|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 176 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
57e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2014/341/EU |
|
|
|
* |
Besluit van de Commissie van 3 september 2013 betreffende steunmaatregel SA.32554 (09/C) — Herstructureringssteun ten behoeve van Hypo Group Alpe Adria die Oostenrijk ten uitvoer heeft gelegd (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5648) ( 1 ) |
|
|
|
|
2014/342/EU |
|
|
|
* |
Besluit van de Commissie van 16 oktober 2013 betreffende steunmaatregel nr. SA.18211 (C 25/2005) (ex NN 21/2005) verleend door Slowakije aan Frucona Košice a.s. (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 6261) ( 1 ) |
|
|
|
|
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
BESLUITEN
|
14.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 176/1 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 3 september 2013
betreffende steunmaatregel SA.32554 (09/C)
Herstructureringssteun ten behoeve van Hypo Group Alpe Adria die Oostenrijk ten uitvoer heeft gelegd
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 5648)
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2014/341/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),
Na de lidstaten en andere belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1),
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
|
(1) |
In december 2008 ontving Hypo Group Alpe Adria (hierna „HGAA” of „de bank” genoemd) 900 miljoen EUR aan tier 1-Partizipationskapital (2) van de Republiek Oostenrijk krachtens de Oostenrijkse regeling voor noodsteun aan banken (hierna het „bankenplan” genoemd) (3). |
|
(2) |
Op 29 april 2009 zond Oostenrijk de Commissie een levensvatbaarheidsplan voor HGAA. |
|
(3) |
In haar besluit van 12 mei 2009 in zaak N 254/2009 (hierna het „besluit tot inleiding van de procedure van 2009” genoemd) (4) leidde de Commissie de formele onderzoeksprocedure in overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (5), omdat zij twijfels had over de verenigbaarheid met de interne markt van de herstructureringssteun die Duitsland in december 2008 had verleend aan BayernLB, de meerderheidsaandeelhouder van HGAA. In hetzelfde besluit stelde de Commissie de vraag of HGAA in wezen gezond was. |
|
(4) |
HGAA werd op 23 december 2009 genationaliseerd. In dat verband stond de Commissie in haar besluit van 23 december 2009 betreffende de steunmaatregelen C 16/2009 en N 698/2009 (6) (hierna het „reddingsbesluit van december 2009” genoemd) op grond van artikel 107, lid 3, onder b), van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna „VWEU” genoemd) tijdelijk een aantal steunmaatregelen toe, in afwachting van de indiening bij de Commissie van een geloofwaardig herstructureringsplan voor HGAA. In datzelfde besluit breidde de Commissie de formele onderzoeksprocedure uit tot aanvullende steunmaatregelen van Oostenrijk ten gunste van HGAA. |
|
(5) |
Op 22 juni 2010 breidde de Commissie de formele onderzoeksprocedure nogmaals uit, met name omdat in het herziene herstructureringsplan voor HGAA, dat op 16 april 2010 was ingediend, niet werd aangetoond dat de levensvatbaarheid was hersteld, de lasten op een juiste wijze waren verdeeld en verstoringen van de mededinging voldoende waren beperkt. Tevens verlengde de Commissie de goedkeuring van de steun, die zij in het reddingsbesluit van december 2009 tijdelijk als met de interne markt verenigbaar had aangemerkt, in afwachting van haar beoordeling van het herstructureringsplan voor HGAA (hierna het „verlengingsbesluit van 2010” genoemd) (7). |
|
(6) |
Op 29 december 2010 meldde Oostenrijk een aanvullende maatregel ten gunste van HGAA in de vorm van een activagarantie voor een bedrag van 200 miljoen EUR aan. Deze steunmaatregel werd goedgekeurd in het besluit van de Commissie van 19 juli 2011 betreffende de steunmaatregelen SA.32172 (2011/NN) en SA.32554 (2009/C) (8) (hierna het „reddingsbesluit van juli 2011” genoemd). |
|
(7) |
Op 7 februari 2011 deelde de Commissie Oostenrijk en Duitsland mee dat steunmaatregel N 698/2009 (9) met betrekking tot HGAA procedureel gezien zou worden afgesplitst van steunmaatregel C 16/2009 met betrekking tot BayernLB. Vervolgens werd de procedure met betrekking tot HGAA geregistreerd onder steunmaatregel SA.32554 (2009/C). Onderhavig besluit heeft uitsluitend betrekking op steunmaatregel SA.32554 (2009/C). |
|
(8) |
Op 21 april 2011 diende Oostenrijk een nieuw herstructureringsplan voor HGAA in. |
|
(9) |
Op 3 december 2012 meldde Oostenrijk een aanvullende steunmaatregel aan ten gunste van HGAA in de vorm van een kapitaalinjectie via aandelen zonder nominale waarde (Stückaktien) door de Republiek Oostenrijk en een staatsgarantie op door HGAA uitgegeven achtergesteld schuldpapier. In de aanmelding was een reeks toezeggingen voor HGAA opgenomen. Deze maatregelen werden door de Commissie tijdelijk toegestaan in haar besluit van 5 december 2012 betreffende steunmaatregel SA.32554 (2009/C) (10) (hierna het „reddingsbesluit van december 2012” genoemd). De goedkeuring werd verleend op basis van een aantal toezeggingen van Oostenrijk. Oostenrijk is deze toezeggingen echter slechts gedeeltelijk nagekomen. |
|
(10) |
Op 5 oktober 2012 vorderde Oostenrijk de nietigverklaring van het besluit van de Commissie van 25 juli 2012 betreffende steunmaatregel SA.28487 (C 16/2009 ex N 254/2009) (11) inzake BayernLB. Dit besluit werd later ingetrokken en vervangen door het besluit van de Commissie van 5 februari 2013 (12) (hierna het „besluit-BayernLB” genoemd). |
|
(11) |
Voor een uitvoerige beschrijving van de procedure wordt verwezen naar het besluit tot inleiding van de procedure van 2009, het reddingsbesluit van december 2009, het verlengingsbesluit van 2010, het reddingsbesluit van juli 2011 en het reddingsbesluit van december 2012. |
|
(12) |
De diverse herstructureringsplannen voor HGAA en de wijzigingen ervan werden tussen juli 2010 en augustus 2013 door de Oostenrijkse autoriteiten, de bank en de diensten van de Commissie besproken tijdens een aantal vergaderingen, telefonische conferenties en andere uitwisselingen van informatie. |
|
(13) |
Op 29 juni 2013 meldde Oostenrijk een herstructureringsplan aan dat voorzag in de liquidatie van HGAA en dat op 27 augustus 2013 werd aangevuld. |
2. BESCHRIJVING
2.1. BEGUNSTIGDE BANK
|
(14) |
HGAA is een internationaal opererend financieel concern waarvan het hoofdkantoor in Klagenfurt (Karinthië) is gevestigd. Van hieruit worden de bank- en leaseactiviteiten van het concern, waaronder de af te bouwen activiteiten, geleid en aangestuurd via Hypo Alpe Adria Bank-International (hierna „HBInt” genoemd). HBInt vervult centrale concernfuncties, waaronder concerncontrole en -boekhouding, risicobeheer, juridische zaken en compliance, liquiditeitsbeheer, de uitgifte van effecten en de herfinanciering van de dochterondernemingen van HGAA. |
|
(15) |
Eind 2012 beliep het balanstotaal van HGAA 33,8 miljard EUR en bezat het voor circa 21 miljard EUR aan risicogewogen activa (hierna „RWA” (risk weighted assets) genoemd). |
|
(16) |
HGAA is voor 100 % eigendom van de Republiek Oostenrijk (13). |
|
(17) |
Op 31 december 2008 was HGAA via bank- en/of leasedochters aanwezig in twaalf landen, te weten Oostenrijk, Slovenië, Italië, Duitsland, Hongarije, Bulgarije, Kroatië, Servië, Bosnië en Herzegovina, Montenegro, Oekraïne en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië. |
|
(18) |
Momenteel is HGAA in Oostenrijk actief met HBA. De bank is ook actief in Slovenië (met HBS en leasemaatschappij HLS), Kroatië (met HBC en de geïntegreerde leasemaatschappij HAALC), Bosnië en Herzegovina (met de banken HBFBiH en — in de Servische Republiek — HBRS, waartoe ook leasemaatschappij HLRS behoort), Servië (met HBSE) en Montenegro (met HBM) (hierna gezamenlijk de „Zuidoost-Europese landen” of „ZOE-landen” genoemd). |
|
(19) |
Er is een proces gestart waarbij veel van de industriële belangen en financiële dochterondernemingen van de bank worden afgebouwd. Het Italiaanse HBI ontplooit sinds 1 juli 2013 geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer. Tot de andere dochterondernemingen die worden afgebouwd, behoren de Kroatische leasemaatschappij HLC en een af te bouwen Kroatische onderneming die was ontstaan uit overgedragen bankactiva (H-ABDUCO), de Oostenrijkse leasemaatschappij HLA, de Duitse leasemaatschappij HLG, in Montenegro de leasemaatschappij HLM en een af te bouwen onderneming die was voortgekomen uit overgedragen bankactiva (HDM), de Hongaarse leasemaatschappij HLHU, de Bulgaarse leasemaatschappij HLBG, de leasemaatschappij HLMK in de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, de Oekraïense leasemaatschappij HLUA, in Bosnië en Herzegovina leasemaatschappij HETABiH en een af te bouwen onderneming die was voortgekomen uit overgedragen bankactiva (BORA), de Servische leasemaatschappijen HLSE en HRSE, de Sloveense maatschappijen TCK en TCV (deze beide bedrijfsonderdelen waren voortgekomen uit overgedragen bank- en leaseactiviteiten) en de Italiaanse leasemaatschappij HLI (14). De Alpe Adria Privatbank in Liechtenstein is al geliquideerd. |
|
(20) |
In de volgende overwegingen wordt een overzicht gegeven van de bedrijfsonderdelen die nog steeds actief zijn. |
|
(21) |
De Oostenrijkse dochteronderneming HBA biedt bankdiensten aan particulieren, ondernemingen en institutionele klanten aan. Zij biedt alle klassieke diensten van een algemene bank aan. HBA is sterk regionaal verankerd in Karinthië en heeft daarnaast vestigingen in Wenen en Salzburg. Het nationale marktaandeel bedraagt minder dan […] (*1) % in activa en […] % in deposito’s. |
|
(22) |
In Slovenië is het concern aanwezig met de bank HBS (marktaandeel circa […] % in activa en […] % in deposito’s). Leasemaatschappij HLS verricht vooral leaseactiviteiten op het gebied van mobiliteit en geselecteerd onroerend goed. |
|
(23) |
De Kroatische HBC is een algemene bank (marktaandeel circa […] % in activa en […] % in deposito’s). HAALC is actief op het gebied van leasing en heeft een marktaandeel van circa […] % in herfinancieringsvolume. |
|
(24) |
In Bosnië en Herzegovina zijn twee verschillende banken actief, te weten HBRS in de Servische Republiek (Republika Srpska) (marktaandeel circa […] % in activa en […] % in deposito’s) en HBFBiH in de Federatie van Bosnië en Herzegovina (met een marktaandeel van […] % in activa). Leasemaatschappij HLRS is eigendom van HBRS en heeft een marktaandeel van circa […] % wat het volume nieuwe financiering betreft. |
|
(25) |
HBM in Montenegro heeft een marktaandeel van ongeveer […] % in activa. De leaseactiviteiten van de bank hebben een marktaandeel van […] %. |
|
(26) |
Het Servische HBSE richt zich vooral op de particuliere en zakelijke segmenten (marktaandeel circa […] % in activa en […] % in deposito’s). |
2.2. STEUNMAATREGELEN
December 2008 — Maatregelen van BayernLB en overheidsmaatregelen in het kader van het Oostenrijkse reddingspakket voor de banken
|
(27) |
In 2008 ontving HGAA steun van de toenmalige aandeelhouder, BayernLB, en de Republiek Oostenrijk:
|
December 2009 — Herkapitalisatie door de staat en overheidsgaranties
|
(28) |
Nadat HGAA was genationaliseerd, ontving het de volgende steun:
|
Januari 2011 — Activagarantie
|
(29) |
Omdat extra afschrijvingen noodzakelijk bleken, verleende Oostenrijk HGAA van 31 december 2010 tot en met 30 juni 2013 een activagarantie van 200 miljoen EUR. |
December 2012 — Herkapitalisatie door de staat en overheidsgarantie
|
(30) |
Naar aanleiding van een besluit van de Oostenrijkse toezichthouder moest HGAA per 31 december 2012 haar kapitaalratio tot 12,04 % hebben verhoogd. Met het oog daarop ontving HGAA van de Oostenrijkse overheid
|
|
(31) |
Voor een uitvoerige beschrijving van de bank en de tot dusverre goedgekeurde steunmaatregelen wordt verwezen naar de overwegingen 17, 18 en 19 van het besluit tot inleiding van de procedure, de overwegingen 13, 14, 15 en 27 tot en met 40 van het reddingsbesluit van december 2009, de overwegingen 15 tot en met 19 van het reddingsbesluit van juli 2011 en de overwegingen 10, 11 en 12 van het reddingsbesluit van december 2012. |
2.3. NOG NIET TOEGEKENDE AANVULLENDE STEUN
|
(32) |
Het herstructureringsplan voorziet voor de periode 2013-2017 voor de af te bouwen activiteiten een aanvullende kapitaalbehoefte van circa 2,6 miljard EUR in het basisscenario, van 4,7 miljard EUR in een pessimistisch scenario en van 5,4 miljard EUR in een stressscenario. Aangenomen dat het kapitaal in liquide vorm wordt verstrekt, zou de benodigde extra liquiditeitsbehoefte van HGAA in de periode tot 2017 in het basisscenario 2,5 miljard EUR belopen en naar verwachting 3,3 miljard EUR in een pessimistisch stressscenario. (Mocht de steun niet in liquide vorm worden verleend, dan zijn wellicht liquiditeitsmaatregelen voor een hoger bedrag noodzakelijk.) |
|
(33) |
Uit voorzorg heeft Oostenrijk om goedkeuring van de Commissie verzocht voor de staatssteun die eventueel nodig is bij een extra kapitaal- of liquiditeitsbehoefte, om aan alle wettelijke eisen te voldoen of verliezen af te dekken. Het verstrekte kapitaal wordt beperkt tot het bedrag dat nodig is om te voldoen aan de minimumkapitaalvereisten, die door de bevoegde toezichthouder moeten worden bevestigd. |
2.4. BIJDRAGE VAN DE VOORMALIGE AANDEELHOUDERS VAN HGAA
|
(34) |
Vóór de nationalisatie had HGAA de volgende eigenaren: BayernLB (67,08 %), de deelstaat Karinthië via Kärntner Landesholding (12,42 %), Grazer Wechselseitige Versicherung AG (hierna „GRAWE” genoemd) (20,48 %) en Mitarbeiterstiftung Hypo Alpe Adria (0,02 %). |
|
(35) |
Alle eigenaren hebben hun aandeelhoudersrechten overgedragen door hun aandelen voor een symbolisch bedrag van één euro aan Oostenrijk te verkopen. |
|
(36) |
BayernLB gaf al haar aandeelhoudersrechten op, waaronder 300 miljoen EUR reeds gestort aanvullend vermogen (tier 2-vermogen) en schold HGAA 525 miljoen EUR aan bestaande kredietlijnen kwijt (15). |
|
(37) |
Om de liquiditeit van HGAA te waarborgen stelde BayernLB een liquiditeitslijn van […] EUR die in december 2009 was geëindigd opnieuw ter beschikking. Hiermee was een bedrag gemoeid. Daarnaast werd overeengekomen dat de bestaande financiering binnen het concern van […] EUR van BayernLB aan HGAA tot 31 december 2013 bij HGAA zou blijven. Voor 2014 zou BayernLB een financiering van […] EUR bij HGAA laten, en voor 2015 van […] EUR. Deze bedragen worden door Oostenrijk gegarandeerd indien HGAA wordt opgesplitst of een vergelijkbare andere economische maatregel wordt genomen die de levensvatbaarheid van HGAA niet waarborgt (16). |
|
(38) |
In 2008 heeft BayernLB al 700 miljoen EUR aan kapitaal in HGAA geïnjecteerd. Van dat geld is inmiddels niets meer over omdat het volledig werd gebruikt om verliezen af te dekken. |
|
(39) |
GRAWE plaatste 30 miljoen EUR aan niet-converteerbaar tier 1-kapitaal (Partizipationskapital) met een dividend van 6 % p.j. vanaf 2013 (indien winst zou worden gemaakt). Op 30 mei 2011 werd het nominale bedrag van dat kapitaal na een kapitaalvermindering tot 9 miljoen EUR teruggebracht. |
|
(40) |
GRAWE droeg in de periode tot 31 december 2013 ook 100 miljoen EUR aan door zekerheden gedekte liquiditeiten bij (50 miljoen EUR door Oostenrijk gedekte obligaties en 50 miljoen EUR door andere activa die in aanmerking kwamen voor de uitgifte van gedekte obligaties). |
|
(41) |
Karinthië leverde in december 2009 een bijdrage aan de reddingsoperatie door
|
|
(42) |
In onderstaande tabel is een overzicht opgenomen van de oorspronkelijke bijdragen aan Partizipationskapital in HGAA (volledig in HBInt geïnjecteerd) en de huidige bedragen. Opgemerkt moet worden dat Partizipationskapital geen stemrecht geeft. Alle aandelen met stemrecht zijn in het bezit van de Republiek Oostenrijk. Tabel 1 Overzicht Partizipationskapital
|
||||||||||||||||||||||||
|
(43) |
HGAA kocht meerdere hybride en andere kapitaalinstrumenten ruim onder de nominale waarde terug of trok ze geheel in en vergrootte daarmee haar kapitaalbasis: in april 2012 deed HGAA een transactie waardoor het tier 1-kapitaal met 153 miljoen EUR toenam. In augustus 2012 annuleerde HGAA enkele hybride instrumenten, waarmee zij nog eens 23,5 miljoen EUR aan kapitaal genereerde. In december 2012 bood HGAA een terugkoop van andere kapitaalinstrumenten aan, hetgeen een buitengewone winst van […] EUR opleverde. |
|
(44) |
Daarnaast ontvingen de houders van eigenvermogensinstrumenten (Partizipationskapital en andere hybride kapitaalinstrumenten) geen winstgerelateerde dividenden of coupons vanwege de verliezen van HGAA. Over 2009 en 2010 kon HGAA derhalve meer dan […] EUR inhouden. |
2.5. OORZAKEN VAN DE PROBLEMEN VAN HGAA
|
(45) |
De problemen van HGAA werden in de eerste plaats veroorzaakt door een agressieve groeistrategie, gebaseerd op goedkope financieringen met staatsgaranties. |
|
(46) |
HGAA gokte zwaar op een snelle groei en inhaalslagen op de markten in de ZOE-landen. Met name in de periode 2000-2007 betrad HGAA een groot aantal nieuwe markten. Hierdoor nam het balanstotaal van HGAA toe van 9,8 miljard EUR (op 31 december 2002) tot 43,3 miljard EUR (op 31 december 2008). Tabel 2 Expansie van HGAA, per land en per bedrijfsonderdeel |
|
(47) |
De expansiestrategie werd mogelijk gemaakt door lage financieringskosten door overheidsgaranties van de deelstaat Karinthië (Ausfallshaftung), die toenamen van 4,9 miljard EUR (op 31 december 2002) tot 20,7 miljard EUR (op 31 december 2009). Door de toegang tot goedkope financiering verwaarloosde HGAA de vorming van lokale deposito’s. |
|
(48) |
De snelle groei van het balanstotaal op de ZOE-markten, in combinatie met goedkope financiering met overheidsgaranties, genereerde winst op de korte termijn. In de periode 2002-2006 maakte HGAA elk jaar winst, behalve in 2004. Het bedrijfsmodel onttrok echter de onderliggende risico’s van herfinanciering en verslechterende activa aan het zicht, waardoor de bank de nodige controles niet uitvoerde en de procedures voor interne controle en risicobeheer die nodig waren om te voldoen aan de veranderende behoeften door de expansie, niet ontwikkelde. De groei van de bedrijfsactiviteiten speelde een centrale rol in de strategie van de bank, waardoor zij grote risico’s nam, met name bij projecten op het gebied van onroerend goed en toerisme, en de economische en zakelijke risico’s stelselmatig onjuist werden ingeschat. Het gebrek aan goede controlemechanismen maakte de bank ook gevoelig voor fraude en leidde tot diverse strafrechtelijke onderzoeken. Na verloop van tijd raakte de portefeuille vervuild met een aanzienlijk deel oninbare leningen, onder meer door het ontbreken van goede zakelijke zekerheden. In veel gevallen bleken onderpanden moeilijk of in het geheel niet te verkopen, waardoor grote afschrijvingen noodzakelijk waren. |
|
(49) |
Omdat daarnaast in de ZOE-landen een aanzienlijk deel van de leningen in het retailsegment of aan ondernemingen in het midden- en kleinbedrijf (mkb) in euro of Zwitserse frank was verstrekt, liep de bank extra terugbetalingsrisico’s. Door een waardestijging — van met name de Zwitserse frank — tegenover de lokale valuta zijn deze risico’s voor een deel ook werkelijkheid geworden. |
|
(50) |
Hoewel de bank binnen de destijds geldende prudentiële kaders opereerde, deed zij dat, gelet op het risicoprofiel van haar beoogde klantenbestand en activaportefeuille, met onvoldoende kapitaal. Die factor werd bijna onmiddellijk een probleem toen het slechter ging. Uit een berekening in het ingediende liquidatieplan blijkt dat de bank zonder de steunmaatregelen vanaf 2013 een negatieve kapitaalratio zou hebben gehad, zowel voor het tier 1-kapitaal […] als het totale eigen vermogen […]. Die berekening is in zoverre fictief dat het al vóór die tijd nodig zou zijn geweest om de bank drastisch in te krimpen of te liquideren. Volgens Oostenrijk zou een liquidatie gevolgen hebben gehad voor de stabiliteit van het financiële stelsel in Oostenrijk, met name door de garantie die de deelstaat Karinthië had gegeven en waarop in dat geval aanspraak zou worden gemaakt, maar ook in de ZOE-landen waar HGAA een significant marktaandeel heeft. |
|
(51) |
De bank besefte te laat dat haar bedrijfsmodel niet meer functioneerde en reageerde te langzaam, deels vanwege de gecompliceerde structuur van het concern en deels vanwege het feit dat een dergelijk groot en heterogeen concern moeilijk te leiden is. |
|
(52) |
Zelfs begin […] was de kwaliteit van de activa bij nieuwe transacties nog steeds problematisch en waren de marges ontoereikend wanneer rekening zou worden gehouden met de juiste risico’s en kapitaalkosten. |
|
(53) |
In eerder ingediende herstructureringsplannen kon niet worden aangetoond dat een zelfstandig HGAA levensvatbaar zou zijn. |
|
(54) |
Uit de basisscenario’s in de door Oostenrijk ingediende stukken waarop onderhavig besluit is gebaseerd (17), blijkt daarnaast dat het concernresultaat in de gehele periode 2013-2017 negatief zal zijn en bovendien […] EUR extra kapitaal nodig kan zijn. Zelfs volgens het „beheerscenario”, waarin geen adequate maatregelen worden getroffen om mogelijke verstoringen van de mededinging te beperken, zal pas in 2017 weer een bescheiden winst (van […]) mogelijk zijn, terwijl er tot die tijd verliezen worden geleden. Bovendien zijn de mogelijke kosten van de verlenging van de garanties tot na 2013 niet in die prognose meegenomen. |
2.6. GEDEELTELIJKE NAKOMING VAN TOEZEGGINGEN
|
(55) |
In het reddingsbesluit van 2012 keurde de Commissie de door Oostenrijk aangemelde maatregelen goed omdat deze lidstaat een aantal toezeggingen had gedaan om te waarborgen dat verstoringen van de mededinging zoveel mogelijk zouden worden beperkt. De toezeggingen hielden in dat de activiteiten van de bank zouden worden beperkt, bijvoorbeeld voor wat betreft rendementen, risicocategorieën van klanten en looptijden, om mede daardoor risicovol gedrag, en daarmee de mogelijkheid om de bedrijfsactiviteiten ten nadele van concurrenten uit te breiden, te beperken. |
|
(56) |
In januari 2013 deelde Oostenrijk de Commissie mee dat de bank om economische redenen voor enkele van haar dochterondernemingen niet al deze toezeggingen na kon komen. Daarmee doelde het met name op de restrictie met betrekking tot leningen in buitenlandse valuta, de richtlijnen dat de blootstelling aan kredieten aan overheden en ondernemingen moet worden beperkt (kredieten mogen alleen worden verstrekt aan klanten met een kredietbeoordeling van […]), die volgens Oostenrijk in de ZOE-landen niet konden worden uitgevoerd en, voor HBA, de eis om blootstellingen aan overheden te beperken tot […]. |
3. LIQUIDATIEPLAN
|
(57) |
Op 29 juni 2013 diende Oostenrijk een liquidatieplan in, dat inhield dat HGAA op gecontroleerde wijze zou worden geliquideerd, waarbij voldoende tijd beschikbaar zou zijn om mogelijk levensvatbare activa te verkopen, terwijl de resterende activa na verloop van tijd zouden worden geliquideerd. |
|
(58) |
Volgens het liquidatieplan zal het balanstotaal van HGAA met 85 % afnemen, van 43,3 miljard EUR eind 2008 tot 6,56 miljard EUR in 2017. In dezelfde periode zullen de risicogewogen activa ook met 85 % afnemen, namelijk van 32,8 miljard EUR eind 2008 tot 4,75 miljard EUR. |
|
(59) |
De liquidatiestrategie is van toepassing op de drie resterende pijlers van HGGA, te weten i) de Oostenrijkse bank (HBA), ii) het ZOE-netwerk en iii) een „sterfhuis” met de af te bouwen activiteiten. |
|
(60) |
Het liquidatieproces zal op centraal concernniveau worden aangestuurd, waar ondertussen een aantal verbeteringen is doorgevoerd met betrekking tot onder meer risicobeheer, verslaggeving, waardering van zekerheden en ratingprocedures (18). |
|
(61) |
Centraal in het liquidatieplan staan de voltooiing van de reeds begonnen verkoop van HBA en de vergroting van de aantrekkelijkheid van het ZOE-netwerk, om alle ZOE-bedrijfsonderdelen uiterlijk op 30 juni 2015 te kunnen verkopen. Met het oog daarop heeft Oostenrijk ten aanzien van nieuwe bedrijfsactiviteiten een aantal toezeggingen gedaan die een goed evenwicht tussen risico en winstgevendheid moeten waarborgen in afwachting van de verkoop van de ZOE-bedrijfsonderdelen. |
|
(62) |
Meer in het bijzonder zal HGAA in beginsel alleen nieuwe hypotheken aan particulieren verstrekken wanneer de ratio van de lening ten opzichte van de waarde van het goed ten minste […] % bedraagt, moet de interne financieringskostenmatrix op de financieringssituatie van het betrokken bijkantoor of de betrokken dochteronderneming worden afgestemd en worden […], uitzonderingen daargelaten, alleen verstrekt aan klanten met […]. |
VERKOOP VAN HBA
|
(63) |
Op 31 mei 2013 werd met Anadi Financial Holdings Pte. Ltd een overeenkomst gesloten voor de verkoop van alle HBA-aandelen. Momenteel wordt verwacht dat die verkoop uiterlijk op 31 december 2013 zijn beslag zal krijgen (19). |
|
(64) |
Tot de voltooiing van de verkoop zal HBA aandacht blijven besteden aan haar positie als regionale bank in Karinthië, met kantoren in Wenen en Salzburg. De bank is reeds aanzienlijk ingekrompen en een problematische portefeuille van 1,99 miljard EUR werd vóór 31 december 2011 afgestoten. Per 31 december 2012 beliep het balanstotaal van HBA 4,15 miljard EUR (tegen 7,05 miljard EUR op 31 december 2008). |
ZOE-NETWERK
|
(65) |
De bedrijfsactiviteiten van het ZOE-netwerk zijn reeds aanzienlijk ingekrompen door de focus te leggen op kernmarkten en kerncompetenties in Slovenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië en Montenegro. Daarnaast werden de verkoopbare entiteiten in die landen verlost van een portefeuille van 2,4 miljard EUR en is het de bedoeling dat in 2013 nog eens een portefeuille van […] EUR wordt afgestoten. Hiervoor is het wachten op goedkeuring van de lokale toezichthouders. Per 31 december 2012 beliep het balanstotaal van het ZOE-netwerk als geheel 10,11 miljard EUR. Na de voltooiing van de voorgenomen portefeuilleoverdracht zal het verder afnemen tot minder dan […] EUR, dat wil zeggen circa […] % van het balanstotaal van 31 december 2008 (14,8 miljard EUR). |
|
(66) |
Daarnaast is de bedrijfsstrategie in de ZOE-landen gewijzigd. Er wordt nu naar gestreefd om de verkoopbaarheid van de ZOE-bedrijfsonderdelen te vergroten, door te focussen op kleinschalige ondernemingen, detailhandel en het mkb. Ook hun financieringsstrategie is in die zin aan het veranderen dat lokale entiteiten in de ZOE-landen ook meer lokaal worden gefinancierd en zij minder afhankelijk zijn van financiering door het concern. Nieuwe bedrijfsactiviteiten worden reeds volledig lokaal gefinancierd. |
|
(67) |
In Slovenië ligt de focus van de bankactiviteiten op de segmenten […] en […], met als doel […].[…] worden aanzienlijk teruggebracht en het is de bedoeling om […] te staken, terwijl de bank op het gebied van […] actief zal blijven […]. |
|
(68) |
In Kroatië streeft de bank naar […] om […]. Voor […] is het de bedoeling om de focus meer te verschuiven naar […]. De focus van […] ligt op kleinschalige […]. |
|
(69) |
In Bosnië en Herzegovina zal de focus steeds meer op […] komen te liggen, in combinatie met een stringent […], betere […] en een […]. […] wordt gereduceerd, terwijl de focus op […] ligt. |
|
(70) |
In Servië ligt de focus op […] met als doel […]. Met betrekking tot […] ligt de focus op […] en […]. Ook voor goed presterende portefeuilles […] streeft de bank naar […]. |
|
(71) |
In Montenegro focust de […] op […] en […]. |
|
(72) |
Met de verandering in focus en bedrijfsstrategie van de ZOE-banken moeten de kansen steeds groter worden om de bedrijfsonderdelen te kunnen verkopen. In het liquidatieplan is vastgelegd dat het ZOE-netwerk uiterlijk op 30 juni 2015 in zijn geheel of in delen moet zijn verkocht. De verkoop zal in alle gevallen plaatsvinden volgens open en transparante verkoopprocedures, waarbij kopers de keuze hebben om het netwerk als geheel of delen ervan te kopen. |
|
(73) |
Delen van het ZOE-netwerk die op 30 juni 2015 niet zijn verkocht, staken vanaf die datum hun nieuwe bedrijfsactiviteiten en worden ondergebracht in het sterfhuis (20). |
STERFHUIS
|
(74) |
Het sterfhuis is bedoeld om alle erin ondergebrachte bedrijfsonderdelen en portefeuilles zo snel mogelijk te liquideren. |
|
(75) |
De activiteiten in Italië worden al afgebouwd. Het is de bedoeling om de liquidatie op gecontroleerde wijze te laten verlopen om een plotselinge opname van tegoeden te voorkomen (21). |
|
(76) |
Daarnaast worden in het sterfhuis alle overige portefeuilles ondergebracht die moeten worden afgebouwd (waaronder bedrijfsonderdelen die geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer uitoefenen, zoals de dochterondernemingen in Macedonië, Oekraïne, Bulgarije, Duitsland en Hongarije) en belangen in industriële en toeristische ondernemingen. |
|
(77) |
Samengevat omvat het sterfhuis met name:
|
|
(78) |
Tot 2017 bedraagt de geschatte cumulatieve kapitaalbehoefte (hoofdzakelijk door afschrijvingen op de boekwaarde van de te verkopen bedrijfsonderdelen, door verdere verliezen op verschillende portefeuilles en door noodzakelijke herfinanciering) circa 2,6 miljard EUR in het basisscenario en tot 5,4 miljard EUR in het pessimistische stressscenario. Het liquidatieplan gaat ook uit van extra liquiditeitsbehoeften, afhankelijk van de vraag of het kapitaal wordt verstrekt in contanten of door middel van een garantie. Indien het kapitaal in liquide vorm wordt verstrekt, zou de extra liquiditeitsbehoefte van HGAA in de periode tot 2017 naar verwachting 2,5 miljard EUR belopen in het basisscenario en 3,3 miljard EUR in het pessimistische stressscenario (23). |
|
(79) |
Aangezien volgens Oostenrijk voor het sterfhuis nog verschillende opties worden onderzocht, kunnen deze schattingen nog anders uitvallen. Zo wordt de mogelijkheid onderzocht om een vermogensbeheerder zonder bankvergunning op te richten, waarin HGAA af te bouwen activa zou kunnen onderbrengen. Bij een dergelijke overdracht zouden de kapitaalbehoeften op een ander moment ontstaan. |
TOEZEGGINGEN VAN OOSTENRIJK
|
(80) |
Oostenrijk heeft zich ertoe verbonden het op 29 juni 2013 ingediende liquidatieplan, dat laatstelijk gewijzigd is in de mededeling van Oostenrijk van 27 augustus 2013, en de in de bijlage opgenomen toezeggingen volledig en volgens het in die bijlage opgenomen tijdschema ten uitvoer te leggen. |
4. REDENEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE
|
(81) |
De Commissie brengt in herinnering dat zij de formele onderzoeksprocedure op grond van artikel 108, lid 2, VWEU heeft ingeleid met betrekking tot de verenigbaarheid met de interne markt van de herstructureringssteun voor HGAA, omdat zij op basis van de eerder ingediende herstructureringsplannen ernstig twijfelde over de vraag of HGAA in staat zou zijn haar levensvatbaarheid op de lange termijn te herstellen. Ook heeft de Commissie twijfel geuit over de vraag of een goede verdeling van de lasten was gewaarborgd en of de verstoringen van de mededinging voldoende waren beperkt. |
|
(82) |
De Commissie heeft herhaaldelijk gevraagd of HGAA in staat zou zijn haar levensvatbaarheid te herstellen (24) en heeft ernstige twijfel geuit met betrekking tot het bedrijfsmodel (25). Ook betwijfelde de Commissie dat HGAA in staat zou zijn haar kapitaal voldoende te laten renderen, hetgeen een eerste vereiste is voor de levensvatbaarheid van een bank (26). In haar reddingsbesluit van december 2009 heeft de Commissie de lidstaat al verzocht om de mogelijkheid van een gecontroleerde liquidatie van de bank te overwegen (27). |
|
(83) |
Bij het beoordelen van de levensvatbaarheid heeft de Commissie met name de financieringsstrategie (28), de kwaliteit van de activa (29) en de interne controleorganisatie (30) in twijfel getrokken. In overweging 37 van haar reddingsbesluit van december 2012 uitte de Commissie twijfel over de kwaliteit van de nieuwe bedrijfsactiviteiten van HGAA. |
|
(84) |
Met betrekking tot de verdeling van de lasten wordt in het besluit tot inleiding van de procedure van 2009 (31) en in het reddingsbesluit van december 2009 (32) aangegeven dat BayernLB en de vorige eigenaren van HGAA (GRAWE en de deelstaat Karinthië) mogelijk geen passend deel van de lasten hebben gedragen. In het besluit tot inleiding van de procedure van 2009 wordt in overweging 102 vermeld dat de lasten niet eerlijk worden verdeeld over de eigenaren van het hybride kapitaal van HGAA. |
|
(85) |
In overweging 41 van het verlengingsbesluit van 2010 wordt de vraag gesteld of het kapitaal dat Oostenrijk in HGAA heeft geïnjecteerd onder de voorwaarden van de Oostenrijkse regeling wel voldoende rendeert, omdat de bank door Oostenrijk als in wezen gezond werd beschouwd en dus lagere tarieven betaalde dan een noodlijdende bank. |
|
(86) |
Met betrekking tot de vervalsing van de mededinging heeft de Commissie op basis van de vorige plannen die Oostenrijk heeft ingediend de vraag gesteld of de vermindering van het balanstotaal voldoende zou zijn (33) en heeft zij herhaaldelijk om maatregelen tegen de vervalsing van de mededinging (34) verzocht. Gegeven het feit dat het steunbedrag steeds verder opliep, heeft de Commissie bij herhaling gevraagd om extra maatregelen tegen de vervalsing van de mededinging (35). |
5. OPMERKINGEN VAN DE BELANGHEBBENDEN
|
(87) |
Van de belanghebbenden werden geen opmerkingen ontvangen. |
6. OPMERKINGEN VAN OOSTENRIJK
|
(88) |
De opmerkingen van Oostenrijk hebben hoofdzakelijk betrekking op de wijze waarop de Commissie de door de Republiek Oostenrijk aan BayernLB toegekende garantie heeft behandeld. In haar besluit van 25 juli 2012 betreffende steunmaatregel SA.28487 (C16/2009) (36) concludeerde de Commissie met betrekking tot herstructureringssteun aan BayernLB dat de liquiditeitsgarantie van de Republiek Oostenrijk ten bedrage van 2 638 miljard EUR, die BayernLB in HGAA achterliet in het kader van de reddingsoperatie van 2009, staatssteun aan BayernLB was en stond zij de steunmaatregel vervolgens toe als zijnde verenigbaar met de interne markt. Op 5 oktober 2012 vorderde Oostenrijk de nietigverklaring (37) van dat besluit, waarbij het met name aanvoerde dat de Commissie niet had aangetoond waarom de maatregel als verenigbaar met de interne markt zou moeten worden beschouwd, en benadrukte dat de maatregel geen steun aan BayernLB vormt. |
|
(89) |
Oostenrijk waarborgt dat de in de bijlage opgenomen toezeggingen volledig worden nagekomen. |
7. BEOORDELING
Bij de beoordeling van de herstructureringssteun moet worden gekeken naar alle steun die sinds 2008 aan HGAA is verleend.
7.1. HET BESTAAN VAN STAATSSTEUN
|
(90) |
Op grond van artikel 107, lid 1, VWEU zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. |
|
(91) |
Wil een maatregel als staatssteun worden aangemerkt, dan moet aan de volgende voorwaarden worden voldaan: i) de maatregel wordt met staatsmiddelen bekostigd, ii) zij begunstigt bepaalde ondernemingen of bepaalde producties, iii) het voordeel is selectief, en iv) de maatregel vervalst de mededinging of dreigt deze te vervalsen en zij kan het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden. Een maatregel wordt als staatssteun aangemerkt wanneer zonder enige uitzondering aan al deze voorwaarden is voldaan. |
|
(92) |
In de overwegingen 51 tot en met 56 van het besluit waarin het bankenplan wordt goedgekeurd, wordt bevestigd dat in het kader van die regeling genomen maatregelen staatssteun zijn. Verder brengt de Commissie in herinnering dat zij in de overwegingen 48 tot en met 53 van het reddingsbesluit van 2009, overweging 25 van het reddingsbesluit van juli 2011 en overweging 16 van het reddingsbesluit van december 2012 al heeft vastgesteld dat aan de voorwaarden van artikel 107, lid 1, VWEU is voldaan voor de onder a) en b) genoemde steunmaatregelen en dat die maatregelen derhalve staatssteun zijn. De Commissie handhaaft haar zienswijze en licht deze hierna toe. |
a) Maatregelen van Oostenrijk in het kader van het bankenplan
|
(93) |
Alle maatregelen die zijn genomen in het kader van het bankenplan, te weten de herkapitalisatie van 900 miljoen EUR en de garanties van 1,35 miljard EUR die in 2008 werden toegekend, vormen steun zoals omschreven in de overwegingen 51 tot en met 56 van het besluit waarin die regeling werd goedgekeurd. |
b) Overige maatregelen van Oostenrijk
|
(94) |
Naast het bankenplan heeft Oostenrijk een herkapitalisatie van 450 miljoen EUR toegestaan, alsmede een activagarantie van 100 miljoen EUR (die ondertussen is beëindigd), een activagarantie van 200 miljoen EUR, een kapitaalverhoging van 500 miljoen EUR in de vorm van aandelen en een garantie op achtergestelde tier 2-kapitaalinstrumenten met een nominale waarde van 1 miljard EUR. |
|
(95) |
Zowel de herkapitalisatie als de garanties worden met staatsmiddelen bekostigd in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Zij worden toegekend aan één enkele onderneming en zijn derhalve selectief. Bovendien worden zij toegekend onder voorwaarden die op de markt niet voor HGAA beschikbaar zouden zijn, hetgeen door Oostenrijk niet wordt bestreden. Gegeven het feit dat HGAA actief is in de financiële sector, die een bijzonder sterke internationale concurrentie kent, kan een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor HGAA het handelsverkeer binnen de Unie ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen. Deze constateringen werden reeds opgenomen in overweging 16 van het reddingsbesluit van december 2012 en worden in onderhavig besluit bevestigd. |
c) Herkapitalisatie door BayernLB
|
(96) |
BayernLB werd in 2008 zelf geherkapitaliseerd door de deelstaat Beieren en gebruikte een deel van de middelen om haar dochteronderneming HGAA te herkapitaliseren. Volgens overweging 124 van het besluit-BayernLB is de door de deelstaat Beieren toegekende herkapitalisatie voor het volledige bedrag steun aan BayernLB. Aangezien het in het kader van een maatregel toegekende steunbedrag niet dubbel kan worden geteld, concludeert de Commissie dat de herkapitalisatie van HGAA door BayernLB geen staatssteun aan HGAA is. Bovendien lijkt BayernLB ten tijde van de herkapitalisatie van HGAA volgens normale marktcriteria te hebben gehandeld om haar investering in haar dochteronderneming veilig te stellen, en lijkt het besluit om HGAA te herkapitaliseren niet aan een lidstaat te kunnen worden toegerekend. |
d) Eventuele toekomstige steunmaatregelen
|
(97) |
Oostenrijk vraagt goedkeuring voor steunmaatregelen om te voldoen aan kapitaal- en liquiditeitsbehoeften die mogelijk ontstaan en in een stressscenario kunnen oplopen tot 5,4 miljard EUR voor kapitaal en tot 3,3 miljard EUR voor liquiditeit. Deze mogelijke toekomstige steunmaatregelen voor de liquidatie van HGAA zullen met staatsmiddelen worden bekostigd in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. Zij worden toegekend aan één enkele onderneming en zijn derhalve selectief. Aangezien zij worden toegekend onder voorwaarden die op de markt niet voor HGAA beschikbaar zouden zijn, vormen zij een voordeel. Gegeven het feit dat HGAA actief is in de financiële sector, die een bijzonder sterke internationale concurrentie kent, kan een met staatsmiddelen bekostigd voordeel voor HGAA het handelsverkeer binnen de Unie ongunstig beïnvloeden en de mededinging vervalsen. |
Conclusie met betrekking tot het totale steunbedrag
|
(98) |
Het totale steunbedrag dat door Oostenrijk aan HGAA is toegekend in de vorm van een versterking van het kapitaal bedraagt 3,15 miljard EUR (inclusief de 300 miljoen EUR aan activagaranties die hetzelfde effect hebben als een kapitaalinjectie). Dat bedrag vertegenwoordigt circa 9,6 % van de RWA van HGAA in 2008. Daarnaast heeft HGAA in totaal voor 1,35 miljard EUR aan garanties ontvangen. Bovendien heeft Oostenrijk om goedkeuring verzocht voor mogelijke steunmaatregelen, die noodzakelijk kunnen zijn om toekomstige kapitaalbehoeften te dekken in het kader van de liquidatie van HGAA en die in een stressscenario kunnen oplopen tot 5,4 miljard EUR, waarmee het totale steunbedrag voor kapitaal en activagaranties uitkomt op 8,55 miljard EUR oftewel 26 % van de RWA. Verder heeft Oostenrijk goedkeuring gevraagd voor liquiditeiteitsmaatregelen ten bedrage van 3,3 miljard EUR. |
7.2. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN
7.2.1. Toepassing van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU
|
(99) |
In artikel 107, lid 3, onder b), VWEU wordt bepaald dat staatssteun als verenigbaar met de interne markt kan worden beschouwd als zij wordt verleend „om een ernstige verstoring in de economie van een lidstaat op te heffen”. |
|
(100) |
Ondanks een langzaam economisch herstel, dat begin 2010 is ingezet, is de Commissie van mening dat gezien de voortdurende druk op de financiële markten nog steeds wordt voldaan aan de voorwaarden voor de goedkeuring van staatssteun in artikel 107, lid 3, onder b), VWEU. In juli 2013 bevestigde de Commissie die zienswijze in haar Mededeling van de Commissie betreffende de toepassing vanaf 1 augustus 2013 van de staatssteunregels op maatregelen ter ondersteuning van banken in het kader van de financiële crisis (38). |
|
(101) |
Bij een eerdere gelegenheid heeft de Oostenrijkse centrale bank al bevestigd dat HGAA een systeemrelevante bank was voor de financiële markt in Oostenrijk en Zuidoost-Europa. Deze zienswijze heeft zij herhaald in haar brief van 3 december 2012. Zonder de steunmaatregelen had de toezichthouder HGAA wellicht gesloten omdat zij niet meer voldeed aan de kapitaalvereisten. |
|
(102) |
Wanneer onder deze omstandigheden een bank als HGAA, die door een lidstaat als een systeembank wordt beschouwd, wordt gesloten, kan dat rechtstreeks van invloed zijn op de financiële markten en dus op de gehele economie van een lidstaat. Gelet op de huidige onstabiele situatie van de financiële markten blijft de Commissie haar beoordeling van staatssteunmaatregelen in de bancaire sector dus baseren op artikel 107, lid 3, onder b), VWEU. |
7.2.2. Verenigbaarheid met de interne markt van de steunmaatregelen
|
(103) |
Alle als staatssteun aangemerkte maatregelen zijn genomen in het kader van de herstructurering en liquidatie van HGAA. In de Mededeling betreffende het herstel van de levensvatbaarheid en de beoordeling van de herstructureringsmaatregelen in de financiële sector in de huidige crisis met inachtneming van de staatssteunregels (39) (hierna de „herstructureringsmededeling” genoemd) zijn de voorschriften opgenomen voor het verlenen van herstructurerings- en liquidatiesteun aan financiële instellingen in de huidige crisis. Volgens de herstructureringsmededeling kan de herstructurering van een financiële instelling in het kader van de huidige financiële crisis alleen in de zin van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU met de interne markt verenigbaar zijn als zij i) leidt tot herstel van de levensvatbaarheid van de bank, ii) vergezeld gaat van een voldoende grote eigen bijdrage van de begunstigde onderneming (lastenverdeling) en waarborgt dat de steun tot het noodzakelijke minimum beperkt blijft, en iii) voorziet in voldoende maatregelen om de mededingingsvervalsing te beperken. |
Herstel van de levensvatbaarheid
|
(104) |
Zoals de Commissie in de herstructureringsmededeling heeft aangegeven, moet de lidstaat een uitvoerig herstructureringsplan verstrekken, waaruit blijkt op welke wijze de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn zonder staatssteun en binnen een redelijke termijn van ten hoogste vijf jaar zal worden hersteld. Volgens punt 13 van de herstructureringsmededeling wordt levensvatbaarheid op lange termijn bereikt wanneer een bank op eigen kracht op de markt kan concurreren om kapitaal, met inachtneming van de toepasselijke wettelijke voorschriften. Wil een bank dat kunnen, dan moet zij in staat zijn om al haar kosten te dekken en een passend rendement op vermogen te bieden, rekening houdend met het risicoprofiel van de bank. In punt 14 van de herstructureringsmededeling wordt bepaald dat het voor een herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn nodig is dat de ontvangen staatssteun mettertijd wordt terugbetaald, of dat daarover een marktconforme vergoeding wordt betaald, zodat de zekerheid bestaat dat er een einde komt aan iedere vorm van extra staatssteun. |
|
(105) |
Op basis van eerder ingediende herstructureringsplannen voor HGAA kon niet worden geconcludeerd dat de levensvatbaarheid van het concern als geheel kan worden hersteld. |
|
(106) |
Verder merkt de Commissie op dat aan de goedkopere financiering afkomstig uit de door Karinthië verstrekte garanties na verloop van tijd een eind zal komen en dat de snelle inhaalslag van de economieën van de ZOE-landen tot stilstand is gekomen. |
|
(107) |
De bank is derhalve niet in staat om een passende vergoeding voor haar kapitaal te betalen of om het overheidskapitaal terug te betalen om zodoende aan het eind van de herstructureringsperiode weer levensvatbaar te zijn. Het lijkt daarom niet mogelijk om de levensvatbaarheid van HGAA als zelfstandige onderneming te herstellen. De Commissie concludeert daarom dat haar twijfel over het herstel van de levensvatbaarheid niet is weggenomen. |
|
(108) |
Zoals aangegeven in punt 9 van de herstructureringsmededeling moet een herstructureringsplan vergezeld gaan van een vergelijking met alternatieve scenario’s (zoals opsplitsing van de bank of overname door een andere bank). Ingeval de bank niet opnieuw levensvatbaar kan worden gemaakt, dient het herstructureringsplan ook aan te geven hoe de bank gecontroleerd kan worden geliquideerd. In punt 21 wordt bepaald dat een gecontroleerde liquidatie of een veiling van een bank in staat van faillissement steeds dient te worden overwogen wanneer de bank haar levensvatbaarheid niet geloofwaardig kan herstellen. |
|
(109) |
De Oostenrijkse autoriteiten hebben een liquidatieplan ingediend dat voorziet in een dergelijke gecontroleerde liquidatiestrategie. Het ingediende plan beschrijft de verkoop van de verkoopbare entiteiten, het Oostenrijkse HBA (waarvoor al een verkoopcontract is ondertekend) en het ZOE-netwerk, via een openbare verkoopprocedure, uiterlijk eind juni 2015. Alle resterende onderdelen worden ondergebracht in een gecontroleerd en ordelijk liquidatieproces. In dat verband zegt Oostenrijk toe dat het Italiaanse bedrijfsonderdeel HBI vanaf 1 juli 2013 geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer zal uitoefenen. Mocht de verkoop van de verkoopbare entiteiten in de ZOE-landen niet haalbaar zijn per 30 juni 2015, dan zullen ook zij geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer uitoefenen en geliquideerd worden. Dat betekent dat HGAA uiterlijk op 30 juni 2015 niet meer in de financiële sector actief zal zijn. |
|
(110) |
De verkoop van de verkoopbare entiteiten zal plaatsvinden volgens onvoorwaardelijke, transparante en open procedures, zodat alle belangstellende marktdeelnemers een bod op de onderdelen kunnen doen. Dergelijke mededingingsprocedures waarborgen dat het hoogste bod de marktprijs is, zodat steun aan de koper wordt uitgesloten (40). Indien de Commissie van mening is dat van steun aan een koper sprake is, zal zij de verenigbaarheid van die steun met de interne markt afzonderlijk beoordelen. |
|
(111) |
Ten aanzien van de vraag of de te verkopen bedrijfsonderdelen een economische voortzetting van HGAA kunnen vormen en of de steunmaatregelen derhalve steun aan die onderdelen vormen, merkt de Commissie ten eerste op dat nog niet duidelijk is of het netwerk in de ZOE-landen als één geheel aan één enkele koper zal worden verkocht of dat verschillende kopers delen van het huidige netwerk zullen kopen. |
|
(112) |
Om vast te stellen of van een economische voortzetting sprake is, kunnen onder meer de volgende factoren worden bezien: het voorwerp van de overdracht, de verkoopprijs, de identiteit van de aandeelhouders of eigenaren van de overnemende onderneming en van de oorspronkelijke onderneming of de economische ratio van de transactie (41). |
|
(113) |
Ten eerste wijst de Commissie erop dat de verleende steun niet was bedoeld om de problemen van de individuele verkoopbare entiteiten in Oostenrijk of de ZOE-landen aan te pakken, maar van HGAA als concern. Geen van de dochterondernemingen in de ZOE-landen of HBA vertegenwoordigt de kernactiviteiten van HGAA en de te verkopen onderdelen vormen slechts een deel van de activa van HGAA. Bovendien hebben de te verkopen onderdelen een ander bedrijfsmodel dan HGAA, dat een internationaal bankconcern was, dat steunde op goedkope financiering die grotendeels gebaseerd was op overheidsgaranties van Karinthië, zich richtte op snelle expansie en daarbij gebruik maakte van de mogelijkheden die werden geboden door de snelle inhaalslagen op opkomende markten. In de toekomst zal de financiering van de dochterondernemingen in de ZOE-landen niet langer afhankelijk zijn van overheidsgaranties maar gebaseerd zijn op lokale (en dus duurdere) financiering, waarvoor een voorzichtiger aanpak met betrekking tot marges en risicobeheer vereist is. Waar HGAA zich vooral op grootschalige ondernemingen en een aantal grote klanten richtte, zullen de te verkopen onderdelen zich richten op het mkb. In de praktijk zullen de te verkopen bedrijfsonderdelen zich richten op een ander klantenbestand. |
|
(114) |
Verder merkt de Commissie op dat de verkoop van de verkoopbare entiteiten bedoeld is om de waarde van de activa van HGAA in het belang van haar crediteuren vóór de liquidatie te maximaliseren. |
|
(115) |
Gelet op het voorwerp van de overdracht, op het feit dat de aandeelhouders van HGAA en de te verkopen bedrijfsonderdelen niet identiek kunnen zijn, en op de economische ratio van de verkooptransactie is de Commissie van mening dat er geen sprake meer zal zijn van voortzetting van de economische activiteit van HGAA nadat de verkoopbare entiteiten zijn verkocht en HGAA is opgeheven. |
|
(116) |
Volgens het liquidatieplan zullen sommige activa uit de te verkopen bedrijfsonderdelen worden gehaald. Daardoor zullen de mogelijkheden om die onderdelen te financieren verbeteren en zal tevens de gemiddelde kwaliteit van de activa op de resterende balans worden verhoogd, waardoor de respectieve bedrijfsonderdelen beter verkoopbaar zullen zijn. |
|
(117) |
Volgens punt 21 van de herstructureringsmededeling kan de oprichting van een autonome „good bank” waarin de „goede” activa en passiva van een bestaande bank worden ondergebracht, een acceptabele route naar levensvatbaarheid zijn, mits de nieuwe entiteit de mededinging niet onbehoorlijk dreigt te vervalsen. In dat verband zou een aanvaardbare oplossing bestaan uit het oprichten van een ZOE-houdstermaatschappij of het hergroeperen van bepaalde activa van HBInt in de ZOE-houdstermaatschappij, met als doel om een levensvatbare en verkoopbare ZOE-bankeenheid op te richten (42). |
|
(118) |
Het probleem van de activakwaliteit, dat zijn oorsprong vindt in zowel de oude portefeuille als in meer recente riskante verplichtingen, kon niet worden opgelost vanwege toenemende risicokosten en zwakheden bij de voortzetting van de onderneming. Daarom beschouwt de Commissie het door Oostenrijk ingediende liquidatieplan, waarin geleidelijk meer problematische activa in het sterfhuis worden ondergebracht, als de juiste strategie. |
|
(119) |
Wat betreft de in het liquidatieplan omschreven financiering zullen de te verkopen bedrijfsonderdelen zich in toenemende mate richten op lokale financiering en trachten om hun afhankelijkheid van door HGAA verstrekte herfinanciering te verminderen. De Commissie is verheugd over deze aanpassing van de financieringsstrategie. Zij merkt op dat er sprake zal zijn van een doorlopende financieringstoezegging van HGAA aan de te verkopen bedrijfsonderdelen. |
|
(120) |
Verder voorziet het liquidatieplan in een significante inkrimping van de leaseactiviteiten van HGAA, die in het verleden een belangrijke oorzaak vormden van de problemen bij HGAA, omdat de winstgevendheid van leaseactiviteiten afgezet tegen hun risico’s en financieringseisen verhoudingsgewijs laag is. Deze inkrimping zal ook positief bijdragen aan de verkoopbaarheid van de bedrijfsonderdelen. |
|
(121) |
De Commissie concludeert dat de levensvatbaarheid van HGAA niet kan worden hersteld en dat de door Oostenrijk voorgestelde gecontroleerde afbouwstrategie voor HGAA een juiste manier is om met HGAA om te gaan, aangezien de levensvatbaarheid van de bank als zodanig niet kan worden hersteld. |
Eigen bijdrage en verdeling van de lasten
|
(122) |
In de herstructureringsmededeling wordt aangegeven dat een passende eigen bijdrage van de begunstigde van de steun noodzakelijk is om de steun tot een minimum te beperken en om mededingingsvervalsingen en moreel risico te vermijden. Daartoe wordt bepaald dat i) zowel de herstructureringskosten als het steunbedrag moeten worden beperkt en ii) een aanzienlijke eigen bijdrage noodzakelijk is. |
|
(123) |
Verder wordt in de herstructureringsmededeling bepaald dat, om de steun tot een minimum te beperken, de bank in de eerste plaats haar eigen vermogen moet gebruiken voor de financiering van de herstructurering. De kosten voor de herstructurering komen niet alleen voor rekening van de staat, maar ook van de investeerders in de bank. Die doelstelling wordt met name bereikt doordat de verliezen door het beschikbare kapitaal worden geabsorbeerd. |
|
(124) |
Alle voormalige aandeelhouders van HGAA hebben hun aandelen voor een symbolisch bedrag van één euro aan de Republiek Oostenrijk verkocht, waardoor de kans dat de steunmaatregelen aan de voormalige aandeelhouders ten goede komen werd beperkt. Verder hebben de voormalige aandeelhouders HGAA voorzien van kapitaal of liquiditeit om verliezen af te dekken en de liquiditeit te verbeteren. |
|
(125) |
Ten tijde van die verkoop was BayernLB meerderheidsaandeelhouder van HGAA. In totaal heeft BayernLB circa 1,5 miljard EUR kapitaal bijgedragen en zag het tegelijkertijd af van verdere eigenaarsrechten en zelfs van elk vooruitzicht op een verdere vergoeding. In totaal heeft BayernLB circa 4,3 miljard EUR liquiditeit aan HGAA ter beschikking gesteld. Daarnaast leed BayernLB een aanzienlijk afschrijvingsverlies bij de verkoop van haar HGAA-aandelen, hetgeen bijdraagt aan de beperking van het morele risico in de zin van punt 22 van de herstructureringsmededeling. |
|
(126) |
De Commissie is daarom van mening dat BayernLB als voormalig eigenaar een aanzienlijk en passend deel van de lasten heeft gedragen. |
|
(127) |
Die conclusie zal niet veranderen door de uiteindelijke uitkomst van de lopende rechtszaak over de terugbetaling van de uitstaande leningen aan BayernLB. Mocht BayernLB de rechtszaak verliezen, dan zou zij zelfs een nog groter deel van de lasten dragen. Wint BayernLB de rechtszaak, dan zou het deel van de lasten dat zij draagt volgens de beoordeling van onderhavig besluit niet veranderen. |
|
(128) |
De bijdrage van GRAWE bestaat uit zowel kapitaal- als liquiditeitsmaatregelen. De oorspronkelijke kapitaalinjectie van 30 miljoen EUR door GRAWE in HGAA is intussen geslonken tot circa 9 miljoen EUR na een besluit van de Republiek Oostenrijk in haar hoedanigheid van enig aandeelhouder van de bank om het kapitaal aan te wenden voor het afdekken van verliezen (kapitaalvermindering). GRAWE verstrekte ook liquiditeit aan HGAA. |
|
(129) |
Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat GRAWE een voldoende groot deel van de lasten draagt. |
|
(130) |
Ten aanzien van de deelstaat Karinthië wijst de Commissie erop dat Karinthië zijn deel van de lasten draagt middels een injectie van kapitaal dat door de kapitaalvermindering intussen aanzienlijk is geslonken. |
|
(131) |
Gelet op het bovenstaande concludeert de Commissie dat de deelstaat Karinthië een voldoende groot deel van de lasten draagt. |
|
(132) |
Het feit dat de vergoeding voor het Partizipationskapital voor GRAWE en de deelstaat Karinthië hoger is dan de vergoeding voor het door BayernLB geïnjecteerde kapitaal is dus gerechtvaardigd, omdat BayernLB andere kapitaalinstrumenten heeft verstrekt. Anders dan GRAWE en de deelstaat Karinthië heeft BayernLB geen Partizipationskapital verstrekt, maar zag het eenvoudigweg af van alle rechten die voortvloeien uit de kapitaalinstrumenten en van een deel van de liquiditeit. BayernLB nam dus een groter deel van de lasten voor haar rekening, hetgeen passend lijkt omdat BayernLB vóór de overname van de bank door de Republiek Oostenrijk de dominante eigenaar van HGAA was. |
|
(133) |
Verder moet nog worden verduidelijkt of voor het Partizipationskapital dat in het kader van het bankenplan door Oostenrijk in HGAA werd ingebracht een voldoende vergoeding is betaald. Opgemerkt moet worden dat er in het bankenplan twee verschillende rentetarieven worden gehanteerd, afhankelijk van de vraag of de gesteunde bank een noodlijdende bank of een in wezen gezonde bank is. HGAA werd door Oostenrijk als in wezen gezond beschouwd en betaalde dus een lager tarief dan wanneer zij als een noodlijdende bank zou zijn beschouwd. |
|
(134) |
Ten aanzien van dit punt stelt de Commissie vast dat al het resterende Partizipationskapital binnen HBInt blijft, en dus binnen het sterfhuisgedeelte van HGAA. Aangezien dat sterfhuis niet langer op de markt actief is en de levensvatbaarheid van HGAA niet kan worden hersteld (met als gevolg dat HGAA zal worden geliquideerd), oordeelt de Commissie dat in dit geval de lage vergoeding aanvaardbaar is. |
|
(135) |
De Mitarbeiterstiftung Alpe Adria was met 0,02 % van de aandelen de kleinste aandeelhouder van HGAA. Ook dit aandeel werd voor één euro verkocht toen de Republiek Oostenrijk HGAA in december 2009 overnam. Aangezien alle aandeelhoudersrechten zonder enige tegenprestatie volledig zijn komen te vervallen, is de Commissie van mening dat de lasten in voldoende mate verdeeld zijn, met name gelet op haar verhoudingsgewijs kleine omvang in vergelijking met de andere eigenaren. |
|
(136) |
Ten aanzien van de eigenaren van hybride kapitaal heeft HGAA een aantal stappen ondernomen om hen in de lasten te laten delen, door deze instrumenten ruim onder de nominale waarde terug te kopen of ze volledig in te trekken, hetgeen een aanzienlijk kapitaaleffect heeft gehad. |
|
(137) |
Daarnaast merkt de Commissie op dat bij veel van de hybride kapitaalinstrumenten alsmede de Partizipationskapital-instrumenten uitsluitend dividend- of couponbetalingen worden gedaan wanneer er winst wordt gemaakt. Aangezien de bank in de afgelopen jaren niet winstgevend was, hebben de houders van deze instrumenten geen dergelijke betalingen ontvangen. Bovendien zullen er in de toekomst restricties gelden voor de uitbetaling van dividenden en coupons. Daarom is de Commissie van mening dat de houders van deze instrumenten een voldoende groot deel van de lasten dragen. |
|
(138) |
De Commissie concludeert derhalve dat de lasten in het liquidatieplan van HGAA correct worden verdeeld. |
Beperking van de mededingingsvervalsingen
|
(139) |
Ten slotte schrijft deel 4 van de herstructureringsmededeling voor dat in het herstructureringsplan maatregelen worden opgenomen om de mededingingsvervalsingen te beperken. Dergelijke maatregelen moeten worden afgestemd op de mededingingsvervalsingen op de markten waarop de begunstigde van de steun na de herstructurering actief zal zijn. In onderhavig geval moet worden gewaarborgd dat de bedrijfsonderdelen die op de markt actief blijven, voordat zij uiteindelijk worden verkocht, de ontvangen staatsmiddelen niet gebruiken op een manier die nadelig is voor concurrenten en de mededinging niet vervalsen. |
|
(140) |
Daartoe verplicht Oostenrijk zich tot de restricties op activiteiten die zijn omschreven in deel 4 van de bijlage. Daarmee wordt gewaarborgd dat mededingingsvervalsingen die uit het bestaan en de activiteiten van de verkoopbare entiteiten voortvloeien tot het moment van de verkoop zoveel mogelijk worden beperkt. |
|
(141) |
Voor de aard en de vorm van de mededingingsmaatregelen gelden twee criteria: ten eerste het steunbedrag en de voorwaarden en omstandigheden waaronder de steun is toegekend en ten tweede de eigenschappen van de markten waarop de begunstigde van de steun zal opereren. |
|
(142) |
De Commissie wijst erop dat HGAA 3,15 miljard EUR aan staatssteun heeft ontvangen in de vorm van kapitaal en activagaranties, alsmede 1,35 miljard EUR in de vorm van liquiditeitsgaranties en in de toekomst ten behoeve van de liquidatie mogelijk tot 5,4 miljard EUR aanvullende staatssteun in kapitaal zal ontvangen en 3,3 miljard EUR in liquiditeit. |
|
(143) |
Het totale steunbedrag in kapitaal en activagaranties zou 8,55 miljard EUR belopen, hetgeen gelijk is aan circa 26 % van de RWA van HGAA, die per 31 december 2008 32,8 miljard EUR bedroegen. Het bedrag van de toegekende steun is dus bijzonder hoog en vereist daarom passende maatregelen. |
|
(144) |
In punt 35 van de herstructureringsmededeling wordt bepaald dat structurele maatregelen, waaronder afstoting, de toetreding van concurrenten moeten bevorderen en anderzijds ook een uitstap binnen een passend tijdsschema moeten laten verlopen, in het belang van de financiële stabiliteit. |
|
(145) |
De Commissie merkt op dat het liquidatieplan voorziet in een gecontroleerde liquidatie, waarbij HGAA uiterlijk op 30 juni 2015 niet meer als actieve economische partij op de markten aanwezig zal zijn en alleen de activiteiten zal liquideren die op die datum niet zijn verkocht. |
|
(146) |
Met betrekking tot de voortzetting van de activiteiten van de ZOE-bedrijfsonderdelen in afwachting van hun verkoop heeft Oostenrijk een aantal toezeggingen gedaan met betrekking tot nieuwe bedrijfsactiviteiten van deze bedrijfsonderdelen, waardoor mogelijke mededingingsvervalsingen in de periode tot de verkoop zullen worden voorkomen. |
|
(147) |
In dit verband neemt de Commissie met name verheugd kennis van de restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten waartoe Oostenrijk en HGAA zich hebben verplicht. Rekening houdend met de risico- en financieringskosten moeten nieuwe bedrijfsactiviteiten jaarlijks een rendement van ten minste […] % genereren. Met dat minimumrendement op nieuwe bedrijfsactiviteiten wordt gewaarborgd dat de verkoopbare entiteiten geen concurrentieverstorend prijzenbeleid voeren. Tegelijkertijd zal dit bijdragen aan hun winstgevendheid op lange termijn. In dezelfde geest zegt de bank toe dat zij bij nieuwe transacties kortere looptijden zal hanteren, zodat looptijdtransformatie slechts in beperkte mate aan de winstgevendheid bijdraagt. […] (43) […]. Met betrekking tot […] zegt Oostenrijk bovendien toe dat bedrijfsactiviteiten op het gebied van […]zullen worden beperkt tot klanten met een rating van ten minste […] en dat een totaalvolume van […] EUR niet zal worden overschreden. Deze toezegging verzacht de risico’s die verband houden met de devaluatie van valuta en beperkt de omvang van de activiteiten van de bank in het desbetreffende marktsegment. Samengevat dienen deze restricties zowel om de levensvatbaarheid op lange termijn te waarborgen als om het concurrentievermogen van de respectieve bedrijfsonderdelen te beperken. |
|
(148) |
Voorts is de Commissie verheugd over de toezeggingen met betrekking tot een beter risicobeheer, met name waar het gaat om de jaarlijkse herwaardering van alle risico’s van meer dan […] EUR en de toezegging dat de bank in de retail- en overheidssector alleen zaken zal doen met klanten met een rating van ten minste […] (44). Deze toezeggingen waarborgen dat de onderneming voorzichtig zal optreden en dat de betrokken bedrijfsonderdelen geen riskante bedrijfsstrategie zullen ontplooien. Bij transacties zal er evenwicht zijn tussen de vereiste winstgevendheid en het noodzakelijke risicobeheer. Tegelijkertijd voorkomen de toezeggingen ook een agressieve expansiestrategie op de markt. |
|
(149) |
De Commissie neemt met genoegen kennis van het tweeledige doel van de toezeggingen die worden beschreven in de overwegingen 147 en 148. Ten eerste dragen zij ertoe bij dat de bedrijfsonderdelen beter verkoopbaar zijn omdat aan de activiteiten geen overmatige risico’s zijn verbonden en ten tweede verminderen zij de mededingingsvervalsingen omdat zij agressieve gedragingen inperken en de nieuwe activiteiten beperken. |
|
(150) |
In het kader van het liquidatieplan zullen alle verkoopbare entiteiten van HGAA worden geliquideerd of verkocht. Oostenrijk heeft een harde toezegging gedaan met betrekking tot de verkoop van HBA en het ZOE-netwerk (in delen of als geheel), in die zin dat de verkoop uiterlijk op respectievelijk 30 juni 2014 en 30 juni 2015 zijn beslag moet hebben gekregen. Na die datum mogen geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer worden uitgeoefend en zal HGAA van de markt verdwijnen omdat alle activiteiten worden geliquideerd of omdat zij op transparante wijze aan een derde zijn verkocht. Als zodanig draagt het verkoop-/liquidatieproces van HGAA significant bij aan de beperking van de mededingingsvervalsingen die het gevolg van de steun zijn, omdat HGAA als zodanig van de markt zal verdwijnen. |
|
(151) |
De Commissie is van mening dat de nog steeds broze situatie op de financiële markten in met name de ZOE-landen de lange termijn (tot 30 juni 2015) voor de verkoop van de bedrijfsonderdelen in die landen rechtvaardigt. Zij merkt op dat de Oostenrijkse activiteiten reeds zijn verkocht en dat deze activiteiten ook zullen worden geliquideerd indien de verkoop niet op 30 juni 2014 zijn beslag heeft gekregen. |
|
(152) |
In algemene zin stelt de Commissie vast dat het resterende balanstotaal en de risicogewogen activa van HGAA in 2017 met circa 85 % zullen zijn afgenomen (indien de verkoop slaagt volgens plan). |
|
(153) |
Naast deze vergaande maatregelen heeft Oostenrijk toegezegd een verbod op reclame met staatssteun en een verbod op agressieve commerciële praktijken in te voeren. De Commissie verwelkomt ook het verbod op overnames, waarmee wordt gewaarborgd dat de staatssteun niet zal worden gebruikt om concurrenten over te nemen, maar zal worden aangewend voor zijn beoogde doel, te weten de financiering van het liquidatieproces. |
|
(154) |
De Commissie betreurt dat Oostenrijk de toezeggingen die het heeft gedaan in het kader van het reddingsbesluit van december 2012 slechts gedeeltelijk is nagekomen. Het feit dat bepaalde toezeggingen, die slechts beperkt geldig waren, niet zijn nagekomen, wordt naar het oordeel van de Commissie echter gecompenseerd door de volledige opheffing en liquidatie van de bank. |
|
(155) |
Rekening houdend met de toezeggingen en gelet op de toereikendheid van de eigen bijdrage en de verdeling van de lasten zoals omschreven in de overwegingen 122 tot en met 138 is de Commissie van mening dat er voldoende waarborgen zijn om mogelijke mededingingsvervalsingen te beperken, ondanks het hoge steunbedrag dat aan HGAA is verstrekt. |
CONCLUSIES
|
(156) |
Gelet op de toezeggingen van Oostenrijk wordt geconcludeerd dat de liquidatiestrategie in overeenstemming is met de herstructureringsmededeling, dat de liquidatiesteun beperkt is tot het noodzakelijke minimum en dat de mededingingsvervalsingen voldoende worden beperkt. De liquidatiesteun is derhalve verenigbaar met de interne markt in de zin van artikel 107, lid 3, onder b), VWEU, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De volgende maatregelen zijn staatssteun:
|
a) |
de herkapitalisatie voor een bedrag van 900 miljoen EUR in het kader van het bankenplan; |
|
b) |
de herkapitalisatie voor een bedrag van 450 miljoen EUR in het kader van het bankenplan; |
|
c) |
de garanties van 1,35 miljard EUR in het kader van het bankenplan; |
|
d) |
de activagarantie van 100 miljoen EUR; |
|
e) |
de activagarantie van 200 miljoen EUR; |
|
f) |
de herkapitalisatie voor een bedrag van 500 miljoen EUR; |
|
g) |
de overheidsgarantie op achtergestelde tier 2-kapitaalinstrumenten met een nominale waarde van 1 miljard EUR; |
|
h) |
het eventuele toekomstige kapitaal voor de liquidatie van HGAA van ten hoogste 5,4 miljard EUR; |
|
i) |
de eventuele toekomstige liquiditeit voor de liquidatie van HGAA van ten hoogste 3,3 miljard EUR. |
