ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 190

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
28 juni 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Kennisgeving van de inwerkingtreding van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Volksrepubliek China uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie

1

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 713/2014 van de Raad van 24 juni 2014 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1388/2013 betreffende de opening en het beheer van autonome tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde landbouw- en industrieproducten

2

 

*

Verordening (EU) nr. 714/2014 van de Commissie van 25 juni 2014 tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en de Middellandse Zee door vaartuigen die de vlag van Griekenland voeren

6

 

*

Verordening (EU) nr. 715/2014 van de Commissie van 26 juni 2014 tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw met betrekking tot de lijst van kenmerken die worden verzameld bij de landbouwstructuurenquêtes van 2016 ( 1 )

8

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 716/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 betreffende de vaststelling van het gemeenschappelijk proefproject ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het Europese masterplan voor luchtverkeersbeheer ( 1 )

19

 

*

Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector

45

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 718/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 669/2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong ( 1 )

55

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 719/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

63

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 720/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 betreffende de toekenning van rechten tot invoer voor de aanvragen die voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 431/2008 geopende tariefcontingent voor bevroren rundvlees

65

 

 

BESLUITEN

 

 

2014/404/EU

 

*

Besluit van de Raad van 20 juni 2014 tot intrekking van Besluit 2010/282/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Oostenrijk

66

 

 

2014/405/EU

 

*

Besluit van de Raad van 20 juni 2014 tot intrekking van Besluit 2010/284/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in de Tsjechische Republiek

69

 

 

2014/406/EU

 

*

Besluit van de Raad van 20 juni 2014 tot intrekking van Besluit 2010/407/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Denemarken

71

 

 

2014/407/EU

 

*

Besluit van de Raad van 20 juni 2014 tot intrekking van Besluit 2010/287/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Nederland

73

 

 

2014/408/EU

 

*

Besluit van de Raad van 20 juni 2014 tot intrekking van Besluit 2010/290/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slowakije

76

 

 

2014/409/EU

 

*

Besluit van de Raad van 23 juni 2014 over het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité van de EER inzake een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

78

 

 

2014/410/EU

 

*

Besluit van de Raad van 24 juni 2014 betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in België

80

 

 

2014/411/EU

 

*

Besluit van de Raad van 24 juni 2014 houdende benoeming van een Belgisch lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

82

 

 

2014/412/EU

 

*

Besluit van de Raad van 24 juni 2014 houdende benoeming van een Duits lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

83

 

 

2014/413/EU

 

*

Besluit van de Raad van 24 juni 2014 houdende benoeming van een Oostenrijks lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

84

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/1


Kennisgeving van de inwerkingtreding van de Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Volksrepubliek China uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie

De op 9 september 2013 in Brussel ondertekende Overeenkomst in de vorm van een briefwisseling tussen de Europese Unie en de Volksrepubliek China uit hoofde van artikel XXIV, lid 6, en artikel XXVIII van de Algemene Overeenkomst inzake Tarieven en Handel (GATT) 1994 betreffende de wijziging van de concessies die vervat zijn in de lijsten van verbintenissen van de Republiek Bulgarije en Roemenië, in verband met hun toetreding tot de Europese Unie (1), treedt op 1 juli 2014 in werking.


(1)   PB L 64 van 4.3.2014, blz. 2.


VERORDENINGEN

28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/2


VERORDENING (EU) Nr. 713/2014 VAN DE RAAD

van 24 juni 2014

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1388/2013 betreffende de opening en het beheer van autonome tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde landbouw- en industrieproducten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 31,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Teneinde een voldoende en ononderbroken aanvoer van bepaalde goederen die in de Unie in onvoldoende hoeveelheden worden geproduceerd, te waarborgen en verstoringen van de markt voor bepaalde landbouw- en industrieproducten te voorkomen, zijn bij Verordening (EU) nr. 1388/2013 (1) van de Raad autonome tariefcontingenten geopend. Binnen de grenzen van deze tariefcontingenten kunnen de betrokken producten tegen een verminderd recht of een nulrecht in de Unie worden ingevoerd. Om voornoemde redenen dienen voor zes bijkomende producten met ingang van 1 juli 2014 voor een passende hoeveelheid tariefcontingenten met nulrecht te worden geopend.

(2)

Daarnaast dienen de bestaande autonome tariefcontingenten van de Unie in bepaalde gevallen te worden aangepast. In twee gevallen moet de productomschrijving worden gewijzigd om redenen van duidelijkheid en om rekening te houden met de laatste productontwikkelingen. In een ander geval moet een van de Taric-codes worden geschrapt omdat de dubbele indeling achterhaald is, en in nog drie andere gevallen moet de omvang van de contingenten worden verhoogd omdat dat in het belang van de marktdeelnemers en van de Unie is.

(3)

In twee gevallen, ten slotte, moeten de autonome tariefcontingenten van de Unie worden gesloten met ingang van 1 juli 2014 respectievelijk 1 januari 2015 omdat het niet in het belang van de Unie is om die contingenten na de desbetreffende datum te handhaven.

(4)

Verordening (EU) nr. 1388/2013 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(5)

Aangezien de bij deze verordening vastgestelde aanpassingen van de autonome tariefcontingenten op 1 juli 2014 van kracht moeten worden, moet deze verordening ook vanaf die datum van toepassing worden en op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De tabel in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1388/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De rijen voor de tariefcontingenten met de volgnummers 09.2830, 09.2831, 09.2832, 09.2834, 09.2835 en 09.2836 in bijlage I bij deze verordening worden ingevoegd in de volgorde van de GN-codes in de tweede kolom van de tabel in de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1388/2013.

2)

De rijen voor de tariefcontingenten met de volgnummers 09.2629, 09.2631, 09.2639, 09.2668, 09.2669, 09.2806 en 09.2818 worden vervangen door de rijen in bijlage II bij deze verordening.

3)

De rij voor het tariefcontingent met volgnummer 09.2930 wordt geschrapt.

4)

De rij voor het tariefcontingent met volgnummer 09.2639 wordt geschrapt.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2014, met uitzondering van artikel 1, punt 4, dat van toepassing zal zijn met ingang van 1 januari 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 24 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

E. VENIZELOS


(1)  Verordening (EU) nr. 1388/2013 van de Raad van 17 december 2013 betreffende de opening en het beheer van autonome tariefcontingenten van de Unie voor bepaalde landbouw- en industrieproducten en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 7/2010 (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 319).


BIJLAGE I

TARIEFCONTINGENTEN BEDOELD IN ARTIKEL 1, PUNT 1

Volg-nummer

GN-code

Taric

Omschrijving

Contingentperiode

Omvang van het contingent

Recht van het contingent (%)

09.2830

ex 2906 19 00

40

Cyclopropylmethanol (CAS RN 2516-33-8)

1.7.-31.12

10 t

0

09.2831

ex 2932 99 00

40

1,3:2,4-bis-O-(3,4-dimethylbenzylideen)-D-glucitol (CAS RN 135861-56-2)

1.7.-31.12

300 t

0

09.2832

ex 3808 92 90

40

Preparaat bevattende 38 gewichtspercenten of meer, maar niet meer dan 50 gewichtspercenten van pyrithionzink (INN) (CAS RN 13463-41-7) op basis van een waterige dispersie

1.7.-31.12

250 t

0

09.2834

ex 7604 29 10

20

Staven van aluminiumlegering met een diameter van 200 mm of meer, maar niet meer dan 300 mm

1.7.-31.12

500 t

0

09.2835

ex 7604 29 10

30

Staven van aluminiumlegering met een diameter van 300,1 mm of meer, maar niet meer dan 533,4 mm

1.7.-31.12

250 t

0

09.2836

ex 9003 11 00

ex 9003 19 00

10

20

Brilmonturen van kunststof of onedel metaal, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van glas voor het verbeteren van de gezichtsscherpte (1)

1.7.-31.12

2 900 000 stuks

0


(1)  De rechten worden geschorst overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 291 t/m 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).


BIJLAGE II

TARIEFCONTINGENTEN BEDOELD IN ARTIKEL 1, PUNT 2

Volg-nummer

GN-code

Taric

Omschrijving

Contingentperiode

Omvang van het contingent

Recht van het contingent (%)

09.2806

ex 2825 90 40

30

Wolfraamtrioxide, met inbegrip van wolfraamoxide(blauw) (CAS RN 1314-35-8 of AS RN 39318-18-8)

1.1.-31.12

12 000  t

0

09.2639

3905 30 00

 

Poly(vinylalcohol), ook indien niet-gehydrolyseerde acetaatgroepen bevattend

1.1.-31.12

18 000  t

0

09.2818

ex 6902 90 00

10

Vuurvaste stenen met

een kantlengte van meer dan 300 mm en

een gehalte aan TiO2 van niet meer dan 1 gewichtspercent en

een gehalte aan Al2O3 van niet meer dan 0,4 gewichtspercent en

een volumewijziging van minder dan 9 % bij 1700 °C

1.1.-31.12

225 t

0

09.2629

ex 8302 49 00

91

Telescopische handgrepen van aluminium, bestemd om te worden gebruikt bij de vervaardiging van reisartikelen (1)

1.7.-31.12

800 000 stuks

0

09.2668

ex 8714 91 10

ex 8714 91 10

21

31

Fietsframes, vervaardigd van koolstofvezels en kunsthars, geverfd, gelakt en/of gepolijst, bestemd voor gebruik bij de vervaardiging van fietsen (1)

1.1.-31.12

125 000 stuks

0

09.2669

ex 8714 91 30

ex 8714 91 30

21

31

Voorvorken voor fietsen, vervaardigd van koolstofvezels en kunsthars, geverfd, gelakt en/of gepolijst, bestemd voor de vervaardiging van fietsen (1)

1.1.-31.12

97 000 stuks

0

09.2631

ex 9001 90 00

80

Niet gemonteerde lenzen, prisma's en gekitte elementen, van glas, bestemd voor de vervaardiging of reparatie van producten bedoeld bij de GN-codes 9002 , 9005 , 9013 10 en 9015  (1)

1.1.-31.12

5 000 000 stuks

0


(1)  De rechten worden geschorst overeenkomstig het bepaalde in de artikelen 291 t/m 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/6


VERORDENING (EU) Nr. 714/2014 VAN DE COMMISSIE

van 25 juni 2014

tot vaststelling van een verbod op de visserij op blauwvintonijn in de Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en de Middellandse Zee door vaartuigen die de vlag van Griekenland voeren

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 43/2014 van de Raad (2) zijn quota voor 2014 vastgesteld.

(2)

Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar zijn geregistreerd, het betrokken, voor 2014 toegewezen quotum is opgebruikt.

(3)

Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Het opgebruiken van het quotum

Het quotum dat voor 2014 aan de in de bijlage bij deze verordening bedoelde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.

Artikel 2

Verbodsbepalingen

De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juni 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Lowri EVANS

Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 43/2014 van de Raad van 20 januari 2014 tot vaststelling, voor 2014, van de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 24 van 28.1.2014, blz. 1).


BIJLAGE

Nr.

07/TQ43

Lidstaat

Griekenland

Bestand

BFT/AE45WM

Soort

Blauwvintonijn (Thunnus thynnus)

Gebied

Atlantische Oceaan, ten oosten van 45° WL, en Middellandse Zee

Datum van sluiting

28.3.2014


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/8


VERORDENING (EU) Nr. 715/2014 VAN DE COMMISSIE

van 26 juni 2014

tot wijziging van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw met betrekking tot de lijst van kenmerken die worden verzameld bij de landbouwstructuurenquêtes van 2016

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1166/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende enquêtes naar de structuur van de landbouwbedrijven en de enquête naar de productiemethoden in de landbouw (1), en met name artikel 7, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1166/2008 voorziet tot 2016 in een programma van enquêtes over de structuur van landbouwbedrijven.

(2)

Er moeten gegevens worden verzameld over de uitvoering van de maatregelen in verband met de herziening van het gemeenschappelijk landbouwbeleid na 2013. Daarnaast moeten er gegevens worden verzameld over de uitvoering van de maatregelen in verband met de plattelandsontwikkeling (2).

(3)

Er is een gebrek aan statistische informatie over het gebruik van voedingsstoffen, irrigatie en productiemethoden in de landbouw gekoppeld aan structurele gegevens op het niveau van de afzonderlijke bedrijven. Daarom moet de verzameling van informatie over het gebruik van voedingstoffen en water en over de productiemethoden op landbouwbedrijven worden verbeterd, moeten aanvullende statistieken ten behoeve van de ontwikkeling van het agromilieubeleid worden verstrekt en moet de kwaliteit van de agromilieu-indicatoren worden verbeterd.

(4)

De wijziging van de lijst van kenmerken is gebaseerd op het beginsel dat de algehele last in evenwicht moet blijven, aangezien de variabelen die overbodig zijn geworden vanwege veranderingen in gerelateerde wetgeving, of variabelen die in 2016 eenmalig zijn weggelaten, zijn geschrapt terwijl er andere variabelen zijn toegevoegd, met name ten gevolge van de groeiende en veranderende behoeften aan statistische landbouwinformatie in verband met het nieuwe gemeenschappelijke landbouwbeleid tegen 2020, voornamelijk met betrekking tot de verbetering van de ecologische prestaties ervan en de behoefte aan gerelateerde agrimilieugegevens, waarbij er ook rekening mee wordt gehouden dat het niveau van de financiële bijdrage van de EU aan de enquête gelijk blijft.

(5)

Verordening (EG) nr. 1166/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de landbouwstatistiek,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1166/2008 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 26 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 321 van 1.12.2008, blz. 14.

(2)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).


BIJLAGE

„BIJLAGE III

Lijst van in de landbouwstructuurenquête van 2016 op te nemen kenmerken

KENMERKEN

EENHEDEN/CATEGORIEËN

I.   Algemene kenmerken

Ligging van het bedrijf (1)

 

– –

NUTS (2) 3-regio

NUTS 3-code

– –

Ligt het bedrijf in een achtergebleven gebied?

L/M/N (3)

Rechtspersoonlijkheid van het bedrijf

 

– –

Is het bedrijf een eenheid op gemeenschappelijke grond?

ja/nee

– –

Berusten de juridische en economische aansprakelijkheid voor het bedrijf bij:

 

– – –

een natuurlijke persoon die „enig bedrijfshoofd” op een zelfstandig bedrijf is?

ja/nee

– – – –

Als het antwoord op de vorige vraag „ja” is, is deze persoon (het bedrijfshoofd) tevens de bedrijfsleider?

ja/nee

– – – – –

Als deze persoon niet de bedrijfsleider is, is de bedrijfsleider een familielid van het bedrijfshoofd?

ja/nee

– – – – –

Als de bedrijfsleider een familielid van het bedrijfshoofd is, is de bedrijfsleider de echtgenoot/echtgenote van het bedrijfshoofd?

ja/nee

– – –

een of meer natuurlijke personen die partners zijn op een bedrijf met meerhoofdige bedrijfsvoering?

ja/nee

– – –

een rechtspersoon?

ja/nee

Exploitatievorm (vanuit het standpunt van het bedrijfshoofd) en bedrijfssysteem

 

– –

Oppervlakte cultuurgrond:

 

– – –

in eigendom

ha

– – –

in pacht

ha

– – –

in deelpacht of andere exploitatievorm

ha

– – –

gemeenschappelijke grond

ha

Biologische landbouw

 

– –

Wordt biologische landbouw toegepast op het bedrijf?

ja/nee

– –

Bijzonderheden (4)

 

– – –

Totale oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf waarop biologische landbouwproductiemethoden worden toegepast die volgens nationale of EU-regels worden gecertificeerd

ha

– – –

Totale oppervlakte cultuurgrond van het bedrijf waarop wordt overgeschakeld op biologische landbouwproductiemethoden die volgens nationale of EU-regels zullen worden gecertificeerd

ha

– – –

Areaal van het bedrijf waarop hetzij biologische landbouwproductiemethoden worden toegepast die volgens nationale of EU-regels worden gecertificeerd, hetzij wordt overgeschakeld op biologische landbouwproductiemethoden die volgens nationale of EU-regels zullen worden gecertificeerd:

 

– – – –

Granen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad)

ha

– – – –

Drooggeoogste peulvruchten en eiwitrijke gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)

ha

– – – –

Aardappelen (inclusief primeurs en pootaardappelen)

ha

– – – –

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

ha

– – – –

Oliehoudende gewassen

ha

– – – –

Verse groenten, meloenen en aardbeien

ha

– – – –

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

ha

– – – –

Boomgaarden en kleinfruit

ha

– – – –

Citrusvruchtaanplantingen

ha

– – – –

Olijfboomgaarden

ha

– – – –

Wijngaarden

ha

– – – –

Andere gewassen (vezelgewassen enz.) inclusief weiden met geringe opbrengst

ha

– – –

Biologische productiemethoden toegepast op de dierlijke productie en gecertificeerd volgens nationale of EU-regels:

 

– – – –

Runderen

stuks

– – – –

Varkens

stuks

– – – –

Schapen en geiten

stuks

– – – –

Pluimvee

stuks

– – – –

Andere dieren

ja/nee

– –

Bestemming van de productie van het bedrijf:

 

– – –

Huishouden verbruikt meer dan 50 % van de waarde van de eindproductie van het bedrijf

ja/nee

– – –

Directe verkoop aan de eindconsument maakt meer dan 50 % van de totale verkoop van het bedrijf uit

ja/nee

II.   Grond

Bouwland

 

– –

Granen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad):

 

– – –

Zachte tarwe en spelt

ha

– – –

Harde tarwe

ha

– – –

Rogge

ha

– – –

Gerst

ha

– – –

Haver

ha

– – –

Korrelmais

ha

– – –

Rijst

ha

– – –

Overige granen voor korrelwinning

ha

– –

Drooggeoogste peulvruchten en eiwitrijke gewassen voor korrelwinning (inclusief zaaizaad en mengsels van granen en peulvruchten)

ha

– – –

waarvan erwten, veldbonen en niet-bittere lupinen

ha

– –

Aardappelen (inclusief primeurs en pootaardappelen)

ha

– –

Suikerbieten (exclusief zaaizaad)

ha

– –

Voederhakvruchten (exclusief zaaizaad)

ha

– –

Handelsgewassen:

 

– – –

Tabak

ha

– – –

Hop

ha

– – –

Katoen

ha

– – –

Kool- en raapzaad

ha

– – –

Zonnebloemen

ha

– – –

Sojabonen

ha

– – –

Lijnzaad

ha

– – –

Andere oliehoudende gewassen

ha

– – –

Vlas

ha

– – –

Hennep

ha

– – –

Andere vezelgewassen

ha

– – –

Aromatische planten, geneeskrachtige kruiden en specerijen

ha

– – –

Andere handelsgewassen, niet elders genoemd

ha

– –

Verse groenten, meloenen en aardbeien, waarvan:

 

– – –

In de openlucht of onder lage (niet-betreedbare) beschermingsafdekking

ha

– – – –

Akkerbouwmatig geteeld

ha

– – – –

Tuinbouwmatig geteeld

ha

– – –

Onder glas of andere hoge (betreedbare) beschermingsinstallatie

ha

– –

Bloemen en sierplanten (exclusief boomkwekerijgewassen):

 

– – –

In de openlucht of onder lage (niet-betreedbare) beschermingsafdekking

ha

– – –

Onder glas of andere hoge (betreedbare) beschermingsinstallatie

ha

– –

Groen geoogste gewassen:

 

– – –

Tijdelijk grasland

ha

– – –

Andere groen geoogste gewassen:

 

– – – –

Voedermaïs

ha

– – – –

Peulvruchten

ha

– – – –

Andere groen geoogste gewassen, niet elders genoemd

ha

– –

Zaaizaad en zaailingen op bouwland

ha

– –

Andere gewassen op bouwland

ha

– –

Braakland

ha

Tuinen voor eigen gebruik

ha

Blijvend grasland

ha

– –

Grasland, exclusief weiden met geringe opbrengst

ha

– –

Weiden met geringe opbrengst

ha

– –

Blijvend grasland dat niet langer voor productiedoeleinden wordt gebruikt en voor financiële steun in aanmerking komt

ha

Meerjarige teelten

 

– –

Boomgaarden en kleinfruit

ha

– – –

Fruit, waarvan:

ha

– – – –

Fruit van gematigde breedten

ha

– – – –

Fruit van subtropische breedten

ha

– – –

Kleinfruit

ha

– – –

Noten

ha

– –

Citrusvruchtaanplantingen

ha

– –

Olijfboomgaarden

ha

– – –

waar gewoonlijk tafelolijven worden geproduceerd

ha

– – –

waar gewoonlijk olijven voor de oliewinning worden geproduceerd

ha

– –

Wijngaarden waar gewoonlijk:

ha

– – –

kwaliteitswijn wordt geproduceerd

ha

– – –

andere wijnen worden geproduceerd

ha

– – –

tafeldruiven worden geproduceerd

ha

– – –

krenten en rozijnen worden geproduceerd

ha

– –

Boomkwekerijgewassen

ha

– –

Andere meerjarige teelten

ha

– –

Meerjarige teelten onder glas

ha

Overig areaal

 

– –

Oppervlakte niet in gebruik zijnde cultuurgrond

ha

– –

Bosareaal

ha

– – –

waarvan hakhoutbosjes

ha

– –

Overig areaal (gebouwen, erven, wegen, vijvers, steengroeven, onvruchtbare gronden, rotsen enz.)

ha

Paddenstoelen

ha

Energiegewassen

ha

Irrigatie

 

– –

Geïrrigeerd areaal

 

– – –

Totaal irrigeerbaar areaal

ha

– – –

Totaal areaal van de gewassen die gedurende de voorgaande twaalf maanden ten minste eenmaal zijn geïrrigeerd

ha

– –

Toegepaste irrigatiemethoden

 

– – –

Oppervlakte-irrigatie (overstroming, vorendrainage)

ja/nee

– – –

Beregening

ja/nee

– – –

Druppelbevloeiing

ja/nee

– –

Bron voor het op het bedrijf voor irrigatie gebruikte water

 

– – –

Grondwater op het bedrijf

ja/nee

– – –

Oppervlaktewater op het bedrijf: vijvers of stuwbekkens

ja/nee

– – –

Oppervlaktewater van buiten het bedrijf: meren, rivieren of waterlopen

ja/nee

– – –

Water van buiten het bedrijf: gemeenschappelijk waterleidingnet

ja/nee

– – –

Andere bronnen

ja/nee

III.   Veestapel

Eenhoevigen

stuks

Runderen:

 

– –

Mannelijke en vrouwelijke runderen, jonger dan een jaar

stuks

– –

Mannelijke runderen tussen een en twee jaar oud

stuks

– –

Vrouwelijke runderen tussen een en twee jaar oud

stuks

– –

Mannelijke runderen van twee jaar en ouder

stuks

– –

Vaarzen van twee jaar en ouder

stuks

– –

Melkkoeien

stuks

– –

Andere koeien

stuks

Schapen en geiten:

 

– –

Schapen (alle leeftijden)

stuks

– – –

Vrouwelijke dieren voor de voortplanting

stuks

– – –

Andere schapen

stuks

– –

Geiten (alle leeftijden)

stuks

– – –

Vrouwelijke dieren voor de voortplanting

stuks

– – –

Andere geiten

stuks

Varkens:

 

– –

Biggen met een levend gewicht van minder dan 20 kg

stuks

– –

Fokzeugen van 50 kg en meer

stuks

– –

Andere varkens

stuks

Pluimvee:

 

– –

Mesthoenders

stuks

– –

Leghennen

stuks

– –

Ander pluimvee:

stuks

– – –

Kalkoenen

stuks

– – –

Eenden

stuks

– – –

Ganzen

stuks

– – –

Struisvogels

stuks

– – –

Ander pluimvee, niet elders genoemd

stuks

Moederkonijnen (voedsters)

stuks

Bijen

bijenkorven

Andere dieren, niet elders genoemd

ja/nee

IV.   Arbeidskrachten

IV.i)

Landbouwwerkzaamheden op het bedrijf

Bedrijfshoofd

 

– –

Geslacht

man/vrouw

– –

Leeftijd

leeftijdsklasse (5)

– –

Landbouwwerkzaamheden op het bedrijf (behalve huishoudelijk werk)

AJE %-klasse 1 (6)

Bedrijfsleider

 

– –

Geslacht

man/vrouw

– –

Leeftijd

leeftijdsklasse (5)

– –

Landbouwwerkzaamheden op het bedrijf (behalve huishoudelijk werk)

AJE %-klasse 2 (7)

Opleiding van bedrijfsleider

 

– –

Landbouwopleiding van bedrijfsleider

opleidingscode (8)

– –

Beroepsopleiding van bedrijfsleider in de voorgaande twaalf maanden

ja/nee

Familieleden van het „enig bedrijfshoofd” die landbouwwerkzaamheden voor het bedrijf verrichten: mannen

 

– –

Landbouwwerkzaamheden op het bedrijf (behalve huishoudelijk werk)

AJE, %-klasse 2

Familieleden van het „enig bedrijfshoofd” die landbouwwerkzaamheden voor het bedrijf verrichten: vrouwen

 

– –

Landbouwwerkzaamheden op het bedrijf (behalve huishoudelijk werk)

AJE, %-klasse 2

Regelmatig werkzame arbeidskrachten, niet-familieleden: mannen

 

– –

Landbouwwerkzaamheden op het bedrijf (behalve huishoudelijk werk)

AJE, %-klasse 2

Regelmatig werkzame arbeidskrachten, niet-familieleden: vrouwen

 

– –

Landbouwwerkzaamheden op het bedrijf (behalve huishoudelijk werk)

AJE, %-klasse 2

Niet regelmatig werkzame arbeidskrachten, niet-familieleden: mannen en vrouwen

voltijdse werkdagen

IV.ii)

Andere winstgevende werkzaamheden: niet-landbouwwerkzaamheden op het bedrijf (die niet rechtstreeks verband houden met het bedrijf) en werk buiten het bedrijf

Andere winstgevende werkzaamheden van het bedrijfshoofd, tevens bedrijfsleider:

M/S/N (9)

Andere winstgevende werkzaamheden van de andere familieleden van het enig bedrijfshoofd: belangrijkste werkzaamheden

Aantal personen

Andere winstgevende werkzaamheden van de andere familieleden van het enig bedrijfshoofd: ondergeschikte werkzaamheden

Aantal personen

V.   Andere winstgevende werkzaamheden van het bedrijf (die rechtstreeks verband houden met het bedrijf)

V.i)

Lijst van andere winstgevende werkzaamheden

Verstrekking van gezondheids-, maatschappelijke of onderwijsdiensten

ja/nee

Toerisme, accommodatie en recreatie

ja/nee

Ambachten

ja/nee

Verwerking van landbouwproducten

ja/nee

Productie van hernieuwbare energie

ja/nee

Houtverwerking (bv. zagen)

ja/nee

Aquacultuur

ja/nee

Loonwerk (met behulp van productiemiddelen van het bedrijf)

 

– –

landbouwwerkzaamheden (voor andere bedrijven)

ja/nee

– –

geen landbouwwerkzaamheden

ja/nee

Bosbouw

ja/nee

Andere

ja/nee

Wie is hierbij betrokken?

