ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 201

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
10 juli 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 743/2014 van de Commissie van 9 juli 2014 tot vervanging van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 601/2012 wat betreft de minimale analysefrequenties ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 744/2014 van de Commissie van 9 juli 2014 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Bœuf de Charolles (BOB))

3

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 745/2014 van de Commissie van 9 juli 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

5

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 746/2014 van de Commissie van 9 juli 2014 tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de invoercertificaataanvragen die in de periode van 27 juni 2014 tot en met 4 juli 2014 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 969/2006 geopende tariefcontingent voor de invoer van maïs

7

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2014/88/EU van de Commissie van 9 juli 2014 tot wijziging van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren en gemeenschappelijke methoden voor de berekening van de kosten van ongevallen ( 1 )

9

 

 

BESLUITEN

 

 

2014/443/EU

 

*

Besluit van de Raad van 8 juli 2014 betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen dat is opgericht bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, wat de vaststelling van zijn reglement van orde betreft

18

 

 

2014/444/EU, Euratom

 

*

Besluit van de Raad van 8 juli 2014 betreffende de doorhaling van de naam van een rechter-plaatsvervanger bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie op de bij Besluit 2013/181/EU vastgestelde lijst

24

 

 

2014/445/EU

 

*

Besluit van de Raad van 8 juli 2014 houdende benoeming van twee Deense leden en zes Deense plaatsvervangers van het Comité van de Regio's

25

 

 

2014/446/EU

 

*

Besluit van de Raad van 8 juli 2014 houdende benoeming van twee Italiaanse leden van het Comité van de Regio's

27

 

*

Besluit 2014/447/GBVB van de Raad van 9 juli 2014 tot wijziging van Besluit 2013/354/GBVB betreffende de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse gebieden (EUPOL COPPS)

28

 

 

2014/448/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 8 juli 2014 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU wat betreft Afrikaanse varkenspest in Letland (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 4925)  ( 1 )

31

 

 

III   Andere handelingen

 

 

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

 

*

Besluit van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA Nr. 170/14/COL van 24 april 2014 inzake de IJslandse regionalesteunkaart 2014-2020 (IJsland)

33

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/1


VERORDENING (EU) Nr. 743/2014 VAN DE COMMISSIE

van 9 juli 2014

tot vervanging van bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 601/2012 wat betreft de minimale analysefrequenties

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (1), en met name artikel 14, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (2) zijn de minimale analysefrequenties voor desbetreffende brandstoffen en materialen vastgesteld die door de exploitanten moeten worden toegepast voor het bepalen van berekeningsfactoren.

(2)

In artikel 35 van Verordening (EU) nr. 601/2012 wordt bepaald dat bijlage VII bij die verordening op regelmatige basis moet worden beoordeeld en voor het eerst uiterlijk twee jaar na de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 601/2012.

(3)

Bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 601/2012 moet worden gewijzigd om de classificatie en categorisering van de daarin genoemde brandstoffen en materialen te verduidelijken, met het oog op een betere samenhang wat betreft de toepassing van geschikte factoren bij het berekenen van emissies.

(4)

Omwille van de duidelijkheid is het wenselijk bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 601/2012 te vervangen.

(5)

Verordening (EU) nr. 601/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité klimaatverandering,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage VII bij Verordening (EU) nr. 601/2012 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32.

(2)  Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 181 van 12.7.2012, blz. 30).


BIJLAGE

„BIJLAGE VII

Minimale analysefrequenties (artikel 35)

Brandstof/Materiaal

Minimale analysefrequenties

Aardgas

Ten minste wekelijks

Andere gassen, met name synthesegas en procesgassen zoals gemengd raffinaderijgas, cokesovengas, hoogovengas en convertorgas

Ten minste dagelijks — d.m.v. passende procedures op verschillende tijdstippen van de dag

Stookolie (bijvoorbeeld lichte, middelzware, zware stookolie, bitumen)

Eens per 20 000  ton brandstof en ten minste zes keer per jaar

Steenkool, cokeskool, petroleumcokes, turf

Eens per 20 000  ton brandstof/materiaal en ten minste zes keer per jaar

Andere brandstoffen

Eens per 10 000  ton brandstof en ten minste vier keer per jaar

Onbehandelde vaste afvalstoffen (zuiver fossiel of gemengd biomassa/fossiel)

Eens per 5 000  ton afvalstoffen en ten minste vier keer per jaar

Vloeibare afvalstoffen, voorbehandelde vaste afvalstoffen

Eens per 10 000  ton afvalstoffen en ten minste vier keer per jaar

Carbonaatmineralen (waaronder kalksteen en dolomiet)

Eens per 50 000  ton materiaal en ten minste vier keer per jaar

Klei en schalie

Eens per hoeveelheid materiaal die overeenstemt met 50 000  ton CO2 en ten minste vier keer per jaar

Andere materialen (primair, tussen- en eindproduct)

Afhankelijk van het type materiaal en de variabiliteit, eens per hoeveelheid materiaal die overeenstemt met 50 000  t CO2 en ten minste vier keer per jaar”


10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 744/2014 VAN DE COMMISSIE

van 9 juli 2014

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Bœuf de Charolles (BOB))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Frankrijk ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Boeuf de Charolles” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, dient de benaming „Boeuf de Charolles” te worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14. 12. 2012, blz. 1.

(2)   PB C 42 van 13.2.2014, blz. 16.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.1. Vers vlees (en verse slachtafvallen)

FRANKRIJK

Bœuf de Charolles (BOB)


10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/5


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 745/2014 VAN DE COMMISSIE

van 9 juli 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

53,5

MK

67,1

TR

88,1

XS

47,9

ZZ

64,2

0707 00 05

AL

74,4

MK

31,3

TR

76,3

ZZ

60,7

0709 93 10

TR

98,0

ZZ

98,0

0805 50 10

AR

119,5

TR

77,0

UY

116,7

ZA

125,3

ZZ

109,6

0808 10 80

AR

121,1

BR

94,8

CL

102,6

NZ

130,2

ZA

132,8

ZZ

116,3

0808 30 90

AR

70,8

CL

99,9

NZ

184,8

ZA

91,8

ZZ

111,8

0809 10 00

BA

112,1

MK

85,8

TR

241,7

XS

59,5

ZZ

124,8

0809 29 00

TR

239,9

ZZ

239,9

0809 30

MK

63,3

TR

141,7

ZA

249,3

ZZ

151,4

0809 40 05

BA

71,0

ZZ

71,0


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 746/2014 VAN DE COMMISSIE

van 9 juli 2014

tot vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de invoercertificaataanvragen die in de periode van 27 juni 2014 tot en met 4 juli 2014 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 969/2006 geopende tariefcontingent voor de invoer van maïs

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 969/2006 van de Commissie (2) is een jaarlijks tariefcontingent geopend voor de invoer van 277 988 ton maïs (volgnummer 09.4131).

(2)

Bij artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 969/2006 is de hoeveelheid voor tranche 2 vastgesteld op 138 994 ton voor de periode van 1 juli tot en met 31 december 2014.

(3)

Uit de overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 969/2006 gedane mededeling blijkt dat de overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die verordening in de periode van 27 juni 2014 om 13.00 uur tot en met 4 juli 2014 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) ingediende aanvragen de beschikbare hoeveelheden overschrijden. Bijgevolg dient te worden bepaald in hoeverre invoercertificaten kunnen worden afgegeven, door de op de gevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt vast te stellen die wordt berekend overeenkomstig artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (3).

(4)

Ook moet worden bepaald dat in het kader van Verordening (EG) nr. 969/2006 geen invoercertificaten meer mogen worden afgegeven voor het lopende contingentjaar.

(5)

Met het oog op een efficiënt beheer van de procedure voor afgifte van de invoercertificaten dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Voor elke invoercertificaataanvraag in het kader van het in artikel 2, lid 1, van Verordening (EG) nr. 969/2006 bedoelde contingent voor maïs, die in de periode van 27 juni 2014 om 13.00 uur tot en met 4 juli 2014 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel) is ingediend, wordt een certificaat afgegeven voor de gevraagde hoeveelheid, vermenigvuldigd met een toewijzingscoëfficiënt van 7,692996 %.

2.   De afgifte van certificaten waarvoor de aanvraag is ingediend met ingang van 4 juli 2014 om 13.00 uur (plaatselijke tijd Brussel), wordt voor het lopende contingentjaar geschorst.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EG) nr. 969/2006 van de Commissie van 29 juni 2006 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van maïs uit derde landen (PB L 176 van 30.6.2006, blz. 44).

(3)  Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).


