ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.309.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 309

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
19 november 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1159/2013 van de Commissie van 12 juli 2013 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) via de vaststelling van registratie- en vergunningsvoorwaarden voor GMES-gebruikers en de vaststelling van criteria voor het beperken van de toegang tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1160/2013 van de Commissie van 7 november 2013 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Rigotte de Condrieu (BOB)]

7

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1161/2013 van de Commissie van 7 november 2013 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Pecorino di Picinisco (BOB)]

9

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1162/2013 van de Commissie van 7 november 2013 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Puzzone di Moena/Spretz Tzaorì (BOB)]

11

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1163/2013 van de Commissie van 7 november 2013 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Mohant (BOB)]

13

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1164/2013 van de Commissie van 7 november 2013 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Waterford Blaa/Blaa (BGA)]

15

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1165/2013 van de Commissie van 18 november 2013 tot goedkeuring van de werkzame stof sinaasappelolie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

17

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1166/2013 van de Commissie van 18 november 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof dichloorprop-P ( 1 )

22

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1167/2013 van de Commissie van 18 november 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

25

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/664/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 25 juli 2012 betreffende steunmaatregel SA.23324 — C 25/07 (ex NN 26/07) — Finland Finavia, Airpro en Ryanair op de Luchthaven Tampere-Pirkkala (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 5036)  ( 1 )

27

 

 

2013/665/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 17 juli 2013 betreffende de door Italië ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.33726 (2011/C) (ex SA.33726 (2011/NN)) (Uitstel van betaling van de melkheffing in Italië) (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 4046)

40

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

 

2013/666/EU

 

*

Besluit nr. 4/2013 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 7 november 2013 houdende benoeming van de leden van de raad van bestuur van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP)

49

 

 

2013/667/EU

 

*

Besluit nr. 5/2013 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs van 7 november 2013 inzake de statuten van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP)

50

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EU) nr. 566/2012 van de Raad van 18 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 975/98 over de denominaties en technische specificaties van voor circulatie bestemde euromuntstukken ( PB L 169 van 29.6.2012 )

55

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 1159/2013 VAN DE COMMISSIE

van 12 juli 2013

tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) via de vaststelling van registratie- en vergunningsvoorwaarden voor GMES-gebruikers en de vaststelling van criteria voor het beperken van de toegang tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 911/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2010 inzake het Europees programma voor monitoring van de aarde (GMES) en zijn initiële operationele diensten (2011-2013) (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het beleid inzake GMES-gegevens en -informatie moet stroken met andere relevante EU-beleidslijnen, -instrumenten en -acties. Het moet met name voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Europese Gemeenschap (Inspire) (2). Dit beleid moet de rechten en beginselen eerbiedigen die in het Handvest van de grondrechten van de EU zijn erkend, met name het recht op eerbiediging van het privéleven, de bescherming van persoonsgegevens, het recht op intellectuele eigendom, de vrijheid van kunsten en wetenschappen en de vrijheid van ondernemerschap.

(2)

Het beleid inzake GMES-gegevens en -informatie moet in belangrijke mate bijdragen tot het open gegevensbeleid dat door de Unie naar voren wordt geschoven en dat werd ingevoerd bij Richtlijn 2003/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 17 november 2003 inzake het hergebruik van overheidsinformatie (3) en verder werd uitgewerkt in Besluit 2011/833/EU van de Commissie van 12 december 2011 betreffende het hergebruik van documenten van de Commissie (4), dat werd goedgekeurd in de context van de mededeling van de Commissie van 26 augustus 2010 getiteld „Een digitale agenda voor Europa” (5).

(3)

De registratie- en vergunningsvoorwaarden voor GMES-gebruikers moeten worden vastgelegd en er moeten criteria worden vastgesteld om de toegang tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie te beperken. De voorwaarden voor de toegang tot andere gegevens en informatie die als input voor GMES-diensten worden gebruikt, moeten door de aanbieders van die gegevens en informatie worden vastgesteld.

(4)

In haar mededeling van 28 oktober 2009 getiteld „Wereldwijde monitoring voor milieu en veiligheid (GMES): Uitdagingen en volgende stappen voor de ruimtecomponent” (6) uitte de Commissie haar voornemen om een beleid inzake gratis, open toegang in te voeren voor de Sentinels.

(5)

De toegang tot Sentinel-gegevens moet gratis, volledig en open zijn, zoals bepaald in de gezamenlijke beginselen voor een beleid inzake de Sentinel-gegevens (7) die door het programmacomité voor aardobservatie van het Europees Ruimteagentschap zijn vastgesteld.

(6)

Derde landen of internationale organisaties die bijdragen tot GMES-activiteiten in de zin van artikel 7 van Verordening (EU) nr. 911/2010 moeten onder dezelfde voorwaarden als de lidstaten toegang krijgen tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie.

(7)

Zoals aangegeven in overweging 28 van Verordening (EU) nr. 911/2010, moet GMES worden beschouwd als een Europese bijdrage aan de bouw van het Global Earth Observation System of Systems (GEOSS). De open verspreiding van GMES-gegevens moet daarom volledig stroken met de beginselen voor gegevensuitwisseling van het GEOSS.

(8)

Om de doelstellingen van het beleid inzake GMES-gegevens en -informatie die in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 911/2010 zijn vastgesteld, te kunnen verwezenlijken, moeten gebruikers de nodige machtigingen krijgen om GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie zo extensief mogelijk te gebruiken. Gebruikers moeten voorts de mogelijkheid krijgen om GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie verder te verspreiden, met of zonder wijzigingen.

(9)

GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie moeten kosteloos ter beschikking worden gesteld aan de gebruikers om zo de maatschappelijke voordelen van een intensiever gebruik van GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie optimaal te kunnen benutten.

(10)

Het open verspreidingsbeleid voor GMES kan worden herzien en waar nodig worden aangepast, waarbij rekening wordt gehouden met de behoeften van de gebruikers en de aardobservatie-industrie, alsmede met de technologische ontwikkelingen.

(11)

Om een ruime verspreiding van GMES-gegevens en -informatie te verzekeren, worden er geen expliciete of impliciete garanties geboden, ook niet ten aanzien van de kwaliteit en de geschiktheid voor een bepaald doel.

(12)

De Commissie moet voorts beperkingen opleggen aan de open verspreiding van GMES-gegevens wanneer de gratis, volledige en open toegang tot bepaalde GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie de rechten en beginselen die in het Handvest van de grondrechten van de EU vervat zitten, zoals het recht op eerbiediging van het privéleven of op bescherming van persoonsgegevens of de intellectuele-eigendomsrechten op gegevens die als input worden gebruikt voor de productieprocessen van GMES-diensten, zou schenden.

(13)

Waar nodig moet worden voorzien in beperkingen om de veiligheidsbelangen van de Unie en de nationale veiligheidsbelangen van de lidstaten te beschermen. Wat de nationale veiligheidsbelangen betreft, moeten die beperkingen stroken met de verplichtingen van lidstaten die zich reeds bij een gemeenschappelijke defensieorganisatie hebben aangesloten in het kader van internationale verdragen. De beoordeling van de gevoeligheidscriteria voor de beperking van de verspreiding van GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie moet ervoor zorgen dat beveiligingsproblemen op voorhand worden opgelost om de continuïteit van de levering van GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie te verzekeren.

(14)

In de gevoeligheidscriteria moet rekening worden gehouden met verschillende parameters die naar verwachting risico’s zullen inhouden voor de beveiliging van de Unie of haar lidstaten. De bedreigingen van kritieke infrastructuur in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2008/114/EG van de Raad van 8 december 2008 inzake de identificatie van Europese kritieke infrastructuren, de aanmerking van infrastructuren als Europese kritieke infrastructuren en de beoordeling van de noodzaak de bescherming van dergelijke infrastructuren te verbeteren (8), moeten als belangrijk gevoeligheidscriterium worden beschouwd.

(15)

Als dat nodig is, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om te verzoeken om beperkingen op te leggen aan de verstrekking van specifieke GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie. Wanneer zij zulke verzoeken onderzoekt of zelf het initiatief neemt om beperkingen op te leggen, moet de Commissie efficiënt en effectief optreden om de veiligheidsbelangen van de Unie of de lidstaten te beschermen en de verstoring van de gegevens- en informatiestromen naar de gebruikers tot een minimum te beperken.

(16)

Platformen voor de verspreiding van GMES-gegevens en -informatie kunnen onderhevig zijn aan technische beperkingen die het onmogelijk maken om alle verzoeken om gegevens of informatie in te willigen. In zulke uitzonderlijke omstandigheden moet de technische toegang tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie worden voorbehouden aan gebruikers uit landen en internationale organisaties die bijdragen tot GMES-activiteiten om zo de continuïteit van de diensten te vrijwaren. Het voordeel van een voorbehoud van diensten moet in voorkomend geval worden gekoppeld aan een vorm van registratie. Het voorbehoud mag niet verhinderen dat gebruikers die gegevens of informatie hebben gekregen waarvoor een voorbehoud kan gelden, de rechten genieten die hun in deze verordening worden toegekend, met inbegrip van het recht om zulke gegevens of informatie verder te verspreiden.

(17)

Er moet worden voorzien in vier registratieniveaus om de toegang van gebruikers tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie te regelen. In het belang van een breed gebruik van GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie moeten ten eerste zoek- en raadpleegdiensten, zoals bepaald in artikel 11, lid 1, onder a) en b), van Richtlijn 2007/2/EG, zonder registratie worden aangeboden. Ten tweede moet worden voorzien in een basisregistratie voor downloaddiensten in de zin van artikel 11, lid 1, onder c), van Richtlijn 2007/2/EG. Het registratieproces mag gebruikers niet beletten om de gegevens en informatie te raadplegen, maar het moet wel mogelijk zijn om statistieken te vergaren over de gebruikers. Ten derde moet een uitgebreidere registratie het mogelijk maken om de toegang voor te behouden aan bepaalde gebruikersgroepen. Ten vierde moet een strikte registratieprocedure worden toegepast die het mogelijk maakt om de toegang om veiligheidsredenen te beperken, waarbij de gebruiker eenduidig moet kunnen worden geïdentificeerd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening regelt de vaststelling van:

a)

voorwaarden voor de volledige en open toegang tot informatie die door de GMES-diensten is geproduceerd en tot de gegevens die via de specifiek voor GMES bestemde infrastructuur zijn verzameld;

b)

criteria om de toegang tot die informatie en gegevens te beperken, en

c)

voorwaarden voor de registratie van GMES-gebruikers.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „GMES-diensten”: de dienstencomponent zoals bedoeld in artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 911/2010;

b)   „GMES-dienstinformatie”: informatie en verwante metagegevens geproduceerd door GMES-diensten;

c)   „GMES-specifieke gegevens”: gegevens die via de specifiek voor GMES bestemde infrastructuur zijn verzameld en verwante metagegevens;

d)   „metagegevens”: gestructureerde informatie over gegevens of informatie op basis waarvan die gegevens of informatie kunnen worden opgezocht, geïnventariseerd en gebruikt;

e)   „GMES-verspreidingsplatform”: de technische systemen die worden gebruikt om GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie te verspreiden onder gebruikers;

f)   „zoekdiensten”: zoekdiensten zoals gedefinieerd in artikel 11, lid 1, onder a), van Richtlijn 2007/2/EG;

g)   „raadpleegdiensten”: raadpleegdiensten zoals gedefinieerd in artikel 11, lid 1, onder b), van Richtlijn 2007/2/EG;

h)   „downloaddiensten”: downloaddiensten zoals gedefinieerd in artikel 11, lid 1, onder c), van Richtlijn 2007/2/EG.

HOOFDSTUK 2

OPEN VERSPREIDING VAN GMES-SPECIFIEKE GEGEVENS EN GMES-DIENSTINFORMATIE — VERGUNNINGSVOORWAARDEN

Artikel 3

De beginselen van een open verspreiding

Gebruikers krijgen gratis volledige en open toegang tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie onder de voorwaarden die zijn vastgelegd in de artikelen 4 tot en met 10, overeenkomstig de in de artikelen 11 tot en met 16 vastgestelde beperkingen.

Artikel 4

Financiële voorwaarden

Er wordt gratis toegang verleend tot de GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie die ter beschikking wordt gesteld via GMES-verspreidingsplatformen overeenkomstig de in artikel 5, lid 1, bedoelde technische voorwaarden.

Artikel 5

Voorwaarden ten aanzien van eigenschappen, formaat en verspreidingsmedia

1.   Voor elk type GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie stellen de aanbieders van deze gegevens en informatie onder toezicht van de Commissie ten minste één reeks eigenschappen, formaten en verspreidingsmedia vast en delen zij die definitie mee op GMES-verspreidingsplatformen.

2.   GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie moeten voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 2007/2/EG voor zover de gegevens en informatie binnen het toepassingsgebied van die bepalingen vallen.

Artikel 6

Voorwaarden voor GMES-verspreidingsplatformen

GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie worden aan de gebruikers verstrekt via GMES-verspreidingsplatformen die door de Commissie worden aangeleverd of onder haar toezicht staan.

Artikel 7

Voorwaarden voor het gebruik

1.   Voor zover dit wettig is, wordt toegang verleend tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie voor de volgende toepassingen:

a)

reproductie;

b)

verspreiding;

c)

mededeling aan het publiek;

d)

aanpassing, wijziging en combinatie met andere gegevens en informatie;

e)

een combinatie van de punten a) tot en met d).

2.   GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie mogen wereldwijd gebruikt worden, zonder enige beperkingen in de tijd.

Artikel 8

Voorwaarden voor door gebruikers te verstrekken informatie

1.   Wanneer zij GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie verspreiden of meedelen aan het publiek, stellen gebruikers het publiek in kennis van de bron van die gegevens en informatie.

2.   Gebruikers zorgen ervoor dat zij niet de indruk wekken bij het publiek dat hun activiteiten officieel werden bekrachtigd door de Unie.

3.   Wanneer de gegevens of informatie zijn aangepast of gewijzigd, moet de gebruiker dat duidelijk vermelden.

Artikel 9

Afwezigheid van garanties

GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie worden aan de gebruikers verstrekt zonder enige expliciete of impliciete garantie, ook niet ten aanzien van de kwaliteit of de geschiktheid voor een bepaald doel.

Artikel 10

Voorwaarden voor beperkingen op de open verspreiding

Wanneer de Commissie de toegang tot GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie overeenkomstig artikel 12 beperkt tot bepaalde gebruikers, registreren die gebruikers zich volgens een procedure die het mogelijk maakt om hen eenduidig te identificeren alvorens zij toegang krijgen tot de gegevens of informatie.

HOOFDSTUK 3

BEPERKINGEN

Artikel 11

Tegenstrijdige rechten

Wanneer de open verspreiding van bepaalde GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie in strijd is met internationale overeenkomsten of de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten met betrekking tot gegevens en informatie die gebruikt worden als input voor de productieprocessen van GMES-dienstinformatie of wanneer deze verspreiding de rechten en beginselen die in het Handvest van de grondrechten van de EU zijn erkend, zoals het recht op eerbiediging van het privéleven of op de bescherming van persoonsgegevens, onevenredig zou beïnvloeden, treft de Commissie de nodige maatregelen overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 911/2010 om zulke conflicten te vermijden of om de verspreiding van de desbetreffende GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie te beperken.

Artikel 12

Bescherming van veiligheidsbelangen

1.   Wanneer de open verspreiding van GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie vanwege het gevoelige karakter van de gegevens en informatie een onaanvaardbaar hoog risico inhoudt voor de veiligheidsbelangen van de Unie of haar lidstaten, beperkt de Commissie de verspreiding van die gegevens en informatie overeenkomstig artikel 13, lid 1, van Verordening (EU) nr. 911/2010.

2.   De Commissie beoordeelt de gevoeligheid van GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie op basis van de gevoeligheidscriteria die zijn vastgesteld in de artikelen 13 tot en met 16.

Artikel 13

Gevoeligheidscriteria voor GMES-specifieke gegevens

1.   Wanneer GMES-specifieke gegevens worden geproduceerd door een observatiesysteem in de ruimte dat aan ten minste een van de in de bijlage opgesomde kenmerken voldoet, beoordeelt de Commissie de gevoeligheid van de gegevens aan de hand van de volgende criteria:

a)

de technische kenmerken van de gegevens, met inbegrip van de ruimtelijke resolutie en de spectrumbanden;

b)

het interval tussen de verwerving en de verspreiding van de gegevens;

c)

het bestaan van gewapende conflicten, bedreigingen voor de internationale of regionale vrede en veiligheid of voor kritieke infrastructuur in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2008/114/EG in het gebied waarop de GMES-specifieke gegevens betrekking hebben;

d)

het bestaan van beveiligingsgebreken of de verwachting dat GMES-specifieke gegevens gebruikt zullen worden voor tactische of operationele activiteiten die de veiligheidsbelangen van de Unie, haar lidstaten of internationale partners kunnen schaden.

2.   Wanneer GMES-specifieke gegevens worden geproduceerd met behulp van een observatiesysteem in de ruimte dat aan geen enkele van de in de bijlage opgesomde eigenschappen voldoet, wordt ervan uitgegaan dat de GMES-specifieke gegevens niet gevoelig zijn.

Artikel 14

Gevoeligheidscriteria voor GMES-dienstinformatie

De Commissie beoordeelt de gevoeligheid van GMES-dienstinformatie aan de hand van de volgende criteria:

a)

de gevoeligheid van de input die werd gebruikt om de GMES-dienstinformatie te produceren;

b)

het interval tussen de verwerving van de input en de verspreiding van de GMES-dienstinformatie;

c)

het bestaan van gewapende conflicten, bedreigingen voor de internationale of regionale vrede en veiligheid of voor kritieke infrastructuur in de zin van artikel 2, onder a), van Richtlijn 2008/114/EG in het gebied waarop de GMES-dienstinformatie betrekking heeft;

d)

het bestaan van beveiligingsgebreken of de verwachting dat GMES-dienstinformatie gebruikt zal worden voor tactische of operationele activiteiten die de veiligheidsbelangen van de Unie, haar lidstaten of internationale partners kunnen schaden.

Artikel 15

Verzoek om herbeoordeling van de gevoeligheid

Wanneer de voorwaarden waaronder de beoordeling overeenkomstig artikel 13 of 14 werd uitgevoerd, gewijzigd zijn, kan de Commissie de gevoeligheid van GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat opnieuw beoordelen om de verwerving van GMES-specifieke gegevens of de verspreiding van GMES-dienstinformatie te beperken, te schorsen of toe te staan. Wanneer een lidstaat een verzoek indient, moet de Commissie de verzochte limieten voor de duur en het toepassingsgebied van de beperking in acht nemen.

Artikel 16

Belangenafweging

1.   Bij het beoordelen van de gevoeligheid van de GMES-specifieke gegevens en GMES-dienstinformatie overeenkomstig artikel 12, moeten de veiligheidsbelangen worden afgewogen tegen de belangen van de gebruikers en de maatschappelijke, economische en milieuvoordelen van het verzamelen, produceren en openlijk verspreiden van de gegevens en informatie in kwestie.

2.   De Commissie overweegt bij de uitvoering van de veiligheidsbeoordeling of beperkingen doeltreffend zullen zijn als soortgelijke gegevens hoe dan ook beschikbaar zijn uit andere bronnen.

HOOFDSTUK 4

VOORBEHOUD VAN TOEGANG EN REGISTRATIE

Artikel 17

Voorbehoud van toegang

1.   Wanneer de verzoeken om toegang de capaciteit van de GMES-verspreidingsplatformen overstijgen, kan de toegang tot de GMES-bronnen worden voorbehouden aan de volgende gebruikers:

a)

overheidsinstanties, bedrijven, onderzoeksorganisaties en burgers in de Unie;

b)

overheidsinstanties, industrie, onderzoeksorganisaties en burgers in derde landen die bijdragen tot de GMES-activiteiten;

c)

internationale organisaties die bijdragen tot de GMES-activiteiten.

2.   De gebruikers aan wie de toegang is voorbehouden overeenkomstig lid 1 moeten zich registreren om toegang te krijgen door hun identiteit, contactgegevens, vakgebied en het land waarin zij gevestigd zijn mee te delen.

Artikel 18

Registratie

1.   Om toegang te krijgen tot downloaddiensten moeten gebruikers zich online registreren op de GMES-verspreidingsplatformen. De registratie is gratis. Gebruikers hoeven zich slechts eenmaal te registreren en worden automatisch aanvaard. Het registratieproces omvat de volgende elementen:

a)

het aanmaken van een gebruikersnaam en wachtwoord door de gebruiker;

b)

statistische informatie die beperkt blijft tot maximaal 10 items die door de gebruiker worden opgegeven.

2.   Voor zoek- en raadpleegdiensten is geen registratie vereist.

HOOFDSTUK 5

SLOTBEPALINGEN

Artikel 19

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 276 van 20.10.2010, blz. 1.

