ISSN 1977-0758

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 139

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

57e jaargang
14 mei 2014


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 492/2014 van de Commissie van 7 maart 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorschriften voor de verlenging van aan wederzijdse erkenning onderworpen toelatingen voor biociden ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 493/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot stalen kabels, verzonden uit onder meer de Republiek Korea en al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 494/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot wijziging van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 136/2004 wat betreft de invoervoorwaarden en de landenlijst als bedoeld in artikel 9 van die verordening ( 1 )

11

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 495/2014 van de Commissie van 13 mei 2014 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

14

 

 

BESLUITEN

 

 

2014/275/EU

 

*

Besluit van de Raad van 6 mei 2014 tot wijziging van Besluit 1999/70/EG betreffende de externe accountants van de nationale centrale banken, wat betreft de externe accountant van de Banque centrale du Luxembourg

16

 

 

2014/276/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 2 mei 2014 tot wijziging van Beschikking 2008/411/EG betreffende de harmonisering van de 3400-3800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap (Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 2798)  ( 1 )

18

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

14.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 139/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 492/2014 VAN DE COMMISSIE

van 7 maart 2014

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de voorschriften voor de verlenging van aan wederzijdse erkenning onderworpen toelatingen voor biociden

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (1), en met name artikel 40, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is dienstig om voor de verlenging van nationale toelatingen die overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) of de artikelen 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 528/2012 aan wederzijdse erkenning onderworpen zijn, zowel in de lidstaten die de eerste toelating hebben verleend als in de lidstaten die via wederzijdse erkenning van die eerste toelating een toelating hebben verleend, aanvullende voorschriften vast te stellen.

(2)

Om onnodig dubbel werk te voorkomen en de samenhang te waarborgen, moet de verlenging van toelatingen die aan wederzijdse erkenning onderworpen zijn, in beginsel door de bevoegde autoriteit van één enkele referentielidstaat behandeld worden. Om aanvragers en bevoegde autoriteiten de nodige flexibiliteit te bieden, moet de aanvrager de mogelijkheid krijgen de referentielidstaat te kiezen, onder voorwaarde dat deze hiermee instemt.

(3)

Met het oog op de goede werking van de procedure en de vlotte uitvoering van de taken door de bevoegde autoriteiten, moet het toepassingsgebied van deze verordening beperkt blijven tot de toelatingen waarvoor ten tijde van de aanvraag tot verlenging in alle lidstaten dezelfde voorwaarden gelden, afgezien van een beperkt aantal uitzonderingen. Voor andere nationale toelatingen moeten aanvragen tot verlenging bij de lidstaat in kwestie worden ingediend overeenkomstig artikel 31 van Verordening (EU) nr. 528/2012.

(4)

De inhoud van een aanvraag tot verlenging van een nationale toelating is beschreven in artikel 31 van Verordening (EU) nr. 528/2012. Voor aanvragen tot verlenging van nationale toelatingen verleend op basis van wederzijdse erkenning, moet de inhoud van de aanvraag echter verder worden gespecificeerd, met name ter vergemakkelijking van de werkzaamheden van de lidstaten die betrokken zijn bij de verlenging van deze toelatingen.

(5)

Om rekening te houden met de werklast in verband met de beoordeling, moet de termijn voor de behandeling van een aanvraag afhangen van de vraag of een volledige beoordeling noodzakelijk is.

(6)

Om dezelfde mate van bescherming te bieden wanneer een toelating wordt verlengd als wanneer zij voor het eerst wordt verleend, mag de maximale geldigheidsduur van de verlengde toelatingen niet langer zijn dan die van de oorspronkelijke toelating. Daarnaast moeten met betrekking tot toelatingen waarvoor geen aanvraag tot verlenging is ingediend of waarvoor de aanvraag is afgewezen, overgangsbepalingen worden vastgesteld voor de producten die in de lidstaten reeds op de markt zijn gebracht.

(7)

Geschilpunten bij de beoordeling van aanvragen tot verlenging moeten worden doorverwezen naar de uit hoofde van Verordening (EU) nr. 528/2012 opgerichte coördinatiegroep, zodat deze geschilpunten kan behandelen met betrekking tot de toelating van biociden, en er moeten afwijkingen op wederzijdse erkenning worden toegestaan op grond van de in artikel 37 van die verordening vastgelegde algemene redenen voor dergelijke afwijkingen.

(8)

Om de voorspelbaarheid te vergroten moet het agentschap richtsnoeren ontwikkelen over de bijzonderheden van de behandeling van verlengingen; deze moeten geregeld worden bijgewerkt in het licht van de opgedane ervaring en de wetenschappelijke en technische vooruitgang,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Bij deze verordening worden regels vastgesteld voor de verlenging van nationale toelatingen voor een biocide of een biocidefamilie die aan wederzijdse erkenning onderworpen zijn overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG of de artikelen 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 528/2012, of van nationale toelatingen verleend door middel van een dergelijke wederzijdse erkenning (hierna „toelating”).

2.   Deze verordening is van toepassing op toelatingen waarvoor ten tijde van de aanvraag tot verlenging in alle lidstaten waar de verlenging wordt aangevraagd dezelfde voorwaarden gelden.

3.   Deze verordening is eveneens van toepassing op toelatingen waarvoor de voorwaarden op een of meer van de volgende punten verschillen, maar die:

a)

louter gegevens betreffen die het onderwerp kunnen vormen van een administratieve wijziging overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 354/2013 van de Commissie (3);

b)

uit een aanpassing van de oorspronkelijke toelating uit hoofde van artikel 4, lid 1, tweede en derde alinea, van Richtlijn 98/8/EG zijn voortgekomen;

c)

bij een besluit van de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 98/8/EG of artikel 37, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 528/2012 zijn vastgesteld;

d)

uit een met de aanvrager bereikte overeenstemming uit hoofde van artikel 37, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012, of uit soortgelijke overeenstemmingen die zijn bereikt bij de uitvoering van artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG zijn voortgekomen.

Artikel 2

Inhoud van de aanvraag

1.   Een aanvraag tot verlenging van de toelating wordt ingediend met behulp van het aanvraagformulier van het biocidenregister en moet de volgende gegevens bevatten:

a)

de naam van de lidstaat die de oorspronkelijke aanvraag tot toelating heeft beoordeeld of, indien van toepassing, de lidstaat die door de aanvrager is gekozen, samen met de schriftelijke bevestiging dat die lidstaat ermee instemt verantwoordelijk te zijn voor de beoordeling van de aanvraag tot verlenging (de „referentielidstaat”);

b)

een lijst van alle andere lidstaten waar de verlenging van een toelating wordt aangevraagd (hierna: „de betrokken lidstaten”), die tevens de nummers bevat van de door de referentielidstaat en de betrokken lidstaten verleende toelatingen;

c)

bevestiging van de aanvrager dat deze toelatingen binnen het toepassingsgebied van deze verordening, als bedoeld in artikel 1, leden 2 en 3, vallen;

d)

alle ter zake dienende gegevens die ingevolge artikel 31, lid 3, onder a) van Verordening (EU) nr. 528/2012 zijn vereist en die de aanvrager sinds de oorspronkelijke toelating of, naargelang van het geval, de voorgaande verlenging heeft gegenereerd, tenzij deze gegevens al in het vereiste formaat zijn ingediend bij het agentschap;

e)

een ontwerpsamenvatting, in de officiële talen van de referentielidstaat en de betrokken lidstaten, van de productkenmerken van het biocide waarin de overeenkomstig artikel 22, lid 2, van Verordening (EU) nr. 528/2012 vereiste gegevens zijn opgenomen die, in voorkomend geval, overeenkomstig artikel 1, lid 3, van deze verordening per lidstaat kunnen verschillen;

f)

de inschatting van de aanvrager of de conclusies van de initiële of vorige beoordeling van het biocide of de biocidefamilie nog steeds geldig zijn, alsmede een kritische evaluatie van alle informatie die is meegedeeld overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) nr. 528/2012, met inbegrip van informatie ter onderbouwing van die inschatting, voor zover die niet reeds voorhanden is in het biocidenregister.

