|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2014.059.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
57e jaargang |
|
Inhoud |
|
I Wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
I Wetgevingshandelingen
BESLUITEN
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/1 |
BESLUIT Nr. 189/2014/EU VAN DE RAAD
van 20 februari 2014
waarbij Frankrijk wordt gemachtigd een verlaagd tarief van bepaalde indirecte belastingen toe te passen op in Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique en Réunion vervaardigde „traditionele” rum en tot wijziging van Beschikking 2007/659/EG
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 349,
Gezien het voorstel van Europese Commissie,
Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Beschikking 2007/659/EG van de Raad (2) machtigde Frankrijk om op in Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique en Réunion („de vier betrokken ultraperifere gebieden”) vervaardigde en in continentaal Frankrijk verkochte rum een verlaagd accijnstarief toe te passen dat lager kan zijn dan het bij Richtlijn 92/84/EEG van de Raad (3) vastgestelde minimumaccijnstarief, maar niet meer dan 50% lager dan de normale nationale accijns op alcohol. Met ingang van 1 januari 2011 is het verlaagde accijnstarief beperkt tot een jaarlijks contingent van 120 000 hectoliter zuivere alcohol (hza). De geldigheidsduur van deze afwijking is op 31 december 2013 verstreken. |
|
(2) |
Op 12 maart 2013 verzochten de Franse autoriteiten de Commissie een voorstel in te dienen voor een besluit van de Raad tot verlenging van de in Beschikking 2007/659/EG vastgestelde afwijking onder dezelfde voorwaarden met nog eens zeven jaar, dus tot en met 31 december 2020. Dat verzoek werd respectievelijk op 3 juli en 2 augustus 2013 vervolledigd met aanvullende informatie, en gewijzigd wat betreft de verschillende Franse belastingen waarop het voorgestelde besluit van toepassing moet zijn. |
|
(3) |
De Franse autoriteiten hebben de Commissie er tevens van in kennis gesteld dat Frankrijk met ingang van 1 januari 2012 de nationale wetgeving betreffende de „cotisation sur les boissons alcooliques”, ook „vignette sécurité sociale” (VSS) genoemd, heeft gewijzigd, een bijdrage die ten behoeve van het nationale ziekenfonds wordt geheven op in Frankrijk verkochte alcoholische dranken om de gezondheidsrisico’s tegen te gaan die een onmatig gebruik van deze producten meebrengt, en die naast de nationale accijns wordt geheven. In het bijzonder werd de belastinggrondslag veranderd van 160 EUR per hectoliter in 533 EUR per hza, en werd er een beperking ingevoerd van het bedrag aan VSS, die was gekoppeld aan de toepasselijke accijns. |
|
(4) |
In het kader van het verzoek van de Franse autoriteiten om een verlenging tot en met 31 december 2020 van de bij Beschikking 2007/659/EG vastgestelde afwijking hebben de Franse autoriteiten de Commissie gevraagd de VSS met ingang van 1 januari 2012 op te nemen in de lijst van belastingen waarvoor een lager tarief kan worden toegepast voor „traditionele” rum die is vervaardigd in de vier betrokken ultraperifere gebieden. |
|
(5) |
Het is passender om een nieuw besluit vast te stellen voor een afwijking die op beide belastingen van toepassing is, te weten de differentiatie van de bij Richtlijn 92/84/EEG vastgestelde accijns en de VSS, in plaats van een verlenging van de bij Beschikking 2007/659/EG vastgestelde afwijking. |
|
(6) |
Gezien de beperkte omvang van de lokale markt kunnen de distilleerderijen in de vier betrokken ultraperifere gebieden hun activiteiten alleen ontwikkelen indien zij voldoende toegang hebben tot de markt in continentaal Frankrijk, het voornaamste afzetgebied voor hun rum (71 %). De concurrentieproblemen die „traditionele” rum ondervindt op de Uniemarkt, zijn aan twee factoren toe te schrijven, naast de specifieke structurele en economische situatie van deze ultraperifere gebieden, die door de in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) bedoelde bijzondere beperkingen wordt bemoeilijkt: hogere productiekosten en hogere belastingen per fles, aangezien de „traditionele” rum gewoonlijk in grotere flessen wordt verkocht en een hoger alcoholgehalte kent. |
|
(7) |
De productiekosten van de waardeketen suiker-riet-rum in de vier betrokken ultraperifere gebieden zijn hoger dan in andere gebieden in de wereld. Vooral de loonkosten zijn hoger, doordat de Franse sociale wetgeving in de vier betrokken ultraperifere gebieden van toepassing is. Die ultraperifere gebieden zijn ook onderworpen aan milieu- en veiligheidsnormen van de Unie, wat leidt tot aanzienlijke investeringen en kosten die niet rechtstreeks verband houden met productiviteit, ook al wordt een deel van deze investeringen gedekt door de structuurfondsen van de Unie. Verder zijn de distilleerderijen in de vier betrokken ultraperifere gebieden kleiner dan de distilleerderijen van internationale ondernemingen. Dit brengt hogere productiekosten per outputeenheid mee. Volgens de Franse autoriteiten komen al deze directe bijkomende productiekosten, vracht- en verzekeringskosten inbegrepen, over het geheel genomen overeen met ongeveer 12% van de Franse accijns die normaal gesproken in 2012 van toepassing was op sterkedrank. |
|
(8) |
„Traditionele”, in continentaal Frankrijk verkochte rum wordt gewoonlijk in grotere flessen verkocht (60 % van de rum wordt verkocht in flessen van 1 liter) en kent een hoger alcoholvolumegehalte (tussen 40° en 59°) dan concurrerende rumsoorten, die gewoonlijk in flessen van 0,7 liter en met 37,5° alcohol worden verkocht. Het hogere alcoholvolumegehalte leidt weer tot hogere accijnzen, een hogere VSS en aldus een hogere btw per verkochte liter rum. De cumulatieve bijkomende kosten, namelijk de hogere productiekosten, hogere vrachtkosten en hogere belastingen (accijns en btw), komen overeen met 40 % tot 50 % van de Franse accijns die normaal gesproken van toepassing was op sterkedrank in 2012. Daarnaast zou de verandering met ingang van 1 januari 2012 van de basis voor de berekening van de VSS van 160 EUR per hectoliter naar 533 EUR per hza, btw inbegrepen, een bijkomende ongunstige invloed hebben gehad op de prijs van „traditionele” rum, die in een hoger alcoholgehalte wordt verkocht, overeenkomend met ongeveer 10 % van het normale accijnstarief. Teneinde dit bijkomende ongunstige effect tegen te gaan, dat nauw verband houdt met de specifieke structurele maatschappelijke en economische situatie in de vier betrokken ultraperifere gebieden, en versterkt wordt door de in artikel 349 VWEU bedoelde bijzondere beperkingen, dient bovendien een verlaging van het VSS-tarief te worden doorgevoerd ten gunste van de „traditionel” rum van de vier betrokken ultraperifere gebieden. |
|
(9) |
Het op de geharmoniseerde accijns en de VSS betrekking hebbende fiscale voordeel waarvoor machtiging moet worden verleend, dient evenredig te blijven teneinde geen afbreuk te doen aan de integriteit en de samenhang van de rechtsorde van de Unie, waaronder het waarborgen van een onverstoorde mededinging in de interne markt en het staatssteunbeleid. |
|
(10) |
Derhalve moet ook rekening worden gehouden met de extra kosten die voortvloeien uit de decenniumlange praktijk om „traditionele” rum te verkopen met een hoger alcoholvolumegehalte, met de bijbehorende hogere belastingen. |
|
(11) |
In 2012 paste Frankrijk een accijns van 903 EUR per hza toe op „traditionele” rum, overeenkomend met 54,4 % van het normale accijnstarief. Ook werd een VSS van 361,20 EUR per hza toegepast, overeenkomend met 67,8 % van het normale VSS-tarief. Beide verlagingen komen tezamen neer op een belastingvoordeel van 928,80 EUR per hza, of een belastingvoordeel ten opzichte van de gecombineerde normale tarieven (accijns en VSS) van 42,8 %. |
|
(12) |
Beschikking 2007/659/EG machtigde Frankrijk om het accijnstarief voor „traditionele” rum tot 50 % van de normale nationale accijns op alcohol te verlagen. Deze beschikking omvatte niet het verlaagde VSS-tarief voor „traditionele” rum, dat alleen werd ingevoerd als compenserende maatregel voor de extra belastingdruk waartoe de hervorming van het VSS-systeem met ingang van 1 januari 2012 voor deze rum geleid had. |
|
(13) |
Deze situatie moet worden verholpen door de beginselen die op een afwijking van artikel 110 VWEU voor geharmoniseerde accijnzen zijn toegepast, ook voor de VSS te laten gelden. Tegelijkertijd moet vanaf 1 januari 2014 een bovengrens worden gesteld aan het belastingvoordeel dat kan worden toegekend, op een maximumpercentage van de normale tarieven per hza van de geharmoniseerde accijns op sterkedrank en van de VSS. |
|
(14) |
Een nieuwe afwijking moet worden toegekend voor een periode van zeven jaar, van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020. |
|
(15) |
Frankrijk moet een tussentijds verslag overleggen op basis waarvan de Commissie kan beoordelen of de omstandigheden die de afwijking rechtvaardigden, nog steeds aanwezig zijn, of het door Frankrijk verleende fiscale voordeel nog steeds evenredig is en of alternatieve maatregelen voor een belastingafwijking waarmee een concurrerende waardeketen riet-suiker-rum ook kan worden ondersteund, te overwegen vallen, waarbij rekening wordt gehouden met hun internationale dimensie. |
|
(16) |
In Beschikking 2007/659/EG kon oorspronkelijk geen rekening worden gehouden met de nieuwe situatie na de hervorming van het VSS-systeem. Het is daarom gerechtvaardigd dat bij wijze van uitzondering, gezien de genoemde specifieke structurele sociale en economische situatie van de vier betrokken ultraperifere gebieden, met ingang van 1 januari 2012 het verlaagde VSS-tarief wordt toegepast. |
|
(17) |
Dit besluit doet geen afbreuk aan de mogelijke toepassing van de artikelen 107 en 108 VWEU. |
|
(18) |
Beschikking 2007/659/EG dient derhalve te worden ingetrokken, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In afwijking van artikel 110 VWEU wordt Frankrijk gemachtigd in continentaal Frankrijk een accijnstarief dat lager is dan het normale tarief voor alcohol, zoals vastgesteld in artikel 3 van Richtlijn 92/84/EEG, te blijven toepassen op in Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique en Réunion vervaardigde „traditionele” rum, alsook een tarief van de heffing genaamd „cotisation sur les boissons alcooliques” (VSS) toe te passen, dat lager is dan het volgens de Franse nationale wetgeving toepasselijke normale tarief.
Artikel 2
De in artikel 1 vastgestelde afwijking beperkt zich tot rum als omschreven in punt 1, onder f), van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (4), vervaardigd in Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique en Réunion uit suikerriet dat geoogst is op de productieplek, met een gehalte aan andere vluchtige stoffen dan ethyl en methylalcohol van ten minste 225 gram per hectoliter zuivere alcohol en een alcoholvolumegehalte van ten minste 40° of meer.
Artikel 3
1. De in artikel 1 bedoelde verlaagde accijns- en VSS-tarieven die van toepassing zijn op de in artikel 2 bedoelde rum, blijven beperkt tot een jaarlijks contingent van 120 000 hectoliter zuivere alcohol.
2. De in artikel 1 van dit besluit bedoelde verlaagde accijns- en VSS-tarieven mogen elk lager zijn dan het in Richtlijn 92/84/EEG vastgestelde minimumaccijnstarief voor alcohol, maar mogen niet meer dan 50 % lager zijn dan het normale tarief voor alcohol overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 92/84/EEG of het normale tarief voor alcohol voor de VSS.
3. Het cumulatieve fiscale voordeel waarvoor overeenkomstig lid 2 van dit artikel machtiging wordt verleend, mag niet meer zijn dan 50 % van het normale tarief voor alcohol overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 92/84/EEG.
Artikel 4
Uiterlijk op 31 juli 2017 dient Frankrijk een verslag in bij de Commissie, op basis waarvan de zij kan beoordelen of de omstandigheden die de afwijking rechtvaardigden, nog steeds aanwezig zijn, en of het door Frankrijk verleende fiscale voordeel nog steeds evenredig en toereikend is en dat naar verwachting ook zal blijven om een concurrerende waardeketen riet-suiker-rum in Guadeloupe, Frans-Guyana, Martinique en Réunion te ondersteunen.
Artikel 5
Dit besluit is van toepassing van 1 januari 2014 tot en met 31 december 2020, met uitzondering van artikel 1 en artikel 3, leden 1 en 2, die vanaf 1 januari 2012 van toepassing zijn.
Artikel 6
1. Beschikking 2007/659/EG wordt ingetrokken.
2. Verwijzingen naar de ingetrokken beschikking worden gelezen als verwijzingen naar dit besluit.
Artikel 7
Dit besluit is gericht tot de Franse Republiek.
Gedaan te Brussel, 20 februari 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
K. HATZIDAKIS
(1) Standpunt van 16 januari 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).
(2) Beschikking 2007/659/EG van de Raad van 9 oktober 2007 waarbij Frankrijk wordt gemachtigd een verlaagd accijnstarief op in de Franse overzeese departementen vervaardigde „traditionele” rum toe te passen (PB L 270 van 13.10.2007, blz. 12).
(3) Richtlijn 92/84/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de onderlinge aanpassing van de accijnstarieven op alcohol en alcoholhoudende dranken (PB L 316 van 31.10.1992, blz. 29).
(4) Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/4 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 11 februari 2014
betreffende de ondertekening, namens de Europese Unie, van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven
(2014/107/EU)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 79, lid 3, in samenhang met artikel 218, lid 5,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 19 december 2011 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen met de Republiek Azerbeidzjan te openen over een Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan over de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven („de Overeenkomst”). De onderhandelingen werden op 29 juli 2013 succesvol afgerond en de overeenkomst werd op die datum geparafeerd. |
|
(2) |
De overeenkomst dient namens de Unie te worden ondertekend, onder voorbehoud van de sluiting ervan op een later tijdstip. |
|
(3) |
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 21 betreffende de positie van het Verenigd Koninkrijk en Ierland ten aanzien van de ruimte van vrijheid, veiligheid en recht, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, en onverminderd artikel 4 van dat protocol, nemen die lidstaten niet deel aan de vaststelling van dit besluit en is de overeenkomst derhalve niet bindend voor, noch van toepassing op die lidstaten. |
|
(4) |
Overeenkomstig de artikelen 1 en 2 van Protocol nr. 22 betreffende de positie van Denemarken, dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, neemt Denemarken niet deel aan de vaststelling van dit besluit; dit besluit is bijgevolg niet bindend voor, noch van toepassing in Denemarken, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Er wordt namens de Unie machtiging verleend voor de ondertekening van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de Republiek Azerbeidzjan inzake de overname van personen die zonder vergunning op het grondgebied verblijven, onder voorbehoud van de sluiting van de overeenkomst (1).
Artikel 2
De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst, namens de Unie, te ondertekenen.
Artikel 3
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 11 februari 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
E. VENIZELOS
(1) De tekst van de overeenkomst zal samen met het besluit betreffende de sluiting ervan worden bekendgemaakt.
VERORDENINGEN
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/5 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 190/2014 VAN DE RAAD
van 24 februari 2014
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat (pet) van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (1) („de basisverordening”), en met name artikel 13,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. VOORAFGAANDE PROCEDURE
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 2603/2000 (2) heeft de Raad compenserende maatregelen betreffende de invoer van polyethyleentereftalaat (pet) van oorsprong uit India opgelegd. Na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van die maatregelen zijn die voor het laatst gehandhaafd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 van de Raad (3). |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 2604/2000 (4) heeft de Raad antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van pet van oorsprong uit India opgelegd. Na een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van die maatregelen zijn die voor het laatst gehandhaafd bij Verordening (EG) nr. 192/2007 van de Raad (5). Op 24 februari 2012 heeft de Commissie een volgend nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen geopend. Bij Uitvoeringsbesluit 2013/226/EU (6) heeft de Raad het voorstel van de Commissie voor een uitvoeringsverordening van de Raad tot handhaving van het antidumpingrecht op pet van oorsprong uit onder andere India verworpen en derhalve zijn de antidumpingmaatregelen vervallen. |
|
(3) |
In 2000 heeft de Commissie bij Besluit 2000/745/EG (7) prijsverbintenissen aanvaard die in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedures zijn aangeboden door onder andere de volgende Indiase ondernemingen: Pearl Engineering Polymers Limited („Pearl”) en Reliance Industries Limited („Reliance”). In 2005 heeft de Commissie bij Besluit 2005/697/EG (8) een verbintenis van de Indiase onderneming South ASEAN Petrochem Limited aanvaard, die als gevolg van een fusie haar naam wijzigde in Dhunseri Petrochem & Tea Limited („Dhunseri”) (9). |
B. OPZEGGING VAN VERBINTENISSEN EN WIJZIGING VAN UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 461/2013
|
(4) |
Bij Uitvoeringsbesluit 2014/109/EU (10) heeft de Commissie de aanvaarding van de door de drie Indiase ondernemingen Dhunseri, Reliance en Pearl aangeboden verbintenissen ingetrokken. Derhalve dienen artikel 1, lid 4, en artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013, alsook de bijlage bij die verordening, te worden ingetrokken. De bij artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 opgelegde definitieve compenserende rechten dienen dienovereenkomstig te worden toegepast op door de ondernemingen Dhunseri, Reliance en Pearl geproduceerde pet (aanvullende Taric-code A585 voor Dhunseri, aanvullende Taric-code A181 voor Reliance en aanvullende Taric-code A182 voor Pearl), |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Artikel 1, lid 4, en artikel 2 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 en de bijlage bij die verordening worden ingetrokken.
