|
ISSN 1977-0758 |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
57e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 397/2014 VAN DE RAAD
van 16 april 2014
tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 267/2012 van de Raad van 23 maart 2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (1), en met name artikel 46, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 23 maart 2012 Verordening (EU) nr. 267/2012 vastgesteld. |
|
(2) |
Het Gerecht van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 12 november 2013 in zaak T-552/12 (2) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2012 van de Raad (3) nietig verklaard voor wat betreft de opname van North Drilling Company (NDC) op de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012. |
|
(3) |
North Drilling Company (NDC) moet op grond van een nieuwe motivering opnieuw worden opgenomen op de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten. |
|
(4) |
Eén entiteit dient te worden geschrapt van de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012. |
|
(5) |
Verordening (EU) nr. 267/2012 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012 wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 april 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
D. KOURKOULAS
(1) PB L 88 van 24.3.2012, blz. 1.
(2) Zaak T-552/12, North Drilling Co. tegen Raad, arrest van 12 november 2013, nog niet gepubliceerd.
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 945/2012 van de Raad van 15 oktober 2012 houdende uitvoering van Verordening (EU) nr. 267/2012 betreffende beperkende maatregelen ten aanzien van Iran (PB L 282 van 16.10.2012, blz. 16).
BIJLAGE
I.
De volgende entiteit wordt ingevoegd in de lijst in deel I, afdeling B (Entiteiten), van bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012:|
|
Naam |
Nadere gegevens |
Redenen |
Datum plaatsing op de lijst |
||||||
|
118. |
North Drilling Company (NDC) |
|
North Drilling verleent financiële steun aan de regering van Iran doordat het onrechtstreeks eigendom is van de Mostazafan-Stichting, een grote Iraanse parastatale instelling die onder zeggenschap staat van de Iraanse regering. North Drilling is een belangrijke entiteit in de energiesector die de Iraanse regering aanzienlijke inkomsten oplevert. Daarnaast heeft North Drilling cruciale apparatuur voor de olie- en gasindustrie ingevoerd, waaronder verboden goederen. Derhalve verleent North Drilling steun voor de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran. |
23.4.2014 |
II.
De volgende entiteit, en de daarmee samenhangende gegevens, wordt geschrapt van de lijst in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 267/2012:Safa Nicu a.k.a. „Safa Nicu Sepahan, Safanco Company”, „Safa Nicu Afghanistan Company”, „Safa Al Noor Company” en „Safa Nicu Ltd Company”.
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/3 |
VERORDENING (EU) Nr. 398/2014 VAN DE COMMISSIE
van 22 april 2014
tot wijziging van de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr.396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor benthiavalicarb, cyazofamide, cyhalofop-butyl, forchlorfenuron, pymetrozine en silthiofam in of op bepaalde producten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr.396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23februari2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel14, lid1, ondera), en artikel49, lid2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Voor cyazofamide, cyhalofop-butyl, pymetrozine en silthiofam zijn maximumresidugehalten (MRL's) vastgesteld in bijlageII en deel B van bijlageIII bij Verordening (EG) nr.396/2005. Voor benthiavalicarb en forchlorfenuron zijn MRL's vastgesteld in deel A van bijlageIII bij Verordening (EG) nr.396/2005. |
|
(2) |
Er moet in de Engelse versie een technische aanpassing worden gedaan, waarbij de naam van de actieve stof „florchlorfenuron” wordt veranderd in „forchlorfenuron”. |
|
(3) |
Voor benthiavalicarb heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) overeenkomstig artikel12, lid2, juncto artikel12, lid1, van Verordening (EG) nr.396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (2). De EFSA heeft voorgesteld de residudefinitie te wijzigen en heeft aanbevolen het MRL voor aardappelen te verlagen. Voor andere producten heeft de EFSA aanbevolen de bestaande MRL's te verhogen of te handhaven. De EFSA heeft geconcludeerd dat voor het MRL voor komkommers enkele gegevens niet beschikbaar waren en dat er behoefte is aan verder onderzoek door risicomanagers. Aangezien er geen risico voor consumenten is, moet het MRL voor deze producten in bijlageII bij Verordening (EG) nr.396/2005 worden vastgelegd op het bestaande niveau of op het door de EFSA vastgestelde niveau. Dit MRL wordt herzien; bij de herziening wordt rekening gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. |
|
(4) |
Voor cyazofamide heeft de EFSA overeenkomstig artikel12, lid2, juncto artikel12, lid1, van Verordening (EG) nr.396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (3). Voor bepaalde producten heeft de EFSA aanbevolen de bestaande MRL's te verhogen of te handhaven. De EFSA heeft geconcludeerd dat voor de MRL's voor aardappelen, tomaten, Cucurbitacae met eetbare schil en Cucurbitacae met oneetbare schil enkele gegevens niet beschikbaar waren en dat er behoefte is aan verder onderzoek door risicomanagers. Aangezien er geen risico voor consumenten is, moeten de MRL's voor deze producten in bijlageII bij Verordening (EG) nr.396/2005 worden vastgelegd op het bestaande niveau of op het door de EFSA vastgestelde niveau. Deze MRL's worden herzien; bij de herziening wordt rekening gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. |
|
(5) |
Voor cyhalofop-butyl heeft de EFSA overeenkomstig artikel12, lid2, juncto artikel12, lid1, van Verordening (EG) nr.396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (4). De EFSA heeft voorgesteld de residudefinitie te wijzigen. De EFSA heeft geconcludeerd dat voor het MRL voor rijst enkele gegevens niet beschikbaar waren en dat er behoefte is aan verder onderzoek door risicomanagers. Aangezien er geen risico voor consumenten is, moet het MRL voor dit product in bijlageII bij Verordening (EG) nr.396/2005 worden vastgelegd op het bestaande niveau of op het door de EFSA vastgestelde niveau. Dit MRL wordt herzien; bij de herziening wordt rekening gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. |
|
(6) |
Voor forchlorfenuron heeft de EFSA overeenkomstig artikel12, lid2, juncto artikel12, lid1, van Verordening (EG) nr.396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (5). De EFSA heeft aanbevolen om de MRL's voor tafeldruiven, wijndruiven en kiwi's te verlagen. |
|
(7) |
Voor pymetrozine heeft de EFSA overeenkomstig artikel12, lid2, juncto artikel12, lid1, van Verordening (EG) nr.396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (6). De EFSA heeft voor het MRL voor andijvie een risico voor consumenten vastgesteld. Dit MRL moet daarom worden vastgelegd op het door de EFSA vastgestelde niveau. De EFSA heeft voorgesteld om de residudefinitie te wijzigen en heeft aanbevolen om de MRL's voor kool- en raapzaad en katoenzaad te verlagen. Voor andere producten heeft de EFSA aanbevolen de bestaande MRL's te verhogen of te handhaven. De EFSA heeft geconcludeerd dat voor de MRL's voor citrusvruchten, appels, peren, abrikozen, perziken, aardbeien, bramen, frambozen, blauwe bessen, aalbessen (rood, zwart en wit), kruisbessen, aardappelen, knolselderij, radijzen, tomaten, pepers (paprika's), aubergines, Cucurbitacae met eetbare schil, Cucurbitacae met oneetbare schil, suikermais, bloemkoolachtigen, spruitjes, sluitkool, bladkoolachtigen, koolrabi, veldsla, sla, tuinkers, winterkers, raketsla, rode amsoi, bladeren en spruiten van Brassica spp., inclusief raapstelen, spinazie, postelein, snijbiet, kervel, bieslook, bladselderij, peterselie, salie, rozemarijn, tijm, basilicum, laurierblad, dragon, bonen (vers, met peul), erwten (vers, met peul), bleekselderij, knolvenkel, artisjokken, kruidenthee (gedroogd, bloemen), kruidenthee (gedroogd, bladeren), hop (gedroogd) en melk van runderen, schapen en geiten enkele gegevens niet beschikbaar waren en dat er behoefte is aan verder onderzoek door risicomanagers. Aangezien er geen risico is voor consumenten, moeten de MRL's voor die producten in bijlageII bij Verordening (EG) nr.396/2005 worden vastgesteld op het bestaande niveau of op het door de EFSA vastgestelde niveau. Deze MRL's worden herzien; bij de herziening wordt rekening gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. De EFSA heeft geconcludeerd dat voor de MRL's voor okra's en bonen (vers, zonder peul) er geen gegevens beschikbaar waren en dat er behoefte is aan verder onderzoek door risicomanagers. De MRL's voor okra's en bonen (vers, zonder peul) moeten worden vastgesteld op de specifieke aantoonbaarheidsgrens of op het standaard-MRL overeenkomstig artikel18, lid1, onderb), van Verordening (EG) nr.396/2005. |
|
(8) |
Voor silthiofam heeft de EFSA overeenkomstig artikel12, lid2, juncto artikel12, lid1, van Verordening (EG) nr.396/2005 een met redenen omkleed advies over de bestaande MRL's uitgebracht (7). De EFSA heeft geconcludeerd dat voor de MRL's voor gerst, rogge en tarwe enkele gegevens niet beschikbaar waren en dat er behoefte is aan verder onderzoek door risicomanagers. Aangezien er geen risico is voor consumenten, moeten de MRL's voor die producten in bijlageII bij Verordening (EG) nr.396/2005 worden vastgesteld op het bestaande niveau of op het door de EFSA vastgestelde niveau. Deze MRL's worden herzien; bij de herziening wordt rekening gehouden met de informatie die binnen twee jaar na de bekendmaking van deze verordening beschikbaar komt. |
|
(9) |
Met betrekking tot de producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor geen relevante vergunningen of invoertoleranties op het niveau van de Unie werden gemeld en geen Codex-MRL beschikbaar was, concludeerde de EFSA dat er behoefte is aan verder onderzoek door risicomanagers. Rekening houdend met de huidige wetenschappelijke en technische kennis moeten de MRL's voor deze producten worden vastgesteld op de specifieke aantoonbaarheidsgrens of op het standaard-MRL overeenkomstig artikel18, lid1, onderb), van Verordening (EG) nr.396/2005. |
|
(10) |
De Commissie heeft de referentielaboratoria van de Europese Unie voor bestrijdingsmiddelenresiduen geraadpleegd over de noodzaak van de aanpassing van bepaalde LOD's. Wat verscheidene stoffen betreft, hebben die laboratoria geconcludeerd dat de technische ontwikkeling voor bepaalde producten de vaststelling van lagere LOD's mogelijk maakt. |
|
(11) |
Op grond van de met redenen omklede adviezen van de EFSA en rekening houdend met de ter zake relevante factoren voldoen de wijzigingen van de MRL's aan de vereisten van artikel14, lid2, van Verordening (EG) nr.396/2005. |
|
(12) |
De handelspartners van de Unie zijn via de Wereldhandelsorganisatie over de nieuwe MRL's geraadpleegd en er is rekening gehouden met hun opmerkingen. |
|
(13) |
Verordening (EG) nr.396/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(14) |
De verordening voorziet in een overgangsregeling voor producten die voor de wijziging van de MRL's rechtmatig werden vervaardigd en waarvoor uit de informatie is gebleken dat een hoog niveau van consumentenbescherming wordt gehandhaafd, zodat deze op een normale wijze in de handel gebracht, verwerkt en geconsumeerd kunnen worden. |
|
(15) |
Er moet worden voorzien in een redelijke termijn voordat de gewijzigde MRL's van toepassing worden, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de wijziging van de MRL's voortvloeien. |
|
(16) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel1
De bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr.396/2005 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel2
Verordening (EG) nr.396/2005 blijft in de versie die voor de wijziging uit hoofde van deze verordening van kracht was, van toepassing op producten die voor 13 november 2014 rechtmatig werden geproduceerd:
|
1. |
wat betreft de werkzame stoffen benthiavalicarb, cyhalofop-butyl, cyazofamide, forchlorfenuron en silthiofam in en op alle producten; |
|
2. |
wat betreft de werkzame stof pymetrozine in en op alle producten behalve andijvie. |
Artikel3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 13 november 2014.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 april 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 70 van 16.3.2005, blz.1.
