|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 181 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
57e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
20.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 181/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 639/2014 VAN DE COMMISSIE
van 11 maart 2014
tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die verordening
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (1), en met name artikel 4, lid 3, artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 5, artikel 35, leden 1, 2 en 3, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 3, artikel 43, lid 12, artikel 44, lid 5, artikel 45, leden 5 en 6, artikel 46, lid 9, artikel 50, lid 11, artikel 52, lid 9, artikel 57, lid 3, artikel 58, lid 5, artikel 59, lid 3, en artikel 67, leden 1 en 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (2) is ingetrokken bij en vervangen door Verordening (EU) nr. 1307/2013. In Verordening (EU) nr. 1307/2013 is een nieuw rechtskader vastgesteld met een nieuw systeem voor rechtstreekse steun, waaronder een basisbetaling voor landbouwers en andere steunregelingen. Krachtens die verordening is de Commissie bevoegd gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen. Met het oog op een soepele werking van de regelingen in het nieuwe rechtskader moeten bepaalde regels middels dergelijke handelingen worden vastgesteld. Om de administratieve lasten te beperken, moeten deze regels eenvoudig en gemakkelijk te controleren zijn. Deze handelingen moeten in de plaats treden van de Verordeningen (EG) nr. 1120/2009 (3) en (EG) nr. 1121/2009 (4) van de Commissie. |
|
(2) |
Dit kader moet bij de voorliggende verordening worden aangevuld, wat betreft een aantal algemene bepalingen, de basisbetalingsregeling, de regeling inzake een enkele areaalbetaling, de betaling voor landbouwers die klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken toepassen, de betaling voor jonge landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen, de vrijwillige gekoppelde steun, de gewasspecifieke betaling voor katoen en de meldingsverplichtingen voor elke steunregeling. |
|
(3) |
Teneinde ervoor te zorgen dat de aanpassingen in rechtstreekse betalingen correct worden toegepast vanuit het oogpunt van financiële discipline, moeten algemene voorschriften inzake de volgorde voor de berekening van dergelijke verlagingen met betrekking tot verlagingen in het kader van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) worden vastgesteld. |
|
(4) |
Overeenkomstig de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (6) dient te worden verduidelijkt dat lidstaten die maatregelen tot uitvoering van het Unierecht vaststellen, in de uitoefening van hun beslissingsbevoegdheid bepaalde beginselen in acht moeten nemen, waaronder met name het beginsel van non-discriminatie. |
|
(5) |
Andere steun dan gekoppelde steun moet voldoen aan bepaalde eisen om te worden aangemerkt als ontkoppelde inkomenssteun die gerekend wordt tot de „groene doos” van de Overeenkomst inzake de landbouw die tijdens de Uruguayronde van multilaterale handelsbesprekingen is gesloten (7), terwijl gekoppelde steun moet voldoen aan bepaalde eisen om te worden aangemerkt als steun die onder de „blauwe doos” van die overeenkomst valt. |
|
(6) |
Volgens artikel 4, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 hoeft met een „landbouwactiviteit” geen productie, fokkerij of teelt van landbouwproducten gepaard te gaan. In plaats daarvan kunnen landbouwers een landbouwareaal in een voor begrazing of teelt geschikte staat houden zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die meer vergen dan de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines, of kunnen zij op landbouwarealen die op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat worden gehouden, een minimumactiviteit verrichten. Aangezien de twee laatstbedoelde activiteiten niettemin een zekere activiteit van de landbouwer vergen, moet worden voorzien in een Uniekader waarbinnen de lidstaten de nadere criteria voor deze activiteiten vaststellen. |
|
(7) |
Om milieuredenen omvat de definitie van „blijvend grasland” in artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ook begraasbare niet-kruidachtige soorten, zoals struiken en/of bomen, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen op de betrokken grond overheersen. Daarom moet een criterium worden vastgesteld om te bepalen in welke gevallen grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen. |
|
(8) |
Die definitie van „blijvend grasland” biedt de lidstaten de mogelijkheid om begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken en waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in de graasgebieden, eveneens als blijvend grasland te beschouwen. Daartoe moet worden vastgesteld aan de hand van welke criteria dergelijke gangbare plaatselijke praktijken kunnen worden gedefinieerd. |
|
(9) |
Artikel 4, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 biedt de lidstaten de mogelijkheid om begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken en waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen op de graasgebieden, als blijvend grasland te beschouwen. Op dit blijvend grasland kan een verlagingscoëfficiënt worden toegepast als bedoeld in artikel 32, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013. Met het oog op een evenredige toepassing van die bepaling dient de mogelijkheid te worden geboden om een onderscheid te maken tussen verschillende categorieën arealen zodat op elke categorie een andere verlagingscoëfficiënt kan worden toegepast. |
|
(10) |
Krachtens artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 mogen geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen wier landbouwarealen voornamelijk bestaan uit op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat gehouden arealen en die op deze arealen geen door de betrokken lidstaat omschreven minimumactiviteit verrichten. Hiertoe moet enerzijds worden bepaald wanneer dergelijke arealen als het voornaamste deel van de landbouwgrond van een landbouwer moeten worden beschouwd en anderzijds worden verduidelijkt wat de werkingssfeer van die bepaling is. |
|
(11) |
Volgens artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moeten entiteiten die onder de zogenoemde negatieve lijst vallen, als actieve landbouwers worden beschouwd wanneer zij kunnen aantonen dat zij aan een van de in die bepaling vastgestelde criteria voldoen. Een van die criteria bestaat erin aan te tonen dat het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen ten minste 5 % van de totale inkomsten uit niet-landbouwactiviteiten uitmaakt. Daarom moet worden vastgesteld hoe kan worden bepaald of inkomsten uit landbouwactiviteiten dan wel uit niet-landbouwactiviteiten afkomstig zijn. |
|
(12) |
Bovendien moet worden voorgeschreven hoe het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen moet worden bepaald met het oog op artikel 9, lid 2, en, in voorkomend geval, artikel 9, lid 3, en met het oog op artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, op grond waarvan sommige landbouwers worden uitgesloten van de toepassing van artikel 9, leden 2 en 3, van die verordening. Om in Bulgarije, Kroatië en Roemenië, waar de rechtstreekse betalingen zich nog in de fase van geleidelijke integratie bevinden, een gelijke behandeling van de landbouwers te waarborgen, moet het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen in die lidstaten berusten op het uiteindelijke bedrag dat aan het einde van het proces van geleidelijke integratie wordt toegekend. |
|
(13) |
Overeenkomstig artikel 9, lid 2, en in voorkomend geval artikel 9, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kunnen landbouwers van steun worden uitgesloten wanneer hun landbouwactiviteiten onaanzienlijk zijn of hun voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel niet de uitoefening van een landbouwactiviteit is. In dit verband moeten bepaalde criteria worden vastgesteld, terwijl de lidstaten de mogelijkheid moet worden geboden alternatieve criteria vast te stellen voor landbouwactiviteiten die slechts van marginale betekenis zijn. |
|
(14) |
Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet in verschillende mogelijkheden voor de toewijzing van betalingsrechten aan landbouwers. Omwille van de rechtszekerheid moet worden bepaald dat bij feitelijke vererving, verwachte vererving, herroepbare verwachte vererving, fusie of splitsing van het bedrijf het aantal en de waarde van de te ontvangen betalingsrechten worden vastgesteld volgens de voorwaarden die ook zouden zijn toegepast op de landbouwer die het bedrijf oorspronkelijk beheerde. Voorts moeten regels worden vastgesteld voor de vaststelling van het aantal toe te wijzen betalingsrechten in geval van bedrijven die uit een splitsing zijn ontstaan en gelegen zijn in lidstaten die artikel 24, lid 4 of lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen. Gezien het gewettigde vertrouwen van de landbouwers mogen veranderingen in de juridische status van een landbouwer geen gevolgen hebben voor het aantal of de waarde van de betalingsrechten die de landbouwer kan ontvangen, op voorwaarde dat hij op het gebied van beheer, voordelen en financiële risico’s zeggenschap over het bedrijf houdt. |
|
(15) |
Met het oog op de rechtszekerheid en een goed beheer van de betalingsrechten dient te worden verduidelijkt dat alleen de subsidiabele hectaren die zijn geconstateerd overeenkomstig artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 23, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie (8), in aanmerking mogen worden genomen voor de toewijzing en activering van betalingsrechten. |
|
(16) |
Conform de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (9) moeten de betalingsrechten worden toegewezen aan de persoon die de beslissingsbevoegdheid uitoefent, de voordelen geniet en de financiële risico’s draagt met betrekking tot de landbouwactiviteit op de grond waarvoor om een dergelijke toewijzing wordt gevraagd. In dit verband moet worden verduidelijkt dat dit beginsel met name geldt voor de gevallen waarin meer dan een landbouwer een aanvraag voor de toewijzing van betalingsrechten voor eenzelfde subsidiabele hectare indient. |
|
(17) |
De lidstaten kunnen overeenkomstig artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 een verlagingscoëfficiënt toepassen op bepaalde subsidiabele hectaren blijvend grasland in gebieden met moeilijke klimatologische omstandigheden, met name als gevolg van de hoogte en andere natuurlijke beperkingen. Met het oog op de evenredige toepassing van die bepaling dient een kader te worden vastgesteld voor de toepassing van deze verlagingscoëfficiënt, met name wat de begrenzing van die verlaging betreft. |
|
(18) |
In artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is als basisbeginsel vastgesteld dat alleen actieve landbouwers rechtstreekse betalingen mogen ontvangen. Voorts krijgen de lidstaten krachtens artikel 24, lid 9, van die verordening de mogelijkheid om met het oog op de toewijzing van betalingsrechten een minimumgrootte per bedrijf te vast te stellen. Deze bepalingen dienen tevens in aanmerking te worden genomen in het kader van de vaststelling van de waarde van de betalingsrechten. |
|
(19) |
Wanneer overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 de voor kalenderjaar 2014 verleende steun in aanmerking wordt genomen om de initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten vast te stellen, dient te worden verduidelijkt dat de lidstaten kunnen besluiten niet met alle in die bepaling bedoelde maatregelen rekening te houden. Om onrechtmatige bestraffing van landbouwers te voorkomen, moet worden bepaald dat overeenkomstig titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde verlagingen of uitsluitingen niet worden verrekend in de referentiebedragen die relevant zijn om de waarde van de betalingsrechten vast te stellen. Gepreciseerd moet worden hoe deze steun in aanmerking moet worden genomen en welke extra criteria nodig zijn om rekening te houden met het ontkoppelde karakter van eventueel in aanmerking te nemen regelingen. |
|
(20) |
Voorts moet met het oog op de vaststelling van de initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten worden verduidelijkt dat de in artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde betalingsrechten waarover een landbouwer beschikt, ook de betalingsrechten omvatten die aan een andere landbouwer zijn verpacht op de datum waarop de verpachter zijn aanvraag voor 2014 indient. |
|
(21) |
Om vooraf een schatting van de inkomenssteun voor landbouwer te kunnen maken, moet worden bepaald tegen welke termijn de lidstaten de definitieve waarde en het definitieve aantal van de betalingsrechten moeten vaststellen en moeten melden aan de landbouwers die op basis van voorlopige gegevens in kennis zijn gesteld. |
|
(22) |
Wanneer een landbouwer tijdens het in artikel 26 of artikel 40, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde referentiejaar door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden is getroffen, dient met het oog op de toepassing van die bepalingen de waarde van de betalingsrechten te worden vastgesteld op basis van het laatste jaar waarin geen sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Om de administratieve lasten te beperken, moet het de lidstaten evenwel worden toegestaan om een bepaalde drempel ten aanzien van het effect van de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden op de in het referentiejaar ontvangen rechtstreekse steun vast te stellen. |
|
(23) |
Met betrekking tot de verkoop of verpachting van een bedrijf of een deel daarvan in de periode vóór de datum van indiening van een aanvraag voor de toewijzing van rechten in het eerste jaar van toepassing van de regeling moet worden bepaald dat de lidstaten kunnen besluiten dat landbouwers middels een contract de toe te wijzen betalingsrechten samen met het bedrijf of een deel daarvan kunnen overdragen. In het kader van een dergelijke clausule in het privaatrechtelijke contract moeten de betalingsrechten aan de verkoper of de verpachter worden toegewezen en direct worden overgedragen aan de koper of de pachter, wiens voordeel ontstaat doordat de betalingen die de verkoper of de verpachter voor 2014 heeft ontvangen, dan wel de waarde van de rechten die de verkoper of de verpachter in 2014 bezat als bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, als referentie worden gebruikt voor de vaststelling van de initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten. Voorts moet worden verduidelijkt dat artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 niet geldt voor dergelijke overdrachten. |
|
(24) |
Om de waarde per eenheid van de betalingsrechten te berekenen, dient te worden voorzien in duidelijke afrondingsregels, in de mogelijkheid om bestaande betalingsrechten op te splitsen wanneer het aangegeven of met het recht overgedragen perceel niet meer dan een deel van een hectare bedraagt, alsmede in de mogelijkheid om betalingsrechten en delen van betalingsrechten te fuseren. |
|
(25) |
Omwille van de rechtszekerheid moet worden bepaald tegen welke termijn de in artikel 34, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde regio’s moeten worden vastgesteld. |
|
(26) |
Er moeten specifieke bepalingen worden vastgesteld voor het beheer van de nationale en de regionale reserve. |
|
(27) |
Voor de toepassing van artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moeten criteria en maximumpercentages worden vastgesteld teneinde te voorkomen dat de overdracht van betalingsrechten aanzienlijk wordt gehinderd of verhinderd als gevolg van een verlaging op grond van die bepaling. |
|
(28) |
Omwille van de rechtszekerheid moet worden verduidelijkt hoe het bedrag dat op grond van artikel 28 of artikel 40, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 aan de nationale of de regionale reserve mag worden toegevoegd, moet worden bepaald wanneer de betalingsrechten in het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling worden vastgesteld. |
|
(29) |
Artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet in verplichte en facultatieve toewijzing van betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve. Er moet worden bepaald hoe het aantal en de waarde van de op die manier toe te wijzen betalingsrechten moeten worden berekend en er moet voor worden gezorgd dat de in artikel 30, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde prioriteiten niet worden ondermijnd door besluiten die de lidstaten mogen nemen in het kader van artikel 30, leden 7 en 10, van die verordening. Ook dient de toepassing van artikel 30, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 samenhang te vertonen met artikel 24, leden 6 en 7, van die verordening en met de regels inzake onbillijkheid in de onderhavige verordening. Om het ontkoppelde karakter van de basisbetalingsregeling te waarborgen, mag de berekening van het aantal en de waarde van de betalingsrechten in het kader van de nationale of de regionale reserve niet op sectorspecifieke criteria worden gebaseerd na de datum die de lidstaat overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie (10) vaststelt voor aanvraagjaar 2013. |
|
(30) |
Omwille van de rechtszekerheid en de gelijke behandeling van landbouwers die met hun landbouwactiviteiten beginnen, moet het in artikel 30, lid 11, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde begrip „landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen” worden verduidelijkt. |
|
(31) |
Wanneer de lidstaten betalingsrechten uit hoofde van artikel 30, lid 7, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toewijzen, moet de waarde van dergelijke betalingsrechten worden berekend overeenkomstig artikel 25 of artikel 40 van die verordening. |
|
(32) |
Artikel 24, leden 3 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 biedt de lidstaten verschillende mogelijkheden om het aantal aan landbouwers toe te wijzen betalingsrechten te beperken. Dit kan aanleiding geven tot onbillijkheid ten aanzien van landbouwers met een groot aandeel subsidiabele hectaren waarvoor geen betalingsrechten gelden aangezien sommige steunregelingen die ondergeschikt zijn aan de basisbetalingsregeling, met name de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, zijn gebaseerd op het aantal subsidiabele hectaren dat met het oog op de activering van de betalingsrechten is aangegeven. Daarom moet worden verduidelijkt dat de lidstaten over de mogelijkheid beschikken om betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve toe te wijzen aan landbouwers die ernstige gevolgen ondervinden van de in artikel 24, leden 3 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde beperkingen. Aangezien bepaalde arealen niet aan vergroeningsverplichtingen zijn onderworpen of slechts beperkte kosten voor de naleving van de vergroening meebrengen, moet het de lidstaten verder worden toegestaan te bepalen dat bij de vaststelling van onbillijkheidsgevallen geen rekening wordt gehouden met dergelijke arealen. |
|
(33) |
Indien een landbouwer over betalingsrechten (in eigendom of in pacht) beschikt voor meer subsidiabele hectaren dan die waarover hij beschikt, vervallen krachtens artikel 21, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 de betalingsrechten die niet door subsidiabele hectaren worden gedekt. Omwille van de rechtszekerheid dient te worden verduidelijkt in welke orde van belangrijkheid die betalingsrechten vervallen en moeten verdere voorschriften voor de toepassing ervan worden vastgesteld. Voorts dienen de lidstaten de mogelijkheid te krijgen deze bepaling ook in aanmerking te nemen bij de vaststelling van de waarde van de betalingsrechten. |
|
(34) |
In Verordening (EU) nr. 1307/2013 is bepaald dat de basisbetaling in bepaalde lidstaten uiterlijk tot 2020 ten uitvoer kan worden gelegd in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling. Aangezien de enkele areaalbetaling per hectare elk jaar wordt berekend en het in aanmerking komen voor de basisbetaling een voorwaarde is om toegang te krijgen tot de meeste andere rechtstreeksebetalingsregelingen en dus intrinsiek met deze regelingen is verbonden, moet worden verduidelijkt dat alleen de subsidiabele hectaren die zijn geconstateerd overeenkomstig artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 23, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014, in aanmerking mogen worden genomen voor de toepassing van de betrokken regelingen. |
|
(35) |
Lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen en de basisbetalingsregeling uiterlijk met ingang van 1 januari 2018 toepassen, kunnen de enkele areaalbetaling per hectare differentiëren rekening houdend met bepaalde, voor kalenderjaar 2014 toegekende betalingen. Met het oog op die differentiëring dient te worden gepreciseerd hoe rekening moet worden gehouden met die betalingen en dienen extra criteria te worden vastgesteld om het ontkoppelde karakter van bepaalde regelingen te respecteren. Wanneer landbouwers zijn getroffen door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden met gevolgen voor kalenderjaar 2014, moet de differentiëring worden bepaald op basis van het laatste jaar waarin geen sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Om de administratieve lasten te beperken, moet het de lidstaten evenwel worden toegestaan om een bepaalde drempel ten aanzien van het effect van de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden op de in het referentiejaar ontvangen rechtstreekse steun vast te stellen. Voorts moet omwille van de rechtszekerheid worden voorzien in voorschriften die op feitelijke of verwachte vererving betrekking hebben. |
|
(36) |
In titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn de voorwaarden voor toekenning van de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken (de „vergroeningsbetaling”) vastgesteld. De aan de vergroeningsbetaling verbonden eisen zoals vastgelegd in de basishandeling, worden algemeen toegepast (d.w.z. voor alle begunstigden volgens hetzelfde patroon) en voorzien in niet-contractuele acties, zodat de EU-landbouw als zodanig berust op praktijken die verder gaan dan de randvoorwaarden. Met deze beginselen van de basishandeling moet rekening worden gehouden in de nadere voorschriften voor de vergroeningspraktijken. |
|
(37) |
Teneinde voldoende zekerheid te hebben over de naleving van bij artikel 43, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 opgelegde verplichtingen inzake gelijkwaardige praktijken die onder nationale of regionale certificeringsregelingen vallen, moet worden bepaald volgens welke criteria openbare of particuliere certificeringsinstanties dienen te worden aangewezen. |
|
(38) |
Om het beginsel van geen dubbele financiering in acht te nemen, moet worden vastgesteld hoe de betalingen moeten berekend voor bepaalde specifieke verbintenissen in het kader van praktijken als bedoeld in bijlage IX, afdeling I, punten 3 en 4, en afdeling III, punt 7, bij Verordening (EU) nr. 1307/2013. Aangezien deze verbintenissen betrekking hebben op gelijkwaardige praktijken welke landbouwers die dergelijke verbintenissen aangaan, in staat stellen om aan een of meer verplichtingen te voldoen teneinde de „vergroenings”-betaling als bedoeld in titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, te ontvangen moeten de betalingen voor die verbintenissen, in vergelijking met de normale in artikel 28, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11) bedoelde betaling, worden verlaagd met een bedrag dat wordt berekend op basis van het niveau van de vergroeningsbetaling in de betrokken lidstaat of regio, of, in sommige gevallen, op basis van de individuele vergroeningsbetaling van de landbouwer. |
|
(39) |
In artikel 44 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is bepaald welke verplichtingen met betrekking tot het aantal gewassen en het aandeel van de gewassen op het bouwland in acht moeten worden genomen. Vastgesteld moet worden hoe het aandeel van de verschillende gewassen precies moet worden berekend. |
|
(40) |
Er moeten voorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de periode die voor de berekening van het relatieve aandeel van de gewassen in aanmerking zal worden genomen, waarbij rekening wordt gehouden met de tijdsplanning voor de teelt van de gewassen en met de behoefte aan administratieve eenvoud. |
|
(41) |
Om zowel landbouwers als lidstaten de nodige duidelijkheid te verschaffen en bij te dragen tot de bescherming van op akkers gelegen landschapselementen, dient de situatie van het areaal dat door landschapselementen in beslag wordt genomen, te worden verduidelijkt. |
|
(42) |
Om het aandeel van de verschillende gewassen te berekenen, moeten tevens aanvullende voorschriften worden vastgesteld voor de specifieke gevallen van combinatieteelt in afzonderlijke rijen, onderzaai en het gebruik van zaadmengsels. |
|
(43) |
In artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn verplichtingen vastgesteld met het oog op de instandhouding van arealen blijvend grasland die het meest bijdragen aan de bescherming van het milieu, en met name koolstofvastlegging, biodiversiteit en bodembescherming. Dergelijk grasland, dat bestaat uit gebieden die van groot ecologisch belang zijn, is gelegen in maar ook buiten het Natura 2000-netwerk. Voor dit buiten het netwerk gelegen grasland moet, met het oog op een doeltreffende bescherming ervan, voor de lidstaten een kader voor de aanwijzing ervan worden vastgesteld dat hun de mogelijkheid moet bieden met de nationale omstandigheden rekening te houden en dat op de synergie met bestaande milieubeleidslijnen moet voortbouwen. |
|
(44) |
Om dergelijke arealen blijvend grasland door de jaren heen te beschermen, moeten voorschriften voor de omzetting van dergelijke arealen worden vastgesteld voor gevallen waarin de landbouwer een inbreuk pleegt op de strikte beschermingsregels. |
|
(45) |
Artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet in de bescherming van het aandeel blijvend grasland in het totale landbouwareaal. Daartoe moeten de lidstaten de ontwikkeling van het aandeel blijvend grasland monitoren. In dit verband moet het hun worden toegestaan een systeem van voorafgaande toestemming vast te stellen. Ingeval de afname meer dan 5 % bedraagt, moeten individuele heromzettingen en een verbod op verdere omzettingen worden opgelegd. Omwille van de duidelijkheid en een evenredige tenuitvoerlegging moeten voorschriften worden vastgesteld betreffende de landbouwers en arealen waarop de bepalingen inzake toestemming en heromzetting van toepassing zijn. |
|
(46) |
Met het oog op een efficiënt gebruik van de toestemmingsprocedure voor de omzetting van blijvend grasland, moet de lidstaten voldoende flexibiliteit worden geboden om prioritaire arealen of groepen landbouwers te selecteren waarvoor deze toestemming op basis van objectieve criteria wordt verleend. |
|
(47) |
Vastgesteld moet worden aan de hand van welke methode het aandeel blijvend grasland in het totale landbouwareaal moet worden bepaald, teneinde te voorkomen dat arealen blijvend grasland vanwege de lange rotatietijd van het grasland dubbel worden geteld en te voorkomen dat de omzettingen door kleine en biologische landbouwers, die zijn vrijgesteld van heromzettingsverplichtingen, een rechtstreeks effect hebben op de heromzettingsverplichting waaraan andere landbouwers moeten voldoen. Het moet de lidstaten worden toegestaan om hun referentieaandeel in naar behoren gemotiveerde gevallen aan te passen. |
|
(48) |
In artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden de elementen en arealen opgesomd die de lidstaten als ecologische aandachtsgebieden kunnen beschouwen. Er moeten aanvullende criteria worden vastgesteld waaraan deze elementen en gebieden moeten voldoen om als ecologisch aandachtsgebied te worden bestempeld. Om de biodiversiteitsdoelstelling te halen, moeten deze criteria de instandhouding en de verbetering van de biodiversiteit op landbouwbedrijven waarborgen. De reeds door landbouwers geleverde inspanningen dienen in het kader van deze criteria in aanmerking te worden genomen. |
|
(49) |
Het productieverbod dat op braakliggend land van toepassing is en in een beperking van het gebruik van gewasbestrijdingsmiddelen en meststoffen resulteert, mag niet verhinderen dat vrijwillige maatregelen, zoals de inzaai van wildebloemenzaadmengsels, worden genomen om de biodiversiteitsvoordelen te vergroten. Verduidelijkt moet worden dat land dat meer dan vijf jaar als ecologisch aandachtsgebied braak ligt, bouwland blijft en niet onder de definitie van blijvend grasland valt. |
|
(50) |
Aangezien terrassen in de Unie op uiteenlopende manieren worden aangelegd, dient het aan de lidstaten te worden overgelaten nadere voorwaarden vast te stellen op basis van specifieke nationale of regionale kenmerken waarbij rekening wordt gehouden met het belang ervan voor de biodiversiteit. |
|
(51) |
Omwille van de duidelijkheid moeten landschapselementen die als ecologisch aandachtsgebied worden aangemerkt, op een lijst worden opgenomen en moet de relatie met elementen die in de lidstaten al in het kader van de randvoorwaarden worden beschermd, worden verduidelijkt. Om bepaalde elementen te helpen identificeren en om te helpen waarborgen dat het areaal overwegend agrarisch is, moet voor dergelijke elementen een minimum- of een maximumomvang worden bepaald. |
|
(52) |
Bufferstroken dicht bij langs waterlopen gelegen akkerranden of op hoger op een helling gelegen velden verminderen de inspoeling van verontreinigende stoffen in het oppervlaktewater. Met het oog op biodiversiteitsvoordelen moet, mede om de toepassing van gewasbestrijdingsmiddelen te voorkomen en de toepassing van meststoffen te beperken, worden bepaald dat alle als ecologisch aandachtsgebied aangemerkte arealen niet voor productie mogen worden gebruikt. Om de biodiversiteit verder te bevorderen, mogen vrijwillige acties, zoals de inzaai van wildebloemenzaadmengsels, niet worden uitgesloten. De lidstaten moeten ook kunnen beslissen of bufferstroken mogen worden begraasd en voor vervoederingsdoeleinden mogen worden gemaaid. |
|
(53) |
Wat hectaren onder boslandbouw betreft, moet worden verduidelijkt dat de in aanmerking te nemen arealen de arealen bouwland zijn die gelegen zijn in een gebied met een boslandbouwsysteem dat nog steeds voldoet aan de voorwaarden op grond waarvan voor dit areaal plattelandsontwikkelingsbijstand wordt of is verleend. lidstaten die deze arealen selecteren om aan de verplichting tot het hebben van ecologisch aandachtsgebied te voldoen, moeten de biodiversiteitsdoelstelling in aanmerking nemen bij het vaststellen van aanvullende voorwaarden om bijstand voor de invoering van boslandbouwsystemen te ontvangen in het kader van hun plattelandsontwikkelingsprogramma’s. |
|
(54) |
Wat stroken subsidiabele hectaren langs bosranden betreft, dient het aan de lidstaten te worden overgelaten daar al dan niet een teeltverbod op te leggen om te voorkomen dat productiemiddelen worden gebruikt op een bepaalde aan het bos grenzende bufferstrook. Een dergelijke eis zou een hoogwaardiger ecologisch aandachtsgebied opleveren, wat op zijn beurt tot uiting moet komen in een gedifferentieerde waarde voor de wegingsfactor voor deze soort arealen. |
|
(55) |
Het beperkte gebruik van productiemiddelen die nodig zijn voor de teelt van hakhout met korte omlooptijd, brengt indirecte voordelen voor de biodiversiteit mee. In dit verband moeten de lidstaten bepalen welke voorwaarden op deze soort ecologisch aandachtsgebied van toepassing zijn, en daartoe een lijst van boomsoorten die in dit verband mogen worden gebruikt, alsmede de voorschriften voor het gebruik van productiemiddelen vaststellen. |
|
(56) |
Teneinde de tenuitvoerlegging af te stemmen op de nationale omstandigheden, teneinde de capaciteit van vanggewassen en groenbedekking om stikstofresiduen doeltreffend te absorberen optimaal te benutten en teneinde zowel kale grond als diffuse verontreiniging van het grondwater te voorkomen, moeten de lidstaten de data voor de inzaai van deze soorten bedekking bepalen. Om het effect op de biodiversiteit in landbouw en milieu te optimaliseren, moet voor de vanggewassen en de groenbedekking een mengsel van gewassoorten worden ingezaaid of gras worden ondergezaaid. De lidstaten kunnen binnen het toepassingsgebied van GLMC 4 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, bepalen na welke data een mechanische vernietiging van de vanggewassen en de groenbedekking is toegestaan. |
|
(57) |
Voor arealen met stikstofbindende gewassen moeten de lidstaten voorschriften vaststellen om te voorkomen dat als gevolg van de teelt van dergelijke gewassen in ecologische aandachtsgebieden meer stikstof uitspoelt en de waterkwaliteit achteruitgaat; dit zou immers indruisen tegen de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad (12) en Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (13) en zou de biodiversiteitsdoelstelling in gevaar brengen. De lidstaten moeten ook een lijst vaststellen waarin de stikstofbindende gewassen worden vermeld waarvan wordt aangenomen dat ze tot een verbetering van de biodiversiteit leiden. |
|
(58) |
Om zo veel mogelijk voordeel te halen uit de aanwezigheid van ecologische aandachtsgebieden op bouwland en om te waarborgen dat de ecologische aandachtsgebieden het in artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde percentage innemen, moet in het belang van efficiënt beheer duidelijk worden bepaald dat een perceel of een landschapselement niet twee keer in een jaar mag worden meegerekend om te voldoen aan de verplichting tot het hebben van ecologisch aandachtsgebied. |
|
(59) |
Krachtens artikel 46, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kunnen de lidstaten maximaal 50 % van de verplichting tot het hebben van individueel ecologisch aandachtsgebied op regionaal niveau ten uitvoer te leggen. Om ervoor te zorgen dat deze regionale tenuitvoerlegging extra voordelen voor het milieu en het landschap met zich brengt en aan de uitvoering van de strategie voor groene infrastructuur (14) bijdraagt, moeten regels worden ingevoerd met betrekking tot de elementen die mogen worden gebruikt om aangrenzende ecologisch aandachtsgebieden te vormen. Tevens moeten voor de aanwijzing van arealen regels worden vastgesteld die ervoor zorgen dat synergie tussen de tenuitvoerlegging van het landbouw- en het milieubeleid van de Unie ontstaat. |
|
(60) |
Met het oog op het besluit van de lidstaten om de landbouwers in de gelegenheid te stellen de helft van de verplichting tot het hebben van individueel ecologisch aandachtsgebied collectief ten uitvoer te leggen als bedoeld in artikel 46, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, moeten met betrekking tot de elementen die mogen worden gebruikt om aangrenzende ecologische aandachtsgebieden te vormen en zo een toegevoegde waarde voor het milieu te waarborgen en de groene infrastructuur te versterken, regels worden ingevoerd die vergelijkbaar zijn met die inzake de regionale tenuitvoerlegging. In de voorschriften inzake de criteria waaraan de landbouwers moeten voldoen, moet worden bepaald dat hun bedrijven zich in elkaars onmiddellijke nabijheid moeten bevinden, terwijl de lidstaten voldoende flexibiliteit moet worden geboden om rekening te houden met verschillende administratieve structuren. Omwille van de juridische duidelijkheid moet de inhoud van de tussen de deelnemers te sluiten schriftelijke overeenkomst worden gepreciseerd teneinde de rechten en plichten van alle partijen vast te leggen. |
|
(61) |
Wat de mogelijkheid voor bepaalde lidstaten betreft om landbouwers in sterk beboste gebieden vrij te stellen van de verplichting tot het hebben van ecologisch aandachtsgebied, dient aan de hand van regels duidelijkheid te worden verschaft over de methoden en data die moeten worden gebruikt voor de berekening van de verhouding bos/totale landoppervlakte en bos/landbouwgrond. |
|
(62) |
Bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn de voorwaarden vastgesteld om in aanmerking te komen voor de betaling voor jonge landbouwers. De betaling wordt met name slechts toegekend aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen of die zich al op zo’n bedrijf hebben gevestigd in de periode van vijf jaar voorafgaande aan de eerste indiening van een aanvraag voor de betaling, en die niet ouder zijn dan 40 jaar in het jaar van de eerste indiening van een aanvraag voor de betaling. In het geval van rechtspersonen moet worden bepaald dat aan deze voorwaarden moet worden voldaan door alle natuurlijke personen die een daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over de rechtspersoon als omschreven door het Hof van Justitie van de Europese Unie (15), uitoefenen. Voorts moet worden verduidelijkt aan welke voorwaarden de rechtspersoon en de natuurlijke persoon/personen die zeggenschap over deze rechtspersoon heeft/hebben, moeten voldoen. |
|
(63) |
Om te voorkomen dat de regels ten aanzien van de betaling voor jonge landbouwers worden omzeild, moet worden bepaald dat een rechtspersoon de betaling slechts ontvangt zolang ten minste een van de natuurlijke personen die in het eerste jaar van aanvraag van de betaling in het kader van de regeling zeggenschap over de rechtspersoon hebben, deze zeggenschap behoudt. Om de in artikel 50, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde maximumperiode voor toekenning van de betaling te bepalen, moeten voorschriften worden vastgesteld voor gevallen waarin meer dan een natuurlijke persoon zeggenschap over een rechtspersoon heeft. |
|
(64) |
Om discriminatie te voorkomen tussen een rechtspersoon en een groep natuurlijke personen die beide een aanvraag voor de regeling voor jonge landbouwers indienen, moeten voor een in artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde groep natuurlijke personen gelijkwaardige voorschriften gelden wanneer de aanvragen voor de basisbetaling en de regeling voor jonge landbouwers worden gedaan door die groep en niet door de afzonderlijke leden daarvan. |
|
(65) |
Op grond van titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kan vrijwillige gekoppelde steun aan landbouwers worden verleend. Er moeten voorwaarden voor de verlening van de in dat hoofdstuk bedoelde steun worden vastgesteld. |
|
(66) |
Overeenkomstig artikel 52, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 mag gekoppelde steun alleen worden verleend in die sectoren of in die regio’s van een lidstaat waar specifieke soorten landbouw of specifieke landbouwsectoren die om economische en/of sociale en/of ecologische redenen van groot belang zijn, bepaalde moeilijkheden ondervinden. Bovendien mag vrijwillige gekoppelde steun overeenkomstig artikel 52, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 alleen worden verleend voor zover dat noodzakelijk is als stimulans om de huidige productie in de betrokken regio’s of sectoren op peil te houden. Vrijwillige gekoppelde steun dient te worden verleend in de vorm van een jaarlijkse betaling, binnen afgebakende kwantitatieve grenzen en op basis van bepaalde arealen en opbrengsten of een bepaald aantal dieren. Om ervoor te zorgen dat maatregelen waarvoor vrijwillige gekoppelde steun wordt verleend, goed worden gericht en beheerd en de lidstaten de mogelijkheid hebben de vrijwillige gekoppelde steun conform hun eigen behoeften te ontwerpen, moet aan de lidstaten de taak worden toegewezen de subsidiabele regio’s en/of soorten landbouw vast te stellen, alsmede de kwantitatieve grenzen en het adequate steunniveau. Teneinde verstoring van de markt te voorkomen, mogen de betalingen evenwel niet gebaseerd zijn op schommelingen van de marktprijzen en niet gelijk te stellen zijn met een systeem van compenserende betalingen waarbij de lidstaten de landbouwers nationale landbouwsteun betalen op basis van het verschil tussen een richtprijs en de prijs op de binnenlandse markt. |
|
(67) |
Op grond van het memorandum van overeenstemming betreffende oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de GATT (16) moet een afzonderlijk basisareaal worden vastgesteld voor producenten die betalingen voor oliehoudende zaden als genoemd in de bijlage bij dit memorandum, ontvangen. Aangezien oliehoudende zaden zijn opgenomen in de lijst sectoren en teelten die voor vrijwillige gekoppelde steun in aanmerking komen, dient in deze steunregeling een maximumareaal op Unieniveau voor de in dat memorandum genoemde oliehoudende zaden te worden vastgesteld ter nakoming van deze internationale verbintenis. Bij overschrijding van dit maximumareaal moeten de lidstaten het gemelde areaal aanpassen middels een verlagingscoëfficiënt die de Commissie berekent en aan de lidstaten meedeelt. |
|
(68) |
Overeenkomstig artikel 52, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet de op grond van dat artikel verleende vrijwillige gekoppelde steun verenigbaar zijn met andere uniale steunmaatregelen of uit staatssteun gefinancierde maatregelen. Om de regelingen goed te beheren en dubbele financiering te voorkomen, mogen soortgelijke maatregelen niet uit zowel de regeling voor vrijwillige gekoppelde steun als andere EU-steunregelingen worden gefinancierd. Gezien de verschillende keuzes die de lidstaten bij de tenuitvoerlegging van de vrijwillige gekoppelde steun hebben, dienen de lidstaten voor een dergelijke consistentie in het overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgelegde kader en de overeenkomstig de onderhavige verordening vastgestelde voorwaarden te zorgen. |
|
(69) |
Krachtens artikel 55, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet de Commissie het in artikel 53, lid 4, of in voorkomend geval in artikel 53, lid 6, onder a), van die verordening bedoelde besluit goedkeuren wanneer voor de betrokken regio of sector een bepaalde behoefte wordt aangetoond. Om een correcte toepassing van dat artikel te waarborgen, moeten de criteria worden gespecificeerd die op die behoeften van toepassing zijn. |
|
(70) |
Titel IV, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet in een gewasspecifieke betaling voor katoen. De Commissie dient met het oog op de toekenning van deze betaling de voorschriften en voorwaarden voor het verlenen van een vergunning voor landbouwgrond en rassen vast te stellen. Bovendien moeten voorschriften inzake de subsidiabiliteitseisen worden vastgesteld. Een objectieve eis is dat de grond wordt ingezaaid met het oog op een minimale gewasdichtheid die door de lidstaten wordt vastgesteld op basis van de bodem- en klimaatgesteldheid en specifieke regionale kenmerken. De vaststelling van specifieke voorschriften inzake agronomische praktijken dient aan de lidstaten te worden overgelaten. |
|
(71) |
De lidstaten moeten brancheorganisaties voor de productie van katoen erkennen op basis van objectieve criteria met betrekking tot de omvang en de interne werking van die organisaties. Bij de vaststelling van de omvang van een brancheorganisatie moet rekening worden gehouden met de eis dat elk bij die brancheorganisatie aangesloten egreneringsbedrijf toereikende hoeveelheden niet-geëgreneerde katoen in ontvangst moet kunnen nemen. |
|
(72) |
Om het beheer van de steunregeling niet te ingewikkeld te maken, mag een producent bij niet meer dan een brancheorganisatie zijn aangesloten. Om dezelfde reden mag een tot een brancheorganisatie behorende producent die zich ertoe verbindt de door hem geproduceerde katoen te leveren, deze katoen alleen leveren aan een bij diezelfde organisatie aangesloten egreneringsbedrijf. |
|
(73) |
Om de correcte toepassing van de voorschriften van Verordening (EU) nr. 1307/2013 te monitoren en de tenuitvoerlegging van het beleid te evalueren, moeten aan de lidstaten bepaalde meldingsverplichtingen worden opgelegd, die met name betrekking hebben op de informatie over de besluiten die de lidstaten overeenkomstig de titels II tot en met V van die verordening hebben genomen. |
|
(74) |
Meer bepaald moet ten aanzien van de vrijwillige gekoppelde steun nader worden gespecificeerd welke informatie de lidstaten moeten melden teneinde een correcte toepassing van de voorschriften inzake die steun, alsmede de doelmatigheid van deze meldingen te waarborgen, zodat de Commissie kan nagaan of de lidstaten de eisen inzake consistentie en niet-cumulatie van de steun, alsmede de in artikel 53 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde maximumpercentages van de nationale maxima en de betrokken totale bedragen bij het ontwerpen van de steunmaatregelen in acht nemen. |
|
(75) |
De lidstaten kunnen onder bepaalde voorwaarden besluiten nationale steun te verlenen. Om na te gaan of deze steun binnen de vastgestelde grenzen wordt verleend, moeten de betrokken lidstaten ertoe worden verplicht jaarlijks aan de Commissie verslag uit te brengen over bepaalde aspecten van de verleende steun. |
|
(76) |
Besluiten die voortvloeien uit een herziening van besluiten die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 of de onderhavige verordening aan de Commissie zijn gemeld, dienen in voorkomend geval aan de Commissie te worden gemeld om haar in staat te stellen de correcte toepassing en de gevolgen van de herziening in kwestie te monitoren. Bijgevolg moeten voorschriften inzake de meldingsverplichtingen in dit verband worden vastgesteld. |
|
(77) |
In de tabel in bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 moeten de in artikel 46, lid 3, van die verordening bedoelde omzettings- en wegingsfactoren voor de verschillende soorten ecologische aandachtsgebieden worden opgenomen. Bij de vaststelling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is die tabel leeg gelaten. De betrokken bijlage moet derhalve worden aangepast. De omzettingsfactoren moeten worden gebaseerd op de ervaring die met de meting en de specifieke kenmerken van de elementen is opgedaan. De wegingsfactoren moeten bestaan uit drie verschillende waarden, conform het verschil in belang voor de biodiversiteit. Bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. Voor de berekening van het ecologische aandachtsgebied moeten de omzettings- en wegingsfactoren ook van toepassing zijn op elementen die onder de gelijkwaardige praktijken vallen, voor zover deze met de in die bijlage genoemde elementen overeenkomen. |
|
(78) |
Omwille van de duidelijkheid en de rechtszekerheid moeten de Verordeningen (EG) nr. 1120/2009 en (EG) nr. 1121/2009 worden ingetrokken. |
|
(79) |
Deze verordening moet van toepassing zijn op steunaanvragen die betrekking hebben op de kalenderjaren na kalenderjaar 2014, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1
TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE BEPALINGEN
AFDELING 1
Toepassingsgebied en algemene beginselen
Artikel 1
Toepassingsgebied
In deze verordening worden bepalingen vastgesteld die tot aanvulling van een aantal niet-essentiële onderdelen van Verordening (EU) nr. 1307/2013 strekken en betrekking hebben op:
|
a) |
algemene bepalingen inzake rechtstreekse betalingen; |
|
b) |
de basisbetalingsregeling; |
|
c) |
de regeling inzake een enkele areaalbetaling; |
|
d) |
de betaling voor landbouwers die klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen; |
|
e) |
de betaling voor jonge landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen; |
|
f) |
vrijwillige gekoppelde steun; |
|
g) |
de gewasspecifieke betaling voor katoen; |
|
h) |
meldingsverplichtingen voor de lidstaten. |
Artikel 2
Algemene beginselen
1. De lidstaten leggen deze verordening ten uitvoer op basis van objectieve criteria, en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden en een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie wordt bevorderd.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat alle steunvoorwaarden die in het kader van deze verordening worden toegepast, verifieerbaar en controleerbaar zijn.
