ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 275

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
20 oktober 2015


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1864 van de Commissie van 6 oktober 2015 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Παφίτικο Λουκάνικο (Pafitiko Loukaniko) (BGA))

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1865 van de Commissie van 7 oktober 2015 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Cipolla bianca di Margherita (BGA))

3

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1866 van de Commissie van 13 oktober 2015 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat het register van collecties, het toezicht op de naleving door gebruikers en beste praktijken betreft

4

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1867 van de Commissie van 19 oktober 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 494/2002 wat betreft de aanlandingsverplichting

20

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1868 van de Commissie van 19 oktober 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

22

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2015/1869 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2015/003 BE/Ford Genk, ingediend door België)

24

 

*

Besluit (EU) 2015/1870 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Italië — EGF/2015/004 IT/Alitalia)

26

 

*

Besluit (EU) 2015/1871 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2015/002 DE/Adam Opel, ingediend door Duitsland)

28

 

*

Besluit (EU) 2015/1872 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie

30

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1873 van de Raad van 8 oktober 2015 betreffende het onderwerpen van 4-methyl-5-(4-methylfenyl)-4,5-dihydrooxazol-2-amine (4,4′-DMAR) en 1-cyclohexyl-4-(1,2-difenylethyl)piperazine (MT-45) aan controlemaatregelen

32

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1874 van de Raad van 8 oktober 2015 betreffende het onderwerpen van 4-methylamfetamine aan controlemaatregelen

35

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1875 van de Raad van 8 oktober 2015 betreffende het onderwerpen van 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine) aan controlemaatregelen

38

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/1876 van de Raad van 8 oktober 2015 betreffende het onderwerpen van 5-(2-aminopropyl)indool aan controlemaatregelen

43

 

*

Besluit (EU) 2015/1877 van de Commissie van 20 april 2015 betreffende de tarieven die de Roemeense onderneming S.C. Hidroelectrica S.A. heeft aangerekend aan S.C. Termoelectrica S.A. en S.C. Electrocentrale Deva S.A. — SA.33475 (12/C) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 2648)  ( 1 )

46

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1864 VAN DE COMMISSIE

van 6 oktober 2015

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Παφίτικο Λουκάνικο (Pafitiko Loukaniko) (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Cyprus tot registratie van de benaming „Παφίτικο Λουκάνικο” (Pafitiko Loukaniko) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Παφίτικο Λουκάνικο” (Pafitiko Loukaniko) worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De benaming „Παφίτικο Λουκάνικο” (Pafitiko Loukaniko) (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.2. (Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt enz.)) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 189 van 6.6.2015, blz. 14.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1865 VAN DE COMMISSIE

van 7 oktober 2015

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Cipolla bianca di Margherita (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Italië tot registratie van de benaming „Cipolla bianca di Margherita” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Cipolla bianca di Margherita” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De benaming „Cipolla bianca di Margherita” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.6. (Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 189 van 6.6.2015, blz. 17.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1866 VAN DE COMMISSIE

van 13 oktober 2015

tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat het register van collecties, het toezicht op de naleving door gebruikers en beste praktijken betreft

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 511/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 betreffende voor gebruikers bestemde nalevingsmaatregelen uit het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik in de Unie (1), en met name artikel 5, lid 5, artikel 7, lid 6, en artikel 8, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 511/2014 stelt regels vast inzake de naleving van de toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen en de verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, overeenkomstig de bepalingen van het Protocol van Nagoya inzake toegang tot genetische rijkdommen en de eerlijke en billijke verdeling van voordelen voortvloeiende uit hun gebruik, gevoegd bij het Verdrag inzake biologische diversiteit (het „Protocol van Nagoya”). De doeltreffende uitvoering van die verordening zal ook bijdragen tot het behoud van biologische diversiteit en het duurzame gebruik van de bestanddelen daarvan, overeenkomstig de bepalingen van het Verdrag inzake biologische diversiteit.

(2)

De artikelen 5 en 8 van Verordening (EU) nr. 511/2014 voorzien in vrijwillige instrumenten, namelijk geregistreerde collecties en beste praktijken, om gebruikers te helpen hun zorgvuldigheidsverplichting na te leven. Het vaststellen en registreren van collecties die daadwerkelijk maatregelen toepassen waardoor genetische rijkdommen en gerelateerde informatie uitsluitend worden verstrekt met documentatie waaruit blijkt dat de toegang op rechtmatige wijze is verkregen en die garanderen dat, indien vereist, onderling overeengekomen voorwaarden zijn vastgesteld, zal de gebruikers naar verwachting helpen die verplichting na te leven. Van gebruikers die genetische rijkdommen uit een geregistreerde collectie verkrijgen, moet worden verondersteld dat zij de passende zorgvuldigheid met betrekking tot het vergaren van informatie in acht hebben genomen. Het opsporen van beste praktijken en het als beste praktijk erkennen van maatregelen die bijzonder geschikt zijn om er tegen betaalbare kosten en met rechtszekerheid voor te zorgen dat het systeem voor de tenuitvoerlegging van het Protocol van Nagoya wordt nageleefd, zullen de gebruikers naar verwachting eveneens helpen hun zorgvuldigheidsverplichting na te leven. Bij hun controle van de naleving door gebruikers dienen de bevoegde instanties de effectieve toepassing van een erkende beste praktijk door gebruikers in aanmerking te nemen. Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze bepalingen te waarborgen, dienen nadere regels te worden vastgesteld voor de procedures die moeten worden gevolgd wanneer om registratie van een collectie of van een deel daarvan wordt verzocht, alsook voor de erkenning van beste praktijken.

(3)

Wanneer een aanvrager die in het register wenst te worden opgenomen, lid is van een netwerk van collecties, is het nuttig dat de aanvrager informatie verstrekt over alle andere collecties of delen daarvan van hetzelfde netwerk waarvoor in andere lidstaten een aanvraag loopt of liep. Met het oog op een billijke en coherente behandeling van de aanvragers in de verschillende lidstaten, dienen de bevoegde instanties van de lidstaten die werden geïnformeerd over dergelijke aanvragen in verband met verschillende collecties of delen daarvan in een netwerk, wanneer zij de collecties of delen daarvan verifiëren, te overwegen informatie uit te wisselen met de instanties van de lidstaten waar andere leden van het netwerk aanvragen hebben ingediend.

(4)

Verordening (EU) nr. 511/2014 is van toepassing op genetische rijkdommen en op traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen. Een zorgvuldigheidsverklaring is vereist voor het gebruik van onder meer genetische rijkdommen, traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen en een combinatie van beide.

(5)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van bepalingen inzake het toezicht op de naleving door gebruikers te waarborgen, zijn nadere regels nodig voor de verklaringen die de ontvangers van middelen voor onderzoek dat betrekking heeft op het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen moeten afleggen, alsook voor de verklaringen die de gebruikers moeten afleggen in het eindstadium van de ontwikkeling van een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld.

(6)

Bij het toezicht op de naleving door gebruikers in het stadium van de toekenning van middelen voor onderzoek, is het van belang te garanderen dat de ontvangers van middelen hun verplichtingen krachtens Verordening (EU) nr. 511/2014 begrijpen en de passende zorgvuldigheid in acht nemen. Het is eveneens van belang informatie te verstrekken aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen (Access and Benefit-Sharing (ABS) Clearing House), en te garanderen dat dergelijke informatie nuttig is voor de werking en de uitvoering van het Protocol van Nagoya. Indien geen internationaal erkend certificaat van naleving beschikbaar is, dient andere relevante informatie te worden overgelegd. Om enerzijds de doelstelling te realiseren nuttige informatie over te leggen aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen, en anderzijds de ontvangers van middelen voor onderzoek niet overmatig te belasten, dient op dit controlepunt uitsluitend informatie te worden verstrekt die essentieel is voor de vaststelling van genetische rijkdommen.

(7)

Het toezicht op de naleving door gebruikers is doeltreffend wanneer het wordt uitgevoerd in de lidstaat waar het gebruik plaatsvindt. Het is bijgevolg passend dat de zorgvuldigheidsverklaring wordt ingediend bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar de ontvanger van middelen is gevestigd, aangezien het onderzoek dat betrekking heeft op het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen gewoonlijk daar plaatsvindt.

(8)

Een onnodige vermenigvuldiging van zorgvuldigheidsverklaringen moet worden voorkomen. Een verklaring door een ontvanger van middelen voor onderzoek mag dan ook betrekking hebben op meer dan één genetische rijkdom of enige traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen. Verschillende gebruikers die samen onderzoek uitvoeren dat betrekking heeft op het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen en dat door één subsidie wordt gefinancierd, mogen ook samen één verklaring indienen. In deze context dient een speciale rol toe te komen aan de projectcoördinator, die verantwoordelijk zou moeten zijn voor het indienen van de verklaringen namens de betrokken gebruikers. In het licht van artikel 12 van Verordening (EU) nr. 511/2014 moet de bevoegde instantie die de door de projectcoördinator ingediende verklaringen ontvangt, de informatie met haar tegenhangers in de andere betrokken lidstaten delen.

(9)

Met het oog op het toezicht op de naleving door gebruikers krachtens artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 511/2014 dient het eindstadium van het gebruik, met andere woorden het eindstadium van de ontwikkeling van een product, te worden vastgesteld. Het eindstadium van de ontwikkeling van een product kan met rechtszekerheid als afgesloten worden beschouwd wanneer om marktgoedkeuring of om een vergunning voor het in de handel brengen wordt verzocht, dan wel wanneer een kennisgeving wordt gedaan die vereist is vóór een product voor het eerst in de Unie in de handel wordt gebracht, of, wanneer noch een marktgoedkeuring, noch een vergunning voor het in de handel brengen, noch een kennisgeving vereist is, op het ogenblik waarop een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld voor het eerst in de Unie in de handel wordt gebracht. In een aantal gevallen kan het voorkomen dat niet de gebruiker om marktgoedkeuring of om een vergunning voor het in de handel brengen verzoekt dan wel kennisgeving doet of het product voor het eerst in de Unie in de handel brengt. Teneinde alle activiteiten die in de Unie gebruikmaken van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen doeltreffend te bestrijken, dient de zorgvuldigheidsverklaring in die gevallen te worden afgelegd door de gebruiker die het resultaat van het gebruik verkoopt of op enige andere wijze overdraagt. Een doeltreffend toezicht op de naleving door gebruikers in de Unie moet eveneens gevallen bestrijken waar het gebruik in de Unie is afgesloten en de uitkomst ervan buiten de Unie werd verkocht of op enige andere wijze werd overgedragen, zonder dat een product in de Unie in de handel werd gebracht.

(10)

Deze verschillende gevallen die aanleiding geven tot de zorgvuldigheidsverklaring door de gebruiker in het eindstadium van de ontwikkeling van een product sluiten elkaar uit, en daarom mag slechts één keer een verklaring worden afgelegd. Aangezien het eindstadium van de ontwikkeling van een product wordt bereikt alvorens één van die gebeurtenissen zich voordoet, moet de zorgvuldigheidsverklaring worden afgelegd alvorens de eerste gebeurtenis zich voordoet.

(11)

De bevoegde instanties moeten de informatie die in zorgvuldigheidsverklaringen wordt verstrekt, overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen overleggen. Zoals gespecificeerd in artikel 4, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 511/2014 moet, indien geen internationaal erkend certificaat van naleving beschikbaar is, andere relevante informatie die overeenkomstig artikel 17, lid 4, van het Protocol van Nagoya werd verstrekt, worden overgelegd. Met het oog op de doeltreffende werking van het Protocol van Nagoya en in het bijzonder van het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen, dient uitsluitend informatie te worden uitgewisseld die het toezicht door de in artikel 13, lid 2, van het Protocol van Nagoya bedoelde bevoegde nationale instanties vergemakkelijkt.

(12)

Een zorgvuldigheidsverklaring is alleen vereist voor genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen die werden verkregen van een partij bij het Protocol van Nagoya die de nodige wetgeving of regelgeving heeft vastgesteld inzake toegang en verdeling van voordelen in de zin van artikel 6, lid 1, en artikel 7 van het Protocol van Nagoya.

(13)

Aangezien de ingevoerde maatregelen nieuw zijn, is het passend deze verordening te evalueren. In deze context kunnen de verslagen bedoeld in artikel 16, lid 1, van Verordening (EU) nr. 511/2014 nuttig blijken; indien deze beschikbaar zijn, dient er rekening mee te worden te houden.

(14)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor toegang en verdeling van voordelen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp

Deze verordening stelt bepalingen vast ter uitvoering van de artikelen 5, 7 en 8 van Verordening (EU) nr. 511/2014, die het register van collecties, het toezicht op de naleving door gebruikers en beste praktijken betreffen.

Artikel 2

Register van collecties

Het register dat de Commissie aanlegt overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) nr. 511/2014 bevat voor elke collectie of elk deel daarvan de volgende informatie:

a)

een door de Commissie toegekende registratiecode;

b)

de naam die aan de collectie of een deel daarvan werd gegeven, alsook de contactgegevens;

c)

de naam en contactgegevens van de houder;

d)

de categorie waartoe de collectie of een deel daarvan behoort;

e)

een korte beschrijving van de collectie of van een deel daarvan;

f)

indien beschikbaar, de link naar de databank;

g)

de instelling binnen de bevoegde instantie van de lidstaat die de capaciteit van de collectie om artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 na te leven, heeft geverifieerd;

h)

de datum van opneming in het register;

i)

indien beschikbaar, een ander identificatienummer;

j)

in voorkomend geval, de datum van verwijdering uit het register.

Artikel 3

Verzoek om opneming in het register en kennisgeving aan de Commissie

1.   Een verzoek om opneming van een collectie of een deel daarvan in het register, zoals bedoeld in artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 511/2014, bevat de in bijlage I bij deze verordening gespecificeerde informatie.

Na de opneming van een collectie of een deel daarvan in het register stelt de collectiehouder de bevoegde instantie in kennis van elke significante verandering die gevolgen heeft voor de capaciteit van de collectie om aan de criteria van artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 te voldoen, en van elke wijziging van de informatie die eerder op basis van deel A van bijlage I bij deze verordening werd verstrekt.

2.   Indien de aanvrager lid is van een netwerk van collecties, kan hij, wanneer hij een aanvraag indient om een collectie of een deel daarvan in het register op te nemen, de bevoegde instanties inlichten over elke andere collectie of delen daarvan van hetzelfde netwerk waarvoor in andere lidstaten een aanvraag voor opneming in het register loopt of liep.

Wanneer zij de collecties of delen daarvan verifiëren, overwegen de bevoegde instanties van de lidstaten die werden geïnformeerd over dergelijke aanvragen informatie uit te wisselen met de bevoegde instanties van de lidstaten waar de andere aanvragen van het netwerk werden ingediend.

3.   De in artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 511/2014 bedoelde verificatie kan het volgende omvatten:

a)

controles ter plaatse;

b)

onderzoek van de geselecteerde documentatie van een collectie of een deel daarvan, die relevant is om de naleving van artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 aan te tonen;

c)

onderzoek of geselecteerde monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie van de desbetreffende collectie overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 zijn gedocumenteerd;

d)

onderzoek of de collectiehouder in staat is aan derden consequent genetische rijkdommen te verstrekken voor gebruik ervan overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014;

e)

gesprekken met betrokken personen, zoals de collectiehouder, personeel, externe verificateurs, en gebruikers die monsters van die collectie verkrijgen.

4.   Met het oog op de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 511/2014 bedoelde kennisgeving verstrekt de bevoegde instantie de Commissie de informatie die de collectiehouder op basis van deel A van bijlage I bij deze verordening heeft verstrekt. De bevoegde instantie stelt de Commissie in kennis van latere wijzigingen van die informatie.

Artikel 4

Controles van geregistreerde collecties en corrigerende acties

1.   De in artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) nr. 511/2014 bedoelde verificatie door de bevoegde instanties is doeltreffend en evenredig en kan gevallen van niet-naleving van artikel 5, lid 3, van die verordening opsporen. De verificatie wordt uitgevoerd op basis van een plan dat periodiek wordt geëvalueerd en is opgesteld aan de hand van een risicogebonden aanpak. Het plan voorziet in een minimumniveau aan controles en laat differentiëring van de frequentie van de controles toe.

2.   In geval van concrete aanwijzingen dat een in het register opgenomen collectie of deel daarvan niet langer voldoet aan de criteria van artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014, voert de bevoegde instantie extra verificaties uit.

3.   De in de leden 1 en 2 bedoelde verificaties kunnen het volgende omvatten:

a)

controles ter plaatse;

b)

onderzoek van de geselecteerde documentatie van een collectie of een deel daarvan, die relevant is om de naleving van artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 aan te tonen;

c)

onderzoek of geselecteerde monsters van genetische rijkdommen en gerelateerde informatie overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 zijn gedocumenteerd en aan derden zijn verstrekt voor gebruik;

d)

gesprekken met betrokken personen, zoals de collectiehouder, personeel, externe verificateurs, en gebruikers die monsters van die collectie verkrijgen.

4.   De collectiehouder en zijn personeel verstrekken de nodige bijstand om de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde verificatie te vergemakkelijken.

5.   De in artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) nr. 511/2014 bedoelde corrigerende acties of maatregelen zijn doeltreffend en evenredig en pakken tekortkomingen aan die, indien er niets tegen werd ondernomen, de capaciteit van een geregistreerde collectie om artikel 5, lid 3, van die verordening na te leven, permanent in het gedrang zou brengen. Op grond hiervan kan van de betrokken collectiehouder worden verlangd dat hij extra instrumenten opzet of dat hij zijn capaciteit om bestaande instrumenten te gebruiken, verbetert. De collectiehouder brengt bij de bevoegde instantie verslag uit over de uitvoering van de vastgestelde corrigerende acties of maatregelen.

Artikel 5

Zorgvuldigheidsverklaring in het stadium van de toekenning van middelen voor onderzoek

1.   Een ontvanger van middelen voor onderzoek dat betrekking heeft op het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen legt bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar hij gevestigd is de overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 511/2014 vereiste zorgvuldigheidsverklaring af. Indien de ontvanger niet in de Unie is gevestigd en het onderzoek in de Unie wordt uitgevoerd, wordt de zorgvuldigheidsverklaring afgelegd bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar het onderzoek wordt uitgevoerd.

2.   De zorgvuldigheidsverklaring wordt afgelegd door het model in bijlage II ingevuld over te leggen. Zij wordt afgelegd na ontvangst van de eerste schijf van de middelen en na verkrijging van alle genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen die worden gebruikt voor het onderzoek waarvoor middelen werden toegekend, maar uiterlijk bij het overleggen van het definitieve verslag of, bij gebrek aan een dergelijk verslag, bij afloop van het project. De nationale instanties kunnen nader specificeren wanneer een dergelijke verklaring wordt afgelegd.

3.   Indien hetzelfde onderzoeksproject middelen uit meer dan één bron ontvangt of meer ontvangers betreft, kan/kunnen de ontvanger/ontvangers beslissen slechts één verklaring in te dienen. De projectcoördinator dient de verklaring in bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar hij gevestigd is. Indien de projectcoördinator niet in de Unie is gevestigd en het onderzoek in de Unie wordt uitgevoerd, wordt de zorgvuldigheidsverklaring afgelegd bij de bevoegde instantie van één van de lidstaten waar het onderzoek wordt uitgevoerd.

4.   Indien de bevoegde instantie die de in de leden 2 en 3 bedoelde verklaring ontvangt, niet verantwoordelijk is voor de verstrekking van de hierin vervatte informatie overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014, stuurt zij deze verklaring onverwijld door naar de bevoegde instantie die voor deze verstrekking bevoegd is.

5.   Voor de toepassing van dit artikel en van bijlage II, wordt onder „middelen voor onderzoek” verstaan elke financiële bijdrage in de vorm van een subsidie om onderzoek uit te voeren, al dan niet uit commerciële bron. Interne begrotingsmiddelen van particuliere of publieke entiteiten zijn daar niet onder begrepen.

Artikel 6

Zorgvuldigheidsverklaring in het eindstadium van de ontwikkeling van een product

1.   Voor het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen leggen gebruikers bij de bevoegde instantie van de lidstaat waar zij gevestigd zijn de zorgvuldigheidsverklaring overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EU) nr. 511/2014 af. Die verklaring wordt afgelegd door het model in bijlage III bij deze verordening ingevuld over te leggen.

2.   De in lid 1 bedoelde zorgvuldigheidsverklaring wordt slechts één keer afgelegd, alvorens het eerste van de volgende gevallen zich voordoet:

a)

er wordt een verzoek om marktgoedkeuring of om een vergunning voor het in de handel brengen ingediend voor een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld;

b)

de kennisgeving die vereist is alvorens een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld, voor het eerst in de Unie in de handel wordt gebracht, wordt gedaan;

c)

een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld, en waarvoor noch een marktgoedkeuring, noch een vergunning voor het in de handel brengen, noch een kennisgeving vereist is, wordt voor het eerst in de Unie in de handel gebracht;

d)

het resultaat van het gebruik wordt verkocht of op enige andere wijze overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon in de Unie, zodat die persoon één van de onder a), b) en c) bedoelde activiteiten kan uitoefenen;

e)

er is een einde gekomen aan het gebruik in de Unie en de uitkomst van het gebruik wordt verkocht of op enige andere wijze overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon buiten de Unie.

3.   Voor de toepassing van dit artikel en van bijlage III wordt onder „resultaat van het gebruik” verstaan producten, precursoren of voorlopers van een product, alsook in een eindproduct te verwerken delen van producten, blauwdrukken of ontwerpen, op basis waarvan vervaardiging en productie zouden kunnen plaatsvinden zonder verder gebruik van de genetische rijkdom noch van de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen.

4.   Voor de toepassing van dit artikel en van bijlage III wordt onder „in de Unie in de handel brengen” verstaan het voor het eerst op de markt van de Unie aanbieden van een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld, waarbij onder „aanbieden” wordt verstaan het op de markt van de Unie op enigerlei wijze leveren, met het oog op distributie, verbruik of gebruik in het kader van een handelsactiviteit, hetzij tegen betaling hetzij kosteloos. Onder „in de handel brengen” worden niet begrepen pre-commerciële tests, waaronder klinische, veld- of plaagresistentietests, noch het beschikbaar stellen van niet toegelaten geneesmiddelen om individuele patiënten of groepen van patiënten behandelingsopties aan te bieden.

Artikel 7

Verstrekking van informatie

1.   Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014, en tenzij de informatie vertrouwelijk is in de zin van artikel 7, lid 5, van Verordening (EU) nr. 511/2014, verstrekken de bevoegde instanties de informatie die zij op grond van deel A van de bijlagen II en III bij deze verordening hebben ontvangen, onverwijld en uiterlijk een maand nadat zij de informatie hebben ontvangen aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen.

2.   Indien essentiële informatie, bijvoorbeeld over de gebruiker en het gebruik, over de plaats van toegang, of over de genetische rijkdom, die noodzakelijk is voor de bekendmaking van het dossier door het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen, als vertrouwelijk wordt beschouwd, overwegen de bevoegde instanties deze essentiële informatie in de plaats daarvan rechtstreeks te verstrekken aan de in artikel 13, lid 2, van het Protocol van Nagoya bedoelde bevoegde nationale autoriteiten.

3.   Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 verstrekken de bevoegde instanties de informatie die zij op basis van de bijlagen II en III bij deze verordening hebben ontvangen aan de Commissie, tenzij die informatie vertrouwelijk is in de zin van artikel 7, lid 5, van Verordening (EU) nr. 511/2014.

4.   Wanneer de Commissie niet via elektronische weg permanente toegang tot deze informatie wordt verleend, gebeurt de informatieverstrekking om de zes maanden, met ingang van 9 november 2016.

Artikel 8

Aanvraag van erkenning als beste praktijk

1.   Een aanvraag overeenkomstig artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 511/2014 wordt bij de Commissie ingediend met verstrekking van de in bijlage IV bij deze verordening gespecificeerde informatie en bewijsstukken.

2.   Een belanghebbende die geen gebruikers vertegenwoordigt maar betrokken is bij de toegang tot of het verzamelen, de overdracht of commercialisering van genetische rijkdommen of bij de ontwikkeling van maatregelen en beleid met betrekking tot genetische rijkdommen, doet zijn aanvraag vergezeld gaan van de in bijlage IV bij deze verordening bedoelde informatie over zijn rechtmatige belang bij de ontwikkeling van en het toezicht op een combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen die, indien deze door een gebruiker doeltreffend worden toegepast, het die gebruiker mogelijk maken te voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 4 en 7 van Verordening (EU) nr. 511/2014.

3.   De Commissie stuurt een kopie van de aanvraag en de bewijsstukken naar de bevoegde instanties van alle lidstaten.

4.   De bevoegde instanties kunnen binnen twee maanden na ontvangst van de in lid 3 bedoelde stukken aan de Commissie opmerkingen met betrekking tot de aanvraag doen toekomen.

5.   Binnen 20 werkdagen na ontvangst van de aanvraag bevestigt de Commissie de ontvangst en verstrekt zij een referentienummer aan de aanvrager.

De Commissie verstrekt de aanvrager een indicatieve termijn waarbinnen een beslissing over de aanvraag zal worden genomen.

De Commissie licht de aanvrager in indien extra informatie of stukken nodig zijn om de aanvraag te beoordelen.

6.   De aanvrager dient de verlangde extra informatie en stukken onverwijld bij de Commissie in.

7.   De Commissie stuurt een kopie van de in lid 6 bedoelde stukken naar de bevoegde instanties van alle lidstaten.

8.   De bevoegde instanties kunnen aan de Commissie opmerkingen doen toekomen over de in lid 6 bedoelde informatie of stukken binnen twee maanden na ontvangst van de kopie daarvan.

9.   De Commissie licht de aanvrager telkens in wanneer zij de indicatieve termijn wijzigt waarbinnen een beslissing over de aanvraag zal worden genomen omdat zij nog extra informatie of stukken nodig heeft om de aanvraag te kunnen beoordelen.

De Commissie licht de aanvrager minstens om de zes maanden schriftelijk in over de stand van de beoordeling van de aanvraag.

Artikel 9

Erkenning en intrekking van de erkenning als beste praktijk

1.   Wanneer de Commissie beslist een praktijk overeenkomstig artikel 8, lid 2, van Verordening (EU) nr. 511/2014 als beste praktijk te erkennen of de erkenning als beste praktijk overeenkomstig artikel 8, lid 5, van die verordening in te trekken, licht zij de vereniging van gebruikers of de andere belanghebbende partijen, alsook de bevoegde instanties van de lidstaten onverwijld over die beslissing in.