 

– –

Bedrijfshoofd, tevens bedrijfsleider

M/S/N (9)

– –

Andere familieleden van het enig bedrijfshoofd, die dit als hun belangrijkste werkzaamheden hebben

Aantal personen

– –

Andere familieleden van het enig bedrijfshoofd, die dit als hun ondergeschikte werkzaamheden hebben

Aantal personen

– –

Niet-familieleden die regelmatig op het bedrijf werkzaam zijn, die dit als hun belangrijkste werkzaamheden hebben

Aantal personen

– –

Niet-familieleden die regelmatig op het bedrijf werkzaam zijn, die dit als hun ondergeschikte werkzaamheden hebben

Aantal personen

V.ii)

Belang van de andere winstgevende werkzaamheden die een rechtstreeks verband hebben met het bedrijf

Aandeel in de finale output van het bedrijf

percentageklasse (10)

VI.   Steun voor plattelandsontwikkeling

Voordelen van het bedrijf gedurende de voorgaande drie jaar uit hoofde van de volgende maatregelen inzake plattelandsontwikkeling (11)

ja/nee

– –

Deelname door landbouwers aan voedselkwaliteitsprogramma's

ja/nee

– –

Betalingen in het kader van de Natura 2000-richtlijn en de kaderrichtlijn water (12)

ja/nee

– –

Agromilieubetalingen — klimaatbetalingen

ja/nee

– –

Biologische landbouw

ja/nee

– –

Dierenwelzijnsbetalingen

ja/nee

Investeringen in materiële activa

ja/nee

– –

Preventie en herstel van door natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen beschadigd landbouwproductiepotentieel

ja/nee

– –

Ontwikkeling van landbouwbedrijven en ondernemingen

ja/nee

– –

Investeringen in de ontwikkeling van het bosareaal en verbetering van de rendabiliteit van bossen

ja/nee

– –

Bebossing en de aanleg van beboste gebieden

ja/nee

– –

Invoering van boslandbouwsystemen

ja/nee

– –

Preventie en herstel van schade aan bossen

ja/nee

– –

Investeringen ter verbetering van de veerkracht en de ecologische waarde van bossen

ja/nee

– –

Investeringen in bosbouwtechnologieën en in de verwerking, het transport en de afzet van bosbouwproducten

ja/nee

– –

Betalingen voor gebieden met natuurlijke of andere specifieke beperkingen

ja/nee

– –

Bosmilieu- en klimaatdiensten en bosinstandhouding

ja/nee

– –

Risicobeheer

ja/nee

VII.   Op landbouwbedrijven toegepaste methoden voor het beheer van grond en mest

Bodembewerkingsmethoden (13) op bouwland in de openlucht

 

– –

Conventionele bodembewerking

ha

– –

Niet-kerende bodembewerking

ha

– –

Geen bodembewerking (met uitzondering van bouwland in de openlucht waar meerjarige gewassen groeien)

ha

Bodembedekking (14) op bouwland in de openlucht

 

– –

Normale wintergewassen

ha

– –

Bodembedekkers of tussengewassen

ha

– –

Plantenresten

ha

– –

Kale grond

ha

– –

Bouwland in de openlucht waar meerjarige gewassen groeien

ha

Gewasrotatie op bouwland

 

– –

Percentage bouwland gebruikt voor gewasrotatie

BL-percentage (15)

Ecologisch aandachtsgebied — totale oppervlakte akkerranden, bufferstroken, heggen, bomen, braakland, biotopen, bebost gebied en landschapskenmerken

ha (16)

Bemestingstechnieken

 

– –

Breedstrooien

 

– – –

Geen onderwerking

percentageklasse van de mest (17)

– – –

Onderwerking binnen 4 uur

percentageklasse van de mest

– – –

Onderwerking na 4 uur

percentageklasse van de mest

– –

Rijenbemesting

 

– – –

Sleepslang

percentageklasse van de mest

– – –

Sleepvoet

percentageklasse van de mest

– –

Injectie

 

– – –

Zode-injectie/open sleuven

percentageklasse van de mest

– – –

Mestinjectie/dichte sleuven

percentageklasse van de mest

Invoer/uitvoer van mest van en naar het bedrijf

 

– –

Het totaal van de geproduceerde mest die niet op het bedrijf zelf wordt gebruikt

ton

– –

Mest die naar het bedrijf wordt ingevoerd

ton


(1)  Geografische coördinaten niet in 2016 te verstrekken.

(2)  Nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek.

(3)  L- achtergebleven niet-bergachtig gebied; M- achtergebleven berggebied; N- normaal gebied (geen achtergebleven gebieden). Deze classificatie kan in de toekomst worden aangepast in het licht van ontwikkelingen van het GLB 2020.

(4)  Dit deel hoeft alleen te worden ingevuld indien het antwoord op de vorige vraag „ja” is.

(5)  Leeftijdsklassen: (vanaf verlaten school-24 jaar), (25-34), (35-39), (40-44), (45-54), (55-64), (65 en ouder).

(6)  Arbeidsjaareenheid (AJE), percentageklasse 1: (0), (> 0-< 25), (≥ 25-< 50), (≥ 50-< 75), (≥ 75-< 100), (100).

(7)  Arbeidsjaareenheid (AJE), percentageklasse 2: (> 0-< 25), (≥ 25-< 50), (≥ 50-< 75), (≥ 75-< 100), (100).

(8)  Opleidingscodes: (alleen praktijkervaring in de landbouw), (basislandbouwopleiding), (volledige landbouwopleiding).

(9)  M — belangrijkste werkzaamheden S — ondergeschikte werkzaamheden N — geen betrokkenheid

(10)  Percentageklassen: (≥ 0-≤ 10), (> 10-≤ 50), (> 50-< 100).

(11)  Maatregelen inzake plattelandsontwikkeling volgens Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487) — deze kenmerken moeten in administratieve bronnen beschikbaar zijn.

(12)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).

(13)  Bouwland in de openlucht met conventionele bodembewerking + bouwland in de openlucht met niet-kerende bodembewerking + bouwland in de openlucht zonder bodembewerking + bouwland in de openlucht waar meerjarige gewassen groeien = totale oppervlakte bouwland in de openlucht.

(14)  Bouwland in de openlucht met normale wintergewassen + bouwland in de openlucht met bodembedekkers of tussengewassen + bouwland in de openlucht bedekt met plantenresten + braakliggend bouwland in de openlucht + bouwland in de openlucht waar meerjarige gewassen groeien = totale oppervlakte bouwland in de openlucht.

(15)  Bouwlandpercentages (BL): (0), (> 0-< 25), (≥ 25-< 50), (≥ 50-< 75), (≥ 75).

(16)  Hoeft alleen te worden vermeld voor bedrijven met meer dan 15 ha bouwland.

(17)  % van de totale mest die is toegepast met een specifieke bemestingstechniek: (0), (> 0-< 25), (≥ 25-< 50), (≥ 50-< 75), (≥ 75-< 100), (100).”


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 716/2014 VAN DE COMMISSIE

van 27 juni 2014

betreffende de vaststelling van het gemeenschappelijk proefproject ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het Europese masterplan voor luchtverkeersbeheer

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 550/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de verlening van luchtvaartnavigatiediensten in het gemeenschappelijk Europees luchtruim („de luchtvaartnavigatiedienstenverordening”) (1), en met name artikel 15 bis, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het SESAR-project (Single European Sky Air Traffic Management Research) beoogt de modernisering van het luchtverkeersbeheer (Air Traffic Management, ATM) in Europa en vormt de technologische pijler van het gemeenschappelijk Europees luchtruim. Het doel van SESAR is ervoor te zorgen dat de Unie tegen 2030 kan beschikken over een hoogperformante infrastructuur voor luchtverkeersbeheer die de veilige en milieuvriendelijke exploitatie en ontwikkeling van het luchtvervoer mogelijk maakt.

(2)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013 van de Commissie (2) bevat de eisen met betrekking tot de inhoud, opzet, vaststelling, tenuitvoerlegging en monitoring van de gemeenschappelijke projecten. In deze verordening is bepaald dat gemeenschappelijke projecten ten uitvoer moeten worden gelegd op basis van het uitrolprogramma, via tenuitvoerleggingsprojecten die worden gecoördineerd door de uitrolbeheerder.

(3)

Overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013 is het doel van een gemeenschappelijk project te zorgen zorgen voor de tijdige, gecoördineerde en gesynchroniseerde uitrol van ATM-functies die klaar zijn voor tenuitvoerlegging en bijdragen tot de totstandbrenging van de essentiële operationele wijzigingen die in het ATM-masterplan zijn vermeld. Alleen ATM-functies die gesynchroniseerd moeten worden uitgerold en een aanzienlijke bijdrage leveren aan EU-wijde prestatiedoelstellingen moeten worden opgenomen in een gemeenschappelijk project.

(4)

Op verzoek van de Commissie heeft de gemeenschappelijke onderneming SESAR een voorontwerp opgesteld voor het eerste gemeenschappelijk project, dat het „gemeenschappelijk proefproject” wordt genoemd.

(5)

Dit voorontwerp werd geanalyseerd en beoordeeld door de Commissie, met de hulp van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, het Europees Defensieagentschap, de netwerkbeheerder, het prestatiebeoordelingsorgaan, Eurocontrol, de Europese normalisatie-instellingen en de Europese Organisatie voor Burgerluchtvaartapparatuur (Eurocae).

(6)

Vervolgens heeft de Commissie een onafhankelijke algemene kostenbatenanalyse uitgevoerd en passend overleg gepleegd met de lidstaten en relevante belanghebbenden.

(7)

Op basis daarvan heeft de Commissie een voorstel opgesteld voor het gemeenschappelijk proefproject. Overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013 is het voorstel op 25 april 2014 bekrachtigd door de netwerkbeheerder en op 30 april 2014 door de SESAR-groep „gebruikers van het civiele luchtruim”, de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, de luchthavenexploitanten en de Europese nationale meteorologische diensten.

(8)

In het gemeenschappelijk proefproject worden zes ATM-functies geïdentificeerd, namelijk eerdere planning van aankomende vluchten (Extended Arrival Management) en op prestaties gebaseerde navigatie (Performance Based Navigation) in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit (High Density Terminal Manoeuvring Areas), luchthavenintegratie en -doorstroming (Airport Integration and Throughput), flexibel luchtruimbeheer en vrije routes (Flexible Airspace Management and Free Route), op samenwerking gebaseerd beheer van het netwerk (Network Collaborative Management), initieel informatiebeheer voor het volledige systeem (Initial System Wide Information Management) en initiële uitwisseling van informatie over trajecten (Initial Trajectory Information Sharing). De uitrol van deze zes ATM-functies moet verplicht worden gesteld.

(9)

Naar verwachting zal de functie „eerdere planning van aankomende vluchten en op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit” voor preciezere naderingstrajecten zorgen en de planning van het verkeer in een vroeg stadium vergemakkelijken, zodat het brandstofverbruik daalt en het effect op het milieu in dalings-/aankomstfasen afneemt. Deze functie omvat een deel van de essentiële operationele wijziging van stap 1 voor het essentiële kenmerk „verkeerssynchronisatie”, zoals gedefinieerd in het Europese ATM Masterplan.

(10)

Verwacht wordt dat de functie „luchthavenintegratie en -doorstroming (Airport Integration and Throughput)” de veiligheid en doorstroming op start- en landingsbanen zal verbeteren, waardoor minder brandstof wordt verbruikt, de vertragingen worden beperkt en de capaciteit van de luchthaven toeneemt. Deze functie omvat een deel van de essentiële operationele wijziging van stap 1 voor het essentiële kenmerk „luchthavenintegratie en -doorstroming (Airport Integration and Throughput)”, zoals gedefinieerd in het Europese ATM Masterplan.

(11)

Verwacht wordt dat de functie „flexibel luchtruimbeheer en vrije routes (Flexible Airspace Management and Free Route)” het mogelijk maakt het luchtruim efficiënter te benutten, waardoor minder brandstof wordt verbruikt en de vertragingen worden beperkt. Deze functie omvat een deel van de essentiële operationele wijziging van stap 1 voor het essentiële kenmerk „de stap zetten van luchtruimbeheer naar het beheer van 4D-trajecten (Moving from Airspace to 4D Trajectory Management)”, zoals gedefinieerd in het Europese ATM Masterplan.

(12)

Verwacht wordt dat de functie „op samenwerking gebaseerd beheer van het netwerk (Network Collaborative Management)” zal zorgen voor een betere kwaliteit en stiptheid van de netwerkinformatie die door alle ATM-belanghebbenden wordt uitgewisseld, met betere luchtvaartnavigatiediensten, productiviteitswinsten en besparingen door een beperking van de vertragingen tot gevolg. Deze functie omvat een deel van de essentiële operationele wijziging van stap 1 voor het essentiële kenmerk „op samenwerking gebaseerd beheer van het netwerk en dynamisch capaciteitsevenwicht (Network Collaborative Management & Dynamic Capacity Balancing)”, zoals gedefinieerd in het Europese ATM Masterplan.

(13)

Verwacht wordt dat de functie „initieel informatiebeheer voor het volledige systeem (Initial System Wide Information Management)”, die bestaat uit een reeks diensten die worden geleverd en waarvan gebruik wordt gemaakt door SWIM-systemen (System Wide Information Management) via een netwerk dat op een internetprotocol is gebaseerd, aanzienlijke voordelen zullen opleveren op het gebied van de productiviteit van de luchtvaartnavigatiediensten. Deze functie omvat een deel van de essentiële operationele wijziging van stap 1 voor het essentiële kenmerk „SWIM”, zoals gedefinieerd in het Europese ATM Masterplan.

(14)

Verwacht wordt dat de functie „initiële uitwisseling van informatie over trajecten (Initial Trajectory Information Sharing)”, met verbeterde prestaties inzake verwerking van vluchtgegevens, zal zorgen voor een betere voorspelbaarheid van vliegtuigtrajecten; dit komt ten goede aan de luchtruimgebruikers, de netwerkbeheerder en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten en leidt tot minder tactische interventies en verbeterde conflictoplossing. Dit zal naar verwachting een positief effect hebben op de productiviteit van de luchtvaartnavigatiediensten, het brandstofverbruik en de veranderlijkheid van vertragingen. Deze functie omvat een deel van de essentiële operationele wijziging van stap 1 voor het essentiële kenmerk „de stap zetten van luchtruimbeheer naar het beheer van 4D-trajecten (Moving from Airspace to 4D Trajectory Management)”, zoals gedefinieerd in het Europese ATM-masterplan, en steunt indirect andere belangrijke kenmerken die aan bod komen in andere ATM-functies via het gebruik van gedeelde informatie over trajecten.

(15)

Om volledig profijt te kunnen trekken van het gemeenschappelijk proefproject wordt van bepaalde belanghebbenden uit derde landen verwacht dat zij delen van het gemeenschappelijk proefproject ten uitvoer leggen. Hun betrokkenheid moet worden gewaarborgd door de uitrolbeheerder overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013. De betrokkenheid van derde landen of hun operationele belanghebbenden laat de externe bevoegdheid van de lidstaten met betrekking tot luchtvaartnavigatiediensten en ATM-functies onverlet.

(16)

Om bijstand te verlenen aan de operationele belanghebbenden die betrokken zijn bij de uitrol van de ATM-functies dient de Commissie niet-bindend referentiemateriaal te publiceren, zoals: ondersteunend materiaal voor de normaliserings- en industrialiseringsfase, dat moet worden opgesteld door de Gemeenschappelijke Onderneming SESAR, een stappenplan voor de behoeften inzake normalisering en regelgeving en een algemene kostenbatenanalyse ter ondersteuning van het gemeenschappelijk proefproject. Voor zover van toepassing moet ondersteunend materiaal worden ontwikkeld overeenkomstig de procedures die vereist zijn uit hoofde van Verordening (EU) nr. 552/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3); de nationale toezichthoudende instanties dienen daarbij te worden betrokken, overeenkomstig die verordening.

(17)

De uitvoering van het gemeenschappelijk proefproject moet worden gemonitord door zoveel mogelijk gebruik te maken van bestaande monitoringmechanismen en bestaande overlegstructuren om alle operationele belanghebbenden bij de uitvoering te betrekken.

(18)

Er moeten passende mechanismen worden opgezet voor de evaluatie van deze verordening, waarbij de uitrolbeheerder moet worden betrokken. Deze moet de in artikel 9 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013 vermelde entiteiten, namelijk de nationale toezichthoudende instanties, de militaire sector, de Gemeenschappelijke Onderneming SESAR, de netwerkbeheerder en de maakindustrie, coördineren en met hen samenwerken. Deze mechanismen moeten de Commissie in staat stellen deze verordening zo nodig te wijzigen. De uitrolbeheerder moet rekening houden met de gevolgen voor de nationale en collectieve defensiecapaciteit, overeenkomstig artikel 9, lid 7, onder c), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013. Overeenkomstig de algemene verklaring van de lidstaten over militaire kwesties in verband met het gemeenschappelijk Europees luchtruim (4) blijft samenwerking met de militaire sector een prioriteit in het gemeenschappelijk proefproject. Volgens deze verklaring moeten de lidstaten met name de civiel-militaire samenwerking verbeteren en, als en voor zover dit door alle betrokken lidstaten nodig wordt geacht, de samenwerking tussen hun legers bevorderen met betrekking tot alle kwesties die verband houden met luchtverkeersbeheer.

(19)

Overeenkomstig artikel 1, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad (5) laat de toepassing van deze verordening de soevereiniteit van de lidstaten over hun luchtruim en de eisen van de lidstaten met betrekking tot openbare orde, openbare veiligheid en defensie onverlet. Deze verordening heeft geen betrekking op militaire operaties en opleidingen.

(20)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het gemeenschappelijk luchtruim,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening wordt het eerste gemeenschappelijke project opgezet, hierna „het gemeenschappelijk proefproject” genoemd. In het gemeenschappelijk proefproject wordt een eerste reeks ATM-functies geïdentificeerd die op tijdige, gecoördineerde en gesynchroniseerde wijze ten uitvoer moeten worden gelegd, zodat de essentiële operationele wijzigingen die voortvloeien uit het Europese ATM-masterplan tot stand kunnen worden gebracht.

2.   Deze verordening is van toepassing op het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer (European Air Traffic Management Network, EATMN) en op de systemen voor luchtvaartnavigatiediensten die worden genoemd in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 552/2004. Zij is van toepassing op de belanghebbenden die in de bijlage bij deze verordening worden vermeld.

Artikel 2

Definities

Met het oog op de toepassing van deze verordening gelden de definities die zijn vastgesteld in artikel 2 van Verordening (EG) nr. 549/2004 en in artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013.

Voorts wordt verstaan onder:

1.   „luchthaven — op samenwerking gebaseerde besluitvorming (Airport — Collaborative Decision Making, A-CDM)”: een proces waarbij beslissingen in verband met luchtverkeersstromen en capaciteitsbeheer (Air Traffic Flow and Capacity Management, ATFCM) op luchthavens worden gebaseerd op interactie tussen operationele belanghebbenden en andere actoren die betrokken zij bij ATFCM, en die tot doel hebben vertragingen te beperken, de voorspelbaarheid van gebeurtenissen te verbeteren en de benutting van hulpbronnen te optimaliseren;

2.   „operationeel luchthavenplan (Airport Operations Plan, AOP)”: één gemeenschappelijk en op samenwerking gebaseerd voortschrijdend plan dat beschikbaar is voor alle belanghebbenden van de luchthaven, op basis waarvan een gemeenschappelijk situationeel bewustzijn kan worden verschaft en besluiten van belanghebbenden met betrekking tot de optimalisering van processen kunnen worden genomen;

3.   „operationeel netwerkplan (Network Operations Plan, NOP)”: het plan, inclusief de ondersteunende instrumenten, dat door de netwerkbeheerder in overleg met de operationele belanghebbenden is opgesteld om de operationele activiteiten op korte en middellange termijn te organiseren overeenkomstig de richtsnoeren van het strategisch netwerkplan. Voor het gedeelte van het operationeel netwerkplan dat specifiek betrekking heeft op het ontwerp van het Europese routenetwerk, omvat dit het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk;

4.   „een ATM-functie gebruiken”: de ATM-functie in kwestie wordt in gebruik genomen en volledig gebruikt in de dagelijkse activiteiten;

5.   „streefdatum voor de uitrol”: de datum waarop de uitrol van de ATM-functie in kwestie voltooid moet zijn en de functie volledig operationeel moet worden gebruikt.

Artikel 3

ATM-functies en de uitrol ervan

1.   Het gemeenschappelijk proefproject omvat de volgende ATM-functies:

a)

eerdere planning van aankomende vluchten en op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit (Extended Arrival Management and Performance Based Navigation in the High Density Terminal Manoeuvring Areas);

b)

luchthavenintegratie en -doorstroming (Airport Integration and Throughput);

c)

flexibel luchtruimbeheer en vrije routes (Flexible Airspace Management and Free Route);

d)

op samenwerking gebaseerd beheer van het netwerk (Network Collaborative Management);

e)

initieel informatiebeheer voor het volledige systeem (Initial System Wide Information Management);

f)

initiële uitwisseling van informatie over trajecten (Initial Trajectory Information Sharing).

Deze ATM-functies worden beschreven in de bijlage.

2.   De in de bijlage vermelde operationele belanghebbenden en de netwerkbeheerder rollen de in lid 1 bedoelde ATM-functies uit en passen de bijbehorende operationele procedures toe die het mogelijk maken deze functies naadloos te gebruiken overeenkomstig de bijlage en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013. De militaire operationele belanghebbenden rollen die ATM-functies alleen uit voor zover dit nodig is om te voldoen aan punt 4 van deel A van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 552/2004.

Artikel 4

Referentiemateriaal en ondersteunend materiaal

De Commissie publiceert op haar website het volgende referentiemateriaal en ondersteunend materiaal voor de uitrol van de in artikel 3, lid 1, bedoelde ATM-functies:

a)

een indicatieve lijst van ondersteunend materiaal voor de normaliserings- en industrialiseringsfase dat moet worden verstrekt door de gemeenschappelijke onderneming SESAR, inclusief streefdata voor de levering daarvan;

b)

een indicatief stappenplan voor normaliserings- en regelgevingsbehoeften, inclusief verwijzingen naar de tenuitvoerleggingsregels en de communautaire specificaties die zijn opgesteld overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 552/2004, en de bijbehorende streefdata voor de levering daarvan;

c)

de algemene kostenbatenanalyse op basis waarvan de operationele belanghebbenden het gemeenschappelijk proefproject hebben bekrachtigd.

Artikel 5

Monitoring

De monitoring door de Commissie, waarvan sprake in artikel 6 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013, vindt met name plaats via de volgende plannings- en rapporteringsinstrumenten:

a)

de mechanismen voor de planning en rapportering over de tenuitvoerlegging van het Europees ATM-masterplan;

b)

het strategisch netwerkplan en het operationeel netwerkplan;

c)

de prestatieplannen, met name via de informatie die vermeld is in punt c) van artikel 11, lid 3, artikel 11, lid 5, en punt 2 van bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 van de Commissie (6);

d)

de rapporteringstabellen inzake luchtvaartnavigatiekosten, met name de informatie die vermeld is in punt 3.8 van tabel 1 en punt 2, onder m), van bijlage III, en punten 2.1 tot en met 2.4 van tabel 3 van bijlage VII bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 391/2013 van de Commissie (7);

e)

de monitoring van de tenuitvoerlegging van de projecten die vermeld zijn in artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013 door de uitrolbeheerder;

f)

de mechanismen voor de planning en rapportering over de tenuitvoerlegging van de functionele luchtruimblokken;

g)

de mechanismen voor de planning en rapportering over de tenuitvoerlegging met betrekking tot normalisering.

Artikel 6

Evaluatie

De Commissie zal deze verordening beoordelen in het licht van: de informatie en het advies dat is ontvangen van de uitrolbeheerder, overeenkomstig artikel 9, lid 2, onder e), en nadat de coördinatie en het overleg die vereist zijn uit hoofde van artikel 9 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013 hebben plaatsgevonden; de informatie die is verkregen via de in artikel 5 vermelde monitoring; en de technologische ontwikkelingen op het gebied van luchtverkeersbeheer, waarbij de resultaten worden gepresenteerd aan het Comité inzake het gemeenschappelijk luchtruim.

De evaluatie heeft met name betrekking op de volgende aspecten:

a)

de voortgang bij de uitrol van de in artikel 3, lid 1, vermelde ATM-functies;

b)

het gebruik van bestaande stimulansen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk proefproject en mogelijke nieuwe stimulansen;

c)

de bijdrage van het gemeenschappelijk proefproject tot het behalen van de prestatiedoelstellingen en de tenuitvoerlegging van het flexibel luchtruimgebruik;

d)

de werkelijke kosten en baten van de uitrol van de in artikel 3, lid 1, vermelde ATM-functies, inclusief de identificatie van eventuele lokale of regionale negatieve gevolgen voor specifieke categorieën operationele belanghebbenden;

e)

de behoefte aan aanpassing van het gemeenschappelijk proefproject, met name het persoonlijke en geografische bereik ervan en de in de bijlage vermelde streefdata voor de uitrol;

f)

de vooruitgang bij het opstellen van het in artikel 4 vermelde referentiemateriaal en ondersteunend materiaal.

De Commissie stelt de eerste evaluatie uiterlijk 18 maanden na de goedkeuring van het uitrolprogramma op.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 10.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 409/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 inzake de definitie van gemeenschappelijke projecten, de vaststelling van governance en de identificatie van stimulansen ter ondersteuning van de tenuitvoerlegging van het Europees masterplan inzake luchtverkeersbeheer (PB L 123 van 4.5.2013, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 552/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de interoperabiliteit van het Europese netwerk voor luchtverkeersbeveiliging („de interoperabiliteitsverordening”) (PB L 96 van 31.3.2004, blz. 26).

(4)   PB L 96 van 31.3.2004, blz. 9.

(5)  Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandbrenging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim („de kaderverordening”) (PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 390/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 houdende vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties (PB L 128 van 9.5.2013, blz. 1).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 391/2013 van de Commissie van 3 mei 2013 houdende vaststelling van een gemeenschappelijk heffingenstelsel voor luchtvaartnavigatiediensten (PB L 128 van 9.5.2013, blz. 31).


BIJLAGE

1.   EERDERE PLANNING VAN AANKOMENDE VLUCHTEN EN OP PRESTATIES GEBASEERDE NAVIGATIE IN NADERINGSVERKEERSLEIDINGSGEBIEDEN MET HOGE DENSITEIT (EXTENDED ARRIVAL MANAGEMENT AND PERFORMANCE BASED NAVIGATION IN THE HIGH DENSITY TERMINAL MANOEUVRING AREAS)

Eerdere planning van aankomende vluchten (Extended Arrival Management, AMAN) en op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit (Performance Based Navigation in the High Density Terminal Manoeuvring Areas) verbetert de nauwkeurigheid van het naderingstraject en vergemakkelijkt de planning van het luchtverkeer in een vroeger stadium. AMAN ondersteunt de uitbreiding van de planningshorizon tot minstens 180-200 zeemijl, tot en met het begin van de daling (Top of Descent) van aankomende vluchten. Op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit behelst de ontwikkeling en toepassing van brandstofefficiënte en/of milieuvriendelijke procedures voor aankomst/vertrek (Vereiste navigatieprestatie 1 (Required Navigation Performance 1, RNP1) voor standaard-instrumentvertrekken (Standard Instrument Departure, SID), standaard-aankomstroutes (Standard Arrival Routes, STAR) en nadering (vereiste navigatieprestaties voor naderingen — Required Navigation Performance Approach (RNP APCH)).