2. De in lid 1 bedoelde staatssteun is gezien de in de bijlage opgenomen toezeggingen met de interne markt verenigbaar.
Artikel 2
Oostenrijk waarborgt een volledige uitvoering van het liquidatieplan dat op 29 juni 2013 werd ingediend en op 27 augustus 2013 werd aangevuld, met inbegrip van de in de bijlage opgenomen toezeggingen.
Artikel 3
Dit besluit is gericht tot de Republiek Oostenrijk.
Gedaan te Brussel, 3 september 2013.
Voor de Commissie
Joaquín ALMUNIA
Vicevoorzitter
(1) PB C 85 van 31.3.2010, blz. 21, PB C 266 van 1.10.2010, blz. 5, PB C 59 van 28.2.2013, blz 34.
(2) Partizipationskapital geeft geen stemrecht.
(3) Deze steunregeling was goedgekeurd bij besluit van de Commissie van 9 december 2008 betreffende steunmaatregel N 557/2008, Maßnahmen nach dem Finanzmarktstabilitäts- und dem Interbankmarktstärkungsgesetz für Kreditinstitute und Versicherungsunternehmen in Österreich (PB C 3 van 8.1.2009, blz. 2).
(4) PB C 134 van 13.6.2009, blz. 31.
(5) PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.
(6) PB C 85 van 31.3.2010, blz. 21.
(7) PB C 266 van 1.10.2010, blz. 5.
(8) PB C 31 van 4.2.2012, blz. 13.
(9) Daarna aangeduid als SA.32554 (2009/C) Herstructureringssteun ten behoeve van Hypo Group Alpe Adria.
(10) PB C 59 van 28.2.2013, blz. 34.
(11) Nog niet gepubliceerd.
(12) Nog niet gepubliceerd.
(13) Zie overweging 4 en het reddingsbesluit van december 2009.
(14) De ondernemingen Norica en HBInt Credit Managment (CM), die beide voor 49 % in handen van externe investeerders zijn, worden ook afgebouwd.
(*1) Vertrouwelijke informatie.
(15) Het feit dat HGAA door Oostenrijk onder deze voorwaarden werd gered, betekende dat BayernLB de volledige boekwaarde van HGAA van 2,3 miljard EUR moest afschrijven en moest afzien van 825 miljoen EUR aan vorderingen op HGAA wegens reeds verstrekte financieringen.
(16) Ondertussen heeft HGAA de betaling van rente en hoofdsommen voor bepaalde leningen van BayernLB gestaakt, in overeenstemming met haar interpretatie van de Oostenrijkse wet inzake de substitutie van eigen vermogen (Eigenkapitalersatzgesetz). BayernLB betwist dat besluit en heeft een rechtszaak aangespannen om de oorspronkelijk overeengekomen terugbetaling van de leningen en de rente af te dwingen. […].
(17) Mededeling aan de EU — Herzien herstructureringsplan, Klagenfurt am Wörthersee, 29 juni 2013.
(18) In het plan wordt aangegeven dat mogelijk een juridisch onafhankelijke houdstermaatschappij voor de ZOE-landen wordt opgericht, of dat delen van HBInt worden afgesplitst (inclusief herfinancieringslijnen) om van de ZOE-bedrijfsonderdelen onafhankelijk opererende entiteiten te maken.
(19) Mocht dit niet het geval zijn, dan zal HGAA blijven proberen om HBA per 30 juni 2014 te verkopen. Wanneer een dergelijke verkoop op die datum niet mogelijk is gebleken, dan wordt HBA ondergebracht in het sterfhuis.
(20) Zie deel IV van de bijlage, punt 3.2.2.
(21) […] moet worden uitgevoerd volgens […] uit de tabel in deel V, punt 3.4 van de lijst van toezeggingen (zie de bijlage). Om een […] herfinanciering uit eigen middelen te waarborgen, kan HBI […], mocht dit nodig zijn om te voorkomen dat tegoeden afnemen tot onder […] of om een dergelijke afname te compenseren.
(22) Zie voetnoot 14.
(23) Zie voetnoot 17 […].
(24) Zie bijvoorbeeld het besluit tot inleiding van de procedure van 2009, overweging 92, het reddingsbesluit van december 2009, overweging 66, het verlengingsbesluit van 2010, overwegingen 31 tot en met 39, het reddingsbesluit van juli 2011, overwegingen 39 tot en met 43 en het reddingsbesluit van december 2012, overweging 37.
(25) Zie bijvoorbeeld het verlengingsbesluit van 2010, overweging 31 en het reddingsbesluit van juli 2011, overweging 40.
(26) Zie bijvoorbeeld het verlengingsbesluit van 2010, overweging 39.
(27) Zie het reddingsbesluit van december 2009, overweging 65.
(28) Zie bijvoorbeeld het verlengingsbesluit van 2010, overwegingen 34 en 38.
(29) Zie bijvoorbeeld het reddingsbesluit van december 2009, overweging 66, het verlengingsbesluit van 2010, overwegingen 35, 36 en 37 en het reddingsbesluit van juli 2011, overweging 43.
(30) Zie bijvoorbeeld het verlengingsbesluit van 2010, overweging 36.
(31) Zie het besluit tot inleiding van de procedure van 2009, overweging 102.
(32) Zie het reddingsbesluit van december 2009, overweging 67.
(33) Zie het besluit tot inleiding van de procedure van 2009, overweging 98.
(34) Zie het besluit tot inleiding van de procedure van 2009, overweging 98 en het verlengingsbesluit van 2010, overweging 42.
(35) Zie het reddingsbesluit van juli 2011, overweging 44 en het reddingsbesluit van december 2012, overweging 38.
(36) Vervangen door het besluit van de Commissie van 5 februari 2013 met hetzelfde zaaknummer, nog niet gepubliceerd.
(37) Geregistreerd als zaak T-427/12.
(38) PB C 216 van 30.7.2013, blz. 1, zie met name punt 6.
(39) PB C 195 van 19.8.2009, blz. 9.
(40) Zie punt 20 van de herstructureringsmededeling en punt 49 van de mededeling van de Commissie — De toepassing van de staatssteunregels op maatregelen in het kader van de huidige wereldwijde financiële crisis genomen met betrekking tot financiële instellingen (hierna de „bankenmededeling” genoemd) (PB C 270 van 25.10.2008, blz. 8).
(41) Zie arrest van het Gerecht van 13 september 2010 in gevoegde zaken T-415/05, T-416/05 en T-423/05, Helleense Republiek e.a./Commissie, Jurispr. 2010, blz. I-4749, punt 135.
(42) De Commissie stelt met genoegen vast dat Oostenrijk zal waarborgen dat de leningen-tot-depositoratio (hierna „LTD-ratio” genoemd) van de bedrijfsonderdelen die niet zullen worden geliquideerd zich zodanig zal ontwikkelen dat een succesvolle verkoop mogelijk is, ofwel door sturing van de verlening van nieuwe kredieten ofwel door andere maatregelen om de LTD-ratio kunstmatig of daadwerkelijk te verlagen (zie deel III, punt 4.1.8, van de toezeggingen).
(43) […].
(44) Dit is het geval indien er maximaal […] % kans is dat crediteuren binnen een jaar in gebreke blijven.
BIJLAGE
Inleidende opmerkingen
Oostenrijk doet de navolgende toezeggingen uitsluitend aan de Europese Commissie (hierna „de Commissie” genoemd), tot wie zij als enige gericht zijn, en uitsluitend in het kader van steunmaatregel SA.32554 (ex C 16/2009). Derden kunnen aan deze toezeggingen in geen geval het recht ontlenen gedragingen te verlangen van Oostenrijk en/of het Hypo Alpe Adria-concern (hierna „HGAA” genoemd).
De toezeggingen van Oostenrijk aan de Commissie in de brief met toezeggingen van 30 november 2012, opgenomen in de bijlage van het goedkeuringsbesluit van de Commissie van 5 december 2012, C(2012) 9255 final, worden vervangen door de toezeggingen in de paragrafen B.III.3 en B.III.4.
Tenzij hierna anders bepaald, gelden alle toezeggingen slechts voor elk van de in B.II.1 vermelde verkoopbare entiteiten tot de desbetreffende entiteit is geherprivatiseerd in overeenstemming met B.IV.3.
Toezeggingen
I. Tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan — Monitoring trustee
Oostenrijk waarborgt dat het herstructureringsplan binnen de relevante termijnen volledig ten uitvoer wordt gelegd. Oostenrijk laat op de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan en de nakoming van de toezeggingen toezicht uitoefenen door een monitoring trustee. Op aanstelling, taken, verplichtingen en ontslag van de monitoring trustee zijn de procedures van deel C van toepassing.
II. Definities
1.
De „verkoopbare entiteiten” die volgens B.IV.3 moeten worden geherprivatiseerd, zijn de volgende ondernemingen (in alle gevallen met inbegrip van de ondernemingen waarover zij als enige rechtstreeks dan wel indirect de zeggenschap hebben):
1.1. HBA
Hypo Alpe-Adria-Bank AG, Klagenfurt, Oostenrijk („HBA”).
1.2. ZOE/ZOE-netwerk
|
— |
Hypo Alpe-Adria-Bank d.d., Ljubljana, Slovenië („HBS”). |
|
— |
Hypo Leasing d.o.o., Ljubljana, Slovenië („HLS”) of haar rechtsopvolger die wordt opgericht in het kader van de interne herstructurering van HGAA, mits die te koop worden aangeboden. De activiteiten van deze onderneming beperken zich tot […]- en […]-leasing. |
|
— |
Hypo Alpe-Adria-Bank d.d., Zagreb, Kroatië („HBC”) en haar dochteronderneming Hypo Alpe-Adria-Leasing d.o.o., Kroatië („HAALC”), waarvan de bedrijfsactiviteiten zich beperken tot […]. |
|
— |
Hypo Alpe-Adria-Bank d.d., Mostar, Bosnië en Herzegovina („HBFBiH”). |
|
— |
Hypo Alpe-Adria-Bank a.d., Banja Luka, Servische Republiek („HBRS”) en haar dochteronderneming Hypo Alpe-Adria-Leasing d.o.o., Banja Luka, Servische Republiek („HLRS”), waarvan de bedrijfsactiviteiten zich beperken tot […]-leasing. |
|
— |
Hypo Alpe-Adria-Bank a.d., Podgorica, Montenegro („HBM”). |
|
— |
Hypo Alpe-Adria-Bank a.d., Belgrado, Servië („HBSE”). |
2.
In het sterfhuis worden de niet-strategische bedrijfsonderdelen en portefeuilles van HGAA en Hypo-Alpe-Adria Bank S.p.A. (met hoofdkantoor in het Italiaanse Udine) („HBI”) geliquideerd conform het herstructureringsplan, waarbij kapitaal behouden moet blijven en waardeverlies moet worden geminimaliseerd. Alle ondernemingen/entiteiten die niet uitdrukkelijk worden genoemd in bovenstaande paragraaf II.1 worden in het sterfhuis ondergebracht. Het sterfhuis omvat met name:
2.1. Te liquideren deelnemingen
Niet-strategische aandeelhouderschappen
2.2. Te liquideren financials
|
— |
Portefeuille van HBInt. en herfinancieringslijnen voor dochterondernemingen (met name ZOE en HBI) die binnen HGAA blijven. |
|
— |
Subportefeuilles van individuele dochterbanken (HBA, HBI, banken uit het ZOE-netwerk) en van HLS die naar het sterfhuis worden overgebracht. |
|
— |
Te liquideren leasemaatschappijen (HLHU, HLUA, HLBG, HLG, HLC, HLMK, HLA, HLM, HETA, HLI, HRSE en HLSE). |
|
— |
Minderheidsondernemingen (Credit Management, Norica). |
2.3. HBI
Hypo Alpe-Adria-Bank S.p.A., Udine, Italië („HBI”).
III. Algemene toezeggingen
1.
Oostenrijk waarborgt dat HGAA gedurende de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan een voorzichtig, gezond en duurzaam bedrijfsbeleid voert, haar interne stimuleringsprogramma’s toetst aan wet- en regelgeving en waarborgt dat deze stimuleringsprogramma’s niet aanmoedigen tot het nemen van ongepaste risico’s.
2.
Oostenrijk waarborgt dat elke verkoopbare entiteit — dat wil zeggen HBA en het ZOE-netwerk — tot het moment waarop zij elk weer worden geprivatiseerd eventuele jaarwinsten slechts naar haar respectieve eigenaren overdraagt voor zover dit wettelijk is toegestaan en dat dit niet tot gevolg heeft dat de op het tijdstip van de winstoverdracht geldende wettelijk voorgeschreven eigenvermogenratio van de desbetreffende verkoopbare entiteit wordt onderschreden of dat de onderneming enig economisch nadeel lijdt. Mutatis mutandis geldt deze toezegging ook voor tussenondernemingen (of -holdings), HBI (tot dit volledig is afgebouwd) en HBInt, zolang dit onder de zeggenschap van Oostenrijk staat.
3.
Het verbod op coupons als omschreven in de brief met toezeggingen van Oostenrijk van 30 november 2012 en onder nummer 11 in de bijlage bij het goedkeuringsbesluit van de Commissie van 5 december 2012, C(2012) 9255 final, wordt vervangen door de volgende toezegging:
3.1. Geen dividend- of couponbetalingen indien niet wettelijk voorgeschreven
|
3.1.1. |
Oostenrijk waarborgt dat HGAA gedurende de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan geen dividend-of couponbetalingen doet op haar tier 1- en tier 2-kapitaalinstrumenten (met inbegrip van aandelen, aandeelhouderschappen, hybride kapitaal en aanvullend kapitaal) die worden uitgegeven voordat het eindbesluit wordt vastgesteld, tenzij HGAA daartoe wettelijk verplicht is, ook indien daarvoor geen reserves behoeven te worden aangesproken, of met voorafgaande toestemming van de diensten van de Commissie. |
|
3.1.2. |
Van bovengenoemde kapitaalinstrumenten zijn uitgezonderd de kapitaalinstrumenten, aandelen en/of aandeelhouderschappen in het bezit van Oostenrijk, tenzij een dividend-of couponbetaling op de kapitaalinstrumenten in het bezit van Oostenrijk ook zouden leiden tot een betalingsverplichting aan derden. |
|
3.1.3. |
Het verbod op dividenden als bedoeld in 3.1.1 is niet van toepassing op dividendbetalingen door de tijdelijke „minderheidsondernemingen” die geen reclame maken, […] en […] (dit zijn twee voor een bijzonder doel opgerichte entiteiten (special purpose vehicles, SPV’s) waarin externe investeerders een belang van 49 % hebben; de activiteiten van de SPV’s beperken zich tot het bezit van bepaalde effecten en het uitkeren van opbrengsten uit de effecten aan HBInt en de minderheidsaandeelhouders in de vorm van dividenden, zie punt 5.3.4 van het herstructureringsplan), indien het achterwege blijven van deze betalingen zou leiden tot de liquidatie van een van deze ondernemingen, hetgeen een nadelig effect zou hebben op de totale kapitalisatie van HGAA. |
3.2. Geen terugbetaling of terugkoop indien niet wettelijk voorgeschreven
|
3.2.1. |
Oostenrijk waarborgt dat HGAA gedurende de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan kapitaalinstrumenten in de zin van bovenstaand punt 3.1.1 niet vervroegd terugbetaalt, terugkoopt of anderszins voor de vervaldatum beëindigt, tenzij HGAA daartoe wettelijk verplicht is, ook indien daarvoor geen reserves behoeven te worden aangesproken, of met voorafgaande toestemming van de diensten van de Commissie. |
|
3.2.2. |
Met voorafgaande toestemming van de diensten van de Commissie geldt dit niet voor het terugbetalen, terugkopen en andere wijzen van vervroegde beëindiging van kapitaalinstrumenten indien:
|
|
3.2.3. |
Met voorafgaande toestemming van de diensten van de Commissie komt de specifieke bepaling van de marktwaarde in de zin van het bovenstaande overeen met:
|
4.
4.1. Vervanging van de toezeggingen van 30 november 2013 (bijlage bij het goedkeuringsbesluit van de Commissie van 5 december 2012, C(2012) 9255 final).
De toezeggingen van Oostenrijk aan de Commissie in de brief met toezeggingen van 30 november 2012, die zijn opgenomen in de bijlage bij het goedkeuringsbesluit van de Commissie van 5 december 2012, C(2012) 9255 final, worden vervangen door de volgende toezeggingen:
|
4.1.1. |
HGAA beperkt nieuwe bedrijfsactiviteiten in het segment Public Finance tot transacties met een looptijd van maximaal […] en in het segment Corporate tot transacties met een looptijd van maximaal […]. In beide segmenten zijn enkel transacties toegelaten waarbij de kans dat een crediteur binnen een jaar in gebreke blijft niet groter mag zijn dan […] %. Daarnaast moeten alle nieuwe verplichtingen met een looptijd van meer dan […] in het segment Corporate voor […] % worden afgedekt, conform de interne richtlijnen voor kredietverlening en -beheer (Credit Policy) van HGAA. Uitzonderingen op bovenstaande restricties kunnen worden toegestaan indien de lokale toezichthouder voorschrijft dat bepaalde financiële instrumenten moeten worden aangehouden. Verder worden door de Servische Republiek en de Federatie van Bosnië en Herzegovina uitgegeven schatkistbons en -biljetten (treasury bills) met een maximale looptijd van […] van bovenstaande restricties vrijgesteld indien de aankoop van deze effecten […]. |
|
4.1.2. |
HGAA verstrekt uitsluitend nieuwe retailhypotheken als de ratio van de lening ten opzichte van de waarde (loan-to-value ratio, LTV) maximaal […] % bedraagt. Nieuwe retailhypotheken met een LTV van ten hoogste […] % kunnen worden toegestaan indien de ratio van de schuld ten opzichte van het inkomen (debt-to-income ratio) van de betrokken klant — gedefinieerd als de totale maandelijkse verplichtingen van de klant (vastgesteld door plaatselijke kredietbureaus) aan HGAA en andere financiële instellingen gedeeld door zijn nettomaandinkomen — ten hoogste […] % bedraagt. Daarnaast moeten nieuw verstrekte retailhypotheken voldoen aan de criteria om in aanmerking te komen voor opname in de dekkingspools krachtens de eventueel bestaande lokale wetgeving inzake hypothecaire obligaties/securitisaties. |
|
4.1.3. |
De interne herfinancieringskostenmatrix (Funding COST Matrix) moet voor alle nieuwe verplichtingen (in de zin van 4.2) voor de volledige termijnstructuur evenredig zijn met de herfinancieringssituatie van het bijkantoor/de dochteronderneming. Dit mag in geen geval minder zijn dan:
In landen met een bijzonder zwakke kredietwaardigheid zijn deze minima te verhogen met: […]. Naast de concernbrede restricties met betrekking tot de looptijden in de segmenten Public Finance en Corporate (zie punt. 4.1.1) mogen in deze landen geen verplichtingen voor meer dan […] jaar worden aangegaan. De herfinancieringsopslagen kunnen worden verlaagd indien activa voldoen aan de wettelijke en materiële criteria voor securitisatie en het gebruik ervan voor securitisatie daadwerkelijk gepland is (bijvoorbeeld hypotheken, financiële lease, mkb-leningen en Public Finance), en dit op basis van zekerheden die zijn gecontroleerd door de monitoring trustee (tussen […] en […] bps, afhankelijk van het bedrag van de zekerheden, […] bps voor overcollateralisatie). |
|
4.1.4. |
Na een goede berekening van de financieringskosten (conform 4.1.3) en de risicokosten (het totale verwachte verlies (expected loss) op het niet door zekerheden gedekte bedrag, na toepassing van een extra correctie (haircut) van […] % op de waarde van de zekerheid) moet voor nieuwe kredietverplichtingen een jaarlijks rendement op het eigen vermogen van ten minste […] % worden gewaarborgd (honoraria mogen in de berekening van dit rendement worden meegenomen). De Commissie kan middels een brief van haar diensten ontheffing verlenen voor de vereiste extra haircut van […] % op de waarde van de zekerheid in de berekening van de risicokosten indien de monitoring trustee in een met redenen omkleed advies verklaart dat het bestaande systeem waarmee de bank zakelijke zekerheden waardeert in algemene zin deugdelijk is en daarin met name reeds passende haircuts zijn toegepast. |
|
4.1.5 |
Het rendement op het eigen vermogen in de zin van bovenstaande paragraaf moet in beginsel worden berekend op basis van de wettelijke kapitaalvereisten voor de specifieke leningen. De methode die op dit moment door HGAA wordt toegepast voor het berekenen van de kapitaalvereisten voor een specifieke lening is echter gebaseerd op een economische benadering, in lijn met de berekening van de risicokosten. De Commissie kan HGAA middels een brief van haar diensten toestaan om de economische benadering te blijven gebruiken voor de berekening van kapitaalvereisten voor specifieke leningen indien de monitoring trustee heeft bevestigd dat i) de methodiek deugdelijk is en ii) HGAA heeft aangetoond dat met haar berekeningsmethode een minimaal rendement op het eigen vermogen wordt gerealiseerd dat gelijkwaardig is aan een op basis van de wettelijke kapitaalvereiste berekend minimumrendement van […] %, zowel in de beoogde portefeuille als in de daadwerkelijke portefeuille. |
|
4.1.6 |
[…] mogen alleen aan klanten worden verstrekt indien de klant over een […] beschikt. Hiervoor gelden de volgende uitzonderingen:
|
|
4.1.7 |
HGAA draagt zorg voor een jaarlijkse verificatie van de rating en een complete follow-up van financiële documenten voor elke klant met een risico van meer dan […] EUR. Dit wordt door de afdeling risicobeheer op het hoofdkantoor van het concern gecontroleerd. |
|
4.1.8 |
De Republiek Oostenrijk waarborgt dat de leningen-tot-depositoratio (LTD-ratio) van de verkoopbare entiteiten op een succesvolle verkoop zal zijn gericht, door middel van sturing van de verlening van nieuwe kredieten of door andere maatregelen om de LTD-ratio (kunstmatig of daadwerkelijk) te verlagen. Het is de Republiek Oostenrijk bekend dat LTD-ratio’s van meer dan 100 % de succesvolle verkoop van een verkoopbare entiteit kunnen belemmeren. |
|
4.1.9 |
HGAA vervangt kredietmanagers en relatiebeheerders of schoolt hen bij indien gebleken is dat zij in het kredietproces onjuist hebben gehandeld of kredieten met een te lage winstgevendheid hebben verstrekt. |
|
4.1.10 |
HGAA verwerft geen aandeelhouderschappen in ondernemingen of onderdelen van ondernemingen (hierna „aandeelhouderschappen” genoemd) tenzij hierna anders bepaald. Met voorafgaande toestemming van de Commissie mag HGAA aandeelhouderschappen verwerven indien het daartoe door bijzondere omstandigheden wordt genoodzaakt teneinde de financiële stabiliteit of de daadwerkelijke mededinging in stand te houden of veilig te stellen. HGAA mag zonder voorafgaande toestemming van de Commissie aandeelhouderschappen verwerven indien: i) de respectieve aankoopprijs lager is dan […] % van het balanstotaal van HGAA op de dag van het besluit van de Commissie, en ii) de som van alle aankoopprijzen die HGAA gedurende de gehele herstructureringsperiode (d.w.z. tot de voltooiing van de verkoop van het ZOE-netwerk, zie IV) betaalt lager is dan […] % van het balanstotaal van HGAA op de dag van het besluit van de Commissie. Van het aankoopverbod uitgezonderd zijn voorts aandeelhouderschappen die HGAA bij haar gewone bedrijfsactiviteiten in verband met oninbare leningen of vergelijkbare banktransacties beheert of verwerft. |
|
4.1.11 |
HGAA gebruikt de steun niet voor promotiedoeleinden. |
|
4.1.12 |
De tenuitvoerlegging van bovenstaande maatregelen wordt elk kwartaal gecontroleerd door een externe monitoring trustee (zie onderstaand deel C), die verslag uitbrengt aan de Commissie. |
4.2. Reikwijdte van de toezeggingen („Restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten”) uit 4.1.1-4.1.6.
De restricties als omschreven in 4.1.1-4.1.6 gelden uitsluitend voor de navolgende nieuwe bedrijfsactiviteiten:
4.2.1. Omschrijving van de segmenten Corporate, Public Finance en Retail
In beginsel komen de segmenten Corporate en Public Finance overeen met de huidige definities van HGAA, met echter de volgende wijzigingen:
|
4.2.1.1. |
Het segment Corporate wordt als volgt gedefinieerd: particuliere ondernemingen (financiële instellingen uitgezonderd) waarvan omzet en/of blootstelling voldoen aan de volgende criteria:
|
|
4.2.1.2. |
Segment Public Finance Het segment Public Finance wordt als volgt gedefinieerd:
Een entiteit of agentschap dat (die) geen nationale of lokale overheid in bovenstaande zin is en niet over rechtstreekse garanties van een nationale of lokale overheid beschikt, moet worden behandeld als een zakelijke (institutionele) klant conform de voorschriften voor het segment Corporate. |
|
4.2.1.3. |
Segment Retail Het segment Retail wordt als volgt gedefinieerd:
|
4.2.2. Nieuwe bedrijfsactiviteiten in de segmenten Corporate en Public Finance
4.2.2.1. Algemene definities
In beginsel wordt onder „nieuwe bedrijfsactiviteiten” in de zin van de restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten in de punten 4.1.1 tot en met 4.1.6 datgene verstaan wat is omschreven in de bestaande normen voor risicorapportage van HGAA. Dat betekent derhalve:
|
— |
risicorelevante (2) krediet-/leasetransacties met een geheel nieuwe klant (of met een groep van verbonden nieuwe klanten — GoB), d.w.z. „bedrijfsactiviteiten voor nieuwe klanten” (new client business — NCB); of |
|
— |
toename van krediet-/leaseblootstellingen bij bestaande klanten op productbasis — d.w.z. „blootstellingsverhogende bedrijfsactiviteiten” (exposure increasing business — ExIB); en |
|
— |
vernieuwing of verlenging van bestaande krediet-/leaseblootstellingen met bestaande klanten op productbasis tot langer dan […] — d.w.z. „blootstellingsverlengende bedrijfsactiviteiten” (exposure prolonging business — ExPB) (3) . |
4.2.2.2. Aanvullende criteria
|
— |
Bij ExIB moeten nieuwe bedrijfsactiviteiten altijd per geval worden beoordeeld. Als een klant dus zijn kasrisico wil verhogen en in ruil daarvoor zijn garantierisico met hetzelfde bedrag wil verlagen, telt het hogere kasrisico nog steeds als een nieuwe bedrijfsactiviteit. |
|
— |
Financiële leasing moet worden behandeld als nieuwe kredietverlening. Nieuwe bedrijfsactiviteiten (NCB en ExIB) moeten daarom volledig voldoen aan de eisen voor nieuwe bedrijfsactiviteiten als hierboven omschreven in 4.1.1 tot en met 4.16. |
|
— |
Operationele leasing moet om de volgende redenen worden beschouwd als een nieuwe bedrijfsactiviteit in de zin van de bovenstaande punten 4.1.1 tot en met 4.1.6:
|
|
— |
Kredietverplichtingen met niet-vastgelegde kredietlijnen moeten ook voldoen aan de nieuwe leennormen als omschreven in de punten 4.1.1 tot en met 4.1.6. |
|
— |
Transacties binnen het HGAA-concern (bijvoorbeeld herfinanciering van lokale banken, lease en andere deelnemingen) en activiteiten in het kader van de eisen ten aanzien van de liquiditeit van HGAA moeten in het segment Financiële instellingen worden ondergebracht. |
4.2.2.3. Beperkingen
Voor de volgende risicorelevante transacties gelden de restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten uit de punten 4.1.1 tot en met 4.1.6 niet:
|
— |
transacties met financiële instellingen in het kader van het liquiditeitsboek van HGAA, d.w.z.
HGAA waarborgt dat individuele tegenpartijlimieten voor financiële instellingen worden goedgekeurd door de afdeling Risicobeheer op het hoofdkantoor en een maximale looptijd hebben van […]; |
|
— |
nieuwe financieringen en prolongaties, rollovers, herstructureringen en herprogrammeringen van kredieten voor noodlijdende klanten (en alle klanten die onder het concern/de Local Task Force Rehabilitation en/of de Credit Rehabilitation vallen), met als doel en duidelijk gedocumenteerd vooruitzicht om ze weer aan hun verplichtingen te kunnen laten voldoen en/of een definitief financieel herstel mogelijk te maken, zolang de looptijd van de nieuwe financiering in dit verband beperkt blijft tot […]. Voor dergelijke transacties moet altijd deugdelijk, met een kwantitatief bewijs, worden aangetoond dat de transactie in kwestie de beste manier is om waarde voor HGAA te behouden en het erkennen van verliezen hierdoor niet wordt uitgesteld. De aannames voor deze kwantitatieve beoordeling moeten voldoende conservatief zijn; |
|
— |
prolongaties, verlengingen van de looptijd, herstructureringen of herprogrammeringen van bestaande renderende blootstellingen (4) respectievelijk klanten (GoB’s), die objectief gerechtvaardigd zijn, in het belang van HGAA zijn en geen looptijd krijgen van meer dan […]. Voor dergelijke transacties moet altijd deugdelijk, met een kwantitatief bewijs, worden aangetoond dat de transactie in kwestie de beste manier is om waarde voor HGAA te behouden en het erkennen van verliezen hierdoor niet wordt uitgesteld. De aannames voor deze kwantitatieve beoordeling moeten voldoende conservatief zijn; |
|
— |
aanvullende financieringen die worden verstrekt aan klanten die op de toezichtlijst van het concern of een lokale toezichtlijst staan, met als doel en duidelijk gedocumenteerd vooruitzicht de financiële situatie van de klanten te stabiliseren (inclusief het afdekken van rente- en wisselkoersrisico’s), waarmee wordt voorkomen dat zij niet meer aan hun verplichtingen kunnen voldoen en zij wel weer kunnen gaan betalen, zolang deze vorm van aanvullende financiering niet wordt verstrekt met een looptijd van meer dan […]. Voor dergelijke transacties moet altijd deugdelijk, met een kwantitatief bewijs, worden aangetoond dat de transactie in kwestie de beste manier is om waarde voor HGAA te behouden en het erkennen van verliezen hierdoor niet wordt uitgesteld. De aannames voor deze kwantitatieve beoordeling moeten voldoende conservatief zijn; |
|
— |
transacties:
|
|
— |
toenames van de blootstelling door schommelingen van wisselkoersen, schommelingen van de marktwaarde van derivaten en de ontwikkeling van de marktprijzen van obligaties; |
|
— |
omzetting van bestaande leningen in vreemde valuta in EUR-leningen, indien de rekenvaluta van de klant de EUR, de Kuna of de converteerbare mark is, het totale risico wordt geconverteerd tegen de geldende wisselkoers en de zekerheden voor HGAA identiek of beter zijn; |
|
— |
nieuwe bedrijfsactiviteiten waarvoor vóór 1 januari 2013 een door de verantwoordelijke lokale risico- en verkoopeenheid goedgekeurde offerte (Term Sheet) naar klanten was gezonden en door hen was aanvaard, mits HGAA wettelijk verplicht is tot uitbetaling en dit deugdelijk kan worden gedocumenteerd; |
|
— |
bedrijfsactiviteiten die worden ontplooid met middelen van ontwikkelingsbanken en supranationale financieringsinstellingen (bijvoorbeeld EIB, EBWO, HBOR, SID, enz.) of gesubsidieerde leningprogramma’s van nationale of lokale overheden, mits, met betrekking tot zekerheden, de ratingdrempel van […] en een maximale looptijd van […] worden gehanteerd. Dergelijke gesubsidieerde leningprogramma’s moeten vergezeld gaan van risicobeperkende maatregelen […], hetgeen door de monitoring trustee moet worden bevestigd vóór HGAA aan het programma deelneemt; |
|
— |
interne financieringen (d.w.z. herfinancieringslijnen) die aan andere onderdelen van HGAA worden verstrekt met het oog op de terugverkrijging (repossessions) van zekerheden en activa in het kader van een veiling of verkoop in rechte of buiten rechte; |
|
— |
herindeling van leasecontracten d.w.z. van operationele leasing naar financiële leasing, indien het activarisico daardoor volledig kan worden omgezet in tegenpartijrisico (met andere woorden, wanneer alle risico’s en vergoedingen in verband met het eigendom van de geleasede activa van de leasegever naar de leasenemer worden overgebracht); |
|
— |
nakoming van bestaande contractuele verbintenissen (bijvoorbeeld onroerend goed in aanbouw, activering van nog uit te voeren leasecontracten (= leases-to-go)), mits het contract of de plaatselijke wetgeving niet toestaan dat de verbintenis geheel of gedeeltelijk wordt geannuleerd (bijvoorbeeld krachtens de bijzondere voorwaarden van de overeenkomst). |
4.2.3. Nieuwe bedrijfsactiviteiten in het segment Retail
Overeenkomstig punt 4.2.2.1 en volgens de beginselen van een goede en voorzichtige risicorapportage worden „nieuwe bedrijfsactiviteiten” voor het segment Retail als volgt omschreven:
|
i) |
een risicorelevante krediet- of leasetransactie (bijvoorbeeld een lening of een kredietlijn) die als retaillening- of -leaseproduct wordt beschouwd en nieuw wordt verstrekt aan een bestaande of nieuwe klant (of GoB), OF |
|
ii) |
voor revolverende kredietlijnen of retailproducten met limieten die al door een klant worden afgenomen, waaronder overdispositie, creditcards en kredietlijnen voor het mkb (werkkapitaal): het verschil tussen de nieuw toegestane (hogere) limiet en de oude (lagere) limiet, OF |
|
iii) |
voor retailproducten die regelmatig worden afgelost en al door een klant worden afgenomen, waaronder alle vormen van afbetalingskredieten: het verschil tussen het nieuw toegekende (hogere) leenbedrag en het oude (lagere) leenbedrag. |
4.2.3.1. Overige definities en punten van overweging
|
i) |
Tot het moment waarop HGAA oplopende risicotoenames kan rapporteren zoals omschreven in 4.2.3, punt ii) en iii), worden toenames van de blootstelling bij bestaande klanten (op productbasis) beschouwd als nieuwe bedrijfsactiviteiten. Ter verduidelijking: een verlaging van de afbetalingsfrequentie (bijvoorbeeld van maandelijks naar elk kwartaal) wordt als nieuwe transactie beschouwd. |
|
ii) |
Marginale/onbetekenende toenames van de blootstelling (van maximaal […] EUR) door transactiekosten, gekapitaliseerde rente/honoraria enz., met name in verband met de onder 4.2.3.2 genoemde transacties (bijvoorbeeld valuta-omzetting, herstructurering, consolidatie, prolongatie enz.) worden in geen geval als nieuwe bedrijfsactiviteiten beschouwd. |
|
iii) |
In het kader van blootstellingsverhogende bedrijfsactiviteiten in de retailsector moet per individuele transactie worden bepaald of al dan niet sprake is van nieuwe bedrijfsactiviteiten, zodat toenames van de blootstelling voor het ene product (van een klant) niet worden gecompenseerd met afnames van de blootstelling voor een ander product. Verrekening (netting) van leningen van een klant met tegoeden van die klant is eveneens niet toegestaan. |
|
iv) |
Financiële leasing moet worden behandeld als kredietfinanciering en is daarom een nieuwe bedrijfsactiviteit in de zin van 4.2.3, waarvoor de restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten gelden. |
|
v) |
Operationele leasing moet als een nieuwe bedrijfsactiviteit worden behandeld als het onder 4.2.3 valt. Derhalve gelden de restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten. |
|
vi) |
Herindeling van leasecontracten (bijvoorbeeld omzetting van operationele lease in financiële lease) wordt niet als een nieuwe bedrijfsactiviteit beschouwd, tenzij daardoor de blootstelling van de bank in de zin van de regelgeving of in economische zin toeneemt. |
4.2.3.2. Beperkingen/uitzonderingen
Met de volgende risicorelevante transacties moet op bijzondere wijze worden omgegaan:
|
— |
offertes voor retailleningen die vóór 1 januari 2013 aan klanten zijn uitgebracht vallen niet onder de restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten, mits zij door de klant zijn aanvaard binnen de in het betrokken land wettelijk vastgestelde acceptatieperiode. Offertes voor retailleningen die na 1 januari 2013 zijn uitgebracht, moeten in overeenstemming zijn met de toezeggingen in punt 4.1; |
|
— |
retailleningen die worden verstrekt met gelden van ontwikkelingsbanken en supranationale financiële instellingen (bijvoorbeeld EIB, EBWO, HBOR, SID, enz.) of gesubsidieerde leningprogramma’s die worden ondersteund door lenings- of verzekeringsagentschappen van de overheid of daarmee verbonden instellingen of door overheidsgeld vallen niet onder de restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten; |
|
— |
herstructureringen van retailleningen of -leasecontracten aan/met natuurlijke personen (particulieren) voor een maximumbedrag van […] EUR, worden niet als nieuwe bedrijfsactiviteiten beschouwd wanneer de blootstelling niet toeneemt. Hier gelden de volgende uitgangspunten:
Indien de klant geen natuurlijke persoon (particulier) maar een mkb-klant (zakelijke klant) is (en daarom niet aan bovenstaand criterium kan voldoen), gelden de herstructureringsregels (maximale terugvordering) en looptijdbeperkingen voor zakelijke klanten; |
|
— |
migratie van bestaande blootstellingen zonder toename van de blootstelling wordt niet als een nieuwe bedrijfsactiviteit beschouwd. Dit betreft met name blootstellingen bij projectfinancieringen voor zakelijke klanten (bijvoorbeeld de bouw van appartementen), die uiteindelijk verschuiven naar retailklanten (bijvoorbeeld wanneer zij een lening afsluiten voor de aankoop van de appartementen). In dat geval verschuift het risico feitelijk van het zakelijke segment naar het retailsegment. Hiervoor gelden echter de volgende beperkingen:
|
|
— |
toename van de totale blootstelling van retailleningen door rente, honoraria of andere vormen van schuldkapitalisatie (meestal in het kader van oninbare leningen of herstructureringen) wordt niet als een nieuwe bedrijfsactiviteit beschouwd; |
|
— |
schuldenconsolidatie voor retailklanten (binnen boekingsentiteiten of groepen van rekeningen van HGAA) wordt als een onderdeel van een herstructurering beschouwd als de daarmee verbonden blootstelling zich beperkt tot […] EUR ([…] EUR in Kroatië mits toestemming van de monitoring trustee, zie 4.2.1.3). Als de blootstelling groter is, gelden de looptijdbeperkingen voor zakelijke klanten. Indien de met de nieuwe geconsolideerde retaillening verbonden blootstelling echter (substantieel) groter is dan de som van de blootstellingen van de geconsolideerde leningen, wordt het verschil als een nieuwe bedrijfsactiviteit beschouwd, in overeenstemming met 4.2.3, punt ii) en iii). Tot de invoering van de rapportagemogelijkheden geldt 4.2.3.1, punt i), echter; |
|
— |
„topleningen” (loan top-ups) op retailleningen worden niet als nieuwe bedrijfsactiviteiten beschouwd als de mogelijkheid voor het topdeel uitdrukkelijk was toegestaan in de oorspronkelijke leenovereenkomst, door HGAA niet kon worden beëindigd of ingetrokken en de klant daarvoor slechts aan bepaalde leenvoorwaarden behoefde te voldoen zonder dat een standaardleenbeoordeling werd gemaakt. Bij andere vormen van topleningen in de retailsector wordt het verschil tussen het oude leenbedrag en het nieuwe leenbedrag als nieuwe bedrijfsactiviteit beschouwd conform 4.2.3, punt ii) en iii). Tot de invoering van de rapportagemogelijkheden geldt 4.2.3.1, punt i), echter; |
|
— |
„valutawisselingen” (currency switches), dus wanneer een retailklant van een lening in een vreemde valuta (of een op basis van vreemde valuta geïndexeerde lening) overstapt op een lening in lokale valuta zonder substantiële toename van de blootstelling (tot […] EUR), worden niet als nieuwe bedrijfsactiviteiten beschouwd. Indien van een substantiële toename van de blootstelling sprake is, wordt het verschil tussen het oude leenbedrag/de oude blootstelling en het nieuwe leenbedrag/de nieuwe blootstelling als nieuwe bedrijfsactiviteit beschouwd conform 4.2.3, punt ii) en iii). Tot de invoering van de rapportagemogelijkheden geldt 4.2.3.1, punt i), echter; |
|
— |
retailleningen die worden verstrekt om teruggenomen activa en zekerheden opnieuw te vermarkten of opnieuw te leasen worden niet als nieuwe bedrijfsactiviteiten beschouwd. Wel zijn echter de volgende beperkingen van toepassing:
|
|
— |
de nakoming van bestaande contracten en toezeggingen (bijvoorbeeld onroerend goed in aanbouw, activering van nog uit te voeren leasecontracten) wordt niet als een nieuwe bedrijfsactiviteit beschouwd. |
IV. Herprivatisering van de verkoopbare entiteiten
1.
|
1.1. |
Op 31 december 2008 was HGAA als internationaal financieel concern met 384 kantoren in twaalf landen (Oostenrijk, Italië, Slovenië, Kroatië, Bosnië en Herzegovina, Servië, Montenegro, Bulgarije, Duitsland, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Oekraïne en Hongarije) actief als bank (retail, zakelijk en overheid), als leasemaatschappij (retail, zakelijk, onroerend goed, motorvoertuigen, roerend goed) en met aandeelhouderschappen, en had het een balanstotaal van 43,34 miljard EUR en RWA van 32,83 miljard EUR. |
|
1.2. |
Kort na de nationalisatie trok HGAA zich terug uit alle nieuwe transacties in Bulgarije, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Oekraïne, Hongarije en Duitsland en staakte het alle niet-strategische activiteiten. De dochterondernemingen in deze landen werden in het sterfhuis ondergebracht. Zij worden nu op gecontroleerde wijze geliquideerd. De strategische nieuwe positionering heeft geleid tot de sluiting van twaalf van de in totaal 18 vroegere kantoren in de „sterfhuislanden” Bulgarije, de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Oekraïne, Hongarije en Duitsland. |
|
1.3. |
De resterende marktactiviteiten van HGAA op 31 december 2012, d.w.z. de „verkoopbare entiteiten” in de zin van B.II.1, hadden samen met HBI een balanstotaal van circa 17,54 miljard EUR en van 11,02 miljard EUR aan RWA oftewel circa 40,5 % van het balanstotaal van het HGAA-concern en circa 33,6 % van de RWA op 31 december 2008. Uitgesplitst luiden de bedragen als volgt:
Met het onderbrengen van HBI in het sterfhuis in het tweede halfjaar van 2013 neemt het gezamenlijke balanstotaal van de verkoopbare entiteiten (HBA en het ZOE-netwerk) met nog eens 19 % af ten opzichte van de bovengenoemde gegevens. Dit is slechts circa 33 % van het balanstotaal van HGAA als concern en 26 % van de RWA per 31 december 2008. |
|
1.4. |
De resterende verkoopbare entiteiten moeten zo snel en doelmatig mogelijk worden geherprivatiseerd in overeenstemming met de bepalingen van B.IV.3. Na de volledige herprivatisering van de verkoopbare entiteiten zullen op de balans van HGAA enkel nog bedrijfsactiviteiten staan die moeten worden geliquideerd. |
2.