2.   De Commissie geeft redenen op voor haar beslissing om een praktijk als beste praktijk te erkennen of om de erkenning als beste praktijk in te trekken en maakt die beslissing bekend in het overeenkomstig artikel 8, lid 6, van Verordening (EU) nr. 511/2014 aangelegde register.

Artikel 10

Informatie over latere wijzigingen van een erkende beste praktijk

1.   Wanneer de Commissie overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 in kennis wordt gesteld van wijzigingen of actualiseringen van een erkende beste praktijk, stuurt zij een kopie van die informatie naar de bevoegde instanties van alle lidstaten.

2.   De bevoegde instanties kunnen aan de Commissie opmerkingen doen toekomen over dergelijke wijzigingen of actualiseringen binnen twee maanden na ontvangst van de informatie.

3.   Rekening houdend met de in lid 2 van dit artikel bedoelde opmerkingen beoordeelt de Commissie of de gebruikers met de gewijzigde of geactualiseerde combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen nog steeds kunnen voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 4 en 7 van Verordening (EU) nr. 511/2014.

4.   De bevoegde instanties delen de Commissie onverwijld alle informatie mee die voortvloeit uit controles die krachtens artikel 9 van Verordening (EU) nr. 511/2014 werden uitgevoerd en wijzen op niet-naleving van de artikelen 4 en 7 van die Verordening, wat op mogelijke tekortkomingen van de beste praktijk kan wijzen.

Artikel 11

Tekortkomingen van beste praktijken

1.   Wanneer de Commissie concrete informatie ontvangt over herhaalde of significante gevallen van niet-naleving van de artikelen 4 en 7 van Verordening (EU) nr. 511/2014 door een gebruiker die een beste praktijk toepast, verzoekt zij de vereniging van gebruikers of de andere belanghebbende partijen opmerkingen te maken over de vermeende niet-naleving en over de vraag of deze gevallen wijzen op mogelijke tekortkomingen van de beste praktijk.

2.   De verenigingen van gebruikers en de andere belanghebbende partijen hebben drie maanden de tijd om opmerkingen te maken.

3.   De Commissie onderzoekt die opmerkingen en eventuele bewijsstukken en stuurt daarvan een kopie naar de bevoegde instanties van alle lidstaten.

4.   De bevoegde instanties kunnen bij de Commissie aanmerkingen maken bij die opmerkingen en bewijsstukken binnen twee maanden na ontvangst van de kopie daarvan.

5.   Wanneer de Commissie mogelijke tekortkomingen van beste praktijken en gevallen van niet-naleving van de verplichtingen van de artikelen 4 en 7 van Verordening (EU) nr. 511/2014 overeenkomstig artikel 8, lid 4, van die verordening onderzoekt, werken de vereniging van gebruikers of de andere belanghebbende partijen op wie het onderzoek betrekking heeft met de Commissie samen en staan zij haar in haar acties bij. Doen de vereniging van gebruikers of de andere belanghebbende partijen op wie het onderzoek betrekking heeft dat niet, dan kan de Commissie de erkenning van de beste praktijk zonder meer intrekken.

6.   Het resultaat van het door de Commissie uitgevoerde onderzoek is definitief en moet eventuele corrigerende acties omvatten die de vereniging van gebruikers of de andere belanghebbende partijen moeten nemen. Het onderzoek kan ook leiden tot de beslissing om de erkenning van de beste praktijk in te trekken.

Artikel 12

Evaluatie

De Commissie evalueert de werking en de doeltreffendheid van deze verordening, rekening houdend met de opgedane ervaring bij de uitvoering ervan en met het oog op een mogelijke herziening ervan. Bij een dergelijke evaluatie moet rekening worden gehouden met de gevolgen van deze verordening voor micro-, kleine en middelgrote ondernemingen, openbare onderzoeksinstellingen en specifieke sectoren, alsook met relevante ontwikkelingen op internationaal vlak, met name die welke verband houden met het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 150 van 20.5.2014, blz. 59.


BIJLAGE I

Informatie die moet worden verstrekt bij een verzoek om opneming in het register van collecties overeenkomstig artikel 3, lid 1

DEEL A

Informatie die in het register moet worden opgenomen

Overeenkomstig artikel 3, lid 1, moet bij een verzoek om opneming in het register van collecties de volgende informatie worden verstrekt:

1.

Informatie over de collectiehouder (naam, soort entiteit, adres, e-mail, telefoonnummer).

2.

Informatie of het verzoek een collectie of een deel van een collectie betreft.

3.

Informatie over de collectie of het desbetreffende deel daarvan (naam; identificatienummer (code/nummer), indien beschikbaar; adres(sen), website, indien beschikbaar; link naar de onlinedatabank van genetische rijkdommen van de collectie, indien beschikbaar).

4.

Een korte beschrijving van de collectie of van het desbetreffende deel daarvan.

Wanneer slechts een deel van een collectie in het register moet worden opgenomen, moeten details over het/de desbetreffende deel/delen en onderscheidende kenmerken ervan worden verstrekt.

5.

Categorie van de collectie

In het verzoek moet informatie worden verstrekt over de categorie waartoe de collectie of het deel ervan behoort.

Tabel van categorieën

 

Specifieke kenmerken

Volledige specimens (1)

Delen

 

Zaden, geslachtelijke sporen, of embryo's

Gameten

♀ ♂

Somatische cellen

Nucleïnezuren

Andere delen (2)

Dieren

Gewerveld

 

 

 

 

 

 

 

Ongewerveld

 

 

 

 

 

 

 

Planten

 

 

 

 

 

 

Algen

 

 

 

 

 

 

Protista

 

 

 

 

 

 

Fungi

 

 

 

 

 

 

Bacteriën

 

 

 

 

 

 

Archaea

 

 

 

 

 

 

Virussen

 

 

 

 

 

 

Andere groeperingen (3)

 

 

 

 

 

 

DEEL B

Bewijs van de capaciteit van de collectie of het desbetreffende deel ervan om artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 na te leven

Elk van de volgende documenten mag als bewijs van de capaciteit van de collectie of het desbetreffende deel ervan om artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 na te leven, aan het verzoek worden gehecht (of eraan worden gelinkt):

a)

nationale of internationale gedragscodes, richtsnoeren of normen, die werden ontwikkeld door verenigingen of organisaties, en waarbij de collectie zich heeft aangesloten, en informatie in verband met de instrumenten waarover de collectie beschikt om die gedragscodes, richtsnoeren of normen toe te passen;

b)

relevante beginselen, richtsnoeren, gedragscodes of procedurehandleidingen, die binnen de collectie werden ontwikkeld en worden toegepast, en extra instrumenten voor de toepassing ervan;

c)

certificering van de collectie in het kader van nationale of internationale toepasselijke regelingen;

d)

informatie over de deelname van de collectie aan internationale collectienetwerken, en over gerelateerde verzoeken om opneming in het register van collecties die door partnercollecties in andere lidstaten werden ingediend (optioneel);

e)

alle andere relevante documenten.


(1)  Verwijs naar het vakje „volledige specimens” wanneer geen specifieke delen van een specimen betroffen zijn.

(2)   „Andere delen” omvatten ongeslachtelijke voortplantingsdelen, vegetatieve vermeerderingsstructuren, zoals stengels, stekken, knollen en wortelstokken.

(3)   „Andere groeperingen” zijn onder meer slijmzwammen, enz.


BIJLAGE II

Model voor een zorgvuldigheidsverklaring die overeenkomstig artikel 5, lid 2, in het stadium van de toekenning van middelen voor onderzoek moet worden overgelegd

DEEL A

Informatie die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen moet worden verstrekt

Indien de verstrekte informatie vertrouwelijk is in de zin van artikel 7, lid 5, van Verordening (EU) nr. 511/2014, gelieve die niettemin te vermelden, het desbetreffende vakje aan te vinken en aan het eind van deze bijlage de reden voor de vertrouwelijkheid te vermelden.

Indien u essentiële informatie (zoals informatie over de genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen, de plaats van toegang, de vorm van gebruik) als vertrouwelijk heeft aangemerkt, en het dossier zonder deze informatie niet op de website van het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen zou worden bekendgemaakt, zal deze informatie niet met het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen worden gedeeld, maar kan zij direct aan de bevoegde instantie van het land dat deze levert worden doorgestuurd.

Per ontvangen subsidie moet minstens één verklaring worden afgelegd; zo kunnen verschillende ontvangers van één subsidie ervoor kiezen om via de projectcoördinator ofwel elk een individuele ofwel gezamenlijk één verklaring af te geven.

Ik leg deze verklaring af voor het gebruik van:

Vink het vakje/de vakjes aan dat/die van toepassing is/zijn:

 

☐ Genetische rijkdommen

 

☐ Traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen

1.

Onderwerp van het onderzoek of identificatiecode van de subsidie:

☐ Vertrouwelijk

2.

Ontvanger(s) van de middelen, met contactgegevens:

 

Naam:

 

Adres:

 

E-mail:

 

Telefoonnummer:

 

Website, indien beschikbaar:

3.

Informatie over het in acht nemen van passende zorgvuldigheid:

a)

☐ Een internationaal erkend certificaat van naleving i) werd afgegeven voor mijn toegang/de toegang van mijn entiteit of ii) betreft de voorwaarden voor deze toegang tot de genetische rijkdom(men) en de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen.

Indien u dit vakje aanvinkt, gelieve het eenduidige identificatienummer van het internationaal erkend certificaat van naleving te vermelden:

Ga naar punt 1 van deel B.

b)

Indien u het vakje onder a) niet heeft aangevinkt, gelieve de volgende informatie te verstrekken:

i)

Plaats van toegang:

☐ Vertrouwelijk

ii)

Beschrijving van de genetische rijkdommen of van de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen die wordt gebruikt; of eenduidige identificatienummer(s), indien beschikbaar:

☐ Vertrouwelijk

iii)

Identificatienummer van de toegangsvergunning of equivalent (1), indien beschikbaar:

☐ Vertrouwelijk

Ga naar punt 2 van deel B.

DEEL B

Informatie die niet aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen moet worden verstrekt

1.

Ik verklaar dat ik een kopie van het internationaal erkend certificaat van naleving alsook informatie over de inhoud van de onderling overeengekomen voorwaarden die voor latere gebruikers relevant zijn, zal bewaren en aan (een) latere gebruiker(s) zal verstrekken.

Ga naar punt 3.

2.

Ik verklaar dat ik in het bezit ben van de volgende informatie, die ik zal bewaren en aan (een) latere gebruiker(s) zal verstrekken:

a)

datum van toegang;

b)

persoon of entiteit die vooraf gegeven instemming heeft verleend, indien van toepassing;

c)

persoon aan wie of entiteit waaraan vooraf gegeven instemming is verleend (indien van toepassing), indien die niet rechtstreeks aan mij of aan mijn entiteit werd verleend;

d)

onderling overeengekomen voorwaarden, indien van toepassing;

e)

de bron waaruit ik of mijn entiteit de genetische rijkdom en de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen heb/heeft verkregen;

f)

het al dan niet bestaan van rechten en plichten inzake toegang en verdeling van voordelen, met inbegrip van rechten en plichten betreffende latere toepassingen en commercialisering.

3.

Indien de genetische rijkdom(men) uit een geregistreerde collectie werd(en) verkregen, gelieve de registratiecode van de collectie te vermelden:

4.

De onderzoekssubsidie wordt uit de volgende bronnen gefinancierd:

Particulier ☐

Publiek ☐

5.

Lidstaat/lidstaten waar het onderzoek dat betrekking heeft op het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen plaatsvindt of heeft plaatsgevonden:

Vertrouwelijkheid

Indien u heeft verklaard dat bepaalde informatie vertrouwelijk is in de zin van artikel 7, lid 5, van Verordening (EU) nr. 511/2014, gelieve telkens de redenen te vermelden waarom u heeft verklaard dat die informatie vertrouwelijk is:

 

Datum:

 

Plaats:

 

Handtekening (2):


(1)  Bewijs van de beslissing om vooraf gegeven instemming of goedkeuring voor toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen te verlenen.

(2)  Handtekening van de ontvanger van de middelen of van de in de onderzoeksinstelling verantwoordelijke persoon.


BIJLAGE III

Model voor een zorgvuldigheidsverklaring die overeenkomstig artikel 6, lid 1, in het eindstadium van de ontwikkeling van een product moet worden overgelegd

DEEL A

Informatie die overeenkomstig artikel 7, lid 3, van Verordening (EU) nr. 511/2014 aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen moet worden verstrekt

Indien de verstrekte informatie vertrouwelijk is in de zin van artikel 7, lid 5, van Verordening (EU) nr. 511/2014, gelieve die niettemin te vermelden, het desbetreffende vakje aan te vinken en aan het eind van deze bijlage de reden voor de vertrouwelijkheid te vermelden.

Indien u essentiële informatie (zoals informatie over de genetische rijkdommen of traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen, de plaats van toegang, de vorm van gebruik) als vertrouwelijk heeft aangemerkt, en het dossier zonder deze informatie niet op de website van het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen zou worden bekendgemaakt, zal deze informatie niet met het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen worden gedeeld, maar kan zij direct aan de bevoegde instantie van het land dat deze levert worden doorgestuurd.

Indien het gebruik betrekking had op meer dan één genetische rijkdom of enige traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen, gelieve relevante informatie te verstrekken voor elke gebruikte genetische rijkdom of traditionele kennis.

Ik verklaar dat ik de verplichtingen overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. 511/2014 ben nagekomen. Ik leg deze verklaring af voor het gebruik van:

Vink het vakje/de vakjes aan dat/die van toepassing is/zijn:

 

☐ Genetische rijkdommen

 

☐ Traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen

1.

Naam van het product of beschrijving van het resultaat van het gebruik (1) of beschrijving van de uitkomst van het gebruik (2):

☐ Vertrouwelijk

2.

Contactgegevens van de gebruiker:

 

Naam:

 

Adres:

 

E-mail:

 

Telefoonnummer:

 

Website, indien beschikbaar:

3.

De verklaring wordt afgelegd naar aanleiding van:

Vink het juiste vakje aan:

☐ a)

er wordt een verzoek om marktgoedkeuring of om een vergunning voor het in de handel brengen ingediend voor een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld;

☐ b)

de kennisgeving die vereist is alvorens een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld, voor het eerst in de Unie in de handel wordt gebracht, wordt gedaan;

☐ c)

een product dat met gebruikmaking van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen werd ontwikkeld, en waarvoor noch een marktgoedkeuring, noch een vergunning voor het in de handel brengen, noch een kennisgeving vereist is, wordt voor het eerst in de Unie in de handel gebracht;

☐ d)

het resultaat van het gebruik wordt verkocht of op enige andere wijze overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon in de Unie, zodat die persoon één van de onder a), b) en c) bedoelde activiteiten kan uitoefenen;

☐ e)

er is een einde gekomen aan het gebruik in de Unie en de uitkomst van het gebruik wordt verkocht of op enige andere wijze overgedragen aan een natuurlijke of rechtspersoon buiten de Unie.

4.

Informatie over het in acht nemen van passende zorgvuldigheid:

a)

☐ Een internationaal erkend certificaat van naleving i) werd afgegeven voor mijn toegang/de toegang van mijn entiteit of ii) betreft de voorwaarden voor deze toegang tot de genetische rijkdom(men) en de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen.

Indien u dit vakje aanvinkt, gelieve het eenduidige identificatienummer van het internationaal erkend certificaat van naleving te vermelden:

Ga naar punt 2 van deel B.

b)

Indien u het vakje onder a) niet heeft aangevinkt, gelieve de volgende informatie te verstrekken:

i)

Plaats van toegang:

☐ Vertrouwelijk

ii)

Beschrijving van de genetische rijkdom of van de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen die wordt gebruikt, of eenduidig(e) identificatienummer(s), indien beschikbaar:

☐ Vertrouwelijk

iii)

Datum van toegang:

☐ Vertrouwelijk

iv)

Identificatienummer van de toegangsvergunning of equivalent (3), indien beschikbaar:

☐ Vertrouwelijk

v)

Persoon of entiteit die vooraf gegeven instemming heeft verleend:

☐ Vertrouwelijk

vi)

Persoon aan wie of entiteit waaraan vooraf gegeven instemming is verleend:

☐ Vertrouwelijk

vii)

Gelden voor het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen onderling overeengekomen voorwaarden?

Ja ☐

Nee ☐

☐ Vertrouwelijk

Ga naar punt 1 van deel B.

DEEL B

Informatie die niet aan het uitwisselingscentrum voor toegang en verdeling van voordelen moet worden verstrekt

1.

Informatie over het in acht nemen van passende zorgvuldigheid:

a)

Directe bron van de genetische rijkdom en van de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen:

b)

Zijn er beperkingen in de onderling overeengekomen voorwaarden ten aanzien van het mogelijke gebruik van de genetische rijkdom(men) of van de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen, bijvoorbeeld slechts gebruik voor niet-commerciële doeleinden?

Ja ☐

Nee ☐

Niet van toepassing ☐

c)

Werden er in de onderling overeengekomen voorwaarden rechten en verplichtingen vastgesteld met betrekking tot latere toepassingen en commercialisering?

Ja ☐

Nee ☐

Niet van toepassing ☐

2.

Indien de genetische rijkdom(men) uit een geregistreerde collectie werd(en) verkregen, gelieve de registratiecode van de collectie te vermelden:

3.

Indien u een beste praktijk toepast die overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) nr. 511/2014 is erkend, gelieve het registratienummer te vermelden:

4.

Welke categorie beschrijft uw product het best (optioneel)?

☐ a)

cosmetische producten

☐ b)

geneesmiddelen

☐ c)

voedingsmiddelen en dranken

☐ d)

biologische bestrijdingsmiddelen

☐ e)

gewasveredeling

☐ f)

het fokken van dieren

☐ g)

andere, namelijk:

5.

Lidstaat/lidstaten waar het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen heeft plaatsgevonden:

6.

Lidstaat/lidstaten waar het product, na voltooiing van de in artikel 6, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EU) 2015/1866 van de Commissie bedoelde goedkeurings-, vergunnings- of kennisgevingsprocedure, in de handel zal worden gebracht of overeenkomstig artikel 6, lid 2, onder c), van die verordening in de handel wordt gebracht:

Vertrouwelijkheid

Indien u heeft verklaard dat bepaalde informatie vertrouwelijk is in de zin van artikel 7, lid 5, van Verordening (EU) nr. 511/2014, gelieve telkens de redenen te vermelden waarom u heeft verklaard dat die informatie vertrouwelijk is:

 

Datum:

 

Plaats:

 

Handtekening (4):


(1)  Onder „resultaat van het gebruik van genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen” wordt verstaan: producten, precursoren of voorlopers van een product, alsook in een eindproduct te verwerken delen van producten, blauwdrukken of ontwerpen, op basis waarvan vervaardiging en productie zouden kunnen plaatsvinden zonder verder gebruik van de genetische rijkdom noch van de traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen.

(2)  Wanneer er een einde is gekomen aan het gebruik in de Unie en de uitkomst van het gebruik aan een natuurlijke of rechtspersoon buiten de Unie wordt verkocht of op enige andere wijze wordt overgedragen.

(3)  Bewijs van de beslissing om vooraf gegeven instemming of goedkeuring voor toegang tot genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen te verlenen.

(4)  Handtekening van de persoon die juridisch verantwoordelijk is voor het eindstadium van de ontwikkeling van een product.


BIJLAGE IV

Informatie die moet worden verstrekt bij een aanvraag van erkenning als beste praktijk overeenkomstig artikel 8, lid 1

Overeenkomstig artikel 8, lid 1, moet bij een aanvraag van erkenning als beste praktijk de volgende informatie worden verstrekt:

1.

Informatie of de aanvraag namens een vereniging van gebruikers of andere belanghebbende partijen wordt ingediend.

2.

Contactgegevens van de vereniging van gebruikers of de andere belanghebbende partijen (naam, adres, e-mail, telefoonnummer, en website, indien beschikbaar).

3.

Wanneer de aanvraag door een vereniging van gebruikers wordt ingediend, moet de volgende informatie worden verstrekt:

a)

een bewijs van oprichting overeenkomstig de voorschriften van de lidstaat waar de aanvrager gevestigd is;

b)

beschrijving van de organisatie en de structuur van de vereniging.

4.

Wanneer de aanvraag wordt ingediend door andere belanghebbende partijen, moeten de redenen voor het rechtmatige belang bij het onderwerp van Verordening (EU) nr. 511/2014 worden toegelicht.

5.

De verstrekte informatie moet beschrijven hoe de aanvrager betrokken is bij de ontwikkeling van maatregelen die en beleid dat met genetische rijkdommen verband houden/houdt, of hoe de aanvrager zich toegang verschaft tot genetische rijkdommen en traditionele kennis met betrekking tot genetische rijkdommen, die verzamelt, overdraagt of commercialiseert.

6.

Beschrijving van de combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen, die de aanvrager heeft ontwikkeld, en die, wanneer deze doeltreffend worden toegepast, het gebruikers mogelijk maken te voldoen aan de verplichtingen van de artikelen 4 en 7 van Verordening (EU) nr. 511/2014.

7.

Beschrijving van hoe het toezicht op de in punt 6 bedoelde procedures, instrumenten of mechanismen zal worden uitgevoerd.

8.

Informatie over de lidstaat/lidstaten waar de aanvrager gevestigd is en waar hij actief is.

9.

Informatie over de lidstaat/lidstaten waar de gebruikers actief zijn die de beste praktijk toepassen waarop de vereniging of de andere belanghebbende partij toezicht houdt.

Lijst van bewijsstukken in verband met de punten 5 en 6:

a)

lijst van relevant personeel dat werkt voor de organisatie die de aanvraag indient of voor een subcontractant, met een beschrijving van hun taken in verband met de ontwikkeling van en het toezicht op beste praktijken;

b)

verklaring betreffende de afwezigheid van een belangenconflict, aan de zijde van de aanvrager of een subcontractant, bij de ontwikkeling van en het toezicht op de combinatie van procedures, instrumenten of mechanismen (1);

c)

wanneer de taken die verband houden met de ontwikkeling van beste praktijken of met het toezicht op dergelijke praktijken of beide worden uitbesteed, een beschrijving van die taken.


(1)  Betaling door gebruikers van lidmaatschapsgeld of vrijwillige bijdragen aan een vereniging mag niet worden beschouwd als een bron van belangenconflict.


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/20


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1867 VAN DE COMMISSIE

van 19 oktober 2015

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 494/2002 wat betreft de aanlandingsverplichting

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 850/98 van de Raad van 30 maart 1998 voor de instandhouding van de visbestanden via technische maatregelen voor de bescherming van jonge exemplaren van mariene organismen (1), en met name artikel 48,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) is de geleidelijke eliminatie van de teruggooi door middel van de invoering van een aanlandingsverplichting voor vangsten van soorten waarvoor vangstbeperkingen zijn vastgesteld, een van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid.

(2)

Overeenkomstig artikel 15, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1380/2013 geldt de aanlandingsverplichting vanaf 1 januari 2016 voor heek als visserijbepalende soort.

(3)

Bepaalde voorschriften van Verordening (EG) nr. 494/2002 van de Commissie (3) zijn met de aanlandingsverplichting in strijd omdat zij vissers verplichten de vangst van heek die bepaalde vangstsamenstellingsbeperkingen overschrijdt, terug te gooien.

(4)

Die voorschriften van Verordening (EG) nr. 494/2002 moeten derhalve in die zin worden gewijzigd dat alle onbedoelde vangsten van heek aangeland en op de quota in mindering moeten worden gebracht.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 494/2002 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Het volgende artikel 1 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 1 bis

In deze verordening wordt onder „onbedoelde vangsten” verstaan: incidentele vangsten van mariene organismen die op grond van artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*1) aangeland en op de quota in mindering gebracht moeten worden omdat de organismen kleiner zijn dan de minimuminstandhoudingsreferentiegrootte of omdat de vangst de uit hoofde van de vangstsamenstellings- en bijvangstvoorschriften toegestane hoeveelheden overschrijdt.

(*1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).”."

2)

In artikel 2 wordt het volgende lid 3 toegevoegd:

„3.   Lid 1 is niet van toepassing op onbedoelde vangsten van heek die vallen onder de aanlandingsverplichting bedoeld in artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1380/2013. Die onbedoelde vangsten worden aangeland en op de quota in mindering gebracht.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 oktober 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 125 van 27.4.1998, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(3)  Verordening (EG) nr. 494/2002 van de Commissie van 19 maart 2002 tot vaststelling van aanvullende technische maatregelen voor het herstel van het heekbestand in de ICES-deelgebieden III, IV, V, VI en VII en in de ICES-sectoren VIIIa, b, d, e (PB L 77 van 20.3.2002, blz. 8).


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/22


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/1868 VAN DE COMMISSIE

van 19 oktober 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 oktober 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

40,0

MA

124,3

MK

46,1

TR

95,4

ZZ

76,5

0707 00 05

AL

38,5

TR

116,7

ZZ

77,6

0709 93 10

TR

148,5

ZZ

148,5

0805 50 10

AR

145,5

CL

149,0

TR

110,5

UY

72,3

ZA

146,4

ZZ

124,7

0806 10 10

BR

267,9

EG

194,4

MK

95,6

TR

168,4

ZZ

181,6

0808 10 80

AR

122,1

CL

106,6

MK

23,1

NZ

159,2

US

120,3

ZA

155,1

ZZ

114,4

0808 30 90

TR

131,8

XS

96,6

ZZ

114,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/24


BESLUIT (EU) 2015/1869 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 oktober 2015

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2015/003 BE/Ford Genk, ingediend door België)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (1), en met name artikel 15, lid 4,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (2), en met name punt 13,

Gezien het voorstel van de Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees fonds voor aanpassing van de globalisering (EFG) is opgericht om steun te verlenen aan werknemers die werkloos zijn geworden en aan zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, als gevolg van uit de globalisering voortvloeiende grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, doordat de in Verordening (EG) nr. 546/2009 behandelde wereldwijde financiële en economische crisis aanhoudt, of door een nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren.

(2)

Zoals vastgesteld in artikel 12 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad, mag het EFG het jaarlijks maximumbedrag van 150 miljoen EUR (in prijzen van 2011) niet overschrijden (3).

(3)

Op 24 maart 2015 heeft België aanvraag EFG/2015/003 BE/Ford Genk ingediend voor een financiële bijdrage uit het EFG, na het ontslag bij en de beëindiging van de activiteiten (hierna „de ontslagen”) bij Ford Genk en 11 leveranciers en producenten lager in de keten. België heeft overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1309/2013 aanvullende gegevens verstrekt. Die aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage uit het EFG als vastgesteld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1309/2013.