2.   Voor de toepassing van lid 1, onder d), bevat, in voorkomend geval, de aanvraag tot verlenging van de toelating eveneens:

a)

een lijst van de maatregelen die de houder van de toelating in overeenstemming met de voorwaarden voor de geldigheid van de toelating in een lidstaat moet treffen, en de bevestiging dat deze maatregelen zijn getroffen;

b)

een lijst van de besluiten over wijzigingen die een lidstaat voor 1 september 2013 heeft goedgekeurd;

c)

een lijst van de besluiten over wijzigingen waarmee een lidstaat in overeenstemming met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 354/2013 heeft ingestemd;

d)

een lijst van bij een lidstaat ingediende kennisgevingen of aanvragen tot wijzigingen in overeenstemming met Uitvoeringsverordening (EU) nr. 354/2013 die op het tijdstip van de indiening van de aanvraag tot verlenging nog aanhangig zijn.

De bevoegde autoriteit van de referentielidstaat kan, met het oog op de beoordeling van de aanvraag, verzoeken om een afschrift van de in de punten b) en c) bedoelde besluiten.

Artikel 3

Indiening en validering van de aanvraag

1.   Een aanvrager die de verlenging van een toelating door of namens de houder van een toelating wenst aan te vragen (hierna: „de aanvrager”), dient daartoe ten minste 550 dagen vóór het verstrijken van de geldigheidsduur van de toelating een aanvraag in bij de bevoegde autoriteit van de referentielidstaat.

2.   Tegelijkertijd met de indiening van de aanvraag bij de referentielidstaat, dient de aanvrager bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten een aanvraag in tot verlenging van de in die lidstaten verleende toelatingen.

3.   De bevoegde autoriteiten van de referentielidstaat en van de betrokken lidstaten stellen de aanvrager in kennis van de overeenkomstig artikel 80 van Verordening (EU) nr. 528/2012 verschuldigde vergoeding en zij verwerpen de aanvraag indien de aanvrager de vergoedingen niet binnen 30 dagen betaalt. Zij stellen de aanvrager en de andere bevoegde autoriteiten hiervan in kennis.

4.   Na ontvangst van de verschuldigde vergoeding aanvaarden de bevoegde autoriteiten van de referentielidstaat en van de betrokken lidstaten de aanvraag en stellen zij de aanvrager daarvan in kennis, met vermelding van de datum van aanvaarding.

5.   Binnen 30 dagen na de aanvaarding door de referentielidstaat valideert die lidstaat de aanvraag, indien deze alle ter zake dienende informatie, als bedoeld in artikel 2, bevat. De referentielidstaat stelt de aanvrager en de betrokken lidstaten hiervan in kennis.

Bij de validering van de aanvraag voert de referentielidstaat geen beoordeling uit van de kwaliteit of de adequaatheid van de ingediende gegevens of motivering.

6.   Binnen 30 dagen na aanvaarding door de betrokken lidstaat, gaat die lidstaat na of de toelating binnen het toepassingsgebied als bedoeld in artikel 1, leden 2 en 3, van deze verordening, valt.

Wanneer de toelating niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening valt, behandelt de bevoegde autoriteit in de betrokken lidstaat de aanvraag als een overeenkomstig artikel 31, lid 1, van Verordening (EU) nr. 528/2012 ingediende aanvraag en stelt zij de aanvrager en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten daarvan op de hoogte.

7.   Indien de bevoegde autoriteit van de referentielidstaat van mening is dat de aanvraag onvolledig is, verlangt hij van de aanvrager aanvullende informatie voor de validering van de aanvraag en stelt hij een redelijke termijn vast voor de indiening van die informatie. Deze termijn mag normaliter niet langer zijn dan 90 dagen.

Binnen 30 dagen na ontvangst van de aanvullende informatie valideert de bevoegde autoriteit van de referentielidstaat de aanvraag indien de aanvullende informatie volstaat om de aanvraag aan de in artikel 2 vastgestelde eisen te laten voldoen.

Indien de aanvrager de verlangde informatie niet binnen de gestelde termijn indient, wijst de bevoegde autoriteit van de referentielidstaat de aanvraag af en stelt zij de aanvrager en de betrokken lidstaten daarvan in kennis.

Artikel 4

Beoordeling van de aanvraag

1.   Op basis van een beoordeling van de beschikbare informatie en in het licht van de huidige wetenschappelijke kennis, besluit de bevoegde autoriteit van de referentielidstaat binnen 90 dagen na de validering van de aanvraag of een volledige beoordeling van de aanvraag tot verlenging noodzakelijk is.

2.   Indien een volledige beoordeling noodzakelijk is, stelt de bevoegde autoriteit van de referentielidstaat een beoordelingsrapport op overeenkomstig de in artikel 30 van Verordening (EU) nr. 528/2012 omschreven procedure en termijnen. Het beoordelingsrapport bevat een conclusie over de vraag of nog steeds aan de voorwaarden voor verlening van de toelating als bedoeld in artikel 19 van die verordening wordt voldaan, en houdt in voorkomend geval rekening met de resultaten van de in overeenstemming met artikel 23 van die verordening uitgevoerde vergelijkende evaluatie.

Onverminderd het bepaalde in artikel 30, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EU) nr. 528/2012, worden het beoordelingsrapport en de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van het biocide binnen 365 dagen na de validering van de aanvraag aan de betrokken lidstaten en de aanvrager toegezonden.

3.   Wanneer een volledige beoordeling niet noodzakelijk is, stelt de referentielidstaat overeenkomstig de in artikel 30, lid 3, onder a), b), en c), van Verordening (EU) nr. 528/2012 omschreven procedure en termijnen een beoordelingsrapport op. Het beoordelingsrapport bevat een conclusie over de vraag of aan de in artikel 19 van die verordening omschreven voorwaarden voor de verlening van de toelating wordt voldaan en houdt in voorkomend geval rekening met de resultaten van de in overeenstemming met artikel 23 van die verordening uitgevoerde vergelijkende evaluatie.

Het beoordelingsrapport en de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van het biocide worden binnen 180 dagen na validering van de aanvraag aan de betrokken lidstaten en de aanvrager toegezonden.

Artikel 5

Besluit over verlenging

1.   Binnen 90 dagen na ontvangst van het beoordelingsrapport en de ontwerpsamenvatting van de productkenmerken van het biocide, en onder voorbehoud van artikel 6, bereiken de betrokken lidstaten overeenstemming over de samenvatting van de productkenmerken van het biocide, met uitzondering, in voorkomend geval, van de in artikel 1, lid 3, onder a), bedoelde geschilpunten, en nemen deze overeenstemming op in het biocidenregister.

De referentielidstaat neemt de overeengekomen samenvatting van de productkenmerken van het biocide en het definitieve beoordelingsrapport op in het biocidenregister, samen met alle overeengekomen voorwaarden voor het op de markt aanbieden of het gebruik van het biocide of de biocidefamilie.

2.   Binnen 30 dagen na het bereiken van overeenstemming verlengen de referentielidstaat en elke betrokken lidstaat de toelatingen conform de overeengekomen samenvatting van de productkenmerken van het biocide.

Onverminderd artikel 23, lid 6, van Verordening (EU) nr. 528/2012, wordt de toelating verlengd voor een periode van ten hoogste 10 jaar.

3.   Onverminderd artikel 7 geldt dat, indien binnen 90 dagen geen overeenstemming wordt bereikt, elke lidstaat die instemt met de samenvatting van de productkenmerken van het biocide als bedoeld in punt 1 de toelating dienovereenkomstig mag verlengen.

4.   Indien om redenen die de houder van een toelating niet verwijtbaar zijn, vóór het verstrijken van die toelating geen besluit wordt genomen over de verlenging daarvan, staat de bevoegde autoriteit een verlenging toe voor de tijd die nodig is om de beoordeling af te ronden.

Artikel 6

Respijtperiode

Artikel 52 van Verordening (EU) nr. 528/2012 is van toepassing op bestaande voorraden van het biocide die op de volgende markten worden aangeboden:

a)

op de markt van een lidstaat waar geen aanvraag tot verlenging is ingediend of die een aanvraag heeft afgewezen overeenkomstig artikel 3, lid 3, van deze verordening;

b)

op de markten van de referentielidstaat en de betrokken lidstaten, wanneer de referentielidstaat de aanvraag tot verlenging heeft afgewezen overeenkomstig artikel 3, lid 3, of artikel 3, lid 7, derde alinea, van deze verordening.

