|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
58e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
11.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/888 VAN DE COMMISSIE
van 29 mei 2015
tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Arroz Carolino do Baixo Mondego (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Portugal ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Arroz Carolino do Baixo Mondego” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Arroz Carolino do Baixo Mondego” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De benaming „Arroz Carolino do Baixo Mondego” (BGA) wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.
Met de in de eerste alinea vermelde benaming wordt een product aangeduid van categorie 1.6. (Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt) als opgenomen in bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 29 mei 2015.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) PB C 25 van 24.1.2015, blz. 18.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).
|
11.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/3 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/889 VAN DE COMMISSIE
van 10 juni 2015
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 10 juni 2015.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
125,6 |
|
MK |
79,0 |
|
|
TR |
76,6 |
|
|
ZZ |
93,7 |
|
|
0707 00 05 |
MK |
39,4 |
|
TR |
121,3 |
|
|
ZZ |
80,4 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
121,5 |
|
ZZ |
121,5 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
111,5 |
|
BO |
147,7 |
|
|
BR |
107,1 |
|
|
TR |
111,0 |
|
|
ZA |
137,7 |
|
|
ZZ |
123,0 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
179,0 |
|
BR |
100,0 |
|
|
CL |
157,0 |
|
|
NZ |
148,4 |
|
|
US |
136,0 |
|
|
ZA |
141,7 |
|
|
ZZ |
143,7 |
|
|
0809 10 00 |
TR |
241,9 |
|
ZZ |
241,9 |
|
|
0809 29 00 |
TR |
367,5 |
|
US |
525,9 |
|
|
ZZ |
446,7 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
11.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/5 |
BESLUIT (EU) 2015/890 VAN DE RAAD
van 8 juni 2015
betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst (Nieuwe voedingsmiddelen)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan bijlage II bij de EER-overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd. |
|
(3) |
Bijlage II bij de EER-overeenkomst bevat specifieke bepalingen en regelingen betreffende technische voorschriften, normen, keuring en certificatie. |
|
(4) |
Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (3) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. |
|
(5) |
Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie (4) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. |
|
(6) |
Aanbeveling 97/618/EG van de Commissie (5) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. |
|
(7) |
Artikel 38 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad (6) wijzigt Verordening (EG) nr. 258/97 en dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. |
|
(8) |
Bijlage II bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet derhalve worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerpbesluit, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van bijlage II (betreffende technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Luxemburg, 8 juni 2015.
Voor de Raad
De voorzitter
D. REIZNIECE-OZOLA
(1) PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.
(2) PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.
(3) Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie van 20 september 2001 houdende nadere regels voor de openbaarmaking van bepaalde gegevens en de bescherming van ingevolge Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad verstrekte gegevens (PB L 253 van 21.9.2001, blz. 17).
(5) Aanbeveling 97/618/EG van de Commissie van 29 juli 1997 betreffende de wetenschappelijke aspecten en de presentatie van de informatie die nodig is om aanvragen voor het in de handel brengen van nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten te ondersteunen alsmede het opstellen van de verslagen van de eerste beoordeling uit hoofde van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 253 van 16.9.1997, blz. 1).
(6) Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1).
ONTWERP
BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. …/2015
van …
tot wijziging van bijlage II (Technische voorschriften, normen, keuring en certificatie) bij de EER-overeenkomst
HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna de „EER-overeenkomst” genoemd), en met name artikel 98,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad van 27 januari 1997 betreffende nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten (1) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 1852/2001 van de Commissie van 20 september 2001 houdende nadere regels voor de openbaarmaking van bepaalde gegevens en de bescherming van ingevolge Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad verstrekte gegevens (2) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. |
|
(3) |
Aanbeveling 97/618/EG van de Commissie van 29 juli 1997 betreffende de wetenschappelijke aspecten en de presentatie van de informatie die nodig is om aanvragen voor het in de handel brengen van nieuwe voedingsmiddelen en nieuwe voedselingrediënten te ondersteunen alsmede het opstellen van de verslagen van de eerste beoordeling uit hoofde van Verordening (EG) nr. 258/97 van het Europees Parlement en de Raad (3) dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. |
|
(4) |
Artikel 38 van Verordening (EG) nr. 1829/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 inzake genetisch gemodificeerde levensmiddelen en diervoeders (4) wijzigt Verordening (EG) nr. 258/97 en dient in de EER-overeenkomst te worden opgenomen. |
|
(5) |
Dit besluit heeft betrekking op wetgeving inzake voedingsmiddelen. Wetgeving inzake voedingsmiddelen is niet van toepassing op Liechtenstein, zolang de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de handel in landbouwproducten van toepassing blijft in Liechtenstein, zoals bepaald in de inleiding van hoofdstuk XII van bijlage II bij de EER-overeenkomst. Dit besluit is derhalve niet van toepassing op Liechtenstein. |
|
(6) |
Bijlage II bij de EER-overeenkomst moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Hoofdstuk XII van bijlage II bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:
|
1. |
Na punt 97 (Verordening (EU) nr. 1169/2011 van het Europees Parlement en de Raad) wordt het volgende toegevoegd:
|
|
2. |
Na punt 16 (Aanbeveling 2013/647/EU van de Commissie) wordt onder „BESLUITEN WAARMEE DE EVA-LANDEN EN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA REKENING DIENEN TE HOUDEN” het volgende punt toegevoegd:
|
Artikel 2
De in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie bekend te maken teksten in de IJslandse en de Noorse taal van de Verordeningen (EG) nr. 258/97, (EG) nr. 1852/2001 en (EG) nr. 1829/2003 en van Aanbeveling 97/618/EG zijn authentiek.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op …, mits alle in artikel 103, lid 1, van de Overeenkomst bedoelde kennisgevingen aan het Gemengd Comité van de EER hebben plaatsgevonden (*1).