(4)

Er moeten dan ook middelen uit het EFG beschikbaar worden gesteld om te voorzien in een financiële bijdrage van 6 268 564 EUR voor de door België ingediende aanvraag.

(5)

Teneinde zo snel mogelijk middelen uit het EFG ter beschikking te stellen, moet dit besluit van toepassing zijn vanaf de datum waarop het wordt vastgesteld,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 wordt een bedrag van 6 268 564 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing vanaf 6 oktober 2015.

Gedaan te Straatsburg, 6 oktober 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. SCHMIT


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.

(2)   PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(3)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/26


BESLUIT (EU) 2015/1870 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 oktober 2015

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag van Italië — EGF/2015/004 IT/Alitalia)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (1), en met name artikel 15, lid 4,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (2), en met name punt 13,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees fonds voor aanpassing van de globalisering (EFG) heeft tot doel steun te verlenen aan werknemers die werkloos zijn geworden en aan zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, als gevolg van uit de globalisering voortvloeiende grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, doordat de wereldwijde financiële en economische crisis aanhoudt, of door een nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren.

(2)

Zoals vastgesteld in artikel 12 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (3) mag het EFG het jaarlijks maximumbedrag van 150 miljoen EUR (prijzen 2011) niet overschrijden.

(3)

Op 24 maart 2015 heeft Italië aanvraag EGF/2015/004 IT/Alitalia ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen bij Gruppo Alitalia (4) in Italië. Italië heeft overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1309/2013 aanvullende gegevens ingediend. Deze aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage uit het EFG overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1309/2013.

(4)

Er moeten dan ook middelen uit het EFG beschikbaar worden gesteld om een financiële bijdrage van 1 414 848 EUR te leveren voor de door Italië ingediende aanvraag.

(5)

Teneinde zo snel mogelijk middelen uit het EFG ter beschikking te stellen, moet dit besluit van toepassing zijn vanaf de datum waarop het wordt vastgesteld,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 wordt een bedrag van 1 414 848 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing vanaf 6 oktober 2015.

Gedaan te Straatsburg, 6 oktober 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. SCHMIT


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.

(2)   PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(3)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(4)  Alitalia Compagnia Aerea Italiana S.p.A. en Air One S.p.A. (CAI First S.p.A., CAI Second S.p.A. en Alitalia Loyalty).


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/28


BESLUIT (EU) 2015/1871 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 oktober 2015

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (aanvraag EGF/2015/002 DE/Adam Opel, ingediend door Duitsland)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1309/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 betreffende het Europees fonds voor aanpassing aan de globalisering (2014-2020) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1927/2006 (1), en met name artikel 15, lid 4,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (2), en met name punt 13,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees fonds voor aanpassing van de globalisering (EFG) is opgericht om steun te verlenen aan werknemers die werkloos zijn geworden en aan zelfstandigen die hun werkzaamheden hebben beëindigd, als gevolg van uit de globalisering voortvloeiende grote structurele veranderingen in de wereldhandelspatronen, doordat de in Verordening (EG) nr. 546/2009 behandelde wereldwijde financiële en economische crisis aanhoudt, of door een nieuwe wereldwijde financiële en economische crisis, en hen te helpen om op de arbeidsmarkt terug te keren.

(2)

Zoals vastgesteld in artikel 12 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (3), mag het EFG het jaarlijks maximumbedrag van 150 miljoen EUR (in prijzen van 2011) niet overschrijden.

(3)

Op 26 februari 2015 heeft Duitsland aanvraag EGF/2015/002 DE/Adam Opel ingediend voor een financiële bijdrage van het EFG naar aanleiding van ontslagen bij Adam Opel AG en een leverancier in Duitsland. Duitsland heeft overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1309/2013 aanvullende gegevens verstrekt. Die aanvraag voldoet aan de voorwaarden voor een financiële bijdrage uit het EFG zoals vastgesteld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1309/2013.

(4)

Er moeten dan ook middelen uit het EFG beschikbaar worden gesteld om te voorzien in een financiële bijdrage van 6 958 623 EUR voor de door Duitsland ingediende aanvraag.

(5)

Teneinde zo snel mogelijk middelen uit het EFG ter beschikking te stellen, moet dit besluit van toepassing zijn vanaf de datum waarop het wordt vastgesteld,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 wordt een bedrag van 6 958 623 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten beschikbaar gesteld uit het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing vanaf 6 oktober 2015.

Gedaan te Straatsburg, 6 oktober 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. SCHMIT


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 855.

(2)   PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(3)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/30


BESLUIT (EU) 2015/1872 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 oktober 2015

betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (1), en met name artikel 4, lid 3,

Gezien het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (2), en met name punt 11,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (hierna „het Fonds” genoemd) heeft tot doel de Unie in staat te stellen snel, doeltreffend en soepel te reageren op noodsituaties en solidariteit te betonen met de bevolking van door rampen getroffen regio's.

(2)

Zoals vastgesteld in artikel 10 van Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad (3), mag het Fonds het jaarlijks maximumbedrag van 500 miljoen EUR (in prijzen van 2011) niet overschrijden.

(3)

Bulgarije heeft een aanvraag voor steun uit het Fonds ingediend in verband met streng winterweer.

(4)

Griekenland heeft twee aanvragen voor steun uit het Fonds ingediend in verband met overstromingen.

(5)

De Commissie heeft vastgesteld dat de aanvragen voldoen aan de voorwaarden voor het verlenen van steun uit het Fonds zoals die zijn neergelegd in Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad.

(6)

Er moeten dan ook middelen uit het Fonds beschikbaar worden gesteld om te voorzien in een financiële bijdrage van 16 274 765 EUR voor de door Bulgarije en Griekenland ingediende aanvragen.

(7)

Er zijn mogelijkheden tot herschikking van de kredieten overeenkomstig de tweede zin van punt 11 van het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013. De kredieten voor voorschotten voor het begrotingsjaar 2015 zijn in heel beperkte mate gebruikt, voor de drie aanvragen waarop dit besluit betrekking heeft en waarvoor het te betalen saldo 14 647 288 EUR bedraagt. Bijgevolg wordt het volledige bedrag voor de terbeschikkingstelling gefinancierd door middel van herschikking van de in de algemene begroting van de Europese Unie voor voorschotten beschikbare kredieten voor het begrotingsjaar 2015, en zijn geen aanvullende kredieten nodig.

(8)

Ter beperking van de tijd die nodig is om middelen uit het Fonds ter beschikking te stellen, dient dit besluit van toepassing te zijn vanaf de datum waarop het wordt vastgesteld,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Ten laste van de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2015 wordt uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie 16 274 765 EUR aan vastleggings- en betalingskredieten ter beschikking gesteld.

Het volledige bedrag van deze terbeschikkingstelling wordt gefinancierd met kredieten die door middel van Besluit (EU) 2015/422 van het Europees Parlement en de Raad (4) zijn beschikbaar gemaakt voor de betaling van voorschotten in de begroting van de Unie voor het begrotingsjaar 2015, welke beschikbaar zijn op begrotingslijn 13 06 01. Het op die begrotingslijn beschikbare bedrag voor voorschotten wordt dienovereenkomstig verlaagd.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het is van toepassing met ingang van 6 oktober 2015.

Gedaan te Straatsburg, 6 oktober 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. SCHMIT


(1)  Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3).

(2)   PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(3)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884).

(4)  Besluit (EU) 2015/422 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2014 betreffende de beschikbaarstelling van middelen uit het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (PB L 68 van 13.3.2015, blz. 47).


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/32


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1873 VAN DE RAAD

van 8 oktober 2015

betreffende het onderwerpen van 4-methyl-5-(4-methylfenyl)-4,5-dihydrooxazol-2-amine (4,4′-DMAR) en 1-cyclohexyl-4-(1,2-difenylethyl)piperazine (MT-45) aan controlemaatregelen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (1), en met name artikel 8, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6 van Besluit 2005/387/JBZ is tijdens een bijzondere vergadering van het uitgebreide wetenschappelijk comité van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) een risicobeoordelingsverslag over de nieuwe psychoactieve stof 4-methyl-5-(4-methylfenyl)-4,5-dihydrooxazol-2-amine (4,4′-DMAR) opgesteld; dat verslag is vervolgens op 19 september 2014 aan de Commissie en de Raad voorgelegd.

(2)

4,4′-DMAR is een synthetisch gesubstitueerd oxazolinederivaat. Het is een derivaat van aminorex en 4-methylaminorex (4-MAR), twee synthetische stimulantia die aan controle zijn onderworpen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971.

(3)

4,4′-DMAR is al zeker sinds december 2012 op de drugsmarkt in de Unie verkrijgbaar en is in december 2012 gemeld bij het systeem voor vroegtijdige waarschuwing. Negen lidstaten hebben gemeld dat zij de stof bij inbeslagnames hebben aangetroffen, doorgaans in de vorm van witte of gekleurde poeders en tabletten, en in biologisch materiaal en verzamelde monsters.

(4)

4,4′-DMAR is op de markt voor nieuwe psychoactieve stoffen verschenen als een „onderzoeksstof”; het wordt verkocht door internetdealers en is nu ook verkrijgbaar bij straatdealers. 4,4′-DMAR wordt als zodanig verkocht en gebruikt, maar wordt ook op misleidende wijze op de illegale markt verkocht als ecstasy of amfetamine.

(5)

In de periode van juni 2013 tot juni 2014 zijn in drie lidstaten 31 sterfgevallen met deze stof in verband gebracht. In de meeste gevallen was 4,4′-DMAR ofwel de doodsoorzaak ofwel, samen met andere stoffen, een van de factoren die waarschijnlijk bijdroeg tot het overlijden. Eén lidstaat heeft een niet-dodelijke intoxicatie gemeld.

(6)

Er zijn geen studies over de toxiciteit van 4,4′-DMAR.

(7)

Er zijn geen prevalentiegegevens over het gebruik van 4,4′-DMAR. De beschikbare informatie lijkt er evenwel op te wijzen dat de stof niet veel wordt gebruikt. De informatie uit gevallen met dodelijke afloop lijkt er eveneens op te wijzen dat gebruikers zonder het te weten 4,4′-DMAR hebben ingenomen, terwijl zij op zoek waren naar andere stimulantia.

(8)

De georganiseerde criminaliteit is in beperkte mate betrokken bij de vervaardiging en de distributie van, de handel in en de levering van 4,4′-DMAR in de Unie. De chemische precursoren en de synthesemethoden voor de vervaardiging van 4,4′-DMAR zijn onbekend.

(9)

4,4′-DMAR is niet als aan controle onderworpen stof opgenomen in het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, noch in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971. De stof is momenteel niet in beoordeling en is ook niet aan een beoordeling onderworpen in het kader van het systeem van de Verenigde Naties, noch is een dergelijke beoordeling gepland.

(10)

4,4′-DMAR kent geen gevestigd of erkend gebruik in de humane of veterinaire geneeskunde in de Unie. Hoewel het in analytische referentiematerialen en in wetenschappelijk onderzoek naar de chemische, farmacologische en toxicologische eigenschappen ervan wordt gebruikt, zijn er geen aanwijzingen dat het voor andere doeleinden wordt gebruikt.

(11)

Uit het risicobeoordelingsverslag blijkt dat er over 4,4′-DMAR slechts beperkt wetenschappelijk bewijs voorhanden is en dat verder onderzoek nodig is om de gezondheids- en sociale risico's ervan te bepalen. De beschikbare gegevens vormen echter momenteel voldoende aanleiding om 4,4′-DMAR in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Gezien de gezondheidsrisico's waarmee het gebruik van 4,4′-DMAR gepaard gaat, zoals blijkt uit het feit dat de stof is aangetroffen bij verschillende sterfgevallen, het feit dat gebruikers de stof kunnen gebruiken zonder dat zij zich daarvan bewust zijn en het ontbreken van medische waarde, moet 4,4′-DMAR aan controlemaatregelen worden onderworpen.

(12)

Drie lidstaten houden toezicht op 4,4′-DMAR op grond van nationale wetgeving ingevolge hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, en vijf lidstaten houden toezicht op de stof op grond van andere wettelijke maatregelen; de onderwerping van deze stof aan controlemaatregelen in de hele Unie zou derhalve helpen voorkomen dat er zich obstakels voordoen bij de grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking, en zou bescherming bieden tegen de risico's die de beschikbaarheid en het gebruik ervan met zich mee kunnen brengen.

(13)

Overeenkomstig artikel 6, leden 2, 3 en 4, van Besluit 2005/387/JBZ is tijdens een bijzondere vergadering van het uitgebreide wetenschappelijk comité van het EWDD een risicobeoordelingsverslag over de nieuwe psychoactieve stof 1-cyclohexyl-4-(1,2-difenylethyl)piperazine (MT-45) opgesteld; dat verslag is op 6 oktober 2014 aan de Commissie en de Raad voorgelegd.

(14)

MT-45 is een piperazine met N,N′-disubstitutie, waarbij met één van de stikstofatomen van de piperazinering een cyclohexaanring verbonden is en met het andere stikstofatoom een 1,2-difenylethylgroep. MT-45 behoort tot een reeks analgetica op basis van 1-(1,2-difenylethyl)piperazine die in de vroege jaren zeventig van de 20e eeuw op de markt zijn gekomen.

(15)

MT-45 is sinds oktober 2013 op de drugsmarkt in de Unie aanwezig en wordt daar verkocht als „onderzoeksstof”, doorgaans via internet. Het EWDD heeft twaalf websites aangetroffen van internetleveranciers en -dealers die MT-45 te koop aanbieden, waarvan een aantal blijkbaar in de Unie is gevestigd.

(16)

Door één lidstaat zijn in totaal 28 sterfgevallen gemeld in de periode van november 2013 tot juli 2014. In de meeste gevallen werd op basis van analyses de aanwezigheid van MT-45 in biologische monsters bevestigd. Dezelfde lidstaat heeft ook ongeveer achttien niet-dodelijke intoxicaties gemeld, waarbij de klinische kenmerken vergelijkbaar waren met die van opioïde-intoxicatie en in sommige gevallen werd gereageerd op de opioïdereceptorantagonist naloxon.

(17)

Er zijn verschillende onderzoeken op dieren gedaan die erop wijzen dat de acute toxiciteit van MT-45 verschillende malen hoger is dan die van morfine.

(18)

De momenteel beschikbare informatie lijkt erop te wijzen dat de stof niet veel wordt gebruikt. De stof lijkt voornamelijk in de thuisomgeving te worden gebruikt, ofwel door gebruikers die bereid zijn een nieuwe stof uit te proberen, ofwel door aan opioïden verslaafde gebruikers die geen toegang hebben tot heroïne of andere opioïden. Het komt voor dat gebruikers MT-45 combineren met andere psychoactieve stoffen. Er is geen informatie voorhanden over de sociale risico's die aan MT-45 verbonden kunnen zijn.

(19)

Er zijn geen aanwijzingen voor betrokkenheid van de georganiseerde criminaliteit bij de vervaardiging en de distributie van, de handel in en de levering van MT-45 in de Unie. De chemische precursoren en de synthesemethoden voor de vervaardiging van het in de lidstaten aangetroffen MT-45 zijn onbekend.

(20)

MT-45 is niet als aan controle onderworpen stof opgenomen in het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961, noch in het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971. De stof is momenteel niet in beoordeling en is ook niet aan een beoordeling onderworpen in het kader van het systeem van de Verenigde Naties, noch is een dergelijke beoordeling gepland.

(21)

MT-45 kent geen gevestigd of erkend gebruik in de humane of veterinaire geneeskunde in de Unie. Hoewel het in analytische referentiematerialen en in wetenschappelijk onderzoek naar de chemische, farmacologische en toxicologische eigenschappen ervan wordt gebruikt, zijn er geen aanwijzingen dat het voor andere doeleinden wordt gebruikt.

(22)

Uit het risicobeoordelingsverslag blijkt dat er over MT-45 slechts beperkt wetenschappelijk bewijs voorhanden is en dat verder onderzoek nodig is om de gezondheids- en sociale risico's ervan te bepalen. De beschikbare gegevens geven er echter voldoende aanleiding toe om MT-45 in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Gezien de gezondheidsrisico's, die blijken uit het feit dat de stof bij verschillende sterfgevallen is aangetroffen, en het ontbreken van medische waarde, moet MT-45 aan controlemaatregelen worden onderworpen.

(23)

Één lidstaat houdt toezicht op MT-45 op grond van nationale wetgeving ingevolge zijn verplichtingen uit hoofde van het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961 en het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, en zeven lidstaten houden toezicht op de stof op grond van andere wettelijke maatregelen; de onderwerping van deze stof aan controlemaatregelen in de hele Unie zou derhalve helpen voorkomen dat er zich obstakels voordoen bij de grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking, en zou bescherming bieden tegen de risico's die de beschikbaarheid en het gebruik ervan met zich mee kunnen brengen.

(24)

Bij Besluit 2005/387/JBZ worden aan de Raad uitvoeringsbevoegdheden toegekend waarmee hij op het niveau van de Unie snel en op basis van deskundigheid kan reageren wanneer nieuwe psychotrope stoffen die door de lidstaten zijn opgespoord en gemeld, door deze stoffen in de gehele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Aangezien voldaan is aan de voorwaarden om een aanvang te maken met de uitoefening van deze uitvoeringsbevoegdheden en de procedure daartoe is gevolgd, dient een uitvoeringsbesluit te worden vastgesteld om 4,4′-DMAR en MT-45 in de hele Unie aan controle te onderwerpen.

(25)

Besluit 2005/387/JBZ is bindend voor Denemarken, dat derhalve deelneemt aan de vaststelling en toepassing van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ.

(26)

Besluit 2005/387/JBZ is bindend voor Ierland, dat derhalve deelneemt aan de vaststelling en toepassing van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ.

(27)

Besluit 2005/387/JBZ is niet bindend voor het Verenigd Koninkrijk; het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ, dat niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende nieuwe psychoactieve stoffen worden in de hele Unie aan controlemaatregelen onderworpen:

a)

4-methyl-5-(4-methylfenyl)-4,5-dihydrooxazol-2-amine (4,4′-DMAR);

b)

1-cyclohexyl-4-(1,2-difenylethyl)piperazine (MT-45).

Artikel 2

De lidstaten nemen uiterlijk op 21 oktober 2016 overeenkomstig hun nationale wetgeving de noodzakelijke maatregelen om de in artikel 1 bedoelde nieuwe psychoactieve stoffen te onderwerpen aan de controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties die in hun wetgeving zijn voorzien om te voldoen aan hun verplichtingen uit hoofde van het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961en/of het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Dit besluit is van toepassing overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Luxemburg, 8 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)   PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/35


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1874 VAN DE RAAD

van 8 oktober 2015

betreffende het onderwerpen van 4-methylamfetamine aan controlemaatregelen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (1), en met name artikel 8, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 6 van Besluit 2005/387/JBZ is tijdens een bijzondere vergadering van het uitgebreide Wetenschappelijk Comité van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) een risicobeoordelingsverslag over 4-methylamfetamine opgesteld; dat verslag is vervolgens op 29 november 2012 door de Commissie ontvangen.

(2)

4-methylamfetamine is een synthetisch amfetaminederivaat waarvan de ring gemethyleerd is, dat overwegend in de vorm van poeder en pasta in beslag is genomen in amfetamine en cafeïne bevattende monsters, maar dat ook in tabletten en in vloeibare vorm is aangetroffen. Zij is opgedoken op de illegale amfetaminemarkt waar zij als de gecontroleerde drug amfetamine wordt verkocht en gebruikt. Er is éénmaal gerapporteerd dat de stof aangetroffen werd in een op het internet verhandeld product. De voornaamste chemische precursor voor de synthese van 4-methylamfetamine is 4-methylbenzylmethylketon (4-methyl-BMK), dat in de handel op het internet beschikbaar is en dat niet wordt gecontroleerd overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties van 1988 tegen de sluikhandel in verdovende middelen en psychotrope stoffen.

(3)

De specifieke fysieke effecten van 4-methylamfetamine zijn zelden door gebruikers gerapporteerd omdat gebruikers er zich gewoonlijk niet van bewust zijn dat zij de stof hebben ingenomen. Volgens de weinige verslagen die erover beschikbaar zijn, zou de stof echter bepaalde stimulerende effecten hebben. Volgens de beperkte gegevens die op menselijk gebruik betrekking hebben, zou 4-methylamfetamine schadelijke gevolgen hebben zoals hyperthermie, hypertensie, anorexie, misselijkheid, zweten, maagpijn, hoesten, braken, hoofdpijn, hartkloppingen, slapeloosheid, paranoia, angst en depressie. De huidige gegevens zijn niet toereikend om te kunnen vaststellen in welke mate de stof gewenning kan veroorzaken.

(4)

De acute toxiciteit van 4-methylamfetamine is volgens de beperkte beschikbare gegevensbronnen vergelijkbaar met die van andere stimulerende middelen. Volgens bepaalde bronnen kan het gevaar voor algemene verhoogde toxiciteit toenemen wanneer 4-methylamfetamine gecombineerd wordt met andere stoffen, waaronder amfetamine en cafeïne.

(5)

In totaal zijn er in vier lidstaten 21 dodelijke slachtoffers geregistreerd waarbij 4-methylamfetamine alleen of in combinatie met een of meer stoffen, in het bijzonder amfetamine, aangetroffen is in post-mortem genomen monsters. Hoewel uit de beschikbare informatie niet met zekerheid kan worden opgemaakt welke rol 4-methylamfetamine bij deze sterfgevallen heeft gespeeld, was de stof in sommige gevallen de belangrijkste aangetroffen drug, in niveaus die vergelijkbaar zijn met die welke in sommige gevallen aangetroffen zijn bij dodelijke slachtoffers ten gevolge van het gebruik van amfetamine.

(6)

4-methylamfetamine is in 15 lidstaten aangetroffen en één lidstaat heeft de vervaardiging van de stof op zijn grondgebied gerapporteerd. De specifieke prevalentie voor 4-methylamfetamine is moeilijk in te schatten. Er bestaat geen informatie over de specifieke vraag naar de stof van groepen van gebruikers en de stof wordt niet verhandeld via webwinkels.

(7)

Uit de beschikbare informatie blijkt dat de productie en de distributie van 4-methylamfetamine in handen zijn van dezelfde georganiseerde criminele groepen die betrokken zijn bij het vervaardigen en het verhandelen van amfetamine.

(8)

4-methylamfetamine heeft in de Unie geen bekende, vastgestelde of erkende medische waarde of wordt niet voor medische doeleinden gebruikt. In de Unie is er geen vergunning verleend om de stof in de handel te brengen. Naast het gebruik als analytische referentiestandaard en in het wetenschappelijk onderzoek zijn er geen aanwijzingen dat de stof voor andere legitieme doeleinden kan worden gebruikt.

(9)

4-methylamfetamine wordt momenteel niet aan een beoordeling onderworpen en is evenmin reeds beoordeeld in het kader van het systeem van de Verenigde Naties. Acht lidstaten onderwerpen de stof aan controle op grond van de drugswetgeving in het kader van hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971. In twee andere lidstaten wordt in de nationale wetgeving de generische definitie van fenethylamine op de stof toegepast en één lidstaat past controle toe op basis van zijn geneesmiddelenwetgeving.

(10)

Het risicobeoordelingsverslag meldt dat er slechts beperkte wetenschappelijke gegevens over de kenmerken en de risico's van 4-methylamfetamine beschikbaar zijn en dat verder studiewerk moet worden verricht naar de algemene gezondheids- en maatschappelijke risico's die aan de stof verbonden zijn. Er bestaan op basis van de beschikbare gegevens evenwel genoeg redenen om 4-methylamfetamine in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Gelet op de gevaren die 4-methylamfetamine voor de gezondheid oplevert, zoals gedocumenteerd in de rapporten betreffende een aantal sterfgevallen bij wie de stof met name in combinatie met andere stoffen is aangetroffen, op het feit dat de stof wat verschijningsvorm en effecten betreft sterk op amfetamine lijkt, op het feit dat gebruikers zich mogelijk niet bewust zijn van de inname van de stof, en op de beperkte medische waarde of nuttigheid ervan, moet 4-methylamfetamine in de Unie aan controlemaatregelen worden onderworpen.

(11)

Aangezien tien lidstaten 4-methylamfetamine al controleren, kan het opleggen van controlemaatregelen in de hele Unie ertoe bijdragen problemen in grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking te vermijden.

(12)

Controlemaatregelen in de hele Unie kunnen tevens helpen voorkomen dat 4-methylamfetamine zich op de markten van illegale drugs ontwikkelt als alternatief voor amfetamine,

(13)

Bij Besluit 2005/387/JBZ worden aan de Raad uitvoeringsbevoegdheden toegekend waarmee hij op het niveau van de Unie snel en op basis van deskundigheid kan reageren wanneer nieuwe psychotrope stoffen door de lidstaten zijn opgespoord en gemeld, door deze stoffen in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Aangezien voldaan is aan de voorwaarden om een aanvang te maken met de uitoefening van deze uitvoeringsbevoegdheden en de procedure daartoe is gevolgd, dient een uitvoeringsbesluit te worden vastgesteld om 4-methylamfetamine in de hele Unie aan controle te onderwerpen.

(14)

Dit besluit vervangt Besluit 2013/129/EU van de Raad (2), dat door het Hof van Justitie van de Europese Unie („het Hof”) nietig is verklaard bij zijn arrest van 16 april 2015 in zaak C-317/13 (3). Bij dat arrest handhaaft het Hof de gevolgen van Besluit 2013/129/EU totdat nieuwe handelingen ter vervanging van het besluit in werking zijn getreden. Vanaf de dag van inwerkingtreding van onderhavig besluit houdt Besluit 2013/129/EU derhalve op gevolgen te hebben.

(15)

Ter wille van de continuïteit van de controlemaatregelen met betrekking tot 4-methylamfetamine in de hele Unie, dient onderhavig besluit de termijnverplichtingen van de lidstaten voor het onderwerpen van die nieuwe psychoactieve stof aan controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door hun nationale wetgeving, als bepaald in artikel 2 van Besluit 2013/129/EU, onverlet te laten.

(16)

Besluit 2005/387/JBZ is bindend voor Denemarken, dat derhalve deelneemt aan de vaststelling en toepassing van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ.

(17)

Besluit 2005/387/JBZ is bindend voor Ierland, dat derhalve deelneemt aan de vaststelling en toepassing van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ.

