|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
58e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/850 van de Commissie van 30 januari 2015 tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende eigenvermogensvereisten voor instellingen ( 1 ) |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
||
|
|
|
RICHTSNOEREN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN |
|
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/850 VAN DE COMMISSIE
van 30 januari 2015
tot wijziging van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende eigenvermogensvereisten voor instellingen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 28, lid 5, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Er kan geen sprake zijn van een onevenredige belasting op het eigen vermogen voor uitkeringen op afzonderlijke Tier 1-kernkapitaalinstrumenten of voor uitkeringen op het totale eigen vermogen van de instelling. Het begrip onevenredige belasting op het eigen vermogen moet daarom worden gedefinieerd aan de hand van regels die beide aspecten dekken. |
|
(2) |
De in artikel 28, lid 5, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde delegatie inzake een potentiële onevenredige belasting op het eigen vermogen heeft geen betrekking op instrumenten die onder artikel 27 van deze verordening vallen, aangezien deze vrijgesteld zijn krachtens artikel 28, lid 1, onder h), iii), van deze verordening. |
|
(3) |
De betekenis van preferentiële uitkeringen moet gebaseerd zijn op kenmerken van de instrumenten die rekening houden met de voorwaarden van artikel 28, lid 1, onder h), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013, namelijk dat er geen preferentiële behandelingen voor de volgorde van betaling van uitkeringen of andere preferentiële rechten mogen bestaan, onder meer voor preferentiële uitkeringen op Tier 1-kernkapitaalbestanddelen ten opzichte van andere Tier 1-kernkapitaalbestanddelen. Aangezien artikel 28, lid 1, onder h), i), van Verordening (EU) nr. 575/2013 een onderscheid maakt tussen preferentiële rechten op de betaling van uitkeringen en voorrechten met betrekking tot de volgorde van uitkeringen, moeten de regels inzake preferentiële uitkeringen gelden voor beide gevallen. |
|
(4) |
Op Tier 1-kernkapitaalinstrumenten van instellingen als bedoeld in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 575/2013 („vennootschappen zonder aandelen”) moeten andere regels worden toegepast wanneer dit gerechtvaardigd wordt door specifieke kenmerken van instrumenten met stemrechten en instrumenten zonder stemrechten. Wanneer alleen houders van instrumenten met stemrechten kunnen intekenen op aandelen zonder stemrechten, is er geen sprake van dat houders van instrumenten zonder stemrechten verstoken zouden blijven van stemrechten. In het geval van vennootschappen zonder aandelen vloeit de gedifferentieerde uitkering op het instrument zonder stemrechten dus niet op dezelfde wijze als bij aandelenvennootschappen voort uit de afwezigheid van stemrechten. Ook wanneer er in het toepasselijke nationale recht een maximum is vastgesteld voor de uitkering op het instrument met stemrecht, moeten de beperkingen die bedoeld zijn voor aandelenvennootschappen, vervangen worden door andere regels die ervoor zorgen dat het recht op betaling van de uitkering niet preferentieel is. |
|
(5) |
Een verschillende behandeling voor vennootschappen zonder aandelen is alleen gerechtvaardigd indien de genoemde vennootschappen geen kapitaalinstrumenten met een voorafbepaalde meervoudige uitkering uitgeven waarin contractueel dan wel bij de statuten van de vennootschap voorzien zou zijn. Indien zij dat toch doen, zijn de problemen met betrekking tot het preferentiële recht op betaling van uitkeringen dezelfde als voor aandelenvennootschapppen en moet dus dezelfde behandeling gelden. |
|
(6) |
Dit mag vennootschappen zonder aandelen niet beletten andere kapitaalinstrumenten met een gedifferentieerde uitkering uit te geven op voorwaarde dat zij aantonen dat deze instrumenten geen preferentieel recht op betaling van uitkeringen doen ontstaan. Om dit aan te tonen moet een beoordeling worden gemaakt van het niveau van de uitkeringen op instrumenten met stemrechten en het niveau van de uitkeringen op het geheel van het Tier 1-kernkapitaal. De instelling moet aantonen dat het niveau van de uitkeringen op de instrumenten met stemrechten laag is in vergelijking met andere kapitaalinstrumenten en dat de uitbetalingsratio op Tier 1-kernkapitaalinstrumenten laag is. |
|
(7) |
Om vennootschappen zonder aandelen in staat te stellen te beoordelen of het niveau van de uitbetalingsratio laag is, dient een benchmark te worden opgesteld. Aangezien uitbetalingsratio's kunnen variëren naargelang van het jaarlijks resultaat, moet deze benchmark gebaseerd zijn op het gemiddelde over de vijf voorafgaande jaren. Omdat de in te voeren maatregel een nieuwigheid is en voor een aantal van deze instellingen gevolgen kan hebben, moet indien nodig worden gezorgd voor een gefaseerde invoering van de regels inzake het niveau van de uitbetalingsratio. De beperkingen van de uitbetalingsratio kunnen gedurende de eerste vijf jaar fasegewijs worden ingevoerd, met een geleidelijke toepassing tot einde 2017, en de regel moet door alle instellingen volledig worden toegepast in 2018. |
|
(8) |
Sommige vennootschappen zonder aandelen zijn niet in staat instrumenten uit te geven die even flexibel als gewone aandelen zijn, in geval van een noodherkapitalisatie waarbij instellingen onderworpen worden aan vroegtijdige-interventiemaatregelen. In dergelijke gevallen moeten deze instellingen kapitaalinstrumenten uitgeven die het herstel vergemakkelijken. Hoewel instrumenten zonder stemrechten gewoonlijk alleen in het bezit zijn van houders van instrumenten met stemrechten, moet het deze instellingen daarom toegestaan zijn aan externe investeerders uitzonderlijk ook instrumenten te verkopen waaraan geen stemrechten verbonden zijn. Voorts moeten kapitaalinstrumenten die voor een noodherkapitalisatie dienen, het vooruitzicht bieden dat na de herstelfase een passend toekomstig voordeel te verdienen is. Het moet deze instellingen derhalve toegestaan zijn de begrenzingen op de uitbetalingsratio na de herstelfase te overschrijden om deze potentiële haussemogelijkheid te verlenen aan houders van Tier 1-kernkapitaalinstrumenten die in het kader van een noodherkapitalisatie zijn verstrekt. |
|
(9) |
Krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013 kunnen bevoegde autoriteiten overeenkomstig het nationale recht geheel of gedeeltelijk ontheffing van de toepassing van de vereisten van de delen 2 tot en met 8 van deze verordening verlenen aan kredietinstellingen die aangesloten zijn bij een centraal orgaan. Daarnaast kunnen de bevoegde autoriteiten krachtens hetzelfde artikel op individuele basis ontheffing van de toepassing van de delen 2 tot en met 8 verlenen aan het centrale orgaan wanneer de verplichtingen of de verbintenissen van het centrale orgaan volledig door de aangesloten instellingen worden gewaarborgd. Op basis van dit artikel moeten de bevoegde autoriteiten ontheffing van de verplichtingen krachtens deze verordening kunnen verlenen voor intragroepkapitaalinstrumenten. De bevoegde autoriteiten moeten op basis van de geconsolideerde situatie van de instellingen waarvoor deze ontheffingen gelden, ook kunnen beoordelen of de bij deze verordening voorgeschreven verplichtingen worden nageleefd, met name wat betreft de berekening van de uitbetalingsratio. |
|
(10) |
Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die de Europese Bankautoriteit aan de Commissie heeft voorgelegd. |
|
(11) |
De Europese Bankautoriteit heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke daaraan verbonden kosten en baten geanalyseerd, en heeft de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (2) opgerichte stakeholdergroep bankwezen om advies verzocht. |
|
(12) |
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 (3) van de Commissie moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Het volgende artikel 7 bis wordt ingevoegd: „Artikel 7 bis Meervoudige uitkeringen die een onevenredige belasting op het eigen vermogen vormen 1. Uitkeringen op Tier 1-kernkapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden geacht geen onevenredige belasting op kapitaal te vormen wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
2. Wanneer niet aan de voorwaarde van lid 1, onder f), is voldaan, wordt alleen het bedrag van de instrumenten met een meervoudig dividend dat de hierin gedefinieerde drempel overschrijdt, geacht een onevenredige belasting op het kapitaal te vormen. 3. Wanneer niet aan de voorwaarden van lid 1, onder a) tot en met e), is voldaan, worden alle uitstaande instrumenten met een meervoudig dividend geacht een onevenredige belasting op het kapitaal te vormen.” |
|
2) |
Het volgende artikel 7 ter wordt ingevoegd: „Artikel 7 ter Preferentiële uitkeringen met betrekking tot preferentiële rechten op betaling van uitkeringen 1. Voor Tier 1-kernkapitaalinstrumenten als bedoeld in artikel 28 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt een uitkering op een Tier 1-kernkapitaalinstrument geacht preferentieel te zijn ten opzichte van andere Tier 1-kernkapitaalinstrumenten wanneer er gedifferentieerde niveaus van uitkeringen zijn, tenzij aan de voorwaarden van artikel 7 bis van deze verordening is voldaan. 2. Voor Tier 1-kernkapitaalinstrumenten met minder of geen stemrechten uitgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt een uitkering, wanneer deze een veelvoud van de uitkering op instrumenten met stemrechten is en deze meervoudige uitkering bij overeenkomst of bij de statuten is vastgesteld, geacht niet preferentieel te zijn wanneer aan alle volgende voorwaarden is voldaan:
3. Wanneer niet aan de voorwaarde van lid 2, onder f), is voldaan, wordt alleen het bedrag van de instrumenten met een meervoudig dividend dat de hierin gedefinieerde drempel overschrijdt, niet in aanmerking genomen voor het Tier 1-kernkapitaal. 4. Wanneer niet aan een van de voorwaarden van van lid 2, onder a) tot en met e), is voldaan, worden alle uitstaande instrumenten met een meervoudig dividend niet in aanmerking genomen voor het Tier 1-kernkapitaal. 5. Voor de toepassing van lid 2 worden, wanneer de uitkeringen op Tier 1-kernkapitaalinstrumenten voor de instrumenten met stemrechten of zonder stemrechten worden uitgedrukt op basis van de aankoopprijs bij uitgifte van het instrument, de formules aangepast als volgt voor het instrument of de instrumenten die op basis van de aankoopprijs bij uitgifte worden uitgedrukt:
6. Voor Tier 1-kernkapitaalinstrumenten met minder of geen stemrechten uitgegeven door instellingen als bedoeld in artikel 27 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt een uitkering, wanneer deze een veelvoud van de uitkering op de instrumenten met stemrechten is en deze meervoudige uitkering bij overeenkomst of bij de statuten is vastgesteld, geacht niet preferentieel te zijn wanneer aan een van de voorwaarden bedoeld in lid 7 en aan beide voorwaarden bedoeld in lid 8 is voldaan. 7. Voor de toepassing van lid 6 gelden de twee volgende voorwaarden a) of b):
8. Voor de toepassing van lid 6 gelden de twee volgende voorwaarden:
9. Voor de toepassing van lid 7, onder a), worden de stemrechten van elke afzonderlijke houder geacht beperkt te zijn in de volgende gevallen:
10. Voor de toepassing van dit artikel wordt de termijn van één jaar geacht te verstrijken op de datum van de laatste financiële verslaggeving van de instelling. 11. De instellingen gaan na of aan de in de leden 7 en 8 bedoelde voorwaarden is voldaan en delen het resultaat van hun controle aan de bevoegde autoriteit mee ten minste in de volgende gevallen:
12. Wanneer niet aan de voorwaarde van lid 8, onder b), is voldaan, wordt alleen het bedrag van de instrumenten zonder stemrechten waarvan de uitkeringen de hierin vastgestelde drempels overschrijden, geacht preferentiële uitkeringen in te houden. 13. Wanneer niet aan de voorwaarde van lid 8, onder a), is voldaan, worden de uitkeringen op alle uitstaande instrumenten met stemrechten preferentieel te zijn tenzij aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan. 14. Wanneer aan geen van de voorwaarden van lid 7 is voldaan, worden de uitkeringen op alle uitstaande instrumenten zonder stemrechten geacht preferentieel te zijn tenzij aan de voorwaarden van lid 2 is voldaan. 15. Van de in lid 7, onder a), i), bedoelde verplichting of de in lid 8, onder b), bedoelde verplichting of van beide verplichtingen kan in voorkomend geval worden afgeweken wanneer aan de twee volgende voorwaarden is voldaan:
|
|
3) |
Het volgende artikel 7 quater wordt ingevoegd: „Artikel 7 quater Berekening van de uitbetalingsratio voor de toepassing van artikel 7 ter, lid 8, onder b) 1. Voor de toepassing van artikel 7 ter, lid 8, onder b), kiezen de instellingen een van de methoden als beschreven onder a) of b) om de uitbetalingsratio te berekenen. De instelling past de gekozen methode consequent toe in de tijd.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder winsten verstaan het bedrag bedoeld in rij 670 van template 2 van bijlage III bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 (*1) of wanneer van toepassing, het bedrag bedoeld in rij 670 van template 2 van bijlage IV bij deze uitvoeringsverordening met betrekking tot de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013. (*1) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).” " . |
|
4) |
Het volgende artikel 7 quinquies wordt ingevoegd: „Artikel 7 quinquies Preferentiële uitkeringen betreffende de volgorde van betaling van uitkeringen Voor de toepassing van artikel 28 van Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt een uitkering op Tier 1-kernkapitaalinstrumenten geacht preferentieel te zijn ten opzichte van andere Tier 1-kernkapitaalinstrumenten en met betrekking tot de volgorde van betaling van uitkeringen wanneer aan ten minste een van de volgende voorwaarden is voldaan:
|
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 30 januari 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).
