ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 146

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

58e jaargang
11 juni 2015


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/888 van de Commissie van 29 mei 2015 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Arroz Carolino do Baixo Mondego (BGA))

1

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/889 van de Commissie van 10 juni 2015 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

3

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit (EU) 2015/890 van de Raad van 8 juni 2015 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst (Nieuwe voedingsmiddelen)

5

 

*

Besluit (EU) 2015/891 van de Raad van 8 juni 2015 betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden (Begrotingsonderdeel 04.03.01.03)

9

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/892 van de Commissie van 9 juni 2015 tot goedkeuring van een programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in een bedrijf dat wilde eenden houdt in Portugal en van een aantal maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van dat pluimvee en producten daarvan (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 3745)

11

 

*

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/893 van de Commissie van 9 juni 2015 betreffende maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora glabripennis (Motschulsky) te voorkomen (Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 3772)

16

 

*

Besluit (EU) 2015/894 van de Commissie van 10 juni 2015 tot benoeming van een lid van het Europees Raadgevend Comité voor de statistiek

29

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) 2015/735 van de Raad van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Sudan en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 748/2014 ( PB L 117 van 8.5.2015 )

30

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

11.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/888 VAN DE COMMISSIE

van 29 mei 2015

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Arroz Carolino do Baixo Mondego (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Portugal ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Arroz Carolino do Baixo Mondego” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Arroz Carolino do Baixo Mondego” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De benaming „Arroz Carolino do Baixo Mondego” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.6. (Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 29 mei 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Phil HOGAN

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 25 van 24.1.2015, blz. 18.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).


11.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/889 VAN DE COMMISSIE

van 10 juni 2015

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 juni 2015.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

125,6

MK

79,0

TR

76,6

ZZ

93,7

0707 00 05

MK

39,4

TR

121,3

ZZ

80,4

0709 93 10

TR

121,5

ZZ

121,5

0805 50 10

AR

111,5

BO

147,7

BR

107,1

TR

111,0

ZA

137,7

ZZ

123,0

0808 10 80

AR

179,0

BR

100,0

CL

157,0

NZ

148,4

US

136,0

ZA

141,7

ZZ

143,7

0809 10 00

TR

241,9

ZZ

241,9

0809 29 00

TR

367,5

US

525,9

ZZ

446,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

11.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/5


BESLUIT (EU) 2015/890 VAN DE RAAD

van 8 juni 2015

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst (Nieuwe voedingsmiddelen)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan bijlage II bij de EER-overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Bijlage II bij de EER-overeenkomst bevat specifieke bepalingen en regelingen betreffende technische voorschriften, normen, keuring en certificatie.

(4)

Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (3) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(5)

Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (4) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(6)

Aanbeveling 97/618/EG van de Commissie (5) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(7)

Artikel 38 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (6) wijzigt Verordening (EG) nr. 258/97 en dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(8)

Bijlage II bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(9)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet derhalve worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage II (betreffende technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 8 juni 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

D. REIZNIECE-OZOLA


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.

(3)  Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie van 20 september 2001 houdende nadere regels voor de openbaarmaking van bepaalde gegevens en de bescherming van ingevolge Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad verstrekte gegevens (PB L 253 van 21.9.2001, blz. 17).

(5)  Aanbeveling 97/618/EG van de Commissie van 29 juli 1997 betreffende de wetenschappelijke aspecten en de presentatie van de informatie die nodig is om aanvragen voor het in de handel brengen van nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten te ondersteunen alsmede het opstellen van de verslagen van de eerste beoordeling uit hoofde van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 253 van 16.9.1997, blz. 1).

(6)  Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).


ONTWERP

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. …/2015

van …

tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna de „EER-overeenkomst” genoemd), en met name artikel 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (1) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(2)

Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie van 20 september 2001 houdende nadere regels voor de openbaarmaking van bepaalde gegevens en de bescherming van ingevolge Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad verstrekte gegevens (2) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(3)

Aanbeveling 97/618/EG van de Commissie van 29 juli 1997 betreffende de wetenschappelijke aspecten en de presentatie van de informatie die nodig is om aanvragen voor het in de handel brengen van nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten te ondersteunen alsmede het opstellen van de verslagen van de eerste beoordeling uit hoofde van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (3) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(4)

Artikel 38 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (4) wijzigt Verordening (EG) nr. 258/97 en dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen.

(5)

Dit besluit heeft betrekking op wetgeving inzake voedingsmiddelen. Wetgeving inzake voedingsmiddelen is niet van toepassing op Liechtenstein, zolang de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten van toepassing blijft in Liechtenstein, zoals bepaald in de inleiding van hoofdstuk XII van bijlage II bij de EER-overeenkomst. Dit besluit is derhalve niet van toepassing op Liechtenstein.

(6)

Bijlage II bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Hoofdstuk XII van bijlage II bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1.

Na punt 97 (Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad) wordt het volgende toegevoegd:

„98.

31997 R 0258: Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1), gewijzigd bij:

32003 R 1829: Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1),

32008 R 1332: Verordening (EG) nr. 1332/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 (PB L 354 van 31.12.2008, blz. 7).

De bepalingen van de verordening worden voor de toepassing van deze overeenkomst als volgt aangepast:

Aan Artikel 7 wordt het volgende toegevoegd:

„Indien de Commissie een vergunningsbesluit treft, treffen de EVA-staten tegelijkertijd, en binnen 30 dagen na het besluit van de Commissie, een overeenstemmend besluit. Het Gemengd Comité van de EER wordt daarvan in kennis gesteld en publiceert periodiek de lijsten van bedoelde besluiten in het EER-supplement bij het Publicatieblad.

Indien tussen de overeenkomstsluitende partijen onenigheid rijst over de toepassing van deze bepalingen, is deel VII van de Overeenkomst van overeenkomstige toepassing.”

99.

32001 R 1852: Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie van 20 september 2001 houdende nadere regels voor de openbaarmaking van bepaalde gegevens en de bescherming van ingevolge Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad verstrekte gegevens (PB L 253 van 21.9.2001, blz. 17).”

2.

Na punt 16 (Aanbeveling 2013/647/EU van de Commissie) wordt onder „BESLUITEN WAARMEE DE EVA-LANDEN EN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA REKENING DIENEN TE HOUDEN” het volgende punt toegevoegd:

„17.

31997 H 0618: Aanbeveling 97/618/EG van de Commissie van 29 juli 1997 betreffende de wetenschappelijke aspecten en de presentatie van de informatie die nodig is om aanvragen voor het in de handel brengen van nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten te ondersteunen alsmede het opstellen van de verslagen van de eerste beoordeling uit hoofde van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 253 van 16.9.1997, blz. 1).”.

Artikel 2

De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van de Verordeningen (EG) nr. 258/97, (EG) nr. 1852/2001 en (EG) nr. 1829/2003 en van Aanbeveling 97/618/EG zijn authentiek.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op …, mits alle in artikel 103, lid 1, van de Overeenkomst bedoelde kennisgevingen aan het Gemengd Comité van de EER hebben plaatsgevonden (*1).

Artikel 4

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, ….

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

De secretarissen

van het Gemengd Comité van de EER


(1)   PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1.

(2)   PB L 253 van 21.9.2001, blz. 17.

(3)   PB L 253 van 16.9.1997, blz. 1.

(4)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.

(*1)  [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]


11.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/9


BESLUIT (EU) 2015/891 VAN DE RAAD

van 8 juni 2015

betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden (Begrotingsonderdeel 04.03.01.03)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 46 en 48, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan onder meer protocol 31 bij de EER-overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst bevat bepalingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden.