2. Artikel 1, lid 5, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 wordt hernummerd tot artikel 1, lid 4.
3. Artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 wordt hernummerd tot artikel 2.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 februari 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
K. ARVANITOPOULOS
(1) PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93.
(2) Verordening (EG) nr. 2603/2000 van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een definitief compenserend recht en definitieve inning van het voorlopige recht op de invoer van polyethyleentereftalaat uit India, Maleisië en Thailand en tot beëindiging van de antisubsidieprocedure met betrekking tot de invoer van polyethyleentereftalaat uit Indonesië, de Republiek Korea en Taiwan (PB L 301 van 30.11.2000, blz. 1).
(3) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 van de Raad van 21 mei 2013 tot instelling van een definitief compenserend recht op de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat (pet) van oorsprong uit India naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van maatregelen overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EG) nr. 597/2009 (PB L 137 van 23.5.2013, blz. 1).
(4) Verordening (EG) nr. 2604/2000 van de Raad van 27 november 2000 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopig recht dat werd ingesteld op de invoer van polyethyleentereftalaat uit India, Indonesië, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand (PB L 301 van 30.11.2000, blz. 21).
(5) Verordening (EG) nr. 192/2007 van de Raad van 22 februari 2007 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op de invoer van polyethyleentereftalaat uit India, Indonesië, Maleisië, de Republiek Korea, Thailand en Taiwan naar aanleiding van een onderzoek bij het vervallen van een maatregel en een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek uit hoofde van artikel 11, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 384/96 (PB L 59 van 27.2.2007, blz. 1).
(6) Uitvoeringsbesluit 2013/226/EU van de Raad van 21 mei 2013 houdende verwerping van het voorstel voor een uitvoeringsverordening van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit India, Taiwan en Thailand naar aanleiding van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009, en tot beëindiging van de procedure van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit Indonesië en Maleisië, voor zover bij het voorstel een definitief antidumpingrecht op de invoer van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit India, Taiwan en Thailand wordt ingesteld (PB L 136 van 23.5.2013, blz. 12).
(7) Besluit 2000/745/EG van de Commissie van 29 november 2000 waarbij verbintenissen worden aanvaard die zijn aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure met betrekking tot de invoer van polyethyleentereftalaat (pet) uit India, Indonesië, Maleisië, de Republiek Korea, Taiwan en Thailand (PB L 301 van 30.11.2000, blz. 88).
(8) Besluit 2005/697/EG van de Commissie van 12 september 2005 tot wijziging van Besluit 2000/745/EG waarbij verbintenissen worden aanvaard die zijn aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure met betrekking tot de invoer van polyethyleentereftalaat (pet) uit onder meer India (PB L 266 van 11.10.2005, blz. 62).
(9) Bericht betreffende de compenserende maatregelen die van toepassing zijn op de invoer in de Unie van bepaald polyethyleentereftalaat van oorsprong uit India: naamsverandering van een onderneming waarop een individueel compenserend recht van toepassing is (PB C 335 van 11.12.2010, blz. 7).
(10) Uitvoeringsbesluit 2014/109/EU van de Commissie van 4 februari 2014 tot intrekking van Besluit 2000/745/EG waarbij verbintenissen worden aanvaard die zijn aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure met betrekking tot de invoer van polyethyleentereftalaat (pet) uit onder meer India (zie bladzijde 35 van dit Publicatieblad).
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/7 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 191/2014 VAN DE RAAD
van 24 februari 2014
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde soorten mangaandioxide van oorsprong uit Zuid-Afrika naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 11, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie („de Commissie”), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
1. Geldende maatregelen
|
(1) |
Na een antidumpingonderzoek („het oorspronkelijke onderzoek”) heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 221/2008 van de Raad (2) een definitief antidumpingrecht van 17,1 % ingesteld op elektrolytisch mangaandioxide (d.w.z. door middel van elektrolyse vervaardigd mangaandioxide) dat na de elektrolyse geen warmtebehandeling heeft ondergaan, momenteel ingedeeld onder de GN-code ex 2820 10 00 , van oorsprong uit de Republiek Zuid-Afrika („Zuid-Afrika”) („de geldende antidumpingmaatregelen”). |
2. Verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen
|
(2) |
Na de bekendmaking van een bericht (3) dat de geldende antidumpingmaatregelen op korte termijn zouden vervallen, heeft de Commissie op 11 december 2012 op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening een verzoek om een nieuw onderzoek van die maatregelen ontvangen. Het verzoek werd ingediend door de ondernemingen Cegasa Internacional SA en Tosoh Hellas A.I.C. („de indieners van het verzoek”), de enige twee producenten in de Unie van EMD. |
|
(3) |
Het verzoek werd ingediend omdat het vervallen van de geldende antidumpingmaatregelen waarschijnlijk zou leiden tot herhaling van schade veroorzakende dumping voor de bedrijfstak van de Unie. |
3. Opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen
|
(4) |
Daar de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende bewijsmateriaal was om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen te openen, heeft zij op 12 maart 2013 door de bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (4) de opening van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening aangekondigd („bericht van opening”). |
4. Onderzoek
4.1. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(5) |
Het onderzoek naar de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping had betrekking op de periode van 1 januari 2012 tot en met 31 december 2012 („tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2009 tot het einde van het TNO („de beoordelingsperiode”). |
4.2. Bij het onderzoek betrokken partijen
|
(6) |
De Commissie heeft de indieners van het verzoek, de producent-exporteur in Zuid-Afrika, importeurs, haar bekende betrokken gebruikers in de Unie en hun verenigingen, en de vertegenwoordigers van het betrokken land van uitvoer officieel van de opening van het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen in kennis gesteld. |
|
(7) |
De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord. |
|
(8) |
Gezien het beperkte aantal belanghebbenden dat zich heeft aangemeld, was het niet nodig gebruik te maken van steekproeven. |
|
(9) |
Antwoorden op de vragenlijst werden ontvangen van de producent-exporteur in Zuid-Afrika, de twee producenten in de Unie en twee gebruikers die behoren tot dezelfde groep van verbonden ondernemingen. |
|
(10) |
De Commissie heeft alle gegevens verzameld en gecontroleerd die zij nodig achtte om vast te stellen of herhaling van dumping en de daaruit voortvloeiende schade waarschijnlijk was en om het belang van de Unie te bepalen. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:
|
|
(11) |
Op 29 oktober 2013 heeft de Commissie alle belanghebbenden de belangrijkste feiten en overwegingen meegedeeld op basis waarvan zij voornemens was voor te stellen de geldende antidumpingmaatregelen te handhaven. De partijen werden opnieuw in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en degenen die hierom verzochten werd een hoorzitting toegestaan in het bijzijn van de raadadviseur-auditeur. De opmerkingen van de belanghebbenden werden door de Commissie onderzocht en worden hieronder van commentaar voorzien. |
B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
|
(12) |
Het betrokken product in dit nieuwe onderzoek is hetzelfde als het betrokken product dat is gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 221/2008, namelijk elektrolytisch mangaandioxide (d.w.z. door middel van elektrolyse vervaardigd mangaandioxide) dat na de elektrolyse geen warmtebehandeling heeft ondergaan („het onderzochte product” of „EMD”), van oorsprong uit de Republiek Zuid-Afrika, momenteel ingedeeld onder de GN-code ex 2820 10 00 . Het betrokken product omvat twee hoofdsoorten, EMD voor koolstof-zinkbatterijen en EMD voor alkalinebatterijen. |
|
(13) |
Het nieuwe onderzoek heeft bevestigd wat bij het oorspronkelijke onderzoek al was vastgesteld, namelijk dat het onderzochte product dat in de Unie wordt ingevoerd en de producten die door de producent-exporteur worden geproduceerd en aldaar op de binnenlandse markt worden verkocht, alsook de producten die door de bedrijfstak van de Unie worden geproduceerd en in de Unie worden verkocht („het soortgelijke product”), dezelfde fysische en chemische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Deze producten worden dan ook beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
C. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN DUMPING
1. Voorafgaande opmerkingen
|
(14) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening is de Commissie nagegaan of het waarschijnlijk is dat de dumping zich opnieuw zal voordoen indien de bestaande maatregelen vervallen. |
2. Invoer met dumping in het TNO
|
(15) |
De invoer in de Unie uit Zuid-Afrika daalde tot bijna nul na de instelling van maatregelen; er is slechts een zeer kleine hoeveelheid uitgevoerd in 2010, 2011 en in het TNO. Om uit te maken of de enige bekende producent-exporteur, Delta EMD (Pty) Ltd („Delta”), in het TNO tegen dumpingprijzen naar de Unie uitvoerde, heeft de Commissie Delta een vragenlijst toegezonden. De Commissie ontving een antwoord waarin gegevens over de binnenlandse verkoop, de uitvoer naar de Unie en de uitvoer naar andere bestemmingen werden verstrekt. Het antwoord werd gecontroleerd, zoals hieronder nader wordt beschreven. |
2.1. Normale waarde
|
(16) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening werd onderzocht of het totale volume van de door Delta gerealiseerde binnenlandse verkoop van het soortgelijke product aan onafhankelijke afnemers representatief was in vergelijking met zijn totale uitvoer naar de Unie, met andere woorden of het totale volume van die verkoop ten minste 5 % bedroeg van het totale volume van de uitvoer van het onderzochte product naar de Unie. |
|
(17) |
Hoewel de binnenlandse verkoop van het onderzochte product representatief was, was er geen verkoop in het kader van normale handelstransacties, aangezien de door Delta gerealiseerde binnenlandse verkoop van EMD niet winstgevend was. De normale waarde werd daarom berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening. |
|
(18) |
Dit gebeurde op basis van de werkelijke productiekosten van EMD, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en voor winst, overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening. |
|
(19) |
De VAA-kosten werden berekend aan de hand van artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening, daar de verkoop van Delta niet in het kader van normale handelstransacties plaatsvond en daar artikel 2, lid 6, onder a) en b), van de basisverordening geen van beide van toepassing waren omdat er respectievelijk geen andere exporteurs of producenten bij het onderzoek betrokken zijn en Delta geen andere verkoop van producten van dezelfde algemene categorie heeft. Het gebruik van de VAA-kosten van het oorspronkelijke onderzoek, dat een nagenoeg identiek percentage als de werkelijke VAA-kosten opleverde, werd dan ook als een redelijke methode beschouwd. |
|
(20) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen verzocht Delta de Commissie de door berekening vastgestelde normale waarde te bepalen door de hierboven berekende VAA-kosten uit te drukken als percentage van de productiekosten en niet als percentage van de omzet. Aangezien de volledige binnenlandse verkoop niet winstgevend was, zou het gebruik van de omzet resulteren in sterk verhoogde VAA-kosten. De Commissie aanvaardde het argument van Delta en heeft bij de berekening van de normale waarde de VAA-kosten toegevoegd als percentage van de productiekosten per kg uit dit nieuwe onderzoek. |
|
(21) |
De winst werd ook volgens dezelfde methode als in het oorspronkelijke onderzoek berekend, d.w.z. op basis van de rentetarieven voor langlopende commerciële leningen in Zuid-Afrika tijdens het TNO, overeenkomstig artikel 2, lid 6, onder c), van de basisverordening. Delta verkoopt geen andere producten op de binnenlandse markt, en er zijn geen andere bekende producenten van EMD of andere producenten van producten van dezelfde algemene categorie in Zuid-Afrika waarvan winstgegevens konden worden verkregen. |
|
(22) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen verzocht de bedrijfstak van de Unie de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening de verkoop aan de VS te gebruiken om de normale waarde vast te stellen, aangezien deze als verkoop op de binnenlandse markt fungeert. |
|
(23) |
Dit werd afgewezen omdat de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening werd berekend aan de hand van dezelfde methode als in het oorspronkelijke onderzoek, en bijgevolg in overeenstemming met artikel 11, lid 9, van die verordening. |
2.2. Uitvoerprijs
|
(24) |
De zeer kleine hoeveelheid EMD die in het TNO naar de Unie werd uitgevoerd, werd rechtstreeks aan een niet-verbonden importeur in de Unie verkocht. Overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening werd de door de importeur aan Delta betaalde prijs als uitvoerprijs beschouwd. |
2.3. Vergelijking
|
(25) |
De uitvoerprijs werd vergeleken met de berekende normale waarde, waarbij rekening werd gehouden met de gevraagde en gecontroleerde correcties krachtens artikel 2, lid 10, van de basisverordening, namelijk vracht-, verzekerings-, krediet- en verlaadkosten aan de uitvoerzijde. De normale waarde werd berekend op basis van de prijs af fabriek door de vracht- en de kredietkosten buiten beschouwing te laten. De kosten van verpakking en technische bijstand werden niet buiten beschouwing gelaten omdat zij reeds in de productiekosten in aanmerking werden genomen en bijgevolg zowel in de uitvoerprijs als in de door berekening vastgestelde normale waarde werden opgenomen. |
2.4. Dumpingmarge
|
(26) |
Gebleken is dat de in het TNO door Delta gerealiseerde verkoop van EMD aan de Unie niet met dumping heeft plaatsgevonden. Het betrof echter een uiterst geringe hoeveelheid en daarom was het niet mogelijk zich volledig op deze bevinding te baseren om uit te maken of herhaling van dumping waarschijnlijk is als de maatregelen komen te vervallen. |
3. Bewijsmateriaal waaruit blijkt dat herhaling van dumping waarschijnlijk is
|
(27) |
Aangezien geen conclusies konden worden getrokken uit de verkoop aan de Unie tijdens het TNO, onderzocht de Commissie of er bewijsmateriaal voorhanden was waaruit bleek dat dumping zich waarschijnlijk zal herhalen als de maatregelen komen te vervallen. Daarbij werden de volgende elementen onderzocht: de prijs bij uitvoer uit Zuid-Afrika naar andere bestemmingen, de productiecapaciteit en de reservecapaciteit in Zuid-Afrika, en de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en andere derde markten. |
3.1. Uitvoer uit Zuid-Afrika naar andere bestemmingen
|
(28) |
Delta produceert zowel EMD voor alkalinebatterijen als EMD voor koolstof-zinkbatterijen, en aangezien er in de Unie een markt is voor EMD voor alkalinebatterijen alsook (in mindere mate) voor EMD voor koolstof-zinkbatterijen, onderzocht de Commissie de prijs van beide soorten bij uitvoer naar derde landen in het TNO. Deze verkoop werd vergeleken met de door berekening vastgestelde normale waarde, rekening houdend met verschillen die van invloed zijn op de vergelijkbaarheid van de prijzen. |
|
(29) |
De verkoop van EMD voor alkalinebatterijen aan de VS, de belangrijkste exportmarkt van Delta, was goed voor ruwweg twee derde van de totale uitvoer van Delta in het TNO en vond niet met dumping plaats. De verkoop van EMD voor alkalinebatterijen aan andere bestemmingen (zoals Thailand, Korea, China en Brazilië), waarbij het kleinere hoeveelheden betrof, bleek echter tegen dumpingprijzen te hebben plaatsgevonden, met dumpingmarges variërend van 2 tot 21 %. Bovendien waren, wat betreft de uitvoer van EMD voor koolstof-zinkbatterijen naar andere bestemmingen, die hoofdzakelijk tegen lagere prijzen en in geringe hoeveelheden plaatsvond, de dumpingmarges hoger, variërend van 13 % tot 66 %. |
|
(30) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde de bedrijfstak van de Unie aan dat de Commissie geen rekening mocht houden met de uitvoer naar de VS in het TNO, daar de prijzen bij uitvoer naar die markt geen geschikte leidraad waren voor het waarschijnlijke prijspeil bij uitvoer naar de markt van de Unie indien de maatregelen zouden vervallen. |
|
(31) |
Delta van zijn kant verzocht de Commissie na de mededeling van feiten en overwegingen bijzondere aandacht te besteden aan de uitvoer naar de VS, die het grootste deel van zijn uitvoer van EMD voor alkalinebatterijen uitmaakt en als markt het best vergelijkbaar is met de EU. |
|
(32) |
De Commissie onderzocht alle uitvoer naar alle bestemmingen, berekende een gemiddelde gewogen uitvoerprijs van Delta naar alle andere niet-EU-bestemmingen, maar bestudeerde ook zeer gedetailleerd de prijzen bij uitvoer naar individuele derde landen. Toen werd nagegaan of de herhaling van dumping waarschijnlijk was, bleek alle uitvoer naar alle bestemmingen relevant te zijn, in het bijzonder in het licht van de aanzienlijke prijsverschillen die op verschillende exportmarkten werden geconstateerd. |
|
(33) |