(3) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende eigenvermogensvereisten voor instellingen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 8).
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/8 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/851 VAN DE COMMISSIE
van 27 maart 2015
tot wijziging van de bijlagen II, III en VI bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (1), en met name artikel 6, lid 3, artikel 7, lid 3, en artikel 20, lid 6,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 heeft Kroatië de Commissie uiterlijk op 31 januari 2015 in kennis gesteld van de oppervlakte ontmijnde grond die in 2014 opnieuw voor landbouwactiviteiten in gebruik is genomen, van het aantal betalingsrechten dat op 31 december 2014 voor landbouwers beschikbaar was, en van het bedrag in de speciale nationale reserve voor mijnenruimen dat op diezelfde datum nog niet was uitgegeven. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 20, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet de Commissie de bedragen waarmee de in bijlage II bij die verordening voor Kroatië vastgestelde nationale maxima moeten worden aangevuld, berekenen op basis van de gegevens waarvan Kroatië overeenkomstig artikel 20, lid 1, van die verordening heeft kennisgegeven en de geraamde gemiddelde rechtstreekse betalingen per hectare voor het betrokken jaar in Kroatië. |
|
(3) |
De gemiddelde rechtstreekse betalingen per hectare voor 2015 moeten worden berekend door het nationale maximum voor Kroatië in 2015, verminderd met het bedrag in de speciale reserve voor mijnenruimen dat op 31 december 2014 nog niet was uitgegeven, te delen door het aantal betalingsrechten dat op diezelfde datum voor landbouwers beschikbaar was. De bedragen waarmee de nationale maxima voor 2015 en de daaropvolgende jaren moeten worden aangevuld, worden berekend op basis van de toenameregeling als bedoeld in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en weerspiegelen dat de maximumbedragen van de jaarlijkse toename, als vastgesteld in bijlage VII bij die verordening, op grond van de kennisgeving van 31 januari 2015 voor het kalenderjaar 2015 en de daarop volgende jaren bereikt zijn. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 20, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet bijlage VI bij die verordening worden aangepast teneinde rekening te houden met de gevolgen van het door Kroatië gemelde opnieuw voor landbouwactiviteiten in gebruik nemen van ontmijnde landbouwgronden in 2014. |
|
(5) |
De bijlagen II, III en VI bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Deze verordening is essentieel voor een vlotte en tijdige vaststelling van de uitvoeringshandelingen als bedoeld in artikel 22, lid 1, artikel 36, lid 4, artikel 42, lid 2, artikel 47, lid 3, artikel 49, lid 2, artikel 51, lid 4, en artikel 53, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en dient derhalve in werking te treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlagen II, III en VI bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 maart 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
BIJLAGE
De bijlagen II, III en VI bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage II wordt vervangen door: „BIJLAGE II Nationale maxima als bedoeld in artikel 6
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
Bijlage III wordt vervangen door: „BIJLAGE III Nettomaxima als bedoeld in artikel 7
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3) |
Bijlage VI wordt vervangen door: „BIJLAGE VI Financiële bepalingen die van toepassing zijn op Kroatië, als bedoeld in de artikelen 10 en 19
|
|||||||||||||||||||||||||
(*1) Voor Kroatië is het nationale maximum voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 344 340 000 EUR en voor 2022 op 382 600 000 EUR.”
(*2) Voor Kroatië is het nettomaximum voor het kalenderjaar 2021 vastgesteld op 344 340 000 EUR en voor 2022 op 382 600 000 EUR.”
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/13 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/852 VAN DE COMMISSIE
van 27 maart 2015
tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de gevallen van niet-naleving en de gevallen van ernstige niet-naleving van de voorschriften van het gemeenschappelijk visserijbeleid die kunnen leiden tot een onderbreking van de betalingstermijn of een schorsing van betalingen in het kader van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (1), en met name artikel 102,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) mag niet in gevaar worden gebracht door lidstaten die de GVB-voorschriften niet naleven. Krachtens artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (2) is de financiële steun van het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij (EFMZV) afhankelijk van de naleving van de GVB-voorschriften door de lidstaten. Niet-naleving van de GVB-voorschriften door de lidstaten kan leiden tot de onderbreking of schorsing van betalingen, of tot de toepassing van een financiële correctie op de financiële steun van de Unie in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid. |
|
(2) |
In artikel 83, lid 1, en artikel 142, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (3) is vastgesteld onder welke voorwaarden een onderbreking van de betalingstermijn respectievelijk een schorsing van betalingen kan worden opgelegd. Ingevolge deze twee artikelen kunnen in de fondsspecifieke voorschriften voor het EFMZV specifieke gronden worden vastgelegd voor onderbreking en schorsing van betalingen wegens de niet-naleving van regels die van toepassing zijn uit hoofde van het gemeenschappelijk visserijbeleid. |
|
(3) |
Om de financiële belangen van de Unie en de belastingbetaler te behartigen mag de Commissie krachtens artikel 100 van Verordening (EU) nr. 508/2014 betalingstermijnen bij wijze van voorzorgsmaatregel onderbreken wanneer een lidstaat zijn uit het GVB voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen of wanneer de Commissie beschikt over bewijs ter staving van een dergelijke niet-naleving. |
|
(4) |
Niet alleen kan de Commissie overgaan tot de onderbreking van de betalingstermijn, bovendien mag zij krachtens artikel 101 van Verordening (EU) nr. 508/2014 en om te voorkomen dat betalingen worden verricht voor niet-subsidiabele uitgaven, de tussentijdse betalingen schorsen in geval van ernstige niet-naleving van de GVB-voorschriften. |
|
(5) |
De financiële correcties die worden opgelegd aan lidstaten die de GVB-voorschriften niet naleven, moeten in verhouding staan tot de aard, de ernst, de duur en het al dan niet herhaaldelijke karakter van de niet-naleving. |
|
(6) |
Met het oog op rechtszekerheid voor de lidstaten die operationele programma's in het kader van het EFMZV uitvoeren, is het noodzakelijk te bepalen welke gevallen van niet-naleving van de GVB-voorschriften die van essentieel belang zijn voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee, kunnen leiden tot de onderbreking van de betalingstermijn of tot een schorsing van betalingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 508/2014. Deze gevallen dienen de doeleinden van Verordening (EU) nr. 508/2014 en kaderen in de tenuitvoerlegging van artikel 41 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 onverminderd eventuele andere door de GVB-voorschriften opgelegde sancties. |
|
(7) |
Gevallen van niet-naleving van de GVB-voorschriften die van essentieel belang zijn voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee dienen als ernstig te worden beschouwd indien de lidstaat heeft nagelaten de nodige maatregelen te nemen om een einde te maken aan de situatie die aanleiding heeft gegeven tot een onderbreking van de betalingstermijn. |
|
(8) |
Voorafgaand aan de onderbreking of schorsing van betalingen moet de Commissie krachtens artikel 100, lid 2, en artikel 101, lid 2, van Verordening (EU) nr. 508/2014 uitvoeringshandelingen vaststellen die een nadere omschrijving bieden van de niet-naleving door de lidstaat van zijn verplichtingen in het kader van de GVB-voorschriften die van invloed kan zijn op de uitgaven waarvoor om een tussentijdse betaling is verzocht. |
|
(9) |
Gezien het belang van een geharmoniseerde en gelijke behandeling van de marktdeelnemers in alle lidstaten vanaf het begin van de programmeringsperiode moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Gevallen van niet-naleving
In de bijlage bij de onderhavige verordening zijn de gevallen van niet-naleving door een lidstaat van zijn verplichtingen in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (GVB) omschreven die kunnen leiden tot een onderbreking van de betalingstermijn voor een aanvraag betreffende een tussentijdse betaling op grond van artikel 100 van Verordening (EU) nr. 508/2014.
Artikel 2
Gevallen van ernstige niet-naleving
De gevallen in de bijlage bij de onderhavige verordening worden gezien als ernstige niet-naleving door een lidstaat van zijn verplichtingen in het kader van het GVB die kunnen leiden tot een schorsing van de betalingen op grond van artikel 101 van Verordening (EU) nr. 508/2014 indien bovendien:
|
a) |
zij leiden tot de onderbreking van de betalingstermijn voor een aanvraag betreffende een tussentijdse betaling op grond van artikel 100 van Verordening (EU) nr. 508/2014, en |
|
b) |
de lidstaat voor deze gevallen heeft nagelaten binnen de periode van onderbreking van de betalingstermijn de nodige maatregelen te nemen om een einde te maken aan de situatie. |
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 maart 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1.
(2) Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).
