IN TE NEMEN STANDPUNT IN HET COMITÉ HAVENSTAATCONTROLE VAN HET MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING VAN PARIJS INZAKE HAVENSTAATCONTROLE

Beginselen

In het kader van het CHSC van het MOU van Parijs, doen de lidstaten die gebonden zijn aan het MOU van Parijs en die samen handelen in het belang van de Unie, het volgende:

a)

zij handelen overeenkomstig de doelstellingen van Richtlijn 2009/16/EG, met name de verbetering van de maritieme veiligheid en beveiliging, de voorkoming van verontreiniging en de verbetering van de leef- en werkomstandigheden aan boord door het aantal schepen dat niet aan de normen voldoet, drastisch te doen afnemen door een strikte toepassing van de desbetreffende verdragen, internationale codes en resoluties;

b)

zij bevorderen de implementatie van een geharmoniseerde aanpak door de leden van het MOU van Parijs, teneinde de internationale normen effectief te doen naleven door schepen die in de onder de jurisdictie van de leden vallende wateren varen en hun havens gebruiken;

c)

zij werken samen in het kader van het MOU van Parijs om tot een alomvattende inspectieregeling te komen en de inspectielast op billijke wijze te verdelen, met name door het vaststellen van de jaarlijkse inspectieverbintenis die is opgesteld volgens de overeengekomen methode van bijlage 11 bij het MOU van Parijs;

d)

zij streven er in het kader van het MOU van Parijs naar de nodige bevoegde instanties in stand te houden, waaraan voor de inspectie van schepen het vereiste aantal personeelsleden in het bijzonder gekwalificeerde inspecteurs, wordt toegewezen, bijvoorbeeld via werving;

e)

zij zorgen ervoor dat de maatregelen die in het kader van het MOU van Parijs zijn vastgesteld, in overeenstemming zijn met het internationaal recht, en met name met de toepasselijke verdragen, internationale codes en resoluties op het gebied van maritieme veiligheid en beveiliging, de voorkoming van verontreiniging en de leef- en werkomstandigheden aan boord;

f)

zij bevorderen de ontwikkeling van gemeenschappelijke benaderingen met andere organen die havenstaatcontrole verrichten;

g)

zij zorgen voor consistentie met andere beleidsgebieden van de Unie, met name externe betrekkingen, veiligheid, milieu en andere gebieden.

Beleidslijnen

De lidstaten die aan het MOU van Parijs gebonden zijn en samen in het belang van de Unie handelen, streven ernaar de volgende acties van het MOU van Parijs te ondersteunen:

A.

teneinde te garanderen dat de werking van de Unieregeling voor havenstaatcontrole van jaar tot jaar vlot werkt overeenkomstig Richtlijn 2009/16/EG, de vaststelling van:

1.

de volgende elementen van het scheepsrisicoprofiel dat wordt gebruikt om te bepalen welke schepen geïnspecteerd worden:

a)

de witte, grijze en zwarte lijst van vlaggenstaten overeenkomstig de formule die is ontwikkeld door het MOU van Parijs en is opgenomen in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 801/2010 van de Commissie (1);

b)

de prestatielijst voor erkende organisaties overeenkomstig de methode die het CHSC heeft vastgesteld tijdens zijn 37e zitting in mei 2004 (agendapunt 4.5.2);

c)

het gemiddelde aantal tekortkomingen en aanhoudingen voor de bedrijfsprestatieformule op basis van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 802/2010 (2).

2.

wijzigingen of aanpassingen van de procedures en richtsnoeren van het MOU van Parijs waarvan de juridische gevolgen stroken met de doelstellingen van Richtlijn 2009/16/EG, met name de verbetering van de maritieme veiligheid en beveiliging, de voorkoming van verontreiniging en de verbetering van de leef- en werkomstandigheden aan boord.

B.

het zo spoedig mogelijk ontwikkelen van een alternatieve methode voor het opstellen van de witte, grijze en zwarte lijst van vlaggenstaten, teneinde deze billijker te maken, ongeacht de omvang van de vloot.


(1)  Verordening (EU) nr. 801/2010 van de Commissie van 13 september 2010 ter uitvoering van artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de vlaggenstaatcriteria betreft (PB L 241 van 14.9.2010, blz. 1).