(2)   PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1.

(3)   PB L 345 van 31.12.2003, blz. 90.

(4)   PB L 330 van 14.12.2011, blz. 39.

(5)  COM(2010) 245 final/2 van 26 augustus 2010.

(6)  COM(2009) 589 final.

(7)  ESA/PB-EO(2009)98, rev. 1.

(8)   PB L 345 van 23.12.2008, blz. 75.


BIJLAGE

Eigenschappen van een observatiesysteem in de ruimte in de zin van artikel 13

a)

Het systeem is technisch in staat om gegevens te genereren met een geometrische resolutie van 2,5 m of minder in ten minste één horizontale richting.

b)

Het systeem is technisch in staat om gegevens te genereren met een geometrische resolutie van 5 m of minder in ten minste één horizontale richting in het spectraalgebied van 8-12 micron (thermisch infrarood).

c)

Het systeem is technisch in staat om gegevens te genereren met een geometrische resolutie van 3 m of minder in ten minste één horizontale richting in het spectraalgebied van 1 mm tot 1 m (microgolven).

d)

Het systeem heeft meer dan 49 spectrale kanalen en is technisch in staat om gegevens te genereren met een geometrische resolutie van 10 m of minder in ten minste één horizontale richting in ten minste één spectraal kanaal.

19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/7


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1160/2013 VAN DE COMMISSIE

van 7 november 2013

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Rigotte de Condrieu (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Frankrijk tot registratie van de benaming „Rigotte de Condrieu” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Rigotte de Condrieu” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 november 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 130 van 7.5.2013, blz. 15.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

FRANKRIJK

Rigotte de Condrieu (BOB)


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/9


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1161/2013 VAN DE COMMISSIE

van 7 november 2013

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Pecorino di Picinisco (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Pecorino di Picinisco” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Pecorino di Picinisco” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 november 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 57 van 27.2.2013, blz. 28.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

ITALIË

Pecorino di Picinisco (BOB)


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/11


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1162/2013 VAN DE COMMISSIE

van 7 november 2013

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Puzzone di Moena/Spretz Tzaorì (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming „Puzzone di Moena”/„Spretz Tzaorì” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Puzzone di Moena”/„Spretz Tzaorì” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van gegarandeerde traditionele specialiteiten.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 november 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 77 van 15.3.2013, blz. 21.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

ITALIË

Puzzone di Moena/Spretz Tzaorì (BOB)


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1163/2013 VAN DE COMMISSIE

van 7 november 2013

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Mohant (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Slovenië tot registratie van de benaming „Mohant” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 november 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 160 van 6.6.2013, blz. 7.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

SLOVENIË

Mohant (BOB)


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/15


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1164/2013 VAN DE COMMISSIE

van 7 november 2013

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Waterford Blaa/Blaa (BGA)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 50, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1151/2012 is de aanvraag van Ierland tot registratie van de naam „Waterford Blaa”/„Blaa” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 51 van Verordening (EU) nr. 1151/2012, moet de benaming „Waterford Blaa”/„Blaa” worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 november 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB C 134 van 14.5.2013, blz. 49.


BIJLAGE

In bijlage I, punt I, bij Verordening (EU) nr. 1151/2012 vermelde landbouwproducten en levensmiddelen:

Categorie 2.4.   Brood, gebak, suikerwerk, biscuits en andere bakkerswaren

IERLAND

Waterford Blaa/Blaa (BGA)


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/17


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1165/2013 VAN DE COMMISSIE

van 18 november 2013

tot goedkeuring van de werkzame stof sinaasappelolie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor vóór 14 juni 2011 een besluit is vastgesteld overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor sinaasappelolie is bij Beschikking 2009/438/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan.

(2)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG heeft Frankrijk op 22 februari 2008 een aanvraag van Oro Agri ontvangen voor opneming van de werkzame stof sinaasappelolie in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG. Bij Beschikking 2009/438/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, dat wil zeggen dat het in beginsel geacht kan worden aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG te voldoen.

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 12 augustus 2009 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend. Overeenkomstig artikel 11, lid 6, van Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie (4) is de aanvrager op 13 juni 2012 om aanvullende informatie verzocht. In november 2012 heeft Frankrijk de evaluatie van de aanvullende informatie ingediend in de vorm van een bijgewerkt ontwerpbeoordelingsverslag.

(4)

Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie (5) over de risicobeoordeling van de werkzame stof sinaasappelolie als bestrijdingsmiddel op 1 maart 2013 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 3 oktober 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor sinaasappelolie.

(5)

Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die sinaasappelolie bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en artikel 5, lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet sinaasappelolie worden goedgekeurd.

(6)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis, is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden gevraagd.

(7)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(8)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die sinaasappelolie bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van het volledige dossier conform bijlage III, zoals vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing volgens de uniforme beginselen.

(9)

Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie (6) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, problemen kan opleveren. Om verdere problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten dus worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen echter geen nieuwe verplichtingen op.

(10)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (7) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De in bijlage I gespecificeerde werkzame stof sinaasappelolie wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   Indien nodig moeten de lidstaten de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die sinaasappelolie als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 oktober 2014 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat volgens de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat sinaasappelolie bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 30 april 2014 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als sinaasappelolie de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 oktober 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast sinaasappelolie nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating zo nodig uiterlijk op 31 oktober 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 mei 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 november 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(3)  Beschikking 2009/438/EG van de Commissie van 8 juni 2009 houdende de principiële erkenning dat het dossier dat is ingediend voor grondig onderzoek met het oog op de eventuele opneming van sinaasappelolie in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad, volledig is (PB L 145 van 10.6.2009, blz. 47).

(4)  Verordening (EU) nr. 188/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad wat betreft de procedure voor de beoordeling van werkzame stoffen die twee jaar na de datum van kennisgeving van die richtlijn niet op de markt waren (PB L 53 van 26.2.2011, blz. 51).

(5)  EFSA Journal (2013) 11(2):3090. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(6)  Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma zoals bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10).

(7)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-naam

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Sinaasappelolie

CAS-nr. 8028-48-6 (sinaasappelextract)

5989-27-5 (D-limoneen)

CIPAC-nr. 902

(R)-4-isopropenyl-1-methylcyclohexeen of p-mentha-1,8-dieen

≥ 945 g/kg (D-limoneen)

De werkzame stof moet voldoen aan de specificaties van de Europese Farmacopee 5.0 (Aurantii dulcis aetheroleum) en ISO 3140:2011(E)

1 mei 2014

30 april 2024

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over sinaasappelolie (met name de aanhangsels I en II) dat op 3 oktober 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten vooral aandacht schenken aan:

a)

de bescherming van de toedieners en werknemers;

b)

het risico voor vogels en zoogdieren.

De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen over:

1.

de lotgevallen van metabolieten van sinaasappelolie en de afbraakroute en -snelheid in de bodem;

2.

de validatie van de bij de ecotoxicologische risicobeoordeling gebruikte eindpunten.

De aanvrager moet die informatie uiterlijk op 30 april 2016 bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA indienen.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-naam

Zuiverheid (*1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„56

Sinaasappelolie

CAS-nr. 8028-48-6 (sinaasappelextract)

5989-27-5 (D-limoneen)

CIPAC-nr. 902

(R)-4-isopropenyl-1-methylcyclohexeen of p-mentha-1,8-dieen

≥ 945 g/kg (D-limoneen)

De werkzame stof moet voldoen aan de specificaties van de Europese Farmacopee 5.0 (Aurantii dulcis aetheroleum) en ISO 3140:2011(E)

1 mei 2014

30 april 2024

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over sinaasappelolie (met name de aanhangsels I en II) dat op 3 oktober 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten vooral aandacht schenken aan:

a)

de bescherming van de toedieners en werknemers;

b)

het risico voor vogels en zoogdieren.

De gebruiksvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen over de lotgevallen van metabolieten van sinaasappelolie, over de afbraakroute en -snelheid in de bodem en over de validatie van de bij de ecotoxicologische risicobeoordeling gebruikte eindpunten.

De aanvrager moet die informatie uiterlijk op 30 april 2016 bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA indienen.”


(*1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/22


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1166/2013 VAN DE COMMISSIE

van 18 november 2013

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof dichloorprop-P

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 21, lid 3, tweede alternatief, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Dichloorprop-P is bij Richtlijn 2006/74/EG van de Commissie (2) als werkzame stof opgenomen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3), onder de voorwaarde dat de betrokken lidstaten ervoor zorgen dat de kennisgever die om opneming van dichloorprop-P in die bijlage had verzocht, verdere bevestigende informatie indient over het metabolisme van dieren en de risicobeoordeling in verband met de acute en kortetermijnblootstelling voor vogels en de acute blootstelling voor herbivore zoogdieren.

(2)

De in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG opgenomen werkzame stoffen worden geacht te zijn goedgekeurd krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 en zijn opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie (4).

(3)

De kennisgever heeft binnen de daarvoor gestelde termijn bij de lidstaat-rapporteur Denemarken aanvullende informatie ingediend ter bevestiging van de risicobeoordeling voor vogels en zoogdieren bij het gebruik op granen, grasland en graszaadgewassen.

(4)

Denemarken heeft de door de kennisgever ingediende aanvullende informatie beoordeeld. Op 22 juli 2011 heeft Denemarken zijn beoordeling, in de vorm van een addendum bij het ontwerpbeoordelingsverslag, aan de andere lidstaten, de Commissie en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) overgelegd.

(5)

De Commissie heeft de EFSA geraadpleegd en die heeft haar advies over de risicobeoordeling voor dichloorprop-P op 13 november 2012 gepresenteerd (5).

(6)

In het licht van de aanvullende informatie die de kennisgever heeft ingediend, heeft de Commissie geoordeeld dat de vereiste verdere bevestigende informatie niet volledig is ingediend en dat een hoog risico voor vogels en zoogdieren niet kan worden uitgesloten, tenzij extra beperkingen worden gesteld.

(7)

De Commissie heeft de kennisgever verzocht zijn opmerkingen over het evaluatieverslag voor dichloorprop-P in te dienen.

(8)

Er wordt bevestigd dat de werkzame stof dichloorprop-P geacht moet worden krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 te zijn goedgekeurd. Om de blootstelling van vogels en zoogdieren tot een minimum te beperken, is het evenwel passend het gebruik van deze werkzame stof verder te beperken en in specifieke risicobeperkende maatregelen te voorzien voor de bescherming van deze soorten.

(9)

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De lidstaten moet voldoende tijd worden gegund om de toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dichloorprop-P bevatten, in te trekken.

(11)

Als de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 een respijtperiode toekennen voor gewasbeschermingsmiddelen die dichloorprop-P bevatten, moet deze periode uiterlijk één jaar na intrekking of wijziging van de desbetreffende vergunningen aflopen.

(12)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 moeten de lidstaten indien nodig de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die dichloorprop-P als werkzame stof bevatten, uiterlijk 9 juni 2014 wijzigen of intrekken.

Artikel 3

Respijtperiode

Een door de lidstaten overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 toegekende respijtperiode moet zo kort mogelijk zijn en uiterlijk 9 juni 2015 aflopen.

Artikel 4

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 november 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)  Richtlijn 2006/74/EG van de Commissie van 21 augustus 2006 tot wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad teneinde dichloorprop-P, metconazool, pyrimethanil en triclopyr op te nemen als werkzame stof (PB L 235 van 30.8.2006, blz. 17).

(3)  Richtlijn 91/414/EEG van de Raad van 15 juli 1991 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1).

(4)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1).

(5)  EFSA Journal 2012; 10(11):2950. Online beschikbaar: www.efsa.europa.eu/efsajournal.htm


BIJLAGE

De kolom „Specifieke bepalingen” van rij 133, dichloorprop-P, van deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt vervangen door:

„DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor gebruik als herbicide.

Wat granen betreft, mag alleen toepassing in het voorjaar worden toegestaan, in een dosering van maximaal 800 g werkzame stof per hectare per toepassing.

Toepassing op grasland mag niet worden toegestaan.

DEEL B

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over dichloorprop-P dat op 23 mei 2006 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd, en met name met de aanhangsels I en II.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan de bescherming van vogels, zoogdieren, in het water levende organismen en niet tot de doelsoorten behorende planten.

De toelatingsvoorwaarden moeten zo nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.”.


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1167/2013 VAN DE COMMISSIE

van 18 november 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 november 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

46,1

MA

40,6

MK

55,3

TR

116,2

ZZ

64,6

0707 00 05

AL

45,1

MK

57,9

TR

126,2

ZZ

76,4

0709 93 10

MA

86,2

TR

152,0

ZZ

119,1

0805 20 10

MA

80,7

ZZ

80,7

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

IL

78,7

TR

69,3

UY

56,3

ZZ

68,1

0805 50 10

TR

71,5

ZZ

71,5

0806 10 10

BR

245,1

LB

251,9

PE

258,8

TR

163,3

US

347,2

ZZ

253,3

0808 10 80

BR

93,9

CL

102,3

MK

38,5

NZ

93,9

US

181,0

ZA

200,2

ZZ

118,3

0808 30 90

CN

57,5

TR

128,9

ZZ

93,2


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/27


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2012

betreffende steunmaatregel SA.23324 — C 25/07 (ex NN 26/07) — Finland Finavia, Airpro en Ryanair op de Luchthaven Tampere-Pirkkala

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 5036)

(Slechts de teksten in de Finse en de Zweedse taal zijn authentiek)

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/664/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte, en met name artikel 62, lid 1, onder a),

Na de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken (1),

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

In februari 2005 heeft de Commissie een klacht ontvangen van de Finse luchtvaartmaatschappij Blue1 Oy (hierna „Blue1” genoemd), die deel uitmaakt van de SAS-groep. Blue1 stelde onder meer dat Ryanair Ltd (hierna „Ryanair” genoemd) steun ontving in de vorm van lager dan gemiddelde luchthavengelden op de luchthaven van Tampere-Pirkkala (hierna „luchthaven TMP” of „de luchthaven” genoemd).

(2)

Bij brieven van 2 maart 2005 en 23 mei 2006 heeft de Commissie Finland om aanvullende informatie over de klacht verzocht. Finland antwoordde hierop bij brieven van 27 april 2005 en 27 juli 2006.

(3)

Bij schrijven van 10 juli 2007 heeft de Commissie Finland in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (2) in te leiden ten aanzien van de overeenkomst tussen Airpro Oy en Ryanair en de uitvoering van de kostenverlagingsstrategie door Finavia en Airpro Oy op luchthaven TMP (hierna „het besluit tot inleiding van de procedure” genoemd). Finland heeft op 28 november 2007 opmerkingen ingediend over het besluit tot inleiding van de procedure.

(4)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3). De Commissie heeft belanghebbenden verzocht hun opmerkingen over de desbetreffende maatregel binnen een maand na de publicatiedatum kenbaar te maken.

(5)

De Commissie heeft van vier belanghebbenden (Ryanair, de SAS-groep, Air France en de Association of European Airlines) opmerkingen over de zaak ontvangen Bij schrijven van 13 februari 2008 heeft zij deze opmerkingen doorgestuurd aan Finland. Op 15 april 2008 heeft Finland zijn opmerkingen doen toekomen aan de Commissie.

(6)

De Commissie heeft bij schrijven van 25 juni 2010 om nadere informatie verzocht. Finland antwoordde hierop bij brief van 1 juli 2010. Bij schrijven van 5 april 2011 verzocht de Commissie om aanvullende informatie over de financiering van de luchthaven. Finland antwoordde hierop bij brief van 5 mei 2011. Het antwoord van Finland was evenwel onvolledig. De Commissie stuurde daarom een herinnering krachtens artikel 10, lid 3, van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (4). Finland antwoordde hierop bij brief van 15 juni 2011.

2.   BESCHRIJVING VAN DE MAATREGELEN EN GRONDEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE PROCEDURE

2.1.   Achtergrond van het onderzoek

Luchthaven TMP

(7)

Luchthaven TMP ligt in Pirkkala, 13 kilometer ten zuidwesten van Tampere in het zuiden van Finland. Het is de op twee na grootste luchthaven in Finland (wat aantallen passagiers betreft, zie de tabel in overweging 10). De luchthaven dient niet alleen ter afhandeling van civiele vluchten, maar is ook een basis van de Finse luchtmacht.

(8)

De luchthaven TMP beschikt over twee passagiersterminals:

Terminal 1 (ook „T1” genoemd) werd in 1998 aangelegd en wordt thans door Finnair, Flybe, SAS, Blue1 en Air Baltic gebruikt. In 2003 bedroeg de capaciteit van T1 550 000 passagiers per jaar.

Terminal 2 (ook „T2” genoemd) werd oorspronkelijk door DHL als vrachthangar gebruikt en werd (nadat hij 2002 was komen leeg te staan) omgebouwd in een terminal voor goedkope vluchten. Momenteel worden via T2 alleen vluchten van Ryanair afgehandeld. De capaciteit van T2 bedraagt 425 000 passagiers per jaar.

(9)

De luchthaven TMP, met uitzondering van T2, is eigendom van en wordt geëxploiteerd door Finavia Oyj (5) (hierna „Finavia” genoemd). T2 wordt door Finavia verhuurd aan haar dochteronderneming Airpro Oy (6) (hierna „Airpro” genoemd). Airpro exploiteert de terminal en verzorgt er grondafhandelingsdiensten. Voorts heeft Airpro een overeenkomst met Ryanair gesloten […] (*1), die op 3 april 2003 in werking is getreden.

(10)

Het reizigersverkeer via de luchthaven nam toe van 304 025 passagiers in 2003 tot 617 397 in 2010. De toename is het gevolg van de groei van het aantal op T2 afgehandelde passagiers. In 2010 had Ryanair een aandeel van […] % in het totale aantal passagiers op luchthaven TMP. De volgende tabel geeft een overzicht van de ontwikkelingen van de passagiersaantallen op luchthaven TMP van 2003 tot en met 2010.

Jaar

Aantal passagiers T1

Aantal passagiers T2

Totaal aantal passagiers op luchthaven TMP

2003

[…]

[…]

304 025

2004

[…]

[…]

495 892

2005

[…]

[…]

597 102

2006

[…]

[…]

632 010

2007

[…]

[…]

687 711

2008

[…]

[…]

709 356

2009

[…]

[…]

628 105

2010

[…]

[…]

617 397

2.2.   De onderzochte maatregelen en de eerste beoordeling door de Commissie

(11)

In het besluit tot inleiding van de procedure werden de volgende vragen gesteld:

ten eerste of Finavia als particuliere investeerder in een markteconomie handelde toen zij besloot om een vrachthangar om te bouwen in een terminal voor goedkope vluchten (T2), in welk geval deze investering geen staatssteun voor Airpro zou betekenen, en zo niet, of dergelijke steun verenigbaar zou kunnen worden geacht met de interne markt; en

ten tweede of een particuliere investeerder in een markteconomie een overeenkomst als die tussen Airpro en Ryanair zou hebben gesloten, en zo niet, of de volgens deze overeenkomst verleende steun verenigbaar zou kunnen worden geacht met de interne markt.

(12)

Ten aanzien van de eerste vraag betwijfelde de Commissie of het besluit van Finavia om de vrachthangar om te bouwen in een terminal voor goedkope vluchten was ingegeven door de verwachting van winstgevendheid op lange termijn. Bovendien vroeg de Commissie zich af of de investeringen van Finavia om deze vroegere hangar in een terminal voor goedkope vluchten om te bouwen niet ook zou kunnen worden beschouwd als toekenning van een selectief voordeel aan Airpro, dat deze onderneming in normale marktomstandigheden niet had verkregen.

(13)

Met betrekking tot de tweede vraag moest de Commissie onderzoeken of het optreden van Airpro in dit geval was ingegeven door de verwachting van winstgevendheid op lange termijn en of het beweerdelijk aan Ryanair toegekende voordeel een voordeel was dat Ryanair in normale marktomstandigheden niet zou hebben verkregen. De Commissie betwijfelde met name of de door Ryanair betaalde „all in”-vergoeding gebaseerd was op de kosten voor de verlening van diensten aan de luchtvaartmaatschappij door Airpro. Finland deed de Commissie noch de voorwaarden van de overeenkomst met Ryanair toekomen, noch het bedrijfsplan met de raming van de winst die de overeenkomst voor Airpro zou opleveren. Daarom uitte de Commissie in haar besluit tot inleiding van de procedure twijfels of het optreden van Airpro was ingegeven door de verwachting van winstgevendheid op lange termijn. Volgens haar kon dan ook niet worden uitgesloten dat Ryanair bij deze overeenkomst een voordeel werd toegekend dat die onderneming in normale marktomstandigheden niet zou hebben verkregen.