(18)

Besluit 2005/387/JBZ is niet bindend voor het Verenigd Koninkrijk; het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ, dat niet bindend is voor, noch van toepassing is in het Verenigd Koninkrijk,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De nieuwe psychoactieve stof 4-methylamfetamine wordt in de hele Unie aan controlemaatregelen onderworpen.

Artikel 2

Besluit 2013/129/EU houdt op gevolgen te hebben vanaf de datum waarop onderhavig besluit in werking treedt, onverminderd de termijnverplichtingen van de lidstaten voor het onderwerpen van 4-methylamfetamine aan controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door hun nationale wetgeving, als bepaald in artikel 2 van Besluit 2013/129/EU.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Dit besluit is van toepassing overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Luxemburg, 8 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)   PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.

(2)  Besluit 2013/129/EU van de Raad van 7 maart 2013 betreffende het onderwerpen van 4-methylamfetamine aan controlemaatregelen (PB L 72 van 15.3.2013, blz. 11).

(3)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 april 2015, Parlement tegen Raad, C-317/13 ECLI:EU:C:2015:223.


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/38


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1875 VAN DE RAAD

van 8 oktober 2015

betreffende het onderwerpen van 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine) aan controlemaatregelen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (1), en met name artikel 8, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig Besluit 2005/387/JBZ zijn door een bijzondere vergadering van het uitgebreide wetenschappelijk comité van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) risicobeoordelingsverslagen opgesteld over de nieuwe psychoactieve stoffen 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine); die verslagen zijn vervolgens op 23 april 2014 aan de Commissie en de Raad voorgelegd.

(2)

Toen de risicobeoordeling op het niveau van de Unie werd aangevraagd, waren 25I-NBOMe, AH-7921, MDPV en methoxetamine op het niveau van de Verenigde Naties nog niet aan een beoordeling onderworpen, maar zij zijn in juni 2014 geëvalueerd door het deskundigencomité inzake drugsafhankelijkheid van de Wereldgezondheidsorganisatie.

(3)

25I-NBOMe, AH-7921, MDPV en methoxetamine hebben noch in de humane, noch in de veterinaire geneeskunde een gevestigde of erkende medische toepassing. Deze stoffen worden naar aanleiding van het verschijnen ervan op de drugsmarkt gebruikt in analytische referentiematerialen, in wetenschappelijk onderzoek naar hun chemische, farmacologische en toxicologische eigenschappen, en wat 25I-NBOMe betreft ook op het gebied van de neurochemie, maar er zijn geen aanwijzingen voor gebruik van deze stoffen voor andere doeleinden.

(4)

25I-NBOMe is een krachtig synthetisch derivaat van 2,5-dimethoxy-4-iodofenethylamine (2C-I), een klassiek serotonerg hallucinogeen dat op het niveau van de Unie in 2003 bij Besluit 2003/847/JBZ (2) aan een risicobeoordeling en aan controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties is onderworpen.

(5)

De specifieke fysieke effecten van 25I-NBOMe zijn moeilijk te bepalen, omdat er geen studies zijn gepubliceerd naar de acute en chronische toxiciteit, de psychologische en gedragseffecten en het verslavingspotentieel van deze stof, en omdat slechts in beperkte mate informatie en gegevens beschikbaar zijn. Klinische observatie van personen die deze stof hebben gebruikt, wijst op hallucinogene effecten en op het vermogen van deze stof om ernstige agitatie, verwardheid, intense auditieve en visuele hallucinaties, agressie, gewelddadige ongevallen en zelfverwonding teweeg te brengen.

(6)

In drie lidstaten zijn vier sterfgevallen geregistreerd waarbij er sprake was van een verband met 25I-NBOMe. Ernstige toxiciteit in verband met het gebruik ervan is gerapporteerd in vier lidstaten, die 32 niet-dodelijke intoxicaties hebben gemeld. Als deze nieuwe psychoactieve stof in ruimere mate beschikbaar komt en meer wordt gebruikt, zouden de gevolgen voor de individuele en de volksgezondheid beduidend kunnen zijn. Er is geen informatie voorhanden over de sociale risico's die aan 25I-NBOMe zijn verbonden.

(7)

Door 22 lidstaten en door Noorwegen is bij het EWDD en de Europese Politiedienst (Europol) gemeld dat zij gemeld hebben dat zij 25I-NBOMe hebben aangetroffen. Er zijn geen prevalentiegegevens beschikbaar over het gebruik van 25I-NBOMe, maar de beperkte informatie die wel beschikbaar is, wijst erop dat zij in zeer uiteenlopende omgevingen wordt gebruikt, zoals thuis, in bars, in nachtclubs en op muziekfestivals.

(8)

25I-NBOMe wordt openlijk op het internet te koop aangeboden en verkocht als „onderzoeksstof”; uit informatie die afkomstig is van confiscaties, monsters, gebruikerswebsites en internetdealers blijkt dat de stof als zelfstandige drug wordt verkocht en tevens als „legaal” vervangingsmiddel voor lsd. Het EWDD heeft meer dan vijftien internetdealers geïdentificeerd die deze stof aanbieden en mogelijk in de Unie en in China zijn gevestigd.

(9)

Uit het risicobeoordelingsverslag blijkt dat er over 25I-NBOMe slechts beperkt wetenschappelijk bewijs voorhanden is en dat verder onderzoek nodig is om de gezondheids- en sociale risico's ervan te bepalen. De beschikbare gegevens geven er echter voldoende aanleiding toe om 25I-NBOMe aan controlemaatregelen in de hele Unie te onderwerpen. Gezien de gezondheidsrisico's, die blijken uit het feit dat de stof is aangetroffen bij verschillende gemelde sterfgevallen, het feit dat gebruikers de stof kunnen gebruiken zonder dat zij zich daarvan bewust zijn en het ontbreken van medische waarde of bruikbaarheid, moet 25I-NBOMe in de hele Unie aan controlemaatregelen worden onderworpen.

(10)

Zes lidstaten houden toezicht op 25I-NBOMe op grond van nationale wetgeving ingevolge hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, en zeven lidstaten houden toezicht op de stof op grond van andere wettelijke maatregelen; de onderwerping van deze stof aan controlemaatregelen in de hele Unie zou derhalve helpen voorkomen dat er zich obstakels voordoen bij de grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking, en zou de gebruikers helpen beschermen tegen de risico's die de beschikbaarheid en het gebruik ervan met zich mee kunnen brengen.

(11)

AH-7921 is een structureel atypisch synthetisch opioïde analgeticum, dat bij internetdealers, op gebruikerswebsites en in de media bekend staat als „doxylam”. Zij kan gemakkelijk worden verward met „doxylamine”, een antihistaminicum met sedatief-hypnotische eigenschappen, wat tot onbedoelde overdosering kan leiden.

(12)

De specifieke fysieke effecten van AH-7921 zijn moeilijk te bepalen, omdat er geen studies zijn gepubliceerd naar de acute en chronische toxiciteit, de psychologische en gedragseffecten en het verslavingspotentieel van deze stof, en omdat slechts in beperkte mate informatie en gegevens beschikbaar zijn. Volgens gebruikers zijn de effecten van AH-7921 vergelijkbaar met die van klassieke opioïden: milde euforie, jeuk en ontspanning; misselijkheid lijkt een typisch negatief effect. Naast zelfexperimentatie met en recreatief gebruik van AH-7921 melden sommige gebruikers dat zij zich deze nieuwe drug zelf hebben toegediend om pijn te verlichten of om ontwenningsverschijnselen door het stoppen van het gebruik van andere opioïden te bestrijden. Dit kan erop wijzen dat AH-7921 het potentieel heeft om zich onder de opioïdeninjecterende populatie te verspreiden.

(13)

Er zijn geen prevalentiegegevens beschikbaar over het gebruik van AH-7921, maar de informatie die beschikbaar is, duidt erop dat het gebruik niet wijdverbreid is en dat het wordt gebruikt in de thuisomgeving.

(14)

Tussen december 2012 en september 2013 zijn in drie lidstaten in totaal 15 sterfgevallen gemeld waarbij AH-7921, alleen of in combinatie met andere stoffen, in post mortem genomen monsters is aangetroffen. Hoewel niet met zekerheid kan worden bepaald welke rol AH-7921 bij die sterfgevallen gespeeld heeft, is het in sommige gevallen specifiek vermeld bij de doodsoorzaak. Eén lidstaat heeft zes niet-dodelijke intoxicaties gemeld die met AH-7921 in verband worden gebracht. Als deze nieuwe psychoactieve stof in ruimere mate beschikbaar komt en meer wordt gebruikt, zouden de gevolgen voor de individuele en de volksgezondheid beduidend kunnen zijn. Er is geen informatie voorhanden over de sociale risico's die aan AH-7921 zijn verbonden.

(15)

Uit het risicobeoordelingsverslag blijkt dat er over AH-7921 slechts beperkt wetenschappelijk bewijs voorhanden is en dat verder onderzoek nodig is om de gezondheids- en sociale risico's ervan te bepalen. De beschikbare gegevens geven er echter voldoende aanleiding toe om AH-7921 in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Gezien de gezondheidsrisico's, die blijken uit het feit dat de stof bij verschillende gemelde gevallen met dodelijke afloop is aangetroffen, het feit dat gebruikers de stof kunnen gebruiken zonder dat zij zich daarvan bewust zijn en het ontbreken van medische waarde of bruikbaarheid, moet AH-7921 in de hele Unie aan controlemaatregelen worden onderworpen.

(16)

Eén lidstaat houdt toezicht op AH-7921 op grond van nationale wetgeving ingevolge zijn verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, en vijf lidstaten houden toezicht op de stof op grond van andere wettelijke maatregelen; de onderwerping van deze stof aan controlemaatregelen in de hele Unie zou derhalve helpen voorkomen dat er zich obstakels voordoen bij de grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking, en zou de gebruikers helpen beschermen tegen de risico's die de beschikbaarheid en het gebruik ervan met zich mee kunnen brengen.

(17)

MDPV is een synthetisch derivaat met ringsubstitutie van cathinon, dat chemisch verwant is aan pyrovaleron; deze beide stoffen zijn aan controle onderworpen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971.

(18)

Informatie over de chronische en acute toxiciteit, de psychologische en gedragseffecten en het verslavingspotentieel van MDPV wordt niet overal in de Unie op dezelfde wijze verzameld. De informatie die uit gepubliceerde studies kan worden afgeleid en door klinische gevallen wordt bevestigd, wijst erop dat het voor MDPV geobserveerde psychofarmacologische profiel vergelijkbaar is met dat voor cocaïne en methamfetamine, zij het dat het effect krachtiger en langduriger is. Bovendien bleek MDPV een tienmaal zo krachtig vermogen te hebben om locomotorische activatie, tachycardie en hypertensie op te wekken.

(19)

Volgens gebruikerswebsites kan de acute toxiciteit van de stof schadelijke gevolgen hebben voor de mens, vergelijkbaar met die van andere stimulantia. Deze gevolgen omvatten paranoïde psychose, tachycardie, hypertensie, diaforese, ademhalingsmoeilijkheden, ernstige agitatie, auditieve en visuele hallucinaties, extreme angst, hyperthermie, geweldsuitbarstingen, en meerdere orgaandysfuncties.

(20)

Er zijn tussen september 2009 en augustus 2013 in acht lidstaten en in Noorwegen 108 sterfgevallen geregistreerd waarbij MDPV in post mortem genomen biologische monsters is aangetroffen of deze stof met de doodsoorzaak in verband wordt gebracht. In totaal zijn door acht lidstaten 525 niet-dodelijke intoxicaties gemeld in verband met MDPV. Als deze nieuwe psychoactieve stof in ruimere mate beschikbaar komt en meer wordt gebruikt, zouden de gevolgen voor de individuele en de volksgezondheid beduidend kunnen zijn.

(21)

Sinds 2009 hebben vier lidstaten ook melding gemaakt van het aantreffen van MDPV in biologische monsters die verband houden met dodelijke en niet-dodelijke verkeersongevallen of rijden onder invloed van drugs.

(22)

MDPV is sinds november 2008 op de drugsmarkt in de Unie aanwezig en 27 lidstaten, Noorwegen en Turkije hebben gemeld meerdere kilogrammen van deze stof in beslag te hebben genomen. MDVP wordt als zodanig verkocht, maar is ook aangetroffen in combinatie met andere stoffen. De stof is in ruime mate verkrijgbaar bij internetleveranciers en -dealers, „headshops” en straatdealers. Er zijn aanwijzingen dat bij het tabletteren en distribueren van deze stof in de Unie in zekere mate georganiseerd te werk wordt gegaan.

(23)

Uit het risicobeoordelingsverslag blijkt dat verder onderzoek nodig is om de gezondheids- en sociale risico's van MDPV te bepalen. De beschikbare gegevens geven er echter voldoende aanleiding toe om MDPV in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Gezien de gezondheidsrisico's, die blijken uit het feit dat de stof is aangetroffen bij verschillende gemelde sterfgevallen, het feit dat gebruikers de stof kunnen gebruiken zonder dat zij zich daarvan bewust zijn en het ontbreken van medische waarde of bruikbaarheid, moet MDPV in de hele Unie aan controlemaatregelen worden onderworpen.

(24)

21 lidstaten houden toezicht op MDPV op grond van nationale wetgeving ingevolge hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, en vier lidstaten houden toezicht op de stof op grond van andere wettelijke maatregelen; de onderwerping van deze stof aan controlemaatregelen in de hele Unie zou derhalve helpen voorkomen dat er zich obstakels voordoen bij de grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking, en zou de gebruikers helpen beschermen tegen de risico's die de beschikbaarheid en het gebruik ervan met zich mee kunnen brengen.

(25)

Methoxetamine behoort tot de arylcyclohexylaminen en is chemisch verwant aan ketamine en de internationaal aan controlemaatregelen onderworpen stof fencyclidine (PCP). Methoxetamine heeft net als ketamine en PCP dissociatieve eigenschappen.

(26)

Er zijn geen studies naar de chronische en acute toxiciteit, de psychologische en gedragseffecten en het verslavingspotentieel van methoxetamine. Gebruikers die hun ervaringen op gebruikerswebsites hebben geplaatst, maken melding van negatieve effecten die vergelijkbaar zijn met die van ketamine-intoxicatie. Deze effecten omvatten misselijkheid en hevig braken, ademhalingsmoeilijkheden, convulsies, disoriëntatie, angst, catatonie, agressie, hallucinaties, paranoia en psychose. Acute methoxetamine-intoxicatie kan bovendien effecten hebben die vergelijkbaar zijn met die van stimulantia (agitatie, tachycardie en hypertensie) en cerebrale verschijnselen, die bij acute ketamine-intoxicatie niet te verwachten zijn.

(27)

Zes lidstaten hebben twintig sterfgevallen gemeld waarbij de stof in post mortem genomen monsters werd aangetroffen. Alleen of in combinatie met andere stoffen is methoxetamine aangetroffen bij twintig door vijf lidstaten gemelde niet-dodelijke intoxicaties. Als deze nieuwe psychoactieve stof in ruimere mate beschikbaar komt en meer wordt gebruikt, zouden de gevolgen voor de individuele en de volksgezondheid beduidend kunnen zijn.

(28)

23 lidstaten, Turkije en Noorwegen hebben sinds november 2010 gemeld dat zij gemeld hebben dat zij methoxetamine hebben aangetroffen. Methoxetamine wordt volgens de beschikbare informatie als zodanig verkocht en gebruikt, maar ook als „legale” vervanger voor ketamine verkocht door internetdealers, „headshops” en straatdealers.

(29)

In de Unie is de stof in poedervorm in hoeveelheden van meerdere kilogrammen in beslag genomen, maar er is geen informatie over mogelijke betrokkenheid van de georganiseerde misdaad. Voor het vervaardigen van methoxetamine is geen geavanceerde apparatuur nodig.

(30)

Prevalentiegegevens zijn beperkt tot twee niet-representatieve studies in twee lidstaten. Deze studies lijken erop te wijzen dat methoxetamine minder vaak gebruikt wordt dan ketamine. De informatie die beschikbaar is, wijst erop dat de stof in zeer uiteenlopende omgevingen wordt gebruikt, zoals thuis, in bars, in nachtclubs en op muziekfestivals.

(31)

Uit het risicobeoordelingsverslag blijkt dat verder onderzoek nodig is om de gezondheids- en sociale risico's van methoxetamine te bepalen. De beschikbare gegevens geven er echter voldoende aanleiding toe om methoxetamine aan controlemaatregelen in de hele Unie te onderwerpen. Gezien de gezondheidsrisico's, die blijken uit het feit dat de stof bij verschillende gemelde sterfgevallen is aangetroffen, het feit dat gebruikers de stof kunnen gebruiken zonder dat zij zich daarvan bewust zijn en het ontbreken van medische waarde of bruikbaarheid, moet methoxetamine in de hele Unie aan controlemaatregelen worden onderworpen.

(32)

Negen lidstaten houden toezicht op methoxetamine op grond van nationale wetgeving ingevolge hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971, en negen lidstaten houden toezicht op de stof op grond van andere wettelijke maatregelen; de onderwerping van deze stof aan controlemaatregelen in de hele Unie zou derhalve helpen voorkomen dat er zich obstakels voordoen bij de grensoverschrijdende rechtshandhaving en justitiële samenwerking, en zou de gebruikers helpen beschermen tegen de risico's die de beschikbaarheid en het gebruik ervan met zich mee kunnen brengen.

(33)

In Besluit 2005/387/JBZ worden aan de Raad uitvoeringsbevoegdheden toegekend om op het niveau van de Unie snel en op basis van deskundigheid te kunnen reageren wanneer nieuwe psychotrope stoffen door de lidstaten zijn aangetroffen en gemeld, door deze stoffen in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Aangezien voldaan is aan de voorwaarden om een aanvang te maken met de uitoefening van deze uitvoeringsbevoegdheden en de procedure daartoe is gevolgd, dient een uitvoeringsbesluit te worden vastgesteld om 25I-NBOMe, AH-7921, MDPV en methoxetamine in de hele Unie aan controle te onderwerpen.

(34)

In zijn arrest van 16 april 2015 in de gevoegde zaken C-317/13 en C-679/13 (3) heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie geoordeeld dat de Raad het Europees Parlement dient te raadplegen voordat hij uitvoeringshandelingen op grond van artikel 8, lid 3, van Besluit 2005/387/JBZ vaststelt. Uitvoeringsbesluit 2014/688/EU van de Raad (4) werd zonder die voorafgaande raadpleging vastgesteld, en is derhalve aangetast door een vormverzuim. Uitvoeringsbesluit 2014/688/EU dient derhalve te worden vervangen door onderhavig besluit.

(35)

Ter wille van de continuïteit van de controlemaatregelen in de hele Unie, en van de naleving door de lidstaten van hun verplichtingen uit hoofde van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971 en het Enkelvoudig Verdrag van de Verenigde Naties inzake verdovende middelen van 1961 met betrekking tot 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine), dient onderhavig besluit de termijnverplichtingen van de lidstaten voor het onderwerpen van die nieuwe psychoactieve stoffen aan controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door hun nationale wetgeving, als neergelegd in artikel 2 van Besluit 2014/688/EU, onverlet te laten.

(36)

Besluit 2005/387/JBZ is bindend voor Denemarken, dat derhalve deelneemt aan de vaststelling en toepassing van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ.

(37)

Besluit 2005/387/JBZ is bindend voor Ierland, dat derhalve deelneemt aan de vaststelling en toepassing van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ.

(38)

Besluit 2005/387/JBZ is niet bindend voor het Verenigd Koninkrijk; het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ, dat niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De volgende nieuwe psychoactieve stoffen worden in de hele Unie aan controlemaatregelen onderworpen:

a)

4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe);

b)

3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921);

c)

3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV);

d)

2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine).

Artikel 2

Uitvoeringsbesluit 2014/688/EU wordt vervangen, onverminderd de termijnverplichtingen van de lidstaten voor het onderwerpen van 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine) aan de controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door hun nationale wetgeving, als neergelegd in artikel 2 van Uitvoeringsbesluit 2014/688/EU.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Dit besluit is van toepassing overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Luxemburg, 8 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)   PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.

(2)  Besluit 2003/847/JBZ van de Raad van 27 november 2003 houdende controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties betreffende de nieuwe synthetische drugs 2C-I, 2C-T-2, 2C-T-7 en TMA-2 (PB L 321 van 6.12.2003, blz. 64).

(3)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 april 2015, Parlement tegen Raad, gevoegde zaken C-317/13 en C-679/13, ECLI:EU:C:2015:223.

(4)  Uitvoeringsbesluit 2014/688/EU van de Raad van 25 september 2014 betreffende het onderwerpen van 4-jood-2,5-dimethoxy-N-(2-methoxybenzyl)fenethylamine (25I-NBOMe), 3,4-dichloor-N-[[1-(dimethylamino)cyclohexyl]methyl]benzamide (AH-7921), 3,4-methyleendioxypyrovaleron (MDPV) en 2-(3-methoxyfenyl)-2-(ethylamino)cyclohexanon (methoxetamine) aan controlemaatregelen (PB L 287 van 1.10.2014, blz. 22).


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/43


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/1876 VAN DE RAAD

van 8 oktober 2015

betreffende het onderwerpen van 5-(2-aminopropyl)indool aan controlemaatregelen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit 2005/387/JBZ van de Raad van 10 mei 2005 inzake de uitwisseling van informatie, de risicobeoordeling en de controle ten aanzien van nieuwe psychoactieve stoffen (1), en met name artikel 8, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6 van Besluit 2005/387/JBZ is tijdens een bijzondere vergadering van het uitgebreide Wetenschappelijk Comité van het Europees Waarnemingscentrum voor drugs en drugsverslaving (EWDD) een risicobeoordelingsverslag over de nieuwe psychoactieve stof 5-(2-aminopropyl)indool opgesteld; dat verslag is vervolgens op 16 april 2013 bij de Commissie en de Raad ingediend.

(2)

De stof 5-(2-aminopropyl)indool is een synthetisch derivaat van indool, dat aan de fenylzijde van de indoolring gesubstitueerd is. Het blijkt een stimulerende stof te zijn die ook hallucinogene effecten kan hebben. De stof 5-(2-aminopropyl)indool wordt meestal in poedervorm aangeboden, maar ook in de vorm van tabletten en capsules. Ze wordt te koop aangeboden op het internet en door headshops als „onderzoeksstof”. De stof is ook aangetroffen in monsters van een product dat onder de naam „Benzo Fury” als legale drug („legal high”) wordt verkocht, en in tabletten die op xtc lijken.

(3)

De bestaande informatie en gegevens wijzen erop dat de acute toxiciteit van 5-(2-aminopropyl)indool bij de mens nadelige effecten kan veroorzaken zoals tachycardie en hyperthermie, alsook pupilverwijding, agitatie en bevingen. 5-(2-aminopropyl)indool kan een wisselwerking hebben met andere stoffen, waaronder medische producten en stimulantia die op het monoaminergische systeem werken. De specifieke fysieke effecten van 5-(2-aminopropyl)indool bij de mens zijn moeilijk te bepalen, omdat er geen gepubliceerde studies bestaan waarin zijn acute en chronische toxiciteit, psychologische en gedragseffecten, of de mogelijkheid van verslaving worden beoordeeld, en omdat de beschikbare informatie en gegevens beperkt zijn.

(4)

Van april tot augustus 2012 zijn in totaal 24 sterfgevallen gemeld in vier lidstaten, waarbij 5-(2-aminopropyl)indool alleen of in combinatie met andere stoffen in post-mortem genomen monsters werd aangetroffen. Hoewel niet met zekerheid kan worden bepaald welke rol 5-(2-aminopropyl)indool in al die sterfgevallen gespeeld heeft, is de stof in sommige gevallen specifiek vermeld bij de doodsoorzaak. Als deze nieuwe psychoactieve stof ruimer verspreid raakt en meer wordt gebruikt, zouden de gevolgen voor de individuele en de volksgezondheid beduidend kunnen zijn. Er is geen informatie voorhanden over de sociale risico's die 5-(2-aminopropyl)indool met zich meebrengt.

(5)

Negen Europese landen hebben het EWDD en de Europese Politiedienst (Europol) gemeld dat zij gemeld hebben dat zij 5-(2-aminopropyl)indool hebben aangetroffen. Er zijn geen prevalentiegegevens beschikbaar over het gebruik van 5-(2-aminopropyl)indool, maar de beperkte bestaande informatie wijst erop dat de stof in soortgelijke omgevingen als andere stimulerende stoffen kan worden gebruikt, zoals thuis, in bars en in nachtclubs of op muziekfestivals.

(6)

Er is geen informatie voorhanden die erop wijst dat 5-(2-aminopropyl)indool in de Unie wordt vervaardigd en er is geen bewijs dat de georganiseerde misdaad bij de vervaardiging, distributie of levering van deze nieuwe psychoactieve stof betrokken is.

(7)

De stof 5-(2-aminopropyl)indool heeft geen bekende, vastgestelde of erkende medische waarde en wordt niet voor medische doeleinden gebruikt; er is in de Unie geen vergunning verleend om deze nieuwe psychoactieve stof in de handel te brengen. Hoewel deze stof als analytische referentiestandaard en in wetenschappelijk onderzoek wordt gebruikt, zijn er geen aanwijzingen dat de stof voor andere doeleinden wordt gebruikt.

(8)

De stof 5-(2-aminopropyl)indool is nog niet beoordeeld in het kader van het in Besluit 2005/387/JBZ omschreven systeem van de Verenigde Naties, en wordt momenteel ook niet aan een dergelijke beoordeling onderworpen. Twee lidstaten controleren deze nieuwe psychoactieve stof op grond van hun nationale wetgeving uit hoofde van hun verplichtingen op grond van het Verdrag van de Verenigde Naties inzake psychotrope stoffen van 1971. Vijf Europese landen passen nationale wetgeving toe op nieuwe psychoactieve stoffen, gevaarlijke goederen of geneesmiddelen om 5-(2-aminopropyl)indool te controleren.

(9)

Uit het risicobeoordelingsverslag blijkt dat er over 5-(2-aminopropyl)indool maar weinig wetenschappelijk bewijs voorhanden is en dat verder onderzoek nodig is om de gezondheids- en sociale risico's ervan te bepalen. De beschikbare gegevens en informatie bieden echter voldoende redenen om 5-(2-aminopropyl)indool in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Als gevolg van de gezondheidsrisico's, die blijken uit de aanwezigheid van de stof bij verschillende gemelde sterfgevallen, en van het feit dat gebruikers deze stof kunnen gebruiken zonder dat zij zich daarvan bewust zijn, en van het ontbreken van medische waarde of medische toepassing, moet 5-(2-aminopropyl)indool in de hele Unie aan controlemaatregelen worden onderworpen.