(3) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
BIJLAGE
Categorie 1: Verzuim van bijdrage aan de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 bepaalde doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid die van essentieel belang zijn voor de instandhouding van de biologische rijkdommen van de zee
|
1.1. |
Verzuim van toezicht op de inachtneming van de krachtens de artikelen 16 en 17 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 aan de lidstaat toegewezen vangstmogelijkheden |
|
1.2. |
Verzuim van naleving van de vereisten die zijn bepaald in de verschillende soorten in artikel 7 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vermelde instandhoudingsmaatregelen |
Categorie 2: Verzuim van naleving van de internationale instandhoudingsverplichtingen
|
2.1. |
Verzuim van naleving van de uit artikel 28 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voortvloeiende verplichtingen |
Categorie 3: Verzuim van toezicht op het evenwicht tussen de vloot en de natuurlijke rijkdommen
|
3.1. |
Verzuim van indiening van het verslag over het evenwicht tussen de vangstcapaciteit van de vloot en de vangstmogelijkheden dat in overeenstemming is met alle vereisten van artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 |
|
3.2. |
Verzuim van uitvoering van het actieplan op grond van artikel 22, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 waar het jaarlijks ingediende verslag een dergelijk actieplan omvat |
|
3.3. |
Verzuim van erop toe te zien dat bij onttrekking van vangstcapaciteit aan de vloot met overheidssteun, deze is voorafgegaan door het intrekken van de visvergunning en de vismachtigingen en dat de vangstcapaciteit niet wordt vervangen, als vastgesteld in artikel 22, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 |
|
3.4. |
Verzuim van erop toe te zien dat de vangstcapaciteit nooit groter is dan de in artikel 22, lid 7, en bijlage II van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde vangstcapaciteitsmaxima |
|
3.5. |
Verzuim van uitvoering van de regeling voor toevoeging of onttrekking aan de vloot overeenkomstig artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 |
|
3.6. |
Verzuim van beheer van het vissersvlootregister overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1380/2013 en Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie (1) |
Categorie 4: Verzuim van tenuitvoerlegging van het communautaire kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens overeenkomstig artikel 25 van Verordening (EU) nr. 1380/2013, als nader omschreven in Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad (2) , dat resulteert in een gebrek aan informatie inzake natuurlijke rijkdommen
|
4.1. |
Verzuim van verzameling en beheer van voor het visserijbeheer noodzakelijke biologische, technische, milieu- en sociaaleconomische gegevens als bepaald in de artikelen 4, 13 en 17 van Verordening (EG) nr. 199/2008 |
|
4.2. |
Verzuim van jaarlijkse indiening en openbaarmaking van een verslag over de uitvoering van nationale gegevensverzamelingsprogramma's als bepaald in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 199/2008 |
|
4.3. |
Verzuim van toezicht op de nationale coördinatie van de verzameling en het beheer van wetenschappelijke gegevens voor visserijbeheer als bepaald in artikel 4 van Verordening (EG) nr. 199/2008 |
|
4.4. |
Verzuim van coördinatie van activiteiten voor gegevensverzameling met andere lidstaten in dezelfde regio als bepaald in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 199/2008 |
|
4.5. |
Verzuim van het tijdig verschaffen van gegevens aan eindgebruikers overeenkomstig de artikelen 18, 19 en 20 van Verordening (EG) nr. 199/2008 |
Categorie 5: Verzuim van toepassing van een doeltreffend controle- en handhavingssysteem
|
5.1. |
Verzuim van naleving van de algemene beginselen van controle en handhaving overeenkomstig titel II van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (3) |
|
5.2. |
Verzuim van toezicht op de naleving van de algemene voorwaarden voor toegang tot de wateren en de hulpbronnen overeenkomstig titel III van Verordening (EG) nr. 1224/2009 |
|
5.3. |
Verzuim van controle op de afzet met het oog op de doeltreffende traceerbaarheid van visserij- en aquacultuurproducten overeenkomstig titel V van Verordening (EG) nr. 1224/2009 |
|
5.4. |
Verzuim van de verrichting van bewaking en inspecties, en van het waarborgen van systematische en passende handhavingsmaatregelen ten aanzien van schendingen van de regels van het GVB overeenkomstig de titels VI, VII en VIII van Verordening (EG) nr. 1224/2009 |
|
5.5. |
Verzuim van de vaststelling en uitvoering van nationale controleactieprogramma's overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en, waar van toepassing, van de uitvoering van door de Commissie vastgestelde specifieke controle- en inspectieprogramma's overeenkomstig titel IX van die verordening |
|
5.6. |
Verzuim van medewerking met de Commissie bij de uitvoering van de taken van haar functionarissen tijdens hun uit hoofde van titel X van Verordening (EG) nr. 1224/2009 uitgevoerde missies met het oog op verificatie, autonome inspectie en audit |
|
5.7. |
Verzuim van tenuitvoerlegging van door de Commissie vastgestelde maatregelen om de naleving door de lidstaten van de GVB-doelstellingen te garanderen, zoals actieplannen en andere overeenkomstig titel XI van Verordening (EG) nr. 1224/2009 vastgestelde maatregelen |
|
5.8. |
Verzuim van naleving van de vereisten met betrekking tot de analyse, validering, toegang en uitwisseling van gegevens en informatie overeenkomstig titel XII van Verordening (EG) nr. 1224/2009 |
|
5.9. |
Verzuim van controle op de toepassing van een doeltreffende vangstcertificeringsregeling waarin is voorzien in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad (4) |
|
5.10. |
Verzuim van gevolggeving aan vermeende of gemelde illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserijactiviteiten overeenkomstig artikel 26, lid 3, en de artikelen 39 en 40 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 |
Categorie 6: Verzuim van opzet en toepassing van een goed functionerend systeem van doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties
|
6.1. |
In geval van een inbreuk: verzuim van inkennisstelling — overeenkomstig artikel 89, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 — van de vlaggenlidstaat, de lidstaat waarvan de dader van de inbreuk het staatburgerschap bezit, of iedere lidstaat die belang heeft bij de follow-up van de maatregelen die zijn genomen met het oog op de naleving |
|
6.2. |
Verzuim van het nemen van onmiddellijke maatregelen overeenkomstig artikel 91 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 om te voorkomen dat kapiteins van vissersvaartuigen of andere natuurlijke personen of rechtspersonen die op heterdaad zijn betrapt bij een ernstige inbreuk, daarmee doorgaan |
|
6.3. |
Verzuim van de vaststelling van criteria om de ernst van de inbreuk op de GVB-voorschriften te bepalen op grond van artikel 42 van Verordening (EG) nr. 1005/2008 |
|
6.4. |
Verzuim van het garanderen dat doeltreffende sancties systematisch worden toegepast voor inbreuken op de GVB-voorschriften en dat deze sancties voldoende streng en in verhouding tot de ernst van de inbreuk zijn, om zo voor afschrikking te zorgen en de daders minstens de economische voordelen die zij aan hun inbreuk te danken hebben, daadwerkelijk te ontnemen overeenkomstig titel VIII van Verordening (EG) nr. 1224/2009 |
|
6.5. |
Verzuim van de toepassing van een puntensysteem voor ernstige inbreuken voor houders van visvergunningen en kapiteins overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 |
|
6.6. |
Verzuim van het opzetten en passend beheren van het nationaal register van inbreuken overeenkomstig artikel 93 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 |
(1) Verordening (EG) nr. 26/2004 van de Commissie van 30 december 2003 betreffende het communautaire gegevensbestand over de vissersvloot (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 25).
(2) Verordening (EG) nr. 199/2008 van de Raad van 25 februari 2008 betreffende de instelling van een communautair kader voor de verzameling, het beheer en het gebruik van gegevens in de visserijsector en voor de ondersteuning van wetenschappelijk advies over het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 60 van 5.3.2008, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1005/2008 van de Raad van 29 september 2008 houdende de totstandbrenging van een communautair systeem om illegale, ongemelde en ongereglementeerde visserij te voorkomen, tegen te gaan en te beëindigen, tot wijziging van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1936/2001 en (EG) nr. 601/2004 en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 1093/94 en (EG) nr. 1447/1999 (PB L 286 van 29.10.2008, blz. 1).
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/18 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/853 VAN DE COMMISSIE
van 1 juni 2015
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 1 juni 2015.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
AL |
56,4 |
|
MA |
94,4 |
|
|
MK |
108,8 |
|
|
TR |
80,1 |
|
|
ZZ |
84,9 |
|
|
0707 00 05 |
AL |
34,4 |
|
MK |
36,9 |
|
|
TR |
105,8 |
|
|
ZZ |
59,0 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
126,8 |
|
ZZ |
126,8 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
92,8 |
|
BR |
102,7 |
|
|
CL |
160,8 |
|
|
NZ |
129,3 |
|
|
US |
221,5 |
|
|
ZA |
121,9 |
|
|
ZZ |
138,2 |
|
|
0809 29 00 |
US |
715,4 |
|
ZZ |
715,4 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/20 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/854 VAN DE COMMISSIE
van 1 juni 2015
tot vaststelling van de datum waarop de werkzaamheden van het Visuminformatiesysteem (VIS) in de negentiende regio beginnen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (1), en met name artikel 48, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig Uitvoeringsbesluit 2013/493/EU van de Commissie (2) bestaat de negentiende regio waar voor alle aanvragen met het verzamelen en overdragen van gegevens aan het Visuminformatiesysteem moet worden begonnen uit China, Japan, Mongolië, Noord-Korea, Zuid-Korea en Taiwan. |
|
(2) |
De lidstaten hebben de Commissie ervan in kennis gesteld dat zij de nodige technische en wettelijke regelingen hebben getroffen om de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EG) nr. 767/2008 bedoelde gegevens te verzamelen en aan het VIS toe te zenden voor alle aanvragen in deze regio, met inbegrip van regelingen voor het verzamelen en/of verzenden van gegevens namens een andere lidstaat. |
|
(3) |
Nu aan de voorwaarde van de eerste zin van artikel 48, lid 3, van Verordening (EG) nr. 767/2008 is voldaan, dient de datum te worden vastgesteld waarop de werkzaamheden van het VIS in de negentiende regio beginnen. |
|
(4) |
Aangezien Verordening (EG) nr. 767/2008 voortbouwt op het Schengenacquis, heeft Denemarken overeenkomstig artikel 5 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken, dat gehecht is aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap, besloten om Verordening (EG) nr. 767/2008 in zijn nationale wetgeving om te zetten. Denemarken is daarom krachtens internationaal recht verplicht dit besluit uit te voeren. |
|
(5) |
Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van de Raad (3). Dit besluit is derhalve niet bindend voor, noch van toepassing in het Verenigd Koninkrijk. |
|
(6) |
Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad (4). Dit besluit is derhalve niet bindend voor, noch van toepassing in Ierland. |
|
(7) |
Wat IJsland en Noorwegen betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (5), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt B, van Besluit 1999/437/EG van de Raad (6). |
|
(8) |
Wat Zwitserland betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (7), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt B, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3 van Besluit 2008/146/EG van de Raad (8). |
|
(9) |
Wat Liechtenstein betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (9), die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt B, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (10). |
|
(10) |
Dit besluit is een rechtsbesluit dat voortbouwt op het Schengenacquis of op een andere wijze daaraan is gerelateerd, zoals bedoeld, respectievelijk, in artikel 3, lid 2, van de Toetredingsakte van 2003, artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005 en artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2011. |
|
(11) |
Omdat het wenselijk is dat het gebruik van het VIS zo snel mogelijk van start gaat in de negentiende regio, dient dit besluit in werking te treden op de datum waarop het in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het Visuminformatiesysteem begint op 12 oktober 2015 zijn werkzaamheden in de negentiende regio zoals vastgesteld bij Uitvoeringsbesluit 2013/493/EU.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 3
Dit besluit is van toepassing overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel, 1 juni 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60.
(2) Uitvoeringsbesluit 2013/493/EU van de Commissie van 30 september 2013 tot vaststelling van de derde en laatste reeks regio's waar de werkzaamheden van het Visuminformatiesysteem (VIS) beginnen (PB L 268 van 10.10.2013, blz. 13).
(3) Besluit 2000/365/EG van de Raad van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43).
(4) Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20).
(5) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
(6) Besluit 1999/437/EG van de Raad van 17 mei 1999 inzake bepaalde toepassingsbepalingen van de door de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen gesloten overeenkomst inzake de wijze waarop deze twee staten worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31).
(7) PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.
(8) Besluit 2008/146/EG van de Raad van 28 januari 2008 betreffende de sluiting namens de Europese Gemeenschap van de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1).
(9) PB L 160 van 18.6.2011, blz. 21.
(10) Besluit 2011/350/EU van de Raad van 7 maart 2011 betreffende de sluiting namens de Europese Unie van het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis betreffende de afschaffing van controles aan de binnengrenzen en het verkeer van personen (PB L 160 van 18.6.2011, blz. 19).
