|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
58e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/291 VAN DE COMMISSIE
van 19 februari 2015
tot goedkeuring van een niet-minimale wijziging van het productdossier van een benaming die is opgenomen in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Asparago bianco di Cimadolmo (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 53, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de Commissie zich gebogen over de aanvraag van Italië tot goedkeuring van een wijziging in het productdossier van de beschermde geografische aanduiding „Asparago bianco di Cimadolmo”, die bij Verordening (EG) nr. 245/2002 van de Commissie (2) is geregistreerd. |
|
(2) |
Aangezien de betrokken wijziging niet minimaal is in de zin van artikel 53, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, heeft de Commissie de wijzigingsaanvraag overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van die verordening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3). |
|
(3) |
Aangezien de Commissie geen enkel bezwaar overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft ontvangen, moet de wijziging van het productdossier worden goedgekeurd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte wijziging van het productdossier met betrekking tot de benaming „Asparago bianco di Cimadolmo” (BGA) wordt goedgekeurd.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 19 februari 2015.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Phil HOGAN
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 245/2002 van de Commissie van 8 februari 2002 tot aanvulling van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 2400/96 betreffende de inschrijving van bepaalde benamingen in het „Register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen” bedoeld in Verordening (EEG) nr. 2081/92 van de Raad inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 39 van 9.2.2002, blz. 12).
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/3 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/292 VAN DE COMMISSIE
van 24 februari 2015
tot goedkeuring van koolstofdioxide als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 15
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 90, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Nederland heeft op 22 februari 2012 overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) een aanvraag ontvangen om de werkzame stof koolstofdioxide in bijlage I bij die richtlijn op te nemen voor gebruik in productsoort 15 (aviciden), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die verordening. |
|
(2) |
Nederland heeft op 30 augustus 2013 overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG een beoordelingsverslag en aanbevelingen bij de Commissie ingediend. |
|
(3) |
Op 17 juni 2014 formuleerde het Comité voor biociden het advies van het Europees Agentschap voor chemische stoffen, rekening houdend met de conclusies van de beoordelende bevoegde autoriteit. |
|
(4) |
Volgens dat advies kan van biociden die voor productsoort 15 worden gebruikt en koolstofdioxide bevatten, worden verwacht dat zij aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen, op voorwaarde dat bepaalde specificaties en voorwaarden betreffende het gebruik ervan in acht worden genomen. |
|
(5) |
Bijgevolg moet koolstofdioxide worden goedgekeurd voor gebruik in biociden voor de productsoort 15, mits aan bepaalde specificaties en voorwaarden wordt voldaan. |
|
(6) |
Aangezien de beoordelingen geen nanomaterialen betroffen, mag de goedkeuring krachtens artikel 4, lid 4, van Verordening (EU) nr. 528/2012 geen betrekking hebben op dergelijke materialen. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Koolstofdioxide wordt goedgekeurd als werkzame stof voor gebruik in biociden voor productsoort 15, mits de in de bijlage vastgestelde specificaties en voorwaarden in acht worden genomen.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 februari 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.
(2) Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).
BIJLAGE
|
Triviale naam |
IUPAC-naam Identificatienummers |
Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (1) |
Datum van goedkeuring |
Datum van het verstrijken van de goedkeuring |
Productsoort |
Bijzondere voorwaarden (2) |
||||||||||
|
Koolstofdioxide |
IUPAC-naam: Koolstofdioxide EG-nr.: 204-696-9 CAS-nr.: 124-38-9 |
999 ml/l |
1 juni 2015 |
31 mei 2025 |
15 |
Bij de evaluatie van het product moet bijzondere aandacht worden besteed aan de blootstellingen, de risico's en de doeltreffendheid voor elk gebruik waarvoor toelating werd aangevraagd, maar dat geen voorwerp was van de risicobeoordeling van de werkzame stof op het niveau van de Unie. Aan toelatingen voor biociden worden de volgende voorwaarden verbonden:
|
(1) De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EU) nr. 528/2012 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het in de handel gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde werkzame stof.
(2) Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI bij Verordening (EU) nr. 528/2012 zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsrapporten beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/environment/chemicals/biocides/index_en.htm.
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/5 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/293 VAN DE COMMISSIE
van 24 februari 2015
tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Liliputas (BGA))
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 15, lid 2, en artikel 52, lid 3, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Litouwen ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Liliputas” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2). |
|
(2) |
Door middel van de aankondiging van bezwaar van 13 september 2013 en het met redenen omklede bezwaarschrift van 8 november 2013 heeft Polen overeenkomstig artikel 51, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 bezwaar aangetekend tegen de registratie. Het bezwaar is als ontvankelijk aangemerkt. |
|
(3) |
Bij brieven van 8 januari 2014 heeft de Commissie de betrokken partijen verzocht op gepaste wijze overleg te plegen overeenkomstig hun interne procedures. |
|
(4) |
Litouwen en Polen hebben geen overeenstemming bereikt. |
|
(5) |
Aangezien geen overeenstemming is bereikt, moet de Commissie een besluit nemen overeenkomstig de procedure als bedoeld in artikel 52, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1151/2012. |
|
(6) |
In overeenstemming met artikel 10, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 heeft de indiener van het bezwaar aangevoerd dat de registratie van „Liliputas” als beschermde geografische aanduiding schade zou toebrengen aan het bestaan van een gedeeltelijk identieke naam, van merken en van producten die beduidend langer legaal op de Poolse markt zijn dan vijf jaar, te rekenen vanaf de datum waarop de aanvraag tot registratie van de naam „Liliputas” als beschermde geografische aanduiding is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (15 juni 2013); volgens de indiener van het bezwaar zou registratie een bedreiging vormen voor het bestaan van het product met de naam „Liliput”, een Poolse kaas met kenmerken die vergelijkbaar met die van „Liliputas”-kaas zijn en met een naam die fonetisch erg op de naam „Liliputas” lijkt. |
|
(7) |
De indiener van het bezwaar beweert dat de naam „Liliput” in Polen gebruikelijk is voor producten die worden gekenmerkt door hun geringe omvang en dat deze naam tevens wordt gebruikt voor kaas. Kaas met de naam „Liliput” wordt sinds 1971 rechtmatig in Polen geproduceerd en in de handel gebracht. In bedrijfsnormen, technische instructies en normen voor het gebruik van grondstoffen wordt „Liliput”-kaas opgelijst naast andere kaassoorten zoals Gouda, Edammer en Emmental. Deze naam, als verwijzing naar de Poolse kaas, is populair bij de Poolse consument en wordt op geen enkele wijze in verband gebracht met de Litouwse kaas. Hij moet daarom worden beschouwd als een soortnaam voor generieke kaas in Polen. Het product Poolse „Liliput”-kaas is uit het oogpunt van kenmerken, uitzicht en afmetingen vergelijkbaar met de Litouwse „Liliputas”-kaas. Uiteindelijk, zo suggereert de indiener van het bezwaar, zijn „Liliput” en „Liliputas” vergelijkbare producten met een soortnaam. Bijgevolg zou de registratie van de benaming „Liliputas” als beschermde geografische aanduiding de Poolse producenten beletten om hun „Liliput”-kaas in de handel te brengen of alleszins om de naam „Liliput” te gebruiken voor kaas. |
|
(8) |