RICHTLIJNEN

10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/9


RICHTLIJN 2014/88/EU VAN DE COMMISSIE

van 9 juli 2014

tot wijziging van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad, wat betreft gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren en gemeenschappelijke methoden voor de berekening van de kosten van ongevallen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen en tot wijziging van Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen en van Richtlijn 2001/14/EG inzake de toewijzing van spoorweginfrastructuurcapaciteit en de heffing van rechten voor het gebruik van spoorweginfrastructuur alsmede inzake veiligheidscertificering („spoorwegveiligheidsrichtlijn”) (1), en met name op artikel 5, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG moeten de lidstaten informatie over gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren (Common Safety Indicators, CSI's) verzamelen om gemakkelijker te kunnen beoordelen of de gemeenschappelijke veiligheidsdoelen (Common Safety Targets, CST's) zijn bereikt en om de algehele ontwikkeling van de veiligheid op het spoor te bewaken. Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de richtlijn moeten in de CST's de veiligheidsniveaus worden vastgesteld en uitgedrukt in termen van de gevolgen voor de risicoacceptatie door de samenleving. Het voornaamste doel van de CSI's moet zijn om de veiligheidsprestaties te meten en de beoordeling van het economische effect van CST's te vergemakkelijken. Daarom moeten in plaats van indicatoren die verband houden met de door de spoorwegen gedragen ongevalsgerelateerde kosten, indicatoren worden gebruikt die verband houden met de economische gevolgen van ongevallen voor de samenleving.

(2)

Het toekennen van een geldwaarde aan verbeterde veiligheidsprestaties moet worden gezien in het licht van beperkte budgettaire middelen voor beleidsmaatregelen. Daarom moet prioriteit worden gegeven aan initiatieven die zorgen voor een efficiënte toewijzing van middelen.

(3)

In artikel 9 van Verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad (2) wordt het Europees Spoorwegbureau (het Bureau) gemachtigd een netwerk op te zetten met de nationale veiligheidsinstanties (zoals gedefinieerd in artikel 3 van Richtlijn 2004/49/EG) en met de nationale instanties die verantwoordelijk zijn voor onderzoeken, teneinde de inhoud van de in bijlage I bij Richtlijn 2004/49/EG genoemde CSI's vast te stellen. Op 10 december 2013 heeft het Bureau een aanbeveling uitgebracht over de herziening van bijlage I (ERA-REC- 08-2013).

(4)

Bijlage I bij Richtlijn 2004/49/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

De bij deze richtlijn vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het overeenkomstig artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2004/49/EG opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 2004/49/EG wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 30 juli 2015 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten deze bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen naar de onderhavige richtlijn verwezen of wordt hiernaar verwezen bij de officiële bekendmaking van die bepalingen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

3.   De verplichting tot omzetting en uitvoering van deze richtlijn is niet van toepassing op Cyprus en Malta zolang deze landen op hun grondgebied niet over een spoorwegnet beschikken.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44.

(2)  Verordening (EG) nr. 881/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 tot oprichting van een Europees Spoorwegbureau (Spoorwegbureauverordening) (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 1).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

Gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren

Gemeenschappelijke veiligheidsindicatoren worden jaarlijks gemeld door de in artikel 3, onder g), gedefinieerde veiligheidsinstanties.

Indicatoren met betrekking tot de in artikel 2, lid 2, onder a) en b), bedoelde activiteiten worden apart genoemd, als zij worden ingediend.

Als er na de indiening van het verslag nieuwe feiten of fouten aan het licht komen, worden de indicatoren voor een bepaald jaar bij de eerste passende gelegenheid en uiterlijk in het volgende jaarverslag door de veiligheidsinstantie gewijzigd of verbeterd.

In het aanhangsel zijn gemeenschappelijke definities voor CSI's en methoden voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen vastgesteld.

1.   Indicatoren met betrekking tot ongevallen

1.1.

Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal ernstige ongevallen en uitsplitsing naar de volgende soorten ongevallen:

botsing tussen een trein en een spoorvoertuig,

botsing van een trein met een obstakel binnen het vrijeruimteprofiel,

ontsporing van een trein,

ongeval op een overweg, inclusief ongeval met voetgangers op een overweg, en een verdere uitsplitsing naar de vijf soorten overwegen gedefinieerd in punt 6.2,

ongevallen met personen waarbij rollend materieel in rijdende toestand betrokken is, met uitzondering van zelfmoorden en zelfmoordpogingen,

brand in rollend materieel,

overige.

Ieder ernstig ongeval wordt gemeld onder het type van het primaire ongeval, ook al zijn de gevolgen van het secundaire ongeval ernstiger (bijv. brand na een ontsporing).

1.2.

Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal personen dat per type ongeval zwaargewond is geraakt of is omgekomen, met onderverdeling in de volgende categorieën:

reiziger (ook in verhouding tot het totale aantal reizigerskilometers en reizigerstreinkilometers),

werknemer of contractant,

gebruiker van overwegen,

indringer,

andere persoon op een perron,

andere persoon niet op een perron,

2.   Indicatoren met betrekking tot gevaarlijke goederen

Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal ongevallen in verband met het vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, met onderverdeling in de volgende categorieën:

ongeval waarbij ten minste één spoorvoertuig is betrokken dat gevaarlijke goederen vervoert, zoals gedefinieerd in het aanhangsel,

het aantal dergelijke ongevallen waarbij gevaarlijke goederen vrijkomen.

3.   Indicatoren met betrekking tot zelfmoorden

Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal zelfmoorden en zelfmoordpogingen.

4.   Indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen

Het totale en relatieve (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers) aantal voorlopers van ongevallen en uitsplitsing naar de volgende soorten voorlopers:

gebroken rail,

knik of andere afwijking in het spoor,

foutieve seingeving,

ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt wordt overschreden,

ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt niet wordt overschreden,

gebroken wiel van operationeel rollend materieel,

gebroken as van operationeel rollend materieel.

Alle voorlopers moeten worden gemeld, ongeacht of ze wel of niet een ongeval tot gevolg hadden. (Een voorloper die een ernstig ongeval tot gevolg had, wordt ook gemeld onder de indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen; een voorloper die geen ernstig ongeval tot gevolg had, wordt alleen gemeld onder de indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen).

5.   Indicatoren voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen

Totaal in euro en relatief (ten opzichte van het aantal afgelegde treinkilometers):

aantal doden en ernstig gewonden, vermenigvuldigd met de waarde van het voorkomen van een dodelijk ongeval (Value of Preventing a Casualty, VPC),

kosten van milieuschade,

kosten van materiële schade aan rollend materieel of infrastructuur,

kosten van vertragingen als gevolg van ongevallen.

Veiligheidsinstanties moeten de economische gevolgen van ernstige ongevallen melden.

De VPC is de waarde die de samenleving toekent aan het voorkomen van een dodelijk ongeval of ongeval met ernstig gewonden en vormt als zodanig geen referentie voor schadevergoeding tussen bij ongevallen betrokken partijen.

6.   Indicatoren met betrekking tot de technische veiligheid van de infrastructuur en het gebruik daarvan

6.1.

Het percentage sporen met treinbeveiligingssystemen (Train Protection Systems, TPS's) en het percentage treinkilometers waarbij TPS aan boord wordt gebruikt, voor zover deze systemen zorgen voor:

waarschuwing,

waarschuwing en automatische stop,

waarschuwing, automatische stop en plaatselijke controle op de snelheid,

waarschuwing, automatische stop en permanente controle op de snelheid.

6.2.

Het aantal overwegen (totaal, per kilometer lijn en per kilometer spoor) uitgesplitst naar de volgende vijf soortenoverwegen:

a)

overweg met passieve signalisatie

b)

overweg met actieve signalisatie:

i)

manueel,

ii)

automatisch, met waarschuwing voor weggebruikers,

iii)

automatisch, met bescherming voor weggebruikers,

iv)

bescherming zijde spoor.

„Aanhangsel

Gemeenschappelijke definities voor CSI's en methoden voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen

1.   Indicatoren met betrekking tot ongevallen

1.1.    „ernstig ongeval”: elk ongeval met ten minste één bewegend spoorvoertuig waarbij ten minste één persoon om het leven is gekomen of zwaargewond is geraakt of dat schade van betekenis aan het materieel, de rails, andere installaties of het milieu dan wel een ernstige ontregeling van het verkeer heeft veroorzaakt, met uitzondering van ongevallen in werkplaatsen, magazijnen en opslagruimtes;

1.2.    „schade van betekenis aan het materieel, de rails, andere installaties of het milieu”: schade voor een bedrag van 150 000 EUR of meer;

1.3.    „ernstige ontregeling van het verkeer”: de treindiensten op een hoofdspoorlijn worden gedurende zes uur of langer onderbroken;

1.4.    „trein”: één of meer spoorvoertuigen getrokken door één of meer locomotieven of motorrijtuigen, of één motorrijtuig alleen, die onder een bepaald nummer of een specifieke benaming van een vast beginpunt naar een vast eindpunt rijdt/rijden, met inbegrip van een losse locomotief, m.a.w. een locomotief die alleen rijdt;

1.5.    „botsing tussen een trein en een spoorvoertuig”: een frontale botsing, een kopstaartbotsing of een zijdelingse botsing tussen een deel van een trein en een deel van een andere trein of een ander spoorvoertuig of rangerend rollend materieel;

1.6.    „botsing tussen een trein en een obstakel binnen het vrijeruimteprofiel”: een botsing tussen een deel van een trein en vaste of tijdelijk aanwezige objecten op of in de nabijheid van het spoor (behalve door voertuigen of gebruikers op overwegen verloren voorwerpen), met inbegrip van botsingen met bovenleidingen;

1.7.    „ontsporing van een trein”: alle gevallen waarbij ten minste één wiel van een trein uit de rails loopt;