(10)

Aangezien zes lidstaten 5-(2-aminopropyl)indool al op grond van uiteenlopende soorten wettelijke bepalingen controleren, zou de onderwerping van deze stof aan controlemaatregelen in de hele Unie helpen te voorkomen dat er zich bij de grensoverschrijdende wetshandhaving en justitiële samenwerking obstakels voordoen, en de gebruikers beschermen tegen de risico's die het gebruik met zich meebrengt.

(11)

In Besluit 2005/387/JBZ worden aan de Raad uitvoeringsbevoegdheden toegekend om op het niveau van de Unie snel en op basis van deskundigheid te kunnen reageren wanneer nieuwe psychoactieve stoffen door de lidstaten worden aangetroffen en gemeld, door deze stoffen in de hele Unie aan controlemaatregelen te onderwerpen. Aangezien voldaan is aan de voorwaarden om een aanvang te maken met de uitoefening van deze uitvoeringsbevoegdheden en de procedure daartoe is gevolgd, dient een uitvoeringsbesluit te worden vastgesteld om 5-(2-aminopropyl)indool in de hele Unie aan controle te onderwerpen,

(12)

Dit besluit vervangt Uitvoeringsbesluit 2013/496/EU van de Raad (2), dat door het Hof van Justitie van de Europese Unie („het Hof”) nietig is verklaard bij arrest van 16 april 2015 in zaak C-679/13 (3). Bij dat arrest handhaaft het Hof de gevolgen van Besluit 2013/496/EU totdat nieuwe handelingen ter vervanging van het besluit in werking zijn getreden. Vanaf de dag van inwerkingtreding van onderhavig besluit houdt Besluit 2013/496/EU derhalve op gevolgen te hebben.

(13)

Ter wille van de continuïteit van de controlemaatregelen met betrekking tot 5-(2-aminopropyl)indool in de hele Unie, dient onderhavig besluit de termijnverplichtingen van de lidstaten voor het onderwerpen van die nieuwe psychoactieve stof aan de controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door hun nationale wetgeving, als bepaald in artikel 2 van Besluit 2013/496/EU, onverlet te laten.

(14)

Besluit 2005/387/JBZ is bindend voor Denemarken, dat derhalve deelneemt aan de vaststelling en toepassing van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ.

(15)

Besluit 2005/387/JBZ is bindend voor Ierland, dat derhalve deelneemt aan de vaststelling en toepassing van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ.

(16)

Besluit 2005/387/JBZ is niet bindend voor het Verenigd Koninkrijk; het Verenigd Koninkrijk neemt derhalve niet deel aan de vaststelling van het onderhavige besluit ter uitvoering van Besluit 2005/387/JBZ, dat niet bindend is voor, noch van toepassing is in deze lidstaat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De nieuwe psychoactieve stof 5-(2-aminopropyl)indool wordt in de hele Unie aan controlemaatregelen onderworpen.

Artikel 2

Besluit 2013/496/EU houdt op gevolgen te hebben vanaf de datum waarop dit besluit in werking treedt, onverminderd de termijnverplichtingen van de lidstaten voor het onderwerpen van 5-(2-aminopropyl)indool aan controlemaatregelen en strafrechtelijke sancties waarin is voorzien door hun nationale wetgeving, als bepaald in artikel 2 van Besluit 2013/496/EU.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Dit besluit is van toepassing overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Luxemburg, 8 oktober 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

J. ASSELBORN


(1)   PB L 127 van 20.5.2005, blz. 32.

(2)  Uitvoeringsbesluit 2013/496/EU van de Raad van 7 oktober 2013 betreffende het onderwerpen van 5-(2-aminopropyl)indool aan controlemaatregelen (PB L 272 van 12.10.2013, blz. 44).

(3)  Arrest van het Hof van Justitie van 16 april 2015, Parlement tegen Raad, C-679/13, ECLI:EU:C:2015:223.


20.10.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 275/46


BESLUIT (EU) 2015/1877 VAN DE COMMISSIE

van 20 april 2015

betreffende de tarieven die de Roemeense onderneming S.C. Hidroelectrica S.A. heeft aangerekend aan S.C. Termoelectrica S.A. en S.C. Electrocentrale Deva S.A. — SA.33475 (12/C)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 2648)

(Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Gezien het besluit waarbij de Commissie de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag heeft ingeleid ten aanzien van steunmaatregel SA.33475 (12/C, ex 12/NN) (1),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Op 2 augustus 2011 ontving de Commissie een klacht van het investeringsfonds S.C. Fondul Proprietatea S.A. (hierna „de klager” genoemd), waarin werd betoogd dat de prijzen waarvoor de onderneming S.C. Hidroelectrica S.A. (hierna „Hidroelectrica” genoemd) elektriciteit aankocht van elektriciteitsleveranciers, hoger waren dan de marktprijzen.

(2)

Op 25 april 2012 deelde de Commissie Roemenië mee dat zij had besloten de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag in te leiden ten aanzien van de overeenkomsten op grond waarvan de ondernemingen Termoelectrica SA (hierna „Termoelectrica” genoemd) en S.C. Electrocentrale Deva S.A. (hierna „Electrocentrale Deva” genoemd) wholesale elektriciteit leverden aan Hidroelectrica.

(3)

Dit besluit tot inleiding van de procedure (hierna „het inleidingsbesluit” genoemd) werd in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt (2). De Commissie verzocht de Roemeense autoriteiten en belanghebbenden hun opmerkingen kenbaar te maken.

(4)

Op 23 juli 2012 dienden de Roemeense autoriteiten hun voorlopige opmerkingen over het inleidingsbesluit bij de Commissie in.

(5)

De Commissie ontving slechts voorlopige opmerkingen van Termoelectrica, gedateerd 11 juni 2012, en van Electrocentrale Deva, gedateerd 12 juni 2012, die op 26 juli 2012 door de Roemeense autoriteiten aan de Commissie werden doorgezonden. Op 2 augustus 2012 dienden de Roemeense autoriteiten dezelfde voorlopige opmerkingen nogmaals bij de Commissie in.

(6)

Op 12 februari 2013 deelde de Commissie de Roemeense autoriteiten mee dat zij geen opmerkingen van belanghebbenden had ontvangen.

(7)

Op 24 maart 2013 herhaalden de Roemeense autoriteiten hun voorlopige standpunt in deze zaak.

(8)

De Commissie verzocht de Roemeense autoriteiten om aanvullende inlichtingen bij brieven van 29 juli en 11 september 2013, 3 maart, 6 augustus en 25 september 2014 en 19 januari 2015. De Roemeense autoriteiten verstrekten aanvullende inlichtingen op 11 september 2013, 24 maart, 14 mei, 3 september, 22 september, 10 oktober en 21 oktober 2014 en op 20 februari 2015.

(9)

Op 16 april 2015 deed Roemenië afstand van zijn recht ingevolge artikel 342 van het Verdrag, in samenhang met artikel 3 van Verordening nr. 1 (3), om het besluit in het Roemeens te laten vaststellen, en stemde ermee in dat het besluit in het Engels werd vastgesteld.

2.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGEL

(10)

Dit deel bevat een beschrijving van de partijen bij de overeenkomst (namelijk Hidroelectrica, Termoelectrica, en Electrocentrale Deva), andere elektriciteitsproducenten, de overeenkomsten voor de aankoop van elektriciteit in de context van de Roemeense elektriciteitsmarkt en diverse ontwikkelingen en betrekkingen tussen de vermeende begunstigden.

2.1.   De partijen bij de overeenkomst

2.1.1.   Hidroelectrica

(11)

Hidroelectrica werd in 2000 opgericht. De onderneming valt onder het gewone vennootschapsrecht. Haar aandelenkapitaal is in handen van de Roemeense overheid, via het ministerie van Economie en Handel (80,06 %), en de klager (19,94 %). De Roemeense overheid is vertegenwoordigd in de aandeelhoudersvergadering van Hidroelectrica. Volgens de statuten van Hidroelectrica is de algemeen directeur belast met de bedrijfsvoering en de dagelijkse activiteiten van de onderneming en neemt hij zelfstandig besluiten met betrekking tot aangelegenheden die niet onder de uitsluitende bevoegdheid van de aandeelhoudersvergadering en de raad van bestuur vallen. In de praktijk cumuleerden de bestuursleden hun functie binnen de onderneming met overheidsposten (4).

(12)

Hidroelectrica is de grootste elektriciteitsproducent van Roemenië met een jaarlijkse productiecapaciteit van circa 17,5 TWh in een normaal hydrologisch jaar. Het bedrijf produceert elektriciteit middels stuwdammen en riviercentrales. Deze productie loopt echter sterk uiteen naar gelang van de hydrologische omstandigheden: in 2009 bedroeg zij 16,4 TWh, in 2010 21,3 TWh en in 2011 14,7 TWh. In 2013 bedroeg het marktaandeel van Hidroelectrica's 28,24 %, en was daarmee groter dan dat van Complexul Energetic Oltenia met 20,83 % en Nuclearelectrica met 20,65 %, ondernemingen die beide in staatseigendom zijn.

(13)

Op 26 juni 2012 werd een insolventieprocedure gestart met betrekking tot Hidroelectrica (5), welke op 26 juni 2013 werd beëindigd (6). Op 25 februari 2014 werd opnieuw een insolventieprocedure ingeleid.

2.1.2.   De begunstigde ondernemingen

(14)

De leveranciers waarmee Hidroelectrica de overeenkomsten heeft afgesloten waarop het onderhavige besluit betrekking heeft, zijn Termoelectrica en Electrocentrale Deva, twee producenten van elektriciteit op basis van steenkool, direct of indirect volledig in staatseigendom, met een jaarlijkse productie ten tijde van de ondertekening van de overeenkomsten van respectievelijk 1,7 TW en 1,3 TW en marktaandelen van 3 % en 5 % in 2009 (7) en van 1,9 % en 4,1 % in 2011 (8). Termoelectrica en Electrocentrale Deva verkochten elektriciteit die met dure, niet-concurrerende inheemse steenkool werd opgewekt (9).

(15)

Electrocentrale Deva was een onderdeel van Termoelectrica tot eind december 2001, toen het samen met andere bedrijfsonderdelen in staatseigendom (CE Craiova, Electrocentrale Bucuresti, CE Rovinari etc), een afzonderlijke onderneming werd. Tot 27 maart 2012 was Termoelectrica de enige aandeelhouder van Electrocentrale Deva.

2.2.   Overige marktinformatie

(16)

De elektriciteitsproductie in Roemenië wordt gedomineerd door ondernemingen die onder zeggenschap van de staat staan; hun gezamenlijke marktaandeel bedraagt 90 % (10). De totale netto elektriciteitsproductie in Roemenië bedroeg in 2011 60,38 TWh. De productiemix bestaat vooral uit waterkracht (circa 28 % van de totale productie), kernenergie (circa 18 %) en fossiele brandstoffen (circa 51 %) (11).

(17)

De Roemeense markt staat vooral in verbinding met de markt van Bulgarije, met een netto-overdrachtscapaciteit van 400 MW in 2009-2010, en met die van Hongarije met een netto-overdrachtscapaciteit van 500-800 MW in 2009-2010. De netto koppelcapaciteit met deze lidstaten werd in die periode niet ten volle benut als gevolg van congestie. In de periode 2009-2011 was de stroom van in- en uitvoer van elektriciteit van en naar Roemenië als volgt: i) in 2009 bedroeg de invoer 676 GWh en de uitvoer 3 154 GWh (ongeveer 4,8 % van alle in Roemenië opgewekte elektriciteit); ii) in 2010 bedroeg de invoer 943 GWh en de uitvoer 3 854 GWh (ongeveer 3,4 % van alle in Roemenië opgewekte elektriciteit); iii) in 2011 bedroeg de invoer 1 036 GWh en de uitvoer 2 942 GWh (ongeveer 2,8 % van alle in Roemenië opgewekte elektriciteit).

2.3.   De overeenkomsten

(18)

De overeenkomst met Termoelectrica werd op 30 juli 2008 gesloten (12), en de overeenkomst met Electrocentrale Deva op 9 juni 2009 (hierna tezamen „de overeenkomsten” of „de onderzochte overeenkomsten” genoemd), beide met een looptijd van tien jaar. De overeenkomsten werden eind augustus 2012 beëindigd door de curator van Hidroelectrica, Euro-Insol, tijdens de insolventieprocedure van het bedrijf (13).

(19)

Termoelectrica en Electrocentrale Deva hadden het Roemeense ministerie van Economie en Handel nota's gezonden waarin zij om toestemming voor de ondertekening van de overeenkomsten verzochten, zoals in de overwegingen 20 tot en met 22 wordt toegelicht.

(20)

Op 15 juli 2008, bij nota nr. 7323, verklaarde Termoelectrica: „[…] Termoelectrica S.A. heeft verscheidene methoden onderzocht om dit dringende probleem op te lossen, en de enige methode die snel kans van slagen heeft en waarvoor geen goedkeuring van de EU vereist is, is als volgt: sluiting van een langetermijnovereenkomst (10 jaar) tussen Termoelectrica S.A. en Hidroelectrica S.A. voor de aankoop van de elektriciteit die geproduceerd wordt door productie-eenheid nr. 4 van CET Paroșeni. De prijs van de overeenkomst is de prijs voor CET Paroșeni die door ANRE op de gereguleerde markt wordt vastgesteld, en die gebaseerd is op de gerechtvaardigde kosten van Termoelectrica S.A.; en sluiting van een langetermijnovereenkomst (ongeveer 10 jaar) met Compania Națională a Huilei Petroșani (het nationale steenkoolbedrijf) voor de aanschaf van kolen. Dit […] zou voor Termoelectrica S.A. (SE Paroșeni) en zelfs voor Compania Națională a Huilei (14) de toekomst van beide in de Jiu-vallei gevestigde ondernemingen op lange termijn veilig stellen”.

(21)

Op 27 mei 2009, bij nota nr. 10855, deed Electrocentrale Deva het volgende verzoek: „[…] Om te voorkomen dat de onderneming failliet gaat en om de noodzakelijke voorwaarden te scheppen voor de financiering en uitvoering van de investeringen die nodig zijn om de bedrijfsactiviteiten voort te zetten, vragen wij u om toestemming voor het onderhandelen over en sluiten van een tienjarige overeenkomst tussen Electrocentrale Deva en Hidroelectrica București inzake de verkoop aan Hidroelectrica van een hoeveelheid elektriciteit die overeenkomt met een gemiddeld vermogen van 150 MW, bovenop de hoeveelheid die op de gereguleerde markt wordt verkocht, en voor een door ANRE goedgekeurde prijs die de gerechtvaardigde productiekosten dekt”.

(22)

Beide nota's werden door vertegenwoordigers van het Roemeense ministerie van Economie en Handel, op het niveau van de minister en/of de staatssecretaris, goedgekeurd. In de overeenkomsten wordt vermeld dat zij op basis van deze nota's zijn gesloten.

(23)

Volgens de overeenkomst met Termoelectrica had noch Hidroelectrica, noch Termoelectrica het recht de overeenkomst op te zeggen. Volgens de overeenkomst met Electrocentrale hadden zowel Hidroelectrica als Electrocentrale Deva de mogelijkheid de overeenkomst op te zeggen in de volgende situatie: i) verlies door de andere partij van haar hoedanigheid van producent, binnen vijf dagen vanaf de datum waarop deze hoedanigheid verloren is gegaan; ii) weigering door een van de partijen om een nieuwe overeenkomst te sluiten of de bestaande overeenkomst te wijzigen in geval van een verandering van de economische en technische omstandigheden ten opzichte van de situatie op de datum van sluiting van de overeenkomst; iii) in andere gevallen zoals bepaald in de toepasselijke wet- en regelgeving (15).

(24)

De overeenkomst met Termoelectrica bevatte de volgende bijzonderheden: i) het contractuele tarief wordt jaarlijks vastgesteld door de Roemeense energietoezichthouder („ANRE”) op basis van de door Termoelectrica gerechtvaardigde productiekosten; ii) Hidroelectrica koopt elke maand alle door de Parseni-centrale geproduceerde elektriciteit (16). Vanaf de datum van ondertekening tot de beëindiging ervan door de curator werd de overeenkomst acht maal gewijzigd (waarvan zeven maal door middel van addenda met tariefaanpassingen) (17).

(25)

De overeenkomst met Electrocentrale Deva bevatte de volgende bijzonderheden: i) het contractuele tarief wordt jaarlijks vastgesteld door ANRE op basis van de door Electrocentrale Deva gerechtvaardigde productiekosten; ii) indien ANRE de elektriciteitstarieven niet langer vaststelt, moet het tarief via onderhandelingen door de partijen worden vastgesteld; het mag evenwel niet lager zijn dan het contractuele tarief van het voorgaande jaar; iii) de overeenkomstsluitende partijen leggen geen boeten of andere sancties op wanneer de verkoper verzuimt de overeengekomen hoeveelheid elektriciteit te leveren of indien de koper niet het overeengekomen tarief betaalt (18). Vanaf de datum van ondertekening tot de beëindiging ervan door de curator werd de overeenkomst vijf maal gewijzigd (waarvan zeven maal door middel van addenda met tariefaanpassingen) (19).

(26)

Ondanks duidelijke bepalingen in beide overeenkomsten volgens welke het tarief doorgaans door ANRE moest worden vastgesteld, werden de tariefaanpassingen in de praktijk toegepast na goedkeuring van het ministerie van Economie en Handel, met drie uitzonderingen (20):

(27)

Hidroelectrica verzocht bijvoorbeeld met een nota (datum onleesbaar) om toestemming van het ministerie van Economie en Handel voor een aanpassing van de tarieven voor de periode 1 augustus 2009-31 december 2009 wegens „stijging van de productiekosten”. In dezelfde nota werd duidelijk gesteld dat het „doel van de sluiting van beide overeenkomsten, en het resultaat ervan, is om op de concurrerende markt een hoeveelheid op basis van steenkool en waterkracht geproduceerde elektriciteit te verkopen, en tevens om de twee producenten van thermische energie van een overeenkomst te voorzien die door de financiële instellingen als hypotheek wordt aanvaard, ten einde langetermijnleningen te verkrijgen die nodig zijn om de vereiste investeringen te verrichten ten einde de licenties op het gebied van elektriciteitsproductie te behouden”.

(28)

Ook verzocht Hidroelectrica, met een andere nota, om toestemming van het ministerie van Economie en Handel om het tarief van 2009 van 230 RON/MWh voor de periode van 1 januari 2010 tot 31 maart 2010 te handhaven om „de inkomsten te verkrijgen die nodig zijn om de lopende herstructurering van de producent van steenkool voor de productie van elektriciteit en van de producent van thermische energie voort te zetten […]”.

(29)

Bovendien verzocht Hidroelectrica, bij nota 6547 van 2011, om toestemming van de minister van Economie en Handel om de tarieven voor het jaar 2011 aan te passen ten einde Termoelectrica en Electrocentrale Deva in staat te stellen om: „langetermijnleningen te verkrijgen die nodig zijn om de vereiste investeringen te verrichten ten einde de licenties op het gebied van elektriciteitsproductie te behouden en tevens om de inkomsten te verkrijgen die nodig zijn voor de herstructurering van de producent Compania Nationala a Huilei”.

(30)

In al deze nota's wordt ook duidelijk gesteld dat Hidroelectrica het ministerie van Economie en Handel om toestemming verzocht „het dagelijks bestuur van de drie elektriciteitsproducenten te machtigen de addenda met betrekking tot de nieuwe tarieven te ondertekenen”.

(31)

Bovendien verwijzen alle addenda bij de overeenkomsten met betrekking tot de tariefaanpassingen naar interne nota's van Hidroelectrica die ofwel door de minister van Economie en Handel ofwel door de staatssecretaris van dat ministerie zijn goedgekeurd, met de drie in overweging 26 genoemde uitzonderingen, op basis waarvan deze aanpassingen werden goedgekeurd (21).

(32)

De tussen 2009 en 2011 aangekochte hoeveelheden elektriciteit en betaalde tarieven in het kader van de overeenkomsten zijn als volgt (22):

 

2009

2010

2011

Electrocentrale DEVA

Hoeveelheid (GWH)

499,8

308,6

146,4

Aankoopprijs (RON/MWh)

230,2

234,0

234,0


 

2009

2010

2011

Termoelectrica

Hoeveelheid (GWH)

900,7

804,6

648,9

Aankoopprijs (RON/MWh)

227,4

230,0

234,4

2.4.   De Roemeense elektriciteitsmarkt

(33)

De handel in elektriciteit in Roemenië vindt voornamelijk plaats op twee markten: i) de gereguleerde elektriciteitsmarkt waar elektriciteit wordt verhandeld op basis van gereguleerde tarieven en voorwaarden en ii) de concurrerende elektriciteitsmarkt waar vrij in elektriciteit wordt gehandeld en waar doorgaans gebruik wordt gemaakt van twee soorten overeenkomsten: min of meer gestandaardiseerde bilaterale overeenkomsten die in het kader van onderhandelingen op de gecentraliseerde markt worden gesloten, en vrij uitonderhandelde bilaterale overeenkomsten, de zogenaamde markt voor rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten.

2.4.1.   De gereguleerde elektriciteitsmarkt

(34)

De transacties op de gereguleerde elektriciteitsmarkt vinden plaats door middel van aankoop-/verkoop-kaderovereenkomsten tussen de elektriciteitsproducenten die op de gereguleerde markt actief zijn, zoals Hidroelectrica, en de „uiteindelijke distributeurs” die zorgen voor de levering van elektriciteit aan de eindgebruikers. De in aanmerking komende klanten kopen elektriciteit tegen gereguleerde tarieven. Op de gereguleerde markt bepaalt ANRE elk jaar vooraf de tarieven en de door de elektriciteitsproducenten te leveren hoeveelheden. In 2009-2010, toen de uitvoering van de onderzochte overeenkomsten begon, werd 56 %-61 % van de in Roemenië gebruikte elektriciteit op de gereguleerde markt verhandeld.

2.4.2.   De concurrerende elektriciteitsmarkt

(35)

Sinds 2005 is de concurrerende elektriciteitsmarkt in Roemenië in vijf specifieke markten verdeeld: i) de gecentraliseerde markten, beheerd door OPCOM; ii) de markt voor rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten; iii) de markt voor systeemdiensten; iv) de balanceringsmarkt, en v) de exportmarkt.

(36)

De gecentraliseerde markten worden beheerd door OPCOM. OPCOM werd in 2001 bij regeringsbesluit nr. 627/2000 opgericht als vennootschap op aandelen en volledige dochter van Transelectrica, de transmissiesysteembeheerder. Middels een door ANRE verleende licentie werd OPCOM aangewezen als platform voor de handel in elektriciteit in Roemenië op wholesaleniveau. OPCOM is de enige elektriciteitsbeurs in Roemenië; het vormt een platform voor de handel in elektriciteit en speelt een faciliterende rol.

(37)

Er zijn vijf soorten marktsegmenten bij OPCOM ondergebracht: i) de day-aheadmarkt; ii) de intradaymarkt (23), iii) gecentraliseerde bilaterale markten, dat wil zeggen een gecentraliseerde markt voor bilaterale overeenkomsten per openbare veiling („OPCOM-PCCB”) en een gecentraliseerde markt voor bilaterale overeenkomsten via voortdurende onderhandeling („CMBC-CN”); iv) de gecentraliseerde markt voor groencertificaten, en v) het handelsplatform voor broeikasgasemissiecertificaten. De transacties op het OPCOM-platform zijn pas in 2005 van start gegaan, en alleen in de marktsegmenten day-ahead en OPCOM-PCCB.

(38)

De overeenkomsten werden gesloten op de Roemeense markt voor rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten, het marktsegment dat voor de beoordeling in deze zaak van belang is.

2.4.3.   OPCOM-PCCB

(39)

In het marktsegment OPCOM-PCCB organiseert OPCOM openbare veilingen voor de aan- en verkoop van elektriciteit. De aan-en verkoopbiedingen van elke producent/leverancier/consument worden bij de marktbeheerder ingediend. In elk bod moet duidelijk worden vermeld: i) hetzij de minimumprijs waarvoor de partij de elektriciteit verkoopt hetzij de maximumprijs waarvoor hij deze koopt, en ii) de kaderovereenkomst op grond waarvan de biedende partij voornemens is elektriciteit te leveren/kopen. De aan- en verkoopbiedingen bevatten verder leveringsvoorwaarden zoals de hoeveelheid elektriciteit, de duur (minimaal een maand en maximaal een jaar), evenals de geplande kaderovereenkomst. De prijs wordt vastgelegd op basis van het beginsel van de prijs van het beste bod. In 2009 en 2010, toen de uitvoering van de overeenkomsten begon, vertegenwoordigden de verkopen op de OPCOM-PCCB-markt nog geen 7 % van de in Roemenië geproduceerde elektriciteit.

(40)

Na de bekendmaking van het inleidingsbesluit heeft de Commissie een besluit vastgesteld overeenkomstig artikel 102 van het Verdrag, waarin zij stelde dat de door OPCOM beheerde elektriciteitsbeurs een relevante dienstenmarkt vormt waarop OPCOM een dominante speler is, en die losstaat van de markt voor rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten (24).

2.4.4.   De markt voor rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten

(41)

De markt voor rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten is een vrije markt die niet door ANRE wordt gereguleerd. De overeenkomstsluitende partijen onderhandelen bilateraal over hoeveelheden, prijzen en andere voorwaarden. Dit geeft de partijen een grote mate van flexibiliteit bij het onderhandelen over de voorwaarden van de overeenkomsten. De voorwaarden van de overeenkomsten zijn geheim.

2.4.5.   Korte beschrijving van de rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten die in dezelfde periode zijn gesloten als de onderzochte overeenkomsten

(42)

Bij brief van 21 februari 2014 verzocht de Commissie de Roemeense autoriteiten haar informatie te verschaffen over andere bilateraal uitonderhandelde overeenkomsten die op de Roemeense markt zijn gesloten, met dezelfde looptijd en leveringshoeveelheden als de hier onderzochte overeenkomsten. Het verzoek van de Commissie betrof alle Roemeense elektriciteitsleveranciers, zowel staatsbedrijven als particuliere ondernemingen. Op 14 mei 2014 verstrekten de Roemeense autoriteiten de belangrijkste elementen van alle door kopers ondertekende overeenkomsten met een jaarlijks elektriciteitsverbruik van meer dan 150 GWh voor elk jaar vanaf 2009 tot en met 2011 (25).