3. De lidstaten leggen deze verordening als volgt ten uitvoer:
|
a) |
voor andere steun dan gekoppelde steun wordt voldaan aan de eisen van bijlage 2, punten 1, 5 en 6, bij de overeenkomst inzake de landbouw, en |
|
b) |
voor gekoppelde steun wordt voldaan aan artikel 6, lid 5, van de overeenkomst inzake de landbouw. |
Artikel 3
Verlagingen in verband met de financiële discipline
De verlagingen in verband met de financiële discipline waarin artikel 8 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet, worden toegepast op de som van de betalingen waarop elke landbouwer op grond van de verschillende in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 opgelijste steunregelingen recht heeft na toepassing, uit hoofde van titel II, hoofdstuk IV, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014, van de intrekkingen en administratieve sancties in het kader van de rechtstreekse betalingen en vóór toepassing, uit hoofde van titel IV, hoofdstuk II, van die gedelegeerde verordening, van de administratieve sancties in het kader van de randvoorwaarden.
AFDELING 2
Bepalingen inzake een aantal definities in Verordening (EU) nr. 1307/2013
Artikel 4
Kader voor criteria om het landbouwareaal in een voor begrazing of teelt geschikte staat te houden
1. Voor de toepassing van artikel 4, lid 1, onder c), ii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 stellen de lidstaten op een of beide van de volgende wijzen de criteria vast die landbouwers in acht moeten nemen om te voldoen aan de verplichting hun landbouwareaal in een voor begrazing of teelt geschikte staat te houden zonder dat daarvoor voorbereidende activiteiten nodig zijn die meer vergen dan de gebruikelijke landbouwmethoden en -machines:
|
a) |
de lidstaten verplichten de landbouwer tot ten minste een activiteit per jaar. Waar dat om milieuredenen gerechtvaardigd is, kunnen de lidstaten besluiten ook activiteiten goed te keuren die slechts om de twee jaar worden verricht; |
|
b) |
de lidstaten bepalen welke kenmerken een landbouwareaal moet vertonen om te worden aangemerkt als een areaal dat zich in een voor begrazing of teelt geschikte staat bevindt. |
2. De lidstaten kunnen bij de vaststelling van de in lid 1 bedoelde criteria een onderscheid maken tussen verschillende soorten landbouwareaal.
Artikel 5
Kader voor minimumactiviteiten op landbouwarealen die op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat worden gehouden
Voor de toepassing van artikel 4, lid 1, onder c), iii, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bestaat de door de lidstaten te omschrijven minimumactiviteit op landbouwarealen die op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat worden gehouden, uit ten minste een jaarlijks door de landbouwer te verrichten activiteit. Waar dat om milieuredenen gerechtvaardigd is, kunnen de lidstaten besluiten ook activiteiten goed te keuren die slechts om de twee jaar worden verricht.
Artikel 6
Overheersen van grassen en andere kruidachtige voedergewassen op blijvend grasland
Voor de toepassing van artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden grassen en andere kruidachtige voedergewassen als overheersend beschouwd als zij meer dan 50 % van het subsidiabele areaal innemen op het niveau van het landbouwperceel in de zin van artikel 67, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013.
Artikel 7
Gangbare plaatselijke praktijken op blijvend grasland
Voor de toepassing van artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden als gangbare plaatselijke praktijken beschouwd:
|
a) |
traditionele praktijken die algemeen worden toegepast op voor begrazing door vee bestemde arealen, en/of |
|
b) |
praktijken die belangrijk zijn voor de instandhouding van habitats welke zijn opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (17), en voor de instandhouding van biotopen en habitats in het kader van Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (18). |
Artikel 8
Verlagingscoëfficiënt als bedoeld in artikel 32, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
Bij de toepassing van artikel 32, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 op begraasbaar blijvend grasland dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken en waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in de graasgebieden, kunnen de lidstaten een onderscheid maken tussen verschillende categorieën arealen zodat op elke categorie een andere verlagingscoëfficiënt kan worden toegepast.
Artikel 9
Productie van hennep
Voor de toepassing van artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn voor de productie van hennep gebruikte arealen slechts subsidiabel indien zij zijn ingezaaid met zaad van de rassen uit de overeenkomstig artikel 17 van Richtlijn 2002/53/EG van de Raad (19) gepubliceerde gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen die geldt op 15 maart van het jaar waarvoor de betaling wordt toegekend. Het zaad moet zijn gecertificeerd overeenkomstig Richtlijn 2002/57/EG van de Raad (20).
AFDELING 3
Actieve landbouwer
Artikel 10
Gevallen waarin landbouwarealen voornamelijk bestaan uit op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat gehouden arealen
1. Voor de toepassing van artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt ervan uitgegaan dat natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen over landbouwarealen beschikken die voornamelijk bestaan uit op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat gehouden arealen, indien deze arealen meer dan 50 % vertegenwoordigen van het totale landbouwareaal dat overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 is aangegeven.
2. Artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is niet van toepassing op natuurlijke personen of rechtspersonen dan wel groepen natuurlijke personen of rechtspersonen die een landbouwactiviteit in de zin van artikel 4, lid 1, onder c), i), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 verrichten op arealen die op natuurlijke wijze in een voor begrazing of teelt geschikte staat worden gehouden.
Artikel 11
Inkomsten uit niet-landbouwactiviteiten
1. Voor de toepassing van artikel 9, lid 2, derde alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en, in voorkomend geval, van artikel 13 van de onderhavige verordening worden als inkomsten uit landbouwactiviteiten beschouwd de inkomsten van een landbouwer die afkomstig zijn uit de in artikel 4, lid 1, onder c), van die verordening omschreven landbouwactiviteit die hij op zijn bedrijf verricht, met inbegrip van Uniesteun in het kader van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo), alsmede voor landbouwactiviteiten verleende nationale steun, met uitzondering van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen overeenkomstig de artikelen 18 en 19 van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
Inkomsten uit de verwerking van in artikel 4, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 omschreven landbouwproducten van het bedrijf worden als inkomsten uit landbouwactiviteiten beschouwd op voorwaarde dat de verwerkte producten eigendom van de landbouwer blijven en de verwerking een ander in artikel 4, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 omschreven landbouwproduct oplevert.
Andere inkomsten worden beschouwd als inkomsten uit niet-landbouwactiviteiten.
2. Voor de toepassing van lid 1 wordt onder „inkomsten” verstaan bruto-inkomsten vóór aftrek van daarmee verband houdende kosten en belastingen.
3. De lid 1 bedoelde Uniesteun wordt voor de volgende landen als volgt berekend:
|
a) |
voor Bulgarije en Roemenië, met betrekking tot 2015, op basis van het relevante, in bijlage V, onder A, bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde bedrag; |
|
b) |
voor Kroatië, met betrekking tot elk in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoeld jaar, op basis van het in bijlage VI, onder A, bij die verordening vermelde bedrag. |
Artikel 12
Bedrag aan rechtstreekse betalingen als bedoeld in artikel 9, leden 2 en 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en in artikel 13, lid 2, van de onderhavige verordening
1. Het in artikel 9, lid 2, derde alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en, in voorkomend geval, in artikel 13, lid 2, van de onderhavige verordening bedoelde jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen van een landbouwer is het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen waarop de landbouwer overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 recht had in het meest recente belastingjaar waarvoor bewijs van inkomsten uit niet-landbouwactiviteiten beschikbaar is. Bij de berekening van dit bedrag wordt geen rekening gehouden met de toepassing van artikel 63 en artikel 91, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013.
Wanneer het in de eerste alinea bedoelde meest recente belastingjaar het jaar 2014 of een jaar daarvoor is, is het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen waarop de landbouwer overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 recht had vóór toepassing van de verlagingen en uitsluitingen waarin de artikelen 21 en 23 van die verordening voorzien.
2. Wanneer een landbouwer voor het in lid 1, eerste alinea, bedoelde meest recente belastingjaar geen steunaanvraag voor rechtstreekse betalingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 heeft ingediend, bepaalt de betrokken lidstaat het in lid 1, eerste alinea, bedoelde totale jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen door het aantal subsidiabele hectaren dat die landbouwer voor het jaar van indiening van de steunaanvraag overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven, te vermenigvuldigen met de nationale gemiddelde rechtstreekse steunbetaling per hectare voor het in lid 1, eerste alinea, bedoelde jaar.
De in de eerste alinea bedoelde nationale gemiddelde rechtstreekse steunbetaling per hectare wordt bepaald door het in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 opgenomen nationale maximum voor dat jaar te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat in die lidstaat overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 voor dat jaar is aangegeven.
Wanneer het in lid 1, eerste alinea, bedoelde jaar het jaar 2014 of een jaar daarvoor is, wordt de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde nationale gemiddelde rechtstreekse steunbetaling per hectare bepaald door het in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 73/2009 opgenomen nationale maximum voor dat jaar te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat in die lidstaat overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 73/2009 voor dat jaar is aangegeven.
3. Het in artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde bedrag aan rechtstreekse betalingen is het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen waarop de landbouwer overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 recht had vóór toepassing van artikel 63 en artikel 91, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 voor het voorgaande jaar.
Wanneer het in de eerste alinea bedoelde jaar het jaar 2014 is, is het bedrag aan rechtstreekse betalingen het totale bedrag aan rechtstreekse betalingen voor het jaar 2014 waarop de landbouwer overeenkomstig Verordening (EG) nr. 73/2009 recht had vóór toepassing van de verlagingen en uitsluitingen waarin de artikelen 21 en 23 van die verordening voorzien.
4. Wanneer een landbouwer voor het in lid 3, eerste alinea, bedoelde voorgaande jaar geen steunaanvraag voor rechtstreekse betalingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 heeft ingediend, bepaalt de betrokken lidstaat het in lid 3, eerste alinea, bedoelde totale jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen door het aantal subsidiabele hectaren dat die landbouwer voor het jaar van indiening van de steunaanvraag overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven, te vermenigvuldigen met de nationale gemiddelde rechtstreekse steunbetaling per hectare voor het voorgaande jaar.
De in de eerste alinea bedoelde nationale gemiddelde rechtstreekse steunbetaling per hectare wordt bepaald door het in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 opgenomen nationale maximum voor dat jaar te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat in die lidstaat overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 voor dat jaar is aangegeven.
Wanneer het in lid 3, eerste alinea, bedoelde voorgaande jaar het jaar 2014 is, bepaalt de betrokken lidstaat het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen van die landbouwer door het aantal subsidiabele hectaren dat die landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 voor 2015 heeft aangegeven, te vermenigvuldigen met de nationale gemiddelde rechtstreekse steunbetaling per hectare voor 2014.
De nationale gemiddelde rechtstreekse steunbetaling per hectare voor 2014 wordt bepaald door het in bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 73/2009 opgenomen nationale maximum voor 2014 te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat in die lidstaat overeenkomstig artikel 19, lid 1, onder a), van die verordening is aangegeven voor 2014.
5. Het in de leden 1 en 2 bedoelde totale bedrag aan rechtstreekse betalingen wordt voor de volgende landen als volgt berekend:
|
a) |
voor Bulgarije en Roemenië, met betrekking tot 2015, op basis van het relevante, in bijlage V, onder A, bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde bedrag; |
|
b) |
voor Kroatië, met betrekking tot elk in artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoeld jaar, op basis van het in bijlage VI, onder A, bij die verordening vermelde bedrag. |
Artikel 13
Criteria op basis waarvan kan worden aangetoond dat landbouwactiviteiten niet onaanzienlijk zijn en dat het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel de uitoefening van een landbouwactiviteit is
1. Voor de toepassing van artikel 9, lid 2, derde alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn landbouwactiviteiten niet onaanzienlijk indien de totale inkomsten uit landbouwactiviteiten in de zin van artikel 11 van de onderhavige verordening in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is, ten minste een derde bedragen van de totale inkomsten in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is.
De lidstaten kunnen besluiten om de drempel voor de totale inkomsten uit landbouwactiviteiten vast te stellen op een niveau dat lager is dan een derde, mits zo’n lagere drempel niet tot gevolg heeft dat natuurlijke personen of rechtspersonen die slechts marginale landbouwactiviteiten uitoefenen, als actieve landbouwers worden aangemerkt.
In afwijking van de eerste en de tweede alinea kunnen de lidstaten alternatieve criteria vaststellen op basis waarvan een entiteit kan aantonen dat haar landbouwactiviteiten niet onaanzienlijk zijn in de zin van artikel 9, lid 2, derde alinea, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
2. Voor de toepassing van artikel 9, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kunnen de lidstaten op basis van de volgende situaties bepalen dat landbouwactiviteiten slechts een onaanzienlijk deel van de totale economische activiteiten van een natuurlijke persoon of rechtspersoon dan wel een groep natuurlijke personen of rechtspersonen vormen:
|
a) |
het jaarlijkse bedrag aan rechtstreekse betalingen maakt minder dan 5 % uit van de totale in artikel 11 van de onderhavige verordening bedoelde inkomsten uit niet-landbouwactiviteiten in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is; |
|
b) |
het totale bedrag van de in artikel 11 van de onderhavige verordening bedoelde inkomsten uit landbouwactiviteiten in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is, is lager dan een door de lidstaten vast te stellen drempel en niet hoger dan een derde van het totale bedrag aan inkomsten in het meest recente belastingjaar waarvoor dergelijk bewijs beschikbaar is. |
In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten alternatieve criteria vaststellen op basis waarvan landbouwactiviteiten als onaanzienlijk in de zin van artikel 9, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moeten worden aangemerkt.
3. Voor de toepassing van artikel 9, lid 2, derde alinea, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en, in voorkomend geval, van artikel 9, lid 3, onder b), van die verordening wordt een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een rechtspersoon aangemerkt indien deze activiteit als voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel is geregistreerd in het officiële bedrijvenregister of een gelijkwaardig officieel bewijsstuk van een lidstaat. Voor natuurlijke personen is een gelijkwaardig bewijsstuk vereist.
Bij gebrek aan dergelijke registers maakt een lidstaat gebruik van een gelijkwaardig bewijsstuk.
In afwijking van de eerste en de tweede alinea kunnen de lidstaten alternatieve criteria vaststellen op basis waarvan een landbouwactiviteit als het voornaamste bedrijfs- of ondernemingsdoel van een natuurlijke persoon of een rechtspersoon in de zin van artikel 9, lid 2, derde alinea, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en, in voorkomend geval, van artikel 9, lid 3, onder b), van die verordening moet worden aangemerkt.
HOOFDSTUK 2
BASISBETALINGSREGELING EN REGELING INZAKE EEN ENKELE AREAALBETALING
AFDELING 1
Regels voor de tenuitvoerlegging van de basisbetalingsregeling, als bedoeld in titel III, hoofdstuk 1, afdelingen 1, 2, 3 en 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
Artikel 14
Vererving, wijzigingen in juridische status of benaming, fusies en splitsingen
1. Landbouwers die het bedrijf geheel of gedeeltelijk in bezit hebben gekregen ten gevolge van feitelijke of verwachte vererving, kunnen in eigen naam onder dezelfde voorwaarden als die welke golden voor de landbouwer die het bedrijf oorspronkelijk beheerde, aanspraak maken op het aantal en de waarde van de betalingsrechten die voor het geheel of gedeeltelijk in bezit gekregen bedrijf moeten worden toegewezen.
Bij herroepbare verwachte vererving kunnen de betalingsrechten uitsluitend worden toegewezen aan de erfgenaam die als dusdanig is aangewezen op de in artikel 24, lid 1, of artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde datum.
2. Een wijziging van de benaming heeft geen invloed op het aantal en de waarde van de toe te wijzen betalingsrechten.
Een wijziging in juridische status heeft geen invloed op het aantal en de waarde van de toe te wijzen betalingsrechten, indien de landbouwer die op het gebied van beheer, voordelen en financiële risico’s zeggenschap had over het oorspronkelijke bedrijf, ook het nieuwe bedrijf beheert.
3. Een fusie of een splitsing heeft geen invloed op het aantal en de waarde van de aan het bedrijf/de bedrijven toe te wijzen betalingsrechten.
Bij een splitsing wordt in een lidstaat die artikel 24, lid 4 of lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepast, het aantal betalingsrechten dat moet worden toegewezen aan elk bedrijf dat door de splitsing ontstaat, vastgesteld door het aantal subsidiabele hectaren waarover het desbetreffende nieuwe bedrijf beschikt, te vermenigvuldigen met de gemiddelde verlaging van het aantal rechten die uit hoofde van artikel 24, lid 4 of lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voor het oorspronkelijke bedrijf zou hebben gegolden.
Voor de toepassing van dit lid wordt verstaan onder:
a) „fusie”: de fusie van twee of meer afzonderlijke landbouwers in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 tot een nieuwe landbouwer in de zin van dat artikel, waarover de landbouwers die de bedrijven oorspronkelijk beheerden, of een van hen, zeggenschap hebben op het gebied van beheer, voordelen en financiële risico’s;
b) „splitsing”: de splitsing van een landbouwer in de zin van artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 in:
|
i) |
ten minste twee nieuwe afzonderlijke landbouwers in de zin van het genoemde artikel, waarbij ten minste een van de natuurlijke personen of rechtspersonen die het bedrijf oorspronkelijk beheerden, zeggenschap op het gebied van beheer, voordelen en financiële risico’s blijft uitoefenen over ten minste een van de nieuwe afzonderlijke landbouwers, of |
|
ii) |
de oorspronkelijke landbouwer en ten minste een nieuwe afzonderlijke landbouwer in de zin van het genoemde artikel. |
Artikel 15
Vaststelling van subsidiabele hectaren voor de toepassing van artikel 24, lid 2, en artikel 39, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
1. Voor de vaststelling van het overeenkomstig artikel 24, lid 2, en artikel 39, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toe te wijzen aantal betalingsrechten in gevallen zonder erkende overmacht of erkende uitzonderlijke omstandigheden worden alleen de subsidiabele hectaren in aanmerking genomen die overeenkomstig artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 23, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 zijn geconstateerd.
2. Als twee of meer aanvragers een aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten voor eenzelfde in lid 1 bedoelde subsidiabele hectare indienen, wordt het betrokken betalingsrecht toegewezen aan de aanvrager die bevoegd is om te besluiten welke landbouwactiviteiten op die hectare worden verricht en die de uit deze activiteiten voortvloeiende voordelen geniet en financiële risico’s draagt.
Artikel 16
Beperking in het kader van artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
1. Verlagingen overeenkomstig artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 mogen niet meer bedragen dan 85 % van het aantal betalingsrechten die overeenstemmen met de subsidiabele hectaren blijvend grasland in gebieden met moeilijke klimatologische omstandigheden.
2. Voor de toepassing van de in lid 1 bedoelde verlagingscoëfficiënt kunnen de lidstaten op basis van de in artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde natuurlijke beperkingen een onderscheid maken tussen verschillende categorieën arealen met moeilijke klimatologische omstandigheden en op elk van deze categorieën een andere verlagingscoëfficiënt toepassen.
Artikel 17
Vaststelling van de waarde van de betalingsrechten in het kader van de artikelen 26 en 40 van Verordening (EU) nr. 1307/2013
1. Voor de vaststelling van de relevante rechtstreekse betalingen of de waarde van de rechten voor het jaar 2014 als bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt slechts rekening gehouden met de betalingen aan of de waarde van de rechten van de landbouwers die in 2015 overeenkomstig artikel 9 en artikel 24, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 recht hebben op rechtstreekse betalingen.
Voor de vaststelling van de relevante rechtstreekse betalingen voor het jaar dat voorafgaat aan de tenuitvoerlegging van de basisbetalingsregeling als bedoeld in artikel 40, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt slechts rekening gehouden met de betalingen aan landbouwers die in het eerste jaar van tenuitvoerlegging van de basisbetalingsregeling overeenkomstig artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 recht hebben op rechtstreekse betalingen.
2. Voor de toepassing van artikel 26, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 gelden de volgende regels:
|
a) |
de verwijzing naar de specifieke steunmaatregelen als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 73/2009, laat de mogelijkheid voor de lidstaten onverlet om slechts een of enkele maatregelen in aanmerking te nemen die in het kader van die specifieke maatregelen ten uitvoer zijn gelegd; |
|
b) |
steun die voor kalenderjaar 2014 aan een landbouwer is verleend op grond van een of meer steunregelingen als bedoeld in artikel 26, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt berekend zonder rekening te houden met overeenkomstig titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde verlagingen of uitsluitingen; |
|
c) |
de lidstaten kunnen op grond van objectieve en niet-discriminerende criteria een besluit nemen over het niveau van de steun dat in aanmerking moet worden genomen voor een of meer door de betrokken lidstaat toegepaste regelingen als bedoeld in artikel 26, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013. |
Bij de toepassing van dit lid mogen de lidstaten geen afbreuk doen aan het ontkoppelde karakter van de overeenkomstig artikel 68, lid 1, onder c), en de artikelen 126, 127 en 129 van Verordening (EG) nr. 73/2009 verleende steun.
3. Voor de toepassing van artikel 26, lid 6, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt de steun die in het kader van de artikelen 72 bis en 125 bis van Verordening (EG) nr. 73/2009 is verleend voor het kalenderjaar 2014, berekend zonder rekening te houden met overeenkomstig titel II, hoofdstuk 4, van Verordening (EG) nr. 73/2009 vastgestelde verlagingen of uitsluitingen.
4. De in artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde betalingsrechten waarover een landbouwer beschikt, omvatten ook de betalingsrechten die aan een andere landbouwer zijn verpacht op de datum waarop de verpachter zijn aanvraag voor 2014 indient.
Artikel 18
Definitieve vaststelling van het aantal en de waarde van de betalingsrechten
Wanneer de in artikel 25, lid 10, of in artikel 40, lid 4, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde informatie voor de landbouwers is gebaseerd op voorlopige gegevens, worden het definitieve aantal en de definitieve waarde van de betalingsrechten na de in artikel 74 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde controles vastgesteld en aan de landbouwers meegedeeld uiterlijk op 1 april van het jaar na het eerste jaar waarin de betrokken lidstaat de basisbetalingsregeling toepast.
Artikel 19
Vaststelling van de waarde van de betalingsrechten in gevallen van onbillijkheid
1. Indien een of meer in artikel 26 of artikel 40, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde rechtstreekse betalingen voor 2014 of het jaar voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de basisbetalingsregeling lager zijn dan de overeenkomstige bedragen in het jaar voorafgaand aan de jaren waarin sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, wordt de initiële waarde per eenheid vastgesteld op basis van de bedragen die de betrokken landbouwer heeft ontvangen in het jaar voorafgaand aan de jaren waarin sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
2. De lidstaten kunnen besluiten om de toepassing van lid 1 te beperken tot gevallen waarin de rechtstreekse betalingen voor 2014 of het jaar voorafgaand aan de tenuitvoerlegging van de basisbetalingsregeling lager zijn dan een bepaald percentage van de overeenkomstige bedragen in het jaar voorafgaand aan de jaren waarin sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Dit percentage mag niet lager zijn dan 85 %.
Artikel 20
Clausule in privaatrechtelijke verkoopcontracten
1. De lidstaten kunnen bepalen dat landbouwers bij verkoop van een bedrijf of een deel daarvan middels een contract dat is ondertekend vóór de uiterste datum voor de aanvraag voor de toewijzing van betalingsrechten, zoals vastgesteld door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013, samen met het betrokken bedrijf of deel daarvan de overeenkomstige, toe te wijzen betalingsrechten kunnen overdragen. In dat geval worden de betalingsrechten aan de verkoper toegewezen en direct aan de koper overgedragen, wiens voordeel ontstaat doordat de betalingen die de verkoper voor 2014 heeft ontvangen dan wel de waarde van de rechten die hij in 2014 bezat, als bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, als referentie worden gebruikt voor de vaststelling van de initiële waarde per eenheid van deze betalingsrechten.
Voorwaarde voor een dergelijke overdracht is dat de verkoper voldoet aan artikel 24, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en dat de koper voldoet aan artikel 9 van die verordening.
Een dergelijke verkoop wordt niet beschouwd als een overdracht zonder grond in de zin van artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op lidstaten die titel III, hoofdstuk 1, afdeling 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen.
Artikel 21
Clausule in privaatrechtelijke pachtcontracten
1. De lidstaten kunnen bepalen dat landbouwers bij de verpachting van een bedrijf of een deel daarvan middels een contract dat vóór de in artikel 20, lid 1, eerste alinea, bedoelde datum is ondertekend, samen met het betrokken bedrijf of deel daarvan de overeenkomstige, toe te wijzen betalingsrechten kunnen verpachten. In dat geval worden de betalingsrechten aan de verpachter toegewezen en direct aan de pachter verpacht, wiens voordeel ontstaat doordat de betalingen die de verpachter voor 2014 heeft ontvangen dan wel de waarde van de rechten die hij in 2014 bezat, als bedoeld in artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, als referentie worden gebruikt voor de vaststelling van initiële waarde per eenheid van deze betalingsrechten.