1.8.    „ongeval op overwegen”: elk ongeval op een overweg waarbij ten minste één spoorvoertuig en één of meer overstekende voertuigen, andere overstekende gebruikers, zoals voetgangers, of andere tijdelijk op of nabij het spoor aanwezige voorwerpen, ingeval zij door een overstekend voertuig of een overstekende gebruiker verloren zijn, betrokken zijn;

1.9.    „ongevallen met personen waarbij rollend materieel in rijdende toestand betrokken is”: ongevallen van één of meer personen die door een spoorvoertuig of een aan het spoorvoertuig vastzittend of daarvan losgeraakt voorwerp worden geraakt; dit omvat personen die van spoorvoertuigen vallen en personen die vallen of door losse voorwerpen worden geraakt wanneer zij aan boord van spoorvoertuigen reizen;

1.10.    „brand in rollend materieel”: een brand of explosie die zich tijdens de rit tussen het station van vertrek en de eindbestemming voordoet in spoorvoertuigen (met inbegrip van de lading), ook wanneer de voertuigen stilstaan in het station van vertrek, op de eindbestemming of aan tussenliggende haltes, alsmede tijdens rangeeractiviteiten;

1.11.    „overige ongevallen”: elk ander ongeval dan een botsing van een trein met een spoorvoertuig, een trein met een obstakel binnen het vrijeruimteprofiel, een ontsporing van een trein, een ongeval op een overweg, een persoonlijk ongeval met rollend materieel in rijdende toestand of een brand in rollend materieel;

1.12.    „reiziger”: elke persoon, met uitzondering van het treinpersoneel, die een reis per spoor maakt, met inbegrip van een reiziger die aan of van boord van een bewegende trein tracht te gaan, uitsluitend voor ongevallenstatistieken;

1.13.    „werknemer of contractant”: elke persoon van wie het werk verband houdt met een spoorweg en die aan het werk is ten tijde van het ongeval, inclusief het personeel van contractanten, zelfstandige contractanten, treinpersoneel en personen die met rollend materieel en infrastructuurinstallaties werken;

1.14.    „gebruiker van een overweg”: elke persoon die te voet of met een vervoermiddel gebruik maakt van een overweg om de sporen over te steken;

1.15.    „indringer”: elke persoon die zich op spoorwegterreinen bevindt terwijl dat verboden is, met uitzondering van gebruikers van overwegen;

1.16.    „andere persoon op een perron”: elke zich op een spoorwegperron bevindende persoon die niet onder de definitie van „reiziger”, „werknemer of contractant”, „gebruiker van een overweg”, „andere persoon niet op een perron” of „indringer” valt;

1.17.    „andere persoon niet op een perron”: elke zich niet op een spoorwegperron bevindende persoon die niet onder de definitie van „reiziger”, „werknemer of contractant”, „gebruiker van een overweg”, „andere persoon op een perron” of „indringer” valt;

1.18.    „dood (dodelijk slachtoffer)”: elke persoon die bij een ongeval om het leven is gekomen of binnen 30 dagen daarna aan de gevolgen ervan overlijdt, met uitzondering van personen die zelfmoord hebben gepleegd;

1.19.    „zwaargewond (zwaargewonde persoon)”: elke persoon die bij een ongeval gewond is geraakt en langer dan 24 uur in het ziekenhuis werd opgenomen ten gevolge van het ongeval, met uitzondering van personen die een poging tot zelfmoord hebben ondernomen.

2.   Indicatoren met betrekking tot gevaarlijke goederen

2.1.    „Ongeval bij het vervoer van gevaarlijke goederen”: elk ongeval of incident dat moet worden gemeld overeenkomstig punt 1.8.5 van de RID (1)/ADR-voorschriften.

2.2.    „Gevaarlijke goederen”: stoffen en artikelen waarvan het vervoer bij het RID is verboden, of alleen onder daarin vermelde voorwaarden is toegestaan.

3.   Indicatoren met betrekking tot zelfmoorden

3.1.    „Zelfmoord”: daad van opzettelijke zelfverwonding met de dood tot gevolg, zoals door de bevoegde nationale instantie geregistreerd en gekwalificeerd.

3.2.    „Poging tot zelfmoord”: daad van opzettelijke zelfverwonding met ernstig letsel tot gevolg.

4.   Indicatoren met betrekking tot voorlopers van ongevallen

4.1.    „Gebroken rail”: een rail die in twee of meer stukken is gebroken of waarvan een stuk metaal is afgebroken, waardoor een gat van meer dan 50 mm lengte en meer dan 10 mm diepte in het loopvlak van het spoor is ontstaan.

4.2.    „Knik of andere afwijking in het spoor”: elke storing die verband houdt met de continuïteit en de geometrie van het spoor, waardoor het spoor buiten bedrijf moet worden gesteld of de toegestane snelheid onmiddellijk moet worden beperkt.

4.3.    „Foutieve seingeving”: technische storingen van het seinsysteem (van de infrastructuur of van het rollend materieel), die tot gevolg hebben dat de seininformatie minder restrictief is dan vereist.

4.4.    „Ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt wordt overschreden”: iedere keer dat een deel van een trein verder rijdt dan toegestaan en het gevaarpunt overschrijdt.

4.5.    „Ongeoorloofd voorbijrijden van een stoptonend sein waarbij een gevaarpunt niet wordt overschreden”: iedere keer dat een deel van een trein verder rijdt dan toegestaan maar het gevaarpunt niet overschrijdt.

Onder „verder rijden dan toegestaan”, zoals vermeld in de bovenstaande punten 4.4 en 4.5, wordt verstaan dat de trein verder rijdt dan:

een naast het spoor gelegen sein of seinpaal met gekleurde lichten op een gevaarpunt, of een STOP-teken in gevallen waarin geen automatisch beveiligingssysteem voor treinen (TPS) operationeel is,

het einde van een veiligheidsgerelateerd toegestaan eindpunt van een TPS,

een in de voorschriften vastgesteld punt dat mondeling of schriftelijk is meegedeeld,

stopborden (behalve spoorbuffers) of handsignalen.

Gevallen waarin voertuigen zonder aangekoppelde tractie-eenheid of onbeheerde treinen voorbij een stoptonend sein rijden, worden niet meegeteld. Gevallen waarbij het sein om welke reden dan ook niet tijdig op onveilig is gezet om de machinist in staat te stellen de trein voor het sein te stoppen, worden niet meegeteld.

De veiligheidsinstanties mogen afzonderlijk verslag uitbrengen over de bovenvermelde vier aanwijzingen van niet-toegestane verplaatsing en moeten ten minste een geaggregeerde indicator meedelen met gegevens over aanwijzingen voor de vier gevallen samen.

4.6.    „Gebroken wiel van rollend materieel in dienst”: een breuk die gevolgen heeft voor het wiel en een risico op een ongeval (ontsporing of botsing) doet ontstaan.

4.7.    „Gebroken as van rollend materieel in dienst”: een breuk die gevolgen heeft voor de as en een risico op een ongeval (ontsporing of botsing) doet ontstaan.

5.   Gemeenschappelijke methoden voor de berekening van de economische gevolgen van ongevallen

5.1.   De waarde van het voorkomen van een dodelijk ongeval of ongeval met ernstig gewonden (VPC) bestaat uit:

1.

De waarde van de veiligheid op zich: waarden ten aanzien van de bereidheid te betalen (Willingness to Pay, WTP), gebaseerd op stated-preferenceonderzoeken die zijn uitgevoerd in de lidstaat waarvoor zij worden toegepast.

2.

Directe en indirecte economische kosten: kosten die worden geraamd in de lidstaat en die bestaan uit:

medische kosten en kosten voor revalidatie,

proceskosten, kosten voor politie, particuliere ongevalsonderzoeken, nooddiensten en administratieve kosten van de verzekering,

productieverlies: waarde voor de samenleving van de goederen en diensten die door de persoon hadden kunnen worden geproduceerd als het ongeval niet had plaatsgevonden.

Bij de berekening van de kosten die slachtoffers veroorzaken worden doden en ernstig gewonden afzonderlijk beoordeeld (verschillende VPC voor doden en ernstig gewonden).

5.2.   Gemeenschappelijke beginselen om de waarde van de veiligheid op zich en directe/indirecte economische kosten te ramen:

Voor de waarde van de veiligheid op zich wordt de beoordeling van de vraag of de beschikbare ramingen al dan niet passend zijn, op de volgende overwegingen gebaseerd:

de ramingen moeten samenhangen met een systeem voor de raming van de vermindering van het mortaliteitsrisico in de transportsector en een WTP-benadering, naargelang van de stated-preferencemethoden,

de steekproef van respondenten die voor de waarden wordt gebruikt, moet representatief zijn voor de betrokken populatie. De steekproef moet met name de verdeling naar leeftijd, inkomen en andere relevante sociaaleconomische/demografische kenmerken van de populatie weerspiegelen,

methode voor het verkrijgen van de WTP-waarden: de enquête moet zo zijn opgesteld dat de vragen duidelijk en zinvol zijn voor de respondenten.

Directe en indirecte economische kosten worden geraamd op basis van de werkelijke door de samenleving gedragen kosten.

5.3.   Definities

5.3.1.    „Kosten van milieuschade”: de kosten die door de spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders moeten worden gedragen, geraamd op basis van hun ervaring, om het beschadigde gebied terug te brengen in de staat van vóór het spoorwegongeval.