Artikel 4
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, ….
Voor het Gemengd Comité van de EER
De voorzitter
…
De secretarissen
van het Gemengd Comité van de EER
…
(1) PB L 43 van 14.2.1997, blz. 1.
(2) PB L 253 van 21.9.2001, blz. 17.
(3) PB L 253 van 16.9.1997, blz. 1.
(4) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 1.
(*1) [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]
|
11.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/9 |
BESLUIT (EU) 2015/891 VAN DE RAAD
van 8 juni 2015
betreffende het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over een wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden (Begrotingsonderdeel 04.03.01.03)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 46 en 48, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) (hierna „de EER-overeenkomst” genoemd) is op 1 januari 1994 in werking getreden. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan onder meer protocol 31 bij de EER-overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd. |
|
(3) |
Protocol 31 bij de EER-overeenkomst bevat bepalingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden. |
|
(4) |
Het is passend de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst voort te zetten inzake het vrije verkeer van werknemers, de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit derde landen. |
|
(5) |
Protocol 31 bij de EER-overeenkomst moet derhalve worden gewijzigd, teneinde voortzetting van die uitgebreide samenwerking na 31 december 2014 mogelijk te maken. |
|
(6) |
Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER moet derhalve worden gebaseerd op het hieraan gehechte ontwerpbesluit, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het namens de Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt over de voorgestelde wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Luxemburg, 8 juni 2015.
Voor de Raad
De voorzitter
D. REIZNIECE-OZOLA
ONTWERP
BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITE VAN DE EER Nr. …/2015
van
tot wijziging van protocol 31 bij de EER-overeenkomst, betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden
HET GEMENGD COMITE VAN DE EER,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, hierna de „EER-overeenkomst” genoemd, en met name de artikelen 86 en 98,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het is passend de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot samenwerking inzake het vrije verkeer van werknemers, de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit derde landen. |
|
(2) |
Protocol 31 bij de EER-overeenkomst moet derhalve worden gewijzigd om die uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2015 mogelijk te maken, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In de leden 5 en 13 van artikel 5 van protocol 31 bij de EER-overeenkomst worden de woorden „het financieel jaar 2014” vervangen door de woorden „de financiële jaren 2014 en 2015”.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (*1).
Het is van toepassing vanaf 1 januari 2015.
Artikel 3
Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, …
Voor het Gemengd Comité van de EER
De voorzitter
De secretarissen
van het Gemengd Comité van de EER
(*1) [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]
|
11.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/11 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/892 VAN DE COMMISSIE
van 9 juni 2015
tot goedkeuring van een programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in een bedrijf dat wilde eenden houdt in Portugal en van een aantal maatregelen ter beperking van de verplaatsingen van dat pluimvee en producten daarvan
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 3745)
(Slechts de tekst in de Portugese taal is authentiek)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2005/94/EG van de Raad van 20 december 2005 betreffende communautaire maatregelen ter bestrijding van aviaire influenza en tot intrekking van Richtlijn 92/40/EEG (1), en met name artikel 57, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 2005/94/EG bepaalt dat de lidstaten erop moeten toezien dat vaccinatie tegen aviaire influenza op hun grondgebied verboden is, behalve wanneer noodvaccinatie of preventieve vaccinatie wordt uitgevoerd overeenkomstig de voorwaarden in de desbetreffende afdelingen van hoofdstuk IX van die richtlijn. |
|
(2) |
Op grond van hoofdstuk IX, afdeling 3, van Richtlijn 2005/94/EG kunnen de lidstaten als langetermijnmaatregel ter bestrijding van die ziekte preventieve vaccinatie uitvoeren indien zij op basis van een risicobeoordeling van mening zijn dat bepaalde delen van hun grondgebied, bepaalde soorten pluimveehouderij, bepaalde categorieën pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels aan het risico van aviaire influenza blootstaan. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 52, lid 1, onder c), van die richtlijn mogen voor de vaccinatie van pluimvee of andere in gevangenschap levende vogels tegen aviaire influenza alleen bij Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) of Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) toegestane vaccins worden gebruikt. |
|
(4) |
Laagpathogene aviaire influenza is in Portugal uitgeroeid. Uit de resultaten van een risicobeoordeling blijkt echter dat waardevolle wilde fokeenden die worden gehouden op een bedrijf in Vila Nova da Barquinha in de regio Lisboa e Vale do Tejo, Ribatejo Norte, vanwege een mogelijk indirect contact met wilde vogels nog steeds blootstaan aan gevaar van besmetting met aviaire influenza. |
|
(5) |
Portugal heeft de Commissie derhalve opeenvolgende programma's voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza ter goedkeuring voorgelegd, waarvan het meest recente bij Uitvoeringsbesluit 2013/651/EU van de Commissie (4) werd goedgekeurd en door Portugal tot en met 31 juli 2014 werd uitgevoerd. |
|
(6) |
Overeenkomstig dat uitvoeringsbesluit heeft Portugal een verslag over de uitvoering van het programma ingediend bij het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Uit dat verslag bleek dat de circulatie van het virus in de gevaccineerde koppels wilde eenden alsook in omliggende pluimveebedrijven met succes werd voorkomen. |