RICHTSNOEREN
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/23 |
RICHTSNOER (EU) 2015/855 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 12 maart 2015
tot vaststelling van beginselen van een Ethisch Kader voor het Eurosysteem en tot intrekking van Richtsnoer ECB/2002/6 betreffende door de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken in acht te nemen minimumnormen bij het verrichten van monetaire beleidstransacties en valutamarktoperaties met de externe reserves van de Europese Centrale Bank en bij het beheren van de externe reserves van de Europese Centrale Bank (ECB/2015/11)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 127 en artikel 128,
Gezien de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 12, lid 1, en artikel 14, lid 3, in samenhang met artikel 3, lid 1, en artikel 5 en artikel 16,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het Eurosysteem hecht het hoogste belang aan een corporate-governance-benadering die verantwoordingsplicht, transparantie en de hoogste ethische normen tot de kern van het Eurosysteem rekent. Het naleven van deze beginselen is doorslaggevend voor de geloofwaardigheid van het Eurosysteem en essentieel om het vertrouwen van de Europese burgers te verzekeren. |
|
(2) |
Gezien deze achtergrond wordt het noodzakelijk geacht een Ethisch Kader voor het Eurosysteem in te voeren houdende ethische normen die, indien nageleefd, de geloofwaardigheid en reputatie van het Eurosysteem waarborgen, alsook het publieke vertrouwen in de integriteit en onpartijdigheid van de leden van organen en personeelsleden van de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken (NCB's) van de eurogebiedlidstaten waarborgt (hierna het „Ethisch Kader voor het Eurosysteem”). Het Ethisch Kader voor het Eurosysteem moet bestaan uit dit richtsnoer dat de beginselen vastlegt, een reeks van beste praktijken over de implementatiewijze van deze beginselen, en interne voorschriften en praktijken die iedere centrale bank van het Eurosysteem vaststelt. |
|
(3) |
Richtsnoer ECB/2002/6 (1) legt minimum ethische normen vast voor de centrale banken van het Eurosysteem bij het verrichten van monetairbeleidstransacties en valutamarktoperaties met de externe reserves van de ECB en bij het beheren van de externe reserves van de ECB. De Raad van bestuur acht het noodzakelijk om deze minimum ethische normen ook toe te passen op de uitvoering van de taken die het Eurosysteem zijn opgedragen om te waarborgen dat dezelfde ethische normen van toepassing zijn op de leden van de organen en personeelsleden die betrokken zijn bij de uitvoering van Eurosysteemtaken en om de reputatie van het Eurosysteem als geheel te vrijwaren. Richtsnoer ECB/2002/6 moet derhalve door dit richtsnoer vervangen worden. |
|
(4) |
Bovendien, de huidige minimumnormen inzake het voorkomen van misbruik van voorwetenschap zoals bedoeld in Richtsnoer ECB/2002/6, moeten nader uitgewerkt worden om de preventie van dat misbruik door leden van organen van de ECB of de NCB's, of hun personeelsleden, aan te scherpen en uit financiële privétransacties voortvloeiende potentiële belangenconflicten uit te sluiten. Te dien einde moet het Ethisch Kader voor het Eurosysteem de belangrijkste concepten duidelijk definiëren, alsook de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende betrokken organen. Bovendien moet het Ethisch Kader voor het Eurosysteem naast het algemene verbod op misbruik van voorwetenschap aanvullende beperkingen formuleren voor personen die toegang hebben tot voorwetenschap. Het Ethisch Kader voor het Eurosysteem moet tevens de vereisten vastleggen voor nalevingsmonitoring en de rapportage van gevallen van niet-naleving. |
|
(5) |
Het Ethisch Kader voor het Eurosysteem moet tevens minimumnormen omvatten aangaande het vermijden van belangenconflicten en het aanvaarden van geschenken en gastvrijheid. |
|
(6) |
Het Ethisch Kader voor het Eurosysteem moet van toepassing zijn op de uitvoering van de Eurosysteemtaken. Het is wenselijk dat de centrale banken van het Eurosysteem equivalente normen toepassen op personeelsleden of externe agenten die niet-Eurosysteemtaken uitvoeren. |
|
(7) |
De bepalingen van dit richtsnoer laten toepasselijke nationale wetgeving onverlet. Indien een NCB vanwege toepasselijke nationale wetgeving een bepaling van dit richtsnoer niet kan implementeren, moet zij de ECB daarvan in kennis stellen. Bovendien moet de betrokken NCB haar ter beschikking staande redelijke maatregelen overwegen om het obstakel uit hoofde van nationaal recht te ondervangen. |
|
(8) |
De bepalingen van dit richtsnoer laten de bepalingen van de Gedragscode voor de leden van de Raad van bestuur onverlet (2). |
|
(9) |
Aangezien het Ethisch Kader voor het Eurosysteem is beperkt tot de uitvoering van Eurosysteemtaken heeft de Raad van bestuur een equivalent ethisch kader aangenomen voor de uitvoering van toezichttaken door de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten als onderdeel van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (3), |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Definities
In dit richtsnoer wordt verstaan onder:
1. „centrale bank van het Eurosysteem”: de ECB en de NCB's van de eurogebiedlidstaten;
2. „Eurosysteemtaken”: de taken die uit hoofde van het Verdrag en de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank aan het Eurosysteem zijn opgedragen;
3. „voorwetenschap”: marktgevoelige informatie die verband houdt met uitvoering van Eurosysteemtaken door de centrale banken van het Eurosysteem, welke informatie niet bekend is gemaakt noch toegankelijk is voor het publiek;
4. „marktgevoelige informatie”: precieze informatie die, indien bekendgemaakt, waarschijnlijk een significant effect heeft op de activaprijzen of prijzen op de financiële markten;
5. „insider”: een lid van een orgaan of een personeelslid dat vaker dan incidenteel toegang heeft tot voorwetenschap;
6. „personeelslid”: een persoon met een arbeidsverhouding met een centrale bank van het Eurosysteem, behalve zij die slechts niet-Eurosysteemtaken uitvoeren;
7. „lid van organen”: leden van de besluitvormende organen en andere interne organen van centrale banken van het Eurosysteem, met uitzondering van personeelsleden;
8. „financiële vennootschap”: heeft de betekenis als in hoofdstuk 2, paragraaf 2.55 van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4);
9. „belangenconflict”: een situatie waarin leden van organen of personeelsleden persoonlijke belangen hebben die de onpartijdige en objectieve uitvoering van hun werkzaamheden kunnen beïnvloeden of lijken te beïnvloeden;
10. „persoonlijke belangen”: enig voordeel/potentieel voordeel van financiële of niet-financiële aard voor de leden van organen of personeelsleden, hun gezinsleden en hun andere familieleden of voor hun kring van vrienden en naaste kennissen;
11. „voordeel”: een geschenk, gastvrijheid of ander voordeel van financiële of niet-financiële aard, die de financiële, juridische of persoonlijke situatie van de ontvanger objectief gezien verbetert en waarop de ontvanger anderszins geen recht heeft.
Artikel 2
Werkingssfeer
1. Dit richtsnoer is van toepassing op de centrale banken van het Eurosysteem bij de uitvoering van hun Eurosysteemtaken. Dienaangaande zijn door de centrale banken van het Eurosysteem ter uitvoering van de bepalingen van dit richtsnoer vastgestelde interne voorschriften van toepassing op de leden van hun organen en hun personeelsleden.
2. Voor zover juridisch haalbaar beogen de centrale banken van het Eurosysteem de in de implementatie van de bepalingen van dit richtsnoer vastgelegde verplichtingen eveneens van toepassing te verklaren op personen die betrokken zijn bij de uitvoering van Eurosysteemtaken, maar geen personeelsleden zijn van de centrale banken van het Eurosysteem.
3. De bepalingen van dit richtsnoer laten de toepassing door centrale banken van het Eurosysteem van stringentere ethische voorschriften op leden van hun organen of personeelsleden onverlet.
Artikel 3
Rollen en verantwoordelijkheden
1. Gezien haar verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de corporate en ethische cultuur op Eurosysteemniveau, stelt de Raad van bestuur in dit richtsnoer de beginselen van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem vast en legt beste praktijken vast inzake de tenuitvoerlegging van deze beginselen.
2. Het Auditcomité, het Interne Auditcomité en het Comité Organisatorische Ontwikkeling worden betrokken bij de toepassing en de monitoring van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem, zulks overeenkomstig hun respectieve mandaten.
3. De centrale banken van het Eurosysteem specificeren de rollen en verantwoordelijkheden van de organen, eenheden en personeelsleden die betrokken zijn bij de lokale tenuitvoerlegging, toepassing en monitoring van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem.
Artikel 4
Communicatie en bewustwording
1. De centrale banken van het Eurosysteem formuleren duidelijke en transparante interne voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer, communiceren die aan de leden van hun organen en hun personeelsleden en verzekeren dat deze makkelijk toegankelijk zijn.
2. De centrale banken van het Eurosysteem nemen passende maatregelen opdat de leden van hun organen en hun personeelsleden zich bewust worden van hun verplichtingen uit hoofde van het Ethisch Kader voor het Eurosysteem, en deze begrijpen.
Artikel 5
Nalevingsmonitoring
1. De centrale banken van het Eurosysteem monitoren naleving van de voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer. Het monitoren omvat, al naar gelang, het uitvoeren van regelmatige en/of ad-hocnalevingscontroles. De centrale banken van het Eurosysteem zetten adequate procedures op om onverwijld te kunnen reageren op gevallen van niet-naleving en die te kunnen adresseren.
2. Nalevingsmonitoring laat interne voorschriften aangaande interne onderzoeken onverlet, wanneer een lid van een orgaan of een personeelslid verdacht wordt van schending van de voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer.
Artikel 6
Rapportage van gevallen van niet-naleving en follow-up
1. De centrale banken van het Eurosysteem stellen interne rapportageprocedures vast voor gevallen van niet-naleving van de voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer, waaronder klokkenluidersvoorschriften, zulks overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.
2. De centrale banken van het Eurosysteem stellen maatregelen vast om de passende bescherming van personen te verzekeren die gevallen van niet-naleving rapporteren.
3. De centrale banken van het Eurosysteem verzekeren dat gevallen van niet-naleving worden opgevolgd, waaronder, al naar gelang het geval, de oplegging van evenredige disciplinaire maatregelen overeenkomstig de toepasselijke disciplinaire voorschriften en procedures.
4. De centrale banken van het Eurosysteem rapporteren onverwijld elk belangrijk incident inzake niet-naleving van voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer via het Comité Organisatorische Ontwikkeling aan de Raad van bestuur, zulks overeenkomstig de toepasselijke interne procedures. In urgente gevallen kan een centrale bank van het Eurosysteem een belangrijk incident aangaande niet-naleving direct aan de Raad van bestuur rapporteren. In ieder geval informeren de centrale banken van het Eurosysteem het Auditcomité tegelijkertijd.
HOOFDSTUK II
VOORSCHRIFTEN TOT PREVENTIE VAN MISBRUIK VAN VOORWETENSCHAP
Artikel 7
Algemeen verbod tot misbruik van voorwetenschap
1. De centrale banken van het Eurosysteem verzekeren dat het leden van hun organen en hun personeelsleden verboden wordt voorwetenschap te misbruiken.
2. Het verbod tot misbruik van voorwetenschap bestrijkt minimaal: (a) het gebruik van voorwetenschap voor privétransacties voor eigen rekening of voor rekening van derden; (b) het openbaren van voorwetenschap aan enige andere persoon, tenzij die openbaarmaking wordt gedaan binnen het kader van de uitvoering van beroepsactiviteiten op „need-to-know”-basis; en (c) het gebruik van voorwetenschap om het aangaan van financiële privétransacties aan andere personen aan te bevelen, of hen daartoe aan te zetten.
Artikel 8
Specifieke beperkingen voor insiders
1. De centrale banken van het Eurosysteem verzekeren dat toegang tot voorwetenschap is beperkt tot leden van organen en personeelsleden die voor de uitvoering van hun taken deze informatie benodigen.
2. De centrale banken van het Eurosysteem verzekeren dat voor alle insiders specifieke beperkingen gelden met betrekking tot kritische financiële privétransacties. Een financiële privétransactie wordt kritisch geacht indien deze nauw verband houdt met de uitvoering van Eurosysteemtaken, of geacht wordt daarmee nauw verband te houden. De centrale banken van het Eurosysteem nemen in hun interne voorschriften een lijst van dergelijke kritische transacties op, met name omvattende:
|
a) |
transacties in aandelen en obligaties die in de Unie gevestigde financiële vennootschappen hebben uitgegeven; |
|
b) |
valutatransacties, goudtransacties, het verhandelen van eurogebiedoverheidsobligaties; |
|
c) |
kortetermijnhandel, d.w.z. de aankoop en de daaropvolgende verkoop of verkoop en daaropvolgende aankoop van hetzelfde financiële instrument binnen een specifieke referentieperiode; |
|
d) |
derivatentransacties in verband met financiële instrumenten genoemd onder a) tot en met c), en collectieve-beleggingsprogramma's met als belangrijkste oogmerk de belegging in dergelijke financiële instrumenten. |
3. De centrale banken van het Eurosysteem stellen interne voorschriften vast die specifieke beperkingen stipuleren voor insiders, zulks rekening houdend met effectiviteits-, efficiëntie- en evenredigheidsoverwegingen. Die specifieke beperkingen omvatten een van de volgende factoren, of een combinatie daarvan:
|
a) |
het verbod op specifieke financiële transacties; |
|
b) |
een voorafgaande toestemming voor specifieke financiële transacties; |
|
c) |
een ex-ante en ex-post rapportage voor specifieke financiële transacties, en/of |
|
d) |
embargoperiodes voor specifieke financiële transacties. |
4. De centrale banken van het Eurosysteem kunnen deze specifieke beperkingen van toepassing verklaren op personeelsleden die geen insiders zijn.