5.3.2.    „Kosten van materiële schade aan rollend materieel of infrastructuur”: de kosten van nieuw rollend materieel of nieuwe infrastructuur, met dezelfde functies en technische parameters als het materieel of de infrastructuur die onherstelbaar zijn beschadigd en de kosten voor het herstel van het rollend materieel of de infrastructuur die kunnen worden hersteld in de staat van vóór het ongeval, geraamd door spoorwegondernemingen en infrastructuurbeheerders op basis van hun ervaring, waaronder ook de kosten in verband met de huur van rollend materieel als gevolg van de niet-beschikbaarheid van beschadigde voertuigen.

5.3.3.    „Kosten van vertragingen als gevolg van ongevallen”: de geldwaarde van vertragingen die gebruikers van spoorvervoer (reizigers en vrachtklanten) ondervinden als gevolg van ongevallen, berekend volgens het onderstaande model:

VT = geldwaarde van reistijdbesparingen

Waarde van tijd voor een treinreiziger (een uur)

VTP = [VT van voor het werk reizende reizigers] * [gemiddeld percentage voor het werk reizende reizigers per jaar] + [VT van niet voor het werk reizende reizigers] * [gemiddeld percentage niet voor het werk reizende reizigers]

VTP wordt gemeten in EUR per reiziger per uur

Een „voor het werk reizende reiziger” is een reiziger die reist in verband met zijn beroepsactiviteiten, met uitzondering van woon-werkverkeer.

Waarde van tijd voor een goederentrein (een uur)

VTF = [VT van goederentreinen] * [(ton-km)/(trein-km)]

VTF wordt gemeten in EUR per ton goederen per uur

Gemiddeld aantal tonnen goederen die in één jaar per trein worden vervoerd = (ton-km)/(trein-km)

CM = kosten van 1 minuut vertraging van een trein

Reizigerstrein

CMP = K1 * (VTP/60) * [(reizigers-km)/(trein-km)]

Gemiddeld aantal reizigers dat in één jaar per trein wordt vervoerd = (reizigers-km)/(trein-km)

Goederentrein

CMF = K2 * (VTF/60)

De factoren K1 en K2 liggen tussen de waarde van tijd en de waarde van vertraging, zoals geraamd door middel van de stated-preferenceonderzoeken, om rekening te houden met het feit dat de als gevolg van vertragingen verloren tijd als aanzienlijk negatiever wordt ervaren dan normale reistijd.

Kosten van vertragingen als gevolg van een ongeval = CMP * (minuten vertraging van reizigerstreinen) + CMF * (minuten vertraging van goederentreinen)

Reikwijdte van het model

De kosten van vertragingen moeten voor ernstige ongevallen worden berekend, op de volgende wijze:

werkelijke vertragingen op de spoorlijnen waar de ongevallen hebben plaatsgevonden, gemeten op het eindstation,

werkelijke vertragingen of, indien dat niet mogelijk is, geraamde vertragingen op de andere getroffen lijnen.

6.   Indicatoren met betrekking tot de technische veiligheid van de infrastructuur en de toepassing daarvan

6.1.    „Beveiligingssysteem voor treinen (TPS)”: een systeem dat ertoe bijdraagt dat seinen en snelheidsbeperkingen worden nageleefd.

6.2.    „Boordsystemen”: systemen die de treinbestuurder helpen om seinen langs het spoor en in de cabine na te leven en dus zorgt voor bescherming aan gevaarpunten en handhaving van snelheidsbeperkingen. Boord-TPS worden als volgt beschreven:

a)

Waarschuwing, automatische waarschuwing aan de bestuurder.

b)

Waarschuwing en automatische stop, automatische waarschuwing aan de bestuurder en automatische stop bij het voorbijrijden van een stoptonend sein.

c)

Waarschuwing en automatische stop en plaatselijke controle op de snelheid, waarbij bescherming wordt geboden aan gevaarpunten; onder „plaatselijke controle op de snelheid”: wordt verstaan dat op bepaalde plaatsen (snelheidsvallen), bij het naderen van een sein, controle wordt gehouden op de snelheid.

d)

Waarschuwing en automatische stop en permanente controle op de snelheid, waarbij bescherming wordt geboden aan gevaarpunten en permanent controle wordt gehouden op de naleving van de snelheidsbeperkingen op de lijn; onder „permanente controle op de snelheid” wordt verstaan dat de toegestane maximumsnelheid op alle delen van de lijn permanent wordt aangegeven en gehandhaafd.

Type (d) wordt beschouwd als een automatisch beveiligingssysteem voor treinen (ATP).

6.3.    „Overweg”: gelijkvloerse kruising tussen een weg of doorgang en een spoorweg, erkend door de infrastructuurbeheerder en toegankelijk voor openbare of particuliere gebruikers. Doorgangen tussen perrons in een station vallen hier niet onder, evenmin als doorgangen over sporen die uitsluitend bestemd zijn voor gebruik door werknemers.

6.4.    „Weg”: met het oog op het opstellen van statistieken over spoorwegongevallen, openbare of particuliere weg, straat of snelweg, met inbegrip van aangrenzende voet- en fietspaden.

6.5.    „Doorgang”: elke route, behalve wegen, voor de doorgang van personen, dieren, voertuigen of machines.

6.6.    „Overweg met passieve signalisatie”: een overweg zonder enige vorm van waarschuwings- of beschermingssysteem dat wordt geactiveerd wanneer het onveilig is voor de gebruiker om de overweg over te steken.

6.7.    „Overweg met actieve signalisatie”: een overweg waar de overstekende gebruikers worden beschermd tegen of gewaarschuwd voor de naderende trein door de activering van inrichtingen wanneer het voor de gebruiker onveilig is de overweg over te steken.

Bescherming door middel van fysieke inrichtingen:

halve of dubbele slagbomen,

hekken.

Waarschuwing bij het gebruik van vaste apparatuur bij overwegen:

visuele apparatuur: lichten,

auditieve apparatuur: bellen, hoorns, claxons enz.

Overwegen met actieve signalisatieoverweg worden als volgt gedefinieerd:

a)

manueel: een overweg waar de bescherming of waarschuwing voor de weggebruikers manueel wordt geactiveerd door een spoorwegwerknemer;

b)

automatisch, met waarschuwing voor de weggebruikers: een overweg waar een waarschuwing voor de weggebruikers wordt geactiveerd bij een naderende trein;

c)

automatisch, met bescherming voor de weggebruikers: een overweg waar een vorm van bescherming voor de weggebruikers wordt geactiveerd bij een naderende trein. Dit omvat ook overwegen met zowel beschermings- als waarschuwingssystemen voor de weggebruikers;

d)

bescherming zijde spoor: een overweg waar een signaal of ander treinbeschermingssysteem dat de trein laat doorrijden als de overweg volledig is afgeschermd voor de gebruikers en niet meer wordt overschreden.

7.   Definities van de meeteenheden

7.1.    „Trein-km”: meeteenheid die de verplaatsing van een trein over een afstand van één kilometer weergeeft. Deze afstand is de werkelijk gereden afstand, indien beschikbaar; zo niet wordt de standaardnetafstand tussen de plaats van oorsprong en de plaats van bestemming gebruikt. Alleen de afstand op het grondgebied van het rapporterende land wordt in aanmerking genomen.

7.2.    „Reizigers-km”: meeteenheid voor het vervoer van een reiziger per spoor over een afstand van één kilometer. Alleen de afstand op het grondgebied van het rapporterende land wordt in aanmerking genomen.

7.3.    „Kilometer lijn”: de lengte, gemeten in kilometer, van het spoorwegnet van lidstaten, waarvan het toepassingsgebied in artikel 2 is vastgesteld. Voor meersporige spoorlijnen wordt alleen de afstand tussen begin- en eindpunt geteld.

7.4.    „Kilometer spoor”: de lengte, gemeten in kilometer, van het spoorwegnet van lidstaten, waarvan het toepassingsgebied in artikel 2 is vastgesteld. Elk spoor van een meersporige spoorlijn wordt geteld.


(1)  RID, het Reglement betreffende het internationaal vervoer van gevaarlijke goederen per spoor, als vastgesteld bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).


BESLUITEN

10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/18


BESLUIT VAN DE RAAD

van 8 juli 2014

betreffende het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen dat is opgericht bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, wat de vaststelling van zijn reglement van orde betreft

(2014/443/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 19 januari 2009 heeft de Raad de Commissie gemachtigd om namens de Europese Unie en haar lidstaten te onderhandelen over een meerpartijenhandelsovereenkomst met de lidstaten van de Andesgemeenschap.

(2)

Deze onderhandelingen zijn afgesloten en de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, („de overeenkomst”) (1), is op 26 juni 2012 te Brussel ondertekend.

(3)

Overeenkomstig artikel 330, lid 3, van de overeenkomst wordt deze ten aanzien van Peru voorlopig toegepast met ingang van 1 maart 2013, en ten aanzien van Colombia met ingang van 1 augustus 2013, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een latere datum.