|
(7) |
In wetenschappelijke adviezen van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid van 2005 (5), 2007 (6) en 2008 (7) werd bevestigd dat preventieve vaccinatie een waardevol middel ter aanvulling van de maatregelen voor de bestrijding van aviaire influenza is. |
|
(8) |
Op 1 februari 2015 heeft Portugal de Commissie een nieuw programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza ter goedkeuring voorgelegd. Dat programma („het preventievevaccinatieprogramma”) zou tot en met 31 december 2020 worden toegepast. |
|
(9) |
Gezien de epidemiologische situatie met betrekking tot laagpathogene aviaire influenza in Portugal, het met het soort bedrijf in kwestie samenhangende risico en de beperkte omvang van het preventievevaccinatieprogramma, moet het programma worden goedgekeurd en tot 31 december 2020 worden uitgevoerd. |
|
(10) |
Om een eventuele onopgemerkte circulatie van het virus bij gevaccineerde wilde eenden op te sporen, moet overeenkomstig het preventievevaccinatieprogramma bovendien worden gezorgd voor toezicht en laboratoriumtests op het bedrijf waar de gevaccineerde wilde eenden en niet-gevaccineerde verklikkerdieren worden gehouden. |
|
(11) |
Ook dienen overeenkomstig het preventievevaccinatieprogramma bepaalde beperkingen te worden toegepast op verplaatsingen en verzendingen van gevaccineerde wilde eenden, de broedeieren daarvan en wilde eenden afkomstig van deze eenden. Gezien het kleine aantal wilde eenden op het bedrijf waar de preventieve vaccinatie moet worden uitgevoerd en om redenen van traceerbaarheid en logistiek mogen de gevaccineerde wilde eenden dat bedrijf niet verlaten, maar moeten zij na het einde van hun voortplantingscyclus worden gedood overeenkomstig artikel 18 van Richtlijn (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (8) en moeten zij veilig worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie (9). |
|
(12) |
Voor de handel in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, heeft Portugal aanvullende maatregelen genomen krachtens Beschikking 2006/605/EG van de Commissie (10). |
|
(13) |
Om de economische gevolgen voor het betrokken bedrijf te beperken, moeten bepaalde afwijkingen van de verplaatsingsbeperkingen voor wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde oudereenden worden toegestaan, op voorwaarde dat deze verplaatsingen het risico voor verspreiding van aviaire influenza niet verhogen, dat officieel toezicht wordt gehouden en dat aan de specifieke veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer binnen de Unie wordt voldaan. |
|
(14) |
Opdat de Commissie en andere lidstaten toezicht kunnen houden op de uitvoering van het preventievevaccinatieprogramma van Portugal, is het aangewezen dat Portugal regelmatig verslag uitbrengt aan het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. |
|
(15) |
Aangezien het plan voor meerdere jaren moet worden goedgekeurd, dient Portugal het preventievevaccinatieprogramma wellicht op enkele punten aan te passen, zoals het aantal te vaccineren wilde eenden of het soort vaccin dat zal worden gebruikt, alsook de mogelijkheid dat de vaccinatie voortijdig wordt stopgezet. Bij dit besluit moet Portugal dan ook verplicht worden de Commissie in kennis te stellen van de voorgenomen aanpassingen waarmee de Commissie kan instemmen zonder dat het plan opnieuw hoeft worden beoordeeld of waarvoor een nieuwe goedkeuringsprocedure moet worden doorlopen. |
|
(16) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp en toepassingsgebied
1. In dit besluit worden bepaalde maatregelen vastgesteld die in Portugal moeten worden genomen in één bedrijf in de gemeente Vila Nova da Barquinha in de regio Lisboa e Vale do Tejo, Ribatejo Norte, waar wilde eenden (Anas platyrhynchos) die bestemd zijn om in het wild te worden uitgezet („wilde eenden”), preventief worden gevaccineerd en waar een bijzonder risico bestaat dat aviaire influenza wordt binnengebracht.
Deze maatregelen omvatten:
|
a) |
bepaalde beperkingen op de verplaatsing binnen Portugal en de verzending uit Portugal van de gevaccineerde wilde eenden, de broedeieren daarvan en daaruit afkomstige wilde eenden; |
|
b) |
het verwijderen van gevaccineerde wilde eenden. |
2. Dit besluit is van toepassing onverminderd de beschermende maatregelen die Portugal neemt overeenkomstig Richtlijn 2005/94/EG en Beschikking 2006/605/EG.
Artikel 2
Goedkeuring van het preventievevaccinatieprogramma
1. Het programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in Portugal („het preventievevaccinatieprogramma”), dat op 1 februari 2015 door Portugal bij de Commissie is ingediend en dat tot 31 december 2020 op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf moet worden uitgevoerd, wordt goedgekeurd.
2. De Commissie publiceert het preventievevaccinatieprogramma op haar website.
Artikel 3
Voorwaarden voor de uitvoering van het preventievevaccinatieprogramma
1. Portugal zorgt ervoor dat het preventievevaccinatieprogramma wordt uitgevoerd met een monovalent geïnactiveerd vaccin dat aviaire influenza van subtype H5 bevat en dat overeenkomstig Richtlijn 2001/82/EG of Verordening (EG) nr. 726/2004 is toegestaan.
2. Portugal zorgt ervoor dat het preventievevaccinatieprogramma wordt uitgevoerd zoals het is meegedeeld.
Artikel 4
Merken en beperkingen op verplaatsingen, verzendingen en verwijdering van gevaccineerde wilde eenden
Portugal zorgt ervoor dat gevaccineerde wilde eenden op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf:
|
a) |
individueel worden gemerkt; |
|
b) |
niet worden verplaatst naar andere pluimveehouderijen in Portugal; |
|
c) |
niet uit Portugal worden verzonden. |
Na hun voortplantingsperiode moeten die wilde eenden op het in artikel 1, lid 1, van dit besluit bedoelde bedrijf worden gedood overeenkomstig het bepaalde in artikel 18 van Verordening (EG) nr. 1099/2009 en moeten hun karkassen veilig worden verwijderd overeenkomstig de voorschriften van Verordening (EU) nr. 142/2011.