De indiener van het bezwaar betoogt bovendien dat het product en de te registreren naam niet voldoen aan de vereisten van artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012. Zoals vermeld in het gepubliceerde enig document ontleent de kaas de naam „Liliputas” aan zijn omvang. De naam „Liliputas” verwijst dus niet naar een bepaalde plaats waar het product vandaan zou komen, maar wel, net zoals bij de Poolse „Liliput”-kaas, naar de geringe omvang van de kaas. De kwaliteiten van het product zijn bovendien niet toe te schrijven aan de geografische oorsprong ervan, maar zijn eenvoudigweg het gevolg van de rijping in kleine bollen. De impact van de plaatselijke microscopische schimmel Penicillium pallidum Smith op de organoleptische kenmerken van „Liliputas” is niet aangetoond. Bovendien zou het feit dat het product is geproduceerd volgens nationale normen in de USSR (Unie van Socialistische Sovjet-Republieken) bevestigen dat het om het even waar in de USSR zou kunnen worden geproduceerd, en dat er geen specifieke band met het afgebakende geografische gebied bestaat. Uiteindelijk dient „Liliputas” te worden beschouwd als een generiek product. |
|
(9) |
Aan een aantal Poolse kaasproducenten is bescherming verleend voor merken die het woord „Liliput” bevatten, zoals het geregistreerde woord en beeldmerk „Cheesland Liliput” en „Ser liliput” en het aangevraagde woordmerk „Serenada Liliput”. Er worden aanzienlijke hoeveelheden Poolse „Liliput” geproduceerd: in 2013 is 2 762 ton op industriële schaal geproduceerd en in 2 250 winkels, verdeeld over heel Polen, in de handel gebracht — 4,8 % van die productie is uitgevoerd naar de EU-markt. 90 % van de geproduceerde „Liliput”-kaas mag een merk voeren. Volgens de indiener van het bezwaar zou de registratie van de naam „Liliputas” als beschermde geografische aanduiding een bedreiging vormen voor het bestaan van dergelijke merken. |
|
(10) |
Ondanks de hierboven weergegeven argumenten van de indiener van bezwaar dient de naam „Liliputas” toch als beschermde geografische aanduiding te worden ingeschreven, en wel om de onderstaande redenen. |
|
(11) |
Hoewel de geringe omvang van de kaas waarnaar de naam „Liliputas” verwijst, ongetwijfeld mee aan de oorsprong van het gebruik van deze naam ligt, is het duidelijk dat deze naam in Litouwen in een tijdsspanne van een halve eeuw deze connotatie van omvang heeft verloren en in de plaats daarvan een sterke band met het productiegebied heeft ontwikkeld. Momenteel wordt de naam „Liliputas” in Litouwen ontegenzeggelijk geassocieerd met de handgemaakte, halfharde, gefermenteerde kwaliteitskaas die in het dorp Belvederis wordt geproduceerd. De Litouwse consument legt geen verband tussen deze naam en een Poolse kaas of de gestandaardiseerde, industriële kaasproductie. Daarom voldoet de naam Liliputas, ook al heeft hij geen geografische component, aan de definitie van artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012, volgens welke een beschermde geografische aanduiding een naam is waarmee een product wordt aangeduid dat afkomstig is uit een bepaalde plaats, een bepaalde streek of een bepaald land. |
|
(12) |
In het licht van het bovenstaande kan „Liliputas” niet als een soortnaam worden beschouwd. Soortnamen hebben weliswaar een historische band met de plaats waar het product waarnaar zij verwijzen, oorspronkelijk werd geproduceerd of in de handel gebracht, maar worden inmiddels volledig los gezien van deze oorspronkelijke geografische oorsprong. Voor „Liliputas” is het net andersom. De naam stond oorspronkelijk los van de geografische oorsprong, maar is inmiddels sterk verbonden met het betrokken productiegebied. |
|
(13) |
De kenmerken en de faam van het product zijn toe te schrijven aan de geografische oorsprong ervan. In het gepubliceerde enig document staat dat de kaas de naam „Liliputas” oorspronkelijk weliswaar ontleende aan zijn omvang, maar zijn specifieke smaak en aroma krijgt door rijping in kleine bollen onder invloed van de interne microflora en de microscopische schimmel Penicillium pallidum Smith, die groeit in de kelders in het geografische gebied. Deze schimmel, die typerend is voor de kelders in het dorp Belvederis, is verantwoordelijk voor het melkzuur, de frisse smaak en het voor „Liliputas”-kaas kenmerkende aroma. In het gebied zijn de bijzondere omstandigheden aanwezig waarin deze schimmel kan overleven. Bovendien draagt het feit dat de kaas met de hand en niet machinaal wordt bereid, bij tot het behoud en de ontwikkeling van de schimmel. Bovendien heeft „Liliputas”, zoals nauwkeurig wordt beschreven in het gepubliceerde enig document, een goed gedocumenteerde en solide faam als het vlaggenschip van de Litouwse zuivelproductie. |
|
(14) |
De verschillen tussen „Liliputas” en „Liliput” laten dus aan duidelijkheid niets te wensen over. „Liliputas” kan niet worden beschouwd als een generiek product. |
|
(15) |
Wat de bewering betreft als zou „Liliputas” om het even waar in de USSR kunnen worden geproduceerd omdat het product onder de USSR-normen viel, zij erop gewezen dat de opname van producten in die normen in die tijd verplicht was. Bovendien betekent dit niet automatisch dat het product, zoals beschreven in de norm die op initiatief van Litouwen is opgenomen, ook elders werd geproduceerd. In elk geval zijn aan het product, beschreven als een in het dorp Belvederis geproduceerde Litouwse kaas, in de periode 1969-1979 tal van prijzen, diploma's, kwaliteitslabels en medailles toegekend. |
|
(16) |
De naam „Liliput” lijkt fonetisch op de te registreren naam „Liliputas”. Beide namen vinden hun oorsprong in de geringe omvang van de kaas. Hoewel „Liliputas”-kaas een product is met specifieke kenmerken, kwaliteiten en faam, maken bepaalde aspecten van de „Liliput”-kaas deze vergelijkbaar met de „Liliputas”-kaas. Aangezien de namen erg op elkaar lijken en de producten er ook vergelijkbaar uitzien, kan de toepassing van de bescherming als bedoeld in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, tot gevolg hebben dat de naam „Liliputas”, indien deze wordt geregistreerd, de Poolse producenten zou beletten de naam „Liliput” te gebruiken. |
|
(17) |
Uit het bewijsmateriaal blijkt dat het gebruik van de naam „Liliput” niet bedoeld was om munt te slaan uit de faam van de naam „Liliputas”. De consument is niet en kon ook niet worden misleid ten aanzien van de werkelijke oorsprong van de producten. De twee producten hebben immers elk een afzonderlijke markt waar zij bekend zijn en correct worden geïdentificeerd. Om deze redenen en omdat is gebleken dat de naam „Liliput” wettig volgens loyale en constante gebruiken gedurende ten minste 25 jaar gangbaar was voordat de aanvraag tot registratie van „Liliputas” werd ingediend bij de Commissie, moet, in het belang van de eerlijkheid en het traditionele gebruik, de maximale overgangsperiode worden toegekend als bedoeld in artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012. |
|
(18) |
Deze conclusie heeft niet noodzakelijkerwijs tot gevolg dat het gebruik van de naam „Liliput” onwettig wordt. Indien overeenkomstig artikel 41, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 kan worden vastgesteld dat, rekening houdend met alle relevante factoren, in het bijzonder de bestaande situatie in de consumptiegebieden en de toepasselijke nationale of uniale rechtshandelingen, „Liliput” een soortnaam is geworden, zou het gebruik van die naam geen gevolgen ondervinden van de registratie van de naam „Liliputas”. |
|
(19) |
Merken met als onderdeel de naam „Liliput” waarvoor een aanvraag is ingediend, die zijn gedeponeerd of die zijn ingeschreven, of die rechten hebben verworven door gebruik te goeder trouw op het grondgebied van de Unie, vóór de datum van indiening van de aanvraag tot registratie van „Liliputas” als geografische aanduiding, mogen overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1151/2012 verder worden gebruikt en vernieuwd voor dat product, op voorwaarde dat voor het overige wordt voldaan aan de algemene vereisten in het kader van de merkenwetgeving. |
|
(20) |
In het licht van het voorgaande dient de naam „Liliputas” te worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen. |
|
(21) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité kwaliteitsbeleid inzake landbouwproducten, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De naam „Liliputas” (BGA) wordt geregistreerd.
Met de naam in de eerste alinea wordt een product aangeduid van categorie 1.3. „Kaas” van bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie (3).
Artikel 2
De naam „Liliput” mag gedurende 15 jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden gebruikt voor de aanduiding van kaas die niet in overeenstemming is met het productdossier voor „Liliputas”.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 februari 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.
(2) PB C 170 van 15.6.2013, blz. 46.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 668/2014 van de Commissie van 13 juni 2014 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (PB L 179 van 19.6.2014, blz. 36).