Oostenrijk zegt toe dat HGAA met de bedrijfsactiviteiten van de verkoopbare entiteiten met name zal streven naar herstel en handhaving van hun winstgevendheid op de lange termijn, in overeenstemming met de bepalingen van het herstructureringsplan en zijn bijlagen (met inbegrip van deze lijst met toezeggingen). Deze toezegging vormt geen beletsel voor de herstructurering van de verkoopbare entiteiten en/of het onderbrengen van individuele activa of portefeuilles in het sterfhuis indien dit noodzakelijk is voor het herstel, de instandhouding of de optimalisering van de vooruitzichten op herprivatisering.
3.
Oostenrijk garandeert dat de verkoopbare entiteiten bij de eerst mogelijke gelegenheid zullen worden geherprivatiseerd met inachtneming van de bepalingen van deze paragraaf. Waar in deze paragraaf B.IV.3 wordt gesproken over herprivatisering van de verkoopbare entiteiten wordt daaronder indien nodig ook de toegestane herprivatisering van delen van de verkoopbare entiteiten verstaan.
3.1. Herprivatisering
Herprivatisering van een verkoopbare entiteit wordt geacht te hebben plaatsgevonden wanneer de Republiek Oostenrijk 100 % van de aandelen of alle activa van de desbetreffende verkoopbare entiteit heeft verkocht aan een of meer kopers waarover de Republiek Oostenrijk geen zeggenschap heeft. Herprivatisering omvat ook de verkoop van alle aandelen die Oostenrijk rechtstreeks of indirect in de verkoopbare entiteiten bezit als onderdeel van een beursgang onder normale marktomstandigheden.
3.2. Datum van herprivatisering
Herprivatisering wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de dag waarop voor de aankoop van de verkoopbare entiteit een bindende koopovereenkomst wordt ondertekend waarop het verbintenissenrecht van toepassing is („koopovereenkomst”). Indien delen van een verkoopbare entiteit aan meerdere kopers worden verkocht, is de feitelijke datum van herprivatisering de dag waarop de laatste koopovereenkomst wordt gesloten. In het geval van een beursgang is de feitelijke datum van een tijdige herprivatisering de dag waarop het laatste aandeel dat Oostenrijk rechtstreeks of indirect bezit op de markt wordt gebracht. De entiteiten die middels een beursgang worden verkocht, zijn echter met ingang van de dag waarop […] aandelen op de markt worden gebracht niet langer gebonden aan de toezeggingen van B.III.
3.3. Herprivatiseringstermijn
HBA moet op 31 december 2013 zijn geherprivatiseerd en het ZOE-netwerk op 30 juni 2015.
3.4. Uitvoeringstermijn
De verkoop van HBA moet uiterlijk op […] plaatsvinden. Overeenkomsten voor de verkoop van het ZOE-netwerk moeten uiterlijk op […] worden uitgevoerd.
3.5. Verlenging van de uitvoeringstermijnen
Indien vertraging ontstaat door het ontbreken van de noodzakelijke toestemming voor de verkoop van een toezichthouder of mededingingsautoriteit kunnen de diensten van de Commissie instemmen met de verlenging van een uitvoeringstermijn voor de verkoop van het ZOE-netwerk met nog eens […], zoals bepaald in 3.4. Oostenrijk dient aanvragen tijdig in, altijd ten minste twee weken voor het verstrijken van de oorspronkelijke uitvoeringstermijn, en zendt de Commissie de bevestiging van de monitoring trustee dat de vertraging uitsluitend te wijten is aan de vergunningverlener(s) en dat HGAA alle passende stappen heeft ondernomen om de uitvoering van de koopovereenkomst binnen de oorspronkelijke termijn tot stand te brengen.
3.6. Wijziging van koper
Indien na de tijdige herprivatisering doch voor het verstrijken van de uitvoeringstermijn blijkt dat de koper van een entiteit niet of niet binnen de uitvoeringstermijn in staat is te voldoen aan de uitvoeringsvoorwaarden, kan met toestemming van de diensten van de Commissie verkoop aan een derde plaatsvinden, mits die verkoop tot uitvoering kan worden gebracht binnen de uitvoeringstermijn voor de eerste verkoop.
3.7. Overschrijding van termijnen voor herprivatisering of van uitvoeringstermijnen
Indien een termijn voor herprivatisering als bedoeld in 3.3 of een uitvoeringstermijn als bedoeld in 3.4 juncto 3.5 wordt overschreden, mag de desbetreffende entiteit met ingang van de dag volgend op die waarop de termijn verstrijkt geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer uitoefenen. Vanaf die dag gelden de bepalingen van deze lijst van toezeggingen voor het sterfhuis ook voor de desbetreffende entiteit.
4.
|
4.1. |
Oostenrijk staat ervoor in dat HGAA de benodigde verkoopprocedures met het oog op de herprivatisering van de verkoopbare entiteiten tijdig zal initiëren en deze snel zal doorlopen om de herprivatisering op zo kort mogelijke termijn te kunnen doen plaatsvinden. |
|
4.2. |
Herprivatisering van de verkoopbare entiteiten vindt plaats als onderdeel van een beursgang onder normale marktvoorwaarden of, indien wettelijk toegestaan en mogelijk zonder inbreuk op bedrijfsgeheimen, als onderdeel van een open, transparante en onvoorwaardelijke verkoopprocedure met de gebruikelijke verkopersgaranties („Representations and Warranties”). Dit vormt geen beletsel voor het voeren van onderhandelingen met specifieke geïnteresseerde partijen vóór of tijdens een dergelijke procedure. |
V. Sterfhuis
1.
|
1.1. |
Oostenrijk zegt toe dat HGAA met ingang van de datum van vaststelling van de definitieve goedkeuring uitsluitend de bedrijfsactiviteiten die op die dag in het sterfhuis zijn ondergebracht zodanig zal liquideren dat kapitaal en waarde behouden blijven. |
|
1.2. |
De activa in het sterfhuis zullen actief en doelmatig worden verkocht, geliquideerd of afgebouwd. |
|
1.3. |
In beginsel moeten de activa zo snel mogelijk worden verkocht. HGAA zal deze activa zo snel mogelijk verkopen en streeft ernaar om ze voor minstens hun boekwaarde te verkopen, tenzij de verkoopprijs als duidelijk ongepast wordt beschouwd op basis van een onweerlegbare objectieve waardering. |
|
1.4. |
Alle activa die niet kunnen worden verkocht in overeenstemming met 1.3 zullen op termijn vervallen. |
2.
|
2.1. |
Oostenrijk zegt toe dat met ingang van de datum van vaststelling van de definitieve goedkeuring geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer zullen worden uitgeoefend in het sterfhuis. Tenzij hierna in 2.2 en 2.3 anders bepaald zullen vanaf die datum alle HGAA-ondernemingen, met uitzondering van de verkoopbare entiteiten, hun bestaande bedrijfsactiviteiten op die datum liquideren. |
|
2.2. |
Prolongaties met bestaande klanten blijven ook in het sterfhuis toegestaan indien sprake is van een realistisch, waarschijnlijk en aantoonbaar vooruitzicht dat een prolongatie de toekomstige bruikbaarheid of het toekomstige gebruik van de financiering zal verbeteren. Prolongaties zullen niet worden aangegaan voor langer dan […]. Gemotiveerde uitzonderingen met langere verlengingsperioden moeten in elk individueel geval bij de monitoring trustee worden gemeld en deugdelijk worden gemotiveerd. Ook na afloop van de herstructureringsperiode moeten alle activiteiten in het sterfhuis zo snel mogelijk worden geliquideerd.
Het volgende blijft toegestaan:
Daarnaast blijven transacties met ondernemingen van het HGAA-concern toegestaan (mits bedoeld ter prolongatie van herfinancieringslijnen), alsmede transacties met kopers van HGAA-activa (aandeelhouderschappen, portefeuilles, enz.), die in verband met de herprivatisering plaatsvinden en noodzakelijk zijn voor een succesvolle verkoop van de desbetreffende entiteiten en/of activa (bijvoorbeeld koperfinanciering (seller financing), verlenging door HGAA van aan de koper verstrekte zekerheden (bijvoorbeeld garanties), enz.). |
|
2.3. |
Indien verplichtingen niet volledig worden nagekomen, kan het sterfhuis, als onderdeel van de sanering en ontbinding, voor de desbetreffende verplichting wijzigingen aanbrengen in de transactie met de respectieve debiteur, mits deze maatregelen kunnen worden beschouwd als maatregelen die waarde behouden of risico verminderen zonder de mededinging te verstoren. Dit moet in ieder geval schriftelijk aan de monitoring trustee worden gemotiveerd. Wijzigingen in de transactie zijn wijzigingen van de verplichting, bijvoorbeeld aanpassingen van rentetarieven, uitstel, herzieningen van vervaldata, wijzigingen van debiteur, prolongaties en schuldconversies, bijvoorbeeld door het sluiten van nieuwe kredietovereenkomsten voor hetzelfde bedrag, wijzigingen in zekerheden of financiële ratio’s, of het afzien van de rechtsgevolgen van financiële ratio’s. De in deze paragraaf bedoelde wijzigingen in de transactie kunnen leiden tot een verlenging van de looptijd van […]. Wijzigingen waarbij de looptijd meer wordt verlengd, zijn alleen toegestaan met goedkeuring van de monitoring trustee. |
|
2.4. |
Voorts zijn (financieringen van) kosten voor rechtstreekse verbeteringen van de te verkopen activa toegestaan indien daarmee de kansen op verkoop significant worden vergroot. Dit heeft met name betrekking op juridische honoraria en administratieve lasten (bijvoorbeeld voor correcties in het plaatselijke kadaster) en, in individuele gevallen, structurele/technische wijzigingen van individuele activa, waarvoor de toestemming van de monitoring trustee vereist is. |
3.
Om verstoringen van de markt tijdens de ontbinding van retailbank HBI en de uitstroom van tegoeden te voorkomen, en om een buffer te vormen tegen de resulterende aanvullende liquiditeitseisen van HBI, gelden de navolgende bepalingen voor HBI:
|
3.1. |
HBI zal geen nieuwe bedrijfsactiviteiten meer uitoefenen, tenzij hierna anders bepaald. |
|
3.2. |
De activa van HBI zullen geleidelijk worden verminderd door de verkoop van portefeuilles of individuele activa, verdere herstructureringstransacties (d.w.z. het onderbrengen van portefeuilles en/of activa in het sterfhuis) en ook door afschrijvingen op bestaande activa. |
|
3.3. |
De afbouw van de passiva op de balans van HBI volgt op de afbouw van de activa op haar balans en zal daarvan afhangen. De passiva van HBI zullen daarom evenredig worden verminderd met de afname aan de activazijde. |
|
3.4. |
De belangrijkste stappen in de geplande liquidatie van HBI zien er op dit moment als volgt uit:
|
|
3.5. |
Om […] eigen herfinanciering door HBI in de liquidatiefase veilig te stellen en de behoefte aan extra liquiditeit te voorkomen, kan HBI […] mits dit noodzakelijk is om onderschrijding van de bestaande […] te voorkomen of te compenseren. |
|
3.6. |
HBI biedt/neemt deposito’s uitsluitend aan tegen nominale rentetarieven onder het gemiddelde van de beste referentietarieven die in dezelfde periode voor vergelijkbare producten worden aangeboden door de vijf grootste niet-gesteunde concurrenten van HBI […]. |
|
3.7. |
[…]. |
|
3.8. |
Tenzij hierboven anders bepaald, gelden de bepalingen voor het sterfhuis in V.1 en V.2 mutatis mutandis ook voor de liquidatie van HBI. |
2. Monitoring Trustee
I. Aanstelling
|
1. |
Oostenrijk waarborgt dat HGAA in overeenstemming met de navolgende bepalingen een (monitoring) trustee aanstelt (hierna de „trustee” genoemd), die belast wordt met de uitvoering van de taken en plichten als omschreven in C.II. |
|
2. |
De trustee moet onafhankelijk van HGAA zijn, mag op geen enkel moment in een belangenconflict verkeren en moet over de vereiste gespecialiseerde kennis beschikken om zijn opdracht uit te voeren. De trustee wordt door HGAA zodanig beloond dat hij zijn taken onafhankelijk en doelmatig kan uitvoeren. De kosten voor de trustee komen, voor zover wettelijk toegestaan, ten laste van HGAA en anders van Oostenrijk. |
|
3. |
Met instemming van de Commissie zal […], de trustee die reeds is aangesteld met het oog op de nakoming van de toezeggingen van punt 12 in de bijlage bij het goedkeuringsbesluit van de Commissie van 5 december 2012, C(2012) 9255 final, als trustee blijven fungeren. Indien de Commissie echter verlangt dat een andere trustee wordt aangesteld, gelden de navolgende bepalingen:
|
II. Taken en verplichtingen van de trustee
|
1. |
De trustee wordt belast met het uitoefenen van toezicht op de volledige en tijdige tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan en de nakoming van de toezeggingen, en met de specifieke taken van de trustee zoals omschreven in de lijst van toezeggingen (bijvoorbeeld in D.I). De Commissie kan verlangen dat de trustee nadere uitleg of toelichtingen geeft. |
|
2. |
De trustee brengt de Commissie elk kwartaal verslag uit over de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan en de nakoming van de toezeggingen. Daartoe zendt de trustee de Commissie, Oostenrijk en HGAA na het einde van elk kwartaal een schriftelijk conceptverslag over de tenuitvoerlegging van het herstructureringsplan en de nakoming van de toezeggingen. Waar nodig kan de Commissie nadere aanwijzingen geven omtrent de omvang van het verslag. |
|
3. |
De Commissie, Oostenrijk en HGAA kunnen binnen twee weken na ontvangst van het conceptverslag opmerkingen indienen („termijn voor opmerkingen”). Binnen vier weken na het verstrijken van de termijn voor opmerkingen zendt de trustee de Commissie het definitieve verslag, waarin de eventuele opmerkingen zijn verwerkt. De trustee zendt daarnaast een afschrift van het definitieve verslag aan Oostenrijk en HGAA. |
III. Taken en verplichtingen van Oostenrijk en HGAA
Oostenrijk waarborgt dat de Commissie en de trustee gedurende de tenuitvoerlegging van de definitieve goedkeuring onbeperkt toegang hebben tot alle informatie die benodigd is voor het uitoefenen van toezicht op de tenuitvoerlegging van de definitieve goedkeuring. HGAA ondersteunt de trustee door informatie samen te stellen en snel toegankelijk te maken. De Commissie en de trustee kunnen HGAA en Oostenrijk om toelichting en verduidelijking vragen. Oostenrijk en HGAA zullen bij het toezicht op de tenuitvoerlegging van de definitieve goedkeuring volledig met de Commissie en de trustee samenwerken.
IV. Vervanging en ontslag van de trustee
|
1. |
Indien de trustee zijn taken en verplichtingen niet vervult/nakomt of niet (langer) voldoet aan de geschiktheidscriteria (C.I.2) kan de trustee met instemming van de diensten van de Commissie door HGAA worden ontslagen of moet de trustee, na een daartoe strekkend gemotiveerd verzoek van de Commissie en nadat hij is gehoord, door HGAA worden ontslagen. Bij ontslag van de trustee moet hij worden vervangen door een nieuwe trustee. De nieuwe trustee moet worden aangesteld volgens de procedure die is omschreven in C.I. |
|
2. |
Indien de trustee wordt ontslagen, kan hem worden verzocht zijn taken te blijven uitoefenen tot een nieuwe trustee is aangesteld. De ontslagen trustee verstrekt alle relevante informatie aan de nieuwe trustee. De ontslagen trustee beëindigt zijn werkzaamheden eerst nadat hij door HGAA met instemming van de diensten van de Commissie van zijn taken is ontheven. |
2. Slotbepalingen
I. Melding van verdere steun
|
1. |
De Republiek Oostenrijk verstrekt geen verdere steun aan ondernemingen binnen het HGAA-concern die niet in het sterfhuis zijn ondergebracht, tenzij deze steun aan de prudentiële eisen voldoet en dit door de toezichthouder wordt bevestigd. De Republiek Oostenrijk meldt de Commissie voorts onmiddellijk alle verdere steunmaatregelen ten behoeve van HGAA tot de dag waarop het herstructureringsplan volledig ten uitvoer is gelegd. |
II. Beslechting van juridische geschillen
|
1. |
In geval van strijdigheid tussen de toezeggingen van Oostenrijk en de wettelijke verplichtingen van HGAA draagt Oostenrijk er zorg voor dat HGAA de trustee daarvan onverwijld mededeling doet en een alternatieve oplossing voorstelt om de strijdigheid te beëindigen. |
|
2. |
Nadat hij van HGAA een voldoende gedocumenteerde alternatieve oplossing heeft ontvangen, onderzoekt de trustee zo snel mogelijk en in overleg met de Commissie of de alternatieve oplossing passend is, gelet op de definitieve goedkeuring en de desbetreffende specifieke wettelijke verplichting van HGAA. Indien het voorstel geschikt is, treffen de diensten van de Commissie alle verdere noodzakelijke maatregelen in overeenstemming met de relevante procedures. |
III. Raadplegingsbepaling
Naar aanleiding van een voldoende gedocumenteerde aanvraag van Oostenrijk kan de Commissie in overleg met de trustee een verlenging toestaan van de termijnen die in de toezeggingen zijn opgenomen, mits binnen die termijn een zeker resultaat wordt toegezegd, of een of meer van de taken en voorwaarden uit deze toezeggingen opheffen, wijzigen of vervangen.
(1) Entiteiten die rechtstreeks onder zeggenschap van nationale of lokale overheden staan of daaraan economisch verbonden zijn.
(2) Onder „risicorelevant” wordt hetzelfde verstaan als in de Group Credit Principles. Dat zijn dus alle krediet-/leaseactiviteiten waarbij sprake is van een tegenpartijrisico en/of een delcredererisico.
(3) Hoewel blootstellingsverlengende activiteiten met een maximale looptijd van […] niet onder de restricties op nieuwe bedrijfsactiviteiten als bedoeld in 4.1.1-4.1.6 vallen, moeten bij dergelijke transacties toch het interne risicobeleid en andere relevante voorschriften van HGAA onverkort worden nageleefd.
(4) Volgens de methodiek van HGAA voor de meting van de blootstelling (Exposure Measurement Methodology) betekent dit dat het ongebruikte deel van bestaande vastgelegde kaderleningen niet als een nieuwe bedrijfsactiviteit wordt beschouwd.
|
14.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 176/38 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 16 oktober 2013
betreffende steunmaatregel nr. SA.18211 (C 25/2005) (ex NN 21/2005) verleend door Slowakije aan Frucona Košice a.s.
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 6261)
(Slechts de tekst in de Slowaakse taal is authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2014/342/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea (1),
Na de belanghebbenden overeenkomstig de hierboven aangehaalde bepaling te hebben verzocht hun opmerkingen in te dienen en gezien hun opmerkingen (2),
Overwegende hetgeen volgt:
I. PROCEDURE
1. PROCEDURE VOOR DE COMMISSIE
|
(1) |
Bij brief van 15 oktober 2004, die werd ingeschreven op 25 oktober 2004, heeft de Commissie een klacht ontvangen betreffende vermeende onwettige staatssteun aan Frucona Košice a.s. Op 3 februari 2005 heeft de klager aanvullende informatie toegezonden. Op 24 mei 2005 heeft een ontmoeting plaatsgevonden met de klager. |
|
(2) |
Op basis van de door de klager verstrekte informatie heeft de Commissie Slowakije bij brief van 6 december 2004 gevraagd informatie over de betrokken maatregel te verstrekken. Slowakije heeft geantwoord bij brief van 4 januari 2005, die werd ingeschreven op 17 januari 2005, en heeft de Commissie geïnformeerd over de mogelijk onwettige steun die aan Frucona Košice a.s. is verleend in het kader van een crediteurenakkoord. In die brief heeft het de Commissie gevraagd de steun goed te keuren als reddingssteun voor een onderneming in financiële moeilijkheden. Slowakije heeft bij brief van 24 januari 2005, die werd ingeschreven op 28 januari 2005, aanvullende informatie verstrekt. De Commissie heeft bij brief van 9 februari 2005 om aanvullende informatie verzocht. Die informatie werd ontvangen bij brief van 4 maart 2005, die werd ingeschreven op 10 maart 2005. Op 12 mei 2005 heeft een ontmoeting plaatsgevonden met de Slowaakse autoriteiten. |
|
(3) |
Bij brief van 5 juli 2005 heeft de Commissie Slowakije in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 108, lid 2, VWEU in te leiden ten aanzien van de steun. |
|
(4) |
Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure werd bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3). De Commissie heeft belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de maatregel in te dienen. |
|
(5) |
De Slowaakse autoriteiten hebben hun opmerkingen ingediend bij brief van 10 oktober 2005, die werd ingeschreven op 17 oktober 2005. De Commissie heeft van één belanghebbende (de begunstigde) opmerkingen ontvangen bij brief van 24 oktober 2005, die werd ingeschreven op 25 oktober 2005. Zij heeft die aan de Slowaakse autoriteiten toegezonden, die in de gelegenheid werden gesteld hun standpunt ter zake bekend te maken. De opmerkingen van Slowakije werden ontvangen bij brief van 16 december 2005, die werd ingeschreven op 20 december 2005. Op 28 maart 2006 heeft een ontmoeting plaatsgevonden, waarop de begunstigde haar opmerkingen kon toelichten. Slowakije heeft bij brief van 5 mei 2006, die werd ingeschreven op 8 mei 2006, aanvullende informatie verstrekt. |
|
(6) |
Op 7 juni 2006 heeft de Commissie een beschikking vastgesteld, waarbij de terugvordering van de steun werd bevolen (4). Sinds die datum is de Commissie in de loop van haar contacten met de Slowaakse autoriteiten over de tenuitvoerlegging van die beschikking, op de hoogte gebracht van het resultaat van de nationale gerechtelijke procedure over het bedrag van de schuld die in het crediteurenakkoord moet worden opgenomen. In dit besluit moet met die informatie rekening worden gehouden. |
2. PROCEDURE VOOR HET GERECHT
|
(7) |
Op 12 januari 2007 heeft Frucona Košice a.s. tegen de beschikking beroep ingesteld bij het Gerecht van de Europese Unie, waarbij zij onder meer betwistte dat de kwijtschelding van de schuld als staatssteun wordt beschouwd, omdat die volgens haar aan het beginsel van de crediteur in een markteconomie voldeed. Bij arrest van 7 december 2010 (zaak T-11/07) heeft het Gerecht de argumenten van de eiseres afgewezen en de beschikking van de Commissie bevestigd op grond van het feit dat een faillissement voor de Staat voordeliger zou zijn geweest dan het crediteurenakkoord. |
3. PROCEDURE VOOR HET HOF VAN JUSTITIE
|
(8) |
Frucona Košice a.s. heeft tegen het arrest van het Gerecht een hogere voorziening ingesteld bij het Hof van Justitie, en heeft met name aangevoerd dat het Gerecht de toepassing van het criterium van de particuliere crediteur in een markteconomie door de Commissie niet correct heeft beoordeeld en ten onrechte zijn eigen redenering in de plaats heeft gesteld van die van de Commissie wat het criterium van de particuliere schuldeiser betreft (zaak C-73/11 P). |
|
(9) |
Op 24 januari 2013 heeft het Hof van Justitie het arrest van het Gerecht vernietigd. Het Hof van Justitie heeft geconcludeerd dat de Commissie een kennelijke beoordelingsfout had gemaakt door bij haar beoordeling op grond van het criterium van de particuliere schuldeiser geen rekening te houden met de duur van een faillissementsprocedure of, voor zover zij met die factor rekening heeft gehouden, door haar beschikking niet rechtens genoegzaam te motiveren. De zaak werd terugverwezen naar het Gerecht voor een beslissing over de door de onderneming aangevoerde middelen met betrekking tot het fiscaal beslag, waarop het nog geen uitspraak had gedaan. |
4. INTREKKING
|
(10) |
Gezien het arrest van het Hof van Justitie acht de Commissie het derhalve passend de oorspronkelijke beschikking van 7 juni 2006 in te trekken en die door dit besluit te vervangen teneinde de door het Hof van Justitie vastgestelde gebreken recht te zetten. |
II. GEDETAILLEERDE BESCHRIJVING VAN DE STEUNMAATREGEL
1. DE ONDERNEMING
|
(11) |
De begunstigde van de financiële steun is Frucona Košice a.s., een onderneming die actief was op het gebied van de productie van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan, alcoholvrije dranken, in blik geconserveerde vruchten en groenten, en azijn. Na het verlies van haar vergunning zette de begunstigde de productie van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan stop. Wel bleef de begunstigde actief op de groothandelsmarkt voor gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan. De onderneming ligt in een regio die in aanmerking komt voor regionale steun in de zin van artikel 107, lid 3, onder a), VWEU. |
|
(12) |
Op het moment van de relevante feiten werkten bij de begunstigde ongeveer 200 personen. In haar opmerkingen naar aanleiding van het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft de onderneming de Commissie alle gegevens over haar omzet (inclusief accijnzen en btw) doen toekomen. Die zijn in de onderstaande tabel opgenomen. Tabel 1 Omzet in de verschillende productiesegmenten, inclusief accijnzen en btw (SKK)
|
|
(13) |
Deze gegevens verschillen sterk van de gegevens die de Commissie van de Slowaakse autoriteiten heeft ontvangen en die in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure zijn opgenomen (5). In hun reactie op de opmerkingen van de begunstigde na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure hebben de Slowaakse autoriteiten de nauwkeurigheid van bovenstaande cijfers niet aangevochten. Volgens de Slowaakse autoriteiten voldoet de begunstigde aan de criteria van een middelgrote onderneming. |
2. TOEPASSELIJKE NATIONALE WETGEVING
|
(14) |
De omstreden maatregel betreft de kwijtschelding van belastingschuld door het belastingkantoor Košice IV in het kader van een crediteurenakkoord. Wet nr. 328/91 inzake het faillissement en het crediteurenakkoord (hierna „de faillissementswet” genoemd) voorziet in die mogelijkheid. |
|
(15) |
Een crediteurenakkoord staat onder toezicht van een rechtbank en is een procedure die net als de faillissementsprocedure de financiële situatie van schuldplichtige ondernemingen wil regelen (6). In een faillissementsprocedure houdt de onderneming op te bestaan en worden haar activa verkocht aan een nieuwe eigenaar of wordt zij geliquideerd. Wanneer een crediteurenakkoord wordt getroffen, zet de onderneming met een schuldenlast haar bedrijfsactiviteiten voort en verandert zij niet van eigenaar. |
|
(16) |
De schuldplichtige onderneming initieert zelf de akkoordprocedure. Het doel is tot overeenstemming te komen met de crediteuren, waarbij de schuldplichtige onderneming een deel van haar schuld afbetaalt en de rest wordt kwijtgescholden. Het akkoord moet door de toezichthoudende rechtbank worden bekrachtigd. |
|
(17) |
Crediteuren wier vorderingen gedekt zijn, bijvoorbeeld door middel van een hypotheek, treden afzonderlijk op. Een voorstel voor een crediteurenakkoord wordt pas aanvaard als alle afzonderlijke crediteuren daarmee instemmen; voor de overige crediteuren is een gekwalificeerde meerderheid voldoende. Afzonderlijke crediteuren stemmen met andere woorden individueel en kunnen hun veto uitspreken over het voorstel. |
|
(18) |
Ook in een faillissementsprocedure hebben de afzonderlijke crediteuren een preferente positie. De vorderingen van de afzonderlijke crediteuren kunnen op elk moment in de loop van de faillissementsprocedure worden betaald en de opbrengsten van de verkoop van in pand gegeven activa in de faillissementsprocedure zijn uitsluitend bedoeld om te worden gebruikt voor de betaling van de vorderingen van de afzonderlijke crediteuren. Indien de vorderingen van de afzonderlijke crediteuren niet allemaal van de opbrengsten van die verkoop kunnen worden betaald, worden de resterende bedragen opgenomen in de tweede groep met de vorderingen van de overige crediteuren. In de tweede groep worden de crediteuren pro rata betaald. |
|
(19) |
Op grond van de faillissementswet moet een onderneming die een verzoek om een crediteurenakkoord indient de toezichthoudende rechtbank een lijst van maatregelen voorleggen voor haar reorganisatie en voor de voortzetting van de financiering van haar activiteiten na het akkoord. |
|
(20) |
Overeenkomstig wet nr. 511/92 inzake de administratie van belastingen en heffingen en tot wijziging van het stelsel van plaatselijke financiële autoriteiten (hierna „de wet op de belastingadministratie” genoemd) kan een onderneming de belastingautoriteiten om uitstel van betaling van belasting verzoeken. Over het bedrag waarvoor uitstel van betaling is aangevraagd, is rente verschuldigd en de uitgestelde schuld moet worden gedekt. |
|
(21) |
De wet op de belastingadministratie regelt ook het fiscaal beslag, dat tot doel heeft de belastingvorderingen van de overheid te dekken door de verkoop van onroerend goed, roerend goed of de onderneming als geheel. |
3. DE FEITEN
|
(22) |
In de periode november 2002-november 2003 maakte de begunstigde gebruik van de mogelijkheid waarin de wet op de belastingadministratie voorziet om voor de accijns op gedistilleerde dranken uitstel van betaling te krijgen (7). In totaal bedroeg de uitgestelde schuld 477 015 759 SKK (12,6 miljoen EUR). Alvorens met dit uitstel van betaling akkoord te gaan, dekte het belastingkantoor zoals wettelijk voorgeschreven elk van zijn vorderingen met de activa van de begunstigde. De Slowaakse autoriteiten stellen dat de waarde van die zekerheden op basis van de boekhouding van de begunstigde 397 476 726 SKK (10,5 miljoen EUR) beliep. De begunstigde voert echter aan dat de waarde van die zekerheden volgens een schatting van deskundigen eind 2003 193 940 000 SKK (5 miljoen EUR) beliep. Dit is volgens de begunstigde de waarde van de in pand gegeven activa (roerend goed, onroerend goed en vorderingen), uitgedrukt als „deskundigenprijs”. |
|
(23) |
Vanaf 1 januari 2004 werd de mogelijkheid om een verzoek om uitstel van betaling van belasting in te dienen, door de wijziging van de wet op de belastingadministratie teruggebracht tot eenmaal per jaar. De begunstigde maakte van die mogelijkheid gebruik voor de accijns van december 2003, die in januari 2004 moest worden betaald. De begunstigde kon de accijns van januari 2004 echter niet betalen en kon evenmin de betaling daarvan, op 25 februari 2004, laten uitstellen. Daardoor werd de begunstigde een schuldplichtige onderneming in de zin van de faillissementswet. Daardoor verloor de begunstigde haar vergunning voor de productie en verwerking van gedistilleerde dranken. |
|
(24) |
Op 8 maart 2004 diende de begunstigde bij de bevoegde regionale rechtbank een verzoek om een crediteurenakkoord in. Na te hebben vastgesteld dat aan alle wettelijke vereisten was voldaan, besloot de regionale rechtbank op 29 april 2004 een akkoordprocedure in te leiden. Op een bijeenkomst op 9 juli 2004 stemden de crediteuren in met het door de begunstigde voorgestelde crediteurenakkoord. Het akkoord werd op 14 juli 2004 bij besluit van de toezichthoudende regionale rechtbank bekrachtigd. |
|
(25) |
In augustus 2004 ging het belastingkantoor in beroep tegen de bekrachtiging van het crediteurenakkoord door de rechtbank. In een uitspraak van 25 oktober 2004 besloot het Hooggerechtshof dat het beroep niet ontvankelijk was en verklaarde het Hooggerechtshof de bekrachtiging van het crediteurenakkoord door de regionale rechtbank geldig en afdwingbaar met ingang van 23 juli 2004. De openbare aanklager stelde vervolgens in het kader van de buitengewone beroepsprocedure beroep in tegen het besluit van de regionale rechtbank. |
|
(26) |
De crediteuren, waaronder het belastingkantoor, kwamen met de begunstigde tot het volgende akkoord: 35 % van de schuld zou door de begunstigde binnen een maand vanaf de inwerkingtreding van het crediteurenakkoord worden terugbetaald en de resterende 65 % van de schuld zou door de crediteuren worden kwijtgescholden. Alle crediteuren werden dus gelijk behandeld. In de onderstaande tabel zijn de specifieke bedragen per crediteur uitgesplitst. Tabel 2 De schuldsituatie van de begunstigde vóór en na het crediteurenakkoord (SKK)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(27) |
De in de akkoordprocedure door het belastingkantoor ingediende vorderingen bedroegen in totaal 640 793 831 SKK (16,86 miljoen EUR) en omvatten voornamelijk niet-betaalde accijns over de periode mei 2003 — maart 2004, btw over de periode januari-april 2004, en geldboeten en rente. De door het belastingkantoor kwijtgescholden vorderingen bedroegen in totaal 416 515 990 SKK (11 miljoen EUR). Dankzij het akkoord kon het belastingkantoor 224 277 841 SKK (5,86 miljoen EUR) innen. |
|
(28) |
Het belastingskantoor trad in de akkoordprocedure als afzonderlijke crediteur op en stemde als zodanig afzonderlijk. Om tot een akkoord te komen, moest het belastingkantoor dus met het crediteurenakkoord instemmen. De preferente positie van het belastingkantoor was het gevolg van het feit dat voor enkele van zijn in het akkoord opgenomen vorderingen activa in pand waren gegeven met het oog op het uitstel van betaling van belasting dat de begunstigde in 2002-2003 had gekregen (zie punt 17). Alle andere crediteuren stemden met het voorgestelde crediteurenakkoord in. Hun vorderingen waren gewone handelsvorderingen waarvoor geen activa in pand waren gegeven. |
|
(29) |
In haar voorstel voor een crediteurenakkoord beschreef de begunstigde, zoals de faillissementswet dat voorschrijft, reorganisatiemaatregelen in verband met productie, distributie en arbeidskrachten (inclusief afvloeiingen). |
|
(30) |
Wat organisatie en arbeidskrachten betreft, plande de begunstigde de volgende maatregelen: oprichting van een universele productiegroep voor alle productieactiviteiten, reorganisatie van de vervoersfaciliteiten door buitengebruikstelling van voertuigen met een lage restwaarde en reorganisatie van handelsactiviteiten. Die maatregelen ging vergezeld met de afvloeiing van 50 werknemers in de periode van maart tot mei 2004. In dezelfde periode moesten nog eens 50 werknemers voor 60 % van het loon gaan werken. |
|
(31) |
Wat productie en techniek betreft, verklaarde de begunstigde dat, aangezien de onderneming haar vergunning voor de productie van gedistilleerde dranken was kwijtgeraakt, de betrokken productiefaciliteiten vanaf april 2004 zouden worden verhuurd. De begunstigde was van plan de productie van sommige verlieslatende niet-alcoholische dranken te verminderen of stop te zetten en verklaarde dat de invoering van een nieuw product in die categorie zou moeten worden voorafgegaan door een analyse van de rendabiliteit van de productie. |
|
(32) |
De begunstigde vermeldde ook de volgende maatregelen: de herstructurering van de kosten die zou moeten voortvloeien uit de lagere productiekosten als gevolg van de stopzetting van de productie van gedistilleerde dranken en uit de afschaffing van het eigen vervoer van de onderneming en de verkoop van oude installaties als schroot. |
|
(33) |
De begunstigde plande ook de verkoop van een administratief gebouw, een winkel en een recreatiegebouw en meldde voorts de mogelijkheid van verkoop of verhuur van de productiefaciliteit voor azijn. In hun opmerkingen over het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure hebben de Slowaakse autoriteiten bevestigd dat de verkoop van het administratief gebouw, de winkel en het recreatiegebouw niet was gerealiseerd. |
|
(34) |
De begunstigde plande een uitgebreide verkoop van haar voorraden afgewerkte producten (8). |
|
(35) |
Volgens dit voorstel zou de begunstigde het crediteurenakkoord financieren uit eigen middelen (verkoop van voorraden) ter waarde van 110 miljoen SKK en door middel van externe financiering in de vorm van een lening van een handelsbank ter hoogte van 100 miljoen SKK. Volgens de informatie die door de begunstigde is verstrekt in antwoord op de inleiding van de formele onderzoeksprocedure, werd de uitstaande schuld uiteindelijk gedekt door de opbrengst van de uitgifte van nieuwe aandelen (21 miljoen SKK oftewel 0,56 miljoen EUR), de opbrengst van de verkoop van voorraden (110 miljoen SKK oftewel 2,9 miljoen EUR) en een leverancierslening van Old Herold s.r.o. (100 miljoen SKK oftewel 2,6 miljoen EUR). De vervaldag van de facturen van Old Herold s.r.o. was 40 dagen, wat volgens de begunstigde een lange termijn was gezien de precaire financiële situatie waarin zij verkeerde. Door die latere vervaldag kon de begunstigde de nodige contanten bijeenbrengen. |
|
(36) |
Na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure hebben de Slowaakse autoriteiten de Commissie meegedeeld dat op grond van het crediteurenakkoord op 17 december 2004224 277 841 SKK aan het belastingkantoor is betaald. De Slowaakse autoriteiten hebben bevestigd dat zij de kwijtschelding van de schuld die in de akkoordprocedure was overeengekomen, hadden opgeschort in afwachting van de procedure die bij de Europese Commissie liep. |
|
(37) |
In het kader van hun contacten in verband met de uitvoering van de beschikking van de Commissie waarbij de terugvordering van de steun werd gelast, hebben de Slowaakse autoriteiten de Commissie ingelicht over het resultaat van de buitengewone beroepsprocedure (zie punt 25): bij uitspraak van 27 april 2006 had het Hooggerechtshof van Slowakije het besluit van de bevoegde regionale rechtbank van 14 juli 2004 waarbij het crediteurenakkoord werd bekrachtigd, gedeeltelijk vernietigd omdat de achterstallige wegenbelasting van 424 490 SKK ten onrechte in het crediteurenakkoord was opgenomen. Het Hooggerechtshof wees het beroep voor het overige af. Bij besluit van 18 augustus 2006 voerde de bevoegde regionale rechtbank de uitspraak van het Hooggerechtshof van 27 april 2006 uit door te verklaren dat het gecorrigeerde bedrag dat aan het belastingkantoor verschuldigd is, 640 369 341,4 SKK beloopt (35 % daarvan is 224 129 269,1 SKK). |
III. BESLUIT TOT INLEIDING VAN EEN PROCEDURE OP GROND VAN ARTIKEL 108, LID 2, VWEU
|
(38) |
In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft de Commissie betwijfeld dat de omstreden kwijtschelding geen staatssteun inhield. De Commissie heeft geconcludeerd dat het optreden van het belastingkantoor in het kader van de akkoordprocedure niet voldeed aan het criterium van de crediteur in een markteconomie. De Commissie heeft met name vastgesteld dat het belastingkantoor juridisch gezien in een andere situatie verkeerde dan de overige crediteuren, aangezien voor zijn vorderingen activa in pand waren gegeven en het fiscaal beslag kon inleiden. De Commissie heeft betwijfeld of de akkoordprocedure tot het best mogelijke resultaat voor de overheid heeft geleid in vergelijking met een faillissementsprocedure of fiscaal beslag. |
|
(39) |
De Commissie heeft vervolgens betwijfeld of de omstreden steun verenigbaar is met de interne markt. Ten eerste heeft zij betwijfeld of de steun kon worden beschouwd als reddingssteun, zoals aangevoerd door de Slowaakse autoriteiten. Reddingssteun kan alleen bestaan uit kassteun in de vorm van leninggaranties of leningen. De omstreden maatregel betreft echter de kwijtschelding van schuld, wat overeenkomt met een niet-terugvorderbare subsidie. Verder werd de steun niet verleend met het vooruitzicht dat de begunstigde een herstructureringsplan of liquidatieplan zou presenteren of de steun volledig zou terugbetalen binnen zes maanden na de toestemming voor de reddingsmaatregel. |
|
(40) |
De Commissie heeft vervolgens de verenigbaarheid van de omstreden maatregel als herstructureringssteun beoordeeld en heeft betwijfeld of de twee belangrijkste voorwaarden vervuld waren: het bestaan van een herstructureringsplan dat het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn binnen een redelijk tijdsbestek garandeert en de beperking van de steun tot het strikt noodzakelijke minimum. |
IV. OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN
|
(41) |
Behalve de onder II hierboven beschreven feiten heeft de begunstigde de volgende opmerkingen ingediend. |
|
(42) |
De begunstigde voert aan dat de oorzaak van haar financiële moeilijkheden begin 2004 de wijziging van de wet op de belastingadministratie was, waardoor de mogelijkheid om uitstel van betaling van belasting aan te vragen tot slechts eenmaal per jaar werd beperkt. Dit was een belangrijke verandering voor de begunstigde, die volgens haar eigen zeggen de voorgaande jaren op die mogelijkheid had vertrouwd. |
|
(43) |
Wat de grond van de zaak betreft, heeft de begunstigde eerst aangevoerd dat de Commissie niet bevoegd was om de omstreden maatregel te beoordelen, omdat de maatregel van kracht was geworden vóór de toetredingsdatum en na de toetreding niet langer van toepassing was. De maatregel zou vóór de toetreding van kracht zijn geworden, omdat de akkoordprocedure op 8 maart 2004 werd ingeleid en, zoals de begunstigde aanvoert, op 29 april 2004 door de rechtbank werd bekrachtigd, d.w.z. vóór Slowakije tot de Europese Unie toetrad. Voorts zouden de belastingautoriteiten in het kader van de onderhandelingen voorafgaand aan de inleiding van de akkoordprocedure te kennen hebben gegeven dat zij met het voorgestelde crediteurenakkoord instemden. In december 2003 had een bijeenkomst met het directoraat Belasting van de Slowaakse Republiek plaatsgevonden en op 3 februari 2004 zond het lokale belastingkantoor de begunstigde een brief waarin het naar verluidt de mogelijkheid bevestigde om met een crediteurenakkoord door te gaan. |
|
(44) |
De begunstigde heeft vervolgens aangevoerd dat de omstreden maatregel, zelfs indien de Commissie bleef voorhouden dat zij bevoegd was, geen staatssteun was, aangezien was voldaan aan het beginsel van de crediteur in een markteconomie. |
|
(45) |
Om te beginnen voert de begunstigde aan dat een vergelijking van het crediteurenakkoord met fiscaal beslag misleidend is, omdat de inleiding van een akkoordprocedure fiscaal beslag uitsluit of de uitvoering daarvan opschort. Fiscaal beslag was derhalve geen optie voor het belastingkantoor. Voorts voert de begunstigde aan dat als zij de akkoordprocedure niet vrijwillig had ingeleid, zij op grond van de faillissementswet na enkele weken of maanden de wettelijke verplichting zou hebben gehad een faillissementsprocedure of akkoordprocedure in te leiden. |
|
(46) |
Ten tweede voert de begunstigde aan dat het besluit van de overheid om een faillissement te voorkomen en in plaats daarvan een oplossing te zoeken door middel van een crediteurenakkoord, voldoet aan het beginsel van de crediteur in een markteconomie. Ten bewijze daarvan legt de begunstigde verklaringen voor van twee accountants en een curator, waaruit zou moeten blijken dat het belastingkantoor meer — en sneller — zou kunnen innen via een crediteurenakkoord dan via een faillissementsprocedure. De begunstigde legt ook aanvullend materiaal en statistieken voor om aan te tonen dat een faillissementsprocedure in Slowakije gemiddeld drie tot zeven jaar duurt en over het algemeen slechts een zeer beperkte opbrengst genereert uit de verkoop van activa (9). |
|
(47) |
De begunstigde baseert haar analyse hoofdzakelijk op een verslag van het accountantskantoor EKORDA van 7 juli 2004, dat het belastingkantoor naar verluidt in handen had voordat de crediteuren op 9 juli 2004 over het crediteurenakkoord stemden. Er is evenwel geen bewijs overgelegd waaruit blijkt dat dit werkelijk het geval was. |
|
(48) |
Volgens het verslag van EKORDA zou de opbrengst van de verkoop van activa in geval van faillissement in het gunstigste geval 204 miljoen SKK (5,3 miljoen EUR) bedragen en, na aftrek van diverse heffingen ter hoogte van 45 miljoen SKK, slechts 159 miljoen SKK (4,2 miljoen EUR). De begunstigde heeft zelf het bedrag gecorrigeerd van de in mindering te brengen heffingen (36 miljoen SKK) en is uitgekomen op het bedrag van 168 miljoen SKK (4,4 miljoen EUR). Ook al zou het belastingkantoor als enige afzonderlijke en verreweg grootste crediteur het leeuwendeel van die opbrengst ontvangen, dan nog zou dit minder zijn dan wat het zou ontvangen na het crediteurenakkoord. |
|
(49) |
EKORDA heeft zich bij zijn berekening gebaseerd op de boekwaarde op 31 maart 2004 van alle vaste activa, voorraden, contanten en kortetermijnvorderingen na correcties, om rekening te houden met het feit dat ze niet kunnen worden geïnd en een lage waarde hebben. EKORDA heeft de nominale waarde van de activa van de begunstigde gecorrigeerd met een „liquidatiefactor” voor elk onderdeel van de activa in geval van verkoop in een faillissementsprocedure (45 % voor vaste activa, 20 % voor voorraden en kortetermijnvorderingen, en 100 % voor contanten). |
|
(50) |
EKORDA vermeldt de toekomstige belastingopbrengsten als gevolg van de activiteiten van de begunstigde (10), alsmede de ontwikkeling van de werkgelegenheid in de regio en in de voedingsindustrie in Slowakije als zeer belangrijke factoren die pleiten voor het voortbestaan van de begunstigde. |
|
(51) |
De begunstigde vermeldt ook twee andere verslagen. Accountant Marta Kochová concludeerde dat de maximumopbrengst van de verkoop van de activa, die echter niet waren gewaardeerd, 100 miljoen EUR (2,6 miljoen EUR) zou bedragen, waarvan na aftrek van heffingen ter hoogte van 22 miljoen SKK slechts 78 miljoen SKK (2 miljoen EUR) zou overblijven. Curator Holovačová heeft naar verluidt verklaard dat zij van mening is dat een crediteurenakkoord over het algemeen gunstiger is voor de crediteuren dan een faillissement. De crediteur heeft volgens haar immers belang bij de voortzetting van de activiteiten van de debiteur (toekomstige opbrengsten van handel of belasting). |
|
(52) |
Ten derde voert de begunstigde aan dat rekening moet worden gehouden met langetermijnoverwegingen, zoals toekomstige belastingopbrengsten. Zij stelt dat de rechtspraak die sociaal-politieke overwegingen uitsluit van het beginsel van de crediteur in een markteconomie, niet van toepassing is wanneer een overheid rekening houdt met de berekening van toekomstige belastingopbrengsten (11). Volgens de begunstigde is de situatie van de overheid in dit geval analoog met de situatie van een crediteur in een markteconomie, die een leverancier is die belang heeft bij het voortbestaan van een klant. De begunstigde verwijst vervolgens naar de rechtspraak inzake het beginsel van de investeerder in een markteconomie. |
|
(53) |
De begunstigde concludeert dat is voldaan aan het beginsel van de crediteur in een markteconomie en de omstreden maatregel geen staatssteun vormt. |
|
(54) |
Mocht de Commissie niettemin tot een andere conclusie komen, voert de begunstigde aan dat de omstreden maatregel verenigbaar is als herstructureringssteun. Zij voert aan dat het belastingkantoor, alvorens in te stemmen met het crediteurenakkoord, heeft geverifieerd of het bedrijfsplan van de begunstigde de levensvatbaarheid op lange termijn kon herstellen. Het ontbreken van een formeel herstructureringsplan is volgens de begunstigde irrelevant indien de Commissie de zaak achteraf beoordeelt, omdat zij dan kan zien of de begunstigde daadwerkelijk levensvatbaar is geworden. De begunstigde is echter van mening dat in het geval van een beoordeling vooraf een gedetailleerd herstructureringsplan noodzakelijk is. Vervolgens beschrijft zij kort de verschillende herstructureringsmaatregelen die zijn genomen: verhoging van het eigen kapitaal, afvloeiingen en verkoop van voorraden. De begunstigde is van mening dat de stopzetting van de productie van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan en de verhuring van de productiefaciliteiten aan de onderneming Old Herold s.r.o. wel degelijk een herstructureringsmaatregel was. Ook al was de stopzetting van de productie oorspronkelijk het gevolg van het verlies van de vergunning, de begunstigde vroeg na het crediteurenakkoord geen nieuwe vergunning aan. |
|
(55) |
Volgens de begunstigde is ook voldaan aan het vereiste dat haar bijdrage aan de herstructurering aanzienlijk moet zijn. |
|
(56) |
Ten slotte voert de begunstigde aan dat bij de toepassing van de richtsnoeren inzake herstructureringssteun ermee rekening moet worden gehouden dat zij actief is in een steungebied en een van de grootste regionale werkgevers is. |
V. OPMERKINGEN VAN DE SLOWAAKSE REPUBLIEK
|
(57) |
In hun antwoord op de inleiding van de formele onderzoeksprocedure hebben de Slowaakse autoriteiten enkele opmerkingen gemaakt over de feiten die onder II hierboven al zijn genoemd. |
|
(58) |
De Slowaakse autoriteiten hebben bevestigd dat het belastingkantoor, op het moment dat werd gestemd over het crediteurenakkoord, geen rekening heeft gehouden met het aspect staatssteun. Het belastingkantoor beschouwde het crediteurenakkoord niet als een vorm van staatssteun en heeft de begunstigde derhalve niet verzocht een herstructureringsplan voor te leggen dat verschilt van het bedrijfsplan dat overeenkomstig de faillissementswet bij de rechtbank was ingediend. |
|
(59) |
In hun antwoord op de opmerkingen van de begunstigde hebben de Slowaakse autoriteiten de volgende opmerkingen gemaakt. |
|
(60) |
De Slowaakse autoriteiten achten de opmerkingen van de begunstigde over de gemiddelde lengte van de faillissementsprocedure en de gemiddelde opbrengst van de verkoop van activa in een faillissementsprocedure in deze zaak niet relevant. Gezien het geringe aantal crediteuren en de aanwezigheid van activa met een positieve liquidatiewaarde die groter was dan het bedrag dat na het crediteurenakkoord aan de overheid is betaald, had een faillissementsprocedure volgens hen in een kortere periode dan gemiddeld kunnen worden afgerond en was de opbrengst voor het belastingkantoor hoger geweest dan met het crediteurenakkoord. Het plaatselijke belastingkantoor verrichtte op 21 juni 2004 een controle bij de onderneming en stelde vast dat de begunstigde op 17 juni 2004 beschikte over 161,3 miljoen SKK aan contanten, vorderingen voor een bedrag van 62,8 miljoen SKK, voorraden gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan ter waarde van 84 miljoen SKK en vaste activa met een boekwaarde van 200 miljoen SKK. |
|
(61) |
De Slowaakse autoriteiten zijn van mening dat fiscaal beslag een echt alternatief was voor het belastingkantoor. Zij bevestigen dat het belastingkantoor die procedure kon inleiden voorafgaand aan het crediteurenakkoord, en dat ook had gekund als de rechtbank had geweigerd om het crediteurenakkoord te bekrachtigen (aangezien het belastingkantoor als afzonderlijke crediteur niet over het crediteurenakkoord moest stemmen). |
|
(62) |
De Slowaakse autoriteiten zijn het oneens met de bewering van de begunstigde dat haar financiële moeilijkheden te wijten waren aan de wijziging van de wet op de belastingadministratie. Volgens hen waren de financiële moeilijkheden van de begunstigde te wijten aan haar financiële strategie om de indirecte belastingen voor haar activiteiten aan te wenden, terwijl zij verondersteld was de belastingen bij haar klanten te innen en onmiddellijk aan de overheidsbegroting over te maken. |
|
(63) |
De Slowaakse autoriteiten zijn het er niet mee eens dat de bijeenkomst met het directoraat Belasting in december 2003 een bewijs is van de preliminaire instemming van het belastingkantoor met het crediteurenakkoord. Zij hebben een brief van 6 juli 2004 van het directoraat Belasting aan het belastingkantoor overgelegd, waarbij dit de instructie kreeg niet in te stemmen met het door de begunstigde voorgestelde crediteurenakkoord, omdat dit ongunstig was voor de overheid. In die brief werd verwezen naar een andere, algemenere brief van 15 januari 2004 van de minister van Financiën aan het belastingkantoor, waarbij dit de instructie kreeg niet in te stemmen met voorstellen voor crediteurenakkoorden die erop zouden neerkomen dat de belastingautoriteiten belastingschulden kwijtscholden. Voorts interpreteren de Slowaakse autoriteiten de brief van 3 februari 2004, waarnaar de begunstigde verwijst (zie punt 43), als een uitdrukkelijke afwijzing van het crediteurenakkoord wat de betaling van 35 % betreft. |
|
(64) |
De Slowaakse autoriteiten voeren aan dat de begunstigde in de periode januari 2001 tot en met maart 2004 de accijnzen niet tijdig had betaald, en dat zij regelmatig uitstel van betaling van belasting kreeg. |
|
(65) |
Volgens de Slowaakse autoriteiten rijst er door de grote verschillen tussen de ramingen in de verslagen van de twee accountants (zie de punten 48 en 51) twijfel over de geloofwaardigheid van beide verslagen. Zij hebben met name bedenkingen bij de liquidatiefactor die door EKORDA aan de vlottende activa wordt toegewezen. Die factor zou hoger moeten zijn dan 20 %. |
|
(66) |
Ten slotte had de begunstigde volgens de Slowaakse autoriteiten geen levensvatbaar herstructureringsplan opgesteld en konden de maatregelen die in het kader van het crediteurenakkoord werden voorgesteld, niet als herstructureringsmaatregelen worden beschouwd. |
VI. BEOORDELING
1. BEVOEGDHEID VAN DE COMMISSIE
|
(67) |
Aangezien enkele van de relevante gebeurtenissen plaatsvonden vóór de toetreding van Slowakije tot de Europese Unie op 1 mei 2004, moet de Commissie eerst nagaan of zij bevoegd is op te treden met betrekking tot de omstreden maatregel. |
|
(68) |
Maatregelen die vóór de toetreding van kracht geworden zijn en na de toetreding niet meer van toepassing zijn, kunnen niet door de Commissie worden onderzocht in het kader van de procedure betreffende het overgangsmechanisme, bedoeld in punt 3 van bijlage IV bij het Toetredingsverdrag, of in het kader van de in artikel 108 VWEU bedoelde procedures. De Commissie heeft op grond van het Toetredingsverdrag of het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie de verplichting noch de bevoegdheid dat te doen. |
|
(69) |
Maatregelen die na de toetreding van kracht worden, vallen echter duidelijk wel onder de bevoegdheid van de Commissie. Om het tijdstip te bepalen waarop een maatregel van kracht is geworden, is het criterium het juridisch bindende besluit waarbij de bevoegde nationale autoriteit zich verbindt tot de verlening van steun (12). |
|
(70) |
De begunstigde heeft aangevoerd dat de omstreden maatregel vóór de toetreding van kracht werd en daarna niet langer van toepassing was (zie punt 43). |
|
(71) |
De Commissie wijst de door de begunstigde aangevoerde argumenten af. Het voorstel om de akkoordprocedure in te leiden is geen handeling van de steunverlenende autoriteit, maar een handeling van de begunstigde. Ook het besluit van de rechtbank om de akkoordprocedure in te leiden, is geen handeling van de steunverlenende autoriteit. Het besluit van de rechtbank betekende dat de begunstigde en haar crediteuren hun onderhandelingen over het crediteurenakkoord konden voortzetten, maar geldt zeker niet als de verlening van de steun. Er is geen bewijs dat het directoraat Belasting op de bijeenkomst in december 2003 met de omstreden maatregel zou hebben ingestemd. De Slowaakse autoriteiten hebben die preliminaire instemming zelfs ontkend. De brief van 3 februari 2004 is uitdrukkelijk wat betreft de afwijzing van het voorstel 35 % te betalen. |
|
(72) |
Het besluit van de bevoegde autoriteit een deel van haar vorderingen kwijt te schelden, werd op 9 juli 2004 genomen, toen het belastingkantoor instemde met het door de begunstigde voorgestelde crediteurenakkoord. |
|
(73) |
De vraag of de maatregel na de toetreding van toepassing is, speelt dan ook geen rol meer. |
|
(74) |
De Commissie concludeert derhalve dat zij bevoegd is om de omstreden maatregel aan artikel 108 VWEU te toetsen. |
2. BESTAAN VAN STAATSSTEUN IN DE ZIN VAN ARTIKEL 107, LID 1, VWEU
|
(75) |
Overeenkomstig artikel 107, lid 1, VWEU zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt. |
|
(76) |
Kwijtschelding van een schuld aan een overheid, zoals een belastingkantoor, is een vorm van bekostiging met staatsmiddelen. Aangezien een individueel bedrijf hiervan profiteert, is de maatregel selectief. |
|
(77) |
Tot aan de gebeurtenissen die tot de insolventieprocedure aanleiding gaven, was de begunstigde actief op het gebied van de productie van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan, alcoholvrije dranken en in blik geconserveerde vruchten en groenten. In 2003 was de begunstigde de derde grootste producent van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan in Slowakije. Na het verlies van de vergunning voor de productie van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan in maart 2004 was de begunstigde actief in de groothandel van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan die door een andere onderneming, Old Herold s.r.o., waren geproduceerd in productiefaciliteiten die zij van de begunstigde huurt. In alle segmenten waarin de begunstigde voorafgaand aan het crediteurenakkoord actief was en waarin zij op dit moment actief is, is er handelsverkeer tussen de lidstaten. |
|
(78) |
In haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure betwijfelde de Commissie of de maatregel de mededinging vervalste of dreigde te vervalsen doordat de begunstigde een voordeel ontving dat zij normaal gezien niet in een marktsituatie had kunnen verkrijgen. De Commissie betwijfelde met andere woorden of de overheid zich ten aanzien van de begunstigde als een crediteur in een markteconomie had gedragen. |
|
(79) |
Er werd vastgesteld dat in het crediteurenakkoord dezelfde schuldregelingsvoorwaarden waren opgenomen voor de particuliere crediteuren als voor het belastingkantoor. De crediteuren moesten tegen een bepaalde datum 35 % van de schuld terugkrijgen en de begunstigde heeft zich aan die verplichting gehouden. De overige 65 % werd kwijtgescholden. |
|
(80) |
In deze zaak was de positie van het belastingkantoor als crediteur echter ongebruikelijk sterk en kan die niet worden gelijkgesteld met de positie van een typische crediteur in een faillissementsprocedure. De juridische en economische situatie van het belastingkantoor was voorafgaand aan het crediteurenakkoord gunstiger dan die van de particuliere crediteuren. Niet alleen was het belastingkantoor met meer dan 99 % van alle vorderingen die in de faillissementsprocedure zijn ingediend, duidelijk de dominante en doorslaggevende crediteur, het was ook — en dit is nog belangrijker — een afzonderlijke crediteur. Zijn vorderingen konden derhalve op elk moment in de loop van de faillissementsprocedure worden betaald met de opbrengsten van de verkoop van de in pand gegeven activa: zoals gezegd in punt 18 hierboven, zouden die opbrengsten uitsluitend worden gebruikt om de vorderingen van de afzonderlijke crediteur te betalen. Er moet derhalve in detail worden onderzocht of het belastingkantoor alle voor hem beschikbare middelen heeft benut om een zo hoog mogelijke betaling van zijn vorderingen te verkrijgen, zoals een crediteur in een markteconomie zou doen. |
|
(81) |
Er is niet voldaan aan de voorwaarden om een maatregel onder het begrip steun in de zin van artikel 107 VWEU te doen vallen, wanneer de begunstigde onderneming hetzelfde voordeel had kunnen genieten als het voordeel dat met staatsmiddelen ter beschikking is gesteld, onder met normale marktomstandigheden overeenkomende omstandigheden (13). Die beoordeling gebeurt in beginsel aan de hand van het criterium van de particuliere crediteur in een markteconomie. Betalingsfaciliteiten voor een schuld die door een publieke crediteur aan een onderneming worden toegekend, vormen staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU, wanneer gelet op de omvang van het daaruit voortvloeiende economische voordeel de begunstigde onderneming kennelijk geen vergelijkbare faciliteiten zou hebben gekregen van een particuliere crediteur wiens situatie die van een publieke crediteur het dichtst benadert en die betaling wenst te verkrijgen van de bedragen die hem verschuldigd zijn door een debiteur met financiële moeilijkheden (14). |