Deze functie valt uiteen in twee sub-functies:

Uitbreiding van het aankomstbeheer uitgebreid tot het en-routeluchtruim

Versterking van het terminalluchtruim met gebruikmaking van RNP-gebaseerde activiteiten

1.1.   Operationele en technische reikwijdte

1.1.1.   Uitbreiding van het aankomstbeheer tot het en-routeluchtruim

Door het aankomstbeheer uit te breiden tot het en-routeluchtruim wordt de AMAN-horizon uitgebreid van 100-120 zeemijl tot 180-200 zeemijl van de luchthaven van aankomst. Er kan aan luchtverkeersplanning worden gedaan in de en-routefase en in het begin van de dalingsfase.

De luchtverkeersleidingsdiensten in de naderingsverkeersleidingsgebieden die AMAN toepassen, moeten overleg plegen met de eenheden voor luchtverkeersdiensten die verantwoordelijk zijn voor de aangrenzende en-routesectoren.

De bestaande technieken voor het beheer van de AMAN-beperkingen, met name „tijd winnen of verliezen” (Time to Lose or Gain) en „snelheidsadvies” (Speed Advice) mogen worden gebruikt voor de tenuitvoerlegging van deze functie.

Systeemvereisten

AMAN-systemen bieden tijdsinformatie over de aankomstvolgorde in en-routeluchtverkeersleidingssystemen tot 180-200 zeemijl van de luchthaven van aankomst

De luchtverkeersleidingssystemen van de eenheden voor luchtverkeersdiensten die zich stroomopwaarts bevinden, beheren de AMAN-beperkingen. Het beheer van de aankomstbeperkingen wordt ondersteund door gegevens uit te wisselen en te verwerken en door informatie te tonen op het werkstation van de desbetreffende luchtverkeersleider in de eenheid voor luchtverkeersdiensten; gegevensuitwisseling tussen eenheden voor luchtverkeersdiensten kan worden verwezenlijkt met de bestaande technologie, in afwachting van de toepassing van informatiebeheersdiensten voor het volledige systeem (System-Wide Information Management (SWIM))

1.1.2.   Versterking van het terminalluchtruim met gebruikmaking van RNP-gebaseerde activiteiten

Versterkt terminalluchtruim met gebruikmaking van RNP-gebaseerde activiteiten bestaat uit de toepassing van milieuvriendelijke procedures voor aankomst/vertrek en nadering met gebruikmaking van op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit, zoals gespecificeerd in de volgende navigatiespecificaties:

SID's en STAR's op basis van de RNP 1-specificatie, met gebruikmaking van de techniek van de vaste bochtstraal (Radius to Fix, RF)

Required Navigation Performance Approach met Approach Procedure with Vertical guidance (RNP APCH met APV)

Versterkt terminalluchtruim met gebruikmaking van RNP-gebaseerde activiteiten omvat:

RNP 1 SID's, STAR's en overgangen (met gebruik van de techniek van de vaste bochtstraal)

RNP APCH (Lateral Navigation/Vertical Navigation (LNAV/VNAV) en minima voor Localiser Performance with Vertical guidance (LPV))

Systeemvereisten

Luchtverkeersleidingssystemen en veiligheidsnetten moeten de activiteiten in het naderingsluchtverkeersleidingsgebied en op prestaties gebaseerde navigatie bij de nadering mogelijk maken

Voor RNP 1-activiteiten moet de laterale en longitudinale totale systeemfout (Total System Error, TSE) binnen +/- 1 zeemijl liggen voor minstens 95 % van de vluchttijd en is toezicht op de boordprestaties, waarschuwingscapaciteit en navigatiegegevensbanken met hoge integriteit vereist

Voor RNP APCH moet de laterale en longitudinale totale systeemfout (Total System Error, TSE) binnen +/- 3 zeemijl liggen voor minstens 95 % van de vluchttijd voor het eindnaderingssegment en is toezicht op de boordprestaties, waarschuwingscapaciteit en navigatiegegevensbanken met hoge integriteit vereist

RNP 1 en RNP APCH vereisen input van het wereldwijd satellietnavigatiesysteem (Global Navigation Satellite System, GNSS)

GNSS-satellietaugmentatiesystemen (Satellite Based Augmentation System, SBAS) of barometrische hoogtesensoren kunnen naderingen met verticale geleiding ondersteunen

1.2.   Geografisch toepassingsgebied

1.2.1.   EU- en EVA-lidstaten

Eerdere planning van aankomende vluchten en op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit en de bijbehorende en-routesectoren moet worden toegepast op de volgende luchthavens:

Londen-Heathrow

Paris-CDG

Londen-Gatwick

Paris-Orly

Londen-Stansted

Milaan-Malpensa

Frankfurt International

Madrid-Barajas

Amsterdam Schiphol

München Franz Josef Strauss

Rome-Fiumicino

Barcelona El Prat

Zurich Kloten (1)

Düsseldorf International

Brussel-Nationaal

Oslo Gardermoen (2)

Stockholm-Arlanda

Berlijn Brandenburg

Manchester Ringway

Palma De Mallorca Son San Juan

Kopenhagen Kastrup

Wenen Schwechat

Dublin

Nice Côte d'Azur

1.2.2.   Andere derde landen

Eerdere planning van aankomende vluchten en op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit moet worden toegepast op de luchthaven Istanbul Ataturk.

1.3.   Belanghebbenden die de functie ten uitvoer moeten leggen en streefdatum voor de uitrol

Verleners van luchtverkeersdiensten en de netwerkbeheerder zorgen ervoor dat eenheden voor luchtverkeersdiensten die luchtverkeersleidingsdiensten verlenen binnen het terminalluchtruim van de in punt 1.2 vermelde luchthavens en de bijbehorende en-routesectoren gebruikmaken van eerdere planning van aankomende vluchten en op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit met ingang van 1 januari 2024.

1.4.   Behoefte aan synchronisatie

De uitrol van de functie „eerdere planning van aankomende vluchten en op prestaties gebaseerde navigatie in naderingsverkeersleidingsgebieden met hoge densiteit” wordt gecoördineerd omdat vertraging bij de uitrol ervan op de in punt 1.2 vermelde luchthavens gevolgen kan hebben voor de prestaties van het netwerk. Vanuit technisch perspectief wordt de uitrol van gerichte wijzigingen van het systeem en de procedures gesynchroniseerd om ervoor te zorgen dat de prestatiedoelstellingen worden verwezenlijkt. Bij de synchronisatie van investeringen zijn verscheidene exploitanten van luchthavens en verleners van luchtvaartnavigatiediensten betrokken. Bovendien zal synchronisatie plaatsvinden tijdens de bijbehorende industrialiseringsfase, met name in de toeleveringssector.

1.5.   Essentiële voorwaarden

Er zijn geen essentiële voorwaarden voor deze functie. Een bestaande AMAN vergemakkelijkt de operationele integratie van deze ATM-functie in bestaande systemen.

1.6.   Links met andere ATM-functies

Tussen eenheden voor luchtverkeersdiensten worden gegevens uitgewisseld, met name met betrekking tot uitgebreide AMAN, via informatiebeheersdiensten voor het volledige systeem (System Wide Information Management (SWIM)), voor zover de in punt 5 vermelde iSWIM-functie beschikbaar is

Voor zover beschikbaar wordt de in punt 6 vermelde downlink-trajectinformatie gebruikt door de AMAN

2.   LUCHTHAVENINTEGRATIE EN -DOORSTROMING (AIRPORT INTEGRATION AND THROUGHPUT)

Luchthavenintegratie en — op luchthavens (Airport Integration and Throughput) vergemakkelijkt de verlening van naderingsluchtverkeersleiding en plaatselijke luchtverkeersleiding omdat het de veiligheid en de doorstroming op de banen verbetert, de integratie en veiligheid van het taxiën verbetert en gevaarlijke situaties op de baan beperkt.

Deze functie valt uiteen in vijf sub-functies:

De synchronisatie van vertrekbeheer (Departure Management) en aan het vertrek voorafgaande volgordebepaling (Pre-departure Sequencing)

De opname van beperkingen inzake oppervlaktebeheer (Surface Management Constraints) in het vertrekbeheer (Departure Management)

Tijdgebaseerde separatie voor eindnadering

Geautomatiseerde bijstand aan luchtverkeersleiders voor de planning en routering van grondbewegingen

Luchthavenveiligheidsnetten

2.1.   Operationele en technische reikwijdte

2.1.1.   De synchronisatie van vertrekbeheer (Departure Management) en aan het vertrek voorafgaande volgordebepaling (Pre-departure Sequencing)

De synchronisatie van vertrekbeheer (Departure Management) en aan het vertrek voorafgaande volgordebepaling (Pre-departure Sequencing) is een middel voor het verbeteren van de vertrekstromen op een of meer luchthavens door het berekenen van de Target Take Off Time (TTOT) and Target Start Approval Time (TSAT) voor elke vlucht, rekening houdende met diverse beperkingen en voorkeuren. Aan het vertrek voorafgaand beheer (Pre-departure Management) bestaat uit het doseren van de vertrekstroom naar een startbaan door het beheren van de Off-block-Times (via Start-up-Times), die rekening houden met de beschikbare capaciteit van de baan. In combinatie met „Luchthaven — Op samenwerking gebaseerde besluitvorming (Airport — Collaborative Decision Making, A-CDM)” zorgt Pre-departure Management voor een beperking van de taxitijden, een verbetering van de naleving van Air Traffic Flow Management-Slot (ATFM-Slot) en voor voorspelbare vertrektijden. Departure Management heeft tot doel de verkeersstroom op de baan te maximaliseren door het opzetten van een sequentie met minimale geoptimaliseerde separaties.

Operationele belanghebbenden die betrokken zijn bij A-CDM stellen samen Pre-departure Sequences vast, rekening houdende met overeengekomen beginselen die moeten worden toegepast om specifieke redenen (zoals baanwachttijden, naleving van slots, vertrekroutes, voorkeuren van luchtruimgebruikers, nachtelijk vliegverbod, evacuatie van staanplaatsen/gates voor aankomende luchtvaartuigen, ongunstige omstandigheden, inclusief ijsvrij maken, werkelijke taxi-/baancapaciteit, actuele beperkingen enz.).

Systeemvereisten

Departure Management (DMAN) en A-CDM-systemen worden geïntegreerd en ondersteunen geoptimaliseerde Pre-departure Sequencing met informatiebeheersystemen voor luchtruimgebruikers („Target Off Block”-tijd (TOBT) en luchthaveninformatie (contextuele gegevens)

DMAN-systemen stellen een op samenwerking gebaseerde volgorde op en bieden zowel TSAT als TTOT. TSAT en TTOT houden rekening met variabele taxitijden en worden geactualiseerd overeenkomstig de werkelijke vertrektijden van luchtvaartuigen; DMAN-systemen verstrekken de luchtverkeersleider de lijst van TSAT en TTOT voor het doseren van de luchtvaartuigen

2.1.2.   De opname van beperkingen inzake oppervlaktebeheer (Surface Management Constraints) in het vertrekbeheer (Departure Management)

De opname van Surface Management Constraints in Departure Management is een ATM-instrument dat optimale plannen voor grondbewegingen vaststelt (zoals routeplannen voor taxibewegingen), waarbij de bewegingen worden berekend en in volgorde geplaatst en de hulpbronnen optimaal worden benut (bijv. faciliteiten om luchtvaartuigen ijsvrij te maken). De vertrekvolgorde op de startbaan wordt geoptimaliseerd op basis van de werkelijke verkeerssituatie, waarbij rekening wordt gehouden met alle wijzigingen na het verlaten van de gate of tijdens het taxiën naar de startbaan.

Advanced Surface Movement Guidance and Control Systems (A-SMGCS) verstrekken geoptimaliseerde taxitijden en verbeteren de voorspelbaarheid van vertrektijden door het werkelijke oppervlakteverkeer te monitoren en door rekening te houden met geactualiseerde taxitijden bij het vertrekbeheer.

Systeemvereisten

DMAN-systemen houden rekening met variabele en geactualiseerde taxitijden om de TTOT en TSAT te berekenen. Interfaces tussen DMAN en A-SMGCS-routering worden ontwikkeld

DMAN waarin A-SMGCS-beperkingen zijn geïntegreerd met behulp van een digitaal systeem, zoals Electronic Flight Strips (EFS), met een geavanceerde A-SMGCS-routeringsfunctie, worden geïntegreerd in systemen voor de verwerking van vluchtgegevens voor het bepalen van de vertrekvolgorde en de berekening van routes

Er wordt een A-SMGCS-routeringsfunctie toegepast

2.1.3.   Tijdgebaseerde separatie voor eindnadering

Tijdgebaseerde separatie (TBS) bestaat uit de separatie van luchtvaartuigen in volgorde bij het naderen van een baan, waarbij gebruik wordt gemaakt van tijdsintervallen in plaats van afstanden. Het mag worden toegepast tijdens de eindnadering door gelijkwaardige afstandsinformatie aan de luchtverkeersleider te tonen, met inachtneming van de heersende wind. Radarseparatieminima en parameters voor zogturbulentieseparatie worden geïntegreerd in een TBS-hulpmiddel dat de luchtverkeersleider in staat stelt luchtvaartuigen op basis van tijd te scheiden tijdens de eindnadering, rekening houdende met het effect van de tegenwind.

Systeemvereisten

De systemen voor de verwerking van vluchtgegevens en AMAN moeten verenigbaar zijn met het TBS-hulpmiddel en moeten kunnen overschakelen tussen op tijd en op afstand gebaseerde regels voor zogturbulentieradarseparatie

Het TBS-hulpmiddel moet geïntegreerd zijn in het werkstation van de luchtverkeersleider, met de ondersteuning van veiligheidsnetten, om de TBS-afstand te berekenen met inachtneming van de minimale radarseparatie en met gebruikmaking van de werkelijke glijpadwindomstandigheden

Plaatselijke meteorologische informatie (MET) die werkelijke glijpadwindomstandigheden verschaft, wordt verstrekt aan het TBS-hulpmiddel

Het TBS-hulpmiddel zorgt voor automatische monitoring en waarschuwing met betrekking tot niet-conforme luchtsnelheid bij de eindnadering en inbreuken op de separatie en wanneer het verkeerde luchtvaartuig een bocht maakt bij een separatie-indicator

Het TBS-hulpmiddel en het desbetreffende werkstation van de luchtverkeersleider berekenen de indicatorafstand en geven deze weer op de schermen van de luchtverkeersleider

Veiligheidsnetten die de automatische monitoring en waarschuwing bij separatie-inbreuken registreren, ondersteunen de TBS-activiteiten

2.1.4.   Geautomatiseerde bijstand aan luchtverkeersleiders voor de planning en routering van grondbewegingen

De routerings- en planningsfuncties van A-SMGCS genereren automatisch taxiroutes, met de bijbehorende geraamde taxitijd en het beheer van potentiële conflicten.

Taxiroutes kunnen handmatig worden gewijzigd door de luchtverkeersleider alvorens te worden toegewezen aan luchtvaartuigen en voertuigen. Deze routes zijn beschikbaar in het systeem voor de verwerking van vluchtgegevens.

Systeemvereisten

De A-SMGCS-routerings- en planningsfunctie berekent de operationeel meest relevante route die zoveel mogelijk vrij is van conflicten en die het luchtvaartuig in staat stelt zich van de standplaats naar de baan of van de baan naar de standplaats te bewegen of om het even welke andere beweging op de grond uit te voeren

Het werkstation van de luchtverkeersleider stelt de luchtverkeersleider in staat routetrajecten op de grond te beheren

Het systeem voor de verwerking van vluchtgegevens is in staat om aan luchtvaartuigen toegewezen geplande en goedgekeurde routes te ontvangen en de status van de route te beheren voor alle betrokken luchtvaartuigen en voertuigen

2.1.5.   Luchthavenveiligheidsnetten

Luchthavenveiligheidsnetten omvatten de detectie van en waarschuwing voor conflicterende verkeersklaringen aan luchtvaartuigen en afwijkingen van voertuigen en luchtvaartuigen van hun instructies, procedures of routes met potentieel gevaar voor de voertuigen en luchtvaartuigen en risico's op botsingen tot gevolg. Deze subfunctie is ook van toepassing op de banen en het gebied van het luchtvaartterrein dat bestemd is voor grondbewegingen.

Instrumenten ter ondersteuning van de luchtverkeersleiding op het luchtvaartterrein detecteren conflicterende verkeersklaringen; ze worden toegepast door het luchtverkeersleidingssysteem op basis van gegevens, waaronder de verkeersklaringen die door de luchtverkeersleider aan luchtvaartuigen en voertuigen zijn gegeven, de toegewezen baan en de wachtpositie. De luchtverkeersleider voert alle aan luchtvaartuigen of voertuigen gegeven verkleersklaringen in het luchtverkeersleidingssysteem in met behulp van een digitaal systeem, zoals EFS.

Verschillende soorten tegenstrijdige klaringen worden geïdentificeerd (bijvoorbeeld Line-Up vs. Take-Off). Sommige zijn enkel gebaseerd op de input van de luchtverkeersleider, andere kunnen ook gebruikmaken van andere gegevens, zoals A-SMGCS-bewakingsgegevens.

Luchthavenveiligheidsnetten waarschuwen luchtverkeersleiders wanneer luchtvaartuigen en voertuigen afwijken van de instructies, procedures of routes van de luchtverkeersleiding. De elektronisch beschikbare instructies van de luchtverkeersleider (via een digitaal systeem, zoals EFS) worden geïntegreerd met andere gegevens, zoals vliegplannen, bewakingsgegevens, routeringsgegevens, gepubliceerde regels en procedures. De integratie van deze gegevens stelt het systeem in staat de informatie te monitoren; wanneer een tegenstrijdigheid wordt vastgesteld, wordt een waarschuwing gegeven aan de luchtverkeersleider (bijv. geen goedkeuring voor duwen).

Systeemvereisten

De A-SMGCS-bewakingsgegevens en de aanverwante baanklaringen van de luchtverkeersleider worden geïntegreerd in de luchthavenveiligheidsnetten; A-SMGCS Surface Movement Routing, bewakingsgegevens en routeringsklaringen van luchtverkeersleiders worden geïntegreerd in Airport Conformance Monitoring

A-SMGCS omvat de in punt 2.1.4 hierboven vermelde geavanceerde routerings- en planningsfunctie om waarschuwingen met betrekking tot toezicht op de naleving mogelijk te maken

A-SMGCS bevat een functie om passende waarschuwingen te genereren en te verspreiden. Deze waarschuwingen moeten worden geïmplementeerd als een extra laag bovenop de bestaande A-SMGCS-waarschuwingen van niveau 2 en niet ter vervanging daarvan

Het werkstation van de luchtverkeersleider host waarschuwingen en signaleringen met een passende mens-machine-interface, met inbegrip van steun voor het annuleren van een signalering

Digitale systemen, zoals EFS, zorgen voor de integratie van de instructies van de luchtverkeersleider met andere gegevens, zoals het vliegplan, bewakingsgegevens, routering, gepubliceerde regels en procedures

2.2.   Geografisch toepassingsgebied

2.2.1.   EU- en EVA-lidstaten

De synchronisatie van Departure Management en Pre-departure sequencing, de opname van Surface Management Constraints in Departure Management, geautomatiseerde bijstand aan luchtverkeersleiders voor de planning en routering van grondbewegingen en luchthavenveiligheidsnetten moeten worden gebruikt op de volgende luchthavens:

Londen-Heathrow

Paris-CDG

Londen-Gatwick

Paris-Orly

Londen-Stansted

Milaan-Malpensa

Frankfurt International

Madrid-Barajas

Amsterdam Schiphol

München Franz Josef Strauss

Rome-Fiumicino

Barcelona El Prat

Zurich Kloten (3)

Düsseldorf International

Brussel-Nationaal

Oslo Gardermoen (4)

Stockholm-Arlanda

Berlijn Brandenburg

Manchester Ringway

Palma De Mallorca Son San Juan

Kopenhagen Kastrup

Wenen Schwechat

Dublin

Nice Côte d'Azur

Tijdgebaseerde separatie voor eindnadering moet worden toegepast op de volgende luchthavens:

Londen-Heathrow

Londen-Gatwick

Paris-Orly

Milaan-Malpensa

Frankfurt International

Madrid-Barajas

Amsterdam-Schiphol

München Franz Josef Strauss

Rome-Fiumicino

Zurich Kloten (5)

Düsseldorf International

Oslo Gardermoen (6)

Manchester Ringway

Kopenhagen Kastrup

Wenen Schwechat

Dublin

2.2.2.   Andere derde landen

Alle in dit punt vermelde subfuncties moeten worden toegepast op de luchthaven Istanbul Ataturk.

2.3.   Belanghebbenden die de functie ten uitvoer moeten leggen en streefdatums voor de uitrol

Verleners van luchtverkeersdiensten en luchthavenexploitanten die diensten aanbieden op de in punt 2.2 vermelde luchthavens moeten het volgende toepassen:

De synchronisatie van Departure Management en Pre-departure sequencing met ingang van 1 januari 2021

De opname van Surface Management Constraints in Departure Management met ingang van 1 januari 2021

Tijdgebaseerde separatie voor eindnadering met ingang van 1 januari 2024

Geautomatiseerde bijstand aan luchtverkeersleiders voor de planning en routering van grondbewegingen met ingang van 1 januari 2024

Veiligheidsnetten voor luchthavens met ingang van 1 januari 2021

2.4.   Behoefte aan synchronisatie

De uitrol van de functie „luchthavenintegratie en -doorstroming” wordt gecoördineerd omdat vertraging bij de uitrol ervan op de desbetreffende luchthavens gevolgen kan hebben voor de prestaties van het netwerk. Vanuit technisch perspectief wordt de uitrol van gerichte wijzigingen van het systeem en de procedures gesynchroniseerd om ervoor te zorgen dat de prestatiedoelstellingen worden verwezenlijkt. Bij deze synchronisatie van investeringen zijn verscheidene exploitanten van luchthavens en verleners van luchtvaartnavigatiediensten betrokken. Bovendien zal synchronisatie plaatsvinden tijdens de bijbehorende industrialiseringsfase, met name in de toeleveringssector en de normaliseringsorganen.

2.5.   Essentiële voorwaarden

Aan de volgende essentiële voorwaarden moet worden voldaan:

Digitale systemen, zoals EFS, A-CDM en initiële DMAN voor de synchronisatie van Departure Management en Pre-departure sequencing

Digitale systemen, zoals EFS, initiële DMAN en A-SMGCS van niveau 1 & 2 voor de opname van Surface Management Constraints in Departure Management

Digitale systemen, zoals EFS voor TBS

Digitale systemen, zoals EFS en A-SMGCS van niveau 1 & 2 voor geautomatiseerde bijstand aan luchtverkeersleiders voor de planning en routering van grondbewegingen

Digitale systemen, zoals EFS en A-SMGCS-toezicht voor luchthavenveiligheidsnetten.

2.6.   Links met andere ATM-functies

Er zijn geen links met andere ATM-functies

De subfuncties Synchronisatie van Departure Management en Pre-departure sequencing en Tijdgebaseerde separatie voor eindnadering mogen onafhankelijk van de andere subfuncties worden geïmplementeerd; om de subfuncties Opname van Surface Management Constraints in Departure Management en Luchthavenveiligheidsnetten te kunnen implementeren, moet de subfunctie Geautomatiseerde bijstand aan luchtverkeersleiders voor de planning en routering van grondbewegingen (A-SMGCS level 2+) beschikbaar zijn

3.   FLEXIBEL LUCHTRUIMBEHEER EN VRIJE ROUTES (FLEXIBLE AIRSPACE MANAGEMENT AND FREE ROUTE)

De combinatie van flexibel luchtruimbeheer en vrije routes stelt luchtruimgebruikers in staat zo dicht mogelijk bij hun geprefereerd traject te vliegen zonder hinder te ondervinden van de beperkingen van vaste luchtruimstructuren of vaste routenetwerken. Voorts maakt dit het ook mogelijk om activiteiten die segregatie vereisen, zoals militaire opleidingen, veilig en flexibel te laten plaatsvinden, met zo min mogelijk gevolgen voor de andere luchtruimgebruikers.

Deze functie valt uiteen in twee sub-functies:

Luchtruimbeheer en geavanceerd flexibel gebruik van het luchtruim

Vrije routes

3.1.   Operationele en technische reikwijdte

3.1.1.   Luchtruimbeheer en geavanceerd flexibel gebruik van het luchtruim

Luchtruimbeheer (Airspace Management, ASM) en geavanceerd flexibel gebruik van het luchtruim (Advanced Flexible Use of Airspace, A-FUA)) hebben tot doel de mogelijkheid te bieden om luchtruimreserveringen flexibeler te beheren in reactie op de behoeften van de luchtruimgebruikers. Veranderingen in de luchtruimstatus worden gedeeld met alle betrokken gebruikers, in het bijzonder de netwerkbeheerder, verleners van luchtvaartnavigatiediensten en luchtruimgebruikers (Flight Operations Centre/Wing Operations Centre (FOC/WOC)). De procedures en processen voor luchtruimbeheer moeten zijn aangepast aan een omgeving waarin het luchtruim dynamisch wordt beheerd, zonder vast routenetwerk.

Gegevensuitwisseling moet worden verbeterd door de beschikbaarheid van luchtruimstructuren ter ondersteuning van een meer dynamisch luchtruimbeheer en door de tenuitvoerlegging van een luchtruim met vrije routes (Free Routing Airspace, FRA). Een luchtruim met vrije routes is een luchtruim dat lateraal en verticaal gedefinieerd is en dat vrije routes mogelijk maakt met een reeks ingang/uitgang-kenmerken. In dit luchtruim worden vluchten nog steeds geleid door de luchtverkeersleiding.

Oplossingen voor luchtruimbeheer moeten alle luchtruimgebruikers ondersteunen, onder meer door de onderlinge afstemming van een luchtruim met vrije routes, voorwaardelijke routes (Conditional Route, CDR) en gepubliceerde directe routes (Direct Routing, DCT). Deze oplossingen voor luchtruimbeheer moeten worden gebaseerd op voorspellingen van de vraag die zijn ontvangen van de lokale functie Luchtverkeersstromen en capaciteitsbeheer (Air Traffic Flow and Capacity Management, ATFCM) en/of de netwerkbeheerder.