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/294 VAN DE COMMISSIE
van 24 februari 2015
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 februari 2015.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
EG |
169,3 |
|
IL |
81,7 |
|
|
MA |
91,9 |
|
|
TR |
116,8 |
|
|
ZZ |
114,9 |
|
|
0707 00 05 |
TR |
187,1 |
|
ZZ |
187,1 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
140,7 |
|
TR |
215,2 |
|
|
ZZ |
178,0 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
45,9 |
|
IL |
72,3 |
|
|
MA |
47,6 |
|
|
TN |
50,8 |
|
|
TR |
68,9 |
|
|
ZZ |
57,1 |
|
|
0805 20 10 |
IL |
132,4 |
|
MA |
96,3 |
|
|
ZZ |
114,4 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
EG |
80,3 |
|
IL |
151,7 |
|
|
JM |
118,2 |
|
|
MA |
101,6 |
|
|
TR |
85,4 |
|
|
US |
143,7 |
|
|
ZZ |
113,5 |
|
|
0805 50 10 |
EG |
41,5 |
|
TR |
51,6 |
|
|
ZZ |
46,6 |
|
|
0808 10 80 |
BR |
69,5 |
|
CL |
95,2 |
|
|
MK |
29,8 |
|
|
US |
151,4 |
|
|
ZZ |
86,5 |
|
|
0808 30 90 |
CL |
155,9 |
|
CN |
99,9 |
|
|
US |
122,7 |
|
|
ZA |
92,9 |
|
|
ZZ |
117,9 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1106/2012 van de Commissie van 27 november 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 471/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken van de buitenlandse handel met derde landen, wat de bijwerking van de nomenclatuur van landen en gebieden betreft (PB L 328 van 28.11.2012, blz. 7). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/11 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/295 VAN DE COMMISSIE
van 24 februari 2015
betreffende de goedkeuring van de efficiënte alternator MELCO GXi als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot vaststelling van emissienormen voor nieuwe personenauto's, in het kader van de communautaire geïntegreerde benadering om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken (1), en met name artikel 12, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De leverancier Mitsubishi Electric Corporation (MELCO), in de EU vertegenwoordigd door Mitsubishi Electric Automotive Europe bv, (de „aanvrager”) heeft op 24 juni 2014 een aanvraag ingediend voor de goedkeuring van de efficiënte alternator MELCO GXi als innoverende technologie. De aanvraag is beoordeeld op volledigheid overeenkomstig artikel 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 van de Commissie (2). De Commissie stelde vast dat in de oorspronkelijke aanvraag relevante informatie ontbrak en verzocht de aanvrager haar te completeren. Op 10 juli 2014 heeft de Commissie de volledige informatie ontvangen en de dag daarop is zij begonnen met de beoordeling van de aanvraag. |
|
(2) |
De aanvraag, die is beoordeeld overeenkomstig artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009, Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 en de Technical Guidelines for the preparation of applications for the approval of innovative technologies pursuant to Regulation (EC) No 443/2009 („de technische richtsnoeren”) (3), werd volledig geacht. |
|
(3) |
De aanvraag heeft betrekking op de efficiënte alternator MELCO GXi voor de afgifteklassen van 130 A tot 250 A. De alternator heeft een hoog rendement zoals vastgesteld overeenkomstig de in punt 5.1.2 van bijlage I bij de technische richtsnoeren beschreven aanpak van het VDA (Verband der Automobilindustrie). Deze aanpak verwijst naar de testmethodologie beschreven in de internationale norm ISO 8854:2012 (4). Het rendement van de alternator van de aanvrager is groter dan dat van de basisalternator doordat de volgende drie verliezen worden beperkt: rectificatieverlies door een nieuwe energiezuinige diode, ijzerverlies in de stator door het gebruik van een dunne en hoogwaardige statorkern van elektromagnetisch staal, en koperverlies in de stator door het gebruik van een stator met ultrahoge vulfactor en een toegepaste axiale koelingsstructuur. |
|
(4) |
De Commissie is van oordeel dat uit de in de aanvraag verstrekte informatie blijkt dat aan de in artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009 en in de artikelen 2 en 4 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 bedoelde voorwaarden en criteria is voldaan. |
|
(5) |
De aanvrager heeft aangetoond dat een hoogrendementsalternator van het type beschreven in de aanvraag in niet meer dan 3 % van de in het referentiejaar 2009 geregistreerde nieuwe personenauto's is toegepast. |
|
(6) |
Om te bepalen welke CO2-besparingen deze innoverende technologie bij montage in een voertuig zal opleveren, moet overeenkomstig de artikelen 5 en 8 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 het basisvoertuig worden gedefinieerd waarmee de doelmatigheid van het met de innoverende technologie uitgeruste voertuig wordt vergeleken. De Commissie is van oordeel dat een alternator met een rendement van 67 % als passende basistechnologie kan gelden wanneer de innoverende technologie op een nieuw voertuigtype wordt gemonteerd. Indien de efficiënte alternator MELCO GXi in een bestaand voertuigtype wordt gemonteerd, moet de meest recente in de handel gebrachte versie van dat type alternator als basistechnologie worden genomen. |
|
(7) |
De aanvrager heeft een testmethode voor de CO2-reducties voorgelegd die formules bevat die consistent zijn met de in de technische richtsnoeren beschreven formules voor de vereenvoudigde benadering met betrekking tot efficiënte alternatoren. De Commissie is van oordeel dat de testmethode verifieerbare, reproduceerbare en vergelijkbare resultaten zal opleveren en dat de methode de CO2-emissievoordelen van de innoverende technologie op realistische wijze en met een sterke statistische significantie kan aantonen, overeenkomstig artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011. |
|
(8) |
De aanvrager heeft een methode verstrekt om de CO2-vermindering te testen; die methode omvat formules die gebaseerd zijn op de technische richtsnoeren met betrekking tot efficiënte alternatoren. De Commissie stelt vast dat de testmethode en de formules voor de berekening van de CO2-besparingen van de aanvrager in alle opzichten identiek zijn aan de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2013/341/EU van de Commissie (5) gespecificeerde methode. Bijgevolg meent de Commissie dat de in Uitvoeringsbesluit 2013/341/EU gespecificeerde methode moet worden gebruikt om te bepalen hoezeer de CO2-uitstoot wordt verlaagd als gevolg van het gebruik van de efficiënte alternator MELCO GXi. |
|
(9) |
Tegen die achtergrond is de Commissie van oordeel dat de aanvrager afdoende heeft aangetoond dat de door de innoverende technologie bereikte emissiereductie ten minste 1 g CO2/km bedraagt. |
|
(10) |
De Commissie merkt op dat de uit de innoverende technologie voortvloeiende besparingen deels op de standaardtestcyclus mogen worden aangetoond en dat de te certificeren definitieve totale besparingen derhalve overeenkomstig artikel 8, lid 2, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 moeten worden bepaald. |
|
(11) |
De Commissie stelt vast dat het verificatierapport door UTAC (Groupe UTAC CERAM) is opgesteld en dat het de conclusies ondersteunt die in de aanvraag zijn uiteengezet. |
|
(12) |
Tegen die achtergrond moet er volgens de Commissie geen bezwaar worden gemaakt tegen de goedkeuring van de innoverende technologie in kwestie. |
|
(13) |
Om de algemene eco-innovatiecode vast te stellen die overeenkomstig de bijlagen I, VIII en IX bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumenten moet worden vermeld, moet voor de bij dit besluit goedgekeurde innoverende technologie de individuele code worden gespecificeerd. |
|
(14) |
Fabrikanten die de CO2-besparingen die uit de toepassing van de bij dit besluit goedgekeurde innoverende technologie voortvloeien willen aanwenden voor een verlaging van hun gemiddelde specifieke CO2-emissies om zo hun specifieke emissiedoelstellingen te verwezenlijken, moeten overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 in hun aanvraag voor een EG-typegoedkeuringscertificaat voor de betrokken voertuigen naar dit besluit verwijzen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De efficiënte alternator Mitsubishi Electric Corporation GXi die een hoger rendement heeft doordat drie verschillende verliezen worden beperkt en die bestemd is voor gebruik in voertuigen van categorie M1, wordt goedgekeurd als innoverende technologie in de zin van artikel 12 van Verordening (EG) nr. 443/2009.
2. De reductie van de CO2-emissies door het gebruik van de in lid 1 genoemde alternator wordt bepaald volgens de in de bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2013/341/EU beschreven methode.
3. Overeenkomstig artikel 11, lid 2, tweede alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 mag de overeenkomstig lid 2 van dit artikel vastgestelde CO2-emissiereductie slechts worden gecertificeerd en in het certificaat van overeenstemming en de desbetreffende typegoedkeuringsdocumentatie zoals omschreven in de bijlagen I, VIII en IX bij Richtlijn 2007/46/EG worden opgenomen als de reductie gelijk is aan of meer is dan de in artikel 9, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 vastgestelde drempelwaarde.
4. De individuele eco-innovatiecode die moet worden vermeld in de typegoedkeuringsdocumentatie voor de bij dit besluit goedgekeurde innoverende technologie is „12”.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 24 februari 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.
(2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 van de Commissie van 25 juli 2011 tot vaststelling van een procedure voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 194 van 26.7.2011, blz. 19).
(3) http://ec.europa.eu/clima/policies/transport/vehicles/cars/docs/guidelines_en.pdf
(4) ISO 8854 Road vehicles — Alternators with regulators — Test methods and general requirements. Referentienummer: ISO 8854:2012(E).
(5) Uitvoeringsbesluit 2013/341/EU van de Commissie van 27 juni 2013 betreffende de goedkeuring van de Valeo Efficient Generation Alternator als innoverende technologie ter beperking van de CO2-emissies van personenauto's uit hoofde van Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 179 van 29.6.2013, blz. 98).
(6) Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1).