Artikel 5
Beperkingen op verplaatsingen en verzendingen van broedeieren van wilde eenden op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf
Portugal zorgt ervoor dat broedeieren van wilde eenden op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf:
|
a) |
uitsluitend worden verplaatst naar een broederij in Portugal; |
|
b) |
niet uit Portugal worden verzonden. |
Artikel 6
Beperkingen op verplaatsingen en verzendingen van wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde eenden
1. Portugal zorgt ervoor dat wilde eenden afkomstig van de gevaccineerde wilde oudereenden uitsluitend na het uitbroeden worden verplaatst van het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf naar een bedrijf in een gebied rondom het eerstgenoemde bedrijf zoals door Portugal vastgesteld in het preventievevaccinatieprogramma.
2. In afwijking van lid 1 en op voorwaarde dat zij meer dan vier maanden oud zijn, mogen wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde oudereenden:
|
a) |
in Portugal in het wild worden uitgezet, of |
|
b) |
uit Portugal worden verzonden, mits:
|
Artikel 7
Gezondheidscertificaten voor het handelsverkeer binnen de Unie in wilde eenden afkomstig van gevaccineerde wilde oudereenden
Portugal zorgt ervoor dat de gezondheidscertificaten bij op grond van artikel 6, lid 2, onder b), verzonden wilde eenden voor het handelsverkeer binnen de Unie in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, de volgende zin bevatten:
„Deze zending voldoet aan de bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/892 van de Commissie (*1) vastgestelde veterinairrechtelijke voorwaarden.
.Artikel 8
Verslagen en informatie
1. Portugal dient binnen één maand na de kennisgeving van dit besluit een verslag in bij de Commissie over de uitvoering van het preventievevaccinatieprogramma en brengt vervolgens elk jaar verslag uit tijdens de vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders.
2. Portugal informeert de Commissie over het volgende:
|
a) |
geplande wijzigingen van het preventievevaccinatieprogramma die overeenkomstig artikel 2 moeten worden goedgekeurd; |
|
b) |
de datum van stopzetting van de preventieve vaccinatie op het in artikel 1, lid 1, bedoelde bedrijf. |
3. De Commissie onderzoekt de door Portugal voorgestelde wijzigingen en:
|
a) |
stemt ofwel in met de voorgestelde wijzigingen van het overeenkomstig artikel 2 goedgekeurde preventievevaccinatieprogramma, of |
|
b) |
start een nieuwe goedkeuringsprocedure voor het gewijzigde preventievevaccinatieprogramma. |
Artikel 9
Toepasselijkheid
Dit besluit is van toepassing tot en met 31 december 2020.
Artikel 10
Adressaat
Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.
Gedaan te Brussel, 9 juni 2015.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 10 van 14.1.2006, blz. 16.
(2) Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (PB L 136 van 30.4.2004, blz. 1).
(4) Uitvoeringsbesluit 2013/651/EU van de Commissie van 8 november 2013 tot goedkeuring van een programma voor preventieve vaccinatie tegen laagpathogene aviaire influenza in een bedrijf dat wilde eenden houdt in Portugal en van een aantal bepalingen inzake de verplaatsingen en producten daarvan (PB L 302 van 13.11.2013, blz. 53).
(5) Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of Avian Influenza (The EFSA Journal (2005) 266, 1-21).
(6) Scientific Opinion on Vaccination against avian influenza of H5 and H7 subtypes in domestic poultry and captive birds (The EFSA Journal (2007) 489).
(7) Scientific Opinion on Animal health and welfare aspects of avian influenza and the risks of its introduction into the EU poultry holdings (The EFSA Journal (2008) 715, 1-161).
(8) Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1).
(9) Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).
(10) Beschikking 2006/605/EG van de Commissie van 6 september 2006 tot vaststelling van bepaalde beschermende maatregelen voor het intracommunautaire handelsverkeer in pluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet (PB L 246 van 8.9.2006, blz. 12).
|
11.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/16 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/893 VAN DE COMMISSIE
van 9 juni 2015
betreffende maatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora glabripennis (Motschulsky) te voorkomen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2015) 3772)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 3, derde zin,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Anoplophora glabripennis (Motschulsky), hierna het „nader omschreven organisme” genoemd, is een schadelijk organisme opgenomen in bijlage I, deel A, rubriek I, onder a), punt 4.1, bij Richtlijn 2000/29/EG als een organisme dat voor zover bekend niet in de Unie voorkomt. |
|
(2) |
Sinds de vaststelling van Beschikking 2005/829/EG van de Commissie (2) hebben Oostenrijk, Duitsland, Frankrijk, Italië, Nederland en het Verenigd Koninkrijk steeds vaker uitbraken en gevallen van het nader omschreven organisme gemeld. Het is derhalve passend om maatregelen vast te stellen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van het nader omschreven organisme te voorkomen. |
|
(3) |
Gezien de gelijkenissen tussen het nader omschreven organisme en Anoplophora chinensis (Forster) is het passend om gelijkaardige maatregelen als die bepaald in Uitvoeringsbesluit 2012/138/EU van de Commissie (3) vast te stellen, behalve wanneer de biologie van het nader omschreven organisme een andere aanpak vereist. Aangezien het waarschijnlijk is dat het nader omschreven organisme het deel van de planten dat gebruikt wordt om hout te verkrijgen, besmet, moeten er in het bijzonder voorschriften voor hout en houten verpakkingsmateriaal worden vastgesteld. |
|
(4) |
Bovendien laat de huidige wetenschappelijke kennis toe te bepalen welke planten waarschijnlijk waardplanten voor het nader omschreven organisme zijn. Daarom is het met het oog op de zekerheid passend om de waardplanten die onder dit besluit vallen, te specificeren. |
|
(5) |
Duidelijkheidshalve is het ook passend om de omstandigheden te specificeren waarin de lidstaten kunnen besluiten om nader omschreven planten rond de besmette planten niet te kappen. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
In dit besluit wordt verstaan onder:
a) „nader omschreven planten”: voor opplant bestemde planten met een stamdiameter van 1 cm of meer op hun dikste punt, met uitzondering van zaden, van Acer spp., Aesculus spp., Alnus spp., Betula spp., Carpinus spp., Cercidiphyllum spp., Corylus spp., Fagus spp., Fraxinus spp., Koelreuteria spp., Platanus spp., Populus spp., Salix spp., Tilia spp. en Ulmus spp.;
b) „nader omschreven hout”: hout, geheel of deels verkregen van de nader omschreven planten, dat voldoet aan elk van de volgende punten:
|
i) |
het is hout zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2000/29/EG, met uitzondering van houten verpakkingsmateriaal, inclusief hout dat zijn natuurlijke ronde oppervlak niet heeft behouden, en |
|
ii) |
het wordt genoemd in de volgende omschrijvingen vastgesteld in bijlage I, deel II, bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad (4) in de versie van 1 januari 2015:
|
c) „nader omschreven houten verpakkingsmateriaal”: verpakkingsmateriaal, geheel of deels verkregen van de nader omschreven planten;
d) „plaats van productie”: de plaats van productie als omschreven in de internationale norm nr. 5 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen (5) (hierna „ISPM” genoemd);
e) „nader omschreven organisme”: Anoplophora glabripennis (Motschulsky);
f) „waardplanten”: planten die behoren tot de soorten genoemd in bijlage I.