Voorwaarde voor een dergelijke overdracht is dat de verpachter voldoet aan artikel 24, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, dat de pachter voldoet aan artikel 9 van die verordening en dat het pachtcontract afloopt na de uiterste datum voor indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling.
Een dergelijke pacht wordt niet beschouwd als een overdracht zonder grond in de zin van artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
2. Lid 1 is van overeenkomstige toepassing op lidstaten die titel III, hoofdstuk 1, afdeling 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen.
Artikel 22
Begunstigden als bedoeld in artikel 24, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
Voor de toepassing van artikel 24, lid 1, derde alinea, onder a), punt i), eerste streepje, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt onder „consumptieaardappelen” en „pootaardappelen” verstaan aardappelen van GN-code 0701 die niet bestemd zijn voor het maken van aardappelzetmeel.
Artikel 23
Berekening van de waarde van de betalingsrechten
1. De betalingsrechten worden eerst tot op drie decimalen nauwkeurig berekend en vervolgens naar boven of naar beneden afgerond tot op de dichtstbijzijnde tweede decimaal. Indien de derde decimaal van het resultaat van de berekening 5 is, wordt het bedrag naar boven afgerond tot op de dichtstbijzijnde tweede decimaal.
2. Indien een landbouwer een deel van een recht overdraagt, wordt de waarde van dat deel evenredig berekend voor elk betrokken resterend jaar als bedoeld in artikel 25 of artikel 40 van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
3. De lidstaten kunnen betalingsrechten wijzigen door delen van de betalingsrechten die een landbouwer in eigendom heeft, samen te voegen. De waarde van de samengevoegde rechten wordt voor elk betrokken resterend jaar als bedoeld in artikel 25 of artikel 40 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, bepaald door de waarde van de delen bij elkaar op te tellen.
Artikel 24
Vereisten voor de activering van betalingsrechten
1. Betalingsrechten mogen slechts eenmaal per jaar met het oog op betaling worden aangegeven door de landbouwer die deze rechten (in eigendom of in pacht) heeft op de uiterste datum voor de indiening van de verzamelaanvraag.
Een landbouwer die gebruikmaakt van de mogelijkheid tot wijziging van de verzamelaanvraag overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde regels, mag echter ook betalingsrechten ter betaling aangeven die hij (in eigendom of in pacht) heeft op de datum waarop hij de wijzigingen aan de bevoegde autoriteit meedeelt, mits de betrokken betalingsrechten niet door een andere landbouwer voor hetzelfde jaar ter betaling worden aangegeven.
Wanneer de landbouwer via overdracht betalingsrechten van een andere landbouwer verkrijgt en de andere landbouwer die betalingsrechten reeds ter betaling had aangegeven, is de aanvullende aangifte van die betalingsrechten door de overnemer slechts ontvankelijk indien de cedent de bevoegde autoriteit reeds overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 34, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde regels in kennis heeft gesteld van de overdracht en hij die betalingsrechten binnen de door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde termijn voor de wijziging van de verzamelaanvraag uit zijn eigen verzamelaanvraag laat schrappen.
2. Indien een landbouwer, nadat hij de percelen die overeenstemmen met al zijn beschikbare, in gehele getallen uitgedrukte betalingsrechten overeenkomstig artikel 33, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 heeft aangegeven, nog over een perceel beschikt dat een deel van een hectare beslaat, mag hij daarnaast nog een in een geheel getal uitgedrukt betalingsrecht aangeven dat recht geeft op een naar rato van de oppervlakte van dat perceel berekende betaling. Voor de toepassing van artikel 31, lid 1, onder b), van die verordening wordt het betalingsrecht als volledig geactiveerd beschouwd.
Artikel 25
Overdracht van rechten
1. Betalingsrechten mogen op elk moment van het jaar worden overgedragen.
2. Lidstaten die gebruikmaken van de optie in artikel 34, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, stellen de daar bedoelde regio’s vast in het eerste jaar van toepassing van artikel 34, lid 3, van die verordening, en niet later dan een maand vóór de datum die de lidstaat overeenkomstig artikel 33, lid 1, van die verordening vaststelt.
Artikel 26
Toevoeging aan de nationale of de regionale reserve als gevolg van inhoudingen op de overdracht van betalingsrechten
Lidstaten die gebruikmaken van de optie in artikel 34, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kunnen op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden, besluiten om aan de nationale of de regionale reserve hetzij tot 30 % van de jaarlijkse waarde per eenheid van elk betalingsrecht toe te voegen dat zonder de overeenkomstige subsidiabele hectaren wordt overgedragen in de zin van artikel 32, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, hetzij het gelijkwaardige, in aantal betalingsrechten uitgedrukte bedrag toe te voegen.
In afwijking van de eerste alinea kunnen de lidstaten voor de eerste drie jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling voorzien in een toevoeging van maximaal 50 % van de jaarlijkse waarde per eenheid van elk betalingsrecht of het gelijkwaardige, in aantal betalingsrechten uitgedrukte bedrag als bedoeld in de eerste alinea.
Artikel 27
Toepassing van de „uitzonderlijke winst”- clausule
Voor de toepassing van artikel 28 en artikel 40, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt de daar bedoelde stijging van de waarde van de betalingsrechten bepaald door de waarde van de betalingsrechten van de landbouwer die voortvloeit uit de toepassing van respectievelijk artikel 25, lid 4, en artikel 26 of artikel 40, lid 3, van die verordening na de in respectievelijk artikel 28 of artikel 40, lid 5, van die verordening bedoelde verkoop of verpachting, te vergelijken met de waarde die de betalingsrechten van de landbouwer zouden hebben zonder de verkoop of de verpachting.
Artikel 28
Vaststelling van betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve in het kader van artikel 30, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
1. Voor de toepassing van artikel 30, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ontvangt een jonge landbouwer of een landbouwer die met zijn landbouwactiviteiten begint en betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve aanvraagt terwijl hij geen betalingsrechten (in eigendom of in pacht) heeft, een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren dat hij op de door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde uiterste datum voor de indiening van zijn aanvraag voor de toewijzing of verhoging van de waarde van betalingsrechten (in eigendom of in pacht) heeft.
2. Een jonge landbouwer of een landbouwer die met zijn landbouwactiviteiten begint en betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve aanvraagt terwijl hij al betalingsrechten (in eigendom of in pacht) heeft, ontvangt een aantal betalingsrechten dat gelijk is aan het aantal subsidiabele hectaren dat hij op de in lid 1 bedoelde uiterste datum voor de indiening van zijn aanvraag (in eigendom of in pacht) heeft zonder dat hij daarvoor betalingsrechten (in eigendom of in pacht) heeft.
Wanneer de betalingsrechten die de landbouwer al (in eigendom of in pacht) heeft, minder waard zijn dan het nationale of het regionale gemiddelde als bedoeld in artikel 30, lid 8, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kan de jaarlijkse waarde per eenheid van die betalingsrechten worden verhoogd tot het nationale of het regionale gemiddelde als bedoeld in artikel 30, lid 10, van die verordening.
In lidstaten die de in artikel 30, lid 10, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde verhoging toepassen in het kader van artikel 30, lid 7, van die verordening, is de in de tweede alinea van het onderhavige artikel bedoelde verhoging echter verplicht. Het niveau van deze verhoging dient overeen te stemmen met het hoogste niveau van de verhoging die in het kader van artikel 30, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt toegepast.
3. In lidstaten die artikel 24, leden 6 of 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen, kunnen de in die bepalingen neergelegde beperkingen op de toewijzing van betalingsrechten overeenkomstig worden toegepast op de toewijzing van betalingsrechten krachtens artikel 30, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
De lidstaten kunnen evenwel bepalen dat wanneer de som van het totale aantal betalingsrechten dat de landbouwer al heeft, en de nieuwe uit de reserve aan hem toe te wijzen betalingsrechten als gevolg van de toepassing van een of meer in de eerste alinea van dit lid bedoelde beperkingen onder een bepaald percentage van zijn subsidiabele hectaren blijft in het jaar waarin hij een aanvraag voor de toewijzing van betalingsrechten uit de reserve indient, aan die landbouwer een extra aantal betalingsrechten wordt toegewezen dat overeenstemt met een aandeel in het totale aantal van zijn subsidiabele hectaren die overeenkomstig artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn aanvraag voor dat jaar zijn aangegeven.
Het bepaalde percentage als bedoeld in de tweede alinea van dit lid, wordt berekend volgens de in artikel 31, lid 2, tweede alinea, van de onderhavige verordening beschreven methode.
Het in de tweede alinea van dit lid bedoelde aandeel van het totale aantal subsidiabele hectaren van de landbouwer wordt berekend als de helft van het verschil in procentpunten tussen het bepaalde percentage als bedoeld in de derde alinea van dit lid, en het aandeel van de betalingsrechten van de landbouwer in zijn subsidiabele hectaren die overeenkomstig artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zijn aangegeven in zijn aanvraag voor het in de tweede alinea van dit lid bedoelde jaar. Voor de toepassing van deze alinea wordt onder „betalingsrechten van de landbouwer” verstaan de betalingsrechten die de landbouwer al heeft en de nieuwe, uit de reserve toe te wijzen betalingsrechten.
Bij de berekening van het in de tweede, derde en vierde alinea van dit lid bedoelde aantal subsidiabele hectaren kunnen de lidstaten besluiten om geen rekening te houden met de arealen voor blijvende teelten, met de arealen blijvend grasland in gebieden met moeilijke klimatologische omstandigheden als bedoeld in artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, of met de arealen die overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 als blijvend grasland zijn erkend.
Lidstaten die gebruikmaken van de in artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geboden mogelijkheid om de basisbetalingsregeling op regionaal niveau toe te passen, kunnen de in de tweede alinea van het onderhavige lid beschreven berekeningsmethode baseren op de totale aantallen die in 2015 in de desbetreffende regio zijn toegewezen/aangegeven.
Ter bepaling van de in de tweede alinea bedoelde drempel wordt de grond die de landbouwer na 19 oktober 2011 heeft gekocht of gepacht, niet in aanmerking genomen.
4. Voor de toepassing van dit artikel komen alleen de landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen, in aanmerking die in kalenderjaar 2013 of in een later jaar met hun landbouwactiviteit zijn gestart en die uiterlijk twee jaar na het kalenderjaar van aanvang van de landbouwactiviteit een aanvraag voor de basisbetalingsregeling indienen.
Artikel 29
Vaststelling van betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve in het kader van artikel 30, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
1. Wanneer overeenkomstig artikel 30, lid 10, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 nieuwe betalingsrechten worden toegewezen voor de toepassing van artikel 30, lid 7, van die verordening, vindt deze toewijzing plaats volgens de in het onderhavige artikel vastgestelde voorwaarden en volgens de door de betrokken lidstaat vastgestelde objectieve criteria.
2. Wanneer landbouwers die geen betalingsrechten (in eigendom of in pacht) hebben, overeenkomstig artikel 30, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 aanspraak kunnen maken op betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve en daarvoor een aanvraag indienen, krijgen zij een aantal betalingsrechten dat overeenstemt met ten hoogste het aantal subsidiabele hectaren dat zij op de in artikel 28, lid 1, bedoelde uiterste datum voor de indiening van hun aanvraag (in eigendom of in pacht) hebben.
3. Wanneer landbouwers die betalingsrechten (in eigendom of in pacht) hebben, overeenkomstig artikel 30, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 aanspraak kunnen maken op betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve en daarvoor een aanvraag indienen, krijgen zij een aantal betalingsrechten dat overeenstemt met ten hoogste het aantal subsidiabele hectaren dat zij op de in artikel 28, lid 1, bedoelde uiterste datum (in eigendom of in pacht) hebben zonder dat zij daarvoor betalingsrechten (in eigendom of in pacht) hebben.
Wanneer de betalingsrechten die de landbouwer al (in eigendom of in pacht) heeft, minder waard zijn dan het nationale of het regionale gemiddelde als bedoeld in artikel 30, lid 8, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, kan de jaarlijkse waarde per eenheid van die betalingsrechten worden verhoogd tot het nationale of het regionale gemiddelde als bedoeld in artikel 30, lid 10, van die verordening.
4. Voor de toepassing van lid 1 stellen de lidstaten geen criteria betreffende productiegegevens of andere sectorspecifieke gegevens vast voor een periode na de datum die zij overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 voor aanvraagjaar 2013 hebben bepaald.
Artikel 30
Verdere voorschriften inzake de vaststelling van betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve
1. Bij het verhogen van de jaarlijkse waarden per eenheid van betalingsrechten als bedoeld in artikel 30, lid 10, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt de waarde per eenheid van de rechten die een landbouwer al (in eigendom of in pacht) heeft op de datum waarop hij een aanvraag voor toewijzing van rechten uit de nationale of de regionale reserve indient, door de lidstaten verhoogd op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat een gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd en markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden
2. Voor de toepassing van lid 1 stellen de lidstaten geen criteria betreffende productiegegevens of andere sectorspecifieke gegevens vast voor een periode na de datum die zij overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 voor aanvraagjaar 2013 hebben bepaald.
Artikel 31
Gevallen van onbillijkheid
1. Wanneer een landbouwer wegens overmacht of uitzonderlijke omstandigheden geen aanvraag voor toewijzing van betalingsrechten als bedoeld in artikel 24, lid 1, of artikel 39, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 heeft kunnen indienen en betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve aanvraagt, worden hem betalingsrechten toegewezen op grond van artikel 30, lid 7, onder c), van die verordening. De lidstaten stellen de jaarlijkse waarde per eenheid van de betalingsrechten vast die moeten worden toegewezen overeenkomstig artikel 25 of artikel 40 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, alsmede hun besluiten ten aanzien van de in die artikelen bedoelde opties.
2. De lidstaten kunnen besluiten dat wanneer het aantal aan een landbouwer toegewezen betalingsrechten als gevolg van de toepassing van een of meer in artikel 24, leden 3 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde beperkingen op de toewijzing van betalingsrechten wordt verlaagd tot minder dan een bepaald percentage van zijn subsidiabele hectaren en wanneer de landbouwer betalingsrechten uit de nationale of de regionale reserve aanvraagt, ervan wordt uitgegaan dat deze landbouwer met een „specifiek nadeel” als bedoeld in artikel 30, lid 7, onder b), van die verordening, wordt geconfronteerd. In dat geval wordt aan die landbouwer overeenkomstig artikel 30, lid 7, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 een aantal betalingsrechten toegewezen dat overeenstemt met een aandeel in het totale aantal van zijn subsidiabele hectaren die overeenkomstig artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in zijn aanvraag voor 2015 zijn aangegeven.
Het bepaalde percentage als bedoeld in de eerste alinea, wordt berekend door het totale aantal betalingsrechten dat in 2015 na toepassing van de in artikel 24, leden 3 tot en met 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde beperkingen in de lidstaat is toegewezen, te delen door het totale aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 overeenkomstig artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in de lidstaat is aangegeven.
Het in de eerste alinea bedoelde aandeel van het totale aantal subsidiabele hectaren van de landbouwer wordt berekend als de helft van het verschil in procentpunten tussen het bepaalde percentage als bedoeld in de eerste en tweede alinea, en het aandeel van de betalingsrechten van de landbouwer in zijn subsidiabele hectaren die overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in 2015 zijn aangegeven.
Bij de berekening van het in de eerste, tweede en derde alinea van dit lid bedoelde aantal subsidiabele hectaren kunnen de lidstaten besluiten om geen rekening te houden met de arealen voor blijvende teelten, met de arealen blijvend grasland in gebieden met moeilijke klimatologische omstandigheden bedoeld in artikel 24, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, of met de arealen die overeenkomstig artikel 4, lid 2, tweede alinea, van die verordening als blijvend grasland zijn erkend.
Lidstaten die gebruikmaken van de in artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geboden mogelijkheid om de basisbetalingsregeling op regionaal niveau toe te passen, kunnen de in de tweede alinea van het onderhavige lid beschreven berekeningsmethode baseren op de totale aantallen die in 2015 in de desbetreffende regio zijn toegewezen/aangegeven.
Ter bepaling van de in de eerste alinea bedoelde drempel wordt de grond die de landbouwer na 19 oktober 2011 heeft gekocht of gepacht, niet in aanmerking genomen.
Artikel 32
Uitvoering in lidstaten die artikel 21, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen
Deze onderafdeling is van toepassing op de lidstaten die artikel 21, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen, tenzij anders is bepaald in deze onderafdeling.
Artikel 33
Toepassing van artikel 21, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
Voor de vaststelling van de betalingsrechten die overeenkomstig artikel 21, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zullen vervallen, krijgen de betalingsrechten met de laagste waarde prioriteit.
Hebben betalingsrechten dezelfde waarde, dan worden het aantal betalingsrechten in eigendom en het aantal betalingsrechten in pacht in dezelfde mate verlaagd.
De lidstaten kunnen besluiten om de eerste en de tweede alinea op regionaal niveau toe te passen.
Artikel 34
Vaststelling van de in artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde waarde van betalingsrechten voor lidstaten die artikel 21, lid 3, van die verordening toepassen
Om de initiële waarde per eenheid van de betalingsrechten te bepalen, kunnen lidstaten die artikel 21, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen, het bedrag van de betalingen voor 2014 als bedoeld in artikel 26, lid 5, van die verordening aanpassen middels aftrek van het bedrag dat vóór verlagingen en uitsluitingen voortvloeit uit overeenkomstig artikel 21, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vervallen betalingsrechten.
AFDELING 2
Regeling inzake een enkele areaalbetaling
Artikel 35
Subsidiabele hectaren in lidstaten die de regeling inzake een enkele areaalbetaling toepassen
Voor de toepassing van de in titel III, hoofdstuk 1, afdeling 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde regeling inzake een enkele areaalbetaling, inclusief verwijzingen in Verordening (EU) nr. 1307/2013 naar met het oog op de toepassing van die regeling aangegeven subsidiabele hectaren, worden alleen die subsidiabele hectaren in aanmerking genomen die overeenkomstig artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 23, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 zijn geconstateerd.
Artikel 36
Toepassing van artikel 36, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
1. Voor de differentiëring van de enkele areaalbetaling als bedoeld in artikel 36, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, gelden de volgende voorschriften:
|
a) |
de verwijzing naar de specifieke steunmaatregelen als bedoeld in artikel 68, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EG) nr. 73/2009, laat de mogelijkheid voor de lidstaten onverlet om slechts een of enkele maatregelen in aanmerking te nemen die in het kader van die specifieke maatregelen ten uitvoer zijn gelegd; |
|
b) |
de lidstaten kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria besluiten welk steunniveau in aanmerking wordt genomen voor een of meer regelingen die de betrokken lidstaten toepassen overeenkomstig artikel 36, lid 3, tweede alinea, van die verordening, en, in voorkomend geval, overeenkomstig de derde alinea van die bepaling. Wanneer rekening wordt gehouden met de steun die in het kader van de relevante regeling in 2014 is verleend, mag het voor de differentiëring van de enkele areaalbetaling gebruikte bedrag echter niet hoger zijn dan het overeenkomstige bedrag dat in 2014 in het kader van die regeling aan een individuele landbouwer is toegekend; |
|
c) |
wanneer rekening wordt gehouden met de steun die overeenkomstig artikel 68, lid 1, onder c), en de artikelen 126, 127 en 129 van Verordening (EG) nr. 73/2009 is verleend, mag de differentiëring geen afbreuk doen aan het ontkoppelde karakter van die regelingen. |
Een dergelijke differentiëring is beschikbaar voor landbouwers die in 2014 de in artikel 36, lid 3, tweede, derde of vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde steun hebben ontvangen. Het bedrag per hectare wordt jaarlijks bepaald door het voor een individuele landbouwer beschikbare bedrag voor de differentiëring van de enkele areaalbetaling te delen door het aantal subsidiabele hectaren dat de landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven.
2. Indien het bedrag van de steun die wordt verleend in het kader van een of meer steunregelingen als bedoeld in artikel 36, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, voor 2014 lager is dan het overeenkomstige bedrag/de overeenkomstige bedragen in het jaar voorafgaande aan de jaren waarin sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, houdt de lidstaat rekening met de steun die in het kader van de betrokken steunregelingen is verleend in het jaar voorafgaande aan de jaren waarin sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden.
De lidstaten kunnen besluiten om de toepassing van de eerste alinea te beperken tot gevallen waarin de rechtstreekse betalingen voor 2014 lager zijn dan een bepaald percentage van de overeenkomstige bedragen in het jaar voorafgaand aan de jaren waarin sprake was van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. Dit percentage mag niet lager zijn dan 85 %.
3. De lidstaten kunnen bepalen dat de differentiëring van de enkele areaalbetaling bij een feitelijke of verwachte vererving beschikbaar moet zijn voor de landbouwer die het bedrijf heeft geërfd, mits deze landbouwer voor steun in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling in aanmerking komt.
Artikel 37
Productie van hennep in het kader van de regeling inzake een enkele areaalbetaling
Artikel 9 is van overeenkomstige toepassing op de regeling inzake een enkele areaalbetaling.
HOOFDSTUK 3
VERGROENING
AFDELING 1
Gelijkwaardigheid
Artikel 38
Vereisten inzake de nationale en de regionale certificeringsregelingen
1. Lidstaten die besluiten in artikel 43, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde gelijkwaardige praktijken toe te passen, wijzen een of meer openbare of particuliere certificeringsinstanties aan die certificeren dat de landbouwer op zijn bedrijf praktijken in acht neemt die in overeenstemming zijn met artikel 43, lid 3, van die verordening.
2. Openbare of particuliere certificeringsinstanties voldoen aan de volgende voorwaarden:
|
a) |
zij beschikken over de nodige deskundigheid, uitrusting en infrastructuur om de certificeringstaken te vervullen; |
|
b) |
zij beschikken over voldoende gekwalificeerde en ervaren medewerkers; |
|
c) |
zij zijn onpartijdig en er is geen sprake is van enig belangenconflict bij het vervullen van de certificeringstaken. |
Particuliere certificeringsinstanties moeten in de landbouwproductiesector worden geaccrediteerd overeenkomstig EN ISO/IEC 17021 (Eisen voor instellingen die audits en certificatie van managementsystemen uitvoeren) of EN ISO/IEC 17065 (Conformiteitsbeoordeling — Eisen voor certificatie-instellingen voor producten, processen en diensten). De accreditering mag slechts worden verricht door een nationale accreditatie-instantie in een lidstaat overeenkomstig Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (21).
3. De aanwijzing van een openbare of particuliere certificeringsinstantie die niet aan de in lid 2 genoemde voorwaarden voor de aanwijzing ervan voldoet, wordt ingetrokken.
Artikel 39
Berekening van het bedrag als bedoeld in artikel 28, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013
1. Wanneer landbouwers besluiten om de in bijlage IX, deel III, punt 7, en deel I, punten 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde praktijken en aan die bijlage toegevoegde aanvullende praktijken waarvoor ter voorkoming van dubbele financiering een specifieke berekening nodig is, in acht te nemen als gelijkwaardige praktijken als bedoeld in artikel 43, lid 3, onder a), van die verordening, brengen de lidstaten voor elke vergroeningspraktijk waaraan de betrokken praktijk gelijkwaardig is, op het overeenkomstig artikel 28, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 berekende bijstandsbedrag per hectare een bedrag in mindering dat overeenstemt met een derde van de gemiddelde vergroeningsbetaling per hectare in de betrokken lidstaat of regio.
De gemiddelde vergroeningsbetaling per hectare in de betrokken lidstaat of regio wordt berekend op basis van het in artikel 47, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde percentage van het gemiddelde van de in bijlage II bij die verordening vermelde nationale maxima voor de periode 2015-2019 en het aantal subsidiabele hectaren dat in 2015 is aangegeven overeenkomstig artikel 33 of artikel 36 van Verordening (EU) nr. 1307/2013. lidstaten die besluiten de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde praktijken al in 2015 toe te passen, kunnen het in 2015 aangegeven aantal subsidiabele hectaren ramen op basis van de aangiften die in 2014 overeenkomstig artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn gedaan.
2. In afwijking van lid 1 kunnen lidstaten die besluiten artikel 43, lid 9, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toe te passen, besluiten de in lid 1 van het onderhavige artikel bedoelde verlaging op individuele basis toe te passen middels een bedrag dat overeenstemt met een derde van de gemiddelde vergroeningsbetaling per hectare van de betrokken landbouwer.
De gemiddelde vergroeningsbetaling voor de landbouwer wordt berekend op basis van het gemiddelde van de individuele betaling die voor de periode 2015-2019 wordt berekend overeenkomstig artikel 43, lid 9, derde en vierde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en het aantal subsidiabele hectaren dat de landbouwer in 2015 overeenkomstig artikel 33 van die verordening heeft aangegeven.
AFDELING 2
Gewasdiversificatie
Artikel 40
Berekening van het aandeel van de verschillende gewassen voor de gewasdiversificatie
1. Voor de berekening van het aandeel van de verschillende gewassen als bedoeld in artikel 44, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, is de in aanmerking te nemen periode het deel van de teeltperiode dat gezien de nationale traditionele teeltpraktijken het meest relevant is.
De lidstaten melden deze periode tijdig aan de landbouwers. Elke hectare van het totale bouwland van het bedrijf wordt slechts eens per aanvraagjaar in aanmerking genomen voor de berekening van het aandeel van de verschillende gewassen.
2. Voor de berekening van het aandeel van de verschillende gewassen kan het door een gewas ingenomen areaal landschapselementen bevatten die overeenkomstig artikel 9 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 deel uitmaken van het subsidiabele areaal.
3. Op een areaal waarop in het kader van combinatieteelt gelijktijdig twee of meer gewassen in afzonderlijke rijen worden verbouwd, wordt elk gewas dat ten minste 25 % van dat areaal inneemt, als afzonderlijk gewas geteld. Het areaal dat door de afzonderlijke gewassen wordt ingenomen, wordt berekend door het areaal waarop de combinatieteelt plaatsvindt, te delen door het aantal gewassen dat ten minste 25 % van dat areaal inneemt, ongeacht het daadwerkelijke aandeel van een gewas op dat areaal.
Een areaal waarop in het kader van de combinatieteelt een hoofdgewas wordt verbouwd en een tweede gewas wordt ondergezaaid, wordt beschouwd als een areaal dat slechts door het hoofdgewas wordt ingenomen.
Een areaal waarop een zaadmengsel is ingezaaid, wordt ongeacht de in het mengsel opgenomen specifieke gewassen, beschouwd als een areaal met een enkel gewas. Onverminderd artikel 44, lid 4, onder d), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt een dergelijk gewas aangeduid als „menggewas”. Wanneer kan worden vastgesteld dat de in een bepaald zaadmengsel opgenomen soorten verschillen van die in een ander zaadmengsel, kunnen de lidstaten deze verschillende zaadmengsels telkens als afzonderlijk enkel gewas beschouwen, mits de verschillende zaadmengsels niet worden gebruikt voor het in artikel 44, lid 4, onder d), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde gewas.
AFDELING 3
Blijvend grasland
Artikel 41
Kader voor de aanwijzing van meer arealen ecologisch kwetsbaar blijvend grasland die buiten de Natura 2000-gebieden zijn gelegen
Arealen ecologisch kwetsbaar blijvend grasland die gelegen zijn buiten de onder Richtlijn 92/43/EEG en Richtlijn 2009/147/EG vallende gebieden als bedoeld in artikel 45, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, worden als zodanig aangewezen op basis van een of meer van de volgende criteria:
|
a) |
zij bedekken een organische bodem met een hoog percentage organische koolstof, zoals veen- en watergebieden; |
|
b) |
zij bieden bescherming aan habitats die worden vermeld in bijlage I bij Richtlijn 92/43/EEG of zijn beschermd op grond van nationale wetgeving; |
|
c) |
zij bieden bescherming aan planten die worden vermeld in bijlage II bij Richtlijn 92/43/EEG of zijn beschermd op grond van nationale wetgeving; |
|
d) |
zij zijn van bijzonder belang voor wilde vogelsoorten die worden vermeld in bijlage I bij Richtlijn 2009/147/EG; |
|
e) |
zij zijn van bijzonder belang voor wilde diersoorten die zijn beschermd op grond van Richtlijn 92/43/EEG of op grond van nationale wetgeving; |
|
f) |
zij bedekken blijvend grasland met een hoge natuurwaarde als gedefinieerd aan de hand van door de lidstaat vast te stellen objectieve criteria; |
|
g) |
zij bedekken een sterk erosiegevoelige bodem; |
|
h) |
zij zijn gelegen in een kwetsbaar gebied dat binnen de stroomgebiedbeheerplannen uit hoofde van Richtlijn 2000/60/EG als zodanig is aangewezen. |
De lidstaten kunnen jaarlijks besluiten nieuwe arealen aan te wijzen, en brengen dit besluit tijdig ter kennis van de betrokken landbouwers.
Artikel 42
Heromzetting bij niet-naleving van de verplichting inzake arealen ecologisch kwetsbaar blijvend grasland
Wanneer een landbouwer blijvend grasland in strijd met artikel 45, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 heeft omgezet of geploegd, verplicht de betrokken lidstaat de landbouwer, onverminderd Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad (22), tot heromzetting van het betrokken areaal in blijvend grasland en kan die lidstaat, geval per geval, in specifieke instructies aan de betrokken landbouwer bepalen hoe de toegebrachte milieuschade moet worden verholpen teneinde de ecologisch kwetsbare toestand te herstellen.
De landbouwer wordt onmiddellijk na de constatering van de niet-naleving in kennis gesteld van de verplichting tot heromzetting en van de uiterste datum waarop hij aan die verplichting dient te hebben voldaan. Die datum mag niet vallen na de datum voor de indiening van de verzamelaanvraag voor het daaropvolgende jaar of, in het geval van Zweden en Finland, na 30 juni van het daaropvolgende jaar.
In afwijking van artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt de heromgezette grond met ingang van de eerste dag van de heromzetting als blijvend grasland beschouwd en valt deze grond onder de verplichting van artikel 45, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
Artikel 43
Berekening van het aandeel blijvend grasland
1. Arealen die zijn aangegeven door landbouwers die deelnemen aan de in titel V van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde regeling voor kleine landbouwers, en eenheden van een bedrijf die overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad (23) worden gebruikt voor biologische productie, worden niet meegeteld in het aandeel van de arealen blijvend grasland in het totale landbouwareaal en in het referentieaandeel als bedoeld in artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
2. Arealen die door landbouwers in 2012 als blijvend weiland zijn aangegeven en die zijn omgezet in grond voor ander gebruik, kunnen worden uitgesloten van de berekening van de arealen blijvend grasland als bedoeld in artikel 45, lid 2, tweede alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, tot maximaal het aantal hectaren blijvend weiland of blijvend grasland dat de landbouwers na 2012 hebben aangelegd en in 2015 hebben aangegeven op nationaal, regionaal, subregionaal of bedrijfsniveau, op voorwaarde dat de bestaande, in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 en in artikel 93, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften inzake de instandhouding van blijvend grasland in acht zijn genomen.
Bij de berekening van het na 2012 aangelegde aantal hectaren blijvend weiland of blijvend grasland als bedoeld in de eerste alinea, worden alleen de hectaren blijvend weiland of blijvend grasland op een landbouwperceel meegeteld die in 2012, 2013 of 2014 overeenkomstig artikel 34, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 zijn aangegeven.
3. De lidstaten passen het referentieaandeel aan indien zij van oordeel zijn dat de ontwikkeling van het aandeel duidelijk wordt beïnvloed door een verandering van het biologische-productieareaal of van de populatie deelnemers aan de regeling voor kleine landbouwers. In dat geval stellen de lidstaten de Commissie onverwijld in kennis van de aanpassing en de redenen daarvoor.
Artikel 44
Instandhouding van het aandeel blijvend grasland
1. De lidstaten kunnen individuele landbouwers verbieden om arealen blijvend grasland om te zetten zonder voorafgaande individuele toestemming. De betrokken landbouwers worden onverwijld en in elk geval vóór 15 november van het jaar waarin de betrokken lidstaat daartoe besluit, van deze verplichting in kennis gesteld. Deze verplichting geldt slechts voor landbouwers op wie de in titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde verplichtingen van toepassing zijn ten aanzien van arealen blijvend grasland die niet onder artikel 45, lid 1, van die verordening vallen.
De verlening van toestemming kan afhankelijk zijn van de toepassing van objectieve en niet-discriminerende criteria, waaronder milieucriteria. Indien aan de in de eerste alinea bedoelde toestemming de voorwaarde is verbonden dat een ander gebied met een overeenkomstig aantal hectaren als blijvend gras moet worden aangelegd, wordt dat areaal in afwijking van artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 met ingang van de eerste dag van de omzetting als blijvend grasland beschouwd. Dergelijke arealen worden voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen gebruikt hetzij gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting, hetzij, op besluit van de lidstaat, gedurende het aantal jaren dat overblijft om vijf opeenvolgende jaren vol te maken wanneer landbouwers arealen omzetten die reeds voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen zijn gebruikt.
2. Wanneer wordt vastgesteld dat het in artikel 45, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vermelde aandeel met meer dan 5 % is afgenomen ten opzichte van het in dat artikel vermelde referentieaandeel, voorziet de betrokken lidstaat in de verplichting om arealen weer in arealen blijvend grasland om te zetten, en in voorschriften ter voorkoming van een nieuwe omzetting van arealen blijvend grasland.
De lidstaten bepalen op welke groep van de landbouwers die aan de volgende voorwaarden voldoen, de heromzettingsverplichting van toepassing is:
|
a) |
landbouwers op wie de in titel III, hoofdstuk 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde verplichtingen van toepassing zijn ten aanzien van arealen blijvend grasland die niet onder artikel 45, lid 1, van die verordening vallen, en |
|
b) |
landbouwers die op basis van de overeenkomstig artikel 72 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 of artikel 19 van Verordening (EG) nr. 73/2009 ingediende aanvragen gedurende de voorgaande twee kalenderjaren of in 2015 gedurende de voorgaande drie kalenderjaren over landbouwarealen beschikken die van blijvend grasland of blijvend weiland zijn omgezet in arealen voor ander gebruik. |
Indien de in de tweede alinea, onder b), bedoelde perioden kalenderjaren vóór 2015 omvatten, is de heromzettingsverplichting tevens van toepassing op arealen voor andere vormen van grondgebruik die zijn omgezet op basis van als blijvend grasland gebruikte grond waarop de in artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 of artikel 93, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde verplichting van toepassing was.