(4)

Het is passend de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst voort te zetten inzake het vrije verkeer van werknemers, de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit derde landen.

(5)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst moet derhalve worden gewijzigd, teneinde voortzetting van die uitgebreide samenwerking na 31 december 2014 mogelijk te maken.

(6)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet derhalve worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 8 juni 2015.

Voor de Raad

De voorzitter

D. REIZNIECE-OZOLA


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.


ONTWERP

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITE VAN DE EER Nr. …/2015

van

tot wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

HET GEMENGD COMITE VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hierna de „EER-overeenkomst” genoemd, en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is passend de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot samenwerking inzake het vrije verkeer van werknemers, de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit derde landen.

(2)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst moet derhalve worden gewijzigd om die uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2015 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In de leden 5 en 13 van artikel 5 van protocol 31 bij de EER-overeenkomst worden de woorden „het financieel jaar 2014” vervangen door de woorden „de financiële jaren 2014 en 2015”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (*1).

Het is van toepassing vanaf 1 januari 2015.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, …

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

De secretarissen

van het Gemengd Comité van de EER


(*1)  [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]


11.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/11


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/892 VAN DE COMMISSIE

van 9 juni 2015

tot goedkeuring van een programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in een bedrijf dat wilde eenden houdt in Portugal en van een aantal maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van dat pluimvee en producten daarvan

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 3745)

(Slechts de tekst in de Portugese taal is authentiek)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (1), en met name artikel 57, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2005/94/EG bepaalt dat de lidstaten erop moeten toezien dat vaccinatie tegen aviaire influenza op hun grondgebied verboden is, behalve wanneer noodvaccinatie of preventieve vaccinatie wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden in de desbetreffende afdelingen van hoofdstuk IX van die richtlijn.

(2)

Op grond van hoofdstuk IX, afdeling 3, van Richtlijn 2005/94/EG kunnen de lidstaten als langetermijnmaatregel ter bestrijding van die ziekte preventieve vaccinatie uitvoeren indien zij op basis van een risicobeoordeling van mening zijn dat bepaalde delen van hun grondgebied, bepaalde soorten pluimveehouderij, bepaalde categorieën pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels aan het risico van aviaire influenza blootstaan.

(3)

Overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder c), van die richtlijn mogen voor de vaccinatie van pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels tegen aviaire influenza alleen bij Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) of Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) toegestane vaccins worden gebruikt.

(4)

Laagpathogene aviaire influenza is in Portugal uitgeroeid. Uit de resultaten van een risicobeoordeling blijkt echter dat waardevolle wilde fokeenden die worden gehouden op een bedrijf in Vila Nova da Barquinha in de regio Lisboa e Vale do Tejo, Ribatejo Norte, vanwege een mogelijk indirect contact met wilde vogels nog steeds blootstaan aan gevaar van besmetting met aviaire influenza.

(5)

Portugal heeft de Commissie derhalve opeenvolgende programma's voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza ter goedkeuring voorgelegd, waarvan het meest recente bij Uitvoeringsbesluit 2013/651/EU van de Commissie (4) werd goedgekeurd en door Portugal tot en met 31 juli 2014 werd uitgevoerd.

(6)

Overeenkomstig dat uitvoeringsbesluit heeft Portugal een verslag over de uitvoering van het programma ingediend bij het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Uit dat verslag bleek dat de circulatie van het virus in de gevaccineerde koppels wilde eenden alsook in omliggende pluimveebedrijven met succes werd voorkomen.

(7)

In wetenschappelijke adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid van 2005 (5), 2007 (6) en 2008 (7) werd bevestigd dat preventieve vaccinatie een waardevol middel ter aanvulling van de maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza is.

(8)

Op 1 februari 2015 heeft Portugal de Commissie een nieuw programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza ter goedkeuring voorgelegd. Dat programma („het preventievevaccinatieprogramma”) zou tot en met 31 december 2020 worden toegepast.

(9)

Gezien de epidemiologische situatie met betrekking tot laagpathogene aviaire influenza in Portugal, het met het soort bedrijf in kwestie samenhangende risico en de beperkte omvang van het preventievevaccinatieprogramma, moet het programma worden goedgekeurd en tot 31 december 2020 worden uitgevoerd.

(10)

Om een eventuele onopgemerkte circulatie van het virus bij gevaccineerde wilde eenden op te sporen, moet overeenkomstig het preventievevaccinatieprogramma bovendien worden gezorgd voor toezicht en laboratoriumtests op het bedrijf waar de gevaccineerde wilde eenden en niet-gevaccineerde verklikkerdieren worden gehouden.

(11)

Ook dienen overeenkomstig het preventievevaccinatieprogramma bepaalde beperkingen te worden toegepast op verplaatsingen en verzendingen van gevaccineerde wilde eenden, de broedeieren daarvan en wilde eenden afkomstig van deze eenden. Gezien het kleine aantal wilde eenden op het bedrijf waar de preventieve vaccinatie moet worden uitgevoerd en om redenen van traceerbaarheid en logistiek mogen de gevaccineerde wilde eenden dat bedrijf niet verlaten, maar moeten zij na het einde van hun voortplantingscyclus worden gedood overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (8) en moeten zij veilig worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (9).

(12)

Voor de handel in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, heeft Portugal aanvullende maatregelen genomen krachtens Beschikking 2006/605/EG van de Commissie (10).

(13)

Om de economische gevolgen voor het betrokken bedrijf te beperken, moeten bepaalde afwijkingen van de verplaatsingsbeperkingen voor wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde oudereenden worden toegestaan, op voorwaarde dat deze verplaatsingen het risico voor verspreiding van aviaire influenza niet verhogen, dat officieel toezicht wordt gehouden en dat aan de specifieke veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer binnen de Unie wordt voldaan.

(14)

Opdat de Commissie en andere lidstaten toezicht kunnen houden op de uitvoering van het preventievevaccinatieprogramma van Portugal, is het aangewezen dat Portugal regelmatig verslag uitbrengt aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders.

(15)

Aangezien het plan voor meerdere jaren moet worden goedgekeurd, dient Portugal het preventievevaccinatieprogramma wellicht op enkele punten aan te passen, zoals het aantal te vaccineren wilde eenden of het soort vaccin dat zal worden gebruikt, alsook de mogelijkheid dat de vaccinatie voortijdig wordt stopgezet. Bij dit besluit moet Portugal dan ook verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van de voorgenomen aanpassingen waarmee de Commissie kan instemmen zonder dat het plan opnieuw hoeft worden beoordeeld of waarvoor een nieuwe goedkeuringsprocedure moet worden doorlopen.

(16)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In dit besluit worden bepaalde maatregelen vastgesteld die in Portugal moeten worden genomen in één bedrijf in de gemeente Vila Nova da Barquinha in de regio Lisboa e Vale do Tejo, Ribatejo Norte, waar wilde eenden (Anas platyrhynchos) die bestemd zijn om in het wild te worden uitgezet („wilde eenden”), preventief worden gevaccineerd en waar een bijzonder risico bestaat dat aviaire influenza wordt binnengebracht.

Deze maatregelen omvatten:

a)

bepaalde beperkingen op de verplaatsing binnen Portugal en de verzending uit Portugal van de gevaccineerde wilde eenden, de broedeieren daarvan en daaruit afkomstige wilde eenden;

b)

het verwijderen van gevaccineerde wilde eenden.

2.   Dit besluit is van toepassing onverminderd de beschermende maatregelen die Portugal neemt overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG en Beschikking 2006/605/EG.