Artikel 2
Invoer van de nader omschreven planten
Wat betreft de invoer uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mogen de nader omschreven planten alleen in de Unie worden binnengebracht als zij aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
a) |
zij voldoen aan de specifieke invoervoorschriften, vastgesteld in bijlage II, rubriek 1, punt A, onder 1); |
|
b) |
bij binnenkomst in de Unie zijn zij door de verantwoordelijke officiële instantie overeenkomstig bijlage II, rubriek 1, punt A, onder 2), geïnspecteerd op de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en er zijn geen tekenen van dat organisme gevonden. |
Artikel 3
Invoer van nader omschreven hout
Wat betreft de invoer uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mag nader omschreven hout alleen in de Unie worden binnengebracht als het aan de volgende voorwaarden voldoet:
|
a) |
het voldoet aan de specifieke invoervoorschriften, vastgesteld in bijlage II, rubriek 1, punt B, onder 1) en 2); |
|
b) |
bij binnenkomst in de Unie is het door de verantwoordelijke officiële instantie overeenkomstig bijlage II, rubriek 1, punt B, onder 3), geïnspecteerd op de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en er zijn geen tekenen van dat organisme gevonden. |
Artikel 4
Vervoer van de nader omschreven planten binnen de Unie
Nader omschreven planten van oorsprong uit afgebakende gebieden, als vastgesteld overeenkomstig artikel 7, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt A, onder 1).
Nader omschreven planten die niet zijn geteeld in afgebakende gebieden maar in dergelijke gebieden zijn binnengebracht, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt A, onder 2).
Nader omschreven planten, ingevoerd overeenkomstig artikel 2 uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij voldoen aan de voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt A, onder 3).
Artikel 5
Vervoer van nader omschreven hout en nader omschreven houten verpakkingsmateriaal binnen de Unie
Nader omschreven hout van oorsprong uit afgebakende gebieden, als vastgesteld overeenkomstig artikel 7, mag alleen binnen de Unie worden vervoerd als het voldoet aan de respectieve voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt B, onder 1) tot en met 3).
Nader omschreven hout dat zijn natuurlijke ronde oppervlak geheel of deels heeft behouden en niet van oorsprong is uit afgebakende gebieden maar binnengebracht is in zulke gebieden, mag alleen binnen de Unie worden vervoerd als het voldoet aan de respectieve voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt B, onder 1) en 3).
Nader omschreven houten verpakkingsmateriaal van oorsprong uit afgebakende gebieden, als vastgesteld overeenkomstig artikel 7, mag alleen binnen de Unie worden vervoerd als het voldoet aan de voorwaarden van bijlage II, rubriek 2, punt C.
Artikel 6
Onderzoeken van het nader omschreven organisme
1. De lidstaten voeren officiële jaarlijkse onderzoeken uit naar de aanwezigheid van het nader omschreven organisme en voor de verzameling van bewijzen van besmetting door dat organisme op waardplanten op hun grondgebied.
2. Onverminderd artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/29/EG worden de Commissie en de andere lidstaten elk jaar uiterlijk op 30 april van de resultaten van die onderzoeken in kennis gesteld.
Artikel 7
Afgebakende gebieden
1. Wanneer de resultaten van de in artikel 6, lid 1, bedoelde onderzoeken de aanwezigheid van het nader omschreven organisme in een gebied bevestigen of de aanwezigheid van dat organisme op een andere wijze wordt aangetoond, stellen de betrokken lidstaten onverwijld afgebakende gebieden in die bestaan uit een besmette zone en een bufferzone, overeenkomstig bijlage III, rubriek 1.
2. De lidstaten hoeven geen afgebakende gebieden in te stellen, als bedoeld in lid 1, als aan de voorwaarden van bijlage III, rubriek 2, punt 1 wordt voldaan. In een dergelijk geval nemen de lidstaten de maatregelen zoals vastgesteld in punt 2 van die rubriek.
3. De lidstaten nemen maatregelen in de afgebakende gebieden, als vastgesteld in bijlage III, rubriek 3.
4. De lidstaten stellen termijnen vast voor de uitvoering van de in de leden 2 en 3 bedoelde maatregelen.
Artikel 8
Verslaglegging over de maatregelen
1. De lidstaten doen de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 30 april van elk jaar een verslag toekomen met een bijgewerkte lijst van alle afgebakende gebieden, ingesteld uit hoofde van artikel 7, alsook informatie over hun beschrijving en ligging met kaarten waarop de grenzen van de gebieden zijn aangegeven, en de maatregelen die de lidstaten hebben genomen of voornemens zijn te nemen.