(2) Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Review of the existing maximum residue levels (MRLs) for benthiavalicarb according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2012; 10(8):2872. [31 blz.].
(3) Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Review of the existing maximum residue levels (MRLs) for cyazofamid according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2012; 10(12):3065. [38 blz.].
(4) Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Review of the existing maximum residue levels (MRLs) for cyhalofop-butyl according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2013; 11(2):3115. [25 blz.].
(5) Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Review of the existing maximum residue levels (MRLs) for forchlorfenuron according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2012; 10(8):2862. [26 blz.].
(6) Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Review of the existing maximum residue levels (MRLs) for pymetrozine according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2012; 10(10):2919. [67 blz.], herziene versie van 10januari2013.
(7) Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Review of the existing maximum residue levels (MRLs) for silthiofam according to Article 12 of Regulation (EC) No 396/2005. EFSA Journal 2013; 11(1):3088. [25 blz.].
BIJLAGE
De bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr.396/2005 worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
BijlageII wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
BijlageIII wordt als volgt gewijzigd:
|
(*1) Analytische aantoonbaarheidsgrens.
(1) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.
(*2) Analytische aantoonbaarheidsgrens.
(2) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/40 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 399/2014 VAN DE COMMISSIE
van 22 april 2014
tot verlening van een vergunning voor de preparaten van Lactobacillus brevis DSM 23231, Lactobacillus brevis DSMZ 16680, Lactobacillus plantarum CECT 4528 en Lactobacillus fermentum NCIMB 30169 als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 10, leden 1 tot en met 4, van die verordening stelt specifieke bepalingen vast voor de evaluatie van in de Unie als inkuiltoevoegingsmiddelen gebruikte producten op de datum waarop die verordening van toepassing werd. |
|
(2) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 zijn de preparaten van Lactobacillus brevis DSM 23231, Lactobacillus brevis DSMZ 16680, Lactobacillus plantarum CECT 4528 en Lactobacillus fermentum NCIMB 30169 in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding opgenomen als bestaande producten behorende tot de functionele groep inkuiltoevoegingsmiddelen, voor alle diersoorten. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening zijn aanvragen ingediend voor de verlening van een vergunning voor deze preparaten als toevoegingsmiddelen voor diervoeding voor alle diersoorten, waarbij is verzocht om die toevoegingsmiddelen in te delen in de categorie „technologische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „inkuiltoevoegingsmiddelen”. De krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten waren bij de aanvragen gevoegd. |
|
(4) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) concludeerde in haar adviezen van 4 december 2013 (2) en 5 december 2013 (3) dat de desbetreffende preparaten onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid, de gezondheid van de mens of het milieu hebben. De EFSA concludeerde tevens dat de preparaten van Lactobacillus brevis DSM 23231, Lactobacillus brevis DSMZ 16680, Lactobacillus plantarum CECT 4528 en Lactobacillus fermentum NCIMB 30169 de productie van kuilvoer kunnen verbeteren. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. Zij heeft ook het verslag over de analysemethoden voor de toevoegingsmiddelen voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend. |
|
(5) |
Uit de beoordeling van de desbetreffende preparaten blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning wordt voldaan. Het gebruik van deze preparaten zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan. |
|
(6) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verlening van de vergunning
Voor de in de bijlage gespecificeerde preparaten, die behoren tot de categorie „technologische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „inkuiltoevoegingsmiddelen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.
Artikel 2
Overgangsmaatregelen
De in de bijlage beschreven preparaten, en diervoeders die deze preparaten bevatten, die vóór 13 november 2014 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 15 mei 2014 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn opgemaakt.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 april 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.
(2) EFSA Journal 2014; 12(1):3530.
(3) EFSA Journal 2014; 12(1):3534, EFSA Journal 2014; 12(1):3533 en EFSA Journal 2014; 12(1):3535.
BIJLAGE
|
Identificatienummer van het toevoegingsmiddel |
Naam van de vergunninghouder |
Toevoegingsmiddel |
Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode |
Diersoort of -categorie |
Maximumleeftijd |
Minimumgehalte |
Maximumgehalte |
Overige bepalingen |
Einde van de vergunningsperiode |
||||||
|
CFU/kg vers materiaal |
|||||||||||||||
|
Categorie technologische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: inkuiltoevoegingsmiddelen. |
|||||||||||||||
|
1k20736 |
— |
Lactobacillus brevis DSM 23231 |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Preparaat van Lactobacillus brevis DSM 23231 met ten minste 1 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel. Karakterisering van de werkzame stof Levensvatbare cellen van Lactobacillus brevis DSM 23231. Analysemethode (1) Kwantificering in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van MRS-agar (EN 15787). Identificatie: pulsed-field-gelelektroforese (PFGE). |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
13 mei 2024 |
||||||
|
1k20737 |
— |
Lactobacillus brevis DSMZ 16680 |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Preparaat van Lactobacillus brevis DSMZ 16680 met ten minste 2,5 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel. Karakterisering van de werkzame stof Levensvatbare cellen van Lactobacillus brevis DSMZ 16680. Analysemethode (1) Kwantificering in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van MRS-agar (EN 15787). Identificatie: pulsed-field-gelelektroforese (PFGE). |
Alle diersoorten |
|
|
|
|
13 mei 2024 |
||||||
|
1k20738 |
— |
Lactobacillus plantarum CECT 4528 |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Preparaat van Lactobacillus plantarum CECT 4528met ten minste 2,5 × 1011 CFU/g toevoegingsmiddel. Karakterisering van de werkzame stof Levensvatbare cellen van Lactobacillus plantarum CECT 4528. Analysemethode (1) Kwantificering in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van MRS-agar (EN 15787). Identificatie: pulsed-field-gelelektroforese (PFGE). |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
13 mei 2024 |
||||||
|
1k20739 |
— |
Lactobacillus fermentum NCIMB 30169 |
Samenstelling van het toevoegingsmiddel Preparaat van Lactobacillus fermentum NCIMB 30169 met ten minste 2,5 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel. Karakterisering van de werkzame stof Levensvatbare cellen van Lactobacillus fermentum NCIMB 30169. Analysemethode (1) Kwantificering in het toevoegingsmiddel voor diervoeding: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van MRS-agar (EN 15787). Identificatie: pulsed-field-gelelektroforese (PFGE). |
Alle diersoorten |
— |
— |
— |
|
13 mei 2024 |
||||||
(1) Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium: http://irmm.jrc.ec.europa.eu/EURLs/EURL_feed_additives/Pages/index.aspx
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/44 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 400/2014 VAN DE COMMISSIE
van 22 april 2014
inzake een in 2015, 2016 en 2017 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 29, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1213/2008 van de Commissie (2) is een eerste gecoördineerd meerjarig communautair programma voor de jaren 2009, 2010 en 2011 vastgesteld. Dat programma is vervolgens bij opeenvolgende verordeningen van de Commissie gecontinueerd. De meest recente was Verordening (EU) nr. 788/2012 van de Commissie (3). |
|
(2) |
Dertig tot veertig voedingsmiddelen vormen het hoofdbestanddeel van de voeding in de Unie. Daar de toepassingen van bestrijdingsmiddelen gedurende een periode van drie jaar aanzienlijke veranderingen ondergaan, moet tijdens een reeks van driejarige cycli toezicht worden gehouden op bestrijdingsmiddelen in die voedingsmiddelen om de blootstelling van de consument en de toepassing van de wetgeving van de Unie te kunnen beoordelen. |