(43)

De Roemeense autoriteiten benadrukten dat alle overeenkomsten die in de betrokken periode door niet-huishoudelijke verbruikers onder concurrerende voorwaarden op de retailmarkt zijn gesloten, in het kader van de ad-hoc gegevensverzameling door de Commissie zijn overgelegd. Zij dienden met name 75 reeksen jaarlijkse gegevens in betreffende overeenkomsten in die in de periode 2009-2011 gedurende een of meer jaren van kracht waren, en die voor deze zaak relevant zijn. De Commissie gaat er dus van uit dat de Roemeense autoriteiten de relevante gegevens van alle overeenkomsten van de betrokken periode 2009-2011 die aan de door de Commissie vastgestelde voorwaarden voldoen (vergelijkbare looptijden en hoeveelheden), hebben overgelegd. De hier onderzochte overeenkomsten vertegenwoordigden circa 17 % van de totale hoeveelheid elektriciteit die in de betrokken periode via deze rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten werd verhandeld.

(44)

Uit de door de Roemeense autoriteiten voorgelegde gegevens blijkt het niveau van de hoogste prijzen die in de betrokken periode op de vrije markt voor de retailverkoop van elektriciteit werden betaald, en wel als volgt: voor 2009: 266,5 RON/MWh; voor 2010: 229,96 RON/MWH en voor 2011: 232,33 RON/MWh. Het ging echter bij elk van deze overeenkomsten afzonderlijk om kleinere hoeveelheden elektriciteit dan bij de onderzochte overeenkomsten.

(45)

Uit de informatie over overeenkomsten die door andere leveranciers dan Termoelectrica en Electrocentrale Deva waren gesloten, blijkt dat in 2009, toen de uitvoering van de overeenkomsten van start ging, door geen enkele andere leverancier een leveringsovereenkomst was gesloten die qua volume (circa 900 GWh en 500 GWh elk) en looptijd (tien jaar), voldoende gelijkenis met deze twee overeenkomsten vertoonde. Een vergelijking van andere overeenkomsten met de hier onderzochte heeft alleen zin indien zij dezelfde hoeveelheden betreffen en dezelfde looptijd en/of datum van inwerkingtreding hebben. Aangezien er geen volledig vergelijkbare overeenkomsten waren, dient een econometrische analyse te worden verricht die de verschillen tussen de overeenkomsten in aanmerking neemt. De grondbeginselen en resultaten van deze analyse worden in de overwegingen 77-80 en in de bijlage uiteengezet.

2.4.6.   Door Hidroelectrica gesloten overeenkomsten voor de verkoop van elektriciteit

(46)

In de periode 2009-2011 verkocht Hidroelectrica tevens circa 60 % van zijn elektriciteit aan andere particuliere kopers op grond van wholesale- en retailovereenkomsten op lange termijn, die momenteel door de Commissie worden onderzocht (26). De in deze overeenkomsten vervatte verkoopprijzen van Hidroelectrica waren meer dan 40 % lager dan de gemiddelde wholesaleprijzen die Hidroelectrica aan Termoelectrica en Electrocentrale Deva betaalde. De hoogste verkoopprijs voor elektriciteit in het kader van deze overeenkomsten was 159,8 RON/MWh in 2009 en 168 RON/MWh in 2010.

(47)

Hidroelectrica sloot ook verkoopovereenkomsten met andere partijen (27), voor geringere hoeveelheden. De hoogste verkoopprijs voor elektriciteit in het kader van deze retailovereenkomsten in de betrokken periode bedroeg 85 RON/MWh in 2009, 190 RON/MWh in 2010 en 160 RON/MWh in 2011, dat wil zeggen gemiddeld 13 % lager dan de wholesaleaankoopprijzen die Hidroelectrica aan Termoelectrica en Electrocentrale Deva betaalde.

2.5.   Ontwikkelingen na 2011 en betrekkingen tussen Termoelectrica, Electrocentrale Deva, Electrocentrale Paroseni en CEH

(48)

De Paroseni-centrale van Termoelectrica, die de in het kader van de overeenkomst met Termoelectrica gekochte elektriciteit daadwerkelijk leverde, werd op 11 juli 2011 afgesplitst en als afzonderlijke entiteit in het Roemeense handelsregister opgenomen onder de naam Electrocentrale Paroseni (28). Op 22 september 2011 nam Electrocentrale Paroseni alle rechten en verplichtingen van Termoelectrica over in het kader van zijn overeenkomst met Hidroelectrica. Electrocentrale Paroseni leverde in september en oktober 2011 elektriciteit aan Hidroelectrica, hoewel de hoeveelheden verwaarloosbaar waren.

(49)

Op de datum waarop de levering uit hoofde van de onderzochte overeenkomsten werd gestaakt, was Termoelectrica nog steeds de enige aandeelhouder van zowel Electrocentrale Deva als Electrocentrale Paroseni.

(50)

Bij noodverordening nr. 84/2011 (29) vond een schuldconversie plaats tussen Termoelectrica en de staat. Daarbij droeg Termoelectrica zijn aandelen in verschillende ondernemingen (Electrocentrale Deva, Electrocentrale Paroseni en Electrocentrale Bucuresti) over aan de staat om zijn schulden aan de staat af te lossen. Deze overdracht van aandelen vond plaats op basis van taxatierapporten van een onafhankelijke taxateur.

(51)

Electrocentrale Paroșeni en Electrocentrale Deva fuseerden tot één enkele rechtspersoon met de naam Complexul Energetic Hunedoara („CEH”), een onderneming die volledig staatseigendom was en die op 1 november 2012 in het Roemeense handelsregister werd ingeschreven. CEH nam alle rechten van Electrocentrale Paroseni en Electrocentrale Deva over. Op 1 augustus 2013 nam CEH tevens Societatea Nationala a Huilei over, een spin-off van de mijnen van de staatsonderneming Compania Nationala a Huilei, die steenkool aan Termoelectrica en Electrocentrale Deva leverde. Momenteel zijn deze ondernemingen alle drie dochterondernemingen van CEH zonder rechtspersoonlijkheid.

(52)

Termoelectrica is in liquidatie (30); de activa van de onderneming hebben volgens een rapport van 1 oktober 2013 een marktwaarde van circa 80 miljoen EUR en een liquidatiewaarde van circa 60,5 miljoen EUR. De schulden van Electrocentrale Deva, Electrocentrale Paroseni en Electrocentrale Bucuresti zijn echter bij Termoelectrica gebleven.

(53)

De ontwikkelingen ten aanzien van Termoelectrica en Electrocentrale Deva na 2011, en de verschillende onderlinge betrekkingen die in de overwegingen 48-52 worden besproken, worden voor de overzichtelijkheid in de volgende grafiek weergegeven:

Image 1

Betrekkingen tussen Termoelectrica / Electrocentrale Deva / Electrocentrale Paroseni en CEH

(*) Electrocentrale Deva werd (net als andere elektriciteitscentrales) aan het eind van 2001 afgesplitst van Termoelectrica

(**) Termoelectrica was de enige aandeelhouder van Electrocentrale Deva en Electrocentrale Paroseni tot maart 2012

(***) Electrocentrale Paroseni pas in september-oktober 2011 aan Hidroelectrica verkocht

Compania Nationala a Huilei (CNH) — 4 nietconcurrerende mijnen

Termoelectrica Group (**)

Augustus 2012 gefuseerd en ondergebracht bij CEH

2012

Spin-off van CNH van 3 concurreren-de mijnen

Langetermijn-overeenkomsten voor de levering van steenkool

2009-2011

Verkoop dure elektriciteit

Hidroelectrica

Complexul Energetic Hunedoara (CEH)

Aug 2013

Overname

Electrocentrale Deva (*)

Electrocentrale Paroseni (***)

Societatea Nationala a Huilei (SNH)

Electrocentrale Paroseni

2011- Spin-off van Termoelectrica

3.   REDENEN OM DE FORMELE ONDERZOEKPROCEDURE IN TE LEIDEN

(54)

In het inleidingsbesluit verklaarde de Commissie te betwijfelen of de prijzen voor de aankoop van elektriciteit in het kader van de overeenkomsten marktconform waren en vroeg zij zich af of zij staatssteun inhielden. Indien er inderdaad sprake was van staatssteun, dan viel te betwijfelen of die steun verenigbaar was met het Verdrag.

(55)

De Commissie vergeleek de in de onderzochte overeenkomsten vastgelegde prijzen met de prijzen voor elektriciteit die via OPCOM-PCCB werd verhandeld, en stelde vast dat de prijzen waarvoor Hidroelectrica elektriciteit van de vermeende begunstigden aankocht, 40 à 55 % hoger waren dan de prijs van elektriciteit op het open elektriciteitsplatform OPCOM-PCCB. Hidroelectrica bleek daardoor hogere kosten te hebben dan nodig was, terwijl de vermeende begunstigden steun ontvingen die hun inkomsten verhoogde, zonder dat hiermee het bereiken van een bepaalde doelstelling van algemeen belang werd beoogd. De Commissie nam daarom het voorlopige standpunt in dat de vermeende begunstigden, dankzij de overeenkomsten en achtereenvolgende wijzigingen daarvan, een onrechtmatig voordeel hadden genoten in de vorm van kunstmatig opgedreven elektriciteitsprijzen.

(56)

De Commissie kwam tot de voorlopige conclusie dat de onderzochte elektriciteitsprijzen selectief waren, omdat zij uitsluitend voor bepaalde ondernemingen golden.

(57)

Bovendien kwam zij tot de voorlopige conclusie dat met de preferentiële elektriciteitsprijzen een overdracht van staatsmiddelen gemoeid kon zijn, een overdracht die aan de staat moest worden toegerekend omdat Hidroelectrica onder zeggenschap stond van de Roemeense overheid (80,06 % van het aandelenkapitaal was in handen van de staat). Voorts verwees de Commissie naar Ministerieel Besluit nr. 445/2009, op grond waarvan de vertegenwoordigers van het ministerie van Economie, Handel en Ondernemersklimaat die tevens lid waren van de raad van bestuur van de elektriciteitsmaatschappijen in staatseigendom, verplicht waren ervoor te zorgen dat elektriciteit bestemd voor de wholesalemarkt vanaf 31 maart 2010 uitsluitend via het OPCOM-platform zou worden verkocht.

(58)

De vertegenwoordigers van het ministerie van Economie en Handel hadden derhalve zeggenschap over, of ten minste invloed op, de overeenkomstenpraktijk van ondernemingen in staatseigendom, met inbegrip van de overeenkomstenpraktijk van Hidroelectrica. Dit zou het handelsverkeer binnen de Unie ongunstig kunnen beïnvloeden in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag.

(59)

De voorlopige conclusie van de Commissie was dat indien de overeenkomsten staatssteun inhielden, zij beschouwd zouden worden als steunmaatregelen die in strijd met de aanmeldings- en standstillverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag waren toegekend.

(60)

In het licht van het bovenstaande heeft de Commissie de voorlopige conclusie getrokken dat de preferentiële elektriciteitsprijzen staatssteun zouden kunnen inhouden, en heeft zij Roemenië verzocht voldoende inlichtingen te verstrekken om haar twijfels weg te nemen.

4.   OPMERKINGEN VAN ROEMENIË

(61)

De Roemeense autoriteiten hebben geen commentaar gegeven op de vraag of de onderzochte overeenkomsten al dan niet staatssteun inhielden. Op 24 maart 2013 reageerde Roemenië op opmerkingen van belanghebbenden over andere zaken waarbij Hidroelectrica betrokken was, en waarop het onderzoek van de Commissie eveneens betrekking had (31). De Roemeense autoriteiten onthielden zich opnieuw van commentaar.

(62)

In het kader van de formele onderzoekprocedure werden de Roemeense autoriteiten verzocht nader toe te lichten wat de economische beweegreden voor het sluiten van de onderzochte overeenkomsten was. Roemenië gaf geen enkele rechtvaardiging. Het betoogde slechts dat Hidroelectrica dankzij de overeenkomsten beter in staat was een maximale waarde van de bij de aankoop van elektriciteit gemaakte kosten te berekenen doordat zij bescherming boden tegen de volatiliteit van de prijzen op de spotmarkt.

(63)

Verder verduidelijkten de Roemeense autoriteiten dat de overeenkomsten geen bijstandsovereenkomsten waren zoals omschreven in het verslag van de curator over de oorzaken van de insolventie van Hidroelectrica (32). Volgens dat verslag zijn bijstandsovereenkomsten overeenkomsten die door Hidroelectrica werden gesloten om discontinuïteit in de productie op te vangen. Het doel van dat soort overeenkomsten is te voorkomen dat schadevergoeding moet worden uitgekeerd wegens het niet-nakomen van een contractuele leveringsverplichting.

(64)

De Roemeense autoriteiten hebben uitgelegd (33) waarom ANRE in de praktijk niet de contractuele prijzen vaststelde zoals in het kader van de overeenkomsten was bepaald, met uitzondering van de drie in overweging 28 genoemde gevallen. Deze uitleg kwam erop neer dat de overeenkomsten niet op de gereguleerde markt waren gesloten en dat de prijs daarom niet door ANRE was aangepast. De Roemeense autoriteiten verklaarden tevens dat: i) ANRE het ministerie van Economie en Handel aanvankelijk een minimum- en een maximumdrempel verschafte op grond waarvan de prijzen werden vastgesteld; ii) deze drempels op basis van duidelijke technische parameters werden vastgesteld die specifiek op de producenten van thermische elektriciteit van toepassing waren; iii) ANRE zich vervolgens terugtrok en deze taak door het ministerie van Economie en Handel werd overgenomen, op basis van soortgelijke beginselen als die welke door ANRE werden toegepast.

(65)

Wat de overeenkomst met Termoelectrica betreft, bevestigden de Roemeense autoriteiten dat Hidreoelectrica de enige afnemer was van de door de Paroseni-centrale van Termoelectrica opgewekte elektriciteit. Bovendien verduidelijkten zij dat Hidroelectrica niet de volledige hoeveelheid elektriciteit kocht die oorspronkelijk in het kader van de overeenkomst was voorzien, maar alleen de hoeveelheid die nodig was om eventuele productieschommelingen op te vangen als gevolg van de onvoorspelbare ontwikkeling van de waterkrachtsituatie.

(66)

Wat de overeenkomst met Electrocentrale Deva betreft, lichtten de Roemeense autoriteiten toe dat deze onderneming in de onderzochte periode 2009-2011 ook elektriciteit aan andere afnemers dan Hidroelectrica verkocht. Zo bleek dat Electrocentrale Deva in de jaren 2010 en 2011 grote hoeveelheden elektriciteit (vergelijkbare of zelfs grotere volumes) aan andere afnemers dan Hidroelectrica verkocht voor vergelijkbare prijzen (34).

5.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(67)

In hun eerste opmerkingen over het inleidingsbesluit betoogden zowel Termoelectrica als Electrocentrale Deva dat noch de oorspronkelijk in de overeenkomsten vastgelegde prijzen, noch de vervolgens gewijzigde prijzen hun enig voordeel verschaften, waarbij zij aanvoerden dat deze prijzen door ANRE werden vastgesteld op basis van hun productiekosten.

(68)

Voorts verklaarde Roemenië dat de latere prijswijzigingen in de overeenkomsten het gevolg waren van de prijsstijgingen van olie (35) en steenkool (36). Volgens Electrocentrale Deva werd de prijs van elektriciteit voor ongeveer 70 % bepaald door de prijs van steenkool.

6.   BEOORDELING

(69)

In het onderhavige besluit beoordeelt de Commissie of Termoelectrica en Electrocentrale Deva staatssteun hebben ontvangen in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag (zie overweging 101), en zo ja, of deze steun verenigbaar is met de interne markt (zie overwegingen 102-105).

6.1.   De aanwezigheid van staatssteun

(70)

Artikel 107, lid 1, van het Verdrag bepaalt dat steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar is met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(71)

De voorwaarden van artikel 107, lid 1, van het Verdrag zijn cumulatief, wat betekent dat een maatregel aan elk van deze voorwaarden moet voldoen om als staatssteun aangemerkt te worden.

6.1.1.   Beoordeling van het economisch voordeel

(72)

Om in het licht van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te bepalen of met het sluiten en uitvoeren van de overeenkomsten een economisch voordeel aan Termoelectrica en Electrocentrale Deva werd toegekend dat zij tegen marktvoorwaarden niet hadden kunnen verkrijgen, moet worden nagegaan wat de marktconforme prijzen in Roemenië waren voor soortgelijke transacties in de periode 2009-2011.

(73)

In tegenstelling tot het voorlopige standpunt dat in het inleidingsbesluit werd ingenomen, heeft het onderzoek aangetoond dat de voorwaarden en looptijden van de via OPCOM-PCCB gesloten leveringsovereenkomsten onvoldoende gelijkenis vertonen met die van de onderzochte overeenkomsten, met name wat de looptijden en de specifieke, bilateraal onderhandelde voorwaarden betreft (overwegingen 18, 23, 24, 25, 39 en 40). In goed functionerende elektriciteitsmarkten met voldoende liquiditeit en toekomstgerichte instrumenten waarmee de prijzen van toekomstige leveringen kunnen worden voorspeld, vormen spotprijzen een goede indicator van of alternatief voor marktprijzen, en kunnen zij als benchmark worden gebruikt om de prijsniveaus in specifieke overeenkomsten te beoordelen. Gezien het feit dat in Roemenië in 2009 voor een betrekkelijk groot deel van de vraag nog gereguleerde tarieven golden, dat de liquiditeit van de OPCOM-handelsplatforms in de periode 2009-2011 beperkt was en dat de door OPCOM beheerde elektriciteitsbeurzen werden beschouwd als een relevante antitrustmarkt waarop sprake was van misbruik van een machtspositie (overwegingen 34-40), moet in dit geval echter gebruik worden gemaakt van andere geschikte benchmarks dan de prijzen van OPCOM-PCCB om de mogelijke aanwezigheid van een economisch voordeel ten opzichte van de marktprijzen te beoordelen.

(74)

Echter, de gelijkenis van de prijzen met die welke door andere afnemers dan Hidroelectrica werden betaald of de op kosten gebaseerde rechtvaardiging die door Roemenië en de begunstigden is aangevoerd (overwegingen 66-68), vormen geen bruikbare indicatie dat de voorwaarden van de overeenkomsten en de betrokken prijzen in overeenstemming waren met de marktvoorwaarden.

(75)

In feite weken de prijzen die Hidroelectrica tussen 2009 en 2011 aan Electrocentrale Deva betaalde niet sterk af van de prijzen die door andere, zowel openbare als particuliere, elektriciteitsdistributiebedrijven werden betaald die elektriciteit van Electrocentrale Deva kochten. Deze aankopen vonden echter plaats tussen Electrocentrale Deva en elektriciteitsdistributiebedrijven, die elektriciteit aan huishoudens en kleine bedrijven op de retailmarkt verkochten tegen gereguleerde prijzen en voorwaarden (overweging 34). Hidroelectrica kocht elektriciteit op de wholesalemarkt om deze te verkopen aan industriële verbruikers en/of handelaars op de concurrerende retailmarkt, waar de prijzen en hoeveelheden niet gereguleerd waren en kopers niet van dure verkopers als Termoelectrica and Electrocentrale Deva hoefden te kopen maar de goedkoopste leverancier konden kiezen, ongeacht de productiekosten. Dus zelfs indien de prijzen vergelijkbaar waren, en aangenomen dat de verkopen van Termoelectrica en Electrocentrale Deva op de gereguleerde markt kostendekkend waren, zijn de door elektriciteitsdistributiebedrijven aan Termoelectrica en Electrocentrale Deva betaalde prijzen niet vergelijkbaar met de prijzen die door Hidroelectrica op de concurrerende vrije markt worden betaald, en kunnen daarom geen bruikbare benchmark vormen.

(76)

Evenzo verklaart de rechtvaardiging van de kosten door Termoelectrica, Electrocentrale Deva en de Roemeense autoriteiten alleen waarom de prijzen waarvoor Termoelectrica en Electrocentrale Deva zonder verlies elektriciteit konden verkopen, hoog waren. Deze rechtvaardiging toont niet aan dat deze prijzen strookten met de marktprijzen die onder concurrerende voorwaarden tot stand zijn gekomen, zoals de voorwaarden die door Hidroelectrica in de onderzochte overeenkomsten hadden moeten worden vastgelegd en uitgevoerd om ervoor te zorgen dat deze overeenkomsten geacht werden geen steun in te houden.

(77)

Om na te gaan of de in de overeenkomsten opgenomen prijzen strookten met de marktvoorwaarden in Roemenië, moeten zij worden vergeleken met de prijsvoorwaarden in andere bilateraal onderhandelde overeenkomsten die ten tijde van het sluiten van de onderzochte overeenkomsten op de vrije markt zijn gesloten. De Commissie heeft de door de Roemeense autoriteiten verstrekte datareeks gebruikt, die zij als de beste bron van informatie over de marktvoorwaarden in Roemenië beschouwde (overwegingen 42-45). Zoals in overweging 45 reeds is aangegeven, was er geen enkele langetermijnovereenkomst die in 2009 gesloten of reeds van kracht was, die dezelfde kenmerken bezat als de onderzochte overeenkomsten. Daarom voerde de Commissie een econometrische analyse uit om een prijsbenchmark te bepalen op basis van elektriciteitsovereenkomsten die in de desbetreffende periode gelijktijdig met de onderzochte overeenkomsten zijn gesloten. Een gedetailleerde technische beschrijving van de econometrische analyse en de resultaten daarvan is opgenomen in de bijlage.

(78)

Bij ontbreken van een duidelijk referentiepunt om de „marktvoorwaarden” vast te stellen, werd, om na te gaan of prijzen in de onderzochte overeenkomsten boven het marktniveau lagen, als alternatief een benchmark van marktprijzen berekend op basis van conservatieve aannames, in die zin dat sterke opwaartse afwijkingen ten opzichte van de geraamde marktprijs in aanmerking werden genomen. Op grond van deze conservatieve aanpak maakte de Commissie een vergelijking tussen de prijzen van de overeenkomsten en de benchmark-marktprijs voor elk jaar tussen 2009 en 2011. De vergelijking werd voor elk jaar gemaakt omdat de verkoopprijzen in het kader van de overeenkomsten elk jaar werden verhoogd.

(79)

Uit de analyse blijkt, uitgaande van de benchmarkprijzen en op basis van conservatieve aannames, dat de prijzen die Termoelectrica aan Hidroelectrica aanrekende hoger waren dan de marktprijzen. Indien naar behoren in aanmerking wordt genomen dat de transacties in het kader van de onderzochte overeenkomsten op wholesaleniveau worden vergeleken met op retailniveau gesloten overeenkomsten door 5 % retailmarge toe te voegen die gemiddeld door handelaars op de Roemeense markt wordt aangerekend, bedroeg het verschil met de marktprijzen: 18,8 RON/MWh in 2010 en 9,8 RON/MWh in 2011 voor Termoelectrica en 17,5 RON/MWh in 2010 en 13,9 RON/MWh in 2011 voor Electrocentrale Deva.

(80)

De econometrische analyse levert derhalve een eerste aanwijzing op dat de overeenkomsten Termoelectrica en Electrocentrale Deva een economisch voordeel verschaften ten opzichte van de marktvoorwaarden. De vaststelling dat de prijzen in het kader van de overeenkomsten hoger waren dan de benchmarkprijzen van soortgelijke overeenkomsten is echter op zich niet voldoende om te concluderen dat een marktdeelnemer in de plaats van Hidroelectrica deze overeenkomsten niet zou hebben gesloten en gecontinueerd. Om objectieve redenen kunnen hoge prijsniveaus als zodanig niet worden geacht elekriciteitsverkopers een economisch voordeel te verschaffen. Het is daarom noodzakelijk dat de robuustheid van de resultaten van de econometrische analyse wordt versterkt door aanvullende bewijzen van prijzen die hoger waren dan de marktvoorwaarden.

(81)

In dit verband dient te worden nagegaan of Hidroelectrica zich gedroeg zoals een particuliere investeerder in een markteconomie in een soortgelijke situatie zou hebben gedaan („het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie”) (37). Daarom onderzocht de Commissie of een particuliere marktdeelnemer zich in een soortgelijke situatie op dezelfde manier zou hebben gedragen als Hidroelectrica toen deze de overeenkomsten sloot en uitvoerde. Hiertoe zijn de omstandigheden die hieronder in de overwegingen 82-85 worden beschreven en die betrekking hebben op de sluiting en tenuitvoerlegging van de overeenkomsten, relevant.

(82)

Ten eerste waren er, toen de overeenkomsten gesloten werden, andere, goedkopere elektriciteitsbronnen op de markt aanwezig; zo bood Nuclearelectrica in 2008-2009 elektriciteit aan voor 153 RON/MWh tegen 227 RON/MWh voor Termoelectrica en 230 RON/MWh voor Electrocentrale Deva (38).

(83)

Ten tweede kon Hidroelectrica de van Termoelectrica en Electrocentrale Deva gekochte elektriciteit slechts met verlies aan derden doorverkopen. Zoals in de overwegingen 46 en 47 is uiteengezet, waren de retail-verkoopprijzen van Hidroelectrica op de vrije markt aanmerkelijk lager dan deze wholesaleaankoopprijzen; de hoogste prijs waarvoor Hidroelectrica elektriciteit op de markt voor rechtstreeks uitonderhandelde overeenkomsten doorverkocht was 190 RON/MWh in 2010, tegenover een aankoopprijs van 230 RON/MWh voor Termoelectrica en 234 RON/MWh voor Electrocentrale Deva. Hieruit valt op te maken dat elke MWh die van Termoelectrica en Electrocentrale Deva werd aangekocht, door Hidroelectrica met verlies werd doorverkocht.

(84)

Het onderzoek gaf geen antwoord op de vraag waarom Hidroelectrica ermee instemde de volledige productie van de Paroseni-centrale van Termoelectrica te kopen (overweging 24). De toezegging om gedurende tien jaar de volledige productie, ongeacht de omvang, van een elektrische centrale te kopen vormt een sterke aanwijzing dat Hidroelectrica de overeenkomsten niet nodig had om aan de verplichtingen van zijn eigen leveringsovereenkomsten te voldoen. Dit wordt bovendien door Roemenië bevestigd (overweging 63). Integendeel, de noodzaak om de kostbare en niet-concurrerende exploitatie van de twee ondernemingen en de steenkoolmijnen die de grondstof leverden, te steunen, werd door de directeuren van Termoelectrica (overweging 20) en Electrocentrale Deva (overweging 21) tegenover de verantwoordelijke minister aangevoerd als reden waarom Hidroelectrica de overeenkomsten moest sluiten.