2. Ingeval de lidstaten besluiten om geen afgebakend gebied in te stellen overeenkomstig artikel 7, lid 2, bevat het verslag gegevens en redenen ter rechtvaardiging van dat besluit.
3. Ingeval een lidstaat besluit overeenkomstig bijlage III, rubriek 3, punt 2, inperkingsmaatregelen te nemen in plaats van uitroeiingsmaatregelen, brengt hij de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk op de hoogte met een opgave van de redenen.
Artikel 9
Naleving van dit besluit
De lidstaten nemen alle maatregelen om aan dit besluit te voldoen en wijzigen zo nodig de maatregelen die zij hebben genomen om zich te beschermen tegen het binnenbrengen en de verspreiding van het nader omschreven organisme op zodanige wijze dat die maatregelen aan dit besluit voldoen. Zij stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van die maatregelen.
Artikel 10
Adressaten
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 9 juni 2015.
Voor de Commissie
Vytenis ANDRIUKAITIS
Lid van de Commissie
(1) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.
(2) Beschikking 2005/829/EG van de Commissie van 24 november 2005 tot intrekking van de Beschikkingen 1999/355/EG en 2001/219/EG (PB L 311 van 26.11.2005, blz. 39).
(3) Uitvoeringsbesluit 2012/138/EU van de Commissie van 1 maart 2012 tot vaststelling van noodmaatregelen om het binnenbrengen en de verspreiding in de Unie van Anoplophora chinensis (Forster) te voorkomen (PB L 64 van 3.3.2012, blz. 38).
(4) Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (PB L 256 van 7.9.1987, blz. 1).
(5) Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No 5 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 2013.
BIJLAGE I
SOORTEN WAARDPLANTEN WAARNAAR VERWEZEN WORDT IN ARTIKEL 1, ONDER f)
|
|
Acer spp. |
|
|
Aesculus spp. |
|
|
Albizia spp. |
|
|
Alnus spp. |
|
|
Betula spp. |
|
|
Buddleja spp. |
|
|
Carpinus spp. |
|
|
Celtis spp. |
|
|
Cercidiphyllum spp. |
|
|
Corylus spp. |
|
|
Elaeagnus spp. |
|
|
Fagus spp. |
|
|
Fraxinus spp. |
|
|
Hibiscus spp. |
|
|
Koelreuteria spp. |
|
|
Malus spp. |
|
|
Melia spp. |
|
|
Morus spp. |
|
|
Platanus spp. |
|
|
Populus spp. |
|
|
Prunus spp. |
|
|
Pyrus spp. |
|
|
Quercus rubra |
|
|
Robinia spp. |
|
|
Salix spp. |
|
|
Sophora spp. |
|
|
Sorbus spp. |
|
|
Tilia spp. |
|
|
Ulmus spp. |
BIJLAGE II
1. SPECIFIEKE INVOERVOORSCHRIFTEN
A. Nader omschreven planten
|
1. |
Nader omschreven planten van oorsprong uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, moeten vergezeld gaan van een certificaat als bedoeld in artikel 13, lid 1, ii), van Richtlijn 2000/29/EG waarin onder de rubriek „aanvullende verklaring” wordt aangegeven:
|
|
2. |
De overeenkomstig punt 1 ingevoerde nader omschreven planten moeten zorgvuldig officieel worden geïnspecteerd op de plaats van binnenkomst of de plaats van bestemming vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG (1). De toegepaste inspectiemethoden moeten ervoor zorgen dat alle tekenen van het nader omschreven organisme, met name in de stammen en de takken van de planten, worden opgespoord. Deze inspectie moet in voorkomend geval een doelgerichte destructieve bemonstering omvatten. |
B. Nader omschreven hout
|
1. |
Nader omschreven hout, met uitzondering van hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, schaafsel, resten en afval van oorsprong uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, moet vergezeld gaan van een certificaat als bedoeld in artikel 13, lid 1, ii), van Richtlijn 2000/29/EG waarin onder de rubriek „aanvullende verklaring” wordt aangegeven:
|
|
2. |
Nader omschreven hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, schaafsel, resten en afval van oorsprong uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, moet vergezeld gaan van een certificaat als bedoeld in artikel 13, lid 1, ii), van Richtlijn 2000/29/EG waarin onder de rubriek „aanvullende verklaring” wordt aangegeven:
|
|
3. |
Het overeenkomstig de punten 1 en 2 ingevoerde nader omschreven hout moet zorgvuldig officieel worden geïnspecteerd op de plaats van binnenkomst of de plaats van bestemming vastgesteld overeenkomstig Richtlijn 2004/103/EG. |
2. VERVOERSVOORWAARDEN
A. Nader omschreven planten
|
1. |
Nader omschreven planten van oorsprong (2) uit afgebakende gebieden mogen alleen binnen de Unie worden vervoerd als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (3) en gedurende een periode van minstens twee jaar vóór het vervoer of in geval van planten jonger dan twee jaar permanent zijn geteeld in een plaats van productie:
|
|
2. |
Nader omschreven planten niet van oorsprong uit afgebakende gebieden, maar binnengebracht in een plaats van productie in dergelijke gebieden, mogen binnen de Unie worden vervoerd op voorwaarde dat deze plaats van productie voldoet aan de voorschriften van punt 1, onder c), en alleen als de planten vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG. |
|
3. |
Nader omschreven planten die overeenkomstig rubriek 1, punt A, zijn ingevoerd uit derde landen waarvan bekend is dat het nader omschreven organisme er voorkomt, mogen binnen de Unie alleen worden vervoerd als zij vergezeld gaan van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG. |
B. Nader omschreven hout
|
1. |
Nader omschreven hout, met uitzondering van hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, schaafsel, resten en afval van oorsprong uit afgebakende gebieden of nader omschreven hout dat zijn natuurlijke ronde oppervlak geheel of deels heeft behouden dat niet van oorsprong is uit dergelijke gebieden maar er binnengebracht is, mag binnen de Unie alleen worden vervoerd als het vergezeld gaat van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG. Dat plantenpaspoort wordt enkel afgegeven als het hout in kwestie voldoet aan elk van de volgende voorschriften:
|
|
2. |
Nader omschreven hout in de vorm van plakjes, spanen, kleine stukjes, schaafsel, resten en afval van oorsprong uit afgebakende gebieden, mag binnen de Unie alleen worden vervoerd als het vergezeld gaat van een plantenpaspoort dat is opgesteld en afgegeven overeenkomstig Richtlijn 92/105/EEG en voldoet aan één van de volgende voorwaarden:
|
|
3. |
Als er in het geval van punt 1 of 2 geen behandelings- of verwerkingsinstallaties beschikbaar zijn binnen het afgebakende gebied, mag het nader omschreven hout onder officieel toezicht en in afgesloten omstandigheden op zodanige wijze dat het nader omschreven organisme zich niet kan verspreiden, vervoerd worden naar de dichtstbijzijnde installatie buiten het afgebakende gebied om de onmiddellijke behandeling of verwerking overeenkomstig deze punten te verzekeren.