|
(82) |
De toepasselijkheid van het criterium van de particuliere marktdeelnemer hangt uiteindelijk af van de vraag of de betrokken lidstaat, anders dan in zijn hoedanigheid van overheid, aan een onderneming een economisch voordeel heeft toegekend. Hieruit volgt dat zo een lidstaat in de administratieve procedure op dat criterium een beroep doet, hij bij twijfel ondubbelzinnig en op basis van objectieve en controleerbare gegevens moet aantonen dat hij de maatregel in zijn hoedanigheid van particuliere marktdeelnemer ten uitvoer heeft gelegd. Uit die gegevens moet duidelijk blijken dat de betrokken lidstaat vóór of tegelijk met de toekenning van het economische voordeel heeft beslist om te handelen zoals hij deed. Daartoe kan het noodzakelijk zijn gegevens over te leggen waaruit blijkt dat die beslissing is genomen op grond van economische ramingen die te vergelijken zijn met die welke een rationele particuliere marktdeelnemer die zich in een situatie bevindt die zo dicht mogelijk die van de lidstaat benadert, in de concrete omstandigheden zou hebben gemaakt. Economische ramingen die na de toekenning van het voordeel zijn gemaakt of de vaststelling achteraf dat het door de betrokken lidstaat gekozen optreden daadwerkelijk winstgevend is geweest of naderhand aangevoerde rechtvaardigingen voor de keuze van het optreden kunnen echter niet volstaan (15). |
|
(83) |
Kort gezegd voert de Slowaakse Republiek aan dat de maatregel haars inziens staatssteun vormt. Zij erkent dat de vraag of er al dan niet sprake was van staatssteun, bij het crediteurenakkoord eenvoudigweg niet aan de orde is gesteld en vraagt dat de omstreden maatregel als reddingssteun wordt behandeld. Het blijkt derhalve dat de voorwaarden van de hierboven aangehaalde rechtspraak in deze zaak niet zijn vervuld en de omstreden maatregel vormt staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
|
(84) |
Het is de begunstigde die aanvoert dat de maatregel geen steun inhoudt en daartoe de hierboven genoemde documenten overlegt, met name verslagen van twee accountants. |
|
(85) |
Op basis van de door de begunstigde en de Slowaakse autoriteiten verstrekte informatie heeft de Commissie de volgende feiten op een rij gezet met betrekking tot de financiële situatie van de begunstigde in het betrokken jaar, voor zover die relevant is voor de toepassing van het beginsel van de crediteur in een markteconomie. De cijfers per 31 maart 2004 die door de begunstigde zijn verstrekt en de cijfers per 17 juni 2004 die door de Slowaakse autoriteiten zijn verstrekt, kunnen door de Commissie niet in de boekhouding van de begunstigde worden gecontroleerd. De Commissie heeft echter geen reden om te twijfelen aan de juistheid van deze cijfers. Tabel 3 Financiële situatie van de begunstigde 2003-2004 (miljoen SKK)
|
|
(86) |
De Commissie zal eerst het bewijs onderzoeken dat door de begunstigde is overgelegd ter ondersteuning van haar standpunt dat het belastingkantoor in het geval van een faillissementsprocedure slechter af was geweest dan bij een crediteurenakkoord (punt 2.1). De Commissie zal vervolgens de situatie ten opzichte van fiscaal beslag onderzoeken (punt 2.2). Ten slotte zal de Commissie het andere bewijs onderzoeken dat door de Slowaakse autoriteiten en de begunstigde is overgelegd (punt 2.3). |
|
(87) |
Zoals gezegd in punt 37 is het bedrag van de schuld die in het crediteurenakkoord moet worden opgenomen, verminderd als gevolg van de buitengewone beroepsprocedure. Die uitspraak kwam echter verschillende jaren na de beslissing aan het crediteurenakkoord deel te nemen. Ten behoeve van de toetsing aan het criterium van de crediteur in een markteconomie blijft de informatie die beschikbaar was op het moment waarop een hypothetische crediteur zou hebben beoordeeld welk optreden het meest aangewezen was, de norm waaraan het gedrag van de publieke crediteur moet worden gemeten. In de onderstaande analyse worden daarom de cijfers van het op 23 juli 2004 gesloten crediteurenakkoord gebruikt. |
2.1. Vergelijking crediteurenakkoord/faillissementsprocedure
|
(88) |
Om te beoordelen of er daadwerkelijk een voordeel aan de begunstigde is toegekend, moet de Commissie een globale beoordeling verrichten rekening houdend met alle gegevens van de zaak op basis waarvan kan worden uitgemaakt of de begunstigde onderneming kennelijk vergelijkbare faciliteiten niet van een particuliere crediteur zou hebben gekregen (24). De Commissie moet met andere woorden onderzoeken of het belastingkantoor beter af was door de in het kader van het crediteurenakkoord voorgestelde voorwaarden te aanvaarden dan wel of het voordeliger was geweest om een faillissementsprocedure in te leiden. |
|
(89) |
De Commissie is van oordeel dat het verslag van EKORDA geen geloofwaardige basis is voor de vergelijking van het voorgestelde crediteurenakkoord met een hypothetische faillissementsprocedure. De Slowaakse autoriteiten zijn het op dit punt met de Commissie eens. |
|
(90) |
Om te beginnen merkt de Commissie op dat EKORDA in zijn verslag van 7 juli 2004 (slechts twee dagen vóór de bijeenkomst van crediteuren) voor zijn berekeningen is uitgegaan van de activa van de begunstigde per 31 maart 2004. Uit tabel 3 blijkt dat de omvang van verschillende activa na 31 maart 2004 aanzienlijk is veranderd. Met name is een aanzienlijk deel van de voorraden verkocht, waardoor de contanten zijn toegenomen. Die veranderingen zijn van groot belang bij de toepassing van de liquidatiefactoren, die variëren van 20 % voor voorraden en kortetermijnvorderingen tot 100 % voor contanten. Immers, zelfs als de door EKORDA geraamde liquidatiefactoren correct waren geweest (wat de Commissie betwist om de hieronder toegelichte redenen) en de door EKORDA gebruikte methodiek was gevolgd, is in onderstaande tabel te zien wat de uitkomst zou zijn geweest als de berekening van EKORDA was gebaseerd op de cijfers van 28 april 2004 en 17 juni 2004, dat wil zeggen nog vóór de bijeenkomst van crediteuren op 9 juli 2004. Tabel 4 Vergelijking van de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde in een faillissementsprocedure (miljoen SKK)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(91) |
Opgemerkt zij dat in het door de begunstigde aan de rechtbank voorgelegde bedrijfsplan de verkoop van de voorraden voor 110 miljoen SKK voor de periode maart-mei 2004 gepland was. EKORDA moet zich dan ook hebben gerealiseerd dat de activa van de begunstigde fors zouden veranderen na 31 maart 2004, maar heeft daarmee geen rekening gehouden. |
|
(92) |
Als met de boekwaarde van de activa van de begunstigde per 28 april 2004 rekening was gehouden, zou de conclusie zijn geweest dat de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde in een faillissementsprocedure hoger zou zijn geweest dan in de raming in het verslag (238 miljoen SKK oftewel 6,3 miljoen EUR in plaats van 204 miljoen SKK oftewel 5,3 miljoen EUR). Op basis van een analyse met de cijfers van juni 2004 zou de conclusie duidelijk zijn dat de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde in een faillissementsprocedure (275 miljoen SKK oftewel 7,2 miljoen EUR) hoger zou zijn geweest dan wat in het crediteurenakkoord werd voorgesteld, en dat het belastingkantoor zijn vetorecht had moeten gebruiken en het voorstel had moeten afwijzen waardoor het crediteurenakkoord zou worden beëindigd. De Commissie wil er opnieuw op wijzen dat de bovenstaande resultaten werden verkregen aan de hand van de veronderstellingen en de methodiek van EKORDA. |
|
(93) |
De Commissie kan de door EKORDA gebruikte methodiek echter niet aanvaarden en vindt de veronderstellingen van de begunstigde niet geloofwaardig. Die conclusie wordt versterkt door de twijfel van de Slowaakse autoriteiten, die in de punten 60 en 65 zijn beschreven. |
|
(94) |
Om te beginnen legt EKORDA in zijn verslag niet uit hoe het de drie liquidatiefactoren heeft vastgesteld. Het doel van de liquidatiefactoren is de berekening van de restwaarde van activa die in een faillissementsprocedure worden verkocht, rekening houdend met de aard van de verkoop, bv. activa die apart worden verkocht, onder tijdsdruk enz. Er wordt daarom aangenomen dat de opbrengst van activa in een liquidatieverkoop doorgaans lager is dan de boekwaarde, afhankelijk van het type actief. De verhouding tussen de opbrengst van de activa in een liquidatie en de boekwaarde is de liquidatiefactor. |
|
(95) |
Voorts lijkt de liquidatiefactor van 45 % voor niet-vlottende activa te laag. Volgens de begunstigde zelf bedroeg de waarde van haar activa die ten gunste van het belastingkantoor in pand waren gegeven, 194 miljoen SKK (28). Die waarde is volgens de begunstigde uitgedrukt in prijzen geraamd door onafhankelijke deskundigen bij de jaarwisseling 2003/begin 2004. Volgens de Commissie zou dit soort „deskundigenprijs” normaal gezien de algemene waarde van het actief moeten uitdrukken, een schatting van de prijs waarvoor het actief op een bepaald ogenblik kan worden verkocht. Er moet aan worden herinnerd dat de deskundigenwaarde van die activa werd vastgesteld om hun waarde te bepalen als zekerheid voor de Slowaakse autoriteiten in verband met het uitstel van betaling van belasting van de begunstigde, zoals door de wet op de belastingadministratie wordt voorgeschreven. EKORDA verduidelijkt niet waarom de verkoop van de niet-vlottende activa in een faillissementsprocedure slechts 45 % van hun boekwaarde van 205 miljoen SKK zou opbrengen, terwijl de begunstigde zelf die activa veel hoger waardeert. |
|
(96) |
Wat betreft het argument van de begunstigde dat een koper moeilijk te vinden zou zijn, omdat de meeste in pand gegeven machines alleen geschikt waren voor de productie van gedistilleerde dranken, dranken op basis daarvan, alcoholvrije dranken of conserven, heeft de Commissie de volgende twee opmerkingen. Ten eerste moet worden opgemerkt dat de „deskundigenprijs” van de in pand gegeven onroerende goederen 105 miljoen SKK bedroeg, wat op zich al hoger is dan de totale opbrengst volgens de raming van EKORDA (92 miljoen SKK). Ten tweede laten de feitelijke ontwikkelingen in de onderneming zien dat voor enkele van die productiefaciliteiten snel een nieuwe gebruiker werd gevonden, namelijk Old Herold s.r.o. Toen de begunstigde haar vergunning voor de productie van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan verloor, werden haar productiefaciliteiten immers aan Old Herold verhuurd. Het lijkt er dan ook op dat een concurrent belangstelling voor die productiefaciliteiten had. |
|
(97) |
Wat de voorraden betreft, zijn de Slowaakse autoriteiten zelf van mening dat de liquidatiefactor hoger zou moeten zijn dan 20 %. |
|
(98) |
De begunstigde kon uit de verkoop van haar voorraden in 2004 110 miljoen SKK ontvangen (zie punt 35), d.w.z. meer dan 50 % van de boekwaarde van de voorraden waarop EKORDA zijn beoordeling baseerde. Dit wijst er sterk op dat de liquidatiefactor van 20 % te laag was. De veranderingen in de balans in 2004 met betrekking tot de voorraden ondersteunen die conclusie. Daarnaast raamde de begunstigde zelf in haar bedrijfsplan de opbrengst van de verkoop van de voorraden in de periode maart-mei 2004 op 110 miljoen SKK (zie punt 35). EKORDA heeft die raming buiten beschouwing gelaten. Ten slotte is het, gezien de aard van de activiteiten van de begunstigde, aannemelijk dat de voorraden vooral eindproducten of halffabricaten omvatten, die direct hadden kunnen worden verkocht aan distributeurs of consumenten, wat verder aantoont dat een hogere liquidatiefactor moet worden gebruikt. |
|
(99) |
De Commissie is van oordeel dat de liquidatiefactor voor de voorraden 52 % zou moeten zijn. Dit cijfer is gebaseerd op de raming van de begunstigde van de opbrengst die zij zou ontvangen van de verkoop van de voorraden met het oog op de financiering van het crediteurenakkoord (d.w.z. 110 miljoen EUR). Rekening houdend met de boekwaarde op dat ogenblik (209 miljoen SKK) was de enige mogelijke liquidatiefactor voor de voorraden derhalve ten minste 52 % (52 % van 209 miljoen zijnde 110 miljoen). |
|
(100) |
Wat de kortetermijnvorderingen betreft, paste EKORDA een dubbele correctie toe. Ten eerste corrigeerde hij hun boekwaarde met een factor van 59 % (de boekwaarde was 166 miljoen EUR en de door EKORDA in zijn berekeningen gebruikte waarde was 98 miljoen SKK) en vervolgens paste het de lage liquidatiefactor van 20 % toe. Bij die methodiek kunnen vraagtekens worden geplaatst. Het kan acceptabel zijn om de boekwaarde van de vorderingen te corrigeren om hun feitelijke waarde op een bepaald tijdstip uit te drukken. EKORDA licht echter niet toe waarom de opbrengst in het geval van faillissement/liquidatie slechts een vijfde zou zijn (20 miljoen SKK) van wat de begunstigde zelf geloofde te kunnen ontvangen van haar debiteuren (98 miljoen SKK). |
|
(101) |
De boekwaarde van de kortetermijnvorderingen op basis van de cijfers van maart 2004 (166 miljoen SKK) was door EKORDA gecorrigeerd tot 98 miljoen SKK om rekening te houden met vorderingen die niet kunnen worden geïnd of van lage kwaliteit zijn. Daarnaaste paste EKORDA echter een liquidatiefactor van slechts 20 % op de gecorrigeerde boekwaarde toe. Als de door EKORDA toegepaste factor van 59 % voor de correctie van de boekwaarde van de kortetermijnvorderingen wordt toegepast op de boekwaarde op basis van de cijfers van juni 2004 (63 miljoen SKK), bedraagt het resultaat 37 miljoen SKK. Volgens de informatie van de Slowaakse autoriteiten waren er echter uitvoerbare vorderingen ten belope van 63 miljoen SKK. Het is dan ook de vraag of correctie van hun boekwaarde echt noodzakelijk is. |
|
(102) |
In elk geval is er geen duidelijke reden waarom de liquidatiewaarde nog lager zou moeten zijn dan het gecorrigeerde cijfer. De Commissie is dan ook van oordeel dat de verwachte opbrengst van de kortetermijnvorderingen zeker niet lager is dan het gecorrigeerde cijfer van 37 miljoen SKK. |
|
(103) |
Gelet op het bovenstaande heeft de Commissie de ramingen van EKORDA gecorrigeerd en een nieuwe beoordeling gemaakt aan de hand van de cijfers van juni 2004. Uit die beoordeling blijkt duidelijk dat de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde in een faillissementsprocedure veel hoger zou zijn geweest dan de geraamde opbrengst in het verslag van EKORDA. De cijfers zijn samengevat in onderstaande tabel. Tabel 5 Vergelijking van de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde in een faillissementsprocedure/Cijfers van EKORDA vergeleken met de gecorrigeerde cijfers van de Commissie (miljoen SKK)
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(104) |
Volgens de opmerkingen van de begunstigde in verband met het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure zouden de kosten van een faillissementsprocedure 18 % van de geraamde waarde van de opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde in die procedure belopen. Dit is de volgens de begunstigde een passend tarief gelet op het verslag van de Wereldbank van 2004 (33). Als dit percentage wordt toegepast op de gecorrigeerde waarde van de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde, zoals door de Commissie vastgesteld, zouden de kosten van een faillissementsprocedure dan ook 78,3 miljoen SKK belopen. Als dit bedrag wordt afgetrokken van de gecorrigeerde opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde, is het resultaat hoger dan het bedrag dat het belastingkantoor in het kader van het crediteurenakkoord heeft ontvangen (435 miljoen min 78,3 miljoen = 356,7 miljoen SKK; in het kader van het crediteurenakkoord was het bedrag van 224,3 miljoen SKK overeengekomen). |
|
(105) |
Zoals aangegeven in tabel 5 was de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde 435 miljoen SKK. Rekening houdend met het feit dat het belastingkantoor bijna 100 % van de opbrengst van de verkoop zou hebben ontvangen (34), zou het belastingkantoor zelfs met faillissementskosten van bijna 18 % van die opbrengst — zoals door de begunstigde wordt aangevoerd — nog altijd 132,4 miljoen SKK meer hebben ontvangen dan uit het crediteurenakkoord. |
|
(106) |
Bovendien zou zelfs bij toepassing van de erg lage liquidatiefactoren van EKORDA op de waarde van de activa van de begunstigde in juni 2004 de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van die activa (na aftrek van de kosten van een faillissementsprocedure van -18 %) 225,5 miljoen SKK zijn, wat nog altijd hoger dan het bedrag waarmee het belastingkantoor in het kader van het crediteurenakkoord heeft ingestemd (35). |
|
(107) |
Ten slotte zij opgemerkt dat de Slowaakse autoriteiten de bewering van de begunstigde dat het belastingkantoor vóór de bijeenkomst van crediteuren op 9 juli 2004 over het verslag van EKORDA beschikte en dat als basis voor zijn besluit kon hebben gebruikt, niet onderschrijven. Het belastingkantoor beschikte echter wel over de resultaten van zijn eigen inspectie van juni 2004, waaruit bleek dat Frucona heel wat activa bezat, zoals aangegeven in tabel 3. Op basis van die gegevens gaf het directoraat Belasting in een brief van 6 juli 2004 het plaatselijk belastingkantoor de instructie niet in te stemmen met het door de begunstigde voorgestelde crediteurenakkoord, omdat dit ongunstig was voor de overheid. |
|
(108) |
De overige door de begunstigde verstrekte deskundigenverslagen voldeden niet aan de vereiste norm om aan te tonen dat aan het criterium van de crediteur in een markteconomie is voldaan. In geen van de verslagen wordt met name aangegeven op welke basis de soms uitzonderlijk lage liquidatiefactoren werden vastgesteld. Voorts kan met betrekking tot het verslag van mevrouw Kochová, waarvan de conclusies duidelijk afwijken van de conclusies van EKORDA, worden vastgesteld dat het niet duidelijk is voor welk doel dit verslag is opgesteld en op welke periode en aannamen het is gebaseerd. In het verslag van curator Holovačová staat alleen maar dat een crediteurenakkoord over het algemeen gunstiger is voor de crediteuren dan een faillissementsprocedure. Niets van de informatie in die twee verslagen kan dan ook worden gebruikt om de stelling van de begunstigde dat aan het criterium van een crediteur in een markteconomie is voldaan, te ondersteunen of te weerleggen. |
|
(109) |
Wat de argumenten met betrekking tot de duur van een faillissementsprocedure betreft, moet daarnaast rekening worden gehouden met de omstandigheden van deze zaak wanneer wordt nagegaan welk effect de mogelijke duur van een faillissementsprocedure kan hebben op het besluitvormingsproces van een hypothetische particuliere crediteur. |
|
(110) |
Het feit dat de overheid zich in vergelijking met de andere crediteuren in een preferente positie bevond, omdat haar schuld gewaarborgd was door de niet-vlottende activa van de begunstigde, is een ander belangrijk aspect in deze zaak. In het arrest Hamsa heeft het Hof bevestigd dat de hoedanigheid van preferente crediteur een factor waarmee rekening moet worden gehouden bij de toepassing van het criterium van een particuliere crediteur (36). Overeenkomstig artikel 31, lid 1, onder e), van de faillissementswet kunnen de vorderingen van een afzonderlijke crediteur op elk moment in de loop van de faillissementsprocedure worden voldaan uit de opbrengst van de verkoop van de activa die de waarborg vormen. Gelet op de activa die ten gunste van het belastingkantoor in pand waren gegeven, was de globale duur van een faillissementsprocedure volgens de Commissie dan ook irrelevant, omdat die vorderingen konden worden voldaan ongeacht de vooruitgang van de faillissementsprocedure. |
|
(111) |
Zelfs wanneer rekening wordt gehouden met de waarde die aan de door de begunstigde in pand gegeven activa was toegekend, had het belastingkantoor snel betaling kunnen ontvangen door de verkoop van de in pand gegeven activa van ten minste 194 miljoen SKK of 86 % van het in het crediteurenakkoord voorgestelde bedrag. Alleen als er een mogelijkheid bestond dat het niet het volledige bedrag zou ontvangen dat in het crediteurenakkoord was afgesproken, had het belastingkantoor moeten nagaan of het de moeite waard was om het einde van de faillissementsprocedure af te wachten. Bovendien zou het belastingkantoor dan bij de definitieve verdeling onder de crediteuren ongeveer 99 % van de opbrengst van de overblijvende activa hebben ontvangen (185 miljoen SKK in het slechtste geval, d.w.z. bij toepassing van de liquidatiefactoren van EKORDA; zie tabel 4). Het had het belastingkantoor duidelijk moeten zijn dat het aldus geïnde bedrag zeker hoger zou zijn geweest dan het bedrag dat in het kader van het crediteurenakkoord werd aangeboden en dat slechts op een klein deel van dat totaal langer had moeten worden gewacht dan in vergelijking met het crediteurenakkoord. |
|
(112) |
Er kan dan ook worden geconcludeerd dat de informatie betreffende de duur van een faillissementsprocedure in Slowakije het besluit van een hypothetische particuliere crediteur niet aanzienlijk zou hebben beïnvloed. |
|
(113) |
In elk geval had de begunstigde ten tijde van het crediteurenakkoord: i) een erg laag aantal crediteuren en ii) activa in bezit met een liquidatiewaarde die hoger was dan het bedrag waarmee de overheid in het crediteurenakkoord had ingestemd (uit tabel 5 blijkt dat de vermoedelijke opbrengst van de verkoop van de niet in pand gegeven activa alleen al 241 miljoen SKK bedroeg). |
|
(114) |
Er waren slechts vijf crediteuren bij het crediteurenakkoord betrokken, wat een laag aantal is. Vier daarvan waren particuliere crediteuren en hun aandeel in de totale schuld beliep slechts 0,6 % (3 797 608 SKK van 644 166 949 SKK) (zie tabel 2). De overheid was dan ook de grootste crediteur met 99,4 % van de totale vorderingen. Door die omstandigheden zou het risico van verdeeldheid onder de crediteuren aanzienlijk minder groot zijn en zou de duur van de faillissementsprocedure dan ook waarschijnlijk korter zijn. |
|
(115) |
In verband met het argument van de begunstigde op basis van een verslag van de Wereldbank, „Doing business in 2004”, dat een faillissementsprocedure in Slowakije gemiddeld 4,8 jaar duurt, zij opgemerkt dat het verslag verwijst naar een algemene indicator inzake het sluiten van een onderneming, waarin rekening is gehouden met de globale duur van een faillissementsprocedure en met de bevoegdheden van de rechtbank in een faillissementsprocedure. Die duur is niet volledig hetzelfde als de gemiddelde duur van een faillissementsprocedure. De Slowaakse autoriteiten hebben zelf aangevoerd dat gelet op de omstandigheden van deze zaak, de duur van de faillissementsprocedure korter zou zijn geweest dan gemiddeld (zie punt 60). Die beoordeling door de Slowaakse autoriteiten is bijzonder relevant gelet op het feit dat de betrokken procedure volgens de Slowaakse faillissementswet en -praktijken zou zijn gevoerd. De Slowaakse regering was bovendien zelf crediteur van de begunstigde. |
|
(116) |
Daarnaast loopt de duur van de faillissementsprocedure in de door de begunstigde verstrekte verslagen sterk uiteen, gaande van twee tot zes jaar (37). De beoordelingen van de duur van de faillissementsprocedure in Slowakije die de begunstigde bij de Commissie heeft ingediend, waren dan ook veralgemeningen, waarin geen rekening werd gehouden met de specifieke kenmerken van deze zaak. Sommige van die beoordelingen waren bij benadering gegeven en spraken elkaar in zekere mate tegen. |
|
(117) |
Aangaande het specifieke voorbeeld van een Slowaakse onderneming in dezelfde sector als de begunstigde wier faillissementsprocedure meer dan vijf jaar duurde, zij opgemerkt dat de begunstigde niet heeft aangetoond hoe dat voorbeeld met deze zaak verband houdt, en met name of die onderneming in een zelfde of erg gelijkende juridische en materiële situatie als de begunstigde verkeerde (38). Omdat de begunstigde één grote preferente crediteur had, met name de overheid, en een aantal activa met een hoge geraamde waarde, had de faillissementsprocedure in het geval van de begunstigde betrekkelijk snel kunnen worden beëindigd, en dus de voorkeur van de grootste crediteur hebben weggedragen. |
|
(118) |
Ten slotte, zelfs als de faillissementsprocedure vier tot vijf jaar zou hebben aangesleept, zoals de begunstigde aanvoert, was het verschil tussen de vermoedelijk te innen bedragen en de bedragen waarmee in het crediteurenakkoord werd ingestemd, zo groot dat de duur van die procedure geen grote rol zou hebben gespeeld in het besluit van een particuliere crediteur of al dan niet met het crediteurenakkoord moest worden ingestemd. Met een discontovoet van 5,14 % (39) is de contante waarde van de toekomstige kasstroom van 356,7 miljoen SKK zelfs na vijf jaar 277,6 miljoen SKK, d.w.z. duidelijk boven het bedrag waarmee in het crediteurenakkoord is ingestemd. In die omstandigheden had de faillissementsprocedure langer dan negen jaar moeten duren opdat de contante waarde lager was dan het bedrag waarmee in het crediteurenakkoord is ingestemd. Geen enkele particuliere marktdeelnemer zou zulk een lange faillissementsprocedure in deze zaak waarschijnlijk hebben geacht. Daarnaast zou de contante waarde van de totale te innen bedragen nog verder zijn gestegen als ermee rekening wordt gehouden dat een groot deel van de schuld waarschijnlijk al eerder was terugbetaald door de verkoop van de in pand gegeven activa (zie punt 111). |
|
(119) |
Op basis van de beschikbare gegevens kan worden geconcludeerd dat een particuliere investeerder niet met het crediteurenakkoord zou hebben ingestemd op de voorwaarden waarmee het belastingkantoor in deze zaak heeft ingestemd. Omdat het belastingkantoor op elk moment in de loop van de faillissementsprocedure als afzonderlijke crediteur betaling kon ontvangen en daarnaast meer dan 99 % van de onder de overblijvende crediteuren verdeelde opbrengst kon krijgen (gelet op de omvang van zijn vorderingen in vergelijking met die van de andere crediteuren), kan worden geconcludeerd dat bijna de volledige opbrengst naar het belastingkantoor zou gaan en, zoals hierboven aangetoond, hoger zou zijn dan het bedrag waarmee in het crediteurenakkoord was ingestemd. |
2.2. Vergelijking crediteurenakkoord/fiscaal beslag
|
(120) |
Het belastingkantoor had, in tegenstelling tot de particuliere crediteuren, het recht om op eigen initiatief fiscaal beslag in te leiden door de verkoop van vastgoed, machines of de onderneming als geheel. Er werd niet aangetoond, in de zin van de in punt 82 aangehaalde rechtspraak, dat het belastingkantoor dit optreden overwogen had en geconcludeerd had dat dit minder voordelig zou zijn dan met het crediteurenakkoord in te stemmen. |
|
(121) |
De Commissie vindt het argument van de begunstigde dat een crediteurenakkoord de onderneming vrijwaart van fiscaal beslag, in elk geval irrelevant. Zoals bevestigd door de Slowaakse autoriteiten, was fiscaal beslag een optie voor het belastingkantoor, hetzij vóór de start van de akkoordprocedure hetzij na het veto van het belastingkantoor tegen het voorgestelde crediteurenakkoord. Met die optie moet derhalve rekening worden gehouden bij de toepassing van het beginsel van de crediteur in een markteconomie. De begunstigde vergelijkt het voorgestelde akkoord niet met de mogelijke uitkomst van fiscaal beslag. |
|
(122) |
De Commissie baseert haar analyse op de gegevens die door de begunstigde en de Slowaakse autoriteiten zijn verstrekt. In deze context wordt opgemerkt dat de Slowaakse autoriteiten hebben bevestigd dat er voor 397 miljoen SKK activa in pand zijn gegeven ten gunste van het belastingkantoor, zoals gezegd in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure. Dit bedrag zou zijn gebaseerd op de boekhouding van de begunstigde. De begunstigde voert op haar beurt aan dat de waarde van de in pand gegeven activa, uitgedrukt in „deskundigenprijzen”, 194 miljoen SKK beloopt (zie punt 22). Hoewel de Commissie niet hoeft te bepalen welk cijfer juist is, kunnen toch de volgende conclusies worden getrokken. |
|
(123) |
Om te beginnen waren de in pand gegeven activa de tegenwaarde van de uitgestelde belastingschuld van de begunstigde, zoals door de wet op de belastingadministratie wordt voorgeschreven. Indien de in pand gegeven activa van de begunstigde in werkelijkheid maar de helft waard waren, zoals wordt gesuggeerd door het deskundigenadvies dat door begunstigde is overgelegd, waren de door de overheid verlangde waarborgen ontoereikend. In die omstandigheden voldeed het uitstel van betaling van belasting, waarvoor het belastingkantoor in de periode november 2002-november 2003 toestemming gaf voor in totaal 477 miljoen SKK, hoogstwaarschijnlijk niet aan het beginsel van de crediteur in een markteconomie. Voor deze zaak hoeft de Commissie niet te bepalen of die maatregelen geen staatssteun vormden. Indien het eerdere uitstel van betaling al staatssteun vormde, kan niet langer worden verwezen naar het beginsel van de crediteur in een markteconomie wanneer de uitgestelde schuld later (deels) wordt kwijtgescholden. |
|
(124) |
Ten tweede, zelfs als de lagere cijfers die door de begunstigde zijn overgelegd, voor de berekening van de opbrengst bij fiscaal beslag gebruikt worden, zou een crediteur in een markteconomie, als hij de mogelijkheid zou hebben, aan die procedure de voorkeur geven boven een crediteurenakkoord. |
|
(125) |
Bij fiscaal beslag kan een belastingkantoor de activa van de debiteur (vorderingen en andere vlottende activa, roerend goed, vastgoed) direct verkopen. Toen het belastingkantoor voor het crediteurenakkoord stemde, had de begunstigde voorraden ter waarde van 43 miljoen SKK, uitvoerbare vorderingen ter waarde van ten minste 37 miljoen SKK en voor 161 miljoen SKK aan contanten (zie tabel 5). Opgemerkt zij dat de waarde van die vlottende activa alleen al (241 miljoen SKK oftewel 6,3 miljoen EUR) (40) meer zou bedragen dan de in het crediteurenakkoord voorgestelde opbrengst (224,3 miljoen SKK oftewel 5,93 miljoen EUR). Daarnaast bezat de begunstigde andere activa, waarvan de waarde ten minste 194 miljoen SKK bedroeg. |
|
(126) |
Overigens zijn er bij fiscaal beslag geen administratieve heffingen zoals bij een faillissementsprocedure. Het is een procedure die wordt ingeleid en gecontroleerd door het belastingkantoor zelf, zodat mag worden aangenomen dat die procedure redelijk snel kan worden gevoerd. |
|
(127) |
De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat fiscaal beslag op de activa van de begunstigde tot een hogere opbrengst zou hebben geleid dan het crediteurenakkoord. |
2.3. Ander bewijs
|
(128) |
De Commissie neemt nota van de door de Slowaakse autoriteiten overgelegde brief van de directeur van het directoraat Belasting aan de onder zijn bevoegdheid vallende directeur van het betrokken belastingkantoor (zie punt 63). De brief vormt een duidelijk bewijs dat het directoraat Belasting (dat voordien al direct contact had gehad met de begunstigde) zich verzette tegen het voorgestelde crediteurenakkoord en het plaatselijke belastingkantoor een duidelijke instructie gaf niet met het crediteurenakkoord in te stemmen. De in de brief genoemde reden was dat het voorgestelde crediteurenakkoord „niet gunstig” was voor de overheid. |
|
(129) |
De Slowaakse autoriteiten hebben ook aangetoond dat er begin 2004 door het ministerie van Financiën een duidelijke beleidsinstructie aan de belastingautoriteiten was gegeven om niet in te stemmen met crediteurenakkoorden waarin kwijtscheldingen van belastingvorderingen werden gegeven (41). Die beleidskeuze werd meegedeeld naar aanleiding van de wijziging van de wet op de belastingadministratie per 1 januari 2004, om de discipline bij de belastinginning aan te scherpen. |
|
(130) |
Daarnaast moet worden opgemerkt dat het belastingkantoor zelf al op 2 augustus 2004 in beroep ging tegen het crediteurenakkoord, minder dan een maand nadat ermee was ingestemd. |
|
(131) |
De begunstigde heeft aangevoerd dat het belastingkantoor nog voordat de begunstigde de procedure was gestart, had aangegeven dat het met het akkoord instemde. De Commissie is van oordeel dat het door de begunstigde overgelegde bewijs juist op het tegendeel wijst. In zijn brief van 3 februari 2004 aan de begunstigde schrijft de directeur van het belastingkantoor dat, hoewel hij in principe niet tegen een akkoordprocedure is, hij niet kan instemmen met het voorstel van de begunstigde voor een crediteurenakkoord dat neerkomt op een terugbetaling van 35 % van de schuld. |
|
(132) |
Op basis van dit bewijs kan de Commissie niet anders dan concluderen dat de Slowaakse autoriteiten tegen het door de begunstigde voorgestelde crediteurenakkoord gekant waren en dat al waren vóór de inleiding van de akkoordprocedure op 8 maart 2004, vóór de stemming van de crediteuren op 9 juli 2004 en ook na de bekrachtiging van het crediteurenakkoord door de rechtbank. |
|
(133) |
De begunstigde heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met langetermijneffecten, zoals de continuïteit van de belastingopbrengsten voor de overheid (zie punt 52). |
|
(134) |
Om te beginnen moet worden beklemtoond dat het beginsel van de crediteur in een markteconomie niet hetzelfde is als het beginsel van de investeerder in een markteconomie. Terwijl een investeerder in een markteconomie in een positie verkeert waarin hij kan besluiten of hij een relatie aangaat met de onderneming in kwestie en gedreven wordt door het strategische vooruitzicht op lange termijn van een passende opbrengst voor zijn investering (42), zal een crediteur in een markteconomie, die al een handelsrelatie of een publiekrechtelijke relatie heeft met de insolvente onderneming, daarentegen streven naar terugbetaling van de bedragen die hem verschuldigd zijn (43) tegen zo gunstig mogelijke voorwaarden in termen van terugbetaling en tijdschema. De drijfveren van de hypothetische crediteur in een markteconomie en de investeerder in een markteconomie zijn derhalve niet identiek. In de rechtspraak zijn dan ook afzonderlijke criteria voor die twee situaties onderscheiden. |
|
(135) |
Ten tweede is het, wat de analogie met de crediteur-leverancier betreft, belangrijk erop te wijzen dat de aard van diens vorderingen en die van de overheid fundamenteel verschillend zijn. Aangezien de relatie van de leverancier met de insolvente onderneming een exclusief contractuele basis heeft, zou hij daadwerkelijk te lijden kunnen hebben onder het verlies van een handelspartner. Indien de insolvente onderneming wordt geliquideerd of verkocht, zou de leverancier een nieuwe klant moeten zoeken of een contract moeten sluiten met de nieuwe eigenaar. Het risico is groter wanneer zijn afhankelijkheid van de insolvente onderneming aanzienlijk is. Een crediteur die zich in die situatie bevindt, zal inderdaad naar de toekomst kijken. Daarentegen is de relatie van de overheid met de insolvente onderneming gebaseerd op het publiekrecht en derhalve niet afhankelijk van de wil van de partijen. Een nieuwe eigenaar die de activa van de geliquideerde onderneming overneemt, zou automatisch ook verplicht zijn de belastingen te betalen. Voorts is de overheid nooit afhankelijk van één belastingbetaler. Tot slot het belangrijkste, wanneer de overheid belasting heft, wil zij geen winst maken of doet zij dat niet op commerciële basis of uitgaande van commerciële overwegingen. Bovenstaande analogie is derhalve niet gegrond. |
|
(136) |
De Commissie concludeert dat de situatie waarin de overheid zich in deze zaak bevindt, niet vergelijkbaar is met die van een hypothetische investeerder in een markteconomie of die van een hypothetische afhankelijke crediteur in een markteconomie. Er kan in geen geval rekening worden gehouden met het verlies van toekomstige belastingen bij de toepassing van het beginsel van de crediteur in een markteconomie (44). |
|
(137) |
Ten slotte blijkt uit het door de begunstigde overgelegde belastingoverzicht dat de meeste belastingen die de begunstigde sinds 1995 betaalt, indirecte belastingen waren (accijnzen en btw). Aangezien die belastingen worden betaald door de eindgebruikers, zou liquidatie van de begunstigde geen gevolgen hebben voor de inning van die belastingen, aangezien de consumenten de producten waarop die belasting wordt geheven (in dit geval voornamelijk gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan) gewoon zouden blijven kopen bij andere producenten. Het argument van de begunstigde inzake aanzienlijke derving van toekomstige belastinginkomsten is derhalve niet geloofwaardig. |
|
(138) |
De Commissie concludeert dat geen van de andere door de begunstigde overgelegde bewijzen aantonen dat het gedrag van de hypothetische particuliere crediteur zou zijn beïnvloed. Niets in dit punt wijzigt dan ook de beoordeling van de Commissie van dat gedrag in de punten 2.1 of 2.2. |
2.4. Conclusie
|
(139) |
Op basis van bovenstaand bewijs concludeert de Commissie dat in deze zaak niet is voldaan aan het beginsel van de crediteur in een markteconomie en dat de overheid de begunstigde een voordeel heeft verleend dat zij in een marktsituatie niet had kunnen krijgen. |
|
(140) |
De Commissie concludeert derhalve dat de kwijtschelding van de schuld waarmee het plaatselijke belastingkantoor in het crediteurenakkoord heeft ingestemd, staatssteun vormt in de zin van artikel 107, lid 1, VWEU. |
3. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN: AFWIJKING OP GROND VAN ARTIKEL 107, LID 3, VWEU
|
(141) |
Het voornaamste doel van de maatregel is steun te verlenen aan een onderneming in moeilijkheden. In dergelijke gevallen kan de afwijking van artikel 107, lid 3, onder c), VWEU worden toegepast, die staatssteun toestaat wanneer die de ontwikkeling van bepaalde vormen van economische bedrijvigheid vergemakkelijkt, mits de voorwaarden waaronder het handelsverkeer plaatsvindt daardoor niet zodanig worden veranderd dat het gemeenschappelijk belang wordt geschaad en mits aan de gestelde voorwaarden wordt voldaan. |
|
(142) |
In het licht van de productieactiviteiten van de begunstigde is de Commissie nagegaan of de speciale regels die van toepassing zijn op de landbouw in deze zaak van toepassing zijn. Op basis van de gegevens over de omzet van de begunstigde die door de Slowaakse autoriteiten zijn verstrekt, heeft de Commissie in haar besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure geconcludeerd dat de meeste van de producten van de begunstigde niet onder bijlage I bij het VWEU vallen en bijgevolg de algemene regels inzake staatssteun van toepassing zijn. |
|
(143) |
In haar opmerkingen over het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure heeft de begunstigde de door de Slowaakse autoriteiten verstrekte gegevens over haar omzet aangevochten (zie tabel 1), maar niet het besluit van de Commissie om haar beoordeling te baseren op de algemene regels inzake staatssteun. Zonder te willen nagaan of de door de begunstigde verstrekte cijfers juist waren (45), heeft de Commissie onderzocht of haar bovenstaande conclusie stand zou houden in het licht van de nieuwe gegevens. De Commissie heeft geconcludeerd dat het grootste deel van de omzet van de begunstigde gegenereerd wordt door producten die niet vallen onder bijlage I bij het VWEU. De algemene en niet de sectorspecifieke regels inzake staatssteun zijn derhalve van toepassing. |
|
(144) |
Voor reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden gelden momenteel de communautaire richtsnoeren inzake reddings- en herstructureringssteun aan ondernemingen in moeilijkheden (46) (de „nieuwe richtsnoeren”), die in de plaats zijn gekomen van de vorige richtsnoeren van 1999 (47) (de „richtsnoeren van 1999”). |
|
(145) |
Volgens de overgangsbepalingen van de nieuwe richtsnoeren zijn de nieuwe richtsnoeren van toepassing op de beoordeling van reddings- of herstructureringssteun die wordt toegekend zonder de toestemming van de Commissie (onrechtmatige steun), indien de steun gedeeltelijk of geheel is toegekend na 1 oktober 2004, de datum van de bekendmaking van de nieuwe richtsnoeren in het Publicatieblad van de Europese Unie (punt 104, eerste alinea). Voor steun die onrechtmatig is toegekend vóór 1 oktober 2004, zal het onderzoek echter worden verricht op basis van de op het tijdstip van de toekenning van de steun geldende richtsnoeren (punt 104, tweede alinea). |
|
(146) |
De instemming van het belastingkantoor met het crediteurenakkoord werd op 9 juli 2004 gegeven en werd van kracht op 23 juli 2004. Dit betekent dat de steun onrechtmatig werd toegekend vóór 1 oktober 2004. Derhalve gelden de richtsnoeren van 1999, die van toepassing waren op het tijdstip van de toekenning van de steun. |
|
(147) |
De begunstigde is een middelgrote onderneming in de zin van Verordening (EG) nr. 70/2001 van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun voor kleine en middelgrote ondernemingen (48). |
3.1. Kwalificatie van de onderneming
|
(148) |
Overeenkomstig punt 5, onder c), van de richtsnoeren van 1999 wordt een onderneming beschouwd als een onderneming in moeilijkheden wanneer zij volgens het nationale recht voldoet aan de voorwaarden om aan een collectieve procedure wegens insolventie te worden onderworpen. |
|
(149) |
De begunstigde was partij bij de akkoordprocedure, die volgens de definitie in de faillissementswet slechts openstaat voor insolvente ondernemingen. Zij komt derhalve in aanmerking voor reddings- en herstructureringssteun. |
3.2. Reddingssteun
|
(150) |
De omstreden maatregel werd door de Slowaakse autoriteiten aanvankelijk omschreven als reddingssteun. Overeenkomstig de richtsnoeren van 1999 heeft de Commissie betwijfeld of de steunmaatregel als reddingssteun verenigbaar is op de in deel III beschreven gronden. |
|
(151) |
De Slowaakse autoriteiten noch de begunstigde hebben gereageerd op deze twijfel. Er zijn in dit verband geen nieuwe feiten voorgelegd aan de Commissie. |
|
(152) |
Aangezien de bovenstaande twijfel niet is weggenomen, concludeert de Commissie dat de steun niet verenigbaar is als reddingssteun in de zin van de richtsnoeren van 1999. |
3.3. Herstructureringssteun
|
(153) |
De Commissie heeft betwijfeld of de steun verenigbaar is als herstructureringssteun in de zin van de richtsnoeren van 1999 op de in deel III beschreven gronden. |
|
(154) |
De Commissie merkt op dat de Slowaakse autoriteiten, die moeten bewijzen dat de staatssteun verenigbaar is met de interne markt, geen nieuwe feiten hebben aangevoerd ter ondersteuning van die conclusie. De Commissie heeft nota genomen van de opmerkingen die door de begunstigde zijn gemaakt. |
3.1.1. Herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn
|
(155) |
Overeenkomstig de richtsnoeren van 1999 moet de toekenning van herstructureringssteun gepaard gaan met een haalbaar en samenhangend herstructureringsplan om de levensvatbaarheid van de onderneming op lange termijn te herstellen. De lidstaat verbindt zichzelf tot dat plan, dat door de Commissie moet worden goedgekeurd. Indien de onderneming het plan niet ten uitvoer legt, wordt dit beschouwd als misbruik van steun. |
|
(156) |
Het herstructureringsplan moet in wezen bewerkstelligen dat de begunstigde haar levensvatbaarheid op lange termijn binnen een redelijk tijdsbestek herstelt, en gebaseerd zijn op realistische veronderstellingen betreffende de toekomstige bedrijfsomstandigheden. Het plan moet de omstandigheden beschrijven die tot de moeilijkheden van de begunstigde hebben geleid en passende maatregelen vaststellen om die moeilijkheden aan te pakken. De herstructureringsmaatregelen mogen zich niet beperken tot financiële steun om schulden en verliezen uit het verleden te compenseren zonder dat de oorzaak van de moeilijkheden wordt aangepakt. |
|
(157) |
Voor ondernemingen in steungebieden en voor kleine en middelgrote ondernemingen bepalen de richtsnoeren van 1999 dat minder strenge voorwaarden mogen worden vastgesteld ten aanzien van de tenuitvoerlegging van compenserende maatregelen en de inhoud van de monitoringverslagen. Die factoren stellen die ondernemingen echter niet vrij van de verplichting om een herstructureringsplan op te stellen, noch de lidstaten van de verplichting om de toekenning van herstructureringssteun afhankelijk te stellen van de tenuitvoerlegging van een herstructureringsplan. |
|
(158) |
Na de inleiding van de formele onderzoeksprocedure hebben de Slowaakse autoriteiten bevestigd dat het bedrijfsplan dat de begunstigde moest opstellen als voorwaarde voor de start van de akkoordprocedure, alleen door de bevoegde rechtbank is onderzocht, met andere woorden niet door de steunverlenende autoriteit, en dat de rechtbank noch het belastingkantoor de tenuitvoerlegging van het plan heeft gecontroleerd. |
|
(159) |
Daarentegen heeft de begunstigde verklaard dat het belastingkantoor, alvorens met het crediteurenakkoord in te stemmen, had onderzocht of het bedrijfsplan de levensvatbaarheid op lange termijn kon herstellen, maar zij heeft geen bewijs overgelegd dat die bewering staaft. |
|
(160) |
De begunstigde heeft voorts aangevoerd dat het ontbreken van een formeel herstructureringsplan irrelevant is in het geval van een beoordeling achteraf van de steun door de Commissie, omdat zij dan kan beoordelen of de levensvatbaarheid van de begunstigde feitelijk is hersteld. Volgens de begunstigde kan het formele herstructureringsplan slechts worden verlangd bij een beoordeling vooraf, waarop alleen de richtsnoeren van 1999 van toepassing kunnen zijn. |
|
(161) |
Deze argumentatie is niet correct. De richtsnoeren van 1999 zijn van toepassing op de beoordeling van de verenigbaarheid van zowel aangemelde als onrechtmatige steun. Wanneer de beoordeling ook plaatsvindt, de voorwaarde dat de herstructureringssteun slechts wordt verleend als er een levensvatbaar herstructureringsplan wordt opgesteld, blijft van kracht. De Commissie gaat bij haar beoordeling uit van de gegevens die beschikbaar waren op het moment dat de steun werd toegekend. |
|
(162) |
Er kan worden geconcludeerd dat het belastingkantoor als de steunverlenende autoriteit niet in de gelegenheid was om een herstructureringsplan te evalueren en de kwijtschelding van zijn vorderingen afhankelijk te stellen van de tenuitvoerlegging van een herstructureringsplan onder toezicht. Er is derhalve niet voldaan aan de eerste formele voorwaarde, die ook volledig van toepassing is op de beoordeling achteraf. |
|
(163) |
In verband met het wezen van het bedrijfsplan hebben de Slowaakse autoriteiten geen informatie verstrekt om de twijfel van de Commissie weg te nemen ten aanzien van de vraag of het plan een echt herstructureringsplan is zoals dat door de richtsnoeren van 1999 wordt voorgeschreven. |
|
(164) |
De Commissie kan dus niet anders dan bij de conclusie te blijven waartoe zij in het besluit tot inleiding van de formele onderzoeksprocedure was gekomen. Het ingediende bedrijfsplan pakt alleen de acute problemen van de oplopende schulden van de begunstigde aan de overheid aan. Het analyseert op geen enkele manier de omstandigheden die tot de moeilijkheden van de begunstigde hebben geleid noch de financiële situatie van de onderneming op dat moment en haar financiële vooruitzichten. Aangezien een dergelijke analyse ontbreekt, heeft de begunstigde geen specifieke maatregelen voorgesteld om de afzonderlijke redenen aan te pakken die tot de moeilijkheden hebben geleid. De enige maatregel die in detail wordt beschreven, is de voorgestelde financiële herstructurering door middel van het crediteurenakkoord. |
|
(165) |
Het plan maakt geen enkele melding van de kapitaalverhoging van de begunstigde, volgens haar een van de herstructureringsmaatregelen. Uit geen enkel element in het dossier blijkt dat de kapitaalverhoging door Hydree Slovakia moet worden beschouwd als een maatregel die ervoor zorgt dat de begunstigde op lange termijn niet opnieuw vervalt in haar strategie om haar productie te financieren door middel van een btw- en accijnsschuld, wat uiteindelijk tot haar moeilijkheden heeft geleid. De Slowaakse autoriteiten hebben zelf bevestigd dat de kapitaalverhoging op geen enkele manier het risico op herhaling van de financiële problemen heeft verkleind. Aangezien de kapitaalverhoging in totaal 21 miljoen SKK beliep, terwijl het bij de geherstructureerde schuld om een bedrag van 644 miljoen SKK ging, zijn de twijfels dienaangaande nog groter. |
|
(166) |
De kapitaalverhoging op zich is geen bewijs van het vertrouwen van de markt in het herstel van de levensvatbaarheid op lange termijn van de begunstigde. De Commissie merkt op dat de begunstigde ondanks haar actieve inspanningen geen lening heeft gekregen van een particuliere bank. |
|
(167) |
Voorts was de verhuring van de productiefaciliteiten aan een concurrent van de begunstigde, Old Herold s.r.o., duidelijk ingegeven door het feit dat de begunstigde haar vergunning voor de productie van gedistilleerde dranken en dranken op basis daarvan kwijt was, en niet door het feit dat de productie verlieslatend zou zijn en dus moest worden geherstructureerd. Het is waar dat de begunstigde zelf een nieuwe vergunning had kunnen aanvragen toen het crediteurenakkoord definitief was, maar zij heeft dit niet gedaan. De Commissie stelt echter vast dat de begunstigde de producten die door Old Herold met de activa en onder de merknaam van de begunstigde zijn geproduceerd, blijft verkopen en zelfs van plan is om die verkoop te doen groeien, wat blijkt uit het jaarverslag voor de periode 29 april 2004-30 december 2004. De verhuring van deze productiefaciliteiten kan derhalve niet als een herstructureringsmaatregel worden beschouwd, aangezien uit alle beschikbare gegevens blijkt dat dit deel van de productie niet hoefde te worden geherstructureerd. |
|
(168) |
Ten aanzien van de resterende maatregelen in het bedrijfsplan zijn de twijfels van de Commissie niet weggenomen. Die maatregelen betreffen gewoon normale bedrijfsactiviteiten en geen rationaliseringsmaatregelen (verkoop van oude apparatuur of voertuigen). De twee voorgestelde structurele maatregelen (stopzetten van de productie van niet-winstgevende alcoholvrije producten en verkoop van een deel van het vastgoed) werden zeer vaag beschreven, zonder enige indicatie van de betrokken producten of een tijdschema. De Slowaakse autoriteiten hebben bevestigd dat het voor verkoop bestemde vastgoed (een administratief gebouw, een winkel en een recreatiegebouw) op 10 oktober 2005 niet was verkocht, d.w.z. dat die geplande maatregel niet was uitgevoerd zoals aangekondigd. |
|
(169) |
Gezien de combinatie van het ontbreken van een formeel herstructureringsplan en een echte analyse van de moeilijkheden, de maatregelen om die aan te pakken en de marktomstandigheden en -vooruitzichten, concludeert de Commissie dat het door de begunstigde ingediende bedrijfsplan geen echt herstructureringsplan is zoals dat door de richtsnoeren van 1999 wordt voorgeschreven (49). De twijfels van de Commissie over de vraag of de begunstigde de levensvatbaarheid op lange termijn zou herstellen, zijn derhalve niet weggenomen. |
3.3.2. Steun beperkt tot het strikt noodzakelijke minimum
|
(170) |
Hoewel de conclusie van de Commissie, namelijk dat gezien het ontbreken van een echt herstructureringsplan haar twijfels over de levensvatbaarheid op lange termijn blijven bestaan, op zich voldoende is om te concluderen dat de steun niet verenigbaar is met de interne markt, zal de Commissie ook het andere belangrijke criterium van de richtsnoeren van 1999 analyseren, namelijk of de steun beperkt is tot het strikt noodzakelijke minimum. |
|
(171) |
Overeenkomstig punt 40 van de richtsnoeren van 1999 moeten het steunbedrag en de steunintensiteit worden beperkt tot het voor de uitvoering van de herstructurering strikt noodzakelijke minimum in het licht van de bestaande financiële middelen van de begunstigde. De begunstigde wordt geacht uit haar eigen middelen een aanzienlijke bijdrage aan de herstructurering te leveren. |
|
(172) |
De herstructureringskosten kwamen neer op het totale bedrag van de in het kader van het crediteurenakkoord geherstructureerde schuld. De begunstigde betaalde 35 % van dit bedrag. |
|
(173) |
De Slowaakse autoriteiten hebben geen nadere uitleg verstrekt met betrekking tot de twijfels die de Commissie in verband daarmee had geuit. De begunstigde heeft toegelicht op welke wijze zij de betaling van de schuld die na het crediteurenakkoord overbleef, heeft gefinancierd (zie de punten 30-35). Volgens de begunstigde bedroeg haar eigen bijdrage 231 miljoen SKK (6,1 miljoen EUR). |
|
(174) |
Om te beginnen waren de middelen waarover de begunstigde beschikte, groter dan het bedrag van de schuld die na het crediteurenakkoord overbleef. Dit wijst erop dat de steun niet beperkt was tot het strikt noodzakelijke minimum. |
|
(175) |
Belangrijker is echter dat de Commissie van oordeel is dat het door Old Herold verstrekte krediet niet in aanmerking komt als een eigen bijdrage van de begunstigde in de zin van de richtsnoeren van 1999. Schulden zijn een permanente bron van financiering voor de werking van de onderneming. Het zijn leningen op korte termijn, die echter wel moeten worden terugbetaald. Het is slechts wanneer de leveranciers akkoord gaan met een vervaldag die later valt dan normaal, dat de onderneming over extra middelen beschikt om de herstructurering te financieren, en dat het uitstel een teken is dat de markt gelooft dat herstel van de levensvatbaarheid haalbaar is. |
|
(176) |
De begunstigde heeft niet aangetoond dat het uitstel van betaling door Old Herold veel verder ging dan de normale handelspraktijk tussen de begunstigde en haar leveranciers. De vervaldag van veertig dagen lijkt een standaardpraktijk, met name gezien het feit dat de begunstigde die vervaldag na het crediteurenakkoord werd toegestaan. De begunstigde verkeerde derhalve niet meer in financiële moeilijkheden. Het doel van het crediteurenakkoord was de begunstigde uit haar financiële problemen te helpen. |
|
(177) |
De Commissie concludeert derhalve dat het uitstel van de vervaldag niet kan worden beschouwd als een bijdrage aan de herstructurering uit externe middelen. |
|
(178) |
Zonder dit uitstel bedraagt de eigen bijdrage van de begunstigde in de zin van de richtsnoeren van 1999 131 miljoen SKK (3,4 miljoen EUR), wat overeenstemt met 20 % van de herstructureringskosten. |
|
(179) |
De richtsnoeren van 1999 bevatten geen drempels vanaf wanneer de eigen bijdrage van de begunstigde beduidend wordt geacht. |
|
(180) |
Gezien de praktijk van de Commissie bij de toepassing van de richtsnoeren van 1999 en de wijziging in het Commissiebeleid in dit verband met het oog op de invoering van drempels in het kader van de richtsnoeren van 2004 (50), is de Commissie van oordeel dat de bijdrage van 20 % eerder gering is. Een dergelijke bijdrage zou in het kader van de richtsnoeren van 1999 slechts kunnen worden aanvaard als aan alle andere voorwaarden voor de goedkeuring van de steun is voldaan. De Commissie zou dan rekening moeten houden met criteria als de vraag of de onderneming actief is in een steungebied en in hoeverre de financieringsbronnen het vertrouwen van de markt weerspiegelen, de begunstigde zelf en haar aandeelhouders niet meegerekend, in de levensvatbaarheid op lange termijn van de onderneming of andere specifieke kenmerken van de zaak. |
|
(181) |
In het licht van het bovenstaande kan de Commissie in deze zaak niet aanvaarden dat er sprake is van een beduidende bijdrage van de begunstigde. De Commissie concludeert dat haar twijfels over de vraag of de eigen bijdrage van de begunstigde beduidend is en of de steun beperkt was tot het strikt noodzakelijke minimum, niet zijn weggenomen. |
3.4. Verenigbaarheid van de steun: conclusie
|
(182) |
De Commissie concludeert dat de steun niet verenigbaar is met de interne markt als reddings- of herstructureringssteun. Daarnaast is geen andere in het VWEU vastgestelde afwijking in deze zaak van toepassing. |
VII. CONCLUSIE
|
(183) |
De Commissie is van oordeel dat de Slowaakse Republiek in strijd met artikel 108, lid 3, VWEU heeft gehandeld door de belastingschuld van Frucona Košice a.s. kwijt te schelden. Deze steun is niet verenigbaar met de interne markt op grond van een in het VWEU vastgestelde afwijking. |
|
(184) |
Ook al is de uitvoering van de kwijtschelding door het belastingkantoor in afwachting van de uitkomst van deze procedure geschorst, toch meent de Commissie dat het voordeel voor de begunstigde ontstond op het moment dat het belastingkantoor besloot af te zien van een deel van zijn vorderingen en de steun zodoende ter beschikking stelde van de begunstigde. Dat moment was de inwerkingtreding van het crediteurenakkoord op 23 juli 2004. Het voordeel ten opzichte van de concurrenten van de begunstigde lag besloten in de omstandigheid dat het belastingkantoor zijn vorderingen niet ten uitvoer legde. |
|
(185) |
Om de situatie vooraf te herstellen moet de staatssteun worden teruggevorderd, Aangezien het voordeel werd verleend op het moment van inwerkingtreding van het crediteurenakkoord op 23 juli 2004, is het terug te vorderen bedrag het volledige bedrag van de kwijtschelding waarin dat crediteurenakkoord voorziet. |
|
(186) |
Het Hooggerechtshof van de Slowaakse Republiek heeft echter beslist dat ten onrechte achterstallige wegenbelasting ten belope van 424 490 SKK in dat crediteurenakkoord was opgenomen. Dit heeft als resultaat dat de hoofdschuld in het crediteurenakkoord met dat bedrag werd verminderd en dat de schuld aan het belastingkantoor die in het crediteurenakkoord is opgenomen, werd gecorrigeerd tot 640 369 341 SKK. |
|
(187) |
De achterstallige wegenbelasting, die inmiddels als kwijtgescholden was beschouwd, werd volledig betaald op 2 augustus 2006. Bij de berekening van het nog terug te vorderen bedrag van de steun en de achterstandsrente moet met die betaling rekening worden gehouden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Beschikking 2007/254/EG wordt ingetrokken.