(4)

Ingevolge artikel 103 van de overeenkomst wordt een subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen (het „SPS-subcomité”) opgericht dat de uitvoering van hoofdstuk 5 van de overeenkomst inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen, waarborgt en monitort en kwesties bespreekt die gevolgen kunnen hebben voor de naleving van de bepalingen ervan. Het SPS-subcomité stelt op zijn eerste bijeenkomst zijn werkprocedures vast.

(5)

De Europese Unie moet het in te nemen standpunt bepalen ten aanzien van de vaststelling van het reglement van orde van het SPS-subcomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Unie in te nemen standpunt in het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen (het „SPS-subcomité”), dat is opgericht bij de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, wat de vaststelling van zijn reglement van orde betreft, moet worden gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het SPS-subcomité EU-Colombia-Peru.

Kleine technische wijzigingen van het ontwerpbesluit van het SPS-subcomité EU-Colombia-Peru kunnen zonder nader besluit van de Raad worden goedgekeurd door de vertegenwoordigers van de Unie in het SPS-subcomité.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

P. C. PADOAN


(1)   PB L 354 van 21.12.2012, blz. 3.


ONTWERP

BESLUIT Nr. …/2014 VAN HET SUBCOMITÉ SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN EU-COLOMBIA-PERU

van …

betreffende de vaststelling van het reglement van orde van het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen als bedoeld in artikel 103 van de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds

HET SUBCOMITÉ SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN,

Gezien de op 26 juni 2012 te Brussel ondertekende handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds („de overeenkomst”) (1), en met name artikel 103,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen (het „SPS-subcomité”) stelt op zijn eerste bijeenkomst zijn reglement van orde vast.

(2)

Het SPS-subcomité waarborgt en monitort de uitvoering van hoofdstuk 5 van de overeenkomst, met betrekking tot sanitaire en fytosanitaire maatregelen, en bespreekt kwesties die gevolgen kunnen hebben voor de naleving van de bepalingen van dat hoofdstuk,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

1.

Het reglement van orde van het SPS-Subcomité wordt vastgesteld overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

2.

Dit besluit treedt in werking op …

Gedaan te …

Voor het subcomité sanitaire en fytosanitaire maatregelen

Minister van …

Commissaris van …

Minister van …


(1)   PB L 354 van 21.12.2012, blz. 3.

BIJLAGE

REGLEMENT VAN ORDE VAN HET SUBCOMITÉ SANITAIRE EN FYTOSANITAIRE MAATREGELEN DAT IS OPGERICHT KRACHTENS HOOFDSTUK 5 VAN DE HANDELSOVEREENKOMST TUSSEN DE EUROPESE UNIE EN HAAR LIDSTATEN, ENERZIJDS, EN COLOMBIA EN PERU, ANDERZIJDS

Artikel 1

Samenstelling en voorzitterschap

1.   Het subcomité Sanitaire en fytosanitaire maatregelen (het „SPS-subcomité”), dat is opgericht overeenkomstig artikel 103 van de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds („de overeenkomst”) (1), voert zijn taken uit zoals bepaald in artikel 103 van de overeenkomst en is verantwoordelijk voor het waarborgen en monitoren van de uitvoering van hoofdstuk 5 inzake sanitaire en fytosanitaire maatregelen.

2.   Overeenkomstig artikel 103, lid 2, van de overeenkomst bestaat het SPS-subcomité uit de door elke partij aangewezen vertegenwoordigers die verantwoordelijkheid dragen voor sanitaire en fytosanitaire aangelegenheden.

3.   Het SPS-subcomité wordt afwisselend voor een periode van één jaar voorgezeten door een hoge ambtenaar van de Europese Commissie, namens de Europese Unie en haar lidstaten, door een hoge ambtenaar van de Colombiaanse regering, of door een hoge ambtenaar van de Peruaanse regering. De eerste voorzitterschapsperiode vangt aan op de datum van de eerste vergadering van het Handelscomité en loopt af op 31 december van hetzelfde jaar. Het SPS-subcomité wordt voorgezeten door de partij die als voorzitter van het Handelscomité fungeert.

4.   Het SPS-subcomité kan vergaderingen houden waaraan alleen de EU-partij en een van de overeenkomstsluitende Andeslanden deelnemen, ten aanzien van aangelegenheden die uitsluitend hun bilaterale betrekkingen betreffen. Die vergaderingen worden voorgezeten door de twee partijen. Andere overeenkomstsluitende Andeslanden kunnen aan die vergaderingen deelnemen indien de betrokken partijen vooraf daarmee instemmen.

5.   De verwijzing naar de partijen in het reglement van orde is in overeenstemming met de definitie in artikel 6 van de overeenkomst.

Artikel 2

Vergaderingen

1.   Het SPS-subcomité komt ten minste eenmaal per jaar in gewone vergadering bijeen, en houdt speciale vergaderingen wanneer een partij daarom verzoekt, zoals bepaald in artikel 103, lid 2, van de overeenkomst. De bijeenkomsten vinden afwisselend plaats in Bogota, Brussel en Lima, tenzij de partijen anders besluiten.

2.   Elke vergadering van het SPS-subcomité wordt door de partij die het voorzitterschap vervult bijeengeroepen op een door de partijen overeengekomen datum en plaats.

3.   Het SPS-subcomité kan ook via video- en audioconferenties vergaderen.

Artikel 3

Delegaties

Vóór elke vergadering worden de partijen in kennis gesteld van de voorgenomen samenstelling van de delegaties die de vergadering bijwonen.

Artikel 4

Waarnemers

Het SPS-subcomité kan besluiten op ad-hoc basis waarnemers uit te nodigen.

Artikel 5

Correspondentie

1.   De in de artikelen 6, 7 en 8 van het reglement van orde bedoelde documenten van het SPS-subcomité worden toegezonden aan de voorzitters van het SPS-subcomité en aan het secretariaat van het Handelscomité.

2.   Voor aangelegenheden die uitsluitend betrekking hebben op de bilaterale betrekkingen tussen de EU en een overeenkomstsluitend Andesland verloopt de correspondentie tussen deze twee partijen, waarbij de andere overeenkomstsluitende Andeslanden in voorkomend geval volledig op de hoogte worden gehouden.

Artikel 6

Agenda voor de vergaderingen

1.   De partijen stellen gezamenlijk een voorlopige agenda voor elke vergadering op. Deze wordt samen met de relevante documenten uiterlijk 14 dagen voor het begin van de vergadering aan alle partijen toegezonden.

2.   De agenda wordt bij het begin van elke vergadering door het SPS-subcomité goedgekeurd. Indien de partijen zulks overeenkomen, kunnen punten die niet op de voorlopige agenda staan als agendapunt worden opgenomen.

3.   De voorzitter van het SPS-subcomité kan met instemming van de andere partijen deskundigen uitnodigen de vergaderingen bij te wonen om informatie over specifieke onderwerpen te verstrekken.

Artikel 7

Notulen

1.   Van elke vergadering stellen de partijen gezamenlijk ontwerpnotulen op. Het eerste ontwerp wordt binnen 21 dagen na het eind van de vergadering opgesteld door de partij die als voorzitter fungeert.

2.   De notulen geven in de regel een korte samenvatting van elk agendapunt, met in voorkomend geval een specificatie van de volgende elementen:

a)

de aan het SPS-subcomité voorgelegde documenten;

b)

verklaringen die op verzoek van een lid van het SPS-subcomité worden opgenomen; en

c)

de voorgestelde besluiten, gedane aanbevelingen, overeengekomen verklaringen en vastgestelde conclusies met betrekking tot specifieke punten.

3.   De notulen bevatten tevens een lijst van de deelnemers aan de vergadering van het SPS-subcomité.

4.   De notulen worden binnen twee maanden na de datum van de vergadering door de partijen schriftelijk goedgekeurd. Na de goedkeuring worden exemplaren ondertekend door de voorzitter en zijn/haar tegenhanger van de andere partijen. Elke partij ontvangt een exemplaar van deze authentieke documenten. Een kopie van de ondertekende notulen wordt aan het secretariaat van het Handelscomité toegezonden.

Artikel 8

Actieplan

1.   Het SPS-subcomité stelt een actieplan vast met de door de partijen tijdens de vergadering overeengekomen acties.

2.   De tenuitvoerlegging van het actieplan wordt door het SPS-subcomité in zijn eerstvolgende vergadering geëvalueerd.

Artikel 9

Talen

1.   De officiële talen van het SPS-subcomité zijn de officiële talen van de partijen.

2.   Tenzij anders wordt besloten, gaat het SPS-subcomité voor zijn beraadslagingen uit van documentatie en voorstellen die zijn opgesteld in de in lid 1 bedoelde talen.

Artikel 10

Openbaarheid en vertrouwelijkheid

1.   De vergaderingen van het SPS-subcomité zijn niet openbaar, tenzij anders wordt besloten.

2.   Wanneer een partij informatie die zij ingevolge haar wet- en regelgeving als vertrouwelijk beschouwt, aan het SPS-subcomité of aan gespecialiseerde comités, werkgroepen of andere organen overlegt, wordt die informatie door de partijen vertrouwelijk behandeld overeenkomstig de regels van artikel 290, lid 2, van de overeenkomst.

Artikel 11

Kosten

1.   Elke partij draagt haar eigen personeels-, reis- en verblijfskosten en haar eigen kosten voor post en telecommunicatie in verband met de deelname aan vergaderingen van het SPS-subcomité.