(14)

De Commissie betwijfelde of in deze zaak was voldaan aan de voorwaarden voor de verenigbaarheid van de maatregel met de interne markt, zoals omschreven in de communautaire richtsnoeren voor financiering van luchthavens en aanloopsteun van de overheid voor luchtvaartmaatschappijen met een regionale luchthaven als thuishaven (7) (hierna „de luchtvaartrichtsnoeren van 2005” genoemd), en of de steunmaatregelen overeenkomstig artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU verenigbaar met de interne markt konden worden beschouwd.

3.   OPMERKINGEN VAN FINLAND

3.1.   De kostenverlagingsstrategie van Finavia en Airpro op de luchthaven TMP

(15)

Finland verstrekte in zijn opmerkingen allereerst achtergrondinformatie over de kostenverlagingsstrategie van Finavia en Airpro op de luchthaven TMP. Finland verklaarde dat T2 in 1979 was gebouwd voor voorlopig gebruik als luchthavengebouw. In 1995 werd de terminal omgebouwd in een hangar voor vrachtafwikkeling, die door DHL werd gebruikt. In 2002 werd de huurovereenkomst door DHL opgezegd en kwam de terminal leeg te staan.

(16)

Finland gaf aan dat Finavia er niet in slaagde een andere vrachtonderneming aan te trekken of een huurder voor de hangar te vinden en daarom besloot de hangar om te bouwen tot een terminal voor goedkope vluchten die geschikt zou zijn voor de afwikkeling van eenvoudige grondafhandelingsdiensten. De oorspronkelijke bouwkosten van T2 waren tegen die tijd reeds afgeschreven en de renovatie van de terminal vergde slechts kleinere verbouwingen (8). De volgende tabel bevat nadere gegevens over de investeringskosten van de renovatie van T2, die in totaal 760 612 EUR beliepen.

Renovatiewerkzaamheden

Investeringskosten in EUR

Planning

[…]

Kopieën, vergunningen, reiskosten

[…]

Verbouwingswerkzaamheden

[…]

Verwarming/leidingen/airconditioning

[…]

Elektriciteit

[…]

Laagspanningsinstallaties

[…]

Transportbanden

[…]

Apparatuur voor veiligheidscontroles

[…]

Totaal bedrag

760 612

(17)

Bij het hierboven weergegeven kostenoverzicht merkte Finland op dat bepaalde verbouwingswerkzaamheden met totale kosten van rond 100 000 EUR in elk geval nodig waren, ook al had Finavia een nieuwe huurder kunnen vinden. Bovendien zouden de transportbanden altijd nog op andere luchthavens van Finavia kunnen worden gebruikt.

(18)

Finland verklaarde voorts dat Finavia voornemens was de nieuwe terminal voor goedkope vluchten beschikbaar te stellen aan alle luchtvaartmaatschappijen die bereid waren de beperkte dienstverleningscapaciteit te aanvaarden. De volgende tabel bevat een vergelijking van het niveau van de dienstverlening en de voorzieningen in respectievelijk T1 en T2 van de luchthaven TMP.

 

Terminal 1 (T1)

Terminal 2 (T2)

Bedrijfsmodel

Traditioneel model: incheckdiensten, veiligheidscontroles, vervoer, sorteren, in- en uitladen van bagage door verschillende groepen werknemers en ondernemingen.

Lageprijzenmodel: dezelfde personen verrichten alle taken van de verschillende werknemersgroepen op T1, zoals inchecken, veiligheidscontroles, in- en uitladen van bagage. De taken worden binnen een klein deel van de terminal verricht, zodat slechts een minimum aan personeel vereist is en passagiersstromen sneller kunnen worden verwerkt.

Capaciteit voor grondafhandeling

Drie tot vijf gelijktijdige starts en landingen (afhankelijk van het type vliegtuig).

Eén vertrekkende vlucht per uur.

Voorzieningen

Voorzieningen voor kwaliteitsvolle dienstverlening, inclusief een geavanceerd systeem voor vervoer van bagage, prettige wachtruimten met bijbehorende diensten, voorzieningen voor verschillende aanbieders van grondafhandelingsdiensten enz.

Basisvoorzieningen overeenkomstig de inrichting van een opslaghal (betonnen vloeren, weinig ramen).

(19)

Finland stelde dat T2 slechts grondafhandelingsdiensten voor één vertrekkende vlucht per uur kon verzorgen, zodat de terminal alleen geschikt was voor luchtvaartmaatschappijen die met grote vliegtuigen point-to-pointvluchten aanbieden. Om het personeel zo efficiënt mogelijk te kunnen inzetten, dwong de exploitant van de terminal de luchtvaartmaatschappijen langlopende overeenkomsten en overeenkomsten over de dienstregeling te sluiten. Zo konden bijvoorbeeld vluchten niet altijd op het door de luchtvaartmaatschappij gewenste tijdstip plaatsvinden, wat op T1 wel het geval was. Volgens Finland konden door de rationalisering van de personeelskosten en het aangeboden dienstverleningsniveau kosten van rond […] worden bespaard ten opzichte van T1.

(20)

Finland verklaarde dat deze kwestie voor het begin van de renovatie van T2 en de invoering van een lageprijzenstrategie voor die terminal verschillende keren was besproken tijdens vergaderingen van de raad van bestuur van Finavia. Voor dit doeleinde werd ook een bedrijfsplan opgesteld. In de volgende tabel wordt een overzicht gegeven van het bedrijfsplan (worstcasescenario) voor de renovatie van T2 en de implementatie van de lageprijzenstrategie: […]

(21)

Finland gaf aan dat het vooraf opgestelde bedrijfsplan was gebaseerd op voorzichtige aannamen, die tot een onderschatting van de te verwachten inkomsten en een overschatting van de te verwachten kosten in de laatste jaren van het onderzoekstijdvak leidden. Volgens de andere scenario’s zou de lageprijzenstrategie tot nog hogere winsten leidden. De door de luchtvaartmaatschappijen voor het gebruik van T2 betaalde „all in”-vergoedingen varieerden in de verschillende scenario’s tussen […] per aankomst en vertrek van een toestel. Aangezien de beslissing over de lageprijzenstrategie op basis van ramingen en studies werd genomen door de raad van bestuur van Finavia, is die beslissing niet toe te schrijven aan de overheid. De maatregelen waren niet het resultaat van voorschriften of verordeningen van de autoriteiten, noch waren deze betrokken bij de goedkeuring van de maatregelen.

(22)

Finland verklaarde dat Finavia en Airpro in overeenstemming met zakelijke beginselen hebben gehandeld en hun activiteiten hebben gefinancierd met vergoedingen voor diensten, en inkomsten van klanten en uit andere bedrijfsactiviteiten verkregen middelen. Met name heeft noch Finavia noch Airpro steun ontvangen uit de overheidsbegroting: hun bedrijfsactiviteiten waren winstgevend en zij droegen jaarlijks een deel van hun winst af aan de staat, in overeenstemming met de aan de ondernemingen opgelegde winstvereisten.

(23)

Finland verklaarde dat de prestatiedoelstellingen voor Finavia werden vastgelegd door het ministerie van Vervoer en Communicatie. Deze prestatiedoelstellingen golden echter voor de groep als geheel, terwijl de doelstellingen voor de afzonderlijke ondernemingen door Finavia zelf worden bepaald. In de voorafgaande jaren (2003 tot en met 2005) bedroeg de winstdoelstelling voor Finavia rond 4 % op het geïnvesteerde kapitaal. De volgende tabel bevat een overzicht over de prestaties van Finavia:

Financiële kerngegevens van Finavia in miljoenen EUR (feitelijke cijfers)

Jaar

2003

2004

2005

Inkomsten

219

234

243

Winst

17

15

22

Aan de overheid uitgekeerde dividenden

6

5

10

(24)

Finland verklaarde dat Finavia geen specifieke jaarrekeningen per luchthaven opstelde, aangezien alle luchthavens toebehoorden aan dezelfde rechtspersoon. Sinds 2000 had Finavia echter wel specifieke gegevens voor elke luchthaven verzameld op basis van haar eigen interne berekeningen (feitelijke gegevens). Deze gegevens waren gebaseerd op de ontwikkelingen met betrekking tot het aantal passagiers en de daaraan verbonden inkomsten en op de kosten voor de op de luchthavens ingezette middelen, zoals personeel, externe diensten en de afschrijving van vaste activa. De prestaties van Finavia op de luchthaven TMP (uitgezonderd door Airpro verleende diensten) worden weergegeven in onderstaande tabel: […]

(25)

De financiële resultaten van Finavia op de luchthaven TMP omvatten naast haar commerciële activiteiten ook activiteiten op het gebied van overheidsdiensten, zoals luchtverkeersleiding en het gebruik van de start- en landingsbaan op de luchthaven TMP voor militaire doeleinden. Finland gaf aan dat de start- en landingsbaan op de luchthaven TMP 24 uur per dag en 365 dagen per jaar beschikbaar moest zijn voor militaire doeleinden. De start- en landingsbaan werd inderdaad voor militaire doeleinden gebruikt (ten minste 30 % van de jaarlijkse vliegbewegingen). De kosten gemaakt voor luchtverkeersleidingstaken beliepen rond […]. In de bovenstaande cijfers is rekening gehouden met de door Airpro aan Finavia betaalde huur voor het gebruik van T2 en de landingsheffingen en andere luchthavengelden voor de aan luchtvaartmaatschappijen verleende diensten op T2.

(26)

Wat Airpro betreft, legde Finland uit dat het om een vennootschap gaat die juridisch gescheiden is van Finavia. De volgende tabel geeft een overzicht van de door Airpro met haar activiteiten op de luchthaven TMP behaalde financiële resultaten: […]

(27)

In de financiële resultaten van Airpro op de luchthaven TMP is rekening gehouden met de kosten, zoals de huur voor T2, de eigen kosten van Airpro voor personeel en uitrusting, alsmede de kosten voor dienstverlening door Finavia. In de jaarrekeningen zijn ook de inkomsten, zoals de door Ryanair betaalde „all in”-vergoedingen, parkeergelden en andere uit commerciële activiteiten behaalde inkomsten opgenomen.

(28)

Finland is derhalve van mening dat Finavia en Airpro als particuliere investeerders in een markteconomie handelden toen zij besloten een lageprijzenstrategie in te voeren en de vrachthangar in een terminal voor goedkope vluchten te veranderen.

(29)

Finland voerde aan dat de financiering van de renovatie van T2, ook al zou deze als staatssteun worden aangemerkt, verenigbaar was met de interne markt overeenkomstig artikel 107, lid 3, onder c), van het VWEU, aangezien de financiering aan de verenigbaarheidscriteria van de luchtvaartrichtsnoeren van 2005 voldeed.

(30)

Finland voerde voorts aan dat de maatregelen geacht konden worden aan doelstellingen van algemeen belang te voldoen, gezien het algemene belang van luchthavenactiviteiten en van de diversificatie van verkeersverbindingen in de regio met het oog op de behoeften van de regionale bevolking en de samenleving als geheel. Volgens Finland waren de aanpassingen van T2 daarom evenredig in het licht van de doelstelling en de behaalde resultaten.

(31)

Voorts stelde Finland dat rekening moest worden gehouden met de specifieke kenmerken van het luchthavenbeheer. Zo zou de luchthaven TMP in overeenstemming met de doelstelling van de Unie hebben bijgedragen tot een verbetering van de mobiliteit op overbelaste luchthavens. Het beheer van de luchthaven TMP droeg bij tot een evenwichtige regionale ontwikkeling in een dunbevolkt land als Finland. In dit verband zou het bijzonder belangrijk zijn om de luchtverkeersverbindingen tussen afgelegen gebieden in Finland en de rest van Europa te waarborgen, aangezien andere vormen van vervoer geen levensvatbaar alternatief vormden. De kosten van de aanleg van de terminal waren evenredig aan het gestelde doel en waren noodzakelijk. Gezien het bedrijfsplan en de feitelijke cijfers waren de vooruitzichten voor deze infrastructuur op middellange termijn goed. T2 was voor alle luchtvaartmaatschappijen op eerlijke en niet-discriminerende wijze toegankelijk. Tot dusver had echter alleen Ryanair belangstelling getoond.

(32)

Volgens Finland had de infrastructuur geen handelsverstorend effect waardoor het belang van de Unie werd geschaad. De luchthaven TMP zou kleinschalig zijn, zodat het effect van de maatregelen op het niveau van de Unie te verwaarlozen zouden zijn. Bovendien zouden de voordelige gevolgen van de maatregelen voor de regio opwegen tegen een eventueel nadelig effect op het niveau van de Unie.

3.2.   De huurovereenkomst tussen Finavia en Airpro voor T2 van luchthaven TMP

(33)

Finland verklaarde dat Finavia op 23 februari 2003 met Airpro een huurovereenkomst betreffende T2 voor de periode 1 april 2003 tot en met 31 maart 2013 had gesloten (hierna „de huurovereenkomst” genoemd). Weliswaar had Finavia de kosten voor de renovatie oorspronkelijk voor haar rekening genomen, maar Airpro zou deze kosten via de huur aan Finavia terugbetalen. Finland verstrekte ook een kopie van de huurovereenkomst.

(34)

Volgens de huurovereenkomst betaalt Airpro maandelijks een huur van […], vermeerderd met […] % btw, voor het gebruik van de voorzieningen. De maandelijkse huur inclusief btw beloopt dus […]. In de overeenkomst is bepaald dat de huur naast de basishuur ook de kosten voor de verbouwing van de vrachthangar in een terminal voor goedkope vluchten omvat, vermeerderd met rente.

(35)

Finland verklaarde dat de aanpassing van T2 ten tijde van de ondertekening van de overeenkomst nog gaande was en dat de kosten van de renovatie moesten worden geraamd om de hoogte van de huur te kunnen bepalen. De kosten werden op 700 000 EUR geschat, met een maandelijks effect op de huur van naar schatting rond […]. Volgens de ramingen van Finavia zouden naast de geraamde kosten voor de renovatie bijkomende kosten ter hoogte van […] ontstaan voor werken en aanpassingen na de inbedrijfstelling van T2, met een maandelijks effect op de huur van […]. In overeenstemming met de voorgaande ramingen werden de door Finavia gemaakte kosten voor de aanpassing van T2 door Airpro vergoed door een maandelijkse huur van […].

(36)

Finland voerde aan dat de door Airpro betaalde maandelijkse huur niet onder de marktprijs lag. De door Airpro betaalde huur was zelfs hoger dan de huur die door de eerdere huurder, DHL, werd betaald. DHL betaalde een maandelijkse huur van […], exclusief btw, voor het gebruik van de voorzieningen, een bedrag dat ongeveer overeenkwam met […] (9). De btw over de huur bedroeg […], zodat de totale maandelijkse huur inclusief btw […] beliep, wat ongeveer overeenkwam met […].

(37)

Finland merkte voorts op dat T2 zonder de invoering van de lageprijzenstrategie en de ombouw van de vrachthangar tot een terminal voor goedkope vluchten mogelijkerwijs leeg had gestaan, wat een financiële belasting voor de luchthaven TMP had betekend.

3.3.   Uitvoering van de lageprijzenstrategie door Airpro en de overeenkomst van 3 april 2003 tussen Airpro en Ryanair

(38)

Met betrekking tot de invoering van de lageprijzenstrategie door Airpro verklaarde Finland dat de gesprekken met luchtvaartmaatschappijen op een eerder tijdstip waren begonnen. Zo werden bijvoorbeeld met Ryanair reeds sinds enkele jaren gesprekken gevoerd, voordat de beslissing werd genomen om op de luchthaven TMP een lageprijzenstrategie in te voeren.

(39)

Volgens Finland vormde de brief die door Airpro aan een aantal luchtvaartmaatschappijen was verstuurd met de uitnodiging om activiteiten te ontplooien op de terminal voor goedkope vluchten, slechts een deel van de marketingstrategie voor T2. Voor T2 op de luchthaven TMP werd vanaf 2002 een aantal jaren actief reclame gemaakt op de jaarbeurs Routes (10). Er werd aangenomen dat naast Ryanair ook andere luchtvaartmaatschappijen belangstelling zouden tonen om activiteiten op deze terminal te ontplooien.

(40)

Finland heeft een kopie van de uitnodigingsbrief verstrekt. In de brief worden de vergoedingen vermeld die op T2 van toepassing zijn, zoals de vergoedingen voor grondafhandeling en terminalgebruik, waarvan de hoogte afhankelijk is van het type vliegtuig. Naast de vergoedingen die op T2 worden toegepast, moeten luchtvaartmaatschappijen de normale landingsheffingen, plaatselijke luchtnavigatieheffingen en veiligheidsvergoedingen betalen.

(41)

Finland heeft een kopie overgelegd van de tussen Airpro en Ryanair gesloten overeenkomst van 3 april 2003 (hierna „de overeenkomst” genoemd), die een looptijd heeft van […]. In de overeenkomst worden de operationele en financiële voorwaarden beschreven waaronder Ryanair commerciële vluchten van en naar T2 op de luchthaven TMP zal uitvoeren. De overeenkomst trad op de dag na ondertekening ervan in werking (d.w.z. op 4 april 2003) en eindigt op […].

(42)

Voor op de luchthaven TMP geleverde diensten betaalt Ryanair vanaf 4 april 2003 één vergoeding per aankomst en vertrek van een toestel, d.w.z. een „all in”-vergoeding voor elk vliegtuig van het type B-737-800 of elke andere variant van de B-737 met een MTOW (11) van ten hoogste 67 000 kg. De vergoeding omvat een landings- en startheffing, licht-, lawaai- en nachtvergoedingen, de plaatselijke luchtnavigatieheffingen, vergoedingen voor platform- en passagiersafhandeling, met inbegrip van veiligheids- en beveiligingsvergoedingen, en de passagiersheffing.

(43)

Zoals in de tabellen hieronder is aangegeven is de „all in”-vergoeding afhankelijk van de dagelijkse frequentie waarmee toestellen van Ryanair de luchthaven aandoen en van het jaar van de looptijd van de overeenkomst: […]

(44)

In de overeenkomst verbindt Ryanair zich ertoe haar activiteiten op de luchthaven van TMP met […] dagelijkse vluchten naar en vanaf de luchthaven te beginnen. Bovendien zegt Ryanair toe om Airpro met inachtneming van een termijn van […] in kennis te stellen van een eventuele verlaging van het aantal vluchten naar en vanaf de luchthaven.

(45)

[…]

(46)

Volgens de overeenkomst verwachtte Ryanair gedurende de eerste 12 maanden voor rond […] vanaf de luchthaven TMP vertrekkende passagiers te zorgen en voor rond […] vertrekkende passagiers in de 12 maanden daarna.

(47)

Volgens de overeenkomst heeft T2 op de luchthaven TMP een maximale capaciteit van één aankomst/vertrek per uur tussen 7.00 en 24.00 uur. Ryanair en Airpro zullen vooraf een dienstregeling overeenkomen.

(48)

Airpro zal een centraal gelegen balie onderhouden in de hoofdterminal (T1) van de luchthaven en zal reserveringsvoorzieningen voor passagiers van Ryanair verzorgen. Volgens de overeenkomst betaalt Ryanair aan Airpro een commissie van […] over alle boekingen van Ryanair-vluchten (exclusief belastingen, vergoedingen en andere heffingen) die door Airpro worden verkocht en die door middel van een betaalkaart of creditcard worden betaald.

(49)

Tevens voorziet de overeenkomst in een regeling voor de periode in de zomer van 2003 wanneer noodzakelijke onderhoudswerkzaamheden aan de start- en landingsbaan worden uitgevoerd en de luchthaven voor het gehele luchtverkeer zal worden gesloten. Tijdens deze periode zal het luchtverkeer met bestemming luchthaven TMP worden omgeleid naar de luchthaven van Pori, vanwaaruit Airpro busvervoer voor passagiers van Ryanair zal verzorgen.

(50)

Volgens Finland werd de overeenkomst tussen Airpro en Ryanair op commerciële voorwaarden gesloten, zonder dat er staatssteun aan te pas kwam. Andere luchtvaartmaatschappijen hadden eveneens de mogelijkheid om met Airpro op vergelijkbare voorwaarden een overeenkomst te sluiten. Zo werd bijvoorbeeld in de reclamebrochure The Case for Tampere-Pirkkala Airport, die voor de jaarbeurs van 2004 was opgesteld, gewezen op het feit dat T2 toegankelijk was voor alle marktdeelnemers, aangezien op de terminal op dat tijdstip capaciteit voor nog eens twee luchtvaartmaatschappijen beschikbaar was.

(51)

Finland was voorts van mening dat de door Ryanair op de luchthaven TMP betaalde vergoedingen kostengebaseerd waren en economisch voordeel opleverden in het kader van de bedrijfsactiviteiten van Airpro en Finavia op de luchthaven TMP. Airpro inde van Ryanair de heffingen voor de door Airpro zelf en door Finavia geleverde diensten. Vervolgens werden de vergoedingen voor de activiteiten van Ryanair op de luchthaven door Airpro uitbetaald aan Finavia overeenkomstig de Aeronautical Information Publication (AIP) (12) van Finavia. Eventueel verschillende heffingen zouden zijn gebaseerd op de aard en de omvang van de verleende diensten.