Systeemvereisten

Het systeem ter ondersteuning van het luchtruimbeheer ondersteunt de bestaande vaste en voorwaardelijke routenetwerken, alsmede directe routes, luchtruim met vrije routes en flexibele sectorconfiguraties; het systeem moet in staat zijn te reageren op wijzigingen in de vraag naar luchtruim; verbeteringen van het operationeel netwerkplan worden verwezenlijkt via een op samenwerking gebaseerd besluitvormingsproces tussen alle betrokken operationele belanghebbenden; het systeem ondersteunt grensoverschrijdende activiteiten, hetgeen resulteert in gedeeld gebruik van gesegregeerd luchtruim, ongeacht de nationale grenzen

Luchtruimconfiguraties moeten toegankelijk zijn via systemen van de netwerkbeheerder die geactualiseerde en geraamde luchtruimconfiguraties bevatten, zodat luchtruimgebruikers hun vliegplannen kunnen indienen en wijzigen op basis van tijdige en nauwkeurige informatie

Het luchtverkeersleidingssysteem moet flexibele sectorconfiguratie ondersteunen, zodat de afmetingen en activiteitsuren van sectoren kunnen worden geoptimaliseerd overeenkomstig de eisen van het operationeel netwerkplan

Het systeem moet het mogelijk maken de gevolgen van veranderende luchtruimconfiguraties op het netwerk permanent te evalueren

Luchtverkeersleidingssystemen moeten de activering en deactivering van configureerbare luchtruimreservaties en de verandering van een luchtruimvolume van een vast routenetwerk naar een luchtruim met vrije routes correct weergeven

Het systeem voor de verwerking van vliegplannen (Flight Plan Processing System, IFPS) wordt gewijzigd om de wijzigingen weer te geven in de definitie van luchtruim en routes, zodat de routes, de voortgang van de vlucht en de bijbehorende informatie beschikbaar zijn voor luchtverkeersleidingssystemen

De ASM-, ATFCM- en ATC-systemen moeten op veilige wijze met elkaar zijn verbonden zodat luchtvaartnavigatiediensten kunnen worden verleend op basis van een gemeenschappelijk begrip van het luchtruim en de verkeersomgeving. De luchtverkeersleidingssystemen moeten worden aangepast om deze functie mogelijk te maken, voor zover nodig om te voldoen aan punt 4 van deel A van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 552/2004

Systemen voor gecentraliseerde luchtvaartinformatiediensten (Aeronautical Information Services, AIS), zoals de Europese AIS-gegevensbank (EAD), moeten omgevingsgegevens voor flexibele luchtruimstructuren tijdig ter beschikking stellen van alle betrokken operationele belanghebbenden. Dit maakt planning mogelijk op basis van nauwkeurige informatie die relevant is op het ogenblik van de geplande activiteiten; lokale AIS-systemen moeten dit mogelijk maken en moeten het uploaden van veranderende lokale gegevens mogelijk maken

Operationale belanghebbenden moeten beschikken over een interface met het operationeel netwerkplan, zoals gespecificeerd in punt 4; de interfaces worden zodanig gedefinieerd dat het mogelijk is dynamische gegevens naar de systemen van operationele belanghebbenden te versturen, en dat deze belanghebbenden informatie op tijdige en nauwkeurige wijze kunnen meedelen; de systemen van deze belanghebbenden worden aangepast om deze interfaces mogelijk te maken

3.1.2.   Vrije routes

Vrije routes kunnen worden toegepast via het gebruik van zowel luchtruim met directe routes (Direct Routing Airspace) als luchtruim met vrij routes. Het luchtruim met directe routes is het luchtruim dat lateraal en verticaal is gedefinieerd met een reeks van ingang/uitgang-voorwaarden en waarin gepubliceerde directe routes beschikbaar zijn. In dit luchtruim worden vluchten nog steeds geleid door de luchtverkeersleiding. Om de snelle tenuitvoerlegging van de in punt 3.3 vermelde streefdatum voor de uitrol mogelijk te maken, kunnen vrije routes in beperkte mate worden geïmplementeerd tijdens bepaalde perioden. Er worden procedures vastgesteld voor de overgang tussen activiteiten met vrije routes en activiteiten met vaste routes. De initiële implementatie van vrije routes kan plaatsvinden op een structureel beperkte basis, bijvoorbeeld door het beperken van de beschikbare punten van ingang/uitgang voor bepaalde verkeersstromen middels de publicatie van directe routes, waardoor de luchtruimgebruikers vluchten kunnen plannen op basis van deze gepubliceerde directe routes. De beschikbaarheid van gepubliceerde directe routes kan afhankelijk zijn van beperkingen inzake de vraag naar verkeer en/of tijdsbeperkingen. De implementatie van luchtruim met vrije routes op basis van gepubliceerde directe routes kan de verwijdering van het ATS-routenetwerk mogelijk maken. Luchtruim met vrije routes en gepubliceerde directe routes wordt bekendgemaakt in de luchtvaartpublicaties, zoals beschreven in het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk van de netwerkbeheerder.

Systeemvereisten

De systemen voor netwerkbeheer moeten het volgende implementeren:

verwerking van vliegplannen en toetsing van gepubliceerde directe routes en luchtruim met vrije routes

routevoorstellen van het systeem voor de verwerking van vliegplannen op basis van luchtruim met vrije routes

dynamische herroutering

planning en uitvoering van de functie Luchtverkeersstromen en capaciteitsbeheer (Air Traffic Flow and Capacity Management, ATFCM) in het luchtruim met vrije routes

berekening en beheer van verkeersbelastingen

luchtverkeersleidingssystemen moeten het volgende implementeren:

Het systeem voor de verwerking van vluchtgegevens, inclusief HMI, moet de traject-/vluchtplanning beheren zonder verwijzing naar het vaste ATS-netwerk

Het systeem voor de vluchtplanning moet het luchtruim met vrije routes en grensoverschrijdende activiteiten ondersteunen

ASM/ATFCM moet het luchtruim met vrije routes beheren

voor het luchtruim met vrije routes, conflictdetectie op middellange termijn (Medium Term Conflict Detection, MTCD), inclusief instrumenten voor conflictdetectie (Conflict Detection Tools, CDT), bijstand voor het oplossen van conflicten (Conflict Resolution Assistant, CORA), toezicht op de naleving (Conformance Monitoring) en APW voor dynamische luchtruimvolumes/sectoren; trajectvoorspelling en conflictoplossing ondersteunen een geautomatiseerd MTCD-instrument dat is aangepast om te functioneren met betrekking tot het luchtruim met vrije routes en, wanneer nodig, met betrekking tot gepubliceerde directe routes

Luchtverkeersleidingssystemen kunnen geactualiseerde vluchtgegevens van een luchtvaartuig (ADS-C EPP) ontvangen en gebruiken als ze over een datalinkfunctie beschikken

Systemen van luchtruimgebruikers moeten vluchtplanningssystemen implementeren om dynamische sectorconfiguraties en luchtruim met vrije routes te beheren

Het systeem voor de verwerking van vluchtgegevens (Flight Data Processing System, FDPS) ondersteunt luchtruim met vrije routes, gepubliceerde directe routes en flexibel gebruik van het luchtruim

Het werkstation van de luchtverkeersleider moet de exploitatieomgevingen ondersteunen, voor zover passend

3.2.   Geografisch toepassingsgebied

Flexibel beheer van het luchtruim en vrije routes worden verschaft en geëxploiteerd in het luchtruim waarvoor de lidstaten bevoegd zijn op en boven vliegniveau 310 in de EUR-regio van de ICAO.

3.3.   Belanghebbenden die de functie ten uitvoer moeten leggen en streefdatums voor de uitrol

De netwerkbeheerder, de verleners van luchtvaartnavigatiediensten en de luchtruimgebruikers passen het volgende toe:

DCT met ingang van 1 januari 2018

FRA met ingang van 1 januari 2022

3.4.   Behoefte aan synchronisatie

De toepassing van de functie flexibel luchtruimbeheer en vrije routes wordt gecoördineerd wegens de potentiële gevolgen die een vertraagde tenuitvoerlegging in een ruim geografisch gebied met meerdere belanghebbenden kan hebben voor de prestaties van het netwerk. Vanuit technisch perspectief wordt de uitrol van gerichte wijzigingen van het systeem en de procedures gesynchroniseerd om ervoor te zorgen dat de prestatiedoelstellingen worden verwezenlijkt. Bij deze synchronisatie van investeringen zijn verscheidene civiele/militaire verleners van luchtvaartnavigatiediensten, luchtruimgebruikers en de netwerkbeheerder betrokken. Bovendien zal synchronisatie plaatsvinden tijdens de bijbehorende industrialiseringsfase, met name in de toeleveringssector.

3.5.   Essentiële voorwaarden

Er zijn geen essentiële voorwaarden voor deze functie.

3.6.   Links met andere ATM-functies

Indien beschikbaar zullen vrije routes en gepubliceerde directe routes worden ondersteund door de netwerkbeheerder en de SWIM-systemen, zoals gespecificeerd in punten 4 en 5

4.   OP SAMENWERKING GEBASEERD BEHEER VAN HET NETWERK (NETWORK COLLABORATIVE MANAGEMENT)

Op samenwerking gebaseerd beheer van het netwerk verbetert de prestaties van het Europees ATM-netwerk, met name de capaciteit en vluchtefficiëntie, via de uitwisseling, de wijziging en het beheer van trajectinformatie. Het beheer van de verkeersstromen (Flow Management) verandert in een omgeving waarin het verkeer beheerd wordt op basis van samenwerking (Cooperative Traffic Management, CTM), waardoor de toewijzing van het verkeer aan sectoren en luchthavens en de behoefte aan maatregelen op het gebied van luchtverkeersstromen en capaciteitsbeheer (Air Traffic Flow and Capacity Management, ATFCM) worden geoptimaliseerd.

Deze functie valt uiteen in de vol gende vier subfuncties:

Verbeterde ATFCM-maatregelen op korte termijn

Op samenwerking gebaseerd operationeel netwerkplan

Berekende vertrektijd ten opzichte van streeftijd voor ATFCM-doeleinden

Geautomatiseerde ondersteuning voor de beoordeling van de complexiteit van het verkeer

4.1.   Operationele en technische reikwijdte

4.1.1.   Verbeterde ATFCM-maatregelen op korte termijn

Beheer van de tactische capaciteit met gebruikmaking van ATFCM-maatregelen op korte termijn (Short Term ATFCM Measures, STAM) zorgt voor nauwe en efficiënte coördinatie tussen de luchtverkeersleiding en de netwerkbeheersfunctie. Beheer van de tactische capaciteit zorgt voor de implementatie van STAM door middel van coöperatieve besluitvorming om de stromen te beheren vóór vluchten een sector binnenkomen.

Systeemvereisten

ATFCM-planning wordt op netwerkniveau beheerd door de netwerkbeheerder en op lokaal niveau door het beheer van de verkeersstromen teneinde ondersteuning te bieden voor de detectie van hotspots, de uitvoering van STAM, de beoordeling van het netwerk en de permanente monitoring van de netwerkactiviteiten; de ATFCM-planning op netwerkniveau en op lokaal niveau worden met elkaar gecoördineerd

4.1.2.   Op samenwerking gebaseerd operationeel netwerkplan

De netwerkbeheerder implementeert een op samenwerking gebaseerd operationeel netwerkplan dat tot stand is gekomen door de verdere integratie van het operationeel netwerkplan en informatie uit het operationeel luchthavenplan. Het op samenwerking gebaseerd operationeel netwerkplan wordt geactualiseerd via gegevensuitwisseling tussen de netwerkbeheerder en de systemen van operationele belanghebbenden, teneinde de volledige levenscyclus van het traject te omvatten en, waar nodig, de prioriteiten te weerspiegelen. Beperkingen inzake luchthavenconfiguraties en luchtruiminformatie worden geïntegreerd in het operationeel netwerkplan. De luchthavenbeperkingen worden afgeleid uit het operationeel luchthavenplan, voor zover beschikbaar. De ATFCM-streeftijden kunnen worden gebruikt als input voor het bepalen van de aankomstvolgorde. Indien beschikbaar en vereist voor het bepalen van de verkeersvolgorde, worden de aankomststreeftijden afgeleid uit het operationeel luchthavenplan. Wanneer streeftijden worden gebruikt door ATFCM om congestie op de luchthaven aan te pakken, is het mogelijk dat deze streeftijden in overeenstemming moeten worden gebracht met het operationeel luchthavenplan, als onderdeel van de ATFCM-coördinatieprocessen. De streeftijden worden ook gebruikt om de processen voor het bepalen van de aankomstvolgorde op de luchthaven in de en-routefase te ondersteunen. De geïntegreerde luchthavenconfiguraties en weers- en luchtruiminformatie moeten kunnen worden gelezen en gewijzigd door erkende operationele belanghebbenden die deelnemen aan het beheer en de exploitatie van het netwerk.

De ontwikkeling van een op samenwerking gebaseerd operationeel netwerkplan moet gericht zijn op de beschikbaarheid van gedeelde operationele plannings- en real-time-gegevens.

Systeemvereisten

Operationele belanghebbenden krijgen toegang tot de gegevens die zij nodig hebben via queries binnen het operationeel netwerkplan

De grondsystemen van operationele belanghebbenden worden aangepast om een interface tot stand te brengen met de systemen voor netwerkbeheer. De systemen van het operationeel luchthavenplan moeten samenwerken met de systemen van het operationeel netwerkplan om een op samenwerking gebaseerd operationeel netwerkplan te kunnen implementeren

De interface tussen systemen van operationele belanghebbenden en systemen voor het beheer van het netwerk worden geïmplementeerd met behulp van informatiebeheersdiensten voor het volledige systeem (System-Wide Information Management, SWIM), zodra deze beschikbaar zijn

4.1.3.   Berekende vertrektijd ten opzichte van streeftijd voor ATFCM-doeleinden

Streeftijden worden toegepast op geselecteerde vluchten voor ATFCM-doeleinden teneinde ATFCM te beheren op het punt van congestie in plaats van aleen maar bij vertrek. Indien beschikbaar worden de aankomststreeftijden afgeleid uit het operationeel luchthavenplan. De aankomststreeftijden worden gebruikt om de processen voor het bepalen van de aankomstvolgorde op de luchthaven in de en-routefase te ondersteunen.

Systeemvereisten

De systemen van de netwerkbeheerder moeten de uitwisseling van streeftijden ondersteunen. De systemen moeten in staat zijn berekende vertrektijden aan te passen op basis van verfijnde en overeengekomen aankomststreeftijden op de luchthaven van bestemming; aankomststreeftijden worden geïntegreerd in het operationeel luchthavenplan teneinde vervolgens het operationeel netwerkplan te kunnen verfijnen

Het is mogelijk dat systemen voor de verwerking van vluchtgegevens moeten worden aangepast om downlink-trajectgegevens (ADS-C EPP) te kunnen verwerken

4.1.4.   Geautomatiseerde ondersteuning voor de beoordeling van de complexiteit van het verkeer

Geplande trajectinformatie, netwerkinformatie en geregistreerde analytische gegevens over eerdere activiteiten worden gebruikt voor het voorspellen van de complexiteit van het verkeer en mogelijke overbelastingssituaties, zodat risicobeperkende strategieën kunnen worden toegepast op lokaal en op netwerkniveau.

Uitgebreide vliegplannen (Extended Flight Plans, EFPL) worden gebruikt voor het verhogen van de kwaliteit van de informatie over het geplande traject, waardoor de vluchtplanning en de beoordeling van de complexiteit verbeteren.

Systeemvereisten

De systemen van de netwerkbeheerder moeten kunnen omgaan met flexibele luchtruimstructuren, routeconfiguraties die het beheer van de verkeersbelasting mogelijk maken en complexiteit, in een geest van samenwerking op het niveau van het beheer van de luchtverkeersstromen en op netwerkniveau

Er dient een interface te bestaan tussen systemen voor de verwerking van vluchtgegevens en het operationeel netwerkplan

De systemen voor vluchtplanning moeten uitgebreide vliegplannen ondersteunen en de systemen van de netwerkbeheerder moeten in staat zijn uitgebreide vliegplannen te verwerken

Informatie die verstrekt is in het kader van het Route Availability Document (RAD) en ProfileTuning Restriction (PTR) wordt geharmoniseerd via het proces van op samenwerking gebaseerde besluitvorming (Collaborative Decision Making, CDM) van het ontwerp van het Europese routenetwerk en de ATFM-functies van de netwerkbeheerder, zodat de aanbieders van systemen voor vluchtplanning een vliegplanroute kunnen genereren die aanvaard wordt met het meest efficiënte traject

Instrumenten voor luchtruimbeheer/luchtverkeersstromen en capaciteitsbeheer moeten in staat zijn de beschikbaarheid en sectorcapaciteit van verschillende delen van het luchtruim te beheren, met inbegrip van flexibel gebruik van het luchtruim (zoals gespecificeerd in punt 3), de aanpassing van het Route Availability Document (RAD) en ATFCM-maatregelen op korte termijn (Short Term ATFCM Measures, STAM)

4.2.   Geografisch toepassingsgebied

Op samenwerkng gebaseerd beheer van het netwerk wordt toegepast in het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer. In luchtverkeersleidingscentra in lidstaten waar civiel-militaire activiteiten niet geïntegreerd zijn (7), wordt op samenwerking gebaseerd netwerkbeheer toegepast in de mate die vereist is bij punt 4 van deel A van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 552/2004.

4.3.   Belanghebbenden die de functie ten uitvoer moeten leggen en streefdatum voor de uitrol

Operationele belanghebbenden en de netwerkbeheerder moeten met ingang van 1 januari 2022 gebruikmaken van op samenwerking gebaseerd beheer van het netwerk.

4.4.   Behoefte aan synchronisatie

De uitrol van de functie „op samenwerking gebaseerd beheer van het netwerk” wordt gecoördineerd wegens de potentiële gevolgen die een vertraagde tenuitvoerlegging in een ruim geografisch gebied met meerdere belanghebbenden kan hebben voor de prestaties van het netwerk. Vanuit technisch perspectief wordt de uitrol van gerichte wijzigingen van het systeem en de procedures gesynchroniseerd om ervoor te zorgen dat de prestatiedoelstellingen worden verwezenlijkt. Bij deze synchronisatie van investeringen zijn verscheidene verleners van luchtvaartnavigatiediensten en de netwerkbeheerder betrokken. Bovendien zal synchronisatie plaatsvinden tijdens de bijbehorende industrialiseringsfase (met name in de toeleveringssector en de normaliseringsorganen).

4.5.   Essentiële voorwaarden

Er zijn geen essentiële voorwaarden voor deze functie. De implementatie van fase 1 van STAM vergemakkelijkt de operationele integratie van deze ATM-functie in bestaande systemen.

4.6.   Links met andere ATM-functies

Netwerkbeheerssystemen maken gebruik van AMAN, als omschreven in punt 1

Waar beschikbaar moeten systemen van het operationeel luchthavenplan gebruikmaken van DMAN, zoals gespecificeerd in punt 2

Netwerkbeheerssystemen ondersteunen het flexibele gebruik van het luchtruim en vrije routes, als omschreven in punt 3

Voor de vereiste informatie-uitwisseling wordt gebruikgemaakt van SWIM, als omschreven in punt 5, zodra dit beschikbaar is

Voor zover beschikbaar wordt de in punt 6 vermelde downlink-trajectinformatie geïntegreerd in het operationeel netwerkplan, ter ondersteuning van TTO/TTA

5.   INITIEEL INFORMATIEBEHEER VOOR HET VOLLEDIGE SYSTEEM (INITIAL SYSTEM WIDE INFORMATION MANAGEMENT)

Informatiebeheer voor het volledige systeem (System Wide Information Management (SWIM)) betreft de ontwikkeling van diensten voor informatie-uitwisseling. SWIM omvat normen, infrastructuur en governance die het mogelijk maken informatie en de uitwisseling van informatie tussen operationele belanghebbenden te beheren via interoperabele diensten.

Initieel informatiebeheer voor het volledige systeem (Initial System Wide Information Management, iSWIM) ondersteunt informatie-uitwisselingen die gebaseerd zijn op normen en tot stand worden gebracht door systemen met SWIM-mogelijkheden via een netwerk dat gebaseerd is op een internetprotocol (IP). Het bestaat uit:

Gemeenschappelijke Infrastructuurcomponenten

Technische infrastructuur en profielen voor SWIM

Uitwisseling van luchtvaartinformatie

Uitwisseling van meteorologische informatie

Op samenwerking gebaseerde uitwisseling van informatie over het netwerk

Uitwisseling van vluchtinformatie

5.1.   Operationele en technische reikwijdte

5.1.1.   Gemeenschappelijke Infrastructuurcomponenten

Gemeenschappelijke Infrastructuurcomponenten zijn:

Het register, dat gebruikt zal worden voor de publicatie en ontdekking van informatie over gebruikers en verleners van diensten, het logische informatiemodel, diensten met SWIM-mogelijkheden, zakelijke, technische en beleidsinformatie

Openbare sleutelinfrastructuur (Public Key Infrastructure, PKI), die wordt gebruikt voor de ondertekening, de afgifte en het onderhoud van certificaten en intrekkingslijsten; de PKI waarborgt dat informatie veilig kan worden doorgegeven

5.1.2.   Technische infrastructuur en profielen voor SWIM

De implementatie van een SWIM-profiel voor technische infrastructuur is gebaseerd op normen en interoperabele producten en diensten. Diensten voor informatie-uitwisseling worden geïmplementeerd op een van de volgende profielen:

Blauw SWIM TI Profile, dat wordt gebruikt voor de uitwisseling van vluchtgegevens tussen luchtverkeersleidingscentra onderling en tussen de luchtverkeersleiding en de netwerkbeheerder

Geel SWIM TI Profile, dat wordt gebruikt voor alle andere gegevens inzake luchtverkeersbeheer (luchtvaartinformatie, meteorologische gegevens, gegevens over luchthavens enz.)

5.1.3.   Uitwisseling van luchtvaartinformatie

Operationele belanghebbenden implementeren diensten die de uitwisseling van de volgende luchtvaartinformatie ondersteunen door gebruik te maken van het gele SWIM TI Profile:

Kennisgeving van de activering van een luchtruimreservatie/-beperking (ARES)

Kennisgeving van de deactivering van een luchtruimreservatie/-beperking (ARES)

Voorafgaande kennisgeving van de activering van een luchtruimreservatie/-beperking (ARES)

Kennisgeving van de vrijgave van een luchtruimreservatie/-beperking (ARES)

Luchtvaartinformatie, op verzoek. Filtering mogelijk op type, naam en een geavanceerde filter met ruimte-, tijds- en logische operatoren.

Informatie over de Query Airspace Reservation/Restriction (ARES)

Kaartgegevens over de luchthaven en luchthavenkaarten

Plannen voor het gebruik van het luchtruim (AUP, UUP) — luchtruimbeheer van niveau 1, 2 en 3

D-Notams

De tenuitvoerlegging van de dienst moet in overeenstemming zijn met de toepasselijke versie van het referentiemodel voor luchtvaartinformatie (Aeronautical Information Reference Model, AIRM), het AIRM Foundation Material en het Information Service Reference Model (ISRM) Foundation Material.

Systeemvereisten

ATM-systemen moeten gebruik kunnen maken van diensten voor de uitwisseling van luchtvaartinformatie

5.1.4.   Uitwisseling van meteorologische informatie

Operationele belanghebbenden moeten diensten implementeren die de uitwisseling ondersteunen van de volgende meteorologische informatie aan de hand van het gele SWIM TI Profile:

Meteorologische voorspelling van het weer op de desbetreffende luchthaven in de nabije toekomst:

windsnelheid en -richting

luchttemperatuur

drukinstelling van de hoogtemeter

zichtbare baanlengte (Runway Visual Range, RVR)

concentratie vulkanische asmassa

dienst voor informatie over specifieke meteorologische kenmerken

dienst voor informatie over hoogtewinden

meteorologische informatie ter ondersteuning van luchtverkeersleiding op de luchthaven en de processen aan de landzijde van de luchthaven of hulpmiddelen die gebruikmaken van de relevante meteorologische informatie, vertaalprocessen om weersgerelateerde beperkingen af te leiden en deze informatie om te zetten in gevolgen voor het luchtverkeersbeheer; het systeem moet in staat zijn beslissingen te nemen die tussen 20 minuten en zeven dagen in de toekomst liggen

meteorologische informatie ter ondersteuning van en-route-/naderingsluchtverkeersleidingsprocessen of hulpmiddelen die gebruikmaken van de relevante meteorologische informatie, vertaalprocessen om weersgerelateerde beperkingen af te leiden en deze informatie om te zetten in gevolgen voor het luchtverkeersbeheer; het systeem moet in staat zijn beslissingen te nemen die tussen 20 minuten en zeven dagen in de toekomst liggen

meteorologische informatie ter ondersteuning van processen voor het beheer van netwerkinformatie of hulpmiddelen die gebruikmaken van de relevante meteorologische informatie, vertaalprocessen om weersgerelateerde beperkingen af te leiden en deze informatie om te zetten in gevolgen voor het luchtverkeersbeheer; het systeem moet in staat zijn beslissingen te nemen die tussen 20 minuten en zeven dagen in de toekomst liggen

De tenuitvoerlegging van de dienst moet in overeenstemming zijn met de toepasselijke versie van het referentiemodel voor luchtvaartinformatie (Aeronautical Information Reference Model, AIRM), het AIRM Foundation Material en het Information Service Reference Model (ISRM) Foundation Material.

Systeemvereisten

Systemen voor luchtverkeersbeheer moeten gebruik kunnen maken van diensten voor de uitwisseling van meteorologische informatie

5.1.5.   Op samenwerking gebaseerde uitwisseling van informatie over het netwerk

Operationele belanghebbenden implementeren diensten die de uitwisseling van de volgende op samenwerking gebaseerde netwerkinformatie ondersteunen door gebruik te maken van het gele SWIM TI Profile:

Maximale luchthavencapaciteit, gebaseerd op de huidige weersomstandigheden en de weersomstandigheden in de nabije toekomst

Synchronisatie van het operationeel netwerkplan en alle operationele luchthavenplannen

Voorschriften

Slots

ATFCM-maatregelen op korte termijn

ATFCM-congestiepunten

Beperkingen

Structuur, beschikbaarheid en gebruik van het luchtruim

Operationale netwerkplannen en plannen voor en-routenaderingen

De tenuitvoerlegging van de dienst moet in overeenstemming zijn met de toepasselijke versie van het referentiemodel voor luchtvaartinformatie (Aeronautical Information Reference Model, AIRM), het AIRM Foundation Material en het Information Service Reference Model (ISRM) Foundation Material.

Systeemvereisten

Het netwerkbeheerdersportaal ondersteunt alle operationele belanghebbenden bij de elektronische uitwisseling van gegevens met de netwerkbeheerder; het netwerkbeheerdersportaal dient ter ondersteuning van de keuze van de operationele belanghebbenden tussen een vooraf bepaalde online-toegang of een verbinding met hun eigen toepassingen via system-to-system-diensten (B2B) die op webtechnologie zijn gebaseerd

5.1.6.   Uitwisseling van vluchtinformatie

Vluchtinformatie wordt tijdens de pre-tactische en de tactische fase uitgewisseld door luchtverkeersleidingssystemen en de netwerkbeheerder.

Operationele belanghebbenden implementeren diensten die de uitwisseling ondersteunen van de in de onderstaande tabel vermelde vluchtinformatie, door gebruik te maken van het gele SWIM TI Profile:

Verschillende activiteiten met betrekking tot een flight object: ontvangst bevestigen, instemming met FO bevestigen, inschrijving op FO-distributie beëindigen, inschrijven op FO-distributie, FO-beperkingen wijzigen, route wijzigen, landingsbaan vaststellen, coördinatiegerelateerde informatie actualiseren, SSR-code wijzigen, STAR vaststellen, luchtverkeersleidingseenheid overslaan in coördinatiedialoog

Informatie over het flight object delen. Flight objects omvatten het flight script, bestaande uit de ATC-beperkingen en het 4D-traject

Operationele belanghebbenden implementeren de volgende diensten voor de uitwisseling van vluchtinformatie door gebruik te maken van het gele SWIM TI Profile:

Validering van vliegplannen en routes

Vliegplannen, 4D-traject, vluchtprestatiegegevens, vluchtstatus

Vluchtlijsten en gedetailleerde vluchtgegevens

diensten die verband houden met de actualisering van vluchtberichten (vertrekinformatie)

De tenuitvoerlegging van de dienst moet in overeenstemming zijn met de toepasselijke versie van het referentiemodel voor luchtvaartinformatie (Aeronautical Information Reference Model, AIRM), het AIRM Foundation Material en het Information Service Reference Model (ISRM) Foundation Material.