Artikel 2

Goedkeuring van het preventievevaccinatieprogramma

1.   Het programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in Portugal („het preventievevaccinatieprogramma”), dat op 1 februari 2015 door Portugal bij de Commissie is ingediend en dat tot 31 december 2020 op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf moet worden uitgevoerd, wordt goedgekeurd.

2.   De Commissie publiceert het preventievevaccinatieprogramma op haar website.

Artikel 3

Voorwaarden voor de uitvoering van het preventievevaccinatieprogramma

1.   Portugal zorgt ervoor dat het preventievevaccinatieprogramma wordt uitgevoerd met een monovalent geïnactiveerd vaccin dat aviaire influenza van subtype H5 bevat en dat overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 is toegestaan.

2.   Portugal zorgt ervoor dat het preventievevaccinatieprogramma wordt uitgevoerd zoals het is meegedeeld.

Artikel 4

Merken en beperkingen op verplaatsingen, verzendingen en verwijdering van gevaccineerde wilde eenden

Portugal zorgt ervoor dat gevaccineerde wilde eenden op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf:

a)

individueel worden gemerkt;

b)

niet worden verplaatst naar andere pluimveehouderijen in Portugal;

c)

niet uit Portugal worden verzonden.

Na hun voortplantingsperiode moeten die wilde eenden op het in artikel 1, lid 1, van dit besluit bedoelde bedrijf worden gedood overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1099/2009 en moeten hun karkassen veilig worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EU) nr. 142/2011.

Artikel 5

Beperkingen op verplaatsingen en verzendingen van broedeieren van wilde eenden op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf

Portugal zorgt ervoor dat broedeieren van wilde eenden op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf:

a)

uitsluitend worden verplaatst naar een broederij in Portugal;

b)

niet uit Portugal worden verzonden.

Artikel 6

Beperkingen op verplaatsingen en verzendingen van wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden

1.   Portugal zorgt ervoor dat wilde eenden afkomstig van de gevaccineerde wilde oudereenden uitsluitend na het uitbroeden worden verplaatst van het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf naar een bedrijf in een gebied rondom het eerstgenoemde bedrijf zoals door Portugal vastgesteld in het preventievevaccinatieprogramma.

2.   In afwijking van lid 1 en op voorwaarde dat zij meer dan vier maanden oud zijn, mogen wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde oudereenden:

a)

in Portugal in het wild worden uitgezet, of

b)

uit Portugal worden verzonden, mits:

i)

de resultaten van het toezicht en de laboratoriumtests die in het preventievevaccinatieprogramma zijn aangegeven, gunstig zijn;

ii)

wordt voldaan aan de voorwaarden van Beschikking 2006/605/EG voor de verzending van pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet.

Artikel 7

Gezondheidscertificaten voor het handelsverkeer binnen de Unie in wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde oudereenden

Portugal zorgt ervoor dat de gezondheidscertificaten bij op grond van artikel 6, lid 2, onder b), verzonden wilde eenden voor het handelsverkeer binnen de Unie in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, de volgende zin bevatten:

„Deze zending voldoet aan de bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/892 van de Commissie (*1) vastgestelde veterinairrechtelijke voorwaarden.

(*1)   PB L 146 van 11.6.2015, blz. 11.” "

.

Artikel 8

Verslagen en informatie

1.   Portugal dient binnen één maand na de kennisgeving van dit besluit een verslag in bij de Commissie over de uitvoering van het preventievevaccinatieprogramma en brengt vervolgens elk jaar verslag uit tijdens de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders.

2.   Portugal informeert de Commissie over het volgende:

a)

geplande wijzigingen van het preventievevaccinatieprogramma die overeenkomstig artikel 2 moeten worden goedgekeurd;

b)

de datum van stopzetting van de preventieve vaccinatie op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf.

3.   De Commissie onderzoekt de door Portugal voorgestelde wijzigingen en:

a)

stemt ofwel in met de voorgestelde wijzigingen van het overeenkomstig artikel 2 goedgekeurde preventievevaccinatieprogramma, of

b)

start een nieuwe goedkeuringsprocedure voor het gewijzigde preventievevaccinatieprogramma.

Artikel 9

Toepasselijkheid

Dit besluit is van toepassing tot en met 31 december 2020.

Artikel 10

Adressaat

Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.

Gedaan te Brussel, 9 juni 2015.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.

(2)  Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsbesluit 2013/651/EU van de Commissie van 8 november 2013 tot goedkeuring van een programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in een bedrijf dat wilde eenden houdt in Portugal en van een aantal bepalingen inzake de verplaatsingen en producten daarvan (PB L 302 van 13.11.2013, blz. 53).

(5)  Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of Avian Influenza (The EFSA Journal (2005) 266, 1-21).

(6)  Scientific Opinion on Vaccination against avian influenza of H5 and H7 subtypes in domestic poultry and captive birds (The EFSA Journal (2007) 489).

(7)  Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of avian influenza and the risks of its introduction into the EU poultry holdings (The EFSA Journal (2008) 715, 1-161).

(8)  Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1).

(9)  Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).

(10)  Beschikking 2006/605/EG van de Commissie van 6 september 2006 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen voor het intracommunautaire handelsverkeer in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet (PB L 246 van 8.9.2006, blz. 12).


11.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/16


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/893 VAN DE COMMISSIE

van 9 juni 2015

betreffende maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora glabripennis (Motschulsky) te voorkomen

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 3772)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 3, derde zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Anoplophora glabripennis (Motschulsky), hierna het „nader omschreven organisme” genoemd, is een schadelijk organisme opgenomen in bijlage I, deel A, rubriek I, onder a), punt 4.1, bij Richtlijn 2000/29/EG als een organisme dat voor zover bekend niet in de Unie voorkomt.

(2)

Sinds de vaststelling van Beschikking 2005/829/EG van de Commissie (2) hebben Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk steeds vaker uitbraken en gevallen van het nader omschreven organisme gemeld. Het is derhalve passend om maatregelen vast te stellen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van het nader omschreven organisme te voorkomen.

(3)

Gezien de gelijkenissen tussen het nader omschreven organisme en Anoplophora chinensis (Forster) is het passend om gelijkaardige maatregelen als die bepaald in Uitvoeringsbesluit 2012/138/EU van de Commissie (3) vast te stellen, behalve wanneer de biologie van het nader omschreven organisme een andere aanpak vereist. Aangezien het waarschijnlijk is dat het nader omschreven organisme het deel van de planten dat gebruikt wordt om hout te verkrijgen, besmet, moeten er in het bijzonder voorschriften voor hout en houten verpakkingsmateriaal worden vastgesteld.

(4)

Bovendien laat de huidige wetenschappelijke kennis toe te bepalen welke planten waarschijnlijk waardplanten voor het nader omschreven organisme zijn. Daarom is het met het oog op de zekerheid passend om de waardplanten die onder dit besluit vallen, te specificeren.

(5)

Duidelijkheidshalve is het ook passend om de omstandigheden te specificeren waarin de lidstaten kunnen besluiten om nader omschreven planten rond de besmette planten niet te kappen.