De VS-markt heeft zijn eigen specifieke kenmerken, waardoor Delta daar aanzienlijk hogere prijzen kan aanrekenen dan elders. In de VS is de vraag aanzienlijk groter dan het binnenlandse aanbod. Er bestaan ook zware toegangsbelemmeringen voor een groot aantal potentiële concurrenten, daar hoge antidumpingrechten gelden voor invoer uit China en Australië. |
|
(34) |
In deze omstandigheden is er geen reden waarom de Commissie haar bevindingen uitsluitend op de gemiddelde uitvoerprijs zou moeten baseren of uitsluitend de uitvoer naar één land zou moeten onderzoeken in plaats van alle uitvoer naar alle bestemmingen te onderzoeken. |
|
(35) |
Uit het prijsgedrag van Delta met betrekking tot andere exportmarkten dan de Unie blijkt dat, hoewel zijn uitvoer naar zijn belangrijkste markt (de VS) niet tegen dumpingprijzen plaatsvond, de uitvoer naar andere bestemmingen met dumping plaatsvond. Daarom zijn, zoals hieronder uiteengezet, nog andere indicatoren nodig om uit te maken of herhaling van dumping waarschijnlijk is als de maatregelen komen te vervallen. |
3.2. Productiecapaciteit en reservecapaciteit in Zuid-Afrika
|
(36) |
Delta heeft reservecapaciteit voor de productie van EMD waardoor het weer een vrij aanzienlijke hoeveelheid naar de Unie zou kunnen uitvoeren als de maatregelen komen te vervallen. Delta heeft geraamd, en de Commissie heeft dat bevestigd, dat deze reservecapaciteit 4 000 à 6 000 ton per jaar bedraagt. Bij deze berekening wordt rekening gehouden met de stroomtekorten waarmee Zuid-Afrika regelmatig te kampen heeft, en met afvalvolumen. Aangezien de handhaving van de kwaliteitsniveaus in een manueel bestuurde installatie met enige moeilijkheden gepaard gaat, zou volgens een voorzichtige raming van de Commissie 2 000 à 3 000 ton per jaar EMD voor alkalinebatterijen betreffen, terwijl de rest EMD voor koolstof-zinkbatterijen zou zijn. Beide soorten zouden echter geschikt zijn voor de EU-markt. Een deel van de hoeveelheid EMD voor koolstof-zinkbatterijen zou weliswaar door andere derde landen kunnen worden geabsorbeerd, maar er zijn geen aanwijzingen dat andere derde landen of de binnenlandse markt de aanzienlijke reservecapaciteit voor EMD voor alkalinebatterijen kunnen absorberen. |
|
(37) |
Delta verklaarde tijdens de controle dat het al lang als aanvullende leverancier voor zijn afnemers op de VS-markt fungeert, waarbij het voorziet in de tekorten wanneer de binnenlandse producenten niet voldoende kunnen produceren. De uitvoer van Delta naar de VS was de afgelopen vier jaar stabiel, hetgeen erop wijst dat er voor Delta geen mogelijkheid was om zijn verkoop aan de VS te verhogen. Als het mogelijk zou zijn de uitvoer naar de VS op te voeren, zou Delta dat reeds hebben gedaan om te profiteren van de hogere prijzen op de VS-markt en ook van de grotere schaalvoordelen die voortvloeien uit de productie van grotere hoeveelheden. |
|
(38) |
De verkoop van Delta op de Aziatische markt was meer gericht op EMD voor koolstof-zinkbatterijen. De verkoop van Delta aan Azië is goed voor 50 % van de totale door Delta gerealiseerde verkoop van EMD voor koolstof-zinkbatterijen. China heeft binnenlandse producenten van EMD, en de uitvoer van Delta naar China in het OT bleef beperkt tot de zeer kleine hoeveelheid EMD voor alkalinebatterijen. Aangezien de uitvoer van EMD naar Japan momenteel onderworpen is aan antidumpingmaatregelen en doordat Japan binnenlandse producenten van EMD heeft, is het onwaarschijnlijk dat deze markt de reservecapaciteit van Delta zou absorberen. Daarom is het onwaarschijnlijk dat de Aziatische markt de reservecapaciteit van Delta voor EMD voor alkalinebatterijen kan absorberen. |
|
(39) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen merkte de bedrijfstak van de Unie op dat de reservecapaciteit van Delta veel hoger is dan hierboven is vermeld, en hij gaf verschillende factoren aan die daarop zouden wijzen. De bedrijfstak van de Unie verklaarde ook dat de totale reservecapaciteit van Delta zou kunnen worden gebruikt voor de productie van EMD voor alkalinebatterijen van een kwaliteit die tegen dumpingprijzen aan de EU-markt kan worden verkocht. |
|
(40) |
Voorts verklaarde de bedrijfstak van de Unie dat de uitvoer van Delta naar de VS in de nabije toekomst zeer waarschijnlijk zou verminderen, daar één producent in de VS reeds verhogingen van zijn productiecapaciteit had aangekondigd en had gewezen op de zeer waarschijnlijke daling van de vraag naar EMD in de VS als gevolg van de aangekondigde uitstap van een gebruiker van EMD uit de markt. Bovendien voerde de bedrijfstak van de Unie aan dat de verkoop vanuit Zuid-Afrika aan de VS na het einde van het onderzoektijdvak reeds was begonnen te dalen. Dit zou betekenen dat Delta potentieel extra hoeveelheden EMD voor alkalinebatterijen heeft die zeer waarschijnlijk naar de EU-markt zouden worden verlegd indien de maatregelen zouden vervallen. |
|
(41) |
De installatie, de capaciteit en de productiecapaciteit van Delta werden door de Commissie tijdens het onderzoek gecontroleerd. Zoals hierboven is vermeld, is de Commissie bij haar berekeningen voorzichtig te werk gegaan en heeft zij met name een voorzichtige raming gemaakt van de verdeling tussen de productie van EMD voor alkalinebatterijen en de productie van EMD voor koolstof-zinkbatterijen op basis van het gebruik van zijn reservecapaciteit. Zelfs bij deze voorzichtige raming werd, met het oog op het verbruik van het betrokken product in de Unie, een aanzienlijke reservecapaciteit vastgesteld die voor de productie van EMD voor alkalinebatterijen kan worden gebruikt. |
|
(42) |
Wat betreft het argument in verband met de waarschijnlijke ontwikkeling van de uitvoer van Delta naar de VS wijst het aan de Commissie verstrekte bewijsmateriaal erop dat deze onder druk kan komen te staan als de EMD-capaciteit van de VS verder toeneemt en de vraag verder afneemt. |
|
(43) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerde één gebruiker aan dat de reservecapaciteit van Delta gering is, aangezien Delta een marktaandeel van 60-70 % had voordat maatregelen werden ingesteld. Maar zelfs bij een voorzichtige raming van deze reservecapaciteit kan Delta, als deze reservecapaciteit wordt gebruikt voor uitvoer naar de Unie, zijn marktaandeel gemakkelijk aanzienlijk vergroten, zonder rekening te houden met de mogelijkheid dat de uitvoer naar andere bestemmingen kan worden verlegd naar de Unie. Een dergelijke ontwikkeling zou resulteren in een verdere toename van het potentiële marktaandeel van Delta. |
3.3. Aantrekkelijkheid van de markt van de Unie en van andere derde markten
|
(44) |
Delta heeft een reeds lang bestaand en winstgevend verkoopkanaal naar de VS en er is geen bewijsmateriaal gevonden waaruit blijkt dat het in het belang van de onderneming zou zijn deze verkoop doelbewust naar de Unie te verleggen. De reservecapaciteit die tijdens het onderzoek is geconstateerd, of althans een aanzienlijk deel ervan, kan echter om de in de overwegingen hierboven vermelde redenen waarschijnlijk alleen naar de Unie worden verlegd. Dit is temeer het geval omdat de markt van de Unie één van de grootste ter wereld is. Bovendien was de markt van de Unie, voordat de geldende antidumpingmaatregelen werden ingesteld, zeer aantrekkelijk voor Delta omdat het een marktaandeel van 60-70 % had. |
|
(45) |
Indien Delta op prijs zou concurreren met de producenten in de Unie, zou het zich genoopt zien zijn uitvoerprijzen te verlagen en dus tegen dumpingprijzen te verkopen om op het niveau te komen van de prijzen die in het TNO door één producent in de Unie werden aangerekend. Delta kan zijn uitvoer van EMD voor alkalinebatterijen die momenteel aan derde landen (m.u.v. de VS) wordt verkocht, ook tegen dumpingprijzen naar de Unie verleggen omdat de markt van de Unie door zijn omvang en over het algemeen hogere prijzen aantrekkelijker is dan andere niet-VS-markten. Bovendien zou, indien Delta de naar de VS uitgevoerde hoeveelheden EMD in de toekomst eventueel moet verminderen, de EU-markt de zeer waarschijnlijke bestemming van die extra beschikbare hoeveelheden zijn. |
|
(46) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen merkte Delta op dat zijn prijsbeleid erin bestond alleen op de EU-markt te verkopen als het dat tegen een winstgevende prijs kon doen. |
|
(47) |
Dit kan al dan niet het geval zijn, maar een winstgevende verkoop kan nog steeds met dumping plaatsvinden als de uitvoerprijs onder de normale waarde blijft. In ieder geval kon geen bewijsmateriaal worden verstrekt om een dergelijke verklaring te staven, aangezien Delta de laatste vijf jaar geen aanzienlijke hoeveelheden naar de Unie heeft uitgevoerd. Bovendien argumenteerde de bedrijfstak van de Unie dat de geringe hoeveelheden EMD die in het OT door Delta aan de Unie werden verkocht, tot doel hadden de certificering van Delta bij EU-afnemers te behouden. |
|
(48) |
Delta merkte ook op dat de gemiddelde prijs van EMD bij invoer in de Unie in 2012 1 809 EUR per ton bedroeg; die prijs lag boven de normale waarde, wat volgens Delta aantoont dat het met andere importeurs kon concurreren en zonder dumping kon verkopen. |
|
(49) |
Dit gemiddelde cijfer is echter het resultaat van een hoeveelheid uiterst dure invoer uit de VS en een hoeveelheid veel goedkopere invoer uit China. De invoer uit de VS kon niet in deze vergelijking worden opgenomen daar het uiterst hoge prijsniveau, dat drie- tot viermaal hoger is dan de normale prijzen op de EU-markt, twijfel doet rijzen over de betrouwbaarheid van deze prijzen en/of het ingevoerde product. Indien Delta op prijs zou concurreren met de Chinese invoer tegen ongeveer 1 200 EUR per ton, zou het op de Europese markt met dumping verkopen. |
4. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping
|
(50) |
Gezien het voorgaande is het waarschijnlijk dat, indien de maatregelen zouden vervallen, zich opnieuw dumping zou voordoen. EMD voor alkalinebatterijen is de door Delta vervaardigde productsoort die naar alle waarschijnlijkheid aan de Unie zou worden verkocht als de maatregelen zouden vervallen, daar dit de productsoort is die in het verleden door Delta werd uitgevoerd. Ook nu is er in de EU nog steeds vooral vraag naar EMD voor alkalinebatterijen. Uit het onderzoek is gebleken dat de uitvoer van EMD voor alkalinebatterijen naar bestemmingen zoals Zuid-Korea, China en Brazilië tegen dumpingprijzen plaatsvond, met dumpingmarges variërend van 2 tot 21 %. |
|
(51) |
Bovendien betreft de reservecapaciteit van Delta een aanzienlijke hoeveelheid in vergelijking met het verbruik in de Unie tijdens het TNO. Indien deze capaciteit zou worden gebruikt om naar de Unie uit te voeren en op prijs te concurreren met de producenten in de Unie of op prijs te concurreren met de belangrijkste invoer uit derde landen, is het zeer waarschijnlijk dat die uitvoer tegen dumpingprijzen zou plaatsvinden. |
D. DEFINITIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE
|
(52) |
In het TNO werd het soortgelijke product vervaardigd door twee producenten in de Unie, THA en Cegasa, die volledig aan het onderzoek hebben meegewerkt. In het oorspronkelijke onderzoek was Cegasa, dat in die tijd niet voor de open markt produceerde, maar alleen voor intern gebruik, geen klager en werkte het niet mee, maar het verzette zich niet tegen het onderzoek. |
|
(53) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen betwistte een belanghebbende de toelaatbaarheid van Cegasa als indiener van het verzoek in het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen, daar het geen klager was in het oorspronkelijke onderzoek, in die tijd niet voor de open markt produceerde en bijgevolg geen schade leed. Dit argument werd van de hand gewezen daar een verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen moet worden ingediend door of namens producenten in de Unie, maar niet noodzakelijkerwijs door (uitsluitend) de oorspronkelijke klager(s). |
|
(54) |
De twee producenten in de Unie nemen de volledige productie van EMD in de Unie voor hun rekening en vormen de „bedrijfstak van de Unie” in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening. |
|
(55) |
Voor het schadeonderzoek zijn, wegens de samenwerking van de gehele bedrijfstak van de Unie, alle schade-indicatoren op micro-economisch niveau vastgesteld. Ter bescherming van de vertrouwelijkheid zijn alle gegevens in geïndexeerde vorm gepresenteerd of als orde van grootte aangegeven. |
E. SITUATIE OP DE MARKT VAN DE UNIE
1. Verbruik in de Unie
|
(56) |
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op basis van i) het gecontroleerde verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie, ii) het gecontroleerde invoervolume afkomstig van de enige Zuid-Afrikaanse producent, en iii) de invoer uit andere landen op basis van Eurostatgegevens. |
|
(57) |
Het verbruik van EMD in de Unie bleef stabiel tussen 2009 en het eind van het TNO. In 2010 en 2011 nam het toe, maar in 2012 daalde het weer tot het niveau van 2009. Tabel 1
|
2. Invoer uit Zuid-Afrika
2.1. Volume en marktaandeel
|
(58) |
Na de instelling van maatregelen is de invoer uit Zuid-Afrika zo goed als stil komen te liggen. Tabel 2
|
2.2. Prijzen en onderbieding
|
(59) |
Met de zeer geringe verkoop van EMD uit Zuid-Afrika aan de Unie in het TNO werden de prijzen van de bedrijfstak van de Unie niet onderboden. Gezien het zeer geringe volume ervan is het niet mogelijk zich daarop te baseren om een zinvolle conclusie te trekken. |
|
(60) |
Daarom werd ook een vergelijking gemaakt tussen de prijzen van EMD dat door de bedrijfstak van de Unie wordt vervaardigd en verkocht, en de prijzen van EMD dat in Zuid-Afrika wordt vervaardigd en aan de rest van de wereld wordt verkocht, en dit op basis van twee scenario's: inclusief en exclusief verkoop aan de VS. De reden waarom een analyse exclusief de prijs van Delta bij uitvoer naar de VS werd gemaakt, houdt verband met de specifieke marktsituatie in de VS die leidt tot zeer hoge prijzen in vergelijking met de prijzen van Delta bij uitvoer naar andere landen (zie overwegingen hierboven). |
|
(61) |
Uit de vergelijking is gebleken dat de verkoop vanuit Zuid-Afrika aan de rest van de wereld in het TNO de prijzen van de bedrijfstak van de Unie niet onderbood als de verkoop aan de VS in aanmerking werd genomen, maar de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood als de verkoop aan de VS buiten beschouwing werd gelaten. Bovendien hielden de uitvoerprijzen van Delta, bij uitsluiting van de verkoop aan de VS, ook prijsbederf in ten aanzien van de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(62) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen hield de bedrijfstak van de Unie vol dat de prijzen van Delta bij uitvoer naar de VS niet indicatief zijn voor de toekomstige prijzen bij uitvoer naar de Unie en dat vanwege structurele verschillen tussen de EU-markt en de VS-markt deze prijzen buiten beschouwing moeten worden gelaten. Anderzijds wees Delta er nogmaals op dat de VS-markt een volwassen EMD-markt is waar binnenlandse producenten en importeurs vrij met elkaar concurreren en waar er veel gebruikers zijn, met inbegrip van gebruikers die ook in de Unie aanwezig zijn. Bijgevolg mag de verkoop van Delta aan de VS niet worden uitgesloten. Bovendien was Delta van mening dat de Commissie voor de berekening van het prijsbederf geen gebruik had mogen maken van de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde streefwinst die de bedrijfstak van de Unie had kunnen maken zonder invoer met dumping. |
|
(63) |
In deze zaak, waarbij de invoer uit het betrokken land na het instellen van de oorspronkelijke maatregelen zo goed als stil kwam te liggen, moet de onderzoekende autoriteit een toekomstgerichte analyse maken op basis van een aantal redelijke veronderstellingen, met inbegrip van de waarschijnlijke prijs waartegen Delta zijn EMD in de Unie zou verkopen indien de geldende antidumpingmaatregelen zouden vervallen. |
|
(64) |
Het valt niet te betwisten dat elke EMD-markt (VS, EU, Azië) anders is en EMD-producenten verschillende prijsstrategieën toepassen, waarbij zij niet alleen rekening houden met hun productiekosten, maar ook met de productiecapaciteit in het land van bestemming, de noodzaak om marktaandeel (terug) te winnen, en de lokale concurrentievoorwaarden. Evenmin valt te betwisten dat Delta voor het EMD dat het op de VS-markt verkoopt, een aanzienlijk hogere prijs aanrekent dan op andere markten. Daarom wordt verwacht dat de toekomstige prijzen van Delta bij uitvoer naar de EU niet zullen worden bepaald door zijn huidige prijzen bij uitvoer naar de VS, maar zullen afgestemd zijn op de specifieke EU-marktomstandigheden en -realiteiten. |
|
(65) |
In het document met de feiten en overwegingen werden voor de berekening van de dumping alleen de prijzen van EMD voor alkalinebatterijen bij verkoop aan verschillende markten vergeleken met de door berekening vastgestelde normale waarde, terwijl voor de berekening van de prijsonderbieding ook rekening werd gehouden met de door Delta gerealiseerde verkoop van één soort EMD voor koolstof-zinkbatterijen. Na de mededeling van feiten en overwegingen merkte de bedrijfstak van de Unie op dat de totale door Delta gerealiseerde verkoop van EMD voor alkalinebatterijen en EMD voor koolstof-zinkbatterijen in aanmerking moet worden genomen bij de berekening van de dumping en de schade. Delta daarentegen voerde aan dat, aangezien het grootste deel van het verbruik in de Unie en de uitvoer van Delta naar de Unie uitsluitend bestaan uit EMD voor alkalinebatterijen, de verkoop van EMD voor koolstof-zinkbatterijen helemaal niet in aanmerking mocht worden genomen. |
|
(66) |