Artikel 7

Coördinatiegroep, arbitrage en afwijking op wederzijdse erkenning

1.   Een betrokken lidstaat mag overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 528/2012 voorstellen de verlenging van een toelating te weigeren of de voorwaarden van de toelating aan te passen.

2.   Indien de betrokken lidstaten met betrekking tot andere aspecten dan die bedoeld in lid 1 geen overeenstemming bereiken over de conclusies van het beoordelingsrapport of, indien van toepassing, over de door de referentielidstaat voorgestelde samenvatting van de productkenmerken van het biocide overeenkomstig artikel 5, lid 1, legt de referentielidstaat de zaak voor aan de bij artikel 35 van Verordening (EU) nr. 528/2012 ingestelde coördinatiegroep.

Indien een betrokken lidstaat het niet eens is met de referentielidstaat, geeft de eerstgenoemde alle betrokken lidstaten en de aanvrager een uitvoerige toelichting van de redenen voor zijn standpunt.

3.   Op de in lid 2 genoemde geschillen zijn de artikelen 35 en 36 van Verordening (EU) nr. 528/2012 van toepassing.

Artikel 8

Richtsnoeren voor behandeling van verlengingen bij wederzijdse-erkenningsprocedures

1.   Het agentschap stelt in overleg met de lidstaten, de Commissie en belanghebbende partijen richtsnoeren op over de bijzonderheden van de behandeling van verlengingen van toelatingen uit hoofde van deze verordening.

2.   Die richtsnoeren worden geregeld bijgewerkt, waarbij rekening wordt gehouden met de bijdragen van de lidstaten en belanghebbenden met betrekking tot de tenuitvoerlegging ervan alsmede de wetenschappelijke en technische vooruitgang.

Artikel 9

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 maart 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1.

(2)  Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 354/2013 van de Commissie van 18 april 2013 betreffende wijzigingen in overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad toegelaten biociden (PB L 109 van 19.4.2013, blz. 4).


14.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 139/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 493/2014 VAN DE COMMISSIE

van 13 mei 2014

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot stalen kabels, verzonden uit onder meer de Republiek Korea en al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 3, en artikel 13, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   GELDENDE MAATREGELEN

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1796/1999 van de Raad (2) heeft de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van stalen kabels uit onder meer de Volksrepubliek China. Deze maatregelen zijn gehandhaafd bij Verordening (EG) nr. 1601/2001 van de Raad (3) en bij Verordening (EG) nr. 1858/2005 van de Raad (4).

(2)

Na een antiontwijkingsonderzoek op grond van artikel 13 van de basisverordening heeft de Raad het antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit onder meer de Volksrepubliek China bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 400/2010 van de Raad (5) uitgebreid tot stalen kabels verzonden vanuit de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea. Bij dezelfde verordening werden bepaalde Koreaanse producenten-exporteurs van die uitgebreide maatregelen vrijgesteld.

(3)

Momenteel is een antidumpingrecht van toepassing dat bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012 van de Raad (6) is ingesteld op de invoer van stalen kabels van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot de invoer van stalen kabels verzonden uit onder meer de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea, naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening, laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 489/2014 van de Commissie (7) („de geldende maatregelen”).

B.   PROCEDURE

1.   Inleiding van de procedure

(4)

De Commissie heeft op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening een verzoek ontvangen om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek te openen. Het verzoek werd ingediend door Goodwire MFG. CO. Ltd („Goodwire”), een producent in de Republiek Korea, en betreft alleen een onderzoek naar de mogelijkheid van de verlening aan Goodwire van een vrijstelling van de geldende maatregelen op grond van artikel 13, lid 4, van de basisverordening.

(5)

Na onderzoek van het door Goodwire verstrekte bewijsmateriaal, na raadpleging van de lidstaten en nadat de bedrijfstak van de Unie de kans had gehad om opmerkingen in te dienen, heeft de Commissie het onderzoek op 27 augustus 2013 door middel van een bekendmaking in het Publicatieblad van de Europese Unie (8) geopend.

2.   Onderzochte product

(6)

Het nieuwe onderzoek heeft betrekking op stalen kabels (inclusief gesloten kabels en exclusief roestvrijstalen kabels) met een maximale dwarsdoorsnede van meer dan 3 mm, van oorsprong uit de Volksrepubliek China of verzonden uit de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea („het onderzochte product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7312 10 81 , ex 7312 10 83 , ex 7312 10 85 , ex 7312 10 89 en ex 7312 10 98 (Taric-codes 7312 10 81 13, 7312 10 83 13, 7312 10 85 13, 7312 10 89 13 en 7312 10 98 13).

3.   Onderzoekperiode

(7)

Het onderzoek had betrekking op de periode van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013. Er werden gegevens verzameld van 2008 tot het einde van de onderzoekperiode met als doel te onderzoeken of zich een verandering in het handelspatroon had voorgedaan.

4.   Onderzoek

(8)

De Commissie heeft Goodwire en de vertegenwoordigers van de Republiek Korea formeel in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werd verzocht hun standpunt kenbaar te maken; zij werden ook ingelicht over de mogelijkheid om te verzoeken te worden gehoord. De Commissie heeft evenwel geen verzoek daartoe ontvangen.

(9)

De Commissie heeft Goodwire een vragenlijst toegezonden en binnen de gestelde termijn antwoord ontvangen. De Commissie heeft alle informatie ingewonnen en gecontroleerd die zij voor het nieuwe onderzoek nodig achtte. Bij Goodwire is een controle ter plaatse verricht.

C.   BEVINDINGEN

(10)

Het onderzoek heeft bevestigd dat Goodwire het onderzochte product daadwerkelijk produceert en niet verbonden was met één of meer van de Chinese exporteurs of producenten die onderworpen zijn aan de geldende antidumpingmaatregelen. Tijdens het onderzoek is voorts bevestigd dat Goodwire het product waarop het nieuwe onderzoek betrekking heeft, niet naar de Europese Unie heeft uitgevoerd tijdens het tijdvak van het antiontwijkingsonderzoek dat tot de uitgebreide maatregelen heeft geleid, namelijk van 1 juli 2008 tot en met 30 juni 2009.

(11)

De be- en verwerkingsactiviteiten van Goodwire kunnen worden beschouwd als voltooiings- en/of assemblagewerkzaamheden in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening. Goodwire koopt in de Republiek Korea geproduceerde stalen walsdraad aan en voert ook stalen walsdraad uit de Volksrepubliek China in, die vervolgens wordt uitgerekt en ineengedraaid tot strengen en ten slotte tot kabels in de gebouwen van de onderneming in de Republiek Korea. Het afgewerkte product wordt verkocht in de Republiek Korea en uitgevoerd naar de Verenigde Staten en de Unie.

(12)

Tijdens het onderzoek werd vastgesteld dat het aandeel van Chinese grondstoffen aanzienlijk lager was dan de drempel van 60 %. Daarom was het niet noodzakelijk om na te gaan of de toegevoegde waarde ten minste 25 % bedroeg, in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening. Bijgevolg is er wat de productieactiviteiten van Goodwire betreft geen sprake van ontwijking in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening.

(13)

Het onderzoek heeft bevestigd dat Goodwire het onderzochte afgewerkte product niet vanuit de Volksrepubliek China aankocht met als doel het door te verkopen of over te schepen naar de Unie, en dat de onderneming haar volledige uitvoer tijdens de onderzoekperiode kan rechtvaardigen.

(14)

Gezien de in overwegingen 10 tot en met 13 beschreven bevindingen concludeert de Commissie dat Goodwire de geldende antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van stalen kabels van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China, zoals uitgebreid tot onder meer stalen kabels verzonden uit de Republiek Korea en al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea, niet ontwijkt.

(15)

De bovenstaande bevindingen zijn meegedeeld aan Goodwire en de bedrijfstak van de Unie, die de kans hebben gekregen om opmerkingen in te dienen. Die opmerkingen zijn indien nodig in aanmerking genomen.

D.   WIJZIGING VAN DE LIJST VAN ONDERNEMINGEN DIE EEN VRIJSTELLING VAN DE GELDENDE MAATREGELEN GENIETEN

(16)

Overeenkomstig de bovenstaande bevindingen moet de onderneming Goodwire worden toegevoegd aan de lijst van ondernemingen die zijn vrijgesteld van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012 ingestelde antidumpingrecht.