(6)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

In dit besluit wordt verstaan onder:

a)   „nader omschreven planten”: voor opplant bestemde planten met een stamdiameter van 1 cm of meer op hun dikste punt, met uitzondering van zaden, van Acer spp., Aesculus spp., Alnus spp., Betula spp., Carpinus spp., Cercidiphyllum spp., Corylus spp., Fagus spp., Fraxinus spp., Koelreuteria spp., Platanus spp., Populus spp., Salix spp., Tilia spp. en Ulmus spp.;

b)   „nader omschreven hout”: hout, geheel of deels verkregen van de nader omschreven planten, dat voldoet aan elk van de volgende punten:

i)

het is hout zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2000/29/EG, met uitzondering van houten verpakkingsmateriaal, inclusief hout dat zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, en

ii)

het wordt genoemd in de volgende omschrijvingen vastgesteld in bijlage I, deel II, bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (4) in de versie van 1 januari 2015:

GN-code

Omschrijving

4401 10 00

Brandhout, in de vorm van ronde en andere blokken, rijshout, takkenbossen en dergelijke

4401 22 00

Ander hout dan naaldhout in plakjes, spanen of kleine stukjes

ex 4401 39 80

Andere resten en afval van hout, niet geperst tot blokken, briketten, pellets of dergelijke vormen

4403 10 00

Hout, onbewerkt, behandeld met verf, met creosoot of met andere conserveringsmiddelen, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

4403 92

Hout van beuk (Fagus spp.), onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

ex 4403 99

Ander hout dan naaldhout (behalve hout van beuk (Fagus spp.), hout van populier (Populus spp.) of hout van berk (Betula spp.)), onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

4403 99 10

Hout van populier (Populus spp.), onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

4403 99 51

Zaaghout en hout bestemd om te worden gesneden of geschild van berk (Betula spp.), onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd

4403 99 59

Hout van berk (Betula spp.), onbewerkt, ook indien ontschorst, ontdaan van het spint of enkel vierkant behakt of vierkant bezaagd, ander dan zaaghout en hout bestemd om te worden gesneden of geschild van berk

ex 4404 20 00

Gekloofde staken van ander hout dan naaldhout; palen en stokken van hout, aangepunt doch niet overlangs gezaagd

4406

Houten dwarsliggers en wisselhouten

4407 92 00

Hout van beuk (Fagus spp.), overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden, met een dikte van meer dan 6 mm

4407 93

Hout van esdoorn (Acer spp.), overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden, met een dikte van meer dan 6 mm

4407 95

Hout van es (Fraxinus spp.), overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden, met een dikte van meer dan 6 mm

ex 4407 99

Ander hout dan naaldhout (behalve hout van beuk (Fagus spp.), hout van esdoorn (Acer spp.), hout van es (Fraxinus spp.) of hout van populier (Populus spp.)), overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden, met een dikte van meer dan 6 mm

4407 99 91

Hout van populier (Populus spp.), overlangs gezaagd of afgestoken, dan wel gesneden of geschild, ook indien geschaafd, geschuurd of in de lengte verbonden, met een dikte van meer dan 6 mm

9406 00 20

Geprefabriceerde bouwwerken van hout

c)   „nader omschreven houten verpakkingsmateriaal”: verpakkingsmateriaal, geheel of deels verkregen van de nader omschreven planten;

d)   „plaats van productie”: de plaats van productie als omschreven in de internationale norm nr. 5 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen (5) (hierna „ISPM” genoemd);

e)   „nader omschreven organisme”: Anoplophora glabripennis (Motschulsky);

f)   „waardplanten”: planten die behoren tot de soorten genoemd in bijlage I.

Artikel 2

Invoer van de nader omschreven planten

Wat betreft de invoer uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mogen de nader omschreven planten alleen in de Unie worden binnengebracht als zij aan de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij voldoen aan de specifieke invoervoorschriften, vastgesteld in bijlage II, rubriek 1, punt A, onder 1);

b)

bij binnenkomst in de Unie zijn zij door de verantwoordelijke officiële instantie overeenkomstig bijlage II, rubriek 1, punt A, onder 2), geïnspecteerd op de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en er zijn geen tekenen van dat organisme gevonden.

Artikel 3

Invoer van nader omschreven hout

Wat betreft de invoer uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mag nader omschreven hout alleen in de Unie worden binnengebracht als het aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

het voldoet aan de specifieke invoervoorschriften, vastgesteld in bijlage II, rubriek 1, punt B, onder 1) en 2);

b)

bij binnenkomst in de Unie is het door de verantwoordelijke officiële instantie overeenkomstig bijlage II, rubriek 1, punt B, onder 3), geïnspecteerd op de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en er zijn geen tekenen van dat organisme gevonden.

Artikel 4

Vervoer van de nader omschreven planten binnen de Unie

Nader omschreven planten van oorsprong uit afgebakende gebieden, als vastgesteld overeenkomstig artikel 7, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt A, onder 1).

Nader omschreven planten die niet zijn geteeld in afgebakende gebieden maar in dergelijke gebieden zijn binnengebracht, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt A, onder 2).

Nader omschreven planten, ingevoerd overeenkomstig artikel 2 uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt A, onder 3).

Artikel 5

Vervoer van nader omschreven hout en nader omschreven houten verpakkingsmateriaal binnen de Unie

Nader omschreven hout van oorsprong uit afgebakende gebieden, als vastgesteld overeenkomstig artikel 7, mag alleen binnen de Unie worden vervoerd als het voldoet aan de respectieve voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt B, onder 1) tot en met 3).

Nader omschreven hout dat zijn natuurlijke ronde oppervlak geheel of deels heeft behouden en niet van oorsprong is uit afgebakende gebieden maar binnengebracht is in zulke gebieden, mag alleen binnen de Unie worden vervoerd als het voldoet aan de respectieve voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt B, onder 1) en 3).

Nader omschreven houten verpakkingsmateriaal van oorsprong uit afgebakende gebieden, als vastgesteld overeenkomstig artikel 7, mag alleen binnen de Unie worden vervoerd als het voldoet aan de voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt C.

Artikel 6

Onderzoeken van het nader omschreven organisme

1.   De lidstaten voeren officiële jaarlijkse onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en voor de verzameling van bewijzen van besmetting door dat organisme op waardplanten op hun grondgebied.

2.   Onverminderd artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG worden de Commissie en de andere lidstaten elk jaar uiterlijk op 30 april van de resultaten van die onderzoeken in kennis gesteld.

Artikel 7

Afgebakende gebieden

1.   Wanneer de resultaten van de in artikel 6, lid 1, bedoelde onderzoeken de aanwezigheid van het nader omschreven organisme in een gebied bevestigen of de aanwezigheid van dat organisme op een andere wijze wordt aangetoond, stellen de betrokken lidstaten onverwijld afgebakende gebieden in die bestaan uit een besmette zone en een bufferzone, overeenkomstig bijlage III, rubriek 1.

2.   De lidstaten hoeven geen afgebakende gebieden in te stellen, als bedoeld in lid 1, als aan de voorwaarden van bijlage III, rubriek 2, punt 1 wordt voldaan. In een dergelijk geval nemen de lidstaten de maatregelen zoals vastgesteld in punt 2 van die rubriek.

3.   De lidstaten nemen maatregelen in de afgebakende gebieden, als vastgesteld in bijlage III, rubriek 3.

4.   De lidstaten stellen termijnen vast voor de uitvoering van de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen.

Artikel 8

Verslaglegging over de maatregelen

1.   De lidstaten doen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 30 april van elk jaar een verslag toekomen met een bijgewerkte lijst van alle afgebakende gebieden, ingesteld uit hoofde van artikel 7, alsook informatie over hun beschrijving en ligging met kaarten waarop de grenzen van de gebieden zijn aangegeven, en de maatregelen die de lidstaten hebben genomen of voornemens zijn te nemen.