2.   Kosten in verband met de organisatie van vergaderingen en de reproductie van documenten komen ten laste van de partij die als gastheer van de vergadering optreedt.

3.   De kosten voor de vertolking tijdens de vergaderingen en voor de vertaling van de documenten in of uit het Spaans en het Engels komen ten laste van de partij die als gastheer van de vergadering optreedt. Kosten voor vertolking en vertaling in of uit de andere talen komen ten laste van de verzoekende partij.

Artikel 12

Wijziging van het reglement van orde

Het reglement van orde, alsmede alle latere wijzigingen, wordt vastgesteld door het SPS-subcomité overeenkomstig artikel 103, lid 2, van de overeenkomst.


(1)   PB L 354 van 21.12.2012, blz. 3.


10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/24


BESLUIT VAN DE RAAD

van 8 juli 2014

betreffende de doorhaling van de naam van een rechter-plaatsvervanger bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie op de bij Besluit 2013/181/EU vastgestelde lijst

(2014/444/EU, Euratom)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 257,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,

Gezien het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie, en met name artikel 62 quater, tweede alinea,

Gezien Verordening (EU, Euratom) nr. 979/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 inzake rechter-plaatsvervangers bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie (1), en met name artikel 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij brief van 7 maart 2014 heeft de heer Haris TAGARAS ontslag genomen uit zijn ambt van rechter-plaatsvervanger bij het Gerecht voor ambtenarenzaken van de Europese Unie („Gerecht voor ambtenarenzaken”).

(2)

Verordening (EU, Euratom) nr. 979/2012 voorziet erin dat de naam van een rechter-plaatsvervanger op de lijst van rechter-plaatsvervangers wordt doorgehaald bij zijn ontslag.

(3)

Er dient derhalve een besluit te worden vastgesteld betreffende doorhaling van de naam van de heer Haris TAGARAS op de bij Besluit 2013/181/EU van de Raad (2) vastgestelde lijst van rechter-plaatsvervangers bij het Gerecht voor ambtenarenzaken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De naam van de heer Haris TAGARAS, voormalig rechter bij het Gerecht voor ambtenarenzaken, wordt doorgehaald op de bij artikel 1 van Besluit 2013/181/EU vastgestelde lijst van rechter-plaatsvervangers bij het Gerecht voor ambtenarenzaken.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

P. C. PADOAN


(1)   PB L 303 van 31.10.2012, blz. 83.

(2)  Besluit 2013/181/EU van de Raad van 22 april 2013 houdende vaststelling van een lijst van drie rechter-plaatsvervangers bij het Gerecht voor ambtenarenzaken (PB L 111 van 23.4.2013, blz. 49).


10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/25


BESLUIT VAN DE RAAD

van 8 juli 2014

houdende benoeming van twee Deense leden en zes Deense plaatsvervangers van het Comité van de Regio's

(2014/445/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Deense regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 en 18 januari 2010 heeft de Raad Besluit 2009/1014/EU (1) en Besluit 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld. Op 27 september 2010 heeft de Raad bij Besluit 2010/590/EU (3) mevrouw Kirstine Helene BILLE benoemd tot lid en de heren Steen Ole DAHLSTRØM en Carsten KISSMEYER-NIELSEN benoemd tot plaatsvervanger voor de periode tot en met 25 januari 2015. Op 11 februari 2014 heeft de Raad bij Besluit 2014/79/EU (4) de heer Simon Mønsted STRANGE benoemd tot lid en de heer Anker BOYE, mevrouw Jane FINDAHL, de heer Lars KRARUP en de heer Michael ZIEGLER benoemd tot plaatsvervanger voor de periode tot en met 25 januari 2015.

(2)

In het Comité van de Regio's zijn twee zetels van lid vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijnen van mevrouw Kirstine BILLE en de heer Simon Mønsted STRANGE.

(3)

Er zijn zes zetels van plaatsvervanger vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijnen van de heer Anker BOYE, de heer Steen Ole DAHLSTRØM, mevrouw Jane FINDAHL, de heer Carsten KISSMEYER-NIELSEN, de heer Lars KRARUP en de heer Michael ZIEGLER,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's worden de volgende personen benoemd voor de verdere duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2015:

a)

als lid:

de heer Jens Bo IVE, Mayor of Rudersdal Municipality

de heer Thomas Strecker Lerbak ADELSKOV, Mayor of Odsherred City Council

en

b)

als plaatsvervanger:

mevrouw Kirstine BILLE, Deputy Mayor of Syddjurs Municipality

de heer Henrik BRADE JOHANSEN, Member of Lyngby-Taarbaek City Council

mevrouw Lotte CEDERSKJOLD ENGSIG-KARUP, Member of Aarhus City Council and Member of the Aarhus Municipal Authority

de heer Per NØRHAVE, Member of Ringsted City Council

de heer Marc PERERA CHRISTENSEN, Deputy Mayor of Aarhus City Council, Member of Aarhus Municipal Corporation and Member of Aarhus City Council

de heer John SCHMIDT ANDERSEN, Mayor of Frederikssund Municipality.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

P. C. PADOAN


(1)   PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)   PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.

(3)   PB L 260 van 2.10.2010, blz. 20.

(4)   PB L 44 van 14.2.2014, blz. 48.


10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/27


BESLUIT VAN DE RAAD

van 8 juli 2014

houdende benoeming van twee Italiaanse leden van het Comité van de Regio's

(2014/446/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Italiaanse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009, respectievelijk 18 januari 2010 heeft de Raad Besluit 2009/1014/EU (1) en Besluit 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio's voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld. De heer Roberto COTA is op 3 juni 2010 bij Besluit 2010/311/EU van de Raad (3) benoemd tot lid voor de periode tot en met 25 januari 2015.

(2)

In het Comité van de Regio's zijn twee zetels van lid vrijgekomen door het verstrijken van het mandaat van de heren Giovanni CHIODI en Roberto COTA,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio's worden voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2015, benoemd tot lid:

de heer Luciano D'ALFONSO, Presidente della Regione Abruzzo

de heer Sergio CHIAMPARINO, Presidente della Regione Piemonte.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

P. C. PADOAN


(1)   PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)   PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.

(3)   PB L 140 van 8.6.2010, blz. 26.


10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/28


BESLUIT 2014/447/GBVB VAN DE RAAD

van 9 juli 2014

tot wijziging van Besluit 2013/354/GBVB betreffende de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse gebieden (EUPOL COPPS)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28, artikel 42, lid 4, en artikel 43, lid 2,

Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 3 juli 2013 heeft de Raad Besluit 2013/354/GBVB (1) betreffende de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse gebieden (EUPOL COPPS) vastgesteld, waarmee EUPOL COPPS met ingang van 1 juli 2013 verlengd werd. Dat besluit verstrijkt op 30 juni 2014. Het financiële referentiebedrag bestrijkt de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014.

(2)

EUPOL COPPS moet opnieuw met een periode van twaalf maanden worden verlengd, tot en met 30 juni 2015.

(3)

Besluit 2013/354/GBVB moet worden gewijzigd om de periode waarvoor het financiële referentiebedrag geldt, dienovereenkomstig te verlengen.

(4)

EUPOL COPPS zal worden uitgevoerd in een mogelijk verslechterende situatie die de verwezenlijking van de doelstellingen van het externe optreden van de Unie als geformuleerd in artikel 21 van het Verdrag kan hinderen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Besluit 2013/354/GBVB van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt vervangen door:

„Artikel 2

Missieverklaring

EUPOL COPPS draagt bij tot de totstandbrenging van een duurzame en doeltreffende politiële en bredere strafrechtelijke structuur onder Palestijns gezag die aan de hoogste internationale normen voldoet, in samenwerking met de programma's van de Unie voor institutionele opbouw en andere internationale inspanningen in de ruimere context van de veiligheidssector, met inbegrip van de hervorming van het strafrechtstelsel.

Daartoe zal EUPOL COPPS:

de Palestijnse civiele politie (PCP), conform de strategie voor de veiligheidssector, bijstaan bij de uitvoering van het strategisch plan van de PCP door advies en begeleiding te bieden, in het bijzonder aan hoge functionarissen op het niveau van de districten, het hoofdbureau en het ministerie;

door middel van advies en begeleiding, ook op ministerieel niveau, de strafrechtelijke instanties en de Palestijnse orde van advocaten bijstaan bij de uitvoering van de strategie voor de justitiële sector en de verschillende begeleidende institutionele plannen;

op gebieden die verband houden met EUPOL COPPS en ter bevordering van de doelstellingen ervan, in voorkomend geval, de bijstand en de projecten in verband met de PCP en strafrechtelijke instanties die door de Unie, de lidstaten en derde staten worden uitgevoerd, coördineren, faciliteren en van advies voorzien en haar eigen projecten omschrijven en uitvoeren.”.

2)

In artikel 11 wordt lid 5 vervangen door:

„5.   Het hoofd van de missie waarborgt de bescherming van gerubriceerde EU-informatie overeenkomstig Besluit 2013/488/EU van de Raad (*1).