|
(3) |
Op grond van een binomiale waarschijnlijkheidsverdeling kan worden berekend dat, wanneer minimaal 1 % van de producten een hoeveelheid residuen boven de bepaalbaarheidsgrens bevat, er bij onderzoek van 654 monsters met een betrouwbaarheid van meer dan 99 % een monster met een hoeveelheid bestrijdingsmiddelenresiduen boven die grens zal worden gevonden (4). Dit aantal monsters moet over de lidstaten worden gespreid op basis van het bevolkingsaantal, met echter een minimum van 12 monsters per product en per jaar. |
|
(4) |
De analyseresultaten van de vorige officiële bestrijdingsprogramma's van de Unie zijn in aanmerking genomen om te verzekeren dat het scala van door het bestrijdingsprogramma bestreken bestrijdingsmiddelen representatief is voor de gebruikte bestrijdingsmiddelen. |
|
(5) |
Op de website van de Commissie zijn richtsnoeren voor analytische kwaliteitscontrole en valideringsprocedures voor de analyse van residuen van bestrijdingsmiddelen in voeding en diervoeders gepubliceerd (5). |
|
(6) |
Als andere werkzame stoffen, metabolieten, afbraak- of reactieproducten onder de definitie van een residu van een bestrijdingsmiddel vallen, moeten die verbindingen afzonderlijk worden gerapporteerd, voor zover zij afzonderlijk zijn gemeten. |
|
(7) |
De lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid zijn onderling uitvoeringsmaatregelen overeengekomen voor de informatieverstrekking door de lidstaten, zoals de standaardmonsterbeschrijving (Standard Sample Description, SSD) (6) (7) voor het indienen van analyseresultaten betreffende bestrijdingsmiddelenresiduen. |
|
(8) |
Voor de bemonsteringprocedures moet Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie (8) van toepassing zijn, waarin de door de Commissie van de Codex Alimentarius aanbevolen bemonsteringsmethoden en -procedures zijn opgenomen. |
|
(9) |
Uitsluitend op grond van de residudefinities van Verordening (EG) nr. 396/2005 moet worden beoordeeld of de maximumgehalten aan residuen voor babyvoeding, vastgesteld overeenkomstig artikel 10 van Richtlijn 2006/141/EG van de Commissie (9) en artikel 7 van Richtlijn 2006/125/EG van de Commissie (10) worden nageleefd. |
|
(10) |
Wat betreft specifieke residumethoden kunnen de lidstaten eventueel aan hun verplichtingen voldoen door een beroep te doen op officiële laboratoria die al over de benodigde gevalideerde methoden beschikken. |
|
(11) |
De lidstaten moeten uiterlijk op 31 augustus van elk jaar de informatie met betrekking tot het vorige kalenderjaar overleggen. |
|
(12) |
Om elke verwarring als gevolg van een overlapping tussen achtereenvolgende meerjarige programma's te vermijden, moet Verordening (EU) nr. 788/2012 voor de rechtszekerheid worden ingetrokken. Zij moet echter van toepassing blijven voor in 2013 en in 2014 genomen monsters. |
|
(13) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De lidstaten nemen en analyseren in 2015, 2016 en 2017 monsters van de in bijlage I vermelde combinaties van producten en bestrijdingsmiddelen.
Het aantal monsters van ieder product, met inbegrip van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters, en producten die afkomstig zijn uit de biologische landbouw, wordt vastgesteld in bijlage II.
Artikel 2
1. De te bemonsteren partij wordt aselect gekozen.
De bemonsteringsprocedure, met inbegrip van het aantal eenheden, moet in overeenstemming zijn met Richtlijn 2002/63/EG.
2. Alle monsters, met inbegrip van levensmiddelen voor zuigelingen en peuters, worden geanalyseerd voor de in bijlage I vermelde bestrijdingsmiddelen overeenkomstig de definities van residuen van Verordening (EG) nr. 396/2005.
3. Voor levensmiddelen voor zuigelingen en peuters worden monsters beoordeeld op het product als aangeboden voor gebruik of als gereconstitueerd volgens de aanwijzingen van de fabrikant, rekening houdend met de MRL's die zijn vastgelegd in de Richtlijnen 2006/125/EG en 2006/141/EG. Indien die levensmiddelen zoals verkocht en zoals gereconstitueerd kunnen worden gebruikt, worden de resultaten vermeld op het niet-gereconstitueerde product zoals het wordt verkocht.
Artikel 3
De lidstaten leggen de analyseresultaten van de in 2015, 2016 en 2017 geteste monsters uiterlijk op 31 augustus 2016, 31 augustus 2017 respectievelijk 31 augustus 2018 over. Die resultaten worden verstrekt overeenkomstig de standaardmonsterbeschrijving (Standard Sample Description, SSD).
Wanneer de residudefinitie van een bestrijdingsmiddel meer dan één verbinding (werkzame stof, metaboliet en/of afbraak- of reactieproduct) omvat, melden de lidstaten de analyseresultaten overeenkomstig de volledige residudefinitie. Daarnaast worden de resultaten van alle analyten die deel uitmaken van de residudefinitie afzonderlijk verstrekt, voor zover zij afzonderlijk zijn gemeten.
Artikel 4
Verordening (EU) nr. 788/2012 wordt ingetrokken.
Zij blijft echter van toepassing voor in 2013 en in 2014 geteste monsters.
Artikel 5
Deze verordening treedt in werking op 1 januari 2015.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 april 2014
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(2) Verordening (EG) nr. 1213/2008 van de Commissie van 5 december 2008 inzake een in 2009, 2010 en 2011 uit te voeren gecoördineerd meerjarig communautair controleprogramma tot naleving van de maximumgehalten en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan residuen van bestrijdingsmiddelen in en op voeding van plantaardige of dierlijke oorsprong (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 9).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 788/2012 van de Commissie van 31 augustus 2012 inzake een in 2013, 2014 en 2015 uit te voeren gecoördineerd meerjarig controleprogramma van de Unie tot naleving van de maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen en ter beoordeling van de blootstelling van de consument aan bestrijdingsmiddelenresiduen in en op levensmiddelen van plantaardige en dierlijke oorsprong (PB L 235 van 1.9.2012, blz. 8).
(4) Codex Alimentarius, Pesticide Residues in Food, Rome 1993, ISBN 92-5-103271-8; Vol. 2, blz. 372.
(5) Document nr. SANCO/12571/2013.
http://ec.europa.eu/food/plant/plant_protection_products/guidance_documents/docs/qualcontrol_en.pdf
(6) Standard sample description for food and feed (EFSA Journal 2010; 8(1): 1457).
(7) Use of the EFSA Standard Sample Description for the reporting of data on the control of pesticide residues in food and feed according to Regulation (EC) No 396/2005 (EFSA Journal 2013; 11(1): 3076).
(8) Richtlijn 2002/63/EG van de Commissie van 11 juli 2002 houdende vaststelling van communautaire bemonsteringsmethoden voor de officiële controle op residuen van bestrijdingsmiddelen in en op producten van plantaardige en van dierlijke oorsprong en tot intrekking van Richtlijn 79/700/EEG (PB L 187 van 16.7.2002, blz. 30).
(9) Richtlijn 2006/141/EG van de Commissie van 22 december 2006 inzake volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding en tot wijziging van Richtlijn 1999/21/EG (PB L 401 van 30.12.2006, blz. 1).
(10) Richtlijn 2006/125/EG van de Commissie van 5 december 2006 inzake bewerkte voedingsmiddelen op basis van granen en babyvoeding voor zuigelingen en peuters (PB L 339 van 6.12.2006, blz. 16).
BIJLAGE I
Deel A: In 2015, 2016 en 2017 te bemonsteren producten van plantaardige oorsprong.
|
2015 |
2016 |
2017 |
|
b) |
c) |
a) |
|
Aubergines |
Appelen |
Bonen met peul (vers of bevroren) |
|
Bananen |
Sluitkool |
Wortels |
|
Broccoli |
Prei |
Komkommers |
|
Tafeldruiven |
Sla |
Sinaasappelen |
|
Sinaasappelsap |
Perziken (inclusief nectarine en soortgelijke kruisingen) |
Mandarijnen |
|
Bonen zonder peul (vers of bevroren) |
Rogge of haver |
Peren |
|
Paprika's |
Aardbeien |
Aardappelen |
|
Tarwe |
Tomaten |
Rijst |
|
Olijfolie van eerste persing (tenzij een specifieke olieverwerkingsfactor beschikbaar is, verwerkingsfactor = 5, uitgaande van een standaardopbrengst aan olijfolie van 20 % van de geoogste olijven. De lidstaten wordt verzocht de gebruikte verwerkingsfactoren aan te geven in het nationale samenvattende verslag.) |
Wijn (rood of wit) gemaakt van druiven. (Als geen verwerkingsfactoren voor wijn beschikbaar zijn, kan een standaardfactor van 1 worden toegepast. De lidstaten wordt verzocht de gebruikte wijnverwerkingsfactoren aan te geven in het nationale samenvattende verslag.) |
Spinazie |
Deel B: In 2015, 2016 en 2017 te bemonsteren producten van dierlijke oorsprong.