Artikel 2
De staatssteun van de Slowaakse Republiek ten gunste van Frucona Košice a.s. ten bedrage van 416 515 990 SKK is onverenigbaar met de interne markt.
Artikel 3
1. De Slowaakse Republiek neemt alle noodzakelijke maatregelen om van de begunstigde de in artikel 2 bedoelde onrechtmatige steun die zij heeft ontvangen, terug te vorderen, waarbij ermee rekening wordt gehouden dat het bedrag van 424 490 SKK aan achterstallige wegenbelasting op 2 augustus 2006 op de rekening van het plaatselijke belastingkantoor werd overgemaakt.
2. De terugvordering geschiedt onverwijld en overeenkomstig de procedures van nationaal recht, voor zover die procedures de onmiddellijke en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van dit besluit mogelijk maken.
3. Het terug te vorderen bedrag omvat de rente over de volledige periode vanaf de datum waarop de steun aan Frucona Košice a.s. is toegekend tot de datum van de effectieve terugbetaling.
4. De rente wordt berekend overeenkomstig hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG Verdrag (51). De rente wordt op samengestelde grondslag toegepast voor de volledige duur van de in lid 3 bedoelde periode.
Artikel 4
De Slowaakse Republiek stelt de Commissie binnen twee maanden na de datum van de kennisgeving van dit besluit in kennis van de maatregelen die zijn getroffen om aan dit besluit te voldoen. Zij verstrekt die informatie aan de hand van het formulier in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 5
Dit besluit is gericht tot de Slowaakse Republiek.
Gedaan te Brussel, 16 oktober 2013.
Voor de Commissie
Joaquín ALMUNIA
Vicevoorzitter
(1) Met ingang van 1 december 2009 zijn de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag respectievelijk de artikelen 107 en 108 VWEU geworden. De twee reeksen bepalingen zijn in wezen identiek. In het kader van dit besluit moeten verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 van het VWEU waar nodig worden begrepen als verwijzingen naar respectievelijk de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag. Met het VWEU werden ook enkele terminologische wijzigingen ingevoerd, zoals de vervanging van „Gemeenschap” door „Unie” en „gemeenschappelijke markt” door „interne markt”. In dit besluit wordt de terminologie van het VWEU gehanteerd.
(2) PB C 233 van 22.9.2005, blz. 47.
(3) Zie voetnoot 2.
(4) Beschikking 2007/254/EG van de Commissie van 7 april 2006 betreffende staatssteun C 25/2005 (ex NN 21/2005) van de Slowaakse Republiek ten gunste van Frucona Košice, a.s. (PB L 112 van 30.4.2007, blz. 14).
(*1) In EUR zou de omzet in 2002 23,6 miljoen EUR hebben bedragen, in 2003 25,7 miljoen EUR en in 2004 23 miljoen EUR. De wisselkoers die in dit besluit ter informatie wordt gebruikt, is 1 EUR = 38 SKK.
(5) De totale omzet zou 334 miljoen SKK (8,8 miljoen EUR) in 2002, 360 miljoen SKK (9,5 miljoen EUR) in 2003 en 720 miljoen SKK (19 miljoen EUR) in 2004 hebben bedragen.
(6) Een onderneming wordt als schuldplichtig beschouwd wanneer zij een aantal crediteuren heeft en niet binnen dertig dagen gerekend vanaf de vervaldag aan haar verplichtingen kan voldoen.
(7) De accijns moet maandelijks worden betaald.
(*2) Het bedrag dat de begunstigde moet terugbetalen aan haar crediteuren.
(*3) In EUR was de totale schuld vóór het crediteurenakkoord 16,96 miljoen EUR en de totale schuld na het crediteurenakkoord 5,93 miljoen EUR.
(8) Gezien het verlies van de vergunning voor de productie van gedistilleerde dranken en afgeleide dranken en overeenkomstig de informatie die door de indiener van de klacht is verstrekt, betrof die verkoop waarschijnlijk hoofdzakelijk de gedistilleerde dranken.
(9) De begunstigde geeft een voorbeeld van een onderneming die vergelijkbare activa heeft en in dezelfde sector actief is, alsmede enkele meer algemene statistieken over het gebruik van de faillissementsprocedure in Slowakije.
(10) Uit de cijfers over 2004 die door EKORDA in zijn verslag zijn gebruikt, blijkt dat 98 % btw en accijns is.
(11) De begunstigde verwijst naar de gevoegde zaken C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Spanje/Commissie, Jurispr. 1994, blz. I-4103.
(12) Arrest Gerecht van 14 januari 2004, Fleuren Compost/Commissie, T-109/01, Jurispr. II-132, punt 74.
(13) Arrest Hof van 24 januari 2013, Frucona/Commissie, C-73/11 P, nog niet gepubliceerd, punt 70.
(14) Zie arresten Hof van 29 april 1999, Spanje/Commissie, C-342/96, Jurispr. blz. I-2459, punt 46; van 29 juni 1999, DM Transport, C-256/97, Jurispr. I-3913, punt 30; van 5 juni 2012, Commissie/EDF, C-124/10 P, nog niet gepubliceerd, punt 79, en arrest Frucona, C-73/11 P, reeds aangehaald, punt 73.
(15) Arrest Commissie/EDF, reeds aangehaald, punten 81 tot en met 85.
Bron: Balans 1 januari-31 december 2003, verstrekt door de begunstigde. Alle waarden zijn boekwaarden.
Bron: verslag EKORDA van 7 juli 2004, rekening houdend met de boekwaarde, met uitzondering van de vorderingen, die op het niveau van hun liquidatiewaarde zijn gecorrigeerd.
Bron: Balans 1 januari-28 april 2004, verstrekt door de begunstigde. Alle waarden zijn boekwaarden.
(19) Informatie verstrekt door de Slowaakse autoriteiten en verkregen tijdens de controle van het belastingkantoor in de kantoren van de begunstigde op 17 januari 2004 (zie punt 60 hierboven).
Bron: Jaarverslag 2004, verstrekt door de begunstigde. Alle waarden zijn boekwaarden.
(21) Gronden, gebouwen, machines, immateriële activa, financiële activa.
(22) Volgens EKORDA moet de boekwaarde van de kortetermijnvorderingen ter hoogte van 166 miljoen SKK worden gecorrigeerd op de liquidatiewaarde van 98 miljoen SKK (zie punt 97 hierboven).
(23) Het is niet duidelijk of dit cijfer de boekwaarde of de liquidatiewaarde van de kortetermijnvorderingen weergeeft. Voorzichtigheidshalve heeft de Commissie aangenomen dat het de boekwaarde is.
(24) Zie arrest Commissie/EDF, reeds aangehaald, punt 86.
(25) Dit is de boekwaarde (166 miljoen SKK), die door EKORDA is gecorrigeerd om de liquidatiewaarde van de vorderingen tot uiting te brengen.
(26) Dit is een schatting van de liquidatiewaarde die de Commissie heeft berekend door de boekwaarde van de kortetermijnvorderingen (147 miljoen SKK) te corrigeren met hetzelfde percentage dat EKORDA voor zijn analyse heeft gebruikt (zie voetnoot 6, tabel 3).
(27) Dit is een schatting van de liquidatiewaarde die de Commissie heeft berekend door de boekwaarde van de kortetermijnvorderingen (63 miljoen SKK; zie ook voetnoot 1) te corrigeren met hetzelfde percentage dat EKORDA voor zijn analyse heeft gebruikt (zie voetnoot 16). De Commissie maakt uit de informatie van de Slowaakse autoriteiten echter op dat de vorderingen van 63 miljoen SKK uitvoerbare vorderingen zijn. Het is dan ook de vraag of correctie van hun boekwaarde echt noodzakelijk is. Indien de liquidatiewaarde van die vorderingen inderdaad 63 miljoen SKK is, zou de totale opbrengst in een faillissementsprocedure op 17 juni 2004 331 miljoen EUR (8,7 miljoen EUR) zijn geweest.
(28) Dit cijfer wordt door de Slowaakse autoriteiten aangevochten, zoals hieronder wordt toegelicht.
(29) In de onderzoeksprocedure heeft de begunstigde aangevoerd dat de waarde van haar niet-vlottende activa die ten gunste van het belastingkantoor in pand waren gegeven, 194 miljoen SKK bedroeg. Dit is de waardering van een onafhankelijke schatter, uitgedrukt als een „deskundigenprijs”. Die prijs zou een schatting moeten zijn van de prijs waartegen het actief toen had kunnen worden verkocht. Opgemerkt zij dat dit een minimumprijs is: de Slowaakse autoriteiten raamden de prijs van de in pand gegeven activa op 397 miljoen SKK.
(30) De gebruikte liquidatiefactor is 52 %. Die liquidatiefactor kan worden afgeleid uit het feit dat de begunstigde had aangegeven dat zij ten minste 110 miljoen SKK wou ontvangen uit de verkoop van de voorraden met het oog op de financiering van het crediteurenakkoord. Op basis van een boekwaarde van 209 miljoen SKK was dit echter slechts mogelijk indien de liquidatiefactor voor de voorraden ten minste 52 % bedroeg (110 miljoen SKK /209 miljoen SKK).
(31) Dit is de boekwaarde (166 miljoen SKK), die door EKORDA is gecorrigeerd om de liquidatiewaarde van de vorderingen uit te drukken.
(32) Dit is de boekwaarde van de kortetermijnvorderingen na de correctie van hun boekwaarde (63 miljoen SKK) met een door EKORDA gebruikte factor van 59 %. Er is geen voor de hand liggende reden waarop de liquidatiefactor na een dergelijke correctie lager zou moeten zijn.
(33) Opgemerkt zij dat in de andere verslagen die door de begunstigde zijn ingediend (met name de verslagen van EKORDA en mevrouw Kochová) van een lichtjes hoger kostenpercentage van ongeveer 22 % wordt uitgegaan. Omdat de procedure in deze zaak waarschijnlijk korter zou zijn dan de gemiddelde faillissementsprocedure, lijkt er echter geen reden te zijn waarom de kosten zelfs nog hoger zouden zijn dan die voor de gemiddelde procedure die in het verslag van de Wereldbank zijn vermeld. Er mocht integendeel worden verwacht dat door het lage aantal crediteuren en de eenvoudige structuur van de schulden (meer dan 99 % in handen van één crediteur) de kosten lager dan de gemiddelde kosten zouden uitvallen.
(34) Het zou 100 % van de in pand gegeven activa (194 miljoen SKK) en meer dan 99 % van de opbrengst van de verkoop van de overblijvende activa hebben ontvangen.
(35) De opbrengst van de verkoop van de activa van de begunstigde zou 275 miljoen SKK zijn geweest (zie tabel 4). Na aftrek van de kosten van een faillissementsprocedure, die volgens de begunstigde 18 % van de opbrengst van de verkoop van de activa beliepen, d.w.z. 49,5 miljoen SKK, zou het belastingkantoor 225,5 miljoen SKK hebben ontvangen.
(36) Arrest Gerecht van 11 juli 2002, Hamsa/Commissie, T-152/99, Jurispr. blz. II-3058, punt 168.
(37) Verslag van mevrouw Kochová twee jaar, verslag van curator Holovačová meer dan zes jaar, verslag van de Wereldbank 2004 4,8 jaar, verslag van het Slowaaks ministerie van Justitie en verslag van de Wereldbank van 2002 drie tot zeven jaar.
(38) Het voorbeeld dat de begunstigde in haar opmerkingen van 25 oktober 2005 aanhaalt, is het faillissement van Liehofruct White Lady s.r.o. Levoča.
(39) In 2004 varieerde de rentevoet voor overheidsobligaties met een looptijd van drie tot vijf jaar tussen 4,06 % en 5,14 %. Voorzichtigheidshalve is in de berekening rekening gehouden met het hoogste bedrag van 5,14 %.
(40) Waarde van de vlottende activa = voorraden (43 miljoen SKK) + kortetermijnvorderingen (37 miljoen SKK) + contanten (161 miljoen SKK) = 241 miljoen SKK.
(41) Uit de brief kan worden afgeleid dat het ministerie instemde met crediteurenakkoorden waarbij niet meer dan twee maanden uitstel van betaling werd verleend voor btw en accijnzen en niet meer dan zes maanden voor andere belastingen.
(42) Arrest Hamsa/Commissie, reeds aangehaald, punt 126.
(43) Zie bijvoorbeeld arrest Spanje/Commissie, reeds aangehaald, punt 46.
(44) Zie bij analogie arrest Commissie/EDF, reeds aangehaald, punten 79 en 80.
(45) Die cijfers lijken niet te worden ondersteund door de jaarrekeningen die de begunstigde heeft ingediend.
(46) PB C 244 van 1.10.2004, blz. 2.
(47) PB C 288 van 9.10.1999, blz. 2.
(48) PB L 10 van 13.1.2001, blz. 33.
(49) Zie arrest Hof van 22 maart 2001, Frankrijk/Commissie, C-17/99, Jurispr. blz. I-2481.
(50) De drempel voor middelgrote ondernemingen in het kader van de richtsnoeren van 2004 bedraagt ten minste 40 %.
BIJLAGE
INFORMATIE BETREFFENDE DE TENUITVOERLEGGING VAN HET BESLUIT VAN DE COMMISSIE …
1. Berekening van het terug te vorderen bedrag
|
1.1. |
Geef de volgende details over het bedrag aan onrechtmatige staatssteun dat de begunstigde ter beschikking is gesteld:
Opmerkingen: |
|
1.2. |
Zet nader uiteen hoe de rente over het terug te vorderen steunbedrag zal worden berekend. |
2. Voorgenomen en reeds genomen maatregelen om de steun terug te vorderen
|
2.1. |
Beschrijf nader welke maatregelen al zijn genomen en welke maatregelen zijn gepland om de steun onverwijld en daadwerkelijk terug te vorderen. Vermeld ook, voor zover van toepassing, de rechtsgrondslag voor de genomen/geplande maatregelen. |
|
2.2. |
Wat is het tijdschema voor het terugvorderen van de steun? Tegen wanneer zal de terugvordering van de steun zijn afgerond? |
3. Reeds doorgevoerde terugvordering
|
3.1. |
Geef de volgende details over de steunbedragen die van de begunstigde zijn teruggevorderd:
|
|
3.2. |
Leg bewijs over van de terugbetaling van de steunbedragen die in de tabel onder punt 3.1 zijn vermeld. |
|
(o) |
Datum of data waarop de steun of de afzonderlijke tranches van de steun ter beschikking van de begunstigde is of zijn gesteld. |
(*1) Bedrag van de aan de begunstigde toegekende steun (in brutosubsidie-equivalent).
|
(o) |
Datum of data waarop de steun is terugbetaald. |
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
14.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 176/64 |
Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op: http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html.
Reglement nr. 98 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van koplampen met gasontladingslichtbronnen voor motorvoertuigen
Bevat de volledige geldige tekst tot en met:
Supplement 4 op wijzigingenreeks 01 — Datum van inwerkingtreding: 15 juli 2013
INHOUD
TOEPASSINGSGEBIED
|
1. |
Definities |
|
2. |
Goedkeuringsaanvraag voor een koplamp |
|
3. |
Opschriften |
|
4. |
Goedkeuring |
|
5. |
Algemene specificaties |
|
6. |
Verlichtingssterkte |
|
7. |
Meten van de hinder en/of belemmering |
|
8. |
Wijziging van het koplamptype en uitbreiding van de goedkeuring |
|
9. |
Conformiteit van de productie |
|
10. |
Sancties bij niet-conformiteit van de productie |
|
11. |
Definitieve stopzetting van de productie |
|
12. |
Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties |
|
13. |
Overgangsbepalingen |
BIJLAGEN
|
1. |
Mededeling betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een type koplamp of van een gedistribueerd verlichtingssysteem krachtens Reglement nr. 98 |
|
2. |
Voorbeelden van de opstelling van goedkeuringsmerken |
|
3. |
Meetsysteem met bolcoördinaten en locaties van meetpunten |
|
4. |
Tests van de stabiliteit van de fotometrische prestaties van brandende koplampen |
|
5. |
Voorschriften voor lichten met kunststoflens - tests van lenzen of materiaalmonsters en van complete lichten |
|
6. |
Referentiepunt |
|
7. |
Markeringen van de spanning |
|
8. |
Minimumvoorschriften voor de procedures om de conformiteit van de productie te controleren |
|
9. |
Minimumvoorschriften voor de monsterneming door een inspecteur |
|
10. |
Verificatie met een instrument van de licht-donkergrens bij dimlichtkoplampen |
|
11. |
Voorschriften voor ledmodules en koplampen met ledmodules |
A. ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN
Toepassingsgebied (1)
Dit reglement is van toepassing op:
|
a) |
koplampen, en |
|
b) |
gedistribueerde verlichtingssystemen |
die gebruikmaken van gasontladingslichtbronnen en bestemd zijn voor voertuigen van de categorieën M, N en L3.
1. DEFINITIES
Voor de toepassing van dit reglement gelden de volgende definities:
|
1.1. |
de definities van Reglement nr. 48 en van de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, zijn van toepassing op dit reglement; |
|
1.2. |
„lens”: het buitenste onderdeel van de koplamp(unit) dat via het verlichtingsoppervlak licht doorlaat; |
|
1.3. |
„coating”: alle producten of combinaties van producten die in een of meer lagen op de buitenkant van een lens worden aangebracht; |
|
1.4. |
„bij elkaar horend paar”: de set lichten met dezelfde functie aan de linker- en rechterkant van het voertuig; |
|
1.5. |
„koplampen van verschillende typen”: koplampen die verschillen op essentiële punten zoals:
|
|
1.6. |
De verwijzingen in dit reglement naar standaardgloeilampen (referentiegloeilampen) en naar standaardgasontladingslichtbronnen (referentielichtbronnen) zijn verwijzingen naar respectievelijk de Reglementen nr. 37 en nr. 99 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is. |
2. GOEDKEURINGSAANVRAAG VOOR EEN KOPLAMP (2)
|
2.1. |
De goedkeuringsaanvraag wordt door de eigenaar van de handelsnaam of het merk van de koplamp of door zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger ingediend. Daarin wordt aangegeven:
|
|
2.2. |
Elke aanvraag gaat vergezeld van:
|
|
2.3. |
bij een gedistribueerd verlichtingssysteem 10 monsters van het materiaal waarvan de lichtgeleider en andere optische componenten van het systeem zijn gemaakt en van de eventueel aanwezige bijbehorende beschermende coating of afscherming. |
|
2.4. |
Als de eigenschappen van de materialen waaruit de lens en, bij een gedistribueerd verlichtingssysteem, de optische componenten van het systeem, en de eventueel aanwezige coatings of afschermingen bestaan, al eerder zijn getest, moet het desbetreffende testrapport worden bijgevoegd. |
3. OPSCHRIFTEN
|
3.1. |
Op koplampen of gedistribueerde verlichtingssystemen die ter goedkeuring worden aangeboden, moet leesbaar en onuitwisbaar de handelsnaam of het merk van de aanvrager zijn aangebracht. |
|
3.2. |
De lens en de hoofdbehuizing ervan (3) moeten voldoende plaats bieden voor het goedkeuringsmerk en de aanvullende symbolen zoals bedoeld in punt 4; deze plaats moet op de in punt 2.2.1 bedoelde tekeningen worden aangegeven. |
|
3.3. |
Koplampen die zijn ontworpen om aan de voorschriften voor zowel rechts als links verkeer te voldoen, moeten voorzien zijn van een opschrift dat de twee standen van de optische eenheid op het voertuig of van de gasontladingslichtbron op de reflector aangeeft; dit opschrift bestaat uit de letters R/D voor de stand voor rechts verkeer en de letters L/G voor de stand voor links verkeer. |
|
3.4. |
Alle lichtbundels mogen op hun lichtuitstralend oppervlak voorzien zijn van een referentiepunt zoals aangegeven in bijlage 6. |
|
3.5. |
Bij een lichtgenerator of een gedistribueerd verlichtingssysteem met een niet krachtens Reglement nr. 99 goedgekeurde niet-vervangbare gasontladingslichtbron, moeten op de lichtgenerator de handelsnaam of het merk van de fabrikant en het in punt 2.2.2 bedoelde onderdeelnummer worden aangebracht. |
|
3.6. |
Lichten met ledmodule(s) moeten voorzien zijn van een opschrift met de nominale spanning en het nominale vermogen en van de specifieke identificatiecode van de lichtbronmodule. |
|
3.7. |
Op de samen met de goedkeuringsaanvraag voor het licht ingediende ledmodule(s) moet:
|
|
3.8. |
Als gebruik wordt gemaakt van een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme dat geen deel uitmaakt van de ledmodule, moet het worden voorzien van een opschrift met de specifieke identificatiecode(s), de nominale voedingsspanning en het nominale vermogen. |
4. GOEDKEURING
4.1. Algemeen
|
4.1.1. |
Als alle overeenkomstig punt 2 ingediende monsters van een type koplamp aan de voorschriften van dit reglement voldoen, wordt goedkeuring verleend. |
|
4.1.2. |
Koplampen die aan dit reglement voldoen, mogen met andere verlichtings- of lichtsignaalfuncties worden gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd, op voorwaarde dat de diverse verlichtingsfuncties niet worden geschaad. |
|
4.1.3. |
Wanneer gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten aan de voorschriften van meer dan één reglement voldoen, mag een enkel internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht, op voorwaarde dat elk van deze lichten voldoet aan de toepasselijke bepalingen. |
|
4.1.4. |
Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers geven de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring (momenteel 01). Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander onder dit reglement vallend type koplamp toekennen. Een bij elkaar horend paar wordt evenwel als één type beschouwd. |
|
4.1.5. |
Van de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een type koplamp krachtens dit reglement wordt aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 1. |
|
4.1.6. |
Behalve het in punt 3.1 voorgeschreven opschrift moet op elke koplamp die conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd type, op de in punt 3.2 bedoelde plaatsen het in de punten 4.2 en 4.3 beschreven goedkeuringsmerk worden aangebracht. |
4.2. Samenstelling van het goedkeuringsmerk
Het goedkeuringsmerk bestaat uit:
|
4.2.1. |
een internationaal goedkeuringsmerk, bestaande uit:
|
|
4.2.2. |
een of meer van de volgende aanvullende symbolen:
|
|
4.2.3. |
In elk geval moeten de tijdens de testprocedure volgens punt 1.1.1.1 van bijlage 4 toegepaste werkwijze en de volgens punt 1.1.1.2 van bijlage 4 toegestane spanning(en) worden vermeld op de goedkeuringsformulieren en op de mededelingenformulieren die worden gezonden naar de landen die partij zijn bij de overeenkomst en dit reglement toepassen. In de dienovereenkomstige gevallen moet de voorziening op de volgende wijze worden gemarkeerd:
|
|
4.2.4. |
De twee cijfers van het goedkeuringsnummer die de wijzigingenreeks aangeven met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring, en de eventueel voorgeschreven pijl mogen dicht bij de bovenstaande aanvullende symbolen worden aangebracht. |
|
4.2.5. |
De in de punten 4.2.1 tot en met 4.2.3 bedoelde markeringen en symbolen moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn. Zij mogen worden aangebracht op een (al dan niet transparant) binnen- of buitendeel van de koplamp dat niet kan worden gescheiden van het transparante deel van de koplamp dat het licht uitstraalt. Bij een gedistribueerd verlichtingssysteem met in de lichtgeleider ingebouwde buitenlens wordt deze voorwaarde geacht te zijn vervuld, als het goedkeuringsmerk ten minste op de lichtgenerator en op de lichtgeleider of afscherming ervan is aangebracht. De markering moet in ieder geval zichtbaar zijn wanneer de koplamp op het voertuig is gemonteerd of wanneer een beweegbaar deel zoals de motorkap is geopend. |
4.3. Opstelling van het goedkeuringsmerk
4.3.1. Afzonderlijke lichten
In bijlage 2, figuren 1 tot en met 9, worden voorbeelden gegeven van de opstelling van goedkeuringsmerken in combinatie met de bovenvermelde aanvullende symbolen.
4.3.2. Gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten
|
4.3.2.1. |
Wanneer gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten aan de voorschriften van verscheidene reglementen voldoen, mag een enkel internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht, bestaande uit een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend, en een goedkeuringsnummer. Dit goedkeuringsmerk mag op een willekeurige plaats op de gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten worden aangebracht, op voorwaarde dat:
|
|
4.3.2.2. |
Het identificatiesymbool dat voor elk licht aangeeft krachtens welk reglement goedkeuring is verleend, de bijbehorende wijzigingenreeks met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring en de eventueel voorgeschreven pijl worden aangebracht:
|
|
4.3.2.3. |
De elementen waaruit een enkel goedkeuringsmerk is opgebouwd, mogen niet kleiner zijn dan de minimumafmetingen waaraan het kleinste afzonderlijke opschrift moet voldoen krachtens het reglement op basis waarvan goedkeuring is verleend. |
|
4.3.2.4. |
Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet toekennen aan een ander type gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten dat onder dit reglement valt. |
|
4.3.2.5. |
In bijlage 2, figuur 10, worden voorbeelden gegeven van de opstelling van goedkeuringsmerken voor gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten in combinatie met alle bovenvermelde aanvullende symbolen. |
4.3.3. Lichten waarvan de lens wordt gebruikt voor verschillende typen koplampen en die mogen worden samengebouwd of gegroepeerd met andere lichten
De bepalingen van punt 4.3.2 zijn van toepassing.
|
4.3.3.1. |
Wanneer dezelfde lens wordt gebruikt, mogen daarop bovendien de verschillende goedkeuringsmerken voor de verschillende typen koplampen of lichtunits zijn aangebracht, op voorwaarde dat de hoofdbehuizing van de koplamp, ook al kan zij niet van de lens kan worden gescheiden, tevens de in punt 3.2 beschreven plaats biedt en voorzien is van de goedkeuringsmerken voor de te vervullen functies. |
|
4.3.3.2. |
In bijlage 2, figuur 11, worden voorbeelden gegeven van de opstelling van goedkeuringsmerken voor bovenstaand geval. |
4.3.4. Gedistribueerde verlichtingssystemen
Gedistribueerde verlichtingssystemen moeten aan de relevante bepalingen van de punten 4.3.1 tot en met 4.3.3.2 en ook aan de voorschriften van punt 3.4 voldoen.
B. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR KOPLAMPEN (5)
5. ALGEMENE SPECIFICATIES
5.1. Elk monster moet voldoen aan de specificaties van de punten 6 tot en met 8.
5.2. Koplampen moeten zo zijn gemaakt dat zij bij normaal gebruik, ondanks de trillingen waaraan zij kunnen worden blootgesteld, hun voorgeschreven fotometrische eigenschappen behouden en goed blijven functioneren.
5.2.1. Koplampen moeten worden gemonteerd met een voorziening waarmee zij op het voertuig zo kunnen worden afgesteld dat zij voldoen aan de desbetreffende voorschriften. Een dergelijke voorziening hoeft niet te worden aangebracht op units waarbij de reflector en de strooilens niet van elkaar kunnen worden gescheiden, op voorwaarde dat dergelijke units alleen worden gebruikt op voertuigen waarbij de koplampen met andere middelen kunnen worden afgesteld.
Wanneer een koplamp die hoofddimlicht produceert en een koplamp die grootlicht produceert, elk met haar eigen lichtbron(nen), zijn samengebouwd om een samengestelde unit te vormen, moet elk optisch systeem met de verstelinrichting afzonderlijk correct kunnen worden afgesteld. Dit geldt ook voor koplampen die mistvoorlicht en grootlicht produceren, voor koplampen die hoofddimlicht en mistvoorlicht produceren, en voor koplampen die alle drie produceren.
5.2.2. Deze bepalingen gelden echter niet voor samenstellen van koplampen waarvan de reflectoren niet van elkaar kunnen worden gescheiden. Voor dergelijke samenstellen gelden de voorschriften van punt 6.3.
5.3. Koplampen die zijn ontworpen om aan de voorschriften voor zowel rechts als links verkeer te voldoen, mogen naderhand aan een van beide verkeerssystemen worden aangepast, hetzij door een geschikte beginafstelling bij de montage op het voertuig, hetzij door een selectieve afstelling door de gebruiker. Die beginafstelling of selectieve afstelling kan er bijvoorbeeld in bestaan de optische eenheid onder een bepaalde hoek op het voertuig te bevestigen of de lichtbron(nen) onder een bepaalde hoek te plaatsen ten opzichte van de optische eenheid. In ieder geval mogen maar twee duidelijk bepaalde en verschillende standen, één voor rechts en één voor links verkeer, mogelijk zijn en moet het ontwerp zo zijn dat een ongewilde omschakeling van de ene in de andere stand of in een tussenstand onmogelijk is. Wanneer de lichtbron twee verschillende standen kan innemen, moeten de onderdelen om de lichtbron aan de reflector te bevestigen, zo zijn ontworpen en vervaardigd dat de lichtbron in elk van die twee standen met dezelfde nauwkeurigheid wordt bevestigd als bij koplampen die slechts voor één verkeerssysteem zijn ontworpen. Aan de hand van een visuele inspectie en, zo nodig, een testmontage zal worden gecontroleerd of aan de voorschriften van dit punt is voldaan.
5.4. Configuratie van de verlichting voor verschillende verkeersomstandigheden
5.4.1. Bij koplampen die zijn ontworpen om alleen aan de voorschriften van één verkeerssysteem (rechts of links verkeer) te voldoen, moeten passende maatregelen worden genomen om hinder te voorkomen voor weggebruikers in een land waar het verkeer aan de andere kant van de weg rijdt (6). Voorbeelden van dergelijke maatregelen zijn:
|
a) |
verduistering van een deel van het buitenoppervlak van de lens van de koplamp; |
|
b) |
beweging van de lichtbundel naar beneden. Horizontale beweging is toegestaan; |
|
c) |
elke andere maatregel om het asymmetrische deel van de lichtbundel te verwijderen of te beperken. |
5.4.2. Na de toepassing van deze maatregel(en) moet met de afstelling voor het oorspronkelijke verkeerssysteem aan de volgende voorschriften inzake lichtsterkte van de koplamp worden voldaan:
|
5.4.2.1. |
dimlicht ontworpen voor rechts verkeer en aangepast aan links verkeer:
|
|
5.4.2.2. |
dimlicht ontworpen voor links verkeer en aangepast aan rechts verkeer:
|
5.5. Op koplampen die zijn ontworpen om afwisselend grootlicht en dimlicht te produceren of dimlicht en/of grootlicht dat bochtverlichting wordt, moet elke daartoe in de koplamp geïntegreerde mechanische, elektromechanische of andere voorziening (7) zo zijn geconstrueerd dat:
|
5.5.1. |
de voorziening robuust genoeg is om onder normale gebruiksomstandigheden 50 000 wisselingen te doorstaan. Om na te gaan of aan dit voorschrift wordt voldaan, kan de voor de goedkeuringstests verantwoordelijk technische dienst:
|
|
5.5.2. |
bij een defect de lichtsterkte van de koplamp boven lijn HH de waarden van een dimlicht volgens punt 6.2.6 niet overschrijdt; voor koplampen die zijn ontworpen om dimlicht en/of grootlicht te produceren dat bochtverlichting wordt, geldt bovendien een lichtsterkte van ten minste 2 500 cd op testpunt 25 V (lijn VV, 1,72 D). |
|
5.5.3. |
het hoofddimlicht of het grootlicht altijd kan worden verkregen, zonder dat het mechanisme tussen de twee standen in kan stoppen; |
|
5.5.4. |
de gebruiker de vorm of positie van de bewegende delen niet met gewoon gereedschap kan wijzigen. |
5.6. Om ervoor te zorgen dat tijdens het gebruik geen excessieve verandering van de fotometrische prestaties optreedt, moeten aanvullende tests worden uitgevoerd volgens de voorschriften van bijlage 4.
5.7. Lichtdoorlatende kunststofonderdelen moeten volgens de voorschriften van bijlage 5 worden getest.
5.8. Vervangbaarheid van lichtbronnen
5.8.1. De gasontladingslichtbron(nen) die in gasontladingskoplampen of in gedistribueerde verlichtingssystemen wordt (worden) gebruikt, moet(en) kunnen worden vervangen en moeten zijn goedgekeurd krachtens Reglement nr. 99 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is. Gasontladingslichtbronnen die niet krachtens Reglement nr. 99 zijn goedgekeurd, mogen echter alleen worden gebruikt als zij een niet-vervangbaar deel van een lichtgenerator zijn. Bij gedistribueerde verlichtingssystemen mag de lichtgenerator zonder speciaal gereedschap kunnen worden vervangen, ook wanneer de daarin gebruikte lichtbron niet is goedgekeurd.
5.8.2. Als in de gasontladingskoplamp een of meer (extra) lichtbronnen met gloeidraad worden gebruikt, moeten deze zijn goedgekeurd krachtens Reglement nr. 37 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, op voorwaarde dat daarin geen gebruiksbeperkingen worden opgelegd.
5.8.3. De voorziening moet zo zijn ontworpen dat de gloeilamp enkel en alleen in de correcte stand kan worden gemonteerd.
5.8.4. In geval van vervangbare gasontladingslichtbronnen en van extra lichtbronnen met gloeidraad moet de lamphouder qua afmetingen voldoen aan de eigenschappen die op het voor de gebruikte categorie lichtbronnen relevante datablad van IEC-publicatie 60061 zijn aangegeven. De lichtbron(nen) moet(en) gemakkelijk in de koplamp kunnen worden gemonteerd.
5.9. In gedistribueerde verlichtingssystemen gebruikte niet-vervangbare gasontladingslichtbronnen die niet krachtens Reglement nr. 99 zijn goedgekeurd, moeten bovendien voldoen aan de volgende voorschriften (die overeenkomen met die in Reglement nr. 99 voor de goedkeuring van gasontladingslichtbronnen):
|
5.9.1. |
ontsteken, opwarmen en warm opnieuw ontsteken zoals voorgeschreven in punt 3.6 van Reglement nr. 99; |
|
5.9.2. |
kleur zoals voorgeschreven in punt 3.9 van Reglement nr. 99. De kleur moet wit zijn; |
|
5.9.3. |
uv-straling zoals voorgeschreven in punt 3.10 van Reglement nr. 99, indien zo aangegeven in de goedkeuringsaanvraag (zie punt 2.2.2). |
5.10. De koplamp en haar ballastsysteem mogen geen storingen in de straling of stroomvoorziening genereren waardoor andere elektrische of elektronische systemen van het voertuig slecht gaan functioneren (8).
5.11. Als dat nodig is voor de testprocedure, kan de testinstantie van de fabrikant extra testmonsters, testbanken (houders) of bijzondere voedingen verlangen.
5.12. De testprocedure moet volgens de montagespecificaties van de fabrikant worden uitgevoerd.
5.13. De koplamp (indien uitgerust met ledmodules) en de ledmodule(s) zelf moeten voldoen aan de desbetreffende voorschriften in bijlage 11. De naleving van de voorschriften moet worden getest.
6. VERLICHTINGSSTERKTE
6.1. Algemene bepalingen
6.1.1. Koplampen of gedistribueerde verlichtingssystemen moeten zo worden vervaardigd dat zij met een geschikte gasontladingslichtbron voor voldoende verlichting zonder verblinding zorgen bij dimlicht en voor goede verlichting bij grootlicht.
6.1.2. De door de koplamp geproduceerde lichtsterkte moet op 25 m afstand worden gemeten door middel van een foto-elektrische cel met een nuttig oppervlak dat valt binnen een vierkant met zijden van 65 mm. Het punt HV is het middelpunt van het coördinatenstelsel met verticale poolas. Lijn h is de horizontaal door HV (zie bijlage 3).
6.1.3. De koplamp of het gedistribueerde verlichtingssysteem wordt aanvaardbaar geacht als aan de fotometrische voorschriften van dit punt 6 wordt voldaan met één lichtbron die volgens punt 4 van bijlage 4 bij Reglement nr. 99 al gedurende ten minste 15 cycli heeft gebrand.
Wanneer de gasontladingslichtbron is goedgekeurd krachtens Reglement nr. 99, moet zij een standaardlichtbron (referentielichtbron) zijn en mag haar lichtstroom verschillen van de objectieve lichtstroom die in dat reglement is aangegeven. In dat geval moet de lichtsterkte dienovereenkomstig worden gecorrigeerd.
Deze correctie geldt niet voor gedistribueerde verlichtingssystemen met een niet-vervangbare gasontladingslichtbron en voor koplampen met volledig of gedeeltelijk geïntegreerde ballast(en).
Wanneer de gasontladingslichtbron niet is goedgekeurd krachtens Reglement nr. 99, moet zij een niet-vervangbare lichtbron uit serieproductie zijn.
6.1.4. De afmetingen die de positie van de lichtboog binnen de standaard gasontladingslichtbron bepalen, zijn aangegeven op het desbetreffende datablad van Reglement nr. 99.
6.1.5. De naleving van de fotometrische voorschriften moet volgens punt 6.2.6 of 6.3 worden gecontroleerd. Dit geldt ook voor het gedeelte van de licht-donkergrens tussen 3°R en 3°L (een meetmethode voor de kleur van de licht-donkergrens wordt momenteel bestudeerd).
6.1.6. De kleur van de door koplampen met gasontladingslichtbronnen uitgestraalde lichtbundels moet wit zijn.
6.1.7. Vier seconden na het ontsteken van een koplamp die is uitgerust met een gasontladingslichtbron waarbij de ballast niet in de lichtbron is geïntegreerd en die 30 minuten of langer niet heeft gebrand, moet:
|
6.1.7.1. |
ten minste 37 500 cd worden bereikt op punt HV, bij een koplamp die alleen grootlicht produceert; |
|
6.1.7.2. |
ten minste 6 250 cd worden bereikt op 50 V, bij koplampen die alleen dimlicht of afwisselend grootlicht- en dimlichtfuncties produceren, zoals beschreven in punt 5.4. |
|
6.1.7.3. |
In beide gevallen moet de voeding volstaan om de vereiste stijging van de hogestroompuls te waarborgen. |
6.2. Voorschriften voor dimlicht
6.2.1. De lichtsterkteverdeling van de dimlichtkoplamp moet een licht-donkergrens (zie figuur 1) omvatten waarmee de koplamp voor de fotometrische metingen en voor het richten ervan op het voertuig correct kan worden afgesteld.
De licht-donkergrens moet bestaan uit:
|
a) |
bij dimlicht voor rechts verkeer:
|
|
b) |
bij dimlicht voor links verkeer:
|
In beide gevallen moet het „elleboog-schouderdeel” een scherpe hoek hebben.
6.2.2. De koplamp moet door middel van de licht-donkergrens (zie figuur 1) met het blote oog als volgt worden gericht. Voor het richten moet gebruik worden gemaakt van een vlak verticaal scherm dat 10 m of 25 m (als aangegeven in bijlage 1, punt 9) vóór de koplamp en loodrecht op de as H-V, als geïllustreerd in bijlage 3, wordt geplaatst. Het scherm moet breed genoeg zijn om de licht-donkergrens van het dimlicht in een gebied van ten minste 5° aan weerszijden van lijn VV te kunnen onderzoeken en afstellen.
6.2.2.1. Voor de verticale afstelling wordt het horizontale deel van de licht-donkergrens van onder lijn B naar boven verplaatst en afgesteld op zijn nominale positie 1 % (0,57°) onder lijn HH;
Figuur 1
Opmerking: voor de verticale en de horizontale lijnen is een andere schaal gebruikt.
6.2.2.2. Voor de horizontale afstelling moet het „elleboog-schouderdeel” van de licht-donkergrens worden verplaatst:
|
|
voor rechts verkeer, van rechts naar links en vervolgens horizontaal zo worden gepositioneerd dat:
of |
|
|
voor links verkeer, van links naar rechts en vervolgens horizontaal zo worden gepositioneerd dat:
|
6.2.2.3. Wanneer een koplamp die zo is gericht, niet aan de voorschriften van de punten 6.2.5, 6.2.6 en 6.3 voldoet, mag de afstelling worden gewijzigd, op voorwaarde dat de as van de lichtbundel niet wordt verplaatst:
|
|
horizontaal vanaf lijn A met meer dan:
|
|
|
verticaal niet meer dan 0,25° naar boven of naar beneden vanaf lijn B. |
6.2.2.4. Als de verticale afstelling in de vereiste positie binnen de in punt 6.2.2.3 beschreven toleranties echter niet herhaaldelijk kan worden uitgevoerd, moet de instrumentele methode van bijlage 10, punten 2 en 3, worden toegepast om te testen of de licht-donkergrens de vereiste minimumkwaliteit bezit en de verticale en horizontale afstelling van de lichtbundel uit te voeren.
6.2.3. Als de goedkeuring alleen voor dimlicht wordt aangevraagd, moet de koplamp bij deze afstelling alleen voldoen aan de voorschriften van de punten 6.2.4 en 6.2.5; als de koplamp zowel dimlicht als grootlicht moet produceren, moet zij voldoen aan de voorschriften van de punten 6.2.4 tot en met 6.2.6.
6.2.4. Per dimlichtkoplamp is slechts één gasontladingslichtbron toegestaan. Maximaal twee extra lichtbronnen zijn toegestaan als volgt:
6.2.4.1. één extra lichtbron volgens Reglement nr. 37 of een of meer extra ledmodules mogen binnen de dimlichtkoplamp worden gebruikt om bochtverlichting te helpen produceren;
6.2.4.2. één extra lichtbron volgens Reglement nr. 37 en/of een of meer ledmodules mogen binnen de dimlichtkoplamp worden gebruikt om infraroodstraling te genereren. Deze mag of mogen alleen samen met de gasontladingslichtbron worden geactiveerd. Wanneer de gasontladingslichtbron uitvalt, moeten deze extra lichtbron en/of de ledmodule(s) automatisch worden uitgeschakeld.
6.2.4.3. Wanneer een extra lichtbron of ledmodule uitvalt, moet de koplamp blijven voldoen aan de voorschriften voor het dimlicht.
6.2.4.4. Meetomstandigheden naar gelang de lichtbronnen
|
6.2.4.4.1. |
In het geval van een gasontladingslichtbron:
de op de aansluitpunten van de ballast(en) toegepaste spanning is 13,2 V ± 0,1 voor 12 V-systemen of anders zoals aangegeven (zie bijlage 7). |
|
6.2.4.4.2. |
In het geval van een lichtbron met gloeidraad overeenkomstig Reglement nr. 37:
de lamp wordt gemeten met behulp van een kleurloze standaardgloeilamp (referentiegloeilamp) die bestemd is voor een nominale spanning van 12 V. Tijdens de tests wordt de spanning op de aansluitpunten Van de gloeilamp zo geregeld dat de op het desbetreffende datablad van Reglement nr. 37 aangegeven referentielichtstroom bij 13,2 V wordt verkregen. |
|
6.2.4.4.3. |
In het geval van een of meer ledmodules:
de lamp wordt gemeten bij respectievelijk 6,3 V, 13,2 V of 28,0 V, tenzij anders aangegeven in dit reglement. Ledmodules met elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme worden gemeten volgens de specificaties van de aanvrager. |
6.2.5. Meer dan tien minuten na het ontsteken moet de lichtsterkte op de testpunten waarnaar wordt verwezen in onderstaande tabel en in bijlage 3, figuur B (of gespiegeld over lijn VV voor links verkeer) voldoen aan de volgende voorschriften:
|
Punten of segmenten |
Aanduiding (*2) |
Lichtsterkte (cd) |
Horizontale hoek (graden) |
Verticale hoek (graden) |
|||||||||||||||||
|
Max. |
Min. |
||||||||||||||||||||
|
Elk punt in zone A (begrensd door de volgende coördinaten in graden) 8L 8L 8R 8R 6R 1,5R V-V 4L 1U 4U 4U 2U 1,5U 1,5U H-H H-H |
625 |
|
|
|
|||||||||||||||||
|
2 |
B 50 L |
350 |
|
3,43 L |
0,57 U |
||||||||||||||||
|
3 |
75 R |
|
12 500 |
1,15 R |
0,57 D |
||||||||||||||||
|
4 |
50 L |
18 480 |
|
3,43 L |
0,86 D |
||||||||||||||||
|
5 |
25 L1 |
18 800 |
|
3,43 L |
1,72 D |
||||||||||||||||
|
6 |
50 V |
|
7 500 |
0 |
0,86 D |
||||||||||||||||
|
7 |
50 R |
|
12 500 |
1,72 R |
0,86 D |
||||||||||||||||
|
8 |
25 L2 |
|
2 500 |
9 L |
1,72 D |
||||||||||||||||
|
9 |
25 R1 |
|
2 500 |
9 R |
1,72 D |
||||||||||||||||
|
10 |
25 L3 |
|
1 250 |
15 L |
1,72 D |
||||||||||||||||
|
11 |
25 R2 |
|
1 250 |
15 R |
1,72 D |
||||||||||||||||
|
12 |
15 L |
|
625 |
20 L |
2,86 D |
||||||||||||||||
|
13 |
15 R |
|
625 |
20 R |
2,86 D |
||||||||||||||||
|
14 |
|
|
8 L |
4 U |
|||||||||||||||||
|
15 |
|
|
0 |
4 U |
|||||||||||||||||
|
16 |
|
|
8 R |
4 U |
|||||||||||||||||
|
17 |
|
|
4 L |
2 U |
|||||||||||||||||
|
18 |
|
|
0 |
2 U |
|||||||||||||||||
|
19 |
|
|
4 R |
2 U |
|||||||||||||||||
|
20 |
|
|
65 |
8 R |
0 |
||||||||||||||||
|
21 |
|
|
125 |
4 L |
0 |
||||||||||||||||
|
A t/m B |
Segment I |
|
3 750 |
5,15 L t/m 5,15 R |
0,86 D |
||||||||||||||||
|
C t/m D |
|
1 750 |
|
2,5 R |
1 U |
||||||||||||||||
|
E t/m F |
Segment III en daaronder |
12 500 |
|
9,37 L t/m 8,53 R |
4,29 D |
||||||||||||||||
|
|
Emax R |
43 800 |
|
rechts van lijn VV |
boven 1,72 D |
||||||||||||||||
|
|
Emax L |
31 300 |
|
links van lijn VV |
|
||||||||||||||||
|
Opmerking: De letters in de tabel hebben de volgende betekenis:
|
|||||||||||||||||||||
6.2.6. De voorschriften van punt 6.2.5 gelden ook voor koplampen die zijn ontworpen om bochtverlichting te produceren en/of die de in punt 6.2.4.2 bedoelde extra lichtbron of ledmodule(s) bevatten. Bij een koplamp die is ontworpen om bochtverlichting te produceren, mag de afstelling worden gewijzigd, op voorwaarde dat de as van de lichtbundel verticaal niet meer dan 0,2° wordt verplaatst.
6.2.6.1. Als bochtverlichting wordt verkregen:
|
6.2.6.1.1. |
door het dimlicht te draaien of de knik in de elleboog van de licht-donkergrens horizontaal te verschuiven, moeten de metingen worden uitgevoerd nadat de koplamp in haar geheel opnieuw horizontaal is gericht, bv. door middel van een hoekmeter; |
|
6.2.6.1.2. |
door een of meer optische componenten van de koplamp te bewegen zonder de knik in de elleboog van de licht-donkergrens horizontaal te verschuiven, moeten de metingen worden uitgevoerd met deze componenten in hun uiterste werkstand; |
|
6.2.6.1.3. |
door middel van een extra lichtbron of een of meer ledmodules zonder de knik in de elleboog van de licht-donkergrens horizontaal te verschuiven, moeten de metingen worden uitgevoerd terwijl deze lichtbron of ledmodule(s) brandt (branden). |
6.3. Bepalingen voor grootlicht
6.3.1. Bij een koplamp die is ontworpen om grootlicht en dimlicht te produceren, moet de lichtsterkte van het grootlicht worden gemeten met dezelfde afstelling van de koplamp als bij de metingen van punt 6.2.5; een koplamp die alleen grootlicht produceert, moet zo worden afgesteld dat het centrum van het gebied waarin de lichtsterkte maximaal is, samenvalt met het snijpunt van de lijnen HH en VV; een dergelijke koplamp hoeft alleen te voldoen aan de voorschriften van punt 6.3. De testspanningen zijn dezelfde als in punt 6.2.4.4.
6.3.2. Voor het grootlicht kunnen meerdere lichtbronnen worden gebruikt; deze zijn vermeld in Reglement nr. 37 (in dit geval moeten de gloeilampen hun referentielichtstroom produceren) of in Reglement nr. 99 en/of het zijn ledmodule(s). Wanneer meer dan een lichtbron wordt gebruikt om het grootlicht te produceren, moeten deze lichtbronnen gelijktijdig worden bediend terwijl de maximale lichtsterkte (IM) wordt bepaald.
Het is ook mogelijk dat een deel van het door een van deze lichtbronnen geproduceerde grootlicht alleen wordt gebruikt voor korte signalen (knipperen om in te halen), zoals aangegeven door de aanvrager. Dit moet op de desbetreffende tekening worden aangegeven en op het mededelingenformulier worden vermeld.
6.3.3. Met verwijzing naar bijlage 3, figuur C, en onderstaande tabel moet de lichtsterkteverdeling van de grootlichtbundel aan de volgende voorschriften voldoen.
|
Testpunt |
Hoekcoördinaten Graden |
Vereiste lichtsterkte cd |
|
|
|
Min. |
|
H-5L |
0,0, 5,0 L |
6 250 |
|
H-2,5L |
0,0, 2,5 L |
25 000 |
|
H-2,5R |
0,0, 2,5 R |
25 000 |
|
H-5R |
0,0, 5,0 R |
6 250 |
6.3.3.1. Het snijpunt (HV) van de lijnen HH en VV moet zich binnen de isolux van 80 % van de maximale lichtsterkte bevinden. Die maximumwaarde (IM) moet minstens 43 800 cd bedragen.
6.3.3.2. De maximumwaarde (IM) mag in geen geval meer dan 215 000 cd bedragen.
6.3.4. De referentiemarkering (I′M) van de maximale lichtsterkte, als bedoeld in punt 6.3.3.2, wordt als volgt verkregen:
I′M = IM/4 300.
Deze waarde wordt afgerond op de waarden 7,5 – 10 – 12,5 – 17,5 – 20 – 25 – 27,5 – 30 – 37,5 – 40 – 45 – 50.
6.4. Bepalingen voor beweegbare reflectoren
6.4.1. Met de lamp in alle in punt 2.1.4 beschreven posities moet de koplamp voldoen aan de fotometrische voorschriften van punt 6.2 en/of punt 6.3.
6.4.2. Aanvullende tests worden uitgevoerd nadat de reflector met de verstelinrichtingen van de koplamp over de in punt 2.1.4 genoemde hoek of, als deze meer dan 2° bedraagt, over 2° verticaal naar boven is versteld. Dan wordt de koplamp weer naar beneden gericht (met de hoekmeter) en moet aan de fotometrische specificaties worden voldaan op de volgende punten:
|
hoofddimlicht |
: |
HV en 75 R (respectievelijk 75 L); |
|
grootlicht |
: |
IM en punt HV (percentage van IM). |
Als de verstelinrichting geen traploze verstelling mogelijk maakt, moet de positie worden gekozen die het dichtst bij 2° ligt.
6.4.3. De reflector wordt weer in zijn nominale hoekpositie gebracht, zoals gedefinieerd in punt 6.2.2, en de hoekmeter wordt in zijn uitgangspositie teruggezet. De reflector wordt met de verstelinrichting van de koplamp over de in punt 2.1.4 genoemde hoek of, als deze meer dan 2° bedraagt, over 2° verticaal naar beneden versteld. Dan wordt de koplamp weer naar boven gericht (bv. met de hoekmeter) en worden de in punt 6.5.2 genoemde punten gecontroleerd.
7. METEN VAN DE HINDER EN/OF BELEMMERING
De door het dimlicht van koplampen veroorzaakte hinder en/of belemmering moet worden gemeten (9).