(85)

Wanneer overheidsondernemingen echter bij het verrichten van zakelijke transacties rekening houden met overwegingen inzake de ondersteuning van in moeilijkheden verkerende bedrijven of sectoren om redenen van sociaal of economisch beleid die geen verband houden met hun zakelijke belangen, en dergelijke transacties aangaan onder voorwaarden die een gewone marktdeelnemer niet zou accepteren, zouden de aanvaarde voorwaarden, zoals in dit geval de aankoopprijzen door Hidroelectrica, een onrechtmatig economisch voordeel kunnen inhouden voor de andere partij of partijen, waardoor aan een van de criteria voor de toepassing van artikel 107, lid 1, van het Verdrag zou zijn voldaan.

(86)

Door de overeenkomsten te sluiten en te continueren, gedroeg Hidroelectrica zich derhalve niet als een particuliere investeerder in een markteconomie. Deze test houdt derhalve ook een kwalitatieve bevestiging in van het resultaat van de econometrische analyse doordat hij suggereert dat de overeenkomsten Termoelectrica en Electrocentrale Deva een economisch voordeel verschaften dat zij anders niet zouden hebben gekregen.

(87)

Tot de door de Roemeense autoriteiten overgelegde gegevens behoren geen langetermijnovereenkomsten met precies dezelfde voorwaarden op het gebied van hoeveelheden en looptijden als de onderzochte overeenkomsten. Bij ontbreken van een duidelijk referentiepunt om de „marktvoorwaarden” vast te stellen, vergeleek de Commissie de in de overeenkomsten vastgelegde, door Hidroelectrica betaalde prijzen voor elk jaar met de hoogste prijzen die in Roemenië tussen 2009 en 2011 in retailovereenkomsten op lange termijn van toepassing waren.

(88)

Deze vergelijking berust op de aanname dat Termoelectrica en Electrocentrale Deva hun overeenkomsten met Hidroelectrica hadden kunnen vervangen door verscheidene overeenkomsten met andere afnemers op de markt waarin de hoogste prijzen werden geboden, een aanname die zeer conservatief is: in plaats van als marktprijs het gemiddelde, de mediaan of modus van vergelijkbare transacties te nemen, wordt als marktprijs de hoogste prijs genomen die bij verscheidene, niet volledig vergelijkbare transacties is vastgesteld. Gezien het gebrek aan homogeniteit van de transacties, en de mogelijke aanwezigheid van factoren of anomalieën die wellicht een verklaring kunnen vormen voor het prijsniveau dat is overeengekomen in het kader van de transacties met de hoogste prijs welke als referentie worden gebruikt, is deze benadering gunstig voor de steunontvangende onderneming omdat het gekregen voordeel daarmee mogelijk te laag wordt ingeschat. De gewogen gemiddelde prijzen voor de hoeveelheden elektriciteit die daadwerkelijk tussen 2009 en 2011 door Electrocentrale Deva en Termoelectrica aan Hidroelectrica zijn geleverd (overweging 32), zijn als volgt:

(in RON/MWh)

 

2009

2010

2011

A)

Prijs Electrocentrale Deva

230,2

234,0

234,0

B)

Gewogen gemiddelde marktprijs

241,9

224,2

229,6

Verschil A — B

< 0

9,8

4,4


(in RON/MWh)

 

2009

2010

2011

A)

Prijs Termoelectrica

227,4

230,0

234,4

B)

Gewogen gemiddelde marktprijs

229,0

213,4

220,1

Verschil A — B

< 0

16,6

14,3

(89)

Zelfs onder deze conservatieve hypothesen blijkt, dat de gemiddelde prijzen die in 2010 en 2011 door Hidroelectrica aan Termoelectrica en Electrocentrale Deva zijn betaald toch nog hoger waren dan deze hoogste prijzen, waarmee de bevindingen van de econometrische analyse worden bevestigd. De door Termoelectrica aan Hidroelectrica opgelegde prijzen overtroffen de hoogste prijzen in 2010 met 16,6 RON/MWh en in 2011 met 14,3 RON/MWh, terwijl de door Electrocentrale Deva aan Hidroelectrica aangerekende prijzen in 2010 9,8 RON/MWh hoger waren dan de hoogste prijzen en in 2011 4,4 RON MWh hoger.

(90)

Tegen deze achtergrond kan worden geconcludeerd dat de overeenkomsten Termoelectrica en Electrocentrale Deva begunstigden door deze ondernemingen een voordeel te bieden dat onder marktvoorwaarden niet voorhanden zou zijn geweest.

(91)

Daarom concludeert de Commissie dat Hidroelectrica zich niet gedroeg zoals een investeerder in een markteconomie in dezelfde situatie zou hebben gedaan, en Termoelectrica en Electrocentrale Deva een onrechtmatig voordeel toekende.

6.1.2.   Staatsmiddelen en toerekenbaarheid

(92)

Om als steun te worden beschouwd in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag, moet een maatregel rechtstreeks of onrechtstreeks met staatsmiddelen zijn bekostigd en aan de staat kunnen worden toegerekend.

(93)

Zoals in overweging 11 wordt uiteengezet, staat Hidroelectrica onder rechtstreekse zeggenschap van de Roemeense overheid. Derhalve zijn de middelen die Hidroelectrica derft tevens door Roemenië gederfde staatsmiddelen. Verder benoemt de Roemeense overheid de leden van de raad van bestuur van de onderneming, en vervulden deze bestuursleden tegelijkertijd politieke functies bij het ministerie dat het belang van de staat in Hidroelectrica controleert.

(94)

Volgens vaste rechtspraak betekent het feit dat de overheid zeggenschap kan uitoefenen over de entiteiten die betrokken zijn bij de toekenning van de steun, niet automatisch dat de acties van die entiteiten aan de staat kunnen worden toegerekend. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft het begrip „toerekenbaarheid aan de staat” van besluiten waarmee middelen van openbare ondernemingen gemoeid waren, toegelicht in zijn arrest in de zaak Stardust Marine. De middelen van een openbare onderneming worden als staatsmiddelen beschouwd, en maatregelen ten aanzien van deze ondernemingen als toerekenbaar aan de staat, indien de staat door zijn dominerende invloed op de onderneming het gebruik van die middelen kan sturen (39).

(95)

Het Hof van Justitie heeft indicatoren vastgesteld op grond waarvan bepaald kan worden of er sprake is van toerekenbaarheid aan de staat, te weten de integratie van de openbare onderneming in de structuren van de overheidsadministratie, de aard van haar activiteiten, de rechtspositie van de onderneming, de intensiteit van het toezicht dat door de openbare autoriteiten op het bestuur van de onderneming wordt uitgeoefend dan wel enige andere indicator waaruit de betrokkenheid van de overheid bij het vaststellen van een maatregel of de onwaarschijnlijkheid dat de overheid daar niet bij betrokken is, blijkt. In het onderhavige geval moet tevens rekening worden gehouden met de reikwijdte van de overeenkomsten, de inhoud ervan en de voorwaarden die zij bevatten.

(96)

Daarom moet worden onderzocht of de Roemeense autoriteiten op enigerlei manier betrokken moeten worden geacht bij het sluiten en handhaven van de overeenkomsten en bij de wijziging van de in die overeenkomsten vastgelegde prijzen.

(97)

In dit verband zij opgemerkt dat het ministerie van Economie en Handel actief bij het besluitvormingsproces betreffende het sluiten van de overeenkomsten en de daaropvolgende prijswijzigingen betrokken was. Zo ontvingen Termoelectrica en Electrocentrale Deva de goedkeuring van het ministerie van Economie en Handel om de overeenkomsten met Hidroelectrica te ondertekenen, wat de facto betekent dat de Roemeense overheid in laatste instantie beslissende invloed uitoefende over laatstgenoemde (overwegingen 19-22). Dit wordt nader bevestigd door het feit dat Hidroelectrica rechtstreeks bij het ministerie van Economie en Handel om toestemming verzocht voor de prijsaanpassingen (overwegingen 26-31).

(98)

Dit rechtstreekse bewijs wordt verder onderbouwd door het verlieslijdende karakter van de aankopen van Hidroelectrica en het feit dat er geen economische reden was om zich ertoe te verbinden de volledige productie van de Paroseni-centrale af te nemen (overwegingen 84-85). De overeenkomsten lijken te zijn ingegeven door de kwetsbare financiële toestand van de twee andere elektriciteitsbedrijven in staatseigendom alsook sociale overwegingen betreffende de steenkoolproductie (overwegingen 20-21). Uiteindelijk was de eigenaar van en veranwoordelijke voor de drie elektriciteitscentrales en de steenkoolmijnen dezelfde overheid als die waarop Termoelectrica en Electrocentrale Deva een beroep deden om hun lopende activiteiten te financieren.

(99)

Het bovenstaande bevestigt het voorlopige standpunt dat de Commissie in het inleidingsbesluit naar voren heeft gebracht, dat de overeenkomsten en de uitvoering daarvan geen rationele en onafhankelijke beslissingen van Hidroelectrica waren maar het resultaat waren van de uitoefening van dominerende invloed door de staat.

(100)

Daarom concludeert de Commissie dat er rechtstreeks bewijs is dat de sluiting van de overeenkomsten en de uitvoering ervan aan de Roemeense staat kunnen worden toegerekend. Verder stelt de Commissie vast dat deze maatregelen met staatsmiddelen zijn bekostigd, aangezien de sluiting en de uitvoering van de overeenkomsten tot een verlies van middelen van Hidroelectrica, een openbare onderneming, hebben geleid.

6.1.3.   Selectiviteit

(101)

Om als staatssteun te worden beschouwd, moeten maatregelen specifiek of selectief zijn in die zin dat zij alleen bepaalde ondernemingen of producties begunstigen.

(102)

De onderzochte overeenkomsten werden gesloten met twee specifieke leveranciers, Termoelectrica en Electrocentrale Deva, en verschaften elk afzonderlijk onrechtmatige economische voordelen. Geen enkele andere leverancier van elektriciteit aan Hidroelectrica profiteerde van soortgelijke voorwaarden als die welke in de overeenkomsten waren voorzien. De economische voordelen die uit de uitzonderlijk hoge prijzen in de overeenkomsten voortvloeiden, zijn derhalve selectief.

6.1.4.   Vervalsing van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer

(103)

Wanneer door een lidstaat toegekende steun de positie van een onderneming ten opzichte van andere concurrerende ondernemingen in het handelsverkeer binnen de EU versterkt, moet die steun worden geacht dat handelsverkeer ongunstig te beïnvloeden. Met name wordt een vervalsing van de mededinging in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag aangenomen zodra de staat een financieel voordeel verleent aan een onderneming in een geliberaliseerde sector waar concurrentie is of zou kunnen zijn (40).

(104)

Termoelectrica en Electrocentrale Deva opereren in een markt voor de verkoop van elektriciteit die openstaat voor concurrentie (overwegingen 35-38). Een aan dergelijke ondernemingen geboden economisch voordeel kan hen in een gunstige positie brengen ten opzichte van concurrenten die, onder marktvoorwaarden, niet van dergelijke prijzen kunnen profiteren. In het onderhavige geval was de steun bedoeld om de productie van elektriciteit op basis van steenkool te begunstigen, wat de mededinging tussen elektriciteitsproducenten zou kunnen vervalsen. Bovendien staat de Roemeense markt momenteel (en was zij ten tijde van de feiten) in verbinding met andere lidstaten waarnaar elektriciteit wordt geëxporteerd (overweging 17).

(105)

Gezien het bovenstaande concludeert de Commissie dat de overeenkomsten de mededinging kunnen vervalsen en het handelsverkeer tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag.

6.1.5.   Conclusie betreffende de aanwezigheid van staatssteun

(106)

Op basis van de in de overwegingen 72-105 aangevoerde argumenten concludeert de Commissie dat beide overeenkomsten de verlening van staatssteun aan Termoelectrica and Electrocentrale Deva inhouden in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag. Roemenië heeft de standstill-bepaling van artikel 108, lid 3, van het Verdrag niet in acht genomen. De staatssteun is derhalve onwettig.

6.2.   Verenigbaarheid van de steun

(107)

Aangezien de maatregel die Roemenië ten uitvoer heeft gelegd ten gunste van Termoelectrica en Electrocentrale Deva staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag, moet de verenigbaarheid ervan worden beoordeeld in het licht van de in de leden 2 en 3 van dat artikel vermelde uitzonderingen.

(108)

In het onderhavige geval voorzag de steun de begunstigden van lopende exploitatieopbrengsten die niet speciaal bestemd waren voor bepaalde investeringen waarmee de productie of distributie van elektriciteit kon worden verbeterd. De verenigbaarheid van dit soort exploitatiesteun met de interne markt uit hoofde van artikel 107, leden 2 en 3, van het Verdrag moet restrictief en onder strikte voorwaarden worden beoordeeld. De terugkerende en langdurige exploitatiesteun die gedurende twee jaar werd verstrekt, lijkt niet noodzakelijk te zijn voor, en ook niet bij te dragen tot een duidelijke doelstelling van gemeenschappelijk belang van de Unie. De evenredigheid van de steun staat evenmin vast. Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie is het aan de lidstaten om zich te beroepen op mogelijke gronden voor verenigbaarheid en om aan te tonen dat aan de voorwaarden voor die verenigbaarheid wordt voldaan (41).

(109)

De Roemeense autoriteiten hebben zich niet op mogelijke gronden voor verenigbaarheid van de steun met de interne markt beroepen, en de Commissie heeft dergelijke gronden niet kunnen ontdekken.

(110)

Gezien het bovenstaande beschouwt de Commissie de staatssteun die via de overeenkomsten is verleend als onverenigbaar met de interne markt.

6.3.   Terugvordering

(111)

Krachtens het Verdrag en de vaste rechtspraak van het Hof, is de Commissie bevoegd te beslissen dat de betrokken lidstaat de steunmaatregel moet intrekken of wijzigen wanneer zij heeft vastgesteld dat deze onverenigbaar is met de interne markt (42). Het Hof heeft verder steeds geoordeeld dat de verplichting van een lidstaat om steun die door de Commissie als onverenigbaar met de interne markt wordt beschouwd, ongedaan te maken, bedoeld is om de vroegere toestand te herstellen (43). In dit verband heeft het Hof geoordeeld dat deze doelstelling is bereikt zodra de begunstigde de onrechtmatig toegekende steun heeft terugbetaald, waardoor hij het marktvoordeel verliest dat hij ten opzichte van zijn concurrenten genoot en de toestand van vóór de steunverlening wordt hersteld (44).

(112)

Overeenkomstig de jurisprudentie is in artikel 14, lid 1, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (45) het volgende bepaald: „Indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun beschikt de Commissie dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen […].”.

(113)

Daarom moet de steun in kwestie, aangezien hij in strijd met artikel 108 van het Verdrag niet bij de Commissie is aangemeld en derhalve als onwettig moet worden beschouwd, en aangezien hij tevens onverenigbaar is met de interne markt, worden teruggevorderd om de situatie te herstellen die op de markt bestond voordat de steun werd toegekend. De terugvordering moet gelden vanaf het moment waarop de begunstigden het voordeel ontvingen, dat wil zeggen toen de steun aan hen ter beschikking werd gesteld, tot de beëindiging van de leveringen eind 2011 (46), en over de terug te betalen bedragen dient rente te worden voldaan tot het tijdstip van daadwerkelijke terugbetaling ervan.

(114)

Het terugvorderingsbedrag is het verschil tussen de gemiddelde prijs per jaar waarvoor Hidroelectrica elektriciteit van Termoelectrica en Electrocentrale Deva kocht, zoals uiteengezet in overweging 32, en de hoogste prijzen die elk jaar op de markt werden toegepast voor de totale door deze ondernemingen geleverde hoeveelheden. Dit verschil wordt in overweging 89 weergegeven. Gemakshalve wordt uitgegaan van de prijsverschillen die per 1 januari 2010 en per 1 januari 2011 gedurende het gehele jaar bestonden; op basis hiervan belopen de terug te vorderen bedragen 3 656 675 RON voor Electrocentrale Deva en 22 619 821 RON voor Termoelectrica. Als alternatief mogen de Roemeense autoriteiten de bedragen berekenen op de feitelijke intra-jaarlijks (bijvoorbeeld maandelijks, tweemaandelijks) aan Hidroelectrica opgelegde prijzen.

(115)

Bij deze bedragen dient rente te worden opgeteld, ongeacht welke van de twee berekeningsmethoden wordt toegepast, op basis van het tijdschema van de feitelijke elektriciteitsleveranties aan Hidroelectrica tussen 2009 en 2011, rekening houdend met het verschil met de marktprijzen als vermeld in overweging 89.

(116)

Verder dient, in het licht van de feiten in deze zaak, te worden onderzocht of de terugvorderingsverplichting moet worden uitgebreid tot, of worden uitgevoerd ten aanzien van, een of meer andere rechtspersonen dan Termoelectrica en Electrocentrale Deva indien er sprake is van rechtsopvolging of economische continuïteit met een andere onderneming dan Termoelectrica en Electrocentrale Deva, mochten deze ondernemingen niet aan de terugvorderingsverplichtingen kunnen voldoen. In de jurisprudentie van de EU-gerechten zijn verscheidene criteria vastgelegd die de Commissie, afzonderlijk of tezamen, in aanmerking kan nemen om het bestaan van economische continuïteit tussen twee verschillende ondernemingen te bepalen (47).

6.3.1.   Termoelectrica — economische continuïteit met CEH

(117)

Zoals in overweging 52 is vermeld, is Termoelectrica een onderneming in liquidatie. Volgens vaste rechtspraak is het feit dat een onderneming insolvent is en de steun niet kan terugbetalen, geen reden om haar van terugvordering vrij te stellen. In dergelijke gevallen kan het herstel van de vroegere toestand en de opheffing van de verstoring van de mededinging in beginsel geschieden door inschrijving van de vordering tot terugbetaling van de betrokken steun op de lijst van schuldvorderingen (48). Wanneer de nationale autoriteiten niet het volledige bedrag van de steun kunnen terugkrijgen, kan met de opneming van de vordering tot terugbetaling van de betrokken steun op de lijst van schuldvorderingen alleen aan de terugvorderingsverplichting worden voldaan indien de faillissementsprocedure tot de definitieve staking van de activiteiten van de onderneming leidt (49). Echter, wanneer de onderneming die onrechtmatige steun heeft ontvangen, in staat van faillissement verkeert en een onderneming is opgericht om een deel van de activiteiten van de failliete onderneming voort te zetten, kan de omstandigheid dat die activiteiten worden voortgezet zonder dat de betrokken steun volledig is terugbetaald, de verstoring van de mededinging als gevolg van het concurrentievoordeel dat die onderneming op de markt ten opzichte van haar concurrenten heeft genoten, doen voortduren. Een dergelijke nieuw opgerichte onderneming kan dus, indien dat voordeel ook voor haar blijft bestaan, gehouden zijn de betrokken steun terug te betalen (50). Dit zou bijvoorbeeld het geval zijn indien vóór de liquidatie van de begunstigde onderneming, de bedrijfsonderdelen die van de steun hebben geprofiteerd als „going concern” worden overgedragen naar een dochteronderneming die is opgericht om de activiteiten van de begunstigde voort te zetten (economische opvolging). Voorts wordt, indien de begunstigde onderneming fuseert met een andere onderneming waarbij alle rechten en verplichtingen naar de gefuseerde entiteit worden overgeheveld, de verplichting om de steun terug te betalen eveneens op deze onderneming overgedragen (rechtsopvolging).

(118)

In de onderhavige zaak moet, indien de steun ten behoeve van de activiteiten van Termoelectrica niet volledig wordt terugbetaald, worden onderzocht of er sprake is van economische continuïteit en/of juridische continuïteit tussen Termoelectrica en andere ondernemingen.

(119)

Wat economische continuïteit betreft kan worden opgemerkt dat, zoals in de overwegingen 48 en 51 is uiteengezet, Termoelectrica in september 2011 een dochteronderneming heeft opgericht, Electrocentrale Paroseni, waar zij (binnen hetzelfde staatsconcern) de elektriciteitscentrale onderbracht die de in het kader van de overeenkomst met Termoelectrica aangekochte hoeveelheid elektriciteit daadwerkelijk leverde (overwegingen 48-65), met inbegrip van alle rechten en verplichtingen van Termoelectrica die uit die overeenkomst voortvloeiden, en die in het kader van deze overeenkomst elektriciteit aan Hidroelectrica bleef leveren tot oktober 2011 (toen zij fuseerde en werd ondergebracht bij CEH). Electrocentrale Paroseni nam derhalve de bedrijfsonderdelen over die van de steun van de moederonderneming, Termoelectrica, hadden geprofiteerd. Zij moet dan ook als economisch opvolger van Termoelectrica worden beschouwd.

(120)

In november 2012 fuseerde Electrocentrale Paroseni met Electrocentrale Deva, en zo ontstond de nieuw opgerichte onderneming CEH. Bij die fusie nam CEH alle rechten en verplichtingen van Electrocentrale Paroseni over, en laatstgenoemde onderneming verdween als onderscheiden rechtspersoon. Hieruit blijkt dat er sprake is van juridische continuïteit tussen Electrocentrale Paroseni, die de bedrijfsonderdelen had overgenomen die van de steun hadden geprofiteerd, en CEH, waarbij Electrocentrale Paroseni op 1 november 2012 werd ondergebracht en die alle rechten en verplichtingen heeft overgenomen.

(121)

De verplichting om de aan Termoelectrica toegekende steun terug te betalen moet derhalve ook voor CEH gelden.

6.3.2.   Electrocentrale Deva — economische continuïteit met CEH

(122)

Zoals in overweging 51 is uiteengezet, bestaat Electrocentrale Deva die als onafhankelijke entiteit, zij het onder zeggenschap van Termoelectrica, ten volle van de steun heeft geprofiteerd, niet meer als zodanig. Er is echter wel sprake van juridische continuïteit tussen Electrocentrale Deva als rechtspersoon die van de steun heeft geprofiteerd, en CEH, waarin Electrocentrale Deva op 1 november 2012 werd ondergebracht en die al haar rechten en verplichtingen heeft overgenomen.

(123)

Verder blijkt de economische continuïteit tussen Electrocentrale Deva en CEH uit een aantal elementen, zoals bijvoorbeeld: i) na de fusie tussen Electrocentrale Deva en Electrocentrale Paroseni nam de nieuw opgerichte onderneming CEH beide ondernemingen vanaf augustus 2012 over, met inbegrip van hun bedrijfsmiddelen en werknemers; ii) de voornaamste economische activiteit van de nieuw opgerichte onderneming CEH was in 2012, net als van Electrocentrale Deva, de productie van elektriciteit; iii) beide ondernemingen zijn volledig in handen van de staat: zoals in overweging 50 is aangegeven, was Termoelectrica op het moment waarop de levering van elektriciteit in het kader van de onderzochte overeenkomsten werd gestaakt, volledig in staatshanden, terwijl zij op haar beurt 100 % eigenaar was van Electocentrale Deva en Electrocentrale Paroseni; iv) de nieuw opgerichte onderneming CEH is eveneens volledig in handen van de staat.

(124)

De juridische en economische continuïteit tussen Electrocentrale Deva en Termoelectrica via Electrocentrale Paroseni enerzijds en CEH anderzijds, is hiermee aangetoond. De schuldconversie op basis van een onafhankelijke waardering van de overgedragen aandelen die aan de inlijving van Electrocentrale Deva en Electrocentrale Paroseni bij CEH voorafging (overweging 50), houdt geen onderbreking in van de continuïteit tussen de drie betrokken ondernemingen. Een aandelentranstactie brengt geen verandering in de identiteit van de begunstigde(n) van de steun, en ook niet in de voordelen die dankzij de steun zijn genoten en die zijn overgedragen, ongeacht de identiteit van de aandeelhouder, in dit geval in laatste instantie, vóór 2011 en na de fusie met CEH, de Roemeense staat. Dit betekent dat de terugvorderingsverplichting ten aanzien van Electrocentrale Deva en Termoelectrica ook moet gelden ten aanzien van CEH.

6.3.3.   Conclusie betreffende de terugvordering

(125)

De terug te vorderen steun (zonder rente) bedraagt in beginsel 3 656 675 RON voor Electrocentrale Deva en 22 619 821 RON voor Termoelectrica. Gezien de aangetoonde juridische en economische continuïteit tussen Electrocentrale Deva, Termoelectrica en CEH dient laatstgenoemde onderneming, net als beide begunstigden, aan de terugvorderingsverplichting te worden onderworpen.

7.   CONCLUSIE

(126)

De overeenkomsten die door Hidroelectrica met Termoelectrica en Electrocentrale Deva zijn gesloten, bevatten in de jaren 2010 en 2011 preferentiële elektriciteitstarieven ten gunste van laatstgenoemden. Zij vormden staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag. Roemenië heeft die steun onrechtmatig ten uitvoer gelegd, in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag. De steun is onverenigbaar met de interne markt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De staatssteun ten bedrage van, in beginsel, 3 656 675 RON voor Electrocentrale Deva en 22 619 821 RON voor Termoelectrica die in de vorm van preferentiële elektriciteitstarieven in strijd met artikel 108, lid 3, aan genoemde ondernemingen is toegekend, is onverenigbaar met de interne markt.

Artikel 2

Roemenië vordert de in artikel 1 bedoelde onverenigbare steun van de begunstigde ondernemingen terug. De verplichting om steun terug te vorderen geldt tevens ten aanzien van CE Hunedoara.

Over het terug te vorderen bedrag is rente verschuldigd vanaf de datum waarop het ter beschikking stond van de begunstigden tot de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie (51).

Artikel 3

De terugvordering van de in artikel 1 bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.

Roemenië legt dit besluit ten uitvoer binnen vier maanden na de datum van kennisgeving ervan.

Artikel 4

Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt Roemenië de volgende informatie aan de Commissie:

het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en rente);

een nadere beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen, met inbegrip van documenten waaruit blijkt dat Roemenië het bevel tot terugvordering in het kader van de liquidatieprocedure van Termoelectrica een passende rangorde heeft toegekend;

indien het voor Termoelectrica onmogelijk is aan het bevel tot terugvordering te voldoen, het bevel aan Termoelectrica om de onderneming te ontbinden en documenten waaruit blijkt dat Termoelectrica de markt definitief verlaat;

documenten waaruit blijkt dat de begunstigden zijn aangemaand de steun terug te betalen.