|
2015 |
2016 |
2017 |
|
d) |
e) |
f) |
|
Boter |
Koemelk |
Spier en vet van pluimvee |
|
Kippeneieren |
Spier en vet van varkens |
Lever (van runderen en andere herkauwers, varkens en pluimvee). |
Deel C: Combinaties bestrijdingsmiddel/product waarop toezicht moet worden gehouden in/op producten van plantaardige oorsprong
|
|
2015 |
2016 |
2017 |
Opmerkingen |
|
2-Fenylfenol |
b) |
c) |
a) |
|
|
Abamectine |
b) |
c) |
a) |
|
|
Acefaat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Acetamiprid |
b) |
c) |
a) |
|
|
Acrinathrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Aldicarb |
b) |
c) |
a) |
|
|
Aldrin en dieldrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Azinfos-methyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Azoxystrobin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Bifenthrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Bifenyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Bitertanol |
b) |
c) |
a) |
|
|
Boscalid |
b) |
c) |
a) |
|
|
Bromide-ion |
b) |
c) |
a) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op paprika's; in 2016 op sla en tomaten; in 2017 alleen op rijst. |
|
Broompropylaat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Bupirimaat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Buprofezin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Captan |
b) |
c) |
a) |
|
|
Carbaryl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Carbendazim en benomyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Carbofuran |
b) |
c) |
a) |
|
|
Carbosulfan |
b) |
c) |
a) |
|
|
Chlorantraniliprole |
b) |
c) |
a) |
|
|
Chloorfenapyr |
b) |
c) |
a) |
|
|
Chloormequat |
b) |
c) |
a) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op aubergines, tafeldruiven en tarwe; in 2016 alleen op rogge of haver, tomaten en wijn; in 2017 op peren, rijst en wortels. |
|
Chloorthalonil |
b) |
c) |
a) |
|
|
Chloorprofam |
b) |
c) |
a) |
|
|
Chloorpyrifos |
b) |
c) |
a) |
|
|
Chloorpyrifos-methyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Clofentezin |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Clothianidine |
b) |
c) |
a) |
Zie ook thiamethoxam. |
|
Cyfluthrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Cypermethrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Cyproconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Cyprodinil |
b) |
c) |
a) |
|
|
Deltamethrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Diazinon |
b) |
c) |
a) |
|
|
Dichloorvos |
b) |
c) |
a) |
|
|
Dicloran |
b) |
c) |
a) |
|
|
Dicofol |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Diethofencarb |
b) |
c) |
a) |
|
|
Difenoconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Diflubenzuron |
b) |
c) |
a) |
|
|
Dimethoaat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Dimethomorf |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Diniconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Difenylamine |
b) |
c) |
a) |
|
|
Dithianon |
b) |
c) |
a) |
|
|
Dithiocarbamaten |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve sinaasappelsap en olijfolie. |
|
Dodine |
b) |
c) |
a) |
|
|
Endosulfan |
b) |
c) |
a) |
|
|
EPN |
b) |
c) |
a) |
|
|
Epoxiconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Ethefon |
b) |
c) |
a) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op paprika's, sinaasappelsap, tafeldruiven en tarwe; in 2016 alleen op appelen, rogge of haver, tomaten en wijn; in 2017 op mandarijnen, rijst en sinaasappelen. |
|
Ethion |
b) |
c) |
a) |
|
|
Ethirimol |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Etofenprox |
b) |
c) |
a) |
|
|
Famoxadone |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenamidone |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenamifos |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenarimol |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Fenazaquin |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Fenbuconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenbutatinoxide |
b) |
c) |
a) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op aubergines, paprika's en tafeldruiven, in 2016 op appelen en tomaten; in 2017 op mandarijnen, peren en sinaasappelen. |
|
Fenhexamide |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenitrothion |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenoxycarb |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenpropathrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenpropidin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenpropimorf |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenpyroximaat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenthion |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fenvaleraat en esfenvaleraat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fipronil |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fludioxonil |
b) |
c) |
a) |
|
|
Flufenoxuron |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fluopyram |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fluquinconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Flusilazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Flutriafol |
b) |
c) |
a) |
|
|
Folpet |
b) |
c) |
a) |
|
|
Formetanaat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fosmet |
b) |
c) |
a) |
|
|
Fosthiazaat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Glyfosaat |
b) |
c) |
a) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op tarwe; in 2016 op rogge of haver en in 2017 op rijst. |
|
Hexaconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Hexythiazox |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Imazalil |
b) |
c) |
a) |
|
|
Imidacloprid |
b) |
c) |
a) |
|
|
Indoxacarb |
b) |
c) |
a) |
|
|
Iprodion |
b) |
c) |
a) |
|
|
Iprovalicarb |
b) |
c) |
a) |
|
|
Isocarbofos |
b) |
c) |
a) |
|
|
Isoprothiolane |
|
|
a) |
Moet in 2017 alleen geanalyseerd worden op rijst. Niet relevant voor de producten die in 2015 en 2016 moeten worden geanalyseerd. |
|
Kresoxym-methyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Lambda-cyhalothrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Linuron |
b) |
c) |
a) |
|
|
Lufenuron |
b) |
c) |
a) |
|
|
Malathion |
b) |
c) |
a) |
|
|
Mandipropamid |
b) |
c) |
a) |
|
|
Mepanipyrim |
b) |
c) |
a) |
|
|
Mepiquat |
b) |
c) |
a) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op tarwe; in 2016 alleen op rogge of haver en tomaten; in 2017 op peren en rijst. |
|
Metalaxyl en metalaxyl-M |
b) |
c) |
a) |
|
|
Methamidofos |
b) |
c) |
a) |
|
|
Methidathion |
b) |
c) |
a) |
|
|
Methiocarb |
b) |
c) |
a) |
|
|
Methomyl en thiodicarb |
b) |
c) |
a) |
|
|
Methoxyfenozide |
b) |
c) |
a) |
|
|
Monocrotofos |
b) |
c) |
a) |
|
|
Myclobutanil |
b) |
c) |
a) |
|
|
Oxadixyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Oxamyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Oxydemeton-methyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Paclobutrazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Parathion |
b) |
c) |
a) |
|
|
Parathion-methyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Penconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Pencycuron |
b) |
c) |
a) |
|
|
Pendimethalin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Permethrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Pirimicarb |
b) |
c) |
a) |
|
|
Pirimifos-methyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Procymidon |
b) |
c) |
a) |
|
|
Profenofos |
b) |
c) |
a) |
|
|
Propamocarb |
b) |
c) |
a) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op aubergines, broccoli, erwten zonder peul en paprika's; in 2016 op appelen, sluitkool, sla, tomaten en wijn; in 2017 op aardbeien, aardappelen, bonen, komkommers, mandarijnen, sinaasappelen, spinazie en wortels. |
|
Propargiet |
b) |
c) |
a) |
|
|
Propiconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Propyzamide |
b) |
c) |
a) |
|
|
Pymetrozine |
b) |
c) |
a) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op aubergines en paprika's; in 2016 op aardbeien, sla, sluitkool en tomaten; in 2017 op komkommers. |
|
Pyraclostrobin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Pyridaben |
b) |
c) |
a) |
|
|
Pyrimethanil |
b) |
c) |
a) |
|
|
Pyriproxyfen |
b) |
c) |
a) |
|
|
Quinoxyfen |
b) |
c) |
a) |
|
|
Spinosad |
b) |
c) |
a) |
|
|
Spirodiclofen |
b) |
c) |
a) |
|
|
Spiromesifen |
b) |
c) |
a) |
|
|
Spiroxamine |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tau-fluvalinaat |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tebuconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tebufenozide |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tebufenpyrad |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Teflubenzuron |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tefluthrin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Terbutylazine |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tetraconazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tetradifon |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Thiabendazool |
b) |
c) |
a) |
|
|
Thiacloprid |
b) |
c) |
a) |
|
|
Thiamethoxam |
b) |
c) |
a) |
|
|
Thiofanaat-methyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tolclofos-methyl |
b) |
c) |
a) |
|
|
Tolylfluanide |
b) |
c) |
a) |
Moet geanalyseerd worden in alle vermelde producten behalve granen. |
|
Triadimefon en triadimenol |
b) |
c) |
a) |
|
|
Triazofos |
b) |
c) |
a) |
|
|
Trifloxystrobin |
b) |
c) |
a) |
|
|
Triflumuron |
b) |
c) |
a) |
|
Deel D: Combinaties bestrijdingsmiddel/product waarop toezicht moet worden gehouden in/op producten van dierlijke oorsprong
|
|
2015 |
2016 |
2017 |
Opmerkingen |
|
Aldrin en dieldrin |
d) |
e) |
f) |
|
|
Bifenthrin |
d) |
e) |
f) |
|
|
Chloordaan |
d) |
e) |
f) |
|
|
Chloorpyrifos |
d) |
e) |
f) |
|
|
Chloorpyrifos-methyl |
d) |
e) |
f) |
|
|
Cypermethrin |
d) |
e) |
f) |
|
|
DDT |
d) |
e) |
f) |
|
|
Deltamethrin |
d) |
e) |
f) |
|
|
Diazinon |
d) |
e) |
f) |
|
|
Endosulfan |
d) |
e) |
f) |
|
|
Famoxadone |
d) |
e) |
f) |
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op boter; in 2016 op melk. in 2017 op lever. |
|
Fenvaleraat en esfenvaleraat |
d) |
e) |
f) |
|
|
Glyfosaat |
|
e) |
f) |
Moet in 2016 alleen geanalyseerd worden op melk; in 2017 op lever en op spier en vet van pluimvee. |
|
Heptachloor |
d) |
e) |
f) |
|
|
Hexachloorbenzeen |
d) |
e) |
f) |
|
|
Hexachloorcyclohexaan (HCH), alfa-isomeer |
d) |
e) |
f) |
|
|
Hexachloorcyclohexaan (HCH), bèta-isomeer |
d) |
e) |
f) |
|
|
Indoxacarb |
d) |
e) |
|
Moet in 2015 alleen geanalyseerd worden op boter; in 2016 op melk. |
|
Lindaan |
d) |
e) |
f) |
|
|
Methoxychloor |
d) |
e) |
f) |
|
|
Parathion |
d) |
e) |
f) |
|
|
Permethrin |
d) |
e) |
f) |
|
|
Pirimifos-methyl |
d) |
e) |
f) |
|
|
Spinosad |
|
|
f) |
Moet in 2017 alleen geanalyseerd worden op lever. |
BIJLAGE II
Aantal in artikel 1 bedoelde monsters
|
1. |
Het aantal monsters dat elke lidstaat van elk product moet nemen en analyseren voor de in bijlage I vermelde bestrijdingsmiddelen, is opgenomen in de tabel in punt 5). |
|
2. |
Naast de vereiste monsters overeenkomstig de tabel in punt 5) neemt en analyseert elke lidstaat in 2015 tien monsters van bewerkte babyvoeding op basis van granen.