(2)  Verordening (EU) nr. 802/2010 van de Commissie van 13 september 2010 ter uitvoering van artikel 10, lid 3, en artikel 27 van Richtlijn 2009/16/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de prestaties van de rederij betreft (PB L 241 van 14.9.2010, blz. 4).


BIJLAGE II

JAARLIJKSE NADERE BEPALING VAN HET NAMENS DE UNIE IN TE NEMEN STANDPUNT IN HET COMITÉ HAVENSTAATCONTROLE VAN HET MEMORANDUM VAN OVEREENSTEMMING VAN PARIJS INZAKE HAVENSTAATCONTROLE

Vóór elke jaarlijkse vergadering van het CHSC van het MOU van Parijs inzake havenstaatcontrole worden de nodige stappen ondernomen om ervoor te zorgen dat in het standpunt dat namens de Unie zal worden ingenomen, rekening wordt gehouden met alle aan de Europese Commissie toegezonden informatie en met alle te bespreken documenten die onder de bevoegdheid van de Unie vallen, overeenkomstig de beginselen en beleidslijnen van bijlage I.

Daartoe zenden de Commissiediensten, op basis van die informatie en lang genoeg vóór de desbetreffende vergadering van het CHSC, een document met de nadere bijzonderheden van het voorgestelde standpunt van de Unie ter bespreking en goedkeuring toe aan de Raad of zijn voorbereidende instanties.


17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/57


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2016/382 VAN DE COMMISSIE

van 15 maart 2016

betreffende een door Duitsland krachtens Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad genomen maatregel om het in de handel brengen van een type kabelpelmachine te verbieden

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2016) 1520)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2006 betreffende machines en tot wijziging van Richtlijn 95/16/EG (1), en met name artikel 11, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig de procedure van artikel 11, lid 2, van Richtlijn 2006/42/EG heeft Duitsland de Commissie in kennis gesteld van een maatregel om het in de handel brengen van een kabelpelmachine van het type QJ-001 die door Taizhou City Luqiao Qi Jin Wire Peeling Machine Manufacturing, China wordt vervaardigd en door Fringo GmbH & Co. KG, Kurfürstendamm 96, 10709 Berlijn wordt verdeeld, te verbieden.

(2)

De reden voor de maatregel is de non-conformiteit van de kabelpelmachine met de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen van bijlage I bij Richtlijn 2006/42/EG.

(3)

In punt 1.2.4.3 van bijlage I bij Richtlijn 2006/42/EG („Noodstop”) is bepaald dat een machine moet zijn voorzien van één of meerdere noodstopinrichtingen waarmee reële of dreigende gevaarlijke situaties kunnen worden afgewend. Dit geldt niet voor: a) machines waarbij het risico niet verminderd zou worden door de noodstopinrichting, hetzij omdat deze de normale tijd waarbinnen de machine stopt niet vermindert, hetzij omdat deze het niet mogelijk maakt de in verband met het risico vereiste bijzondere maatregelen te nemen, b) met de hand vastgehouden en/of met de hand geleide draagbare machines. Hoewel de kabelpelmachine niet onder de uitzonderingen valt, is deze niet uitgerust met een noodstop.

(4)

In punt 1.3.7 van bijlage I bij Richtlijn 2006/42/EG („Risico's in verband met de bewegende delen”) is bepaald dat de bewegende delen van de machine zodanig moeten zijn ontworpen en gebouwd dat het risico op aanraking waardoor zich ongelukken zouden kunnen voordoen, moet worden voorkomen, of, wanneer risico's blijven bestaan, dat de bewegende delen voorzien zijn van afschermingen of beveiligingsinrichtingen. De kabelpelmachine vertoont de volgende tekortkomingen:

er zijn bewegende delen die een risico vormen omdat zij geen beveiligingsinrichting hebben, te weten de V-riem, die bloot ligt;

de afstand tot de gevarenzone is onvoldoende: wanneer de veiligheidsafstanden niet in acht worden genomen, is het mogelijk de kabelgeleidingsrollen met de handen aan te raken.

(5)

In punt 1.7.1 van bijlage I bij Richtlijn 2006/42/EG („Informatie en waarschuwingen op de machine”) is bepaald dat schriftelijke of mondelinge informatie en waarschuwingen moeten worden gesteld in de officiële taal (of talen) van de Gemeenschap die overeenkomstig het Verdrag kunnen worden bepaald door de lidstaat waar de machine op de markt zal worden gebracht en/of zal worden in bedrijf gesteld en desgevraagd vergezeld kunnen gaan van versies in een andere officiële taal (of talen) van de Gemeenschap die de bedieners begrijpen. In het geval van de kabelpelmachine zijn de waarschuwingsboodschappen in de handleiding enkel in het Engels verstrekt.