Roemenië houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die het heeft genomen om dit besluit ten uitvoer te leggen, en dit tot de in artikel 1 bedoelde steun volledig is terugbetaald. Het verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld informatie over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Tevens verstrekt het uitvoerige informatie over de reeds door de begunstigde terugbetaalde steunbedragen en rente.

Artikel 5

Dit besluit is gericht tot Roemenië.

Gedaan te Brussel, 20 april 2015.

Voor de Commissie

Margrethe VESTAGER

Lid van de Commissie


(1)  Besluit C (2012) 2552 final van de Commissie van 25 april 2012 betreffende steunmaatregel SA. 33475, blz. 46.

(2)   PB C 395 van 20.12.2012, blz. 46.

(3)  Verordening nr. 1 van de Raad van 15 april 1958 tot regeling van het taalgebruik in de Europese Economische Gemeenschap (PB 17 van 6.10.1958, blz. 385/58).

(4)  Alle leden van de raad van bestuur van Hidroelectrica, behalve de algemeen directeur en de vertegenwoordiger van Fondul Proprietatea (2010), cumuleerden andere functies in diverse ministeries en werden benoemd op grond van door het ministerie van Economie en Handel uitgevaardigde instructies, en wel als volgt: i) in 2005-2006 waren de persoonlijke adviseur in het kabinet van het ministerie van Economie en Handel, het hoofd van het kabinet van de minister voor het Midden- en Kleinbedrijf, de persoonlijke adviseur in het kabinet van het ministerie van Financiën en de persoonlijke adviseur in het secretariaat-generaal van de regering tevens lid van de raad van bestuur van Hidroelectrica; ii) in 2007-2008 — situatie onbekend; iii) in 2009 was de staatssecretaris van het ministerie van Economie en Handel tevens voorzitter van de raad van bestuur van Hidroelectrica (2009), terwijl een andere staatssecretaris van het ministerie van Financiën en twee directeuren-generaal van het ministerie van Economie en Handel tevens lid van de raad van bestuur van Hidroelectrica waren; iv) in 2010 waren drie persoonlijke adviseurs van het ministerie van Economie en Handel, een staatssecretaris van het ministerie van Financiën evenals een directeur-generaal van het ministerie van Economie en Handel tevens lid van de raad van bestuur van Hidroelectrica.

(5)  Arrest nr. 22456/3/2012 van het Gerechtshof van Boekarest van 26 juni 2012.

(6)  Arrest nr. 6482 van het Gerechtshof van Boekarest van 26 juni 2013.

(7)  Energy Regulator, Annual Report 2009, blz. 15.

(8)  Energy Regulator, Annual Report 2011, blz. 15.

(9)  Bijvoorbeeld, de steenkoolmijnen die Termoelectrica bevoorraden, waren opgenomen in het steunplan met het oog op de definitieve sluiting van niet-concurrerende steenkoolmijnen in Roemenië, dat door de Commissie is goedgekeurd bij besluit van 22 februari 2012 in zaak SA. 33 033 — Nationaal steenkoolbedrijf.

(10)  Energy Regulator, Annual Report 2010, blz. 12.

(11)  Energy Regulator, Annual Report 2011, blz. 22.

(12)  De levering ging in 2009 van start.

(13)  De overeenkomst met Termoelectrica werd op 29 augustus 2012 beëindigd, en de overeenkomst met Electrocentrale Deva op 30 augustus 2012.

(14)  Op 1 augustus 2013 werd Societatea Națională a Huilei, een onderneming die voortkwam uit de spin-off van de vermeend concurrerende mijnen van Compania Nationala a Huilei, eveneens ingelijfd bij Complexul Energetic Hunedoara.

(15)  Artikel 25 van de overeenkomst met Electrocentrale Deva.

(16)  Group 4 CET Paroseni — de geraamde hoeveelheid voor de gehele duur van de overeenkomst is 940 GWh per jaar;

(17)  Addendum 1 van 22 maart 2009 stelt het tarief vast op 225 RON/MWh voor het jaar 2009; addendum 2, datum onbekend, stelt het tarief vast op 225 RON/MWh voor het jaar 2009 en bepaalt dat het tarief vanaf 2010 en daarna voor de volledige duur van de overeenkomst zal worden vastgesteld door ANRE; addendum 3 van 7 augustus 2009 stelt het tarief vast op 230 RON/MWh voor 2009; addendum 4 van 19 februari 2010 stelt het tarief vast op 230 RON/MWh voor de periode 1 januari 2010-31 maart 2010; addendum 5 van 30 maart 2010 stelt het tarief vast op 230 RON/MWh voor de periode 1 april 2010-31 december 2010; addendum 6 van 31 december 2010 stelt hetzelfde tarief vast als addendum 5 (op 230 RON/MWh tot en met 31 januari 2011); addendum 7 van 1 februari 2011 stelt het tarief vast op 235 RON/MWh voor de periode 1 februari 2011-31 december 2011; addendum 8 van 22 september 2011 vervangt de aanvankelijke leverancier Termoelectrica van de oorspronkelijke overeenkomst door S.C. de Producere a Energieie Electrice si Termice Electrocentrale Paroseni S.A.

(18)  Zie artikel 14 van de overeenkomst met Electrocentrale Deva.

(19)  Het oorspronkelijke contractuele tarief bedraagt 220,56 RON/MWh. Addendum 1 van 1 augustus 2009 stelt het tarief vast op 234 RON/MWh voor het jaar 2009; addendum 2 van 2 januari 2010 stelt het tarief vast op 225,7 RON/MWh voor de periode 1 januari 2010-30 juni 2010; addendum 3 van 11 februari 2010 stelt het tarief vast op 234 RON/MWh voor de periode 1 januari 2010-31 maart 2010; addendum 4 van 1 april 2010 stelt het tarief vast op 234 RON/MWh voor de periode 1 april 2010-31 december 2010; addendum 5 van 1 februari 2011 stelt het tarief vast op 234 RON/MWh voor de periode 1 februari 2011-31 december 2011.

(20)  Voor Termoelectrica: addendum 1 van 20 maart 2009 stelde het tarief voor 2009 vast op basis van een besluit van ANRE; addendum 2 van 1 juni 2009 stelt de prijs voor 2009 vast en specificeert dat de contractuele prijs vanaf 2010 door ANRE zal worden vastgesteld voor de Paroseni-centrale.

Voor Electrocentrale Deva: bij addendum 2 van 7 januari 2009 werd het tarief aangepast op basis van een besluit van ANRE.

(21)  Voor Termoelectrica: addendum 3 van 1 augustus 2009 verwijst naar nota nr. II/11096/31 juli 2009, goedgekeurd door de staatssecretaris van het ministerie van Economie en Handel, en stelt het tarief vast voor het jaar 2009; addendum 4 van 11 februari 2010 verwijst naar nota nr. II/11672/11 februari 2010, goedgekeurd door de minister van Economie en Handel, en stelt het tarief vast voor de periode 1 januari 2010-31 maart 2010; addendum 5 van 1 april 2010 verwijst naar nota nr. II/11877/29 maart 2010, goedgekeurd door de minister van Economie en Handel, en stelt het tarief vast voor het jaar 2010; addendum 6 van 1 januari 2011 verwijst naar dezelfde nota nr. II/11877/29 maart 2010, goedgekeurd door de minister van Economie en Handel, en handhaaft het tarief voor de periode 1 januari 2011-31 december 2011; addendum 7 van 1 februari 2011 verwijst naar nota nr. 6547/21 januari 2011, goedgekeurd door de minister van Economie en Handel, en stelt het tarief vast voor de periode 1 februari 2011-31 december 2011.

Voor Electrocentrale Deva: addendum 1 van 1 augustus 2009 verwijst naar nota nr. II/11096/31 juli 2009, goedgekeurd door de staatssecretaris van het ministerie van Economie en Handel, en stelt het tarief vast voor het jaar 2009; addendum 3 van 11 februari 2010 verwijst naar nota nr. II/11674/11 februari 2010, goedgekeurd door de minister van Economie en Handel, en stelt het tarief vast voor de periode 1 januari 2010-31 maart 2010; addendum 4 van 1 april 2010 verwijst naar nota nr. II/11878/29 maart 2010, goedgekeurd door de minister van Economie en Handel, en stelt het tarief vast voor het jaar 2010; addendum 5 van 1 februari 2011 verwijst naar nota nr. 6547/21 januari 2011, goedgekeurd door de minister van Economie en Handel, en stelt het tarief vast voor de periode 1 februari 2011-31 december 2011.

(22)  Volgens de door Roemenië verstrekte informatie gedateerd 11 september 2013 en 20 februari 2015, werden de elektriciteitsleveranties in het kader van de onderzochte overeenkomsten eind 2011 gestaakt. In 2012 werd er derhalve niet geleverd.

(23)  Pas vanaf juli 2011 door OPCOM beheerd.

(24)  Besluit van de Commissie van 5 maart 2014 waarbij op grond van artikel 102 van het Verdrag, geldboeten worden opgelegd overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1) in zaak AT.39 984 „Roemeense elektriciteitsbeurs/OPCOM”.

(25)  De gegevensreeks bevatte de volgende informatie: de namen van de koper en de verkoper, het type overeenkomst, de datum van inwerkingtreding, de einddatum, evenals de hoeveelheid, het leveringsprofiel en de gewogen gemiddelde prijs voor elk jaar van 2009 tot en met 2011.

(26)  Besluit van de Commissie van 25 april 2012 C(2012) 2516 final betreffende zaak SA. 33623 (PB C 189 van 29.6.2012, blz. 3), C(2012) 2517 final betreffende zaak SA. 33624 (PB C 268 van 5.9.2012, blz. 21), C(2012) 2542 final betreffende zaak SA. 33451 (PB C 395 van 20.12.2012, blz. 5) en C(2012) 2556 final betreffende zaak SA. 33581 (PB C 395 van 20.12.2012, blz. 34).

(27)  Door Roemenië verstrekte informatie gedateerd 3 september 2014.

(28)  Door Roemenië verstrekte informatie gedateerd 20 februari 2015.

(29)  Bekendgemaakt in Staatsblad nr. 700 van 4 oktober 2011.

(30)  Liquidatie goedgekeurd bij besluit van de Algemene Vergadering van 12 maart 2012.

(31)  Zie voetnoot 27.

(32)  Slechts beschikbaar in het Roemeens op http://www.euroinsol.eu/uploads/Raport%2059%20Hidro%20v11.pdf — blz. 213.

(33)  Door Roemenië verstrekte informatie gedateerd 11 september 2013.

(34)  Zie bijlage 1 bij de door Roemenië verstrekte informatie gedateerd 11 september 2013.

(35)  Voor de overeenkomst met Termoelectrica.

(36)  Voor de overeenkomst met Electrocentrale Deva.

(37)  Zie bv. zaak C-305/89 Italië/Commissie („Alfa Romeo”), Jurispr. 1991, blz. I-1603, punten 18 en 19; zaak T-16/96 Cityflyer Express/Commissie, Jurispr. 1998, blz. II-757, punt 51; gevoegde zaken T-129/95, T-2/96 en T-97/96 Neue Maxhütte Stahlwerke en Lech-Stahlwerke/Commissie, Jurispr. 1999, blz. II-17, punt 104; gevoegde zaken T-268/08 en T-281/08 Land Burgenland en Oostenrijk/Commissie, Jurispr. 2012, blz. II-0000, punt 48.

(38)  Verslag van de curator van Hidroelectrica — http://www.euroinsol.eu/uploads/Raport%2059%20Hidro%20v11.pdf — alleen beschikbaar in het Roemeens — blz. 212.

(39)  Zaak C-482/99, Franse Republiek/Commissie (Stardust Marine), Jurispr. 2002, blz. I-4397.

(40)  Alzetta, punten 141 tot en met 147; Altmark Trans.

(41)  Zaak C-364/90, Italië/Commissie, Jurispr. 1993, blz. I-2097, punt 20.

(42)  Zie zaak C-70/72, Commissie/Duitsland, Jurisprudentie 1973, blz. 813, rechtsoverweging 13.

(43)  Zie gevoegde zaken C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Spanje/Commissie, Jurispr. 1994, blz. I-4103, punt 75.

(44)  Zie zaak C-75/97, België/Commissie, Jurispr. 1999, blz. I-3671, punten 64 en 65.

(45)  Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1).

(46)  De elektriciteitsleveranties werden gestaakt voordat de overeenkomsten door de curator van Hidroelectrica eind augustus 2012 werden ontbonden.

(47)  T-123/09, Ryanair/Commissie, EU:T2012:164, punten 155-156, T-415/05, T416/05 en T-423/05, Hellenic Republic, Olimpiakes Aerogrammes AE en Olimpiaki Aeroporia AE t. Commissie, EU:T:2010:386, punt 135 en C-287/12 P, Ryanair Ltd t. Commission, EU:C2013:395, punten 101 tot 107.

(48)  Zaak 277/00, SMI, Jurispr. 2004, blz. I-4355, punt 85; Zaak 52/84, Commissie/België, Jurisprudentie 1986, blz. 89, rechtsoverweging 14; Zaak C-142/87, Tubemeuse, Jurispr. 1990, blz. I-959, punten 60-62.

(49)  Zaak C-610/10, Commissie/Spanje („Magefesa”) (ECLI:EU:C:2012:781), gepubliceerd in de digitale Jurisprudentie (Algemene Jurisprudentie), punt 104 en de aangehaalde jurisprudentie.

(50)  Zaak C-610/10, Commissie/Spanje („Magefesa”), punt 106.

(51)  Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag, PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1, als gewijzigd.


BIJLAGE

BEOORDELING VAN HET ECONOMISCH VOORDEEL — ECONOMETRISCHE ANALYSE

Ratio en beschrijving van de econometrische analyse

Met de econometrische analyse van de Commissie wordt beoogd tot benchmarkprijzen voor de onderzochte contracten te komen die zouden resulteren uit een regressieanalyse die op contracten in de dataset die niet worden onderzocht wordt uitgevoerd door gebruik te maken van kenmerken van deze contracten. In een eerste stap kan aan de hand van de regressieanalyse tot een benchmarkprijs worden gekomen die een functie is van de contractkenmerken van de dataset („voorspellingen binnen de steekproef”). In een tweede stap worden de resultaten van de regressieanalyse gebruikt om een benchmarkprijs voor de onderzochte contracten te voorspellen rekening houdend met de contractkenmerken ervan („voorspellingen buiten de steekproef”). Bij de regressieanalyse wordt de prijsvariatie tussen de contracten in de dataset verklaard met behulp van de volgende kenmerken: aangekochte hoeveelheid en jaardummy's (1).

De econometrische analyse steunt op het beginsel dat er een aantal prijsfactoren zijn, zoals hoeveelheid. Het zou misleidend zijn de prijzen voor verschillende contracten te vergelijken zonder deze factoren in aanmerking te nemen. De ratio van deze kwantitatieve exercitie is derhalve dat, zodra met een aantal externe factoren rekening is gehouden, de prijzen voor de verschillende contracten vergelijkbaarder worden. Bij gebrek aan normalisatie zouden alleen volstrekt identieke contracten zinvol kunnen worden vergeleken.

Met deze empirische exercitie wordt niet beoogd een oorzakelijk verband tussen prijzen en sommige externe factoren te schatten. Zo zou men bij het schatten van een causaal verband tussen bepaalde factoren en de prijzen af te rekenen krijgen met het endogeniteitsrisico, dat wil zeggen het risico dat een causale variabele (bijv. de hoeveelheid) vanwege weggelaten variabelen of simultaniteitsbias zelf door de verklaarde variabele (bv. de prijs) wordt beïnvloed. Het doel van de kwantitatieve exercitie is de prijzen voor de verschillende contracten te „normaliseren” om deze beter met elkaar te kunnen vergelijken. Deze normalisatie is noodzakelijk bij gebrek aan volstrekt identieke contracten en aanbodkenmerken.

De regressieanalyse geeft de hoofdkenmerken van de onderhavige bilaterale contracten weer:

wanneer de kwantitatieve variabele in de regressie wordt opgenomen wordt weergegeven dat de prijzen in het algemeen lager liggen wanneer de aangekochte hoeveelheid hoger is (2);

wanneer jaardummy's worden opgenomen worden de tijdsdimensie en de mogelijke verandering van de marktvoorwaarden tussen verschillende jaren weergegeven.

Wat betreft de eerste stap van de empirische analyse worden de resultaten van de regressieanalyse met betrekking tot de contracten van de dataset in onderstaande tabel 1 gerapporteerd.

Wat betreft de tweede stap van de empirische analyse heeft de Commissie een benchmark voor elk jaar vastgesteld en vervolgens de positie van de contracten ten opzichte van deze benchmark getoetst om te concluderen of de door Hidroelectrica aangerekende prijzen lager of hoger waren dan de gemodelleerde benchmarkprijs. In de volgende stappen wordt in detail de voor het bepalen van de benchmark gebruikte methodologie beschreven:

 

in de eerste plaats wordt voor elk onderzocht contract berekend of en hoever de werkelijke prijs elk jaar afwijkt van de overeenkomstige benchmarkprijs die door middel van de regressie en de contractkenmerken is berekend;

 

in de tweede plaats wordt het meest naar boven afwijkende contract („MBA”) vastgesteld (3); dit is het contract in de dataset met de waargenomen prijs die (in absolute termen) het meest boven de eigen overeenkomstige benchmarkprijs ervan afwijkt. De keuze van MBA die een variatiebreedte boven de centrale schatting van de benchmarkprijs geeft is weliswaar conservatief, maar gerechtvaardigd; in de eerste plaats verklaart het econometrische model de waargenomen prijs in de dataset niet voor 100 % en wordt de ene schatting van de prijsbenchmark gegeven binnen een betrouwbaarheidsinterval en een foutmarge boven of onder de schatting; in de tweede plaats bestaan op de reële markt prijsafwijkingen van één mogelijke prijs; de MBA, die uit marktgebaseerde contracten voortvloeit (zie overwegingen 42 tot en met 45), geeft gekwantificeerde informatie over de mogelijke grootte van dergelijke afwijkingen en geeft een marktgebaseerde bandbreedte rond de berekende benchmarkprijs;

 

in de derde plaats wordt het prijsverschil met het MBA-contract gebruikt om de waargenomen prijzen boven de benchmarkprijs van contracten onder de benchmarkprijs te scheiden:

als een contract een waargenomen prijs heeft boven de overeenkomstige benchmarkprijs ervan en als het prijsverschil van dit contract hoger is dan het MBA-prijsverschil (4) wordt dit contract op het eerste gezicht als niet-marktconform beschouwd;

anders moet het contract worden geacht marktconform te zijn;

In de onderstaande tabel zijn de gedetailleerde resultaten van de regressieanalyse op de dataset weergegeven. De regressie verklaart 36 % van de variaties in de data. De coëfficiëntschattingen die in de onderstaande tabel worden weergegeven worden in een tweede fase gebruikt om de „benchmarkprijs” voor de onderzochte contracten te voorspellen (voorspellingen buiten de steekproef), ervan uitgaande dat het, zoals de contracten in de dataset, ook om kleinhandelscontracten zou gaan.

Resultaten van de econometrische analyse

Tabel 1

Regressieanalyse

Source

SS

df

MS

 

Number of obs

=

137

F(5,131)

=

14,73

Prob > F

=

0,0000

R-squared

=

0,3598

Adj R-squared

=

0,3354

Root MSE

=

23,937

Model

4218,7868

5

8436,95736

Residual

75057,7748

131

572,960113

Total

117242,562

136

862,077659


Average price RON ~ h

Coef.

Std. Err.

t

P > |t|

[95 % Conf. Interval]

Annual quantity GWh

– ,0114518

,0078662

– 1,46

0,148

– ,027013

,0041094

year

 

 

 

 

 

 

2008

26,39286

6,212094

4,25

0,000

14,10385

38,68186

2009

44,00499

6,668892

6,60

0,000

30,81234

57,19765

2010

32,16928

6,525077

4,93

0,000

19,26112

45,07744

2011

49,21547

6,458884

7,62

0,000

36,43826

61,99268

_cons

153,9978

5,159037

29,85

0,000

143,792

164,2036

In de volgende tabellen worden de resultaten weergegeven van de empirische analyse die gebruik maakt van de gedetailleerde regressieanalyse in tabel 1, waarbij voor elk jaar de MBA wordt gekozen op basis van het verschil in prijsniveaus (in RON/MWh) tussen de geschatte prijs van elk contract en de overeenkomstige waargenomen prijs ervan. In de onderstaande tabellen 2 en 3 worden de verschillen weergegeven tussen de contractuele aankoopprijzen van Hidroelectrica voor elk van de jaren (d.w.z.: 2009-2011) en de gesimuleerde prijsbenchmark voor de twee onderzochte bedrijven.

In 2009 geldt voor het MBA-contract, dat is het contract in de dataset met het hoogste verschil tussen de waargenomen prijs en de overeenkomstige geschatte prijs ervan, een prijsverschil dat op 69,73 RON/MWh wordt geschat. Voor geen van de twee contracten tussen Hidroelectrica en Termoelectrica en Electrocentrale Deva geldt een waargenomen prijs boven de geschatte prijs ervan met een prijsverschil groter dan 69,73 RON/MWh (zie tabel 2).

In 2010 geldt voor het MBA-contract een prijsverschil dat geschat wordt op 45,36 RON/MWh. Voor beide contracten tussen Hidroelectrica en Termoelectrica en Electrocentrale Deva geldt een waargenomen prijs boven de geschatte prijs ervan met een prijsverschil groter dan 45,36 RON/MWh, dat is een verschil van 53,05 RON/MWh voor het contract met Termoelectrica en 51,37 RON/MWh voor het contract met Electrocentrale Deva (zie tabel 2).

In 2011 geldt voor het MBA-contract een prijsverschil dat geschat wordt op 30,12 RON/MWh. Voor de twee contracten tussen Hidroelectrica en Termoelectrica en respectievelijk tussen Hidroelectrica en Electrocentrale Deva geldt een waargenomen prijs boven de geschatte prijs ervan met een prijsverschil groter dan 30,12 RON/MWh, dat is een verschil van 38,62 RON/MWh voor het contract met Termoelectrica en 32,64 RON/MWh voor het contract met Electrocentrale Deva (zie tabel 2).

Tabel 2

Analyse van contracten in de relevante periode 2009-2011

(in RON per MWh)

TERMOELECTRICA

2009

2010

2011

Waargenomen prijs (WP)

227,40

230,00

234,40

Voorspelde prijs (VP)

187,69

176,95

195,78

Verschil (WP-VP)

39,71

53,05

38,62

MBA

69,73

45,36

30,12

Verschil waargenomen prijs — Voorspelde prijs + MBA

< MBA

7,69

8,50

ELECTROCENTRALE DEVA

2009

2010

2011

Waargenomen prijs (OP)

230,20

234,00

234,00

Voorspelde prijs (VP)

192,28

182,63

201,54

Verschil (WP-VP)

37,92

51,37

32,46

MBA

69,73

45,36

30,12

Verschil waargenomen prijs — Voorspelde prijs + MBA

< MBA

6,01

2,34

Uit de bovenstaande resultaten blijkt dat de prijzen die door Hidroelectrica aan zowel Termoelectrica als Electrocentrale Deva in 2010 en 2011 zijn betaald boven een redelijke benchmark liggen bepaald door de datasetcontracten. Deze vergelijking wordt echter gemaakt tussen kleinhandelscontracten (alle contracten in de dataset) en groothandelscontracten tussen Hidroelectrica en Electrocentrale Deva en Termoelectrica. Met andere woorden, de gesimuleerde benchmarkprijzen omvatten kleinhandelskosten die voor de twee contracten niet zijn gemaakt en derhalve zijn de gesimuleerde benchmarkprijzen hoger dan de overeenkomstige groothandelsprijzen. Om dit verschil weer te geven is het derhalve onontbeerlijk een kleinhandelsmarge van 5 % af te trekken van de absolute waarden van de MBA (5). De resultaten worden in de onderstaande tabel getoond en bevestigen verder prijzen boven een marktbenchmark in 2010 en 2011 voor de twee leveranciers:

Tabel 3

Analyse van contracten door toepassing van een kleinhandelsmargevermindering van 5 % voor de relevante periode 2009-2011

(in RON per MWh)

TERMOELECTRICA

2009

2010

2011

Waargenomen prijs (OP)

227,40

230,00

234,40

Voorspelde prijs (VP)

187,69

176,95

195,78

Verschil (WP-VP)

39,71

53,05

38,62

MBA

69,73

45,36

30,12

Verschil waargenomen prijs — ((Voorspelde prijs + MBA) – 5 %)

< MBA

18,81

19,80

ELECTROCENTRALE DEVA

2009

2010

2011

Waargenomen prijs (OP)

230,20

234,00

234,00

Voorspelde prijs (VP)

192,28

182,63

201,54

Verschil (WP-VP)

37,92

51,37

32,46

MBA

69,73

45,36

30,12

Verschil waargenomen prijs — ((Voorspelde prijs + MBA) – 5 %)

< MBA

17,41

13,92

Concluderend kan worden gesteld dat uit de econometrische analyse contractprijzen voor Termoelectrica en Electrocentrale Deva boven de marktprijzen blijken. Gezien echter de grote onzekerheidsinterval die niet door het model wordt weergegeven, moet de conclusie van de econometrische analyse worden aangevuld met bijkomende economische informatie over de marktconformiteit van de handelwijze van Hidroelectrica en/of andere contractdata.


(1)  De in de dataset gedefinieerde variabelen contractduur en afnameprofiel van de koper zijn niet opgenomen omdat zij niet statistisch significant zijn.

(2)  Bij een voorbehandeling van de data vielen drie jaardata met betrekking tot contracten die met de groepsinterne verkopen van ALRO van 2009 tot en met 2011 samenhingen weg, omdat deze waarschijnlijk andere marktvoorwaarden weergeven dan die welke gelden bij bilaterale contractonderhandelingen tussen een leverancier en een onafhankelijke koper waarop in dit geval de focus ligt.

(3)  De regressie is verricht op 137 waarnemingen van individuele contractdata in de periode 2009-2011.

(4)  De initiële MBA voor het jaar 2011 stemt overeen met de groepsinterne verkopen van OMV Petrom. Omdat dergelijke groepsinterne verkopen, zoals die van Alro (zie voetnoot 2) waarschijnlijk andere marktvoorwaarden weergeven dan die welke gelden bij bilaterale contractonderhandelingen tussen een leverancier en een onafhankelijke koper, waarop in dit geval de focus ligt, wordt in plaats daarvan de volgende MBA gebruikt.

(5)  Op basis van de mediane waarde van de handelaarsmarge in Roemenië, KPMG Report for Energy Holdings, mei 2014, bijlage 3, blz. 53.