(17)

Zoals vastgesteld in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 400/2010, geldt de vrijstelling alleen indien aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur wordt overgelegd die voldoet aan de in de bijlage bij die verordening vermelde vereisten. Indien geen dergelijke factuur wordt overgelegd, blijft het ingestelde antidumpingrecht gelden.

(18)

Daarnaast blijft de vrijstelling van de uitgebreide maatregelen voor de invoer van stalen kabels geproduceerd door Goodwire, in overeenstemming met artikel 13, lid 4, van de basisverordening, geldig op voorwaarde dat de definitief vastgestelde feiten de vrijstelling rechtvaardigen. Mocht uit nieuw voorlopig bewijsmateriaal het tegenovergestelde blijken, dan kan de Commissie een onderzoek openen om vast te stellen of de intrekking van de vrijstelling gerechtvaardigd is.

(19)

De vrijstelling van de uitgebreide maatregelen voor de invoer van stalen kabels geproduceerd door Goodwire is gebaseerd op de bevindingen van dit nieuwe onderzoek. Die vrijstelling is bijgevolg uitsluitend van toepassing op de invoer van stalen kabels verzonden uit de Republiek Korea en geproduceerd door de hierboven vermelde specifieke rechtspersoon. Ingevoerde stalen kabels die zijn geproduceerd door een onderneming die niet uitdrukkelijk wordt genoemd in artikel 1, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de uitdrukkelijk vermelde ondernemingen, komen niet in aanmerking voor de vrijstelling en zijn onderworpen aan het bij die verordening ingestelde residuele recht.

(20)

Het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek moet worden beëindigd en Goodwire moet worden opgenomen in de tabel in artikel 1, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012, zoals laatstelijk gewijzigd.

(21)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De tabel in artikel 1, lid 4, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012, zoals laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 489/2014, wordt vervangen door de volgende tabel:

„Land

Onderneming

Aanvullende Taric-code

Republiek Korea

Bosung Wire Rope Co., Ltd, 568,Yongdeok-ri, Hallim-myeon, Gimae-si, Gyeongsangnam-do, 621-872

A969

 

Chung Woo Rope Co., Ltd, 1682-4, Songjung-Dong, Gangseo-Gu, Busan

A969

 

CS Co., Ltd, 287-6 Soju-Dong Yangsan-City, Kyoungnam

A969

 

Cosmo Wire Ltd, 4-10, Koyeon-Ri, Woong Chon-Myon Ulju-Kun, Ulsan

A969

 

Dae Heung Industrial Co., Ltd, 185 Pyunglim — Ri, Daesan-Myun, Haman — Gun, Gyungnam

A969

 

DSR Wire Corp., 291, Seonpyong-Ri, Seo-Myon, Suncheon-City, Jeonnam

A969

 

Goodwire MFG. Co. Ltd, 984-23, Maegok-Dong, Yangsan-City, Kyungnam

B955

 

Kiswire Ltd, 20th Fl. Jangkyo Bldg, 1, Jangkyo-Dong, Chung-Ku, Seoul

A969

 

Manho Rope & Wire Ltd, Dongho Bldg, 85-2 4 Street Joongang-Dong, Jong-gu, Busan

A969

 

Line Metal Co. Ltd, 1259 Boncho-ri, Daeji-Myeon, Changnyeong-gun, Gyeongnam

B926

 

Seil Wire and Cable, 47-4, Soju-Dong, Yangsan-Si, Kyungsangnamdo

A994

 

Shin Han Rope Co., Ltd, 715-8, Gojan-Dong, Namdong-gu, Incheon

A969

 

Ssang YONG Cable Mfg. Co., Ltd, 1559-4 Song-Jeong Dong, Gang-Seo Gu, Busan

A969

 

Young Heung Iron & Steel Co., Ltd, 71-1 Sin-Chon Dong, Changwon City, Gyungnam

A969 ”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)  Verordening (EG) nr. 1796/1999 van de Raad van 12 augustus 1999 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, Hongarije, India, Mexico, Polen, Zuid-Afrika en Oekraïne, tot definitieve inning van het op deze invoer ingestelde voorlopige antidumpingrecht en tot beëindiging van de antidumpingprocedure in verband met deze invoer uit de Republiek Korea (PB L 217 van 17.8.1999, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1601/2001 van de Raad van 2 augustus 2001 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen kabels uit de Republiek Tsjechië, Rusland, Thailand en Turkije (PB L 211 van 4.8.2001, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 1858/2005 van de Raad van 8 november 2005 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van stalen kabels uit de Volksrepubliek China, India, Zuid-Afrika en Oekraïne naar aanleiding van een herzieningsonderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 384/96 (PB L 299 van 16.11.2005, blz. 1).

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 400/2010 van de Raad van 26 april 2010 tot uitbreiding van het bij Verordening (EG) nr. 1858/2005 ingestelde definitieve antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit onder meer de Volksrepubliek China tot stalen kabels verzonden vanuit de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea, en tot beëindiging van het onderzoek betreffende de invoer van stalen kabels verzonden vanuit Maleisië (PB L 117 van 11.5.2010, blz. 1).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 102/2012 van de Raad van 27 januari 2012 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op stalen kabels van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Oekraïne, zoals uitgebreid tot stalen kabels verzonden uit Marokko, Moldavië en de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit deze landen, na een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 en tot beëindiging van de procedure van het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen betreffende de invoer van stalen kabels uit Zuid-Afrika overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 (PB L 36 van 9.2.2012, blz. 1).

(7)   PB L 138 van 13.5.2014, blz. 80.

(8)   PB C 246 van 27.8.2013, blz. 5.


14.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 139/11


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 494/2014 VAN DE COMMISSIE

van 13 mei 2014

tot wijziging van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 136/2004 wat betreft de invoervoorwaarden en de landenlijst als bedoeld in artikel 9 van die verordening

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (1), en met name artikel 19, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Richtlijn 97/78/EG worden de beginselen vastgesteld voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Unie worden binnengebracht.

(2)

Artikel 19, lid 1, van die richtlijn bepaalt dat de Commissie een lijst vaststelt van de plantaardige producten die moeten worden onderworpen aan veterinaire grenscontroles, alsook een lijst van de derde landen die kunnen worden gemachtigd de bedoelde plantaardige producten naar de Unie uit te voeren.

(3)

Dienovereenkomstig vermeldt bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie (2) hooi en stro als plantaardige producten die onderworpen zijn aan veterinaire grenscontroles, terwijl deel 1 van bijlage V bij die verordening de landen vermeldt waaruit de lidstaten hooi en stro mogen invoeren.

(4)

Oekraïne heeft onlangs gevraagd te worden gemachtigd om strokorrels naar de Unie uit te voeren en heeft een verzoek ingediend om in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 136/2004 te worden opgenomen.

(5)

Belarus is reeds in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 136/2004 opgenomen en is gemachtigd om alle soorten hooi en stro naar de Unie uit te voeren. Sommige lidstaten hebben evenwel uiting gegeven aan hun bezorgdheid over de gewijzigde zoösanitaire situatie in Belarus en verwijzen daarbij naar uitbraken van Afrikaanse varkenspest. Zij vrezen dat aan de uitvoer van onbehandeld hooi en stro uit dit derde land een hoog zoösanitair risico voor de Unie kan zijn verbonden. Daarom is gevraagd voorzorgsmaatregelen te nemen middels de vaststelling van restrictievere invoervoorwaarden voor hooi en stro uit Belarus.

(6)

Na analyse is gebleken dat de zoösanitaire situatie in Belarus en Oekraïne geen risico inhoudt voor de verspreiding van infectieuze of contagieuze dierziekten in de Unie mits uitsluitend de invoer van tot brandstof bestemde strokorrels wordt toegestaan en mits deze rechtstreeks van de erkende grensinspectiepost (BIP) van binnenkomst in de Unie worden geleverd aan de installatie van bestemming waar zij zullen worden verstookt. Om ervoor te zorgen dat dergelijke zendingen geen gevaar vormen voor de gezondheid van dieren doordat zij van hun voorgenomen bestemming worden afgeleid, dienen zij te worden overgebracht overeenkomstig de regeling voor douanevervoer waarin Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad (3) voorziet en dienovereenkomstig door middel van het geïntegreerd veterinair computersysteem (TRACES) te worden gemonitord vanaf de BIP van binnenkomst tot aan de installatie van bestemming.