Afval dat het resultaat is van de naleving van de punten 1 en 2 moet op zodanige wijze weggeruimd worden dat het nader omschreven organisme zich niet buiten een afgebakend gebied kan verspreiden. De verantwoordelijke officiële instantie moet op daartoe geschikte tijdstippen intensieve monitoring uitvoeren van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme door middel van inspecties van waardplanten binnen een straal van ten minste 1 km rond die behandelings- of verwerkingsinstallatie. |
C. Nader omschreven houten verpakkingsmateriaal
Nader omschreven houten verpakkingsmateriaal van oorsprong uit afgebakende gebieden mag binnen de Unie alleen worden vervoerd als het aan de volgende voorwaarden voldoet:
|
a) |
het heeft één van de goedgekeurde behandelingen ondergaan die zijn vermeld in bijlage I bij internationale norm nr. 15 (5) van de FAO voor fytosanitaire maatregelen inzake „Regulation of wood packaging material in international trade” (reglementering inzake houten verpakkingsmateriaal in het internationale handelsverkeer), en |
|
b) |
het is voorzien van een merkteken dat is vastgesteld in bijlage II bij die internationale norm, dat aangeeft dat het nader omschreven houten verpakkingsmateriaal een goedgekeurde fytosanitaire behandeling overeenkomstig die norm heeft ondergaan. |
Als er geen behandelingsinstallaties beschikbaar zijn binnen het afgebakende gebied, mag het nader omschreven houten verpakkingsmateriaal onder officieel toezicht en in afgesloten omstandigheden op zodanige wijze dat het nader omschreven organisme zich niet kan verspreiden, vervoerd worden naar de dichtstbijzijnde behandelingsinstallatie buiten het afgebakende gebied om de onmiddellijke behandeling en markering overeenkomstig de punten a) en b) te verzekeren.
Afval dat het resultaat is van de naleving van dit punt, moet op zodanige wijze weggeruimd worden dat het nader omschreven organisme zich niet buiten een afgebakend gebied kan verspreiden.
De verantwoordelijke officiële instantie moet op daartoe geschikte tijdstippen intensieve monitoring uitvoeren van de aanwezigheid van het nader omschreven organisme door middel van inspecties van waardplanten binnen een straal van ten minste 1 km rond de behandelingsinstallatie.
(1) Richtlijn 2004/103/EG van de Commissie van 7 oktober 2004 betreffende de controles van de identiteit en de fytosanitaire controles van in deel B van bijlage V bij Richtlijn 2000/29/EG van de Raad opgenomen planten, plantaardige producten en andere materialen, die kunnen worden uitgevoerd op een andere plaats dan de plaats van binnenkomst in de Gemeenschap of op een dichtbijgelegen plaats en tot vaststelling van de eisen met betrekking tot deze controles (PB L 313 van 12.10.2004, blz. 16).
(2) Glossary of Phytosanitary Terms — Reference Standard ISPM No 5 and Phytosanitary certificates — Reference Standard ISPM No 12 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 2013.
(3) Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie van 3 december 1992 tot een zekere mate van standaardisering van plantenpaspoorten voor het verkeer van bepaalde planten, plantaardige producten en andere materialen in de Gemeenschap, en tot vaststelling van nadere regels voor de afgifte van deze paspoorten en van de voorwaarden en nadere regels voor de vervanging ervan (PB L 4 van 8.1.1993, blz. 22).
(4) Richtlijn 92/90/EEG van de Commissie van 3 november 1992 tot vaststelling van de verplichtingen van producenten en importeurs van planten, plantaardige producten en andere materialen, en van nadere bepalingen inzake registratie (PB L 344 van 26.11.1992, blz. 38).
(5) Regulation of wood packaging material in international trade — Reference Standard ISPM No 15 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 2009.