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/14 |
UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/296 VAN DE COMMISSIE
van 24 februari 2015
tot vaststelling van procedurele voorschriften betreffende de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van elektronische identificatie overeenkomstig artikel 12, lid 7, van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (1), en met name artikel 12, lid 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de interoperabiliteit en veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie is essentieel om tot een hoog en op het risiconiveau afgestemd niveau van vertrouwen en veiligheid te komen. |
|
(2) |
In artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 is bepaald dat de aanmeldende lidstaat ten minste zes maanden voor de aanmelding de andere lidstaten een beschrijving van dat stelsel moet verstrekken, zodat de lidstaten kunnen samenwerken op de in artikel 12, lid 5, van Verordening (EU) nr. 910/2014 vastgestelde wijze. |
|
(3) |
Om tot samenwerking tussen de lidstaten te komen, zijn vereenvoudigde procedures noodzakelijk. Interoperabiliteit en veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie kunnen niet tot stand worden gebracht door middel van procedures die in verschillende talen worden doorlopen. Het gebruik van het Engels bij de samenwerking zou de interoperabiliteit en veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie moeten vergemakkelijken; de vertaling van de bestaande documentatie zou echter geen onredelijke last tot gevolg mogen hebben. |
|
(4) |
De uiteenlopende elementen van de stelsels voor elektronische identificatie worden beheerd door verschillende autoriteiten en organen in de lidstaten. Om doeltreffende samenwerking mogelijk te maken en de administratieve procedures te vereenvoudigen, is het passend ervoor te zorgen dat elke lidstaat over een centraal contactpunt beschikt dat dient om de desbetreffende autoriteiten en organen te bereiken. |
|
(5) |
Door de uitwisseling tussen de lidstaten van informatie, ervaring en goede werkwijzen wordt de ontwikkeling van stelsels voor elektronische identificatie bevorderd en worden er stappen in de richting van technische interoperabiliteit gezet. Dergelijke samenwerking is met name noodzakelijk bij de aanpassing van reeds aangemelde stelsels voor elektronische identificatie, bij wijzigingen van stelsels voor elektronische identificatie waarover voorafgaand aan de aanmelding informatie aan de lidstaten is verstrekt en bij belangrijke ontwikkelingen of incidenten die van invloed kunnen zijn op de interoperabiliteit of de veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie. De lidstaten moeten ook de mogelijkheid hebben om andere lidstaten te verzoeken om dergelijke informatie over de interoperabiliteit en veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie. |
|
(6) |
De onderlinge evaluatie door vakgenoten van stelsels voor elektronische identificatie moet worden beschouwd als wederzijds leerproces dat ertoe bijdraagt het vertrouwen tussen de lidstaten te versterken. Verder worden hierdoor de interoperabiliteit en de veiligheid van aangemelde stelsels voor elektronische identificatie gewaarborgd. Hiervoor is het noodzakelijk dat de aanmeldende lidstaten voldoende informatie betreffende hun stelsels voor elektronische identificatie verstrekken. Er moet echter ook rekening mee worden gehouden dat de lidstaten bepaalde informatie vertrouwelijk moeten houden indien dat van kritiek belang voor de veiligheid is. |
|
(7) |
Om ervoor te zorgen dat de onderlinge evaluatie kostenefficiënt is, duidelijke en deugdelijke resultaten oplevert en geen onnodige belasting van de lidstaten tot gevolg heeft, dienen de lidstaten gezamenlijk een centrale onderlinge evaluatie uit te voeren. |
|
(8) |
De lidstaten dienen bij de samenwerking op het gebied van stelsels voor elektronische identificatie, alsmede bij de uitvoering van onderlinge evaluaties, ook rekening te houden met beoordelingen door derde partijen, voor zover beschikbaar. |
|
(9) |
Om de op het bereiken van de doelstelling van artikel 12, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 910/2014 gerichte procedurele voorschriften te bevorderen, dient er een samenwerkingsnetwerk te worden opgericht. Het doel hiervan is te zorgen voor een forum waaraan alle lidstaten kunnen deelnemen en waarop zij op geformaliseerde wijze kunnen samenwerken wat betreft de praktische aspecten van het onderhoud van het interoperabiliteitskader. |
|
(10) |
Het samenwerkingsnetwerk moet de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 verstrekte ontwerpaanmeldingen onderzoeken en adviezen geven in hoeverre de omschreven stelsels voldoen aan de vereisten van artikel 7, artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 12, lid 1, van die verordening en van de in artikel 8, lid 3, van die verordening bedoelde uitvoeringshandeling. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 910/2014 moeten de lidstaten een beschrijving verstrekken van de manier waarop het aangemelde stelsel voor elektronische identificatie voldoet aan de in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 vastgestelde vereisten inzake interoperabiliteit. Met name dienen de lidstaten rekening te houden met de adviezen van het samenwerkingsnetwerk bij het naleven van hun verplichting overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 910/2014, om aan de Commissie een beschrijving te verstrekken van de manier waarop het aangemelde stelsel voor elektronische identificatie voldoet aan de in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 vastgestelde vereisten inzake interoperabiliteit. |
|
(11) |
Alle partijen die bij de aanmelding zijn betrokken, dienen het advies van het samenwerkingsnetwerk te gebruiken als leidraad voor het verwezenlijken van volledige samenwerkings-, aanmeldings- en interoperabiliteitsprocessen. |
|
(12) |
Om ervoor te zorgen dat de onderlinge evaluatie krachtens dit besluit doeltreffend wordt uitgevoerd, is het passend dat het samenwerkingsnetwerk richtsnoeren aan de lidstaten verstrekt. |
|
(13) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 48 van Verordening (EU) nr. 910/2014, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
HOOFDSTUK I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Doelstelling
Overeenkomstig artikel 12, lid 7, van de verordening, worden bij dit besluit de procedurele voorschriften vastgesteld om de samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken, teneinde de interoperabiliteit en veiligheid te waarborgen van stelsels voor elektronische identificatie die de lidstaten bij de Commissie hebben aangemeld of die zij voornemens zijn aan te melden. Deze voorschriften hebben met name betrekking op:
|
a) |
uitwisseling van informatie, ervaring en goede werkwijzen betreffende stelsels voor elektronische identificatie, en onderzoek naar ontwikkelingen ter zake in de sector van de elektronische identificatie overeenkomstig hoofdstuk II; |
|
b) |
onderlinge evaluatie van stelsels voor elektronische identificatie overeenkomstig hoofdstuk III, en |
|
c) |
samenwerking in het kader van het samenwerkingsnetwerk overeenkomstig hoofdstuk IV. |
Artikel 2
Taal waarin de samenwerking plaatsvindt
1. De taal waarin de samenwerking plaatsvindt, is Engels, tenzij de betrokken lidstaten anders overeenkomen.
2. Onverminderd lid 1 zijn de lidstaten niet verplicht de in artikel 10, lid 2, bedoelde ondersteunende documenten te vertalen, indien dat een onredelijke last met zich meebrengt.
Artikel 3
Eén loket
1. Teneinde de samenwerking tussen de lidstaten overeenkomstig artikel 12, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 910/2014 tot stand te brengen, wijst elke lidstaat één loket aan.
2. Elke lidstaat verstrekt informatie over dit loket aan de andere lidstaten en de Commissie. De Commissie publiceert op internet een lijst van de loketten.
HOOFDSTUK II
UITWISSELING VAN INFORMATIE, ERVARING EN GOEDE WERKWIJZEN
Artikel 4
Uitwisseling van informatie, ervaring en goede werkwijzen
1. De lidstaten wisselen onderling informatie, ervaring en goede werkwijzen betreffende stelsels voor elektronische identificatie uit.
2. Elke lidstaat licht de andere lidstaten dienovereenkomstig in indien hij de volgende wijzigingen, ontwikkelingen of aanpassingen uitvoert die gerelateerd zijn aan de interoperabiliteit of de betrouwbaarheidsniveaus van het stelsel:
|
a) |
ontwikkelingen of aanpassingen aan zijn reeds aangemelde stelsel voor elektronische identificatie, voor zover deze overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 niet hoeven te worden aangemeld; |
|
b) |
wijzigingen, ontwikkelingen of aanpassingen aan de overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 verstrekte beschrijving van het stelsel voor elektronische identificatie, voor zover deze voorafgaand aan de aanmelding hebben plaatsgevonden. |
3. Indien een lidstaat constateert dat er belangrijke ontwikkelingen of incidenten hebben plaatsgevonden die niet gerelateerd zijn aan zijn aangemelde stelsel voor elektronische identificatie, maar die van invloed kunnen zijn op de veiligheid van andere stelsels voor elektronische identificatie, licht de lidstaat de andere lidstaten daarover in.