De Commissie kwam tot de conclusie dat zowel EMD voor alkalinebatterijen als EMD voor koolstof-zinkbatterijen, met inbegrip van alle soorten, om de onderstaande hoofdredenen in aanmerking moeten worden genomen bij de berekening van de dumping en de schade. Ten eerste is er in de Unie, zoals hierboven vermeld, ook een markt en bijgevolg ook vraag naar EMD voor koolstof-zinkbatterijen, ook al is die kleiner dan de markt voor EMD voor alkalinebatterijen, en die markt kan ook van belang zijn voor de uitvoer van Delta naar de Unie. Ten tweede worden EMD voor alkalinebatterijen en EMD voor koolstof-zinkbatterijen in dezelfde fabriek en op dezelfde productielijn vervaardigd, met gebruikmaking van dezelfde grondstof en hetzelfde productieproces. Afhankelijk van de instelling van de parameters in het elektrolyseproces (stroomdichtheid, temperatuur, elektrolytconcentratie enz.) kunnen EMD-producenten verkiezen EMD voor alkalinebatterijen of EMD voor koolstof-zinkbatterijen te vervaardigen. Het is dan ook adequater de prijsonderbieding te berekenen door de gemiddelde uitvoerprijs van het door Delta geproduceerde EMD (zowel voor alkalinebatterijen als voor koolstof-zinkbatterijen) te vergelijken met de gemiddelde door de producenten in de Unie aangerekende prijs van EMD (zowel voor alkalinebatterijen als voor koolstof-zinkbatterijen). |
|
(67) |
Voor het onderzoek van het prijsbederf gebruikte de Commissie als referentie de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde streefwinst die de bedrijfstak van de Unie had kunnen maken zonder invoer met dumping; die streefwinst komt overeen met de winst die een kapitaalintensieve bedrijfstak als de EMD-fabrikanten onder normale concurrentievoorwaarden kan verwachten te behalen. De kwestie van de meest adequate streefwinst is irrelevant in het kader van dit nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen. De Commissie erkent immers dat er geen sprake was van voortzetting van dumping en dat er bijgevolg geen sprake was van voortzetting van schade ten gevolge van prijsonderbieding. De analyse is dan ook toekomstgericht en heeft tot doel de waarschijnlijkheid van herhaling van schade te voorspellen in geval van een waarschijnlijke herhaling van dumping. |
|
(68) |
Delta voerde aan dat de kosten na invoer leken te zijn onderschat omdat er geen rekening is gehouden met de kosten van vervoer van het product vanaf de haven van Antwerpen tot bij de afnemers. |
|
(69) |
De Commissie heeft echter de prijzen van de bedrijfstak van de Unie af fabriek vergeleken met de prijs van de exporteurs aan de grenzen van de Unie, en bijgevolg betroffen de kosten na invoer alleen verlaad- en keuringskosten, maar niet vervoerkosten. Dit argument werd dan ook verworpen. |
3. Invoer uit andere derde landen
|
(70) |
In de volgende tabel wordt weergegeven hoe de invoer uit andere derde landen in volume en marktaandeel, alsook de gemiddelde prijs van deze invoer zich in de beoordelingsperiode hebben ontwikkeld. Tabel 3
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(71) |
Het volume van de invoer van EMD uit andere derde landen in de Unie is in de beoordelingsperiode gedaald. De prijzen van deze invoer liggen in het TNO boven het gemiddelde prijsniveau van de bedrijfstak van de Unie en de prijzen van Delta bij uitvoer naar andere markten, met uitsluiting van de VS. Zoals hierboven is vermeld, is het bedrag van 1 809 EUR per ton een gemiddelde van zeer uiteenlopende invoerprijzen, variërend van laaggeprijsde invoer uit China tot invoer tegen zeer hoge prijzen uit de VS. Met name de geregistreerde prijsniveaus van de invoer uit de VS zijn buitengewoon hoog in vergelijking met andere prijscategorieën van producenten in de Unie, Delta en andere exporteurs, zodat zij redelijkerwijs niet als basis kunnen worden genomen om het onderzoek uit te voeren. Daarom kan dit gemiddelde als dusdanig niet als referentieprijs voor toekomstige invoer uit Zuid-Afrika worden genomen. Delta zou niet op prijs concurreren met de invoer uit de VS, maar met de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. |
4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(72) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening zijn alle relevante economische factoren en indicatoren onderzocht die tijdens de beoordelingsperiode op de situatie van de bedrijfstak van de Unie van invloed waren. |
a) Productie
|
(73) |
De productie in de Unie is tussen 2009 en het eind van het TNO met 6 % gestegen. Meer specifiek is zij tussen 2009 en 2011 met 7 procentpunten gestegen en daarna in het TNO met 1 procentpunt gedaald. Tabel 4
|
|||||||||||||||
b) Productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(74) |
De productiecapaciteit van de producenten in de Unie is in de beoordelingsperiode met 9 % toegenomen, hoofdzakelijk als gevolg van kleine verbeteringen in het productieproces (d.w.z. geen grote investeringen in nieuwe fabrieken of installaties). |
|
(75) |
Daar de toename van de capaciteit groter was dan de toename van de productie, ging de bezettingsgraad met 3 procentpunten omlaag. Tabel 5
|
||||||||||||||||||||
c) Voorraden
|
(76) |
Het voorraadvolume bleef stabiel in de beoordelingsperiode. Het is in 2011 afgenomen, maar bereikte in het TNO weer het niveau van 2009. Tabel 6
|
|||||||||||||||
d) Verkoopvolume
|
(77) |
Het volume van de verkoop van de producenten in de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie is tussen 2009 en het eind van het TNO met 10 % gestegen. In 2011 steeg het met 20 % ten opzichte van 2009, waarna zich in het TNO een forse daling met 10 procentpunten voordeed. Tabel 7
|
|||||||||||||||
e) Marktaandeel
|
(78) |
Tussen 2009 en het eind van het TNO wonnen de producenten in de Unie 10 procentpunten aan marktaandeel. Deze toename van het marktaandeel is te verklaren door de afname van het aandeel van de invoer in de Unie. Tabel 8
|
||||||||||||||||||||
f) Groei
|
(79) |
Het verbruik in de Unie bleef stabiel tussen 2009 en het eind van het TNO, zoals aangegeven in tabel 1 hierboven. Alle andere indicatoren vertonen geen aanzienlijke groei op de markt van de Unie voor het onderzochte product. |
g) Werkgelegenheid
|
(80) |
De werkgelegenheid in de bedrijfstak van de Unie is tussen 2009 en het eind van het TNO met 9 procentpunten afgenomen. Tabel 9
|
|||||||||||||||
h) Productiviteit
|
(81) |
De productiviteit van de bedrijfstak van de Unie, in productie (ton) per werknemer per jaar, is in de beoordelingsperiode met 18 % gestegen. Dit vloeit voort uit het feit dat de productie met 6 % is gestegen, terwijl de werkgelegenheid met 9 % is gedaald. Dit is met name duidelijk in 2011, toen de productie steeg terwijl de werkgelegenheid verder daalde, en de productiviteit 20 procentpunten hoger lag dan in 2009. Tabel 10
|
|||||||||||||||
i) Factoren die van invloed zijn op de verkoopprijzen
|
(82) |
De jaarlijkse gemiddelde verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie zijn tussen 2009 en het eind van het TNO met 11 % gedaald. Tabel 11
|
|||||||||||||||
j) Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(83) |
Daar de invoer uit Zuid-Afrika na de instelling van de geldende antidumpingmaatregelen zo goed als stil kwam te liggen, kan de hoogte van de dumpingmarges niet worden beoordeeld. In het licht van de hierboven en hieronder genoemde belangrijke economische indicatoren is echter geconstateerd dat de bedrijfstak van de Unie nog steeds in een zwakke en kwetsbare situatie verkeert. |
k) Lonen
|
(84) |
Ondanks het feit dat de totale arbeidskosten daalden, zijn de gemiddelde arbeidskosten in de beoordelingsperiode gestegen als gevolg van de vermindering van het totale aantal werknemers. Tabel 12
|
|||||||||||||||
l) Winstgevendheid en rendement van investeringen
|
(85) |
In de beoordelingsperiode is de winstgevendheid van de verkoop van het soortgelijke product door de bedrijfstak van de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, uitgedrukt in procenten van de nettoverkoop, tussen 2009 en het TNO gehalveerd. De winstgevendheid is in het TNO aanzienlijk lager dan de streefwinst in het oorspronkelijke onderzoek, die toen werd vastgesteld op het niveau van de winst die de bedrijfstak van de Unie zonder schade veroorzakende dumping kon behalen. |
|
(86) |
Het rendement van investeringen, uitgedrukt als de winst in procenten van de nettoboekwaarde van de investeringen, liep grotendeels gelijk met de ontwikkeling van de winstgevendheid. Tabel 13
|
||||||||||||||||||||||||||||||
m) Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(87) |
De nettokasstroom uit bedrijfsactiviteiten is tijdens de beoordelingsperiode aanzienlijk gedaald, maar bleef positief, behalve voor het jaar 2010. Tabel 14
|
|||||||||||||||
|
(88) |
Er zijn geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Unie moeilijkheden zou hebben ondervonden om kapitaal aan te trekken indien hij dit had geprobeerd, maar in de beoordelingsperiode zijn geen aanzienlijke investeringen gedaan en daardoor werd de bedrijfstak van de Unie niet „op de proef gesteld”. |
n) Investeringen
|
(89) |
De jaarlijkse investeringen van de bedrijfstak van de Unie in de productie van het soortgelijke product zijn tussen 2009 en het eind van het TNO bijna gehalveerd. Meer specifiek zijn zij in 2010 gedaald, in 2011 gestegen en in het TNO weer gedaald. De scherpe daling van de investeringen die zich tussen 2011 en het eind van het TNO heeft voorgedaan, is gedeeltelijk te verklaren door het feit dat de bedrijfstak van de Unie reeds in de beoordelingsperiode de noodzakelijke geplande belangrijke investeringen had gedaan. Tabel 15
|
|||||||||||||||
5. Conclusie betreffende de situatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(90) |
Uit de analyse van de economische indicatoren blijkt dat de productie en de verkoop van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode zijn gestegen. De geconstateerde toename van de hoeveelheid, die als zodanig niet aanzienlijk was, moet echter worden gezien tegen de achtergrond van de verhoogde productiecapaciteit en de daling van de verkoopprijzen, die ertoe leidden dat de bezettingsgraad en verkoopprijs per eenheid van de producenten in de Unie met respectievelijk 3 en 11 procentpunten daalden. |
|
(91) |
Tegelijkertijd liet de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie een verslechtering zien uit het oogpunt van winstgevendheid, rendement van investeringen, werkgelegenheid en kasstroom. Met name de winstgevendheid, die een belangrijke indicator van de status van de bedrijfstak van de Unie is, ligt nog steeds aanzienlijk onder de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde streefwinst. De bedrijfstak van de Unie heeft zich nog niet volledig hersteld van de gevolgen van de eerdere dumping en bevindt zich nog steeds in een zwakke situatie, waardoor hij zeer kwetsbaar blijft voor elke herhaling van invoer met dumping. De gemiddelde verkoopprijzen zijn in de loop der jaren gedaald en zouden naar alle waarschijnlijkheid verder dalen als de invoer met dumping uit Zuid-Afrika zich opnieuw zou voordoen, waardoor de reeds zwakke situatie van de bedrijfstak van de Unie nog zou worden verergerd. |
|
(92) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden sommige belanghebbenden aan dat de huidige zwakke en kwetsbare situatie van de bedrijfstak van de Unie niet toe te schrijven is aan invoer met dumping uit Zuid-Afrika, noch aan de gevolgen van eerdere dumping. |
|
(93) |
Zij wezen erop dat de trends in de bovenvermelde belangrijke economische indicatoren betrekking hadden op een periode (van 2009 tot het eind van het TNO) waarin: i) de oorspronkelijke antidumpingmaatregelen reeds een tijdlang van kracht waren; ii) de invoer uit Zuid-Afrika zo goed als stil was komen te liggen; en iii) een nieuwe speler (Cegasa) zijn intrede had gedaan op de open markt van de Unie. Belanghebbenden keken naar de economische indicatoren van elk van de twee producenten in de Unie afzonderlijk, in plaats van ze te aggregeren, en concludeerden dat de bedrijfstak van de Unie in een moeilijke situatie verkeerde vanwege de interne concurrentie die nu was ontstaan tussen de enige twee producenten op de markt van de Unie. |
|
(94) |
Met name deze belanghebbenden voerden aan dat de Commissie was voorbijgegaan aan de fundamentele veranderingen die zich sinds 2009 in de bedrijfstak van de Unie hadden voorgedaan. Zij merkten op dat na de instelling van de geldende antidumpingmaatregelen de economische indicatoren van de oorspronkelijke en enige klager (THA) spectaculair waren verbeterd, waardoor alle negatieve gevolgen van de eerdere dumping werden opgeheven. Naderhand echter heeft de andere producent in de Unie, Cegasa, die voordien uitsluitend voor intern gebruik EMD vervaardigde, zijn productie-installatie voor batterijen buiten de Unie gevestigd. Daardoor maakte het een aanzienlijke hoeveelheid EMD vrij voor de open markt en begon het tegen een lage prijs te verkopen, waarbij het concurreerde met de enige andere producent in de Unie en een sterke neerwaartse druk uitoefende op de prijzen, de bezettingsgraad en de winstgevendheid. |
|
(95) |
In het document met de feiten en overwegingen had de Commissie reeds rekening gehouden met de verandering in de samenstelling van de bedrijfstak van de Unie in vergelijking met het oorspronkelijke onderzoek. Dit is een positieve ontwikkeling geweest die wijst op de openheid van de markt en een toegenomen concurrentie tussen de verschillende spelers, met inbegrip van de invoer. |
|
(96) |
De Commissie erkent ook dat in deze omstandigheden en met name zonder invoer uit Zuid-Afrika de huidige situatie van de bedrijfstak van de Unie niet kan worden toegeschreven aan dumping vanuit Zuid-Afrika en niet mag worden aangemerkt als „voortzetting van schade”. |
|
(97) |
De Commissie heeft de geaggregeerde trends voor beide producenten in de Unie sinds 2009 onderzocht en is tot de conclusie gekomen dat de belangrijkste economische indicatoren niet gunstig zijn en dat de bedrijfstak van de Unie zich in een zwakke en kwetsbare situatie bevindt. Het is duidelijk dat dit, zonder invoer uit Zuid-Afrika, niet door de dumpingpraktijken van Delta kan zijn veroorzaakt. In een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen, waarbij de nadruk ligt op de waarschijnlijkheid van herhaling van dumping en schade indien de maatregelen zouden vervallen, vormen dumping, schade en oorzakelijk verband tijdens het TNO niet de doorslaggevende factoren van de analyse. |
|
(98) |
De Commissie concludeert dat de bedrijfstak van de Unie nog steeds in een zwakke en kwetsbare situatie verkeert en zijn winstgevendheid ver onder het niveau ligt dat in een dergelijke kapitaalintensieve bedrijfstak kan worden verwacht. Een vergelijking met het oorspronkelijke onderzoek is slechts mogelijk voor één producent in de Unie, daar de andere in die tijd niet verkocht op de open markt van de Unie. Voor die producent in de Unie was de winst in het TNO aanzienlijk lager dan in het oorspronkelijke onderzoek zonder invoer met dumping werd geconstateerd. |
F. WAARSCHIJNLIJKHEID VAN HERHALING VAN SCHADE
1. Effect van het verwachte volume van de invoer en gevolgen voor de prijzen bij het intrekken van de maatregelen
|
(99) |
De enige bekende Zuid-Afrikaanse producent (Delta) van EMD beschikt over reservecapaciteit en het potentieel om opnieuw aanzienlijke hoeveelheden naar de markt van de Unie uit te voeren. Tijdens de oorspronkelijke beoordelingsperiode (2002 tot en met 2005/2006) is het marktaandeel van Delta sterk toegenomen, van ongeveer 30 à 40 % tot 60 à 70 %. Delta heeft dus al laten zien dat het de hoeveelheden die het naar de Unie uitvoert, snel kan opvoeren. |
|
(100) |
De cif-prijzen van Delta bij uitvoer naar andere markten, met uitsluiting van de VS, waren voor alle soorten en kwaliteiten EMD lager dan de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het TNO, en onderboden deze. Lagere prijzen op de andere markten kunnen voor Delta een stimulans zijn om deze uitvoer naar de EU-markt te verleggen indien de maatregelen komen te vervallen. |
|
(101) |
Gezien de reservecapaciteit die tijdens het onderzoek is vastgesteld, en de verzadiging van andere exportmarkten in combinatie met de aantrekkelijkheid van de markt van de Unie, zou Delta naar alle waarschijnlijkheid proberen zijn aanzienlijke marktaandeel in de Unie, dat het na de instelling van de geldende maatregelen is kwijtgeraakt, terug te winnen. Zoals hierboven is geconcludeerd, zou Delta tegen dumpingprijzen moeten uitvoeren om marktaandeel terug te winnen. Bijgevolg zou, als er geen antidumpingrechten zouden gelden voor EMD van oorsprong uit Zuid-Afrika, elke herhaling van invoer met dumping een nog sterkere prijsdruk op de bedrijfstak van de Unie uitoefenen en naar alle waarschijnlijkheid aanmerkelijke schade veroorzaken. |
2. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van herhaling van schade
|
(102) |
De intrekking van de maatregelen zou naar alle waarschijnlijkheid leiden tot herhaling van invoer met dumping uit Zuid-Afrika met als gevolg een neerwaartse druk op de prijzen van de bedrijfstak van de Unie en een verslechtering van zijn economische situatie. De intrekking van de maatregelen ten aanzien van Zuid-Afrika zou dus waarschijnlijk leiden tot herhaling van schade als gevolg van de waarschijnlijke verergering van de reeds zwakke en kwetsbare situatie waarin de bedrijfstak van de Unie momenteel blijkt te verkeren. |
G. BELANG VAN DE UNIE
1. Inleiding
|
(103) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of handhaving van de bestaande antidumpingmaatregelen ten aanzien van Zuid-Afrika in strijd zou zijn met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd vastgesteld aan de hand van een evaluatie van alle verschillende betrokken belangen. |
|
(104) |
Alle belanghebbenden werden overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening in de gelegenheid gesteld hun standpunt uiteen te zetten. |
|
(105) |
Bij het oorspronkelijke onderzoek werd de instelling van maatregelen niet in strijd geacht met het belang van de Unie. Omdat het om een nieuw onderzoek gaat, wordt een situatie onderzocht waarin al antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, zodat kan worden nagegaan of die maatregelen ongewenste negatieve gevolgen voor de betrokken partijen hadden. |
|
(106) |
Ondanks de conclusies inzake de waarschijnlijkheid van herhaling van schade veroorzakende dumping onderzocht de Commissie of er dwingende redenen waren die tot de conclusie leiden dat het niet in het belang van de Unie is de maatregelen ten aanzien van de invoer van EMD van oorsprong uit Zuid-Afrika te handhaven. |