(*1)  Besluit 2013/488/EU van de Raad van 23 september 2013 betreffende de beveiligingsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 274 van 15.10.2013, blz. 1).”."

3)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 11 bis

Wettelijke regelingen

EUPOL COPPS heeft de bevoegdheid diensten en leveringen aan te besteden, contracten en administratieve regelingen te sluiten, personeel in dienst te nemen, bankrekeningen te bezitten, eigendommen te verkrijgen of te vervreemden en haar schulden te vereffenen, en in rechte op te treden, zoals vereist om uitvoering te geven aan dit besluit.”.

4)

Artikel 12 wordt vervangen door:

„Artikel 12

Financiële regelingen

1.   Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met EUPOL COPPS voor de periode van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 bedraagt 9 570 000 EUR;

Het financiële referentiebedrag ter dekking van de uitgaven in verband met EUPOL COPPS voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 bedraagt 9 820 000 EUR.

2.   Alle uitgaven worden beheerd volgens de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Europese Unie. Onderdanen van derde landen mogen inschrijven op aanbestedingen. Met goedkeuring van de Commissie mag EUPOL COPPS technische regelingen sluiten met lidstaten, ontvangende partijen, deelnemende derde staten en andere internationale actoren over het leveren van uitrusting, diensten en lokalen aan EUPOL COPPS.

3.   EUPOL COPPS is verantwoordelijk voor de uitvoering van zijn begroting. Daartoe ondertekent EUPOL COPPS een overeenkomst met de Commissie.

4.   EUPOL COPPS is met ingang van 1 juli 2014 verantwoordelijk voor eventuele vorderingen en verplichtingen die uit de uitvoering van het mandaat voortvloeien, met uitzondering van eventuele vorderingen die verband houden met ernstig wangedrag van het hoofd van de missie, waarvoor hij/zij de verantwoordelijkheid draagt.

5.   De uitvoering van de financiële regelingen laat de commandostructuur vastgelegd in de artikelen 4, 5 en 6, alsmede de operationele vereisten van EUPOL COPPS, met inbegrip van de verenigbaarheid van uitrusting en de interoperabiliteit van haar teams, onverlet.

6.   De uitgaven komen voor financiering in aanmerking vanaf 9 juli 2014.”.

5)

In artikel 13, leden 1 en 2, worden de woorden „Besluit 2011/292/EU” vervangen door de woorden „Besluit 2013/488/EU”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Het is van toepassing met ingang van 1 juli 2014.

Gedaan te Brussel, 9 juli 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

S. GOZI


(1)  Besluit 2013/354/GBVB van de Raad van 3 juli 2013 betreffende de politiemissie van de Europese Unie voor de Palestijnse gebieden (EUPOL COPPS) (PB L 185 van 4.7.2013, blz. 12).


10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/31


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 8 juli 2014

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU wat betreft Afrikaanse varkenspest in Letland

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 4925)

(Voor de EER relevante tekst)

(2014/448/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 89/662/EEG van de Raad van 11 december 1989 inzake veterinaire controles in het intracommunautaire handelsverkeer in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (2), en met name artikel 10, lid 4,

Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (3), en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/60/EG van de Raad (4) bevat de in de Unie toe te passen minimummaatregelen om Afrikaanse varkenspest te bestrijden, waaronder de maatregelen die moeten worden genomen bij een uitbraak van Afrikaanse varkenspest, met name in geval van vermoedelijke en van bevestigde aanwezigheid van Afrikaanse varkenspest bij wilde varkens.

(2)

Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU van de Commissie (5) werd vastgesteld naar aanleiding van de aanwezigheid van Afrikaanse varkenspest in bepaalde lidstaten. Bij dat besluit zijn beperkingsgebieden afgebakend, die in de bijlage bij dat besluit in een lijst zijn opgenomen naargelang het risiconiveau, waarbij rekening wordt gehouden met de epizoötiologische situatie. Bij dat besluit zijn tevens veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld betreffende de verplaatsing en de verzending van en het aanbrengen van merken op varkens en bepaalde varkensproducten uit die getroffen lidstaten om te voorkomen dat die ziekte zich naar andere gebieden van de Unie uitbreidt.

(3)

Op 26 juni 2014 zijn in Letland gevallen van Afrikaanse varkenspest bij wilde varkens, meer bepaald bij everzwijnen, gemeld, veroorzaakt door de insleep van het Afrikaansevarkenspestvirus vanuit aangrenzende derde landen waar die ziekte aanwezig is. Er is tevens melding gemaakt van de insleep van het virus in twee kleine landbouwbedrijven met een laag bioveiligheidsniveau in hetzelfde gebied. Met deze uitbraken, samen met het aantal gevallen bij everzwijnen in aan de buitengrens van de Unie grenzende gebieden, moet rekening worden gehouden bij de beoordeling van het risico dat de huidige epizoötiologische situatie meebrengt. Om de bestrijdingsmaatregelen gericht te kunnen nemen en de verspreiding van de ziekte en het onnodig verstoren van de handel in de Unie te voorkomen en te vermijden dat derde landen ongerechtvaardigde handelsbelemmeringen opwerpen, moet met spoed een EU-lijst van besmette gebieden in Letland worden opgesteld op basis van het risico dat de ziekte voor de Unie inhoudt en in samenwerking met de betrokken lidstaat.

(4)

Derhalve moet Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU worden gewijzigd om de desbetreffende gebieden in Letland op te nemen in deel I en deel II van de bijlage daarbij.

(5)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 8 juli 2014.

Voor de Commissie

Tonio BORG

Lid van de Commissie


(1)   PB L 395 van 30.12.1989, blz. 13.

(2)   PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.

(3)   PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(4)  Richtlijn 2002/60/EG van de Raad van 27 juni 2002 houdende vaststelling van specifieke bepalingen voor de bestrijding van Afrikaanse varkenspest en houdende wijziging van Richtlijn 92/119/EEG met betrekking tot besmettelijke varkensverlamming (Teschenerziekte) en Afrikaanse varkenspest (PB L 192 van 20.7.2002, blz. 27).

(5)  Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU van de Commissie van 27 maart 2014 betreffende maatregelen op het gebied van de diergezondheid in verband met Afrikaanse varkenspest in sommige lidstaten (PB L 95 van 29.3.2014, blz. 47).


BIJLAGE

De bijlage bij Uitvoeringsbesluit 2014/178/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In deel I wordt het volgende punt toegevoegd:

„3.   Letland

De volgende gebieden in Letland:

 

In de novads (het district) Rēzeknes, de pagasti (gemeenten) Stoļerovas, Griškānu, Čornajas, Lūznavas, Maltas, Feimaņu, Silmalas en Ozolaines.

 

In de novads Riebiņi, de pagasti Riebiņu, Rušonas en Silajāņu.

 

In de novads Preiļi, de pagasti Pelēču, Preiļu en Aizkalnes.

 

In de novads Ludza, de pagasti Cirmas, Pureņu, Ņukšu, Isnaudas, Pildas, Nirzas en Briģu.

 

In de novads Zilupe, de pagasti Lauderu en Zaļesjes.

 

In de novads Daugavpils, de pagasti Dubnas, Višķu, Ambeļu, Biķernieku, Naujenes, Salienas, Vecsalienas, Skrudalienas, Demenes, Laucesas, Tabores en Maļinovas.

 

De hele novads Ciblas.”.

2)

In deel II wordt het volgende punt toegevoegd:

„3.   Letland

De volgende gebieden in Letland:

 

In de novads Rēzeknes, de pagasti Pušas, Mākoņkalna en Kaunatas.

 

De hele novads Dagdas.

 

In de novads Aglonas, de pagasti Šķeltovas, Grāveru en Kastuļinas.

 

De hele novads Krāslavas.

 

In de novads Ludza, de pagasti Rundēnu en Istras.

 

In de novads Zilupe, de pagasts Pasienas.”.


III Andere handelingen

EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE

10.7.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/33


BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA

Nr. 170/14/COL

van 24 april 2014

inzake de IJslandse regionalesteunkaart 2014-2020 (IJsland)

De Toezichthoudende Autoriteit van de EVA („de Autoriteit”)

Gezien:

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 61, 62 en 63 en Protocol nr. 26,

De Overeenkomst tussen de EVA-Staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna „de Toezichtovereenkomst” genoemd), en met name artikel 24,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   Procedure

(1)

Bij brief van 4 april 2014 hebben de IJslandse autoriteiten overeenkomstig punt 156 van de richtsnoeren van de Autoriteit inzake regionale steunmaatregelen 2014-2020 (hierna de „richtsnoeren regionale steun” genoemd) hun regionalesteunkaart vastgesteld die van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020 zal gelden (hierna de „regionalesteunkaart” genoemd) (1). Volgens deze richtsnoeren moeten de EVA-staten die voornemens zijn om regionale steun toe te kennen, regionalesteunkaarten aanmelden.

(2)

In dit besluit beoordeelt de Autoriteit de verenigbaarheid van de aangemelde kaart met de richtsnoeren regionale steun in overeenstemming met punt 157 van deze richtsnoeren. De kaart zelf houdt geen staatssteun in de zin van artikel 61 van de EER-overeenkomst in. De goedkeuring van de kaart door de Autoriteit vormt geen toestemming om steun te verlenen. De goedgekeurde steunkaart vormt, samen met de richtsnoeren regionale steun, echter wel het kader voor de toekenning van regionale investeringssteun. In dat opzicht maakt de kaart integrerend deel uit van de richtsnoeren regionale steun (2).