5. De centrale banken van het Eurosysteem verzekeren dat hun lijsten van kritische financiële privétransacties op korte termijn aangepast kunnen worden om besluiten van de Raad van bestuur weer te geven.
6. De centrale banken van het Eurosysteem specificeren in hun interne voorschriften de voorwaarden en waarborgen krachtens welke leden van organen en personeelsleden zijn vrijgesteld van de specifieke beperkingen uit hoofde van dit artikel, indien zij uit hoofde van een schriftelijke activabeheerovereenkomst het beheer van hun financiële privétransacties opdragen aan een onafhankelijke derde.
HOOFDSTUK III
ONAFHANKELIJKHEID EN VERMIJDEN VAN BELANGENCONFLICTEN
Artikel 9
Belangenconflicten
1. De centrale banken van het Eurosysteem hebben een regeling ingesteld om te vermijden dat een kandidaatpersoneelslid een belangenconflict heeft dat voortvloeit uit eerdere beroepswerkzaamheden of uit persoonlijke relaties.
2. De centrale banken van het Eurosysteem stellen interne voorschriften vast die van leden van hun organen en hun personeelsleden vergen dat zij gedurende hun tewerkstelling situaties vermijden die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten en dat zij deze situaties rapporteren. De centrale banken van het Eurosysteem verzekeren dat voor gerapporteerde belangenconflicten passende maatregelen beschikbaar zijn om een dergelijk conflict te vermijden, waaronder ontheffing van taken die met die betrokken aangelegenheid verband houden.
3. De centrale banken van het Eurosysteem hebben een regeling ingesteld om mogelijke belangenconflicten te beoordelen en te vermijden die voortvloeien uit beroepswerkzaamheden die leden van hun organen, en hun seniorpersoneelsleden, die direct naar directieniveau rapporteren, na afloop van het dienstverband uitoefenen.
4. De centrale banken van het Eurosysteem hebben, indien toepasselijk, een regeling ingesteld om mogelijke belangenconflicten te beoordelen en te vermijden die voortvloeien uit door hun personeelsleden gedurende onbetaald verlof uitgeoefende beroepswerkzaamheden.
HOOFDSTUK IV
VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE AANVAARDING VAN GESCHENKEN EN GASTVRIJHEID
Artikel 10
Verbod op het ontvangen van voordelen
1. De centrale banken van het Eurosysteem stellen interne voorschriften vast die het leden van hun organen en hun personeelsleden verbieden een belofte te verlangen, te ontvangen of te aanvaarden, in verband met het voor zichzelf of enige persoon ontvangen van een voordeel dat samenhangt met de uitvoering van hun officiële taken.
2. De centrale banken van het Eurosysteem kunnen in hun interne voorschriften vrijstellingen vastleggen van het in lid 1 vastgelegde verbod, zulks aangaande door centrale banken, instellingen, organen of agentschappen van de Unie, internationale organisaties, overheidsagentschappen aangeboden voordelen, en aangaande voordelen van een gebruikelijke of te verwaarlozen waarde, aangeboden door de particuliere sector, mits in het laatste geval deze voordelen noch frequent zijn noch uit dezelfde bron stammen. De centrale banken van het Eurosysteem verzekeren dat deze vrijstellingen de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van de leden van hun organen en hun personeelsleden noch beïnvloeden noch geacht kunnen worden deze te beïnvloeden.
HOOFDSTUK V
SLOTBEPALINGEN
Artikel 11
Intrekking
Richtsnoer ECB/2002/6 wordt hierbij ingetrokken.
Artikel 12
Inwerkingtreding en implementatie
1. Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van notificatie aan de NCB's.
2. De NCB's nemen de voor voldoening aan dit richtsnoer noodzakelijke maatregelen die zij met ingang van vrijdag 18 maart 2016 toepassen. NCB's stellen de ECB in kennis van obstakels voor de tenuitvoerlegging van dit richtsnoer en doen de ECB uiterlijk 18 januari 2016 teksten en middelen toekomen die verband houden met die maatregelen.
Artikel 13
Rapportage en toetsingen
1. De NCB's rapporteren jaarlijks de implementatie van dit richtsnoer.
2. De Raad van bestuur toetst dit richtsnoer minstens om de 3 jaar.
Artikel 14
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot alle centrale banken van het Eurosysteem.
Gedaan te Frankfurt am Main, 12 maart 2015.
Namens de Raad van bestuur van de ECB
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) Richtsnoer ECB/2002/6 van 26 september 2002 betreffende door de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken in acht te nemen minimumnormen bij het verrichten van monetaire beleidstransacties en valutamarktoperaties met de externe reserves van de Europese Centrale Bank en bij het beheren van de externe reserves van de Europese Centrale Bank (PB L 270 van 8.10.2002, blz. 14).
(2) Gedragscode van de Europese Centrale Bank voor de leden van de Raad van bestuur (PB C 123 van 24.5.2002, blz. 9).
(3) Richtsnoer (EU) 2015/856 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2015 houdende vaststelling van de beginselen van een Ethisch Kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (ECB/2015/12) (zie bladzijde 29 van dit Publicatieblad).
(4) Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/29 |
RICHTSNOER (EU) 2015/856 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 12 maart 2015
houdende vaststelling van de beginselen van een Ethisch Kader voor het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (ECB/2015/12)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1) (hierna de „GTM-Verordening”), met name artikel 6, lid 1 in samenhang met artikel 6, lid 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Europese Centrale Bank (ECB) hecht het hoogste belang aan een corporate-governance-benadering die verantwoordingsplicht, transparantie en de hoogste ethische standaards tot de kern van het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme (GTM) rekent. Het naleven van deze beginselen is doorslaggevend voor de geloofwaardigheid van het GTM en essentieel om het vertrouwen van de Europese burgers te verzekeren. |
|
(2) |
Gezien deze achtergrond wordt het noodzakelijk geacht een Ethisch Kader voor het GTM in te voeren houdende ethische standaarden die, indien nageleefd, de geloofwaardigheid en reputatie van het GTM waarborgen, alsook het publieke vertrouwen in de integriteit en onpartijdigheid van de leden van organen en personeelsleden van de ECB en de nationale bevoegde autoriteiten (NBA's) van de lidstaten die deelnemen aan het GTM (hierna het „Ethisch Kader voor het GTM” genoemd). Het Ethisch Kader voor het GTM moet bestaan uit dit richtsnoer dat de beginselen vastlegt, een reeks van beste praktijken over de implementatiewijze van deze beginselen, en interne voorschriften en praktijken die de ECB en iedere NBA vaststellen. |
|
(3) |
Minimumnormen inzake het voorkomen van misbruik van voorwetenschap moeten de preventie van dat misbruik door leden van organen van de ECB of de NBA's, of hun personeelsleden, aanscherpen en uit financiële privétransacties voortvloeiende potentiële belangenconflicten uitsluiten. Te dien einde moet het Ethisch Kader voor het GTM de belangrijkste concepten duidelijk definiëren, alsook de rollen en verantwoordelijkheden van de verschillende betrokken organen. Bovendien moet het Ethisch Kader voor het GTM naast het algemene verbod op misbruik van voorwetenschap aanvullende beperkingen formuleren voor personen die toegang hebben tot voorwetenschap. Het Ethisch Kader voor het GTM moet tevens de vereisten vastleggen voor nalevingsmonitoring en de rapportage van gevallen van niet-naleving. |
|
(4) |
Het Ethisch Kader voor het GTM moet tevens minimumnormen omvatten aangaande het vermijden van belangenconflicten en het aanvaarden van geschenken en gastvrijheid. |
|
(5) |
Het Ethisch Kader voor het GTM moet van toepassing zijn op de uitvoering van de toezichttaken. Het is wenselijk dat de ECB en de NBA's equivalente normen toepassen op personeelsleden of externe agenten die andere taken uitvoeren. |
|
(6) |
De bepalingen van dit richtsnoer laten toepasselijke nationale wetgeving onverlet. Indien een NBA vanwege toepasselijke nationale wetgeving een bepaling van dit richtsnoer niet kan implementeren, moet zij de ECB daarvan in kennis stellen. Bovendien moet de betrokken NBA haar ter beschikking staande redelijke maatregelen overwegen om het obstakel uit hoofde van nationaal recht te ondervangen. |
|
(7) |
De bepalingen van dit richtsnoer laten de bepalingen van de Gedragscode voor de leden van de Raad van bestuur (2) en de Gedragscode voor de leden van de raad van toezicht onverlet (3). |
|
(8) |
Aangezien het Ethisch Kader voor het GTM is beperkt tot de uitvoering van toezichttaken heeft de Raad van bestuur een equivalent ethisch kader aangenomen voor de uitvoering van Eurosysteemtaken door de ECB en de nationale centrale banken (4), |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Definities
In dit richtsnoer wordt verstaan onder:
1. „nationale bevoegde autoriteit” (NBA): een bevoegde nationale autoriteit zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 2 van de GTM-verordening; Deze definitie doet geen afbreuk aan nationaalrechtelijke bepalingen waarbij bepaalde toezichthoudende taken zijn toegewezen aan een nationale centrale bank (NCB) die niet is aangemerkt als een NBA. Enige verwijzing naar een NBA in dit richtsnoer geldt in dit geval als toepasselijk op de NCB met betrekking tot de aan die NCB toegewezen taken op basis van nationaal recht;
2. „voorwetenschap”: marktgevoelige informatie die verband houdt met uitvoering van aan de ECB opgedragen toezichttaken, welke informatie niet bekend is gemaakt noch toegankelijk is voor het publiek;
3. „marktgevoelige informatie”: precieze informatie die, indien bekendgemaakt, waarschijnlijk een significant effect heeft op activaprijzen of prijzen op de financiële markten;
4. „insider”: een lid van een orgaan of een personeelslid dat vaker dan incidenteel toegang tot voorwetenschap heeft;
5. „personeelslid”: een persoon met een arbeidsverhouding met de ECB of een NBA, behalve zij die slechts taken uitoefenen die geen verband houden met toezichttakenuitvoering uit hoofde van de GTM-Verordening;
6. „lid van organen”: leden van de besluitvormende organen en andere interne organen van de ECB of de NBA's, met uitzondering van personeelsleden;
7. „financiële vennootschap”: heeft de betekenis als in hoofdstuk 2, paragraaf 2.55 van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5);
8. „belangenconflict”: een situatie waarin leden van organen of personeelsleden persoonlijke belangen hebben die de onpartijdige en objectieve uitvoering van hun werkzaamheden kunnen beïnvloeden of lijken te beïnvloeden;
9. „persoonlijke belangen”: enig voordeel/potentieel voordeel van financiële of niet-financiële aard voor de leden van organen of personeelsleden, hun gezinsleden en hun andere familieleden of voor hun kring van vrienden en naaste kennissen;
10. „voordeel”: een geschenk, gastvrijheid of ander voordeel van financiële of niet-financiële aard, die de financiële, juridische of persoonlijke situatie van de ontvanger objectief gezien verbetert en waarop de ontvanger anderszins geen recht heeft.
Artikel 2
Werkingssfeer
1. Dit richtsnoer is van toepassing op de ECB en de NBA's bij de uitvoering van aan de ECB opgedragen toezichttaken. Dienaangaande zijn door de ECB en de NBA's ter uitvoering van de bepalingen van dit richtsnoer vastgestelde interne voorschriften van toepassing op de leden van hun organen en hun personeelsleden.