Systeemvereisten

ATC systemen maken gebruik van diensten voor de uitwisseling van vluchtinformatie

5.2.   Geografisch toepassingsgebied

De iSWIM-functie wordt uitgerold in het Europese netwerk voor luchtverkeersbeheer (European Air Traffic Management Network, EATMN), zoals aangegeven in de tabel. In centra in lidstaten waar civiel-militaire dienstverlening niet geïntegreerd is (8), wordt de iSWIM-functie ten uitvoer gelegd in de mate die vereist is bij punt 4 van deel A van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 552/2004.

 

Civiele verleners van luchtvaartnavigatiediensten

(exclusief verleners van meteorologische diensten)

Luchthavens

Civiel-militaire coördinatie

Luchtruimgebruikers

Verleners van meteorologische diensten

Netwerkbeheerder

Uitwisseling van luchtvaartinformatie

Luchtverkeersleidingscentra, naderingsverkeersleidingsgebieden en torens die worden genoemd in het aanhangsel

Geografische reikwijdte, als bedoeld in punt 1.2

Alle centra in de lidstaten met niet-geïntegreerde civiel/militaire dienstverlening (9)

Aanbieders van luchtverkeersleidingssystemen

Netwerkbeheerder

Uitwisseling van meteorologische informatie

Luchtverkeersleidingscentra, naderingsverkeersleidingsgebieden en torens die worden genoemd in het aanhangsel

Geografische reikwijdte, als bedoeld in punt 1.2

Alle centra in de lidstaten met niet-geïntegreerde civiel/militaire dienstverlening (9)

Aanbieders van luchtverkeersleidingssystemen

Alle verleners van meteorologische diensten

Netwerkbeheerder

Op samenwerking gebaseerde uitwisseling van informatie over het netwerk

Luchtverkeersleidingscentra, naderingsverkeersleidingsgebieden en torens die worden genoemd in het aanhangsel

Geografische reikwijdte, als bedoeld in punt 1.2

Aanbieders van luchtverkeersleidingssystemen

Netwerkbeheerder

Uitwisseling van vluchtinformatie

Luchtverkeersleidingscentra en naderingsverkeersleidingsgebieden die worden genoemd in het aanhangsel

Netwerkbeheerder

5.3.   Belanghebbenden die de functie ten uitvoer moeten leggen en streefdatum voor de uitrol

De in punt 5.2 vermelde operationele belanghebbenden en de netwerkbeheerder verlenen en exploiteren de iSWIM met ingang van 1 januari 2025.

5.4.   Behoefte aan synchronisatie

De toepassing van de functie Initieel informatiebeheer voor het volledige systeem (Initial System Wide Information Management) wordt gecoördineerd wegens de potentiële gevolgen die een vertraagde tenuitvoerlegging in een ruim geografisch gebied met meerdere belanghebbenden kan hebben voor de prestaties van het netwerk. Vanuit technisch perspectief wordt de uitrol van gerichte wijzigingen van het systeem en de dienstverlening gesynchroniseerd om ervoor te zorgen dat de prestatiedoelstellingen worden verwezenlijkt. Deze synchronisatie maakt gerichte veranderingen in de ATM-functies mogelijk, als bedoeld in delen 1 tot en met 4 hierboven, alsmede toekomstige gemeenschappelijke projecten. Bij de synchronisatie worden alle ATM-belanghebbenden op de grond betrokken (verleners van civiele/militaire luchtvaartnavigatie, gebruikers van het luchtruim — voor AOC-systemen, luchthavenexploitanten, verleners van meteorologische diensten en de netwerkbeheerder. Bovendien zal synchronisatie plaatsvinden tijdens de bijbehorende industrialiseringsfase, met name in de toeleveringssector en de normaliseringsorganen.

5.5.   Essentiële voorwaarden

Om het blauwe SWIM TI Profile te ondersteunen, worden centra met hoge en zeer hoge capaciteit verbonden met pan-Europese netwerkdiensten (Pan-European Network Services, PENS).

5.6.   Links met andere ATM-functies

SWIM-diensten maken de AMAN-functie mogelijk, zoals beschreven in punt 1, flexibel gebruik van het luchtruim (A-FUA), zoals beschreven in punt 3, de functie „op samenwerking gebaseerd netwerkbeheer”, zoals beschreven in punt 4, en de uitwisseling van gedownlinkte trajectinformatie tussen de systemen voor de verwerking van vluchtgegevens van eenheden voor luchtverkeersdiensten, zoals vereist bij de in punt 6 vermelde functie „Initiële uitwisseling van informatie over trajecten (Initial Trajectory Information Sharing)”

De tenuitvoerlegging de in punt 5 bedoelde SWIM-infrastructuur en -diensten vergemakkelijkt de uitwisseling van informatie voor alle genoemde ATM-functies

6.   INITIËLE UITWISSELING VAN INFORMATIE OVER TRAJECTEN (INITIAL TRAJECTORY INFORMATION SHARING)

Initiële uitwisseling van informatie over trajecten (Initial Trajectory Information Sharing, i4D) bestaat uit het verbeterde gebruik van streeftijden en trajectinformatie, inclusief — indien beschikbaar — het gebruik van 4D-trajectgegevens aan boord door het luchtverkeersleidingssysteem op de grond en door de systemen van de netwerkbeheerder, waardoor minder tactische interventies nodig zijn en de situatie op het gebied van conflictoplossing wordt verbeterd.

6.1.   Operationele en technische reikwijdte

Streeftijden en 4D-trajectgegevens worden gebruikt om de prestaties van het luchtverkeersbeheersysteem te verbeteren.

De trajectinformatie en streeftijden worden verbeterd door de uitwisseling van trajectinformatie tussen de lucht en de grond.

Systeemvereisten

Uitgeruste luchtvaartuigen downlinken trajectinformatie door gebruik te maken van het ADS-C Extended Projected Profile (EPP), in het kader van de ATN B2-diensten; de trajectgegevens worden automatisch gedownlinkt van het boordsysteem en gebruikt om het systeem voor luchtverkeersbeheer te actualiseren volgens de contractuele bepalingen.

Grondsystemen voor datalinkcommunicatie ondersteunen ADS-C (downlinken van trajecten van luchtvaartuigen via EPP) in het kader van de ATN B2-diensten

De werkstations van de luchtverkeersleiders die verantwoordelijk zijn voor de systemen voor de verwerking van vluchtgegevens en de systemen van de netwerkbeheerder maken gebruik van gedownlinkte trajecten

Uitwisseling van trajectinformatie tussen ATS-eenheden van vluchtdienstperiode tot vluchtdienstperiode, en tussen ATS-eenheden en de systemen van de netwerkbeheerder moet worden ondersteund door de uitwisseling van flight objects, als omschreven in punt 5

6.2.   Geografisch toepassingsgebied

Initiële uitwisseling van informatie over trajecten (Initial Trajectory Information Sharing) wordt uitgerold in alle ATS-eenheden die luchtverkeersdiensten verlenen in het luchtruim waarvoor de lidstaten verantwoordelijk zijn in de EUR-regio van de ICAO.

6.3.   Belanghebbenden die de functie ten uitvoer moeten leggen en streefdatums voor de uitrol

Verleners van luchtverkeersdiensten en de netwerkbeheerder maken initiële uitwisseling van informatie over trajecten (Initial Trajectory Information Sharing) mogelijk met ingang van 1 januari 2025.

De uitrolbeheerder ontwikkelt een strategie, die tevens stimulansen omvat, om ervoor te zorgen dat ten minste 20 % van de luchtvaartuigen die actief zijn in het luchtruim van de landen van de Europese Burgerluchtvaartconferentie (ECAC) (10) in de EUR-regio van de ICAO, wat moet overeenstemmen met minstens 45 % van de vluchten die in die landen worden uitgevoerd, zijn uitgerust met de mogelijkheid luchtvaartuigtrajecten te downlinken via ADS-C EPP met ingang van 1 januari 2026.

6.4.   Behoefte aan synchronisatie

De toepassing van de functie Initiële uitwisseling van informatie over trajecten (Initial Trajectory Information Sharing) wordt gecoördineerd wegens de potentiële gevolgen die een vertraagde tenuitvoerlegging in een ruim geografisch gebied met meerdere belanghebbenden kan hebben voor de prestaties van het netwerk. Vanuit technisch perspectief wordt de uitrol van gerichte wijzigingen van het systeem en de dienstverlening gesynchroniseerd om ervoor te zorgen dat de prestatiedoelstellingen worden verwezenlijkt. Deze synchronisatie maakt gerichte veranderingen in de ATM-functie mogelijk, als bedoeld in delen 1, 3 en 4 hierboven, alsmede toekomstige gemeenschappelijke projecten. De synchronisatie heeft betrekking op alle verleners van luchtvaartnavigatiediensten, de netwerkbeheerder en de luchtruimgebruiekrs (behoefte aan lucht-grondsynchronisatie). De synchronisatie en samenhang van stappenplannen voor vliegtuigelektronica, teneinde de beste economische efficiëntie en interoperabiliteit voor luchtruimgebruikers te garanderen, wordt tot stand gebracht via de samenwerkingsregelingen in het memorandum van samenwerking bij onderzoek en ontwikkeling in de burgerluchtvaart tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Unie (11). Bovendien zal synchronisatie plaatsvinden tijdens de bijbehorende industrialiseringsfase, met name in de toeleveringssector en de normaliserings- en certificeringsorganen.

6.5.   Essentiële voorwaarden

De datalinkcapaciteit, zoals beschreven in Verordening (EG) nr. 29/2009 van de Commissie inzake datalinkdiensten, is een essentiële voorwaarde voor deze ATM-functie.

6.6.   Links met andere ATM-functies

Het gedownlinkte luchtvaartuigtraject kan worden gebruikt om de in punt 1 beschreven AMAN-functie te verbeteren

Downlink-trajectinformatie kan worden geïntegreerd in de berekening van de verbeterde ATFCM-maatregelen op korte termijn en de geautomatiseerde ondersteuning voor de beoordeling van de complexiteit van het verkeer, zoals vermeld in punt 3

Indien beschikbaar wordt downlink-trajectinformatie geïntegreerd in het operationeel netwerkplan, zoals gespecificeerd in punt 4, ter ondersteuning van TTO/TTA

iSWIM, als bedoeld in punt 5, maakt het mogelijk gedownlinkte informatie tussen ATS-eenheden uit te wisselen van vluchtdienstperiode tot vluchtdienstperiode


(1)  Onder voorbehoud van de opname van deze verordening in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer.

(2)  Onder voorbehoud van de opname van deze verordening in de EER-overeenkomst.

(3)  Onder voorbehoud van de opname van deze verordening in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer.

(4)  Onder voorbehoud van de opname van deze verordening in de EER-overeenkomst.

(5)  Onder voorbehoud van de opname van deze verordening in de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake luchtvervoer.

(6)  Onder voorbehoud van de opname van deze verordening in de EER-overeenkomst.

(7)  Oostenrijk, België, Bulgarije, Tsjechië, Frankrijk, Ierland, Italië, Portugal, Roemenië, Slowakije en Spanje.

(8)  Oostenrijk, België, Bulgarije, Tsjechië, Frankrijk, Ierland, Italië, Portugal, Roemenië, Slowakije en Spanje.

(9)  Oostenrijk, België, Bulgarije, Tsjechië, Frankrijk, Ierland, Italië, Portugal, Roemenië, Slowakije en Spanje.

(10)  Albanië, Armenië, Oostenrijk, Azerbeidjan, België, Bosnië en Herzegovina, Bulgarije, Kroatië, Cyprus, Tsjechië, Denemarken, Estland, Finland, Frankrijk, Georgië, Duitsland, Griekenland, Hongarije, IJsland, Ierland, Italië, Letland, Litouwen, Luxemburg, Malta, Moldavië, Monaco, Montenegro, Nederland, Noorwegen, Polen, Portugal, Roemenië, San Marino, Servië, Slowakije, Slovenië, Spanje, Zweden, Zwitserland, De voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Turkije, Oekraïne, Verenigd Koninkrijk.

(11)  Bijlage 1 bij het memorandum van samenwerking NAT-I- 9406 tussen de Verenigde Staten van Amerika en de Europese Unie, samenwerking tussen SESAR en NEXTGEN met het oog op mondiale interoperabiliteit, PB L 89 van 5.4.2011, blz. 8.

Aanhangsel

Luchtverkeersleidingscentra (Area Control Centres):

LONDON ACC CENTRAL

KARLSRUHE UAC

UAC MAASTRICHT

MARSEILLE EAST + WEST

PARIS EAST

ROMA ACC

LANGEN ACC

ANKARA ACC

MUENCHEN ACC

PRESTWICK ACC

ACC WIEN

MADRID ACC (LECMACN + LEC)

BORDEAUX U/ACC

BREST U/ACC

PADOVA ACC

BEOGRADE ACC

REIMS U/ACC

BUCURESTI ACC

BARCELONA ACC

BUDAPEST ACC

ZUERICH ACC

AMSTERDAM ACC

Naderingsverkeersleidingsgebieden en torens:

LONDON TMA TC

LANGEN ACC

PARIS TMA/ZDAP

MUENCHEN ACC

BREMEN ACC

ROMA TMA

MILANO TMA

MADRID TMA

PALMA TMA

ARLANDA APPROACH

OSLO TMA

BARCELONA TMA

APP WIEN

CANARIAS TMA

COPENHAGEN APP

ZUERICH APP

APP BRUSSELS

PADOVA TMA

HELSINKI APPROACH

MANCHESTER APPROACH

AMSTERDAM ACC

DUBLIN TMA


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/45


VERORDENING (EU) Nr. 717/2014 VAN DE COMMISSIE

van 27 juni 2014

inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (1),

Na bekendmaking van een ontwerp van deze verordening (2),

Na raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overheidsfinanciering die aan de criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag voldoet, vormt staatssteun en moet krachtens artikel 108, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie worden aangemeld. Op grond van artikel 109 van het Verdrag kan de Raad evenwel bepalen welke soorten steunmaatregelen van die aanmeldingsverplichting zijn vrijgesteld. Overeenkomstig artikel 108, lid 4, van het Verdrag kan de Commissie verordeningen betreffende die soorten staatssteun vaststellen. Bij Verordening (EG) nr. 994/98 heeft de Raad overeenkomstig artikel 109 van het Verdrag besloten dat de-minimissteun een van die soorten kan zijn. Op basis daarvan wordt de-minimissteun, d.w.z. aan één onderneming over een bepaalde periode toegekende steun die een bepaald vastgesteld bedrag niet overschrijdt, geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en valt deze steun bijgevolg niet onder de aanmeldingsprocedure.

(2)

In talrijke besluiten heeft de Commissie het begrip „steun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag verduidelijkt. De Commissie heeft ook haar beleid met betrekking tot een de-minimisplafond beneden hetwelk artikel 107, lid 1, van het Verdrag kan worden geacht niet van toepassing te zijn, uiteengezet, eerst in haar mededeling inzake de-minimissteun (3) en vervolgens in de Verordeningen (EG) nr. 69/2001 (4) en (EG) nr. 1998/2006 (5) van de Commissie. Gelet op de bijzondere voorschriften die in de visserij- en aquacultuursector van toepassing zijn, en gezien het risico dat zelfs lage steunniveaus aan de criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag kunnen voldoen, werd de visserij- en aquacultuursector uit de werkingssfeer van die verordeningen gesloten. De Commissie heeft reeds een aantal verordeningen met voorschriften inzake de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector vastgesteld; de recentste daarvan is Verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie (6). Op grond van die verordening wordt de totale de-minimissteun die wordt toegekend aan één onderneming die in de visserijsector actief is, beschouwd als steun die niet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag voldoet indien over een periode van drie belastingjaren de steun per begunstigde niet meer bedraagt dan 30 000 EUR en het voor elke lidstaat vastgestelde cumulatieve bedrag ten belope van 2,5 % van de waarde van de jaarlijkse productie van de visserijsector niet wordt overschreden. In het licht van de ervaring die bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 875/2007 is opgedaan, is het passend een aantal van de in die verordening vastgestelde voorwaarden te herzien en die verordening te vervangen.

(3)

Het is passend het plafond van 30 000 EUR voor het bedrag aan de-minimissteun dat één onderneming gedurende een periode van drie jaar per lidstaat mag ontvangen, te behouden. Dat plafond blijft nog steeds noodzakelijk om te garanderen dat maatregelen die onder deze verordening vallen, kunnen worden geacht het handelsverkeer tussen de lidstaten niet te beïnvloeden en de mededinging niet te vervalsen of dreigen te vervalsen wanneer het totale steunbedrag dat over een periode van drie jaar aan alle ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, lager is dan het per lidstaat vastgestelde cumulatieve bedrag ten belope van 2,5 % van de jaarlijkse omzet in de visserijsector, d.w.z. de omzet van de vangst-, verwerkings- en aquacultuuractiviteiten (het nationale maximum).

(4)

Een onderneming is, voor de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag, elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (7). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat alle entiteiten die (juridisch of feitelijk) onder de zeggenschap staan van dezelfde entiteit, als één onderneming dienen te worden beschouwd (8). Met het oog op rechtszekerheid en om de administratieve rompslomp te verlichten moet in deze verordening een uitputtende lijst van duidelijke criteria worden vastgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald wanneer twee of meer ondernemingen in dezelfde lidstaat als één onderneming moeten worden beschouwd. De Commissie heeft uit de vaststaande criteria voor het definiëren van „verbonden ondernemingen” die zijn opgenomen in de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen (hierna „kmo's” genoemd) van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (9) en bijlage I bij Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie (10), de criteria gekozen die zinvol zijn voor de toepassing van deze verordening. De criteria, waarmee de overheidsinstanties reeds vertrouwd zijn, moeten, gelet op het toepassingsgebied van deze verordening, van toepassing zijn op zowel kmo's als grote ondernemingen. Die criteria moeten garanderen dat een groep verbonden ondernemingen voor de toepassing van de de-minimisregel als één enkele onderneming wordt beschouwd, maar dat ondernemingen die geen banden met elkaar onderhouden tenzij dat elk van hen een rechtstreekse band met dezelfde overheidsinstantie of -instanties heeft, niet als onderling verbonden worden behandeld. Zo wordt rekening gehouden met de specifieke situatie van ondernemingen die onder de zeggenschap van dezelfde overheidsinstantie of -instanties staan, maar een zelfstandige beslissingsbevoegdheid kunnen hebben.

(5)

Gezien de werkingssfeer van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de definitie van visserij- en aquacultuursector die in artikel 5, onder d), van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11) is vastgesteld, moet deze verordening van toepassing zijn op ondernemingen die actief zijn in de productie, verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten.

(6)

Het is een algemeen beginsel dat geen steun mag worden verleend in omstandigheden waarin de Uniewetgeving, en in het bijzonder de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, niet worden nageleefd. Dit beginsel geldt ook voor de-minimissteun.

(7)

Gezien de noodzaak te zorgen voor samenhang met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, dienen met name steun voor de aankoop van vissersvaartuigen, steun voor de modernisering of de vervanging van de hoofd- of hulpmotoren van vissersvaartuigen of enige andere steun voor concrete acties die niet in aanmerking komen krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12), van het toepassingsgebied van deze verordening te worden uitgesloten.

(8)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verklaard dat de lidstaten zich, zodra de Unie een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening in een bepaalde landbouwsector heeft vastgesteld, moeten onthouden van elke maatregel die daarvan zou afwijken of er inbreuk op zou maken (13). Dit beginsel geldt ook voor de visserij- en aquacultuursector. Daarom mag deze verordening niet van toepassing zijn op steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de afgenomen of op de markt gebrachte producten. Evenmin mag zij van toepassing zijn op steun waaraan de verplichting is gekoppeld om deze met primaire producenten te delen.

(9)

Deze verordening mag niet van toepassing zijn op exportsteun of steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse producten in plaats van ingevoerde producten. Met name mag deze verordening niet van toepassing zijn op steun ter financiering van de oprichting en exploitatie van een distributienet in andere lidstaten of in derde landen. Steun voor de financiering van de kosten van deelneming aan handelsbeurzen of van studies of consultancydiensten die noodzakelijk zijn om een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt in een andere lidstaat of een derde land te introduceren, is in de regel geen exportsteun.

(10)

Wanneer een onderneming actief is in de visserij- en aquacultuursector en ook actief is in andere sectoren of andere activiteiten verricht die onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie (14) vallen, moet die verordening van toepassing zijn op steun die voor die andere sectoren of activiteiten wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de activiteiten in de visserij- en aquacultuursector geen overeenkomstig die verordening verleende de-minimissteun genieten.

(11)

Wanneer een onderneming zowel in de visserij- en aquacultuursector als in de sector van de primaire productie van landbouwproducten actief is, moet deze verordening van toepassing zijn op steun die voor de eerstgenoemde sector of activiteiten wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de primaire productie van landbouwproducten geen overeenkomstig deze verordening verleende de-minimissteun geniet.

(12)

Bij deze verordening moeten regels worden vastgesteld die garanderen dat de maximale steunintensiteiten die in specifieke verordeningen of in besluiten van de Commissie zijn vastgesteld, niet kunnen worden omzeild. In deze verordening moeten ook duidelijke, gemakkelijk toepasbare regels inzake cumulering worden opgenomen.

(13)

De voor de toepassing van deze verordening in aanmerking te nemen periode van drie jaar moet op voortschrijdende grondslag worden beoordeeld, zodat bij elke nieuwe verlening van de-minimissteun het totale in het betrokken belastingjaar en in de twee voorgaande belastingjaren aan de-minimissteun verleende bedrag in aanmerking wordt genomen.

(14)

Deze verordening sluit niet de mogelijkheid uit dat een maatregel misschien op andere gronden dan die welke in deze verordening worden vastgesteld, niet als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag wordt beschouwd, bijvoorbeeld omdat de maatregel voldoet aan het beginsel van de marktdeelnemer in een markteconomie of omdat met de maatregel geen overdracht van staatsmiddelen gemoeid is. Met name vormt centraal door de Commissie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat, geen staatssteun en hoeft die niet in aanmerking te worden genomen wanneer wordt bepaald of het desbetreffende plafond of het nationale maximum in acht wordt genomen.

(15)

Met het oog op transparantie, gelijke behandeling en een doelmatige monitoring mag deze verordening slechts van toepassing zijn op de-minimissteun waarvan het brutosubsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd („transparante steun”). Deze precieze berekening kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd voor subsidies, rentesubsidies en belastingvrijstellingen waarvoor een maximum geldt, of voor andere instrumenten die in een maximum voorzien dat garandeert dat het betrokken plafond niet wordt overschreden. De vaststelling van een maximum betekent dat de lidstaat, zolang het precieze steunbedrag niet of nog niet bekend is, moet aannemen dat het bedrag gelijk is aan het maximum, om te garanderen dat diverse steunmaatregelen samen het in deze verordening vastgestelde plafond niet overschrijden en om de regels inzake cumulering toe te passen.

(16)

Met het oog op transparantie, gelijke behandeling en correcte toepassing van het de-minimisplafond moeten alle lidstaten dezelfde berekeningsmethode toepassen. Om deze berekening te vergemakkelijken moeten steunbedragen die in een andere vorm dan een subsidie worden verleend, in brutosubsidie-equivalent worden omgerekend. Om het brutosubsidie-equivalent te berekenen voor andere soorten transparante steun dan subsidies en voor steun die in verschillende tranches wordt uitgekeerd, moeten de marktrentepercentages worden gebruikt die van toepassing zijn op het tijdstip waarop die steun wordt verleend. Met het oog op een eenvormige, transparante en eenvoudige toepassing van de staatssteunregels moeten, voor de toepassing van deze verordening, de referentiepercentages die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (15), als marktpercentages gelden.

(17)

Steun vervat in leningen, waaronder ook de-minimisrisicofinancieringssteun in de vorm van leningen, moet als transparante de-minimissteun worden beschouwd indien voor het berekenen van het brutosubsidie-equivalent de marktrentepercentages zijn gebruikt die van toepassing zijn op het tijdstip van de steunverlening. Om de behandeling van kleine, kortlopende leningen te vereenvoudigen moet in deze verordening een duidelijke regel worden opgenomen die gemakkelijk kan worden toegepast en rekening houdt met zowel het bedrag als de looptijd van de lening. Op basis van de ervaring van de Commissie kunnen leningen die zijn afgedekt door zekerheden ten belope van ten minste 50 % van het leningbedrag en die ten hoogste betrekking hebben op ofwel 150 000 EUR en een looptijd van vijf jaar ofwel 75 000 EUR en een looptijd van tien jaar, worden beschouwd als leningen met een brutosubsidie-equivalent dat het de-minimisplafond niet overschrijdt. Gelet op de moeilijkheden die zijn verbonden aan het bepalen van het brutosubsidie-equivalent van steun die wordt verleend aan ondernemingen die wellicht niet in staat zijn de lening terug te betalen, mag deze regel niet op die ondernemingen van toepassing zijn.

(18)

Steun vervat in kapitaalinjecties mag niet worden geacht transparante de-minimissteun te zijn tenzij het totale door de overheid ingebrachte bedrag het de-minimisplafond niet overschrijdt. Steun vervat in risicofinancieringsmaatregelen in de vorm van investeringen in aandelenkapitaal of hybride kapitaal, als bedoeld in de richtsnoeren inzake risicofinanciering (16), mag niet worden geacht transparante de-minimissteun te zijn tenzij het met de betrokken maatregel verstrekte kapitaal het de-minimisplafond niet overschrijdt.

(19)

Steun vervat in garanties, waaronder ook de-minimisrisicofinancieringssteun in de vorm van garanties, moet als transparant worden beschouwd indien het brutosubsidie-equivalent is berekend op basis van de safe-harbour-premies die voor het betrokken soort onderneming in een mededeling van de Commissie zijn vastgesteld (17). Om de behandeling van kortlopende garanties ten behoeve van maximaal 80 % van een betrekkelijk kleine lening te vereenvoudigen, moet deze verordening voorzien in een duidelijke regel, die gemakkelijk kan worden toegepast en rekening houdt met zowel het bedrag als de looptijd van de garantie. Deze regel mag niet gelden voor garanties voor onderliggende transacties niet zijnde een lening, zoals garanties voor eigen-vermogenstransacties. Wanneer de garantie niet meer dan 80 % van de onderliggende lening bedraagt, het garantiebedrag niet groter is dan 225 000 EUR en de garantie een looptijd van ten hoogste vijf jaar heeft, kan de garantie worden beschouwd als een garantie met een brutosubsidie-equivalent dat het de-minimisplafond niet overschrijdt. Hetzelfde geldt indien de garantie niet meer dan 80 % van de onderliggende lening bedraagt, het garantiebedrag niet groter is dan 112 500 EUR en de garantie een looptijd van ten hoogste tien jaar heeft. Daarnaast kunnen de lidstaten voor het berekenen van het brutosubsidie-equivalent van garanties een methode gebruiken die bij de Commissie is aangemeld op grond van een andere op dat tijdstip toepasselijke verordening van de Commissie op het gebied van staatssteun, en door de Commissie is goedgekeurd als in overeenstemming met de garantiemededeling of een mededeling ter vervanging daarvan, mits de goedgekeurde methode uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het kader van de toepassing van deze verordening in het geding zijn. Gelet op de moeilijkheden die zijn verbonden aan het bepalen van het brutosubsidie-equivalent van steun die wordt verleend aan ondernemingen die wellicht niet in staat zijn de lening terug te betalen, dient deze regel niet op die ondernemingen van toepassing te zijn.