(7)

Verordening (EG) nr. 136/2004 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage V bij Verordening (EG) nr. 136/2004 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 24 van 30.1.1998, blz. 9.

(2)  Verordening (EG) nr. 136/2004 van de Commissie van 22 januari 2004 tot vaststelling van procedures voor de veterinaire controles in de grensinspectieposten van de Gemeenschap bij het binnenbrengen van producten uit derde landen (PB L 21 van 28.1.2004, blz. 11).

(3)  Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1).


BIJLAGE

„BIJLAGE V

LIJST VAN DE IN ARTIKEL 9 BEDOELDE LANDEN

ISO-code

Land

AU

Australië

BY

Belarus (1)

CA

Canada

CH

Zwitserland

CL

Chili

GL

Groenland

IS

IJsland

NZ

Nieuw-Zeeland

RS

Servië (2)

UA

Oekraïne (1)

US

Verenigde Staten van Amerika

ZA

Zuid-Afrika (met uitzondering van het deel van de controlezone voor mond-en-klauwzeer dat gelegen is in de veterinaire regio Noord- en Oost-Transvaal, in het district Ingwavuma van de veterinaire regio Natal en in het grensgebied met Botswana ten oosten van de lengtegraad 28°)


(1)  Uitsluitend tot brandstof bestemde strokorrels die rechtstreeks worden geleverd overeenkomstig de regeling voor douanevervoer van artikel 4, lid 16, onder b), van Verordening (EEG) nr. 2913/92 (PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1) en die in Traces worden gemonitord vanaf de erkende grensinspectiepost (BIP) van binnenkomst in de Unie tot aan de installatie van bestemming in de Unie waar zij zullen worden verstookt.

(2)  Zoals bedoeld in artikel 135 van de Stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de Republiek Servië, anderzijds (PB L 278 van 18.10.2013, blz. 16).”


14.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 139/14


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 495/2014 VAN DE COMMISSIE

van 13 mei 2014

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 13 mei 2014.

Voor de Commissie,

namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

48,3

MK

62,8

TN

49,2

TR

67,4

ZZ

56,9

0707 00 05

AL

32,3

MK

38,7

TR

125,0

ZZ

65,3

0709 93 10

TR

112,7

ZZ

112,7

0805 10 20

EG

54,2

IL

74,0

MA

47,6

TN

68,6

TR

41,5

ZZ

57,2

0805 50 10

TR

93,7

ZZ

93,7

0808 10 80

AR

98,2

BR

88,4

CL

102,9

CN

98,7

MK

33,9

NZ

134,6

US

191,6

ZA

108,2

ZZ

107,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

14.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 139/16


BESLUIT VAN DE RAAD

van 6 mei 2014

tot wijziging van Besluit 1999/70/EG betreffende de externe accountants van de nationale centrale banken, wat betreft de externe accountant van de Banque centrale du Luxembourg

(2014/275/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien Protocol nr. 4 betreffende de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, gehecht aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en aan het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 27.1,

Gezien Aanbeveling ECB/2013/51 van de Europese Centrale Bank van 17 december 2013 aan de Raad van de Europese Unie betreffende de externe accountants van de Banque centrale du Luxembourg (1),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De rekeningen van de Europese Centrale Bank (ECB) en van de nationale centrale banken van het Eurosysteem moeten worden gecontroleerd door onafhankelijke externe accountants, die op aanbeveling van de Raad van bestuur van de ECB zijn aanvaard door de Raad van de Europese Unie.

(2)

Het mandaat van de huidige externe accountant van de Banque centrale du Luxembourg eindigde na de audit van het boekjaar 2013. Het is derhalve noodzakelijk om voor de boekjaren 2014 tot en met 2018 een externe accountant te benoemen.

(3)

De Banque centrale du Luxembourg heeft DELOITTE AUDIT SARL geselecteerd als haar externe accountant voor de boekjaren 2014 tot en met 2018.

(4)

De aanbeveling van de Raad van bestuur van de ECB dient te worden gevolgd en Besluit 1999/70/EG (2) van de Raad dient dienovereenkomstig te worden aangepast,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 1, lid 7, van Besluit 1999/70/EG wordt vervangen door:

„7.   DELOITTE AUDIT SARL wordt aanvaard als externe accountant van de Banque centrale du Luxembourg voor de boekjaren 2014 tot en met 2018.”.

Artikel 2

Dit besluit wordt van kracht op de dag van de kennisgeving ervan.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Europese Centrale Bank.

Gedaan te Brussel, 6 mei 2014.

Voor de Raad

De voorzitter

G. STOURNARAS


(1)   PB C 378 van 24.12.2013, blz. 15.

(2)  Besluit 1999/70/EG van de Raad van 25 januari 1999 betreffende de externe accountants van de nationale centrale banken (PB L 22 van 29.1.1999, blz. 69).


14.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 139/18


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 2 mei 2014

tot wijziging van Beschikking 2008/411/EG betreffende de harmonisering van de 3 400-3 800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 2798)

(Voor de EER relevante tekst)

(2014/276/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (Radiospectrumbeschikking) (1), en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Beschikking 2008/411/EG (2) van de Commissie harmoniseert de technische voorwaarden voor het gebruik van het spectrum in de 3 400-3 800 MHz-frequentieband voor het aanbieden van terrestrische elektronischecommunicatiediensten in de hele Unie, voornamelijk ten behoeve van draadloze breedbanddiensten voor eindgebruikers.

(2)

In Besluit nr. 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad (3) wordt een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (Radio Spectrum Policy Programme — RSPP) vastgesteld met als doelstelling de bevordering van de ruimere beschikbaarheid van draadloze breedbanddiensten ten behoeve van burgers en consumenten van de Unie. Krachtens het RSPP moeten de lidstaten aanbieders van elektronische communicatie ertoe aanzetten hun netwerken voortdurend op te waarderen naar de meest recente en meest efficiënte technologie, zodat zij hun eigen spectrumdividenden kunnen creëren overeenkomstig het beginsel van technologie- en dienstenneutraliteit.

(3)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Besluit nr. 243/2012/EU moeten de lidstaten de 3 400-3 800 MHz-frequentieband beschikbaar stellen volgens de eisen en voorwaarden van Beschikking 2008/411/EG en afhankelijk van de vraag op de markt vóór 31 december 2012 machtiging voor het gebruik van deze band verlenen zonder dat aan de bestaande inzet van diensten wordt geraakt en onder voorwaarden die consumenten een gemakkelijke toegang tot draadloze breedbanddiensten bieden.

(4)

De 3 400-3 800 MHz-frequentieband biedt een aanzienlijk potentieel om draadloze breedbandnetwerken met een grote dichtheid en een hoge snelheid te ontplooien om innovatieve elektronischecommunicatiediensten aan eindgebruikers te verschaffen. Het gebruik van deze frequentieband voor draadloze breedband moet bijdragen tot de doelstellingen van het economisch en sociaal beleid van de Digitale agenda voor Europa.

(5)

In overeenstemming met artikel 4, lid 2, van Beschikking nr. 676/2002/EG heeft de Commissie de Europese conferentie van de Administraties van Posterijen en van Telecommunicatie (CEPT) op 23 maart 2012 een mandaat verleend om technische voorwaarden voor spectrumgebruik in de 3 400-3 800 MHz-frequentieband te ontwikkelen teneinde tegemoet te komen aan ontwikkelingen in de technologie voor draadloze breedbandtoegang, met name grote bandbreedten, en tegelijkertijd te zorgen voor efficiënt spectrumgebruik.

(6)

Op grond van dit mandaat heeft de CEPT op 8 november 2013 een verslag (CEPT-verslag 49) over de technische voorwaarden van de spectrumharmonisatie voor terrestrische draadloze systemen in de 3 400-3 800 MHz-frequentieband uitgebracht. Het bevat de resultaten van studies over de minst restrictieve technische voorwaarden (zoals block edge mask), de frequentieregelingen en de beginselen voor co-existentie en coördinatie tussen draadloze breedband en bestaand spectrumgebruik). De resultaten met betrekking tot block edge mask en de beginselen inzake coördinatie in CEPT-verslag 49 werden ontwikkeld op basis van verslag 203 van het Comité voor elektronische communicatie (ECC).