(6)

In punt 1.7.4.2 van bijlage I bij Richtlijn 2006/42/EG („Inhoud van de gebruiksaanwijzing”) is de informatie bepaald die iedere gebruiksaanwijzing moet bevatten. De gebruiksaanwijzing van de kabelpelmachine bevat geen informatie over de restrisico's die, ondanks de geïntegreerde veiligheid bij het ontwerp van de machine en de genomen beschermingsmaatregelen en bijkomende voorzieningen, blijven bestaan, noch over het uitgestraalde geluidsvermogen, zoals in punt 1.7.4.2, onder l), is vereist. De tekeningen, schema's, beschrijvingen en toelichtingen die nodig zijn voor het gebruik, onderhoud en herstellen van de machine en voor de controle op de correcte werking ervan, zoals in punt 1.7.4.2, onder e), is vereist, ontbreken grotendeels of zijn onduidelijk.

(7)

De Commissie heeft Fringo GmbH&Co. KG en Taizhou City Luqiao Qi Jin Wire Peeling Machine Manufacturing verzocht opmerkingen over de maatregel van Duitsland te formuleren. Zij heeft hierop geen antwoord ontvangen.

(8)

Na onderzoek van het door de Duitse autoriteiten voorgelegde bewijsmateriaal is bevestigd dat de kabelpelmachine van het type QJ-001 die door Taizhou City Luqiao Qi Jin Wire Peeling Machine Manufacturing, China wordt vervaardigd en door Fringo GmbH&Co. KG, Duitsland wordt verdeeld, niet voldoet aan de essentiële gezondheids- en veiligheidseisen van deze richtlijn als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder a), van Richtlijn 2006/42/EG en dat de non-conformiteit aanleiding geeft tot ernstige risico's op letsel voor de gebruikers. Het is daarom passend de door Duitsland genomen maatregel als gerechtvaardigd te beschouwen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De door Duitsland genomen maatregel om het in de handel brengen van een kabelpelmachine van het type QJ-001 die door Taizhou City Luqiao Qi Jin Wire Peeling Machine Manufacturing, China wordt vervaardigd en door Fringo GmbH&Co. KG, Kurfürstendamm 96, 10709 Berlijn wordt verdeeld, te verbieden, is gerechtvaardigd.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 15 maart 2016.

Voor de Commissie

Elżbieta BIEŃKOWSKA

Lid van de Commissie


(1)   PB L 157 van 9.6.2006, blz. 24.


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/59


BESLUIT Nr. 1/2016 VAN HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS

van 7 maart 2016

betreffende de goedkeuring van afwijkingen van het financieel reglement van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (COB) [2016/383]

HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS,

Gezien bijlage III van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1), en met name artikel 2, lid 6,

Gezien Besluit nr. 5/2004 van het ACS-EG-Comité van ambassadeurs van 17 december 2004 betreffende het financieel reglement van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig bijlage III bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (ACS-EU-partnerschapsovereenkomst) moet het ACS-EU-Comité van ambassadeurs toezicht houden op de algemene strategie van het COB en heeft het de supervisie over de werkzaamheden van de raad van bestuur van het COB.

(2)

Overeenkomstig bijlage III bij de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst is de raad van bestuur van het COB belast met het vaststellen van het financieel reglement, het personeelsreglement en de werkwijze.

(3)

De statuten en het reglement van orde van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven, vastgesteld bij Besluit nr. 8/2005 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs (3) („de statuten van het COB”), en Besluit nr. 5/2004 van het ACS-EG-Comité van ambassadeurs („financieel reglement van het COB”) (4) bevatten de waarborgen inzake informatieverstrekking aan en toezicht door het ACS-EU-Comité van ambassadeurs.

(4)

Tijdens zijn 39e zitting te Nairobi op 19 en 20 juni 2014, is de ACS-EU-Raad van ministers in een gezamenlijke verklaring overeengekomen over te gaan tot ordelijke sluiting van het COB en tot wijziging van bijlage III bij de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst, en heeft besloten daartoe aan het ACS-EU-Comité van ambassadeurs de bevoegdheid te delegeren om deze aangelegenheid ter hand te nemen met het oog op de vaststelling van de nodige besluiten.