Artikel 5
Verzoek om informatie betreffende interoperabiliteit en veiligheid
1. Wanneer een lidstaat van mening is dat het, om de interoperabiliteit tussen de stelsels voor elektronische identificatie te garanderen, nodig is om over meer informatie te beschikken, en die informatie nog niet is verstrekt door de lidstaat die het stelsel voor elektronische identificatie heeft aangemeld, mag eerstgenoemde lidstaat van laatstgenoemde dergelijke informatie vragen. De aanmeldende lidstaat verstrekt die informatie, tenzij:
|
a) |
hij niet over die informatie beschikt en het verkrijgen daarvan een onredelijke administratieve last zou veroorzaken; |
|
b) |
die informatie aangelegenheden van openbare of nationale veiligheid betreft; |
|
c) |
die informatie bedrijfs- of beroepsgeheimen betreft. |
2. Om de veiligheid van de stelsels voor elektronische identificatie te verbeteren, mag een lidstaat die twijfels heeft ten aanzien van de veiligheid van een aangemeld stelsel of van een stelsel waarvoor de aanmeldingsprocedure loopt, daarover informatie opvragen. De bevraagde lidstaat verstrekt vervolgens aan alle lidstaten de betrokken gevraagde informatie om vast te stellen of sprake is van een inbreuk op de beveiliging als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 910/2014, of om vast te stellen of er een reëel risico is dat een dergelijke inbreuk zich zal voordoen, tenzij:
|
a) |
hij niet over die informatie beschikt en het verkrijgen daarvan een onredelijke administratieve last zou veroorzaken; |
|
b) |
die informatie aangelegenheden van openbare of nationale veiligheid betreft; |
|
c) |
die informatie bedrijfs- of beroepsgeheimen betreft. |
Artikel 6
Uitwisseling van informatie via één loket
De lidstaten wisselen informatie uit over de artikelen 4 en 5 via hun loketten en leveren de relevante informatie onverwijld.
HOOFDSTUK III
ONDERLINGE EVALUATIE
Artikel 7
Beginselen
1. Onderlinge evaluatie is een mechanisme voor samenwerking tussen lidstaten dat erop gericht is de interoperabiliteit en de veiligheid van de aangemelde stelsels voor elektronische evaluatie te garanderen.
2. Deelname van de lidstaten aan onderlinge evaluatie gebeurt op basis van vrijwilligheid. lidstaten waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie wordt onderworpen, mogen de deelname van onderling evaluerende lidstaten aan het proces van onderlinge evaluatie niet weigeren.
3. Iedere bij het proces van onderlinge evaluatie betrokken lidstaat draagt zelf de kosten die hij maakt als gevolg van deelname aan dit proces.
4. Alle door het proces van onderlinge evaluatie verkregen informatie wordt uitsluitend voor dit doel gebruikt. Vertegenwoordigers van de lidstaten die de onderlinge evaluatie uitvoeren, maken gevoelige of vertrouwelijke informatie die zij tijdens de onderlinge evaluatie hebben verkregen, niet bekend aan derden.
5. Onderling evaluerende lidstaten maken ieder mogelijk belangenconflict van door hen voor deelname aan de onderlinge evaluaties benoemde vertegenwoordigers bekend.
Artikel 8
Begin van het proces van onderlinge evaluatie
1. Het proces van onderlinge evaluatie kan op een van de volgende twee manieren worden begonnen:
|
a) |
een lidstaat verzoekt om onderlinge evaluatie van zijn stelsel voor elektronische identificatie; |
|
b) |
een of meer lidstaten geven te kennen het stelsel voor elektronische identificatie van een andere lidstaat onderling te willen evalueren. In hun verzoek geven zij de redenen aan waarom zij deze onderlinge evaluatie willen uitvoeren en leggen zij uit hoe de onderlinge evaluatie zou bijdragen aan de interoperabiliteit of de veiligheid van de stelsels voor elektronische identificatie van lidstaten. |
2. Een verzoek op grond van lid 1 wordt overeenkomstig lid 3 aan het samenwerkingsnetwerk medegedeeld. lidstaten die van plan zijn deel te nemen aan de onderlinge evaluatie delen dit binnen een maand mee aan het samenwerkingsnetwerk.
3. De lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan een onderlinge evaluatie moet worden onderworpen, verstrekt het samenwerkingsnetwerk de volgende informatie:
|
a) |
het stelsel voor elektronische identificatie dat aan een onderlinge evaluatie moet worden onderworpen; |
|
b) |
de onderling evaluerende lidstaat of lidstaten; |
|
c) |
de termijn waarop de verwachte uitkomst aan het samenwerkingsnetwerk moet worden voorgelegd, en |
|
d) |
de voorschriften over de manier waarop de onderlinge evaluatie overeenkomstig artikel 9, lid 2, wordt uitgevoerd. |
4. Een stelsel voor elektronische identificatie wordt niet binnen twee jaar na een onderlinge evaluatie opnieuw aan een onderlinge evaluatie onderworpen, tenzij het samenwerkingsnetwerk daartoe besluit.
Artikel 9
Voorbereiding van de onderlinge evaluatie
1. De onderling evaluerende lidstaten verstrekken de lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie wordt onderworpen, binnen twee weken nadat de onderling evaluerende lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 2, hebben meegedeeld van plan te zijn aan de onderlinge evaluatie deel te nemen, de namen en contactgegevens van hun vertegenwoordigers die de onderlinge evaluatie uitvoeren. lidstaten waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie wordt onderworpen, mogen, in het geval van een belangenconflict, de deelname van vertegenwoordigers aan het proces van onderlinge evaluatie weigeren.
2. Rekening houdend met de richtsnoeren die door het samenwerkingsnetwerk worden verstrekt, komen de lidstaat waarvan het stelsel van elektronische identificatie aan een onderlinge evaluatie wordt onderworpen en de onderling evaluerende lidstaten tot overeenstemming over:
|
a) |
de werkingssfeer en de voorschriften van de onderlinge evaluatie op basis van zowel de werkingssfeer van artikel 7, onder g) of artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 als de belangstelling waarvan in de beginfase blijk is gegeven door de onderling evaluerende lidstaten; |
|
b) |
het tijdsschema van de activiteiten in verband met de onderlinge evaluaties, door een maximale termijn vast te stellen die niet meer mag bedragen dan drie maanden nadat de onderling evaluerende lidstaten overeenkomstig lid 1 de namen en contactgegevens van hun vertegenwoordigers hebben verstrekt; |
|
c) |
andere organisatorische voorschriften in verband met het proces van onderlinge evaluatie. De lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie moet worden onderworpen, informeert het samenwerkingsnetwerk over hetgeen is overeengekomen. |
Artikel 10
Uitvoering van de onderlinge evaluatie
1. De betrokken lidstaten voeren de onderlinge evaluatie gezamenlijk uit. De vertegenwoordigers van de lidstaten kiezen uit hun midden één vertegenwoordiger om de onderlinge evaluatie te coördineren.
2. De lidstaten waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie wordt onderworpen, verstrekken de onderling evaluerende lidstaten het aanmeldingsformulier dat bij de Commissie is ingediend, of een beschrijving van het stelsel overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014, als het betrokken stelsel voor elektronische identificatie nog niet is aangemeld. Alle ondersteunende documenten en aanvullende relevante gegevens worden ook verstrekt.
3. Onderlinge evaluatie kan een of meer van de volgende maatregelen omvatten, maar hoeft niet daartoe te worden beperkt:
|
a) |
de evaluatie van relevante documentatie; |
|
b) |
onderzoek van processen; |
|
c) |
technische seminars, en |
|
d) |
overweging van een beoordeling door een onafhankelijke derde. |
4. De onderling evaluerende lidstaten mogen vragen om extra documentatie in verband met de kennisgeving. De lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan een onderlinge evaluatie wordt onderworpen, verstrekt die informatie, tenzij:
|
a) |
hij niet over die informatie beschikt en het verkrijgen daarvan een onredelijke administratieve last zou veroorzaken; |
|
b) |
die informatie aangelegenheden van openbare of nationale veiligheid betreft; |
|
c) |
die informatie bedrijfs- of beroepsgeheimen betreft. |
Artikel 11
Uitkomst van de onderlinge evaluatie
De onderling evaluerende lidstaten stellen binnen één maand na het einde van het proces van onderlinge evaluatie een verslag op en dienen dat in bij het samenwerkingsnetwerk. Leden van het samenwerkingsnetwerk kunnen aanvullende informatie of verduidelijking vragen van de lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie is onderworpen, of van de onderling evaluerende lidstaten.
HOOFDSTUK IV
HET SAMENWERKINGSNETWERK
Artikel 12
Oprichting en werkmethoden
Er wordt een netwerk opgericht om de samenwerking overeenkomstig artikel 12, leden 5 en 6 van Verordening (EU) nr. 910/2014 te bevorderen (hierna „het samenwerkingsnetwerk” genoemd). Het samenwerkingsnetwerk voert zijn werkzaamheden uit door middel van vergaderingen en schriftelijke procedures.
Artikel 13
Ontwerp van het aanmeldingsformulier
Wanneer de aanmeldende lidstaat de beschrijving van zijn stelsel voor elektronische identificatie verstrekt overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 verstrekt hij aan het samenwerkingsnetwerk het naar behoren ingevulde ontwerp van het aanmeldingsformulier en alle noodzakelijke begeleidende documentatie als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 en in de in artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 910/2014 bedoelde uitvoeringshandeling.