2. Belang van de bedrijfstak van de Unie en van andere producenten in de Unie
|
(107) |
Hoewel de geldende antidumpingmaatregelen voorkwamen dat met dumping werd ingevoerd op de markt van de Unie, verkeert de bedrijfstak van de Unie nog steeds in een zwakke en kwetsbare situatie, zoals wordt bevestigd door de negatieve ontwikkeling van enkele belangrijke schade-indicatoren. |
|
(108) |
Als de maatregelen komen te vervallen, is het waarschijnlijk dat de huidige situatie van de bedrijfstak van de Unie zal blijven bestaan en verder zal verslechteren gezien de waarschijnlijke instroom van aanzienlijke hoeveelheden die met dumping uit Zuid-Afrika worden ingevoerd. Deze instroom zou onder meer leiden tot een verlies van marktaandeel, een daling van de verkoopprijs, een daling van de bezettingsgraad en in het algemeen een ernstige verslechtering van de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(109) |
Het is dan ook duidelijk dat de handhaving van antidumpingmaatregelen ten aanzien van Zuid-Afrika niet tegen het belang van de bedrijfstak van de Unie zou indruisen. |
3. Belang van de importeurs
|
(110) |
In het oorspronkelijke onderzoek werd geconstateerd dat de instelling van maatregelen waarschijnlijk geen ernstige nadelige gevolgen zou hebben voor de situatie van de importeurs in de Unie. Er hebben geen handelaren/importeurs aan dit onderzoek meegewerkt. Aangezien er geen bewijzen zijn dat de geldende maatregelen aanzienlijke gevolgen hebben gehad voor de importeurs, kan worden geconcludeerd dat handhaving van de maatregelen geen aanzienlijke nadelige gevolgen zal hebben voor de importeurs in de Unie. |
4. Belang van de gebruikers
|
(111) |
Er is contact opgenomen met alle bekende gebruikers van EMD (door de producenten van batterijen gebruikt als grondstof) in de Unie. Er werden antwoorden ontvangen van twee ondernemingen die tot dezelfde multinationale groep behoren. Aan het oorspronkelijke onderzoek werd meegewerkt door nog twee andere producenten van batterijen, die zich tegen de instelling van maatregelen verzetten. |
|
(112) |
De medewerkende gebruiker becommentarieerde de moeilijke economische situatie waarmee batterijproducenten in de Unie te kampen hebben als gevolg van de neerwaartse prijsdruk die door hun belangrijkste afnemers (detailhandelaren) wordt uitgeoefend, en het daaruit voortvloeiende risico van banenverlies. Hij kon echter niet uitleggen of onderbouwen waarom en hoe de beëindiging van de maatregelen ten aanzien van de invoer van EMD uit Zuid-Afrika de situatie zou verbeteren. |
|
(113) |
EMD maakt slechts 10 à 15 % uit van de totale productiekosten van batterijen. Dit cijfer is ten opzichte van het oorspronkelijke onderzoek gedaald. Bovendien is de gemiddelde verkoopprijs van EMD in de Unie na de instelling van maatregelen feitelijk gedaald. Eigenlijk werden geen bewijzen verstrekt dat handhaving van de geldende maatregelen een niet te verwaarlozen invloed op de productiekosten van batterijproducenten zou hebben. |
|
(114) |
Bij gebrek aan dergelijk bewijsmateriaal is de Commissie tot de conclusie gekomen dat handhaving van de maatregelen geen ongewenste gevolgen voor de gebruikers van EMD zou hebben. |
|
(115) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen was dezelfde gebruiker het niet eens met het oordeel van de Commissie over de situatie; hij merkte op dat na de instelling van maatregelen één bron van EMD van goede kwaliteit verdween en de prijzen van EMD stegen, en dat dit, ook al maakt EMD slechts 10 à 15 % uit van de productiekosten, een aanzienlijk effect heeft op de reeds geringe winstgevendheid van batterijproducenten in de Unie. |
|
(116) |
In weerwil van het argument blijkt uit het bewijsmateriaal in het dossier dat de keuze van de gebruiker om geen gebruik te maken van EMD van Delta, geen verband hield met de instelling van antidumpingrechten en dat het gevaar voor de winstgevendheid en de werkgelegenheid van de gebruiker niet bestaat in een stijging van de EMD-prijs, maar in feite in de neerwaartse prijsdruk die wordt uitgeoefend door zijn belangrijkste afnemers (multinationale detailhandelaren met aanzienlijke koopkracht) en door Chinese batterijproducenten. |
|
(117) |
Dezelfde gebruiker van EMD merkte op dat de maatregelen niet mogen worden gehandhaafd, daar uit het onderzoek niet is gebleken dat in het TNO met dumping naar de Unie is uitgevoerd, en dat er geen gevaar was voor herhaling van dumping wegens het kleine marktaandeel dat Delta kon veroveren als het zijn gehele reservecapaciteit op de Unie zou richten. |
|
(118) |
Dit argument werd afgewezen omdat het geconstateerde potentiële marktaandeel van Delta duidelijk aanzienlijk zou zijn en deze uitvoer naar de Unie waarschijnlijk tegen dumpingprijzen zou plaatsvinden. |
5. Toekomstige ontwikkelingen
|
(119) |
In het verzoek om een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen vermeldden de klagers dat, als de vraag naar elektrische auto’s in de Unie in de toekomst stijgt, er aan de toeleveringszijde meer vraag zal komen naar EMD, dat naar verluidt de grondstof is die het meest wordt gebruikt bij de productie van lithiummangaanoxide (LMO), dat op zijn beurt dient als kathodemateriaal voor oplaadbare lithiumionbatterijen (LIB), die in veel modellen van elektrische voertuigen worden gebruikt. Zij betogen dat, als opnieuw schade wordt veroorzaakt door invoer met dumping vanuit Zuid-Afrika, de EMD-bedrijfstak van de Unie misschien niet in staat zal zijn om te voldoen aan deze potentiële nieuwe vraag die uitgaat van nieuwe technologieën. |
|
(120) |
Tijdens het onderzoek is geen afdoend bewijsmateriaal gevonden tot staving of tot weerlegging van het argument dat toekomstige ontwikkelingen in de sector van de elektrische auto's een aanzienlijke invloed zouden hebben op de EMD-bedrijfstak en de vraag naar EMD. Het is echter een feit dat de bedrijfstak van de Unie momenteel uittest of de vervaardiging van LMO door middel van EMD haalbaar is, dat hij in staat is om in de toekomst de knowhow en de apparatuur daarvoor te verkrijgen, en dat hij deelneemt aan een aantal door de Unie gefinancierde onderzoek- en ontwikkelingsprojecten met betrekking tot lithiumionbatterijen. |
|
(121) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen werd deze kwestie door enkele belanghebbenden kort aangeroerd, maar ook hier werd geen afdoend bewijsmateriaal verstrekt betreffende de gevolgen die toekomstige ontwikkelingen in de sector van de elektrische auto's in de Unie en/of op andere markten kunnen hebben voor het betrokken product. |
6. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(122) |
Gezien het bovenstaande zijn er geen dwingende redenen om de huidige antidumpingmaatregelen niet te handhaven. |
|
(123) |
Daarom moeten, op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening, de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op de invoer van bepaald elektrolytisch mangaandioxide van oorsprong uit de Republiek Zuid-Afrika voor een nieuwe periode van vijf jaar worden gehandhaafd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op elektrolytisch mangaandioxide (d.w.z. door middel van elektrolyse vervaardigd mangaandioxide) dat na de elektrolyse geen warmtebehandeling heeft ondergaan, momenteel ingedeeld onder de GN-code ex 2820 10 00 (Taric-code 2820 10 00 10), van oorsprong uit Zuid-Afrika.
2. Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de door onderstaande ondernemingen vervaardigde producten bedraagt:
|
Onderneming |
Antidumpingrecht |
Aanvullende Taric-code |
|
Delta E.M.D. (Pty) Ltd |
17,1 % |
A828 |
|
Alle andere ondernemingen |
17,1 % |
A999 |
3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 februari 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
K. ARVANITOPOULOS
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) Verordening (EG) nr. 221/2008 van de Raad van 10 maart 2008 tot instelling van een definitief antidumpingrecht en tot definitieve inning van het voorlopige antidumpingrecht op bepaalde soorten mangaandioxide van oorsprong uit Zuid-Afrika (PB L 69 van 13.3.2008, blz. 1).
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/20 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 192/2014 VAN DE COMMISSIE
van 27 februari 2014
tot goedkeuring van de werkzame stof 1,4-dimethylnaftaleen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor vóór 14 juni 2011 een besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor 1,4-dimethylnaftaleen is bij Besluit 2010/244/EU (3) van de Commissie aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan. |
|
(2) |
Nederland heeft op 25 juni 2009 overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van DormFresh Ltd een aanvraag ontvangen om de werkzame stof 1,4-dimethylnaftaleen in bijlage I bij richtlijn 91/414/EEG op te nemen. Bij Besluit 2010/244/EU is bevestigd dat het dossier „volledig” was, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht kon worden aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen. |
|
(3) |
Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De als rapporteur aangewezen lidstaat heeft op 21 maart 2012 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend. |
|
(4) |
Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie over de risicobeoordeling van de werkzame stof 1,4-dimethylnaftaleen als pesticide (4) op 16 mei 2013 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 13 december 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor 1,4-dimethylnaftaleen. |
|
(5) |
Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die 1,4-dimethylnaftaleen bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet 1,4-dimethylnaftaleen worden goedgekeurd. |
|
(6) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 2, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis, is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name verdere bevestigende informatie worden verlangd. |
|
(7) |
Er dient een redelijke termijn te verstrijken voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien. |
|
(8) |
Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moeten na goedkeuring zes maanden de tijd krijgen om de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die 1,4-dimethylnaftaleen bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van het volledige dossier conform bijlage III, zoals vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de uniforme beginselen. |
|
(9) |
Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie (5) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, problemen kan opleveren. Om meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(10) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 (6) van de Commissie dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(11) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Goedkeuring van de werkzame stof
De in bijlage I omschreven werkzame stof 1,4-dimethylnaftaleen wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden goedgekeurd.
Artikel 2
Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen
1. Indien nodig moeten de lidstaten de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die 1,4-dimethylnaftaleen als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 december 2014 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 wijzigen of intrekken.
Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat volgens de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom betreffende de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat 1,4-dimethylnaftaleen bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 juni 2014 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.
Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:
|
a) |
als 1,4-dimethylnaftaleen de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 december 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken; of |
|
b) |
als het gewasbeschermingsmiddel naast 1,4-dimethylnaftaleen nog een of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 december 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken. |
Artikel 3
Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 4
Inwerkingtreding en toepassingsdatum
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2014.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 februari 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).
(3) Besluit 2010/244/EU van de Commissie van 26 april 2010 houdende de principiële erkenning dat de dossiers die zijn ingediend voor grondig onderzoek met het oog op de eventuele opneming van 1,4-dimethylnaftaleen en cyflumetofen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad, volledig zijn (PB L 107 van 29.4.2010, blz. 22).
(4) EFSA Journal 2013; 11(6):3229. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu
(5) Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10).
(6) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).
BIJLAGE I
|
Benaming, identificatie-nummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Datum van goed-keuring |
Geldig-heidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||
|
1,4-dimethylnaftaleen CAS-nr. 571-58-4 CIPAC-nr. 822 |
1,4-dimethylnaftaleen |
≥ 980 g/kg |
1 juli 2014 |
30 juni 2024 |
Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over 1,4-dimethylnaftaleen (met name de aanhangsels I en II), dat op 13 december 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond. Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:
De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten. De aanvrager moet bevestigende informatie verstrekken over de residudefinitie voor de werkzame stof. De aanvrager moet de desbetreffende informatie uiterlijk op 30 juni 2016 indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA. |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
BIJLAGE II
In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:
|
Nummer |
Benaming, identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (*1) |
Datum van goedkeuring |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||
|
„68 |
1,4-dimethylnaftaleen CAS-nr. 571-58-4 CIPAC-nr. 822 |
1,4-dimethylnaftaleen |
≥ 980 g/kg |
1 juli 2014 |
30 juni 2024 |
Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over 1,4-dimethylnaftaleen (met name de aanhangsels I en II), dat op 13 december 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond. Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:
De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten. De aanvrager moet bevestigende informatie verstrekken over de residudefinitie voor de werkzame stof. De aanvrager moet de desbetreffende informatie uiterlijk op 30 juni 2016 indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.” |
(*1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/25 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 193/2014 VAN DE COMMISSIE
van 27 februari 2014
tot goedkeuring van de werkzame stof amisulbrom overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor vóór 14 juni 2011 een besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor amisulbrom is bij Beschikking 2007/669/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan. |
|
(2) |
Het Verenigd Koninkrijk heeft overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG op vrijdag 24 maart 2006 van Nissan Chemical Europe S.A.R.L. een aanvraag ontvangen om opneming van de werkzame stof amisulbrom in bijlage I bij die richtlijn. Bij Beschikking 2007/669/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” was, dat wil zeggen dat het in beginsel werd geacht aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen. |
|
(3) |
Voor die werkzame stof zijn de effecten op de gezondheid van mens en dier en op het milieu overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 15 juli 2008 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend. Overeenkomstig artikel 11, lid 6, van Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie (4) is de aanvrager op 20 mei 2011 om aanvullende informatie verzocht. In februari 2012 heeft het Verenigd Koninkrijk de evaluatie van de aanvullende informatie ingediend in de vorm van een bijgewerkt ontwerpbeoordelingsverslag. |
|
(4) |
Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie over de risicobeoordeling van de werkzame stof amisulbrom als bestrijdingsmiddel (5) op 27 mei 2013 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 13 december 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor amisulbrom. |
|
(5) |
Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die amisulbrom bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassing waarvoor zij is onderzocht en die is opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet amisulbrom worden goedgekeurd. |
|
(6) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, in samenhang met artikel 6 daarvan, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden gevraagd. |
|
(7) |
Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien. |
|
(8) |
Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die amisulbrom bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van de bijwerking van het volledige dossier conform bijlage III, zoals vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing volgens de uniforme beginselen. |
|
(9) |
Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie (6) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, problemen kan opleveren. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten daarom worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang tot een dossier verschaft dat aan de vereisten van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen geen nieuwe verplichtingen op. |
|
(10) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (7) dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(11) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Goedkeuring van de werkzame stof
De werkzame stof amisulbrom, als gespecificeerd in bijlage I, wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.