Wanneer de lidstaten bepalen welke landbouwers arealen in arealen blijvend grasland moeten heromzetten, leggen zij die verplichting in de eerste plaats op aan landbouwers die een areaal tot hun beschikking hebben dat in strijd met de in lid 1 van het onderhavige artikel of in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 bedoelde toestemmingsverplichting, indien van toepassing, is omgezet van een areaal blijvend grasland of blijvend weiland in een areaal voor ander gebruik. Deze landbouwers zetten het volledige omgezette areaal weer om.
3. Indien het in artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde aandeel ondanks de toepassing van lid 2, vierde alinea, niet toeneemt tot boven de drempel van 5 %, bepaalt de lidstaat in kwestie dat landbouwers die een areaal tot hun beschikking hebben dat van een areaal blijvend grasland of blijvend weiland is omgezet in een areaal voor ander gebruik gedurende de in lid 2, tweede alinea, onder b), bedoelde perioden, ook een percentage van dat omgezette areaal weer moeten omzetten in arealen blijvend grasland of een ander, met dat percentage overeenstemmend areaal moeten aanleggen als areaal blijvend grasland. Dat percentage wordt berekend op basis van het areaal dat de landbouwer gedurende de in lid 2, tweede alinea, onder b), bedoelde perioden heeft omgezet, en het areaal dat nodig is om te zorgen voor een toename van het in artikel 45, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde aandeel tot boven de drempel van 5 %.
De lidstaten kunnen bij de berekening van het percentage als bedoeld in de eerste alinea, de arealen die na 31 december 2015 blijvend grasland zijn geworden, uitsluiten van het door de landbouwer omgezette areaal, mits zij administratieve kruiscontroles verrichten van het blijvend grasland dat jaarlijks in de grafische steunaanvraag middels een grafische doorsnede is aangegeven, met het areaal dat in 2015 als blijvend weiland is aangegeven en in het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen is geregistreerd, en mits deze arealen blijvend grasland niet zijn aangelegd op grond van een verplichting om een areaal blijvend grasland uit hoofde van lid 2 of het onderhavige lid weer om te zetten of aan te leggen. De lidstaten mogen deze arealen echter niet uitsluiten wanneer de uitsluiting niet leidt tot een toename van het in artikel 45, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde aandeel tot boven de drempel van 5 %.
Arealen blijvend grasland of blijvend weiland die een landbouwer in het kader van verbintenissen op grond van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (24) en Verordening (EU) nr. 1305/2013 heeft aangelegd, worden bij de berekening van het in de eerste alinea bedoelde percentage niet meegeteld als areaal dat de landbouwer heeft omgezet.
De landbouwers worden onverwijld en in elk geval vóór 31 december van het jaar waarin de afname met meer dan 5 % is geconstateerd, in kennis gesteld van de individuele heromzettingsverplichting en van de voorschriften ter voorkoming van een nieuwe omzetting van blijvend grasland. Aan de heromzettingsverplichting moet zijn voldaan vóór de datum voor de indiening van de verzamelaanvraag voor het daaropvolgende jaar of, in het geval van Zweden en Finland, vóór 30 juni van het daaropvolgende jaar.
In afwijking van artikel 4, lid 1, onder h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden arealen die weer in arealen blijvend grasland zijn omgezet of als arealen blijvend grasland zijn aangelegd, met ingang van de eerste dag van de heromzetting of de aanleg als blijvend grasland beschouwd. Deze arealen moeten voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen worden gebruikt hetzij gedurende ten minste vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting, hetzij, op besluit van de lidstaat, gedurende het aantal jaren dat overblijft om vijf opeenvolgende jaren vol te maken wanneer landbouwers arealen omzetten die reeds voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen werden gebruikt.
AFDELING 4
Ecologisch aandachtsgebied
Artikel 45
Aanvullende criteria voor de soorten ecologische aandachtsgebieden
1. De in artikel 46, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde soorten arealen moeten voldoen aan de leden 2 tot en met 11 van het onderhavige artikel om als ecologisch aandachtsgebied te worden bestempeld.
2. Op braakliggend land mag geen landbouwproductie plaatsvinden. In afwijking van artikel 4, lid 1, punt h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 blijft land dat meer dan vijf jaar als ecologisch aandachtsgebied braak ligt, bouwland.
3. Terrassen zijn terrassen die zijn beschermd in het kader van GLMC 7 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, alsmede andere terrassen. De lidstaten kunnen besluiten om alleen terrassen die in het kader van GLMC 7 zijn beschermd, als ecologisch aandachtsgebied aan te merken. lidstaten die besluiten om ook andere terrassen in aanmerking te nemen, stellen op basis van specifieke nationale of regionale kenmerken criteria voor deze andere terrassen vast, waaronder de minimumhoogte.
4. Landschapselementen staan ter beschikking van de landbouwer en zijn beschermd in het kader van GLMC 7, RBE 2 of RBE 3 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, alsmede de volgende elementen:
|
a) |
heggen of houtwallen met een maximale breedte van 10 m; |
|
b) |
geïsoleerde bomen met een kruindiameter van minimaal 4 m; |
|
c) |
bomen in rij met een kruindiameter van minimaal 4 m. De ruimte tussen de kruinen bedraagt niet meer dan 5 m; |
|
d) |
bomen in groep met overlappende kruinen, en boomgroepen in het veld, op een oppervlakte van maximaal 0,3 ha; |
|
e) |
akkerranden met een breedte tussen 1 en 20 m waarop geen landbouwproductie plaatsvindt; |
|
f) |
vijvers van maximaal 0,1 ha. Reservoirs van beton of plastic worden niet als ecologisch aandachtsgebied beschouwd; |
|
g) |
sloten met een breedte van maximaal 6 m, inclusief open waterlopen voor irrigatie of drainage. Kanalen met betonnen wanden worden niet als ecologisch aandachtsgebied beschouwd; |
|
h) |
traditionele stenen muren. |
De lidstaten kunnen in naar behoren gemotiveerde gevallen besluiten de selectie van landschapselementen te beperken tot die welke vallen onder GLMC 7, RBE 2 of RBE 3 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, en/of tot een of meer van de onder a) tot en met h), van de eerste alinea vermelde elementen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder b) en c), kunnen lidstaten bomen met een kruindiameter van minder dan 4 m die zij als waardevolle landschapselementen hebben erkend, in aanmerking nemen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder e), kunnen de lidstaten een lagere maximumbreedte vaststellen.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder h), kunnen de lidstaten een minimumomvang voor vijvers vaststellen en kunnen zij bepalen dat daartoe een strook oevervegetatie wordt gerekend met een breedte van maximaal 10 m Zij kunnen, met inachtneming van het belang van natuurlijke vijvers voor de instandhouding van habitats en soorten, criteria vaststellen die waarborgen dat de vijvers een natuurwaarde hebben.
Voor de toepassing van de eerste alinea, onder h), stellen de lidstaten op basis van specifieke nationale of regionale kenmerken minimumcriteria vast, waaronder beperkingen voor de hoogte en de breedte.
5. Onder bufferstroken vallen de in het kader van GLMC 1, RBE 1 of RBE 10 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 vereiste bufferstroken, alsmede andere bufferstroken. De minimumbreedte van deze andere bufferstroken wordt door de lidstaten vastgesteld, maar mag niet minder bedragen dan 1 m. Deze moeten zo op een akker gelegen zijn of aan een akker grenzen dat de lange randen parallel lopen aan de oever van een waterloop of waterlichaam. Langs waterlopen gelegen bufferstroken mogen stroken met oevervegetatie van maximaal 10 m breed omvatten. Op bufferstroken mag geen landbouwproductie plaatsvinden. In afwijking van het productieverbod kunnen de lidstaten toestaan dat deze bufferstroken worden begraasd of gemaaid op voorwaarde dat de bufferstroken steeds kunnen worden onderscheiden van de aangrenzende landbouwgrond.
6. Hectaren onder boslandbouw worden beschouwd als bouwland dat in aanmerking komt voor de toepassing van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en dat voldoet aan de voorwaarden waaronder in artikel 44 van Verordening (EG) nr. 1698/2005 of artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde steun dan wel bijstand is of wordt verleend.
7. Ten aanzien van stroken subsidiabele hectaren langs bosranden kunnen lidstaten besluiten om hetzij landbouwproductie daarop toe te staan hetzij een landbouwproductieverbod vast te stellen, of in beide opties voor landbouwers te voorzien. Wanneer de lidstaten besluiten om daarop geen landbouwproductie toe te staan, kunnen zij, in afwijking van het productieverbod, toestaan dat deze stroken worden begraasd of gemaaid op voorwaarde dat de stroken steeds kunnen worden onderscheiden van de aangrenzende landbouwgrond. De minimumbreedte van deze stroken wordt door de lidstaten vastgesteld, maar mag niet minder bedragen dan 1 m. De maximumbreedte bedraagt 10 m.
8. Voor arealen met hakhout met korte omlooptijd waar geen minerale meststoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, stellen de lidstaten een lijst van soorten op die hiervoor kunnen worden gebruikt, door op de krachtens artikel 4, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde lijst de soorten te selecteren die uit ecologisch oogpunt daarvoor het geschiktst zijn en daarbij de duidelijk niet-inheemse soorten uit te sluiten. De lidstaten stellen ook eisen voor de toepassing van minerale meststoffen en/of gewasbeschermingsmiddelen vast en houden daarbij rekening met het doel van ecologische aandachtsgebieden om met name de biodiversiteit veilig te stellen en te verbeteren.
9. Onder de arealen met vanggewassen en groenbedekking vallen tevens de arealen die zijn aangelegd krachtens de eisen in het kader van RBE 1 als bedoeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, alsmede andere arealen met vanggewassen of groenbedekking, op voorwaarde dat deze zijn aangelegd door een mengsel van gewassoorten te zaaien of door onder het hoofdgewas gras te zaaien. De lidstaten stellen de lijst van te gebruiken mengsels van gewassoorten en de periode voor de inzaai van de vanggewassen of de groenbedekking op en kunnen aanvullende voorwaarden vaststellen voor met name de productiemethoden. De door de lidstaten vast te stellen periode moet uiterlijk op 1 oktober verstrijken.
Onder de arealen met vanggewassen en groenbedekking vallen niet de arealen met wintergewassen die normaliter in de herfst worden ingezaaid om te worden geoogst of begraasd. Evenmin vallen onder deze arealen de arealen waarop gelijkwaardige praktijken worden toegepast die worden vermeld in bijlage IX, deel I, punten 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en ten uitvoer worden gelegd via de in artikel 43, lid 3, onder a), van die verordening bedoelde verbintenissen.
10. Op arealen met stikstofbindende gewassen telen de landbouwers de stikstofbindende gewassen die in een door de lidstaat vastgestelde lijst zijn opgenomen. In die lijst worden de stikstofbindende gewassen vermeld die de lidstaat bevorderlijk acht voor de nagestreefde verbetering van de biodiversiteit. Deze gewassen moeten tijdens het groeiseizoen aanwezig zijn. De lidstaten bepalen de locaties waar stikstofbindende gewassen mogen worden geteeld om als ecologisch aandachtsgebied in aanmerking te komen. In de desbetreffende voorschriften wordt rekening gehouden met de noodzaak de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG en Richtlijn 2000/60/EG te halen, en met de mogelijkheid dat stikstofbindende gewassen de uitspoeling van stikstof in de herfst kunnen verhogen. De lidstaten kunnen aanvullende voorwaarden vaststellen voor met name de productiemethoden.
Onder de arealen met stikstofvastleggende gewassen vallen niet de arealen waarop gelijkwaardige praktijken van toepassing zijn die worden vermeld in bijlage IX, deel I, punten 3 en 4, bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 en ten uitvoer worden gelegd via de in artikel 43, lid 3, onder a), van die verordening bedoelde verbintenissen.
11. Een landbouwer mag hetzelfde areaal of hetzelfde landschapselement slechts een keer per aanvraagjaar aangeven teneinde te voldoen aan de verplichting tot het hebben van een ecologisch aandachtsgebied.
Artikel 46
Voorschriften voor de regionale tenuitvoerlegging van ecologische aandachtsgebieden
1. Lidstaten die opteren voor de in artikel 46, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde regionale tenuitvoerlegging, omschrijven de betrokken regio’s met het oog op de toepassing van dat artikel. De te omschrijven regio vormt een enkel homogeen geografisch gebied met vergelijkbare landbouw- en milieuomstandigheden. Het concept homogeniteit heeft in dit verband betrekking op de bodemsoort, de hoogte en de aanwezigheid van natuurlijke en seminatuurlijke arealen.
2. De lidstaten wijzen in die omschreven regio’s gelegen arealen aan waar maximaal de helft van de procentpunten van de verplichting tot het hebben van ecologisch aandachtsgebied ten uitvoer moet worden gelegd.
3. De lidstaten stellen voor de omschreven arealen specifieke verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers vast. Deze verplichtingen moeten zorgen voor aaneengesloten structuren van aangrenzende ecologische aandachtsgebieden. In het kader van de verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers is ten minste 50 % van het areaal van elke deelnemende landbouwer dat onder de in artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde verplichting valt, op de grond van hun bedrijf in de regio en overeenkomstig artikel 46, lid 2, tweede alinea, van die verordening gelegen.
4. De verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers zorgen ervoor dat de in lid 3 bedoelde aaneengesloten ecologische aandachtsgebieden bestaan uit een of meer arealen als bedoeld in artikel 46, lid 2, eerste alinea, onder a), c), d) en h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
5. Bij het aanwijzen van arealen en het vaststellen van verplichtingen als bedoeld in respectievelijk lid 2 en lid 3, houden de lidstaten in voorkomend geval rekening met de bestaande nationale of regionale biodiversiteit en/of strategieën voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, stroomgebiedbeheerplannen of geconstateerde behoeften teneinde de in artikel 10 van Richtlijn 92/43/EEG bedoelde ecologische coherentie van het Natura 2000-netwerk te waarborgen of aan de uitvoering van de strategie voor groene infrastructuur bij te dragen.
6. Alvorens verplichtingen voor landbouwers vast te stellen, plegen de lidstaten overleg met de betrokken landbouwers of groepen landbouwers en andere belanghebbende partijen. Na dat overleg stellen de lidstaten een definitief uitgewerkt plan voor de regionale tenuitvoerlegging vast en stellen zij de belanghebbende partijen die aan het overleg hebben deelgenomen, en de betrokken landbouwers of groepen landbouwers in kennis van dat plan, inclusief de aanwijzing van arealen en de verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers en met name het precieze percentage dat elke landbouwer op zijn eigen bedrijf ten uitvoer moet leggen. De lidstaten verstrekken deze informatie aan de landbouwer uiterlijk op 30 juni van het jaar voorafgaand aan het jaar waarin de regionale tenuitvoerlegging zal worden toegepast, of, met betrekking tot het eerste jaar van toepassing van deze verordening, vroeg genoeg om de landbouwer in de gelegenheid te stellen zijn aanvraag dienovereenkomstig in te dienen.
Onverminderd de in artikel 43, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde betalingen aan landbouwers, zorgen de lidstaten ervoor dat regelingen worden vastgesteld inzake financiële compensaties tussen landbouwers en inzake administratieve sancties bij niet-naleving van de eisen inzake aaneengesloten ecologische aandachtsgebieden.
Artikel 47
Voorschriften voor de collectieve tenuitvoerlegging en de criteria waaraan bedrijven moeten voldoen om te worden beschouwd als bedrijven in elkaars onmiddellijke nabijheid
1. Lidstaten die besluiten de in artikel 46, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde collectieve tenuitvoerlegging toe te staan, bepalen aan de hand van een van de volgende criteria welke bedrijven worden beschouwd als bedrijven die zich in elkaars onmiddellijke nabijheid bevinden:
|
a) |
de bedrijven van de landbouwers liggen voor 80 % in dezelfde gemeente; |
|
b) |
de bedrijven van de landbouwers liggen voor 80 % in een straal van een door de lidstaten vast te stellen aantal kilometer dat niet meer dan 15 km bedraagt. |
2. Lidstaten die ervoor opteren de voor collectieve tenuitvoerlegging in aanmerking komende arealen aan te wijzen en ervoor opteren verplichtingen aan de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers op te leggen, houden rekening met de bestaande nationale of regionale biodiversiteit en/of strategieën voor de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, stroomgebiedbeheerplannen of geconstateerde behoeften teneinde de in artikel 10 van Richtlijn 92/43/EEG bedoelde ecologische coherentie van het Natura 2000-netwerk te waarborgen of aan de uitvoering van de strategie voor groene infrastructuur bij te dragen.
3. Als een van de in lid 2 bedoelde verplichtingen voor de deelnemende landbouwers of groepen landbouwers moet worden opgelegd dat de aaneengesloten ecologische aandachtsgebieden bestaan uit een of meer arealen als bedoeld in artikel 46, lid 2, tweede alinea, onder a), c), d) en h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
4. Landbouwers die aan de collectieve tenuitvoerlegging deelnemen, sluiten een schriftelijke overeenkomst met nadere gegevens over de interne regelingen inzake financiële compensatie en inzake de administratieve sancties bij niet-naleving van de eisen inzake het gemeenschappelijke ecologische aandachtsgebied.
Artikel 48
Vaststelling van de verhouding bos/landbouwgrond
1. Lidstaten die besluiten artikel 46, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ten uitvoer te leggen, bepalen op basis van de beschikbare Eurostat-gegevens het in de eerste alinea van dat lid bedoelde procentuele aandeel van bossen in de totale landoppervlakte. De gegevens over bossen dienen in overeenstemming te zijn met de door de Voedsel- en Landbouworganisatie van de VN toegepaste definitie en mogen geen betrekking hebben op arealen andere beboste grond. Het areaal dat wordt bestreken door binnenwateren, zoals rivieren en meren, wordt niet meegerekend in de totale landoppervlakte.
2. De in artikel 46, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde verhouding bos/landbouwgrond wordt berekend op basis van de beschikbare Eurostat-gegevens. Het gebruik van andere gegevensbronnen wordt toegestaan indien geen Eurostat-gegevens over beboste grond en landbouwgrond beschikbaar zijn op de schaal die vereist is om het bosquotiënt te beoordelen op een areaalniveau dat gelijkwaardig is met LAU2-niveau of op het niveau van een duidelijk afgebakende eenheid bestaande in een duidelijk aaneengesloten geografisch areaal met vergelijkbare landbouwomstandigheden.
De lidstaten moeten aantonen dat zij gebruik hebben gemaakt van actuele en consistente gegevens over bosgrond en landbouwgrond die voor zover mogelijk de bestaande situatie weergegeven.
3. De in de leden 1 en 2 bedoelde gegevens en berekeningen zijn geldig voor een periode van drie jaar. Na die periode maken lidstaten die besluiten de in artikel 46, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde vrijstelling verder toe te passen en de periode van drie jaar te verlengen, op basis van de meest recente beschikbare gegevens een herberekening van de verhouding overeenkomstig de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel.
Wanneer de wijzigingen in de administratieve afbakening van invloed zijn op de in lid 2 bedoelde verhouding, worden de data en berekeningen herbeoordeeld en worden wijzigingen in de toepassing van de vrijstelling aan de Commissie gemeld.
HOOFDSTUK 4
BETALING VOOR JONGE LANDBOUWERS
Artikel 49
Toegang van rechtspersonen tot de betaling voor jonge landbouwers
1. De in artikel 50, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde jaarlijkse betaling voor jonge landbouwers wordt toegekend aan een rechtspersoon, ongeacht diens rechtsvorm, die aan de volgende voorwaarden voldoet:
|
a) |
de rechtspersoon heeft recht op een betaling in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in titel III, hoofdstuk 1 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en heeft betalingsrechten geactiveerd of subsidiabele hectaren aangegeven als bedoeld in artikel 50, lid 4, van die verordening; |
|
b) |
een jonge landbouwer in de zin van artikel 50, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 heeft een daadwerkelijke, langdurige zeggenschap over de rechtspersoon wat betreft de beslissingen die op het gebied van het beheer, de voordelen en de financiële risico’s worden genomen, in het eerste jaar van de door de rechtspersoon ingediende aanvraag voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers. Indien meerdere natuurlijke personen, met inbegrip van personen die geen jonge landbouwer zijn, in het kapitaal of het beheer van de rechtspersoon deelnemen, moet de jonge landbouwer hetzij alleen hetzij gezamenlijk met andere landbouwers een dergelijke daadwerkelijke, langdurige zeggenschap kunnen uitoefenen; |
|
c) |
ten minste een van de jonge landbouwers die voldoen aan de onder b) gestelde voorwaarde, voldoet ook aan de subsidiabiliteitscriteria die de lidstaten in voorkomend geval overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 hebben vastgesteld, tenzij de lidstaten hebben besloten dat deze criteria op al die jonge landbouwers van toepassing zijn. |
Indien over een rechtspersoon alleen of gezamenlijk zeggenschap wordt uitgeoefend door een andere rechtspersoon, zijn de voorwaarden van de eerste alinea, onder b), van toepassing op om het even welke natuurlijke persoon die zeggenschap heeft over die andere rechtspersoon.
2. De in artikel 50, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde betaling wordt niet meer toegekend als alle jonge landbouwers die aan de criteria van lid 1, eerste alinea, onder b), en in voorkomend geval lid 1, eerste alinea, onder c), voldoen, geen zeggenschap meer hebben over de rechtspersoon.
3. Voor de toepassing van dit artikel:
|
a) |
wordt een verwijzing in artikel 50, leden 4 tot en met 10, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 naar een „landbouwer” gelezen als een verwijzing naar de in het onderhavige artikel bedoelde rechtspersoon; |
|
b) |
wordt de verwijzing in artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 naar de eerste indiening van een aanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling gelezen als een verwijzing naar de eerste aanvraag van de rechtspersoon voor de betaling in het kader van de regeling voor jonge landbouwers; |
|
c) |
wordt, onverminderd lid 4 van het onderhavige artikel, de verwijzing in artikel 50, lid 5, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 naar de „vestiging” gelezen als een verwijzing naar de vestiging van de jonge landbouwers die overeenkomstig lid 1, eerste alinea, onder b), van het onderhavige artikel zeggenschap hebben over de rechtspersoon. |
4. Indien meerdere in lid 1, eerste alinea, onder b), bedoelde jonge landbouwers op verschillende momenten zeggenschap over de rechtspersoon hebben verworven, wordt de eerste gelegenheid waarbij zeggenschap is verworven, beschouwd als het moment van „vestiging” als bedoeld in artikel 50, lid 5, tweede zin, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
Artikel 50
Toegang van een groep natuurlijke personen tot de betaling voor jonge landbouwers
Artikel 49 is van overeenkomstige toepassing op een groep natuurlijke personen als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 die voldoet aan de in artikel 49, lid 1, onder a), van de onderhavige verordening vastgestelde vereisten.
HOOFDSTUK 5
GEKOPPELDE STEUN
AFDELING 1
Vrijwillige gekoppelde steun
Artikel 51
Definities
Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder „gekoppelde steunmaatregelen” verstaan maatregelen tot uitvoering van de vrijwillige gekoppelde steun als bedoeld in artikel 52, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
Artikel 52
Algemene beginselen
1. De lidstaten stellen de in artikel 52, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde regio’s vast op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria, zoals de agronomische en sociaaleconomische kenmerken en het regionale agrarische potentieel, of de institutionele of administratieve structuur. Dit mogen andere regio’s zijn dan die welke zijn vastgesteld in het kader van andere in Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde steunregelingen.
2. Bij de vaststelling van de specifieke soorten landbouw of de specifieke landbouwsectoren als bedoeld in artikel 52, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 houden de lidstaten met name rekening met de ter zake relevante productiestructuren en -voorwaarden in de betrokken regio of sector.
3. Voor de toepassing van artikel 52, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt ervan uitgegaan dat bepaalde soorten landbouw of specifieke landbouwsectoren „moeilijkheden” ondervinden indien een kans op stopzetting van de productie of op een achteruitgang van de productie bestaat die onder meer is terug te voeren op een geringe rentabiliteit van de verrichte activiteit die het economische, sociale of ecologische evenwicht in de betrokken regio of sector negatief beïnvloedt.
Artikel 53
Voorwaarden voor de steunverlening
1. De lidstaten stellen subsidiabiliteitscriteria voor gekoppelde steunmaatregelen vast overeenkomstig het kader van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en de voorwaarden van de onderhavige verordening.
2. De in artikel 52, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde arealen, opbrengsten en aantallen dieren worden door de lidstaten op regionaal of sectoraal niveau vastgesteld. Deze waarden weerspiegelen de maximale opbrengsten, de teeltarealen of de aantallen dieren die in de beoogde regio’s of sectoren zijn bereikt in ten minste een van de vijf jaren die voorafgaan aan het in artikel 53, lid 1, van die verordening bedoelde besluit.
De jaarlijkse betaling wordt uitgedrukt als het steunbedrag per eenheid. De jaarlijkse betaling is het resultaat van de verhouding tussen het overeenkomstig bijlage I, punt 3, i), bij de onderhavige verordening gemelde bedrag dat is vastgesteld voor de financiering van de maatregel en hetzij het in het betrokken jaar subsidiabele areaal of aantal dieren, hetzij het vastgestelde areaal of aantal dieren als bedoeld in de eerste alinea van dit lid.
3. Wanneer de gekoppelde steunmaatregel betrekking heeft op de oliehoudende zaden als genoemd in de bijlage bij het memorandum van overeenstemming betreffende oliehoudende zaden tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Verenigde Staten van Amerika in het kader van de GATT mag het totaal van de te steunen maximumarealen, zoals gemeld door de lidstaten, niet hoger zijn dan een maximumareaal op het niveau van de Unie, zulks met het oog op de nakoming van haar internationale verbintenissen.
Wanneer het in de eerste alinea bedoelde maximumareaal wordt overschreden, passen de betrokken lidstaten het gemelde areaal aan door een verlagingscoëfficiënt toe te passen die voortvloeit uit de verhouding tussen het maximumareaal en het totaal van de arealen die voor steun ten bate van de in de eerste alinea bedoelde oliehoudende zaden zijn gemeld.
De Commissie stelt de in de tweede alinea bedoelde verlagingscoëfficiënt vast middels uitvoeringshandelingen die worden vastgesteld zonder toepassing van de in artikel 71, lid 2 of lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde procedure.
4. Wanneer de gekoppelde steunmaatregel betrekking heeft op runderen en/of schapen en geiten, stellen de lidstaten als een van de subsidiabiliteitsvoorwaarden vast dat de eisen inzake identificatie en registratie van dieren waarin respectievelijk Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad (25) en Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad (26) voorzien, in acht moeten worden genomen.
5. De lidstaten kunnen geen areaalgebonden gekoppelde steun verlenen voor arealen die geen subsidiabele arealen in de zin van artikel 32, lid 2, lid 3 of lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn. Wanneer lidstaten gekoppelde steun voor hennep verlenen, is de in artikel 32, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en in artikel 9 van de onderhavige bedoelde voorwaarde van toepassing.
Artikel 54
Consistentie en cumulatie van de steun
1. Voor de toepassing van artikel 52, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden de maatregelen van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (27) beschouwd als „andere maatregelen en beleidslijnen van de Unie”.
2. De lidstaten zorgen voor consistentie tussen:
|
a) |
gekoppelde steunmaatregelen en in het kader van andere maatregelen en beleidslijnen van de Unie uitgevoerde maatregelen; |
|
b) |
verschillende gekoppelde steunmaatregelen; |
|
c) |
gekoppelde steunmaatregelen en uit staatssteun gefinancierde maatregelen. |
De lidstaten zorgen ervoor dat gekoppelde steunmaatregelen de goede werking van andere in de eerste alinea bedoelde maatregelen niet verstoren.
3. Wanneer krachtens een bepaalde gekoppelde steunmaatregel verleende steun ook kan worden verleend krachtens een andere gekoppelde steunmaatregel of krachtens een in het kader van andere maatregelen en beleidslijnen van de Unie uitgevoerde maatregel, zorgen de lidstaten ervoor dat de betrokken landbouwer slechts krachtens een van deze maatregelen steun kan ontvangen voor de in artikel 52, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde doelstelling.
Artikel 55
Criteria voor goedkeuring door de Commissie
1. Voor de toepassing van artikel 55, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is sprake van een gebrek aan alternatieven, indien:
|
a) |
in de beoogde regio of sector geen andere teelt kan worden toegepast dan die waarvoor de gekoppelde steunmaatregel geldt, of de voortzetting van de betrokken teelt aanzienlijke veranderingen in de productiestructuren vergt, of |
|
b) |
de mogelijkheid tot overschakeling naar een andere teelt ernstig wordt beperkt vanwege een gebrek aan voor die teelt geschikte grond of infrastructuur, vanwege een opeenvolgende forse daling van het aantal bedrijven, vanwege de met de overschakeling gepaard gaande investeringen of om vergelijkbare redenen. |
2. Voor de toepassing van artikel 55, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet voor een stabiele voorziening van de lokale verwerkende industrie worden gezorgd indien wordt verwacht dat een opschorting of daling van de productie in de beoogde regio of sector een negatieve invloed zal hebben op de activiteit en de economische levensvatbaarheid daarvan of op de werkgelegenheid in de ondernemingen verderop in de keten die grotendeels op deze productie zijn aangewezen, zoals verwerkers van grondstoffen, slachthuizen of levensmiddelenbedrijven. Dergelijke ondernemingen die verderop in de keten actief zijn, moeten in de betrokken regio gevestigd zijn of moeten voor de voortzetting van hun activiteit sterk afhankelijk zijn van de sector.
3. Voor de toepassing van artikel 55, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is sprake van voortdurende verstoringen op de desbetreffende markt indien landbouwers in de beoogde regio of sector economische verliezen lijden, met name vanwege verontreiniging, besmetting of degradatie van de kwaliteit van het milieu als gevolg van een specifieke gebeurtenis met een beperkte geografische uitwerking.
4. Bij de beoordeling van het niveau van de gekoppelde steun dat voortvloeit uit de door de lidstaten voor goedkeuring gemelde maatregelen, houdt de Commissie rekening met het niveau van de gekoppelde rechtstreekse betalingen die zijn toegekend tijdens ten minste een jaar van de referentieperiode 2010-2014 als bedoeld in artikel 53, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
AFDELING 2
Gewasspecifieke betaling voor katoen
Artikel 56
Verlening van een vergunning voor landbouwgrond met het oog op de productie van katoen
De lidstaten stellen objectieve criteria vast voor de verlening van een vergunning voor landbouwgrond overeenkomstig artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
Deze criteria zijn gebaseerd op een of meer van de volgende elementen:
|
a) |
de landbouweconomie van de regio’s waarvoor de productie van katoen belangrijk is; |
|
b) |
de bodem- en klimaatgesteldheid op de betrokken arealen; |
|
c) |
het irrigatiewaterbeheer; |
|
d) |
milieuvriendelijke vruchtwisselings- en teeltmethoden. |
Artikel 57
Verlening van een vergunning voor rassen voor inzaai
Met het oog op de toepassing van artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 verlenen de lidstaten een vergunning voor op de behoeften van de markt afgestemde rassen die zijn ingeschreven in de in Richtlijn 2002/53/EG bedoelde gemeenschappelijke rassenlijst van landbouwgewassen.
Artikel 58
Subsidiabiliteitseisen
De in artikel 57, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde arealen worden ingezaaid met het oog op een minimale gewasdichtheid die door de lidstaat wordt vastgesteld op basis van de bodem- en klimaatgesteldheid en, in voorkomend geval, de specifieke regionale kenmerken.
Artikel 59
Agronomische praktijken
De lidstaten kunnen specifieke voorschriften vaststellen inzake de agronomische praktijken die nodig zijn om het gewas in normale teeltomstandigheden te verbouwen en te oogsten.
Artikel 60
Erkenning van brancheorganisaties
1. De lidstaten verlenen jaarlijks voor een periode van een jaar die uiterlijk op 1 maart ingaat, een erkenning aan in artikel 59, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde brancheorganisaties die een aanvraag indienen om een dergelijke erkende organisatie te worden, en die:
|
a) |
een door de lidstaat vastgesteld totaal areaal van ten minste 4 000 ha bestrijken dat voldoet aan de in artikel 56 van de onderhavige verordening genoemde criteria voor de verlening van een vergunning, |
|
b) |
ten minste een egreneringsbedrijf omvatten, en |
|
c) |
overeenkomstig de nationale en de EU-regelgeving voorschriften inzake de interne werking hebben vastgesteld, met name inzake lidmaatschapsvoorwaarden en ledenbijdragen. |
2. Wanneer wordt geconstateerd dat een erkende brancheorganisatie de in lid 1 bedoelde erkenningscriteria niet in acht neemt, trekt de lidstaat de erkenning in tenzij de niet-inachtneming van de betrokken criteria wordt verholpen. lidstaten die voornemens zijn de erkenning in te trekken, delen dat aan de brancheorganisatie mee onder vermelding van de redenen voor de intrekking. De lidstaat stelt de brancheorganisatie in de gelegenheid om binnen een bepaalde termijn haar opmerkingen in te dienen.
Landbouwers die zijn aangesloten bij een erkende brancheorganisatie waarvan de erkenning overeenkomstig de eerste alinea van dit lid wordt ingetrokken, verliezen hun recht op de in artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bepaalde verhoging van de steun.
Artikel 61
Verplichtingen van de producenten
1. Een producent mag bij slechts een in artikel 59, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde erkende brancheorganisatie zijn aangesloten.
2. Een producent die bij een erkende brancheorganisatie is aangesloten, levert zijn katoenproductie uitsluitend aan een egreneringsbedrijf dat tot diezelfde organisatie behoort.
3. Producenten zijn op vrijwillige basis lid van een erkende brancheorganisatie.
HOOFDSTUK 6
MELDINGEN
Artikel 62
Meldingen inzake de definities en daarmee verband houdende bepalingen
De lidstaten melden overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genomen besluiten uiterlijk op 31 januari 2015 aan de Commissie. Deze meldingen bevatten de tekst van die besluiten, de motivering en de objectieve criteria op basis waarvan het besluit is genomen.
Artikel 63
Meldingen inzake de verlagingscoëfficiënt als bedoeld in artikel 32, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
De betrokken lidstaten melden de Commissie uiterlijk op 31 januari 2015 uit hoofde van artikel 8 genomen besluiten. Deze meldingen bevatten de tekst van die besluiten, de motivering ervan en de objectieve criteria op basis waarvan het besluit is genomen.