2.   Ingeval de lidstaten besluiten om geen afgebakend gebied in te stellen overeenkomstig artikel 7, lid 2, bevat het verslag gegevens en redenen ter rechtvaardiging van dat besluit.

3.   Ingeval een lidstaat besluit overeenkomstig bijlage III, rubriek 3, punt 2, inperkingsmaatregelen te nemen in plaats van uitroeiingsmaatregelen, brengt hij de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte met een opgave van de redenen.

Artikel 9

Naleving van dit besluit

De lidstaten nemen alle maatregelen om aan dit besluit te voldoen en wijzigen zo nodig de maatregelen die zij hebben genomen om zich te beschermen tegen het binnenbrengen en de verspreiding van het nader omschreven organisme op zodanige wijze dat die maatregelen aan dit besluit voldoen. Zij stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van die maatregelen.

Artikel 10

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 9 juni 2015.

Voor de Commissie

Vytenis ANDRIUKAITIS

Lid van de Commissie


(1)   PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.

(2)  Beschikking 2005/829/EG van de Commissie van 24 november 2005 tot intrekking van de Beschikkingen 1999/355/EG en 2001/219/EG (PB L 311 van 26.11.2005, blz. 39).

(3)  Uitvoeringsbesluit 2012/138/EU van de Commissie van 1 maart 2012 tot vaststelling van noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora chinensis (Forster) te voorkomen (PB L 64 van 3.3.2012, blz. 38).

(4)  Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).

(5)  Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No 5 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 2013.


BIJLAGE I

SOORTEN WAARDPLANTEN WAARNAAR VERWEZEN WORDT IN ARTIKEL 1, ONDER f)

 

Acer spp.

 

Aesculus spp.

 

Albizia spp.

 

Alnus spp.

 

Betula spp.

 

Buddleja spp.

 

Carpinus spp.

 

Celtis spp.

 

Cercidiphyllum spp.

 

Corylus spp.

 

Elaeagnus spp.

 

Fagus spp.

 

Fraxinus spp.

 

Hibiscus spp.

 

Koelreuteria spp.

 

Malus spp.

 

Melia spp.

 

Morus spp.

 

Platanus spp.

 

Populus spp.

 

Prunus spp.

 

Pyrus spp.

 

Quercus rubra

 

Robinia spp.

 

Salix spp.

 

Sophora spp.

 

Sorbus spp.

 

Tilia spp.

 

Ulmus spp.


BIJLAGE II

1.   SPECIFIEKE INVOERVOORSCHRIFTEN

A.   Nader omschreven planten

1.

Nader omschreven planten van oorsprong uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, moeten vergezeld gaan van een certificaat als bedoeld in artikel 13, lid 1, ii), van Richtlijn 2000/29/EG waarin onder de rubriek „aanvullende verklaring” wordt aangegeven:

a)

dat de planten permanent zijn geteeld in een plaats van productie die is geregistreerd en wordt gecontroleerd door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong en die is gelegen in een ziektevrij gebied dat door die dienst is vastgesteld overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen. De naam van het ziektevrije gebied moet worden vermeld onder de rubriek „plaats van oorsprong”, of

b)

dat de planten gedurende een periode van ten minste twee jaar vóór de uitvoer of in geval van planten jonger dan twee jaar permanent zijn geteeld in een plaats van productie die vrij van het nader omschreven organisme is verklaard overeenkomstig de internationale normen voor fytosanitaire maatregelen:

i)

die is geregistreerd door en onder toezicht staat van de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong, en

ii)

die jaarlijks is onderworpen aan ten minste twee zorgvuldige officiële inspecties naar tekenen van het nader omschreven organisme, die op daartoe geschikte tijdstippen zijn uitgevoerd en waarbij geen tekenen van het organisme zijn gevonden, en

iii)

waar de planten zijn geteeld op een terrein:

dat volledig fysiek is beschermd tegen het binnenbrengen van het nader omschreven organisme, of

waar passende preventieve behandelingen worden toegepast en dat is omgeven door een bufferzone met een straal van minstens twee kilometer, waar jaarlijks op daartoe geschikte tijdstippen officiële onderzoeken naar de aanwezigheid of tekenen van het nader omschreven organisme worden uitgevoerd. Ingeval de aanwezigheid of tekenen van het nader omschreven organisme worden vastgesteld, worden onmiddellijk uitroeiingsmaatregelen genomen om de bufferzone opnieuw ziektevrij te maken, en

iv)

waar de zendingen van de planten onmiddellijk vóór de uitvoer zijn onderworpen aan een zorgvuldige officiële inspectie naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme, met name in de stammen en de takken van de planten. Deze inspectie moet een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten. Wanneer zendingen planten omvatten van oorsprong van terreinen die zich op het moment van hun productie in een bufferzone bevonden waar de aanwezigheid of tekenen van het nader omschreven organisme waren vastgesteld, moet de destructieve bemonstering van de planten van die zending uitgevoerd worden op het in de volgende tabel vastgestelde niveau:

Aantal planten in de partij

Niveau destructieve bemonstering (aantal te vernietigen planten)

1-4 500

10 % van de partijgrootte

> 4 500

450

of

c)

dat de planten zijn geteeld uit wortelstokken die voldoen aan de voorschriften van punt b) en zijn geënt met enten die aan de volgende vereisten voldoen:

i)

bij uitvoer is de diameter van de geënte enten niet meer dan 1 cm op het dikste punt;

ii)

de geënte planten zijn geïnspecteerd overeenkomstig punt b), iv).

2.

De overeenkomstig punt 1 ingevoerde nader omschreven planten moeten zorgvuldig officieel worden geïnspecteerd op de plaats van binnenkomst of de plaats van bestemming vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG (1). De toegepaste inspectiemethoden moeten ervoor zorgen dat alle tekenen van het nader omschreven organisme, met name in de stammen en de takken van de planten, worden opgespoord. Deze inspectie moet in voorkomend geval een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten.

B.   Nader omschreven hout

1.

Nader omschreven hout, met uitzondering van hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, schaafsel, resten en afval van oorsprong uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, moet vergezeld gaan van een certificaat als bedoeld in artikel 13, lid 1, ii), van Richtlijn 2000/29/EG waarin onder de rubriek „aanvullende verklaring” wordt aangegeven:

a)

dat het hout van oorsprong is uit ziektevrije gebieden, vastgesteld door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen, waarvan geweten is dat het nader omschreven organisme er niet voorkomt. De naam van het ziektevrije gebied moet worden vermeld onder de rubriek „plaats van oorsprong”, of

b)

dat het hout van bast ontdaan is en een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan.

Ingeval b) van toepassing is, moet dat blijken uit het merkteken „HT” dat aangebracht is op het hout of op de verpakking overeenkomstig het huidige gebruik.

2.

Nader omschreven hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, schaafsel, resten en afval van oorsprong uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, moet vergezeld gaan van een certificaat als bedoeld in artikel 13, lid 1, ii), van Richtlijn 2000/29/EG waarin onder de rubriek „aanvullende verklaring” wordt aangegeven:

a)

dat het hout van oorsprong is uit ziektevrije gebieden, vastgesteld door de nationale plantenziektekundige dienst van het land van oorsprong overeenkomstig de desbetreffende internationale normen voor fytosanitaire maatregelen, waarvan geweten is dat het nader omschreven organisme er niet voorkomt. De naam van het ziektevrije gebied moet worden vermeld onder de rubriek „plaats van oorsprong”, of

b)

dat het hout van bast ontdaan is en een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) heeft ondergaan, of

c)

dat het hout is verwerkt tot stukken met een dikte en breedte van maximaal 2,5 cm.