Artikel 2
Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen
1. Uiterlijk op 31 december 2014 wijzigen de lidstaten, indien nodig, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die amisulbrom als werkzame stof bevatten, of trekken deze in.
Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat volgens de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de voorschriften van bijlage II bij Richtlijn 91/414/EEG voldoet.
2. In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat amisulbrom bevat als enige werkzame stof of als één van een aantal werkzame stoffen die allemaal uiterlijk op 30 juni 2014 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.
Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:
|
a) |
als amisulbrom de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 december 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken; of |
|
b) |
als het gewasbeschermingsmiddel naast amisulbrom nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 december 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken. |
Artikel 3
Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011
De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.
Artikel 4
Inwerkingtreding en toepassingsdatum
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2014.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 februari 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(2) Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).
(3) Beschikking 2007/669/EG van de Commissie van 15 oktober 2007 houdende de principiële erkenning dat de dossiers die zijn ingediend voor grondig onderzoek met het oog op de eventuele opneming van Adoxophyes orana granulovirus, amisulbrom, emamectin, pyridalil en Spodoptera litteralis kernpolyedervirus in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad, volledig zijn (PB L 274 van 18.10.2007, blz. 15).
(4) Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn niet op de markt waren (PB L 53 van 26.2.2011, blz. 51).
(5) EFSA Journal 2013; 11(6):3237. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu
(6) Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10).
(7) Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).
BIJLAGE I
|
Benaming, identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (1) |
Datum van goedkeuring |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||||||||
|
Amisulbrom CAS-nr. 348635-87-0 CIPAC-nr. 789 |
3-(3-broom-6-fluor-2-methylindool-1-ylsulfonyl)-N,N-dimethyl-1H-1,2,4-triazool-1-sulfonamide |
≥ 985 g/kg De volgende relevante onzuiverheid mag niet meer bedragen dan: 3-broom-6-fluor-2-methyl-1-(1H-1,2,4-triazool-3-ylsulfonyl)-1H-indool: ≤ 2 g/kg |
1 juli 2014 |
30 juni 2024 |
Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over amisulbrom, en met name met de aanhangsels I en II daarvan, dat op 13 december 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond. Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan het risico voor in het water en de grond levende organismen. De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten. De aanvrager moet de volgende bevestigende informatie indienen:
De aanvrager moet de in de punten 1 tot en met 4 vastgestelde informatie uiterlijk op 30 juni 2016 en de in punt 5 vastgestelde informatie binnen twee jaar na de goedkeuring van de desbetreffende testrichtsnoeren van de OESO inzake hormoonontregeling indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA. |
(1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
BIJLAGE II
Aan deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:
|
Nummer |
Benaming, identificatienummers |
IUPAC-benaming |
Zuiverheid (*1) |
Datum van goedkeuring |
Geldigheidsduur |
Specifieke bepalingen |
||||||||||
|
„69 |
Amisulbrom CAS-nr. 348635-87-0 CIPAC-nr. 789 |
3-(3-broom-6-fluor-2-methylindool-1-ylsulfonyl)-N,N-dimethyl-1H-1,2,4-triazool-1-sulfonamide |
≥ 985 g/kg De volgende relevante onzuiverheid mag in het technische materiaal een bepaalde drempelwaarde niet overschrijden: 3-broom-6-fluor-2-methyl-1-(1H-1,2,4-triazool-3-ylsulfonyl)-1H-indool: ≤ 2 g/kg |
1 juli 2014 |
30 juni 2024 |
Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over amisulbrom, en met name met de aanhangsels I en II daarvan, dat op 13 december 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond. Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan het risico voor in het water en de grond levende organismen. De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten. De aanvrager dient de volgende bevestigende informatie in:
De aanvrager moet de in de punten 1 tot en met 4 vastgestelde informatie uiterlijk op 30 juni 2016 en de in punt 5 vastgestelde informatie binnen twee jaar na de goedkeuring van de desbetreffende testrichtsnoeren van de OESO inzake hormoonontregeling indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.”. |
(*1) Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/30 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 194/2014 VAN DE COMMISSIE
van 27 februari 2014
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 februari 2014.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Jerzy PLEWA
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
57,0 |
|
TN |
71,7 |
|
|
TR |
89,4 |
|
|
ZZ |
72,7 |
|
|
0707 00 05 |
EG |
182,1 |
|
JO |
188,1 |
|
|
MA |
114,7 |
|
|
TR |
158,0 |
|
|
ZZ |
160,7 |
|
|
0709 91 00 |
EG |
72,9 |
|
ZZ |
72,9 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
31,6 |
|
TR |
91,9 |
|
|
ZZ |
61,8 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
47,7 |
|
IL |
60,3 |
|
|
MA |
57,7 |
|
|
TN |
46,7 |
|
|
TR |
64,0 |
|
|
ZZ |
55,3 |
|
|
0805 20 10 |
IL |
129,9 |
|
MA |
95,0 |
|
|
ZZ |
112,5 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
IL |
137,1 |
|
MA |
121,1 |
|
|
PK |
46,0 |
|
|
TR |
72,9 |
|
|
US |
134,1 |
|
|
ZZ |
102,2 |
|
|
0805 50 10 |
EG |
57,3 |
|
TR |
67,5 |
|
|
ZZ |
62,4 |
|
|
0808 10 80 |
CN |
115,7 |
|
MK |
30,8 |
|
|
US |
157,0 |
|
|
ZZ |
101,2 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
120,1 |
|
CL |
207,1 |
|
|
CN |
72,1 |
|
|
TR |
156,2 |
|
|
US |
124,7 |
|
|
ZA |
104,6 |
|
|
ZZ |
130,8 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
RICHTLIJNEN
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/32 |
UITVOERINGSRICHTLIJN 2014/37/EU VAN DE COMMISSIE
van 27 februari 2014
tot wijziging van Richtlijn 91/671/EEG van de Raad betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen in voertuigen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 91/671/EEG van de Raad betreffende het verplichte gebruik van veiligheidsgordels en kinderbeveiligingssystemen in voertuigen (1), en met name artikel 7 bis,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 24 maart 1998 is de Europese Gemeenschap bij Besluit 97/836/EG van de Raad (2) toegetreden tot de Overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties („VN/ECE”) betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen, verleend op basis van deze eisen (hierna de „herziene overeenkomst van 1958” genoemd). |
|
(2) |
Overeenkomstig punt 1 van bijlage II bij Besluit 97/836/EG worden de technische eisen van VN/ECE-reglementen in het kader van de herziene overeenkomst van 1958 alternatieven voor de technische bijlagen bij de desbetreffende richtlijnen van de Unie als de laatstgenoemde hetzelfde toepassingsgebied hebben en als er voor de VN/ECE-reglementen afzonderlijke richtlijnen van de Unie bestaan. De aanvullende bepalingen van richtlijnen, zoals die inzake montagevoorschriften of de goedkeuringsprocedure, blijven echter van kracht. |
|
(3) |
Onder de auspiciën van de VN/ECE werd een nieuw VN/ECE-reglement opgesteld en aangenomen over uniforme bepalingen voor de goedkeuring van verbeterde kinderbeveiligingssystemen aan boord van motorvoertuigen (hierna „Reglement nr. 129” genoemd). |
|
(4) |
Reglement nr. 129 is op 9 juli 2013 in werking getreden als bijlage bij de herziene overeenkomst van 1958. |
|
(5) |
De gestandaardiseerde voorschriften van Reglement nr. 129 zijn verbeterde alternatieven voor de voorschriften die zijn vastgesteld op grond van Reglement nr. 44 inzake uniforme voorschriften voor de goedkeuring van beveiligingssystemen voor kinderen aan boord van motorvoertuigen („kinderbeveiligingssystemen”) (3) en houden rekening met de technische vooruitgang van verschillende aspecten van kinderbeveiligingssystemen, zoals tests voor zijdelingse botsingen, de naar achteren gerichte positie van kinderen tot 15 maanden, de verenigbaarheid met verschillende voertuigen, testdummy’s en testbanken en de aanpasbaarheid aan kinderen van verschillende lengte. |
|
(6) |
Aangezien in Richtlijn 91/671/EEG eisen zijn vastgesteld voor de goedkeuring en het verplichte gebruik van kinderbeveiligingssystemen in motorvoertuigen in de Unie, moet het gebruik van kinderbeveiligingssystemen die overeenkomstig de technische voorschriften van Reglement nr. 129 zijn goedgekeurd, in deze richtlijn worden opgenomen. |
|
(7) |
De maatregelen van deze richtlijn zijn in overeenstemming met het advies van het overeenkomstig artikel 7 ter van Richtlijn 91/671/EEG ingestelde comité, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 2 van Richtlijn 91/671/EEG wordt als volgt gewijzigd:
|
(1) |
punt 1, onder a), i), wordt vervangen door:
|
|
(2) |
punt 1, onder c), wordt vervangen door:
|
Artikel 2
1. De lidstaten keuren de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen goed en maken deze bekend om uiterlijk zes maanden na de inwerkingtreding ervan aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 27 februari 2014.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Siim KALLAS
Vicevoorzitter
(1) PB L 373 van 31.12.1991, blz. 26.
(2) Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen, PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78.
BESLUITEN
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/34 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 27 februari 2014
houdende benoeming van een lid van de Rekenkamer
(2014/108/EU)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 286, lid 2,
Gezien het advies van het Europees Parlement (1),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het mandaat van de heer Harald WÖGERBAUER verstrijkt op 28 februari 2014. |
|
(2) |
Er dient derhalve te worden overgegaan tot een nieuwe benoeming, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De heer Oskar HERICS wordt benoemd tot lid van de Rekenkamer voor de periode van 1 maart 2014 tot en met 29 februari 2020.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 27 februari 2014.
Voor de Raad
De voorzitter
D. KOURKOULAS
(1) Advies van 25 februari 2014 (nog niet in het Publicatieblad bekendgemaakt).
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/35 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2014
tot intrekking van Besluit 2000/745/EG waarbij verbintenissen worden aanvaard die zijn aangeboden in het kader van de antidumping- en de antisubsidieprocedure met betrekking tot de invoer van polyethyleentereftalaat (pet) uit onder meer India
(2014/109/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 597/2009 van de Raad van 11 juni 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met subsidiëring uit landen die geen lid van de Europese Gemeenschap zijn (1) (de „antisubsidiebasisverordening”), en met name artikel 13,
Na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. BESTAANDE MAATREGELEN
|
(1) |
Compenserende maatregelen op de invoer van polyethyleentereftalaat („pet”) van oorsprong uit India zijn van kracht sinds 2000 (2). Deze maatregelen zijn laatstelijk gehandhaafd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 van de Raad (3), na een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen. |
|
(2) |
Antidumpingmaatregelen op de invoer van pet van oorsprong uit India zijn van kracht sinds 2000 (4). Deze maatregelen zijn laatstelijk gehandhaafd bij Verordening (EG) nr. 192/2007 van de Raad (5), na een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen. Op 24 februari 2012 heeft de Commissie een volgend nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen geopend. Bij Uitvoeringsbesluit 2013/226/EU van de Raad (6) werd het voorstel van de Commissie voor een uitvoeringsverordening van de Raad tot handhaving van het antidumpingrecht op pet van oorsprong uit onder meer India verworpen, zodat de antidumpingmaatregelen zijn vervallen. |
|
(3) |
In 2000 heeft de Commissie bij Besluit 2000/745/EG (7) prijsverbintenissen („de verbintenissen”) aanvaard die in het kader van zowel de antidumping- als de antisubsidieprocedure zijn aangeboden door onder meer de Indiase ondernemingen Pearl Engineering Polymers Limited („Pearl”) en Reliance Industries Limited („Reliance”). In 2005 heeft de Commissie bij Besluit 2005/697/EG (8) tot wijziging van Besluit 2000/745/EG een verbintenis aanvaard van de Indiase onderneming South Asean Petrochem Limited die als gevolg van een fusie haar naam heeft veranderd in Dhunseri Petrochem & Tea Limited („Dhunseri”) (9). |
B. VERANDERING VAN DE OMSTANDIGHEDEN TIJDENS DE UITVOERING VAN DE VERBINTENISSEN
|
(4) |
Een verandering van de omstandigheden tijdens de uitvoering van de verbintenissen kan een besluit van de Commissie rechtvaardigen om gebruik te maken van haar bevoegdheid om de aanvaarding van de verbintenissen in te trekken, zoals vastgesteld in artikel 13, lid 9, van de antisubsidiebasisverordening. |
|
(5) |
De intrekking van de antidumpingmaatregelen en de handhaving van de compenserende rechten vormen een verandering van de omstandigheden waarin de verbintenissen werden aanvaard. Toen de verbintenissen werden aanvaard, waren zowel antidumping- als antisubsidiemaatregelen van kracht. Het kernelement van de verbintenissen, de minimuminvoerprijs („MIP”), weerspiegelt zowel het aspect dumping als het aspect subsidiëring. Momenteel is het aspect dumping afwezig. Daarom bevindt de MIP zich niet op het passende niveau. |
C. SCHENDING VAN DE VERBINTENIS
|
(6) |
Daarnaast heeft een van de Indiase ondernemingen, Pearl, zich niet aan haar verplichting inzake verslaglegging jegens de Commissie gehouden. De onderneming heeft geen verslagen over de verkoopcijfers per kwartaal ingediend. De Commissie kan zo niet nagaan of de verbintenis wordt nageleefd. |
|
(7) |
In de verbintenis is bepaald dat het niet indienen van verslagen schending van de verbintenis inhoudt. Een recent arrest van het Hof van Justitie (10) heeft eveneens bevestigd dat verplichtingen inzake verslaglegging als essentieel voor het goed functioneren van een verbintenis moeten worden beschouwd. |
|
(8) |
Ook op basis hiervan moet de aanvaarding van de verbintenis van Pearl worden ingetrokken. |
D. SCHRIFTELIJKE OPMERKINGEN
|
(9) |
De drie ondernemingen werden in de gelegenheid gesteld om te worden gehoord en schriftelijke opmerkingen in te dienen. Twee Indiase ondernemingen en het Committee of PET Manufacturers in Europe (CPME), dat de bedrijfstak van de Unie vertegenwoordigt, hebben opmerkingen gemaakt. |
1. Veranderde omstandigheden als grond voor de intrekking van de aanvaarding van een verbintenis
|
(10) |
Eén onderneming voerde aan dat het voorstel tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis geen rechtsgrondslag had. Deze belanghebbende stelde dat in artikel 13, lid 9, van de antisubsidiebasisverordening „veranderde omstandigheden” niet expliciet worden vermeld en alle mogelijkheden om de aanvaarding van de verbintenis in te trekken aan gevallen van schending worden verbonden. Dit argument moest worden afgewezen. „Verandering van de omstandigheden” wordt in artikel 13, lid 9, van de antisubsidiebasisverordening inderdaad niet expliciet vermeld. De gevallen waarin de Commissie de aanvaarding van een verbintenis kan intrekken, worden er echter duidelijk niet beperkt tot gevallen van schending. In het artikel staat dat: „[w]anneer een verbintenis door een partij wordt geschonden of opgezegd, of wanneer de aanvaarding van de verbintenis door de Commissie wordt opgezegd [onderstreping toegevoegd], […] de aanvaarding van de verbintenis na overleg [wordt] ingetrokken …”. Hierin wordt de opzegging van de aanvaarding van een verbintenis dus aangewezen als autonome grondslag voor de intrekking ervan. |
|
(11) |