2.   Regio's die op grond van het criterium van de bevolkingsdichtheid in aanmerking komen

2.1.   Nationaal bevolkingsaandeel en statistische regio's in IJsland

(3)

In de richtsnoeren regionale steun werd een nationaal bevolkingsaandeel van steungebieden in de EVA-staten vastgelegd. Het nationaal bevolkingsaandeel voor IJsland voor 2014-2020 bedraagt 36,5 % (3).

(4)

IJsland is opgesplitst in twee statistische regio's (4) op niveau 3:

de hoofdstedelijke regio (Höfuðborgarsvæðið), en

IJsland buiten de hoofdstedelijke regio (Landsbyggð).

2.2.   De aangemelde steunkaart

(5)

Gezien het betrekkelijk hoge bbp per hoofd van de bevolking komt geen enkele IJslandse regio in aanmerking voor de afwijking van artikel 61, lid 3, onder a), van de EER-overeenkomst (5).

(6)

De IJslandse autoriteiten hebben IJsland buiten de hoofdstedelijke regio op basis van de lage bevolkingsdichtheid aangemeld als regio die voor een afwijking op grond van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst in aanmerking komt (6).

(7)

De IJslandse autoriteiten hebben een steunkaart overgelegd met de gebieden die in aanmerking komen voor steun (opgenomen in de bijlage bij dit besluit). Het steungebied, IJsland buiten de hoofdstedelijke regio, bestrijkt een oppervlakte van 99 258 km2.

(8)

IJsland buiten de hoofdstedelijke regio is een statistische regio van niveau 3 met minder dan 12,5 inwoners per km2. Daarom wordt het steungebied als een dunbevolkt gebied beschouwd (7).

(9)

Op 1 januari 2014 bedroeg de totale bevolking van IJsland 325 671 inwoners. Volgens de meest recente gegevens gepubliceerd door het nationale bureau voor de statistiek bedraagt de totale bevolking van het gebied dat voor de aangemelde regionalesteunkaart in aanmerking komt, 116 919 inwoners (8). Bijgevolg maakt het bevolkingsaantal dat in de aangemelde regionalesteunkaart is opgenomen, 35,9 % van de IJslandse bevolking uit. Dit percentage is lager dan het nationale bevolkingsaantal voor IJsland in de richtsnoeren regionale steun (36,5 %) (9).

2.3.   Overzicht van de in de aangemelde regionalesteunkaart opgenomen gemeenten

(10)

Het aantal gemeenten dat in de aangemelde regionalesteunkaart is opgenomen, bedraagt 67.

Gemeenten

Gemeentecode

Reykjanesbær

2000

Grindavíkurbær

2300

Sandgerðisbær

2503

Sveitarfélagið Garður

2504

Sveitarfélagið Vogar

2506

Akraneskaupstaður

3000

Skorradalshreppur

3506

Hvalfjarðarsveit

3511

Borgarbyggð

3609

Grundarfjarðarbær

3709

Helgafellssveit

3710

Stykkishólmsbær

3711

Eyja- og Miklaholtshreppur

3713

Snæfellsbær

3714

Dalabyggð

3811

Bolungarvíkurkaupstaður

4100

Ísafjarðarbær

4200

Reykhólahreppur

4502

Tálknafjarðarhreppur

4604

Vesturbyggð

4607

Súðavíkurhreppur

4803

Árneshreppur

4901

Kaldrananeshreppur

4902

Strandabyggð

4911

Sveitarfélagið Skagafjörður

5200

Húnaþing vestra

5508

Blönduósbær

5604

Sveitarfélagið Skagaströnd

5609

Skagabyggð

5611

Húnavatnshreppur

5612

Akrahreppur

5706

Akureyrarkaupstaður

6000

Norðurþing

6100

Fjallabyggð

6250

Dalvíkurbyggð

6400

Eyjafjarðarsveit

6513

Hörgársveit

6515

Svalbarðsstrandarhreppur

6601

Grýtubakkahreppur

6602

Skútustaðahreppur

6607

Tjörneshreppur

6611

Þingeyjarsveit

6612

Svalbarðshreppur

6706

Langanesbyggð

6709

Seyðisfjarðarkaupstaður

7000

Fjarðabyggð

7300

Vopnafjarðarhreppur

7502

Fljótsdalshreppur

7505

Borgarfjarðarhreppur

7509

Breiðdalshreppur

7613

Djúpavogshreppur

7617

Fljótsdalshérað

7620

Sveitarfélagið Hornafjörður

7708

Vestmannaeyjabær

8000

Sveitarfélagið Árborg

8200

Mýrdalshreppur

8508

Skaftárhreppur

8509

Ásahreppur

8610

Rangárþing eystra

8613

Rangárþing ytra

8614

Hrunamannahreppur

8710

Hveragerðisbær

8716

Sveitarfélagið Ölfus

8717

Grímsnes- og Grafningshreppur

8719

Skeiða- og Gnúpverjahreppur

8720

Bláskógabyggð

8721

Flóahreppur

8722

(11)

In de tabel hieronder staat een overzicht van alle gemeenten, tezamen met de in de regionalesteunkaart opgenomen gemeentecodes (10).

3.   Steunintensiteiten

(12)

In het in aanmerking komende gebied zal een algemeen steunplafond van 15 % brutosubsidie-equivalent (BSE) gelden. Dit zal worden aangevuld met een verhoging van 20 % voor kleine ondernemingen of 10 % voor middelgrote ondernemingen. Deze steunintensiteiten zijn in overeenstemming met de drempels die in de punten 154 en 155 van de richtsnoeren regionale steun zijn vastgesteld.

4.   Duur en herziening

(13)

In overeenstemming met punt 156 van de richtsnoeren regionale steun zal de aangemelde steunkaart van 1 juli 2014 tot en met 31 december 2020 geldig zijn. Indien nodig kan de aangemelde steunkaart, zoals bepaald in punt 161 van de richtsnoeren regionale steun, in juni 2016 aan een tussentijdse evaluatie worden onderworpen om vast te stellen welke gebieden in aanmerking kunnen komen voor regionale steun op grond van artikel 61, lid 3, onder a), van de EER-overeenkomst en wat de hoogte is van de steunintensiteit die overeenstemt met hun bbp per hoofd van de bevolking.

(14)

Bovendien doet dit besluit niets af aan de bevoegdheid van de Autoriteit om de kaart overeenkomstig artikel 1, lid 1, van deel I van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst zo nodig vóór het eind van deze periode te herzien.

5.   Conclusie — de regionalesteunkaart is verenigbaar met de richtsnoeren regionale steun

(15)

Op basis van bovenstaande beoordeling is de Autoriteit van mening dat de IJslandse regionalesteunkaart voor de periode 2014-2020 verenigbaar is met de beginselen die zijn neergelegd in de richtsnoeren regionale steun, aangezien het bestreken gebied het in punt 142 van de richtsnoeren regionale steun bepaalde in aanmerking komende aandeel van de bevolking niet overschrijdt,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De IJslandse regionalesteunkaart voor de periode 2014-2020 is verenigbaar met de beginselen die zijn neergelegd in de richtsnoeren regionale steun. De steunkaart, zoals vastgesteld in de bijlage bij dit besluit, maakt integrerend deel uit van de richtsnoeren regionale steun.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot Republiek IJsland.

Artikel 3

Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.

Gedaan te Brussel, 24 april 2014.

Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA

Oda Helen SLETNES

De voorzitter

Frank BÜCHEL

Lid van het College


(1)  Goedgekeurd bij Besluit nr. 407/13/COL van 23.10.2013.

(2)  Richtsnoeren regionale steun, punt 157.

(3)  Richtsnoeren regionale steun, punt 142. In overeenstemming met punt 140 van de richtsnoeren regionale steun is het bevolkingsaantal in het steungebied kleiner dan in de niet voor steun in aanmerking komende gebieden.

(4)  Richtsnoeren regionale steun, punt 142.

(5)  Richtsnoeren regionale steun, punten 142 bis en 143-144.

(6)  Richtsnoeren regionale steun, punten 148 en 149.

(7)  Richtsnoeren regionale steun, punt 149.

(8)  De door de IJslandse autoriteiten verstrekte informatie is beschikbaar op: http://www.hagstofa.is/?PageID=2593&src=https://rannsokn.hagstofa.is/pxis/Dialog/varval.asp?ma=MAN02005 %26ti=Mannfj %F6ldi+eftir+kyni %2C+aldri+og+sveitarf %E9 l %F6gum+1998 %2D2013+ %2D+Sveitarf %E9lagaskipan+1 %2E+jan %FAar+2014 %26path=../Database/mannfjoldi/sveitarfelog/ %26lang=3 %26units=Fjöldi

(9)  Richtsnoeren regionale steun, punt 142.

(10)  Zie de steunkaart in de bijlage bij dit besluit.


BIJLAGE

Image 1

Regionalesteunkaart voor IJsland 1 juli 2014-31 december 2020

Overeenkomstig het voorstel komt het groene gebied voor regionale steun in aanmerking