(7)

De resultaten van het mandaat dat de Commissie aan de CEPT heeft gegeven, moeten in de hele Unie worden toegepast en zo spoedig mogelijk door de lidstaten worden uitgevoerd, gelet op de snel groeiende marktvraag naar draadloze breedbanddiensten van hoge snelheid en het momenteel beperkte gebruik van de 3 400-3 800 MHz-frequentieband voor draadloze breedbanddiensten.

(8)

Spectrumgebruikers die draadloze breedbanddiensten aanbieden, halen hun voordeel uit eenvormige technische voorwaarden in het hele frequentiebereik, hetgeen de beschikbaarheid van uitrusting en samenhangende coördinatie tussen netwerken van verschillende exploitanten zal garanderen. Daartoe moet uitgaande van de resultaten van CEPT-verslag 49 een verkieslijke kanaalindeling worden opgesteld met inachtneming van de beginselen van technologie- en dienstenneutraliteit.

(9)

Het bij Beschikking 2008/411/EG vastgestelde rechtskader voor het gebruik van de 3 400-3 800 MHz-frequentieband dient ongewijzigd te blijven en moet derhalve zorgen voor voortdurende bescherming van andere bestaande diensten in de frequentieband. Met name vereisen vaste satellietsystemen (fixed satellite services — FSS) met inbegrip van grondstations voortdurende bescherming door passende coördinatie door nationale autoriteiten, per afzonderlijk geval, tussen deze systemen en draadloze breedbandnetwerken en -diensten.

(10)

Het spectrumgebruik door aanbieders van draadloze breedbanddiensten en andere bestaande diensten, door het gebruik van de 3 400-3 800 MHz-frequentieband, en met name door FSS-grondstations, dient te worden gecoördineerd op basis van richtsnoeren, beste praktijken en coördinatiebeginselen, zoals voorgesteld in CEPT-verslag 49. Deze beginselen omvatten coördinatieprocessen, uitwisseling van informatie, beperking van wederzijdse belemmeringen en bilaterale overeenkomsten voor snelle grensoverschrijdende coördinatie, wanneer basisstations voor terrestrische draadloze breedbandnetwerken en FSS-grondstations op het grondgebied van verschillende lidstaten zijn gelegen.

(11)

Gelet op de kenmerken inzake frequentiepropagatie van de 3 400-3 800 MHz-frequentieband en de bestaande geharmoniseerde technische voorwaarden is de bescherming van bestaande vormen van gebruik gebaat bij bepaalde voorkeursoplossingen in de configuratie voor de ontplooiing van draadloze breedbandnetwerken en -diensten. Deze configuraties omvatten, zonder zich daartoe te beperken, kleine cellen, vaste draadloze toegang, backhaulverbindingen in draadloze breedbandtoegangsnetwerken of combinaties daarvan.

(12)

Hoewel dit besluit geen afbreuk doet aan de bescherming en de voorgezette exploitatie van andere bestaande vormen van gebruik in deze frequentieband, moeten de nieuwe geharmoniseerde technische voorwaarden voor zover noodzakelijk ook van toepassing zijn op bestaande gebruiksrechten voor het spectrum in de 3 400-3 800 MHz-frequentieband, zodat de technische compatibiliteit tussen bestaande en nieuwe gebruikers van de band, efficiënt spectrumgebruik en vermijding van schadelijke interferentie verzekerd zijn, ook in geval van grensoverschrijdend gebruik tussen de lidstaten van de Unie.

(13)

Grensoverschrijdende overeenkomsten kunnen noodzakelijk zijn om te garanderen dat de lidstaten de bij dit besluit vastgestelde parameters ten uitvoer leggen alsmede om schadelijke interferentie te vermijden en de efficiëntie van het spectrum en de convergentie in het gebruik van het spectrum te verbeteren.

(14)

De in CEPT-verslag 49 omschreven technische voorwaarden voor harmonisatie van het spectrum voor terrestrische draadloze systemen in de 3 400-3 800 MHz-frequentieband verzekeren niet dat dergelijke systemen in deze band in de Unie verenigbaar zijn met bepaalde bestaande gebruiksrechten. Bestaande spectrumgebruikers dienst derhalve voldoende tijd te worden verleend om de technische voorwaarden van CEPT-verslag 49 toe te passen zonder dat de toegang tot spectrum in deze band wordt beperkt voor gebruikers die aan de technische voorwaarden van CEPT-verslag 49 voldoen. Nationale administratieve diensten moeten flexibiliteit krijgen om de tenuitvoerlegging van de technische voorwaarden van dit besluit uit te stellen afhankelijk van de marktvraag.

(15)

Beschikking 2008/411/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(16)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Radiospectrumcomité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Beschikking 2008/411/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt vervangen door:

„Artikel 2

1.   Onverminderd de bescherming en de voortgezette exploitatie van ander bestaand gebruik in deze band wijzen de lidstaten de 3 400-3 800 MHz-frequentieband op niet-exclusieve basis toe aan terrestrische elektronischecommunicatienetwerken en stellen zij deze vervolgens beschikbaar, in overeenstemming met de in de bijlage vermelde parameters. Daarnaast behoeven de lidstaten de in de bijlage vermelde parameters niet toe te passen met betrekking tot gebruiksrechten voor terrestrische elektronischecommunicatienetwerken in de 3 400-3 800 MHz-frequentieband die bestaan op de datum van vaststelling van dit besluit, voor zover de uitoefening van deze rechten het gebruik van deze band overeenkomstig de bijlage niet in de weg staat.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde netwerken passende bescherming bieden aan systemen in aangrenzende banden.

3.   De lidstaten zijn niet verplicht de verplichtingen uit hoofde van deze beschikking uit te voeren in geografische gebieden waar coördinatie met derde landen een afwijking vergt van de in de bijlage vermelde parameters.

De lidstaten leveren alle praktische inspanningen om dergelijke afwijkingen op te lossen en stellen de Commissie hiervan in kennis, met inbegrip van de desbetreffende geografische gebieden, en maken de relevante informatie bekend overeenkomstig Beschikking nr. 676/2002/EG.”.

2)

Aan artikel 3 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De lidstaten vergemakkelijken grensoverschrijdende coördinatieovereenkomsten om de exploitatie van deze netwerken mogelijk te maken, rekening houdend met de bestaande regelgevingsprocedures en rechten.”.

3)

Het volgende artikel 4 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 4 bis

De lidstaten passen de in de bijlage vermelde voorwaarden uiterlijk op 30 juni 2015 toe.

De lidstaten brengen uiterlijk op 30 september 2015 verslag uit over de uitvoering van dit besluit.”.

4)

De bijlage wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 2 mei 2014.

Voor de Commissie

Neelie KROES

Vicevoorzitter


(1)   PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(2)  Beschikking 2008/411/EG van de Commissie van 21 mei 2008 betreffende de harmonisering van de 3 400-3 800 MHz-frequentieband voor terrestrische systemen die elektronischecommunicatiediensten kunnen verschaffen in de Gemeenschap (PB L 144 van 4.6.2008, blz. 77).

(3)  Besluit 243/2012/EU van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2012 tot vaststelling van een meerjarenprogramma voor het radiospectrumbeleid (PB L 81 van 21.3.2012, blz. 7).


BIJLAGE

„BIJLAGE

IN ARTIKEL 2 BEDOELDE PARAMETERS

A.   ALGEMENE PARAMETERS

1.

De geprivilegieerde duplex-mode in de 3 400-3 600 MHz-subband is Time Division Duplex (TDD).

2.

Een andere mogelijkheid is dat de lidstaten in de 3 400-3 600 MHz-subband Frequency Division Duplex (FDD) als duplex-mode invoeren, met het oog op:

a)

een grotere efficiëntie van het spectrumgebruik, zoals door deling van bestaande gebruiksrechten tijdens een coëxistentieperiode of door toepassing van op de markt gebaseerd spectrumbeheer, of

b)

bescherming van bestaand gebruik of vermijding van interferentie, of

c)

coördinatie met niet-EU-landen.