Naast de vereiste monsters overeenkomstig die tabel neemt en analyseert elke lidstaat in 2016 tien monsters van voeding voor zuigelingen en peuters. Naast de vereiste monsters overeenkomstig die tabel neemt en analyseert elke lidstaat in 2017 tien monsters van volledige zuigelingenvoeding en opvolgzuigelingenvoeding. |
|
3. |
Overeenkomstig de tabel in punt 5) moeten de monsters die worden genomen van producten die afkomstig zijn van de biologische landbouw, indien beschikbaar, in verhouding staan tot het marktaandeel van die producten in elke lidstaat, met een minimum van één. |
|
4. |
De lidstaten die multiresidumethoden toepassen, mogen gebruikmaken van kwalitatieve screeningmethoden voor maximaal 15 % van de monsters die overeenkomstig de tabel in punt 5) moeten worden genomen en geanalyseerd. Wanneer een lidstaat gebruik maakt van kwalitatieve screeningmethoden, moet het de resterende monsters met multiresidumethoden analyseren.
Wanneer de resultaten van de kwalitatieve screening positief zijn, passen de lidstaten een gebruikelijke doelwitmethode toe om de bevindingen te kwantificeren. |
|
5. |
Aantal monsters per lidstaat:
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(*1) Minimumaantal monsters voor iedere toegepaste specifieke residumethode.
(*2) Minimumaantal monsters voor iedere toegepaste multiresidumethode.
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/57 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 401/2014 VAN DE COMMISSIE
van 22 april 2014
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 april 2014.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
IL |
210,1 |
|
MA |
75,5 |
|
|
MK |
112,5 |
|
|
TN |
100,9 |
|
|
TR |
83,4 |
|
|
ZZ |
116,5 |
|
|
0707 00 05 |
AL |
71,7 |
|
MA |
39,8 |
|
|
MK |
59,4 |
|
|
TR |
126,8 |
|
|
ZZ |
74,4 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
35,6 |
|
TR |
95,8 |
|
|
ZZ |
65,7 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
56,2 |
|
IL |
67,9 |
|
|
MA |
63,9 |
|
|
TN |
50,0 |
|
|
TR |
51,1 |
|
|
ZZ |
57,8 |
|
|
0805 50 10 |
TR |
95,2 |
|
ZZ |
95,2 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
87,6 |
|
BR |
87,0 |
|
|
CL |
105,3 |
|
|
CN |
98,5 |
|
|
MK |
25,2 |
|
|
NZ |
141,4 |
|
|
US |
177,3 |
|
|
ZA |
130,1 |
|
|
ZZ |
106,6 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
95,8 |
|
CL |
144,5 |
|
|
ZA |
104,0 |
|
|
ZZ |
114,8 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ZZ” staat voor „overige oorsprong”.
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/59 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 402/2014 VAN DE COMMISSIE
van 22 april 2014
inzake de afgifte van invoercertificaten en de toekenning van rechten tot invoer voor de aanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van april 2014 in het kader van de bij Verordening (EG) nr. 616/2007 geopende tariefcontingenten zijn ingediend voor vlees van pluimvee
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1), en met name artikel 188
Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 616/2007 van de Commissie (3) zijn tariefcontingenten geopend voor de invoer van vlees van pluimvee van oorsprong uit Brazilië, Thailand, en andere derde landen. |
|
(2) |
De invoercertificaataanvragen die tijdens de eerste zeven dagen van april 2014 in het kader van de groepen 1, 2, 4A, 6A, 7 en 8 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 juli tot en met 30 september en in het kader van de groepen 3, 4B en 6B voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015, hebben voor bepaalde contingenten betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient een op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden vastgesteld om te bepalen in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven. |
|
(3) |
De aanvragen om rechten tot invoer die tijdens de eerste zeven dagen van april 2014 in het kader van groep 5A zijn ingediend voor de deelperiode van 1 juli tot en met 30 september 2014, hebben betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient een op de aangevraagde hoeveelheden toe te passen toewijzingscoëfficiënt te worden vastgesteld om te bepalen in hoeverre de rechten tot invoer kunnen worden toegekend, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Op de invoercertificaataanvragen die op grond van Verordening (EG) nr. 616/2007 in het kader van de groepen 1, 2, 4A, 6A, 7 en 8 zijn ingediend voor de deelperiode van 1 juli tot en met 30 september 2014 en in het kader van de groepen 3, 4B en 6B voor de periode van 1 juli 2014 tot en met 30 juni 2015, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen toewijzingscoëfficiënten toegepast.
2. Op de aanvragen om rechten tot invoer die op grond van Verordening (EG) nr. 616/2007 in het kader van groep 5A zijn ingediend voor de deelperiode van 1 juli tot en met 30 september 2014, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening opgenomen toewijzingscoëfficiënten toegepast.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op 23 april 2014.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 april 2014.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
BIJLAGE
|
Nummer van de groep |
Volgnr. |
Toewijzingscoëfficiënt voor de invoercertificaataanvragen die zijn ingediend voor de deelperiode van 1.7.2014 tot en met 30.9.2014 (%) |
|
1 |
09.4211 |
0,41894 |
|
2 |
09.4212 |
53,376701 |
|
4A |
09.4214 |
0,56052 |
|
09.4251 |
1,006036 |
|
|
09.4252 |
77,541947 |
|
|
6A |
09.4216 |
0,475923 |
|
09.4260 |
1,091703 |
|
Nummer van de groep |
Volgnr. |
Toewijzingscoëfficiënt voor de invoercertificaataanvragen die zijn ingediend voor de periode van 1.7.2014 tot en met 30.6.2015 (%) |
|
6B |
09.4263 |
0,057372 |
|
Nummer van de groep |
Volgnr. |
Toewijzingscoëfficiënt voor de aanvragen om rechten tot invoer die zijn ingediend voor de deelperiode van 1.7.2014 tot en met 30.9.2014 (%) |
|
5A |
09.4215 |
0,637375 |
|
09.4254 |
0,903342 |
|
|
09.4255 |
3,424657 |
|
|
09.4256 |
77,735124 |
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/62 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 403/2014 VAN DE COMMISSIE
van 22 april 2014
houdende vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt voor de afgifte van invoercertificaten die in de periode van 1 tot en met 7 april 2014 zijn aangevraagd voor suikerproducten in het kader van bepaalde tariefcontingenten en houdende schorsing van de indiening van de certificaataanvragen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (1),
Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,
Gezien Verordening (EG) nr. 891/2009 van de Commissie van 25 september 2009 houdende opening en vaststelling van de wijze van beheer van bepaalde communautaire tariefcontingenten in de sector suiker (3), en met name artikel 5, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 891/2009 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 170/2013 van de Commissie van 25 februari 2013 tot vaststelling van overgangsbepalingen in de sector suiker in verband met de toetreding van Kroatië (4) zijn in de periode van 1 tot en met 7 april 2014 bij de bevoegde autoriteiten invoercertificaataanvragen ingediend voor hoeveelheden die groter zijn dan de onder volgnummer 09.4321 beschikbare hoeveelheden. |
|
(2) |
Derhalve dient overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1301/2006 een toewijzingscoëfficiënt te worden vastgesteld aan de hand waarvan certificaten voor volgnummer 09.4321 kunnen worden afgegeven. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 891/2009 dient de indiening van nieuwe aanvragen om certificaten voor die volgnummers te worden geschorst tot het einde van het verkoopseizoen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Op de hoeveelheden waarvoor in het kader van Verordening (EG) nr. 891/2009 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 170/2013 invoercertificaataanvragen zijn ingediend in de periode van 1 tot en met 7 april 2014, worden de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënten toegepast.
2. De indiening van nieuwe certificaataanvragen voor de in de bijlage vermelde volgnummers wordt geschorst tot het einde van het verkoopseizoen 2013/2014.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 april 2014.
Voor de Commissie,
namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671.
(2) PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.
BIJLAGE
Suiker CXL-concessies
Verkoopseizoen 2013/2014
In de periode van 1 tot en met 7 april 2014 ingediende aanvragen
|
Volgnr. |
Land |
Toewijzingscoëfficiënt (%) |
Nieuwe aanvragen |
|
09.4317 |
Australië |
— |
Geschorst |
|
09.4318 |
Brazilië |
— |
|
|
09.4319 |
Cuba |
— |
Geschorst |
|
09.4320 |
Andere derde landen |
— |
Geschorst |
|
09.4321 |
India |
15,8701 |
Geschorst |
Balkansuiker
Verkoopseizoen 2013/2014
In de periode van 1 tot en met 7 april 2014 ingediende aanvragen
|
Volgnr. |
Land |
Toewijzingscoëfficiënt (%) |
Nieuwe aanvragen |
|
09.4324 |
Albanië |
— |
|
|
09.4325 |
Bosnië en Herzegovina |
(1) |
|
|
09.4326 |
Servië |
(1) |
|
|
09.4327 |
Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië |
— |
|
Overgangsmaatregelen, suiker voor uitzonderlijke invoer en suiker voor industriële invoer
Verkoopseizoen 2013/2014
In de periode van 1 tot en met 7 april 2014 ingediende aanvragen
|
Volgnr. |
Type invoer |
Toewijzingscoëfficiënt (%) |
Nieuwe aanvragen |
|
09.4367 |
In het kader van overgangsmaatregelen (Kroatië) |
— |
Geschorst |
|
09.4380 |
Uitzonderlijke invoer |
— |
|
|
09.4390 |
Industriële invoer |
— |
|
|
— |
: |
Niet van toepassing: de Commissie heeft geen enkele certificaataanvraag ontvangen. |
|
(1) |
Niet van toepassing: de aangevraagde hoeveelheden zijn niet groter dan de beschikbare hoeveelheden en worden derhalve volledig toegewezen. |
BESLUITEN
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/65 |
BESLUIT 2014/222/GBVB VAN DE RAAD
van 16 april 2014
tot wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,
Gezien Besluit 2010/413/GBVB van de Raad van 26 juli 2010 betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (1), en met name artikel 23,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 26 juli 2010 Besluit 2010/413/GBVB vastgesteld. |
|
(2) |
Het Gerecht van de Europese Unie heeft in zijn arrest van 12 november 2013 in zaak T-552/12 (2) Besluit 2012/635/GBVB van de Raad (3) nietig verklaard voor wat betreft de opname van North Drilling Company (NDC) op de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB. |
|
(3) |
North Drilling Company (NDC) moet op grond van een nieuwe motivering opnieuw worden opgenomen op de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten. |
|
(4) |
Eén entiteit dient te worden geschrapt van de lijst van aan beperkende maatregelen onderworpen personen en entiteiten in bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB. |
|
(5) |
Besluit 2010/413/GBVB dient dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB wordt gewijzigd zoals aangegeven in de bijlage bij het onderhavige besluit.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 16 april 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
D. KOURKOULAS
(1) PB L 195 van 27.7.2010, blz. 39.