Artikel 64
Meldingen inzake de basisbetaling
1. Aan de Commissie gerichte meldingen van besluiten die de lidstaten overeenkomstig artikel 22, leden 2 en 3, artikel 24, lid 10, artikel 29 en artikel 40, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 hebben genomen, bevatten de tekst van die besluiten. Bovendien worden overeenkomstig artikel 24, lid 10, artikel 29 en artikel 40, lid 4, genomen besluiten in voorkomend geval gemotiveerd.
Aan de Commissie gerichte meldingen van besluiten die de lidstaten overeenkomstig artikel 23, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 hebben genomen, bevatten de tekst van die besluiten, de motivering ervan en de objectieve criteria op basis waarvan die besluiten zijn genomen, en met name de criteria voor de vaststelling van de regio’s uit hoofde van artikel 23, lid 1, van die verordening, de criteria voor de verdeling van de nationale maxima over de regio’s uit hoofde van artikel 23, lid 2, van die verordening en de criteria voor eventuele progressieve wijzigingen uit hoofde van artikel 23, lid 3, van die verordening.
2. Lidstaten die besluiten gebruik te maken van de opties als bedoeld in artikel 30, lid 7 en lid 11, onder b), artikel 32, lid 3, onder b), en lid 5, en artikel 36, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 melden de Commissie uiterlijk op 31 januari van het eerste jaar van toepassing van de betrokken besluiten de tekst van die besluiten, de motivering ervan en, in voorkomend geval, de objectieve criteria op basis waarvan die besluiten zijn genomen.
Bij een herziening van een besluit als bedoeld in artikel 30, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde informatie uiterlijk op 31 januari van het eerste jaar van toepassing van het herziene besluit aan de Commissie gemeld.
3. Lidstaten die besluiten gebruik te maken van de in artikel 34, leden 3 en 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde optie, melden hun besluit uiterlijk op 31 januari van het eerste jaar van toepassing van dat besluit aan de Commissie
4. Lidstaten die besluiten gebruik te maken van de opties als bedoeld in artikel 39, lid 1, en artikel 40, leden 2 en 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, melden de Commissie uiterlijk op 31 juli van het jaar voorafgaande aan het eerste jaar van toepassing van het betrokken besluit de tekst van dat besluit, de motivering ervan en, in voorkomend geval, de objectieve criteria op basis waarvan het besluit is genomen.
5. Lidstaten die besluiten de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig artikel 36, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toe te passen, melden de Commissie jaarlijks uiterlijk op 1 september voor het betrokken aanvraagjaar het totale aantal hectaren dat de landbouwers uit hoofde van artikel 36, lid 2, van die verordening hebben aangegeven.
Artikel 65
Meldingen inzake de vergroening
1. De lidstaten melden de volgende informatie aan de Commissie:
|
a) |
uiterlijk op 15 december 2014:
|
|
b) |
uiterlijk op 15 december van het betrokken jaar, het besluit om nieuwe arealen ecologisch kwetsbaar blijvend grasland aan te wijzen als bedoeld in artikel 41, tweede alinea, van de onderhavige verordening; |
|
c) |
uiterlijk op 15 december van elk jaar, voor het betrokken aanvraagjaar:
|
|
d) |
uiterlijk op 15 december van elk jaar, de referentieverhouding en de jaarlijkse verhouding tussen de arealen blijvend grasland en het totale landbouwareaal, alsmede informatie over de verplichtingen die overeenkomstig artikel 45, lid 2, vijfde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 44 van de onderhavige verordening op bedrijfsniveau zijn vastgesteld. |
2. In de melding die de lidstaten op grond van artikel 46, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 uiterlijk op 1 augustus 2014 doen, delen zij de volgende informatie aan de Commissie mee:
|
a) |
hun besluit welke arealen zoals omschreven in artikel 46, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, als ecologisch aandachtsgebied zijn aangemerkt, en daarnaast, uiterlijk op 1 oktober 2014, de tekst van dat besluit, alsmede informatie over de voorwaarden die in het kader van het door de betrokken lidstaat genomen besluit voor die arealen gelden; |
|
b) |
nadere informatie over het gebruik van de in artikel 46, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde omzettings- en wegingsfactoren. |
3. In de melding die de lidstaten op grond van artikel 46, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de eerste toepassing van het betrokken besluit aan de Commissie doen, delen zij de volgende informatie aan de Commissie mee:
|
a) |
voor lidstaten die opteren voor de regionale tenuitvoerlegging als bedoeld in artikel 46, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, informatie over de omschrijving van de regio’s, de aanwijzing van arealen, de voor de toepassing van artikel 46, lid 4, van de onderhavige verordening geselecteerde arealen, en informatie waarin wordt toegelicht op welke wijze deze regionale tenuitvoerlegging de tenuitvoerlegging van het Uniebeleid inzake milieu, klimaat en biodiversiteit ondersteunt; |
|
b) |
lidstaten die besluiten een in artikel 46, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde collectieve tenuitvoerlegging toe te staan, voegen in voorkomend geval informatie bij over de aanwijzing van arealen en de voor de toepassing van artikel 47, lid 3, van de onderhavige verordening geselecteerde arealen. |
4. In de melding die de lidstaten op grond van artikel 46, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de eerste toepassing van het betrokken besluit aan de Commissie doen, delen de lidstaten die aan de voorwaarden van artikel 46, lid 7, van die verordening voldoen en die besluiten de in die bepaling bedoelde vrijstelling toe te passen, de tekst van dat besluit aan de Commissie mee, alsmede de gegevens en de berekeningen waaruit blijkt dat alle in artikel 46, lid 7, van die verordening bedoelde vrijstellingsvoorwaarden zijn vervuld.
De eerste alinea is van overeenkomstige toepassing op besluiten om de in artikel 46, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde vrijstelling verder toe te passen en de periode van drie jaar overeenkomstig artikel 48, lid 3, van de onderhavige verordening te verlengen.
De lidstaten stellen de Commissie onmiddellijk in kennis van wijzigingen in de toepassing van de in artikel 46, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde vrijstelling.
Artikel 66
Meldingen inzake de betaling voor jonge landbouwers
1. Lidstaten die besluiten om artikel 50, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toe te passen voor de berekening van de betaling voor jonge landbouwers, melden uiterlijk op 31 januari 2015 aan de Commissie welke methode zij voor de berekening van de betaling hebben gekozen, alsmede het overeenkomstig artikel 50, lid 9, van die verordening vastgestelde maximum.
2. Lidstaten die besluiten om subsidiabiliteitscriteria overeenkomstig artikel 50, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vast te stellen of de berekeningsmethode van artikel 50, lid 10, van die verordening toe te passen, melden het betrokken besluit uiterlijk op 31 januari 2015 aan de Commissie.
3. Lidstaten die besluiten gebruik te maken van de in artikel 50, lid 10, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde mogelijkheid om het bepaalde aantal hectaren te herberekenen, moeten dit besluit uiterlijk op 1 augustus van het jaar waarvoor deze herberekening zou gelden, aan de Commissie melden, samen met een motivering ervan en de objectieve criteria op basis waarvan het besluit is genomen.
Artikel 67
Meldingen inzake de vrijwillige gekoppelde steun
1. De in artikel 54, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde meldingen bevatten de in bijlage I bij de onderhavige verordening vermelde informatie-elementen.
2. Voor elke gekoppelde steunmaatregel en elke specifieke soort landbouw of specifieke landbouwsector in kwestie melden de lidstaten aan de Commissie het totale aantal begunstigden, het bedrag van de toegekende betalingen, het totale areaal en het totale aantal dieren waarvoor de steun daadwerkelijk is betaald. Deze meldingen worden gedaan uiterlijk op 15 september van het jaar na dat waarvoor de betalingen zijn toegekend.
Artikel 68
Meldingen inzake de minimumvereisten voor het ontvangen van rechtstreekse betalingen
De lidstaten melden een overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genomen besluit uiterlijk op 1 augustus 2014 aan de Commissie.
Artikel 69
Meldingen inzake de herverdelingsbetaling
Lidstaten die besluiten de in titel III, hoofdstuk 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde herverdelingsbetaling toe te kennen, melden krachtens artikel 41, lid 1, tweede alinea, van die verordening de tekst van dat besluit, alsmede de gegevens en motivering betreffende de berekening van de herverdelingsbetaling en, in voorkomend geval, informatie over regionale toepassing op grond van artikel 41, lid 2, van die verordening en over gradatie in het aantal hectaren op grond van artikel 41, lid 5, van die verordening.
Artikel 70
Meldingen inzake de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen
Lidstaten die besluiten de in titel III, hoofdstuk 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen toe te kennen, melden een overeenkomstig artikel 48 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genomen besluit uiterlijk op 1 augustus 2014 aan de Commissie. Deze melding bevat de tekst van dat besluit, alsmede, in voorkomend geval, informatie over beperking van de betalingen tot bepaalde gebieden als bedoeld in artikel 48, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, over toepassing van de maxima als bedoeld in artikel 48, lid 4, van die verordening en over regionale toepassing als bedoeld in artikel 48, lid 5, van die verordening.
Artikel 71
Meldingen inzake de regeling voor kleine landbouwers
Lidstaten die besluiten de in titel V van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde regeling voor kleine landbouwers toe te passen, melden een overeenkomstig die titel genomen besluit uiterlijk op 1 augustus 2014 aan de Commissie.
Deze melding bevat de tekst van het betrokken besluit, met inbegrip van de eventuele automatische opneming van landbouwers overeenkomstig artikel 62, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en de berekening van de betaling overeenkomstig artikel 63 van die verordening.
De lidstaten melden het in artikel 65, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde besluit over financiering onverwijld en niet later dan 1 december van het kalenderjaar waarop de betaling betrekking heeft, aan de Commissie.
Artikel 72
Toepassing van artikel 8, lid 1, artikel 41, lid 4, of artikel 52, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 op leden van een rechtspersoon of een groep rechtspersonen
Lidstaten die besluiten artikel, 8, lid 4, artikel 41, lid 8, of artikel 52, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toe te passen, melden de tekst van die besluiten uiterlijk op 1 augustus 2014 aan de Commissie.
Artikel 73
Lineaire verlaging van de betalingen
Lidstaten die een in artikel 7, lid 1, tweede alinea, artikel 51, lid 2, of artikel 65, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde lineaire verlaging toepassen, melden het toegepaste verlagingspercentage onverwijld en niet later dan 30 juni van het jaar na het kalenderjaar waarin de lineair verlaagde rechtstreekse betalingen zijn aangevraagd, aan de Commissie.
Artikel 74
Verzoek om informatie over door de lidstaten genomen maatregelen
Wanneer dat nodig is voor een correcte toepassing van Verordening (EU) nr. 1307/2013 of de onderhavige verordening, kan de Commissie de lidstaten verzoeken nadere informatie te verstrekken over door hen genomen maatregelen ter uitvoering van Verordening (EU) nr. 1307/2013 of van voorschriften die de Commissie op basis van die verordening heeft vastgesteld.
Artikel 75
Verslagen
1. Wanneer Bulgarije of Roemenië besluiten aanvullende nationale rechtstreekse betalingen in te voeren overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, dienen zij uiterlijk op 30 juni 2016 een verslag in bij de Commissie. Dit verslag bevat voor elke aanvullende nationale rechtstreekse betaling het aantal begunstigen, het totaalbedrag van de toegekende aanvullende nationale rechtstreekse betaling, het aantal hectaren waarvoor de betaling is toegekend, en het niveau van de betaling, voor zover van toepassing.
2. Lidstaten die besluiten overeenkomstig artikel 37, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 nationale overgangssteun te verlenen, dienen uiterlijk op 15 september van het jaar na de tenuitvoerlegging van die nationale overgangssteun een jaarverslag in bij de Commissie. Dit verslag bevat voor elke sector het aantal begunstigden, het bedrag van de verleende nationale overgangssteun, het aantal hectaren, het aantal dieren of andere eenheden waarvoor die steun is verleend en het niveau van de steun, voor zover van toepassing.
Artikel 76
Melding van besluiten die voortvloeien uit een herziening
Indien een aan de Commissie overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1307/2013 of de onderhavige verordening gemeld besluit wordt herzien, wordt het uit die herziening voortvloeiende besluit uiterlijk vier weken nadat het is genomen, aan de Commissie gemeld, tenzij in Verordening (EU) nr. 1307/2013 een andere termijn voor dergelijke meldingen is bepaald.
Deze melding bevat de tekst van het besluit en een motivering ervan en de objectieve criteria die als basis voor het betrokken besluit hebben gediend, voor zover relevant.
HOOFDSTUK 7
WIJZIGING, INTREKKING EN INWERKINGTREDING
Artikel 77
Wijziging van Verordening (EU) nr. 1307/2013
Bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt vervangen door bijlage II bij de onderhavige verordening.
Artikel 78
Intrekking
De Verordeningen (EG) nr. 1120/2009 en (EG) nr. 1121/2009 worden ingetrokken.
Zij blijven evenwel van toepassing voor de steunaanvragen die op de kalenderjaren vóór kalenderjaar 2015 betrekking hebben.
Artikel 79
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is van toepassing op steunaanvragen die betrekking hebben op de kalenderjaren na kalenderjaar 2014.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 maart 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.
(2) Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16).
(3) Verordening (EG) nr. 1120/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende bepalingen voor de uitvoering van de bedrijfstoeslagregeling waarin is voorzien bij titel III van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers (PB L 316 van 2.12.2009, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 1121/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en V van die verordening ingestelde steunregelingen (PB L 316 van 2.12.2009, blz. 27).
(5) Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).
(6) Arrest van het Hof van 25 november 1986 in gevoegde zaken 201/85 en 202/85, Klensch, Jurisprudentie 1986, blz. 3477, rechtsoverweging 10.
(7) PB L 336 van 23.12.1994, blz. 22.
(8) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden (zie bladzijde 48 van dit Publicatieblad).
(9) Arrest van het Hof van 14 oktober 2010 in zaak C-61/09 Landkreis Bad Dürkheim, Jurispr. 2010, blz. I-09763, punten 50 et seq.
(10) Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PB L 316 van 2.12.2009, blz. 65).
(11) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).
(12) Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1).
(13) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(14) Groene Infrastructuur (GI) — Versterking van Europa’s natuurlijke kapitaal. COM(2013) 249 final van 6 mei 2013.
(15) Zie het arrest van het Hof van 25 oktober 2012 in zaak C-592/11, Anssi Ketelae, punt 56, nog niet gepubliceerd in de Jurisprudentie.
(16) PB L 147 van 18.6.1993, blz. 26.
(17) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(18) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(19) Richtlijn 2002/53/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende de gemeenschappelijke rassenlijst voor landbouwgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 1).
(20) Richtlijn 2002/57/EG van de Raad van 13 juni 2002 betreffende het in de handel brengen van zaaizaad van oliehoudende planten en vezelgewassen (PB L 193 van 20.7.2002, blz. 74).
(21) Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 tot vaststelling van de eisen inzake accreditatie en markttoezicht betreffende het verhandelen van producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 339/93 (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30).
(22) Richtlijn 2004/35/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende milieuaansprakelijkheid met betrekking tot het voorkomen en herstellen van milieuschade (PB L 143 van 30.4.2004, blz. 56).
(23) Verordening (EG) nr. 834/2007 van de Raad van 28 juni 2007 inzake de biologische productie en de etikettering van biologische producten en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2092/91 (PB L 189 van 20.7.2007, blz. 1).
(24) Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).
(25) Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1).
(26) Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8).
(27) Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/01 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).
BIJLAGE I
Overeenkomstig artikel 67, lid 1, aan de Commissie te verstrekken informatie
Bedoelde informatie omvat:
|
1. |
voor elk jaar tot en met 2020 het totale voor de gekoppelde steun vastgestelde bedrag en het betrokken percentage van het nationale maximum als bedoeld in artikel 53 van Verordening (EU) nr. 1307/2013; |
|
2. |
de titel van elke steunmaatregel; |
|
3. |
een beschrijving van elke steunmaatregel, met ten minste de volgende informatie:
|
|
4. |
in voorkomend geval, een uitgebreide beschrijving van de bijzondere situatie in de beoogde regio of sector en van de kenmerken van de specifieke soorten landbouw of specifieke landbouwsectoren, waardoor het in artikel 53, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 genoemde percentage ontoereikend is om iets aan de vastgestelde moeilijkheden te doen, en een verhoging van het steunniveau overeenkomstig artikel 54, lid 2, van die verordening gerechtvaardigd is; |
|
5. |
in voorkomend geval, informatie waaruit het bestaan van een van de behoeften als bedoeld in artikel 55, lid 1, onder a), b), c) of d), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 blijkt. |
BIJLAGE II
„ BIJLAGE X
Omzettings- en wegingsfactoren als bedoeld in artikel 46, lid 3 (*1)
|
Elementen |
Omzettingsfactor (m/boom per m2) |
Wegingsfactor |
Ecologisch aandachtsgebied (bij toepassing van beide factoren) |
||
|
Braakliggend land (per 1 m2) |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Terrassen (per 1 m) |
2 |
1 |
2 m2 |
||
|
Landschapselementen |
|
|
|
||
|
|
Heggen/houtwallen (per 1 m) |
5 |
2 |
10 m2 |
|
|
Geïsoleerde boom (per boom) |
20 |
1,5 |
30 m2 |
||
|
Bomen in een rij (per 1 m) |
5 |
2 |
10 m2 |
||
|
Groepen bomen/Boomgroepen in het veld (per 1 m2) |
n.v.t. |
1,5 |
1,5 m2 |
||
|
Akkerrand (per 1 m) |
6 |
1,5 |
9 m2 |
||
|
Vijvers (per 1 m2) |
n.v.t. |
1,5 |
1,5 m2 |
||
|
Sloten (per 1 m) |
3 |
2 |
6 m2 |
||
|
Traditionele stenen muren (per 1 m) |
1 |
1 |
1 m2 |
||
|
Andere elementen die hierboven niet zijn vermeld, maar in het kader van GLMC 7, RBE 2 of RBE 3 zijn beschermd (per 1 m2) |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Bufferstroken (per 1 m) |
6 |
1,5 |
9 m2 |
||
|
Hectaren onder boslandbouw (per 1 m2) |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Stroken subsidiabele hectaren langs bosranden (per 1 m) |
|
|
|
||
|
|
|
Zonder productie Met productie |
6 6 |
1,5 0,3 |
9 m2 1,8 m2 |
|
Areaal met hakhout met korte omlooptijd (per 1 m2) |
n.v.t. |
0,3 |
0,3 m2 |
||
|
Beboste gebieden als bedoeld in artikel 32, lid 2, onder b), ii) (per m2) |
n.v.t. |
1 |
1 m2 |
||
|
Arealen met vanggewassen of groenbedekking (per 1 m2) |
n.v.t. |
0,3 |
0,3 m2 |
||
|
Arealen met stikstofbindende gewassen (per 1 m2) |
n.v.t. |
0,3 |
0,3 m2 |
||
(*1) Enkel voor de berekening van het in artikel 46, lid 1, van de onderhavige verordening bedoelde ecologische aandachtsgebied van een bedrijf zijn de omzettings- en wegingsfactoren ook van toepassing op elementen die vallen onder de in bijlage IX, deel III, bedoelde gelijkwaardige praktijken en die dezelfde zijn als de in de onderhavige bijlage en in artikel 45 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die Verordening gepreciseerde elementen (PB L 181van 20.6.2014, blz. 1).”
|
20.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 181/48 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 640/2014 VAN DE COMMISSIE
van 11 maart 2014
tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft het geïntegreerd beheers- en controlesysteem en de voorwaarden voor weigering of intrekking van betalingen en voor administratieve sancties in het kader van rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (1), en met name artikel 63, lid 4, artikel 64, lid 6, artikel 72, lid 5, artikel 76, artikel 77, lid 7, artikel 93, lid 4, artikel 101, lid 1, en artikel 120,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 is onder meer Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad (2) ingetrokken en vervangen. Verordening (EU) nr. 1306/2013 machtigt de Commissie om gedelegeerde en uitvoeringshandelingen vast te stellen. Om een soepele werking van het systeem in het nieuwe rechtskader te waarborgen, moeten bepaalde voorschriften worden vastgesteld middels dergelijke handelingen. Deze handelingen moeten met name in de plaats treden van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie (3). |
|
(2) |
Er moeten in het bijzonder voorschriften tot aanvulling van bepaalde niet-essentiële onderdelen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 worden vastgesteld die betrekking hebben op de werking van het geïntegreerd beheers- en controlesysteem („geïntegreerd systeem”), op de termijnen voor de indiening van een steunaanvraag of een betalingsaanvraag, op de voorwaarden voor een gehele of gedeeltelijke intrekking van steun en de gehele of gedeeltelijke intrekking van onverschuldigde steun of bijstand en de bepaling van administratieve sancties bij niet-naleving van de voorwaarden voor steun in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) ingestelde regelingen en van de voorwaarden voor bijstand in het kader van de bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) ingestelde maatregelen, alsmede voorschriften voor de instandhouding van blijvend weiland en voor de berekening van administratieve sancties bij niet-inachtneming van de randvoorwaarden. |
|
(3) |
Naast de definities in Verordening (EU) nr. 1305/2013 en in Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn er met het oog op een geharmoniseerde toepassing van het geïntegreerd systeem nog verdere definities nodig. Voorts moeten bepaalde termen die met de randvoorwaarden verband houden, worden gedefinieerd. |
|
(4) |
De toepassing van administratieve sancties en van weigeringen of intrekkingen van steun of bijstand waarin de onderhavige verordening voorziet, mag de lidstaten er niet van weerhouden nationale strafrechtelijke sancties toe te passen als het nationale recht daarin voorziet. |
|
(5) |
In artikel 2, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 worden bepaalde, door de lidstaten te erkennen gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden genoemd. Er moeten aanvullende voorschriften worden vastgesteld op grond waarvan de lidstaten gevallen van overmacht en uitzonderlijke omstandigheden kunnen erkennen die verband houden met rechtstreekse betalingen, plattelandsontwikkelingsbijstand en de randvoorwaarden. In dit verband moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen de begunstigde een dergelijk geval moet melden. |
|
(6) |
Ook zijn er aanvullende regels nodig voor het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen dat de lidstaten overeenkomstig artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten toepassen. Volgens dat artikel moet daarbij worden gebruikgemaakt van technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem (GIS). Verduidelijkt moet worden aan welke basiseisen en welke kwaliteitsnormen het systeem dient te voldoen en welke specifieke informatie in het GIS beschikbaar moet zijn om doeltreffende administratieve kruiscontroles te waarborgen. Met het oog daarop moet het identificatiesysteem voor landbouwpercelen regelmatig worden bijgewerkt teneinde apert niet-subsidiabele kenmerken en arealen uit te sluiten. Om te voorkomen dat het systeem onstabiel wordt, moet de lidstaten echter voldoende flexibiliteit worden geboden ten aanzien van kleine veranderingen van het subsidiabele maximumareaal die terug te voeren zijn op onzekerheden over de foto-interpretatie, onder meer als gevolg van de omtrek en de conditie van de referentiepercelen. |
|
(7) |
Om de lidstaten in staat te stellen mogelijke tekortkomingen in het systeem proactief vast te stellen en waar nodig corrigerende maatregelen te nemen, moet de kwaliteit van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen jaarlijks worden beoordeeld. |
|
(8) |
Voor een behoorlijke tenuitvoerlegging van de in titel III van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde basisbetalingsregeling en daarmee samenhangende betalingen dienen de lidstaten een identificatie- en registratiesysteem voor betalingsrechten op te zetten dat ervoor zorgt dat de betalingsrechten te traceren zijn en dat onder meer kruiscontroles tussen de voor de basisbetalingsregeling aangegeven arealen en de betalingsrechten waarover elke landbouwer beschikt, alsmede kruiscontroles tussen de verschillende betalingsrechten als zodanig mogelijk maakt. |
|
(9) |
Om een doeltreffende controle mogelijk te maken en te voorkomen dat een landbouwer meerdere steunaanvragen, bij verschillende betaalorganen, in een lidstaat indient, moeten de lidstaten een enkel systeem opzetten voor de registratie van de identiteit van de landbouwers die onder het geïntegreerd systeem vallende steunaanvragen indienen. |
|
(10) |
Uit ervaring is gebleken dat sommige landschapselementen van akkers, meer bepaald heggen, sloten en stenen muren, voor de toekenning van areaalgebonden rechtstreekse betalingen moeten worden beschouwd als deel van het subsidiabele areaal. De aanvaardbare breedte van de landschapselementen op akkers moet worden vastgesteld. Om rekening te houden met specifieke milieubehoeften, moet aan de lidstaten de nodige flexibiliteit worden toegestaan om de grenzen in aanmerking te nemen die met het oog op de vroegere areaalbetalingen voor gewassen zijn gehanteerd bij de vaststelling van de regionale opbrengsten. Het moet de lidstaten evenwel worden toegestaan een andere methode voor blijvend grasland met geïsoleerde landschapselementen en bomen toe te passen, wanneer deze optie niet van toepassing is. |
|
(11) |
Landschapselementen die moeten voldoen aan de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 opgenomen eisen en normen en die deel uitmaken van het totale areaal van een landbouwperceel moeten, gezien hun belang voor de duurzame landbouw, als subsidiabel worden aangemerkt. |
|
(12) |
Wat landbouwpercelen betreft die als bouwland of blijvend grasland met bomen worden gebruikt, moeten voorwaarden worden vastgesteld die betrekking hebben op de aanwezigheid van bomen op deze arealen en de gevolgen daarvan voor de subsidiabiliteit van dergelijke arealen. Omwille van de rechtszekerheid moet een maximale boomdichtheid worden vastgesteld, die door de lidstaten moet worden bepaald op basis van traditionele teeltpraktijken, natuurlijke omstandigheden en milieuredenen. |
|
(13) |
Omwille van de vereenvoudiging en ter bevordering van de waarneembaarheid en controleerbaarheid van rechtstreekse betalingen moet het de lidstaten worden toegestaan om een pro-ratasysteem toe te passen voor de vaststelling van het subsidiabele areaal blijvend grasland met geïsoleerde niet-subsidiabele elementen, zoals landschapselementen en bomen, behalve de landschapselementen die aan de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 opgenomen eisen en normen moeten voldoen. Het subsidiabele areaal wordt voor elk referentieperceel bepaald op basis van vooraf vastgestelde drempels die op het niveau van de soort homogene grondbedekking worden toegepast. Geïsoleerde elementen die niet meer dan een bepaald percentage van het referentieperceel uitmaken, kunnen in aanmerking worden genomen als deel van het subsidiabele areaal. Daarom moet worden bepaald dat geen verlagingen vereist zijn voor het areaal geïsoleerde elementen in de eerste categorie, die betrekking heeft op het laagste percentage niet-subsidiabel areaal. |
|
(14) |
Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de situaties waarin de uiterste datum voor de indiening van de diverse aanvragen, documenten of wijzigingen op een officiële feestdag, op een zaterdag of op een zondag valt. |
|
(15) |
Inachtneming van de termijnen voor de indiening van de steunaanvragen, betalingsaanvragen en andere verklaringen, voor de wijziging van areaalgebonden steunaanvragen of betalingsaanvragen, en voor de bewijsstukken of contracten is absoluut noodzakelijk om de nationale autoriteiten in staat te stellen doeltreffende controles op de juistheid van de steunaanvragen, de betalingsaanvragen en andere documenten te programmeren en vervolgens uit te voeren. Daarom moet worden bepaald binnen welke termijnen een te late indiening nog aanvaardbaar is. Om begunstigden ertoe aan te zetten de termijnen in acht te nemen, moet bij een te late indiening een ontradende verlaging worden toegepast, tenzij de vertraging te wijten is aan overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. |
|
(16) |
Met het oog op een tijdige vaststelling van de betalingsrechten is het voor de lidstaten van essentieel belang dat de begunstigden de aanvragen voor de toewijzing van betalingsrechten of, in voorkomend geval, voor een verhoging van de waarde van betalingsrechten op tijd indienen. Daarom mag de extra termijn voor de indiening van deze aanvragen niet meer bedragen dan de extra termijn voor de indiening van andere steunaanvragen. Ook moet een ontradende verlaging worden toegepast tenzij de vertraging te wijten is aan overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. |
|
(17) |
Ten aanzien van begunstigden die op enig tijdstip onjuistheden in steunaanvragen of betalingsaanvragen melden aan de bevoegde nationale autoriteiten, dienen ongeacht de oorzaak van de niet-naleving geen administratieve sancties te worden toegepast tenzij de begunstigde op de hoogte is gebracht van het voornemen van de bevoegde autoriteit een controle ter plaatse te verrichten, of de autoriteit de begunstigde reeds van een niet-naleving in de steunaanvraag of betalingsaanvraag in kennis heeft gesteld. |
|
(18) |
Er moeten aanvullende regels worden vastgesteld voor de berekeningsgrondslag voor areaalgebonden steunregelingen en areaalgebonden bijstandsmaatregelen en voor de berekeningsgrondslag voor vrijwillige gekoppelde steun op basis van steunaanvragen voor vee in het kader van de steunregelingen voor dieren of plattelandsontwikkelingsbijstand op basis van betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen. |
|
(19) |
Bij de vaststelling van administratieve sancties moet rekening worden gehouden met het beginsel dat zij ontradend en evenredig moeten zijn, en met de specifieke problemen die door overmacht of door uitzonderlijke omstandigheden worden veroorzaakt. De administratieve sancties moeten worden gedifferentieerd naargelang van de ernst van de niet-naleving en moeten gaan tot de volledige uitsluiting van een of meer areaalgebonden steunregelingen of areaalgebonden bijstandsmaatregelen gedurende een bepaalde periode. In de sancties moet rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende steunregelingen wat betreft de subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen en andere verplichtingen of de mogelijkheid dat een begunstigde niet zijn gehele areaal aangeeft en aldus kunstmatig de voorwaarde creëert om in aanmerking te komen voor vrijstelling van de vergroeningsverplichtingen. De administratieve sancties in het kader van de onderhavige verordening moeten ontradend genoeg worden geacht om een opzettelijke niet-naleving te ontmoedigen. |
|
(20) |
Om het de lidstaten mogelijk te maken controles, en met name controles op de naleving van de randvoorwaarden, doeltreffend uit te voeren moet worden bepaald dat begunstigden overeenkomstig artikel 72, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 alle arealen aangeven waarover zij beschikken, ongeacht of zij er al dan niet steun voor aanvragen. |
|
(21) |
Voor de constatering van de subsidiabele arealen en voor de berekening van de toepasselijke verlagingen moet worden bepaald welke arealen tot dezelfde gewasgroep behoren. Een areaal dat voor steun of bijstand in het kader van meer dan een steunregeling of bijstandsmaatregel wordt aangegeven, dient meer dan eenmaal in aanmerking te worden genomen. In het kader van de vergroening moet evenwel een onderscheid tussen gewasgroepen worden gemaakt. |
|
(22) |
Voor betaling van steun in het kader van de basisbetalingsregeling dient het aantal betalingsrechten gelijk te zijn aan het aantal subsidiabele hectaren. Voor de toepassing van deze regeling moet daarom worden bepaald dat bij verschillen tussen het aantal aangegeven betalingsrechten en het aangegeven areaal, de betaling wordt berekend op basis van het laagste cijfer. Om te voorkomen dat de berekening op niet-bestaande rechten wordt gebaseerd, moet worden bepaald dat het aantal voor de berekening gebruikte betalingsrechten niet hoger mag zijn dan het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt. |
|
(23) |
Wat areaalgebonden steunaanvragen en/of betalingsaanvragen betreft, hebben niet-nalevingen gewoonlijk betrekking op delen van die arealen. Daarom kan een te hoge aangifte voor een bepaald perceel worden gecompenseerd door een te lage aangifte voor andere percelen die tot dezelfde gewasgroep behoren. Bepaald dient te worden dat administratieve sancties pas van toepassing worden zodra een bepaalde tolerantiemarge is overschreden. |
|
(24) |
Voorts is, wat de steunaanvragen en/of betalingsaanvragen voor areaalgebonden betalingen betreft, het verschil tussen het in de steunaanvraag en/of betalingsaanvraag aangegeven totale areaal en het totale areaal dat als subsidiabel is geconstateerd, vaak onbeduidend klein. Ter voorkoming van een groot aantal geringe aanpassingen van aanvragen moet worden bepaald dat de steunaanvraag en/of betalingsaanvraag niet aan het geconstateerde areaal hoeft/hoeven te worden aangepast tenzij een bepaalde mate van verschil wordt overschreden. |
|
(25) |
Gezien de bijzondere kenmerken van de steunregeling voor katoen moeten voor die regeling bijzondere bepalingen inzake administratieve sancties worden vastgesteld. |
|
(26) |
Voor gevallen waarin een begunstigde die een aanvraag voor de regeling voor jonge landbouwers heeft ingediend zijn verplichtingen niet nakomt, moeten ontradende en evenredige administratieve sancties worden vastgesteld, indien er sprake is van een opzettelijke dan wel aan nalatigheid toe te schrijven niet-naleving van de subsidiabiliteitseisen. |
|
(27) |
Bij vaststelling van administratieve sancties in het kader van steunregelingen voor dieren en diergebonden bijstandsmaatregelen moet rekening worden gehouden met het beginsel dat deze sancties ontradend en evenredig moeten zijn, en met de bijzondere problemen die door natuurlijke omstandigheden worden veroorzaakt. De administratieve sancties moeten worden gedifferentieerd naargelang van de ernst van de niet-naleving en moeten gaan tot de volledige uitsluiting van een of meer steunregelingen of bijstandsmaatregelen gedurende een bepaalde periode. Wat de subsidiabiliteitscriteria betreft, moet bij de vaststelling van de administratieve sancties rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende steunregelingen en bijstandsmaatregelen. De administratieve sancties in het kader van de onderhavige verordening moeten worden vastgesteld op een niveau dat ontradend genoeg is om opzettelijk te hoge aangiften te ontmoedigen. |
|
(28) |
Wat steunaanvragen in het kader van steunregelingen voor dieren en betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen betreft, heeft een niet-naleving tot gevolg dat het betrokken dier niet subsidiabel is. Er moet worden voorzien in verlagingen vanaf het eerste dier waarvoor een niet-naleving wordt ontdekt, maar wanneer voor niet meer dan drie dieren een niet-naleving wordt ontdekt, moet de administratieve sanctie minder streng zijn ongeacht om welk percentage van de dieren het gaat. In alle andere gevallen moet de hoogte van de administratieve sanctie afhankelijk zijn van het percentage dieren waarvoor een niet-naleving wordt ontdekt. |
|
(29) |
In het algemeen moeten de lidstaten alle verdere maatregelen nemen die voor een goede werking van het geïntegreerd systeem noodzakelijk zijn. Het moet de lidstaten worden toegestaan om, indien nodig, extra nationale sancties te treffen. |
|
(30) |
De voor de steunaanvraag en betalingsaanvraag geboden mogelijkheid om correcties aan te brengen zonder dat zij tot de administratieve sanctie leiden, moet ook gelden voor onjuiste gegevens in het geautomatiseerd gegevensbestand ten aanzien van aangegeven runderen waarvoor een dergelijke niet-naleving een inbreuk op een subsidiabiliteitscriterium betekent, tenzij de begunstigde op de hoogte is gebracht van het voornemen van de bevoegde autoriteit een controle ter plaatse te verrichten, of de autoriteit de begunstigde reeds van een niet-naleving in de steunaanvraag of betalingsaanvraag in kennis heeft gesteld. |
|
(31) |
Bij de vaststelling van weigeringen en intrekkingen van bijstand en van administratieve sancties moet rekening worden gehouden met het beginsel dat zij ontradend en evenredig moeten zijn. De weigeringen en intrekkingen moeten worden gedifferentieerd naargelang van de ernst, de omvang, de duur en de herhaling van de geconstateerde niet-naleving. Wat de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen en andere verplichtingen betreft, moet bij weigeringen en intrekkingen van bijstand en bij de vaststelling van de administratieve sancties rekening worden gehouden met de bijzondere kenmerken van de verschillende bijstandsmaatregelen. Bij een ernstige niet-naleving of wanneer de begunstigde valse informatie heeft ingediend om bijstand te ontvangen, moet de bijstand worden geweigerd en moet een administratieve sanctie worden opgelegd. De administratieve sancties moeten gaan tot de volledige uitsluiting van een of meer bijstandsmaatregelen of soorten concrete acties gedurende een bepaalde periode. |
|
(32) |
Wat de bijstandsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling betreft, moeten de administratieve sancties de mogelijkheid onverlet laten dat de bijstand waarop de niet-naleving betrekking heeft, tijdelijk wordt geschorst. Er moeten regels worden vastgesteld ter bepaling van de gevallen waarin de begunstigde de niet-naleving naar verwachting binnen een redelijke tijdsspanne kan verhelpen. |
|
(33) |
In artikel 93, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 is bepaald dat de voorschriften betreffende de randvoorwaarden, wat de jaren 2015 en 2016 betreft, ook voor de instandhouding van blijvend weiland moeten gelden. In dit verband moet worden gespecificeerd dat de lidstaten in 2015 en 2016 op basis van het in 2014 vastgestelde aandeel aan hun verplichtingen moeten blijven voldoen. |
|
(34) |
Duidelijkheidshalve en met het oog op de vaststelling van een geharmoniseerde grondslag voor de beoordeling van niet-nalevingen en voor de berekening en toepassing van administratieve sancties in het kader van de randvoorwaarden, moet nader worden aangegeven wat onder de herhaling, de omvang, de ernst en het permanente karakter van een niet-naleving moet worden verstaan. Voorts moet worden verduidelijkt wanneer een niet-naleving geacht wordt te zijn geconstateerd. |
|
(35) |
Wat de niet-naleving van de randvoorwaarden betreft, moet bij de vaststelling van administratieve sancties rekening worden gehouden met het evenredigheidsbeginsel. Administratieve sancties mogen alleen worden toegepast wanneer de landbouwer nalatig is geweest of met opzet heeft gehandeld, en moeten worden gedifferentieerd naargelang van de ernst van de niet-naleving. |
|
(36) |
Wat de na te leven randvoorwaarden betreft, moeten de administratieve sancties niet alleen overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel worden gedifferentieerd, maar moet ook worden bepaald dat herhaalde inbreuken op dezelfde randvoorwaarde vanaf een bepaald moment, nadat de landbouwer een waarschuwing is gegeven, moeten worden behandeld als een opzettelijke niet-naleving. |
|
(37) |
Ook moeten voor gevallen waarin een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 97, lid 3, en artikel 99, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 geboden mogelijkheid om onder bepaalde voorwaarden geen administratieve sanctie in verband met een niet-naleving toe te passen, bepaalde eisen aan de corrigerende actie in het kader van de betrokken niet-naleving worden gesteld. |
|
(38) |
In het bijzonder met betrekking tot het in artikel 99, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde waarschuwingssysteem moet, indien de begunstigde niet voldoet aan de verplichting om corrigerende actie te ondernemen, de verlaging met terugwerkende kracht worden toegepast ten aanzien van het jaar waarvoor het waarschuwingssysteem is toegepast. Bij de berekening van de administratieve sancties moet ook rekening worden gehouden met de herhaling van de niet-naleving in kwestie in het jaar van de daaropvolgende controle, indien van toepassing. Om de begunstigden rechtszekerheid te bieden, moet een termijn voor de retroactieve toepassing van administratieve sancties worden vastgesteld. |
|
(39) |
Ten aanzien van begunstigden die aan de randvoorwaarden moeten voldoen in verband met hun deelname aan meerjarige concrete acties die van start zijn gegaan in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma’s welke uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (6) zijn goedgekeurd, moet met het oog op de beperking van de administratieve lasten van de nationale instanties die met de controle op de naleving ervan zijn belast, en met het oog op de vereenvoudiging van de procedures worden bepaald dat het nieuwe controlesysteem en de nieuwe administratieve sancties van toepassing zijn. |
|
(40) |
Voor niet-nalevingen van de randvoorwaarden waarvoor geen administratieve sanctie is toegepast omdat zij onder de de-minimisregel van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (7) of Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad vielen, maar in het kader waarvan de lidstaten moesten waarborgen dat de begunstigden de niet-naleving zouden corrigeren, moeten overgangsvoorschriften worden vastgesteld die zorgen voor consistentie tussen de vóór de inwerkingtreding van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bestaande verificatieverplichting enerzijds en de nieuwe regels ter zake in die verordening anderzijds. |
|
(41) |
Voor de duidelijkheid en de rechtszekerheid dient Verordening (EG) nr. 1122/2009 te worden ingetrokken. Verordening (EU) nr. 65/2011 van de Commissie (8) moet eveneens worden ingetrokken. |
|
(42) |
Gelet op artikel 119, lid 1, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet de onderhavige verordening van toepassing zijn op steunaanvragen en betalingsaanvragen betreffende de verkoopseizoenen of premieperioden die ingaan op of na 1 januari 2015, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
TITEL I
ALGEMENE BEPALINGEN
Artikel 1
Toepassingsgebied
Deze verordening bevat bepalingen ter aanvulling van een aantal niet-essentiële onderdelen van Verordening (EU) nr. 1306/2013 op de volgende gebieden:
|
a) |
de voorwaarden voor de gehele of gedeeltelijke weigering of intrekking van de steun of bijstand; |
|
b) |
vaststelling van de administratieve sanctie en van het specifieke percentage dat in dit verband moet worden opgelegd; |
|
c) |
vaststelling van de gevallen waarin de administratieve sanctie niet wordt toegepast; |
|
d) |
voorschriften voor de perioden, data en termijnen wanneer de uiterste datum voor de indiening van een aanvraag of wijziging op een officiële feestdag, op een zaterdag of op een zondag valt; |
|
e) |
specifieke definities die nodig zijn voor een geharmoniseerde toepassing van het geïntegreerd systeem; |
|
f) |
de basiskenmerken van en technische voorschriften inzake het systeem voor de identificatie van landbouwpercelen en inzake de identificatie van begunstigden; |
|
g) |
de basiskenmerken van en technische voorschriften en kwaliteitseisen inzake het systeem voor de identificatie en registratie van betalingsrechten; |
|
h) |
de berekeningsgrondslag voor steun, waaronder voorschriften voor de aanpak van gevallen waarin subsidiabele arealen landschapselementen of bomen bevatten; |
|
i) |
aanvullende voorschriften voor intermediairs, zoals diensten, instanties en organisaties die betrokken zijn bij de procedure voor de verlening van de steun of bijstand; |
|
j) |
de instandhouding van blijvend weiland in het kader van de randvoorwaarden; |
|
k) |
een geharmoniseerde berekeningsgrondslag voor administratieve sancties bij niet-inachtneming van de randvoorwaarden; |
|
l) |
voorwaarden voor de toepassing en berekening van de administratieve sancties bij niet-inachtneming van de randvoorwaarden; |
|
m) |
een aanvulling van de voorschriften van Verordening (EU) nr. 1306/2013 zodat een vloeiende overgang vanuit de ingetrokken voorschriften naar de nieuwe voorschriften is gewaarborgd. |
Artikel 2
Definities
1. In het kader van het in artikel 67, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde geïntegreerd systeem zijn de definities in artikel 4, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en in artikel 67, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van toepassing.
Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:
(1) „begunstigde”: een landbouwer als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en als bedoeld in artikel 9 van die verordening, de begunstigde die aan de randvoorwaarden in de zin van artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moet voldoen, en/of de begunstigde die plattelandsontwikkelingsbijstand als bedoeld in artikel 2, punt 10), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (9) ontvangt;
(2) „niet-naleving”:
|
a) |
met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen of andere verplichtingen die verbonden zijn aan de voorwaarden voor de toekenning van de steun of bijstand als bedoeld in artikel 67, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013: de niet-inachtneming van deze subsidiabiliteitscriteria, verbintenissen of andere verplichtingen, of |
|
b) |
met betrekking tot de randvoorwaarden: de niet-inachtneming van de uit de Uniewetgeving voortvloeiende beheerseisen, van de door de lidstaten overeenkomstig artikel 94 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde normen voor een goede landbouw- en milieuconditie van grond, of van de in artikel 93, lid 3, van die verordening bedoelde instandhouding van blijvend weiland; |
(3) „bijstandsaanvraag”: een aanvraag voor bijstand of tot toetreding tot een maatregel in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013;
(4) „betalingsaanvraag”: een verzoek van een begunstigde tot betaling door de nationale autoriteiten in het kader van Verordening (EU) nr. 1305/2013;
(5) „andere verklaring”: een andere verklaring of een ander document dan een bijstandsaanvraag of betalingsaanvraag, die (dat) door een begunstigde of een derde moet worden ingediend of bewaard om te voldoen aan specifieke eisen van bepaalde plattelandsontwikkelingsmaatregelen;
(6) „onder het geïntegreerd systeem vallende plattelandsontwikkelingsmaatregelen”: maatregelen inzake bijstand die wordt verleend overeenkomstig artikel 21, lid 1, onder a) en b), de artikelen 28 tot en met 31, en de artikelen 33, 34 en 40 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 en, in voorkomend geval, artikel 35, lid 1, onder b) en c), van Verordening (EU) nr. 1303/2013, met uitzondering van de in artikel 28, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregelen en de maatregelen in het kader van artikel 21, lid 1, onder a) en b), van die verordening voor zover het de aanlegkosten betreft;
(7) „identificatie- en registratieregeling voor dieren”: de identificatie- en registratieregeling voor runderen die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad (10), en/of de identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten die is vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad (11);
(8) „oormerk”: het oormerk om runderen individueel te identificeren als bedoeld in artikel 3, onder a), en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, en/of het oormerk om schapen en geiten individueel te identificeren als bedoeld in deel A, punt 3, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 21/2004;
(9) „geautomatiseerd gegevensbestand voor dieren”: het geautomatiseerde gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, onder b), en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1760/2000, en/of het centrale register of het geautomatiseerde gegevensbestand als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder d), en de artikelen 7 en 8 van Verordening (EG) nr. 21/2004;
(10) „dierpaspoort”: het in artikel 3, onder c), en artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde dierpaspoort;
(11) „register”: voor dieren: het in artikel 3, onder d), en artikel 7 van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde register dat houders van dieren bijhouden, en/of het in artikel 3, lid 1, onder b), en artikel 5 van Verordening (EG) nr. 21/2004 bedoelde register;
(12) „identificatiecode”: de in artikel 4, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1760/2000 bedoelde identificatiecode en/of de in deel A, punt 2, van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 21/2004 bedoelde codes;
(13) „steunregeling voor dieren”: een bij titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ingestelde maatregel inzake vrijwillige gekoppelde steun waarbij de binnen afgebakende kwantitatieve grenzen toe te kennen jaarlijkse betaling op een vast aantal dieren berust;
(14) „diergebonden bijstandsmaatregelen”: plattelandsontwikkelingsmaatregelen of soorten concrete plattelandsontwikkelingsacties waarbij de bijstand op het aangegeven aantal dieren of aantal vee-eenheden berust;
(15) „steunaanvraag voor vee”: aanvraag voor de betaling van steun waarbij de binnen afgebakende kwantitatieve grenzen toe te kennen jaarlijkse betaling berust op een vast aantal dieren in het kader van de vrijwillige gekoppelde steun waarin titel IV, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet;
(16) „aangegeven dieren”: dieren waarvoor in het kader van de steunregeling voor dieren een steunaanvraag voor vee is ingediend of waarvoor een betalingsaanvraag op grond van een diergebonden bijstandsmaatregel is ingediend;
(17) „potentieel subsidiabel dier”: een dier dat a priori kan voldoen aan de voorwaarden om in het betrokken aanvraagjaar recht te geven op steun in het kader van de steunregeling voor dieren of op bijstand in het kader van een diergebonden bijstandsmaatregel;
(18) „geconstateerd dier”:
|
a) |
bij een steunregeling voor dieren: een dier waarvoor aan alle in de voorschriften voor de verlening van de steun gestelde voorwaarden is voldaan, of |
|
b) |
bij een diergebonden bijstandsmaatregel: een dier dat door middel van administratieve controles of controles ter plaatse is geïdentificeerd; |
(19) „dierhouder”: een natuurlijke of rechtspersoon die permanent of tijdelijk verantwoordelijk is voor dieren, ook tijdens het vervoer of op een markt;
(20) „areaalgebonden steunregelingen”: de areaalgebonden rechtstreekse betalingen in de zin van artikel 67, lid 4, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013, met uitzondering van de in hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad (12) bedoelde specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en de in hoofdstuk IV van Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad (13) bedoelde specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee;
(21) „areaalgebonden bijstandsmaatregelen”: plattelandsontwikkelingsmaatregelen of soorten concrete plattelandsontwikkelingsacties waarbij de bijstand op de grootte van het aangegeven areaal berust;
(22) „gebruik”: voor areaal: het gebruik van het areaal in termen van het type gewas als bedoeld in artikel 44, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, het type blijvend grasland als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder h), van die verordening, blijvend weiland als bedoeld in artikel 45, lid 2, onder a), van die verordening of andere graslandarealen dan blijvend grasland of blijvend weiland, of bodembedekker of het ontbreken van een gewas;
(23) „geconstateerd areaal”:
|
a) |
bij areaalgebonden steunregelingen: het areaal waarvoor is voldaan aan alle subsidiabiliteitscriteria of andere verplichtingen die verband houden met de voorwaarden voor de verlening van de steun, ongeacht het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt, of |
|
b) |
bij areaalgebonden bijstandsmaatregelen: de oppervlakte van de percelen die door middel van administratieve controles of controles ter plaatse is geïdentificeerd; |
(24) „geografisch informatiesysteem” (hierna „GIS” genoemd): de in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde technieken op basis van een geautomatiseerd geografisch informatiesysteem;
(25) „referentieperceel”: een geografisch begrensd areaal met een in het systeem voor de identificatie van de percelen landbouwgrond als bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 geregistreerde unieke identificatie;
(26) „geografisch materiaal”: kaarten of andere documenten die worden gebruikt voor communicatie over de inhoud van het GIS tussen de aanvragers van steun of bijstand en de lidstaten.
2. In het kader van titel IV van de onderhavige verordening zijn de definities in titel VI van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van toepassing.
Voorts wordt onder „normen” verstaan de overeenkomstig artikel 94 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 door de lidstaten vastgestelde normen, alsmede de bij artikel 93, lid 3, van die verordening vastgestelde verplichtingen inzake blijvend weiland.
Artikel 3
Toepassing van strafrechtelijke sancties
De toepassing van de administratieve sancties en de weigering of intrekking van steun of bijstand in het kader van de onderhavige verordening laten de toepassing van strafrechtelijke sancties waarin het nationale recht eventueel voorziet, onverlet.
Artikel 4
Overmacht en uitzonderlijke omstandigheden
1. Voor rechtstreekse betalingen geldt dat, indien een begunstigde door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet aan de subsidiabiliteitscriteria of andere verplichtingen heeft kunnen voldoen, hij zijn recht op steun behoudt voor de arealen of dieren die subsidiabel waren toen de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheid zich voordeed.
Voor bijstandsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling in het kader van de artikelen 28, 29, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 geldt dat, indien een begunstigde door overmacht of uitzonderlijke omstandigheden niet aan de verbintenis heeft kunnen voldoen, de desbetreffende betaling evenredig wordt ingetrokken voor de jaren waarin de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden zich voordeden. De intrekking geldt alleen voor de delen van de verbintenis die geen extra kosten of gederfde inkomsten hebben meegebracht voordat de overmacht of de uitzonderlijke omstandigheden zich voordeden. Er vindt geen intrekking met betrekking tot de subsidiabiliteitscriteria en andere verplichtingen plaats en er wordt geen administratieve sanctie toegepast.
Wat de andere bijstandsmaatregelen voor plattelandsontwikkeling betreft, verlangen de lidstaten geen gehele of gedeeltelijke terugbetaling van de bijstand in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden. In geval van meerjarige verbintenissen of betalingen wordt geen terugbetaling van de in voorgaande jaren ontvangen bijstand verlangd en wordt de verbintenis of betaling in de daaropvolgende jaren overeenkomstig de oorspronkelijke looptijd ervan voortgezet.
Wanneer de niet-naleving die het gevolg is van dergelijke overmacht of uitzonderlijke omstandigheden op de randvoorwaarden betrekking heeft, wordt de overeenkomstige administratieve sanctie als bedoeld in artikel 91, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, niet toegepast.
2. Gevallen van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden worden, samen met de desbetreffende bewijzen ten genoegen van de bevoegde autoriteit, schriftelijk aan die autoriteit gemeld binnen vijftien werkdagen vanaf de dag waarop dit voor de begunstigde of diens rechtsverkrijgende mogelijk is.
TITEL II
GEÏNTEGREERD BEHEERS- EN CONTROLESYSTEEM
HOOFDSTUK I
SYSTEEMEISEN
Artikel 5
Identificatie van de landbouwpercelen
1. Het in artikel 70 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen wordt toegepast op het niveau van referentiepercelen. Een referentieperceel bevat een eenheid land bestaande uit landbouwareaal als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 1307/2013. In voorkomend geval omvat een referentieperceel ook grond als bedoeld in artikel 32, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en landbouwgrond als bedoeld in artikel 28, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013.
De lidstaten bakenen het referentieperceel zo af dat het meetbaar is, de unieke en eenduidige lokalisering van elk jaarlijks aangegeven landbouwperceel mogelijk maakt en, in beginsel, stabiel is in de tijd.
2. Bovendien zorgen de lidstaten ervoor dat de aangegeven landbouwpercelen op betrouwbare wijze worden geïdentificeerd. Zij verlangen met name dat de steunaanvragen en betalingsaanvragen vergezeld gaan van door de bevoegde autoriteit gespecificeerde nadere informatie of documenten die de lokalisering en meting van elk landbouwperceel mogelijk maken. De lidstaten moeten voor elk referentieperceel:
|
a) |
een subsidiabel maximumareaal bepalen voor de toepassing van de steunregelingen als genoemd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1307/2013; |
|
b) |
een subsidiabel maximumareaal bepalen voor de toepassing van de areaalgebonden maatregelen als bedoeld in de artikelen 28 tot en met 31 van Verordening (EU) nr. 1305/2013; |
|
c) |
de ligging en de omvang bepalen van de in artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde ecologische aandachtsgebieden die bij besluit van de lidstaat als ecologisch aandachtsgebied dienen te worden aangemerkt. Daartoe passen de lidstaten in voorkomend geval de in bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 opgenomen omzettings- en/of wegingsfactoren toe; |
|
d) |
vaststellen welke bepalingen van toepassing zijn voor berggebieden, gebieden met aanzienlijke natuurlijke beperkingen en andere gebieden met specifieke beperkingen als bedoeld in artikel 32 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, Natura 2000-gebieden, onder Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (14) vallende gebieden, landbouwgrond waarvoor uit hoofde van artikel 57 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 een vergunning voor de productie van katoen is verleend, grond die in een voor beweiding of teelt geschikte natuurlijke staat wordt gehouden als bedoeld in artikel 4, lid 1, onder c), iii), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, gebieden die door de lidstaten worden aangewezen voor de regionale en/of collectieve tenuitvoerlegging van ecologische aandachtsgebieden overeenkomstig artikel 46, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, arealen die aan de Commissie worden gemeld overeenkomstig artikel 20 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, gebieden met ecologisch kwetsbaar blijvend grasland in zones als bedoeld in Richtlijn 92/43/EEG van de Raad (15) of Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad (16) en andere kwetsbare gebieden als bedoeld in artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en/of gebieden die door de lidstaten worden aangewezen overeenkomstig artikel 48 van die verordening. |
3. De lidstaten zorgen ervoor dat het subsidiabele maximumareaal per referentieperceel als bedoeld in lid 2, onder a), correct wordt gekwantificeerd binnen een marge van maximaal 2 %, rekening houdend met de omtrek en conditie van het referentieperceel.
4. Voor de toepassing van de in artikel 21, lid 1, onder a), en de artikelen 30 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde maatregelen kunnen de lidstaten adequate alternatieve systemen voor de unieke identificatie van de subsidiabele grond vaststellen indien die grond bedekt is met bos.
5. Het GIS werkt op basis van een nationaal systeem voor verwijzing door middel van coördinaten als omschreven in Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (17), dat een gestandaardiseerde meting en een unieke identificatie van de percelen landbouwgrond in de gehele betrokken lidstaat mogelijk maakt. Wanneer uiteenlopende coördinatensystemen worden gebruikt, sluiten deze elkaar uit en is binnen elk systeem de consistentie gewaarborgd tussen informatie-elementen die naar dezelfde locatie verwijzen.
Artikel 6
Kwaliteitsbeoordeling van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen
1. Met het oog op de toepassing van de basisbetalingsregeling en de regeling inzake een enkele areaalbetaling als bedoeld in titel III, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt de kwaliteit van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen jaarlijks door de lidstaten beoordeeld. Deze beoordeling behelst twee conformiteitsklassen.
In het kader van de eerste conformiteitsklasse wordt de kwaliteit van het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen getoetst aan de hand van de volgende elementen:
|
a) |
de juiste kwantificering van het subsidiabele maximumareaal; |
|
b) |
het aandeel en de distributie van de referentiepercelen met een subsidiabel maximumareaal waarin niet-subsidiabele arealen zijn meegerekend of waarin geen landbouwareaal is meegerekend; |
|
c) |
de aanwezigheid van referentiepercelen met ernstige onvolkomenheden. |
In het kader van de tweede conformiteitsklasse worden eventuele tekortkomingen in het systeem voor de identificatie van de landbouwpercelen aan het licht gebracht aan de hand van de volgende elementen:
|
a) |
de categorisatie van referentiepercelen hetzij met een subsidiabel maximumareaal waarin niet-subsidiabele arealen zijn meegerekend of waarin geen landbouwareaal is meegerekend, hetzij met ernstige onvolkomenheden; |
|
b) |
de verhouding tussen het aangegeven areaal en het subsidiabele maximumareaal binnen de referentiepercelen; |
|
c) |
het percentage referentiepercelen die in de loop der jaren zijn gewijzigd. |
Indien de resultaten van de kwaliteitsbeoordeling tekortkomingen in het systeem aan het licht brengen, nemen de betrokken lidstaten adequate corrigerende maatregelen.
2. De lidstaten verrichten de in lid 1 bedoelde beoordeling op basis van een door de Commissie te trekken en aan te leveren steekproef uit de referentiepercelen. Zij maken gebruik van gegevens aan de hand waarvan een beoordeling van de feitelijke situatie mogelijk wordt.
3. Uiterlijk op 31 januari na het kalenderjaar in kwestie wordt aan de Commissie een beoordelingsverslag toegezonden met, in voorkomend geval, vermelding van de corrigerende maatregelen en het tijdschema voor de tenuitvoerlegging van deze maatregelen.
Artikel 7
Identificatie en registratie van betalingsrechten
1. Het in artikel 71 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde systeem voor de identificatie en registratie van betalingsrechten bestaat in een elektronisch register op het niveau van de lidstaat dat, met name ten behoeve van de in lid 1 van dat artikel bedoelde kruiscontroles, borg staat voor een doeltreffende traceerbaarheid van de betalingsrechten, in het bijzonder wat de volgende elementen betreft:
|
a) |
de houder; |
|
b) |
de jaarlijkse waarden; |
|
c) |
de datum van de vaststelling; |
|
d) |
de datum van de meest recente activering; |
|
e) |
de herkomst, met name wat de wijze van verkrijging betreft: oorspronkelijk aan de betrokkene toegewezen, afkomstig uit de nationale of regionale reserve, gekocht, gepacht of geërfd; |
|
f) |
bij toepassing van artikel 21, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, de op grond van die bepaling gehandhaafde betalingsrechten; |
|
g) |
in voorkomend geval, regionale beperkingen. |
2. De lidstaten met meer dan een betaalorgaan kunnen besluiten het elektronische register op het niveau van het betaalorgaan aan te leggen. In dat geval zorgt de betrokken lidstaat ervoor dat de verschillende registers compatibel zijn.
Artikel 8
Identificatie van begunstigden
Onverminderd artikel 72, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 waarborgt het in artikel 73 van die verordening bedoelde enkele systeem voor de registratie van de identiteit van elke begunstigde een unieke identificatie voor alle steunaanvragen en betalingsaanvragen en andere verklaringen die door dezelfde begunstigde worden ingediend.
HOOFDSTUK II
LANDBOUWPERCELEN MET LANDSCHAPSELEMENTEN EN BOMEN
Artikel 9
Constatering van arealen wanneer een landbouwperceel landschapselementen en bomen bevat
1. Wanneer bepaalde landschapselementen, met name heggen, sloten en muren, traditioneel deel uitmaken van goede agrarische teelt- of gebruikpraktijken op landbouwareaal in bepaalde regio’s, kunnen de lidstaten besluiten dat het door die elementen ingenomen areaal moet worden aangemerkt als deel van de subsidiabele oppervlakte van een landbouwperceel in de zin van artikel 67, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013, op voorwaarde dat het betrokken areaal een door de lidstaten te bepalen totale breedte niet overschrijdt. Die breedte moet overeenkomen met een traditionele breedte in de betrokken regio en mag niet meer dan twee meter bedragen.
Wanneer een lidstaat vóór 9 december 2009 overeenkomstig artikel 30, lid 2, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 796/2004 van de Commissie (18) een breedte van meer dan twee meter aan de Commissie heeft gemeld, mag echter die breedte worden toegepast.
De eerste en de tweede alinea zijn niet van toepassing op blijvend grasland met geïsoleerde landschapselementen en bomen wanneer de betrokken lidstaat heeft besloten een in artikel 10 bedoeld pro-ratasysteem toe te passen.
2. Landschapselementen die moeten voldoen aan de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 opgenomen eisen en normen en die deel uitmaken van de totale oppervlakte van een landbouwperceel, worden aangemerkt als deel van de subsidiabele oppervlakte van dat landbouwperceel.
3. Een landbouwperceel met geïsoleerde bomen wordt als subsidiabel areaal aangemerkt indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:
|
a) |
de landbouwactiviteiten kunnen worden verricht op een wijze die vergelijkbaar is met de landbouwactiviteiten op in hetzelfde gebied gelegen percelen zonder bomen, en |
|
b) |
het aantal bomen per hectare komt niet uit boven een bepaalde maximumdichtheid. |
De in de eerste alinea, onder b), bedoelde maximumdichtheid wordt door de lidstaten gedefinieerd en gemeld op basis van traditionele teeltpraktijken, natuurlijke omstandigheden en milieuredenen. De maximumdichtheid mag niet meer bedragen dan 100 bomen per hectare. Deze bovengrens geldt echter niet voor de maatregelen van de artikelen 28 en 30 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.
Dit artikel is niet van toepassing op geïsoleerde fruitbomen die geregeld een oogst opleveren noch op begraasbare geïsoleerde bomen op blijvend grasland noch op blijvend grasland met geïsoleerde landschapselementen en bomen wanneer de betrokken lidstaat heeft besloten een in artikel 10 bedoeld pro-ratasysteem toe te passen.
Artikel 10
Pro-ratasysteem voor blijvend grasland met landschapselementen en bomen
1. De lidstaten kunnen besluiten om op blijvend grasland met geïsoleerde niet-subsidiabele elementen, zoals landschapselementen en bomen, een pro-ratasysteem toe te passen voor de vaststelling van de subsidiabele oppervlakte binnen het referentieperceel.
Het in de eerste alinea bedoelde pro-ratasysteem bestaat uit verschillende categorieën homogene grondbedekkingen waarvoor een vaste verlagingscoëfficiënt wordt toegepast die is gebaseerd op het percentage niet-subsidiabel areaal. De categorie met het laagste percentage niet-subsidiabel areaal bevat niet meer dan 10 % niet-subsidiabel areaal en op die categorie wordt geen verlagingscoëfficiënt toegepast.
2. Landschapselementen die moeten voldoen aan de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013 opgenomen eisen en normen en die deel uitmaken van de totale oppervlakte van een landbouwperceel, worden aangemerkt als deel van het subsidiabele areaal.
3. Dit artikel is niet van toepassing op blijvend grasland met fruitbomen die geregeld een oogst opleveren.
HOOFDSTUK III
STEUNAANVRAGEN EN BETALINGSAANVRAGEN
Artikel 11
Verzamelaanvraag
De verzamelaanvraag omvat ten minste de in artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde aanvraag voor rechtstreekse betalingen in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling en andere areaalgebonden steunregelingen.
Artikel 12
Afwijking van de uiterste datum van indiening
In afwijking van artikel 5, lid 1, van Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad (19) wordt, indien de uiterste datum voor de indiening van een steunaanvraag, een bijstandsaanvraag, een betalingsaanvraag of een andere verklaring of van bewijsstukken of contracten, of indien de uiterste datum voor wijzigingen in de verzamelaanvraag of de betalingsaanvraag op een officiële feestdag, op een zaterdag of op een zondag valt, die uiterste datum geacht op de eerstvolgende werkdag te vallen.
De eerste alinea is ook van toepassing op de in artikel 13, lid 1, derde alinea, bedoelde laatst mogelijke datum voor een te late indiening en op de in artikel 14, tweede alinea, bedoelde laatst mogelijke datum voor de indiening door een begunstigde van een aanvraag voor de toewijzing van betalingsrechten of voor een verhoging van de waarde ervan.
Artikel 13
Te late indiening
1. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 4, wordt bij indiening van een steunaanvraag of een betalingsaanvraag in het kader van de onderhavige verordening na de uiterste datum voor een dergelijke indiening zoals vastgesteld door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013, een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen waarop de begunstigde recht zou hebben gehad als de aanvraag tijdig was ingediend.
Onverminderd bijzondere maatregelen die de lidstaten nemen om ervoor te zorgen dat bewijsstukken tijdig worden ingediend zodat doeltreffende controles tijdig kunnen worden geprogrammeerd en uitgevoerd, geldt de eerste alinea ook voor bijstandsaanvragen, documenten, contracten of andere verklaringen die bij de bevoegde autoriteit moeten worden ingediend, voor zover die bijstandsaanvragen, documenten, contracten of verklaringen onmisbaar zijn om voor de betrokken steun of bijstand in aanmerking te komen. In dat geval wordt de verlaging toegepast op het bedrag dat zou zijn betaald voor de betrokken steun of bijstand.
Wordt de termijn met meer dan 25 kalenderdagen overschreden, dan wordt de aanvraag niet-ontvankelijk geacht en wordt geen steun of bijstand aan de begunstigde verleend.
2. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 4, wordt ten aanzien van begunstigden die in verband met hun deelname aan de regelingen waarin de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (20) voorzien, overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 ook aan de randvoorwaarden moeten voldoen en die de verzamelaanvraag niet op de uiterste datum als bedoeld in lid 1, eerste alinea, van het onderhavige artikel indienen, een verlaging met 1 % per werkdag toegepast. De maximale verlaging bedraagt 25 %. Het verlagingspercentage geldt voor het totale bedrag van de betalingen dat met de maatregelen in het kader van de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 verband houdt, gedeeld door 3 bij herstructurering en omschakeling.
3. Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 4, wordt bij indiening van een wijziging in de verzamelaanvraag of de betalingsaanvraag na de uiterste datum voor een dergelijke indiening zoals vastgesteld door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013, een verlaging met 1 % per werkdag toegepast op de bedragen die verband houden met het werkelijke gebruik van de betrokken landbouwpercelen.
Wijzigingen in de verzamelaanvraag of de betalingsaanvraag zijn slechts ontvankelijk tot en met de in lid 1, derde alinea, bedoelde laatst mogelijke datum voor een te late indiening van de verzamelaanvraag of de betalingsaanvraag. Indien die datum echter niet later is dan de in de eerste alinea van het onderhavige lid bedoelde uiterste datum voor de indiening van een wijziging in de verzamelaanvraag of de betalingsaanvraag, worden wijzigingen in de verzamelaanvraag of de betalingsaanvraag na die datum niet-ontvankelijk geacht.
Artikel 14
Te late indiening van een aanvraag in verband met betalingsrechten
Behoudens overmacht en uitzonderlijke omstandigheden als bedoeld in artikel 4, wordt bij indiening van een aanvraag voor de toewijzing of, in voorkomend geval, verhoging van de waarde van betalingsrechten na de uiterste datum die daartoe door de Commissie is vastgesteld op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013, een verlaging met 3 % per werkdag toegepast op de in het betrokken jaar te betalen bedragen voor de aan de begunstigde toe te wijzen betalingsrechten of, in voorkomend geval, verhoging van de waarde van de betalingsrechten.