(52)

Finland verklaarde dat alle luchtvaartmaatschappijen die van de luchthaven TMP gebruik maken, voor dezelfde diensten dezelfde vergoedingen betaalden. De passagiersheffing voor de op T2 geleverde diensten was bijvoorbeeld afhankelijk van de kwaliteit van de op de terminal verleende diensten. Noch Finavia noch Airpro was betrokken bij het innen van de op de tickets van Ryanair aangegeven passagiersheffing, die door Ryanair van haar passagiers werd geïnd. In tegenstelling tot wat Blue1 beweerde was Ryanair niet vrijgesteld van betaling van de passagiersheffing. Uit het feit dat de activiteiten van Airpro op T2 winstgevend waren, zou blijken dat Ryanair een heffing moest betalen voor de door Airpro geleverde diensten.

(53)

Op de luchthaven TMP inde Finavia via Airpro de volgende vergoedingen van Ryanair, die in totaal […] beliepen.

landingsheffing (13): […]

heffing voor luchtverkeersleidings-diensten: […]

(54)

Wat de heffingen voor luchtverkeersleidingsdiensten betreft, verklaarde Finland dat deze gebaseerd waren op het gewicht van het toestel, de afstand van de vlucht en de aard van de benutte diensten. Tot de inkomsten van Finavia behoorde ook een jaarlijkse heffing per vliegverbinding (14), die in 2006 rond […] beliep en afhankelijk was van het aantal vluchten van Ryanair.

(55)

Finland verklaarde voorts dat de opbrengst uit de activiteiten van Ryanair op de luchthaven TMP in 2005 in totaal […] bedroeg. Tot slot voerde Finland aan dat Ryanair volgens de overeenkomst had toegezegd het vluchtverkeer te zullen uitbreiden en de in de overeenkomst vastgelegde passagiersdoelstellingen te verwezenlijken.

4.   OPMERKINGEN VAN DERDEN

(56)

De Commissie heeft opmerkingen van vier belanghebbenden ontvangen.

4.1.   Ryanair

(57)

Allereerst verklaarde Ryanair in haar opmerkingen van 16 november 2007 dat de inleiding van een formele onderzoeksprocedure naar haar mening oneerlijk en onnodig was. Tevens verklaarde Ryanair te betreuren dat de Commissie haar niet in de gelegenheid had gesteld om aan het voorlopig onderzoek mee te werken.

(58)

Inhoudelijk was Ryanair van oordeel dat de Commissie haar beoordeling had moeten baseren op commerciële standaardovereenkomsten en tot de conclusie had moeten komen dat de overeenkomst in overeenstemming was met het beginsel van de particuliere investeerder in een markteconomie en dat er dus geen sprake was van staatssteun. Daar volgens Ryanair zowel Finavia als Airpro van de aanwezigheid van de luchtvaartmaatschappij op de luchthaven TMP profiteerden, handelden zij beide als particuliere investeerders in een markteconomie en was er bij de financiering van T2 op generlei wijze staatssteun in het spel.

(59)

Met betrekking tot de ontwikkeling van de terminal voor goedkope vluchten op de luchthaven TMP verklaarde Ryanair dat er verschillende projecten in de maak waren gericht op de differentiëring van de door luchthavens in de Unie aangeboden diensten, teneinde in te spelen op de behoeften van goedkope luchtvaartmaatschappijen en hun passagiers. De door de luchthavens aangeboden gedifferentieerde diensten zouden gedifferentieerde vergoedingen van de kant van de luchtvaartmaatschappijen tot gevolg hebben. De luchthaven TMP was een van de eerste die het model van een gedifferentieerd aanbod van diensten op één en dezelfde luchthaven in de praktijk brachten. Ryanair bevestigde dat luchthavenexploitant Finavia zijn besluitvorming over T2 had gebaseerd op een solide bedrijfsplan dat snel ten uitvoer werd gelegd en in een toename van de inkomsten van Finavia resulteerde. Ryanair was derhalve van mening dat de ontwikkeling van de terminal voor goedkope vluchten geen enkel element van staatssteun voor de activiteiten van Finavia op de luchthaven TMP omvatte.

(60)

Wat het beheer van T2 betreft, lichtte Ryanair toe dat de concurrentie tussen de terminals op dezelfde luchthaven tot meer efficiency en lagere kosten leidde. Volgens Ryanair zorgde de grotere efficiency op T2 voor een verhoging van de efficiency op T1, waarvan alle luchtvaartmaatschappijen profiteerden die van de luchthaven gebruik maakten. Naar beste weten van Ryanair verhuurde Airpro de terminal op commerciële voorwaarden. Finavia profiteerde bovendien van de toename van het luchtverkeer op de luchthaven en van een toename van de inkomsten uit landings- en luchtverkeersleidingsheffingen. Bijgevolg was er naar mening van Ryanair geen sprake van staatssteun in de commerciële overeenkomsten tussen Finavia en Airpro betreffende het beheer van T2.

(61)

Met betrekking tot de overeenkomst tussen Ryanair en Airpro verklaarde Ryanair allereerst dat haar bedrijfsmodel gebaseerd was op een verhoging van de efficiency, waarmee de passagiers hun voordeel zouden doen in de vorm van lagere vliegprijzen. De op de luchthaven TMP betaalde „all in”-vergoeding omvatte alle heffingen die op de luchthaven van toepassing waren op de luchtvaartmaatschappijen. De gedifferentieerde heffingen voor het gebruik van T2 waren gerechtvaardigd op grond van het geboden dienstverleningsniveau. Met betrekking tot de korting op de luchthavenheffingen in verband met een hogere frequentie van vluchten voerde Ryanair aan dat dit een normale commerciële praktijk was die in alle bedrijfstakken wordt toegepast. De meeste voorwaarden van de overeenkomst tussen Ryanair en Airpro voor T2 waren algemeen van toepassing op alle luchtvaartmaatschappijen die vluchten vanaf T2 zouden verzorgen. Daarom was Ryanair van mening dat deze overeenkomst met Airpro geen selectief karakter had. Voorts voerde Ryanair aan dat zowel Finavia als Airpro profijt trokken van haar aanwezigheid op de luchthaven TMP.

4.2.   De SAS-groep

(62)

De SAS-groep diende haar opmerkingen bij brief van 16 november 2007 in. De SAS-groep wees erop dat haar opmerkingen met name betrekking hadden op de relaties tussen Finavia en Airpro, de kosten van de ombouw van T2 en de voorkeursbehandeling van Ryanair op de luchthaven TMP.

(63)

Wat de relaties tussen Finavia en Airpro betreft, verklaarde de SAS-groep dat de directeur van de luchthaven TMP lid van de raad van bestuur van Airpro was op het tijdstip waarop Finavia besloot T2 aan Airpro te verhuren. Daarnaast zouden de nauwe relaties tussen Finavia en Airpro duidelijk tot uitdrukking komen in de publicatie getiteld Tampere-Pirkkala Airport Finland’s Future-Ready Airport.

(64)

De SAS-groep voerde aan dat Finavia T2 met inkomsten uit T1 subsidieerde. De SAS-groep was in het bijzonder van oordeel dat op T2 geen passagiersheffingen werden betaald. Bovendien beheerde Airpro de parkeerplaats bij T2 en behield zij de uit de parkeergelden verkregen inkomsten. De parkeertarieven op de parkeerplaats bij T2 waren twee keer zo hoog als die bij T1.

(65)

Wat de kosten voor de op T2 verleende diensten betreft, voerde de SAS-groep aan dat Finland haar geen toegang tot desbetreffende informatie had verleend. De SAS-groep beschikte niet over informatie over de vraag of T2 en de luchthaven TMP rendabel waren en of Airpro voor de door Finavia ter beschikking gestelde infrastructuur had betaald. Zo had Finavia bijvoorbeeld apparatuur voor veiligheidscontroles op T2 aangeschaft. De SAS-groep verklaarde dat het prijspeil op T2 volgens Finland en Airpro te maken had met het niveau van de dienstverlening. De SAS-groep voerde aan dat het niveau van de dienstverlening normaliter was gebaseerd op het grondafhandelingsconcept dat wordt overeengekomen door de luchtvaartmaatschappij en de grondafhandelingsonderneming, en niet op de beschikbare ruimte of voorzieningen.

(66)

Voorts voerde de SAS-groep aan dat de afspraken betreffende T2 op de luchthaven TMP één bepaald bedrijfsmodel begunstigden en duidelijk in strijd waren met artikel 107, lid 1, van het VWEU.

4.3.   Air France

(67)

Air France diende haar opmerkingen in bij brief van 16 november 2007. Allereerst beschreef Air France haar commerciële situatie in Finland. Air France verzorgde in Finland geen vluchten van en naar de luchthaven van TMP. Wel bood Air France via een code-sharingovereenkomst met Finnair vijf dagelijkse vluchten aan tussen de luchthaven Charles de Gaulle in Parijs en de luchthaven van Helsinki (op een afstand van rond de 180 kilometer van de luchthaven TMP).

(68)

Air France verklaarde de luchtvaartrichtsnoeren van 2005 en de voorlopige beoordeling van de financiële afspraken op de luchthaven TMP door de Commissie te onderschrijven. Inzonderheid was Air France van opvatting dat Ryanair door de vrijstelling van de betaling van de passagiersheffing een voordeel werd verschaft dat duidelijk discriminerend van aard was en derhalve geacht moest worden in strijd te zijn met de interne markt.

4.4.   Association of European Airlines

(69)

De Association of European Airlines (hierna „AEA” genoemd) diende haar opmerkingen bij schrijven van 16 november 2007 in. De opmerkingen van de AEA waren geheel in overeenstemming met die van de SAS-groep en Air France.

5.   OPMERKINGEN VAN FINLAND NAAR AANLEIDING VAN DE OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN

(70)

De opmerkingen van de vier belanghebbenden werden doorgestuurd naar Finland.

(71)

Ten aanzien van de opmerkingen van Ryanair merkte Finland op dat de luchtvaartmaatschappij zich zowel over de algemene ontwikkelingen op de luchtvaartmarkt in Europa als over de ontwikkelingen op de luchthaven TMP had uitgelaten. Met betrekking tot deze aspecten verwees Finland naar zijn eerdere opmerkingen die het naar aanleiding van de inleiding van de formele onderzoeksprocedure had ingediend.

(72)

Volgens Finland werden in de opmerkingen van de SAS-groep nieuwe vraagstukken opgeworpen die opheldering behoeven. Finland verklaarde dat Airpro, zoals het eerder had meegedeeld, een zelfstandige rechtspersoon was die geen enkele steun van haar eigenaar Finavia ontving.

(73)

Finland gaf aan dat de directeur van de luchthaven TMP ten tijde van de ondertekening van de huurovereenkomst geen lid van de raad van bestuur van Airpro was. De directeur van de luchthaven TMP maakte slechts van mei 2003 tot april 2007 deel uit van de raad van bestuur van Airpro. Met betrekking tot de reclamepublicatie over de luchthaven TMP en zijn lageprijzenstrategie voerde Finland aan dat de aard van de juridische en economische relaties tussen de betrokken ondernemingen niet uit dergelijke marketingactiviteiten kunnen worden opgemaakt. De SAS-groep, die activiteiten ontplooide op T1 van de luchthaven TMP, werd niet genoemd in de publicatie, omdat deze erop gericht was de lageprijzenstrategie van de luchthaven TMP onder de aandacht te brengen.

(74)

Met betrekking tot de beweringen van de SAS-groep over mogelijke kruissubsidiëring tussen T2 en T1 op de luchthaven TMP verklaarde Finland dat het reeds bewijzen had verstrekt dat de activiteiten van Airpro op de luchthaven TMP winstgevend waren en dat Airpro geen subsidies van Finavia ontving.

(75)

Met betrekking tot de verschillende aanpassingen van de infrastructuur in verband met de renovatie van T2 gaf Finland aan dat de desbetreffende kosten inclusief rente werden gedekt door de door Airpro aan Finavia betaalde huur. Wat de aanschaf door Finavia van apparatuur voor veiligheidscontroles voor T2 betreft, verklaarde Finland dat deze kosten werden aangerekend in de betaalde huur. De parkeerplaats naast T2 behoorde tot het aan Airpro verhuurde terrein. Het stond Airpro vrij de hoogte van de parkeertarieven zelf vast te stellen, zolang dit op transparante wijze gebeurde.

(76)

Met betrekking tot de beweringen van de SAS-groep over het gedifferentieerde prijsbeleid op de terminals van de luchthaven TMP verwees Finland naar zijn opmerkingen over de inleiding van de procedure.

6.   DE VRAAG OF ER SPRAKE IS VAN STEUN

(77)

Volgens artikel 107, lid 1, van het VWEU „zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt”.

(78)

De criteria van artikel 107, lid 1, van het VWEU zijn cumulatief. Een maatregel wordt alleen aangemerkt als steun in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU indien aan elk van de volgende voorwaarden is voldaan. De financiële steun moet:

door de overheid of uit overheidsmiddelen worden toegekend;

bepaalde ondernemingen of de productie van bepaalde goederen begunstigen;

de mededinging vervalsen of dreigen te vervalsen;

de handel tussen de lidstaten ongunstig beïnvloeden.

6.1.   Is er bij de financiële afspraken in verband met de lageprijzenstrategie op de luchthaven TMP sprake van staatssteun?

(79)

In het kader van de beoordeling of de financiële afspraken in verband met de lageprijzenstrategie op de luchthaven van TMP een element van staatssteun omvatten, met name waar het gaat om de ombouw van een leegstaande vrachthangar tot een terminal voor goedkope vluchten en de daarop volgende huurovereenkomst met Airpro, moet de Commissie onderzoeken of een particuliere investeerder in een markteconomie dezelfde of soortgelijke commerciële afspraken had gemaakt als Finavia (15).

(80)

Overeenkomstig de in de rechtspraak ontwikkelde beginselen moet de Commissie het optreden van Finavia vergelijken met dat van een particuliere investeerder in een markteconomie die zich laat leiden door het uitzicht op rendement op lange termijn (16). Daarnaast moet de Commissie, overeenkomstig het arrest in de zaak Charleroi (17), bij de beoordeling van de maatregelen in kwestie rekening houden met alle met alle relevante elementen en hun context. De Commissie moet met andere woorden het besluit van Finavia om de vrachthangar op de luchthaven TMP te renoveren en de geplande invoering van de lageprijzenstrategie op de luchthaven TMP door Airpro beoordelen op basis van een geïntegreerde aanpak waarbij alle elementen van de maatregelen in kwestie in aanmerking worden genomen.

(81)

Het Hof heeft in zijn arrest in de zaak Stardust Marine verklaard dat „[…] met betrekking tot de vraag of de staat zich als een voorzichtige investeerder in een markteconomie heeft gedragen, voor de beoordeling van de economische rationaliteit van het gedrag van de staat moet worden uitgegaan van de periode waarin de financiële steunmaatregelen zijn genomen, en dus niet van een latere situatie” (18).

(82)

Om het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie te kunnen toepassen, dient de Commissie zich te verplaatsen in de context van de periode waarin Finavia besloot de leegstaande vrachthangar te renoveren en deze vervolgens aan Airpro te verhuren, d.w.z. de situatie begin 2003. De Commissie moet haar beoordeling bovendien baseren op de informatie en de aannamen waarvan de marktdeelnemer kon uitgaan toen de besluiten over de financiële afspraken voor de invoering van de lageprijzenstrategie werden genomen.

(83)

Finland voert aan dat Finavia rationeel heeft gehandeld en staaft zijn argumenten met een kopie van het vooraf opgestelde bedrijfsplan van Finavia en de destijds door Finavia en Airpro op de luchthaven TMP geboekte resultaten.

(84)

In dit verband wijst de Commissie erop dat de vrachthangar op de luchthaven leeg kwam te staan nadat DHL haar huurovereenkomst had opgezegd. Finavia verloor daarmee maandelijkse huurinkomsten van rond […]. Na een aantal maanden werd duidelijk dat Finavia er niet in zou slagen een andere luchtvrachtonderneming naar de luchthaven TMP te halen. Evenmin waren goedkope luchtvaartmaatschappijen bereid om terminal 1 op de luchthaven te gebruiken, omdat de kosten van de grondafhandelingsdiensten voor deze luchtvaartmaatschappijen te hoog waren. Volgens prognoses van 2002 voor de luchtvaartsector viel echter een groot groeipotentieel van rond 30 % voor goedkope luchtvaartmaatschappijen zoals Ryanair te verwachten.

(85)

De Commissie constateert verder dat de leegstaande vrachthangar volledig was afgeschreven en dat de kosten voor de ombouw van de hangar tot een passagiersterminal voor goedkope vluchten 760 612 EUR beliepen. Ook als de hangar niet tot een passagiersterminal was omgebouwd, zou Finavia toch bepaalde renovatiewerkzaamheden hebben verricht, die ongeveer 100 000 EUR zouden hebben gekost.

(86)

Bovendien was Finavia verplicht de start- en landingsbaan van de luchthaven TMP 24 uur per dag en 365 dagen per jaar ter beschikking te stellen voor militaire doeleinden. Een toename van het luchtverkeer op de luchthaven zou daarom kunnen resulteren in een betere toewijzing van middelen en een vermindering van mogelijke overcapaciteiten. Tevens zouden door een diversificatie van de luchtvaartmaatschappijen die gebruik maakten van de luchthaven, de zakelijke risico’s van de luchthaven (zoals het risico van onbenutte capaciteit indien een van de luchtvaartmaatschappijen haar activiteiten zou beëindigen) worden verminderd en de start- en landingsbaan efficiënter kunnen worden gebruikt.

(87)

Deze situatie wordt toegelicht in het bedrijfsplan van Finavia voor de invoering van de lageprijzenstrategie. Zoals uit het worstcasescenario van het bedrijfsplan van Finavia naar voren kwam, zou het investeringsproject naar verwachting een positief effect hebben: de gemiddelde winstmarge (19) zou naar verwachting rond […] bedragen (zie de tabel in overweging 20), wat volgens de gegevens waarover de Commissie beschikt ruwweg overeenkomt met de winstmarges van andere luchthavens in de Unie (20). De Commissie merkt voorts op dat het vooraf opgestelde bedrijfsplan was gebaseerd op voorzichtige aannamen, die tot een onderschatting van de te verwachten inkomsten en een overschatting van de te verwachten kosten in de laatste jaren van het onderzoekstijdvak leidden. Bovendien werd in het vooraf opgestelde bedrijfsplan geen rekening gehouden met de winst die Finavia uit landingsheffingen zou verkrijgen, aangezien deze inkomsten van de omzet werden afgetrokken. Ook werden de renovatiekosten en een vergoeding voor het geïnvesteerde kapitaal volledig aangerekend in de door Airpro aan Finavia betaalde huur, die eveneens van de verwachte omzet werd afgetrokken.

(88)

Om de lageprijzenstrategie van Finavia en Airpro op basis van een geïntegreerde benadering te kunnen beoordelen, werden de in het vooraf opgestelde bedrijfsplan (basisscenario) aangegeven inkomsten en kosten door de deskundige van de Commissie geconsolideerd. Met name werden de betalingen tussen de ondernemingen onderling (zoals de door Airpro aan Finavia betaalde huur voor het gebruik van T2, de landingsheffingen en de plaatselijke luchtnavigatieheffingen) in aanmerking genomen als inkomsten. In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de berekende inkomsten en kosten in verband met de hierboven beschreven invoering van de lageprijzenstrategie op de luchthaven TMP en de bijdrage ervan aan het resultaat vóór interest en belastingen („earnings before interest and taxes” - EBIT) op geconsolideerd niveau (d.w.z. voor Finavia én Airpro) voor de volgende tien jaar: […] (21)

(89)

De Commissie merkt op dat op grond van het vooraf opgestelde bedrijfsplan en de positieve contante nettowaarde (22) moet worden geoordeeld dat het besluit van Finavia om een lageprijzenstrategie in te voeren op de luchthaven TMP in overeenstemming was met de handelwijze van een particuliere investeerder in een markteconomie. Door de positieve netto contante waarde van de lageprijzenstrategie werd het eigen vermogen van Finavia verhoogd. De Commissie merkt voorts op dat de aannamen van het vooraf opgestelde bedrijfsplan en de verwachtingen met betrekking tot de resultaten van de lageprijzenstrategie verder worden gestaafd door de feitelijk geboekte positieve resultaten van de activiteiten van Airpro op de luchthaven TMP (zie in het bijzonder de tabel in overweging 26). Bovendien blijkt uit de gecombineerde financiële resultaten van de luchthaven TMP (rekening houdend met de financiële resultaten van de activiteiten van Airpro en Finavia op de luchthaven TMP, zie de tabellen in de overwegingen 24 en 26) dat de activiteiten van de luchthaven als geheel winstgevend zijn geworden dankzij de exploitatie van de terminal voor goedkope vluchten.