(2) Zaak T-552/12, North Drilling Co. tegen Raad, arrest van 12 november 2013, nog niet gepubliceerd.
(3) Besluit 2012/635/GBVB van de Raad van 15 oktober 2012 houdende wijziging van Besluit 2010/413/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Iran (PB L 282 van 16.10.2012, blz. 58).
BIJLAGE
I.
De volgende entiteit wordt ingevoegd in de lijst in deel I, afdeling B (Entiteiten), van bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB:|
|
Naam |
Informatie ter identificatie |
Motivering |
Datum plaatsing op de lijst |
||||
|
118. |
North Drilling Company (NDC) |
|
North Drilling verleent financiële steun aan de regering van Iran doordat het onrechtstreeks eigendom is van de Mostazafan-Stichting, een grote Iraanse parastatale instelling die onder zeggenschap staat van de Iraanse regering. North Drilling is een belangrijke entiteit in de energiesector die de Iraanse regering aanzienlijke inkomsten oplevert. Daarnaast heeft North Drilling cruciale apparatuur voor de olie- en gasindustrie ingevoerd, waaronder verboden goederen. Derhalve verleent North Drilling steun voor de proliferatiegevoelige nucleaire activiteiten van Iran. |
23.4.2014 |
II.
De volgende entiteit, en de daarmee samenhangende gegevens, wordt geschrapt van de lijst in bijlage II bij Besluit 2010/413/GBVB:Safa Nicu a.k.a. „Safa Nicu Sepahan”, „Safanco Company”, „Safa Nicu Afghanistan Company”, „Safa Al Noor Company” en „Safa Nicu Ltd Company”.
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/67 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 16 april 2014
betreffende vrijstellingen van het uitgebreide antidumpingrecht op bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China overeenkomstig Verordening (EG) nr. 88/97 van de Commissie
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 2474)
(2014/223/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1), en met name artikel 13, lid 4,
Gezien Verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad van 10 januari 1997 tot uitbreiding van het definitieve antidumpingrecht, ingesteld bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 voor rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China op de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China en tot heffing van het uitgebreide recht op dergelijke uit hoofde van Verordening (EG) nr. 703/96 geregistreerde invoer (2), en met name artikel 3,
Gezien Verordening (EG) nr. 88/97 van de Commissie van 20 januari 1997 tot goedkeuring van de vrijstelling van de invoer van bepaalde delen van rijwielen, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, van de uitbreiding bij Verordening (EG) nr. 71/97 van de Raad van het bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad ingestelde antidumpingrecht (3), en met name de artikelen 4, 5, 7 en 10,
Na de lidstaten op de hoogte te hebben gesteld,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Na de inwerkingtreding van Verordening (EG) nr. 88/97 („de vrijstellingsverordening”) heeft een aantal rijwielassemblagebedrijven op grond van artikel 3 van die verordening een aanvraag ingediend om vrijstelling van het antidumpingrecht dat bij Verordening (EG) nr. 71/97 („de uitbreidingsverordening”) was uitgebreid tot de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China („de VRC”) (het „uitgebreide recht”). Het recentste besluit van de Commissie betreffende vrijstellingen van het uitgebreide recht uit hoofde van de vrijstellingsverordening is aangenomen op 19 december 2011 (4). |
|
(2) |
De Commissie heeft in het Publicatieblad van de Europese Unie meermaals lijsten van rijwielassemblagebedrijven (5) bekendgemaakt waarvoor de betaling van het uitgebreide antidumpingrecht op voor het vrije verkeer aangegeven hoofdbestanddelen van rijwielen was geschorst op grond van artikel 5, lid 1, van de vrijstellingsverordening. Bovendien zijn lijsten met nieuwe vrijstellingen voor rijwielassemblagebedrijven en lijsten met ingetrokken vrijstellingen bekendgemaakt. |
1. GOEDKEURING VAN VRIJSTELLING
|
(3) |
De Commissie heeft van de in tabel 1 genoemde partij alle informatie ontvangen die nodig is om over de ontvankelijkheid van haar aanvraag te oordelen. De Commissie kwam op basis van die informatie tot de bevinding dat de aanvraag op grond van artikel 4, lid 1, van de vrijstellingsverordening ontvankelijk is. Uit hoofde van artikel 5, lid 1, van dezelfde verordening is deze partij schorsing verleend met ingang van de dag waarop de Commissie de aanvraag van de partij heeft ontvangen. Tabel 1
|
|
(4) |
De Commissie heeft tijdens het onderzoek vastgesteld dat de waarde van de onderdelen van oorsprong uit de VRC die deze partij bij haar assemblageactiviteiten gebruikte, minder dan 60 % bedroeg van de totale waarde van de onderdelen die zij bij deze activiteiten gebruikte. Zij vallen bijgevolg buiten het toepassingsgebied van artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009. |
|
(5) |
Om die reden en overeenkomstig artikel 7, lid 1, van de vrijstellingsverordening moet die partij van het uitgebreide recht worden vrijgesteld. Overeenkomstig artikel 7, lid 2, moet de vrijstelling van toepassing zijn met ingang van de datum van ontvangst van de aanvraag, en daarnaast moet de douaneschuld uit hoofde van het uitgebreide recht vanaf dezelfde datum als nietig worden beschouwd. |
|
(6) |
Aangezien de vrijstelling alleen geldt voor de partij die specifiek met naam en adres wordt genoemd in tabel 1, is het noodzakelijk dat de vrijgestelde partij de Commissie (6) onverwijld in kennis stelt van eventuele wijzigingen (bv. een wijziging van de naam, de rechtsvorm of het adres, of het opzetten van nieuwe assemblage-eenheden). In dergelijke gevallen moet de partij alle relevante informatie verstrekken, met name over eventuele wijzigingen van haar activiteiten die verband houden met assemblage. Waar nodig werkt de Commissie de verwijzingen naar deze partij bij. |
2. SCHORSING VAN BETALING VAN DE RECHTEN VOOR DE ONDERZOCHTE PARTIJEN
|
(7) |
De Commissie heeft van de in tabel 2 vermelde onderzochte partijen alle informatie ontvangen die nodig is voor een voorlopige beoordeling van de ontvankelijkheid van hun vrijstellingsaanvragen. De Commissie kwam op basis van die informatie tot de bevinding dat de aanvragen op grond van artikel 4, lid 1, van de vrijstellingsverordening ontvankelijk waren. |
|
(8) |
In afwachting van een beslissing over de gegrondheid van de vrijstellingsaanvragen van de in tabel 2 vermelde onderzochte partijen moet de betaling van het uitgebreide recht overeenkomstig artikel 5 van de vrijstellingsverordening worden geschorst met betrekking tot de invoer van hoofdbestanddelen van rijwielen die door deze partijen voor het vrije verkeer zijn aangegeven. |
|
(9) |
Aangezien de schorsing alleen geldt voor de partijen die specifiek met naam en adres worden genoemd in tabel 2, is het noodzakelijk dat de partijen de Commissie (7) onverwijld in kennis stellen van eventuele wijzigingen (bv. een wijziging van de naam, de rechtsvorm of het adres, of het opzetten van nieuwe assemblage-eenheden). In dergelijke gevallen moet de partij alle relevante informatie verstrekken, met name over eventuele wijzigingen van haar activiteiten die verband houden met assemblage. Waar nodig werkt de Commissie de verwijzingen naar deze partij bij. Tabel 2
|
3. VERWERPING VAN EEN VRIJSTELLINGSAANVRAAG EN OPHEFFING VAN DE DAARMEE VERBAND HOUDENDE SCHORSING
|
(10) |
De in tabel 3 vermelde partij heeft een aanvraag ingediend om van het uitgebreide antidumpingrecht te worden vrijgesteld. De betalingen van de douaneschuld uit hoofde van het bij artikel 2, lid 1, van de referentieverordening uitgebreide recht zijn geschorst op grond van artikel 5 van de vrijstellingsverordening met betrekking tot de invoer van hoofdbestanddelen van rijwielen die door deze partij voor het vrije verkeer zijn aangegeven met ingang van de datum waarop de Commissie de aanvraag van de partij heeft ontvangen. Tabel 3
|
|
(11) |
Deze partij heeft haar assemblageactiviteiten beperkt tot kleine hoeveelheden en blijft rijwielonderdelen uit de VRC invoeren, maar uitsluitend onder de de-minimisdrempel van minder van 300 eenheden per soort per maand. Daarom heeft deze partij haar aanvraag om vrijstelling van het antidumpingrecht op rijwielonderdelen ingetrokken. |
|
(12) |
Om deze redenen en op grond van artikel 7, lid 3, van de vrijstellingsverordening moet de Commissie de aanvraag van deze partij verwerpen en de in artikel 5 van de vrijstellingsverordening vastgestelde schorsing van betaling van het uitgebreide recht opheffen. Derhalve moet het uitgebreide recht worden geïnd vanaf de datum van ontvangst van de vrijstellingsaanvraag van deze partij, namelijk de datum waarop de schorsing van kracht werd. |
|
(13) |
De voorgaande overweging sluit de toepassing van een aan toezicht op het eindgebruik onderworpen vrijstelling overeenkomstig artikel 14 van de vrijstellingsverordening niet uit. |
4. INTREKKING VAN EEN VRIJSTELLING
|
(14) |
Voor de in tabel 4 genoemde partij moet de vrijstelling worden ingetrokken. Tabel 4
|
|
(15) |
Deze partij was vrijgesteld van het uitgebreide antidumpingrecht op rijwielonderdelen. De partij heeft de diensten van de Commissie laten weten dat zij haar assemblageactiviteiten heeft beëindigd. Voor de duidelijkheid moet de vrijstelling daarom worden ingetrokken |
5. BIJWERKING VAN VERWIJZINGEN NAAR BEPAALDE VRIJGESTELDE PARTIJEN
|
(16) |
De in tabel 5 vermelde vrijgestelde partijen hebben zich gemeld en de Commissie laten weten dat hun naam, rechtsvorm of adres gewijzigd is. De Commissie heeft na beoordeling van de ingediende informatie geconcludeerd dat deze wijzigingen op geen enkele manier invloed hebben op de assemblageactiviteiten met betrekking tot de voorwaarden van vrijstelling die zijn vastgelegd in de vrijstellingsverordening. |
|
(17) |
Hoewel de krachtens artikel 7, lid 1, van de vrijstellingsverordening toegestane vrijstellingen van het uitgebreide recht voor die partijen ongewijzigd blijven, moeten de verwijzingen naar die partijen worden bijgewerkt. Tabel 5
|
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de toepassing van dit besluit gelden de definities van artikel 1 van Verordening (EG) nr. 88/97.