(5)

In zijn Besluit nr. 4/2014 (5) wijst het ACS-EU-Comité van ambassadeurs erop dat bij de sluiting van het COB de bevoegdheden van de toezichthoudende autoriteiten van het COB als bepaald in bijlage III bij de ACS-EU-partnerschapsovereenkomst en de in de gezamenlijke verklaring van de ACS-EU-Raad van ministers vastgelegde nadere bepalingen in acht moeten worden genomen.

(6)

In het verzoek van de raad van bestuur van het COB aan het ACS-EU-Comité van ambassadeurs bij schrijven van 19 oktober 2015, wordt uiteengezet dat in het kader van de sluiting van het COB, de raad van bestuur van het COB wenst af te wijken van artikel 27, leden 1 en 5, van het financieel reglement van het COB, en de toezichthoudende autoriteiten verzoekt hiertoe een voorafgaande toestemming te verlenen.

(7)

De wijzigingen of afwijkingen van het financieel reglement van het COB en het COB-personeelsreglement (6) die kunnen optreden naargelang de behoeften die zich kunnen voordoen naar aanleiding van de uitvoering van de ordelijke sluiting van het COB, vereisen een flexibele procedure.

(8)

De vereiste om een accountantsfirma aan te stellen voor een periode van drie jaar zoals bepaald in artikel 27, lid 1, van het financieel reglement van het COB en de vereiste voor deze accountantsfirma om overeenkomstig artikel 27, lid 5, van dat financieel reglement jaarlijks een wettelijk voorgeschreven controleverslag op te stellen, moeten worden aangepast om te zorgen voor een efficiëntere procedure in het kader van de sluiting van de organisatie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het ACS-EU-Comité van ambassadeurs brengt met onmiddellijke ingang een positief advies uit met betrekking tot de afwijking van artikel 27, leden 1 en 5, van het financieel reglement van het COB.

2.   In afwijking van artikel 27, lid 1, van het financieel reglement van het COB kan het COB een accountantsfirma aanstellen voor een periode van vier jaar die betrekking heeft op de boekjaren 2013 tot en met 2016. Deze accountantsfirma wordt geselecteerd overeenkomstig de aanbestedingsprocedures waarin het financieel reglement van het COB voorziet.

In afwijking van artikel 27, lid 5, van het financieel reglement van het COB wordt een meerjarige controle uitgevoerd voor de jaren die nog niet gecontroleerd zijn en wordt hierover één eindverslag voorgelegd aan de raad van bestuur van het COB.

Artikel 2

Het ACS-EU-Comité van ambassadeurs machtigt de raad van bestuur van het COB om af te wijken van het financieel reglement van het COB en het personeelsreglement van het COB en/of deze reglementen te wijzigen naar gelang de behoeften die zich kunnen voordoen naar aanleiding van de uitvoering van de ordelijke sluiting van het COB. De raad van bestuur van het COB stelt het ACS-EU-Comité van ambassadeurs onmiddellijk in kennis van enig besluit inzake afwijking en/of wijziging van de COB-reglementen.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2016.

Voor het ACS-EU-Comité van ambassadeurs

De voorzitter

P. DE GOOIJER


(1)  Overeenkomst ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3), zoals gewijzigd bij de op 25 juni 2005 in Luxemburg ondertekende overeenkomst (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27) en bij de op 22 juni 2010 in Ouagadougou ondertekende overeenkomst (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3).

(2)   PB L 70 van 9.3.2006, blz. 52.

(3)   PB L 66 van 8.3.2006, blz. 16.

(4)  Besluit nr. 5/2004 van het ACS-EG-Comité van ambassadeurs van 17 december 2004 betreffende het financieel reglement van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (PB L 70 van 9.3.2006, blz. 52).

(5)   PB L 330 van 15.11.2014, blz. 61.

(6)   PB L 348 van 30.12.2005, blz. 54.


17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/61


BESLUIT Nr. 2/2016 VAN HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS

van 7 maart 2016

houdende benoeming van een lid van de raad van bestuur van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (COB) [2016/384]

HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS,

Gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000 (1), voor het eerst gewijzigd in Luxemburg op 25 juni 2005 (2) en voor de tweede maal gewijzigd in Ouagadougou op 22 juni 2010 (3), en met name artikel 2, lid 6, van bijlage III,

Gezien Besluit nr. 8/2005 van het ACS-EG-Comité van ambassadeurs van 20 juli 2005 betreffende de statuten en het reglement van orde van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (COB) (4), en met name artikel 9, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 9 van de statuten en het reglement van orde van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (COB) is bepaald dat het Comité van ambassadeurs de leden van de raad van bestuur benoemt voor een periode van ten hoogste vijf jaar.