Wanneer FDD als duplex-mode wordt ingevoerd, dient de duplex spacing 100 MHz te bedragen met eindstationtransmissie (FDD uplink) in het onderste gedeelte van de band beginnend bij 3 410 MHz en eindigend bij 3 490 MHz en een basisstationtransmissie (FDD downlink) in het bovenste gedeelte van de band beginnend bij 3 510 MHz en eindigend bij 3 590 MHz.

3.

De duplex-mode in de 3 600-3 800 MHz-subband is Time Division Duplex (TDD).

4.

De toegewezen omvang van de blokken is in veelvouden van 5 MHz. De onderste frequentiegrens van een toegewezen blok wordt in veelvouden van 5 MHz afgestemd op of gescheiden van de desbetreffende rand van de subband (1). Naargelang van de duplex-mode zijn de toepasselijke randen van de subbanden: 3 400 MHz en 3 600 MHz voor TDD; 3 410 MHz en 3 510 MHz voor FDD;

5.

De basisstation- en eindstationtransmissie binnen de 3 400-3 800 MHz-band moeten in overeenstemming zijn met de Block Edge Mask in deze bijlage.

B.   TECHNISCHE VOORWAARDEN VOOR BASISSTATIONS — BLOCK EDGE MASK

De volgende technische parameters voor basisstations, Block Edge Mask (BEM) genoemd, zijn een wezenlijk onderdeel van de voorwaarden die nodig zijn om te zorgen voor coëxistentie tussen aangrenzende netwerken wanneer er geen bilaterale of multilaterale overeenkomsten tussen exploitanten van deze aangrenzende netwerken bestaan. Minder strikte technische parameters kunnen ook worden gebruikt indien de exploitanten van deze netwerken hierover een overeenkomst sluiten.

De BEM bestaat uit verschillende onderdelen zoals vermeld in tabel 1, zowel voor de 3 400-3 600 MHz- als voor 3 600-3 800 MHz-subband. De grenswaarde voor het basisvermogen, die bedoeld is om het spectrum van andere gebruikers te beschermen, en de grenswaarden van het vermogen in de overgangsgebieden, die progressieve filtering van het vermogen binnen in de blok tot aan de basisvermogensgrens mogelijk maken, vormen onderdelen buiten het blok. De beschermingsbanden („guard bands”) zijn alleen van toepassing in geval van gebruik van FDD in de 3 400-3 600 MHz-subband. De BEM is van toepassing op basisstations met verschillende vermogensniveaus (in het algemeen aangeduid als macro-, micro-, pico- en femto-basisstations (2)).

De tabellen 2 tot en met 6 bevatten de vermogensgrenzen voor de verschillende BEM-onderdelen. De grenswaarde voor het vermogen binnen het blok wordt toegepast op een blok dat aan een exploitant toebehoort. Ook worden vermogensgrenswaarden gegeven voor scheidingsbanden en voor de bescherming van radarwerking onder 3 400 MHz.

Het frequentiebereik in de tabellen 1 tot en met 6 is afhankelijk van de duplex-mode die voor de 3 400-3 600 MHz-subband is gekozen (TDD of als andere mogelijkheid FDD). PMax is het maximale draaggolfvermogen voor het desbetreffende basisstation, gemeten als EIRP (3). Gesynchroniseerde exploitatie betekent exploitatie van TDD in twee verschillende netwerken wanneer er geen gelijktijdige uplink- en downlinktransmissie plaatsvinden, zoals gedefinieerd in toepasselijke normen.

Om een BEM voor een specifiek blok te verkrijgen, worden de BEM-onderdelen die in tabel 1 zijn gedefinieerd, gecombineerd in de volgende stappen:

1.

De vermogensgrens in het blok wordt gebruikt voor het aan de exploitant toegewezen blok.

2.

De overgangsgebieden worden bepaald en overeenstemmende vermogensgrenzen worden gebruikt. De overgangsgebieden kunnen overlappen met scheidingsbanden, en in dat geval worden de vermogensgrenzen voor overgangsgebieden gebruikt.

3.

Voor het overblijvende aan FDD of TDD toegewezen spectrum worden de grenswaarden voor het basisvermogen gebruikt.

4.

Voor het overblijvende scheidingsbandspectrum worden de vermogensgrenzen van de scheidingsband gebruikt.

5.

Voor spectrum onder 3 400 MHz wordt een van de grenswaarden voor het bijkomende basisvermogen gebruikt.

De Figuur biedt een voorbeeld van de combinatie van verschillende BEM-onderdelen.

In geval van niet-gesynchroniseerde TDD-netwerken kan voor de naleving van de BEM-vereisten door twee aangrenzende exploitanten worden gezorgd door de invoering van frequentiescheiding (bv. in het machtigingsproces op nationaal vlak) tussen de blokranden van de twee exploitanten. Een andere optie is dat de zogenoemde beperkte blokken kunnen worden ingevoerd voor twee aangrenzende exploitanten die hierdoor dan verplicht zouden zijn het vermogensniveau te beperken dat in de bovenste en onderste delen van de hun toegewezen spectrumblokken wordt gebruikt (4).

Tabel 1

Definitie van BEM-onderdelen

BEM-onderdeel

Definitie

Binnen het blok („in-block”)

Heeft betrekking op een blok waarvoor een BEM afgeleid wordt.

Basis

Spectrum gebruikt voor TDD, FDD-uplink of FDD-downlink, met uitzondering van het aan de exploitant toegewezen blok en de overeenstemmende overgangsgebieden.

Overgangs-gebied

Voor FDD-downlink-blokken wordt het overgangsgebied 0 tot 10 MHz onder en 0 tot 10 MHz boven het aan de exploitant toegewezen blok toegepast.

Voor TDD-blokken wordt het overgangsgebied 0 tot 10 MHz onder en 0 tot 10 MHz boven het aan de exploitant toegewezen blok toegepast. Het overgangsgebied wordt toegepast op aangrenzende aan andere exploitanten toegewezen TDD-blokken indien de netwerken gesynchroniseerd zijn, of op spectrum tussen aangrenzende TDD-blokken die door 5 tot 10 MHz gescheiden zijn. Overgangsgebieden zijn niet van toepassing op aangrenzende aan andere exploitanten toegewezen TDD-blokken indien de netwerken niet gesynchroniseerd zijn.

Het overgangsgebied is niet van toepassing onder 3 400 MHz of boven 3 800 MHz.

Beschermings-banden („guard bands”)

De volgende beschermingsbanden zijn van toepassing in geval van een FDD-allocatie:

3 400 -3 410 , 3 490 -3 510 (duplexkloof) en 3 590 -3 600 MHz

In geval van overlapping tussen overgangsgebieden en beschermingsbanden worden de vermogensgrenswaarden van de overgangsgebieden gebruikt.

Bijkomende basis

Spectrum onder 3 400 MHz.


Tabel 2

Vermogensgrenzen binnen het blok

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Vermogensgrens

Binnen het blok („in-block”)

Aan de exploitant toegewezen blok

Niet verplicht.

Ingeval door de administratie een bovengrens gewenst wordt, moet een waarde worden toegepast die 68 dBm/5 MHz per antenne niet overschrijdt.

Toelichting bij tabel 2:

Voor femto-basisstations moet vermogensbegrenzing worden toegepast om de interferentie op aangrenzende kanalen te minimaliseren. De verplichting tot vermogensbegrenzing voor femto-basisstations spruit voort uit de noodzaak tot beperking van interferentie bij uitrusting die mogelijk door consumenten is opgesteld, en het kan dus zijn dan deze niet gecoördineerd is met omringende netwerken.

Tabel 3

Basisvermogensgrenzen

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Vermogensgrens

Basiswaarde

FDD-downlink (3510-3590 MHz).

Gesynchroniseerde TDD-blokken (3 400 -3 800 MHz of 3 600 -3 800 MHz).

Min(PMax — 43,13) dBm/5 MHz EIRP per antenne

Basiswaarde

FDD-uplink (3410-3490 MHz).

Gesynchroniseerde TDD-blokken (3 400 -3 800 MHz of 3 600 -3 800 MHz).