Artikel 14
Taken
Het samenwerkingsnetwerk wordt gemachtigd om:
|
a) |
de samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de opzet en het functioneren van het interoperabiliteitskader overeenkomstig artikel 12, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 910/2014 te vergemakkelijken door de uitwisseling van informatie; |
|
b) |
methoden vast te stellen voor de efficiënte uitwisseling van informatie met betrekking tot alle aangelegenheden in verband met elektronische identificatie; |
|
c) |
de relevante ontwikkelingen in de sector van de elektronische identificatie te onderzoeken en goede werkwijzen inzake interoperabiliteit en beveiliging van stelsels voor elektronische identificatie te bespreken en te ontwikkelen; |
|
d) |
adviezen vast te stellen ten aanzien van ontwikkelingen in verband met het in artikel 12, leden 2, 3 en 4 van Verordening (EU) nr. 910/2014 bedoelde interoperabiliteitskader; |
|
e) |
adviezen vast te stellen ten aanzien van ontwikkelingen op het gebied van de minimale technische specificaties, normen en procedures betreffende betrouwbaarheidsniveaus die zijn vastgesteld in de uitvoeringshandeling die overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 910/2014 is vastgesteld, en de richtsnoeren waarvan die uitvoeringshandeling vergezeld gaat; |
|
f) |
richtsnoeren vast te stellen over de werkingssfeer van de onderlinge evaluatie en de voorschriften daarvoor; |
|
g) |
de uitkomst te onderzoeken van de onderlinge evaluaties overeenkomstig artikel 11; |
|
h) |
het ingevulde ontwerpaanmeldingsformulier te onderzoeken; |
|
i) |
adviezen vast te stellen over de wijze waarop een aan te melden stelsel voor elektronische identificatie waarvan de beschrijving overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 is verstrekt, voldoet aan de eisen van artikel 7, artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 12, lid 1, van die verordening en de in artikel 8, lid 3, van die verordening bedoelde uitvoeringshandeling. |
Artikel 15
Lidmaatschap
1. De lidstaten en de landen van de Europese Economische Ruimte zijn lid van het samenwerkingsnetwerk.
2. Vertegenwoordigers van toetredende landen worden door de voorzitter uitgenodigd om de vergaderingen van het samenwerkingsnetwerk als waarnemers bij te wonen met ingang van de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag.
3. De voorzitter kan deskundigen van buiten het samenwerkingsnetwerk die een specifieke competentie hebben op het gebied van een onderwerp dat op de agenda staat, uitnodigen om, na overleg met het samenwerkingsnetwerk, ad hoc deel te nemen aan de werkzaamheden van het samenwerkingsnetwerk of een subgroep daarvan. Daarnaast kan de voorzitter, na overleg met het samenwerkingsnetwerk, de status van waarnemer verlenen aan personen en organisaties.
Artikel 16
Werking
1. De vergaderingen van het samenwerkingsnetwerk worden door de Commissie voorgezeten.
2. In overleg met de Commissie kan het samenwerkingsnetwerk subgroepen oprichten om specifieke vragen te onderzoeken op basis van een mandaat dat door het samenwerkingsnetwerk wordt vastgesteld. Dergelijke subgroepen worden opgeheven zodra hun opdracht is vervuld.
3. De leden van het samenwerkingsnetwerk, alsook gastdeskundigen en waarnemers, zijn onderworpen aan de bij de Verdragen en de uitvoeringsregels ervan vastgestelde verplichting tot geheimhouding, alsook aan de veiligheidsvoorschriften van de Commissie betreffende de bescherming van gerubriceerde EU-informatie die zijn neergelegd in de bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie (2). Bij niet-nakoming van die verplichtingen mag de Commissie alle passende maatregelen nemen.
4. Het samenwerkingsnetwerk houdt zijn vergaderingen in de gebouwen van de Commissie. De diensten van de Commissie verzorgen het secretariaat.
5. Het samenwerkingsnetwerk maakt zijn overeenkomstig artikel 14, onder i), vastgestelde adviezen bekend op een speciale website. Wanneer een dergelijk advies vertrouwelijke informatie bevat, keurt het samenwerkingsnetwerk een niet-vertrouwelijke versie van dat advies goed voor publicatie.
6. Het samenwerkingsnetwerk stelt met gewone meerderheid van zijn leden zijn reglement van orde vast.
Artikel 17
Kosten van vergaderingen
1. De Commissie biedt degenen die betrokken zijn bij de activiteiten van het samenwerkingsnetwerk geen vergoeding voor hun diensten.
2. De reiskosten van de deelnemers aan de vergaderingen van het samenwerkingsnetwerk kunnen door de Commissie worden vergoed. Vergoeding vindt plaats overeenkomstig de binnen de Commissie geldende bepalingen en binnen de grenzen van de beschikbare kredieten die aan de diensten van de Commissie zijn toegewezen op grond van de jaarlijkse procedure voor de toewijzing van middelen.
Artikel 18
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 24 februari 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73.
(2) Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde (PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1).
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/21 |
BESLUIT (EU) 2015/297 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 15 december 2014
tot wijziging van Besluit ECB/2010/23 inzake de toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (ECB/2014/56)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 32.2 en artikel 32.7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit ECB/2010/23 (1) voert een mechanisme in voor pooling en toedeling van monetaire inkomsten uit monetairbeleidstransacties. |
|
(2) |
Gezien Besluit ECB/2014/40 (2) en Besluit ECB/2014/45 (3) moeten de voor oormerking in aanmerking komende activa aangepast worden om rekening te houden met het bedrag van gerealiseerde winsten en gerealiseerde verliezen die resulteren uit de overdracht van voor monetairbeleidsdoeleinden aangehouden effecten, zulks voor de periode van de overdracht tot het volgende kwartaalultimo. |
|
(3) |
Gezien pooling van de opgebouwde interest op monetairbeleidstransacties met een looptijd van een jaar of langer voor de inning aan het einde van de transactie, moet de berekening van de referentiepassiva en voor oormerking in aanmerking komende activa krachtens de bijlagen I en II bij Besluit ECB/2010/23 aangepast worden. |
|
(4) |
Besluit ECB/2010/23 moet derhalve dienovereenkomstig gewijzigd worden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging
Bijlagen I en II bij Besluit ECB/2010/23 worden respectievelijk vervangen door de tekst in de bijlagen I en II bij dit besluit.
Artikel 2
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt op 31 december 2014 in werking.
Gedaan te Frankfurt am Main, 15 december 2014.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) Besluit ECB/2010/23 van 25 november 2010 inzake de toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (PB L 35 van 9.2.2011, blz. 17).
(2) Besluit ECB/2014/40 van 15 oktober 2014 houdende de tenuitvoerlegging van het derde programma voor de aankoop van gedekte obligaties (PB L 335 van 22.11.2014, blz. 22).
(3) Besluit (EU) 2015/5 van de Europese Centrale Bank van 19 november 2014 houdende de tenuitvoerlegging van het programma voor de aankoop van effecten op onderpand van activa (ECB/2014/45) (PB L 1 van 6.1.2015, blz. 4).