C. ANDERE ADMINISTRATIEVE BEPALINGEN
8. WIJZIGING VAN HET KOPLAMPTYPE EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING
|
8.1. |
Elke wijziging van het koplamptype en van de ballast moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die het koplamptype heeft goedgekeurd. Deze instantie kan dan:
|
|
8.2. |
De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen, moet volgens de procedure van punt 4.1.5 worden meegedeeld aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen. |
|
8.3. |
De bevoegde instantie die de goedkeuring uitbreidt, kent een volgnummer toe aan elk mededelingenformulier dat voor een dergelijke uitbreiding wordt opgesteld en stelt de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1. |
9. CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
|
9.1. |
Krachtens dit reglement goedgekeurde koplampen moeten zo zijn vervaardigd dat zij conform zijn met het goedgekeurde type door te voldoen aan de voorschriften van punt 6. |
|
9.2. |
Om na te gaan of aan de voorschriften van punt 9.1 is voldaan, moeten passende controles van de productie worden uitgevoerd. |
|
9.3. |
De houder van de goedkeuring moet met name:
|
|
9.4. |
De bevoegde instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, mag op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste conformiteitscontrolemethoden verifiëren.
|
|
9.5. |
Koplampen met zichtbare defecten worden buiten beschouwing gelaten. |
|
9.6. |
De referentiemarkering wordt buiten beschouwing gelaten. |
|
9.7. |
De meetpunten 14 tot en met 21 van punt 6.2.6 worden niet in aanmerking genomen. |
10. SANCTIES BIJ NIET-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
|
10.1. |
De krachtens dit reglement voor een type koplamp verleende goedkeuring kan worden ingetrokken, indien niet aan de voorschriften is voldaan of indien een van het goedkeuringsmerk voorziene koplamp niet conform is met het goedgekeurde type. |
|
10.2. |
Als een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder door haar verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1. |
11. DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE
Als de houder van een goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd type koplamp definitief stopzet, stelt hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis. Zodra deze instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1.
12. NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE TYPEGOEDKEURINGSINSTANTIES
De partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring en de definitieve stopzetting van de productie moeten worden gezonden.
13. OVERGANGSBEPALINGEN
|
13.1. |
Vanaf de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 01 van dit reglement mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuring te verlenen krachtens dit reglement, zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01. |
|
13.2. |
Om ervoor te zorgen dat de technische diensten (testlaboratoria) hun testapparatuur kunnen bijwerken mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast tot 60 maanden na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 01 bij dit reglement met betrekking tot de wijzigingen die zijn ingevoerd bij wijzigingenreeks 01 inzake de fotometrische testprocedures waarbij gebruik wordt gemaakt van het bolcoördinatenstelsel en de specificatie van lichtsterktewaarden, niet weigeren goedkeuringen te verlenen krachtens dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, wanneer bestaande testapparatuur wordt gebruikt en de waarden tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie op passende wijze worden omgerekend. |
|
13.3. |
Vanaf 60 maanden na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 01 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen nog goedkeuring verlenen voor koplampen die voldoen aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01. |
|
13.4. |
Bestaande goedkeuringen voor koplampen die krachtens dit reglement al vóór de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 01 zijn verleend, blijven geldig. |
|
13.5. |
De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen geen uitbreiding weigeren van goedkeuringen die krachtens de vorige wijzigingenreeks van dit reglement zijn verleend. |
(1) Niets in dit reglement belet een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, om de combinatie van een krachtens dit reglement goedgekeurde „PL-koplamp” (koplamp met kunststoflens) met een mechanische schoonmaakinrichting voor koplampen (met wissers) op door haar geregistreerde voertuigen te verbieden.
(2) Voor gasontladingslichtbronnen: zie Reglement nr. 99.
(3) Als de lens niet van de hoofdbehuizing van de koplamp kan worden verwijderd, volstaat een enkel opschrift, zoals bedoeld in punt 4.2.5.
(4) De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2/Amend.1.
(5) Technische voorschriften voor gasontladingslichtbronnen: zie Reglement nr. 99.
(6) Reglement nr. 48 geeft voorschriften voor de installatie van koplampen waarvoor dergelijke maatregelen zijn genomen.
(7) Deze bepalingen gelden niet voor de bedieningsschakelaar.
(8) De naleving van de voor het desbetreffende voertuigtype geldende voorschriften inzake elektromagnetische compatibiliteit is van essentieel belang.
(*1) De waarden van de lichtsterkte op de punten 14 tot en met 19 moeten zo zijn dat:
|
|
14 + 15 + 16 ≥ 190 cd, en |
|
|
17 + 18 + 19 ≥ 375 cd. |
(*2) Voor links verkeer moet de letter R worden vervangen door de letter L en vice versa.
(9) Hierover zullen de instanties een aanbeveling ontvangen.
BIJLAGE 2
VOORBEELDEN VAN DE OPSTELLING VAN GOEDKEURINGSMERKEN
Figuur 1
a ≥ 8 mm (op glas)
a ≥ 5 mm (op kunststof)
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp die in Nederland (E4) is goedgekeurd onder nummer 2439 en voldoet aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01. Het dimlicht is alleen ontworpen voor rechts verkeer.
Het getal 30 geeft aan dat de maximumlichtsterkte van het grootlicht tussen 123 625 en 145 125 candela ligt.
Opmerking: Het goedkeuringsnummer en de aanvullende symbolen moeten dicht bij de cirkel en hetzij boven of onder de letter „E”, hetzij rechts of links van die letter worden geplaatst. De cijfers van het goedkeuringsnummer moeten zich aan dezelfde kant van de letter „E” bevinden en in dezelfde richting wijzen.
Het gebruik van Romeinse cijfers als goedkeuringsnummer moet worden vermeden om verwarring met andere symbolen te voorkomen.
|
Figuur 2
|
Figuur 3a
|
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp die aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, voor zowel dimlicht als grootlicht voldoet en:
|
alleen ontworpen is voor links verkeer |
ontworpen is voor zowel links als rechts verkeer, door de stand van de optische eenheid of de lichtbron op het voertuig aan te passen |
Figuur 3b
|
Figuur 4
|
Figuur 5
|
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp die alleen met een gasontladingslichtbron voor dimlicht aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, voldoet, uitgerust is met een kunststoflens en:
|
ontworpen is voor zowel rechts als links verkeer |
alleen ontworpen is voor rechtsverkeer |
Figuur 6
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp die alleen met gasontladingslichtbronnen voor grootlicht aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, voldoet en gecombineerd, gegroepeerd of samengebouwd is met een mistvoorlicht.
|
Figuur 7 a
|
Figuur 7b
|
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp die voldoet aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01:
|
enkel met een gasontladingslichtbron voor dimlicht en die alleen ontworpen is voor links verkeer. |
zoals in figuur 6, maar het mistvoorlicht kan niet tegelijk met het grootlicht worden ontstoken. |
|
Figuur 8
|
Figuur 9
|
Identificatie van een dimlichtkoplamp die voldoet aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, een kunststoflens bevat
|
en gecombineerd, gegroepeerd of samengebouwd is met een halogeengrootlicht R 8. |
en voor zowel rechts als links verkeer ontworpen is. |
|
Het dimlicht mag niet tegelijk met het halogeengrootlicht worden ontstoken. Het dimlicht is alleen ontworpen voor rechts verkeer. |
Het dimlicht mag niet tegelijk met een andere samengebouwde koplamp worden ontstoken. |
Figuur 10
Bovenstaand goedkeuringsmerk identificeert een gedistribueerd verlichtingssysteem dat gebruikmaakt van een gasontladingslichtbron en voldoet aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, voor zowel dimlicht als grootlicht voor links en rechts verkeer.
Voorbeelden van mogelijke vereenvoudigde opschriften voor gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten die aan de voorkant van het voertuig zijn gemonteerd
Figuur 11
(De verticale en horizontale lijnen zijn een schematische voorstelling van de vorm van de lichtsignaalinrichting. Zij maken geen deel uit van het goedkeuringsmerk.)
Model A
Model B
Model C
Model D
Opmerking: De vier bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op een verlichtingsinrichting met een goedkeuringsmerk voor:
|
|
een breedtelicht, goedgekeurd krachtens Reglement nr. 7, wijzigingenreeks 01, voor montage aan de linkerkant; |
|
|
een koplamp met een voor rechts en links verkeer ontworpen gasontladingsdimlicht en een gasontladingsgrootlicht met een maximumlichtsterkte tussen 123 625 en 145 125 candela (aangegeven door het cijfer 30), die is goedgekeurd krachtens dit reglement in zijn oorspronkelijke vorm en een kunststoflens bevat; |
|
|
een mistvoorlicht dat is goedgekeurd krachtens Reglement nr. 19, wijzigingenreeks 02, en een kunststoflens bevat; |
|
|
een voorrichtingaanwijzer van categorie 1a, goedgekeurd krachtens Reglement nr. 6, wijzigingenreeks 01. |
Figuur 12
Met een koplamp samengebouwd of gegroepeerd licht
Voorbeeld 1
Bovenstaand voorbeeld komt overeen met het opschrift van een lens die bestemd is voor gebruik in verschillende typen koplampen, namelijk:
ofwel:
een koplamp met een voor rechts en links verkeer ontworpen dimlicht en een grootlicht met een maximumlichtsterkte tussen 80 625 en 96 750 candela (aangegeven door het cijfer 20), goedgekeurd in Nederland (E4) krachtens Reglement nr. 8, wijzigingenreeks 04, en
een breedtelicht, goedgekeurd krachtens Reglement nr. 7, wijzigingenreeks 01;
of
een koplamp met een gasontladingsdimlicht en een grootlicht met een maximumlichtsterkte tussen 123 625 en 145 125 candela (aangegeven door het cijfer 30), ontworpen voor zowel links als rechts verkeer en goedgekeurd in Nederland krachtens de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, die is samengebouwd met hetzelfde breedtelicht als hierboven
of
beide bovengenoemde koplampen die als een enkel licht zijn goedgekeurd.
Op de hoofdbehuizing van de koplamp wordt het enige geldige goedkeuringsnummer aangebracht, bijvoorbeeld:
|
|
|
of |
|
|
of |
|
of |
|
Voorbeeld 2
Bovenstaand voorbeeld komt overeen met het opschrift van een kunststoflens die wordt gebruikt in een samenstel van twee in Nederland (E4) onder nummer 81151 goedgekeurde koplampen, bestaande uit:
|
|
een koplamp met een voor zowel links als rechts verkeer ontworpen halogeendimlicht en een halogeengrootlicht met een maximumlichtsterkte tussen x en y candela, die aan de voorschriften van Reglement nr. 8 voldoet, en |
|
|
een koplamp die een gasontladingsgrootlicht met een maximumlichtsterkte tussen w en z candela produceert, voldoet aan de voorschriften van dit reglement, als gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, en waarvan de maximumlichtsterkte van alle grootlichtcomponenten samen tussen 123 625 en 145 125 candela ligt (aangegeven door het cijfer 30). |
Figuur 13
Ledmodules
De ledmodule met bovenstaande lichtbronidentificatiecode is goedgekeurd samen met een licht dat in Italië (E3) is goedgekeurd onder nummer 17325.
BIJLAGE 3
MEETSYSTEEM MET BOLCOÖRDINATEN EN LOCATIES VAN MEETPUNTEN
Figuur A
Meetsysteem met bolcoördinaten
Figuur B
Dimlicht voor rechts verkeer
De locaties van meetpunten voor links verkeer worden gespiegeld over lijn VV.
Figuur C
Meetpunten voor grootlicht
BIJLAGE 4
TESTS VAN DE STABILITEIT VAN DE FOTOMETRISCHE PRESTATIES VAN BRANDENDE KOPLAMPEN
Test op complete koplampen
Zodra de fotometrische waarden volgens de voorschriften van dit reglement in het punt Imax voor grootlicht en in de punten HV, 50 R en B 50 L voor dimlicht (of HV, 50 L en B 50 R bij voor links verkeer ontworpen koplampen) zijn gemeten, wordt een monster van een complete koplamp op de stabiliteit van de fotometrische prestaties tijdens de werking getest. Onder „complete koplamp” wordt verstaan het volledige licht zelf, inclusief ballast(en) en omringende carrosseriedelen en lichten die de warmtedissipatie ervan kunnen beïnvloeden.
De tests worden uitgevoerd:
|
a) |
in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 ± 5 °C, waarbij het testmonster wordt gemonteerd op een steun die de correcte installatie op het voertuig simuleert; |
|
b) |
bij vervangbare lichtbronnen: met lichtbronnen met gloeidraad uit massaproductie die al ten minste één uur hebben gebrand, gasontladingslichtbronnen uit massaproductie die al ten minste 15 uur hebben gebrand, of ledmodules uit massaproductie die al ten minste 48 uur hebben gebrand en zijn afgekoeld tot omgevingstemperatuur voordat wordt begonnen met de in dit reglement voorgeschreven tests. Hierbij wordt gebruikgemaakt van de door de aanvrager geleverde ledmodules. |
De meetapparatuur moet gelijkwaardig zijn aan die welke bij typegoedkeuringstests van koplampen wordt gebruikt.
Het testmonster wordt ontstoken zonder dat het van zijn testopstelling wordt genomen of ten opzichte daarvan wordt bijgesteld. De gebruikte lichtbron moet behoren tot de voor die koplamp voorgeschreven categorie.
1. TEST VAN DE STABILITEIT VAN DE FOTOMETRISCHE PRESTATIES
De tests worden uitgevoerd in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 ± 5 °C, waarbij de complete koplamp wordt gemonteerd op een steun die de correcte installatie op het voertuig simuleert.
1.1. Schone koplamp
De koplamp moet 12 uur lang op de in punt 1.1.1 aangegeven wijze branden en worden gecontroleerd zoals voorgeschreven in punt 1.1.2.
1.1.1. Testprocedure
De koplamp moet gedurende de voorgeschreven tijd op de volgende wijze branden:
1.1.1.1.
|
a) |
wanneer maar één verlichtingsfunctie (grootlicht of dimlicht) moet worden goedgekeurd, laat men de desbetreffende lichtbron gedurende de voorgeschreven tijd branden (1); |
|
b) |
wanneer een dimlichtkoplamp en een grootlichtkoplamp of een mistvoorlicht en een grootlichtkoplamp zijn samengebouwd:
|
|
c) |
bij gegroepeerde verlichtingsfuncties moeten alle afzonderlijke functies gedurende de daarvoor voorgeschreven tijd a) tegelijk worden ontstoken, waarbij ook rekening wordt gehouden met het gebruik van samengebouwde verlichtingsfuncties b), volgens de specificaties van de fabrikant; |
|
d) |
bij een dimlicht dat ontworpen is om bochtverlichting te produceren door toevoeging van een lichtbron, wordt deze lichtbron 1 minuut ingeschakeld en 9 minuten uitgeschakeld terwijl men alleen het dimlicht laat branden (zie aanhangsel v an deze bijlage); |
|
e) |
wanneer het grootlicht meerdere lichtbronnen gebruikt volgens punt 6.3.2 en de aanvrager verklaart dat een deel van het grootlicht (een van deze extra lichtbronnen) alleen wordt gebruikt voor korte signalen (knipperen om in te halen), wordt de test zonder dat deel van het grootlicht uitgevoerd. |
1.1.1.2. Testspanning
De spanning wordt op de aansluitpunten van het testmonster als volgt toegepast:
|
a) |
bij vervangbare lichtbronnen met gloeidraad die direct op de spanning van het voertuig werken, wordt de test uitgevoerd bij respectievelijk 6,3 V, 13,2 V of 28,0 V, behalve als de aanvrager vermeldt dat het testmonster bij een andere spanning mag worden gebruikt. In dat geval wordt de test met de lichtbron met gloeidraad uitgevoerd bij de hoogste toegelaten spanning; |
|
b) |
bij vervangbare gasontladingslichtbronnen bedraagt de testspanning voor het elektronische lichtbronbedieningsmechanisme 13,2 ± 0,1 V voor voertuigen met 12 V-systeem of anders zoals aangegeven in de goedkeuringsaanvraag; |
|
c) |
bij niet-vervangbare lichtbronnen die direct op de spanning van het voertuig werken, worden alle metingen aan verlichtingseenheden met niet-vervangbare lichtbronnen (lichtbronnen met gloeidraad en/of andere lichtbronnen) bij 6,3 V, 13,2 V of 28,0 V verricht of bij een andere, door de aanvrager aangegeven voertuigspanning; |
|
d) |
bij vervangbare of niet-vervangbare lichtbronnen die onafhankelijk van de voedingsspanning van het voertuig in werking worden gesteld en door het systeem volledig worden gecontroleerd, of bij lichtbronnen met een eigen voedings- en bedieningsinrichting worden bovengenoemde testspanningen op de ingangsklemmen van die inrichting toegepast. Het testlaboratorium mag van de fabrikant verlangen dat hij de voedings- en bedieningsinrichting of een speciale voeding voor de lichtbronnen ter beschikking stelt; |
|
e) |
ledmodules worden gemeten bij respectievelijk 6,75 V, 13,2 V of 28,0 V, tenzij anders aangegeven in dit reglement. Ledmodules met elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme worden gemeten volgens de specificaties van de aanvrager; |
|
f) |
wanneer signaallichten gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd zijn in het testmonster en zij op een andere spanning dan de nominale spanning van respectievelijk 6, 12 of 24 V werken, wordt de spanning aangepast zoals aangegeven door de fabrikant voor de correcte fotometrische werking van die lichten. |
1.1.2. Testresultaten
1.1.2.1. Visuele inspectie
Zodra de koplamp op de omgevingstemperatuur is gestabiliseerd, worden de lens van de koplamp en, indien aanwezig, de buitenlens met een schone en vochtige katoenen doek gereinigd. Daarop volgt een visuele inspectie; daarbij mogen noch in de lens van de koplamp, noch in de eventueel aanwezige buitenlens vervormingen, barsten of kleurveranderingen worden geconstateerd.
1.1.2.2. Fotometrische test
Volgens de voorschriften van dit reglement worden de fotometrische waarden gecontroleerd op de volgende punten:
|
|
dimlicht:
|
|
|
grootlicht: punt Imax. |
Er mag een nieuwe afstelling plaatsvinden ter compensatie van een eventuele vervorming van de koplampsteun als gevolg van de warmte (de verplaatsing van de licht-donkergrens wordt behandeld in punt 2).
Behalve voor punt B 50 L is een afwijking van 10 % tussen de fotometrische eigenschappen en de vóór de test gemeten waarden, met inbegrip van de toleranties van de fotometrische procedure, toegestaan. De op punt B 50 L gemeten waarde mag de vóór de test gemeten fotometrische waarde met niet meer dan 170 cd overschrijden.
1.2. Vuile koplamp
Nadat de koplamp op de in punt 1.1 aangegeven wijze is getest, moet zij op de in punt 1.2.1 voorgeschreven wijze worden geprepareerd. Vervolgens moet de koplamp gedurende één uur branden zoals beschreven in punt 1.1.1, en worden gecontroleerd zoals voorgeschreven in punt 1.1.2.
1.2.1. Prepareren van de koplamp
1.2.1.1. Testmengsel
|
1.2.1.1.1. |
Voor een koplamp met glazen buitenlens:
|
|
1.2.1.1.2. |
Voor een koplamp met kunststof buitenlens:
|
1.2.1.2. Aanbrengen van het testmengsel op de koplamp
Het testmengsel wordt gelijkmatig op het volledige lichtuitstralende oppervlak van de koplamp aangebracht, waarna men het laat drogen. Deze procedure wordt herhaald totdat de verlichtingssterkte op elk van de onderstaande punten is gedaald tot 15 à 20 % van de waarde die onder de in deze bijlage beschreven omstandigheden is gemeten:
|
|
punt Emax bij dimlicht/grootlicht en alleen grootlicht, |
|
|
50 R en 50 V (5) voor een koplamp die alleen dimlicht produceert en die is ontworpen voor rechts verkeer, |
|
|
50 L en 50 V (5) voor een koplamp die alleen dimlicht produceert en die is ontworpen voor links verkeer. |
2. TEST VOOR DE VERTICALE VERPLAATSING VAN DE LICHT-DONKERGRENS ONDER INVLOED VAN DE WARMTE
Met deze test wordt geverifieerd of de verticale verplaatsing van de licht-donkergrens van een brandende koplamp die dimlicht produceert, onder invloed van de warmte een voorgeschreven waarde niet overschrijdt.
Na de test van punt 1 wordt de koplamp onderworpen aan de in punt 2.1 beschreven test, zonder dat zij van haar testopstelling wordt genomen of ten opzichte daarvan wordt bijgesteld.
Als de koplamp een beweegbare reflector heeft, wordt voor deze test alleen de positie het dichtst bij de gemiddelde verticale hoek gekozen.
2.1. Test voor dimlichtkoplampen
De test wordt uitgevoerd in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 ± 5 °C.
Met behulp van een gasontladingslichtbron uit massaproductie die al ten minste 15 uur heeft gebrand, wordt de koplamp op dimlichtfunctie ontstoken, zonder dat zij van haar testopstelling wordt genomen of ten opzichte daarvan wordt bijgesteld. (Voor deze test wordt de spanning op de in punt 1.1.1.2 voorgeschreven wijze ingesteld.) De positie van het horizontale deel van de licht-donkergrens (tussen VV en de verticaal door punt B 50 L voor koplampen voor rechts verkeer of B 50 R voor koplampen voor links verkeer) wordt geverifieerd nadat de koplamp 3 minuten (r3), respectievelijk 60 minuten (r60) heeft gebrand.
De meting van de hierboven beschreven verplaatsing van de licht-donkergrens wordt uitgevoerd met gelijk welke methode die voldoende nauwkeurigheid en reproduceerbare resultaten oplevert.
2.2. Testresultaten
|
2.2.1. |
Voor een dimlichtkoplamp wordt het resultaat, uitgedrukt in milliradialen (mrad), aanvaardbaar geacht wanneer de bij die koplamp geregistreerde absolute waarde |
|
2.2.2. |
Bedraagt deze waarde echter:
dan wordt een tweede koplamp aan de in punt 2.1 beschreven test onderworpen. Dit gebeurt nadat de koplamp driemaal na elkaar aan de hieronder beschreven cyclus is onderworpen om de positie van de mechanische delen van de koplamp die is bevestigd op een steun die de correcte installatie ervan op het voertuig simuleert, te stabiliseren:
|
(1) Als de geteste koplamp is gegroepeerd en/of samengebouwd met signaallichten, moeten deze tijdens de hele test blijven branden. Gaat het om een richtingaanwijzer, dan moet deze knipperend worden ontstoken, waarbij de tijd dat hij oplicht ongeveer gelijk moet zijn aan de tijd dat hij gedoofd is.
(2) Als twee of meer lichtbronnen tegelijk gaan branden wanneer met de koplampen wordt geknipperd, wordt dat niet als normaal gelijktijdig gebruik van de lichtbronnen beschouwd.
(3) NaCMC is het natriumzout van carboxymethylcellulose, dat gewoonlijk wordt aangeduid als CMC. Het in het vuilmengsel gebruikte NaCMC moet een substitutiegraad (DS) van 0,6-0,7 hebben en een viscositeit van 200-300 cP voor een 2 %-oplossing bij een temperatuur van 20 °C.
(4) Voor de hoeveelheid geldt een tolerantie, omdat vuil moet worden verkregen dat zich op de juiste wijze over de hele kunststoflens verspreidt.
(5) 50 V ligt 375 mm onder HV op de verticale lijn VV op het scherm op 25 m afstand.
Aanhangsel
Overzicht van de activeringsperioden voor de test van de stabiliteit van de fotometrische prestaties
|
Afkortingen |
: |
P: dimlichtkoplamp D: grootlichtkoplamp (D1 + D2 betekent twee grote lichten) F: mistvoorlicht |
|
|
betekent een cyclus van 15 minuten uit en 5 minuut aan |
|
|
betekent een cyclus van 9 minuten uit en 1 minuut aan |
|
|
betekent een cyclus van 15 minuten aan en 5 minuten uit |
De volgende gegroepeerde koplampen en mistvoorlichten en de vermelde merktekens worden louter ter illustratie gegeven en zijn niet exhaustief.
1. P of D of F (DC of DR of B)
P, D of F
Extra lichtbron of ledmodule(s) voor bochtverlichting
2. P+F (DC B) of P+D (DCR)
Extra lichtbron of ledmodule(s) voor bochtverlichting
D of F
P
3. P+F (DC B/) of DC/B of P+D (DC/R)
D of F
P
Extra lichtbron of ledmodule(s) voor bochtverlichting
4. P+D (DCR) met dezelfde lichtbron
Extra lichtbron of ledmodule(s) voor bochtverlichting
D
P
BIJLAGE 5
Voorschriften voor lichten met kunststoflens — tests van lenzen of materiaalmonsters en van complete lichten
1. ALGEMENE SPECIFICATIES
|
1.1. |
De volgens de punten 2.2.5 en 2.3 van dit reglement verstrekte monsters moeten voldoen aan de specificaties van de punten 2.1 tot en met 2.5 van deze bijlage. |
|
1.2. |
De twee volgens punt 2.2.4 van dit reglement verstrekte monsters van complete lichten/systemen met kunststoflens moeten, wat het lensmateriaal betreft, voldoen aan de onderstaande specificaties. |
|
1.3. |
De monsters van kunststoflenzen of de materiaalmonsters moeten met de reflector waarvoor zij zijn bestemd (voor zover van toepassing), aan goedkeuringstests worden onderworpen in de chronologische volgorde die in aanhangsel 1, tabel A, van deze bijlage is aangegeven. |
|
1.4. |
Als de fabrikant van het licht echter kan aantonen dat het product de in de punten 2.1 tot en met 2.5 beschreven tests of gelijkwaardige tests krachtens een ander reglement al met succes heeft doorstaan, hoeven die tests niet te worden herhaald; alleen de in aanhangsel 1, tabel B, voorgeschreven tests zijn verplicht. |
|
1.5. |
Als de koplampen alleen voor rechts of alleen voor links verkeer zijn ontworpen, mogen de tests overeenkomstig deze bijlage op slechts één door de aanvrager te kiezen monster worden uitgevoerd. |
2. TESTS
2.1. Bestandheid tegen temperatuurveranderingen
2.1.1. Tests
Drie nieuwe monsters (lenzen) worden aan vijf cycli van temperatuur- en luchtvochtigheidsverandering (RV = relatieve luchtvochtigheid) onderworpen volgens het onderstaande programma:
|
a) |
3 uur bij 40 ± 2 °C en 85-95 % RV; |
|
b) |
1 uur bij 23 ± 5 °C en 60-75 % RV. |
|
c) |
15 uur bij – 30 ± 2 °C; |
|
d) |
1 uur bij 23 ± 5 °C en 60-75 % RV. |
|
e) |
3 uur bij 80 ± 2 °C; |
|
f) |
1 uur bij 23 ± 5 °C en 60-75 % RV. |
Vóór deze test moeten de monsters ten minste 4 uur lang op 23 ± 5 °C en 60-75 % RV worden gehouden.
|
Opmerking: |
de perioden van één uur bij 23 ± 5 °C omvatten de overgangsperioden van de ene temperatuur naar de andere die nodig zijn om thermische schokken te vermijden. |
2.1.2. Fotometrische metingen
2.1.2.1. Methode
Voor en na de test worden op de monsters fotometrische metingen verricht.
Deze metingen worden met een standaardlamp verricht op de volgende punten:
B 50 L en 50 R voor het dimlicht van een dimlichtlamp of een dimlicht/grootlichtlamp (B 50 R en 50 L bij koplampen voor links verkeer);
Imax voor het grootlicht.
2.1.2.2. Resultaten
Het verschil tussen de bij elk monster gemeten fotometrische waarden vóór en na de test mag, met inbegrip van de toleranties van de fotometrische procedure, niet meer dan 10 % bedragen.
2.2. Bestandheid tegen stoffen in de atmosfeer en tegen chemische stoffen
2.2.1. Bestandheid tegen stoffen in de atmosfeer
Drie nieuwe monsters (lenzen of materiaalmonsters) worden blootgesteld aan straling van een bron met een spectrale energiedistributie zoals die van een zwart voorwerp bij een temperatuur tussen 5 500 en 6 000 K. Tussen de bron en de monsters worden passende filters geplaatst om straling met een golflengte van minder dan 295 nm en meer dan 2 500 nm zoveel mogelijk te beperken. De monsters worden zolang aan een verlichtingssterkte van 1 200 ± 200 W/m2 blootgesteld dat de lichtenergie die zij ontvangen, gelijk is aan 4 500 ± 200 MJ/m2. Binnen de opstelling moet de op de zwarte plaat ter hoogte van de monsters gemeten temperatuur 50 ± 5 °C bedragen. Voor een gelijkmatige blootstelling moeten de monsters met een snelheid van 1 tot 5 omw/min rond de stralingsbron draaien.
De monsters worden met gedestilleerd water met een soortelijke geleiding van minder dan 1 μS/m bij een temperatuur van 23 ± 5 °C besproeid volgens de onderstaande cyclus:
|
besproeien |
: |
5 minuten; |
|
drogen |
: |
25 minuten. |
2.2.2. Bestandheid tegen chemische stoffen
Na de test van punt 2.2.1 en de meting van punt 2.2.3.1 wordt het buitenoppervlak van de drie monsters op de in punt 2.2.2.2 beschreven wijze met het in punt 2.2.2.1 gedefinieerde mengsel behandeld.
2.2.2.1. Testmengsel
Het testmengsel bestaat uit 61,5 % n-heptaan, 12,5 % tolueen, 7,5 % ethyltetrachloride, 12,5 % trichloorethyleen en 6 % xyleen (vol. %).
2.2.2.2. Aanbrengen van het testmengsel
Doordrenk een stuk katoenen doek (conform ISO 105) tot verzadiging met het in punt 2.2.2.1 gedefinieerde mengsel en breng dit binnen 10 seconden gedurende 10 minuten op het buitenoppervlak van het monster aan met een druk van 50 N/cm2, wat overeenkomt met een kracht van 100 N die op een testoppervlak van 14 × 14 mm wordt uitgeoefend.
Gedurende deze 10 minuten wordt de doek opnieuw met het mengsel doordrenkt, zodat de samenstelling van de aangebrachte vloeistof steeds identiek blijft aan die van het voorgeschreven testmengsel.
Tijdens het aanbrengen mag de op het monster uitgeoefende druk worden gecompenseerd om het ontstaan van barsten te voorkomen.
2.2.2.3. Wassen
Na het aanbrengen van het testmengsel worden de monsters in open lucht gedroogd en vervolgens met de in punt 2.3 (bestandheid tegen detergentia) beschreven oplossing gewassen bij 23 ± 5 °C.
Daarna worden de monsters zorgvuldig gespoeld met gedestilleerd water dat niet meer dan 0,2 % verontreinigingen bevat bij 23 ± 5 °C en vervolgens met een zachte doek afgedroogd.
2.2.3. Resultaten
2.2.3.1. Na de test van de bestandheid tegen stoffen in de atmosfeer mag de buitenkant van de monsters geen barsten, krassen, afschilferingen of vervormingen vertonen en mag het gemiddelde verschil in lichtdoorlating
2.2.3.2. Na het testen van de bestandheid tegen chemische stoffen mogen de monsters geen sporen vertonen van chemische aanslag die een afwijking van de lichtstroomverstrooiing kan veroorzaken. Het gemiddelde verschil in lichtverstrooiing
2.2.4. Bestandheid tegen straling van de lichtbron
De volgende test wordt uitgevoerd:
|
|
Vlakke monsters van elk lichtdoorlatend kunststofonderdeel van de koplamp worden aan het licht van de gasontladingslichtbron blootgesteld. De parameters zoals de hoeken en afstanden van deze monsters, moeten dezelfde zijn als in de koplamp. De monsters moeten dezelfde kleur hebben en in voorkomend geval dezelfde oppervlaktebehandeling hebben ondergaan als de delen van de koplamp. |
|
|
Na 1 500 uur continue blootstelling moet met een nieuwe standaardgasontladingslichtbron aan de colorimetrische specificaties van het doorgelaten licht worden voldaan en mag het oppervlak van de monsters geen barsten, krassen, afschilferingen of vervormingen vertonen. |
2.3. Bestandheid tegen detergentia en koolwaterstoffen
2.3.1. Bestandheid tegen detergentia
De buitenkant van drie monsters (lenzen of materiaalmonsters) wordt verwarmd tot 50 ± 5 °C en vervolgens vijf minuten ondergedompeld in een mengsel dat op een temperatuur van 23 ± 5 °C wordt gehouden en dat bestaat uit 99 delen gedestilleerd water met niet meer dan 0,02 % verontreinigingen en 1 deel alkylarylsulfonaat.
Aan het eind van de test worden de monsters gedroogd bij 50 ± 5 °C. Het oppervlak van de monsters wordt met een vochtige doek schoongemaakt.
2.3.2. Bestandheid tegen koolwaterstoffen
Daarna wordt met een katoenen doek die met een mengsel van 70 % n-heptaan en 30 % tolueen (vol.-%) is doordrenkt, één minuut lang zachtjes gewreven over de buitenkant van deze drie monsters. Vervolgens worden de monsters in open lucht gedroogd.
2.3.3. Resultaten
Nadat beide bovengenoemde tests na elkaar zijn verricht, mag de gemiddelde waarde van het verschil in lichtdoorlating
2.4. Bestandheid tegen mechanische slijtage
2.4.1. Testmethode voor mechanische slijtage
De buitenkant van drie nieuwe monsters (lenzen) wordt aan de uniforme mechanische-slijtagetest onderworpen volgens de in aanhangsel 3 van deze bijlage beschreven methode.
2.4.2. Resultaten
Na deze test wordt het verschil:
|
in lichtdoorlating |
: |
|
|
en in lichtverstrooiing |
: |
|
in het in punt 2.2.4 gespecificeerde gebied gemeten volgens de procedure van aanhangsel 2. De gemiddelde waarde bij de drie monsters moet zo zijn dat:
|
|
Δtm ≤ 0,100; |
|
|
Δdm ≤ 0,050. |
2.5. Test van de hechting van eventueel aanwezige coatings
2.5.1. Prepareren van het monster
Een oppervlak van 20 × 20 mm van de coating van een lens wordt met een scheermesje of een naald in een rasterpatroon gesneden, waarbij elk vierkantje ongeveer 2 × 2 mm meet. De druk op het mesje of de naald moet voldoende zijn om ten minste door de coating heen te snijden.
2.5.2. Beschrijving van de test
Gebruik plakband met een hechtvermogen van 2 N/(cm breedte) ± 20 %, gemeten onder de genormaliseerde omstandigheden die zijn beschreven in aanhangsel 4. Dit plakband, dat minstens 25 mm breed moet zijn, wordt ten minste 5 minuten lang op het volgens punt 2.5.1 geprepareerde oppervlak gedrukt.
Vervolgens wordt het uiteinde van het plakband zodanig belast dat het hechtvermogen op het desbetreffende oppervlak in evenwicht wordt gehouden door een kracht loodrecht op dat oppervlak. Op dat ogenblik wordt het plakband met een constante snelheid van 1,5 ± 0,2 m/s losgetrokken.
2.5.3. Resultaten
Het gerasterde oppervlak mag niet noemenswaardig zijn aangetast. Beschadigingen op de snijpunten van het raster of aan de rand van de insnijdingen zijn toegestaan, mits het aangetaste gebied niet groter is dan 15 % van het gerasterde oppervlak.
2.6. Tests van de complete koplamp met kunststoflens
2.6.1. Bestandheid van het lensoppervlak tegen mechanische slijtage
2.6.1.1. Tests
De lens van koplampmonster nr. 1 wordt aan de in punt 2.4.1 beschreven test onderworpen.
2.6.1.2. Resultaten
Na de test mogen de resultaten van de fotometrische metingen die krachtens dit reglement op de koplamp zijn verricht, niet meer dan
|
a) |
30 % hoger zijn dan de op de punten B 50 L en HV voorgeschreven maximumwaarden en 10 % lager zijn dan de op punt 75 R voorgeschreven minimumwaarden (bij koplampen voor links verkeer respectievelijk de punten B 50 R, HV en 75 L). of |
|
b) |
10 % lager zijn dan de voor punt HV voorgeschreven minimumwaarden bij een koplamp die alleen grootlicht produceert. |
2.6.2. Test van de hechting van eventueel aanwezige coatings
De lens van koplampmonster nr. 2 wordt aan de in punt 2.5 beschreven test onderworpen.
Aanhangsel 1
CHRONOLOGISCHE VOLGORDE VAN DE GOEDKEURINGSTESTS
A. Tests van kunststoffen (volgens punt 2.2.4 van dit reglement verstrekte lenzen of materiaalmonsters)
|
Monsters Tests |
Lenzen of materiaalmonsters |
Lenzen |
||||||||||||||
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
||
|
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
|
|
|
|
||
B. Tests van complete koplampen (verstrekt volgens punt 2.2.3 van dit reglement)
|
Tests |
Complete koplamp |
|||
|
Monster nr. |
||||
|
1 |
2 |
|||
|
x |
|
||
|
x |
|
||
|
|
x |
||
Aanhangsel 2
Methode voor het meten van de lichtverstrooiing en -doorlating
1. APPARATUUR (ZIE FIGUUR)
De bundel van een collimator K met een halve divergentie β/2 = 17.4 × 10–4 rd wordt tot 6 mm gediafragmeerd door middel van een diafragma DT waartegen zich de monsterstander bevindt.
Een achromatische convergerende lens L2, gecorrigeerd voor sferische aberraties, verbindt diafragma DT met ontvanger R; de diameter van lens L2 moet zo zijn dat deze niet het licht diafragmeert dat door het monster wordt verstrooid in een kegel met een halvetophoek van β/2 = 14°.
Een ringvormig diafragma DD met hoeken α/2 = 1° en αmax/2 = 12° wordt in een beeldbrandvlak van lens L2 geplaatst.
Het niet-transparante middengedeelte van het diafragma is noodzakelijk om het licht dat rechtstreeks van de lichtbron komt, te elimineren. Het moet mogelijk zijn het middengedeelte van het diafragma zo van de lichtbundel te verwijderen dat het precies naar zijn oorspronkelijke stand terugkeert.
De afstand L2 DT en de brandpuntslengte F2 (1) van lens L2 worden zo gekozen dat het beeld van DT ontvanger R volledig bedekt.
Wanneer de eerste invallende lichtstroom op 1 000 eenheden wordt gesteld, moet de absolute nauwkeurigheid van elke afgelezen waarde beter zijn dan 1 eenheid.
2. METINGEN
De volgende waarden worden afgelezen:
|
Aflezing |
Met monster |
Met middengedeelte van DD |
Weergegeven hoeveelheid |
|
T1 |
neen |
neen |
Invallende lichtstroom bij eerste aflezing |
|
T2 |
ja (vóór de test) |
neen |
Door het nieuwe materiaal doorgelaten lichtstroom in een gebied van 24 |
|
T3 |
ja (na de test) |
neen |
Door het geteste materiaal doorgelaten lichtstroom in een gebied van 24 |
|
T4 |
ja (vóór de test) |
ja |
Door het nieuwe materiaal verstrooide lichtstroom |
|
T5 |
ja (na de test) |
ja |
Door het geteste materiaal verstrooide lichtstroom |
Figuur 1
Optisch schema voor de meting van afwijkingen in lichtverstrooiing en -doorlating
(1) Voor L2 wordt een brandpuntsafstand van circa 80 mm aanbevolen.
Aanhangsel 3
SPUITTESTMETHODE
1. TESTAPPARATUUR
1.1. Spuitpistool
Het gebruikte spuitpistool moet voorzien zijn van een spuitopening met een diameter van 1,3 mm voor een doorstromingssnelheid van 0,24 ± 0,02 l/min bij een bedrijfsdruk van 6,0 bar – 0/+ 0,5 bar.
Onder deze bedrijfsomstandigheden moet het verkregen waaierpatroon een diameter van 170 ± 50 mm hebben op het aan slijtage blootgestelde oppervlak, op 380 ± 10 mm afstand van de spuitopening.
1.2. Testmengsel
Het testmengsel bestaat uit:
|
a) |
kiezelzand met hardheid 7 op de schaal van Mohs, een korrelgrootte tussen 0 en 0,2 mm en een vrijwel normale distributie, en een hoekfactor van 1,8 tot 2; |
|
b) |
water met een hardheid van niet meer dan 205 g/m3 voor een mengsel dat 25 g zand per liter water bevat. |
2. TEST
Het buitenoppervlak van de lenzen wordt eenmaal of meermaals aan de inwerking van een op de hierboven beschreven wijze voortgebrachte zandstraal blootgesteld. De straal wordt vrijwel loodrecht op het te testen oppervlak gericht.
De slijtage wordt gecontroleerd aan de hand van een of meer glasmonsters die als referentie dicht bij de te testen lenzen zijn geplaatst. Het mengsel wordt gespoten totdat het verschil in lichtverstrooiing op het monster (de monsters), gemeten volgens de in aanhangsel 2 beschreven methode, zo is dat:
Er kunnen meerdere referentiemonsters worden gebruikt om na te gaan of het volledige te testen oppervlak homogeen gesleten is.
Aanhangsel 4
PLAKBANDHECHTINGSTEST
1. DOEL
Deze methode maakt het mogelijk onder genormaliseerde omstandigheden het lineaire hechtvermogen van plakband op een glasplaat te bepalen.
2. PRINCIPE
Meting van de kracht die nodig is om plakband onder een hoek van 90° van een glasplaat los te maken.
3. VOORGESCHREVEN ATMOSFERISCHE OMSTANDIGHEDEN
Als omgevingscondities gelden 23 ± 5 °C en 65 ± 15 % relatieve luchtvochtigheid (RV).
4. TESTSTUKKEN
Vóór de test wordt de rol met het te onderzoeken plakband gedurende 24 uur in de gespecificeerde atmosfeer bewaard (zie punt 3).
Van elke rol worden vijf stukken van 400 mm lang getest. Deze teststukken worden van de rol genomen nadat de eerste drie wikkelingen zijn verwijderd.
5. PROCEDURE
De test vindt plaats onder de in punt 3 vermelde omgevingscondities.
Neem de vijf teststukken terwijl het plakband radiaal wordt ontrold met een snelheid van circa 300 mm/s; breng ze vervolgens binnen 15 seconden op de volgende wijze aan:
|
|
breng het plakband in een vloeiende beweging aan op de glasplaat en wrijf het met de vinger lichtjes in lengterichting vast zonder al te veel druk uit te oefenen en wel op zodanige wijze dat er tussen het plakband en de glasplaat geen luchtbellen achterblijven; |
|
|
laat het geheel 10 minuten rusten in de voorgeschreven atmosferische omstandigheden; |
|
|
maak ongeveer 25 mm van het teststuk los van de plaat in een vlak loodrecht op de as van het teststuk; |
|
|
zet de plaat vast en vouw het vrije uiteinde van het plakband om in een hoek van 90°. Oefen op zodanige wijze kracht uit dat de scheidingslijn tussen het plakband en de plaat loodrecht op deze kracht en loodrecht op de plaat staat; |
|
|
trek los met een snelheid van 300 ± 30 mm/s en noteer de vereiste kracht. |
6. RESULTATEN
De vijf verkregen waarden worden gerangschikt en de mediaan wordt als resultaat van de meting genomen. Deze waarde wordt uitgedrukt in Newton per centimeter breedte van het plakband.
BIJLAGE 6
REFERENTIEPUNT
Deze facultatieve markering van het referentiepunt wordt op de lens aangebracht op het snijpunt met de referentieas van het dimlicht en tevens op de lens van grote lichten die niet met een dimlicht zijn gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd.
Bovenstaande tekening geeft de markering van het referentiepunt weer, zoals geprojecteerd op een vlak dat de lens ter hoogte van het middelpunt van de cirkel nagenoeg raakt. De markering mag uit doorlopende lijnen of uit stippellijnen bestaan.
BIJLAGE 7
MARKERINGEN VAN DE SPANNING
|
Dit opschrift moet worden aangebracht op de hoofdbehuizing van elke koplamp die alleen gasontladingslichtbronnen en een ballast bevat, en op elk extern deel van de ballast. |
|
Dit opschrift moet worden aangebracht op de hoofdbehuizing van elke koplamp die ten minste één gasontladingslichtbron en een ballast bevat. |
|
De ballast(en) is (zijn) ontworpen voor een netwerksysteem van ** V. |
|
De ballast(en) is (zijn) ontworpen voor een netwerksysteem van ** V. |
|
|
|
Geen van de gloeilampen en/of ledmodules die de koplamp bevat, is ontworpen voor een netwerksysteem van 24 V. |
BIJLAGE 8
MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE PROCEDURES OM DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE TE CONTROLEREN
1. ALGEMEEN
|
1.1. |
Uit mechanisch en geometrisch oogpunt wordt aangenomen dat aan de conformiteitsvoorschriften is voldaan, wanneer de verschillen niet groter zijn dan onvermijdelijke fabricageafwijkingen binnen de door dit reglement gestelde grenzen. |
|
1.2. |
Voor de fotometrische prestaties geldt dat de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen niet wordt betwist, wanneer bij het testen van de fotometrische prestaties van een willekeurig gekozen koplamp en gemeten bij 13,2 ± 0,1 V of zoals anders gespecificeerd, en:
|
|
1.3. |
Voor de verificatie van de verticale verplaatsing van de licht-donkergrens onder invloed van de warmte geldt de volgende procedure:
|
|
1.4. |
De kleurcoördinaten moeten in acht worden genomen. |
|
1.5. |
Als de verticale afstelling in de vereiste positie binnen de in punt 6.2.2.3 van dit reglement beschreven toleranties echter niet herhaaldelijk kan worden uitgevoerd, wordt één monster getest volgens de in de punten 2 en 3 van bijlage 10 beschreven procedure. |
2. MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE VERIFICATIE VAN DE CONFORMITEIT DOOR DE FABRIKANT
Voor elk type koplamp voert de houder van het goedkeuringsmerk op gezette tijden ten minste de volgende tests uit. Deze tests worden volgens de voorschriften van dit reglement uitgevoerd.
Indien bij het desbetreffende type test een monster niet conform blijkt te zijn, worden extra monsters genomen en getest. De fabrikant neemt maatregelen om de conformiteit van de betrokken productie te waarborgen.
2.1. Aard van de tests
De in dit reglement bedoelde conformiteitstests hebben betrekking op de fotometrische eigenschappen en op de verificatie van de verticale verplaatsing van de licht-donkergrens onder invloed van de warmte.
2.2. Toegepaste testmethoden
|
2.2.1. |
De tests worden over het algemeen volgens de in dit reglement beschreven methoden uitgevoerd. |
|
2.2.2. |
Bij elke door de fabrikant uitgevoerde conformiteitstest kunnen met instemming van de voor de goedkeuringstests verantwoordelijke bevoegde instantie gelijkwaardige methoden worden toegepast. Het is de taak van de fabrikant om aan te tonen dat de toegepaste methoden gelijkwaardig zijn met de in dit reglement vastgelegde methoden. |
|
2.2.3. |
De toepassing van de punten 2.2.1 en 2.2.2 vereist regelmatige kalibratie van de testapparatuur en vergelijking van de meetresultaten met die van een bevoegde instantie. |
|
2.2.4. |
In alle gevallen gelden de in dit reglement vastgestelde methoden als referentiemethoden, met name ten behoeve van administratieve verificatie en monsterneming. |
2.3. Aard van de monsterneming
Monsters van koplampen worden willekeurig genomen uit de productie van een uniforme partij. Onder uniforme partij wordt een reeks koplampen van hetzelfde type verstaan, gedefinieerd volgens de productiemethoden van de fabrikant.
De beoordeling heeft in het algemeen betrekking op de serieproductie van individuele fabrieken. Een fabrikant mag echter gegevens over hetzelfde type uit verscheidene fabrieken samenvoegen, op voorwaarde dat deze volgens hetzelfde kwaliteitssysteem en onder hetzelfde kwaliteitsbeheer werken.
2.4. Gemeten en geregistreerde fotometrische eigenschappen
De als monster genomen koplampen worden op de in dit reglement voorgeschreven punten onderworpen aan fotometrische metingen, waarbij de aflezing wordt beperkt tot de punten Imax, HV (2), HL en HR (3) voor grootlicht en de punten B 50 L (of R) (1), HV, 50 V, 75 R (of L) en 25 L2 (of R2) voor dimlicht (zie de figuur in bijlage 3).
2.5. Aanvaardbaarheidscriteria
De fabrikant moet de testresultaten statistisch onderzoeken en in overleg met de bevoegde instantie criteria vaststellen voor de aanvaardbaarheid van zijn producten, om te voldoen aan de specificaties die voor de verificatie van de conformiteit van de productie in punt 9.1 van dit reglement zijn vastgelegd.
De aanvaardbaarheidscriteria moeten zo zijn dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, de kans dat een steekproef overeenkomstig bijlage 9 (eerste monsterneming) met goed gevolg wordt doorstaan, minimaal 0,95 is.
(1) De letters tussen haakjes betreffen koplampen voor links verkeer.
(2) Als het grootlicht is samengebouwd met het dimlicht, moet HV bij het grootlicht hetzelfde meetpunt zijn als bij het dimlicht.
(3) HL en HR: punten op „hh”, die zich 2,5° links, respectievelijk rechts van punt HV bevinden.
BIJLAGE 9
MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE MONSTERNEMING DOOR EEN INSPECTEUR
1. ALGEMEEN
|
1.1. |
Uit mechanisch en geometrisch oogpunt wordt aangenomen dat overeenkomstig dit reglement aan de desbetreffende conformiteitsvoorschriften is voldaan, wanneer de verschillen niet groter zijn dan onvermijdelijke fabricageafwijkingen. |
|
1.2. |
Voor de fotometrische prestaties geldt dat de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen niet wordt betwist, wanneer bij het testen van de fotometrische prestaties van een willekeurig gekozen koplamp en gemeten bij 13,2 ± 0,1 V of zoals anders gespecificeerd, en:
|
|
1.3. |
Voor de verificatie van de verticale verplaatsing van de licht-donkergrens onder invloed van de warmte geldt de volgende procedure:
|
|
1.4. |
De kleurcoördinaten moeten in acht worden genomen. |
|
1.5. |
Als de verticale afstelling in de vereiste positie binnen de in punt 6.2.2.3 van dit reglement beschreven toleranties echter niet herhaaldelijk kan worden uitgevoerd, wordt één monster getest volgens de in de punten 2 en 3 van bijlage 10 beschreven procedure. |
2. EERSTE MONSTERNEMING
Bij de eerste monsterneming worden vier koplampen willekeurig gekozen. Het eerste monster van twee wordt met A aangeduid, het tweede monster van twee met B.
2.1. Geen betwisting van de conformiteit
|
2.1.1. |
Volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen niet betwist, als de gemeten waarden van de koplampen in de ongunstige richtingen als volgt afwijken:
|
|
2.1.2. |
of indien monster A aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoet. |
2.2. Betwisting van de conformiteit
|
2.2.1. |
Volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen betwist en wordt de fabrikant verzocht zijn productie in overeenstemming te brengen met de voorschriften (aanpassing), als de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
|
2.2.2. |
of indien monster A niet aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoet. |
2.3. Intrekking van de goedkeuring
De conformiteit wordt betwist en punt 10 wordt toegepast, als volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
2.3.1. |
monster A
|
|
2.3.2. |
monster B
|
|
2.3.3. |
of indien de monsters A en B niet aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoen. |
3. HERHALING VAN DE MONSTERNEMING
In de gevallen A3, B2 en B3 vindt binnen twee maanden na de kennisgeving een nieuwe monsterneming plaats, waarbij een derde monster C van twee koplampen en een vierde monster D van twee koplampen uit de na de aanpassing geproduceerde voorraad worden genomen.
3.1. Geen betwisting van de conformiteit
|
3.1.1. |
Volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen niet betwist, als de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
|
3.1.2. |
of indien monster C aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoet. |
3.2. Betwisting van de conformiteit
|
3.2.1. |
Volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen betwist en wordt de fabrikant verzocht zijn productie in overeenstemming te brengen met de voorschriften (aanpassing), als de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
3.3. Intrekking van de goedkeuring
De conformiteit wordt betwist en punt 11 wordt toegepast, als volgens de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
3.3.1. |
monster C
|
|
3.3.2. |
monster D
|
|
3.3.3. |
of indien de monsters C en D niet aan de voorwaarden van punt 1.2.2 voldoen. |
4. VERTICALE VERPLAATSING VAN DE LICHT-DONKERGRENS
Voor de verificatie van de verticale verplaatsing van de licht-donkergrens onder invloed van de warmte geldt de volgende procedure:
|
|
na de monsternemingsprocedure van figuur 1 in deze bijlage wordt een van de koplampen van monster A volgens de in punt 2.1 van bijlage 4 beschreven procedure getest, nadat zij driemaal na elkaar aan de in punt 2.2.2 van bijlage 4 beschreven cyclus is onderworpen; |
|
|
de koplamp wordt aanvaardbaar geacht, als Δr niet meer dan 1,5 mrad bedraagt; |
|
|
als deze waarde meer dan 1,5 mrad, maar niet meer dan 2,0 mrad bedraagt, wordt de tweede koplamp van monster A aan de test onderworpen, waarna het gemiddelde van de voor beide monsters geregistreerde absolute waarden niet meer dan 1,5 mrad mag bedragen; |
|
|
als deze waarde van 1,5 mrad bij monster A echter niet wordt gehaald, worden de twee koplampen van monster B aan dezelfde procedure onderworpen; de waarde Δr mag bij geen van beide hoger zijn dan 1,5 mrad. |
Figuur 1
Mogelijke resultaten met monster A
2 inrichtingen
Eerste monsterneming
4 willekeurig gekozen inrichtingen, verdeeld over de monsters A&B
2 inrichtingen
STOP
ga naar monster B
STOP
Aanpassing
De fabrikant wordt verplicht de producten in overeenstemming te brengen met de voorschriften
2 inrichtingen
Herhaling van de monsterneming
4 willekeurig gekozen inrichtingen, verdeeld over de monsters C&D
2 inrichtingen
STOP
ga naar monster D
Mogelijke resultaten met monster D
Mogelijke resultaten met monster B
Mogelijke resultaten met monster C
STOP
ga naar aanpassing
Goedkeuring ingetrokken
Maximumafwijking (%) in ongunstige zin van de grenswaarden
(1) De letters tussen haakjes betreffen koplampen voor links verkeer.
BIJLAGE 10
VERIFICATIE MET EEN INSTRUMENT VAN DE LICHT-DONKERGRENS BIJ DIMLICHTKOPLAMPEN
1. ALGEMEEN
Wanneer punt 6.2.2.4 van dit reglement van toepassing is, wordt de kwaliteit van de licht-donkergrens getest volgens de voorschriften van punt 2 en wordt de verticale en horizontale afstelling van de lichtbundel met een instrument uitgevoerd volgens de voorschriften van punt 3.
Voordat de kwaliteit van de licht-donkergrens wordt gemeten en de instrumentele afstelprocedure wordt toegepast, moet een visuele afstelling volgens de punten 6.2.2.1 en 6.2.2.2 van dit reglement plaatsvinden.
2. METING VAN DE KWALITEIT VAN DE LICHT-DONKERGRENS
Om de minimumscherpte te bepalen, worden metingen verricht door het horizontale deel van de licht-donkergrens verticaal te scannen in hoekstappen van 0,05° op een meetafstand van:
|
a) |
10 m met een detector die een diameter heeft van ongeveer 10 mm, of |
|
b) |
25 m met een detector die een diameter heeft van ongeveer 30 mm. |
De meetafstand waarop de test werd uitgevoerd, wordt genoteerd in punt 9 van het mededelingenformulier (zie bijlage 1 bij dit reglement).
Om de maximumscherpte te bepalen, worden metingen verricht door het horizontale deel van de licht-donkergrens alleen op een meetafstand van 25 m met een detector die een diameter van ongeveer 30 mm heeft, verticaal te scannen in hoekstappen van 0,05°.
De kwaliteit van de licht-donkergrens wordt aanvaardbaar geacht, als met ten minste één stel metingen aan de voorschriften van de punten 2.1 tot en met 2.3 wordt voldaan.
2.1. Er mag niet meer dan één licht-donkergrens zichtbaar zijn (1).
2.2. Scherpte van de licht-donkergrens
Scherptefactor G wordt bepaald door op 2,5° van lijn V-V het horizontale deel van de licht-donkergrens verticaal te scannen, waarbij:
De waarde van G mag niet minder dan 0,13 (minimumscherpte) en niet meer dan 0,40 (maximumscherpte) bedragen.
2.3. Lineariteit
Het deel van de horizontale licht-donkergrens dat voor de verticale afstelling dient, moet horizontaal zijn tussen 1,5 en 3,5° van lijn V-V (zie figuur 1).
|
a) |
De buigpunten van de gradiënt van de licht-donkergrens op de verticale lijnen op 1,5°, 2,5° en 3,5° worden bepaald door de formule:
|
|
b) |
De verticale maximumafstand tussen die buigpunten mag niet meer bedragen dan 0,2°. |
3. VERTICALE EN HORIZONTALE AFSTELLING
Als de licht-donkergrens voldoet aan de kwaliteitsvoorschriften van punt 2, mag de afstelling van de lichtbundel met een instrument worden uitgevoerd.
Figuur 1
Meting van de kwaliteit van de licht-donkergrens
|
Opmerking: |
voor de verticale en de horizontale lijnen is een andere schaal gebruikt. |
3.1. Verticale afstelling
Van onder lijn B naar boven toe (zie figuur 2) wordt door het horizontale deel van de licht-donkergrens op 2,5° van lijn VV een verticale scan uitgevoerd. Het buigpunt (waarbij d2 (log E)/dv2 = 0) wordt bepaald en op lijn B geplaatst die zich 1 % onder lijn HH bevindt.