(2)

De ambtstermijn van de drie bij Besluit nr. 3/2013 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 30 juli 2013 (5) benoemde ACS-leden in de raad van bestuur van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven, die is gewijzigd bij Besluit nr. 2/2014 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs (6), loopt af op 6 september 2018, of bij de sluiting van het centrum, indien dat eerder plaatsvindt.

(3)

Ten gevolge van het aftreden van één van de leden is een ambt vacant geworden.

(4)

Daarom moet er voor de resterende duur van de ambtstermijn een nieuw lid in de raad van bestuur worden benoemd,

BESLUIT:

Artikel 1

Wordt benoemd tot lid van de raad van bestuur van het COB, ter vervanging van mevrouw Maria MACHAILO-ELLIS:

de heer Lekwalo Leta MOSIENYANE.

Artikel 2

Onverminderd de besluiten die het Comité eventueel in het kader van zijn prerogatieven nog zou nemen, is de raad van bestuur van het COB voor de verdere duur van de ambtstermijn — dat wil zeggen tot 6 september 2018, of tot de datum van sluiting van het centrum, indien dat eerder is — samengesteld als volgt:

 

de heer Jacek ADAMSKI

 

de heer Martin BENKO

 

mevrouw Nicole BOLLEN

 

de heer John Atkins ARUHURI

 

de heer Lekwalo Leta MOSIENYANE

 

de heer Félix MOUKO.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld. Het kan te allen tijde worden herzien in het licht van de situatie met betrekking tot het centrum.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2016.

Voor het ACS-EU-Comité van ambassadeurs

De voorzitter

P. DE GOOIJER


(1)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)  Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27).

(3)  Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribisch gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3).

(4)   PB L 66 van 8.3.2006, blz. 16.

(5)   PB L 263 van 5.10.2013, blz. 18.

(6)  Besluit nr. 2/2014 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 5 augustus 2014 houdende benoeming van de leden van de raad van bestuur van het Centrum voor de ontwikkeling van het bedrijfsleven (COB) (PB L 245 van 20.8.2014, blz. 9).


17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/63


BESLUIT Nr. 1/2016 VAN HET GEMENGD COMITÉ EU-NOORWEGEN

van 8 februari 2016

tot wijziging van Protocol 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking [2016/385]

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien de op 14 mei 1973 in Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en het Koninkrijk Noorwegen (1) („de overeenkomst”), en met name artikel 11,

Gezien Protocol 3 bij de overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking (2) („Protocol 3”),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 11 van de overeenkomst wordt verwezen naar Protocol 3 dat de oorsprongsregels bevat en voorziet in de cumulatie van oorsprong tussen de EU, Noorwegen, Zwitserland (inclusief Liechtenstein), IJsland, Turkije, de Faeröer en de deelnemers aan het Barcelonaproces, namelijk Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Palestina (3), Syrië en Tunesië.

(2)

Krachtens artikel 39 van Protocol 3 kan het bij artikel 29 van de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité besluiten de bepalingen van dit protocol te wijzigen.

(3)

De Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (4) („de conventie”) is opgesteld om de protocollen inzake de oorsprongsregels die momenteel van kracht zijn tussen de landen van het pan-Euro-mediterrane gebied, door één rechtshandeling te vervangen.

(4)

De EU en Noorwegen hebben de conventie op 15 juni 2011 ondertekend.

(5)

De EU en Noorwegen hebben hun akte van aanvaarding respectievelijk op 26 maart 2012 en 9 november 2011 bij de depositaris van de conventie neergelegd. Vervolgens is op grond van artikel 10, lid 3, de conventie voor de EU en Noorwegen respectievelijk op 1 mei 2012 en 1 januari 2012 in werking getreden.

(6)

De conventie heeft de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces en de Republiek Moldavië opgenomen in de pan-Euro-mediterrane zone voor oorsprongscumulatie.

(7)

Protocol 3 van de overeenkomst moet daarom worden aangepast om naar de conventie te verwijzen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Protocol 3 bij de overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 mei 2015.