(20)

Als een de-minimissteunregeling via financiële intermediairs wordt uitgevoerd, moet erop worden toegezien dat de laatstgenoemden geen staatssteun ontvangen. Dit kan bijvoorbeeld door te eisen dat financiële intermediairs die een staatsgarantie genieten, een marktconforme premie betalen of elk voordeel volledig aan de eindbegunstigden doorberekenen of door het de-minimisplafond en andere voorwaarden van deze verordening ook op het niveau van de intermediairs in acht te nemen.

(21)

Bij aanmelding door een lidstaat kan de Commissie nagaan of een maatregel die geen subsidie, lening, garantie, kapitaalinjectie of risicofinancieringsmaatregel in de vorm van een investering in aandelenkapitaal of hybride kapitaal is, een brutosubsidie-equivalent oplevert dat het de-minimisplafond niet overschrijdt, en dus onder het toepassingsgebied van deze verordening kan vallen.

(22)

Het is de plicht van de Commissie erop toe te zien dat de staatssteunregels worden nageleefd en de lidstaten moeten, overeenkomstig het in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde samenwerkingsbeginsel, de vervulling van deze taak vergemakkelijken door de nodige instrumenten uit te werken om te waarborgen dat het totale bedrag aan de-minimissteun dat in het kader van de de-minimisregel aan één onderneming wordt verleend, het totale toelaatbare plafond niet overschrijdt. Daartoe moeten de lidstaten bij het verlenen van de-minimissteun de betrokken onderneming in kennis stellen van het toegekende bedrag aan de-minimissteun en van het feit dat het om de-minimissteun gaat en daarbij uitdrukkelijk naar deze verordening verwijzen. De lidstaten moeten ertoe worden verplicht de verleende steun te monitoren om ervoor te zorgen dat de plafonds niet worden overschreden en de regels inzake cumulering worden nageleefd. Om aan die monitoringverplichting te voldoen moet de betrokken lidstaat, voordat hij die steun verleent, van de onderneming een verklaring krijgen over andere onder deze verordening of andere de-minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende het betrokken belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren heeft ontvangen. Bij wijze van alternatief moet het voor de lidstaten mogelijk zijn om aan de monitoringverplichting te voldoen door een centraal register op te zetten met volledige informatie over de verleende de-minimissteun en te controleren of door een nieuwe steunverlening het desbetreffende plafond niet wordt overschreden.

(23)

Elke lidstaat moet zich, voordat hij nieuwe de-minimissteun verleent, ervan vergewissen dat het de-minimisplafond noch het nationale maximum in die lidstaat met de nieuwe de-minimissteun zal worden overschreden en dat aan de overige voorwaarden van deze verordening is voldaan.

(24)

Gezien de ervaring van de Commissie en met name de frequentie waarmee het staatssteunbeleid over het algemeen moet worden herzien, moet de geldigheidsduur van deze verordening worden beperkt. Als de geldigheidsduur van deze verordening verstrijkt zonder dat deze is verlengd, moeten de lidstaten voor onder deze verordening vallende de-minimissteun kunnen beschikken over een aanpassingsperiode van zes maanden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op steun die aan ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, met uitzondering van:

a)

steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de afgenomen of op de markt gebrachte producten;

b)

steun voor activiteiten die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, namelijk steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of steun voor andere lopende uitgaven in verband met activiteiten op het gebied van uitvoer;

c)

steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen;

d)

steun voor de aankoop van vissersvaartuigen;

e)

steun voor de modernisering of de vervanging van hoofd- of hulpmotoren van vissersvaartuigen;

f)

steun voor concrete acties die de vangstcapaciteit van het vaartuig vergroten of voor uitrusting die de capaciteit van een vaartuig om vis te vinden vergroot;

g)

steun voor de bouw van nieuwe vissersvaartuigen of de invoer van vissersvaartuigen;

h)

steun voor de tijdelijke of definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten, tenzij daarin specifiek is voorzien bij Verordening (EU) nr. 508/2014;

i)

steun voor de experimentele visserij;

j)

steun voor de overdracht van de eigendom van een bedrijf;

k)

steun voor het rechtstreeks uitzetten van vis, behalve als instandhoudingsmaatregel waarin uitdrukkelijk bij een rechtshandeling van de Unie is voorzien of wanneer sprake is van het experimenteel uitzetten van vis.

2.   Wanneer een onderneming actief is in de visserij- en aquacultuursector en ook actief is in één of meer van de onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 vallende sectoren of andere onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 vallende activiteiten verricht, is die verordening van toepassing op steun die voor de laatstgenoemde sectoren of activiteiten wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de activiteiten in de visserij- en aquacultuursector geen overeenkomstig die verordening verleende de-minimissteun genieten.

3.   Als een onderneming actief is in zowel de visserij- en aquacultuursector als de primaire productie van landbouwproducten, die onder Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie (18) valt, is deze verordening van toepassing op steun die voor de eerstgenoemde sector wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de primaire productie van landbouwproducten geen overeenkomstig deze verordening verleende de-minimissteun geniet.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector”: ondernemingen die actief zijn in de productie, verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten;

b)   „visserij- en aquacultuurproducten”: de producten als omschreven in artikel 5, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 1379/2013;

c)   „verwerking en afzet”: alle handelingen, met inbegrip van de behandeling, de bewerking, de productie en de distributie, tussen het moment van de aanlanding of oogst en de fase van het eindproduct.

2.    „Eén onderneming” omvat, voor de toepassing van deze verordening, alle ondernemingen die ten minste een van de volgende banden met elkaar onderhouden:

a)

één onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;

b)

één onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;

c)

één onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met die onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van die laatstgenoemde onderneming;

d)

één onderneming die aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming, heeft op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die laatstgenoemde onderneming.

Ondernemingen die via één of meer andere ondernemingen een van de in de eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde betrekkingen hebben, worden als één onderneming beschouwd.

Artikel 3

De-minimissteun

1.   Steunmaatregelen worden geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en zijn derhalve vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag, indien zij voldoen aan de voorwaarden die in deze verordening zijn vastgesteld.

2.   Het totale bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat aan één onderneming van de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, mag niet hoger zijn dan 30 000 EUR over een periode van drie belastingjaren.

3.   Het cumulatieve bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat over een periode van drie belastingjaren wordt verleend aan ondernemingen die in de visserij- en aquacultuursector actief zijn, mag niet hoger zijn dan het in de bijlage vastgestelde nationale maximum.

4.   De de-minimissteun wordt geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de onderneming krachtens de toepasselijke nationale wet- en regelgeving een wettelijke aanspraak op de steun verwerft, ongeacht de datum waarop de de-minimissteun aan de onderneming wordt betaald.

5.   Het in lid 2 vastgestelde plafond en het in lid 3 bedoelde nationale maximum zijn van toepassing ongeacht de vorm van de de-minimissteun of het daarmee nagestreefde doel en ongeacht of de door de lidstaat verleende steun geheel of ten dele uit middelen van Unie-oorsprong wordt gefinancierd. De periode van drie belastingjaren wordt vastgesteld op basis van de belastingjaren zoals de onderneming die in de betrokken lidstaat toepast.

6.   Voor de toepassing van het in lid 2 vastgestelde plafond en het in lid 3 bedoelde nationale maximum wordt steun als een subsidiebedrag uitgedrukt. Alle bedragen die worden gebruikt, zijn brutobedragen, dus vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt verleend, is het steunbedrag het brutosubsidie-equivalent van de steun.

Van steun die in meerdere tranches wordt betaald, wordt door discontering de waarde op het tijdstip van de toekenning ervan berekend. De rentevoet die bij die discontering wordt gehanteerd, is de disconteringsvoet die op het tijdstip van de steunverlening van toepassing is.

7.   Wanneer het in lid 2 vastgestelde plafond of het in lid 3 bedoelde nationale maximum door de toekenning van nieuwe de-minimisssteun zou worden overschreden, komt deze nieuwe steun in zijn geheel niet in aanmerking voor het voordeel van deze verordening.

8.   In het geval van fusies of overnames wordt alle de-minimissteun die voordien aan een van de fuserende ondernemingen is verleend, in aanmerking genomen om te bepalen of nieuwe de-minimissteun voor de nieuwe of de overnemende onderneming het plafond of het nationale maximum overschrijdt. De-minimissteun die vóór de fusie of overname rechtmatig is verleend, blijft rechtmatig.

9.   Indien één onderneming in twee of meer afzonderlijke ondernemingen wordt opgesplitst, wordt de vóór de splitsing verleende de-minimissteun toegerekend aan de onderneming die de steun genoot; dat is in beginsel de onderneming die de activiteiten overneemt waarvoor de de-minimissteun werd gebruikt. Indien deze toerekening niet mogelijk is, wordt de de-minimissteun evenredig toegerekend op basis van de boekwaarde van het aandelenkapitaal van de nieuwe ondernemingen op het daadwerkelijke tijdstip van de splitsing.

Artikel 4

Berekening van het brutosubsidie-equivalent

1.   Deze verordening is alleen van toepassing op steun waarvan het brutosubsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd (hierna „transparante steun” genoemd).

2.   Steun vervat in subsidies of rentesubsidies wordt als transparante de-minimissteun beschouwd.

3.   Steun vervat in leningen wordt als transparante de-minimissteun beschouwd indien:

a)

tegen de begunstigde geen collectieve insolventieprocedure loopt en hij niet voldoet aan de criteria volgens het nationale recht om, op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B-, en

b)

voor de lening zekerheden zijn gesteld van ten minste 50 % van de lening en het een lening betreft van ofwel 150 000 EUR met een looptijd van vijf jaar ofwel 75 000 EUR met een looptijd van tien jaar; indien een lening wordt toegekend voor een bedrag dat lager ligt dan die bedragen en/of wordt toegekend voor een looptijd van minder dan vijf jaar, respectievelijk tien jaar, wordt het brutosubsidie-equivalent van die lening berekend als een overeenkomstig deel van het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond, of

c)

het brutosubsidie-equivalent is berekend aan de hand van het referentiepercentage dat van toepassing is op het tijdstip van de steunverlening.

4.   Steun vervat in kapitaalinjecties wordt alleen als transparante de-minimissteun beschouwd indien het totale door de overheid ingebrachte bedrag het in artikel 3, lid 2, vastgestelde de-minimisplafond niet overschrijdt.

5.   Steun vervat in risicofinancieringsmaatregelen in de vorm van investeringen in aandelenkapitaal of hybride kapitaal wordt alleen als transparante de-minimissteun beschouwd indien het aan één onderneming verstrekte kapitaal het in artikel 3, lid 2, vastgestelde de-minimisplafond niet overschrijdt.

6.   Steun vervat in garanties wordt als transparante de-minimissteun behandeld indien:

a)

tegen de begunstigde geen collectieve insolventieprocedure loopt en hij niet voldoet aan de criteria volgens het nationale recht om, op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B-, en

b)

de garantie niet meer dan 80 % van de onderliggende lening bedraagt en ofwel het garantiebedrag niet groter is dan 225 000 EUR en de garantie een looptijd van vijf jaar heeft, ofwel het garantiebedrag niet groter is dan 112 500 EUR en de garantie een looptijd van tien jaar heeft; indien het garantiebedrag lager ligt dan die bedragen en/of de garantie wordt toegekend voor een periode van minder dan vijf, respectievelijk tien jaar, wordt het brutosubsidie-equivalent van die lening berekend als een overeenkomstig deel van het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond, of

c)

het brutosubsidie-equivalent wordt berekend op basis van de safe-harbour-premies die in een mededeling van de Commissie zijn vastgesteld, of

d)

voordat zij ten uitvoer wordt gelegd,

i)

de methode voor het berekenen van het brutosubsidie-equivalent van de garantie bij de Commissie is aangemeld op grond van een andere op dat tijdstip toepasselijke verordening van de Commissie op het gebied van staatssteun, en door de Commissie is goedgekeurd als in overeenstemming met de garantiemededeling of een mededeling ter vervanging daarvan, en

ii)

die methode uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het kader van de toepassing van deze verordening in het geding zijn.

7.   Steun vervat in andere instrumenten wordt als transparante de-minimissteun beschouwd indien het instrument voorziet in een maximum dat garandeert dat het betrokken plafond niet wordt overschreden.

Artikel 5

Cumulering

1.   Wanneer een onderneming actief is in visserij- en aquacultuursector en ook actief is in één of meer van de onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 vallende sectoren of andere onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 vallende activiteiten verricht, mag de-minimissteun die overeenkomstig deze verordening voor activiteiten in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, met de-minimissteun voor de laatstgenoemde sector(en) of activiteiten worden gecumuleerd tot het desbetreffende in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1407/2013 vastgestelde plafond, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de activiteiten in de visserij- en aquacultuursector geen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1407/2013 verleende steun genieten.

2.   Wanneer een onderneming zowel in de visserij- en aquacultuursector als in de primaire productie van landbouwproducten actief is, mag de-minimissteun die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1408/2013 wordt verleend, met de-minimissteun die overeenkomstig de onderhavige verordening in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, worden gecumuleerd tot het in deze verordening vastgestelde plafond, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de primaire productie van landbouwproducten geen overeenkomstig de onderhavige verordening verleende steun geniet.

3.   De-minimissteun mag niet worden gecumuleerd met staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten of met staatssteun voor dezelfde risicofinancieringsmaatregel indien deze cumulering leidt tot het overschrijden van de hoogste toepasselijke steunintensiteit die of het hoogste toepasselijke steunbedrag dat voor de specifieke omstandigheden van elke zaak door een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie is vastgesteld. De-minimissteun die niet wordt verleend voor of kan worden toegewezen aan specifieke in aanmerking komende kosten, mag worden gecumuleerd met andere staatssteun die krachtens een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie wordt verleend.

Artikel 6

Monitoring

1.   Wanneer een lidstaat voornemens is overeenkomstig deze verordening de-minimissteun aan een onderneming te verlenen, stelt hij die onderneming schriftelijk in kennis van het voorgenomen steunbedrag, uitgedrukt als brutosubsidie-equivalent, en van het feit dat het om de-minimissteun gaat, waarbij hij uitdrukkelijk naar deze verordening verwijst en de titel en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie vermeldt. Wanneer overeenkomstig deze verordening in het kader van een regeling de-minimissteun wordt verleend aan verschillende ondernemingen en in het kader van die regeling aan die ondernemingen uiteenlopende bedragen aan individuele steun worden verleend, kan de betrokken lidstaat ervoor kiezen deze verplichting te vervullen door de ondernemingen een vast bedrag mee te delen dat met het in het kader van die regeling maximaal te verlenen steunbedrag overeenstemt. In dat geval wordt het vaste bedrag gebruikt om te bepalen of het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond wordt bereikt en het in artikel 3, lid 3, bedoelde nationale maximum niet wordt overschreden. Voordat de lidstaat de steun verleent, verlangt hij van de betrokken onderneming een schriftelijke of elektronische verklaring over alle andere onder deze verordening of andere de-minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar heeft ontvangen.

2.   Wanneer een lidstaat een centraal register voor de-minimissteun heeft opgezet dat alle gegevens bevat over alle de-minimissteun die door enige autoriteit in die lidstaat is verstrekt, is lid 1 niet meer van toepassing vanaf het tijdstip waarop het register een periode van drie belastingjaren bestrijkt.

3.   Een lidstaat verleent pas nieuwe de-minimissteun overeenkomstig deze verordening nadat hij zich ervan heeft vergewist dat dit het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan de betrokken onderneming is verleend, niet zodanig doet toenemen dat het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond en het in artikel 3, lid 3, bedoelde nationale maximum wordt overschreden, en voorts dat aan alle in deze verordening vastgestelde voorwaarden is voldaan.

4.   De lidstaten leggen dossiers aan die alle informatie bevatten met betrekking tot de toepassing van deze verordening. Deze dossiers bevatten alle informatie die nodig is om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan. De dossiers betreffende individuele de-minimissteun worden gedurende tien belastingjaren vanaf het tijdstip van de steunverlening bewaard. Voor de-minimissteunregelingen worden de dossiers bewaard gedurende tien belastingjaren te rekenen vanaf het tijdstip van de laatste individuele steunverlening op grond van die regeling.

5.   De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie op haar schriftelijk verzoek binnen 20 werkdagen, of binnen de langere termijn die in het verzoek is vastgesteld, alle informatie die de Commissie nodig acht om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, en met name het totale bedrag aan de-minimissteun in de zin van deze verordening of andere de-minimisverordeningen dat een onderneming heeft ontvangen.

Artikel 7

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening is van toepassing op vóór haar inwerkingtreding verleende steun indien de steun aan alle in deze verordening vervatte voorwaarden voldoet. Steun die niet aan die voorwaarden voldoet, wordt door de Commissie beoordeeld overeenkomstig de desbetreffende kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen.

2.   Alle individuele de-minimissteun die tussen 1 januari 2005 en 30 juni 2008 werd verleend en aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1860/2004 voldoet, wordt geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en is bijgevolg van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

3.   Alle tussen 31 juli 2007 en 30 juni 2014 verleende individuele de-minimissteun die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 875/2007 voldoet, wordt geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en is bijgevolg van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

4.   Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening blijft elke de-minimissteunregeling die aan de voorwaarden van deze verordening voldoet, nog gedurende zes maanden onder deze verordening vallen.

Artikel 8

Inwerkingtreding en toepassingsperiode

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2014.

Zij is van toepassing tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(2)   PB C 92 van 29.3.2014, blz. 22.

(3)  Mededeling van de Commissie inzake de-minimissteun (PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9).

(4)  Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30).

(5)  Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5).

(6)  Verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004 (PB L 193 van 25.7.2007, blz. 6).

(7)  Arrest van 10 januari 2006, zaak C-222/04, Ministero dell'Economia e delle Finanze/Cassa di Risparmio di Firenze SpA e.a., Jurispr. 2006, blz. I-289.

(8)  Arrest van 13 juni 2002, zaak C-382/99, Nederland/Commissie, Jurispr. 2002, blz. I-5163.

(9)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(10)  Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (PB L 214 van 9.8.2008, blz. 3).

(11)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1)..

(13)  Arrest van 12 december 2002, zaak C-456/00, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 2002, blz. I-11949.

(14)  Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1).

(15)  Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6).

(16)  Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen (PB C 194 van 18.8.2006, blz. 2).

(17)  Bijv. de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PB C 155 van 20.6.2008, blz. 10).

(18)  Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 9).


BIJLAGE

Nationaal maximum als bedoeld in artikel 3, lid 3

(EUR)

Lidstaat

Maximaal cumulatief bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat in de visserij- en aquacultuursector mag worden verleend

België

11 240 000

Bulgarije

1 270 000

Tsjechië

3 020 000

Denemarken

51 720 000

Duitsland

55 520 000

Estland

3 930 000

Ierland

20 820 000

Griekenland

27 270 000

Spanje

165 840 000

Frankrijk

112 550 000

Kroatië

6 260 000

Italië

96 310 000

Cyprus

1 090 000

Letland

4 450 000

Litouwen

8 320 000

Luxemburg

0

Hongarije

975 000

Malta

2 500 000

Nederland

22 960 000

Oostenrijk

1 510 000

Polen

41 330 000

Portugal

29 200 000

Roemenië

2 460 000

Slovenië

990 000

Slowakije

860 000

Finland

7 450 000

Zweden

18 860 000

Verenigd Koninkrijk

114 780 000


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/55


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 718/2014 VAN DE COMMISSIE

van 27 juni 2014

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 669/2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (1), en met name artikel 53, lid 1,

Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (2), en met name artikel 15, lid 5, en artikel 63, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 669/2009 van de Commissie (3) bevat voorschriften voor de meer uitgebreide officiële controles die moeten worden uitgevoerd op de invoer van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die zijn opgenomen in de lijst van bijlage I bij die Verordening („de lijst”) op de punten van binnenkomst in de gebieden als bedoeld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 882/2004.

(2)

Krachtens artikel 2 van Verordening (EG) nr. 669/2009 moet de lijst regelmatig en ten minste op kwartaalbasis worden herzien, waarbij ten minste rekening wordt gehouden met de in dat artikel vermelde informatiebronnen.

(3)

Uit de frequentie en de relevantie van de recente incidenten met levensmiddelen die via het systeem voor snelle waarschuwingen voor levensmiddelen en diervoeders zijn gemeld, de bevindingen van de controles door het Voedsel- en Veterinair Bureau in derde landen en de door de lidstaten overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EG) nr. 669/2009 bij de Commissie ingediende driemaandelijkse verslagen over zendingen van diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong blijkt dat de lijst moet worden gewijzigd.

(4)

Met name voor zendingen tafeldruiven van oorsprong uit Peru en gedroogde abrikozen van oorsprong uit Turkije blijkt uit de desbetreffende informatiebronnen dat zich nieuwe risico's voordoen die de invoering van meer uitgebreide officiële controles rechtvaardigen. Daarom moeten in de lijst vermeldingen betreffende die zendingen worden opgenomen.

(5)

Bovendien moet de lijst worden gewijzigd door de vermeldingen te schrappen voor goederen die volgens de beschikbare informatie over het algemeen in toereikende mate aan de desbetreffende veiligheidsvoorschriften van de EU-wetgeving voldoen en waarvoor meer uitgebreide officiële controles bijgevolg niet langer nodig zijn. De vermelding in de lijst voor kerrie uit India moet bijgevolg worden geschrapt.

(6)

Tot slot moet in de lijst de frequentie van de officiële controles worden verhoogd voor goederen waarvoor uit dezelfde informatiebronnen blijkt dat de desbetreffende EU-wetgeving minder goed wordt nageleefd, hetgeen een uitbreiding van de officiële controles rechtvaardigt. De vermelding in de lijst voor Brassica oleracea uit China moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Omwille van de samenhang en de duidelijkheid moet bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 worden vervangen.

(8)

Artikel 19 van Verordening (EG) nr. 669/2009 voorziet in een overgangsperiode van vijf jaar vanaf de inwerkingtreding van die verordening waarin de minimumvoorschriften voor aangewezen punten van binnenkomst (APB's) geleidelijk kunnen worden toegepast. Gedurende die overgangsperiode moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten dan ook in staat worden gesteld om op andere controlepunten dan de APB's de vereiste overeenstemmings- en materiële controles te verrichten. In dat geval moeten die controlepunten voldoen aan de minimumvoorschriften voor APB's die in de verordening zijn vastgesteld. De overgangsperiode loopt af op 14 augustus 2014.

(9)

Een aantal lidstaten heeft de Commissie meegedeeld dat zij nog altijd praktische problemen ondervinden bij de toepassing van de minimumvoorschriften voor APB's. Bovendien worden de bepalingen over APB's en grenscontroles in het algemeen sinds de goedkeuring door de Commissie van een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten (4) momenteel herzien. Het is mogelijk dat de voorschriften voor APB's en grenscontroles in het algemeen als gevolg hiervan gewijzigd worden. In afwachting van de resultaten van de herziening is het wenselijk om de in artikel 19 van Verordening (EG) nr. 669/2009 bedoelde overgangsperiode met nog eens vijf jaar te verlengen, zodat nieuwe voorschriften die uit de herziening zouden kunnen voortvloeien, probleemloos kunnen worden toegepast.

(10)

Verordening (EG) nr. 669/2009 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 669/2009 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 19, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Wanneer een aangewezen punt van binnenkomst niet over de vereiste voorzieningen beschikt om de in artikel 8, lid 1, onder b), bedoelde overeenstemmings- en materiële controles uit te voeren, mogen die controles gedurende een periode van tien jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden uitgevoerd in een ander door de bevoegde autoriteit daartoe gemachtigd controlepunt in dezelfde lidstaat, voordat de goederen worden aangegeven voor het vrije verkeer, mits dat controlepunt voldoet aan de in artikel 4 vastgestelde minimumvoorschriften.”.

2)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 669/2009 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.

(2)   PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.

(3)  Verordening (EG) nr. 669/2009 van de Commissie van 24 juli 2009 ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft meer uitgebreide officiële controles op de invoer van bepaalde diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong en tot wijziging van Beschikking 2006/504/EG (PB L 194 van 25.7.2009, blz. 11).

(4)  Voorstel van de Commissie voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid, teeltmateriaal en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 1829/2003 en (EG) nr. 1831/2003, Verordening (EG) nr. 1/2005 van de Raad, Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Verordeningen (EG) nr. 834/2007 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad, Verordeningen (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012 en (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad en Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad (verordening officiële controles) (COM(2013) 265 final).


BIJLAGE

„BIJLAGE I

Diervoeders en levensmiddelen van niet-dierlijke oorsprong die aan meer uitgebreide officiële controles op het aangewezen punt van binnenkomst worden onderworpen

Diervoeders en levensmiddelen

(beoogd gebruik)

GN-code (1)

Taric-onderverdeling

Land van oorsprong

Risico

Frequentie van materiële en overeenstemmingscontroles (%)

Gedroogde druiven

(Levensmiddelen)

0806 20

 

Afghanistan (AF)

Ochratoxine A

50

Grondnoten, ongepeld

1202 41 00

 

Brazilië (BR)

Aflatoxinen

10

Grondnoten, gepeld

1202 42 00

Pindakaas

2008 11 10

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91 ;

2008 11 96 ;

2008 11 98

(Diervoeders en levensmiddelen)

 

Aardbeien (bevroren)

(Levensmiddelen)

0811 10

 

China (CN)

Norovirus en hepatitis A

5

Brassica oleracea

(andere eetbare kool van het geslacht „Brassica”, „Chinese broccoli”) (2)

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

ex 0704 90 90

40

China (CN)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (3)

50

Pomelo's

(Levensmiddelen — vers)

ex 0805 40 00

31; 39

China (CN)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (4)

20

Thee, ook indien gearomatiseerd

(Levensmiddelen)

0902

 

China (CN)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (5)

10

Aubergines

0709 30 00 ;

ex 0710 80 95

72

Dominicaanse Republiek (DO)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (6)

10

Bittermeloen (Momordica charantia)

ex 0709 99 90 ;

ex 0710 80 95

70

70

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

 

 

Kousenband

(Vigna unguiculata spp. sesquipedalis)

ex 0708 20 00 ;

ex 0710 22 00

10

10

Dominicaanse Republiek (DO)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (6)

20

Pepers (niet-scherpsmakende en andere) (Capsicum spp.)

0709 60 10 ;

ex 0709 60 99

20

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

0710 80 51 ;

ex 0710 80 59

20

Sinaasappelen (vers of gedroogd)

0805 10 20 ;

0805 10 80

 

Egypte (EG)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (7)

10

Aardbeien (vers)

0810 10 00

(Levensmiddelen)

 

Pepers (niet-scherpsmakende en andere) (Capsicum spp.)