3.2. Horizontale afstelling
De aanvrager moet een van de volgende methoden voor horizontale afstelling aangeven:
|
a) |
de 0,2 D-lijnmethode (zie figuur 2) Een enkele horizontale lijn op 0,2° D wordt gescand van 5° links tot 5° rechts, nadat het licht verticaal is afgesteld. Maximumgradiënt G, bepaald met de formule Het op lijn 0,2 D gevonden buigpunt moet zich op lijn A bevinden. Figuur 2 Verticale en horizontale afstelling met een instrument — Scanmethode met een horizontale lijn
|
|
b) |
de 3-lijnenmethode (zie figuur 3) Drie verticale lijnen worden gescand van 2° D tot 2° U op 1° R, 2° R en 3° R, nadat het licht verticaal is afgesteld. De respectieve maximumgradiënten G, bepaald met de formule
waarin β = de verticale positie in graden, mogen niet minder bedragen dan 0,08. De op de drie lijnen gevonden buigpunten worden gebruikt om een rechte lijn af te leiden. Het snijpunt van deze lijn met lijn B, gevonden tijdens de verticale afstelling, wordt op lijn V geplaatst. Figuur 3 Verticale en horizontale afstelling met een instrument — Scanmethode met drie lijnen
|
(1) Dit punt moet worden gewijzigd zodra er een objectieve testmethode beschikbaar is.
BIJLAGE 11
VOORSCHRIFTEN VOOR LEDMODULES EN KOPLAMPEN MET LEDMODULES
1. ALGEMENE SPECIFICATIES
|
1.1. |
Elk ter beschikking gesteld monster van een ledmodule moet voldoen aan de desbetreffende specificaties van dit reglement, wanneer het wordt getest met het ter beschikking gestelde elektronische lichtbronbedieningsmechanisme, indien van toepassing. |
|
1.2. |
Ledmodules moeten zo zijn ontworpen dat zij bij normaal gebruik goed functioneren en blijven functioneren. Zij mogen geen ontwerp- of fabricagefouten vertonen. |
|
1.3. |
Ledmodules moeten manipulatieveilig zijn. |
|
1.4. |
Het ontwerp van verwijderbare ledmodules moet zo zijn dat:
|
|
1.5. |
Een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme mag deel uitmaken van de ledmodule. |
2. FABRICAGE
|
2.1. |
De leds op de ledmodule moeten voorzien zijn van passende bevestigingselementen. |
|
2.2. |
De bevestigingselementen moeten sterk zijn en stevig op de leds en de ledmodule zijn bevestigd. |
3. TESTOMSTANDIGHEDEN
3.1. Activering
|
3.1.1. |
Alle monsters moeten worden getest zoals aangegeven in punt 4. |
|
3.1.2. |
De lichtbronnen op een ledmodule moeten lichtdioden (leds) zijn zoals gedefinieerd in Reglement nr. 48, punt 2.7.1, met name wat het zichtbare stralingselement betreft. Andere soorten lichtbronnen zijn niet toegestaan. |
3.2. Bedrijfsomstandigheden
3.2.1. Bedrijfsomstandigheden van de ledmodule
Alle monsters moeten worden getest onder de in punt 6.2.4.4 van dit reglement beschreven omstandigheden. Indien niet anders aangegeven in deze bijlage, moeten ledmodules worden getest binnen de koplamp die door de fabrikant ter beschikking is gesteld.
3.2.2. Omgevingstemperatuur
Voor het meten van de elektrische en fotometrische eigenschappen moet men de koplamp in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 ± 5 °C laten branden.
3.3. Versnelde veroudering
Op verzoek van de aanvrager moet men de ledmodule 15 uur laten branden en dan laten afkoelen tot omgevingstemperatuur voordat met de in dit reglement voorgeschreven tests wordt begonnen.
4. SPECIFIEKE VOORSCHRIFTEN EN TESTS
4.1. Uv-straling
De uv-straling van een ledmodule van het type met lage uv-straling moet zo zijn dat:
waarin:
|
|
S(λ) (eenheid: 1) de spectrale weegfunctie is; |
|
|
km = 683 lm/W de maximumwaarde van de lichtefficiëntie van de straling is. |
(Voor definities van de andere symbolen: zie punt 4.1.1 van bijlage 9 bij Reglement nr. 112.)
Deze waarde wordt berekend met intervallen van één nanometer. De uv-straling wordt gewogen volgens de waarden die in onderstaande uv-tabel zijn aangegeven.
Uv-tabel
Waarden overeenkomstig de „IRPA/INIRC Guidelines on limits of exposure to ultraviolet radiation”. De gekozen golflengten (in nanometers) zijn representatief; andere waarden moeten worden geïnterpoleerd.
|
λ |
S(λ) |
|
250 |
0,430 |
|
255 |
0,520 |
|
260 |
0,650 |
|
265 |
0,810 |
|
270 |
1,000 |
|
275 |
0,960 |
|
280 |
0,880 |
|
285 |
0,770 |
|
290 |
0,640 |
|
295 |
0,540 |
|
300 |
0,300 |
|
305 |
0,060 |
|
310 |
0,015 |
|
315 |
0,003 |
|
320 |
0,001 |
|
325 |
0,00050 |
|
330 |
0,00041 |
|
335 |
0,00034 |
|
340 |
0,00028 |
|
345 |
0,00024 |
|
350 |
0,00020 |
|
|
|
|
355 |
0,00016 |
|
360 |
0,00013 |
|
365 |
0,00011 |
|
370 |
0,00009 |
|
375 |
0,000077 |
|
380 |
0,000064 |
|
385 |
0,000053 |
|
390 |
0,000044 |
|
395 |
0,000036 |
|
400 |
0,000030 |
|
|
|
|
14.6.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 176/128 |
Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van het VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op: http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html.
Reglement nr. 113 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen voor de goedkeuring van voor motorvoertuigen bestemde koplampen die symmetrisch dimlicht en/of grootlicht uitstralen en van gloeilampen, gasontladingslichtbronnen of ledmodules zijn voorzien
Bevat de volledige geldige tekst tot en met:
Supplement 3 op wijzigingenreeks 01 van het Reglement — Datum van inwerkingtreding: 9 oktober 2014
INHOUD
TOEPASSINGSGEBIED
|
1. |
Definities |
|
2. |
Goedkeuringsaanvraag voor een koplamp |
|
3. |
Opschriften |
|
4. |
Goedkeuring |
|
5. |
Algemene specificaties |
|
6. |
Verlichting |
|
7. |
Kleur |
|
8. |
Wijziging van het koplamptype en uitbreiding van de goedkeuring |
|
9. |
Conformiteit van de productie |
|
10. |
Sancties bij non-conformiteit van de productie |
|
11. |
Definitieve stopzetting van de productie |
|
12. |
Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties |
|
13. |
Overgangsbepalingen |
BIJLAGEN
|
1. |
Mededeling |
|
2. |
Voorbeelden van de opstelling van goedkeuringsmerken |
|
3. |
Meetsysteem met bolcoördinaten en plaats van de testpunten |
|
4. |
Tests van de stabiliteit van de fotometrische prestaties van brandende koplampen — Tests op complete koplampen van de klassen B, C, D en E |
|
5. |
Minimumvoorschriften voor de procedures om de conformiteit van de productie te controleren |
|
6. |
Voorschriften voor lichten met kunststoflens — Tests van lenzen of materiaalmonsters en van complete lichten |
|
7. |
Minimumvoorschriften voor de monsterneming door een inspecteur |
|
8. |
Overzicht van de activeringsperioden voor de test van de stabiliteit van de fotometrische prestaties |
|
9. |
Definitie en scherpte van de licht-donkergrens bij symmetrische dimlichtkoplampen en procedure voor afstelling door middel van die licht-donkergrens |
|
10. |
Referentiepunt |
|
11. |
Markering van de spanning |
|
12. |
Voorschriften voor ledmodules en koplampen met ledmodules |
Dit reglement is van toepassing op koplampen voor voertuigen van de categorieën L en T (3).
1. Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
|
1.1. |
„lens”: het buitenste onderdeel van de koplamp(unit) dat via het verlichtingsoppervlak licht doorlaat; |
|
1.2. |
„coating”: elk product dat in een of meer lagen op de buitenkant van een lens wordt aangebracht; |
|
1.3. |
„koplampen van verschillende typen”: koplampen die verschillen op essentiële punten zoals:
|
|
1.4. |
„koplampen van verschillende klassen” (A, B, C, D of E): koplampen die worden geïdentificeerd aan de hand van specifieke fotometrische bepalingen; |
|
1.5. |
„kleur van het door de voorziening uitgestraalde licht”. De definities van de kleur van het uitgestraalde licht in Reglement nr. 48 en in de wijzigingenreeks ervan die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, zijn op dit reglement van toepassing. |
|
1.6. |
Bij een systeem dat uit twee koplampen bestaat, moet een voorziening die bedoeld is voor installatie aan de linkerkant van het voertuig, en de overeenkomstige voorziening die bedoeld is voor installatie aan de rechterkant van het voertuig, echter worden geacht van hetzelfde type te zijn. |
|
1.7. |
Verwijzingen in dit reglement naar standaardgloeilampen (referentiegloeilampen) en naar Reglement nr. 37 zijn verwijzingen naar Reglement nr. 37 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is. |
|
1.8. |
Verwijzingen in dit reglement naar standaard gasontladingslichtbronnen (referentiegasontladingslichtbronnen) en naar Reglement nr. 99 zijn verwijzingen naar Reglement nr. 99 en de desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is: |
|
1.9. |
„aanvullende verlichtingseenheid”: het deel van een koplampsysteem dat de bochtverlichting produceert. Zij is onafhankelijk van de voorziening die het hoofddimlicht produceert, mag bestaan uit optische, mechanische en elektrische componenten en mag met andere verlichtings- of lichtsignaalinrichtingen worden gegroepeerd en/of samengebouwd. |
|
1.10. |
Andere relevante definities in de Reglementen nr. 48, nr. 53 en nr. 74 en hun desbetreffende wijzigingenreeks die op het ogenblik van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, zijn op dit reglement van toepassing. |
2. GOEDKEURINGSAANVRAAG VOOR EEN KOPLAMP (4)
|
2.1. |
De goedkeuringsaanvraag moet door de eigenaar van de handelsnaam of het merk of door zijn daartoe gemachtigde vertegenwoordiger worden ingediend. In de aanvraag moet worden aangegeven:
|
|
2.2. |
Elke goedkeuringsaanvraag moet vergezeld gaan van:
|
|
2.3. |
Als de eigenschappen van de materialen waaruit de lenzen en de eventueel aanwezige coatings bestaan, al eerder zijn getest, moet het betreffende testrapport worden bijgevoegd. |
3. OPSCHRIFTEN
|
3.1. |
Koplampen die voor goedkeuring ter beschikking worden gesteld, moeten zijn voorzien van de handelsnaam of het merk van de aanvrager. |
|
3.2. |
De lens en de hoofdbehuizing (5) moeten voldoende plaats bieden voor het goedkeuringsmerk en de aanvullende symbolen zoals bedoeld in punt 4; deze plaats moet op de in punt 2.2.1 bedoelde tekeningen worden aangegeven. |
|
3.3. |
Op de achterkant van de koplamp moet de categorie van de gebruikte gloeilamp(en) of gasontladingslichtbron worden aangegeven. |
|
3.4. |
Op het lichtuitstralende oppervlak van koplampen van klasse E mag een referentiepunt worden aangebracht zoals aangegeven in bijlage 10. |
|
3.5. |
Op koplampen van klasse E mag een opschrift met de spanning worden aangebracht zoals aangegeven in bijlage 11. |
|
3.6. |
Lichten met ledmodule(s) moeten voorzien zijn van een opschrift met de nominale spanning en het nominale vermogen en van de specifieke identificatiecode van de lichtbronmodule. |
|
3.7. |
Op de samen met de goedkeuringsaanvraag voor het licht ingediende ledmodule(s) moet het volgende zijn aangebracht:
|
|
3.8. |
Als voor de bediening van een of meer ledmodules gebruik wordt gemaakt van een elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme dat geen deel uitmaakt van een ledmodule, moet het worden voorzien van een opschrift met de specifieke identificatiecode(s), de nominale voedingsspanning en het nominale vermogen. |
|
3.9. |
Bij aanvullende verlichtingseenheden moet op de koplampen die het hoofddimlicht produceren, de specifieke identificatiecode van die verlichtingseenheden worden aangebracht zoals aangegeven in punt 3.10.2. |
|
3.10. |
Op aanvullende verlichtingseenheden moeten de volgende opschriften worden aangebracht:
|
4. GOEDKEURING
4.1. Algemeen
|
4.1.1. |
Als alle volgens punt 2 ingediende monsters van een type koplamp voldoen aan de bepalingen van dit reglement, moet goedkeuring worden verleend. |
|
4.1.2. |
Wanneer gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten aan de voorschriften van meer dan een reglement voldoen, mag een enkel internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht op voorwaarde dat elk van die lichten voldoet aan de toepasselijke bepalingen. |
|
4.1.3. |
Aan elk goedgekeurd type moet een goedkeuringsnummer worden toegekend. De eerste twee cijfers ervan moeten de wijzigingenreeks aangeven met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander onder dit reglement vallend type koplamp toekennen. |
|
4.1.4. |
Van de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een type koplamp krachtens dit reglement moet aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling worden gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 1. |
|
4.1.5. |
Behalve het in punt 3.1 voorgeschreven opschrift moet op elke koplamp die conform is met een krachtens dit reglement goedgekeurd type, op de in punt 3.2 bedoelde plaatsen het in de punten 4.2 en 4.3 beschreven goedkeuringsmerk worden aangebracht. |
4.2. Samenstelling van het goedkeuringsmerk
Het goedkeuringsmerk moet bestaan uit:
|
4.2.1. |
een internationaal goedkeuringsmerk, bestaande uit:
|
|
4.2.2. |
het volgende aanvullende symbool:
|
|
4.2.3. |
In elk geval moeten de tijdens de testprocedure van punt 1.1.1.1 van bijlage 4 toegepaste werkwijze en de volgens punt 1.1.1.2 van bijlage 4 toegestane spanning(en) worden vermeld op de goedkeuringsformulieren en op de mededelingenformulieren die worden gezonden naar de landen die partij zijn bij de overeenkomst en dit reglement toepassen. In de overeenkomstige gevallen moet de voorziening als volgt worden gemarkeerd:
|
|
4.2.4. |
De twee cijfers van het goedkeuringsnummer die de wijzigingenreeks aangeven met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring, en de in punt 4.2.2.1 bedoelde pijl mogen dicht bij de bovenstaande aanvullende symbolen worden aangebracht. |
|
4.2.5. |
De in de punten 4.2.1 tot en met 4.2.3 bedoelde markeringen en symbolen moeten goed leesbaar en onuitwisbaar zijn. Zij mogen worden aangebracht op een (al dan niet transparant) binnen- of buitendeel van de koplamp dat niet kan worden gescheiden van het transparante deel van de koplamp dat het licht uitstraalt. Zij moeten in ieder geval zichtbaar zijn wanneer de koplamp op het voertuig is gemonteerd of wanneer een beweegbaar deel is geopend. |
4.3. Opstelling van het goedkeuringsmerk
|
4.3.1. |
Bijlage 2, figuren 1 tot en met 15, geeft voorbeelden van het goedkeuringsmerk en van de bovenstaande aanvullende symbolen. |
|
4.3.2. |
Gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten:
|
|
4.3.3. |
Op lichten waarvan de lens voor verschillende typen koplampen wordt gebruikt en die mogen worden samengebouwd of gegroepeerd met andere lichten,
zijn de bepalingen van punt 4.3.2 van toepassing.
|
5. ALGEMENE SPECIFICATIES (7)
5.1. Elk monster moet voldoen aan de in de punten 6 tot en met 8 vermelde specificaties.
5.2. Koplampen moeten zo zijn vervaardigd dat zij bij normaal gebruik, ondanks de trillingen waaraan zij kunnen worden blootgesteld, hun voorgeschreven fotometrische kenmerken behouden en goed blijven functioneren.
5.2.1. Koplampen moeten worden gemonteerd met een voorziening waarmee zij op de voertuigen zo kunnen worden afgesteld dat zij voldoen aan de desbetreffende voorschriften. Een dergelijke voorziening mag horizontale afstelmogelijkheden bieden op voorwaarde dat de koplampen zo zijn ontworpen dat zij zelfs na verstelling in verticale richting een goede horizontale richting kunnen behouden. Een dergelijke voorziening hoeft niet te worden aangebracht op units waarbij de reflector en de strooilens niet van elkaar kunnen worden gescheiden, op voorwaarde dat dergelijke units alleen worden gebruikt op voertuigen waarbij de koplampen met andere middelen kunnen worden afgesteld.
Wanneer een koplamp die dimlicht produceert en een koplamp die grootlicht produceert, elk met haar eigen gloeilamp(en), gasontladingslichtbron of ledmodule(s), zijn samengebouwd om een samengestelde unit te vormen, moet elk optisch systeem met de verstelvoorziening afzonderlijk correct kunnen worden afgesteld.
5.2.2. Deze bepalingen gelden echter niet voor samenstellen van koplampen waarvan de reflectoren niet van elkaar kunnen worden gescheiden. Voor dit type samenstel gelden de voorschriften van punt 6.3.
5.3. Klasse A, B, C of D
5.3.1. De koplampen moeten worden voorzien van een of meer gloeilampen die zijn goedgekeurd krachtens Reglement nr. 37, en, bij koplampen van klasse C of D, van een of meer ledmodules.
Indien een of meer aanvullende lichtbronnen of verlichtingseenheden worden gebruikt om bochtverlichting te produceren, mogen alleen onder Reglement nr. 37 vallende categorieën gloeilampen waarvan het gebruik voor bochtverlichting in dat Reglement en de desbetreffende wijzigingenreeks die op de datum van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, niet wordt beperkt, en/of een of meer ledmodules worden gebruikt.
5.3.2. Voor het hoofddimlicht mogen lichtbronnen met twee gloeidraden en voor het grootlicht lichtbronnen met meerdere gloeidraden worden gebruikt.
Elke krachtens Reglement nr. 37 goedgekeurde gloeilamp mag worden gebruikt op voorwaarde dat:
|
a) |
het gebruik ervan in dat Reglement en de desbetreffende wijzigingenreeks die op de datum van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, niet wordt beperkt; |
|
b) |
bij de klassen A en B, de referentielichtstroom ervan bij 13,2 V voor het hoofddimlicht 900 lm niet overschrijdt; |
|
c) |
bij de klassen C en D, de referentielichtstroom ervan bij 13,2 V voor het hoofddimlicht 2 000 lm niet overschrijdt. |
De voorziening moet zo zijn ontworpen dat de gloeilamp enkel en alleen in de correcte stand (8) kan worden gemonteerd.
De gloeilamphouder moet conform zijn met de in IEC-publicatie 60061 gespecificeerde kenmerken. Voor de houder geldt het voor de categorie van de gebruikte gloeilamp relevante datablad.
5.3.3. Bij lampen met een of meer ledmodules:
|
5.3.3.1. |
moeten de eventueel aanwezige elektronische lichtbronbedieningsmechanismen als deel van de koplamp worden beschouwd. Zij mogen ook deel uitmaken van de ledmodule(s); |
|
5.3.3.2. |
moeten de koplamp en de ledmodule(s) zelf voldoen aan de desbetreffende voorschriften in bijlage 12. De naleving van de voorschriften moet worden getest; |
|
5.3.3.3. |
moet de totale objectieve lichtstroom van alle ledmodules die het hoofddimlicht produceren, worden gemeten volgens de beschrijving in punt 5 van bijlage 12. Hierbij gelden de volgende minimum- en maximumgrenzen:
|
|
5.3.3.4. |
Bij een vervangbare ledmodule moeten de verwijdering en vervanging ervan volgens de beschrijving in bijlage 12, punt 1.4.1, tot tevredenheid van de technische dienst worden aangetoond. |
5.4. Koplampen van klasse E
5.4.1. De koplamp moet van een of meer krachtens Reglement nr. 99 goedgekeurde gasontladingslichtbronnen en/of van een of meer ledmodules worden voorzien.
Indien een of meer aanvullende lichtbronnen of verlichtingseenheden worden gebruikt om bochtverlichting te produceren, mogen alleen onder Reglement nr. 37 vallende categorieën gloeilampen waarvan het gebruik voor bochtverlichting in dat Reglement en de desbetreffende wijzigingenreeks die op de datum van de typegoedkeuringsaanvraag van kracht is, niet wordt beperkt, en/of een of meer ledmodules worden gebruikt.
5.4.2. Bij vervangbare gasontladingslichtbronnen moet de lamphouder de afmetingen bezitten die op het voor de gebruikte categorie gasontladingslichtbron relevante datablad van IEC-publicatie 60061-2 zijn aangegeven. De gasontladingslichtbron moet gemakkelijk in de koplamp passen.
5.4.3. Voor ledmodules gelden de volgende voorschriften:
|
5.4.3.1. |
de eventueel aanwezige elektronische lichtbronbedieningsmechanismen moeten als deel van de koplamp worden beschouwd. Zij mogen ook deel uitmaken van de ledmodule(s); |
|
5.4.3.2. |
de koplamp en de ledmodule(s) zelf moeten voldoen aan de desbetreffende voorschriften in bijlage 12. De naleving van de voorschriften moet worden getest; |
|
5.4.3.3. |
de totale objectieve lichtstroom van alle ledmodules die het hoofddimlicht produceren, moet worden gemeten volgens de beschrijving in punt 5 van bijlage 12. Hierbij geldt de volgende minimumgrens:
|
5.5. Bovendien moeten koplampen van klasse B, C, D of E aanvullende tests volgens de voorschriften van bijlage 4 ondergaan om ervoor te zorgen dat er tijdens het gebruik geen excessieve verandering van de fotometrische prestaties optreedt.
5.6. Als de lens van een koplamp van klasse B, C, D of E van kunststof is, moeten de tests volgens de voorschriften van bijlage 6 worden uitgevoerd.
5.7. Bij koplampen die zijn ontworpen om afwisselend grootlicht en dimlicht te produceren, of koplampsystemen die een of meer aanvullende lichtbronnen en/of verlichtingseenheden bevatten om bochtverlichting te produceren, moet elke daartoe in de koplamp geïntegreerde mechanische, elektromechanische of andere voorziening zo zijn geconstrueerd dat:
|
5.7.1. |
de voorziening robuust genoeg is om onder normale gebruiksomstandigheden 50 000 wisselingen te doorstaan. Om na te gaan of aan dit voorschrift wordt voldaan, mag de voor de goedkeuringstests verantwoordelijk technische dienst:
|
|
5.7.2. |
behalve bij aanvullende lichtbronnen en verlichtingseenheden die worden gebruikt om bochtverlichting te produceren, bij een defect automatisch een dimlichtbundel kan worden verkregen of fotometrische waarden van niet meer dan 1 200 cd in zone 1 en ten minste 2 400 cd op punt 0,86D-V door bijvoorbeeld de lichtbundel te doven, te dimmen, lager te richten en/of op een andere functie over te schakelen; |
|
5.7.3. |
behalve bij aanvullende lichtbronnen en verlichtingseenheden die worden gebruikt om bochtverlichting te produceren, het dimlicht of het grootlicht altijd moet worden verkregen zonder dat het mechanisme tussen beide standen in kan stoppen; |
|
5.7.4. |
de gebruiker de vorm of positie van de bewegende delen niet met gewoon gereedschap kan wijzigen. |
5.8. Bij klasse E mogen de koplamp en haar ballastsysteem geen storingen in de straling of stroomvoorziening genereren waardoor andere elektrische of elektronische systemen van het voertuig slecht gaan functioneren (9).
5.9. De definities in de punten 2.7.1.1.3 en 2.7.1.1.7 van Reglement nr. 48 staan het gebruik van een ledmodule toe, die houders voor andere lichtbronnen mag bevatten. Ondanks deze bepaling is een mengsel van leds en andere lichtbronnen voor het dimlicht of voor elk grootlicht zoals gespecificeerd in dit reglement, niet toegestaan.
5.10. Een ledmodule mag:
|
a) |
van haar voorziening alleen kunnen worden verwijderd met gereedschap, tenzij op het mededelingenblad staat vermeld dat de ledmodule niet kan worden vervangen, en |
|
b) |
moet zo zijn ontworpen dat zij, ongeacht het gebruik van gereedschap, mechanisch niet met een vervangbare goedgekeurde lichtbron kan worden verwisseld. |
6. VERLICHTING
6.1. Algemene bepalingen
6.1.1. Koplampen moeten zo worden vervaardigd dat zij voor voldoende verlichting zonder verblinding zorgen bij dimlicht en voor goede verlichting bij grootlicht.
6.1.2. De door de koplamp geproduceerde lichtsterkte moet op 25 m afstand worden gemeten met een foto-elektrische cel met een nuttig oppervlak dat valt binnen een vierkant met zijden van 65 mm. Het punt HV is het middelpunt van het coördinatenstelsel met verticale poolas. Lijn h is de horizontaal door HV (zie bijlage 3).
6.1.3. Klasse A, B, C of D
6.1.3.1. Behalve bij ledmodules moeten de koplampen worden gecontroleerd met een kleurloze standaardgloeilamp (referentiegloeilamp) die voor een nominale spanning van 12 V is ontworpen. Tijdens de controle van de koplamp moet de spanning op de aansluitpunten van de gloeilamp zo worden geregeld dat de op het desbetreffende datablad van Reglement nr. 37 aangegeven referentielichtstroom wordt verkregen.
Om de standaardgloeilamp (referentiegloeilamp) tijdens de fotometrische meting te beschermen, mogen de metingen worden uitgevoerd bij een lichtstroom die verschilt van de referentielichtstroom bij 13,2 V. Als het testlaboratorium de metingen zo wenst uit te voeren, moet de lichtsterkte worden gecorrigeerd door de gemeten waarde met de individuele factor Flamp van de standaardgloeilamp (referentiegloeilamp) te vermenigvuldigen om de naleving van de fotometrische voorschriften te verifiëren, waarbij:
F lamp = Φ reference/Φ test
Φ reference is de referentielichtstroom bij 13,2 V zoals gespecificeerd op het desbetreffende datablad van Reglement nr. 37;
Φ test is de effectieve bij de meting toegepaste lichtstroom.
6.1.3.2. Naargelang het aantal gloeilampen waarvoor de koplamp is ontworpen, moet de koplamp aanvaardbaar worden geacht als zij aan de voorschriften van punt 6 voldoet met hetzelfde aantal standaardgloeilampen (referentiegloeilampen), die samen met de koplamp ter beschikking mogen worden gesteld.
6.1.3.3. Ledmodules moeten worden gemeten bij respectievelijk 6,3 of 13,2 V, tenzij anders aangegeven in dit reglement. Ledmodules met elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme moeten volgens de specificaties van de aanvrager worden gemeten.
6.1.4. Klasse E met een of meer gasontladingslichtbronnen overeenkomstig Reglement nr. 99
6.1.4.1. De koplamp moet aanvaardbaar worden geacht als aan de fotometrische voorschriften van dit punt 6 wordt voldaan met één lichtbron die volgens punt 4 van bijlage 4 bij Reglement nr. 99 al gedurende ten minste 15 cycli heeft gebrand.
Wanneer de gasontladingslichtbron is goedgekeurd krachtens Reglement nr. 99, moet zij een standaardlichtbron (referentielichtbron) zijn en mag haar lichtstroom verschillen van de objectieve lichtstroom die in dat reglement is aangegeven. In dat geval moet de verlichtingssterkte dienovereenkomstig worden gecorrigeerd.
Deze correctie geldt niet voor gedistribueerde verlichtingssystemen met een niet-vervangbare gasontladingslichtbron, noch voor koplampen met volledig of gedeeltelijk geïntegreerde ballast(en).
Wanneer de gasontladingslichtbron niet is goedgekeurd krachtens Reglement nr. 99, moet zij een niet-vervangbare lichtbron uit serieproductie zijn.
De op de aansluitpunten van de ballast(en) toegepaste spanning bedraagt 13,2 ± 0,1 V bij 12 V-systemen, tenzij anders aangegeven (zie bijlage 11).
6.1.4.2. De afmetingen die de positie van de lichtboog binnen de standaard gasontladingslichtbron bepalen, zijn aangegeven op het desbetreffende datablad van Reglement nr. 99.
6.1.4.3. Vier seconden na het ontsteken van een koplamp die 30 minuten of langer uit is geweest, moet ten minste 37 500 cd worden bereikt op punt HV van een grootlicht en 3 750 cd op punt 2 (0,86D-V) van een dimlicht bij koplampen die grootlicht- en dimlichtfuncties bevatten, of 3 750 cd op punt 2 (0,86D-V) bij koplampen die alleen maar een dimlichtfunctie hebben. De voeding moet volstaan om de snelle stijging van de hogestroompuls te waarborgen.
6.1.5. Klasse E met een of meer ledmodules
6.1.5.1. Ledmodules moeten worden gemeten bij respectievelijk 6,3 of 13,2 V, tenzij anders aangegeven in dit reglement. Ledmodules met elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme moeten volgens de specificaties van de aanvrager worden gemeten.
6.1.6. Bij koplampsystemen met een of meer aanvullende lichtbronnen en/of verlichtingseenheden om bochtverlichting te produceren, moeten de aanvullende lichtbronnen worden gemeten overeenkomstig de punten 6.1.3, 6.1.4 en 6.1.5.
6.2. Bepalingen voor dimlicht
6.2.1. Voor een correcte afstelling moet de hoofddimlichtbundel een voldoende scherpe licht-donkergrens produceren om hem daarmee naar behoren visueel te kunnen bijstellen zoals aangegeven in punt 6.2.2. De afstelling moet worden uitgevoerd met behulp van een vlak verticaal scherm op 10 of 25 m afstand vóór de koplamp en loodrecht op H-V. het scherm moet breed genoeg zijn om de licht-donkergrens van de dimlichtbundel over ten minste 3° aan weerszijden van lijn V-V te kunnen onderzoeken en bijstellen. De licht-donkergrens moet vrijwel horizontaal en zo recht mogelijk zijn van ten minste 3°L tot 3°R. Als de visuele afstelling problemen of ambigue posities oplevert, moet de in bijlage 9, punten 2 en 4, gespecificeerde instrumentele methode worden toegepast en moeten de kwaliteit of eerder de scherpte van de licht-donkergrens en de lineariteit op hun prestaties worden getoetst.
6.2.2. De hoofddimlichtbundel moet zo worden afgesteld dat:
|
6.2.2.1. |
bij de horizontale afstelling de bundel zo symmetrisch mogelijk is ten opzichte van lijn V-V; |
|
6.2.2.2. |
bij de verticale afstelling het horizontale deel van de licht-donkergrens wordt bijgesteld tot zijn nominale positie (0,57°) onder lijn H-H. Als de verticale bijstelling tot de vereiste positie binnen de toegestane toleranties echter niet herhaaldelijk kan worden uitgevoerd, moet de instrumentele methode van bijlage 9, punten 4 en 5, worden toegepast om te testen of de licht-donkergrens de vereiste minimumkwaliteit bezit en de verticale bijstelling van de lichtbundel uit te voeren. |
6.2.3. Als de koplamp alleen moet worden goedgekeurd om dimlicht te produceren (10), moet zij bij deze afstelling voldoen aan de voorschriften van de punten 6.2.5 en 6.2.6; als zij zowel dimlicht als grootlicht moet produceren, moet zij voldoen aan de voorschriften van de punten 6.2.5, 6.2.6 en 6.3.
6.2.4. Wanneer een zo afgestelde koplamp niet aan de voorschriften van de punten 6.2.5, 6.2.6 en 6.3 voldoet, mag de afstelling, behalve bij koplampen die geen mechanisme hebben om de horizontale afstelling bij te stellen, worden veranderd op voorwaarde dat de as van de lichtbundel zijdelings niet meer dan 0,5° naar rechts of naar links en verticaal niet meer dan 0,25° wordt verplaatst. Om de afstelling met behulp van de licht-donkergrens te vergemakkelijken, mag de koplamp gedeeltelijk worden afgedekt om de grens scherper te maken. De licht-donkergrens mag de lijn H-H echter niet overschrijden.
6.2.5. Het dimlicht moet voldoen aan de voorschriften in de relevante onderstaande tabel en in de relevante figuur in bijlage 3.
Opmerkingen:
Bij koplampen van klasse E bedraagt de op de aansluitpunten van de ballast(en) toegepaste spanning 13,2 ± 0,1 V bij 12 V-systemen, tenzij anders aangegeven (zie bijlage 11).
|
D |
betekent onder de lijn H-H. |
|
U |
betekent boven de lijn H-H. |
|
R |
betekent rechts van de lijn V-V. |
|
L |
betekent links van de lijn V-V. |
6.2.5.1. Koplampen van klasse A (figuur B in bijlage 3):
|
Testpunt/lijn/zone |
Hoekcoördinaten — graden (*1) |
Vereiste lichtsterkte in cd |
|
|
Elk punt in zone 1 |
0 tot 15°U |
5°L tot 5°R |
≤ 320 cd |
|
Elk punt op lijn 25L tot 25R |
1,72°D |
5°L tot 5°R |
≥ 1 100 cd |
|
Elk punt op lijn 12,5L tot 12,5R |
3,43°D |
5°L tot 5°R |
≥ 550 cd |
6.2.5.2. Koplampen van klasse B (figuur C in bijlage 3):
|
Testpunt/lijn/zone |
Hoekcoördinaten — graden (*2) |
Vereiste lichtsterkte in cd |
|
|
Elk punt in zone 1 |
0 tot 15°U |
5°L tot 5°R |
≤ 700 cd |
|
Elk punt op lijn 50L tot 50R, behalve punt 50V |
0,86°D |
2,5°L tot 2,5°R |
≥ 1 100 cd |
|
Punt 50V |
0,86°D |
0 |
≥ 2 200 cd |
|
Elk punt op lijn 25L tot 25R |
1,72°D |
5°L tot 5°R |
≥ 2 200 cd |
|
Elk punt in zone 2 |
0,86°L tot 1,72°R |
5°L tot 5°R |
≥ 1 100 cd |
6.2.5.3. Koplamp van klasse C, D of E (figuur D in bijlage 3):
|
Testpunt/lijn/zone |
Hoekcoördinaten — graden (*3) |
Vereiste lichtsterkte in cd |
||||
|
Min. |
Max. |
|||||
|
Klasse C |
Klasse D |
Klasse E |
Klassen C, D en E |
|||
|
1 |
0,86°D |
3,5°R |
2 000 |
2 000 |
2 500 |
13 750 |
|
2 |
0,86°D |
0 |
2 450 |
4 900 |
4 900 |
— |
|
3 |
0,86°D |
3,5°L |
2 000 |
2 000 |
2 500 |
13 750 |
|
4 |
0,50°U |
1,50°L en 1,50°R |
— |
— |
— |
900 |
|
5 |
2,00°D |
15°L en 15°R |
550 |
1 100 |
1 100 |
— |
|
6 |
4,00°D |
20°L en 20°R |
150 |
300 |
600 |
— |
|
7 |
0 |
0 |
— |
— |
— |
1 700 |
|
Lijn 1 |
2,00°D |
9°L tot 9°R |
1 350 |
1 350 |
1 900 |
— |
|
8 (*4) |
4,00°U |
8,0°L |
|
700 |
||
|
9 (*4) |
4,00°U |
0 |
700 |
|||
|
10 (*4) |
4,00°U |
8,0°R |
700 |
|||
|
11 (*4) |
2,00°U |
4,0°L |
|
900 |
||
|
12 (*4) |
2,00°U |
0 |
900 |
|||
|
13 (*4) |
2,00°U |
4,0°R |
900 |
|||
|
14 (*4) |
0 |
8,0°L en 8,0°R |
50 cd (*4) |
50 cd (*4) |
50 cd (*4) |
— |
|
15 (*4) |
0 |
4,0°L en 4,0°R |
100 cd (*4) |
100 cd (*4) |
100 cd (*4) |
900 |
|
Zone 1 |
1°U/8°L-4°U/8°L-4°U/8°R-1°U/8°R-0/4°R-0/1°R-0,6°U/0-0/1°L-0/4°L-1°U/8°L |
— |
— |
— |
900 |
|
|
Zone 2 |
> 4U tot <15U |
8°L tot 8°R |
— |
— |
— |
700 |
Andere algemene tekst:
VN/ECE-typegoedkeuring bij de referentielichtstroom krachtens Reglement nr. 37.
Nominale afstelling voor de fotometrie:
|
Verticaal: |
1 % D (0,57°D) |
Horizontaal: |
0° |
Toegestane toleranties voor de fotometrie:
|
Verticaal: |
0,3°D tot 0,8°D |
Horizontaal: |
± 0,5°D L-R |
6.2.6. Bij koplampen van klasse C, D of E moet het licht binnen de zones 1 en 2 zo gelijkmatig mogelijk verdeeld zijn.
6.2.6.1. De extra lichtbronnen of lichteenheden mogen echter niet worden geactiveerd wanneer de hellingshoek minder dan 3° bedraagt.
6.2.7. Voor het hoofddimlicht zijn een of twee lichtbronnen met gloeidraad (klasse A, B, C of D), één gasontladingslichtbron (klasse E) of een of meer ledmodules (klasse C, D of E) toegestaan.
6.2.8. Aanvullende lichtbronnen of verlichtingseenheden die worden gebruikt om bochtverlichting te produceren, zijn toegestaan op voorwaarde dat:
|
6.2.8.1. |
aan het volgende voorschrift betreffende verlichting wordt voldaan wanneer het hoofddimlicht en de overeenkomstige aanvullende lichtbronnen die worden gebruikt om bochtverlichting te produceren, tegelijk worden ontstoken:
|
|
6.2.8.2. |
Deze test moet worden uitgevoerd met de door de aanvrager gespecificeerde minimumhellingshoek die bijvoorbeeld met de testopstelling wordt gesimuleerd. |
|
6.2.8.3. |
Bij deze meting mogen, op verzoek van de aanvrager, het hoofddimlicht en de aanvullende lichtbronnen die worden gebruikt om bochtverlichting te produceren, afzonderlijk worden gemeten en mogen de verkregen fotometrische waarden worden gecombineerd om na te gaan of aan de gespecificeerde lichtsterktewaarden wordt voldaan. |
6.3. Bepalingen voor grootlicht
6.3.1. Bij een koplamp die ontworpen is om grootlicht en dimlicht te produceren, moeten de metingen van de lichtsterkte van de grootlichtbundel worden verricht met dezelfde afstelling van de koplamp als bij de metingen van punt 6.2. Een koplamp die alleen grootlicht produceert, moet zo worden afgesteld dat het centrum van het gebied met de grootste lichtsterkte (IM) samenvalt met het snijpunt van de lijnen H-H en V-V; een dergelijke koplamp moet alleen voldoen aan de voorschriften van punt 6.3.
6.3.2. Ongeacht het type lichtbron (ledmodule(s), lichtbron(nen) met gloeidraad of gasontladingslichtbron) dat wordt gebruikt om het hoofddimlicht te produceren, mogen verschillende lichtbronnen, namelijk:
|
a) |
een of meer van de in Reglement nr. 37 vermelde lichtbronnen met gloeidraad (klasse A, B, C of D), of |
|
b) |
de in Reglement nr. 99 vermelde gasontladingslichtbronnen (klasse E), of |
|
c) |
een of meer ledmodules (klasse C, D of E) worden gebruikt voor elk afzonderlijk grootlicht. |
6.3.3. Behalve bij koplampen van klasse A moet de door het grootlicht geproduceerde lichtsterkte voldoen aan de voorschriften van hetzij punt 6.3.3.1 (primair grootlicht), hetzij punt 6.3.3.2 (secondair grootlicht).
Een primair grootlicht volgens de voorschriften van punt 6.3.3.1 kan in ieder geval worden goedgekeurd.
Een secundair grootlicht volgens de voorschriften van punt 6.3.3.2 kan alleen worden goedgekeurd wanneer het grootlicht samen met een dimlicht of een primair grootlicht wordt ontstoken. Dit moet op het mededelingenformulier van bijlage 1 onder punt 9.1 duidelijk worden aangegeven.
6.3.3.1. De lichtsterkte van een primair grootlicht moet conform zijn met de volgende tabel (figuur E in bijlage 3):
|
Testpunt nr. |
Hoekcoördinaten — graden (*5) |
Vereiste lichtsterkte [cd] |
|||||
|
Klasse B |
Klasse C |
Klasse D of E |
|||||
|
Min. |
Max. |
Min. |
Max. |
Min. |
Max. |
||
|
1 |
H-V |
16 000 |
— |
20 000 |
— |
30 000 |
— |
|
2 |
H-2,5°R en 2,5°L |
9 000 |
— |
10 000 |
— |
20 000 |
— |
|
3 |
H-5°R en 5°L |
2 500 |
— |
3 500 |
— |
5 000 |
— |
|
4 |
H-9°R en 9°L |
— |
— |
2 000 |
— |
3 400 |
— |
|
5 |
H-12°R en 12°L |
— |
— |
600 |
— |
1 000 |
— |
|
6 |
2°U-V |
— |
— |
1 000 |
— |
1 700 |
— |
|
|
Minimumlichtsterkte van het maximum (IM) |
20 000 |
— |
25 000 |
— |
40 000 |
— |
|
|
Maximumlichtsterkte van het maximum (IM) |
— |
215 000 |
— |
215 000 |
— |
215 000 |
6.3.3.2. De lichtsterkte van een secundair grootlicht moet conform zijn met de volgende tabel (figuur F in bijlage 3):
|
Testpunt nr. |
Hoekcoördinaten — graden (*6) |
Vereiste lichtsterkte (cd) |
|||||
|
Klasse B |
Klasse C |
Klasse D of E |
|||||
|
Min. |
Max. |
Min. |
Max. |
Min. |
Max. |
||
|
1 |
H-V |
16 000 |
— |
20 000 |
— |
30 000 |
— |
|
2 |
H-2,5°R en 2,5°L |
9 000 |
— |
10 000 |
— |
20 000 |
— |
|
3 |
H-5°R en 5°L |
2 500 |
— |
3 500 |
— |
5 000 |
— |
|
6 |
2°U-V |
— |
— |
1 000 |
— |
1 700 |
— |
|
|
Minimumlichtsterkte van het maximum (IM) |
20 000 |
— |
25 000 |
— |
40 000 |
— |
|
|
Maximumlichtsterkte van het maximum (IM) |
— |
215 000 |
— |
215 000 |
— |
215 000 |
6.3.4. De in punt 4.2.2.6 en in punt 6.3.3.1 of 6.3.3.2 bedoelde referentiemarkering (I′M) van de maximumlichtsterkte (IM) moet worden verkregen met de formule:
I′M = IM/4 300
Deze waarde moet op 7,5 – 10 – 12,5 – 17,5 – 20 – 25 – 27,5 – 30 – 37,5 – 40 – 45 – 50 worden afgerond.
6.4. Bij koplampen met verstelbare reflector moeten aanvullende tests worden verricht nadat de reflector met de koplampverstelvoorziening verticaal ± 2° ten opzichte van zijn oorspronkelijke stand is verschoven of ten minste in de uiterste stand is geplaatst als die minder dan 2° bedraagt. Vervolgens moet de hele koplamp worden verplaatst (bijvoorbeeld met behulp van een hoekmeter) door ze evenveel graden in de tegenovergestelde richting van de verplaatsing van de reflector te bewegen. De volgende metingen moeten worden uitgevoerd en de punten moeten binnen de voorgeschreven grenswaarden liggen:
|
dimlicht |
: |
de punten HV en 0,86 D-V |
|
grootlicht |
: |
IM en punt HV (% van IM). |
6.5. De in de punten 6.2 en 6.3 bedoelde verlichtingswaarden op het scherm moeten worden gemeten met een foto-elektrische cel waarvan het nuttige oppervlak binnen een vierkant met zijden van 65 mm valt.
7. KLEUR
|
7.1. |
De kleur van het uitgestraalde licht moet wit zijn. |
8. WIJZIGING VAN HET KOPLAMPTYPE EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING
|
8.1. |
Elke wijziging van het koplamptype moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die het koplamptype heeft goedgekeurd. Die instantie kan dan:
|
|
8.2. |
De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen, moet volgens de procedure van punt 4.1.4 worden meegedeeld aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen. |
|
8.3. |
De bevoegde instantie die de goedkeuring uitbreidt, moet aan elk mededelingenformulier dat voor een dergelijke uitbreiding wordt opgesteld, een volgnummer toekennen en de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis stellen door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1. |
9. CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
Voor de controle van de conformiteit van de productie gelden de procedures van aanhangsel 2 van de overeenkomst (E/ECE/324-E/ECE/TRANS/505/Rev.2), met inachtneming van de volgende voorschriften.
|
9.1. |
Krachtens dit reglement goedgekeurde koplampen moeten zo zijn vervaardigd dat zij conform zijn met het goedgekeurde type door te voldoen aan de voorschriften van de punten 6 en 7. |
|
9.2. |
De minimumvoorschriften in bijlage 5 voor de procedures om de conformiteit van de productie te controleren, moeten worden nageleefd. |
|
9.3. |
De minimumvoorschriften in bijlage 7 voor de monsterneming door een inspecteur moeten worden nageleefd. |
|
9.4. |
De instantie die de typegoedkeuring heeft verleend, kan op elk tijdstip de in elke productie-eenheid toegepaste methoden voor de controle van de conformiteit verifiëren. Deze verificaties vinden gewoonlijk om de twee jaar plaats. |
|
9.5. |
Koplampen met zichtbare gebreken worden buiten beschouwing gelaten. |
|
9.6. |
De meetpunten 8 tot en met 15 van punt 6.2.5.3 worden niet in aanmerking genomen. |
10. SANCTIES BIJ NON-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
|
10.1. |
De krachtens dit reglement voor een type koplamp verleende goedkeuring kan worden ingetrokken als niet aan de voorschriften is voldaan of als een van het goedkeuringsmerk voorziene koplamp niet conform is met het goedgekeurde type. |
|
10.2. |
Als een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder door haar verleende goedkeuring intrekt, moet zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, daarvan onmiddellijk in kennis stellen door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1. |
11. DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE
Als de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd type koplamp definitief stopzet, moet hij de instantie die de goedkeuring heeft verleend daarvan in kennis stellen. Zodra die instantie de kennisgeving heeft ontvangen, moet zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis stellen door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 1.
12. NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE TYPEGOEDKEURINGSINSTANTIES
De partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, moeten het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres meedelen van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie moeten worden toegezonden.
13. OVERGANGSBEPALINGEN
|
13.1. |
Vanaf de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 01 van dit reglement mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuringen te verlenen krachtens dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01. |
|
13.2. |
Tot 60 maanden na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 01 van dit reglement voor wat de daarbij ingevoerde wijzigingen in de fotometrische testprocedures betreft waarbij het bolcoördinatenstelsel wordt toegepast en lichtsterktewaarden worden gespecificeerd, en om de technische diensten (testlaboratoria) in staat te stellen hun testapparatuur te updaten, mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuringen te verlenen krachtens dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, indien de bestaande testapparatuur wordt gebruikt en de gemeten waarden op passende wijze en tot tevredenheid van de voor de typegoedkeuring verantwoordelijke instantie worden omgezet. |
|
13.3. |
Vanaf 60 maanden na de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 01 mogen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen goedkeuringen verlenen als de koplamp voldoet aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01. |
|
13.4. |
Bestaande goedkeuringen voor koplampen die krachtens dit reglement al vóór de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 01 zijn verleend, moeten geldig blijven. |
|
13.5. |
De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen geen uitbreidingen weigeren van goedkeuringen die krachtens de vorige wijzigingenreeks van dit reglement zijn verleend. |
(1) Voor het aanbrengen van koplampen wordt verwezen naar de desbetreffende reglementen over de installatie van verlichtings- en lichtsignaalinrichtingen.
(2) Niets in dit reglement mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, beletten om de combinatie van een krachtens dit reglement goedgekeurde koplamp die een kunststoflens bevat, met een mechanische schoonmaakvoorziening voor koplampen (met wissers) te verbieden.
(3) Zoals gedefinieerd in de geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document TRANS/WP.29/78/Rev.2, punt 2.
(4) Voor gasontladingslichtbronnen: zie Reglement nr. 99.
(5) Als de lens niet van de hoofdbehuizing van de koplamp kan worden verwijderd, volstaat een enkel opschrift zoals gespecificeerd in punt 4.2.5.
(6) De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document TRANS/WP.29/78/Rev.2/Amend.1.
(7) Technische voorschriften voor gloeilampen: zie Reglement nr. 37. Technische voorschriften voor gasontladingslichtbronnen: zie Reglement nr. 99.
(8) Een koplamp wordt geacht aan de voorschriften van dit punt te voldoen als de gloeilamp gemakkelijk in de koplamp kan worden gemonteerd en de richtplaatjes zelfs in het donker op de juiste wijze in de gleuven kunnen worden gebracht.
(9) De naleving van de voor het desbetreffende voertuigtype geldende voorschriften inzake elektromagnetische compatibiliteit is van essentieel belang.
(10) Een dergelijke speciale „dimlichtkoplamp” mag een grootlicht bevatten dat niet aan voorschriften is onderworpen.
(*1) Tenzij anders aangegeven, is op elk fotometrisch testpunt een tolerantie van 0,25° toegestaan.
(*2) Tenzij anders aangegeven, is op elk fotometrisch testpunt een tolerantie van 0,25° toegestaan.
(*3) Tenzij anders aangegeven, is op elk fotometrisch testpunt een tolerantie van 0,25° toegestaan.
(*4) Als het krachtens Reglement nr. 50 of nr. 7 goedgekeurde breedtelicht met de koplamp is gecombineerd, gegroepeerd of samengebouwd, moet het op verzoek van de aanvrager tijdens de meting van deze punten worden ontstoken.
(*5) Tenzij anders aangegeven, is op elk fotometrisch testpunt een tolerantie van 0,25° toegestaan.
(*6) Tenzij anders aangegeven, is op elk fotometrisch testpunt een tolerantie van 0,25° toegestaan.
BIJLAGE 2
VOORBEELDEN VAN DE OPSTELLING VAN GOEDKEURINGSMERKEN
|
Figuur 1
|
Figuur 2
|
De koplamp met een van bovenstaande goedkeuringsmerken is in Nederland (E4) krachtens Reglement nr. 113 goedgekeurd onder nummer 243 en voldoet aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01. De letters C-AS (figuur 1) wijzen erop dat het om een dimlichtkoplamp van klasse A gaat en de letters CR-BS (figuur 2) wijzen erop dat het om een dimlicht- en grootlichtkoplamp van klasse B gaat.
Opmerking: Het goedkeuringsnummer en de aanvullende symbolen moeten dicht bij de cirkel en hetzij boven of onder de letter E, hetzij rechts of links van die letter worden geplaatst. De cijfers van het goedkeuringsnummer moeten zich aan dezelfde kant van de letter E bevinden en in dezelfde richting wijzen. Het gebruik van Romeinse cijfers als goedkeuringsnummer moet worden vermeden om verwarring met andere symbolen te voorkomen.
|
Figuur 3
|
Figuur 4
|
De koplamp met bovenstaande goedkeuringsmerk is een koplamp met kunststoflens die voldoet aan de voorschriften van dit reglement en ontworpen is voor:
|
Figuur 3 |
: |
klasse B, alleen wat het dimlicht betreft. |
|
Figuur 4 |
: |
klasse B, wat het dimlicht en het grootlicht betreft. |
|
Figuur 5
|
Figuur 6
|
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp die voldoet aan de voorschriften van dit reglement en ontworpen is voor:
|
Figuur 5 |
: |
klasse B, wat het dimlicht en het grootlicht betreft. |
|
Figuur 6 |
: |
klasse B, alleen wat het dimlicht betreft. |
Het dimlicht mag niet tegelijk met het grootlicht en/of een andere samengebouwde koplamp branden.
|
Figuur 7
|
Figuur 8
|
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp met kunststoflens die voldoet aan de voorschriften van dit reglement en ontworpen is voor:
|
Figuur 7 |
: |
klasse C, alleen wat het dimlicht betreft. |
|
Figuur 8 |
: |
klasse C, wat het dimlicht en het grootlicht betreft. |
|
Figuur 9
|
Figuur 10
|
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp die voldoet aan de voorschriften van dit reglement en ontworpen is voor:
|
Figuur 9 |
: |
klasse D, alleen wat het dimlicht betreft. |
|
Figuur 10 |
: |
klasse D, wat het dimlicht en het grootlicht betreft. |
Het dimlicht mag niet tegelijk met het grootlicht en/of een andere samengebouwde koplamp branden.
|
Figuur 11
|
Figuur 12
|
De koplamp met bovenstaand goedkeuringsmerk is een koplamp die voldoet aan de voorschriften van dit reglement en ontworpen is voor:
|
Figuur 11 |
: |
klasse E, alleen wat het dimlicht betreft. |
|
Figuur 12 |
: |
klasse E, wat het dimlicht en het grootlicht betreft. |
Figuur 13
Vereenvoudigde markering voor gegroepeerde, gecombineerde of samengebouwde lichten
(De verticale en horizontale lijnen zijn een schematische voorstelling van de vorm van de lichtsignaalinrichting. Zij maken geen deel uit van het goedkeuringsmerk.)
Model A
Model B
Model C
Model D
Opmerking: De vier bovenstaande voorbeelden hebben betrekking op een verlichtingsinrichting met een goedkeuringsmerk voor:
|
|
een breedtelicht, goedgekeurd krachtens Reglement nr. 50 in zijn oorspronkelijke vorm (00); |
|
|
een koplamp van klasse D met een dimlicht en een grootlicht met een maximumlichtsterkte tussen 123 625 en 145 125 candela (aangegeven door het nummer 30), die is goedgekeurd overeenkomstig de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01 en een kunststoflens bevat; |
|
|
een mistvoorlicht van klasse B dat is goedgekeurd krachtens Reglement nr. 19, wijzigingenreeks 03, en een kunststoflens bevat; |
|
|
een voorrichtingaanwijzer van categorie 11, goedgekeurd krachtens Reglement nr. 50 in zijn oorspronkelijke vorm. |
Figuur 14
Met een koplamp samengebouwd licht
Voorbeeld 1
Bovenstaand voorbeeld komt overeen met de markering van een kunststoflens die bestemd is voor gebruik in verschillende typen koplampen, namelijk:
|
|
hetzij een koplamp van klasse D met een dimlicht en een grootlicht met een maximumlichtsterkte tussen 123 625 en 145 125 candela (aangegeven door het getal 30), goedgekeurd in Duitsland (E1) overeenkomstig de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, dat is samengebouwd met een breedtelicht dat is goedgekeurd krachtens Reglement nr. 50 in zijn oorspronkelijke vorm (00); hetzij |
|
|
een koplamp van klasse C met een dimlicht en een grootlicht met een maximumlichtsterkte tussen 48 375 en 64 500 candela (aangegeven door het getal 12,5), goedgekeurd in Duitsland (E1) overeenkomstig de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 01, dat is samengebouwd met hetzelfde breedtelicht als hierboven. |
Figuur 15
Ledmodules
De ledmodule met bovenstaande lichtbronidentificatiecode is goedgekeurd samen met een koplamp die aanvankelijk in Italië (E3) is goedgekeurd onder nummer 17325.
Figuur 16
Aanvullende verlichtingseenheden die bedoeld zijn om bochtverlichting te produceren
De aanvullende verlichtingseenheid met bovenstaande identificatiecode is goedgekeurd samen met een koplamp die in Italië (E3) is goedgekeurd onder nummer 1234.
BIJLAGE 3
MEETSYSTEEM MET BOLCOÖRDINATEN EN PLAATS VAN DE TESTPUNTEN
Figuur A
Meetsysteem met bolcoördinaten
De hoekcoördinaten worden in graden aangegeven op een bol met een verticale poolas overeenkomstig CIE-publicatie nr. 770-1987 „The measurement of absolute luminous intensity distributions”, d.w.z. zoals bij een hoekmeter met een horizontale as die vast is ten opzichte van de grond, en een tweede beweegbare rotatieas die loodrecht staat op de vaste horizontale as.
Figuur B
Dimlichttestpunten en -zones bij koplampen van klasse A
H-H: horizontaal vlak dat door het brandpunt van de koplamp gaat V-V: verticaal vlak
Figuur C
Dimlichttestpunten en -zones bij koplampen van klasse B
H-H: horizontaal vlak dat door het brandpunt van de koplamp gaat V-V: verticaal vlak
Figuur D
Dimlicht — positie van de testpunten en zones bij koplampen van de klassen C, D en E
Figuur E
Primair grootlicht — positie van de testpunten
Figuur F
Secundair grootlicht — positie van de testpunten
BIJLAGE 4
TESTS VAN DE STABILITEIT VAN DE FOTOMETRISCHE PRESTATIES VAN BRANDENDE KOPLAMPEN — TESTS OP COMPLETE KOPLAMPEN VAN DE KLASSEN B, C, D EN E
Zodra de fotometrische waarden volgens de voorschriften van dit reglement in het punt voor Imax bij grootlicht en in de punten 0,50 U/1,5 L, 0,50 U/1,5 R, 50 R en 50 L bij dimlicht van klasse B en in de punten 0,86 D-3,5 R, 0,86 D-3,5 L, 0,50 U-1,5 L en 0,50 U-1,5 R bij dimlicht van de klassen C, D en E zijn gemeten, moet een monster van een complete koplamp op de stabiliteit van de fotometrische prestaties tijdens de werking worden getest. Onder „complete koplamp” wordt verstaan de volledige koplamp zelf, inclusief de omringende delen van de behuizing, de gloeilampen, de gasontladingslichtbronnen of de ledmodules die de warmtedissipatie ervan kunnen beïnvloeden.
De tests moeten worden uitgevoerd:
|
a) |
in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 ± 5 °C, waarbij het testmonster wordt gemonteerd op een steun die de correcte installatie op het voertuig simuleert; |
|
b) |
bij vervangbare lichtbronnen: met lichtbronnen met gloeidraad uit massaproductie die al ten minste één uur hebben gebrand, gasontladingslichtbronnen uit massaproductie die al ten minste 15 uur hebben gebrand, of ledmodules uit massaproductie die al ten minste 48 uur hebben gebrand en zijn afgekoeld tot omgevingstemperatuur voordat wordt begonnen met de in dit reglement voorgeschreven tests. Hierbij moet gebruik worden gemaakt van de door de aanvrager ter beschikking gestelde ledmodules. |
De meetapparatuur moet gelijkwaardig zijn aan die welke bij typegoedkeuringstests van koplampen wordt gebruikt.