Gedaan te Brussel, 8 februari 2016.

Voor het Gemengd Comité

De voorzitter

Petros SOURMELIS


(1)   PB L 171 van 27.6.1973, blz. 2.

(2)   PB L 117 van 2.5.2006, blz. 2.

(3)  Deze benaming mag niet worden uitgelegd als een erkenning van de staat Palestina en laat de afzonderlijke standpunten van de lidstaten ter zake onverlet.

(4)   PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.


BIJLAGE

Protocol 3

betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden voor administratieve samenwerking

Artikel 1

Toepasselijke regels van oorsprong

Voor de toepassing van deze overeenkomst zijn aanhangsel I en de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (1) („de conventie”) van toepassing.

Alle verwijzingen naar de „desbetreffende overeenkomst” in aanhangsel I en in de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels gelden als verwijzingen naar deze overeenkomst.

Artikel 2

Geschillenregeling

Indien er een geschil ontstaat in verband met de controleprocedures in artikel 32 van aanhangsel I van de conventie dat niet kan worden opgelost door de douaneautoriteit die de controle heeft aangevraagd en de douaneautoriteit die de controle moet uitvoeren, wordt het aan het Gemengd Comité voorgelegd.

In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.

Artikel 3

Wijzigingen van het protocol

Het Gemengd Comité kan besluiten bepalingen van dit protocol te wijzigen.

Artikel 4

Opzegging van de conventie

1.   Indien ofwel de EU ofwel Noorwegen de depositaris van de conventie schriftelijk te kennen geeft de conventie op grond van artikel 9 te willen opzeggen, onderhandelen de EU en Noorwegen onmiddellijk over oorsprongsregels voor de toepassing van deze overeenkomst.

2.   Tot de inwerkingtreding van deze nieuw overeengekomen oorsprongsregels blijven op deze overeenkomst de op het moment van opzegging geldende oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie van toepassing. Vanaf de opzegging worden de oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie echter zo uitgelegd dat zij uitsluitend bilaterale cumulatie tussen de EU en Noorwegen toestaan.

Artikel 5

Overgangsbepalingen — cumulatie

Niettegenstaande artikel 16, lid 5, en artikel 21, lid 3, van aanhangsel I van de conventie mag het bewijs van oorsprong een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring zijn indien bij de cumulatie alleen EVA-landen, de Faeröer, de EU, Turkije, de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces en de Republiek Moldavië zijn betrokken.


(1)   PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.


17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/66


BESLUIT Nr. 1/2016 VAN HET GEMENGD COMITÉ EU-IJSLAND

van 17 februari 2016

tot wijziging van Protocol 3 bij de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking [2016/386]

HET GEMENGD COMITÉ,

Gezien de op 22 juli 1972 in Brussel ondertekende Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Republiek IJsland (1) („de overeenkomst”), en met name artikel 11,

Gezien Protocol 3 bij de overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking („Protocol 3”),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In artikel 11 van de overeenkomst wordt verwezen naar Protocol 3, dat de oorsprongsregels bevat en voorziet in de cumulatie van oorsprong tussen de EU, IJsland, Zwitserland (inclusief Liechtenstein), Noorwegen, Turkije, de Faeröer en de deelnemers aan het Barcelonaproces, namelijk Algerije, Egypte, Israël, Jordanië, Libanon, Marokko, Palestina (2), Syrië en Tunesië.

(2)

Krachtens artikel 39 van Protocol 3 kan het bij artikel 30 van de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité besluiten de bepalingen van dit protocol te wijzigen.

(3)

De Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (3) („de conventie”) is opgesteld om de protocollen inzake de oorsprongsregels die momenteel van kracht zijn tussen de landen van het pan-Euro-mediterrane gebied, door één rechtshandeling te vervangen.

(4)

De EU en IJsland hebben de conventie respectievelijk op 15 juni 2011 en 30 juni 2011 ondertekend.

(5)

De EU en IJsland hebben hun akte van aanvaarding respectievelijk op 26 maart 2012 en 12 maart 2012 bij de depositaris van de conventie neergelegd. Vervolgens is op grond van artikel 10, lid 3, de conventie voor de EU en IJsland op 1 mei 2012 in werking getreden.

(6)

De conventie heeft de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces en de Republiek Moldavië opgenomen in de pan-Euro-mediterrane zone voor oorsprongscumulatie.