2. Voor zover juridisch haalbaar beogen de ECB en de NBA's de in de implementatie van de bepalingen van dit richtsnoer vastgelegde verplichtingen eveneens van toepassing te verklaren op personen die betrokken zijn bij de uitvoering van toezichttaken, maar geen personeelsleden zijn.
3. De bepalingen van dit richtsnoer laten de toepassing door de ECB en de NBA's van stringentere ethische voorschriften op leden van hun organen en personeelsleden onverlet.
Artikel 3
Rollen en verantwoordelijkheden
1. Gezien haar verantwoordelijkheid voor het vaststellen van de corporate en ethische cultuur op GTM-niveau stelt de Raad van bestuur in dit richtsnoer de beginselen van het Ethisch Kader voor het GTM vast en legt beste praktijken vast inzake de tenuitvoerlegging van deze beginselen.
2. Het Auditcomité, het Interne Auditcomité en het Comité Organisatorische Ontwikkeling worden betrokken bij de toepassing en de monitoring van het Ethisch Kader voor het GTM, zulks overeenkomstig hun respectieve mandaten.
3. De ECB en de NBA's specificeren de rollen en verantwoordelijkheden van de organen, eenheden en personeelsleden die zijn betrokken bij de lokale tenuitvoerlegging, toepassing en monitoring van het Ethisch Kader voor het GTM.
Artikel 4
Communicatie en bewustwording
1. De ECB en de NBA's formuleren duidelijke en transparante interne voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer, communiceren die aan de leden van hun organen en hun personeelsleden en verzekeren dat deze makkelijk toegankelijk zijn.
2. De ECB en de NBA's nemen passende maatregelen opdat de leden van hun organen en hun personeelsleden zich bewust worden van hun verplichtingen uit hoofde van het Ethisch Kader voor het GTM, en deze begrijpen.
Artikel 5
Nalevingsmonitoring
1. De ECB en de NBA's monitoren naleving van de voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer. Het monitoren omvat, al naar gelang, het uitvoeren van regelmatige en/of ad-hocnalevingscontroles. De ECB en de NBA's zetten adequate procedures op om onverwijld te kunnen reageren op gevallen van niet-naleving en die te kunnen adresseren.
2. Nalevingsmonitoring laat interne voorschriften aangaande interne onderzoeken onverlet, wanneer een lid van een orgaan of een personeelslid verdacht wordt van schending van de voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer.
Artikel 6
Rapportage van gevallen van niet-naleving en follow-up
1. De ECB en de NBA's stellen interne rapportageprocedures vast voor gevallen van niet-naleving van de voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer, waaronder klokkenluidersvoorschriften, zulks overeenkomstig de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen.
2. De ECB en de NBA's stellen maatregelen vast om de passende bescherming van personen te verzekeren die gevallen van niet-naleving rapporteren.
3. De ECB en de NBA's verzekeren dat gevallen van niet-naleving worden opgevolgd, waaronder, al naar gelang het geval, de oplegging van evenredige disciplinaire maatregelen overeenkomstig de toepasselijke disciplinaire voorschriften en procedures.
4. De ECB en de NBA's rapporteren onverwijld elk belangrijk incident inzake niet-naleving van voorschriften tot uitvoering van dit richtsnoer via het Comité Organisatorische Ontwikkeling en de raad van toezicht aan de Raad van bestuur, zulks overeenkomstig de toepasselijke interne procedures. In urgente gevallen kunnen ECB of een NBA een belangrijk incident aangaande niet-naleving direct aan de Raad van bestuur rapporteren. In ieder geval informeren de ECB en de NBA's het Auditcomité tegelijkertijd.
HOOFDSTUK II
VOORSCHRIFTEN TOT PREVENTIE VAN MISBRUIK VAN VOORWETENSCHAP
Artikel 7
Algemeen verbod tot misbruik van voorwetenschap
1. De ECB en de NBA's verzekeren dat het leden van hun organen en hun personeelsleden verboden wordt voorwetenschap te misbruiken.
2. Het verbod tot misbruik van voorwetenschap bestrijkt minimaal: a) het gebruik van voorwetenschap voor privétransacties voor eigen rekening of voor rekening van derden; b) het openbaren van voorwetenschap aan enige andere persoon, tenzij die openbaarmaking wordt gedaan binnen het kader van de uitvoering van beroepsactiviteiten op „need-to-know”-basis; en c) het gebruik van voorwetenschap om het aangaan van financiële privétransacties aan andere personen aan te bevelen, of hen daartoe aan te zetten.
Artikel 8
Specifieke beperkingen voor insiders
1. De ECB en de NBA's verzekeren dat toegang tot voorwetenschap is beperkt tot leden van organen en personeelsleden die voor de uitvoering van hun taken deze informatie benodigen.
2. De ECB en de NBA's verzekeren dat voor alle insiders specifieke beperkingen gelden met betrekking tot kritische financiële privétransacties. Een financiële privétransactie wordt kritisch geacht indien deze nauw verband houdt met de uitvoering van toezichttaken, of geacht wordt daarmee nauw verband te houden. De ECB en de NBA's nemen in hun interne voorschriften een lijst van dergelijke kritische transacties op, met name omvattende:
|
a) |
transacties in aandelen en obligaties die in de Unie gevestigde financiële vennootschappen hebben uitgegeven; |
|
b) |
kortetermijnhandel, d.w.z. de aankoop en daaropvolgende verkoop of de verkoop en daaropvolgende aankoop van hetzelfde financiële instrument binnen een specifieke referentieperiode; |
|
c) |
derivatentransacties in verband met financiële instrumenten genoemd onder a) en collectieve-beleggingsprogramma's met als belangrijkste oogmerk de belegging in dergelijke financiële instrumenten. |
3. De ECB en de NBA's stellen interne voorschriften vast die specifieke beperkingen stipuleren voor insiders, zulks rekening houdend met effectiviteits-, efficiëntie- en evenredigheidsoverwegingen. Die specifieke beperkingen omvatten een van de volgende factoren, of een combinatie daarvan:
|
a) |
het verbod op specifieke financiële transacties; |
|
b) |
een voorafgaande toestemming voor specifieke financiële transacties; |
|
c) |
een ex-ante en ex-post rapportage voor specifieke financiële transacties, en/of |
|
d) |
embargoperiodes voor specifieke financiële transacties. |
4. De ECB en de NBA's kunnen deze specifieke beperkingen van toepassing verklaren op personeelsleden die geen insiders zijn.
5. De ECB en de NBA's verzekeren dat hun lijsten van kritische financiële privétransacties op korte termijn aangepast kunnen worden om besluiten van de Raad van bestuur weer te geven.
6. De ECB en de NBA's specificeren in hun interne voorschriften de voorwaarden en waarborgen krachtens welke leden van organen en personeelsleden zijn vrijgesteld van de specifieke beperkingen uit hoofde van dit artikel, indien zij uit hoofde van een schriftelijke activabeheerovereenkomst het beheer van hun financiële privétransacties toevertrouwen aan een onafhankelijke derde.
HOOFDSTUK III
ONAFHANKELIJKHEID EN VERMIJDEN VAN BELANGENCONFLICTEN
Artikel 9
Belangenconflicten
1. De ECB en de NBA's hebben een regeling ingesteld om te vermijden dat een kandidaatpersoneelslid een belangenconflict heeft dat voortvloeit uit eerdere beroepswerkzaamheden of uit persoonlijke relaties.
2. De ECB en de NBA's stellen interne voorschriften vast die van leden van hun organen en hun personeelsleden vergen dat zij gedurende hun tewerkstelling situaties vermijden die aanleiding kunnen geven tot belangenconflicten en dat zij deze situaties rapporteren. De ECB en de NBA's verzekeren dat voor gerapporteerde belangenconflicten passende maatregelen beschikbaar zijn om een dergelijk conflict te vermijden, waaronder ontheffing van taken voor die betrokken aangelegenheid.
3. De ECB en de NBA's hebben een regeling ingesteld om mogelijke belangenconflicten te beoordelen en te vermijden die voortvloeien uit beroepswerkzaamheden die leden van hun organen, en hun seniorpersoneelsleden, die direct naar directieniveau rapporteren, na afloop van het dienstverband uitoefenen.
4. De ECB en de NBA's hebben, indien toepasselijk, een regeling ingesteld om mogelijke belangenconflicten te beoordelen en te vermijden die voortvloeien uit door hun personeelsleden gedurende onbetaald verlof uitgeoefende beroepswerkzaamheden.
HOOFDSTUK IV
VOORSCHRIFTEN BETREFFENDE DE AANVAARDING VAN GESCHENKEN EN GASTVRIJHEID
Artikel 10
Verbod op het ontvangen van voordelen
1. De ECB en de NBA's stellen interne voorschriften vast die het leden van hun organen en hun personeelsleden verbieden een belofte te verlangen, te ontvangen of te aanvaarden, in verband met het voor zichzelf of enige persoon ontvangen van een voordeel dat samenhangt met de uitvoering van hun officiële taken.
2. De ECB en de NBA's kunnen in hun interne voorschriften vrijstellingen vastleggen van het in lid 1 vastgelegde verbod, zulks aangaande door centrale banken, instellingen, organen of agentschappen van de Unie, internationale organisaties, overheidsagentschappen aangeboden voordelen, en aangaande voordelen van een gebruikelijke of te verwaarlozen waarde, aangeboden door de particuliere sector, mits in het laatste geval deze voordelen noch frequent zijn noch uit dezelfde bron stammen. De ECB en de NBA's verzekeren dat deze vrijstellingen de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de leden van hun organen en hun personeelsleden noch beïnvloeden noch geacht kunnen worden deze te beïnvloedden.
3. In afwijking van lid 2 worden geen vrijstellingen verleend voor voordelen die kredietinstellingen aanbieden aan ECB- of NBA-personeelsleden gedurende on-siteinspecties of audits, met uitzondering van gastvrijheid van een te verwaarlozen waarde, aangeboden gedurende werkgerelateerde vergaderingen.
HOOFDSTUK V
SLOTBEPALINGEN
Artikel 11
Inwerkingtreding en implementatie
1. Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van notificatie aan de NBA's.
2. De ECB en de NBA's nemen de voor voldoening aan dit richtsnoer noodzakelijke maatregelen die zij met ingang van vrijdag 18 maart 2016 toepassen. NBA's stellen de ECB in kennis van obstakels voor de tenuitvoerlegging van dit richtsnoer en doen de ECB uiterlijk 18 januari 2016 teksten en middelen toekomen die verband houden met die maatregelen.
Artikel 12
Rapportage en toetsingen
1. De NBA's rapporteren jaarlijks de implementatie van dit richtsnoer.
2. De Raad van bestuur toetst dit richtsnoer minstens om de 3 jaar.
Artikel 13
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot de ECB en de NBA's.
Gedaan te Frankfurt am Main, 12 maart 2015.
Namens de Raad van bestuur van de ECB
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.
(2) Gedragscode van de Europese Centrale Bank voor de leden van de Raad van bestuur (PB C 123 van 24.5.2002, blz. 9).
(3) Gedragscode voor de leden van de raad van toezicht van de Europese Centrale Bank (PB C 93 van 20.3.2015, blz. 2).
(4) Richtsnoer (EU) 2015/855 van de Europese Centrale Bank van 12 maart 2015 houdende vaststelling van een Ethisch Kader voor het Eurosysteem en tot intrekking van Richtsnoer ECB/2002/6 betreffende door de Europese Centrale Bank en nationale centrale banken in acht te nemen minimumnormen bij het verrichten van monetaire beleidstransacties en valutamarktoperaties met de externe reserves van de ECB en bij het beheren van de externe reserves van de ECB (ECB/2015/11) (Zie bladzijde 23 van dit Publicatieblad).