BIJLAGE I
„BIJLAGE I
SAMENSTELLING VAN DE REFERENTIEPASSIVA
|
A. |
De referentiepassiva omvatten uitsluitend:
|
|
B. |
Het bedrag van de referentiepassiva van elke NCB wordt berekend overeenkomstig de geharmoniseerde grondslagen en regels inzake administratieve verantwoording en verslaglegging zoals vastgelegd in Richtsnoer ECB/2010/20. |
(1) Richtsnoer ECB/2011/14 van 20 september 2011 betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (PB L 331 van 14.12.2011, blz. 1).” ”
BIJLAGE II
„BIJLAGE II
TE OORMERKEN ACTIVA
|
A. |
Te oormerken activa omvatten uitsluitend:
|
|
B. |
De waarde van de te oormerken activa van elke NCB wordt berekend overeenkomstig de geharmoniseerde grondslagen en regels inzake administratieve verantwoording en verslaglegging zoals vastgelegd in Richtsnoer ECB/2010/20.” |
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/24 |
BESLUIT (EU) 2015/298 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 15 december 2014
inzake de tussentijdse verdeling van de inkomsten van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/57)
(herschikking)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, en met name artikel 33,
Overwegende:
|
(1) |
Besluit ECB/2010/24 (1) bepaalt hoe de Europese Centrale Bank (ECB) aan de NCB's verdeelt: a) haar in de loop van elk boekjaar verkregen inkomsten uit bankbiljetten in omloop, en b) haar in de loop van elk boekjaar verkregen inkomsten uit effecten die zijn aangekocht uit hoofde van het programma voor de effectenmarkten (SMP). |
|
(2) |
Besluit ECB/2010/24 moet gewijzigd worden om rekening te houden met de tussentijdse verdeling van de inkomsten van de ECB uit de aankoop van gedekte obligaties en effecten op onderpand van activa overeenkomstig Besluit ECB/2014/40 (2) en Besluit ECB/2014/45 (3). Voor de duidelijkheid moet het besluit derhalve herschikt worden. |
|
(3) |
Besluit ECB/2010/29 (4) stelt de toedeling van in omloop zijnde eurobankbiljetten aan de NCB's vast naar rato van hun gestorte aandeel in het ECB-kapitaal. Artikel 4 van Besluit ECB/2010/29 en de bijlage bij dat besluit delen 8 % van de totale waarde van in omloop zijnde eurobankbiljetten toe aan de ECB. Binnen het Eurosysteem houdt de ECB vorderingen ter waarde van de door haar uitgegeven eurobankbiljetten op de NCB's naar rato van hun aandeel in de verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal. |
|
(4) |
Ingevolge artikel 2, lid 2, van Besluit ECB/2010/23 (5) is de op de vergoeding van tegoeden binnen het Eurosysteem toepasselijke rente de referentierente. Ingevolge artikel 2, lid 3, van Besluit ECB/2010/23 wordt deze vergoeding door middel van betalingen via het Target2-systeem verrekend. |
|
(5) |
Overweging 7 van Besluit ECB/2010/23 bepaalt dat de inkomsten die de ECB in verband met haar aandeel in eurobankbiljetten in omloop verkrijgt uit de rentevergoeding op haar vorderingen binnen het Eurosysteem op NCB's in beginsel in hetzelfde boekjaar waarin de inkomsten worden verkregen, aan de NCB's uitgedeeld moeten worden naar rato van hun aandeel in de verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal. |
|
(6) |
Ook de ECB-inkomsten uit krachtens het SMP, het derde aankoopprogramma voor gedekte obligaties („CBPP3”) en het aankoopprogramma voor effecten op onderpand van activa („ABSPP”) aangekochte effecten, moeten in beginsel in hetzelfde boekjaar waarin de inkomsten worden verkregen aan de NCB's uitgedeeld worden naar rato van hun aandeel in de verdeelsleutel voor het geplaatste kapitaal. |
|
(7) |
Bij het verdelen van de inkomsten die de ECB in verband met haar aandeel in omloop zijnde eurobankbiljetten verkrijgt uit de rentevergoeding van haar vorderingen binnen het Eurosysteem op NCB's, moet de ECB een raming van haar financieel resultaat voor het betreffende jaar in aanmerking nemen, rekening houdende met de noodzaak middelen toe te delen aan een voorziening voor wisselkoers-, rente- en goudprijsrisico's, en tevens rekening houdende met de beschikbaarheid van voorzieningen die kunnen worden aangewend ter verrekening van verwachte onkosten. |
|
(8) |
Voor de vaststelling van het bedrag van de ECB-nettowinst dat krachtens artikel 33.1 van de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank („ESCB-statuten”) overgedragen moet worden naar het algemeen reservefonds, moet de Raad van bestuur rekening houden met het feit dat enig deel van die winst dat gelijk is aan de inkomsten uit in omloop zijnde eurobankbiljetten en inkomsten uit krachtens het SMP, het CBPP3 en het ABSPP aangekochte effecten volledig onder de NCB's verdeeld moeten worden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
In dit besluit wordt bedoeld met:
a) „NCB”: de nationale centrale bank van een eurogebiedlidstaat;
b) „tegoeden binnen het Eurosysteem betreffende in omloop zijnde eurobankbiljetten”: de vorderingen en verplichtingen tussen een NCB en de ECB en tussen een NCB en de overige NCB's die voortvloeien uit de toepassing van artikel 4 van Besluit ECB/2010/29;
c) „inkomsten van de ECB uit in omloop zijnde eurobankbiljetten”: de inkomsten die de ECB in verband met haar aandeel in in omloop zijnde eurobankbiljetten verkrijgt uit de rentevergoeding van haar vorderingen binnen het Eurosysteem op NCB's als gevolg van de toepassing van artikel 2 van Besluit ECB/2010/23;
d) „ECB-inkomsten uit effecten”: de netto-inkomsten uit aankopen door de ECB van i) effecten krachtens het SMP overeenkomstig Besluit ECB/2010/5 (6), ii) gedekte obligaties krachtens het CBPP3 overeenkomstig Besluit ECB/2014/40, en iii) effecten op onderpand van activa krachtens het ABSPP overeenkomstig Besluit ECB/2014/45.
Artikel 2
Tussentijdse verdeling van de ECB-inkomsten uit eurobankbiljetten in omloop en de ECB-inkomsten uit effecten
1. De ECB-inkomsten uit in omloop zijnde eurobankbiljetten en de ECB-inkomsten uit effecten zijn volledig verschuldigd aan de NCB's in hetzelfde boekjaar waarin de inkomsten worden verkregen, en worden onder de NCB's naar rato van hun gestorte aandelen in het geplaatste kapitaal van de ECB verdeeld.
2. Tenzij de Raad van bestuur anderszins besluit, verdeelt de ECB haar in de loop van elk boekjaar verkregen inkomsten uit eurobankbiljetten in omloop en haar inkomsten uit effecten in elk boekjaar op de laatste werkdag van januari van het volgende jaar.
3. Overeenkomstig enig besluit van de Raad van bestuur op basis van de ESCB-statuten kunnen de inkomsten van de ECB uit in omloop zijnde eurobankbiljetten worden verminderd met door de ECB in verband met de uitgifte en verwerking van eurobankbiljetten gemaakte kosten.
Artikel 3
Afwijking van artikel 2
In afwijking van artikel 2 besluit de Raad van bestuur voor het einde van het boekjaar of de in dat artikel bedoelde ECB-inkomsten geheel of gedeeltelijk voor zover noodzakelijk ingehouden moeten worden om te waarborgen dat het bedrag van de verdeelde inkomsten niet hoger uitvalt dan de ECB-nettowinst van dat jaar. Elke beslissing van dien aard neemt de Raad van bestuur indien zij op basis van een door de directie opgestelde met redenen omklede raming verwacht dat de ECB over het gehele jaar genomen verlies zal lijden of een netto jaarwinst zal behalen die lager is dan haar in artikel 2 geraamde inkomsten. De Raad van bestuur kan voor het einde van het boekjaar besluiten de in dat artikel bedoelde ECB-inkomsten geheel of gedeeltelijk over te dragen naar een voorziening voor wisselkoers-, rente- en goudprijsrisico's.
Artikel 4
Inwerkingtreding en intrekking
1. Dit besluit treedt op woensdag 31 december 2014 in werking.
2. Besluit ECB/2010/24 wordt met ingang van 31 december 2014 ingetrokken.
3. Verwijzingen naar Besluit ECB/2010/24 gelden als verwijzingen naar dit besluit.
Gedaan te Frankfurt am Main, 15 december 2014.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) Besluit ECB/2010/24 van 25 november 2010 inzake de tussentijdse verdeling van de inkomsten van de Europese Centrale Bank uit in omloop zijnde eurobankbiljetten en uit waardepapieren die zijn aangekocht uit hoofde van het programma voor de effectenmarkten (PB L 6 van 11.1.2011, blz. 35).
(2) Besluit ECB/2014/40 van 15 oktober 2014 houdende de tenuitvoerlegging van het derde programma voor de aankoop van gedekte obligaties (PB L 335 van 22.11.2014, blz. 22).
(3) Besluit (EU) 2015/5 van de Europese Centrale Bank van 19 november 2014 houdende de tenuitvoerlegging van het programma voor de aankoop van effecten op onderpand van activa (ECB/2014/45) (PB L 1 van 6.1.2015, blz. 4).
(4) Besluit ECB/2010/29 van 13 december 2010 betreffende de uitgifte van eurobankbiljetten (PB L 35 van 9.2.2011, blz. 26).
(5) Besluit ECB/2010/23 van 25 november 2010 inzake de toedeling van monetaire inkomsten van de nationale centrale banken van lidstaten die de euro als munt hebben (PB L 35 van 9.2.2011, blz. 17).
(6) Besluit ECB/2010/5 van 14 mei 2010 houdende vaststelling van een programma voor de effectenmarkten (PB L 124 van 20.5.2010, blz. 8).