(Levensmiddelen — vers, gekoeld of bevroren)

0709 60 10 ;

ex 0709 60 99 ;

20

Egypte (EG)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (8)

10

0710 80 51 ;

ex 0710 80 59

20

Betelbladeren (Piper betle L.)

(Levensmiddelen)

ex 1404 90 00

10

India (IN)

Salmonella (9)

10

Capsicum annuum, geheel

0904 21 10

 

India (IN)

Aflatoxinen

10

Capsicum annuum, fijngemaakt of gemalen

ex 0904 22 00

10

Andere gedroogde vruchten van het geslacht Capsicum dan niet-scherpsmakende pepers (Capsicum annuum), geheel

0904 21 90

 

Nootmuskaat

(Myristica fragrans)

0908 11 00 ;

0908 12 00

(Levensmiddelen — gedroogde specerijen)

 

Enzymen; bereidingen van enzymen

(Diervoeders en levensmiddelen)

3507

 

India (IN)

Chlooramfenicol

50

Nootmuskaat

(Myristica fragrans)

0908 11 00 ;

0908 12 00

 

Indonesië (ID)

Aflatoxinen

20

(Levensmiddelen — gedroogde specerijen)

 

Erwten met peul (niet gedopt)

ex 0708 10 00

40

Kenia (KE)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (10)

10

Bonen met peul (niet gedopt)

ex 0708 20 00

40

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

 

 

Munt

(Levensmiddelen — verse of gekoelde kruiden)

ex 1211 90 86

30

Marokko (MA)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (11)

10

Gedroogde bonen

(Levensmiddelen)

0713 39 00

 

Nigeria (NG)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (12)

50

Tafeldruiven

(Levensmiddelen — vers)

0806 10 10

 

Peru (PE)

Residuen van bestrijdingsmiddelen (13)

10

Zaden van watermeloenen (Egusi, Citrullus lanatus) en afgeleide producten

ex 1207 70 00 ;

ex 1106 30 90 ;

ex 2008 99 99

10

30

50

Sierra Leone (SL)

Aflatoxinen

50

(Levensmiddelen)

 

 

Grondnoten, ongepeld

1202 41 00

 

Soedan (SD)

Aflatoxinen

50

Grondnoten, gepeld

1202 42 00

Pindakaas

2008 11 10

Grondnoten, op andere wijze bereid of verduurzaamd

2008 11 91 ;

2008 11 96 ;

2008 11 98

(Diervoeders en levensmiddelen)

 

 

Pepers (andere dan niet-scherpsmakende) (Capsicum spp.)

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

ex 0709 60 99

20

Thailand (TH)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (14)

10

Betelbladeren (Piper betle L.)

(Levensmiddelen)

ex 1404 90 00

10

Thailand (TH)

Salmonella (9)

10

Korianderblad

ex 0709 99 90

72

Thailand (TH)

Salmonella (9)

10

Basilicum (heilig, zoet)

ex 1211 90 86

20

Munt

ex 1211 90 86

30

(Levensmiddelen — verse of gekoelde kruiden)

 

 

Korianderblad

ex 0709 99 90

72

Thailand (TH)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (15)

10

Basilicum (heilig, zoet)

ex 1211 90 86

20

(Levensmiddelen — verse of gekoelde kruiden)

 

 

Kousenband

(Vigna unguiculata spp. sesquipedalis)

ex 0708 20 00 ;

ex 0710 22 00

10

10

Thailand (TH)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (15)

20

Aubergines

0709 30 00 ;

ex 0710 80 95

72

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

 

 

Gedroogde abrikozen

(Levensmiddelen)

0813 10 00

 

Turkije (TR)

Sulfieten (16)

10

Niet-scherpsmakende pepers (Capsicum annuum)

0709 60 10 ;

0710 80 51

 

Turkije (TR)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (17)

10

(Levensmiddelen — verse, gekoelde of bevroren groenten)

 

Wijnstokbladeren (druivenbladeren)

(Levensmiddelen)

ex 2008 99 99

11; 19

Turkije (TR)

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (18)

10

Gedroogde druiven

(Levensmiddelen)

0806 20

 

Oezbekistan (UZ)

Ochratoxine A

50

Korianderblad

ex 0709 99 90

72

(VN) Vietnam

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (19)

20

Basilicum (heilig, zoet)

ex 1211 90 86

20

Munt

ex 1211 90 86

30

Peterselie

ex 0709 99 90

40

(Levensmiddelen — verse of gekoelde kruiden)

 

 

Okra's

ex 0709 99 90

20

(VN) Vietnam

Residuen van bestrijdingsmiddelen, zoals gebleken uit analyse met multiresidumethoden op basis van GC-MS en LC-MS of met singleresidumethoden (19)

20

Pepers (andere dan niet-scherpsmakende) (Capsicum spp.)

ex 0709 60 99

20

(Levensmiddelen — vers of gekoeld)

 

 


(1)  Indien slechts bepaalde onder een GN-code vallende producten behoeven te worden onderzocht en geen specifieke onderverdeling voor die code bestaat, wordt de GN-code voorafgegaan door „ex”.

(2)  Soorten van Brassica oleracea L. convar. Botrytis (L) Alef var. Italica Plenck, cultivar alboglabra. Ook bekend als „Kai Lan”, „Gai Lan”, „Gailan”, „Kailan”, „Chinese bare Jielan”.

(3)  Met name residuen van: chloorfenapyr, fipronil (som van fipronil en de sulfonmetaboliet daarvan (MB46136), uitgedrukt als fipronil), carbendazim en benomyl (som van benomyl en carbendazim, uitgedrukt als carbendazim), acetamiprid, dimethomorf en propiconazool.

(4)  Met name residuen van: triazofos, triadimefon en triadimenol (som van triadimefon en triadimenol), parathion-methyl (som van parathion-methyl en paraoxon-methyl, uitgedrukt als parathion-methyl), fenthoaat en methidathion.

(5)  Met name residuen van: buprofezin, imidacloprid, fenvaleraat en esfenvaleraat (som van RS- en SR-isomeer), profenofos, trifluraline, triazofos, triadimefon en triadimenol (som van triadimefon en triadimenol), cypermethrin (cypermethrin, inclusief andere mengsels van de samenstellende isomeren (som van de isomeren)).

(6)  Met name residuen van: amitraz (amitraz met inbegrip van alle metabolieten die de 2,4-dimethylaniline-groep bevatten, uitgedrukt als amitraz), acefaat, aldicarb (som van aldicarb, het sulfoxide en het sulfon daarvan, uitgedrukt als aldicarb), carbendazim en benomyl (som van benomyl en carbendazim, uitgedrukt als carbendazim), chloorfenapyr, chloorpyrifos, dithiocarbamaten (dithiocarbamaten uitgedrukt als CS2, inclusief maneb, mancozeb, metiram, propineb, thiram en ziram), diafenthiuron, diazinon, dichloorvos, dicofol (som van p, p′- en o,p′-isomeer), dimethoaat (som van dimethoaat en omethoaat, uitgedrukt als dimethoaat), endosulfan (som van alfa- en bèta-isomeer en endosulfansulfaat, uitgedrukt als endosulfan), fenamidon, imidacloprid, malathion (som van malathion en malaoxon, uitgedrukt als malathion), methamidofos, methiocarb (som van methiocarb en methiocarbsulfoxide en -sulfon, uitgedrukt als methiocarb), methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl), monocrotofos, oxamyl, profenofos, propiconazool, thiabendazool, thiacloprid.

(7)  Met name residuen van: carbendazim en benomyl (som van benomyl en carbendazim, uitgedrukt als carbendazim), cyfluthrin (cyfluthrin, inclusief andere mengsels van de samenstellende isomeren (som van de isomeren)), cyprodinil, diazinon, dimethoaat (som van dimethoaat en omethoaat, uitgedrukt als dimethoaat), ethion, fenitrothion, fenpropathrin, fludioxonil, hexaflumuron, lambda-cyhalothrin, methiocarb (som van methiocarb en methiocarbsulfoxide en sulfon, uitgedrukt als methiocarb), methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl), oxamyl, fenthoaat, thiofanaat-methyl.

(8)  Met name residuen van: carbofuran (som van carbofuran en 3-hydroxycarbofuran, uitgedrukt als carbofuran), chloorpyrifos, cypermethrin (cypermethrin, inclusief andere mengsels van de samenstellende isomeren (som van de isomeren)), cyproconazool, dicofol (som van p, p′- en o,p′-isomeer), difenoconazool, dinotefuran, ethion, flusilazool, folpet, prochloraz (som van prochloraz en de metabolieten daarvan die het 2,4,6-trichloorfenolgedeelte bevatten, uitgedrukt als prochloraz), profenofos, propiconazool, thiofanaat-methyl, triforine.

(9)  Referentiemethode EN/ISO 6579 of een ten opzichte van die methode gevalideerde methode overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie (PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1).

(10)  Met name residuen van: dimethoaat (som van dimethoaat en omethoaat, uitgedrukt als dimethoaat), chloorpyrifos, acefaat, methamidofos, methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl), diafenthiuron, indoxacarb als de som van het S- en het R-isomeer.

(11)  Met name residuen van: chloorpyrifos, cypermethrin (cypermethrin, inclusief andere mengsels van de samenstellende isomeren (som van de isomeren)), dimethoaat (som van dimethoaat en omethoaat, uitgedrukt als dimethoaat), endosulfan (som van alfa- en bèta-isomeer en endosulfansulfaat, uitgedrukt als endosulfan), hexaconazool, parathion-methyl (som van parathion-methyl en paraoxon-methyl, uitgedrukt als parathion-methyl), methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl), flutriafol, carbendazim en benomyl (som van benomyl en carbendazim, uitgedrukt als carbendazim), flubendiamide, myclobutanil, malathion (som van malathion en malaoxon, uitgedrukt als malathion).

(12)  Met name residuen van dichloorvos.

(13)  Met name residuen van diniconazool, ethefon en methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl).

(14)  Met name residuen van: carbofuran (som van carbofuran en 3-hydroxycarbofuran, uitgedrukt als carbofuran), methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl), dimethoaat (som van dimethoaat en omethoaat, uitgedrukt als dimethoaat), triazofos, malathion (som van malathion en malaoxon, uitgedrukt als malathion), profenofos, prothiofos, ethion, carbendazim en benomyl (som van benomyl en carbendazim, uitgedrukt als carbendazim), triforine, procymidon, formetanaat: som van formetanaat en zouten daarvan, uitgedrukt als formetanaat(hydrochloride).

(15)  Met name residuen van: acefaat, carbaryl, carbendazim en benomyl (som van benomyl en carbendazim, uitgedrukt als carbendazim), carbofuran (som van carbofuran en 3-hydroxycarbofuran, uitgedrukt als carbofuran), chloorpyrifos, chloorpyrifos-methyl, dimethoaat (som van dimethoaat en omethoaat, uitgedrukt als dimethoaat), ethion, malathion (som van malathion en malaoxon, uitgedrukt als malathion), metalaxyl en metalaxyl-M (metalaxyl, inclusief andere mengsels van de samenstellende isomeren, waaronder metalaxyl-M (som van de isomeren)), methamidofos, methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl), monocrotofos, profenofos, prothiofos, quinalfos, triadimefon en triadimenol (som van triadimefon en triadimenol), triazofos, dicrotofos, EPN, triforine.

(16)  Referentiemethoden: EN 1988-1:1998, EN 1988-2:1998 of ISO 5522:1981.

(17)  Met name residuen van: methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl), oxamyl, carbendazim en benomyl (som van benomyl en carbendazim, uitgedrukt als carbendazim), clofentezine, diafenthiuron, dimethoaat (som van dimethoaat en omethoaat, uitgedrukt als dimethoaat), formetanaat: som van formetanaat en zouten daarvan, uitgedrukt als formetanaat(hydrochloride), malathion (som van malathion en malaoxon, uitgedrukt als malathion), procymidone, tetradifon, thiofanaat-methyl.

(18)  Met name residuen van: azoxystrobin, boscalid, chloorpyrifos, dithiocarbamaten (dithiocarbamaten uitgedrukt als CS2, inclusief maneb, mancozeb, metiram, propineb, thiram en ziram), endosulfan (som van alfa- en bèta-isomeer en endosulfansulfaat, uitgedrukt als endosulfan), kresoxim-methyl, lambda-cyhalothrin, metalaxyl en metalaxyl-M (metalaxyl, inclusief andere mengsels van de samenstellende isomeren, waaronder metalaxyl-M (som van de isomeren)), methoxyfenozide, metrafenon, myclobutanil, penconazool, pyraclostrobine en pyrimethanil, triadimefon en triadimenol (som van triadimefon en triadimenol), trifloxystrobin.

(19)  Met name residuen van: carbofuran (som van carbofuran en 3-hydroxycarbofuran, uitgedrukt als carbofuran), carbendazim en benomyl (som van benomyl en carbendazim, uitgedrukt als carbendazim), chloorpyrifos, profenofos, permethrin (som van de isomeren), hexaconazool, difenoconazool, propiconazool, fipronil (som van fipronil en de sulfonmetaboliet daarvan (MB46136), uitgedrukt als fipronil), propargite, flusilazool, fentoaat, cypermethrin (cypermethrin, inclusief andere mengsels van de samenstellende isomeren (som van de isomeren)), methomyl en thiodicarb (som van methomyl en thiodicarb, uitgedrukt als methomyl), quinalfos, pencycuron, methidathion, dimethoaat (som van dimethoaat en omethoaat, uitgedrukt als dimethoaat), fenbuconazool.”


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/63


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 719/2014 VAN DE COMMISSIE

van 27 juni 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juni 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MK

66,2

TR

54,6

ZZ

60,4

0707 00 05

MK

32,3

TR

74,4

ZZ

53,4

0709 93 10

TR

108,4

ZZ

108,4

0805 50 10

AR

114,3

BO

130,6

TR

125,4

ZA

112,8

ZZ

120,8

0808 10 80

AR

105,8

BR

86,3

CL

103,9

NZ

132,3

US

146,5

ZA

127,4

ZZ

117,0

0809 10 00

TR

220,7

ZZ

220,7

0809 29 00

TR

301,6

ZZ

301,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/65


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 720/2014 VAN DE COMMISSIE

van 27 juni 2014

betreffende de toekenning van rechten tot invoer voor de aanvragen die voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 431/2008 geopende tariefcontingent voor bevroren rundvlees

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188, leden 1 en 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 431/2008 van de Commissie (2) is een tariefcontingent geopend voor de invoer van producten van de sector rundvlees.

(2)

De aanvragen voor rechten tot invoer die voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 zijn ingediend, hebben betrekking op een hoeveelheid die de beschikbare hoeveelheden overschrijdt. Bijgevolg dient te worden bepaald in hoeverre rechten tot invoer kunnen worden toegekend, door de op de gevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt vast te stellen overeenkomstig artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (3), in combinatie met artikel 7, lid 2, van die verordening.

(3)

Met het oog op een efficiënt beheer van de procedure voor toekenning van de rechten tot invoer dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Op de aanvragen voor rechten tot invoer die voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015 zijn ingediend in het kader van het bij Verordening (EG) nr. 431/2008 vastgestelde contingent met het volgnummer 09.4003, wordt een toewijzingscoëfficiënt van 27,09851 % toegepast.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op 28 juni 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juni 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.

(2)  Verordening (EG) nr. 431/2008 van de Commissie van 19 mei 2008 betreffende de opening en de wijze van beheer van een tariefcontingent voor de invoer van bevroren rundvlees van GN-code 0202 en producten van GN-code 0206 29 91 (PB L 130 van 20.5.2008, blz. 3).

(3)  Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).


BESLUITEN

28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/66


BESLUIT VAN DE RAAD

van 20 juni 2014

tot intrekking van Besluit 2010/282/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Oostenrijk

(2014/404/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 2 december 2009 heeft de Raad, bij Besluit 2010/282/EU (1), op grond van een aanbeveling van de Commissie, besloten dat in Oostenrijk een buitensporig tekort bestond. De Raad stelde vast dat voor 2009 met een overheidstekort van 3,9 % van het bbp werd gerekend en dat daarmee de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp werd overschreden, terwijl de bruto overheidsschuld zou uitkomen op 68,2 % van het bbp in 2009, dus boven de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp. Het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2009 werden vervolgens herzien tot respectievelijk 5,5 % en 116,4 % van het bbp.

(2)

Op 2 december 2009 heeft de Raad, overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97van de Raad (2), op grond van een aanbeveling van de Commissie, tot Oostenrijk een aanbeveling gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2013 aan de buitensporigtekortsituatie een eind te maken. Die aanbeveling van de Raad is openbaar gemaakt.

(3)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol dienen de lidstaten, overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 (3), de Commissie tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens te verstrekken over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsmede over andere, daarmee samenhangende variabelen.

(4)

Wanneer de Raad beziet of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet hij een besluit nemen op basis van ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp niet zal overschrijden (4).

(5)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de kennisgeving van Oostenrijk van april 2014 heeft verstrekt, uit het stabiliteitsprogramma voor de periode 2014-2018 en uit de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie blijkt dat de volgende conclusies gerechtvaardigd zijn:

nadat het overheidstekort in 2010 een piek bereikte van 4,5 % van het bbp, zakte het al in 2011 tot 2,5 % en daarmee onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 %. Deze verbetering ten opzichte van het aanvankelijk geplande begrotingsresultaat hing gedeeltelijk samen met het feit dat de overheidsuitgaven voor de herkapitalisatie van de „restbank” KA Finanz (circa 0,4 % van het bbp) in de overheidsrekeningen van 2012 zijn opgenomen, toen de eruit voortvloeiende gevolgen werden bevestigd op basis van de jaarrekening van de bank. In mindere mate was de daling van het tekort te danken aan het feit dat de uitgaven lager waren dan gepland en aan de gunstiger economische omstandigheden, waardoor de inkomsten sterker stegen dan voorspeld. In tegenstelling tot zowel de nationale prognoses als de prognoses van de Commissie bleef het overheidstekort in 2012 met 2,6 % van het bbp onder de 3 % van het bbp. Vanwege de risico's die dreigden in verband met mogelijke extra herstelmaatregelen voor de financiële sector, die in een tekort van meer dan 3 % van het bbp in de volgende jaren hadden kunnen resulteren, heeft de Commissie echter geen vroegtijdige stopzetting van de btp aanbevolen. Deze risico's hebben zich echter maar gedeeltelijk gerealiseerd en voor 2013 heeft Oostenrijk een tekort van 1,5 % van het bbp meegedeeld. Deze verdere daling van het tekort was grotendeels toe te schrijven aan de onverwachte omvang van de eenmalige maatregelen in verband met de verkoop van een mobieletelefoonspectrum, die goed was voor bijna 0,6 % van het bbp;

volgens het stabiliteitsprogramma voor de periode 2014-2018, dat de Oostenrijkse regering op 29 april 2014 heeft goedgekeurd, zal het tekort toenemen tot 2,7 % van het bbp in 2014 en daarna dalen tot 1,4 % van het bbp in 2015. Volgens de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie zal het tekort in 2014 uitkomen op 2,8 % van het bbp en in 2015 op 1,5 % van het bbp. Aldus zal het tekort gedurende de prognoseperiode onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven. Ter voorkoming van een verwachte significante afwijking van het vereiste aanpassingstraject in de richting van de middellangetermijnbegrotingsdoelstelling (MTD) heeft de regering in het kader van Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) een reeks aanvullende bezuinigingen en hogere inkomsten aangekondigd, en in een brief aan de Commissie bevestigd, die door de Commissie zijn beoordeeld en 0,2 % van het bbp belopen;

de stijging van het overheidstekort in 2014 wordt veroorzaakt door het opzetten van een afsplitsingsstructuur (liquidatie-entiteit, Abbaueinheit) voor de liquidatie van de probleemactiva van Hypo Alpe Adria. Het effect van de oprichting van de liquidatie-entiteit voor Hypo Alpe Adria wordt door een externe deskundigengroep van door de regering benoemde adviseurs op maximaal 4 miljard EUR (1,2 % van het bbp) geraamd, met inbegrip van het effect van een al in 2014 verrichte kapitaalinjectie van 750 miljoen EUR. De definitieve bepaling van het tekortverhogende effect is afhankelijk van een onafhankelijke doorlichting van de kwaliteit van de activa van Hypo Alpe Adria. Deze doorlichting zal later dit jaar plaatsvinden om Eurostat in staat te stellen het statistische effect van deze transactie te beoordelen. De huidige door de deskundigengroep verrichte evaluatie lijkt te worden gekenmerkt door een redelijke mate van voorzichtigheid en kan derhalve als aannemelijk worden beschouwd. Dat deze maatregel een grotere impact op het tekort zal hebben, kan evenwel niet worden uitgesloten. Dit is het belangrijkste neerwaartse risico voor de tekortprognose voor 2014. Mede rekening houdend met de aanvullende discretionaire maatregelen die door de regering na de bekendmaking van de prognoses van de diensten van de Commissie zijn aangekondigd en tot een verdere vermindering van het nominale tekort zouden moeten leiden, lijken de risico's voor het tekort in 2014 over het algemeen in evenwicht te zijn;

het structurele saldo, d.w.z. het algemene overheidssaldo conjunctuurgezuiverd en ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, is tussen 2011 en 2013 elk jaar gemiddeld met bijna 0,7 % van het bbp verbeterd, hetgeen overeenkomt met de aanbevelingen van de Raad. Volgens de voorjaarsprognoses van de diensten van de Commissie, haar beoordeling van het bijgewerkte ontwerpbegrotingsplan dat op 29 april 2014 is ingediend en van de door de regering op 12 mei 2014 aangekondigde aanvullende maatregelen, verbetert het structurele saldo naar verwachting licht in 2014. Tegen deze achtergrond lijkt er zich momenteel een verschil van 0,5 % van het bbp af te tekenen ten opzichte van de vereiste aanpassing van het structurele saldo in de richting van de middellangetermijndoelstelling voor 2014, wat laat vermoeden dat de begrotingsmaatregelen moeten worden versterkt om volledig aan het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact te voldoen, gelet op het zich aandienende risico van een significante afwijking van het vereiste aanpassingstraject;

de schuldquote steeg van 69,2 % tot 74,5 % tussen 2009 en 2013. De bruto overheidsschuld zal naar verwachting in 2014 stijgen tot circa 80 % van het bbp, voornamelijk als gevolg van de opneming in de overheidsschuld van verplichtingen die zijn aangegaan in verband met de overdracht van de probleemactiva van Hypo Alpe Adria aan de liquidatie-entiteit.

(6)

Oostenrijk valt met ingang van 2014, het jaar na de correctie van het buitensporig tekort, onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en moet in een passend tempo vooruitgang boeken in de richting van zijn MTD, daaronder begrepen de naleving van de uitgavenbenchmark, en voldoende vooruitgang boeken in de richting van de vervulling van het schuldcriterium, overeenkomstig artikel 2, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97.

(7)

Volgens artikel 126, lid 12, van het Verdrag moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken wanneer de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(8)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Oostenrijk gecorrigeerd en dient Besluit 2010/282/EU derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat het buitensporige tekort in Oostenrijk is gecorrigeerd.

Artikel 2

Besluit 2010/282/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Oostenrijk.

Gedaan te Luxemburg, 20 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

G. A. HARDOUVELIS


(1)  Besluit 2010/282/EU van de Raad van 2 december 2009 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Oostenrijk (PB L 125 van 21.5.2010, blz. 32).

(2)  Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).

(3)  Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1).

(4)  Overeenkomstig de „Specificaties inzake de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact en richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van stabiliteits- en convergentieprogramma's” van 3 september 2012. Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/pdf/coc/code_of_conduct_en.pdf

(5)  Verordening (EU) nr. 473/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende gemeenschappelijke voorschriften voor het monitoren en beoordelen van ontwerpbegrotingsplannen en voor het garanderen van de correctie van buitensporige tekorten van de lidstaten van de eurozone (PB L 140 van 27.5.2013, blz. 11).


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/69


BESLUIT VAN DE RAAD

van 20 juni 2014

tot intrekking van Besluit 2010/284/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in de Tsjechische Republiek

(2014/405/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 2 december 2009 heeft de Raad bij Besluit 2010/284/EU (1), op grond van een aanbeveling van de Commissie, besloten dat er in Tsjechië een buitensporig tekort bestond. De Raad nam er nota van dat Tsjechië voor 2009 rekende met een overheidstekort van 6,6 % van het bbp, wat meer is dan de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp, terwijl de bruto-overheidsschuld in 2009 naar verwachting zou uitkomen op 35,5 % van het bbp, wat ruimschoots lager is dan de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp. Het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2009 werden vervolgens herzien tot 5,8 %, respectievelijk 34,6 % van het bbp.

(2)

Overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (2) heeft de Raad op 2 december 2009, op basis van een aanbeveling van de Commissie, tot Tsjechië een aanbeveling gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2013 aan de buitensporigtekortsituatie een einde te maken. Die aanbeveling van de Raad werd openbaar gemaakt.

(3)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (3) tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens over het overheidstekort en de overheidsschuld verstrekken, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen.

(4)

Wanneer de Raad overweegt of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet hij een besluit nemen op basis van de ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp niet zal overschrijden (4).

(5)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de vóór 1 april 2014 door Tsjechië gedane kennisgeving heeft verstrekt, en uit de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

nadat het overheidstekort van Tsjechië in 2009 een piek van 5,8 % van het bbp had bereikt, werd het teruggebracht en kwam het uit op 1,5 % van het bbp in 2013, d.i. binnen de door de Raad gestelde termijn. Deze verbetering kwam tot stand door de consolidatie aan zowel de uitgaven- als de ontvangstenzijde, die met name werd bewerkstelligd door verhogingen van de indirecte belastingen en bezuinigingen op de overheidsinvesteringen;

volgens het convergentieprogramma 2014 van Tsjechië zal het overheidstekort stijgen tot 1,8 % van het bbp in 2014 en 2,3 % van het bbp in 2015, terwijl de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie uitgaan van een overheidstekort van 1,9 % van het bbp in 2014 en 2,4 % van het bbp in 2015, bij ongewijzigd beleid. Bijgevolg zal het tekort gedurende de prognoseperiode onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven;

het structurele saldo, dat wil zeggen het overheidssaldo gecorrigeerd voor de conjunctuur en ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, is in de periode 2009-2013 elk jaar met gemiddeld 1,4 % van het bbp verbeterd. Naar verwachting zal dit saldo, bij ongewijzigd beleid, verslechteren met 1 % van het bbp in 2014 (tot — 1,1 % van het bbp) en nog eens met 0,8 % van het bbp in 2015;

de schuldquote is tussen 2009 en 2013 met 11,5 procentpunten toegenomen tot 46 %. Volgens de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie zal de bruto-overheidsschuld tijdelijk dalen tot 44,4 % van het bbp in 2014 en stijgen tot 45,8 % van het bbp in 2015.

(6)

Tsjechië valt met ingang van 2014, het jaar na de correctie van het buitensporige tekort, onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en moet zijn structurele saldo op of boven het niveau van zijn middellangetermijnbegrotingsdoelstelling houden.