(7)

Protocol 3 van de overeenkomst moet daarom worden aangepast om naar de conventie te verwijzen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Protocol 3 bij de overeenkomst betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden van administratieve samenwerking wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 mei 2015.

Gedaan te Brussel, 17 februari 2016.

Voor het Gemengd Comité

De voorzitter

Petros SOURMELIS


(1)   PB L 301 van 31.12.1972, blz. 2.

(2)  Deze benaming mag niet worden uitgelegd als een erkenning van de staat Palestina en laat de afzonderlijke standpunten van de lidstaten ter zake onverlet.

(3)   PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.


BIJLAGE

Protocol 3

betreffende de definitie van het begrip „producten van oorsprong” en methoden voor administratieve samenwerking

Artikel 1

Toepasselijke regels van oorsprong

Voor de toepassing van deze overeenkomst zijn aanhangsel I en de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels (1) („de conventie”), van toepassing.

Alle verwijzingen naar de „desbetreffende overeenkomst” in aanhangsel I en in de relevante bepalingen van aanhangsel II van de Regionale Conventie betreffende de pan-Euro-mediterrane preferentiële oorsprongsregels gelden als verwijzingen naar deze overeenkomst.

Artikel 2

Geschillenregeling

Indien er een geschil ontstaat in verband met de controleprocedures in artikel 32 van aanhangsel I van de conventie dat niet kan worden opgelost door de douaneautoriteit die de controle heeft aangevraagd en de douaneautoriteit die de controle moet uitvoeren, wordt het aan het Gemengd Comité voorgelegd.

In alle gevallen is de wetgeving van het land van invoer van toepassing op de regeling van geschillen tussen een importeur en de douaneautoriteiten van het land van invoer.

Artikel 3

Wijzigingen van het protocol

Het Gemengd Comité kan besluiten bepalingen van dit protocol te wijzigen.

Artikel 4

Opzegging van de conventie

1.   Indien ofwel de EU ofwel IJsland de depositaris van de conventie schriftelijk te kennen geeft de conventie op grond van artikel 9 te willen opzeggen, onderhandelen de EU en IJsland onmiddellijk over oorsprongsregels voor de toepassing van deze overeenkomst.

2.   Tot de inwerkingtreding van deze nieuw overeengekomen oorsprongsregels blijven op deze overeenkomst de op het moment van opzegging geldende oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie van toepassing. Vanaf de opzegging worden de oorsprongsregels in aanhangsel I en, in voorkomend geval, de relevante bepalingen van aanhangsel II van de conventie echter zo uitgelegd dat zij uitsluitend bilaterale cumulatie tussen de EU en IJsland toestaan.

Artikel 5

Overgangsbepalingen — cumulatie

Niettegenstaande artikel 16, lid 5, en artikel 21, lid 3, van aanhangsel I van de conventie mag het bewijs van oorsprong een certificaat inzake goederenverkeer EUR.1 of een oorsprongsverklaring zijn indien bij de cumulatie alleen EVA-landen, de Faeröer, de EU, Turkije, de deelnemers aan het stabilisatie- en associatieproces en de Republiek Moldavië zijn betrokken.


(1)   PB L 54 van 26.2.2013, blz. 4.


Rectificaties

17.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 72/69


Rectificatie van Richtlijn 2013/59/Euratom van de Raad van 5 december 2013 tot vaststelling van de basisnormen voor de bescherming tegen de gevaren verbonden aan de blootstelling aan ioniserende straling, en houdende intrekking van de Richtlijnen 89/618/Euratom, 90/641/Euratom, 96/29/Euratom, 97/43/Euratom en 2003/122/Euratom

( Publicatieblad van de Europese Unie L 13 van 17 januari 2014 )

Bladzijde 26, artikel 58, onder d), iii):

in plaats van:

„iii)

bij andere medisch-radiologische handelingen die niet onder a) of b) vallen, wordt, waar passend, een medisch-fysisch deskundige betrokken voor raadpleging en advies over aangelegenheden betreffende stralingsbescherming in verband met medische blootstelling.”,

lezen:

„iii)

bij andere medisch-radiologische handelingen die niet onder i) of ii) vallen, wordt, waar passend, een medisch-fysisch deskundige betrokken voor raadpleging en advies over aangelegenheden betreffende stralingsbescherming in verband met medische blootstelling;”.