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/27 |
BESLUIT (EU) 2015/299 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 10 februari 2015
houdende wijziging van Besluit ECB/2014/34 betreffende met gerichte langerlopende herfinancieringstransacties verband houdende maatregelen (ECB/2015/5)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name het eerste streepje van artikel 127, lid 2,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name het eerste streepje van artikel 3.1, artikel 12.1, het tweede streepje van artikel 18.1 en het tweede streepje van artikel 34.1,
Gezien Richtsnoer ECB/2011/14 van 20 september 2011 betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (1),
Overwegende:
|
(1) |
Conform paragraaf 1.6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 kan de Raad van bestuur te allen tijde besluiten tot aanpassing van de instrumenten, voorwaarden, criteria en procedures voor de tenuitvoerlegging van de monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem. |
|
(2) |
Om de effectiviteit van gerichte langerlopende herfinancieringstransacties (TLTRO's) te ondersteunen, heeft de Raad van bestuur op 22 januari 2015 besloten om de vaste marge van 10 basispunten op de basisherfinancieringstransactierentevoet te schrappen voor de tussen maart 2015 en juni 2016 uit te voeren TLTRO's. De schrapping van de vaste marge weerspiegelt de sinds de aankondiging van TLTRO's op 5 juni 2014 gedaalde termijnpremies van marktgebaseerde financieringsinstrumenten voor instellingen. Dit besluit laat de rentevoet onverlet die werd toegepast op de eerste in september en december 2014 uitgevoerde TLTRO's. Deze rentevoet blijft derhalve onveranderd, d.w.z. de rentevoet wordt vastgesteld voor de looptijd van elke transactie ten belope van basisherfinancieringstransactierentevoet die geldt ten tijde van de tenderaankondiging ten aanzien van de betreffende TLTRO, plus een vaste marge van 10 basispunten. |
|
(3) |
Bovendien zijn kleine correcties van Besluit ECB/2014/34 (2) nodig. |
|
(4) |
Besluit ECB/2014/34 moet derhalve dienovereenkomstig gewijzigd worden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen
Besluit ECB/2014/34 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 5 wordt als volgt vervangen: „Artikel 5 Rente Met betrekking tot de in september 2014 en december 2014 uitgevoerde TLTRO's wordt de toepasselijke rente vastgesteld voor de looptijd van elke transactie ten belope van basisherfinancieringstransactierente die geldt ten tijde van de tenderaankondiging ten aanzien van de betreffende TLTRO, plus een vaste marge van 10 basispunten. Inzake de van maart 2015 tot juni 2016 uit te voeren TLTRO's wordt de toepasselijke rentevoet vastgesteld voor de looptijd van elke transactie ten belope van basisherfinancieringstransactierente die geldt ten tijde van de tenderaankondiging ten aanzien van de betreffende TLTRO. Rente moet achteraf betaald worden op de vervaldag van de transactie, dan wel bij de vervroegde aflossing zoals bedoeld in artikel 6 en 7, indien toepasselijk.” |
|
2) |
In bijlage I, paragraaf 1 (berekening van leningplafonds), wordt de tweede tabel als volgt vervangen:
|
|
3) |
In bijlage I, in paragraaf 2 (berekening van verplichte vervroegde aflossingen), wordt de formule voor „De verplichte vervroegde aflossing van een deelnemer in september 2016” als volgt vervangen:
„
|
|
4) |
In bijlage I wordt de derde voetnoot als volgt vervangen: „Voor de in maart 2015 uit te voeren TLTRO (k = 3), is de beperking C 3 ≤ max{0, AA 3}.” . |
|
5) |
In bijlage II wordt de vierde voetnoot als volgt vervangen: „De sectorindeling van holdingvennootschappen van niet-financiële vennootschappen in Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) is in Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33) gewijzigd vanwege van de gewijzigde internationale statistische normen. Uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33) zijn holdingvennootschappen van niet-financiële vennootschappen opnieuw ingedeeld als financiële instellingen. TLTRO-rapportage moet in beginsel stroken met het BSI-kader: met ingang van december 2014 moeten data geen holdingvennootschappen bestrijken en aanpassingen moeten dienovereenkomstig doorgegeven worden.” . |
|
6) |
In bijlage II wordt de dertiende voetnoot als volgt vervangen: „De effecten van de herindeling van holdingvennootschappen van niet-financiële vennootschappen als financiële instellingen, welke herindeling in december 2014 uitgevoerd werd, moeten onder post 3.2C geregistreerd worden.” . |
Artikel 2
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt op 10 februari 2015 in werking.
Gedaan te Frankfurt am Main, 10 februari 2015.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 331 van 14.12.2011, blz. 1.
(2) Besluit ECB/2014/34 van 29 juli 2014 betreffende met gerichte langerlopende herfinancieringstransacties verband houdende maatregelen (PB L 258 van 29.8.2014, blz. 11).
|
25.2.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 53/29 |
BESLUIT (EU) 2015/300 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 10 februari 2015
inzake de beleenbaarheid van door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten (ECB/2015/6)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name het eerste streepje van artikel 127, lid 2,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name het eerste streepje van artikel 3.1, artikel 12.1, artikel 18 en het tweede streepje van artikel 34.1,
Gezien Richtsnoer ECB/2011/14 van 20 september 2011 betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (1), met name paragraaf 1.6, paragraaf 6.3.1, paragraaf 6.3.2 en paragraaf 6.4.2 van bijlage I,
Gezien Richtsnoer ECB/2014/31 van 9 juli 2014 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand (2), en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9, met name artikel 1, lid 3 en artikel 6 en 8,
Overwegende:
|
(1) |
Conform artikel 18.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank mogen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de „NCB's”) krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand. De standaardbeleenbaarheidscriteria van onderpand voor monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem zijn vastgelegd in bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14. |
|
(2) |
Conform paragraaf 1.6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 kan de Raad van bestuur te allen tijde besluiten tot aanpassing van de instrumenten, voorwaarden, criteria en procedures voor de tenuitvoerlegging van de monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem. Luidens paragraaf 6.3.1 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 behoudt het Eurosysteem zich het recht voor te bepalen of een emissie, emittent, debiteur of garant aan de vereisten voor hoge standaards voldoet, zulks op basis van alle informatie die het relevant acht. Voorts, de minimumvereisten van kredietkwaliteitsdrempels van het Eurosysteem zijn vastgelegd in de regels van het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem voor verhandelbare activa, zoals bedoeld in paragraaf 6.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14. |
|
(3) |
De opschorting van de minimumvereisten van het Eurosysteem voor kredietkwaliteitsdrempels die van toepassing zijn op door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten, die de Raad van bestuuur op 6 mei 2010 heeft vastgesteld, betrof een buitengewone en tijdelijke maatregel die de Raad van bestuur baseerde op de positieve beoordeling van de naleving van een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds. Toentertijd achtte de Raad van bestuur het door de Helleense Republiek aangenomen programma passend, waardoor, aangaande het kredietrisicobeheer, de kwaliteitsstandaard van door de Helleense Republiek uitgegeven of gegarandeerde schuldinstrumenten volstond en derhalve deze verhandelbare schuldinstrumenten beleenbaar onderpand kunnen blijven vormen voor monetairbeleidstransacties van het Eurosysteem, ongeacht enige externe kredietbeoordeling. Bovendien hield de Raad van bestuur er rekening mee dat de Griekse regering vastbesloten was dat programma volledig uit te voeren (3). |
|
(4) |
Luidens artikel 8 van Richtsnoer ECB/2014/31 is de kredietkwaliteitsdrempel van het Eurosysteem niet van toepassing op verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door, dan wel volledig gegarandeerd worden door centrale regeringen van eurogebiedlidstaten waarop een programma van de Europese Unie/Internationaal Monetair Fonds van toepassing is, tenzij de Raad van bestuur besluit dat de betrokken lidstaat niet voldoet aan de voorwaarde voor het programma inzake financiële steun en/of het macro-economische programma. Krachtens artikel 1, lid 3 van hetzelfde richtsnoer wordt de Helleense Republiek binnen het kader van artikel 6, lid 1 en artikel 8 beschouwd als een eurogebiedlidstaat die voldoet aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds. |
|
(5) |
Op basis van de beschikbare informatie heeft de Raad van bestuur geoordeeld dat het thans niet mogelijk is de toetsing van het programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds voor de Helleense Republiek succesvol af te ronden. Derhalve wordt de Helleense Republiek geacht niet langer te voldoen aan de programmavoorwaarden en, dientengevolge, wordt ten aanzien van die instrumenten niet langer voldaan aan de voorwaarden voor de tijdelijke opschorting van de kredietkwaliteitsdrempels van het Eurosysteem, zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 van Richtsnoer ECB/2014/31. Derhalve heeft de Raad van bestuur besloten dat de kredietkwaliteitsdrempels van het Eurosysteem van toepassing zijn op door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Beleenbaarheid van door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten
1. Binnen het kader van artikel 6, lid 1 en artikel 8 van Richtsnoer ECB/2014/31 wordt de Helleense Republiek geacht niet langer te voldoen aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds.
2. De minimumvereisten van het Eurosysteem voor kredietkwaliteitsdrempels, die zijn vastgelegd in de regels van het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem voor bepaalde verhandelbare activa in paragraaf 6.3.2. van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, zijn van toepassing op de door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten.
3. Bij een discrepantie tussen dit besluit en Richtsnoer ECB/2011/14 en Richtsnoer ECB/2014/31, zoals op nationaal niveau door de NCB's uitgevoerd, geldt dit besluit.
Artikel 2
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt op 11 februari 2015 in werking.
Gedaan te Frankfurt am Main, 10 februari 2015.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 331 van 14.12.2011, blz. 1.
(2) PB L 240 van 13.8.2014, blz. 28.
(3) Zie overweging 4 van Besluit ECB/2010/3 van 6 mei 2010 inzake tijdelijke maatregelen betreffende door de Griekse regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (PB L 117 van 11.5.2010, blz. 102).