3.

Het overeenkomstig de punten 1 en 2 ingevoerde nader omschreven hout moet zorgvuldig officieel worden geïnspecteerd op de plaats van binnenkomst of de plaats van bestemming vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG.

2.   VERVOERSVOORWAARDEN

A.   Nader omschreven planten

1.

Nader omschreven planten van oorsprong (2) uit afgebakende gebieden mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (3) en gedurende een periode van minstens twee jaar vóór het vervoer of in geval van planten jonger dan twee jaar permanent zijn geteeld in een plaats van productie:

a)

die is geregistreerd overeenkomstig Richtlijn 92/90/EEG van de Commissie (4), en

b)

die jaarlijks is onderworpen aan ten minste twee zorgvuldige officiële inspecties naar tekenen van het nader omschreven organisme, die op daartoe geschikte tijdstippen zijn uitgevoerd en waarbij geen tekenen van het nader omschreven organisme zijn gevonden; zo nodig moet deze inspectie een doelgerichte destructieve bemonstering van de stammen en de takken van planten omvatten, en

c)

waar de planten zijn geteeld op een terrein:

dat volledig fysiek is beschermd tegen het binnenbrengen van het nader omschreven organisme, of

waar passende preventieve behandelingen worden toegepast of een doelgerichte destructieve bemonstering op elke partij van de nader omschreven planten wordt uitgevoerd vóórdat zij worden vervoerd, op het niveau dat is vastgesteld in de onderstaande tabel en waar in elk geval jaarlijks op daartoe geschikte tijdstippen binnen een straal van minstens één kilometer rond het terrein officiële onderzoeken naar de aanwezigheid of tekenen van het nader omschreven organisme worden uitgevoerd en het nader omschreven organisme of tekenen daarvan niet zijn gevonden.

Aantal planten in de partij

Niveau destructieve bemonstering (aantal te vernietigen planten)

1-4 500

10 % van de partijgrootte

> 4 500

450

Wortelstokken die aan de voorschriften van de eerste alinea van dit punt voldoen, mogen worden geënt met enten die niet onder deze omstandigheden zijn geteeld, maar waarvan de diameter op het dikste punt niet groter is dan 1 cm.

2.

Nader omschreven planten niet van oorsprong uit afgebakende gebieden, maar binnengebracht in een plaats van productie in dergelijke gebieden, mogen binnen de Unie worden vervoerd op voorwaarde dat deze plaats van productie voldoet aan de voorschriften van punt 1, onder c), en alleen als de planten vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG.

3.

Nader omschreven planten die overeenkomstig rubriek 1, punt A, zijn ingevoerd uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mogen binnen de Unie alleen worden vervoerd als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG.

B.   Nader omschreven hout

1.

Nader omschreven hout, met uitzondering van hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, schaafsel, resten en afval van oorsprong uit afgebakende gebieden of nader omschreven hout dat zijn natuurlijke ronde oppervlak geheel of deels heeft behouden dat niet van oorsprong is uit dergelijke gebieden maar er binnengebracht is, mag binnen de Unie alleen worden vervoerd als het vergezeld gaat van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG. Dat plantenpaspoort wordt enkel afgegeven als het hout in kwestie voldoet aan elk van de volgende voorschriften:

a)

het is van bast ontdaan, en

b)

het heeft een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) ondergaan. Dat moet blijken uit het merkteken „HT” dat aangebracht is op het hout of op de verpakking overeenkomstig het huidige gebruik.

2.

Nader omschreven hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, schaafsel, resten en afval van oorsprong uit afgebakende gebieden, mag binnen de Unie alleen worden vervoerd als het vergezeld gaat van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG en voldoet aan één van de volgende voorwaarden:

a)

het is van bast ontdaan en heeft een adequate warmtebehandeling bij een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 aaneengesloten minuten door het hele profiel van het hout (met inbegrip van de kern) ondergaan, of

b)

het is verwerkt tot stukken met een dikte en breedte van maximaal 2,5 cm.

3.

Als er in het geval van punt 1 of 2 geen behandelings- of verwerkingsinstallaties beschikbaar zijn binnen het afgebakende gebied, mag het nader omschreven hout onder officieel toezicht en in afgesloten omstandigheden op zodanige wijze dat het nader omschreven organisme zich niet kan verspreiden, vervoerd worden naar de dichtstbijzijnde installatie buiten het afgebakende gebied om de onmiddellijke behandeling of verwerking overeenkomstig deze punten te verzekeren.

Afval dat het resultaat is van de naleving van de punten 1 en 2 moet op zodanige wijze weggeruimd worden dat het nader omschreven organisme zich niet buiten een afgebakend gebied kan verspreiden.

De verantwoordelijke officiële instantie moet op daartoe geschikte tijdstippen intensieve monitoring uitvoeren van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme door middel van inspecties van waardplanten binnen een straal van ten minste 1 km rond die behandelings- of verwerkingsinstallatie.

C.   Nader omschreven houten verpakkingsmateriaal

Nader omschreven houten verpakkingsmateriaal van oorsprong uit afgebakende gebieden mag binnen de Unie alleen worden vervoerd als het aan de volgende voorwaarden voldoet:

a)

het heeft één van de goedgekeurde behandelingen ondergaan die zijn vermeld in bijlage I bij internationale norm nr. 15 (5) van de FAO voor fytosanitaire maatregelen inzake „Regulation of wood packaging material in international trade” (reglementering inzake houten verpakkingsmateriaal in het internationale handelsverkeer), en

b)

het is voorzien van een merkteken dat is vastgesteld in bijlage II bij die internationale norm, dat aangeeft dat het nader omschreven houten verpakkingsmateriaal een goedgekeurde fytosanitaire behandeling overeenkomstig die norm heeft ondergaan.

Als er geen behandelingsinstallaties beschikbaar zijn binnen het afgebakende gebied, mag het nader omschreven houten verpakkingsmateriaal onder officieel toezicht en in afgesloten omstandigheden op zodanige wijze dat het nader omschreven organisme zich niet kan verspreiden, vervoerd worden naar de dichtstbijzijnde behandelingsinstallatie buiten het afgebakende gebied om de onmiddellijke behandeling en markering overeenkomstig de punten a) en b) te verzekeren.

Afval dat het resultaat is van de naleving van dit punt, moet op zodanige wijze weggeruimd worden dat het nader omschreven organisme zich niet buiten een afgebakend gebied kan verspreiden.

De verantwoordelijke officiële instantie moet op daartoe geschikte tijdstippen intensieve monitoring uitvoeren van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme door middel van inspecties van waardplanten binnen een straal van ten minste 1 km rond de behandelingsinstallatie.


(1)  Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de controles van de identiteit en de fytosanitaire controles van in deel B van bijlage V bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen, die kunnen worden uitgevoerd op een andere plaats dan de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap of op een dichtbijgelegen plaats en tot vaststelling van de eisen met betrekking tot deze controles (PB L 313 van 12.10.2004, blz. 16).

(2)  Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No 5 and Phytosanitary certificates — Reference Standard ISPM No 12 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 2013.

(3)  Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie van 3 december 1992 tot een zekere mate van standaardisering van plantenpaspoorten voor het verkeer van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen in de Gemeenschap, en tot vaststelling van nadere regels voor de afgifte van deze paspoorten en van de voorwaarden en nadere regels voor de vervanging ervan (PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22).

(4)  Richtlijn 92/90/EEG van de Commissie van 3 november 1992 tot vaststelling van de verplichtingen van producenten en importeurs van planten, plantaardige producten en andere materialen, en van nadere bepalingen inzake registratie (PB L 344 van 26.11.1992, blz. 38).