Tegenover de discretionaire bevoegdheden van de Commissie om een verbintenisaanbod te aanvaarden of af te wijzen moet de bevoegdheid staan om de aanvaarding van een verbintenis in te trekken indien de omstandigheden op basis waarvan de aangeboden verbintenissen waren aanvaard, veranderen. Volgens de rechtspraak van het Hof „[beslissen] de instellingen in het kader van hun discretionaire bevoegdheid […], of […] verbintenissen kunnen worden aanvaard” (11). Die discretionaire bevoegdheid is over het algemeen ruim op het gebied van handelsbeschermende maatregelen, aangezien de rechterlijke instanties van de Unie erkennen dat de instellingen op dat gebied ingewikkelde situaties van economische, politieke en juridische aard moeten onderzoeken. Meer in het bijzonder heeft het Hof geoordeeld dat de Commissie „bij de uitoefening van de haar in [de basisverordening] toegekende bevoegdheden […] over een zeer ruime beoordelingsvrijheid beschikt om, de belangen van de Gemeenschap in aanmerking genomen, te bepalen welke maatregelen in verband met de vastgestelde situatie eventueel moeten worden genomen” (12). Derhalve geniet de Commissie, wanneer zij een verbintenis aanvaardt, afwijst of intrekt, de discretionaire bevoegdheid die nodig is om handelsmaatregelen in het belang van de Unie ten uitvoer te kunnen leggen. |
|
(12) |
De Commissie wijst dan ook het argument af dat een verandering van de omstandigheden ten opzichte van die op het ogenblik van de aanvaarding niet als grond voor de intrekking van de aanvaarding kan gelden. |
2. Samenhang van de intrekking met eerdere wetgeving betreffende dezelfde procedure
|
(13) |
Eén onderneming voerde aan dat de aanvaarding van haar verbintenis bij Besluit 2013/223/EU van de Commissie (13) opnieuw werd bevestigd. In dat verband voerde zij ook aan dat in artikel 2, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 tot instelling van een definitief compenserend recht eveneens wordt erkend dat de verbintenis na het vervallen van de antidumpingrechten van kracht kan blijven. Beide argumenten zijn onjuist. Bij Besluit 2013/223/EU heeft de Commissie de aanvaarding ingetrokken van de verbintenissen van één Indonesische en één Indiase onderneming die zich niet aan hun verplichtingen inzake verslaglegging hebben gehouden. Dat de aanvaarding van een verbintenis met betrekking tot één onderneming wordt ingetrokken, belet de Commissie geenszins later te besluiten de aanvaarding van andere verbintenissen in te trekken indien de omstandigheden van het betrokken geval zulks rechtvaardigen. |
|
(14) |
Bijgevolg gaf Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013, die op 23 mei 2013 werd bekendgemaakt, de wijziging van Besluit 2000/745/EG als gevolg van de vaststelling van Besluit 2013/223/EU (intrekking met betrekking tot één Indonesische en één Indiase onderneming) weer. Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 tot instelling van een definitief compenserend recht werd bekendgemaakt op dezelfde dag als Uitvoeringsbesluit 2013/226/EU waarbij het antidumpingrecht door de Raad werd ingetrokken. De Commissie kon de gevolgen van dit laatste besluit pas onderzoeken na de vaststelling ervan. |
|
(15) |
De argumenten van deze belanghebbende moesten dus worden afgewezen. |
3. Wiskundige aanpassing van de MIP
|
(16) |
Eén onderneming verzocht de Commissie om een bedrag dat overeenstemt met het vaste antidumpingrecht in mindering te brengen op de MIP en daarmee de MIP in overeenstemming te brengen met de onderliggende maatregel, te weten het compenserende recht. Deze bewerking kon niet worden uitgevoerd. Eerst en vooral kunnen het kader en de minimumprijzen volgens de voorwaarden van de verbintenis uitsluitend worden herzien door middel van een tussentijds nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 19 van de antisubsidiebasisverordening. Ten tweede heeft de onderneming alleen verzocht om bedragen die overeenstemmen met het vaste antidumpingrecht in mindering te brengen op de huidige MIP. In de huidige verbintenis zijn de MIP en het indexeringsmechanisme gebaseerd op de geen schade veroorzakende prijs voor de markt van de Unie (richtprijs) of op de normale waarde (afhankelijk van de onderneming in kwestie) als vastgesteld in 1999. In het laatste geval ontbreekt voor de MIP elke grondslag, aangezien het antidumpingrecht is vervallen. Indien de verbintenis uitsluitend ten aanzien van het compenserende recht was beoordeeld, dan had de uitvoerprijs (verhoogd met het bedrag van het vaste compenserende recht) een benchmark voor de MIP kunnen worden. Om een passende MIP vast te stellen zou de Commissie eerst de uitvoerprijs moeten vaststellen die als benchmark zou worden gebruikt. In het onderhavige geval kan een benchmark van die aard niet eenvoudig worden vastgesteld, te meer omdat de maatregelen reeds sinds lange tijd gelden. Bovendien kan het huidige indexeringsmechanisme dat op de geen schade veroorzakende prijs (richtprijs) of de normale waarde is gebaseerd, niet simpelweg op de uitvoerprijs worden toegepast. Voor elke eenvoudige wiskundige aanpassing is vereist dat alle elementen die nodig zijn voor de berekening van de MIP, gemakkelijk kunnen worden geïdentificeerd en onbetwistbaar zijn. Alleen in dat geval kan de Commissie de gelijkwaardigheid garanderen van de verbintenis en de geldende maatregel. In het onderhavige geval wordt aan deze voorwaarde niet voldaan. Een eenvoudige wiskundige bewerking zoals die welke de indiener van het verzoek heeft voorgesteld, is dan ook niet mogelijk. |
|
(17) |
De Commissie moet tijdig optreden in verband met de van kracht zijnde verbintenis, om gevolg te geven aan het besluit van de Raad tot intrekking van de geldende antidumpingrechten. Daarom moet verdere vertraging worden vermeden. De intrekking van de aanvaarding van de verbintenis laat eventuele toekomstige besluiten onverlet, ingeval een onderneming een verbintenisaanbod wil indienen. |
|
(18) |
Na de tweede mededeling van de bevindingen van de Commissie herhaalde één belanghebbende zijn argument dat de MIP moet worden verlaagd met een eenvoudige wiskundige bewerking. Deze belanghebbende bestreed de redenering van de Commissie in dat verband, die „onjuist en geheel ongegrond” zou zijn. Dat argument werd echter niet verder onderbouwd en moet dan ook worden afgewezen. In elk geval is het argument behandeld in overweging 16. |
|
(19) |
Bijgevolg moest het argument met het oog op de wiskundige aanpassing van de MIP worden afgewezen. |
4. Aanhangige zaak T-422/13
|
(20) |
Eén onderneming voerde aan dat verbintenissen van kracht moeten blijven in afwachting van het arrest van het Gerecht in zaak T-422/13 CPME e.a. vs Raad. Volgens die onderneming moet de Commissie de verbintenis opnieuw in werking stellen indien het beroep van de bedrijfstak van de Unie tegen Uitvoeringsbesluit 2013/226/EU tot intrekking van de antidumpingrechten slaagt. Dit argument is onjuist. De Commissie moet de huidige situatie beoordelen en tijdig optreden, om gevolg te geven aan het besluit van de Raad tot intrekking van de antidumpingmaatregelen. De Commissie kan bij haar besluitvorming in dit verband niet vooruitlopen op de eventuele uitkomst van een rechtszaak. In het licht hiervan moet tijdig een besluit worden genomen over de van kracht zijnde verbintenissen. |
5. Schending van de verbintenis
|
(21) |
Eén onderneming voerde aan dat wanneer één onderneming haar verplichtingen inzake verslaglegging heeft geschonden, dit geen gevolgen mag hebben voor andere ondernemingen. Hierbij wordt bevestigd dat alleen bij de onderneming Pearl een schending van de verplichtingen inzake verslaglegging is vastgesteld. |
6. Eventueel nieuw onderzoek en verbintenissen
|
(22) |
Twee Indiase ondernemingen stelden dat de verbintenissen van kracht moeten blijven in afwachting van de resultaten van een eventueel tussentijds nieuw onderzoek van de MIP. De Commissie merkt op dat aangezien het antidumpingrecht is vervallen, de grondslag voor de MIP is weggevallen (zie overweging 16). Een besluit om de gevolgen van deze verandering aan te pakken, moet tijdig worden genomen. Tegelijkertijd kan een onderneming om een nieuw onderzoek van de geldende maatregel verzoeken en in dat kader een nieuwe verbintenis aanbieden die uitsluitend verband houdt met de van kracht zijnde antisubsidiemaatregelen. |
|
(23) |
Na de tweede mededeling van de bevindingen van de Commissie herhaalde één belanghebbende zijn argument dat de Commissie ambtshalve een tussentijds nieuw onderzoek had moeten openen en dat de verbintenis van kracht moet blijven in afwachting van de resultaten van dat onderzoek. |
|
(24) |
In de eerste plaats merkt de Commissie op dat zij over discretionaire bevoegdheden beschikt ter zake van de opening van een nieuw antisubsidieonderzoek. In dit specifieke geval hangt een nieuw onderzoek echter samen met de wens van een exporteur om een nieuwe verbintenis aan te bieden. De Commissie heeft dan ook geen reden om een nieuw onderzoek te openen zonder een nieuw verbintenisaanbod van de betrokken exporteur, overeenkomstig artikel 13 van de basisverordening. |
|
(25) |
Om de gelijkwaardigheid te garanderen moet een verbintenis bovendien in overeenstemming zijn met de onderliggende maatregel die door de Raad werd ingesteld. Dit is niet langer het geval en de Commissie heeft dan ook voorgesteld om de van kracht zijnde verbintenis in te trekken. |
|
(26) |
Belanghebbenden kunnen daadwerkelijk verzoeken om een nieuw tussentijds onderzoek op basis van het bepaalde in de antisubsidiebasisverordening en in het kader van een dergelijk nieuw onderzoek zou elk eventueel nieuw verbintenisaanbod in overweging worden genomen. |
7. Antisubsidierecht als belemmering voor de invoer
|
(27) |
Na de tweede mededeling van de bevindingen van de Commissie stelde één belanghebbende dat de intrekking van de aanvaarding van de verbintenis „in plaats van het beschermingsniveau te verlagen in het verlengde van het vervallen van de antidumpingmaatregelen, […] de invoer onmogelijk [zou] maken voor de gebruikers van pet”. De Commissie wijst er in dit verband op dat zonder verbintenis de MIP voor een exporteur niet langer een benchmark is. De belanghebbende heeft niet onderbouwd waarom het compenserende recht de invoer zou belemmeren voor Indiase exporteurs. Hoe dan ook gaat het er bij het instellen van maatregelen en bij het eventueel aanvaarden van een verbintenis niet om de invoer voor de gebruikers mogelijk te maken. Het doel is, zoals de belanghebbende opmerkt, een beschermingsniveau te verwezenlijken. De belangen van de gebruikers zijn beoordeeld in het kader van het belang van de Unie bij de instelling van de maatregelen samen met de belangen van alle andere betrokken partijen. Geconcludeerd werd dat de instelling van maatregelen niet tegen het belang van de Unie is. Het argument moest daarom worden afgewezen. |
8. Conclusie inzake de opmerkingen van belanghebbenden
|
(28) |
Geen van de argumenten van de belanghebbenden heeft het voorstel van de Commissie tot intrekking van de aanvaarding van de verbintenis kunnen veranderen. |
E. INTREKKING VAN BESLUIT 2000/745/EG
|
(29) |
In het licht van het voorgaande moet de aanvaarding van de verbintenissen worden ingetrokken en moet Besluit 2000/745/EG worden ingetrokken. Dienovereenkomstig moeten de bij artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 461/2013 ingestelde definitieve compenserende rechten ook voor de invoer van door de ondernemingen Dhunseri, Reliance en Pearl (aanvullende Taric-code A585 voor Dhunseri, aanvullende Taric-code A181 voor Reliance en aanvullende Taric-code A182 voor Pearl) geproduceerd pet gelden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Besluit 2000/745/EG wordt ingetrokken.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 188 van 18.7.2009, blz. 93.
(2) PB L 301 van 30.11.2000, blz. 1.
(3) PB L 137 van 23.5.2013, blz. 1.
(4) PB L 301 van 30.11.2000, blz. 21.
(5) PB L 59 van 27.2.2007, blz. 1.
(6) PB L 136 van 23.5.2013, blz. 12.
(7) PB L 301 van 30.11.2000, blz. 88.
(8) PB L 266 van 11.10.2005, blz. 62.
(9) PB C 335 van 11.12.2010, blz. 7.
(10) Arrest van het Hof van 22 november 2012 in zaak C-522/10 P Usha Martin Ltd tegen de Raad van de Europese Unie en de Europese Commissie (nog niet bekendgemaakt).
(11) Zaak 256/84 Koyo Seiko vs Raad, Jurispr. 1987, blz. 1912, rechtsoverweging 26; zaak 255/84 Nachi Fujikoshi vs Raad, Jurispr. 1987, blz. 1884, rechtsoverweging 42; zaak 240/84 Toyo vs Raad, Jurispr. 1987, blz. 1849, rechtsoverweging 34.
(12) Zaak 191/82, Fediol vs Commissie, Jurispr. 1983, blz. 2913, rechtsoverweging 26; zie ook zaak T-162/94 NMB France e.a. vs Commissie, Jurispr. 1996, blz. II-427, punt 72; zaak T-97/95 Sinochem vs Raad, Jurispr. 1998, blz. II-85, punt 51; zaak T-118/96 Thai Bicycle vs Raad, Jurispr. 1998, blz. II-2991, punt 32.
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/39 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 25 februari 2014
houdende wijziging van Besluit 2007/479/EG inzake de verenigbaarheid met de Gemeenschapswetgeving van maatregelen die door België zijn genomen overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten
(2014/110/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (1), en met name artikel 14, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Besluit 2007/479/EG (2) heeft de Commissie vastgesteld dat de maatregelen waarvan België de Commissie op 10 december 2003 overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad (3) in kennis heeft gesteld, verenigbaar zijn met het Gemeenschapsrecht. Dit besluit is bevestigd door het Hof van Justitie (4). |
|
(2) |
Artikel 3 bis van Richtlijn 89/552/EEG is vervangen door artikel 14 van Richtlijn 2010/13/EU. |
|
(3) |
Bij brief van 19 november 2013 heeft het Koninkrijk België de Commissie in kennis gesteld van een op 17 januari 2013 door de regering van de Franse Gemeenschap van België aangenomen besluit, waarin de maatregelen die van toepassing zijn op de Franse Gemeenschap van België worden gewijzigd. |
|
(4) |
De Commissie heeft geconstateerd dat het op 17 januari 2013 door de regering van de Franse Gemeenschap aangenomen besluit slechts betrekking heeft op terminologische wijzigingen en zeer beperkte, formele wijzigingen van de maatregelen waarvan de Commissie oorspronkelijk in 2003 in kennis is gesteld; de Commissie heeft deze maatregelen toentertijd geëvalueerd en op basis daarvan het in overweging 1 genoemde besluit vastgesteld. Door dit besluit van de regering van de Franse Gemeenschap worden deze maatregelen uitsluitend op formeel en terminologisch vlak gewijzigd. In het bijzonder zijn de volgende wijzigingen aangebracht: vervanging van de titel van de maatregel; vervanging in de hele tekst van de term „televisieomroep” door de term „lineaire televisiediensten”; wijziging van de definitie van „uitgever”, die een exclusiviteitsrecht op uitzending uitoefent dat hij verworven heeft voor een evenement van het hoogste belang (door deze terminologische wijziging wordt de maatregel echter niet uitgebreid naar andere dan de in de maatregelen waarvan de Commissie oorspronkelijk in kennis is gesteld bedoelde uitgevers); bevestiging van het recht van de laatstgenoemde om dergelijke evenementen uit te zenden via een lineaire televisiedienst zonder vrije toegang op voorwaarde dat de exploitatie ervan ook is aangeboden aan aanbieders van dergelijke diensten. |
|
(5) |
De Commissie heeft de andere lidstaten er op de 34e en 38e bijeenkomst van het overeenkomstig artikel 29 van Richtlijn 2010/13/EU opgerichte comité van op de hoogte gebracht dat de regering van de Franse Gemeenschap in België van plan was de in overweging 3 genoemde wijzigingsmaatregelen te nemen respectievelijk dat deze maatregelen vervolgens zijn aangenomen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Besluit 2007/479/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Artikel 1 wordt vervangen door: „Artikel 1 De door België bij de Commissie op 10 december 2003 aangemelde maatregelen overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, van Richtlijn 89/552/EEG, zoals bekendgemaakt in Publicatieblad van de Europese Unie C 158 van 29 juni 2005 en gewijzigd bij een in het Belgisch Staatsblad van 19 maart 2013 [C-2013/29212], blz. 16401, bekendgemaakte maatregel, waarvan de Commissie overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad (*1) op 26 november 2013 in kennis is gesteld, zijn verenigbaar met het recht van de Unie. (*1) Richtlijn 2010/13/EU van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2010 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten) (PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1).”." |
|
2) |
Het volgende artikel 3 wordt toegevoegd: „Artikel 3 De door België genomen en in bijlage A vervatte maatregelen, houdende wijziging van de overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, van Richtlijn 89/552/EEG genomen maatregelen, worden overeenkomstig artikel 14, lid 2, van Richtlijn 2010/13/EU bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.”. |
|
3) |
Overeenkomstig de bijlage bij dit besluit wordt er een bijlage A toegevoegd. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 25 februari 2014.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 95 van 15.4.2010, blz. 1.