(90)

In het licht van het bovenstaande kan de Commissie concluderen dat het besluit van Finavia om de lageprijzenstrategie in te voeren en de onderliggende financiële afspraken te maken, in overeenstemming is met het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie en daarom geen enkel economisch voordeel heeft verschaft dat niet met normale marktomstandigheden strookt.

(91)

Aangezien niet is voldaan aan een van de cumulatieve criteria van artikel 107, lid 1, van het VWEU, is de Commissie van oordeel het besluit van Finavia om de lageprijzenstrategie in te voeren en de onderliggende financiële afspraken te maken, generlei staatssteun inhoudt in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU.

(92)

Ten aanzien van een mogelijke kruissubsidiëring van Airpro door Finavia (in de vorm van gederfde huurinkomsten of vergoeding voor operationele verliezen) merkt de Commissie op dat op grond van het feit dat alle financiële afspraken in verband met de lageprijzenstrategie op de luchthaven TMP zijn gebaseerd op een vooraf in overeenstemming met het criterium van de particuliere investeerder in een markteconomie opgesteld bedrijfsplan, dat Airpro een marktconforme huur betaalt voor het gebruik van T2, dat de volledige kosten van de activiteiten van Airpro op de luchthaven TMP worden gedekt door vergoedingen betaald door de van T2 gebruik makende luchtvaartmaatschappijen (d.w.z. Ryanair) en dat de activiteiten van Finavia op de luchthaven TMP alleen dankzij de exploitatie van T2 winstgevend zijn, kruissubsidiëring van Airpro door Finavia kan worden uitgesloten.

6.2.   Vormt de overeenkomst tussen Airpro en Ryanair staatssteun?

(93)

Wat de tussen Airpro en Ryanair gesloten overeenkomst betreft, heeft Finland aangevoerd dat Airpro heeft gehandeld zoals een particuliere investeerder in een markteconomie in een soortgelijke situatie gehandeld zou hebben. Indien dit het geval is, heeft Ryanair door de overeenkomst geen voordeel verkregen en is er geen sprake van staatssteun.

(94)

Bij haar beoordeling of de overeenkomst onder normale marktomstandigheden werd gesloten, moet de Commissie onderzoeken of een in normale marktomstandigheden en in de verwachting winstgevendheid op lange termijn opererende luchtvaartmaatschappij in soortgelijke omstandigheden dezelfde of soortgelijke commerciële afspraken zou hebben gemaakt als Airpro (23). Bovendien moet de Commissie het verwachte effect van de overeenkomst op de activiteiten van Airpro en Finavia op de luchthaven TMP op basis van een geïntegreerde benadering en rekening houdend met alle elementen van de maatregel in kwestie analyseren (24).

(95)

Om het criterium van de particuliere investeerder toe te kunnen passen, moet de Commissie zich verplaatsen in de context van de periode waarin de overeenkomst werd gesloten. De Commissie moet haar beoordeling tevens baseren op de informatie en de aannamen waarvan de marktdeelnemer kon uitgaan toen de overeenkomst werd gesloten. Airpro heeft de overeenkomst met Ryanair op 3 april 2003 gesloten met een looptijd van […].

(96)

Volgens de overeenkomst verbond Ryanair zich ertoe haar activiteiten op de luchthaven van TMP met […] dagelijkse starts en landingen te beginnen. Op basis hiervan verwachtte Ryanair gedurende de eerste 12 maanden voor rond […] vanaf de luchthaven TMP vertrekkende passagiers te zorgen en voor rond […] vertrekkende passagiers in de 12 maanden daarna. De overeenkomst voorziet in een schema voor vergoedingen per aankomst/vertrek op basis van het aantal dagelijkse vluchten (zie met name de tabel in overweging 43). De gemiddelde prijs voor een aankomst/vertrek (bij drie vluchten per dag) bedraagt […]. In de volgende tabel worden de vergoedingen die worden betaald door de luchtvaartmaatschappijen die op de luchthaven TMP gebruik maken van T1, vergeleken met de door Ryanair betaalde gemiddelde prijs:

Geleverde dienst

Luchthavenvergoedingen van toepassing op terminal 1 (T1) in EUR

Luchthavenvergoedingen betaald door Ryanair (gemiddeld tarief) op terminal 2 (T2)

Landingsheffing

442

442

Plaatselijke luchtnavigatieheffingen

92

92

Veiligheidsheffing

410

410

Heffingen voor terminaldiensten (passagiers) en grondafhandeling

[…]

[…]

Totale prijs per aankomst/vertrek

[…]

[…]

(97)

De Commissie constateert dat Ryanair dezelfde landings-, plaatselijke luchtnavigatie- en veiligheidsvergoedingen betaalt als de luchtvaartmaatschappijen die op luchthaven TMP gebruik maken van T1. Volgens de door Finland verstrekte informatie is Ryanair niet vrijgesteld van de passagiersheffing. Het enige verschil tussen de door Ryanair en andere luchtvaartmaatschappijen betaalde prijs houdt verband met de heffingen voor terminaldiensten voor passagiers en grondafhandelingsdiensten. De kwaliteit van de aan Ryanair en haar passagiers op T2 verleende diensten is echter lager dan de kwaliteit van de op T1 geleverde diensten, en de daardoor bereikte verlaging van de onderliggende kosten, met name personeelskosten, vertegenwoordigt rond […] van de totale kosten van Airpro (met inbegrip van aan Finavia betaalde huur en landings- en plaatselijke luchtnavigatiediensten). Anders dan op T1 wordt op T2 een klein aantal personeelsleden ingezet, die verschillende taken vervullen op het gebied van inchecken, veiligheidscontroles en grondafhandeling. Volgens de door de luchthaven aan de deskundige van de Commissie verstrekte informatie zijn de personeelskosten op T2 rond […] lager dan op T1. Tevens constateert de Commissie dat de door Ryanair voor terminaldiensten voor passagiers en grondafhandelingsdiensten betaalde luchthavenvergoedingen slechts rond […] lager zijn dan de op T1 betaalde vergoedingen. De discrepantie tussen de kostenbesparing (rond […]) enerzijds en het verschil van de door de luchtvaartmaatschappijen voor het gebruik van de beide terminals betaalde vergoedingen (rond […]) anderzijds is het gevolg van een door Airpro gegenereerde winstmarge (rond […], zie ook de tabel in overweging 20). Derhalve is de Commissie van oordeel dat het verschil tussen de door Ryanair op T2 en de door andere luchtvaartmaatschappijen op T1 betaalde vergoedingen gerechtvaardigd is.

(98)

Op basis van de voorgaande informatie was Airpro in staat te voorspellen welke inkomsten zij uit de overeenkomst met Ryanair kon verwachten. Airpro nam aan dat Ryanair in jaar 1 […] dagelijkse vluchten met een bezettingsgraad van […] zou uitvoeren; voorts was de verwachting dat Ryanair vanaf jaar 2 voor de resterende looptijd van de overeenkomst […] dagelijkse vluchten zou uitvoeren met dezelfde bezettingsgraad als in jaar 1. In het resultaat is rekening gehouden met zowel de uit luchtvaartdiensten als de niet uit luchtvaartdiensten verkregen inkomsten (zoals parkeergelden, enz.). De kosten van Airpro over de looptijd van de overeenkomst werden geschat aan de hand van de geraamde kosten voor de lageprijzenstrategie op de luchthaven TMP. Zo werd verwacht dat de personeelskosten […] per aankomst/vertrek zouden bedragen (en […] per dag).

(99)

In de onderstaande tabel wordt een overzicht gegeven van de berekening van de ontvangsten en uitgaven in verband met de overeenkomst en het positieve effect van de overeenkomst op het eigen vermogen van Airpro gedurende de looptijd. Deze berekeningen zijn gebaseerd op het door Finland ingediende bedrijfsplan en de voorgaande aannamen. […] (25)

(100)

De Commissie merkt op dat de overeenkomst met Ryanair gedurende de looptijd naar verwachting een positieve bijdrage zou opleveren aan het eigen vermogen van Airpro, met een netto contante waarde van 0,5 miljoen EUR. Bovendien werd verwacht dat de activiteiten van Airpro en Finavia als geheel gedurende de looptijd van de overeenkomst een positief resultaat zouden opleveren.

(101)

Daarnaast constateert de Commissie dat de inkomsten uit de overeenkomst alle door Airpro op de luchthaven TMP en door Finavia in verband met de overeenkomst gemaakte kosten dekken. De totalekostenbenadering omvat in dit geval de kapitaalkosten (d.w.z. afschrijvingskosten voor de luchthaveninfrastructuur) en de operationele kosten (kosten voor personeel, energie, materiaal enz.). Tevens vallen hieronder de kosten voor beveiligings- en veiligheidsmaatregelen die mogelijk onder overheidstaken zouden kunnen vallen die niet als economische activiteit in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU worden beschouwd. De berekening van de netto contante waarde is derhalve te laag uitgevallen, terwijl de positieve bijdrage van de overeenkomst zelfs nog groter zou kunnen zijn.

(102)

De Commissie constateert dat op basis van het vooraf opgestelde bedrijfsplan moet worden geoordeeld dat het besluit van Airpro om als dochteronderneming van Finavia de overeenkomst in kwestie met Ryanair te sluiten, in overeenstemming was met de handelwijze van een particuliere investeerder in een markteconomie. De Commissie merkt voorts op dat de aannamen van het vooraf opgestelde bedrijfsplan en de verwachtingen met betrekking tot de resultaten van de overeenkomst verder worden gestaafd door de feitelijk geboekte positieve resultaten van de activiteiten van Airpro op de luchthaven TMP (zie in het bijzonder de tabel in overweging 26). Bovendien blijkt uit de gecombineerde financiële resultaten van de luchthaven TMP (rekening houdend met de financiële resultaten van de activiteiten van Airpro én Finavia op de luchthaven TMP, zie met name de tabellen in de overwegingen 24 en 26) dat niet alleen de activiteiten van de terminal voor goedkope vluchten, maar ook die van de luchthaven als geheel winstgevend zijn geworden.

(103)

Op grond van het bovenstaande concludeert de Commissie dat het besluit van Airpro om de overeenkomst in kwestie met Ryanair te sluiten, in overeenstemming was met het criterium van een particuliere investeerder in een markteconomie en derhalve geen enkel economisch voordeel heeft verschaft dat niet met normale marktomstandigheden strookt.

(104)

Aangezien niet aan de cumulatieve criteria van artikel 107, lid 1, van het VWEU is voldaan, is de Commissie van oordeel dat de op 3 april 2003 tussen Airpro en Ryanair gesloten overeenkomst generlei staatssteun inhoudt in de zin van artikel 107, lid 1, van het VWEU,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De door Finavia Oyj en Airpro Oy genomen maatregelen bestaande uit financiële afspraken betreffende de invoering van een lageprijzenstrategie op de luchthaven Tampere-Pirkkala, in het bijzonder betreffende de renovatiekosten voor terminal 2 en de op 23 februari 2003 tussen Finavia Oyj en Airpro Oy gesloten huurovereenkomst, vormen geen steunmaatregelen in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 2

De op 3 april 2003 tussen Airpro Oy en Ryanair Ltd gesloten overeenkomst vormt geen steunmaatregel in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de Republiek Finland.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2012.

Voor de Commissie

Joaquín ALMUNIA

Vicevoorzitter


(1)   PB C 244 van 18.10.2007, blz. 13.

(2)  Vanaf 1 december 2009 zijn de artikelen 87 en 88 VEG respectievelijk de artikelen 107 en 108 VWEU geworden. De bepalingen in beide verdragen zijn inhoudelijk identiek. In het kader van dit besluit moeten verwijzingen naar de artikelen 107 en 108 VWEU waar nodig worden begrepen als verwijzingen naar, respectievelijk, de artikelen 87 en 88 VEG. Met het VWEU werden ook enkele terminologische wijzigingen ingevoerd, zoals de vervanging van „Gemeenschap” door „Unie” en „gemeenschappelijke markt” door „interne markt”. In dit besluit wordt de terminologie van het VWEU gehanteerd.

(3)  Zie voetnoot 2.

(4)   PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(5)  Tot 2009 was Finavia Oyj (vroeger bekend als Finse Dienst voor burgerluchtvaart) een overheidsonderneming. Op 1 januari 2010 werd Finavia omgevormd tot een naamloze vennootschap, bij besluit 877/2009 inzake de omvorming van de Dienst voor burgerluchtvaart tot een naamloze vennootschap). Finavia beheert 25 luchthavens in Finland. Slechts drie Finse luchthavens worden niet door haar beheerd. Naast het beheer van Finse luchthavens verzorgt Finavia luchtnavigatiediensten op haar eigen luchthavens en is zij eveneens verantwoordelijk voor het toezicht op het Finse luchtruim. De onroerendgoedtransacties van Finavia worden beheerd door haar dochteronderneming Lentoasemakiinteistöt Oyj. Deze onderneming biedt facilitaire diensten aan voor ondernemingen die op de luchthaven actief zijn en fungeert als ontwikkelaar van bouwprojecten en eigenaar van de gebouwen op de luchthaven.

(6)  Airpro is een volledige (100 %) dochteronderneming van Finavia. Zij ontwikkelt en verzorgt luchthaven- en reisdiensten op de luchthavens van Finavia. Airpro heeft een dochteronderneming, RTG Ground Handling Ltd, die grondafhandelingsdiensten verricht.

(*1)  Bedrijfsgeheim

(7)   PB C 312 van 9.12.2005, blz. 1.

(8)  De verbouwingswerkzaamheden omvatten de bouw van een vertrekhal, kantoorruimte, toiletten en voorzieningen voor landende en vertrekkende reizigers, voorzieningen voor persoonlijke veiligheidscontroles en de screening van bagage, een cafetaria/restaurant en de renovatie van het elektriciteitsnet, leidingen, verwarming en airconditioning en de aanpassing van de infrastructuur buiten de terminal voor voetgangers en automobilisten.

(9)  De wisselkoers voor de euro werd op 31 december 1998 vastgesteld op 5,94573 FIM.

(10)  De jaarbeurs Routes is een beurs voor de verhandeling van vliegverbindingen voor luchtvaartmaatschappijen en luchthavens.

(11)  Het Maximum Take-off Weight (MTOW) van een vliegtuig is het maximaal toegestane startgewicht waarbij de piloot mag opstijgen en is afhankelijk van structurele en andere factoren. Het MTOW is met andere woorden het maximale gewicht waarbij een toestel nog aan de luchtwaardigheidsvereisten kan voldoen.

(12)  Volgens Finland wordt de AIP opgesteld in overeenstemming met bijlage 15 bij het Verdrag inzake de internationale burgerluchtvaart en de Aeronautical Information Services Manual (ICAO Doc 8126). In het algemene deel van de AIP wordt ook ingegaan op de luchtverkeersheffingen door Finavia.

(13)  Op basis van een aangenomen MTOW van 69 900 kg.

(14)  Deze heffing wordt door Eurocontrol geïnd en uitgekeerd aan Finavia.

(15)  Met het oog op deze beoordeling heeft de Commissie Ecorys (hierna „de deskundige van de Commissie” genoemd) opdracht gegeven een studie uit te voeren. De deskundige van de Commissie heeft de financiële gegevens en de aannames van het bedrijfsplan voor de lageprijzenstrategie van Finavia en Airpro, de huurovereenkomst tussen Finavia en Airpro voor de exploitatie van T2 en de overeenkomst geanalyseerd.

(16)  Zaak C-305/89, Italië/Commissie, Jurispr. 1991, blz. I-1603, punt 20 (hierna „de zaak Alfa Romeo” genoemd); zaak T-296/97, Alitalia/Commissie, Jurispr. 2000, blz. II-3871, punt 84.

(17)  Zaak T-196/04, Ryanair/Commissie, Jurispr. 2008, blz. II-3643, punt 59 (hierna „de zaak Charleroi” genoemd).

(18)  Zaak C-482/99, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 2002, blz. I-4397, punt 71 (hierna „de zaak Stardust Marine” genoemd).

(19)  De winstmarge (de „return on sales”) is de verhouding tussen de nettowinst en de omzet (inkomsten). Uit deze verhouding blijkt of een onderneming rendabel is, aangezien zij aangeeft hoeveel winst er wordt gemaakt voor elke euro aan omzet. Dit is een indicator voor winstgevendheid en efficiency.

(20)  Zie tabel 6 van het besluit van de Commissie van 27 januari 2010 betreffende steunmaatregel C 12/08, Slowakije — Overeenkomst tussen de luchthaven van Bratislava en Ryanair, PB L 27 van 1.2.2011, blz. 24.

(21)  […]

(22)  De contante nettowaarde („net present value” – NPV) geeft aan of de inkomsten uit een bepaald project groter zijn dan de (alternatieve) kapitaalkosten. Een project geldt als economisch rendabele investering als het een positieve contante nettowaarde oplevert. Investeringen die inkomsten lager dan de (alternatieve) kapitaalkosten opleveren, zijn economisch gezien niet rendabel. Met de (alternatieve) kapitaalkosten wordt rekening gehouden in de vorm van het discontopercentage.

(23)  Arrest in zaak Alfa Romeo, punt 20, arrest in zaak Alitalia/Commissie, punt 84.

(24)  Arrest in zaak Charleroi, punt 59.

(25)  […]


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/40


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 17 juli 2013

betreffende de door Italië ten uitvoer gelegde steunmaatregel SA.33726 (2011/C) (ex SA.33726 (2011/NN)) (Uitstel van betaling van de melkheffing in Italië)

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 4046)

(Slechts de tekst in de Italiaanse taal is authentiek)

(2013/665/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 2, eerste alinea,

Na de belanghebbenden overeenkomstig het genoemde artikel te hebben aangemaand hun opmerkingen te maken, en gezien deze opmerkingen,

Overwegende hetgeen volgt:

I.   PROCEDURE

(1)

Nadat de Commissie had geconstateerd dat op 27 februari 2011 de wet in werking was getreden die dient tot omzetting van wetsbesluit nr. 225 van 29 december 2010 in een wet op grond waarvan uitstel van betaling wordt verleend voor een tranche van de melkheffing die Italiaanse melkproducenten moeten betalen krachtens de termijnbetalingsregeling, zoals goedgekeurd bij Beschikking 2003/530/EG van de Raad van 16 juli 2003 betreffende de verenigbaarheid met de gemeenschappelijke markt van steun die de Italiaanse Republiek wil verlenen aan melkproducenten (1)(2), heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten bij schrijven van 17 maart 2011 verzocht om nadere inlichtingen ter zake.

(2)

Bij het op 29 juni 2011 geregistreerde schrijven van 24 juni 2011 hebben de Italiaanse autoriteiten de Commissie deze aanvullende inlichtingen verstrekt.

(3)

Na de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte inlichtingen te hebben bestudeerd en zich rekenschap te hebben gegeven van het feit dat het betalingsuitstel in kwestie was verleend zonder kennisgeving vooraf aan of goedkeuring door de Commissie, heeft de Commissie de Italiaanse autoriteiten er bij fax van 14 oktober 2011 van in kennis gesteld dat er een dossier wegens niet-aangemelde steun was geopend onder referentienummer SA.33726 (2011/NN).

(4)

Bij schrijven van 11 januari 2012 heeft de Commissie Italië in kennis gesteld van haar besluit de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag in te leiden ten aanzien van voornoemd uitstel en de bij Beschikking 2003/530/EG goedgekeurde termijnbetalingsregeling, zoals gewijzigd door de uitbreiding met dit uitstel, welke omstandigheid een nieuwe steunmaatregel vormt (SA.33726 (2011/C)), en de Italiaanse autoriteiten tevens verzocht om binnen één maand opmerkingen te maken over de inleiding van de procedure.

(5)

Het besluit van de Commissie tot inleiding van de procedure is bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3). De Commissie heeft de belanghebbenden uitgenodigd hun opmerkingen over de betrokken steunmaatregel te maken.

(6)

De Commissie heeft deze voor een reactie aan Italië doorgezonden.

(7)

Bij e-mail van 13 februari 2012 heeft de permanente vertegenwoordiging van Italië bij de Europese Unie een brief van de Italiaanse autoriteiten naar de Commissie gestuurd, waarin werd verzocht om een verlenging met twee maanden van de periode voor het maken van opmerkingen over de inleiding van de procedure. Deze verlenging is verleend middels een faxbericht van 21 februari 2012.

(8)

Bij e-mails van 26 april 2012 en 27 april 2012 heeft de permanente vertegenwoordiging van Italië bij de Europese Unie de reactie van de Italiaanse autoriteiten op de inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag aan de Commissie toegezonden.

(9)

De Italiaanse autoriteiten hebben geen opmerkingen meer gemaakt over de opmerkingen van de belanghebbenden.