Het testmonster moet worden ontstoken zonder dat het van zijn testopstelling wordt genomen of ten opzichte daarvan wordt bijgesteld. De gebruikte lichtbron moet tot de voor die koplamp voorgeschreven categorie behoren.
1. TEST VAN DE STABILITEIT VAN DE FOTOMETRISCHE PRESTATIES
1.1. Schone koplamp
De koplamp moet 12 uur lang op de in punt 1.1.1 beschreven branden en worden gecontroleerd zoals voorgeschreven in punt 1.1.2.
1.1.1. Testprocedure (1)
De koplamp moet gedurende de voorgeschreven tijd op de volgende wijze branden:
1.1.1.1.
|
a) |
wanneer maar één verlichtingsfunctie (grootlicht, dimlicht of mistvoorlicht) moet worden goedgekeurd, laat men de desbetreffende lichtbron gedurende de voorgeschreven tijd branden (2). |
|
b) |
als het gaat om een koplamp met een dimlicht en een of meer grote lichten of om een koplamp met een dimlicht en een mistvoorlicht:
|
|
c) |
bij een koplamp met een mistvoorlicht en een of meer grote lichten:
|
|
d) |
bij een koplamp met een dimlicht, een of meer grote lichten en een mistvoorlicht:
|
|
e) |
bij een koplamp met een of meer aanvullende lichtbronnen (behalve aanvullende verlichtingseenheden) om bochtverlichting te produceren, moeten deze tijdens de activering van het hoofddimlicht één minuut worden ontstoken en negen minuten gedoofd. |
Als de koplamp diverse aanvullende lichtbronnen heeft die worden gebruikt om bochtverlichting te produceren, moet de test worden uitgevoerd met de combinatie van lichtbronnen die de moeilijkste bedrijfsomstandigheden vertegenwoordigt.
1.1.1.2. Testspanning
De spanning moet op de aansluitpunten van het testmonster als volgt worden toegepast:
|
a) |
bij vervangbare lichtbronnen met gloeidraad die direct onder het spanningssysteem van het voertuig werken, moet de test bij respectievelijk 6,3 V, 13,2 V of 28,0 V worden uitgevoerd, behalve als de aanvrager aangeeft dat het testmonster bij een andere spanning mag worden gebruikt. In dat geval moet de test met de lichtbron met gloeidraad bij de hoogste toegelaten spanning worden uitgevoerd; |
|
b) |
bij vervangbare gasontladingslichtbronnen bedraagt de testspanning voor het elektronische lichtbronbedieningsmechanisme of voor de lichtbron als de ballast daarin is geïntegreerd, 3,2 ± 0,1 V bij voertuigen met 12 V-systeem, tenzij anders aangegeven in de goedkeuringsaanvraag; |
|
c) |
bij niet-vervangbare lichtbronnen die direct onder het spanningssysteem van het voertuig werken, moeten alle metingen aan verlichtingseenheden met niet-vervangbare lichtbronnen (lichtbronnen met gloeidraad en/of andere lichtbronnen) bij 6,3 V, 13,2 V of 28,0 V worden verricht of bij een andere, door de aanvrager aangegeven voertuigspanning; |
|
d) |
bij vervangbare of niet-vervangbare lichtbronnen die onafhankelijk van de voedingsspanning van het voertuig in werking worden gesteld en door het systeem volledig worden gecontroleerd, of bij lichtbronnen met een eigen voedings- en bedieningsvoorziening moeten bovengenoemde testspanningen op de aansluitpunten van die voorziening worden toegepast. Het testlaboratorium mag van de fabrikant verlangen dat hij de voedings- en bedieningsvoorziening of een speciale voeding voor de lichtbronnen ter beschikking stelt; |
|
e) |
ledmodules moeten bij respectievelijk 6,75 V, 13,2 V of 28,0 V worden gemeten, tenzij anders aangegeven in dit reglement. Ledmodules met elektronisch lichtbronbedieningsmechanisme moeten volgens de specificaties van de aanvrager worden gemeten; |
|
f) |
wanneer signaallichten gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd zijn in het testmonster en zij op een andere spanning dan de nominale spanning van respectievelijk 6, 12 of 24 V werken, moet de spanning worden aangepast zoals aangegeven door de fabrikant voor de correcte fotometrische werking van die lichten. |
1.1.2. Testresultaten
1.1.2.1. Visuele inspectie
Zodra de koplamp op de omgevingstemperatuur is gestabiliseerd, moeten de lens van de koplamp en, indien aanwezig, de buitenlens met een schone en vochtige katoenen doek worden gereinigd. Bij de daaropvolgende visuele inspectie mogen noch in de lens van de koplamp, noch in de eventueel aanwezige buitenlens vervormingen, barsten of kleurveranderingen worden geconstateerd.
1.1.2.2. Fotometrische test
Om aan de voorschriften van dit reglement te voldoen, moeten de fotometrische waarden worden gecontroleerd op de volgende punten:
|
|
bij een koplamp van klasse B:
|
|
|
bij een koplamp van de klassen C, D en E:
|
Er mag een nieuwe afstelling plaatsvinden ter compensatie van een eventuele vervorming van de koplampsteun als gevolg van de hitte (de verplaatsing van de licht-donkergrens wordt behandeld in punt 2).
Behalve voor de punten 0,50 U/1,5 L en 0,50 U/1,5 R is tussen de fotometrische kenmerken en de vóór de test gemeten waarden, inclusief de toleranties als gevolg van de fotometrische procedure, een afwijking van 10 % toegestaan.
De op de punten 0,50 U/1,5 L en 0,50 U/1,5 R gemeten waarde mag de vóór de test gemeten waarde niet met meer dan 255 cd overschrijden.
1.2. Vuile koplamp
Nadat de koplamp op de in punt 1.1 aangegeven wijze is getest, moet zij op de in punt 1.2.1 voorgeschreven wijze worden geprepareerd. Vervolgens moet de lamp gedurende één uur branden zoals beschreven in punt 1.1.1, en worden gecontroleerd zoals voorgeschreven in punt 1.1.2.
1.2.1. Prepareren van de koplamp
1.2.1.1. Testmengsel
|
1.2.1.1.1. |
Bij een koplamp met glazen buitenlens:
|
|
1.2.1.1.2. |
Bij een koplamp met kunststof buitenlens:
|
1.2.1.2. Aanbrengen van het testmengsel op de koplamp
Het testmengsel moet gelijkmatig op het volledige lichtuitstralende oppervlak van de koplamp worden aangebracht, waarna men het laat drogen.
Deze procedure moet worden herhaald totdat de verlichtingssterkte op elk van de onderstaande punten is gedaald tot 15 à 20 % van de waarde die onder de in deze bijlage beschreven omstandigheden is gemeten:
|
|
bij een koplamp van klasse B:
|
|
|
bij een koplamp van de klassen C, D en E:
|
2. TEST TER CONTROLE VAN DE VERTICALE VERPLAATSING VAN DE LICHT-DONKERGRENS ONDER INVLOED VAN DE WARMTE
Met deze test wordt geverifieerd of de verticale verplaatsing van de licht-donkergrens van een brandende dimlichtkoplamp onder invloed van de warmte een voorgeschreven waarde niet overschrijdt.
De overeenkomstig punt 1 geteste koplamp moet aan de in punt 2.1 beschreven test worden onderworpen zonder dat zij van haar testopstelling wordt genomen of ten opzichte daarvan wordt bijgesteld.
2.1. Test
De test moet worden uitgevoerd in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 ± 5 °C.
Met behulp van een gloeilamp uit massaproductie die al ten minste één uur heeft gebrand, van een gasontladingslichtbron uit massaproductie die al ten minste 15 uur heeft gebrand, of van de met de koplampen ter beschikking gestelde ledmodule(s) die al ten minste 48 uur heeft (hebben) gebrand, moet de koplamp op dimlicht worden ontstoken zonder dat zij van haar testopstelling wordt genomen of ten opzichte daarvan wordt bijgesteld. (Voor deze test moet de spanning op de in punt 1.1.1.2 voorgeschreven wijze worden ingesteld.) De positie van het horizontale deel van de licht-donkergrens (het deel tussen de verticale lijnen door de punten 50 L en 50 R bij koplampen van klasse B en door de punten 3,5 L en 3,5 R bij koplampen van de klassen C, D en E) moet 3 minuten (r3), respectievelijk 60 minuten (r60) na het inschakelen worden gecontroleerd.
De meting van de hierboven beschreven verplaatsing van de licht-donkergrens moet worden uitgevoerd met gelijk welke methode die voldoende nauwkeurigheid en reproduceerbare resultaten oplevert.
2.2. Testresultaten
|
2.2.1. |
Het resultaat, uitgedrukt in milliradialen (mrad), moet bij een koplamp die dimlicht produceert, alleen aanvaardbaar worden geacht wanneer de bij de koplamp geregistreerde absolute waarde |
|
2.2.2. |
Bedraagt deze waarde echter meer dan 1,0 mrad, maar niet meer dan 1,5 mrad (1,0 mrad < ΔrI ≤ 1,5 mrad), dan moet een tweede koplamp aan de in punt 2.1 beschreven test worden onderworpen nadat zij driemaal na elkaar aan de hieronder beschreven cyclus is onderworpen om de positie van de mechanische delen van de koplamp op een steun die de correcte installatie ervan op het voertuig simuleert, te stabiliseren:
Het koplamptype moet aanvaardbaar worden geacht als het gemiddelde van de absolute waarden ΔrI, gemeten bij het eerste monster, en ΔrII, gemeten bij het tweede monster, niet meer dan 1,0 mrad bedraagt. |
(1) Voor het testoverzicht: zie bijlage 8 bij dit reglement.
(2) Als de geteste koplamp signaallichten omvat, moeten deze tijdens de hele test blijven branden. Gaat het om een richtingaanwijzer, dan moet deze knipperen, waarbij de tijd dat hij oplicht ongeveer gelijk moet zijn aan de tijd dat hij gedoofd is.
(3) Als twee of meer lichtbronnen tegelijk gaan branden wanneer met de koplampen wordt geknipperd, mag dat niet als normaal gelijktijdig gebruik van de lichtbronnen worden beschouwd.
(4) NaCMC is het natriumzout van carboxymethylcellulose, dat gewoonlijk wordt aangeduid als CMC. Het in het vuilmengsel gebruikte NaCMC moet een substitutiegraad (DS) van 0,6 – 0,7 hebben en een viscositeit van 0,2 – 0,3 Pa · s voor een 2 %-oplossing bij een temperatuur van 20 °C;
(5) Voor de hoeveelheid geldt een tolerantie, omdat vuil moet worden verkregen dat zich op de juiste wijze over de hele kunststoflens verspreidt.
BIJLAGE 5
MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE PROCEDURES OM DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE TE CONTROLEREN
1. ALGEMEEN
|
1.1. |
Uit mechanisch en geometrisch oogpunt moet worden aangenomen dat aan de conformiteitsvoorschriften is voldaan als de verschillen niet groter zijn dan onvermijdelijke fabricageafwijkingen binnen de in dit reglement gestelde grenzen. Deze voorwaarde geldt ook voor de kleur. |
|
1.2. |
Koplampen van de klassen A, B, C en D
|
|
1.3. |
Koplampen van klasse E
|
|
1.4. |
Voor de verificatie van de verticale verplaatsing van de licht-donkergrens onder invloed van de warmte geldt de volgende procedure (alleen koplampen van de klassen B, C, D en E):
|
|
1.5. |
Koplampen met zichtbare gebreken worden buiten beschouwing gelaten. |
|
1.6. |
Als bij een aantal monsters de verticale bijstelling tot de vereiste positie binnen de toegestane toleranties echter niet herhaaldelijk kan worden uitgevoerd, moet de kwaliteit van de licht-donkergrens op een van de koplampen uit de reeks monsters worden getest volgens de in bijlage 9, punten 2 en 4, beschreven procedure. |
2. MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE VERIFICATIE VAN DE CONFORMITEIT DOOR DE FABRIKANT
Voor elk type koplamp moet de houder van het goedkeuringsmerk op gezette tijden ten minste de volgende tests uitvoeren. De tests moeten volgens de bepalingen van dit reglement worden uitgevoerd.
Indien bij het desbetreffende type test een monster niet conform blijkt te zijn, moeten extra monsters worden genomen en worden getest. De fabrikant moet maatregelen nemen om de conformiteit van de betrokken productie te waarborgen.
2.1. Aard van de tests
De in dit reglement bedoelde conformiteitstests moeten betrekking hebben op de fotometrische kenmerken en, bij koplampen van de klassen B, C, D en E, op de verificatie van de verticale verplaatsing van de licht-donkergrens onder invloed van de warmte.
2.2. Toegepaste testmethoden
|
2.2.1. |
De tests moeten over het algemeen volgens de in dit reglement beschreven methoden worden uitgevoerd. |
|
2.2.2. |
Bij elke door de fabrikant uitgevoerde conformiteitstest mogen met het akkoord van de voor de goedkeuringstests verantwoordelijke bevoegde instantie gelijkwaardige methoden worden toegepast. Het is de taak van de fabrikant om aan te tonen dat de toegepaste methoden gelijkwaardig zijn met de in dit reglement vastgelegde methoden. |
|
2.2.3. |
De toepassing van de punten 2.2.1 en 2.2.2 vereist regelmatige kalibratie van de testapparatuur en vergelijking van de meetresultaten met die van een bevoegde instantie. |
|
2.2.4. |
In alle gevallen gelden de in dit reglement vastgestelde methoden als referentiemethoden, met name ten behoeve van administratieve verificatie en monsterneming. |
2.3. Aard van de monsterneming
Monsters van koplampen moeten willekeurig worden genomen uit de productie van een uniforme partij. Onder uniforme partij wordt een reeks koplampen van hetzelfde type verstaan, gedefinieerd volgens de productiemethoden van de fabrikant.
De beoordeling moet in het algemeen betrekking hebben op de serieproductie van individuele fabrieken. Een fabrikant mag echter gegevens over hetzelfde type uit verscheidene fabrieken samenvoegen op voorwaarde dat die volgens hetzelfde kwaliteitssysteem en onder hetzelfde kwaliteitsbeheer werken.
2.4. Gemeten en geregistreerde fotometrische kenmerken
De bemonsterde koplampen moeten worden onderworpen aan fotometrische metingen op de in het reglement bepaalde punten, waarbij alleen de waarden op de volgende punten worden afgelezen:
|
2.4.1. |
bij koplampen van klasse A: HV, LH, RH, 12,5L en 12,5R; |
|
2.4.2. |
bij koplampen van klasse B: Imax en HV (1) bij het grootlicht en de punten HV, 0,86D/3,5R, 0,86D/3,5L bij het dimlicht. |
|
2.4.3. |
bij koplampen van de klassen C, D en E: Imax en HV (1) bij het grootlicht en de punten HV, 0,86D/3,5R, 0,86D/3,5L bij het dimlicht. |
2.5. Aanvaardbaarheidscriteria
De fabrikant moet de testresultaten statistisch onderzoeken en in overleg met de bevoegde instantie criteria voor de aanvaardbaarheid van zijn producten vaststellen om te voldoen aan de specificaties die voor de verificatie van de conformiteit van de productie in punt 9.1 van dit reglement zijn vastgelegd.
De aanvaardbaarheidscriteria moeten zo zijn dat, met een betrouwbaarheid van 95 %, de kans dat een steekproef overeenkomstig bijlage 7 (eerste monsterneming) met succes wordt doorstaan, minimaal 0,95 is.
(1) Als het grootlicht met het dimlicht is samengebouwd, moet HV bij het grootlicht hetzelfde meetpunt zijn als bij het dimlicht.
BIJLAGE 6
VOORSCHRIFTEN VOOR LICHTEN MET KUNSTSTOFLENS — TESTS VAN LENZEN OF MATERIAALMONSTERS EN VAN COMPLETE LICHTEN
1. ALGEMENE SPECIFICATIES
|
1.1. |
De overeenkomstig punt 2.2.4 van dit reglement verstrekte monsters moeten voldoen aan de specificaties in de punten 2.1 tot en met 2.5. |
|
1.2. |
De twee overeenkomstig punt 2.2.3 van dit reglement verstrekte monsters van complete lichten met kunststoflens moeten, wat het lensmateriaal betreft, voldoen aan de specificaties van punt 2.6. |
|
1.3. |
De monsters van kunststoflenzen of de materiaalmonsters moeten met de reflector waarop zij zullen worden gemonteerd (voor zover van toepassing), aan goedkeuringstests worden onderworpen in de chronologische volgorde die in aanhangsel 1, tabel A, is aangegeven. |
|
1.4. |
Als de fabrikant van het licht echter kan aantonen dat het product de in de punten 2.1 tot en met 2.5 voorgeschreven tests of gelijkwaardige tests krachtens een ander reglement al met succes heeft doorstaan, hoeven die tests niet te worden herhaald; alleen de in aanhangsel 1, tabel B, voorgeschreven tests zijn verplicht. |
2. TESTS
2.1. Bestandheid tegen temperatuurveranderingen
2.1.1. Tests
Drie nieuwe monsters (lenzen) moeten aan vijf cycli van temperatuur- en vochtigheidsverandering (RV = relatieve vochtigheid) worden onderworpen volgens het onderstaande programma:
|
a) |
3 uur bij 40 ± 2 °C en 85-95 % RV; |
|
b) |
1 uur bij 23 ± 5 °C en 60-75 % RV; |
|
c) |
15 uur bij - 30 ± 2 °C; |
|
d) |
1 uur bij 23 ± 5 °C en 60-75 % RV; |
|
e) |
3 uur bij 80 ± 2 °C; |
|
f) |
1 uur bij 23 ± 5 °C en 60-75 % RV. |
Vóór deze test moeten de monsters ten minste vier uur lang op 23 ± 5 °C en 60-75 % RV worden gehouden.
|
Opmerking: |
De perioden van één uur bij 23 ± 5 °C omvatten de overgangsperioden van de ene temperatuur naar de andere die nodig zijn om thermische schokken te vermijden. |
2.1.2. Fotometrische metingen
2.1.2.1. Methode
Vóór en na de test moeten op de monsters fotometrische metingen worden verricht.
Deze metingen, waarbij gebruik wordt gemaakt van een standaardgloeilamp (referentiegloeilamp), een standaard gasontladingslichtbron of een of meer in de koplamp aanwezige ledmodules, moeten worden uitgevoerd op de volgende punten:
B 50, 50 L en 50 R bij een koplamp van klasse B, 0,86 D/3,5 R, 0,86 D/3,5 L, 0,50 U/1,5 L en 1,5 R bij een koplamp van de klassen C, D en E voor de dimlichtbundel van een dimlicht/grootlicht;
Imax voor de grootlichtbundel van een grootlicht of een dimlicht/grootlicht.
2.1.2.2. Resultaten
Het verschil tussen de bij elk monster gemeten fotometrische waarden vóór en na de test mag, met inbegrip van de toleranties als gevolg van de meetmethode, niet meer dan 10 % bedragen.
2.2. Bestandheid tegen stoffen in de atmosfeer en tegen chemische stoffen
2.2.1. Bestandheid tegen stoffen in de atmosfeer
Drie nieuwe monsters (lenzen of materiaalmonsters) moeten worden blootgesteld aan straling van een bron met een spectrale energiedistributie zoals die van een zwart voorwerp bij een temperatuur tussen 5 500 en 6 000 K. Tussen de bron en de monsters moeten passende filters worden geplaatst om de straling met een golflengte van minder dan 295 nm en meer dan 2 500 nm zoveel mogelijk te beperken. De monsters moeten zolang aan een verlichtingssterkte van 1 200 ± 200 W/m2 worden blootgesteld dat de lichtenergie die zij ontvangen, gelijk is aan 4 500 ± 200 MJ/m2. Binnen de opstelling moet de op de zwarte plaat ter hoogte van de monsters gemeten temperatuur 50 ± 5 °C bedragen. Voor een gelijkmatige blootstelling moeten de monsters met een snelheid van 1 tot 5 t/min rond de stralingsbron draaien.
De monsters moeten met gedestilleerd water met een geleidingsvermogen van minder dan 1 mS/m en een temperatuur van 23 ± 5 °C worden besproeid volgens de onderstaande cyclus:
besproeien: 5 minuten; drogen: 25 minuten.
2.2.2. Bestandheid tegen chemische stoffen
Na de in punt 2.2.1 beschreven test en de in punt 2.2.3.1 beschreven meting moet het buitenoppervlak van de drie genoemde monsters op de in punt 2.2.2.2 beschreven wijze met het in punt 2.2.2.1 gedefinieerde mengsel worden behandeld.
2.2.2.1. Testmengsel
Het testmengsel moet bestaan uit 61,5 % n-heptaan, 12,5 % tolueen, 7,5 % ethyltetrachloride, 12,5 % trichloorethyleen and 6 % xyleen (vol. %).
2.2.2.2. Aanbrengen van het testmengsel
Doordrenk een stuk katoenen doek (zoals gespecificeerd in ISO 105) tot verzadiging met het in punt 2.2.2.1 gedefinieerde mengsel en breng dit binnen 10 seconden gedurende 10 minuten op de buitenkant van het monster aan met een druk van 50 N/cm2, wat overeenkomt met een kracht van 100 N die op een testoppervlak van 14 × 14 mm wordt uitgeoefend.
Gedurende deze 10 minuten moet de doek opnieuw met het mengsel worden doordrenkt, zodat de samenstelling van de aangebrachte vloeistof steeds identiek blijft aan die van het voorgeschreven testmengsel.
Tijdens het aanbrengen mag de op het monster uitgeoefende druk worden gecompenseerd om het ontstaan van barsten te voorkomen.
2.2.2.3. Schoonmaken
Na het aanbrengen van het testmengsel moeten de monsters in de open lucht worden gedroogd en vervolgens met de in punt 2.3 (bestandheid tegen detergentia) beschreven oplossing bij 23 ± 5 °C worden gewassen.
Daarna moeten de monsters zorgvuldig worden gespoeld met gedestilleerd water dat bij 23 ± 5 °C niet meer dan 0,2 % verontreinigingen bevat en vervolgens met een zachte doek worden afgedroogd.
2.2.3. Resultaten
|
2.2.3.1. |
Na de test van de bestandheid tegen stoffen in de atmosfeer mag de buitenkant van de monsters geen barsten, krassen, afschilferingen of vervormingen vertonen en mag het gemiddelde verschil in lichtdoorlating |
|
2.2.3.2. |
Na de test van de bestandheid tegen chemische stoffen mogen de monsters geen sporen vertonen van chemische aanslag die een afwijking van de lichtverstrooiing kan veroorzaken. Het gemiddelde verschil in lichtverstrooiing |
2.3. Bestandheid tegen detergentia en koolwaterstoffen
2.3.1. Bestandheid tegen detergentia
De buitenkant van drie monsters (lenzen of materiaalmonsters) moet tot 50 ± 5 °C worden verwarmd en vervolgens vijf minuten worden ondergedompeld in een mengsel dat op een temperatuur van 23 ± 5 °C wordt gehouden en dat bestaat uit 99 delen gedestilleerd water met niet meer dan 0,02 % verontreinigingen en 1 deel alkylarylsulfonaat.
Aan het eind van de test moeten de monsters bij 50 ± 5 °C worden gedroogd.
Het oppervlak van de monsters moet met een vochtige doek worden schoongemaakt.
2.3.2. Bestandheid tegen koolwaterstoffen
Daarna moet met een katoenen doek dat met een mengsel van 70 % n-heptaan en 30 % tolueen (vol. %) is doordrenkt, 1 minuut lang zachtjes over de buitenkant van deze drie monsters worden gewreven. Vervolgens moeten de monsters in open lucht worden gedroogd.
2.3.3. Resultaten
Nadat beide bovengenoemde tests na elkaar zijn verricht, mag de gemiddelde waarde van het verschil in lichtdoorlating
2.4. Bestandheid tegen mechanische slijtage
2.4.1. Methode voor mechanische slijtage
De buitenkant van drie nieuwe monsters (lenzen) moet volgens de in aanhangsel 3 beschreven methode aan de uniforme mechanische-slijtagetest worden onderworpen.
2.4.2. Resultaten
Na deze test moet het verschil:
|
|
in lichtdoorlating: |
|
|
en in lichtverstrooiing: |
|
|
volgens de procedure van aanhangsel 2 in het in punt 2.2.4.1.1 gespecificeerde gebied worden gemeten. De gemiddelde waarde bij de drie monsters moet zo zijn dat:
|
2.5. Test van de hechting van eventueel aanwezige coatings
2.5.1. Prepareren van het monster
Een oppervlak van 20 mm × 20 mm van de coating van een lens moet met een scheermesje of een naald in een rasterpatroon worden gesneden, waarbij de vierkantjes elk circa 2 mm × 2 mm meten. De druk op het mesje of de naald moet voldoende zijn om ten minste door de coating heen te snijden.
2.5.2. Beschrijving van de test
Gebruik plakband met een hechtvermogen van 2 N/(cm breedte) ± 20 %, gemeten onder de genormaliseerde omstandigheden die zijn gespecificeerd in aanhangsel 4. Dit plakband, dat minstens 25 mm breed moet zijn, moet ten minste 5 minuten lang op het overeenkomstig punt 2.5.1 geprepareerde oppervlak worden gedrukt.
Vervolgens moet het uiteinde van het plakband zodanig worden belast dat het hechtvermogen op het desbetreffende oppervlak door een kracht loodrecht op dat oppervlak in evenwicht wordt gehouden. Op dat ogenblik moet het plakband met een constante snelheid van 1,5 ± 0,2 m/s worden losgetrokken.
2.5.3. Resultaten
Het gerasterde oppervlak mag niet noemenswaardig zijn aangetast. Beschadigingen op de snijpunten van het raster of aan de rand van de insnijdingen zijn toegestaan mits het aangetaste gebied niet groter is dan 15 % van het gerasterde oppervlak.
2.6. Tests van de complete koplamp met kunststoflens
2.6.1. Bestandheid van het lensoppervlak tegen mechanische slijtage
2.6.1.1. Tests
De lens van koplampmonster nr. 1 moet aan de in punt 2.4.1 beschreven test worden onderworpen.
2.6.1.2. Resultaten
Na de test mogen de resultaten van de fotometrische metingen die krachtens dit reglement op de koplamp zijn verricht:
|
a) |
niet meer dan 30 % hoger zijn dan de op punt HV voorgeschreven maximumwaarden en niet meer dan 10 % lager dan de voorgeschreven minimumwaarden op punt 50 L en 50 R bij een koplamp van klasse B en op de punten 0,86 D/3,5 R en 0,86 D/3,5 L bij een koplamp van de klassen C, D en E; |
|
b) |
niet meer dan 10 % lager zijn dan de op punt HV voorgeschreven minimumwaarden bij een koplamp die alleen grootlicht produceert. |
2.6.2. Test van de hechting van eventueel aanwezige coatings
De lens van koplampmonster nr. 2 moet aan de in punt 2.5 beschreven test worden onderworpen.
2.7. Bestandheid tegen straling van de lichtbron
De volgende test moet worden uitgevoerd.
|
|
Vlakke monsters van elk lichtdoorlatend kunststofonderdeel van de koplamp worden aan het licht van de ledmodule(s) of de gasontladingslichtbron blootgesteld. De parameters zoals de hoeken en afstanden van deze monsters, moeten dezelfde zijn als in de koplamp. De monsters moeten dezelfde kleur hebben en in voorkomend geval dezelfde oppervlaktebehandeling hebben ondergaan als de delen van de koplamp. |
|
|
Na 1 500 uur continu bedrijf moet aan de colorimetrische specificaties van het doorgelaten licht worden voldaan en mag het oppervlak van de monsters geen barsten, krassen, afschilferingen of vervormingen vertonen. |
3. VERIFICATIE VAN DE CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
|
3.1. |
Wat de voor de vervaardiging van de lenzen gebruikte materialen betreft, moeten de koplampen van een serie worden geacht aan dit reglement te voldoen als:
|
|
3.2. |
Als de testresultaten niet aan de voorschriften voldoen, moeten de tests met een ander willekeurig gekozen monster van de koplampen worden herhaald. |
Aanhangsel 1
CHRONOLOGISCHE VOLGORDE VAN DE GOEDKEURINGSTESTS
A. Tests op kunststoffen (overeenkomstig punt 2.2.4 van dit reglement verstrekte lenzen of materiaalmonsters)
|
Monsters Tests |
Lenzen of materiaalmonsters |
Lenzen |
||||||||||||||
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
9 |
10 |
11 |
12 |
13 |
14 |
|||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
||
|
x |
x |
x |
x |
x |
x |
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
x |
x |
|
|
|
|
||
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
x |
||
|
|
|
|
|
|
|
x |
|
|
|
|
|
|
|
||
B. Tests op complete koplampen (verstrekt overeenkomstig punt 2.2.3 van dit reglement)
|
Tests |
Complete koplamp |
|||
|
Monster nr. |
||||
|
1 |
2 |
|||
|
x |
|
||
|
x |
|
||
|
|
x |
||
Aanhangsel 2
METHODE VOOR HET METEN VAN DE LICHTVERSTROOIING EN -DOORLATING
1. Apparatuur (zie figuur)
De bundel van een collimator K met een halve divergentie β/2 = 17,4 × 10–4 rd wordt tot 6 mm gediafragmeerd door middel van een diafragma Dτ waartegen de monsterstander wordt geplaatst.
Een achromatische convergerende lens L2, gecorrigeerd voor sferische aberraties, verbindt diafragma Dτ met ontvanger R; de diameter van lens L2 moet zo zijn dat het door het monster verstrooide licht niet wordt gediafragmeerd in een kegel met een halvetophoek van β/2 = 14°.
Een ringvormig diafragma DD met hoeken αο/2 = 1° en αmax/2 = 12°, wordt in een beeldbrandvlak van lens L2 geplaatst.
Het niet-transparante middengedeelte van het diafragma is noodzakelijk om het licht dat rechtstreeks van de lichtbron komt, te elimineren. Het moet mogelijk zijn het middengedeelte van het diafragma zo van de lichtbundel te verwijderen dat het precies naar zijn oorspronkelijke stand terugkeert.
De afstand L2 Dτ en de brandpuntslengte F2 (1) van lens L2 moeten zo worden gekozen dat het beeld van Dτ ontvanger R volledig bedekt.
Wanneer de eerste invallende lichtstroom op 1 000 eenheden wordt gesteld, moet de absolute nauwkeurigheid van elke afgelezen waarde beter zijn dan 1 eenheid.
2. Metingen
De volgende waarden moeten worden afgelezen:
|
Aflezing |
Bij monster |
Bij middengedeelte van DD |
Weergegeven hoeveelheid |
|
T1 |
neen |
neen |
Invallende lichtstroom bij eerste aflezing |
|
T2 |
ja (vóór de test) |
neen |
Door het nieuwe materiaal doorgelaten lichtstroom in een gebied van 24° |
|
T3 |
ja (na de test) |
neen |
Door het geteste materiaal doorgelaten lichtstroom in een gebied van 24° |
|
T4 |
ja (vóór de test) |
ja |
Door het nieuwe materiaal verstrooide lichtstroom |
|
T5 |
ja (na de test) |
ja |
Door het geteste materiaal verstrooide lichtstroom |
(1) Voor L2 wordt een brandpuntsafstand van circa 80 mm aanbevolen.
Aanhangsel 3
SPUITTESTMETHODE
1. Testapparatuur
1.1. Spuitpistool
Het gebruikte spuitpistool moet voorzien zijn van een spuitopening met een diameter van 1,3 mm, waarmee een vloeistofdebiet van 0,24 ± 0,02 l/min bij een bedrijfsdruk van 6,0 – 0/+ 0,5 bar kan worden verkregen.
Onder deze bedrijfsomstandigheden moet het verkregen waaierpatroon een diameter van 170 ± 50 mm hebben op het aan slijtage blootgestelde oppervlak, op een afstand van 380 ± 10 mm van de spuitopening.
1.2. Testmengsel
Het testmengsel moet bestaan uit:
|
kiezelzand met hardheid 7 op de schaal van Mohr, met een korrelgrootte tussen 0 en 0,2 mm en een bijna normale verdeling, met een hoekfactor van 1,8 tot 2; |
|
water met een hardheid van niet meer dan 205 g/m3 voor een mengsel dat 25 g zand per liter water bevat. |
2. Test
Het buitenoppervlak van de koplamplenzen moet eenmaal of meermaals aan de inwerking van een op de hierboven beschreven wijze voortgebrachte zandstraal worden blootgesteld. De straal moet vrijwel loodrecht op het te testen oppervlak worden gericht.
De slijtage moet worden gecontroleerd aan de hand van een of meer glasmonsters die als referentie dicht bij de te testen lenzen zijn geplaatst. Het mengsel moet worden gespoten totdat het verschil in lichtverstrooiing op het monster (de monsters), gemeten volgens de in aanhangsel 2 beschreven methode, zo is dat:
Er kunnen meerdere referentiemonsters worden gebruikt om na te gaan of het volledige te testen oppervlak homogeen gesleten is.
Aanhangsel 4
PLAKBANDHECHTINGSTEST
1. DOEL
Deze methode maakt het mogelijk onder genormaliseerde omstandigheden het lineaire hechtvermogen van plakband op een glasplaat te bepalen.
2. PRINCIPE
Meting van de kracht die nodig is om plakband onder een hoek van 90° van een glasplaat los te maken.
3. GESPECIFICEERDE ATMOSFERISCHE OMSTANDIGHEDEN
Als omgevingscondities gelden 23 ± 5 °C en 65 ± 15 % relatieve luchtvochtigheid (RV).
4. TESTSTUKKEN
Vóór de test moet de rol met het te onderzoeken plakband gedurende 24 uur in de voorgeschreven atmosfeer worden bewaard (zie punt 3).
Van elke rol moeten vijf teststukken van 400 mm lang worden getest. Deze teststukken moeten van de rol worden genomen nadat de eerste drie wikkelingen zijn verwijderd.
5. PROCEDURE
De test moet onder de in punt 3 vermelde omgevingscondities plaatsvinden.
Neem de vijf teststukken terwijl het plakband radiaal wordt ontrold met een snelheid van circa 300 mm/s, en breng ze vervolgens binnen 15 seconden aan op de volgende wijze:
|
|
breng het plakband in een vloeiende beweging aan op de glasplaat en wrijf het met de vinger lichtjes in lengterichting vast zonder al te veel druk uit te oefenen en wel op zodanige wijze dat er tussen het plakband en de glasplaat geen luchtbellen achterblijven. |
|
|
Laat het geheel 10 minuten rusten in de gespecificeerde atmosferische omstandigheden. |
|
|
Maak ongeveer 25 mm van het teststuk los van de plaat in een vlak loodrecht op de as van het teststuk. Zet de plaat vast en vouw het vrije uiteinde van het plakband om in een hoek van 90°. Oefen op zodanige wijze kracht uit dat de scheidingslijn tussen het plakband en de plaat loodrecht op deze kracht en loodrecht op de plaat staat. |
|
|
Trek los met een snelheid van 300 ± 30 mm/s en noteer de vereiste kracht. |
6. RESULTATEN
De vijf verkregen waarden moeten worden gerangschikt en de mediaan moet als resultaat van de meting worden genomen. Deze waarde moet worden uitgedrukt in Newton per centimeter breedte van het plakband.
BIJLAGE 7
MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOOR DE MONSTERNEMING DOOR EEN INSPECTEUR
1. ALGEMEEN
1.1. Uit mechanisch en geometrisch oogpunt moet worden aangenomen dat volgens de voorschriften van dit reglement aan de conformiteitsvoorschriften wordt voldaan als de verschillen niet groter zijn dan onvermijdelijke fabricageafwijkingen. Deze voorwaarde geldt ook voor de kleur.
1.2. Koplampen van de klassen A, B, C en D
|
1.2.1. |
Wat de fotometrische prestaties betreft, mag de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen niet worden betwist wanneer bij het testen van de fotometrische prestaties van een willekeurig gekozen koplamp met een of meer standaardgloeilampen en/of ledmodules: |
|
1.2.2. |
bij koplampen van klasse A, geen gemeten waarde in ongunstige zin meer dan 20 % van de in dit reglement voorgeschreven waarde afwijkt; |
|
1.2.3. |
bij koplampen van de klassen B, C en D:
|
|
1.2.4. |
Als de resultaten van de hierboven beschreven tests niet aan de voorschriften voldoen, moeten de tests met een andere standaardgloeilamp (andere standaardgloeilampen) worden herhaald. |
|
1.2.5. |
Als de resultaten van de hierboven beschreven tests niet aan de voorschriften voldoen, mag de afstelling van de koplamp worden veranderd op voorwaarde dat de as van de lichtbundel niet meer dan 0,5° naar rechts of naar links en niet meer dan 0,2° naar boven of naar onder wordt verschoven. |
1.3. Koplampen van klasse E
1.3.1. Bij koplampen van klasse E, gemeten bij 13,2 ± 0,1 V, tenzij anders aangegeven, en voorzien van:
|
a) |
een verwijderbare standaard gasontladingslichtbron overeenkomstig Reglement nr. 99. In dit geval mag de lichtstroom van deze gasontladingslichtbron afwijken van de in Reglement nr. 99 gespecificeerde referentielichtstroom en moeten de verlichtingssterkten dienovereenkomstig worden gecorrigeerd, of |
|
b) |
een gasontladingslichtbron en een ballast uit serieproductie. In dit geval mag de lichtstroom van deze lichtbron van de nominale lichtstroom afwijken binnen de in Reglement nr. 99 voor de lichtbron en de ballast gespecificeerde toleranties en mogen de gemeten verlichtingssterkten dienovereenkomstig met 20 % in gunstige zin worden gecorrigeerd, of |
|
c) |
de in de koplamp aanwezige ledmodules. Wat de fotometrische prestaties betreft, mag de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen die willekeurig zijn gekozen en voorzien zijn van een gasontladingslichtbron en/of een of meer in de koplamp aanwezige ledmodules, niet worden betwist op voorwaarde dat: |
1.3.2. geen gemeten waarde in ongunstige zin meer dan 20 % van de in dit reglement voorgeschreven waarde afwijkt. Voor de waarden in zone 1 mag de maximumafwijking in ongunstige zin de volgende zijn:
|
|
255 cd ofwel 20 %, |
|
|
380 cd ofwel 30 %; |
1.3.3. en als voor het grootlicht een tolerantie van + 20 % voor de maximumwaarden en – 20 % voor de minimumwaarden in acht wordt genomen voor de fotometrische waarden op elk meetpunt zoals gespecificeerd in punt 6.3.3.1 of 6.3.3.2 van dit reglement.
1.3.4. Als de resultaten van de hierboven beschreven tests niet aan de voorschriften voldoen, mag de afstelling van de koplamp worden veranderd op voorwaarde dat de as van de lichtbundel niet meer dan 0,5° naar rechts of naar links en niet meer dan 0,2° naar boven of naar onder wordt verschoven.
1.3.5. Als de resultaten van de hierboven beschreven tests niet aan de voorschriften voldoen, moeten de tests van de koplamp worden herhaald met een andere standaard gasontladingslichtbron, een gasontladingslichtbron en/of ballast, of een of meer ledmodules en elektronische lichtbronbedieningsmechanismen, al naargelang wat volgens punt 1.3.1 van toepassing is.
1.4. Koplampen met zichtbare gebreken worden buiten beschouwing gelaten.
1.5. Als bij een aantal monsters de verticale bijstelling tot de vereiste positie binnen de toegestane toleranties echter niet herhaaldelijk kan worden uitgevoerd, moet de kwaliteit van de licht-donkergrens op een van de koplampen uit de reeks monsters worden getest volgens de in bijlage 9, punten 2 en 4, beschreven procedure.
2. EERSTE MONSTERNEMING
Bij de eerste monsterneming worden vier koplampen willekeurig gekozen. Het eerste monster van twee wordt met A aangeduid, het tweede monster van twee met B.
2.1. Geen betwisting van de conformiteit
|
2.1.1. |
Volgens de monsternemingsprocedure in figuur 1 mag de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen niet worden betwist als de gemeten waarden van de koplampen in de ongunstige richtingen als volgt afwijken:
|
2.2. Betwisting van de conformiteit
|
2.2.1. |
Volgens de monsternemingsprocedure in figuur 1 moet de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen worden betwist en moet de fabrikant worden verzocht zijn productie in overeenstemming te brengen met de voorschriften (aanpassing) als de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
2.3. Intrekking van de goedkeuring
De conformiteit moet worden betwist en punt 11 moet worden toegepast als volgens de monsternemingsprocedure in figuur 1 de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
2.3.1. |
monster A
|
|
2.3.2. |
monster B
|
3. HERHALING VAN DE MONSTERNEMING
In de gevallen A3, B2 en B3 moet binnen twee maanden na de kennisgeving een nieuwe monsterneming plaatsvinden waarbij een derde monster C van twee koplampen uit de na de aanpassing geproduceerde voorraad wordt genomen.
3.1. Geen betwisting van de conformiteit
|
3.1.1. |
Volgens de monsternemingsprocedure in figuur 1 mag de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen niet worden betwist als de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
3.2. Betwisting van de conformiteit
|
3.2.1. |
Volgens de monsternemingsprocedure in figuur 1 moet de conformiteit van in massa geproduceerde koplampen worden betwist en moet de fabrikant worden verzocht zijn productie in overeenstemming te brengen met de voorschriften (aanpassing) als de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
3.3. Intrekking van de goedkeuring
De conformiteit moet worden betwist en punt 11 moet worden toegepast als volgens de monsternemingsprocedure in figuur 1 de gemeten waarden van de koplampen als volgt afwijken:
|
3.3.1. |
monster C
|
|
3.3.2. |
monster D
|
Figuur 1
Mogelijke resultaten met monster A
2 voor-zieningen
aanpassingEerste monsterneming 4 willekeurig gekozen voorzieningen, verdeeld in de monsters A&B
2 voor-zieningen
STOP
ga naar monster B
STOP
Aanpassing De fabrikant wordt verplicht de producten in overeenstemming te brengen met de voorschriften
2 voor-zieningen
Herhaling van de monsterneming 4 willekeurig gekozen voorzieningen, verdeeld in de monsters C&D
2 voor-zieningen
STOP
ga naar monster D
Mogelijke resultaten met monster D
Mogelijke resultaten met monster B
Mogelijke resultaten met monster C
STOP
ga naar aanpassingEerste
Goedkeuring ingetrokken
Maximumafwijking [%] in de ongunstige richting ten opzichte van de grenswaarden
BIJLAGE 8
OVERZICHT VAN DE ACTIVERINGSPERIODEN VOOR DE TEST VAN DE STABILITEIT VAN DE FOTOMETRISCHE PRESTATIES
|
Afkortingen |
: |
P: dimlichtkoplamp D: grootlichtkoplamp (D1 + D2 betekent twee grote lichten) F: mistvoorlicht |
|
|
: een cyclus van 15 minuten uit en 5 minuten aan. |
|
|
: een cyclus van 9 minuten uit en 1 minuut aan. |
De volgende gegroepeerde koplampen en mistvoorlichten en de vermelde merktekens van klasse B worden louter ter illustratie gegeven en zijn niet exhaustief.
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
||
|
Extra lichtbron(nen) om bochtverlichting te produceren |
|
BIJLAGE 9
DEFINITIE EN SCHERPTE VAN DE LICHT-DONKERGRENS BIJ SYMMETRISCHE DIMLICHTKOPLAMPEN EN PROCEDURE VOOR AFSTELLING DOOR MIDDEL VAN DIE LICHT-DONKERGRENS
1. ALGEMEEN
|
1.1. |
De lichtsterkteverdeling van symmetrische dimlichtkoplampen moet een licht-donkergrens omvatten waarmee de koplamp voor de fotometrische metingen en voor het richten ervan op het voertuig correct kan worden afgesteld. De kenmerken van de licht-donkergrens moeten voldoen aan de voorschriften van de punten 2 tot en met 4. |
2. VORM VAN DE LICHT-DONKERGRENS
|
2.1. |
Voor de visuele afstelling van de symmetrische dimlichtkoplamp moet de licht-donkergrens een horizontale lijn produceren waarmee de lichtbundel aan weerskanten van lijn V-V (zie figuur 1) verticaal kan worden afgesteld zoals aangegeven in punt 6.2.1 van dit reglement.
Figuur 1 Vorm en positie van de licht-donkergrens
|
3. AFSTELLING VAN DE SYMMETRISCHE DIMLICHTKOPLAMP
|
3.1. |
Horizontale afstelling: de licht-donkergrens moet zo zijn gepositioneerd dat het geprojecteerde lichtbundelpatroon vrijwel symmetrisch lijkt ten opzichte van lijn V-V. |
|
3.2. |
Verticale afstelling: na de horizontale afstelling van de symmetrische dimlichtkoplamp overeenkomstig punt 3.1 moet de verticale afstelling zo worden uitgevoerd dat de lichtbundel met zijn licht-donkergrens van de laagste positie naar boven wordt verplaatst todat de licht-donkergrens zich in de nominale verticale positie bevindt. Voor de nominale verticale afstelling wordt de licht-donkergrens op lijn V-V 1 % onder lijn h-h gepositioneerd.
Als het horizontale deel niet recht, maar lichtjes gebogen of hellend is, mag de licht-donkergrens het verticale gebied, gevormd door twee horizontale lijnen die zich tussen 3° links en 3° rechts van lijn V-V bevinden, op 0,2° bij koplampen van klasse B en 0,3° bij koplampen van de klassen A, C, D en E boven en onder de nominale positie van de licht-donkergrens, niet overschrijden (zie figuur 1). |
|
3.3. |
Wanneer de verticale afstelling van drie verschillende exemplaren meer dan 0,2° afwijkt bij koplampen van klasse B en meer dan 0,3° bij koplampen van de klassen A, C, D en E, wordt ervan uitgegaan dat het horizontale deel van de licht-donkergrens geen voldoende lineariteit of scherpte biedt om de visuele afstelling uit te voeren. In dat geval moet de kwaliteit van de licht-donkergrens als volgt met instrumenten op de naleving van de voorschriften worden getest. |
4. METING VAN DE KWALITEIT VAN DE LICHT-DONKERGRENS
|
4.1. |
De metingen moeten worden verricht door het horizontale deel van de licht-donkergrens verticaal te scannen in stappen van niet meer dan 0,05°:
De meting van de kwaliteit van de licht-donkergrens moet aanvaardbaar worden geacht als met ten minste één meting op 10 of 25 m aan de voorschriften van punt 4.1.2 wordt voldaan. De meetafstand waarop de test werd uitgevoerd, moet worden genoteerd in punt 9 van het mededelingenformulier in bijlage 1 bij dit reglement. De scanning wordt van onder naar boven uitgevoerd dwars door de licht-donkergrens langs de verticale lijnen op - 3 tot - 1,5° en + 1,5 tot + 3° van lijn V-V. Zo gemeten, moet de kwaliteit van de licht-donkergrens voldoen aan de volgende voorschriften:
|
5. VERTICALE AFSTELLING MET EEN INSTRUMENT
Als de licht-donkergrens aan bovenstaande kwaliteitseisen voldoet, mag de verticale afstelling van de lichtbundel met een instrument worden uitgevoerd. Daartoe bevindt het buigpunt waarop d2 (log E)/dv2 = 0, zich op lijn V-V in zijn nominale positie onder lijn h-h. Voor het meten en afstellen van de licht-donkergrens moet van onder de nominale positie naar boven worden bewogen.
(1) Dit punt zal worden gewijzigd zodra er een objectieve testmethode beschikbaar is.
BIJLAGE 10
REFERENTIEPUNT
Deze facultatieve markering van het referentiepunt moet op de lens worden aangebracht op het snijpunt met de referentieas van het dimlicht en ook op de lens van de grote lichten die niet met een dimlicht zijn gegroepeerd, gecombineerd of samengebouwd.
Bovenstaande tekening geeft de markering van het referentiepunt weer zoals geprojecteerd op een vlak dat de lens ter hoogte van het middelpunt van de cirkel nagenoeg raakt. De lijnen die deze markering vormen, mogen doorlopende lijnen of stippellijnen zijn.
BIJLAGE 11
MARKERING VAN DE SPANNING
|
Deze markering moet op de hoofdbehuizing van elke koplamp die alleen gasontladingslichtbronnen en een ballast bevat, en op elk extern deel van de ballast worden aangebracht. |
|
Deze markering moet worden aangebracht op de hoofdbehuizing van elke koplamp die ten minste één gasontladingslichtbron en een ballast bevat. |
|
De ballast(en) is (zijn) ontworpen voor een netwerksysteem van ** V. |
|
De ballast(en) is (zijn) ontworpen voor een netwerksysteem van ** V. |
|
|
|
Geen van de gloeilampen die de koplamp bevat, is ontworpen voor een netwerksysteem van 24 V. |
BIJLAGE 12
VOORSCHRIFTEN VOOR LEDMODULES EN KOPLAMPEN MET LEDMODULES
1. ALGEMENE SPECIFICATIES
|
1.1. |
Elk ter beschikking gesteld monster van een ledmodule moet aan de desbetreffende specificaties van dit reglement voldoen wanneer het wordt getest met het ter beschikking gestelde elektronische lichtbronbedieningsmechanisme, indien van toepassing. |
|
1.2. |
Ledmodules moeten zo zijn ontworpen dat zij bij normaal gebruik goed functioneren en blijven functioneren. Zij mogen geen ontwerp- of fabricagefouten vertonen. Als een van de leds van een ledmodule de tests niet heeft doorstaan, moet die ledmodule worden geacht de tests niet te hebben doorstaan. |
|
1.3. |
Ledmodules moeten manipulatieveilig zijn. |
|
1.4. |
Het ontwerp van verwijderbare ledmodules moet zo zijn dat:
|
2. VERVAARDIGING
|
2.1. |
De leds op de ledmodule moeten voorzien zijn van passende bevestigingselementen. |
|
2.2. |
De bevestigingselementen moeten sterk zijn en stevig op de leds en de ledmodule zijn bevestigd. |
3. TESTOMSTANDIGHEDEN
3.1. Toepassing
|
3.1.1. |
Alle monsters moeten worden getest zoals aangegeven in punt 4. |
|
3.1.2. |
De lichtbronnen op een ledmodule moeten lichtdioden (leds) zijn zoals gedefinieerd in Reglement nr. 48, punt 2.7.1, met name wat het zichtbare stralingselement betreft. Andere soorten lichtbronnen zijn niet toegestaan. |
3.2. Bedrijfsomstandigheden
3.2.1. Bedrijfsomstandigheden van de ledmodule
Alle monsters moeten onder de in punt 6.1.3 van dit reglement gespecificeerde omstandigheden worden getest. Indien niet anders aangegeven in deze bijlage, moeten ledmodules worden getest binnen de koplamp die door de fabrikant ter beschikking is gesteld.
3.2.2. Omgevingstemperatuur
Voor het meten van de elektrische en fotometrische kenmerken moet men de koplamp in een droge en rustige omgeving bij een temperatuur van 23 ± 5 °C laten branden.
3.3. Veroudering
Op verzoek van de aanvrager moet men de ledmodule 48 uur laten branden en dan laten afkoelen tot omgevingstemperatuur voordat met de in dit reglement gespecificeerde tests wordt begonnen.
4. SPECIFIEKE SPECIFICATIES EN TESTS
4.1. Kleurweergave
4.1.1. Roodgehalte
Als aanvulling op de in punt 7 van dit reglement beschreven metingen moet het minimale roodgehalte van het licht van een op 50 V geteste ledmodule of koplamp met ledmodules zo zijn dat:
waarin:
|
Ee(λ) (eenheid: W) |
de spectrale distributie is van de irradiantie; |
|
V(λ) (eenheid: 1) |
de spectrale lichtefficiëntie is; |
|
(λ) (eenheid: nm) |
de golflengte is. |
Deze waarde moet met intervallen van één nanometer worden berekend.
4.2. Uv-straling
De uv-straling van een ledmodule van het type met lage uv-straling moet zo zijn dat:
waarin:
|
|
S(λ) (eenheid: 1) de spectrale weegfunctie is; |
|
|
km = 683 lm/W de maximumwaarde van de lichtefficiëntie van de straling is. |
(Voor definities van de andere symbolen: zie punt 4.1.1)
Deze waarde moet met intervallen van één nanometer worden berekend. De uv-straling moet worden gewogen volgens de waarden die in onderstaande uv-tabel zijn aangegeven.
Uv-tabel
Waarden overeenkomstig de „IRPA/INIRC Guidelines on limits of exposure to ultraviolet radiation”. De gekozen golflengten (in nanometers) zijn representatief; andere waarden moeten worden geïnterpoleerd.
|
λ |
S(λ) |
|
250 |
0,430 |
|
255 |
0,520 |
|
260 |
0,650 |
|
265 |
0,810 |
|
270 |
1,000 |
|
275 |
0,960 |
|
280 |
0,880 |
|
285 |
0,770 |
|
290 |
0,640 |
|
295 |
0,540 |
|
300 |
0,300 |
|
305 |
0,060 |
|
310 |
0,015 |
|
315 |
0,003 |
|
320 |
0,001 |
|
325 |
0,00050 |
|
330 |
0,00041 |
|
335 |
0,00034 |
|
340 |
0,00028 |
|
345 |
0,00024 |
|
350 |
0,00020 |
|
|
|
|
355 |
0,00016 |
|
360 |
0,00013 |
|
365 |
0,00011 |
|
370 |
0,00009 |
|
375 |
0,000077 |
|
380 |
0,000064 |
|
385 |
0,000530 |
|
390 |
0,000044 |
|
395 |
0,000036 |
|
400 |
0,000030 |
|
|
|
4.3. Temperatuurstabiliteit
4.3.1. Verlichtingssterkte
|
4.3.1.1. |
Na één minuut branden voor de desbetreffende functie moet op de koplamp een fotometrische meting op het hieronder aangegeven testpunt worden verricht. Voor deze metingen kan de koplamp bij benadering worden afgesteld, maar die afstelling moet vóór en na de metingen van de verhouding worden gehandhaafd.
Te meten testpunten: Hoofddimlicht 50 V (Voor het meten van bochtverlichting moet het testpunt door de fabrikant worden aangegeven.) Grootlicht H — V |
|
4.3.1.2. |
Het licht moet blijven branden totdat fotometrische stabiliteit is opgetreden. Het moment waarop de fotometrie stabiel is, wordt gedefinieerd als het punt in de tijd waarop de variatie van de fotometrische waarde minder is dan 3 % binnen elke periode van 15 minuten. Nadat stabiliteit is opgetreden, moet de afstelling voor complete fotometrie worden uitgevoerd volgens de voor de voorziening in kwestie geldende voorschriften. Fotometreer het licht op alle voor die voorziening vereiste testpunten. |
|
4.3.1.3. |
Bereken de verhouding tussen de in punt 4.3.1.1 bepaalde fotometrische testpuntwaarde en de in punt 4.3.1.2 bepaalde puntwaarde. |
|
4.3.1.4. |
Pas de hierboven berekende verhouding toe op elk van de resterende testpunten nadat fotometrische stabiliteit is bereikt, om een nieuwe fotometrische tabel te creëren die een beschrijving geeft van de complete fotometrie op basis van één minuut branden. |
|
4.3.1.5. |
De lichtsterktewaarden, gemeten na één minuut en nadat fotometrische stabiliteit is opgetreden, moeten aan de minimum- en maximumvoorschriften voldoen. |
4.3.2. Kleur
De kleur van het uitgestraalde licht, gemeten na één minuut en nadat fotometrische stabiliteit is opgetreden zoals beschreven in punt 4.3.1.2, moet in beide gevallen binnen de vereiste kleurgrenzen liggen.
5. De meting van de objectieve lichtstroom van de ledmodule(s) die het hoofddimlicht produceert (produceren), moet als volgt worden uitgevoerd.
|
5.1. |
De configuratie van de ledmodule(s) moet zijn zoals beschreven in de technische specificatie volgens de definitie in punt 2.2.2 van dit reglement. Optische elementen (secundaire optica) moeten op verzoek van de aanvrager door de technische dienst met gereedschap worden verwijderd. Deze procedure en de omstandigheden tijdens de metingen zoals hieronder bedoeld, moeten in het testrapport worden beschreven. |
|
5.2. |
Door de aanvrager moeten drie ledmodules van elk type ter beschikking worden gesteld, samen met het lichtbronbedieningsmechanisme, indien van toepassing, en de nodige instructies. Er mag een systeem voor thermische beheersing (bv. een heatsink) worden verstrekt om vergelijkbare thermische omstandigheden als tijdens het eigenlijke gebruik van de koplamp te simuleren. Vóór de test moet elke ledmodule gedurende ten minste 72 uur versneld worden verouderd onder dezelfde omstandigheden als tijdens het eigenlijke gebruik van de koplamp. Als een bol van Ulbricht wordt gebruikt, moet hij een minimumdiameter van één meter hebben of ten minste tien keer de maximumafmeting van de ledmodule als dit meer is. De metingen van de lichtstroom kunnen ook worden uitgevoerd door integratie met behulp van een goniofotometer. De voorschriften in CIE-publicatie 84 — 1989 met betrekking tot de temperatuur van de ruimte, de plaatsing enz. moeten in acht worden genomen. De ledmodule moet ongeveer één uur lang in de gesloten bol of de goniofotometer zijn ingebrand. De lichtstroom moet worden gemeten nadat stabiliteit is opgetreden zoals toegelicht in punt 4.3.1.2. Het gemiddelde van de metingen van de drie monsters van elk type ledmodule moet als de objectieve lichtstroom van dat type worden beschouwd. |