(5)  Regulation of wood packaging material in international trade — Reference Standard ISPM No 15 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 2009.


BIJLAGE III

INSTELLING VAN AFGEBAKENDE GEBIEDEN EN MAATREGELEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 7

1.   INSTELLING VAN AFGEBAKENDE GEBIEDEN

1.

Afgebakende gebieden moeten bestaan uit de volgende zones:

a)

een besmet gebied, namelijk het gebied waarin de aanwezigheid van het nader omschreven organisme is bevestigd en dat alle planten omvat die door het nader omschreven organisme veroorzaakte symptomen vertonen, en

b)

een bufferzone met een straal van ten minste twee kilometer vanaf de grens van de besmette zone.

2.

De exacte grenzen van de zones moeten zijn gebaseerd op goede wetenschappelijke beginselen, de biologie van het nader omschreven organisme, het besmettingsniveau, de specifieke verdeling van de waardplanten in het betrokken gebied en bewijsmateriaal inzake het vóórkomen van het nader omschreven organisme. Ingeval de verantwoordelijke officiële instantie concludeert dat uitroeiing van het nader omschreven organisme mogelijk is, rekening houdend met de omstandigheden van de uitbraak, de resultaten van een specifiek onderzoek of de onmiddellijke toepassing van uitroeiingsmaatregelen, kan de straal van de bufferzone worden verkleind tot niet minder dan één kilometer vanaf de grens van de besmette zone. Ingeval uitroeiing van het nader omschreven organisme niet meer mogelijk is, kan de straal niet tot minder dan twee kilometer worden verkleind.

3.

Indien de aanwezigheid van het nader omschreven organisme buiten de besmette zone wordt bevestigd, moeten de grenzen van de besmette zone en de bufferzone dienovereenkomstig worden herzien en gewijzigd.

4.

Wanneer in een afgebakend gebied op grond van de onderzoeken, als bedoeld in artikel 6, lid 1, en de monitoring, als bedoeld in bijlage III, rubriek 3, punt 1, onder h), het nader omschreven organisme niet wordt gedetecteerd tijdens een periode die ten minste een levenscyclus en een aanvullend jaar omvat, maar die in elk geval niet minder dan vier achtereenvolgende jaren bedraagt, mag deze afbakening worden opgeheven. De exacte lengte van een levenscyclus hangt af van het bewijsmateriaal dat voor het betrokken gebied of een soortgelijke klimaatzone beschikbaar is.

5.

De afbakening mag ook worden opgeheven wanneer na verder onderzoek blijkt dat aan de voorwaarden van rubriek 2, punt 1, wordt voldaan.

2.   VOORWAARDEN WAARONDER GEEN AFGEBAKEND GEBIED HOEFT TE WORDEN INGESTELD

1.

Overeenkomstig artikel 7, lid 2, hoeven de lidstaten geen afgebakend gebied, als bedoeld in artikel 7, lid 1, in te stellen wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

er bestaat bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het nader omschreven organisme in het gebied is binnengebracht met de planten of het hout waarop het werd gevonden en er is een aanwijzing dat die planten of dat hout besmet waren voordat zij in het betrokken gebied zijn binnengebracht of dat het om een geïsoleerd geval gaat, al dan niet onmiddellijk verband houdend met een nader omschreven plant of nader omschreven hout, dat naar verwachting niet tot vestiging zal leiden, en

b)

er is vastgesteld dat het nader omschreven organisme zich niet heeft gevestigd en dat de verspreiding en de succesvolle voortplanting van het nader omschreven organisme niet mogelijk zijn wegens zijn biologie en rekening houdend met de resultaten van een specifiek onderzoek en met uitroeiingsmaatregelen die kunnen bestaan uit het uit voorzorg kappen en verwijderen van nader omschreven planten nadat zij zijn onderzocht.

2.

Wanneer aan de in punt 1 vermelde voorwaarden wordt voldaan, hoeven de lidstaten geen afgebakende gebieden in te stellen, mits zij de volgende maatregelen nemen:

a)

onmiddellijke maatregelen om te zorgen voor de snelle uitroeiing van het nader omschreven organisme en om de mogelijkheid van de verspreiding ervan uit te sluiten;

b)

monitoring tijdens een periode die ten minste een levenscyclus van het nader omschreven organisme en een aanvullend jaar bestrijkt, inclusief monitoring in ten minste vier achtereenvolgende jaren, in een straal van ten minste één kilometer rond de besmette planten of het besmette hout of de plaats waar het nader omschreven organisme is gevonden; ten minste gedurende het eerste jaar moet de monitoring regelmatig en intensief zijn;

c)

de vernietiging van besmet plantenmateriaal of hout;

d)

tracering naar de oorsprong van de besmetting en tracering van planten die verband houden of hout dat verband houdt met het betrokken besmettingsgeval, voor zover mogelijk, en onderzoek daarvan naar tekenen van besmetting; het onderzoek moet een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten;

e)

activiteiten om het publiek meer bewust te maken van de bedreiging die van het organisme uitgaat;

f)

andere maatregelen die kunnen bijdragen tot de uitroeiing van het nader omschreven organisme, waarbij rekening wordt gehouden met ISPM nr. 9 (1) en overeenkomstig de beginselen van ISPM nr. 14 (2) een geïntegreerde aanpak wordt toegepast.

De in de punten a) tot en met f) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag zoals bedoeld in artikel 8.

3.   IN AFGEBAKENDE GEBIEDEN TE NEMEN MAATREGELEN

1.

In afgebakende gebieden moeten de lidstaten de volgende maatregelen nemen om het nader omschreven organisme uit te roeien:

a)

het onmiddellijk kappen van besmette planten en planten met door het nader omschreven organisme veroorzaakte symptomen en de volledige verwijdering van hun wortels als er door larven geboorde mijngangen worden vastgesteld onder de wortelhals van de besmette plant; wanneer de besmette planten zijn gevonden buiten de vliegperiode van het nader omschreven organisme, moeten het kappen en het verwijderen van de planten worden uitgevoerd vóór het begin van de volgende vliegperiode;

b)

het kappen van alle nader omschreven planten binnen een straal van 100 m rond de besmette planten en het onderzoek van die nader omschreven planten op tekenen van besmetting; in uitzonderlijke gevallen waarin een verantwoordelijke officiële instantie concludeert dat het kappen van de planten ongepast is wegens hun specifieke sociale, culturele of milieuwaarde, individueel en regelmatig gedetailleerd onderzoek naar tekenen van besmetting bij al deze nader omschreven planten binnen die straal, die niet zullen worden gekapt, en de toepassing van gelijkaardige maatregelen om de mogelijke verspreiding van het nader omschreven organisme vanuit die planten te voorkomen; de redenen voor die conclusie en de beschrijving van de maatregel moeten aan de Commissie worden meegedeeld in het in artikel 8 bedoelde verslag;

c)

verwijdering, onderzoek en afvoer van de overeenkomstig de punten a) en b) gekapte planten en indien nodig hun wortels; het nemen van alle nodige voorzorgsmaatregelen om de verspreiding van het nader omschreven organisme tijdens en na het kappen te vermijden;

d)

voorkomen van het vervoer van mogelijk besmet materiaal uit het afgebakende gebied;

e)

tracering naar de oorsprong van de besmetting en tracering van planten die verband houden en hout dat verband houdt met het betrokken besmettingsgeval, voor zover mogelijk, en onderzoek daarvan naar tekenen van besmetting; het onderzoek moet een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten;