II.   BESCHRIJVING

De beschikking van de Raad

(10)

Artikel 1 van Beschikking 2003/530/EG luidt als volgt:

„De steun die de Italiaanse Republiek wil verlenen aan melkproducenten, door het bedrag dat deze producenten aan de Gemeenschap verschuldigd zijn op grond van de extra heffing op melk en zuivelproducten voor de periode 1995/1996 tot en met 2001/2002 zelf aan de Gemeenschap terug te betalen, en door die producenten toe te staan hun schuld gespreid over een aantal jaren in termijnen renteloos af te lossen, wordt bij wijze van uitzondering beschouwd als verenigbaar met de gemeenschappelijke markt, op voorwaarde dat:

de terugbetaling volledig geschiedt in jaarlijkse termijnen van gelijke omvang;

de terugbetaling niet langer duurt dan 14 jaar, te rekenen vanaf 1 januari 2004 ”.

De wet tot omzetting van wetsbesluit nr. 225 van 29 december 2010 in een wet (wet nr. 10 van 26 februari 2011, hierna „wet nr. 10/2011” genoemd)

(11)

Bij wet nr. 10/2011 is in het eerste artikel van wetsbesluit nr. 225 van 29 december 2010 een lid 12 duodecies ingevoegd, dat voorziet in uitstel van betaling tot 30 juni 2011 van de tranche van de melkheffing waarvan de termijn op 31 december 2010 is verstreken. De kosten van dit uitstel zijn toegerekend aan een algemene begrotingstoewijzing van 5 miljoen EUR, die bestemd was voor meerdere doeleinden.

(12)

In hun brief van 24 juni 2011 hebben de Italiaanse autoriteiten toegelicht dat het subsidie-equivalent van deze maatregel zou worden meegeteld als de-minimissteun voor Italië verleend krachtens Verordening (EG) nr. 1535/2007 van de Commissie van 20 december 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag (4) op de-minimissteun in de landbouwproductiesector (5).

III.   GRONDEN VOOR HET INLEIDEN VAN DE FORMELE PROCEDURE

(13)

De Commissie heeft om de volgende redenen besloten de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag in te leiden:

de Italiaanse autoriteiten hebben hun voornemen kenbaar gemaakt om het subsidie-equivalent voor het uitstel van betaling in kwestie onder de de-minimisregeling te brengen waarin is voorzien in Verordening (EG) nr. 1535/2007; naast het feit echter dat er juridische vragen zijn gerezen over de toepasselijkheid van die verordening, aangezien de Italiaanse autoriteiten geen informatie hebben verstrekt met betrekking tot de naleving van de in de verordening vastgestelde individuele en nationale steunplafonds, verbiedt ook de verordening zelf de verlening van de-minimissteun die staatssteun inhoudt welke het toegestane maximum overschrijdt. Aangezien de door de Raad goedgekeurde steun het maximale steunbedrag vormde dat Italië kon toekennen aan zijn melkproducenten, betekent het uitbreiden van de de-minimisregeling met het subsidie-equivalent van het betalingsuitstel een overschrijding van de door de Raad goedgekeurde maximale steun;

hieruit volgt dat de Commissie niet kan uitsluiten dat het uitstel in kwestie mogelijk een steunelement omvat (daar dit neerkomt op het equivalent van een rentevrije lening, hierna de „gerelateerde steun” genoemd), een situatie die door geen enkele van de door de Italiaanse autoriteiten verstrekte gegevens wordt gerechtvaardigd in het licht van de regels inzake staatssteun in de landbouwsector (Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013) (6);

het uitstel vormt een inbreuk op Beschikking 2003/530/EG (in die zin dat een van de voorwaarden ervan – de gelijke omvang van termijnen – niet meer wordt nageleefd). Hiermee wordt het gehele systeem van spreiding van betalingen een nieuwe steunregeling voor degenen die hier gebruik van hebben gemaakt (daar deze regeling niet was opgenomen in Beschikking 2003/530/EG), een situatie die door geen enkele bepaling van de voornoemde richtsnoeren wordt geschraagd.

IV.   OPMERKINGEN VAN DE ITALIAANSE AUTORITEITEN OVER DE INLEIDING VAN DE FORMELE PROCEDURE

(14)

In hun op 26 april 2012 per e-mail verzonden schrijven hebben de Italiaanse autoriteiten voor het eerst inzicht gegeven in de toepassing van het systeem van gespreide betaling van melkheffingen zoals goedgekeurd krachtens Beschikking 2003/530/EG waarbij zij toelichtten dat er 11 271 begunstigden waren. Hiervan hadden 9 965 (ofwel 88,41 % van het totaal) hun op 31 december 2010 verschuldigde termijnen tijdig voldaan. 1 291 begunstigden hadden dit gedaan per de uitgestelde uiterste datum, 15 begunstigden hadden geen enkele betaling verricht, waardoor zij van de regeling werden uitgesloten.

(15)

De Italiaanse autoriteiten hebben verklaard dat bij de berekening van het subsidie-equivalent van de steun die door de begunstigden van het uitstel is ontvangen, is uitgegaan van de rente voor de periode tussen 1 januari 2011 en de datum van feitelijke betaling van de termijnen waarvoor het uitstel gold, met als grondslag het driemaandelijkse Euribor-tarief vanaf 1 oktober 2010 plus 100 basispunten (1,942 %). Uit die berekening kwam een subsidie-equivalent voort tussen 0,08 EUR en 694,19 EUR, waarbij tevens bleek dat 1 187 van de 1 291 begunstigden van het uitstel een steunbedrag van minder dan 100,00 EUR hadden ontvangen. Volgens de autoriteiten laten deze cijfers zien dat het betalingsuitstel krachtens wet nr. 10/2011 geen risico heeft opgeleverd voor het soepele verloop van de termijnbetalingsregeling, die in overeenstemming blijft met de bepalingen van Beschikking 2003/530/EG, getuige het feit dat slechts 11,45 % van de aan deze regeling deelnemende producenten van de uitstelmogelijkheid gebruik heeft gemaakt.

(16)

Daarom herhalen de Italiaanse autoriteiten hun in de brief van 24 juni 2011 vermelde standpunt (zie overweging 12) dat het voor de betaling van de melkheffing verleende uitstel de-minimissteun vormt. Voorts wijzen zij erop dat zij hebben vastgesteld dat op geen enkele wijze inbreuk is gemaakt op het individuele plafond als bedoeld in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1535/2007, net zomin als op het plafond van 320 505 000 EUR dat krachtens deze verordening over een periode van drie belastingjaren is vastgesteld voor Italië, en dat het subsidie-equivalent van het betalingsuitstel in totaal 50 877,41 EUR bedroeg. Tot slot hebben zij meegedeeld dat zij bezig waren met een controle op de naleving van deze plafonds, waarbij de andere de-minimissteunregelingen in de jaren 2009, 2010 en 2011 in ogenschouw worden genomen.

(17)

Voor wat betreft het standpunt van de Commissie dat de uit hoofde van Beschikking 2003/530/EG goedgekeurde steun gezien de aard en het uitzonderlijke karakter ervan moest worden beschouwd als enkelvoudige maximumsteun die met geen enkele andere maatregel, in welke vorm ook, mag worden gecumuleerd, hebben de Italiaanse autoriteiten ten eerste benadrukt dat de desbetreffende beschikking het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden heeft erkend die de Raad ertoe hebben gebracht de steunmaatregel te beschouwen als verenigbaar met artikel 107 van het Verdrag, mits aan bepaalde voorwaarden wordt voldaan. Ook hebben zij onderstreept dat uit de controles naar voren is gekomen dat de termijnbetalingsregeling voldeed aan de bepalingen van Beschikking 2003/530/EG aangezien alle producenten de zevende termijn hadden voldaan, met uitzondering van de 15 producenten die inmiddels van de regeling waren uitgesloten. Naar hun mening verhindert de uitzonderlijke aard van de omstandigheden die resulteerde in de vaststelling van Beschikking 2003/530/EG, op zich niet dat ontvangers van de door de Raad goedgekeurde steun ook toegang hebben tot andere voordelen. Het Verdrag maakt enkel melding van buitengewone omstandigheden, zonder op enigerlei wijze beperkingen te stellen ten aanzien van de aard van de toegestane steun of de gedetailleerde regels voor de tenuitvoerlegging ervan; voor de afwijking van artikel 107 en de voorschriften bedoeld in artikel 109 van het Verdrag geldt slechts als eis dat hiervoor een met eenparigheid van stemmen genomen Raadsbesluit nodig is. In dit specifieke geval komt het uitzonderlijke karakter dat leidde tot de vaststelling van Beschikking 2003/530/EG, volledig tot uitdrukking in de wijze waarop deze beschikking werd aangenomen, namelijk met eenparigheid van stemmen, en betreft die uitzonderlijkheid niet zozeer de steunmaatregel zelf, als wel de omstandigheden die de vaststelling van die maatregel noodzakelijk maakten.

(18)

De Italiaanse autoriteiten hebben ook aangevoerd dat het uitstel van betaling de-minimissteun vormt en daarom als een op zichzelf staande maatregel moet worden beschouwd, gezien de lage deelname onder de producenten, de geringe bedragen die hiermee gemoeid waren en het feit dat er geen veranderingen zijn aangebracht in de termijnbetalingsregeling, waarvan de opzet ongewijzigd is gebleven, zowel wat betreft het totale aantal termijnen als de datum van verstrijken.

(19)

Tot slot hebben de Italiaanse autoriteiten er nogmaals op gewezen dat de deelnemers aan de termijnbetalingsregeling overeenkomstig het Italiaanse ministeriële besluit van 30 juli 2003 houdende de tenuitvoerlegging van de beschikking van de Raad afstand moeten doen van welke rechtsvordering ook met betrekking tot de betaling van de heffingen waarvoor de termijn is verstreken, en dat schuldenaren die niet tot betaling overgaan, van de regeling worden uitgesloten. De Italiaanse autoriteiten stellen dat een dergelijke situatie, mocht die zich voordoen, ertoe zou leiden dat er strengere terugvorderingsprocedures zouden worden ingeleid, wat op zijn beurt weer zou resulteren in het instellen van nieuwe beroepen door producenten. Het zou dan ook verstandig zijn om rechtsgeschillen te voorkomen voor wat betreft de terugvordering van zeer lage bedragen via procedures die meer kosten dan ze opleveren. In dit verband verwijzen de Italiaanse autoriteiten naar artikel 32, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Commissie van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (7), waarin is bepaald dat de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen kunnen besluiten terugvorderingsprocedures niet voort te zetten, indien de reeds gemaakte en de nog te verwachten terugvorderingskosten hoger zijn dan het terug te vorderen bedrag. Naar hun mening is deze bepaling naar analogie van toepassing op onderhavig geval. Hoe dan ook zijn soortgelijke bepalingen ook vervat in artikel 25, lid 4, van wet nr. 289/2002 (de financieringswet 2003), volgens welk het bedrag van 12 EUR wordt beschouwd als een laag bedrag dat niet in aanmerking komt voor terugvordering. 559 begunstigden van het uitstel ontvingen minder dan 12 EUR.

(20)

In het op 26 april 2012 per e-mail verzonden schrijven hebben de Italiaanse autoriteiten een overzicht verstrekt van de begunstigden van het uitstel en het door elk van hen ontvangen steunbedrag.

V.   OPMERKINGEN VAN BELANGHEBBENDEN OVER DE INLEIDING VAN DE PROCEDURE

(21)

Op 7 maart 2012 heeft de Commissie opmerkingen van een derde ontvangen over de inleiding van de procedure.

(22)

Deze belanghebbende wilde met name weten waarom de Commissie zich bij het inleiden van de procedure had beperkt tot het uitstel van betaling waarin is voorzien door wet nr. 10/2011 en de procedure niet had verruimd tot de bepalingen van artikel 40 bis van wet nr. 122/2010, dat voorziet in uitstel van betaling van termijnen die verschuldigd zijn in het kader van een aanvullende termijnbetalingsregeling op grond van wet nr. 33/2009, en drong er bij de Commissie op aan de werking van deze procedure dienovereenkomstig te verruimen. De belanghebbende wees er in dit verband op dat er bij de Commissie al een klacht was ingediend over de bepalingen van artikel 40 bis van wet nr. 122/2010 en dat deze zaak was gesloten door de Commissie.

(23)

Op 10 maart 2012 heeft de Commissie opmerkingen van een andere belanghebbende ontvangen over de inleiding van de procedure.

(24)

Deze belanghebbende wees de Commissie op de bepalingen van artikel 1, lid 4, van wetsbesluit nr. 16/2012, dat ondernemingen in financiële moeilijkheden de mogelijkheid biedt verschuldigde bedragen in gelijkmatige termijnen te betalen. De belanghebbende wees erop dat deze maatregelen niet verenigbaar waren met de interne markt en verzocht de Commissie tussenbeide te komen.

(25)

Op 14 maart 2012 heeft de Commissie opmerkingen van weer een andere belanghebbende ontvangen over de inleiding van de procedure.

(26)

Deze belanghebbende verwees eveneens naar wetsbesluit nr. 16/2012, waarbij de nadruk werd gelegd op het daaruit voortvloeiende verschil in behandeling van landbouwers en de nauwkeurigheid van de door AGEA (Agenzia per le Erogazioni in Agricoltura — het Italiaanse betaalorgaan) gebruikte gegevens voor de berekening van de extra heffing.

VI.   BEOORDELING

VI.1.   Het bestaan van staatssteun

(27)

Volgens artikel 107, lid 1, van het Verdrag zijn steunmaatregelen van de staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producties vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de interne markt, voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de lidstaten ongunstig beïnvloedt.

(28)

De steunmaatregel in kwestie, namelijk de steun in verband met het uitstel van betaling (het verlenen van het equivalent van een rentevrije lening, zie overweging 13, tweede streepje), maar ook de nieuwe steun die voortvloeit uit de inbreuk op Beschikking 2003/530/EG (geen rente betaald over reeds voldane jaarlijkse termijnen en nog geen hoofdsom en rente betaald voor de resterende jaren tot aan het aflopen van de termijnbetalingsregeling, d.w.z. tot 31 december 2017) (nieuwe steun, zie overweging 13, derde streepje) valt onder de volgende definitie:

(29)

De steunmaatregel kan aan de staat worden toegerekend aangezien deze voortvloeit uit een nationale wet; de maatregel wordt bekostigd met staatsmiddelen in die zin dat de Italiaanse staat, door het verlenen van uitstel van betaling van een jaarlijkse termijn die is vastgesteld bij Beschikking 2003/530/EG, en door het creëren van nieuwe steun door dat uitstel, zichzelf gedurende een bepaalde periode een geldbedrag heeft ontzegd dat voor andere doelen had kunnen worden aangewend.

(30)

Deze situatie begunstigt bepaalde ondernemingen, inzonderheid melkproducerende landbouwbedrijven.

(31)

Voorts kan de maatregel het handelsverkeer ongunstig beïnvloeden, gezien de Italiaanse positie op de markt (8).

(32)

Bovendien heeft de maatregel mogelijk een mededingingsvervalsende werking, daar deze de ondernemingen die er gebruik van hebben gemaakt, een voordeel heeft opgeleverd (aan het uitstel is geen rentelast verbonden, waardoor deze maatregel gelijkstaat aan een rentevrije lening) dat niet verkregen zou zijn onder normale marktvoorwaarden en dat de betrokken ondernemingen een gunstiger concurrentiepositie heeft opgeleverd dan ondernemingen die deze steun niet ontvangen hebben (9).

(33)

Desalniettemin moet in het licht van de aanvullende inlichtingen die door de Italiaanse autoriteiten zijn verstrekt naar aanleiding van de inleiding van de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag, worden vastgesteld of de maatregel in kwestie beschouwd kan worden als de-minimissteun overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1535/2007, en derhalve niet kan worden beschouwd als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag.

(34)

In hun op 26 april 2012 per e-mail verzonden schrijven hebben de Italiaanse autoriteiten toegelicht dat de rente in verband met het uitstel van betaling tussen 0,08 EUR en 694,19 EUR lag. Voorts hebben zij verklaard dat uit controles naar voren was gekomen dat het voor Italië over drie belastingjaren vastgestelde plafond niet was overschreden, maar dat zij voor de belastingjaren 2009, 2010 en 2011 nog wel moesten nagaan of nog steeds het risico bestond dat mogelijk een individueel plafond werd overschreden in het geval van gecumuleerde de-minimissteun.

(35)

De Commissie kan met zekerheid vaststellen dat het aan het uitstel verbonden rentebedrag, bezien per individuele onderneming, niet hoger is dan het bedrag van7 500 EUR zoals bepaald in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1535/2007. Ook constateert zij dat het totale in samenhang met het uitstel verleende steunbedrag, te weten 50 877,41 EUR, er niet toe heeft geleid dat het plafond van 320 505 000 EUR dat voor Italië is toegestaan uit hoofde van de bijlage bij de verordening, is overschreden. De Commissie beschikt evenwel niet over nieuwe informatie waaruit blijkt dat het individuele plafond van 7 500 EUR in geen enkel geval is overschreden, alle door een en dezelfde begunstigde over de periode van drie belastingjaren ontvangen de-minimissteun in aanmerking genomen, omdat de Commissie sinds 26 april 2012 geen enkele informatie meer heeft ontvangen van de Italiaanse autoriteiten die de desbetreffende controles uitvoeren. Zij kan dan ook niet tot de slotsom komen dat het individuele steunplafond in alle gevallen is gerespecteerd, met name niet omdat de Commissie ook de nieuwe steun voortvloeiende uit de inbreuk op Beschikking 2003/530/EG in aanmerking moet nemen. Het is juist dat zij de maatregel in kwestie in zijn totaliteit moet beoordelen (d.w.z. de steun die is gerelateerd aan het verlenen van het uitstel, het verlenen van het equivalent van een rentevrije lening en de nieuwe steun voortvloeiend uit de inbreuk op Beschikking 2003/530/EG): een groot aantal begunstigden (meer dan 1 250) heeft voordeel genoten van dit uitstel en het steunbedrag omvat ook een deel van de hoofdsom (het deel dat correspondeert met de jaarlijkse termijnen die vervallen op 31 december van de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017) plus rente, welk bedrag in totaal veel hoger is dan dat van de rente in verband met het uitstel van betaling waarvan de Italiaanse autoriteiten zijn uitgegaan ter ondersteuning van hun betoog.

(36)

In artikel 3, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1535/2007 is het volgende bepaald: „De-minimissteun mag niet worden gecumuleerd met staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende uitgaven indien deze cumulering ertoe leidt dat de steunintensiteit hoger uitkomt dan de intensiteit die voor de specifieke omstandigheden van elke zaak bij de communautaire regelgeving is vastgesteld”.

(37)

Wat dit betreft heeft de Commissie met het inleiden van de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag al te kennen gegeven dat dit uitstel bovenop de steun kwam die door de Raad is goedgekeurd en die moet worden beschouwd als de maximale steun die in deze context mag worden verleend.

(38)

De Italiaanse autoriteiten huldigen het standpunt dat het uitstel van betaling als een op zichzelf staande maatregel moet worden beschouwd, gezien de lage deelname onder de producenten, de geringe bedragen die hiermee gemoeid waren en het feit dat er geen veranderingen zijn aangebracht in de termijnbetalingsregeling, waarvan de opzet ongewijzigd is gebleven, zowel wat betreft het totale aantal termijnen als de datum van verstrijken.

(39)

De Commissie deelt deze mening niet. Het is namelijk duidelijk dat er een rechtstreeks verband bestaat tussen het uitstel van betaling en een terugbetaling, namelijk de betaling in termijnen waarin in detail is voorzien in Beschikking 2003/530/EG. Onder het eerste streepje van artikel 1, lid 1, van die beschikking is duidelijk vermeld dat de terugbetaling „[…] geschiedt in jaarlijkse termijnen van gelijke omvang”. Het uitstel kan dan ook niet worden beschouwd als volledig losstaand van het systeem van termijnen zoals vastgesteld bij Beschikking 2003/530/EG.

(40)

De Italiaanse autoriteiten betwisten ook het feit dat de door de Raad toegestane steun het maximum is dat aan melkproducenten mag worden toegekend. Zij zijn van oordeel dat de beschikking in kwestie het bestaan van uitzonderlijke omstandigheden heeft erkend die resulteerden in de goedkeuring van de regeling voor de terugbetaling in termijnen, maar dat dit uitzonderlijke karakter op zichzelf nog niet wil zeggen dat begunstigden geen andere mogelijkheid meer hebben om in aanmerking te komen voor steun, aangezien het Verdrag enkel melding maakt van buitengewone omstandigheden, zonder beperkingen te stellen ten aanzien van de aard van de toegestane steun of de gedetailleerde regels voor de tenuitvoerlegging ervan. In dit specifieke geval komt het uitzonderlijke karakter dat leidde tot de vaststelling van Beschikking 2003/530/EG van de Raad, volledig tot uitdrukking in de wijze waarop deze beschikking werd aangenomen, namelijk met eenparigheid van stemmen, en betreft die uitzonderlijkheid niet zozeer de steunmaatregel zelf, als wel de omstandigheden die de vaststelling van die maatregel noodzakelijk maakten.