Artikel 2
De in tabel 1 vermelde partij wordt vrijgesteld van de uitbreiding bij Verordening (EG) nr. 71/97 van het definitieve antidumpingrecht op rijwielen van oorsprong uit de Volksrepubliek China dat bij Verordening (EEG) nr. 2474/93 van de Raad (8) werd ingesteld, op de invoer van bepaalde onderdelen van rijwielen uit de Volksrepubliek China.
De vrijstelling gaat voor deze partij in op de datum die is vermeld in de kolom „Datum van inwerkingtreding”.
De vrijstelling is alleen van toepassing op de partij die specifiek met naam en adres wordt genoemd in tabel 1. De vrijgestelde partij stelt de Commissie onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen, waarbij zij alle relevante informatie verstrekt, met name over alle wijzigingen van de activiteiten van de partij die verband houden met assemblage met betrekking tot de voorwaarden van vrijstelling.
Tabel 1
Vrijgestelde partij
|
Naam |
Adres |
Land |
Vrijstelling krachtens Verordening (EG) nr. 88/97 |
Datum van inwerkingtreding |
Aanvullende Taric-code |
|
Ets Th Brasseur SA |
Rue des Steppes 13, 4000 Luik |
België |
Artikel 7 |
29.5.2012 |
B294 |
Artikel 3
De aanvragen van de in tabel 2 genoemde partijen worden onderzocht overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 88/97.
De schorsing van de betaling van het uitgebreide antidumpingrecht treedt op grond van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 88/97 in werking vanaf de data van ontvangst van de aanvragen van deze partijen. Deze data zijn vermeld in de kolom „Datum van inwerkingtreding”.
Deze schorsing is alleen van toepassing op de partijen die specifiek met naam en adres worden genoemd in tabel 2. De onderzochte partij stelt de Commissie onverwijld in kennis van eventuele wijzigingen, waarbij zij alle relevante informatie verstrekt, met name over alle wijzigingen van de activiteiten van de partij die verband houden met assemblage met betrekking tot de voorwaarden van schorsing.
Tabel 2
Onderzochte partijen
|
Naam |
Adres |
Land |
Schorsing krachtens Verordening (EG) nr. 88/97 |
Datum van inwerkingtreding |
Aanvullende Taric-code |
|
c2 g-engineering GmbH |
Schlesische Straße 27, 10997 Berlijn |
Duitsland |
Artikel 5 |
16.12.2013 |
B934 |
|
Solo International Oy |
Pyyntitie 1 B, 02230 Espoo |
Finland |
Artikel 5 |
26.7.2013 |
B940 |
|
Planet X Ltd |
Unit 6, Ignite Business Park, Magna Way, Rotherham S60 1FD |
Verenigd Koninkrijk |
Artikel 5 |
7.2.2013 |
A995 |
|
S.C EUROBIKE UNIVERSAL S.R.L. |
Street Asociatiei No. 4, Movilita, Ialomita |
Roemenië |
Artikel 5 |
26.7.2013 |
B941 |
|
Longway Poland Sp. z o.o. |
ul. Rajdowa 3a, Konotopa, 05-850 Ożarów Mazowiecki |
Polen |
Artikel 5 |
16.12.2013 |
B935 |
|
BBF Bike GmbH |
Carena Allee 8, 15366 Hoppegarten |
Duitsland |
Artikel 5 |
14.1.2014 |
B936 |
Artikel 4
De aanvraag om vrijstelling van het uitgebreide antidumpingrecht die is ingediend door de in tabel 3 genoemde partij wordt afgewezen overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 88/97.
De schorsing van de betaling van het uitgebreide antidumpingrecht wordt voor de desbetreffende partij opgeheven overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 88/97 met ingang van de datum die is vermeld in de kolom „Datum van inwerkingtreding”.
Tabel 3
Partij waarvoor de schorsing wordt opgeheven
|
Naam |
Adres |
Land |
Schorsing krachtens Verordening (EG) nr. 88/97 |
Datum van inwerkingtreding |
Aanvullende Taric-code |
|
IBEROSELLE, LDA |
Vale Domingos 3750 — 321 Águeda |
Portugal |
Artikel 5 |
20.4.2012 |
B292 |
Artikel 5
Voor de in tabel 4 genoemde partij wordt de vrijstelling van de betaling van het uitgebreide antidumpingrecht ingetrokken overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 88/97 met ingang van de datum die is vermeld in de kolom „Datum van inwerkingtreding”.
Tabel 4
Partij waarvoor de vrijstelling wordt ingetrokken
|
Naam |
Adres |
Land |
Vrijstelling krachtens Verordening (EG) nr. 88/97 |
Datum van inwerkingtreding |
Aanvullende Taric-code |
|
Borge Kildemoes Cykelfabrik A/S |
Albanivej 7, Nr. Lyndelse, 5792 Arslev |
Denemarken |
Artikel 7 |
één dag na de bekendmaking van dit besluit |
A166 |
Artikel 6
Bijgewerkte verwijzingen naar de in tabel 5 genoemde vrijgestelde partijen worden vermeld in de kolom „Nieuwe verwijzing”. De bijbehorende aanvullende Taric-codes, in de kolom „Aanvullende Taric-code”, die voorheen aan deze vrijgestelde partijen zijn toegekend blijven dezelfde.
Tabel 5
Vrijgestelde partijen waarvoor de verwijzing wordt bijgewerkt
|
Oude verwijzing |
Nieuwe verwijzing |
Land |
Aanvullende Taric-code |
||||||
|
|
Nederland |
A686 |
||||||
|
|
Tsjechië |
A558 |
||||||
|
|
Duitsland |
A856 |
||||||
|
|
Slowakije |
A551 |
||||||
|
|
Roemenië |
A896 |
||||||
|
|
Frankrijk |
8065 |
||||||
|
|
Italië |
A402 |
||||||
|
|
Italië |
A246 |
||||||
|
|
Hongarije |
A555 |
||||||
|
|
Frankrijk |
8963 |
||||||
|
|
Italië |
A979 |
||||||
|
|
Slovenië |
A630 |
||||||
|
|
Polen |
A849 |
||||||
|
Speedcross di Torretta P. e C. snc — Corso Italia 20 — I-20020 Vanzaghello (MI) Italië |
|
Italië |
A163 |
||||||
|
|
Polen |
A966 |
||||||
|
Gruppo Bici Srl — Via Pitagora 15 — I-47023 Cesena |
|
Italië |
8005 |
||||||
|
|
Tsjechië |
A605 |
||||||
|
|
Tsjechië |
A553 |
Artikel 7
Dit besluit is gericht tot de lidstaten en tot de in de artikelen 2, 3, 4, 5 en 6 genoemde partijen. Het wordt ook bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 16 april 2014.
Voor de Commissie
Karel DE GUCHT
Lid van de Commissie
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 16 van 18.1.1997, blz. 55.
(3) PB L 17 van 21.1.1997, blz. 17.
(4) PB L 343 van 23.12.2011, blz. 86.
(5) PB C 45 van 13.2.1997, blz. 3, PB C 112 van 10.4.1997, blz. 9, PB C 220 van 19.7.1997, blz. 6, PB C 378 van 13.12.1997, blz. 2, PB C 217 van 11.7.1998, blz. 9, PB C 37 van 11.2.1999, blz. 3, PB C 186 van 2.7.1999, blz. 6, PB C 216 van 28.7.2000, blz. 8, PB C 170 van 14.6.2001, blz. 5, PB C 103 van 30.4.2002, blz. 2, PB C 35 van 14.2.2003, blz. 3, PB C 43 van 22.2.2003, blz. 5, PB C 54 van 2.3.2004, blz. 2, PB C 299 van 4.12.2004, blz. 4, PB L 17 van 21.1.2006, blz. 16, PB L 313 van 14.11.2006, blz. 5, PB L 81 van 20.3.2008, blz. 73, PB C 310 van 5.12.2008, blz. 19, PB L 19 van 23.1.2009, blz. 62, PB L 314 van 1.12.2009, blz. 106, PB L 136 van 24.5.2011, blz. 99, en PB L 343 van 23.12.2011, blz. 86.