(7)

Overeenkomstig artikel 126, lid 12, van het Verdrag moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken indien de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(8)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Tsjechië gecorrigeerd en moet Besluit 2010/284/EU bijgevolg worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat de buitensporigtekortsituatie in Tsjechië is gecorrigeerd.

Artikel 2

Besluit 2010/284/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Tsjechische Republiek.

Gedaan te Luxemburg, 20 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

G. A. HARDOUVELIS


(1)  Besluit 2010/284/EU van de Raad van 2 december 2009 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in de Tsjechische Republiek (PB L 125 van 21.5.2010, blz. 36).

(2)  Verordening (EG) n r. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).

(3)  Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1).

(4)  Overeenkomstig de „Specificaties inzake de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact en richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van stabiliteits- en convergentieprogramma's” van 3 september 2012. Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/pdf/coc/code_of_conduct_en.pdf


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/71


BESLUIT VAN DE RAAD

van 20 juni 2014

tot intrekking van Besluit 2010/407/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Denemarken

(2014/406/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 13 juli 2010 heeft de Raad bij Besluit 2010/407/EU (1), op grond van een aanbeveling van de Commissie, besloten dat in Denemarken een buitensporig tekort bestond. De Raad nam er nota van dat het overheidstekort volgens de gegevens die de Deense autoriteiten in april 2010 hadden meegedeeld, in 2010 5,4 % van het bbp zou bedragen, wat meer is dan de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp. Naar verwachting zou de bruto-overheidsschuld in 2010 45,1 % van het bbp bedragen, wat ruimschoots lager is dan de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 60 % van het bbp. Het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2010 werden vervolgens herzien tot respectievelijk 2,5 % en 42,8 % van het bbp.

(2)

Overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (2) heeft de Raad op 13 juli 2010, op basis van een aanbeveling van de Commissie, tot Denemarken een aanbeveling gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2013 aan de buitensporigtekortsituatie een eind te maken. Die aanbeveling van de Raad werd openbaar gemaakt.

(3)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol moeten de lidstaten overeenkomstig artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (3) tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens over het overheidstekort en de overheidsschuld verstrekken, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen.

(4)

Wanneer de Raad overweegt of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet hij een besluit nemen op basis van de ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp niet zal overschrijden (4).

(5)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de vóór 1 april 2014 door Denemarken gedane kennisgeving heeft verstrekt, en uit de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

het overheidstekort is onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp gebleven in de periode 2010-2013, behalve in 2012, toen het saldo de negatieve gevolgen ondervond van een eenmalige terugbetaling in verband met de pensioenhervorming van 2011. Volgens de ramingen heeft de eenmalige terugbetaling het begrotingssaldo in 2012 met 1,6 % van het bbp doen dalen. Het overheidstekort bedroeg 2,5 % van het bbp in 2010, 1,9 % van het bbp in 2011, 3,8 % van het bbp in 2012 en 0,8 % van het bbp in 2013. De verbetering van het begrotingssaldo kwam tot stand door consolidatiemaatregelen aan zowel de ontvangsten- als de uitgavenzijde, waarbij met name de groei van de overheidsconsumptie werd beperkt;

volgens het convergentieprogramma 2014 van Denemarken zal het overheidstekort 1,3 % van het bbp bedragen in 2014 en 2,9 % van het bbp in 2015. In 2013-2014 ondervinden de overheidsfinanciën de invloed van eenmalige inkomsten uit de herstructurering van bestaande kapitaalpensioenen, waarbij de mogelijkheid wordt geboden de belastingverplichting voor toekomstige kapitaalpensioenen tegen een gunstig tarief af te kopen. Naar raming zal deze maatregel het begrotingssaldo in beide jaren met bijna 1,8 % van het bbp doen toenemen. In 2015 zal deze maatregel geen gevolgen hebben, wat naar verwachting tot een toename van het overheidstekort zal leiden. Volgens de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie zal het overheidstekort 1,2 % van het bbp bedragen in 2014 en 2,7 % van het bbp in 2015. Bijgevolg zal het tekort gedurende de prognoseperiode onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven;

na een verbetering met in totaal 0,7 % van het bbp over de periode 2011-2013 zal het structurele saldo, dat wil zeggen het algemene overheidssaldo gecorrigeerd voor de conjunctuur en ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, bij ongewijzigd beleid volgens de prognoses verslechteren met 0,8 % van het bbp in 2014 (tot – 0,2 % van het bbp) en met nog eens 0,3 % van het bbp in 2015;

volgens de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie zal de bruto-overheidsschuld dalen tot 43,5 % van het bbp in 2014 en stijgen tot 44,9 % van het bbp in 2015, wat lager is dan de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 60 % van het bbp.

(6)

Denemarken valt vanaf 2014, het jaar na de correctie van het buitensporige tekort, onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en moet zijn structurele saldo op of boven het niveau van zijn middellangetermijnbegrotingsdoelstelling houden.

(7)

Overeenkomstig artikel 126, lid 12, van het Verdrag moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken indien de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(8)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Denemarken gecorrigeerd en moet Besluit 2010/407/EU bijgevolg worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat de buitensporigtekortsituatie in Denemarken is gecorrigeerd.

Artikel 2

Besluit 2010/407/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Denemarken.

Gedaan te Luxemburg, 20 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

G. A. HARDOUVELIS


(1)  Besluit 2010/407/EU van de Raad van 13 juli 2010 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Denemarken (PB L 189 van 22.7.2010, blz. 15).

(2)  Verordening (EG) n r. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).

(3)  Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1).

(4)  Overeenkomstig de „Specificaties inzake de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact en richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van stabiliteits- en convergentieprogramma's” van 3 september 2012. Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/pdf/coc/code_of_conduct_en.pdf


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/73


BESLUIT VAN DE RAAD

van 20 juni 2014

tot intrekking van Besluit 2010/287/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Nederland

(2014/407/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 2 december 2009 heeft de Raad, bij Besluit 2010/287/EU (1), op grond van een aanbeveling van de Commissie, besloten dat in Nederland een buitensporig tekort bestond. De Raad stelde vast dat voor 2009 met een overheidstekort van 4,8 % van het bbp werd gerekend en dat daarmee de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp werd overschreden, terwijl de bruto overheidsschuld zou uitkomen op 59,7 % van het bbp in 2009, dus boven de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp. Het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2009 werden vervolgens herzien tot respectievelijk 5,6 % en 60,8 % van het bbp.

(2)

Op 2 december 2009 heeft de Raad, overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (2), op grond van een aanbeveling van de Commissie een aanbeveling tot Nederland gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2013 een einde te maken aan de buitensporigtekortsituatie. Die aanbeveling van de Raad werd openbaar gemaakt.

(3)

Op 21 juni 2013 heeft de Raad geconcludeerd dat Nederland effectief gevolg had gegeven aan de aanbeveling van de Raad van 2 december 2009 overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag maar dat zich na de vaststelling van de oorspronkelijke aanbeveling onverwachte ongunstige economische gebeurtenissen met belangrijke negatieve gevolgen voor de overheidsfinanciën hadden voorgedaan. Daarom oordeelde de Raad (op basis van een aanbeveling van de Commissie) dat aan de in artikel 3, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1467/97 bedoelde voorwaarden was voldaan om een nieuwe aanbeveling tot Nederland te richten overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag waarin het land werd verzocht om uiterlijk in 2014 een eind te maken aan de buitensporigtekortsituatie. Die nieuwe aanbeveling werd openbaar gemaakt.

(4)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol dienen de lidstaten tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen te verstrekken ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (3).

(5)

Wanneer de Raad overweegt of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet hij een besluit nemen op basis van ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de in het Verdrag vastgelegde drempel van 3 % van het bbp niet zal overschrijden (4).

(6)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 heeft verstrekt naar aanleiding van de door Nederland vóór 1 april 2014 ingediende kennisgeving, uit het stabiliteitsprogramma voor 2014 en uit de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

nadat het Nederlandse overheidstekort in 2009 een piek bereikte van 5,6 % van het bbp, werd het geleidelijk teruggebracht en kwam het in 2013 uit op 2,5 % van het bbp (5). Deze verbetering kwam tot stand als gevolg van consolidatiemaatregelen aan zowel de uitgavenzijde als de ontvangstenzijde, met name door een verhoging van de (indirecte) belastingen en bezuinigingen op de overheidsuitgaven;

volgens het stabiliteitsprogramma 2014 van Nederland zal het overheidstekort in 2014 oplopen tot 2,9 % van het bbp in 2014 en zal het in 2015 afnemen tot 2,1 % van het bbp, terwijl de diensten van de Commissie in hun voorjaarsprognoses 2014 verwachten dat het overheidstekort in 2014 2,8 % van het bbp zal bedragen en in 2015 1,8 % van het bbp. Bijgevolg zal het tekort in de prognoseperiode waarschijnlijk onder de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven;

na een verbetering met 1,4 % van het bbp in 2013 wordt verwacht dat het structureel saldo — d.w.z. het conjunctuurgezuiverde overheidssaldo ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen — zich bij ongewijzigd beleid in 2014 verder zal stabiliseren en in 2015 met 0,5 procentpunt zal verbeteren. Tegen deze achtergrond lijkt er momenteel sprake te zijn van een groeiende kloof van 0,5 % van het bbp ten opzichte van de vereiste aanpassing van het structurele tekort in de richting van de middellangetermijnbegrotingsdoelstelling (MTD) in 2014. Het risico bestaat derhalve dat in aanzienlijke mate van het aanpassingstraject zal worden afgeweken, zodat een versterking van de begrotingsmaatregelen noodzakelijk zal zijn om ervoor te zorgen dat het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact volledig wordt nageleefd;

de schuldquote steeg tussen 2010 en 2013 met circa 10 procentpunt tot 73,5 %. Volgens de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie zal de bruto-overheidsschuld verder stijgen tot 73,8 % van het bbp in 2014 en vervolgens afnemen tot 73,4 % van het bbp in 2015.

(7)

Nederland valt met ingang van 2014, het jaar na de correctie van zijn buitensporig tekort, onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en moet in een passend tempo vorderingen maken om aan zijn MTD te voldoen, daaronder begrepen de naleving van de uitgavenbenchmark, en voldoende vooruitgang boeken in de richting van de vervulling van het schuldcriterium overeenkomstig artikel 2, lid 1 bis, van Verordening (EG) nr. 1467/97.

(8)

Volgens artikel 126, lid 12, van het Verdrag moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken wanneer de Raad van oordeel is dat het buitensporige tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(9)

Volgens de Raad is het buitensporige tekort in Nederland gecorrigeerd en dient Besluit 2010/287/EU derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat het buitensporige tekort in Nederland is gecorrigeerd.

Artikel 2

Besluit 2010/287/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk der Nederlanden.

Gedaan te Luxemburg, 20 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

G. A. HARDOUVELIS


(1)  Besluit 2010/287/EU van de Raad van 2 december 2009 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Nederland (PB L 125 van 21.5.2010, blz. 42).

(2)   PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6.

(3)  Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1).

(4)  Overeenkomstig de „Specificaties inzake de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact en richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van stabiliteits- en convergentieprogramma's” van 3 september 2012. Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/pdf/coc/code_of_conduct_en.pdf

(5)  Het overheidstekort van 2013 werd sterk beïnvloed door de nationalisatie van SNS REAAL; volgens de meest recente beoordeling door het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) heeft deze nationalisatie echter geen gevolgen gehad voor het uiteindelijke tekort, maar een definitief besluit over de indeling door Eurostat is nog niet vastgesteld. Op basis van de thans beschikbare informatie kan het tekort hierdoor maximaal 0,3 % van het bbp hoger uitvallen.


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/76


BESLUIT VAN DE RAAD

van 20 juni 2014

tot intrekking van Besluit 2010/290/EU betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slowakije

(2014/408/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 126, lid 12,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 2 december 2009 heeft de Raad, bij Besluit 2010/290/EU (1), op grond van een aanbeveling van de Commissie, besloten dat er in Slowakije een buitensporig tekort bestond. De Raad merkte op dat volgens de door de Slowaakse autoriteiten in oktober 2009 ter kennis gebrachte gegevens het overheidstekort in 2009 naar verwachting 6,3 % van het bbp zou bereiken en daarmee de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 3 % van het bbp zou overschrijden, terwijl de bruto-overheidsschuld naar verwachting in 2009 ongeveer 36 % van het bbp zou belopen, ruim onder de in het Verdrag vastgelegde referentiewaarde van 60 % van het bbp. Het overheidstekort en de overheidsschuld voor 2009 kwamen uit op 8 % van het bbp respectievelijk 35,6 % van het bbp.

(2)

Overeenkomstig artikel 126, lid 7, van het Verdrag en artikel 3, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad (2), heeft de Raad op 2 december 2009 op aanbeveling van de Commissie een aanbeveling tot Slowakije gericht waarin het land werd verzocht om uiterlijk eind 2013 aan de buitensporigtekortsituatie een einde te maken. Die aanbeveling van de Raad werd openbaar gemaakt.

(3)

Overeenkomstig artikel 4 van het aan de Verdragen gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten verstrekt de Commissie de voor de toepassing van de procedure benodigde gegevens. In het kader van de toepassing van dit protocol dienen de lidstaten ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad (3) tweemaal per jaar, namelijk vóór 1 april en vóór 1 oktober, gegevens over het overheidstekort en de overheidsschuld, alsook over andere, daarmee samenhangende variabelen te verstrekken.

(4)

Wanneer hij beziet of een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort moet worden ingetrokken, moet de Raad een besluit nemen op basis van ter kennis gebrachte gegevens. Bovendien mag een besluit betreffende het bestaan van een buitensporig tekort alleen worden ingetrokken als uit de prognoses van de diensten van de Commissie blijkt dat het tekort gedurende de prognoseperiode de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp niet zal overschrijden (4).

(5)

Uit de gegevens die de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 479/2009 na de vóór 1 april 2014 door Slowakije gedane kennisgeving heeft verstrekt en uit de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie kunnen de volgende conclusies worden getrokken:

nadat het overheidstekort van Slowakije in 2009 met 8 % zijn hoogste punt had bereikt, is dit in overeenstemming met de aanbeveling van de Raad van 2 december 2009 in 2013 teruggebracht tot 2,8 % van het bbp. De terugdringing van het tekort was het gevolg van begrotingsconsolidatie aan zowel de inkomsten- als de uitgavenzijde, met inbegrip van eenmalige maatregelen;

het stabiliteitsprogramma 2014 streeft naar een nominaal tekort van 2,6 % van het bbp in 2014 en een verdere terugdringing ervan tot 2,5 % van het bbp in 2015, 1,6 % van het bbp in 2016 en 0,5 % van het bbp in 2017. Volgens de voorjaarsprognoses 2014 van de diensten van de Commissie zal het overheidstekort licht stijgen tot 2,9 % van het bbp in 2014 en vervolgens weer uitkomen op 2,8 % van het bbp in 2015. Het tekort zal dus tijdens de prognoseperiode naar verwachting onder de in het Verdrag vastgestelde referentiewaarde van 3 % van het bbp blijven;

het structurele saldo, dat wil zeggen het conjunctuurgezuiverde overheidssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, is in de periode 2010-2013 gemiddeld met 1,5 % van het bbp per jaar verbeterd. Dit saldo zal naar verwachting in 2014 licht verslechteren, maar bij ongewijzigd beleid in 2015 verbeteren. Het blijkt in dit verband dat er in 2014 een kloof van 0,3 % van het bbp aan het ontstaan is ten opzichte van de vereiste aanpassing van het structureel saldo in de richting van de middellangetermijnberotingsdoelstelling (MTD); gelet op het zich aandienend risico dat van het voorgeschreven aanpassingstraject wordt afgeweken, wijst dit erop dat de begrotingsmaatregelen moeten worden aangescherpt om ervoor te zorgen dat volledig aan het preventief deel van het stabiliteits- en groeipact wordt voldaan;

de overheidsschuld kwam in 2013 uit op 55,4 % van het bbp. Volgens de voorjaarsprognoses 2014 van de Commissie zal de overheidsschuld verder stijgen tot 56,3 % van het bbp in 2014 en 57,8 % van het bbp in 2015.

(6)

Slowakije valt met ingang van 2014, het jaar na de correctie van het buitensporig tekort, onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en moet in een passend tempo vooruitgang boeken in de richting van de MTD en moet daarbij onder meer de uitgavennorm in acht nemen.

(7)

Overeenkomstig artikel 126, lid 12, van het Verdrag moet een besluit van de Raad betreffende het bestaan van een buitensporig tekort worden ingetrokken indien de Raad van oordeel is dat het buitensporig tekort in de betrokken lidstaat is gecorrigeerd.

(8)

Volgens de Raad is het buitensporig tekort in Slowakije gecorrigeerd en dient Besluit 2010/290/EU derhalve te worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Uit een algehele evaluatie volgt dat het buitensporig tekort in Slowakije is gecorrigeerd.

Artikel 2

Besluit 2010/290/EU wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Slowaakse Republiek.

Gedaan te Luxemburg, 20 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

G. A. HARDOUVELIS


(1)  Besluit 2010/290/EU van de Raad van 2 december 2009 betreffende het bestaan van een buitensporig tekort in Slowakije (PB L 125 van 21.5.2010, blz. 48).

(2)  Verordening (EG) nr. 1467/97 van de Raad van 7 juli 1997 over de bespoediging en verduidelijking van de tenuitvoerlegging van de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 209 van 2.8.1997, blz. 6).

(3)  Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1).

(4)  Overeenkomstig de „Specificaties inzake de uitvoering van het stabiliteits- en groeipact en richtsnoeren inzake de vorm en de inhoud van stabiliteits- en convergentieprogramma's” van 3 september 2012. Zie: http://ec.europa.eu/economy_finance/economic_governance/sgp/pdf/coc/code_of_conduct_en.pdf


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/78


BESLUIT VAN DE RAAD

van 23 juni 2014

over het namens de Europese Unie in te nemen standpunt in het Gemengd Comité van de EER inzake een wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

(2014/409/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 46 en 48, in samenhang met artikel 218, lid 9,

Gezien Verordening (EG) nr. 2894/94 van de Raad van 28 november 1994 houdende bepaalde wijzen van toepassing van de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (1), en met name artikel 1, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (2) („de EER-overeenkomst”) is op 1 januari 1994 in werking getreden.

(2)

Overeenkomstig artikel 98 van de EER-overeenkomst kan Protocol 31 bij die overeenkomst bij besluit van het Gemengd Comité van de EER worden gewijzigd.

(3)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst bevat bepalingen en regelingen betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden.

(4)

Het is passend de samenwerking tussen de overeenkomstsluitende partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot samenwerking betreffende het vrije verkeer van werknemers, de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit derde landen.

(5)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2014 mogelijk te maken.

(6)

Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité van de EER dient te worden gebaseerd op het aangehechte ontwerpbesluit,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Het namens de Europese Unie in het Gemengd Comité van de EER in te nemen standpunt inzake de voorgestelde wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité van de EER.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 23 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)   PB L 305 van 30.11.1994, blz. 6.

(2)   PB L 1 van 3.1.1994, blz. 3.


ONTWERP

BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER Nr. …/2014

van

tot wijziging van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst betreffende samenwerking op specifieke gebieden buiten de vier vrijheden

HET GEMENGD COMITÉ VAN DE EER,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte („de EER-overeenkomst”), en met name de artikelen 86 en 98,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is passend de samenwerking tussen de partijen bij de EER-overeenkomst uit te breiden tot samenwerking betreffende het vrije verkeer van werknemers, de coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit derde landen.

(2)

Protocol 31 bij de EER-overeenkomst dient derhalve te worden gewijzigd om deze uitgebreide samenwerking met ingang van 1 januari 2014 mogelijk te maken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 5 van Protocol 31 bij de EER-overeenkomst wordt als volgt gewijzigd:

1.

Na lid 12 wordt het volgende lid ingevoegd:

„13.   De EVA-staten nemen met ingang van 1 januari 2014 deel aan de maatregelen die gefinancierd worden uit de volgende begrotingsonderdelen die in de algemene begroting van de Europese Unie voor het begrotingsjaar 2014 zijn opgenomen:

Begrotingsonderdeel 04 03 01 03: „Vrij verkeer van werknemers, coördinatie van de socialezekerheidsstelsels en maatregelen ten behoeve van migranten, met inbegrip van migranten uit niet-lidstaten”.”

2.

In lid 5 worden de woorden:„, en aan de maatregelen die gefinancierd worden uit de in lid 12 bedoelde begrotingsonderdelen voor de begrotingsjaren 2012 en 2013, met ingang van 1 januari 2012” vervangen door de woorden:„, en aan de maatregelen die gefinancierd worden uit de in lid 12 bedoelde begrotingsonderdelen voor de begrotingsjaren 2012 en 2013, met ingang van 1 januari 2012, alsook aan de maatregelen die gefinancierd worden uit de in lid 13 bedoelde begrotingsonderdelen voor het begrotingsjaar 2014, met ingang van 1 januari 2014”.

3.

De woorden: „leden 8 en 12” in de leden 6 en 7 worden vervangen door de woorden: „leden 8, 12 en 13”.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de laatste kennisgeving zoals bedoeld in artikel 103, lid 1, van de EER-overeenkomst (*1).

Het is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Artikel 3

Dit besluit wordt bekendgemaakt in het EER-gedeelte van en in het EER-supplement bij het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel,

Voor het Gemengd Comité van de EER

De voorzitter

De secretarissen

van het Gemengd Comité van de EER


(*1)  [Geen grondwettelijke vereisten aangegeven.] [Grondwettelijke vereisten aangegeven.]


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/80


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 juni 2014

betreffende de start van de geautomatiseerde uitwisseling van DNA-gegevens in België

(2014/410/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Besluit 2008/615/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 inzake de intensivering van de grensoverschrijdende samenwerking, in het bijzonder ter bestrijding van terrorisme en grensoverschrijdende criminaliteit (1), en met name artikel 2, lid 3, en artikel 25,

Gezien Besluit 2008/616/JBZ van de Raad van 23 juni 2008 betreffende de uitvoering van Besluit 2008/615/JBZ (2), en met name artikel 20 en hoofdstuk 4 van de bijlage,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens het Protocol betreffende de overgangsbepalingen dat is gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie, aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, worden de rechtsgevolgen van de handelingen van de instellingen, organen en instanties van de Unie die zijn vastgesteld vóór de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon, gehandhaafd zolang die handelingen niet krachtens de Verdragen ingetrokken, nietig verklaard of gewijzigd zijn.

(2)

Artikel 25 van Besluit 2008/615/JBZ is derhalve van toepassing en de Raad moet met eenparigheid van stemmen besluiten of de lidstaten de bepalingen van hoofdstuk 6 van dat besluit hebben uitgevoerd.

(3)

In artikel 20 van Besluit 2008/616/JBZ is bepaald dat de Raad de in artikel 25, lid 2, van Besluit 2008/615/JBZ bedoelde besluiten neemt op basis van een evaluatieverslag, dat is opgesteld aan de hand van een vragenlijst. Wat de geautomatiseerde uitwisseling van gegevens overeenkomstig hoofdstuk 2 van Besluit 2008/615/JBZ betreft, dient het evaluatieverslag gebaseerd te zijn op een evaluatiebezoek en een proefrun.

(4)

België heeft het secretariaat-generaal van de Raad op de hoogte gesteld van de nationale DNA-analysedossiers waarop de artikelen 2 tot en met 6 van Besluit 2008/615/JBZ van toepassing zijn, alsmede van de voorwaarden voor geautomatiseerde bevraging als bedoeld in artikel 3, lid 1, van dat besluit overeenkomstig artikel 36, lid 2, daarvan.

(5)

Volgens hoofdstuk 4, punt 1.1, van de bijlage bij Besluit 2008/616/JBZ stelt de betrokken Raadsgroep een vragenlijst op voor elke vorm van geautomatiseerde uitwisseling van gegevens, en beantwoordt een lidstaat de desbetreffende vragenlijst zodra hij van oordeel is dat hij aan de voorwaarden voor het uitwisselen van gegevens in een bepaalde gegevenscategorie voldoet.

(6)

België heeft de vragenlijst over gegevensbescherming en de vragenlijst over de uitwisseling van DNA-gegevens ingevuld.

(7)

België heeft met Nederland een geslaagde proefrun uitgevoerd.

(8)

Er is een evaluatiebezoek aan België gebracht, waarover het Nederlandse evaluatieteam een verslag heeft opgesteld en aan de betrokken werkgroep van de Raad heeft toegezonden.

(9)

Aan de Raad is een algemeen evaluatieverslag voorgelegd, waarin de resultaten van de vragenlijst, het evaluatiebezoek en de proefrun betreffende de uitwisseling van DNA-gegevens zijn samengevat,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Met het oog op de geautomatiseerde bevraging en vergelijking van DNA-gegevens heeft België de algemene bepalingen betreffende gegevensbescherming van hoofdstuk 6 van Besluit 2008/615/JBZ van de Raad volledig uitgevoerd en is het gerechtigd met ingang van de dag van inwerkingtreding van dit besluit persoonsgegevens te ontvangen en te verstrekken overeenkomstig de artikelen 3 en 4 van dat besluit.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 24 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

E. VENIZELOS


(1)   PB L 210 van 6.8.2008, blz. 1.

(2)   PB L 210 van 6.8.2008, blz. 12.


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/82


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 juni 2014

houdende benoeming van een Belgisch lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(2014/411/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 302,

Gezien de voordracht van de Belgische regering,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 13 september 2010 heeft de Raad Besluit 2010/570/EU, Euratom tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2010 tot en met 20 september 2015 vastgesteld (1).

(2)

Een zetel van lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité is vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van mevrouw Bérengère DUPUIS,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De heer Alessandro GRUMELLI, Conseiller au service d'études de la Confédération des syndicats chrétiens, wordt benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de resterende duur van de ambtstermijn, te weten tot en met 20 september 2015.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 24 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

E. VENIZELOS


(1)   PB L 251 van 25.9.2010, blz. 8.


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/83


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 juni 2014

houdende benoeming van een Duits lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(2014/412/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 302,

Gezien de voordracht van de Duitse regering,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 13 september 2010 heeft de Raad Besluit 2010/570/EU, Euratom tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2010 tot en met 20 september 2015 vastgesteld (1).

(2)

Een zetel van lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité is vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van mevrouw dr. Sabine HEPPERLE,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De heer dr. Günter LAMBERTZ, Leiter des Büros des DIHK bei der EU wordt benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de resterende duur van het mandaat, te weten tot en met 20 september 2015.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 24 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

E. VENIZELOS


(1)   PB L 251 van 25.9.2010, blz. 8.


28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/84


BESLUIT VAN DE RAAD

van 24 juni 2014

houdende benoeming van een Oostenrijks lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité

(2014/413/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 302,

Gezien de voordracht van de Oostenrijkse regering,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 13 september 2010 heeft de Raad Besluit 2010/570/EU, Euratom tot benoeming van de leden van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de periode van 21 september 2010 tot en met 20 september 2015 vastgesteld (1).

(2)

Een zetel van lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité is vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van de heer Gerfried GRUBER,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De heer Andreas THURNER wordt benoemd tot lid van het Europees Economisch en Sociaal Comité voor de resterende duur van de ambtstermijn, te weten tot en met 20 september 2015.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 24 juni 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

E. VENIZELOS


(1)   PB L 251 van 25.9.2010, blz. 8.