(41)

De Commissie is het niet eens met de Italiaanse autoriteiten. Hoewel in de derde alinea van artikel 108, lid 2, van het Verdrag is bepaald dat ‘[…] de Raad met eenparigheid van stemmen [kan] beslissen dat een […] steunmaatregel […] als verenigbaar moet worden beschouwd met de interne markt, indien buitengewone omstandigheden een dergelijk besluit rechtvaardigen’ en in overweging 8 van Beschikking 2003/530/EG staat vermeld dat ‘Er […] uitzonderlijke omstandigheden aanwezig [zijn] die de overweging rechtvaardigen dat […] de steun […] als verenigbaar wordt beschouwd met de gemeenschappelijke markt’, doet dit niets af aan het feit dat de Raad zelf, in het dispositief van de beschikking, heeft vastgesteld dat de steun „bij wijze van uitzondering”, en niet „rekening houdend met de uitzonderlijke omstandigheden”, wordt beschouwd als verenigbaar met de interne markt. De uitdrukking „bij wijze van uitzondering” geeft duidelijk aan dat de Raad de aandacht wilde vestigen op de wijze van verlening van de steun, door er namelijk een uniek karakter aan toe te kennen, ondanks de aanwezigheid van uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in overweging 8. Hoewel de verwijzing, door de Italiaanse autoriteiten, naar de eenparigheid van stemmen er inderdaad op kan wijzen dat de procedure uitzonderlijk was, laat dit het unieke karakter van de steun zoals bedoeld in de beschikking, onverlet.

(42)

Daar de door de Raad goedgekeurde steun, gezien het unieke karakter ervan, het in deze context toegestane maximumbedrag was, namelijk een steunequivalent van 100 %, zou de uitbreiding met het uitstel van betaling automatisch de toepassing met zich brengen van de bepalingen van artikel 3, lid 7, van Verordening (EG) nr. 1535/2007, wat betekent dat het subsidie-equivalent van het uitstel niet kan worden aangemerkt als vallend binnen de werkingssfeer van die verordening en derhalve staatssteun vormt. De verenigbaarheid van die steun met de interne markt moet worden beoordeeld in het licht van de mededingingsvoorschriften die golden toen het uitstel werd verleend, evenals de verenigbaarheid van de nieuwe steun die voortvloeit uit de inbreuk op Beschikking 2003/530/EG.

VI.2   Verenigbaarheid van de steun met de interne markt

(43)

De mededingingsvoorschriften die van toepassing waren op het moment van verlenen van het uitstel, zijn vervat in de Communautaire richtsnoeren voor staatssteun in de landbouw- en de bosbouwsector 2007-2013.

(44)

Het standpunt dat de Italiaanse autoriteiten hebben verwoord in hun op 26 april 2012 per e-mail verzonden schrijven, was gebaseerd op het argument dat het uitstel van betaling moest worden beschouwd als onderdeel van een de-minimisregeling. Daarom hebben zij geen enkele toelichting verschaft voor wat betreft de verenigbaarheid van het uitstel van betaling met de interne markt of de verenigbaarheid van de nieuwe steun die buiten het kader van Beschikking 2003/530/EG viel, een en ander in het licht van de voorschriften die zijn vervat in bovengenoemde richtsnoeren.

(45)

De Commissie beschikt dan ook niet over nieuwe informatie die de twijfels kan wegnemen die zij had toen zij de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag inleidde. De steun in verband met het uitstel van betaling en daarmee ook de nieuwe steun die tot stand is gekomen door de inbreuk op Beschikking 2003/530/EG, vormt derhalve eenzijdige steun die louter bedoeld is om de financiële situatie van producenten te verbeteren zonder bij te dragen tot de ontwikkeling van de sector. Het betreft dan ook exploitatiesteun die onverenigbaar is met de interne markt in de zin van punt 15 van bovengenoemde richtsnoeren.

VI.3   Terugvordering

De noodzaak van het schrappen van de steunmaatregel

(46)

Overeenkomstig het Verdrag en de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie is de Commissie, wanneer haar van een met de interne markt onverenigbare steunmaatregel blijkt, bevoegd te beslissen dat de betrokken staat die maatregel moet intrekken of wijzigen (10). Voorts is, volgens de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie, de verplichting van een staat tot afschaffing van steun die door de Commissie onverenigbaar wordt geacht met de interne markt, bedoeld om de vroegere toestand te herstellen. In dit verband heeft het Hof verklaard dat die doelstelling verwezenlijkt is zodra de ontvanger de aan hem toegekende bedragen heeft terugbetaald, waardoor het voordeel teniet wordt gedaan dat hij genoot ten opzichte van zijn concurrenten op de markt, en de situatie van vóór de betaling van steun wordt hersteld (11).

(47)

In lijn met die rechtspraak bepaalt artikel 14 van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad van 22 maart 1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (12) dat, indien negatieve beschikkingen worden gegeven in gevallen van onrechtmatige steun, de Commissie beschikt dat de betrokken lidstaat alle nodige maatregelen dient te nemen om de steun van de begunstigde terug te vorderen (in het onderhavige geval alle begunstigden die voordeel hebben genoten van het uitstel van betaling).

(48)

Italië dient dan ook alle noodzakelijke maatregelen te nemen om de onverenigbare steun van de begunstigden terug te vorderen. Overeenkomstig paragraaf 42 van de bekendmaking van de Commissie getiteld „Naar een doelmatige tenuitvoerlegging van beschikkingen van de Commissie waarbij lidstaten wordt gelast onrechtmatige en onverenigbare steun terug te vorderen” (13), heeft Italië na de inwerkingtreding van het onderhavige besluit vier maanden de tijd om de bepalingen ervan uit te voeren. Over de terug te vorderen bedragen moet rente worden betaald, die wordt berekend op basis van Verordening (EG) nr. 794/2004 van de Commissie van 21 april 2004 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag (14).

(49)

Het onderhavige besluit dient onmiddellijk te worden uitgevoerd, met name voor wat betreft de terugvordering van alle onverenigbare individuele steun.

Terug te vorderen voordelen en bedragen

(50)

Gezien de zeer specifieke context waarin de steun werd verleend (steun die bovenop een door de Raad goedgekeurd pakket kwam) en de gevolgen van de steunmaatregel (de inbreuk op Beschikking 2003/530/EG voor wat betreft degenen die voordeel hebben genoten van het uitstel van betaling, terwijl de steun al bij wijze van uitzondering was goedgekeurd bij de beschikking) moet het hiernavolgende worden teruggevorderd van de partijen die voordeel hebben gehad van het betalingsuitstel:

a)

rente in verband met het uitstel van betaling van de heffingstermijn die op 31 december 2010 verviel, vermeerderd met rente over achterstallige betalingen die is opgelopen tot de datum van terugvordering;

b)

opgelopen rente over de jaarlijkse termijnen die vervielen op 31 december van de jaren 2004, 2005, 2006, 2007, 2008 en 2009 (de hoofdsom voor die jaarlijkse termijnen werd betaald voordat het uitstel van betaling leidde tot een inbreuk op Beschikking 2003/530/EG), vermeerderd met rente over achterstallige betalingen die is opgelopen tot de datum van terugvordering;

c)

opgelopen rente over de jaarlijkse termijnen die vervielen op 31 december van de jaren 2011 en 2012 (er is geen informatie waaruit blijkt dat de hoofdsom niet was betaald per de daarvoor gestelde uiterste datum), vermeerderd met rente over te late betalingen die is opgelopen tot de datum van terugvordering;

d)

hoofdsom en rente in verband met de jaarlijkse termijnen die zullen vervallen op 31 december van de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017, waarbij de einddatum van het terugbetalingsschema is vastgesteld in overeenstemming met Beschikking 2003/530/EG.

Beoordeling van de opmerkingen van belanghebbenden over de terugvordering

(51)

Het belang dat de Italiaanse autoriteiten hechten aan het feit dat de terug te vorderen bedragen gering zijn en aan het risico dat producenten nieuwe beroepen zullen gaan instellen bij nationale rechters, verandert niets aan het feit dat staatssteun die niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de afwijkingen waarin artikel 107 van het Verdrag voorziet en daarom onverenigbaar is met de interne markt, van de begunstigden moet worden teruggevorderd om de concurrentiesituatie van vóór de verlening van de steun te herstellen. Uit de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie blijkt immers dat het schrappen van onwettige steun die onverenigbaar met de gemeenschappelijke markt is verklaard, het logische gevolg is van die onwettigheid, aangezien terugvordering louter bedoeld is om een vroegere toestand te herstellen (15). De doelstelling van het herstellen van een vroegere toestand is verwezenlijkt zodra de met de interne markt onverenigbare, onwettige steun door de begunstigde is terugbetaald en het eerdere voordeel dat hij genoot ten opzichte van zijn concurrenten op de markt, dus teniet is gedaan. In dergelijke gevallen is de toestand van vóór de steunverlening hersteld (16).

(52)

Bovendien lijken de Italiaanse autoriteiten, aangezien zij spreken van een geringe hoogte van de terug te vorderen bedragen, die terugvordering te willen beperken tot de rente die bovenop de betaling moet komen voor het jaar waarvoor het uitstel geldt. De terugvordering, die uitsluitend degenen raakt die daadwerkelijk voordeel hebben genoten van het uitstel van betaling, moet echter alle onverenigbaar verklaarde steun omvatten, dus ook bedragen naast de verschuldigde rente (zie overweging 50).

(53)

Tot slot wordt het argument dat producenten mogelijk beroep zullen instellen bij nationale rechters, niet relevant geacht, omdat volgens rechtspraak van het Europese Hof van Justitie de louter theoretische mogelijkheid van interne problemen, zelfs onoverkomelijke, voor een lidstaat geen gerechtvaardigde grond kan vormen om niet te voldoen aan zijn verplichtingen krachtens het recht van de Unie (17).

(54)

Italië zou wel de de-minimisregels die gelden voor de landbouwsector, kunnen toepassen bij de terugvordering van individuele steun van begunstigden die aan alle vereisten van de toepasselijke de-minimisverordening (Verordening (EG) nr. 1535/2007) voldeden op het moment van verlenen van de met de interne markt onverenigbare, onrechtmatige steun. Paragraaf 49 van de bekendmaking van de Commissie getiteld „Naar een doelmatige tenuitvoerlegging van beschikkingen van de Commissie waarbij lidstaten wordt gelast onrechtmatige en onverenigbare steun terug te vorderen” (18) stelt dat een lidstaat in het geval van een onrechtmatige en onverenigbare steunregeling, op basis van de steunregeling in kwestie een gedetailleerde analyse van iedere afzonderlijke steunmaatregel moet maken. Om het precieze steunbedrag te kwantificeren dat van iedere afzonderlijke begunstigde van de regeling moet worden teruggevorderd, moet Italië derhalve bepalen in welke mate de steun is verleend aan een specifiek project dat op het tijdstip waarop deze steun werd verleend aan alle voorwaarden voldeed van een groepsvrijstellingsverordening of van een door de Commissie goedgekeurde steunregeling. In dit soort gevallen kan de lidstaat ook de materiële de-minimiscriteria toepassen die golden op het tijdstip waarop de onrechtmatige en onverenigbare steun werd verleend die het voorwerp van de terugvorderingsbeschikking uitmaakt, en wel uit hoofde van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 994/98 van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 92 en 93 van het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (19). Volgens dit criterium vormt de onder deze maatregel verleende individuele steun geen staatssteun waar het gaat om begunstigden die op het tijdstip van verlenen van die steun voldeden aan de voorwaarden van de van kracht zijnde de-minimisverordening (Verordening (EG) nr. 1535/2007).

VI.4   Beoordeling van de opmerkingen van belanghebbenden over andere procedures

(55)

Wat de opmerkingen van de eerste belanghebbende (overweging 22) aangaat, wenst de Commissie te benadrukken dat het betalingsuitstel ingevolge artikel 40 bis van wet nr. 122/2010, voor één termijn die betaald moest worden krachtens een aanvullende termijnbetalingsregeling op grond van wet nr. 33/2009, buiten het bestek van de procedure van het onderhavige besluit valt, aangezien dat betalingsuitstel geen betrekking heeft op de aanvullende termijnregeling zoals vastgesteld bij Beschikking 2003/530/EG.

(56)

De opmerkingen van beide andere belanghebbenden over wetsbesluit nr. 16/2012 (overwegingen 24 en 26) worden momenteel door de Commissie bestudeerd. Wel kan de Commissie al zeggen dat deze opmerkingen volgens haar los van elkaar moeten worden bekeken om redenen van administratieve efficiency, die onder meer betrekking hebben op het feit dat de samenvoeging van beide procedures, die zou voortvloeien uit de verbreding van de reikwijdte van elk van die procedures, en de vervulling van alle bijbehorende administratieve formaliteiten het sluiten van de procedure van het onderhavige besluit aanzienlijk zouden vertragen.

VII.   CONCLUSIE

(57)

De Commissie stelt vast dat Italië het uitstel van betaling in kwestie op onrechtmatige wijze ten uitvoer heeft gelegd, met als gevolg dat ook de steun waarop dat uitstel betrekking heeft, onrechtmatig is (zie overweging 13, tweede streepje), evenals de nieuwe steunregeling die tot stand is gekomen door de inbreuk op Beschikking 2003/530/EG (zie overweging 13, derde streepje). Daarom kan geen van de steunmaatregelen als verenigbaar met de interne markt worden beschouwd, aangezien de Italiaanse autoriteiten geen enkele informatie hebben verschaft waaruit zou blijken dat deze maatregelen verenigbaar zijn uit hoofde van de mededingingsvoorschriften die gelden voor de landbouwsector (zie de overwegingen 43 tot en met 45). (Zij hebben slechts aangevoerd dat het uitstel van betaling losstaat van Beschikking 2003/530/EG, waarbij dus geen rekening wordt gehouden met het effect ervan op die beschikking, en dat dit uitstel kan worden beschouwd als een de-minimisregeling). De twijfels bij de Commissie, die al tot uitdrukking kwamen in het feit dat zij de procedure van artikel 108, lid 2, van het Verdrag heeft ingeleid, zijn dan ook niet weggenomen.

(58)

De onverenigbare steun moet met rente worden teruggevorderd van de desbetreffende begunstigden, met andere woorden degenen die daadwerkelijk gebruik hebben gemaakt van het uitstel van betaling in kwestie,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Het uitstel van betaling van de melkheffing voor wat betreft de tranche waarvan de termijn op 31 december 2010 is verstreken, welk uitstel is verleend op grond van het bij wet nr. 10/2011 ingevoegde lid 12 duodecies van artikel 1 van wetsbesluit nr. 225 van 29 december 2010, en onrechtmatig is toegepast door Italië in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, vormt staatssteun die onverenigbaar is met de interne markt.

2.   De steun voortvloeiende uit het niet-naleven van de voorwaarden van Beschikking 2003/530/EG, welke tot stand is gekomen door het in artikel 1 bedoelde uitstel van betaling en onrechtmatig is toegepast door Italië in strijd met artikel 108, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, is onverenigbaar met de interne markt.

Artikel 2

1.   Italië vordert de in artikel 1, leden 1 en 2, bedoelde onverenigbare steun van de in artikel 1, lid 1, bedoelde begunstigden van het uitstel terug.

2.   De terug te vorderen bedragen omvatten rente vanaf het tijdstip waarop zij de begunstigden ter beschikking zijn gesteld, tot het tijdstip van de daadwerkelijke terugbetaling ervan.

3.   De rente wordt op samengestelde grondslag berekend overeenkomstig Hoofdstuk V van Verordening (EG) nr. 794/2004.

4.   De terugvordering, die uitsluitend betrekking heeft op de partijen die daadwerkelijk voordeel hebben genoten van het in artikel 1 bedoelde uitstel van betaling en derhalve voordeel hebben gehad van de in artikel 2 bedoelde steun, betreft het hiernavolgende:

a)

rente in verband met het uitstel van betaling van de heffingstermijn die op 31 december 2010 verviel, vermeerderd met rente over achterstallige betalingen die is opgelopen tot de datum van terugvordering;

b)

opgelopen rente over de jaarlijkse termijnen die vervielen op 31 december van de jaren 2004, 2005, 2006, 2007, 2008 en 2009 (de hoofdsom voor die jaarlijkse termijnen werd betaald voordat het uitstel van betaling leidde tot een inbreuk op de Beschikking van de Raad), vermeerderd met rente over achterstallige betalingen die is opgelopen tot de datum van terugvordering;

c)

opgelopen rente over de jaarlijkse termijnen die vervielen op 31 december van de jaren 2011 en 2012 (er is geen informatie waaruit blijkt dat de hoofdsom niet was betaald per de daarvoor gestelde uiterste datum), vermeerderd met rente over te late betalingen die is opgelopen tot de datum van terugvordering;

d)

hoofdsom en rente in verband met de jaarlijkse termijnen die zullen vervallen op 31 december van de jaren 2013, 2014, 2015, 2016 en 2017, waarbij de einddatum van het terugbetalingsschema is vastgesteld in overeenstemming met de Beschikking van de Raad.

5.   Individuele steun verleend krachtens de in artikel 1 bedoelde regeling vormt geen staatssteun als die steun op het tijdstip waarop hij werd verleend, voldeed aan de voorwaarden van een verordening die is vastgesteld ingevolge artikel 2 van Verordening (EG) nr. 994/98, die op het moment van verlenen van de steun van toepassing was.

Artikel 3

1.   De terugvordering van de in artikel 1 bedoelde steun geschiedt onverwijld en daadwerkelijk.

2.   Italië zorgt ervoor dat het onderhavige besluit binnen vier maanden vanaf de datum van kennisgeving ervan ten uitvoer wordt gelegd.

Artikel 4

1.   Binnen twee maanden vanaf de kennisgeving van dit besluit verstrekt Italië de volgende informatie:

a)

het overzicht van de begunstigden die steun hebben ontvangen uit hoofde van de in artikel 1 bedoelde regeling en het door elk van hen uit hoofde van de betrokken regeling ontvangen totaalbedrag;

b)

het totale bedrag (hoofdsom en rente) dat moet worden teruggevorderd van elke begunstigde die steun heeft ontvangen die niet onder de de-minimisregel valt;

c)

een nadere beschrijving van de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen;

d)

documenten waaruit blijkt dat de begunstigden werd gelast de steun terug te betalen.

2.   Italië houdt de Commissie op de hoogte van de stand van uitvoering van de nationale maatregelen die het heeft genomen om dit besluit ten uitvoer te leggen, en dit tot de steun verleend krachtens de in artikel 1 bedoelde regeling volledig is terugbetaald. Het verstrekt, op eenvoudig verzoek van de Commissie, onverwijld alle inlichtingen over de reeds genomen en de voorgenomen maatregelen om aan dit besluit te voldoen. Het verstrekt tevens nadere inlichtingen over de reeds door de begunstigden terugbetaalde steunbedragen en rente.

Artikel 5

Het onderhavige besluit is gericht tot de Italiaanse Republiek.

Gedaan te Brussel, 17 juli 2013.

Voor de Commissie

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)  Thans interne markt geheten.

(2)   PB L 184 van 23.7.2003, blz. 15.

(3)   PB C 37 van 10.2.2012, blz. 30.

(4)  Thans de artikelen 107 en 108 van het Verdrag.

(5)   PB L 337 van 21.12.2007, blz. 35.

(6)   PB C 319 van 27.12.2006, blz. 1.

(7)   PB L 209 van 11.8.2005, blz. 1.

(8)  In 2009 was Italië met een productie van 11,364 miljoen ton de vijfde producent van koemelk in de EU. In 2010 beliep de invoer 1 330 602 ton en de uitvoer 4 722 ton.

(9)  Volgens de rechtspraak van het Europese Hof van Justitie volstaat het simpele feit dat de concurrentiepositie van een onderneming is verbeterd dankzij het verlenen van een voordeel dat de onderneming onder normale marktvoorwaarden niet zou hebben verkregen en dat concurrerende ondernemingen niet genieten, om vervalsing van de mededinging aan te tonen (zaak 730/79, Philip Morris / Commissie, Jurispr. 1980, blz. I-2671).

(10)  Zaak C-70/72, Commissie / Duitsland, Jurispr. 1973, blz. I-813, punt 13.

(11)  Gevoegde zaken C-278/92, C-279/92 en C-280/92, Spanje / Commissie, Jurispr. 1994, blz. I-4103, punt 75, zaak C-75/97, België / Commissie, Jurispr. 1999, blz. I-30671, punten 64-65.