(6) De partijen wordt aangeraden het volgende e-mailadres te gebruiken: TRADE-BICYCLE-PARTS@ec.europa.eu
(7) De partijen wordt aangeraden het volgende e-mailadres te gebruiken: TRADE-BICYCLE-PARTS@ec.europa.eu
|
23.4.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 119/75 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 16 april 2014
betreffende de overheveling van toegewezen eenheden naar de partijtegoedrekening van het register van Finland
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2014) 2475)
(2014/224/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Beschikking 2002/358/EG van de Raad van 25 april 2002 betreffende de goedkeuring, namens de Europese Gemeenschap, van het Protocol van Kyoto bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering en de gezamenlijke nakoming van de in dat kader aangegane verplichtingen (1), en met name artikel 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Beschikking 2006/944/EG van de Commissie (2) zijn de respectieve emissieniveaus voor de Unie en haar lidstaten voor de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Besluit 2010/778/EU van de Commissie (3) wordt Beschikking 2006/944/EG gewijzigd door de definitieve emissieniveaus vast te stellen die worden toegewezen aan de Unie en elk van haar lidstaten en door te bepalen dat het uiteindelijke rekenkundige verschil van 19 357 532 t kooldioxide-equivalent tussen de emissieniveaus van de Unie en de som van de emissieniveaus van de lidstaten door de Unie in de vorm van toegewezen eenheden wordt vrijgegeven. Bovendien voorziet dat besluit in de overheveling van vijf miljoen van deze toegewezen eenheden van het EU-register naar de partijtegoedrekening van het register van Denemarken. |
|
(3) |
In het kader van de vaststelling van Besluit 2010/778/EU werd erkend dat de overheveling van de vijf miljoen toegewezen eenheden naar Denemarken de eigendom van het resterende rekenkundige overschot van de Unie onverlet laat. |
|
(4) |
In december 2011 heeft de 17e Conferentie van de Partijen bij het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (hierna „UNFCCC” genoemd) in Durban Besluit 2/CMP.7 van de Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen (hierna „het besluit van Durban” genoemd) aangenomen. In dat besluit worden boekhoudregels vastgesteld voor de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (hierna „LULUCF” genoemd) voor een tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto bij het UNFCCC (hierna „Protocol van Kyoto” genoemd). |
|
(5) |
Het besluit van Durban wijkt duidelijk af van de eerder in het kader van het Protocol van Kyoto overeengekomen boekhoudregels voor de eerste verbintenisperiode. Voor de verplichtingen van de partijen in het kader van de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto voorziet Besluit 16/CMP.1 van de Conferentie van de Partijen waarin de Partijen bij het Protocol van Kyoto bijeenkomen, dat in december 2005 door de 11e Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC in Montreal is aangenomen, in grenswaarden zoals vastgesteld in de bijlage bij dat besluit. Daarnaast wordt in Besluit 16/CMP.1 bepaald dat partijen de mogelijkheid hebben deze grenswaarden te overschrijden door netto-emissies (hierna „tekorten” genoemd) die voortvloeien uit activiteiten op het gebied van bebossing, herbebossing en ontbossing overeenkomstig artikel 3, lid 3, van het Protocol van Kyoto te compenseren met nettoverwijderingen (hierna „kredieten” genoemd) ten gevolge van bosbeheeractiviteiten overeenkomstig artikel 3, lid 4, van het Protocol van Kyoto. Die boekhoudregel wordt doorgaans als de „compensatieregel” aangeduid. Het besluit van Durban voorziet niet in een dergelijke compensatieregel voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto. |
|
(6) |
De in het besluit van Durban neergelegde boekhoudregels voorzien in een beperking van het gebruik van kredieten ten gevolge van bosbeheeractiviteiten in de boekhouding van een mitigatieverplichting in het kader van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto. Op grond van dat besluit mag een partij maximaal een aantal kredieten ten gevolge van bosbeheeractiviteiten dat overeenkomt met 3,5 % van de emissies van die partij, exclusief LULUCF, in het referentiejaar of de referentieperiode gebruiken om zijn mitigatieverplichting na te komen. |
|
(7) |
De wijzigingen van de boekhoudregels voor LULUCF in het besluit van Durban hebben belangrijke gevolgen voor de manier waarop de partijen LULUCF-activiteiten in de tweede verbintenisperiode meerekenen. Vanwege de geografische variatie in de landsector en de grote diversiteit aan nationale omstandigheden in dit opzicht lopen de gevolgen sterk uiteen tussen de lidstaten. Het weglaten van de compensatieregel uit de boekhoudregels in het besluit van Durban heeft gevolgen voor de naleving van de verplichtingen van de partijen in het kader van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto. Deze situatie is vooral relevant voor dichtbeboste landen, aangezien de omstandigheden in de LULUCF-sector van land tot land verschillen. |
|
(8) |
In zijn conclusies van 9 maart 2012 erkende de Raad de gevolgen van de wijzigingen in de boekhoudkundige compensatieregel voor de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, door „de specifieke kenmerken van dichtbeboste landen, vooral wat betreft de beperkte mogelijkheden om de emissies ten gevolge van bebossing, herbebossing en ontbossing te compenseren met meer koolstofsinks door bosbeheer” te erkennen. Tegelijkertijd verzocht de Raad de Commissie „de mogelijkheden te onderzoeken voor een bevredigende oplossing en tegelijkertijd de milieu-integriteit te waarborgen”. |
|
(9) |
De specifieke situatie van dichtbeboste landen is in 2012 ook erkend door de Raad in de aanloop naar de vaststelling van Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten (4), zoals blijkt uit de verwijzing naar de milieuomstandigheden in dichtbeboste landen die is opgenomen in de considerans van dat besluit. |
|
(10) |
Finland heeft bij herhaling bezorgdheid geuit over zijn tekorten ten gevolge van ontbossing voor de LULUCF-sector die voortvloeien uit de wijziging van de compensatieregel in het besluit van Durban. Finland lijkt door de toepassing van het besluit van Durban op specifieke en unieke wijze te worden geraakt. Uit de huidige beoordelingen blijkt dat Finland de enige lidstaat is waarvoor het jaarlijkse maximum van 3,5 % zou betekenen dat zijn tekorten die voortvloeien uit activiteiten op het gebied van bebossing, herbebossing en ontbossing niet kunnen worden gedekt door kredieten ten gevolge van bosbeheeractiviteiten in de boekhouding van zijn verplichtingen in het kader van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto. |
|
(11) |
Om rekening te houden met de bijzondere en unieke situatie van Finland, moet de Unie een totale hoeveelheid van maximaal tien miljoen toegewezen eenheden van het rekenkundig overschot als bedoeld in Beschikking 2006/944/EG, zoals gewijzigd bij Besluit 2010/778/EU, naar Finland overhevelen. Deze totale hoeveelheid moet uitsluitend dienen als eenmalige compensatie van Finland voor de gevolgen van de wijziging van de compensatieregel, voor zover dit noodzakelijk is opdat Finland kan voldoen aan zijn verplichtingen in het kader van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto. |
|
(12) |
De overheveling moet zo spoedig mogelijk plaatsvinden en in ieder geval vóór het einde van de bufferperiode („true up period”) van de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto, voor zover in het EU-register toegewezen eenheden beschikbaar zijn en wanneer de verplichting jegens Kroatië, zoals vastgesteld in het Protocol betreffende bepaalde regelingen voor de mogelijke eenmalige overdracht aan de Republiek Kroatië van uit hoofde van het Protocol van Kyoto bij de Kaderovereenkomst van de Verenigde Naties over klimaatverandering toegewezen eenheden, alsmede de compensatie daarvoor (5) is nagekomen of afgedaan. |
|
(13) |
Het gebruik van die toegewezen eenheden door Finland mag het aantal kredieten ten gevolge van bosbeheeractiviteiten in Finland die overeenkomstig punt 13 van de bijlage bij het besluit van Durban niet mogen worden gebruikt, niet overschrijden. De Commissie heeft nota genomen van de toezegging van Finland om alle uit deze overheveling overblijvende toegewezen eenheden aan het einde van de tweede verbintenisperiode te annuleren. |
|
(14) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité klimaatverandering, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Maximaal tien miljoen (10 000 000) van de in artikel 2 van Beschikking 2006/944/EG bedoelde toegewezen eenheden worden beschikbaar gesteld om Finland in staat te stellen aan zijn verplichtingen in het kader van de tweede verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto te voldoen.
De centrale administrateur van het EU-register hevelt zo spoedig mogelijk en in ieder geval vóór het einde van de bufferperiode („true up period”) van de eerste verbintenisperiode van het Protocol van Kyoto een totale hoeveelheid van maximaal tien miljoen (10 000 000) van deze toegewezen eenheden over naar de partijtegoedrekening van het register van Finland.
2. De in lid 1 bedoelde overheveling vindt plaats voor zover in het EU-register toegewezen eenheden beschikbaar zijn en wanneer de verplichting jegens Kroatië, zoals vastgesteld in het Protocol betreffende bepaalde regelingen voor de mogelijke eenmalige overdracht aan de Republiek Kroatië van uit hoofde van het Protocol van Kyoto bij de Kaderovereenkomst van de Verenigde Naties over klimaatverandering toegewezen eenheden, alsmede de compensatie daarvoor is nagekomen of afgedaan.
Artikel 2
Deze beschikking is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 16 april 2014.
Voor de Commissie
Connie HEDEGAARD
Lid van de Commissie
(1) PB L 130 van 15.5.2002, blz. 1.
(2) PB L 358 van 16.12.2006, blz. 87.
(3) PB L 332 van 16.12.2010, blz. 41.