(2) Besluit 2007/479/EG van de Commissie van 25 juni 2007 inzake de verenigbaarheid met de Gemeenschapswetgeving van maatregelen die door België zijn genomen overeenkomstig artikel 3 bis, lid 1, van Richtlijn 89/552/EEG van de Raad betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 180 van 10.7.2007, blz. 24).
(3) Richtlijn 89/552/EEG van de Raad van 3 oktober 1989 betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake de uitoefening van televisieomroepactiviteiten (PB L 298 van 17.10.1989, blz. 23).
(4) Arrest van 18 juli 2013 in zaak C-204/11 P FIFA/Commissie, nog niet bekendgemaakt.
BIJLAGE
„BIJLAGE A
Bekendmaking overeenkomstig artikel 14 van Richtlijn 2010/13/EU betreffende de coördinatie van bepaalde wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in de lidstaten inzake het aanbieden van audiovisuele mediadiensten (richtlijn audiovisuele mediadiensten)
De door België vastgestelde bepalingen, houdende wijziging van de overeenkomstig artikel 3 bis van Richtlijn 89/552/EEG genomen maatregelen, zijn vervat in het besluit van de regering van de Franse Gemeenschap van 17 januari 2013 en op 19 maart 2013 bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad.
17 januari 2013 — Besluit van de regering van de Franse Gemeenschap tot wijziging van het besluit van de regering van de Franse Gemeenschap van 8 juni 2004 tot bepaling van evenementen van het hoogste belang en tot vaststelling van de nadere regels voor de toegang ertoe voor het publiek van de Franse Gemeenschap via een televisieomroepdienst met vrije toegang
Artikel 1. Het opschrift van het besluit van de regering van de Franse Gemeenschap van 8 juni 2004 tot bepaling van evenementen van het hoogste belang en tot vaststelling van de nadere regels voor de toegang ertoe voor het publiek van de Franse Gemeenschap via een televisieomroepdienst met vrije toegang, wordt vervangen als volgt:
„Besluit tot vaststelling van de lijst van evenementen van het hoogste belang en van de nadere regels voor de uitzending ervan.”.
Artikel 2. Artikel 2 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
„De uitgever van lineaire televisiediensten, met inbegrip van de RTBF, die van plan is een exclusiviteitsrecht op uitzending uit te oefenen, dat hij verworven heeft voor een evenement van het hoogste belang, is ertoe gehouden dit uit te zenden via een lineaire televisiedienst met vrije toegang, overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.”.
Artikel 3. In hetzelfde besluit wordt een artikel 2 bis ingevoegd, luidend als volgt:
|
„§ 1. |
De uitgever van lineaire televisiediensten, die van plan is een exclusiviteitsrecht uit te oefenen dat hij verworven heeft voor een evenement opgenomen in bijlage, kan dit uitzenden via een lineaire televisiedienst met geen vrije toegang met inachtneming van de volgende voorwaarden:
|
|
§ 2. |
Bij onenigheid tussen de uitgever van lineaire televisiediensten die het exclusiviteitsrecht heeft op een evenement en een uitgever van lineaire televisiediensten met vrije toegang wat betreft onder andere de financiële voorwaarden van het voorstel tot uitzending, leggen deze uitgevers het geschil voor aan de bevoegde rechtsprekende of administratieve overheid of aan arbitrage. Indien de uitgever van lineaire televisiediensten met vrije toegang de voorwaarden voor de verwerving van het uitzendingsrecht weigert die na deze procedure worden vastgesteld, kan de uitgever van lineaire televisiediensten die de exclusiviteit heeft, het evenement uitzenden via een lineaire televisiedienst met geen vrije toegang.”. |
Artikel 4. Artikel 3 van hetzelfde besluit wordt vervangen als volgt:
|
„§ 1. |
De uitgever van lineaire televisiediensten die het recht op rechtstreekse en volledige uitzending van een evenement verworven heeft, kan het evenement onrechtstreeks uitzenden via een lineaire televisiedienst met vrije toegang in de volgende gevallen:
|
|
§ 2. |
Wanneer de uitgever van lineaire televisiediensten die paragraaf één toepast, zijn recht op rechtstreekse en volledige uitzending verworven heeft met toepassing van artikel 2 bis, wordt de uitgever van lineaire televisiediensten die zijn exclusiviteitsrecht heeft afgestaan overeenkomstig artikel 2 bis, ertoe gemachtigd het evenement uit te zenden naar zijn wens via een lineaire televisiedienst met geen vrije toegang.”. |
Artikel 5. In artikel 4 van hetzelfde besluit worden de woorden „de dienstenuitgevers van de televisieomroep van de Franse Gemeenschap” vervangen door de woorden „de uitgevers van lineaire televisiediensten”.
Artikel 6. De minister van de Audiovisuele Sector is belast met de uitvoering van dit besluit.
Gedaan te Brussel, 17 januari 2013.
F. LAANAN
Minister van Cultuur, Audiovisuele Sector, Gezondheid en Gelijke kansen ”
Rectificaties
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/43 |
Rectificatie van Uitvoeringsbesluit 2012/830/EU van de Commissie van 7 december 2012 inzake een aanvullende financiële bijdrage voor 2012 aan de programma’s van de lidstaten met betrekking tot de controle, inspectie en bewaking van visserijactiviteiten
( Publicatieblad van de Europese Unie L 356 van 22 december 2012 )
Bijlage I bij Uitvoeringsbesluit 2012/830/EU komt als volgt te luiden:
„BIJLAGE I
NIEUWE TECHNOLOGIEËN EN IT-NETWERKEN
|
(EUR) |
|||
|
Lidstaat en projectcode |
Uitgaven die zijn gepland in de aanvullende nationale programma’s voor visserijcontrole |
Uitgaven voor op grond van dit besluit geselecteerde projecten |
Maximale bijdrage van de Unie |
|
België: |
|||
|
BE/12/08 |
30 000 |
30 000 |
27 000 |
|
BE/12/09 |
4 250 |
4 250 |
3 825 |
|
BE/12/10 |
100 000 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
134 250 |
34 250 |
30 825 |
|
Bulgarije: |
|||
|
BG/12/02 |
30 678 |
30 678 |
27 610 |
|
Subtotaal |
30 678 |
30 678 |
27 610 |
|
Denemarken: |
|||
|
DK/12/20 |
336 419 |
0 |
0 |
|
DK/12/22 |
269 136 |
0 |
0 |
|
DK/12/23 |
538 271 |
0 |
0 |
|
DK/12/24 |
134 568 |
134 568 |
121 111 |
|
DK/12/25 |
95 637 |
0 |
0 |
|
DK/12/26 |
158 911 |
0 |
0 |
|
DK/12/27 |
275 864 |
275 864 |
248 278 |
|
DK/12/28 |
272 500 |
272 500 |
245 250 |
|
DK/12/29 |
281 265 |
281 265 |
250 000 |
|
DK/12/30 |
282 592 |
282 592 |
250 000 |
|
DK/12/31 |
280 439 |
280 439 |
250 000 |
|
DK/12/32 |
296 049 |
296 049 |
250 000 |
|
DK/12/33 |
262 407 |
262 407 |
235 870 |
|
DK/12/34 |
269 136 |
269 136 |
242 222 |
|
DK/12/35 |
22 000 |
22 000 |
19 800 |
|
DK/12/36 |
405 000 |
405 000 |
250 000 |
|
DK/12/37 |
375 000 |
375 000 |
250 000 |
|
DK/12/38 |
163 500 |
163 500 |
147 150 |
|
Subtotaal |
4 718 694 |
3 320 319 |
2 759 681 |
|
Duitsland: |
|||
|
DE/12/23 |
400 000 |
400 000 |
360 000 |
|
DE/12/24 |
165 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/25 |
250 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/27 |
358 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/28 |
110 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/29 |
350 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/30 |
95 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/31 |
443 100 |
0 |
0 |
|
DE/12/32 |
650 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/33 |
970 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/34 |
275 000 |
0 |
0 |
|
DE/12/35 |
420 000 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
4 486 100 |
400 000 |
360 000 |
|
Ierland: |
|||
|
IE/12/06 |
20 000 |
0 |
0 |
|
IE/12/08 |
70 000 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
90 000 |
0 |
0 |
|
Griekenland: |
|||
|
EL/12/11 |
180 000 |
180 000 |
162 000 |
|
EL/12/12 |
750 000 |
750 000 |
675 000 |
|
EL/12/13 |
180 000 |
180 000 |
162 000 |
|
EL/12/14 |
26 750 |
26 750 |
24 075 |
|
EL/12/15 |
110 000 |
110 000 |
99 000 |
|
Subtotaal |
1 246 750 |
1 246 750 |
1 122 075 |
|
Spanje: |
|||
|
ES/12/02 |
939 263 |
939 263 |
845 336 |
|
ES/12/03 |
974 727 |
974 727 |
877 255 |
|
ES/12/05 |
795 882 |
795 883 |
716 294 |
|
ES/12/06 |
759 305 |
759 305 |
683 375 |
|
ES/12/08 |
163 250 |
163 250 |
146 925 |
|
ES/12/09 |
72 000 |
72 000 |
64 800 |
|
ES/12/10 |
100 000 |
100 000 |
90 000 |
|
ES/12/11 |
379 000 |
379 000 |
341 100 |
|
ES/12/12 |
490 000 |
490 000 |
441 000 |
|
ES/12/13 |
150 000 |
150 000 |
135 000 |
|
ES/12/15 |
150 000 |
0 |
0 |
|
ES/12/18 |
54 000 |
54 000 |
48 600 |
|
ES/12/19 |
290 440 |
290 440 |
261 396 |
|
ES/12/21 |
17 500 |
17 500 |
15 750 |
|
ES/12/22 |
681 000 |
0 |
0 |
|
ES/12/23 |
372 880 |
372 880 |
335 592 |
|
ES/12/24 |
415 254 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
6 804 501 |
5 558 247 |
5 002 423 |
|
Frankrijk: |
|||
|
FR/12/08 |
777 600 |
777 600 |
699 840 |
|
FR/12/09 |
870 730 |
870 730 |
783 656 |
|
FR/12/10 |
229 766 |
229 766 |
206 789 |
|
FR/12/11 |
277 395 |
277 395 |
249 656 |
|
FR/12/12 |
230 363 |
230 363 |
207 327 |
|
FR/12/13 |
197 403 |
197 403 |
177 663 |
|
FR/12/14 |
450 000 |
450 000 |
405 000 |
|
FR/12/15 |
211 500 |
0 |
0 |
|
FR/12/16 |
274 330 |
274 330 |
246 897 |
|
FR/12/17 |
254 350 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
3 773 437 |
3 307 587 |
2 976 828 |
|
Italië: |
|||
|
IT/12/13 |
135 000 |
135 000 |
121 500 |
|
IT/12/15 |
125 000 |
125 000 |
112 500 |
|
IT/12/16 |
ingetrokken |
0 |
0 |
|
IT/12/17 |
250 000 |
250 000 |
225 000 |
|
IT/12/18 |
250 000 |
0 |
0 |
|
IT/12/19 |
630 000 |
630 000 |
567 000 |
|
IT/12/21 |
1 500 000 |
1 500 000 |
1 350 000 |
|
IT/12/22 |
311 000 |
0 |
0 |
|
IT/12/23 |
38 000 |
0 |
0 |
|
IT/12/26 |
1 900 000 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
5 139 000 |
2 640 000 |
2 376 000 |
|
Letland: |
|||
|
LV/12/02 |
6 732 |
6 732 |
6 058 |
|
LV/12/03 |
58 350 |
58 350 |
52 515 |
|
Subtotaal |
65 082 |
65 082 |
58 573 |
|
Litouwen: |
|||
|
LT/12/04 |
150 462 |
150 462 |
135 416 |
|
Subtotaal |
150 462 |
150 462 |
135 416 |
|
Malta: |
|||
|
MT/12/04 |
30 000 |
30 000 |
27 000 |
|
MT/12/07 |
261 860 |
261 860 |
235 674 |
|
Subtotaal |
291 860 |
291 860 |
262 674 |
|
Nederland: |
|||
|
NL/12/07 |
250 000 |
250 000 |
225 000 |
|
NL/12/08 |
278 172 |
0 |
0 |
|
NL/12/09 |
277 862 |
0 |
0 |
|
NL/12/10 |
286 364 |
0 |
0 |
|
NL/12/11 |
276 984 |
0 |
0 |
|
NL/12/12 |
129 398 |
0 |
0 |
|
NL/12/13 |
129 500 |
0 |
0 |
|
NL/12/14 |
200 000 |
0 |
0 |
|
NL/12/15 |
230 000 |
0 |
0 |
|
NL/12/16 |
136 329 |
0 |
0 |
|
NL/12/17 |
19 300 |
0 |
0 |
|
NL/12/18 |
36 120 |
0 |
0 |
|
NL/12/19 |
89 860 |
0 |
0 |
|
NL/12/20 |
299 550 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
2 639 439 |
250 000 |
225 000 |
|
Oostenrijk: |
|||
|
AT/12/01 |
128 179 |
128 179 |
115 361 |
|
AT/12/02 |
280 923 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
409 102 |
128 179 |
115 361 |
|
Polen: |
|||
|
PL/12/02 |
103 936 |
0 |
0 |
|
PL/12/04 |
41 028 |
0 |
0 |
|
PL/12/06 |
15 955 |
0 |
0 |
|
PL/12/07 |
40 500 |
0 |
0 |
|
PL/12/08 |
1 000 000 |
1 000 000 |
900 000 |
|
PL/12/09 |
172 600 |
0 |
0 |
|
PL/12/10 |
1 505 000 |
0 |
0 |
|
PL/12/11 |
208 760 |
0 |
0 |
|
PL/12/12 |
227 350 |
0 |
0 |
|
PL/12/13 |
240 300 |
0 |
0 |
|
PL/12/14 |
323 000 |
323 000 |
290 700 |
|
PL/12/15 |
181 000 |
0 |
0 |
|
PL/12/16 |
416 000 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
4 475 429 |
1 323 000 |
1 190 700 |
|
Portugal: |
|||
|
PT/12/08 |
25 000 |
25 000 |
22 500 |
|
PT/12/10 |
150 000 |
150 000 |
135 000 |
|
PT/12/11 |
150 000 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
325 000 |
175 000 |
157 500 |
|
Finland: |
|||
|
FI/12/11 |
1 000 000 |
1 000 000 |
900 000 |
|
FI/12/12 |
1 000 000 |
1 000 000 |
900 000 |
|
FI/12/13 |
280 000 |
280 000 |
252 000 |
|
FI/12/14 |
280 000 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
2 560 000 |
2 280 000 |
2 052 000 |
|
Zweden: |
|||
|
SE/12/07 |
850 000 |
850 000 |
765 000 |
|
SE/12/08 |
750 000 |
750 000 |
675 000 |
|
SE/12/09 |
300 000 |
300 000 |
270 000 |
|
SE/12/10 |
1 000 000 |
1 000 000 |
900 000 |
|
SE/12/11 |
80 000 |
0 |
0 |
|
Subtotaal |
2 980 000 |
2 900 000 |
2 610 000 |
|
Verenigd Koninkrijk: |
|||
|
UK/12/51 |
122 219 |
122 219 |
109 997 |
|
UK/12/52 |
564 086 |
0 |
0 |
|
UK/12/54 |
50 141 |
50 141 |
45 127 |
|
UK/12/55 |
43 873 |
43 873 |
39 486 |
|
UK/12/56 |
122 219 |
122 219 |
109 997 |
|
UK/12/73 |
12 535 |
12 535 |
11 282 |
|
UK/12/74 |
162 958 |
162 958 |
146 662 |
|
Subtotaal |
1 078 032 |
513 945 |
462 551 |
|
Totaal |
41 397 816 |
24 615 360 |
21 925 217 ” |
|
28.2.2014 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 59/47 |
Rectificatie van Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong
( Publicatieblad van de Europese Unie L 18 van 23 januari 2003 )
Bladzijde 19, bijlage IV, punt 6:
in plaats van:
|
„6. |
Het certificaat moet worden afgegeven voordat de zending waarop het betrekking heeft door de bevoegde autoriteit van het land van verzending volledig is gecontroleerd.”, |
te lezen:
|
„6. |
Het certificaat moet worden afgegeven voordat de zending waarop het betrekking heeft, de controle door de bevoegde autoriteit van het land van verzending heeft verlaten.”. |