(5) Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/35 |
BESLUIT Nr. 1 VAN DE STABILISATIE- EN ASSOCIATIERAAD EU-SERVIË
van 21 oktober 2013
tot vaststelling van zijn reglement van orde [2015/857]
DE STABILISATIE- EN ASSOCIATIERAAD,
Gezien de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië (hierna „Servië” genoemd), anderzijds (hierna de „overeenkomst” genoemd), en met name de artikelen 119, 120, 122 en 124,
Overwegende dat die overeenkomst op 1 september 2013 in werking is getreden,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voorzitterschap
De Stabilisatie- en associatieraad wordt beurtelings voor een periode van twaalf maanden voorgezeten door de voorzitter van de Raad Buitenlandse Zaken van de Europese Unie, namens de Europese Unie en haar lidstaten en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en door een vertegenwoordiger van de regering van Servië. De eerste periode begint op de datum van de eerste vergadering van de Stabilisatie- en associatieraad en eindigt op 31 december 2013.
Artikel 2
Vergaderingen
De Stabilisatie- en associatieraad komt eenmaal per jaar bijeen op ministerieel niveau. Op verzoek van een der partijen kunnen speciale vergaderingen van de Stabilisatie- en associatieraad worden belegd, indien de partijen dat overeenkomen. Tenzij de partijen anderszins overeenkomen, wordt elke vergadering van de Stabilisatie- en associatieraad gehouden op de plaats waar de vergaderingen van de Raad van de Europese Unie gewoonlijk worden gehouden, op een in onderling overleg vastgestelde datum. Vergaderingen van de Stabilisatie- en associatieraad worden door de secretarissen van de Stabilisatie- en associatieraad gezamenlijk bijeengeroepen, in overleg met de voorzitter.
Artikel 3
Vertegenwoordiging
De leden van de Stabilisatie- en associatieraad mogen zich laten vertegenwoordigen indien zij verhinderd zijn de vergadering bij te wonen. Indien een lid zich wenst te laten vertegenwoordigen, stelt hij de voorzitter vóór de zitting waar hij vertegenwoordigd zal worden, in kennis van de naam van zijn vertegenwoordiger. De vertegenwoordiger van een lid van de Stabilisatie- en associatieraad oefent alle rechten van dit lid uit.
Artikel 4
Delegaties
De leden van de Stabilisatie- en associatieraad mogen worden vergezeld door ambtenaren. Vóór elke vergadering wordt de voorzitter in kennis gesteld van de voorgenomen samenstelling van de delegaties van beide partijen. Wanneer er op de agenda een punt staat dat verband houdt met de Europese Investeringsbank, woont een vertegenwoordiger van die bank de vergadering van de Stabilisatie- en associatieraad als waarnemer bij. De Stabilisatie- en associatieraad kan niet-leden uitnodigen de vergaderingen bij te wonen om informatie te verstrekken over bijzondere onderwerpen.
Artikel 5
Secretariaat
Een ambtenaar van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en een ambtenaar van de missie van Servië bij de Europese Unie treden gezamenlijk op als secretarissen van de Stabilisatie- en associatieraad.
Artikel 6
Correspondentie
De voor de Stabilisatie- en associatieraad bestemde correspondentie wordt gericht aan de voorzitter van de Stabilisatie- en associatieraad op het adres van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie.
De twee secretarissen zorgen ervoor dat deze correspondentie aan de voorzitter van de Stabilisatie- en associatieraad wordt doorgezonden en, in voorkomend geval, wordt verspreid onder de andere leden van de Stabilisatie- en associatieraad. Wanneer de correspondentie zo wordt verspreid, wordt deze gestuurd aan het secretariaat-generaal van de Commissie, de permanente vertegenwoordigingen van de lidstaten en de missie van Servië bij de Europese Unie.
Mededelingen die uitgaan van de voorzitter van de Stabilisatie- en associatieraad, worden door de twee secretarissen aan de adressaten gericht en, in voorkomend geval, verspreid onder de andere leden van de Stabilisatie- en associatieraad als aangegeven in de tweede alinea.
Artikel 7
Openbaarheid
De vergaderingen van de Stabilisatie- en associatieraad zijn niet openbaar, tenzij anders wordt beslist.
Artikel 8
Agenda van de vergaderingen
1. De voorzitter stelt voor elke vergadering een voorlopige agenda op. Deze wordt door de secretarissen van de Stabilisatie- en associatieraad uiterlijk 15 dagen voor het begin van de vergadering naar de in artikel 6 bedoelde adressaten gezonden. De voorlopige agenda omvat de punten waarvoor de voorzitter uiterlijk 21 dagen vóór het begin van de vergadering een verzoek tot opname op de agenda heeft ontvangen; een punt wordt evenwel pas op de voorlopige agenda geplaatst als de desbetreffende stukken uiterlijk op de datum waarop de agenda wordt verzonden, zijn binnengekomen bij de secretarissen. De agenda wordt bij het begin van iedere vergadering door de Stabilisatie- en associatieraad goedgekeurd. Indien de partijen zulks overeenkomen, kan een punt dat niet op de voorlopige agenda staat, als agendapunt worden toegevoegd.
2. De voorzitter kan met instemming van beide partijen de in lid 1 genoemde termijnen inkorten als dat in een bepaald geval noodzakelijk is.
Artikel 9
Notulen
Van elke vergadering worden door de twee secretarissen ontwerpnotulen opgesteld. Doorgaans bevatten de notulen voor elk agendapunt:
|
|
de bij de Stabilisatie- en associatieraad ingediende documentatie, |
|
|
verklaringen die op verzoek van een lid van de Stabilisatie- en associatieraad worden opgenomen, |
|
|
besluiten, aanbevelingen, overeengekomen verklaringen en conclusies. |
De ontwerpnotulen worden ter goedkeuring aan de Stabilisatie- en associatieraad voorgelegd. Eenmaal goedgekeurd worden de notulen ondertekend door de voorzitter en de twee secretarissen. De notulen worden bewaard in de archieven van het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie, dat optreedt als depositaris van de documenten van de Stabilisatie- en associatieraad. Aan elk van de in artikel 6 bedoelde adressaten wordt een gewaarmerkt afschrift gezonden.
Artikel 10
Besluiten en aanbevelingen
1. De besluiten en aanbevelingen van de Stabilisatie- en associatieraad worden in onderlinge overeenstemming tussen de partijen vastgesteld. Indien beide partijen daarmee instemmen, kan de Stabilisatie- en associatieraad besluiten of aanbevelingen via de schriftelijke procedure vaststellen.
2. Besluiten en aanbevelingen van de Stabilisatie- en associatieraad in de zin van artikel 121 van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst worden voorzien van de vermelding „besluit” of „aanbeveling”, gevolgd door een volgnummer, de datum van goedkeuring en een beschrijving van het onderwerp. De besluiten en aanbevelingen van de Stabilisatie- en associatieraad worden ondertekend door de voorzitter en gewaarmerkt door de twee secretarissen. Besluiten en aanbevelingen worden aan elk van de in artikel 6 bedoelde adressaten gestuurd. Elke partij kan besluiten tot bekendmaking van besluiten en aanbevelingen van de Stabilisatie- en associatieraad in haar respectieve officiële publicatie.
Artikel 11
Talen
De officiële talen van de Stabilisatie- en associatieraad zijn de officiële talen van de twee partijen. Tenzij anders wordt beslist, beraadslaagt de Stabilisatie- en associatieraad op basis van in deze talen opgestelde documenten.
Artikel 12
Kosten
De Europese Unie en Servië dragen bij deelname aan vergaderingen van de Stabilisatie- en associatieraad elk hun eigen personeels-, reis- en verblijfkosten en hun eigen kosten voor post en telecommunicatie. De kosten voor de vertolking tijdens de vergaderingen en voor de vertaling en het drukken van de documenten komen ten laste van de Europese Unie, met uitzondering van de kosten voor vertolking of vertaling in of uit het Servisch, die voor rekening van Servië komen. Andere kosten die verbonden zijn aan de organisatie van vergaderingen, komen ten laste van de partij die als gastheer voor de vergaderingen optreedt.
Artikel 13
Stabilisatie- en associatiecomité
1. Er wordt een Stabilisatie- en associatiecomité ingesteld, dat de Stabilisatie- en associatieraad bij de uitvoering van zijn taken bijstaat. Het bestaat uit vertegenwoordigers van de Raad van de Europese Unie en vertegenwoordigers van de Europese Commissie, enerzijds, en vertegenwoordigers van de regering van Servië, anderzijds, gewoonlijk op het niveau van hoge ambtenaren.
2. Het Stabilisatie- en associatiecomité bereidt de vergaderingen en beraadslagingen van de Stabilisatie- en associatieraad voor, voert in voorkomend geval de besluiten van de Stabilisatie- en associatieraad uit, en draagt in het algemeen zorg voor de continuïteit in de associatiebetrekkingen en de goede werking van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst. Het Stabilisatie- en associatiecomité behandelt alle zaken die de Stabilisatie- en associatieraad aan het comité voorlegt, evenals alle andere zaken die zich voordoen bij de dagelijkse uitvoering van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst. Voorstellen en ontwerpbesluiten of -aanbevelingen worden door het Stabilisatie- en associatiecomité ter goedkeuring aan de Stabilisatie- en associatieraad voorgelegd.
3. Bij een in de Stabilisatie- en associatieovereenkomst vermelde verplichting of mogelijkheid tot overleg, kan dat overleg plaatsvinden in het Stabilisatie- en associatiecomité. Dit overleg kan, indien beide partijen daarmee instemmen, worden voortgezet in de Stabilisatie- en associatieraad.
4. Het reglement van orde van het Stabilisatie- en associatiecomité is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 14
Gemengd Raadgevend Comité bestaande uit vertegenwoordigers van het Europees Economisch en Sociaal Comité en van sociale partners en andere maatschappelijke organisaties van Servië
1. Er wordt een Gemengd Raadgevend Comité bestaande uit vertegenwoordigers van het Europees Economisch en Sociaal Comité en van sociale partners en andere maatschappelijke organisaties van Servië ingesteld, dat tot taak heeft de Stabilisatie- en associatieraad bij te staan bij de bevordering van dialoog en samenwerking met de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties in de Europese Unie en Servië. Deze dialoog en samenwerking bestrijken alle relevante aspecten van de betrekkingen tussen de Europese Unie en Servië, in de context van de tenuitvoerlegging van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst. Deze dialoog en samenwerking zijn met name gericht op het volgende:
|
a) |
voorbereiding van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties van Servië op activiteiten in het kader van een toekomstig lidmaatschap van de Europese Unie; |
|
b) |
voorbereiding van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties van Servië op deelname aan de werkzaamheden van het Europees Economisch en Sociaal Comité na de toetreding van Servië; |
|
c) |
uitwisseling van informatie over kwesties van wederzijds belang, meer bepaald over de actuele stand van zaken van het toetredingsproces en de voorbereiding van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties in Servië daarop; |
|
d) |
bevordering van de uitwisseling van ervaringen en een gestructureerde dialoog tussen a) sociale partners en andere maatschappelijke organisaties uit Servië, en b) sociale partners en andere maatschappelijke organisaties uit de lidstaten, met inbegrip van netwerkvorming op specifieke gebieden waar directe contacten en samenwerking de meest doeltreffende manier kunnen zijn voor de oplossing van specifieke problemen; |
|
e) |
discussie over andere relevante kwesties die door een van de partijen naar voren worden gebracht, in de context van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst en in het kader van de pretoetredingsstrategie. |
2. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité bestaat uit negen vertegenwoordigers van het Europees Economisch en Sociaal Comité en negen vertegenwoordigers van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties van Servië. Het Gemengd Raadgevend Comité kan ook waarnemers uitnodigen.
3. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité verricht zijn werkzaamheden op basis van raadpleging door de Stabilisatie- en associatieraad of, wat betreft de bevordering van de dialoog tussen economische en sociale kringen, op eigen initiatief.
4. De leden worden zo gekozen dat het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité een zo getrouw mogelijke afspiegeling is van de verschillende sociale partners en andere maatschappelijke organisaties, zowel in de Europese Unie als in Servië. De officiële aanstelling van de leden uit Servië geschiedt door de regering van Servië op basis van voorstellen van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties. Deze voorstellen worden gebaseerd op inclusieve en transparante selectieprocedures bij de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties.
5. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité wordt gezamenlijk voorgezeten door een lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité en een vertegenwoordiger van de sociale partners en andere maatschappelijke organisaties van Servië.
6. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité stelt zijn reglement van orde vast.
7. Het Europees Economisch en Sociaal Comité en de regering van Servië dragen bij deelname van hun vertegenwoordigers aan vergaderingen van het Gemengd Raadgevend Comité en de werkgroepen daarvan elk hun eigen personeels-, reis- en verblijfkosten.
8. Nadere regelingen betreffende de tolk- en vertaalkosten worden opgenomen in het reglement van orde van het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité. Andere uitgaven met betrekking tot de materiële organisatie van de vergaderingen komen ten laste van de partij die de vergaderingen organiseert.
Artikel 15
Gemengd Raadgevend Comité bestaande uit vertegenwoordigers van het Comité van de Regio's van de Europese Unie en van Servische lokale en regionale autoriteiten
1. Er wordt een Gemengd Raadgevend Comité bestaande uit vertegenwoordigers van het Comité van de Regio's van de Europese Unie en van Servische lokale en regionale autoriteiten ingesteld, dat tot taak heeft de Stabilisatie- en associatieraad bij te staan bij de bevordering van dialoog en samenwerking met de lokale en regionale autoriteiten in de Europese Unie en Servië. Deze dialoog en samenwerking zijn met name gericht op het volgende:
|
a) |
voorbereiding van de lokale en regionale autoriteiten van Servië op activiteiten in het kader van een toekomstig lidmaatschap van de Europese Unie; |
|
b) |
voorbereiding van de lokale en regionale autoriteiten van Servië op deelname aan de werkzaamheden van het Comité van de Regio's na de toetreding van Servië; |
|
c) |
uitwisseling van informatie over lopende kwesties van gezamenlijk belang, meer bepaald over de actuele stand van zaken van het toetredingsproces en over die beleidsgebieden waarvoor de Verdragen voorzien in een raadpleging van het Comité van de Regio's, alsook de voorbereiding van de Servische lokale en regionale autoriteiten op dit beleid; |
|
d) |
bevordering van een multilaterale gestructureerde dialoog tussen a) lokale en regionale autoriteiten uit Servië, en b) lokale en regionale autoriteiten uit de lidstaten, met inbegrip van netwerkvorming op specifieke gebieden waar directe contacten en samenwerking tussen lokale en regionale autoriteiten uit Servië en lokale en regionale autoriteiten uit de lidstaten de meest doeltreffende manier kunnen zijn voor de oplossing van specifieke problemen; |
|
e) |
regelmatige uitwisseling van informatie over interregionale samenwerking tussen de lokale en regionale autoriteiten van Servië en de lokale en regionale autoriteiten van de lidstaten; |
|
f) |
bevordering van de uitwisseling van ervaringen en kennis op de beleidsgebieden waarvoor het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie voorziet in een raadpleging van het Comité van de Regio's, tussen i) lokale en regionale autoriteiten in Servië, en ii) lokale en regionale autoriteiten in de lidstaten, meer bepaald van expertise en technieken in verband met de voorbereiding van lokale en regionale ontwikkelingsplannen of -strategieën en het meest doeltreffende gebruik van de pretoetredings- en structuurfondsen; |
|
g) |
bijstand voor de lokale en regionale autoriteiten van Servië door de uitwisseling van informatie inzake de praktische tenuitvoerlegging van het subsidiariteitsbeginsel in alle aspecten van het leven op regionaal en lokaal vlak; |
|
h) |
discussie over andere relevante kwesties die door een van de partijen naar voren worden gebracht, in de context van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst en in het kader van de pretoetredingsstrategie. |
2. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité bestaat uit zeven vertegenwoordigers van het Comité van de Regio's, enerzijds, en zeven verkozen vertegenwoordigers van de lokale en regionale autoriteiten van Servië, anderzijds. Er wordt een gelijk aantal plaatsvervangende leden aangewezen.
3. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité verricht zijn werkzaamheden op basis van raadpleging door de Stabilisatie- en associatieraad of, wat betreft de bevordering van de dialoog tussen de lokale en regionale autoriteiten, op eigen initiatief.
4. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité kan aanbevelingen doen aan de Stabilisatie- en associatieraad.
5. De leden worden zo gekozen dat het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité een getrouwe afspiegeling is van de verschillende niveaus van lokaal en regionaal bestuur, zowel in de Europese Unie als in Servië. De officiële aanstelling van de leden uit Servië geschiedt door de regering van Servië op basis van voorstellen van de organisaties die de lokale en regionale autoriteiten in Servië vertegenwoordigen. Deze voorstellen worden gebaseerd op inclusieve en transparante selectieprocedures bij de vertegenwoordigers die een mandaat in het lokale of regionale bestuur hebben.
6. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité stelt zijn reglement van orde vast.
7. Het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité wordt gezamenlijk voorgezeten door een lid van het Comité van de Regio's en een vertegenwoordiger van de lokale en regionale autoriteiten van Servië.
8. Het Comité van de Regio's, enerzijds, en de regering van Servië, anderzijds, dragen bij deelname van hun vertegenwoordigers en van ondersteunend personeel aan vergaderingen van het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité elk hun eigen kosten, met name reis- en verblijfkosten.
9. Nadere regelingen betreffende de tolk- en vertaalkosten worden opgenomen in het reglement van orde van het in lid 1 bedoelde Gemengd Raadgevend Comité. Andere uitgaven met betrekking tot de materiële organisatie van de vergaderingen komen ten laste van de partij die de vergaderingen organiseert.
Gedaan te Luxemburg, 21 oktober 2013.
Voor het Stabilisatie- en associatiecomité
De voorzitter
C. ASHTON
BIJLAGE
REGLEMENT VAN ORDE VAN HET STABILISATIE- EN ASSOCIATIECOMITÉ
Artikel 1
Voorzitterschap
Het Stabilisatie- en associatiecomité wordt beurtelings voor een periode van twaalf maanden voorgezeten door een vertegenwoordiger van de Commissie, namens de Europese Unie en haar lidstaten en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en door een vertegenwoordiger van de regering van Servië. De eerste periode begint op de datum van de eerste vergadering van de Stabilisatie- en associatieraad en eindigt op 31 december 2013.
Artikel 2
Vergaderingen
Het Stabilisatie- en associatiecomité komt bijeen wanneer de omstandigheden zulks vereisen, met instemming van beide partijen. Elke vergadering van het Stabilisatie- en associatiecomité wordt belegd op een tijdstip en een plaats die door beide partijen in onderling overleg zijn vastgesteld. De vergaderingen van het Stabilisatie- en associatiecomité worden bijeengeroepen door de voorzitter.
Artikel 3
Delegaties
Vóór elke vergadering wordt de voorzitter in kennis gesteld van de voorgenomen samenstelling van de delegaties van beide partijen.
Artikel 4
Secretariaat
Een ambtenaar van de Europese Commissie en een ambtenaar van de regering van Servië treden gezamenlijk op als secretarissen van het Stabilisatie- en associatiecomité. Mededelingen aan en door de voorzitter van het Stabilisatie- en associatiecomité worden naar de secretarissen van het Stabilisatie- en associatiecomité en naar de secretarissen en de voorzitter van de Stabilisatie- en associatieraad gezonden.
Artikel 5
Openbaarheid
De vergaderingen van het Stabilisatie- en associatiecomité zijn niet openbaar, tenzij anders wordt beslist.
Artikel 6
Agenda van de vergaderingen
1. De voorzitter stelt voor elke vergadering een voorlopige agenda op. Deze wordt door de secretarissen van het Stabilisatie- en associatiecomité uiterlijk 15 dagen vóór het begin van de vergadering naar de in artikel 4 bedoelde adressaten gezonden. De voorlopige agenda omvat de punten waarvoor de voorzitter uiterlijk 21 dagen vóór het begin van de vergadering een verzoek tot opname op de agenda heeft ontvangen; een punt wordt evenwel pas op de voorlopige agenda geplaatst als de desbetreffende stukken uiterlijk op de datum waarop de agenda wordt verzonden, zijn binnengekomen bij de secretarissen. Het Stabilisatie- en associatiecomité mag deskundigen uitnodigen zijn vergaderingen bij te wonen om informatie over bepaalde onderwerpen te verstrekken. De agenda wordt bij het begin van elke vergadering door het Stabilisatie- en associatiecomité vastgesteld. Indien de partijen zulks overeenkomen, kan een punt dat niet op de voorlopige agenda staat, als agendapunt worden toegevoegd.
2. De voorzitter kan met instemming van beide partijen de in lid 1 genoemde termijnen inkorten als dat in een bepaald geval noodzakelijk is.
Artikel 7
Notulen
Van elke vergadering worden notulen opgemaakt, op grond van de samenvatting door de voorzitter van de door het Stabilisatie- en associatiecomité bereikte conclusies. Na goedkeuring door het Stabilisatie- en associatiecomité worden de notulen ondertekend door de voorzitter en de secretarissen en bij elk van beide partijen in de archieven bewaard. Aan elk van de in artikel 4 bedoelde adressaten wordt een afschrift van de notulen gezonden.
Artikel 8
Besluiten en aanbevelingen
In de specifieke gevallen waarin het Stabilisatie- en associatiecomité, op grond van artikel 122 van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst, door de Stabilisatie- en associatieraad is gemachtigd om besluiten of aanbevelingen aan te nemen, worden deze voorzien van de vermelding „besluit” of „aanbeveling”, gevolgd door een volgnummer, de datum van goedkeuring en de beschrijving van het onderwerp. Besluiten en aanbevelingen worden in onderlinge overeenstemming tussen de partijen vastgesteld. Het Stabilisatie- en associatiecomité kan, indien beide partijen daarmee instemmen, besluiten of aanbevelingen via de schriftelijke procedure vaststellen. De besluiten en aanbevelingen van het Stabilisatie- en associatiecomité worden ondertekend door de voorzitter en gewaarmerkt door de twee secretarissen, en worden toegezonden aan elk van de in artikel 4 van deze bijlage bedoelde adressaten. Elke partij kan besluiten tot bekendmaking van besluiten en aanbevelingen van dit Stabilisatie- en associatiecomité in haar respectieve officiële publicatie.
Artikel 9
Kosten
De Europese Unie en Servië dragen bij deelname aan vergaderingen van het Stabilisatie- en associatiecomité elk hun eigen personeels-, reis- en verblijfkosten en hun eigen kosten voor post en telecommunicatie. De kosten voor de vertolking tijdens de vergaderingen en voor de vertaling en het drukken van de documenten komen ten laste van de Europese Unie, met uitzondering van de kosten voor vertolking of vertaling in of uit het Servisch, die voor rekening van Servië komen. Andere kosten die verbonden zijn aan de organisatie van vergaderingen, komen ten laste van de partij die als gastheer voor de vergaderingen optreedt.
Artikel 10
Subcomités en speciale groepen
Het Stabilisatie- en associatiecomité kan subcomités of speciale groepen oprichten. Deze voeren hun werkzaamheden uit onder bevoegdheid van het Stabilisatie- en associatiecomité, waaraan zij na elk van hun vergaderingen verslag uitbrengen. Het Stabilisatie- en associatiecomité kan besluiten bestaande subcomités of groepen op te heffen, kan hun taken vaststellen of wijzigen, of kan andere subcomités of groepen oprichten die het bij het vervullen van zijn taken bijstaan. Deze subcomités en groepen hebben niet de bevoegdheid om besluiten te nemen.
Rectificaties
|
2.6.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 135/43 |
Rectificatie van Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsfonds en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010
( Publicatieblad van de Europese Unie L 225 van 30 juli 2014 )
Bladzijde 65, artikel 43, lid 1,onder a):
in plaats van:
|
„a) |
de voorzitter en de vicevoorzitter, die overeenkomstig artikel 56 worden benoemd;” |
te lezen:
|
„a) |
de voorzitter, die overeenkomstig artikel 56 wordt benoemd;” |