BIJLAGE III
INSTELLING VAN AFGEBAKENDE GEBIEDEN EN MAATREGELEN, ALS BEDOELD IN ARTIKEL 7
1. INSTELLING VAN AFGEBAKENDE GEBIEDEN
|
1. |
Afgebakende gebieden moeten bestaan uit de volgende zones:
|
|
2. |
De exacte grenzen van de zones moeten zijn gebaseerd op goede wetenschappelijke beginselen, de biologie van het nader omschreven organisme, het besmettingsniveau, de specifieke verdeling van de waardplanten in het betrokken gebied en bewijsmateriaal inzake het vóórkomen van het nader omschreven organisme. Ingeval de verantwoordelijke officiële instantie concludeert dat uitroeiing van het nader omschreven organisme mogelijk is, rekening houdend met de omstandigheden van de uitbraak, de resultaten van een specifiek onderzoek of de onmiddellijke toepassing van uitroeiingsmaatregelen, kan de straal van de bufferzone worden verkleind tot niet minder dan één kilometer vanaf de grens van de besmette zone. Ingeval uitroeiing van het nader omschreven organisme niet meer mogelijk is, kan de straal niet tot minder dan twee kilometer worden verkleind. |
|
3. |
Indien de aanwezigheid van het nader omschreven organisme buiten de besmette zone wordt bevestigd, moeten de grenzen van de besmette zone en de bufferzone dienovereenkomstig worden herzien en gewijzigd. |
|
4. |
Wanneer in een afgebakend gebied op grond van de onderzoeken, als bedoeld in artikel 6, lid 1, en de monitoring, als bedoeld in bijlage III, rubriek 3, punt 1, onder h), het nader omschreven organisme niet wordt gedetecteerd tijdens een periode die ten minste een levenscyclus en een aanvullend jaar omvat, maar die in elk geval niet minder dan vier achtereenvolgende jaren bedraagt, mag deze afbakening worden opgeheven. De exacte lengte van een levenscyclus hangt af van het bewijsmateriaal dat voor het betrokken gebied of een soortgelijke klimaatzone beschikbaar is. |
|
5. |
De afbakening mag ook worden opgeheven wanneer na verder onderzoek blijkt dat aan de voorwaarden van rubriek 2, punt 1, wordt voldaan. |
2. VOORWAARDEN WAARONDER GEEN AFGEBAKEND GEBIED HOEFT TE WORDEN INGESTELD
|
1. |
Overeenkomstig artikel 7, lid 2, hoeven de lidstaten geen afgebakend gebied, als bedoeld in artikel 7, lid 1, in te stellen wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
|
2. |
Wanneer aan de in punt 1 vermelde voorwaarden wordt voldaan, hoeven de lidstaten geen afgebakende gebieden in te stellen, mits zij de volgende maatregelen nemen:
De in de punten a) tot en met f) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag zoals bedoeld in artikel 8. |
3. IN AFGEBAKENDE GEBIEDEN TE NEMEN MAATREGELEN
|
1. |
In afgebakende gebieden moeten de lidstaten de volgende maatregelen nemen om het nader omschreven organisme uit te roeien:
De in de punten a) tot en met k) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag zoals bedoeld in artikel 8. |
|
2. |
Wanneer de resultaten van de in artikel 6 bedoelde onderzoeken gedurende meer dan vier achtereenvolgende jaren de aanwezigheid van het nader omschreven organisme in een gebied hebben bevestigd en er bewijsmateriaal bestaat dat het nader omschreven organisme niet meer kan worden uitgeroeid, kunnen de lidstaten de maatregelen beperken tot het tegengaan van de verspreiding van het nader omschreven organisme buiten dat gebied. Die maatregelen moeten ten minste omvatten:
De in de punten a) tot en met i) bedoelde maatregelen moeten worden gepresenteerd in de vorm van een verslag zoals bedoeld in artikel 8. |
(1) Guidelines for pest eradication programmes — Reference Standard ISPM No 9 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 1998.
(2) The use of integrated measures in a systems approach for pest risk management — Reference Standard ISPM No 14 by the Secretariat of the International Plant Protection Convention, Rome, 2002.
|
11.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/29 |
BESLUIT (EU) 2015/894 VAN DE COMMISSIE
van 10 juni 2015
tot benoeming van een lid van het Europees Raadgevend Comité voor de statistiek
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Besluit nr. 234/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 tot oprichting van een Europees Raadgevend Comité voor de statistiek en tot intrekking van Besluit 91/116/EEG van de Raad (1), en met name artikel 4, lid 1, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Europees Raadgevend Comité voor de statistiek (ERCS) telt 24 leden. |
|
(2) |
Krachtens artikel 4, lid 1, van Besluit nr. 234/2008/EG worden twaalf leden van het ERCS benoemd door de Commissie. |
|
(3) |
Bij Besluit 2014/C 138/02 van de Commissie van 5 mei 2014 heeft de Commissie acht leden van het ERCS benoemd en een reservelijst opgesteld die gebruikt wordt in het geval dat een benoemd lid zijn functie neerlegt of onverwachts onbeschikbaar is. |
|
(4) |
Aangezien één van de bij Besluit 2014/C 138/02 benoemde leden zijn functie heeft neergelegd, moet de Commissie een nieuw lid uit de reservelijst benoemen voor een termijn die verstrijkt op dezelfde dag als die voor de bij Besluit 2014/C 138/02 benoemde leden. |
|
(5) |
Bij selectie uit de reservelijst moet ernaar worden gestreefd om het evenwicht tussen de gebruikersgroepen te behouden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Mevrouw Asta MANNINEN wordt hierbij benoemd als lid van het Europees Raadgevend Comité voor de statistiek voor een termijn die verstrijkt op 8 mei 2019.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 10 juni 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
Rectificaties
|
11.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 146/30 |
Rectificatie van Verordening (EU) 2015/735 van de Raad van 7 mei 2015 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Zuid-Sudan en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 748/2014
( Publicatieblad van de Europese Unie L 117 van 8 mei 2015 )
Bladzijde 21, artikel 27:
in plaats van:
„Artikel 27
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”,
te lezen:
„Artikel 27
Verordening (EU) nr. 748/2014 wordt ingetrokken.
Artikel 28
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.”.