– 34 dBm/5 MHz EIRP per cel (*1)

Toelichting bij tabel 3:

De basiswaarde voor FDD-downlink en gesynchroniseerde TDD wordt uitgedrukt door een demping met betrekking tot het maximale draaggolfvermogen te combineren met een vaste bovengrens. Het strengste van de twee voorschriften is van toepassing. Het vaste niveau voorziet in een bovengrens op de interferentie van een basisstation. Wanneer twee TDD-blokken gesynchroniseerd zijn, zal er geen interferentie tussen basisstations zijn. In dit geval wordt dezelfde basiswaarde als voor het FDD-downlinkgebied gebruikt.

De basisvermogensgrens voor de FDD-uplink en niet-gesynchroniseerde TDD wordt alleen als een vaste grens uitgedrukt.

Tabel 4

Vermogensgrenzen voor het overgangsgebied

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Vermogensgrens

Overgangsgebied

– 5 tot 0 MHz verschuiving van onderste block edge of

0 tot 5 MHz verschuiving van bovenste block edge

Min(PMax — 40,21) dBm/5 MHz EIRP per antenne

Overgangsgebied

– 10 tot – 5 MHz verschuiving van onderste block edge of

5 tot 10 MHz verschuiving van bovenste block edge

Min(PMax — 43,15) dBm/5 MHz EIRP per antenne

Toelichting bij tabel 4:

De vermogensgrenzen voor het overgangsgebied worden gedefinieerd om de vermindering van vermogen van het niveau binnen het blok naar het niveau van de basis of de beschermingsbanden mogelijk te maken. De voorschriften worden uitgedrukt door de demping met betrekking tot het maximale draaggolfvermogen te combineren met een vaste bovengrens. Het strengste van de twee voorschriften is van toepassing.

Tabel 5

Vermogensgrenzen van de beschermingsbanden voor FDD

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Vermogensgrens

Beschermingsband

3 400 -3 410 MHz

– 34 dBm/5 MHz EIRP per cel

Beschermingsband

3 490 -3 500 MHz

– 23 dBm/5 MHz per antennepoort

Beschermingsband

3 500 -3 510 MHz

Min(PMax — 43,13) dBm/5 MHz EIRP per antenne

Beschermingsband

3 590 -3 600 MHz

Min(PMax — 43,13) dBm/5 MHz EIRP per antenne

Toelichting bij tabel 5:

Voor de beschermingsband 3 400-3 410 MHz wordt als vermogensgrens dezelfde grens gekozen als voor de basiswaarde in de aangrenzende FDD-uplink (3 410-3 490 MHz). Voor de beschermingsbanden 3 500-3 510 MHz en 3 590-3 600 MHz wordt als vermogensgrens dezelfde grens gekozen als voor het basisvermogen in de aangrenzende FDD-downlink (3 510-3 590 MHz). Voor de beschermingsband 3 490-3 500 MHz is de vermogensgrens gebaseerd op het voorschrift inzake ongewenst emissie van -30 dBm/MHz aan de antennepoort geconverteerd in 5 MHz-bandbreedte.

Tabel 6

Vermogensgrenzen voor bijkomend basisvermogen in basisstations voor landenspecifieke gevallen

Geval

BEM-onderdeel

Frequentiebereik

Vermogensgrens

A

Landen van de Unie met systemen voor militaire lokalisatie onder 3 400 MHz

Bijkomende basiswaarde

Onder 3 400 MHz voor TDD- en FDD-toewijzing (*2)

– 59 dBm/MHz EIRP (*3)

B

Landen van de Unie met systemen voor militaire lokalisatie onder 3 400 MHz

Bijkomende basiswaarde

Onder 3 400 MHz voor TDD- en FDD-toewijzing (*2)

– 50 dBm/MHz EIRP (*3)

C

Landen van de Unie zonder aangrenzend bandgebruik of met gebruik dat geen extra bescherming nodig heeft

Bijkomende basiswaarde

Onder 3 400 MHz voor TDD- en FDD-toewijzing

Niet van toepassing.

Toelichting bij tabel 6:

De vermogensgrenzen voor de bijkomende basiswaarde wijzen op een behoefte aan bescherming voor militaire radiolokalisatie in een aantal landen. De gevallen A, B en C kunnen per regio of land worden toegepast zodat de aangrenzende band verschillende beschermingsniveaus in verschillende geografische gebieden of landen kan hebben afhankelijk van de opstelling van systemen in de aangrenzende frequentiebanden. Andere beperkende maatregelen zoals geografische scheiding, coördinatie per afzonderlijk geval of een bijkomende beschermingsband kunnen nodig zijn voor exploitatie in TDD-mode. De in tabel 6 vermelde vermogensgrenzen in bijkomend basisvermogen zijn alleen van toepassing op buitencellen. Wanneer het om een binnencel gaat, kunnen de vermogensgrenzen geval per geval worden versoepeld. Voor eindstations kunnen andere beperkende maatregelen noodzakelijk zijn zoals geografische scheiding of een bijkomende beschermingsband voor zowel de FDD- als de TDD-mode.

Afbeelding 1

Voorbeeld van een combinatie van BEM-onderdelen voor basisstations voor een FDD-blok vanaf 3 510 MHz (*4)

Image 1

C.   Technische voorwaarden voor eindstations

Tabel 7

In-block-voorschriften — in-block-vermogensgrens voor eindstation-BEM

Maximaal in-block vermogen (*5)

25 dBm

De lidstaten kunnen de in tabel 7 vastgestelde grens versoepelen onder bepaalde omstandigheden, zoals voor vaste eindstations, op voorwaarde dat de bescherming en voortgezette exploitatie van ander bestaand gebruik in de 3 400-3 800 MHz-frequentieband niet wordt aangetast en dat aan grensoverschrijdende verplichtingen wordt voldaan.”


(1)  Indien de toegewezen blokken dienen te worden verschoven met het oog op aanpassing aan andere bestaande gebruikers, moet een raster van 100 kHz te worden gebruikt. Kleinere blokken kunnen worden gedefinieerd in aangrenzing op andere gebruikers om efficiënt spectrumgebruik mogelijk te maken.

(2)  Deze termen zijn niet eenduidig gedefinieerd en hebben betrekking op cellulaire basisstations met verschillende vermogensniveaus die afnemen in de volgende volgorde: macro, micro, pico en femto. Femtocellen in het bijzonder zijn kleine basisstations met het laagste vermogensniveau, die meestal binnenshuis worden gebruikt.

(3)  Equivalent isotroop uitgestraald vermogen (Equivalent Isotropic Radiated Power — EIRP).

(4)  Een aanbevolen waarde voor een dergelijke vermogensbeperking is 4 dBm/5 MHz EIRP per cel toegepast op het bovenste of onderste 5 MHz van een toegewezen spectrumblok van een exploitant.

(*1)  Aangrenzende exploitanten kunnen onderhandelen over een uitzondering op deze basiswaarde voor femto-basisstations ingeval er geen risico op interferentie in macro-basisstations bestaat. In dat geval kan -25 dBm/5MHz EIRP per cel worden gebruikt.

(*2)  Administraties kunnen kiezen voor een beschermingsband onder 3 400 MHz. In dat geval kan de vermogensgrens alleen onder de beschermingsband van toepassing zijn.

(*3)  Administraties kunnen de grens van geval A of B kiezen naargelang van het beschermingsniveau dat in de betrokken regio voor radar vereist is.

(*4)  Opgemerkt zij in het bijzonder dat de verschillende basiswaarden voor verschillende delen van het spectrum zijn gedefinieerd en dat de vermogensgrens van het onderste overgangsgebied in een deel van de beschermingsband 3 490-3 510 MHz wordt gebruikt. Spectrum onder 3 400 MHz is niet in figuur 1 opgenomen, hoewel het BEM-onderdeel „bijkomende basiswaarde” kan worden gebruikt voor bescherming van militaire radiolokalisatie.

(*5)  Deze vermogensgrens geldt bij vaste of geïnstalleerde eindstations voor het EIRP en bij mobiele of nomadische eindstations voor het TRP (total radiated power). Voor isotrope antennes zijn EIRP en TRP equivalent. Voor deze waarde kan een tolerantie (tot 2 dB), zoals gedefinieerd in de geharmoniseerde normen, gelden om rekening te houden met exploitatie onder extreme omgevingsomstandigheden en productiespreiding.