Wordt de termijn met meer dan 25 kalenderdagen overschreden, dan wordt de aanvraag niet-ontvankelijk geacht en worden aan de begunstigde geen betalingsrechten noch, in voorkomend geval, een verhoging van de waarde van de betalingsrechten toegewezen.
HOOFDSTUK IV
BEREKENING VAN STEUN EN ADMINISTRATIEVE SANCTIES IN HET KADER VAN DE REGELINGEN INZAKE RECHTSTREEKSE BETALINGEN EN VAN DE ONDER HET GEÏNTEGREERD SYSTEEM VALLENDE PLATTELANDSONTWIKKELINGSMAATREGELEN
AFDELING 1
Algemene voorschriften
Artikel 15
Uitzonderingen op de toepassing van administratieve sancties
1. De in het onderhavige hoofdstuk bedoelde administratieve sancties zijn niet van toepassing op het gedeelte van de steunaanvraag of de betalingsaanvraag waarvoor de begunstigde de bevoegde autoriteit schriftelijk meedeelt dat de steunaanvraag of de betalingsaanvraag onjuist is of onjuist is geworden sinds de indiening ervan, tenzij de begunstigde op de hoogte is gebracht van het voornemen van de bevoegde autoriteit een controle ter plaatse te verrichten, of de autoriteit de begunstigde reeds van een niet-naleving in de steunaanvraag of betalingsaanvraag in kennis heeft gesteld.
2. De in lid 1 bedoelde mededeling van de begunstigde heeft tot gevolg dat de steunaanvraag of de betalingsaanvraag wordt aangepast aan de feitelijke situatie.
Artikel 16
Niet-aangifte van alle arealen
1. Indien een begunstigde voor een bepaald jaar niet alle in artikel 72, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 bedoelde arealen aangeeft en het verschil tussen enerzijds het in de verzamelaanvraag en/of de betalingsaanvraag aangegeven totale areaal en anderzijds de som van het aangegeven areaal en het totale areaal van de niet-aangegeven percelen groter is dan 3 % van het aangegeven areaal, wordt het totale bedrag van de areaalgebonden rechtstreekse betalingen en/of de bijstand in het kader van de areaalgebonden bijstandsmaatregelen dat in dat jaar aan die begunstigde moet worden betaald, verlaagd met maximaal 3 %, afhankelijk van de ernst van het verzuim.
De overeenkomstig de eerste alinea berekende sanctie wordt verlaagd met het bedrag van een overeenkomstig artikel 28, lid 2, toegepaste administratieve sanctie.
2. Lid 1 is ook van toepassing op betalingen die verband houden met de regelingen waarin de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 voorzien, wanneer de begunstigde overeenkomstig artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 aan de randvoorwaarden moet voldoen. Het verlagingspercentage geldt voor het totale bedrag van de betalingen dat met de maatregelen in het kader van de artikelen 46 en 47 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 verband houdt, gedeeld door 3 bij herstructurering en omschakeling.
3. Lid 1 geldt niet voor betalingen in het kader van de regeling voor kleine landbouwers die is ingesteld bij titel V van Verordening (EU) nr. 1307/2013.
AFDELING 2
Areaalgebonden steunregelingen, met uitzondering van de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, of areaalgebonden bijstandsmaatregelen
Artikel 17
Algemene beginselen
1. Voor de toepassing van de onderhavige afdeling worden, waar dat relevant is, de volgende gewasgroepen onderscheiden:
|
a) |
arealen die worden aangegeven met het oog op de activering van betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling of met het oog op de toekenning van de enkele areaalbetaling; |
|
b) |
een groep voor elk van de arealen die worden aangegeven voor de toepassing van een andere areaalgebonden steunregeling of bijstandsmaatregel waarvoor een verschillend steun- of bijstandsbedrag geldt; |
|
c) |
arealen die worden aangegeven onder de rubriek „ander gebruik”. |
2. Wanneer hetzelfde areaal als basis voor een steunaanvraag en/of een betalingsaanvraag in het kader van meer dan een areaalgebonden steunregeling of bijstandsmaatregel dient, wordt dat areaal voor elk van die steunregelingen of bijstandsmaatregelen afzonderlijk in aanmerking genomen.
Artikel 18
Berekeningsgrondslag voor areaalgebonden betalingen
1. Voor een steunaanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling, de regeling voor kleine landbouwers, de herverdelingsbetaling, de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen en, in voorkomend geval, de regeling voor jonge landbouwers en wanneer de lidstaat de basisbetalingsregeling toepast, geldt het volgende:
|
a) |
indien het aangegeven aantal betalingsrechten hoger is dan het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt, worden de aangegeven betalingsrechten verlaagd tot het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt; |
|
b) |
indien er een verschil tussen het aangegeven aantal betalingsrechten en het aangegeven areaal bestaat, wordt het aangegeven areaal aangepast aan het kleinste getal. |
Het onderhavige lid is niet van toepassing in het eerste jaar waarvoor betalingsrechten worden toegewezen.
2. Voor de betaling voor jonge landbouwers en wanneer de lidstaat voor de betalingsmethode van artikel 50, leden 6, 7 en 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kiest, geldt dat indien het in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling aangegeven areaal het door de lidstaat overeenkomstig artikel 50, lid 9, van die verordening vastgestelde maximum overschrijdt, het aangegeven areaal wordt verlaagd tot dat maximum.
3. Voor de herverdelingsbetaling geldt dat indien het in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling aangegeven areaal het door de lidstaat overeenkomstig artikel 41, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vastgestelde maximum overschrijdt, het aangegeven areaal wordt verlaagd tot dat maximum.
4. Voor de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen en wanneer de lidstaat voor de betalingsmethode van artikel 48, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 kiest, geldt dat indien het in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling aangegeven areaal het door de lidstaat vastgestelde maximumaantal hectaren overschrijdt, het aangegeven areaal wordt verlaagd tot dat maximum.
5. Voor steunaanvragen en/of betalingsaanvragen in het kader van areaalgebonden steunregelingen of bijstandsmaatregelen geldt dat, indien het geconstateerde areaal van een gewasgroep groter blijkt dan het in de steunaanvraag aangegeven areaal, de betrokken steun wordt berekend op basis van het aangegeven areaal.
6. Onverminderd administratieve sancties overeenkomstig artikel 19 geldt voor steunaanvragen en/of betalingsaanvragen in het kader van areaalgebonden steunregelingen en/of bijstandsmaatregelen dat, indien het aangegeven areaal groter is dan het voor een in artikel 17, lid 1, bedoelde gewasgroep geconstateerde areaal, de steun wordt berekend op basis van het voor die gewasgroep geconstateerde areaal.
Onverminderd artikel 60 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 geldt echter dat, indien het verschil tussen het totale geconstateerde areaal en het totale areaal dat in het kader van de bij de titels III, IV en V van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steun ter betaling is aangegeven, of het totale areaal dat in het kader van een areaalgebonden bijstandsmaatregel ter betaling is aangegeven, niet meer dan 0,1 ha bedraagt, het geconstateerde areaal wordt gelijkgesteld aan het aangegeven areaal. In deze berekening wordt alleen uitgegaan van te hoge aangiften van arealen op het niveau van een in artikel 17, lid 1, bedoelde gewasgroep.
Het bepaalde in de tweede alinea geldt niet wanneer het bedoelde verschil meer dan 20 % van het totale ter betaling aangegeven areaal uitmaakt.
7. Voor de berekening van de steun in het kader van de basisbetalingsregeling wordt uitgegaan van het gemiddelde van de waarden van de verschillende betalingsrechten voor het desbetreffende aangegeven areaal.
Artikel 19
Administratieve sancties bij te hoge aangiften
1. Indien voor een in artikel 17, lid 1, bedoelde gewasgroep het areaal dat in het kader van een areaalgebonden steunregeling of bijstandsmaatregel is aangegeven, groter is dan het overeenkomstig artikel 18 geconstateerde areaal, wordt de steun berekend op basis van het geconstateerde areaal, verlaagd met tweemaal het geconstateerde verschil indien dat verschil meer dan 3 % of meer dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % van het geconstateerde areaal bedraagt.
Bedraagt het verschil meer dan 20 % van het geconstateerde areaal, dan wordt voor de betrokken gewasgroep geen areaalgebonden steun of bijstand verleend.
2. Bedraagt het verschil meer dan 50 % van het geconstateerde areaal, dan wordt voor de betrokken gewasgroep geen areaalgebonden steun of bijstand verleend. Bovendien wordt de begunstigde een extra sanctie opgelegd die gelijk is aan het bedrag aan steun of bijstand dat overeenstemt met het verschil tussen het aangegeven areaal en het overeenkomstig artikel 18 geconstateerde areaal.
3. Indien het overeenkomstig de leden 1 en 2 berekende bedrag niet volledig overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar van de bevinding, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.
Artikel 20
Administratieve sancties met betrekking tot de gewasspecifieke betaling voor katoen
Onverminderd de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 19 van de onderhavige verordening van toepassing zijn, geldt dat, wanneer vast komt te staan dat de begunstigde de uit artikel 61, leden 1 en 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie (21) voortvloeiende verplichtingen niet nakomt, hij het recht op de in artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bepaalde verhoging van de steun verliest. Bovendien wordt voor die begunstigde de overeenkomstig artikel 57 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 te verlenen steun voor katoen per subsidiabele hectare verlaagd met het bedrag van de verhoging dat anders overeenkomstig artikel 60, lid 2, van die verordening zou zijn toegekend.
Artikel 21
Administratieve sancties inzake de betalingen voor jonge landbouwers in het kader van titel III, hoofdstuk V, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, behalve die welke worden opgelegd in het kader van te hoge aangiften van arealen
1. Onverminderd de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 19 van toepassing zijn, geldt dat, wanneer vast komt te staan dat de begunstigde niet voldoet aan de verplichtingen als bedoeld in artikel 50, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 49 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, de steun voor jonge landbouwers niet wordt betaald of volledig wordt ingetrokken. Bovendien wordt, wanneer vast komt te staan dat de begunstigde valse informatie heeft ingediend waaruit zou moeten blijken dat aan de verplichtingen is voldaan, een sanctie toegepast die overeenstemt met 20 % van het bedrag dat de begunstigde uit hoofde van artikel 50, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 als betaling voor jonge landbouwers heeft ontvangen dan wel zou hebben ontvangen.
2. Indien het in lid 1 bedoelde bedrag aan onverschuldigde betalingen en administratieve sancties niet volledig overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar van de bevinding, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.
AFDELING 3
Betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken
Artikel 22
Algemene beginselen
1. Voor de toepassing van de onderhavige afdeling worden, waar dat relevant is, de volgende gewasgroepen onderscheiden:
|
a) |
elke groep van arealen die is aangegeven als een bepaald gewas als bedoeld in artikel 44, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, |
|
b) |
arealen die zijn aangegeven als ecologisch kwetsbaar blijvend grasland als bedoeld in artikel 45, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, |
|
c) |
andere dan de onder b) bedoelde arealen die als blijvend grasland zijn aangegeven, en |
|
d) |
arealen die zijn aangegeven als ecologisch aandachtsgebied als bedoeld in artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013. |
2. Indien hetzelfde areaal voor meer dan een gewasgroep wordt aangegeven, wordt dat areaal voor elk van die gewasgroepen afzonderlijk in aanmerking genomen.
Artikel 23
Berekeningsgrondslag voor de betaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken met betrekking tot de subsidiabele hectaren die in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling zijn aangegeven
1. Wanneer de lidstaat de basisbetalingsregeling toepast, geldt het volgende:
|
a) |
indien het aangegeven aantal betalingsrechten hoger is dan het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt, worden de aangegeven betalingsrechten verlaagd tot het aantal betalingsrechten waarover de begunstigde beschikt; |
|
b) |
indien er een verschil tussen het aangegeven aantal betalingsrechten en het aangegeven areaal bestaat, wordt het aangegeven areaal aangepast aan het kleinste getal. |
2. Onverminderd de administratieve sancties die overeenkomstig artikel 28 van toepassing zijn, geldt dat, indien het in een verzamelaanvraag voor de basisbetaling of de enkele areaalbetaling aangegeven areaal groter is dan het geconstateerde areaal, de vergroeningsbetaling voor klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken, hierna de „vergroeningsbetaling” genoemd, op basis van het geconstateerde areaal wordt berekend.
Indien het in het kader van de basisbetalingsregeling of de regeling inzake een enkele areaalbetaling geconstateerde areaal groter blijkt dan het in de steunaanvraag aangegeven areaal, wordt de vergroeningsbetaling echter berekend op basis van het aangegeven areaal.
Artikel 24
Verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake gewasdiversificatie
1. Wanneer in afwijking van artikel 44 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, waarin is bepaald dat het hoofdgewas niet meer dan 75 % van het totale geconstateerde areaal bouwland mag bestrijken, het voor de hoofdgewasgroep geconstateerde areaal meer dan 75 % bestrijkt, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening wordt berekend, verlaagd met 50 % van het totale geconstateerde areaal bouwland vermenigvuldigd met de verschilfactor.
De in de eerste alinea bedoelde verschilfactor is het aandeel van de hoofdgewasgroep dat hoger is dan 75 % van het totale geconstateerde bouwland in het totale voor de andere gewasgroepen vereiste areaal.
2. Wanneer in afwijking van artikel 44 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, waarin is bepaald dat de twee hoofdgewassen niet meer dan 95 % van het totale geconstateerde areaal bouwland mogen bestrijken, het voor de twee hoofdgewasgroepen geconstateerde areaal meer dan 95 % bestrijkt, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening wordt berekend, verlaagd met 50 % van het totale geconstateerde areaal bouwland vermenigvuldigd met de verschilfactor.
De in de eerste alinea bedoelde verschilfactor is het aandeel van de twee hoofdgewasgroepen dat hoger is dan de 95 % van het totale geconstateerde areaal bouwland in het totale voor de andere gewasgroepen vereiste areaal.
3. Wanneer in afwijking van artikel 44 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, waarin is bepaald dat het hoofdgewas niet meer dan 75 % van het totale geconstateerde areaal bouwland mag bestrijken en de twee hoofdgewassen niet meer dan 95 % mogen bestrijken, het voor de hoofdgewasgroep geconstateerde areaal meer dan 75 % bestrijkt en het voor de twee hoofdgewassen geconstateerde areaal meer dan 95 % bestrijkt, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening wordt berekend, verlaagd met 50 % van het totale geconstateerde areaal bouwland vermenigvuldigd met de verschilfactor.
De in de eerste alinea bedoelde verschilfactor is de som van de in het kader van de leden 1 en 2 berekende verschilfactoren. De waarde van deze factor mag echter niet meer dan 1 bedragen.
4. Wanneer is vastgesteld dat een begunstigde de eisen inzake gewasdiversificatie zoals omschreven in het onderhavige artikel, drie jaar lang niet heeft nageleefd, is de oppervlakte waarmee het voor de berekening van de vergroeningsbetaling te gebruiken areaal overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 voor de daaropvolgende jaren wordt verlaagd, het totale geconstateerde areaal bouwland vermenigvuldigd met de toepasselijke verschilfactor.
Artikel 25
Verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake blijvend grasland
1. Indien een niet-naleving van artikel 45, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is geconstateerd, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening wordt berekend, verlaagd met het areaal waarop de geconstateerde niet-naleving van de eisen van artikel 45, lid 1, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 betrekking heeft.
2. Indien een niet-naleving van de verplichtingen als bedoeld in artikel 44 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 is geconstateerd, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening wordt berekend, verlaagd met het areaal waarop de geconstateerde niet-naleving van de verplichtingen als bedoeld in artikel 44 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 betrekking heeft.
3. Niet-nalevingen worden geacht te zijn „geconstateerd” indien zij zijn vastgesteld bij controles van welke aard ook overeenkomstig artikel 74 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 of nadat zij op een andere wijze onder de aandacht van de bevoegde controleautoriteit of het betaalorgaan zijn gebracht.
Artikel 26
Verlaging van de vergroeningsbetaling bij niet-naleving van de eisen inzake het ecologische aandachtsgebied
1. Het ecologische aandachtsgebied dat overeenkomstig artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vereist is (hierna „het vereiste ecologische aandachtsgebied” genoemd), wordt berekend op basis van het totale geconstateerde areaal bouwland, dat ook de in artikel 46, lid 2, eerste alinea, onder c), d), g) en h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde geconstateerde gebieden omvat indien zulks uit hoofde van artikel 46, lid 2, van die verordening van toepassing is.
2. Indien het vereiste ecologische aandachtsgebied, rekening houdend met de weging van ecologische aandachtsgebieden waarin artikel 46, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet, groter is dan het geconstateerde ecologische aandachtsgebied, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 van de onderhavige verordening wordt berekend, verlaagd met 50 % van het totale geconstateerde bouwland, dat ook de in artikel 46, lid 2, eerste alinea, onder c), d), g) en h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde geconstateerde gebieden omvat indien zulks uit hoofde van artikel 46, lid 2, van die verordening van toepassing is, vermenigvuldigd met de verschilfactor.
De in de eerste alinea bedoelde verschilfactor komt overeen met het aandeel van het verschil tussen het vereiste ecologische aandachtsgebied en het geconstateerde ecologische aandachtsgebied in het vereiste ecologische aandachtsgebied.
3. Wanneer is vastgesteld dat een begunstigde de eisen inzake het ecologische aandachtsgebied zoals omschreven in het onderhavige artikel, drie jaar lang niet heeft nageleefd, is de oppervlakte waarmee het voor de berekening van de vergroeningsbetaling te gebruiken areaal overeenkomstig lid 2 voor de daaropvolgende jaren wordt verlaagd, het totale geconstateerde areaal bouwland, dat ook de in artikel 46, lid 2, eerste alinea, onder c), d), g) en h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde geconstateerde gebieden omvat indien zulks uit hoofde van artikel 46, lid 2, van die verordening van toepassing is, vermenigvuldigd met de verschilfactor.
Artikel 27
Maximumverlaging van de vergroeningsbetaling
1. De som van de overeenkomstig de artikelen 24 en 26 berekende verlaging, uitgedrukt in hectaren, is niet hoger dan het totale aantal hectaren geconstateerd bouwland, dat ook de in artikel 46, lid 2, eerste alinea, onder c), d), g) en h), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde geconstateerde gebieden omvat indien zulks uit hoofde van artikel 46, lid 2, van die verordening van toepassing is.
2. Onverminderd de toepassing van administratieve sancties die overeenkomstig artikel 28 van toepassing zijn, mag de overeenkomstig de artikelen 24, 25 en 26 berekende totale verlaging niet meer bedragen dan de overeenkomstig artikel 23 berekende vergroeningsbetaling.
Artikel 28
Administratieve sancties inzake de groene betaling
1. Indien het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 wordt berekend, afwijkt van het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling na toepassing van de artikelen 24 tot en met 27 wordt berekend, wordt de vergroeningsbetaling berekend op basis van het laatstgenoemde areaal, verminderd met tweemaal het vastgestelde verschil indien dat verschil meer dan 3 % of meer dan twee hectare, maar niet meer dan 20 % bedraagt van het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling na toepassing van de artikelen 24 tot en met 27 wordt berekend.
Bedraagt het verschil meer dan 20 %, dan wordt geen steun verleend.
Bedraagt het verschil meer dan 50 %, dan wordt geen steun verleend. Bovendien wordt de begunstigde een extra sanctie opgelegd die gelijk is aan het bedrag aan steun dat overeenstemt met het verschil tussen het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling overeenkomstig artikel 23 wordt berekend, en het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling na toepassing van de artikelen 24 tot en met 27 wordt berekend.
2. Indien de begunstigde niet zijn gehele areaal bouwland aangeeft en daardoor in aanmerking zou zijn gekomen voor een vrijstelling van de verplichtingen van de artikelen 44, 45 en 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, en/of niet al zijn ecologisch kwetsbaar blijvend grasland overeenkomstig artikel 45, lid 1, van die verordening aangeeft en het niet-aangegeven areaal meer dan 0,1 ha bedraagt, wordt het areaal op basis waarvan de vergroeningsbetaling na toepassing van de artikelen 24 tot en met 27 wordt berekend, verder verlaagd met 10 %.
3. Conform artikel 77, lid 6, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 wordt de overeenkomstig de leden 1 en 2 van het onderhavige artikel berekende administratieve sanctie in de aanvraagjaren 2015 en 2016 niet toegepast. De overeenkomstig de leden 1 en 2 berekende administratieve sanctie wordt gedeeld door 5 en blijft beperkt tot 20 % van het bedrag van de vergroeningsbetaling waarop de betrokken landbouwer overeenkomstig artikel 23 in het aanvraagjaar 2017 recht zou hebben gehad, en wordt gedeeld door 4 en blijft beperkt tot 25 % van hetzelfde bedrag voor het aanvraagjaar 2018 en de jaren daarna.
4. Indien het overeenkomstig de leden 1, 2 en 3 berekende bedrag van de administratieve sancties niet volledig overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar van de bevinding, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.
Artikel 29
Voorschriften voor gelijkwaardige praktijken
Deze afdeling is van overeenkomstige toepassing op de in artikel 43, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde gelijkwaardige praktijken.
AFDELING 4
Vrijwillige gekoppelde steun op basis van steunaanvragen voor vee in het kader van steunregelingen voor dieren of plattelandsontwikkelingsbijstand op basis van betalingsaanvragen in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen
Artikel 30
Berekeningsgrondslag
1. Steun of bijstand wordt in geen geval toegekend voor een groter aantal dieren dan het in de steunaanvraag of de betalingsaanvraag aangegeven aantal.
2. De op het bedrijf aanwezige dieren worden slechts als geconstateerd aangemerkt indien zij in de steunaanvraag of de betalingsaanvraag zijn geïdentificeerd. Geïdentificeerde dieren mogen worden vervangen zonder dat het recht op betaling van de steun of bijstand vervalt, tenzij de bevoegde autoriteit de begunstigde reeds op de hoogte heeft gebracht van een niet-naleving in de aanvraag of de autoriteit reeds een controle ter plaatse heeft aangekondigd. Wanneer een lidstaat niet gebruikmaakt van de mogelijkheid van een aanvraagloos systeem overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften, zorgt hij er in elk geval voor dat ondubbelzinnig vaststaat welke dieren onder de aanvragen van de begunstigden vallen.
3. Onverminderd artikel 31 wordt, indien het in een steunaanvraag of een betalingsaanvraag aangegeven aantal dieren groter is dan het bij administratieve controles of controles ter plaatse geconstateerde aantal, de steun of de bijstand berekend op basis van het geconstateerde aantal dieren.
4. Wanneer een niet-naleving met betrekking tot de identificatie- en registratieregeling voor runderen wordt vastgesteld, geldt het volgende:
|
a) |
een op het bedrijf aanwezig rund dat een van de twee oormerken is kwijtgeraakt, wordt als geconstateerd beschouwd mits het duidelijk en individueel is geïdentificeerd aan de hand van de andere, in artikel 3, eerste alinea, onder b), c) en d), van Verordening (EG) nr. 1760/2000 genoemde elementen van de identificatie- en registratieregeling voor runderen; |
|
b) |
wanneer een op het bedrijf aanwezig rund beide oormerken is kwijtgeraakt, wordt het toch als geconstateerd aangemerkt mits het dier nog aan de hand van het register, het dierpaspoort, het gegevensbestand of andere in Verordening (EG) nr. 1760/2000 genoemde middelen kan worden geïdentificeerd en de dierhouder kan aantonen dat hij al vóór de aankondiging van de controle ter plaatse actie heeft ondernomen om de situatie te corrigeren; |
|
c) |
wanneer het bij de vastgestelde niet-naleving om onjuiste vermeldingen in het register of op de dierpaspoorten gaat, wordt het betrokken dier slechts als niet-geconstateerd beschouwd indien dergelijke fouten bij ten minste twee controles binnen een periode van 24 maanden worden vastgesteld. In alle overige gevallen worden de betrokken dieren na de eerste bevinding als niet-geconstateerd beschouwd. |
De vermeldingen in en meldingen aan het identificatie- en registratiesysteem voor runderen mogen te allen tijde worden gecorrigeerd in geval van een kennelijke fout die door de bevoegde autoriteit is erkend.
5. Wanneer een op het bedrijf aanwezig schaap of een op het bedrijf aanwezige geit een oormerk is kwijtgeraakt, wordt het dier toch als geconstateerd aangemerkt mits het nog door een eerste identificatiemiddel overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 21/2004 kan worden geïdentificeerd en aan alle overige eisen van de identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten is voldaan.
Artikel 31
Administratieve sancties met betrekking tot dieren die in het kader van steunregelingen voor dieren of in het kader van diergebonden bijstandsmaatregelen zijn aangegeven
1. Wanneer ten aanzien van een steunaanvraag in het kader van een steunregeling voor dieren of een betalingsaanvraag in het kader van een diergebonden bijstandsmaatregel een verschil wordt vastgesteld tussen het aangegeven aantal dieren en het overeenkomstig artikel 30, lid 3, geconstateerde aantal, wordt het totale bedrag aan steun of bijstand waarop de begunstigde in het kader van die steunregeling of bijstandsmaatregel voor het betrokken aanvraagjaar recht heeft, verlaagd met het overeenkomstig lid 3 van het onderhavige artikel te bepalen percentage indien voor niet meer dan drie dieren een niet-naleving wordt vastgesteld.
2. Indien voor meer dan drie dieren een niet-naleving wordt vastgesteld, wordt het totale bedrag aan steun of bijstand waarop de begunstigde in het kader van de in lid 1 bedoelde steunregeling of bijstandsmaatregel voor het betrokken aanvraagjaar recht heeft, verlaagd met:
|
a) |
het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage indien dit niet hoger is dan 10 %; |
|
b) |
tweemaal het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage indien dit hoger dan 10 % maar niet hoger dan 20 % is. |
Is het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage hoger dan 20 %, dan wordt de steun of bijstand waarop de begunstigde overeenkomstig artikel 30, lid 3, recht zou hebben gehad in het kader van de steunregeling of bijstandsmaatregel voor het betrokken aanvraagjaar, niet verleend.
Is het overeenkomstig lid 3 bepaalde percentage hoger dan 50 %, dan wordt de steun of bijstand waarop de begunstigde overeenkomstig artikel 30, lid 3, recht zou hebben gehad in het kader van de steunregeling of bijstandsmaatregel voor het betrokken aanvraagjaar, niet verleend. Bovendien wordt de begunstigde een extra sanctie opgelegd die gelijk is aan het bedrag dat overeenstemt met het verschil tussen het aantal aangegeven dieren en het overeenkomstig artikel 30, lid 3, geconstateerde aantal dieren. Indien dat bedrag niet volledig overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften kan worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar van de bevinding, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.
3. Ter bepaling van de in de leden 1 en 2 genoemde percentages wordt het aantal dieren dat in het kader van een steunregeling voor dieren of een diergebonden bijstandsmaatregel is aangegeven en waarvoor een niet-naleving is geconstateerd, gedeeld door het aantal dieren dat in het kader van die steunregeling voor dieren of die bijstandsmaatregel met betrekking tot de steunaanvraag of betalingsaanvraag voor het betrokken aanvraagjaar is geconstateerd.
Wanneer de lidstaat gebruikmaakt van de mogelijkheid van een aanvraagloos systeem overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften, worden potentieel subsidiabele dieren die niet correct geïdentificeerd of geregistreerd overeenkomstig de identificatie- en registratieregeling voor dieren blijken te zijn, beschouwd als dieren ten aanzien waarvan een niet-naleving is vastgesteld.
Artikel 32
Uitzonderingen op de toepassing van administratieve sancties in het geval van natuurlijke omstandigheden
De administratieve sancties waarin artikel 31 voorziet, gelden niet voor de gevallen waarin de begunstigde als gevolg van natuurlijke omstandigheden met een nadelige uitwerking op de veestapel of kudde niet aan de subsidiabiliteitscriteria, de verbintenissen of andere verplichtingen kan voldoen, mits hij de bevoegde autoriteit daarvan schriftelijk in kennis heeft gesteld binnen tien werkdagen na de vaststelling van een vermindering van het aantal dieren.
Onverminderd de feitelijke omstandigheden waarmee in individuele gevallen rekening moet worden gehouden, kunnen de bevoegde autoriteiten de volgende natuurlijke omstandigheden met een nadelige uitwerking op de veestapel of kudde als zodanig erkennen:
|
a) |
de sterfte van een dier als gevolg van een ziekte, of |
|
b) |
de sterfte van een dier als gevolg van een ongeval waarvoor de begunstigde niet verantwoordelijk kan worden gesteld. |
Artikel 33
Extra sancties
1. De lidstaten kunnen extra nationale sancties treffen tegen intermediairs die bij de procedure voor de verkrijging van steun of bijstand zijn betrokken, teneinde ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de voor controledoeleinden gestelde eisen, zoals de in bepaalde gevallen geldende meldplicht.
2. Ten aanzien van de bewijsstukken die door andere diensten, instanties of organisaties dan de bevoegde autoriteiten overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 78, onder c), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften worden verstrekt, geldt dat, indien wordt vastgesteld dat door nalatigheid of met opzet onjuiste bewijsstukken zijn verstrekt, de betrokken lidstaat conform nationale wetgeving passende sancties toepast. Worden dergelijke niet-nalevingen een tweede maal vastgesteld, dan wordt de betrokken dienst, instantie of organisatie voor een periode van ten minste een jaar uitgesloten van het recht om in het kader van de verlening van steun bewijsstukken te leveren.
Artikel 34
Wijzigingen en correcties van de gegevens in het geautomatiseerde gegevensbestand voor runderen
Ten aanzien van aangegeven runderen geldt artikel 15 voor fouten en omissies in de in het geautomatiseerde gegevensbestand voor runderen opgenomen gegevens vanaf het tijdstip waarop de steunaanvraag of betalingsaanvraag wordt ingediend.
TITEL III
SPECIFIEKE BEPALINGEN INZAKE BIJSTANDSMAATREGELEN VOOR PLATTELANDSONTWIKKELING
Artikel 35
Niet-naleving van andere subsidiabiliteitscriteria dan die welke betrekking hebben op de oppervlakte van het areaal of op het aantal dieren, of van verbintenissen of andere verplichtingen
1. De aangevraagde bijstand wordt geweigerd of geheel ingetrokken wanneer niet aan de subsidiabiliteitscriteria is voldaan.
2. De aangevraagde bijstand wordt geweigerd of geheel of gedeeltelijk ingetrokken wanneer niet is voldaan aan de volgende verbintenissen of andere verplichtingen:
|
a) |
verbintenissen die in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma zijn vastgesteld, of |
|
b) |
in voorkomend geval, andere verplichtingen van de concrete actie die in nationaal of Unierecht dan wel in het plattelandsontwikkelingsprogramma zijn vastgesteld, met name op het gebied van overheidsopdrachten, staatssteun en andere verplichte normen en eisen. |
3. De lidstaat bepaalt het percentage van de weigering of intrekking van bijstand die voortvloeit uit de niet-naleving van de in lid 2 bedoelde verbintenissen of andere verplichtingen, op basis van de ernst, de omvang, de duur en de herhaling van de niet-naleving van de voorwaarden die aan de in lid 2 bedoelde bijstand zijn verbonden.
De ernst van de niet-naleving hangt met name af van het belang van de gevolgen van de niet-naleving, gelet op het doel van de niet in acht genomen verbintenissen of verplichtingen.
De omvang van de niet-naleving hangt met name af van het effect ervan op de concrete actie als geheel.
De duur hangt met name af van de lengte van de periode waarin het effect blijft bestaan, of van de mogelijkheid om dit effect met redelijke middelen te beëindigen.
Of er sprake is van een herhaling hangt af van de vraag of soortgelijke niet-nalevingen in de laatste vier jaar of gedurende de gehele programmeringsperiode 2014-2020 al eerder zijn geconstateerd ten aanzien van dezelfde begunstigde en dezelfde maatregel of soort concrete actie dan wel - in het geval van de programmeringsperiode 2007-2013 - dezelfde soort maatregel.
4. Bij meerjarige verbintenissen of betalingen geldt de intrekking op basis van de in lid 3 genoemde criteria ook voor de bedragen die al in de voorgaande jaren in het kader van dezelfde concrete actie zijn betaald.
5. Wanneer de brede beoordeling op basis van de in lid 3 genoemde criteria tot de conclusie leidt dat er sprake is van een ernstige niet-naleving, wordt de bijstand geweigerd of geheel ingetrokken. Voorts wordt de begunstigde voor het kalenderjaar van de bevinding en het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van dezelfde maatregel of soort concrete actie.
6. Wanneer vast komt te staan dat de begunstigde valse informatie heeft verstrekt om bijstand te ontvangen, of verzuimd heeft de nodige informatie te verstrekken, wordt de bijstand geweigerd of volledig ingetrokken. Voorts wordt de begunstigde voor het kalenderjaar van de bevinding en het daaropvolgende kalenderjaar uitgesloten van dezelfde maatregel of soort concrete actie.
7. Indien de in de leden 1, 2, 4, 5 en 6 bedoelde intrekkingen en administratieve sancties niet volledig overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften kunnen worden verrekend gedurende de drie kalenderjaren volgende op het kalenderjaar van de bevinding, komt het nog uitstaande saldo te vervallen.
Artikel 36
Schorsing van de bijstand
Het betaalorgaan kan de bijstand voor bepaalde uitgaven schorsen bij de constatering van een niet-naleving die tot een administratieve sanctie leidt. De schorsing wordt door het betaalorgaan opgeheven zodra de begunstigde ten genoegen van de bevoegde autoriteit heeft aangetoond de situatie is gecorrigeerd. De schorsingsperiode bedraagt ten hoogste drie maanden. De lidstaten kunnen, afhankelijk van de soort concrete actie en de effecten van de niet-naleving in kwestie, ook een kortere maximumperiode vaststellen.
Het betaalorgaan kan de bijstand alleen schorsen wanneer de verwezenlijking van het algehele doel van de concrete actie in kwestie ondanks de niet-naleving niet in het gedrang komt en indien aangenomen wordt dat de begunstigde de situatie binnen de vastgestelde maximumperiode kan corrigeren.