(12)   PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.

(13)   PB C 272 van 15.11.2007, blz. 4.

(14)   PB L 140 van 30.4.2004, blz. 1.

(15)  Beschikking van 12 december 2012, zaak T-260/00, Cooperativa San Marco fra Lavoratori della Piccola Pesca en anderen / Commissie, nog niet bekendgemaakt in de Jurispr., punt 55.

(16)  Zaak C-348/93, Commissie / Italië, Jurispr. 1995, blz. I-673, punt 27.

(17)  Uitspraak van 19 mei 1999 in zaak C-6/97, Italië / Commissie, Jurispr. 1999, blz. I-2981, punt 34.

(18)   PB C 272 van 15.11.2007, blz. 4.

(19)   PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/49


BESLUIT Nr. 4/2013 VAN HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS

van 7 november 2013

houdende benoeming van de leden van de raad van bestuur van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP)

(2013/666/EU)

HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS,

Gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend in Cotonou op 23 juni 2000 (1), voor het eerst gewijzigd in Luxemburg op 25 juni 2005 (2) en voor de tweede maal gewijzigd in Ouagadougou op 22 juni 2010 (3), en met name bijlage III, artikel 3, lid 5,

Gezien Besluit nr. 4/2006 van het ACS-EG-Comité van ambassadeurs van 27 september 2006 betreffende de statuten en het reglement van orde van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP) (4), en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De ambtstermijn van de leden van de raad van bestuur van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling, zoals verlengd bij Besluit nr. 2/2013 van het ACS-EU-Comité van ambassadeurs (5), is op 21 augustus 2013 afgelopen.

(2)

Er moeten bijgevolg nieuwe leden worden benoemd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onverminderd de besluiten die het comité eventueel in het kader van zijn prerogatieven nog zou nemen, worden benoemd tot lid van de raad van bestuur van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling:

de heer Eric TOLLENS

voor een termijn van twee jaar die eindigt op 6 november 2015, alsmede

de heer Baba Y. ABUBAKAR

de heer Augusto Manuel CORREIA

mevrouw Helena JOHANSSON

de heer Faustin R. KAMUZORA

de heer Clement K. SANKAT,

voor een termijn van vijf jaar die eindigt op 6 november 2018.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt aangenomen.

Gedaan te Brussel, 7 november 2013.

Voor het ACS-EU-Comité van ambassadeurs

De voorzitter

R. KAROBLIS


(1)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)  Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27).

(3)  Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de Groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3).

(4)   PB L 350 van 12.12.2006, blz. 10.

(5)   PB L 163 van 15.6.2013, blz. 30.


19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/50


BESLUIT Nr. 5/2013 VAN HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS

van 7 november 2013

inzake de statuten van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP)

(2013/667/EU)

HET ACS-EU-COMITÉ VAN AMBASSADEURS,

Gezien de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (1), zoals eerst gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (2) en een tweede maal gewijzigd te Ouagadougou op 22 juni 2010 (3) („de ACS-EU-overeenkomst”), en met name artikel 3, leden 5 en 6, van bijlage III,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Naar aanleiding van de tweede wijziging van de ACS-EU-overeenkomst, is bijlage III bijgewerkt om de taken van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP) te herzien alsmede het bestuur in dit orgaan te verduidelijken en te versterken, met name het toezicht van het Comité van ambassadeurs en de taken van de raad van bestuur.

(2)

Besluit nr. 2/2010 van de ACS-EU-Raad van ministers (4) voorziet in de voorlopige toepassing van de tweede wijziging van de ACS-EU-overeenkomst, met ingang van 31 oktober 2010.

(3)

Derhalve dienen de statuten van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP) (hierna „het Centrum”) dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(4)

Krachtens artikel 3, lid 5, van bijlage III bij de overeenkomst worden de statuten van het Centrum door het Comité van ambassadeurs vastgesteld. Het Comité van ambassadeurs dient een daartoe strekkend besluit vast te stellen,

BESLUIT:

Enig artikel

De statuten van het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP) in de bijlage bij dit besluit worden hierbij vastgesteld.

De Europese Unie en de ACS-staten zijn, elk voor zich, verplicht de nodige maatregelen ter uitvoering van dit besluit te treffen.

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 7 november 2013.

Voor het ACS-EU-Comité van ambassadeurs

De voorzitter

R. KAROBLIS


(1)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)  Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27).

(3)  Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3).

(4)  Besluit nr. 2/2010 van de ACS-EU-Raad van ministers van 21 juni 2010 betreffende de overgangsmaatregelen die van toepassing zijn tussen de ondertekening en de inwerkingtreding van de Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 68).


BIJLAGE

STATUTEN VAN HET TECHNISCH CENTRUM VOOR LANDBOUWSAMENWERKING EN PLATTELANDSONTWIKKELING (TCLP)

Artikel 1

Onderwerp

1.   Het Technisch Centrum voor landbouwsamenwerking en plattelandsontwikkeling (TCLP) (hierna „het Centrum”) is, zoals bepaald in bijlage III bij de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds (1), zoals eerst gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (2) en een tweede maal gewijzigd te Ouagadougou op 22 juni 2010 (3) (hierna „de ACS-EU-overeenkomst”), een technisch, paritair ACS-EU-orgaan. Het Centrum is een rechtspersoon en geniet in alle staten die bij de ACS-EU-overeenkomst partij zijn, de ruimste handelingsbevoegdheid welke aan rechtspersonen van dezelfde aard wordt toegekend.

2.   Het personeel van het Centrum heeft de gebruikelijke voorrechten, immuniteiten en faciliteiten waarin is voorzien bij artikel 1, tweede alinea, van Protocol 2 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de ACS-EU-overeenkomst en die zijn genoemd in de verklaringen VI en VII die aan de ACS-EU-overeenkomst zijn gehecht.

3.   Het Centrum is een non-profitorganisatie.

4.   Het hoofdkantoor van het Centrum is voorlopig gevestigd in Wageningen in Nederland, met een lokaal kantoor in Brussel.

Artikel 2

Beginselen en doelstellingen

1.   Het Centrum handelt overeenkomstig de bepalingen en doelstellingen van de ACS-EU-overeenkomst. Het Centrum streeft de doelstellingen na die zijn vastgesteld in artikel 3 van bijlage III bij de ACS-EU-overeenkomst van Cotonou onder toezicht van het Comité van ambassadeurs.

2.   Het Centrum werkt deze doelstellingen in detail uit in een algemeen strategiedocument.

3.   Het Centrum verricht zijn activiteiten in nauwe samenwerking met de instellingen en andere organen die worden genoemd in de ACS-EU-overeenkomst en de daaraan gehechte verklaringen. Het Centrum kan in voorkomend geval een beroep doen op regionale en internationale instellingen, met name die welke in de Europese Unie of de ACS-staten gevestigd zijn en zich bezighouden met aangelegenheden inzake landbouw- en plattelandsontwikkeling.

Artikel 3

Financiering

1.   De begroting van het Centrum wordt gefinancierd volgens de in de ACS-EU-overeenkomst vastgestelde regels voor de samenwerking inzake ontwikkelingsfinanciering.

2.   Aan de begroting van het Centrum kunnen door andere partijen extra middelen worden bijgedragen met het oog op de verwezenlijking van de in de ACS-EU-overeenkomst vastgestelde doelstellingen en de uitvoering van het door het Centrum opgestelde strategiedocument.

Artikel 4

Comité van ambassadeurs

1.   Het Comité van ambassadeurs is de toezichthoudende autoriteit van het Centrum overeenkomstig artikel 3, lid 5, van bijlage III bij de ACS-EU-overeenkomst. Het Comité van ambassadeurs benoemt de leden van de raad van bestuur en de directeur van het Centrum op voordracht van de raad van bestuur. Het houdt toezicht op de algemene strategie van het Centrum en ziet toe op de werkzaamheden van de raad van bestuur.

2.   Het Comité van ambassadeurs verleent de directeur kwijting voor de uitvoering van de begroting. Voor de verlening van de kwijting ontvangt het Comité van ambassadeurs een aanbeveling van de raad van bestuur die is gebaseerd op het onderzoek van de jaarrekeningen, alsmede het advies van de accountant en de antwoorden daarop van de directeur.

3.   Het Comité van ambassadeurs kan de besluiten van het Centrum op elk ogenblik herzien en wijzigen. Het Comité van ambassadeurs wordt regelmatig op de hoogte gesteld door de raad van bestuur en, als het daarom verzoekt, ook door de directeur van het centrum.

Artikel 5

Raad van bestuur

1.   Er wordt een raad van bestuur ingesteld, die de technische, administratieve en financiële aspecten van alle activiteiten van het Centrum ondersteunt, monitort en controleert.

2.   De raad van bestuur bestaat op paritaire basis uit zes leden in totaal, te weten drie ACS-onderdanen en drie onderdanen van de Unie, die door de partijen bij de ACS-EU-overeenkomst worden geselecteerd en worden benoemd door het Comité van ambassadeurs, op grond van hun professionele kwalificaties op het gebied van landbouw en plattelandsontwikkeling en/of informatie- en communicatiebeleid, wetenschap, bestuur en technologie.

3.   Teneinde de operationele continuïteit van de raad van bestuur te waarborgen, tracht het Comité van ambassadeurs de leden van de raad van bestuur niet allemaal binnen hetzelfde kalenderjaar te vervangen.

4.   De leden van de raad van bestuur worden door het Comité van ambassadeurs voor ten hoogste vijf jaar benoemd, volgens een door dit comité vastgestelde procedure, waarbij halverwege een evaluatie plaatsvindt.

5.   De raad van bestuur houdt drie gewone vergaderingen per jaar. De raad van bestuur kan tevens, op verzoek van het Comité van ambassadeurs, van de voorzitter van de raad van bestuur of van de directeur, een buitengewone vergadering houden telkens wanneer dit nodig is om zijn taken te vervullen. Het Centrum verzorgt het secretariaat van de raad van bestuur.

6.   De leden van de raad van bestuur voeren hun taken op onafhankelijke wijze uit, vragen noch aanvaarden instructies van derde partijen, en handelen uitsluitend in het belang van het Centrum. Het lidmaatschap van de raad van bestuur is niet verenigbaar met andere bezoldigde werkzaamheden voor rekening van het Centrum.

7.   De leden van de raad van bestuur verkiezen onder zich een voorzitter en een vicevoorzitter voor een periode van maximaal vijf jaar overeenkomstig de bepalingen van het reglement van orde. Het voorzitterschap wordt bekleed door een onderdaan van de partij (ACS of Europese Unie) verschillend van die die het ambt van directeur van het Centrum bekleedt. Het vicevoorzitterschap wordt bekleed door een onderdaan van de partij die niet het voorzitterschap bekleedt.

8.   De vergaderingen van de raad van bestuur worden bijgewoond door waarnemers van de Europese Commissie, het secretariaat-generaal van de Raad van de Europese Unie en het secretariaat van de ACS-staten.

9.   De raad van bestuur kan andere leden van de directie, personeelsleden van het Centrum en/of externe deskundigen uitnodigen om hun standpunt over specifieke vraagstukken uiteen te zetten.

10.   De raad van bestuur besluit bij gewone meerderheid van stemmen van de aanwezige of overeenkomstig het reglement van orde vertegenwoordigde leden. Elk lid van de raad van bestuur heeft één stem. Bij staking van stemmen beslist de voorzitter.

11.   Na elke bijeenkomst worden notulen opgesteld. De besprekingen van de raad van bestuur zijn vertrouwelijk.

12.   De raad van bestuur keurt zijn eigen reglement van orde goed en dient het in bij het Comité van ambassadeurs ter informatie.

Artikel 6

Taken van de raad van bestuur

1.   De raad van bestuur houdt zorgvuldig toezicht op de activiteiten van het Centrum. De raad van bestuur legt verantwoording af aan het Comité van ambassadeurs.

2.   De raad van bestuur:

a)

stelt het ontwerp van financieel reglement vast overeenkomstig de voorschriften van het Europees Ontwikkelingsfonds (EOF) en deze statuten en legt dit ter goedkeuring voor aan het Comité van ambassadeurs;

b)

stelt het personeelsreglement en de werkwijzen voor het Centrum vast overeenkomstig de voorschriften van het EOF en deze statuten, hecht er zijn goedkeuring aan en verstrekt ze ter informatie aan het Comité van ambassadeurs;

c)

houdt toezicht op de activiteiten van het Centrum en zorgt ervoor dat de taken en voorschriften naar behoren worden uitgevoerd;

d)

keurt de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s en de jaarlijkse begroting van het Centrum goed en verstrekt ze ter informatie aan het Comité van ambassadeurs;

e)

dient periodieke verslagen en evaluaties van de activiteiten van het Centrum in bij het Comité van ambassadeurs;

f)

stelt de algemene strategiedocument van het Centrum vast en dient deze ter informatie in bij het Comité van ambassadeurs;

g)

keurt de organisatiestructuur, het personeelsbeleid en het organigram van het Centrum goed;

h)

beoordeelt jaarlijks de prestaties en het werkplan van de directeur en legt in die zin een verslag voor aan het Comité van ambassadeurs;

i)

hecht zijn goedkeuring aan de indienstneming van nieuwe personeelsleden en de hernieuwing, verlenging of beëindiging van bestaande arbeidsovereenkomsten;

j)

keurt de jaarrekeningen goed op basis van het onderzoek van het controleverslag;

k)

zendt de jaarrekeningen en het controleverslag samen met een aanbeveling toe aan het Comité van ambassadeurs, met het oog op de verlening van kwijting inzake de tenuitvoerlegging van de begroting aan de directeur;

l)

keurt de jaarverslagen goed en zendt ze toe aan het Comité van ambassadeurs, zodat het comité kan beoordelen of de activiteiten van het Centrum in overeenstemming zijn met de doelstellingen die zijn vastgesteld in de ACS-EU-overeenkomst en het algemene strategiedocument van het Centrum;

m)

stelt de benoeming van de directeur van het Centrum voor aan het Comité van ambassadeurs;

n)

dient in voorkomend geval, na uitputting van alle verzoeningsmiddelen en eerbieding van het recht om te worden gehoord, een met redenen omkleed voorstel in bij het Comité van ambassadeurs om de directeur van zijn functie te ontheffen;

o)

stelt aan het Comité van ambassadeurs de verlenging van de ambtstermijn van de directeur voor met een tweede en laatste termijn, op grond van een grondige evaluatie van de prestaties van de directeur in de eerste termijn;

p)

brengt aan het Comité van ambassadeurs verslag uit over alle belangrijke vraagstukken waarmee de raad van bestuur bij de uitoefening van zijn taken wordt geconfronteerd; en

q)

brengt aan het Comité van ambassadeurs verslag uit over de maatregelen die zijn getroffen in het licht van de opmerkingen en aanbevelingen bij het kwijtingsbesluit van het Comité van ambassadeurs.

3.   De raad van bestuur kiest, na een openbareaanbestedingsprocedure met ten minste drie inschrijvers, een accountantsfirma die lid is van een internationaal erkend toezichtsorgaan, voor een periode van drie jaar. Deze verkozen accountants onderzoeken of de jaarrekeningen op correcte wijze zijn opgemaakt, in overeenstemming met internationaal erkende boekhoudnormen, en of zij een getrouw beeld geven van de financiële positie van het Centrum. De accountants geven ook hun mening over de deugdelijkheid van het financiële beheer van het Centrum.

4.   De raad van bestuur beveelt het Comité van ambassadeurs aan de directeur kwijting inzake de tenuitvoerlegging van de begroting te verlenen na de controle van de jaarrekeningen van het Centrum.

Artikel 7

Directeur

1.   Het centrum wordt geleid door een directeur die op voorstel van de raad van bestuur door het Comité van ambassadeurs wordt benoemd voor een periode van maximaal vijf jaar. De aanstellingsbrief van de directeur wordt ondertekend door de voorzitters van het Comité van ambassadeurs. Op aanbeveling van de raad van bestuur op grond van uitstekende prestaties kan het Comité van ambassadeurs in uitzonderlijke omstandigheden, de ambtstermijn van de directeur met een periode van maximaal vijf jaar verlengen. Na deze termijn is geen verlenging meer mogelijk. De goedkeuring van de tweede en laatste termijn is gebaseerd op een gedegen evaluatie op grond van verifieerbare prestatiecriteria die door de raad van bestuur bij het Comité van ambassadeurs zijn ingediend.

2.   De directeur is verantwoordelijk voor de wettelijke en institutionele vertegenwoordiging van het Centrum en voor de uitvoering van het mandaat en de taken van het Centrum.

3.   De directeur legt aan de raad van bestuur het volgende ter goedkeuring voor:

a)

het algemene strategiedocument van het Centrum;

b)

de jaarlijkse en meerjarige activiteiten-/werkprogramma’s;

c)

de jaarlijkse begroting van het Centrum;

d)

de jaarverslagen, periodieke verslagen en evaluaties;

e)

de organisatiestructuur, het personeelsbeleid en het organigram van het Centrum; en

f)

de indienstneming van nieuwe personeelsleden en de hernieuwing, verlenging en beëindiging van bestaande arbeidsovereenkomsten.

4.   De directeur is verantwoordelijk voor de organisatie en het dagelijks beheer van het Centrum. De directeur brengt verslag uit bij de raad van bestuur over alle uitvoeringsmaatregelen inzake de werkwijzen van het Centrum.

5.   De directeur brengt verslag uit bij de raad van bestuur over alle belangrijke vraagstukken waarmee hij bij de uitoefening van zijn taken wordt geconfronteerd, en brengt deze indien nodig ook ter kennis van het Comité van ambassadeurs.

6.   De directeur legt zijn jaarlijkse prestatiebeheersplan en resultatenverslag ter beoordeling aan de raad van bestuur voor, waarna deze aan het Comité van ambassadeurs worden toegezonden.

7.   De directeur is verantwoordelijk voor de indiening, ter goedkeuring, van de jaarrekeningen bij de raad van bestuur en voor de toezending ervan aan het Comité van ambassadeurs.

8.   De directeur zet de nodige stappen om gevolg te geven aan de opmerkingen en aanbevelingen van het Comité van ambassadeurs bij het kwijtingsbesluit inzake de tenuitvoerlegging van de begroting.


(1)   PB L 317 van 15.12.2000, blz. 3.

(2)  Overeenkomst tot wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 (PB L 209 van 11.8.2005, blz. 27).

(3)  Overeenkomst tot tweede wijziging van de Partnerschapsovereenkomst tussen de leden van de groep van staten in Afrika, het Caribische gebied en de Stille Oceaan, enerzijds, en de Europese Gemeenschap en haar lidstaten, anderzijds, ondertekend te Cotonou op 23 juni 2000 en voor de eerste maal gewijzigd te Luxemburg op 25 juni 2005 (PB L 287 van 4.11.2010, blz. 3).


Rectificaties

19.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 309/55


Rectificatie van Verordening (EU) nr. 566/2012 van de Raad van 18 juni 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 975/98 over de denominaties en technische specificaties van voor circulatie bestemde euromuntstukken

( Publicatieblad van de Europese Unie L 169 van 29 juni 2012 )

Bladzijde 9, artikel 1 octies:

in plaats van:

„Artikel 1 octies

De lidstaten van uitgifte actualiseren hun nationale zijde van gewone munten uiterlijk op 20 juni 2062 om geheel aan deze verordening te voldoen.”,

te lezen:

„Artikel 1 octies

De lidstaten van uitgifte actualiseren hun nationale zijde van gewone munten uiterlijk op 20 juli 2062 om geheel aan deze verordening te voldoen.”.

Bladzijde 10, artikel 1 undecies:

in plaats van:

„Artikel 1 undecies

De artikelen 1 quater, 1 quinquies, 1 sexties en artikel 1 nonies, lid 2:

a)

zijn niet van toepassing op circulatiemunten die zijn uitgegeven of vervaardigd vóór 19 juni 2012,

b)

zijn, gedurende een overgangstermijn die eindigt op 20 juni 2062, niet van toepassing op de ontwerpen van circulatiemunten die op 19 juni 2012 reeds wettig in gebruik zijn. Circulatiemunten die tijdens de overgangsperiode zijn uitgegeven of vervaardigd, kunnen voor onbepaalde tijd een wettig betaalmiddel blijven.”,

te lezen:

„Artikel 1 undecies

De artikelen 1 quater, 1 quinquies, 1 sexties en artikel 1 nonies, lid 2:

a)

zijn niet van toepassing op circulatiemunten die zijn uitgegeven of vervaardigd vóór 19 juli 2012,

b)

zijn, gedurende een overgangstermijn die eindigt op 20 juli 2062, niet van toepassing op de ontwerpen van circulatiemunten die op 19 juli 2012 reeds wettig in gebruik zijn. Circulatiemunten die tijdens de overgangsperiode zijn uitgegeven of vervaardigd, kunnen voor onbepaalde tijd een wettig betaalmiddel blijven.”.