f)

waar nodig, vervanging van nader omschreven planten door andere planten;

g)

verbod op de opplant van nieuwe nader omschreven planten in de open lucht in een gebied bedoeld in bijlage III, rubriek 3, punt 1, onder b), behalve voor de in bijlage II, rubriek 2, bedoelde plaatsen van productie;

h)

intensieve monitoring van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme op waardplanten met specifieke aandacht voor de bufferzone, met inbegrip van ten minste één inspectie per jaar waarbij wordt gebruikgemaakt van technieken waarmee besmetting ter hoogte van de boomkruinen kan worden opgespoord. In voorkomend geval moet er een doelgerichte destructieve bemonstering worden uitgevoerd door de verantwoordelijke officiële instantie. Het aantal monsters moet worden vermeld in het in artikel 8 bedoelde verslag;

i)

activiteiten om het publiek meer bewust te maken van de bedreiging die van het organisme uitgaat en de goedgekeurde maatregelen ter preventie van het binnenbrengen en verspreiden ervan in de Unie, inclusief de voorwaarden betreffende het vervoer van de nader omschreven planten en het nader omschreven hout uit het bij artikel 7 ingestelde afgebakende gebied;

j)

indien nodig, specifieke maatregelen voor de aanpak van bijzondere omstandigheden of complicaties waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij de uitroeiing tegenhouden, belemmeren of vertragen, met name maatregelen met betrekking tot de toegang tot en de passende uitroeiing van alle planten, besmet of verdacht van besmetting, ongeacht hun ligging, ongeacht of zij publieke of particuliere eigendom zijn en ongeacht de persoon of instantie die verantwoordelijk is voor de planten;

k)

andere maatregelen die kunnen bijdragen tot de uitroeiing van het nader omschreven organisme, waarbij rekening wordt gehouden met ISPM nr. 9 en overeenkomstig de beginselen van ISPM nr. 14 een geïntegreerde aanpak wordt toegepast.

De in de punten a) tot en met k) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag zoals bedoeld in artikel 8.

2.

Wanneer de resultaten van de in artikel 6 bedoelde onderzoeken gedurende meer dan vier achtereenvolgende jaren de aanwezigheid van het nader omschreven organisme in een gebied hebben bevestigd en er bewijsmateriaal bestaat dat het nader omschreven organisme niet meer kan worden uitgeroeid, kunnen de lidstaten de maatregelen beperken tot het tegengaan van de verspreiding van het nader omschreven organisme buiten dat gebied. Die maatregelen moeten ten minste omvatten:

a)

het kappen van besmette planten en planten met door het nader omschreven organisme veroorzaakte symptomen en de volledige verwijdering van hun wortels als er door larven uitgevreten gangen worden vastgesteld onder de wortelhals van de besmette plant; de activiteiten voor het kappen van de planten moeten onmiddellijk van start gaan, maar wanneer de besmette planten zijn gevonden buiten de vliegperiode van het nader omschreven organisme, moeten het kappen en het verwijderen van de planten worden uitgevoerd vóór het begin van de volgende vliegperiode;

b)

verwijdering, onderzoek en afvoer van de gekapte planten en indien nodig hun wortels; het nemen van de nodige voorzorgsmaatregelen om de verspreiding van het nader omschreven organisme na het kappen te vermijden;

c)

voorkomen van het vervoer van mogelijk besmet materiaal uit het afgebakende gebied;

d)

waar nodig, vervanging van nader omschreven planten door andere planten;

e)

verbod op de opplant van nieuwe nader omschreven planten in de open lucht in een besmet gebied, als bedoeld in bijlage III, rubriek 1, punt 1, onder a), behalve voor de in bijlage II, rubriek 2, bedoelde plaatsen van productie;

f)

intensieve monitoring van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme op waardplanten met specifieke aandacht voor de bufferzone, met inbegrip van ten minste één inspectie per jaar waarbij wordt gebruikgemaakt van technieken waarmee besmetting ter hoogte van de boomkruinen kan worden opgespoord. In voorkomend geval moet er een doelgerichte destructieve bemonstering worden uitgevoerd door de verantwoordelijke officiële instantie. Het aantal monsters moet worden vermeld in het in artikel 8 bedoelde verslag;

g)

activiteiten om het publiek meer bewust te maken van de bedreiging die van het nader omschreven organisme uitgaat en de goedgekeurde maatregelen ter preventie van het binnenbrengen en verspreiden ervan in de Unie, inclusief de voorwaarden betreffende het vervoer van de nader omschreven planten en het nader omschreven hout uit het bij artikel 7 ingestelde afgebakende gebied;

h)

indien nodig, specifieke maatregelen voor de aanpak van bijzondere omstandigheden of complicaties waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat zij het inperken tegenhouden, belemmeren of vertragen, met name maatregelen met betrekking tot de toegang tot en de passende uitroeiing van alle planten, besmet of verdacht van besmetting, ongeacht hun ligging, ongeacht of zij publieke of particuliere eigendom zijn en ongeacht de persoon of instantie die verantwoordelijk is voor de planten;

i)

andere maatregelen die kunnen bijdragen aan het inperken van het nader omschreven organisme.

De in de punten a) tot en met i) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag zoals bedoeld in artikel 8.


(1)  Guidelines for pest eradication programmes — Reference Standard ISPM No 9 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 1998.

(2)  The use of integrated measures in a systems approach for pest risk management — Reference Standard ISPM No 14 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 2002.


11.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/29


BESLUIT (EU) 2015/894 VAN DE COMMISSIE

van 10 juni 2015

tot benoeming van een lid van het Europees Raadgevend Comité voor de statistiek

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Besluit nr. 234/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 tot oprichting van een Europees Raadgevend Comité voor de statistiek en tot intrekking van Besluit 91/116/EEG van de Raad (1), en met name artikel 4, lid 1, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Europees Raadgevend Comité voor de statistiek (ERCS) telt 24 leden.

(2)

Krachtens artikel 4, lid 1, van Besluit nr. 234/2008/EG worden twaalf leden van het ERCS benoemd door de Commissie.

(3)

Bij Besluit 2014/C 138/02 van de Commissie van 5 mei 2014 heeft de Commissie acht leden van het ERCS benoemd en een reservelijst opgesteld die gebruikt wordt in het geval dat een benoemd lid zijn functie neerlegt of onverwachts onbeschikbaar is.

(4)

Aangezien één van de bij Besluit 2014/C 138/02 benoemde leden zijn functie heeft neergelegd, moet de Commissie een nieuw lid uit de reservelijst benoemen voor een termijn die verstrijkt op dezelfde dag als die voor de bij Besluit 2014/C 138/02 benoemde leden.

(5)

Bij selectie uit de reservelijst moet ernaar worden gestreefd om het evenwicht tussen de gebruikersgroepen te behouden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Mevrouw Asta MANNINEN wordt hierbij benoemd als lid van het Europees Raadgevend Comité voor de statistiek voor een termijn die verstrijkt op 8 mei 2019.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 10 juni 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)   PB L 73 van 15.3.2008, blz. 13.


Rectificaties

11.6.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 146/30


Rectificatie van Verordening (EU) 2015/735 van de Raad van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Sudan en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 748/2014

( Publicatieblad van de Europese Unie L 117 van 8 mei 2015 )

Bladzijde 21, artikel 27:

in plaats van:

„Artikel 27

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”,

te lezen:

„Artikel 27

Verordening (EU) nr. 748/2014 wordt ingetrokken.

Artikel 28

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”.