TITEL IV
CONTROLESYSTEEM EN ADMINISTRATIEVE SANCTIES MET BETREKKING TOT DE RANDVOORWAARDEN
HOOFDSTUK I
INSTANDHOUDING VAN BLIJVEND WEILAND
Artikel 37
Verplichtingen inzake blijvend weiland
1. Wanneer blijkt dat het in artikel 3, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 bedoelde aandeel in 2014 op nationaal of op regionaal niveau is afgenomen, kan de betrokken lidstaat begunstigden die in 2015 in het kader van de regelingen inzake rechtstreekse betalingen steun aanvragen, verbieden blijvend weiland om te zetten zonder voorafgaande toestemming.
Wanneer blijkt dat dat aandeel in 2014 met meer dan 5 % is afgenomen, legt de betrokken lidstaat een dergelijk verbod zonder meer op.
Indien aan de in de eerste en de tweede alinea bedoelde toestemming de voorwaarde is verbonden dat een areaal blijvend weiland wordt aangelegd, wordt een dergelijk areaal in afwijking van de definitie in artikel 2, tweede alinea, punt 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 vanaf de eerste dag van de omzetting als blijvend weiland beschouwd. Dat areaal wordt gedurende vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen gebruikt.
2. Het in lid 1 bedoelde, aan begunstigden opgelegde verbod geldt niet voor gevallen waarin begunstigden blijvend weiland hebben aangelegd overeenkomstig de Verordeningen (EEG) nr. 2078/92 (22), (EG) nr. 1257/1999 (23) en (EG) nr. 1698/2005 van de Raad.
3. Wanneer blijkt dat de nakoming van de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 neergelegde verplichting in 2014 niet kan worden gewaarborgd, legt de betrokken lidstaat, ter aanvulling van de overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel genomen maatregelen, op nationaal of op regionaal niveau aan de begunstigden die in 2015 in het kader van een regeling inzake rechtstreekse betalingen steun aanvragen, de verplichting op om grond weer in blijvend weiland om te zetten.
De eerste alinea geldt alleen voor begunstigden die over grond beschikken die van blijvend weiland is omgezet in grond voor ander gebruik.
De eerste alinea geldt voor een areaal dat aldus was omgezet vanaf de begindatum van de periode van 24 maanden voorafgaande aan de meest recente datum waarop de verzamelaanvragen in de betrokken lidstaat overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 uiterlijk moesten worden ingediend.
In een dergelijk geval zetten de landbouwers een percentage van dat areaal opnieuw in blijvend weiland om of leggen zij een daarmee overeenkomende oppervlakte blijvend weiland aan. Dit percentage wordt berekend op basis van de oppervlakte van het areaal dat de landbouwer in grond voor ander gebruik heeft omgezet, en de oppervlakte van het areaal dat nodig is om het evenwicht te herstellen.
Wanneer het betrokken areaal echter is overgedragen nadat het in grond voor ander gebruik was omgezet, geldt de eerste alinea slechts indien de overdracht na 6 mei 2004 heeft plaatsgevonden.
In afwijking van artikel 2, tweede alinea, punt 2, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 worden arealen die weer in blijvend weiland worden omgezet of waarop blijvend weiland wordt aangelegd, vanaf de eerste dag van de heromzetting of aanleg als blijvend weiland beschouwd. Dergelijke arealen worden gedurende vijf opeenvolgende jaren na de datum van de omzetting voor de teelt van grassen of andere kruidachtige voedergewassen gebruikt.
4. De leden 1 en 3 gelden alleen in 2015.
5. De lidstaten verrichten in 2015 en 2016 controles op de naleving van de leden 1 en 3.
HOOFDSTUK II
BEREKENING EN TOEPASSING VAN ADMINISTRATIEVE SANCTIES
Artikel 38
Algemene voorschriften betreffende niet-naleving
1. Onder een „herhaling” van een niet-naleving wordt verstaan een meer dan eenmaal binnen een periode van drie opeenvolgende kalenderjaren geconstateerde niet-naleving van dezelfde eis of norm, mits de begunstigde in kennis is gesteld en, naargelang van het geval, de mogelijkheid heeft gehad de nodige maatregelen te nemen om die eerdere niet-naleving te beëindigen. In het kader van de constatering van de herhaling van een niet-naleving wordt rekening gehouden met niet-nalevingen die overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1122/2009 zijn geconstateerd, en wordt met name GLMC 3, zoals vermeld in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, geacht gelijkwaardig te zijn aan RBE 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 73/2009 in de versie die op 21 december 2013 van kracht was.
2. Bij de bepaling van de „omvang” van een niet-naleving wordt er met name rekening mee gehouden of de niet-naleving verstrekkende gevolgen heeft dan wel of de gevolgen tot het landbouwbedrijf zelf beperkt blijven.
3. De „ernst” van een niet-naleving is met name afhankelijk van het belang van de gevolgen van de niet-naleving, gelet op de doelstellingen van de betrokken eis of norm.
4. Of een niet-naleving een „permanent karakter” heeft, is met name afhankelijk van de lengte van de periode waarin de effecten blijven bestaan, of van de mogelijkheden om die effecten met redelijke middelen te beëindigen.
5. Voor de toepassing van dit hoofdstuk worden niet-nalevingen geacht te zijn „geconstateerd” indien zij worden vastgesteld bij controles van welke aard ook overeenkomstig de onderhavige verordening of nadat zij op een andere wijze onder de aandacht van de bevoegde controleautoriteit of, in voorkomend geval, het betaalorgaan zijn gebracht.
Artikel 39
Berekening en toepassing van administratieve sancties in geval van nalatigheid
1. Wanneer een geconstateerde niet-naleving het gevolg is van nalatigheid van de begunstigde, wordt een verlaging toegepast. Deze verlaging bedraagt in de regel 3 % van het totale bedrag aan betalingen en jaarlijkse premies die in artikel 92 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 worden genoemd.
Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van het belang van de niet-naleving dat de bevoegde controleautoriteit in het evaluatiegedeelte van het controleverslag daaraan heeft toegekend op basis van de in artikel 38, leden 1 tot en met 4, genoemde criteria, besluiten om dat percentage te verlagen tot 1 % of te verhogen tot 5 % van het in de eerste alinea bedoelde totale bedrag dan wel, in de gevallen waarin de bepalingen inzake de betrokken eis of norm speelruimte laten om geen gevolg te geven aan de vastgestelde niet-naleving, of in de gevallen waarin overeenkomstig artikel 17, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bijstand wordt verleend, in het geheel geen verlagingen op te leggen.
2. Wanneer een lidstaat besluit om uit hoofde van artikel 97, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 geen sanctie op te leggen, en de begunstigde de situatie niet binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn heeft gecorrigeerd, wordt de administratieve sanctie alsnog opgelegd.
Deze door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn verstrijkt uiterlijk aan het einde van het jaar na dat waarin de bevinding is gedaan.
3. Ingeval een lidstaat gebruikmaakt van de bij artikel 99, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 geboden mogelijkheid, en de begunstigde de situatie niet binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn heeft gecorrigeerd, wordt de overeenkomstig lid 1 van het onderhavige artikel bepaalde verlaging van ten minste 1 % met terugwerkende kracht toegepast voor het jaar waarin de initiële bevinding is gedaan en het waarschuwingssysteem is toegepast, indien wordt vastgesteld dat de niet-naleving gedurende ten hoogste drie opeenvolgende kalenderjaren, gerekend vanaf en inclusief dat jaar, niet is gecorrigeerd.
Deze door de bevoegde autoriteit vastgestelde termijn verstrijkt uiterlijk aan het einde van het jaar na dat waarin de bevinding is gedaan.
Een niet-naleving die binnen de vastgestelde termijn door de begunstigde is gecorrigeerd, wordt voor de vaststelling van een herhaling overeenkomstig lid 4 niet als een niet-naleving beschouwd.
4. Onverminderd de gevallen van opzettelijke niet-naleving, wordt de verlaging die voor een niet-naleving overeenkomstig lid 1 is toegepast, bij de eerste herhaling van dezelfde niet-naleving vermenigvuldigd met de factor drie.
Bij verdere herhalingen wordt de vermenigvuldigingsfactor drie telkens toegepast op het resultaat van de verlaging die voor de voorgaande herhaling is vastgesteld. De verlaging bedraagt echter maximaal 15 % van het in lid 1 bedoelde totale bedrag.
Zodra het maximum van 15 % is bereikt, deelt het betaalorgaan de betrokken begunstigde mee dat, indien dezelfde niet-naleving nogmaals wordt geconstateerd, zal worden aangenomen dat hij met opzet in de zin van artikel 40 heeft gehandeld.
Artikel 40
Berekening en toepassing van administratieve sancties in geval van opzettelijke niet-naleving
Wanneer een begunstigde de geconstateerde niet-naleving met opzet heeft begaan, bedraagt de verlaging die op het in artikel 39, lid 1, bedoelde totale bedrag moet worden toegepast, in de regel 20 % van dat totale bedrag.
Het betaalorgaan kan evenwel op basis van de beoordeling van het belang van de niet-naleving die de bevoegde controleautoriteit in het evaluatiegedeelte van het controleverslag daaraan heeft toegekend op basis van de in artikel 38, leden 1 tot en met 4, genoemde criteria, besluiten om dat percentage te verlagen tot niet minder dan 15 % of te verhogen tot maximaal 100 % van dat totale bedrag.
Artikel 41
Cumulatie van administratieve sancties
Wanneer een geval van niet-naleving in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 2, onder b), ook een niet-naleving in de zin van artikel 2, lid 1, tweede alinea, punt 2, onder a), vormt, worden de administratieve sancties overeenkomstig de door de Commissie op basis van artikel 77, lid 8, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde voorschriften toegepast.
TITEL V
OVERGANGS- EN SLOTBEPALINGEN
Artikel 42
Overgangsregels inzake de randvoorwaarden
1. Ten aanzien van de door begunstigden na te leven randvoorwaarden voor maatregelen die uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1698/2005 ten uitvoer zijn gelegd, zijn de voorschriften voor het controlesysteem en de administratieve sancties van toepassing die bij de onderhavige verordening en de door de Commissie op basis van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde uitvoeringshandelingen zijn ingesteld.
2. Ten aanzien van niet-nalevingen van de randvoorwaarden in het kader waarvan geen administratieve sancties zijn toegepast omdat zij onder de de-minimisregel van artikel 23, lid 2, van Verordening (EG) nr. 73/2009 of artikel 51, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 vallen, is artikel 97, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van toepassing in die zin dat de controleautoriteit de nodige maatregelen moet nemen om na te gaan of de begunstigde de geconstateerde niet-naleving heeft gecorrigeerd.
Artikel 43
Intrekking
De Verordeningen (EG) nr. 1122/2009 en (EU) nr. 65/2011 worden met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken.
Zij blijven evenwel van toepassing op:
|
a) |
steunaanvragen voor rechtstreekse betalingen die zijn ingediend voor premieperioden die vóór 1 januari 2015 zijn ingegaan, |
|
b) |
betalingsaanvragen die voor het jaar 2014 zijn gedaan, en |
|
c) |
het controlesysteem en de administratieve sancties inzake de randvoorwaarden die landbouwers in het kader van de artikelen 85 unvicies en 103 septvicies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (24) moeten naleven. |
Artikel 44
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing op steunaanvragen en betalingsaanvragen betreffende de aanvraagjaren of premieperioden die ingaan op of na 1 januari 2015.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 11 maart 2014
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549.
(2) Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1).
(3) Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (PB L 316 van 2.12.2009, blz. 65).
(4) Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).
(5) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake bijstand voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).
(6) Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1).
(7) Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16).
(8) Verordening (EU) nr. 65/2011 van de Commissie van 27 januari 2011 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad met betrekking tot de toepassing van controleprocedures en van de randvoorwaarden in het kader van de steunmaatregelen voor plattelandsontwikkeling (PB L 25 van 28.1.2011, blz. 8).
(9) Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).
(10) Verordening (EG) nr. 1760/2000 van het Europees Parlement en de Raad van 17 juli 2000 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor runderen en inzake de etikettering van rundvlees en rundvleesproducten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 820/97 van de Raad (PB L 204 van 11.8.2000, blz. 1).
(11) Verordening (EG) nr. 21/2004 van de Raad van 17 december 2003 tot vaststelling van een identificatie- en registratieregeling voor schapen en geiten en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1782/2003 en de Richtlijnen 92/102/EEG en 64/432/EEG (PB L 5 van 9.1.2004, blz. 8).
(12) Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23).
(13) Verordening (EU) nr. 229/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1405/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 41).
(14) Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).
(15) Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7).
(16) Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7).
(17) Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).
(18) Verordening (EG) Nr. 796/2004 van de Commissie van 21 april 2004 houdende uitvoeringsbepalingen inzake de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem waarin is voorzien bij Verordening (EG) nr. 1782/2003 van de Raad tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, (PB L 141 van 30.4.2004, blz. 18).
(19) Verordening (EEG, Euratom) nr. 1182/71 van de Raad van 3 juni 1971 houdende vaststelling van de regels die van toepassing zijn op termijnen, data en aanvangs- en vervaltijden (PB L 124 van 8.6.1971, blz. 1).
(20) Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).
(21) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die Verordening (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).
(22) Verordening (EEG) nr. 2078/92 van de Raad van 30 juni 1992 betreffende landbouwproductiemethoden die verenigbaar zijn met de eisen inzake milieubescherming, en betreffende natuurbeheer (PB L 215 van 30.7.1992, blz. 85).
(23) Verordening (EG) nr. 1257/1999 van de Raad van 17 mei 1999 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Oriëntatie- en Garantiefonds voor de Landbouw (EOGFL) en tot wijziging en intrekking van een aantal verordeningen (PB L 160 van 26.6.1999, blz. 80).
(24) Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten (integrale GMO-verordening) (PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1).
|
20.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 181/74 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 641/2014 VAN DE COMMISSIE
van 16 juni 2014
tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (1), en met name artikel 24, lid 11, artikel 31, lid 2, artikel 34, lid 5, artikel 39, lid 4, artikel 43, lid 13, artikel 45, lid 7, artikel 55, lid 2, artikel 57, lid 4, en artikel 67, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op grond van artikel 24, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en de artikelen 20 en 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie (2) kunnen landbouwers bij de verkoop of de verpachting van hun bedrijf de toe te wijzen betalingsrechten of het recht op betalingsrechten door middel van een contract overdragen. Voor dergelijke specifieke omstandigheden, en met name voor aanvragen tot toewijzing van betalingsrechten, moeten voorschriften worden vastgesteld. |
|
(2) |
Voor de toepassing van artikel 25, lid 2, artikel 26 en artikel 40, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moeten voorschriften worden vastgesteld voor de berekening van de waarde van betalingsrechten die moeten worden toegewezen bij de overdracht van een landbouwbedrijf door vererving aan een andere landbouwer die de landbouwactiviteit op dit bedrijf wil voortzetten en die zelf in het eerste jaar van toepassing van de basisbetalingsregeling recht heeft op betalingsrechten. |
|
(3) |
Met het oog op een goed beheer van de basisbetalingsregeling moeten voorschriften worden vastgesteld voor de meldingen van overdrachten van betalingsrechten die de landbouwers aan de nationale instanties moeten doen. |
|
(4) |
Voor de aanvulling van de nationale of de regionale reserve met niet-gebruikte betalingsrechten overeenkomstig artikel 31, lid 1, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet worden voorzien in een datum na welke de niet-gebruikte betalingsrechten, met inbegrip van de betalingsrechten die niet zijn geactiveerd of die anderszins geen recht op betalingen geven, aan de reserve vervallen. |
|
(5) |
In artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is bepaald dat de lidstaten kunnen besluiten specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen toe te passen die gelijkwaardig zijn aan klimaat- en milieuvriendelijke praktijken. Met het oog op een tijdige en effectieve beoordeling van de praktijken die deel uitmaken van deze verbintenissen of certificeringsregelingen, moeten voorschriften voor de procedure voor de meldingen en de door de Commissie te verrichten beoordeling worden vastgesteld. |
|
(6) |
Krachtens artikel 45, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 geldt geen individuele heromzettingsverplichting op bedrijfsniveau ingeval het areaal blijvend grasland in absolute cijfers binnen bepaalde grenzen gehandhaafd blijft. Deze grenzen moeten worden vastgesteld. |
|
(7) |
Overeenkomstig artikel 55, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is voor de in artikel 53, lid 4 en lid 6, onder a), van die verordening bedoelde besluiten goedkeuring van de Commissie vereist. Derhalve moeten procedurevoorschriften voor de beoordeling en goedkeuring door de Commissie worden vastgesteld. |
|
(8) |
Krachtens artikel 57, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 moet de Commissie procedurevoorschriften vaststellen voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen. Overeenkomstig het subsidiariteitsbeginsel moeten dergelijke voorschriften beperkt blijven tot de vaststelling van een uiterste datum voor de afronding van deze procedure en stellen de lidstaten zelf de nadere procedurevoorschriften vast. |
|
(9) |
Er moet worden vastgesteld welke informatie de lidstaten in het kader van deze vergunningverlening moeten toezenden aan de producenten. Om ervoor te zorgen dat de producenten tijdig worden geïnformeerd, moet een uiterste datum voor dergelijke meldingen worden vastgesteld. |
|
(10) |
In het kader van de monitoring van een correcte toepassing van de voorschriften van Verordening (EU) nr. 1307/2013 die betrekking hebben op de flexibiliteit tussen de pijlers, moeten bepaalde meldingsverplichtingen worden gepreciseerd voor de besluiten die de lidstaten overeenkomstig artikel 14 van die verordening nemen. |
|
(11) |
Om de financiële maxima uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vast te stellen en om te controleren of deze maxima in acht worden genomen, moeten bepaalde meldingsverplichtingen worden gepreciseerd voor met name de besluiten die de lidstaten overeenkomstig artikel 22, leden 2 en 3, artikel 42, lid 1, artikel 49, lid 1, en artikel 51, lid 1, van die verordening nemen. |
|
(12) |
Omwille van de efficiëntie moet worden bepaald dat de meldingen in het kader van Verordening (EU) nr. 1307/2013, Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 en de onderhavige verordening moeten worden gedaan overeenkomstig Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie (3). |
|
(13) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor rechtstreekse betalingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
HOOFDSTUK 1
TOEPASSINGSGEBIED EN ALGEMENE UITGANGSPUNTEN
Artikel 1
Toepassingsgebied
Deze verordening bevat uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU) nr. 1307/2013 op de volgende gebieden:
|
a) |
algemene bepalingen inzake rechtstreekse betalingen; |
|
b) |
de basisbetalingsregeling; |
|
c) |
de betaling voor landbouwers die klimaat- en milieuvriendelijke landbouwpraktijken in acht nemen; |
|
d) |
vrijwillige gekoppelde steun; |
|
e) |
de gewasspecifieke betaling voor katoen; |
|
f) |
meldingen van lidstaten. |
Artikel 2
Algemene uitgangspunten
De lidstaten leggen deze verordening ten uitvoer op basis van objectieve criteria en op zodanige wijze dat de gelijke behandeling van de landbouwers wordt gewaarborgd, markt- en concurrentieverstoringen worden vermeden en een duurzaam beheer van natuurlijke hulpbronnen en klimaatactie worden bevorderd.
HOOFDSTUK 2
BASISBETALINGSREGELING
AFDELING 1
Eerste toewijzing van betalingsrechten
Artikel 3
Aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten bij verkoop of verpachting middels een contractclausule als bedoeld in artikel 24, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
Bij verkoop of verpachting middels een contractclausule overeenkomstig artikel 24, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt de aanvraag tot toewijzing van de betalingsrechten gedaan door respectievelijk de koper of de pachter. Deze aanvraag bevat de volgende informatie:
|
a) |
nadere gegevens over respectievelijk het verkoop- of het pachtcontract, met inbegrip van de desbetreffende contractclausule en/of, indien de lidstaat dat voorschrijft, een kopie van dit contract; |
|
b) |
de identificatiegegevens van de landbouwer die het recht op de betalingsrechten aan de koper of de pachter heeft overgedragen, waaronder, indien beschikbaar, de unieke identificatie van de begunstigde als bedoeld in artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie (4). |
Daarnaast verlangt de lidstaat van de koper of pachter alle informatie die nodig is om de toepassing van artikel 60 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) te verifiëren.
Artikel 4
Aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten bij verkoop middels een contractclausule als bedoeld in artikel 20 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014
1. Bij verkoop middels een contractclausule overeenkomstig artikel 20 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 wordt de aanvraag tot toewijzing van de betalingsrechten die onder deze clausule vallen, gedaan door de verkoper. Deze aanvraag bevat de volgende informatie:
|
a) |
nadere gegevens over het koopcontract, met inbegrip van de desbetreffende contractclausule en/of, indien de lidstaat dat voorschrijft, een kopie van dit koopcontract; |
|
b) |
het aantal subsidiabele hectaren dat onder deze contractclausule valt; |
|
c) |
de identificatiegegevens van de landbouwer aan wie de rechten in het kader van deze clausule worden overdragen, waaronder, indien beschikbaar, de unieke identificatie van de begunstigde als bedoeld in artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014. |
2. Een lidstaat kan de koper toestaan de aanvraag tot toewijzing van de betalingsrechten namens de verkoper te doen. In dat geval gaat de lidstaat na of de verkoper de koper toestemming heeft verleend om de aanvraag te doen.
Artikel 5
Aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten bij verpachting middels een contractclausule als bedoeld in artikel 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014
1. Bij verpachting middels een contractclausule overeenkomstig artikel 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 wordt de aanvraag tot toewijzing van de betalingsrechten die onder deze clausule vallen, gedaan door de verpachter. Deze aanvraag bevat de volgende informatie:
|
a) |
nadere gegevens over het pachtcontract, met inbegrip van de desbetreffende contractclausule en/of, indien de lidstaat dat voorschrijft, een kopie van dit pachtcontract; |
|
b) |
het aantal subsidiabele hectaren dat onder deze contractclausule valt; |
|
c) |
de identificatiegegevens van de landbouwer aan wie de rechten in het kader van deze clausule worden overdragen, waaronder, indien beschikbaar, de unieke identificatie van de begunstigde als bedoeld in artikel 8 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014. |
2. Een lidstaat kan de pachter toestaan de aanvraag tot toewijzing van de betalingsrechten namens de verpachter te doen. In dat geval gaat de lidstaat na of de verpachter de pachter toestemming heeft verleend om de aanvraag te doen.
Artikel 6
Waarde van betalingsrechten bij vererving
1. In lidstaten die artikel 25, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen, wordt in de gevallen waarin een landbouwer, naast een recht op betalingsrechten uit hoofde van artikel 14, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, recht heeft op de toewijzing van rechten overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, de overeenkomstig artikel 26 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vast te stellen waarde van zijn betalingsrechten berekend op basis van de som van de gegevens van 2014 over zijn oorspronkelijke bedrijf en het geërfde bedrijf of geërfde deel van het bedrijf.
2. In lidstaten die artikel 40, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 toepassen, wordt in de gevallen waarin een landbouwer, naast een recht op betalingsrechten uit hoofde van artikel 14, lid 1, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014, recht heeft op de toewijzing van betalingsrechten overeenkomstig artikel 39 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, de overeenkomstig artikel 40, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 vast te stellen waarde van zijn betalingsrechten gebaseerd op de som van de gegevens van het betrokken jaar over zijn oorspronkelijke bedrijf en het geërfde bedrijf of geërfde deel van het bedrijf.
AFDELING 2
Activering en overdracht van betalingsrechten
Artikel 7
Activering van betalingsrechten bij verkoop of verpachting middels een contractclausule als bedoeld in artikel 24, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 of de artikelen 20 en 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014
1. Bij verkoop of verpachting middels een contractclausule overeenkomstig artikel 24, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt de eerste aanvraag van de koper of pachter tot betaling in het kader van de basisbetalingsregeling ingediend in hetzelfde jaar als de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten als bedoeld in artikel 3 van de onderhavige verordening.
2. Bij verkoop middels een contractclausule overeenkomstig artikel 20 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 neemt de koper in zijn eerste aanvraag tot betaling in het kader van de basisbetalingsregeling nadere gegevens over het koopcontract op, met vermelding van de desbetreffende contractclausule en/of, indien de lidstaat dat voorschrijft, vergezeld van een kopie van dit koopcontract. Een dergelijke aanvraag wordt in hetzelfde jaar ingediend als de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten als bedoeld in artikel 4 van de onderhavige verordening.
3. Bij verpachting middels een contractclausule overeenkomstig artikel 21 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 neemt de pachter in zijn eerste aanvraag tot betaling in het kader van de basisbetalingsregeling nadere gegevens over het pachtcontract op, met vermelding van de desbetreffende contractclausule en/of, indien de lidstaat dat voorschrijft, vergezeld van een kopie van dit pachtcontract. Een dergelijke aanvraag wordt in hetzelfde jaar ingediend als de aanvraag tot toewijzing van betalingsrechten als bedoeld in artikel 5 van de onderhavige verordening.
Artikel 8
Meldingen van een overdracht
1. Bij een overdracht overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 stelt de overdrager de bevoegde autoriteit binnen een door de lidstaat vast te stellen periode in kennis van de overdracht.
2. De overdracht vindt plaats zoals beschreven in de melding, tenzij de bevoegde autoriteit bezwaar aantekent tegen de overdracht. De bevoegde autoriteit kan alleen bezwaar aantekenen tegen een overdracht wanneer de overdracht niet met Verordening (EU) nr. 1307/2013, Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 of de onderhavige verordening in overeenstemming is. De bevoegde autoriteit stelt de overdrager zo snel mogelijk van haar bezwaren in kennis.
AFDELING 3
Nationale reserve of regionale reserves
Artikel 9
Verval aan de nationale of de regionale reserve
1. Voor de toepassing van artikel 31, lid 1, onder a) of b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden niet-gebruikte betalingsrechten, behalve in geval van overmacht of uitzonderlijke omstandigheden, geacht te zijn vervallen aan de nationale of de regionale reserve op de dag die volgt op de door de Commissie op basis van artikel 78, onder b), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 vastgestelde uiterste datum voor de wijziging van de verzamelaanvraag in het kader van de basisbetalingsregeling in het kalenderjaar waarin de in artikel 31, lid 1, onder a) of b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde periode verstrijkt.
2. De lidstaten die overeenkomstig artikel 30, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voor regionale reserves hebben gekozen, passen de voorschriften voor het verval van niet-gebruikte betalingsrechten aan de reserve op regionaal niveau toe.
HOOFDSTUK 3
VERGROENING
Artikel 10
Procedure voor de melding en de beoordeling van de praktijken die deel uitmaken van de specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen
1. De in artikel 43, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde meldingen worden bij toepassing in 2015 uiterlijk op 1 augustus 2014 en bij toepassing na 2015 uiterlijk op 1 juli vóór het jaar van toepassing gedaan.
Deze meldingen kunnen eenmaal per jaar worden gewijzigd, mits de Commissie uiterlijk op 1 juli vóór het jaar van toepassing in kennis is gesteld van de wijziging.
2. Wat de in artikel 43, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde verbintenissen betreft, worden de onder de verbintenis vallende praktijken in de meldingen aan de Commissie duidelijk beschreven en wordt daarbij aangegeven met welke in artikel 43, lid 2, van die verordening genoemde praktijken zij gelijkwaardig zijn en onder welke van de in bijlage IX bij die verordening vermelde gelijkwaardige praktijken zij geacht worden te vallen. Deze meldingen bevatten een verwijzing naar de desbetreffende verbintenissen in het kader van het plattelandsontwikkelingsprogramma dat uit hoofde van artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6) bij de Commissie is ingediend of uit hoofde van artikel 18, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (7) door de Commissie is goedgekeurd.
3. Wat de in artikel 43, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde certificeringsregelingen betreft, worden de onder de certificeringsregeling vallende praktijken in de meldingen aan de Commissie duidelijk beschreven en wordt daarbij aangegeven met welke in artikel 43, lid 2, van die verordening genoemde praktijken zij gelijkwaardig zijn en onder welke van de in bijlage IX bij die verordening vermelde gelijkwaardige praktijken zij geacht worden te vallen.
4. Wanneer in de beoordeling van de Commissie wordt geconcludeerd dat de gemelde praktijken die deel uitmaken van de specifieke verbintenissen of certificeringsregelingen, niet onder de lijst in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 vallen, stelt de Commissie de lidstaat daarvan binnen drie maanden na ontvangst van de melding in kennis. De lidstaat kan binnen één maand na ontvangst van de informatie van de Commissie aanvullende informatie verstrekken. De uitvoeringshandeling waarin artikel 43, lid 8, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet, wordt binnen zeven maanden na ontvangst van de eerste melding vastgesteld.
Artikel 11
Instandhoudingsmarge voor blijvend grasland in absolute cijfers
De in artikel 45, lid 3, tweede alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde marge die wordt aangehouden wanneer wordt nagegaan of het areaal blijvend grasland in absolute cijfers in stand blijft, komt overeen met een afname van ten hoogste 0,5 % van het overeenkomstig artikel 45, lid 2, onder a), van die verordening vastgestelde areaal blijvend grasland.
HOOFDSTUK 4
GEKOPPELDE STEUN
AFDELING 1
Vrijwillige gekoppelde steun
Artikel 12
Procedure voor de beoordeling en de goedkeuring van de in artikel 55, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde besluiten
De Commissie beoordeelt of de in artikel 55, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde besluiten in overeenstemming zijn met die verordening, met name wat betreft de eis om een van de in artikel 55, lid 1, van die verordening genoemde behoeften aan te tonen, en met Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014.
Wanneer de Commissie van oordeel is dat zij op basis van de door een lidstaat verstrekte informatie niet kan vaststellen of aan de in het eerste lid genoemde voorwaarden is voldaan, verzoekt zij de lidstaat aanvullende informatie te verstrekken of zijn besluit te herzien.
De Commissie stelt binnen vier maanden na ontvangst van alle vereiste informatie een uitvoeringshandeling vast waarbij het besluit van een lidstaat wordt goedgekeurd dan wel afgewezen.
AFDELING 2
Gewasspecifieke betaling voor katoen
Artikel 13
Procedure voor de vergunningverlening voor grond en rassen
De procedure voor de vergunningverlening voor grond en rassen in het kader van de gewasspecifieke betaling voor katoen waarin artikel 57 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet, wordt uiterlijk op 31 januari van het jaar van inzaai afgerond.
Artikel 14
Meldingen aan de producenten
1. De lidstaten delen katoentelers vóór 1 maart van het jaar van inzaai het volgende mee:
|
a) |
de voor de inzaai toegelaten rassen; |
|
b) |
de door de lidstaat overeenkomstig artikel 56 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 vastgestelde criteria voor de verlening van een vergunning voor grond voor de katoenproductie; |
|
c) |
de in artikel 58 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 bedoelde minimale dichtheid aan katoenplanten; |
|
d) |
de vereiste agronomische praktijken. |
2. Wanneer de toelating van een ras wordt ingetrokken, stellen de lidstaten de telers daarvan vóór 1 maart van het jaar vóór het jaar van inzaai in kennis.
HOOFDSTUK 5
MELDINGSVOORSCHRIFTEN
Artikel 15
Meldingen over de flexibiliteit tussen de pijlers
1. De informatie die uit hoofde van artikel 14, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 136 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (8) aan de Commissie moet worden verstrekt, wordt voor elk kalenderjaar tot en met 2019 verstrekt in de vorm van jaarlijkse percentages van de jaarlijkse nationale maxima als bedoeld in artikel 14, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 136 bis, lid 1, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009.
2. De informatie die uit hoofde van artikel 14, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 136 bis, lid 1, van Verordening (EG) nr. 73/2009 aan de Commissie moet worden verstrekt, wordt voor elk begrotingsjaar tot en met 2020 verstrekt in de vorm van jaarlijkse percentages van de jaarlijkse bedragen die zijn toegewezen voor steun voor maatregelen in het kader van plattelandsontwikkelingsprogramma’s als bedoeld in artikel 14, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 en artikel 136 bis, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 73/2009.
Artikel 16
Melding over de verhoging van het maximum voor de basisbetalingsregeling als bedoeld in artikel 22, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013
Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis stelt van zijn besluiten uit hoofde van artikel 22, leden 2 of 3, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt de informatie voor elk kalenderjaar tot en met 2020 bij de Commissie ingediend in de vorm van percentages van de in bijlage II bij die verordening vermelde jaarlijkse nationale maxima, na aftrek van het bedrag dat resulteert uit de toepassing van artikel 47, lid 1, van die verordening.
Artikel 17
Financiële toewijzingen in het kader van de herverdelingsbetaling, de betaling voor gebieden met natuurlijke beperkingen en de betaling voor jonge landbouwers
Wanneer een lidstaat de Commissie in kennis stelt van zijn besluiten uit hoofde van artikel 42, lid 1, artikel 49, lid 1, en artikel 51, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1307/2013, wordt de informatie voor elk kalenderjaar tot en met 2020 bij de Commissie ingediend in de vorm van percentages van de in bijlage II bij die verordening vermelde jaarlijkse nationale maxima.
Artikel 18
Toepassing van Verordening (EG) nr. 792/2009
De meldingen aan de Commissie waarin Verordening (EU) nr. 1307/2013, Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 en de onderhavige verordening voorzien, worden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 792/2009 gedaan.
HOOFDSTUK 6
SLOTBEPALINGEN
Artikel 19
Inwerkingtreding en toepassing
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing op steunaanvragen voor de kalenderjaren na kalenderjaar 2014.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 juni 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608.
(2) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 639/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot wijziging van bijlage X bij die Verordening (zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad).
(3) Verordening (EG) nr. 792/2009 van de Commissie van 31 augustus 2009 tot vaststelling van de uitvoeringsbepalingen voor de kennisgeving door de lidstaten aan de Commissie van de informatie en de documenten ter uitvoering van de gemeenschappelijke marktordening, de regeling voor rechtstreekse betalingen, de afzetbevordering voor landbouwproducten en de regelingen voor de ultraperifere gebieden en de kleinere eilanden in de Egeïsche Zee (PB L 228 van 1.9.2009, blz. 3).
(4) Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 640/2014 van de Commissie van 11 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (zie bladzijde 48 van dit Publicatieblad).
(5) Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).
(6) Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).
(7) Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad van 20 september 2005 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor Plattelandsontwikkeling (Elfpo) (PB L 277 van 21.10.2005, blz. 1)
(8) Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006, (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16).