ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.297.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 297

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
7 november 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking) (ECB/2013/33)

1

 

*

Verordening (EU) nr. 1072/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen gehanteerde rentetarieven (herschikking) (ECB/2013/34)

51

 

*

Verordening (EU) nr. 1073/2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen (herschikking) (ECB/2013/38)

73

 

*

Verordening (EU) nr. 1074/2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 betreffende de statistische rapportagevereisten ten aanzien van postcheque- en girodiensten die deposito’s aantrekken van in het eurogebied ingezetenen, niet-monetaire financiële instellingen(ECB/2013/39)

94

 

*

Verordening (EU) nr. 1075/2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (herschikking) (ECB/2013/40)

107

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

7.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/1


VERORDENING (EU) Nr. 1071/2013 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 24 september 2013

met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (herschikking)

(ECB/2013/33)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), inzonderheid artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 2531/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot de toepassing van reserveverplichtingen door de Europese Centrale Bank (2), inzonderheid artikel 6, lid 4,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende:

(1)

Verordening (EG) nr. 25/2009 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2008 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2008/32) (3) is aanzienlijk gewijzigd, in het bijzonder in het licht van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (4). Aangezien nadere wijzigingen noodzakelijk zijn, dient deze verordening ter wille van de duidelijkheid herschikt te worden.

(2)

Het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) heeft voor de uitvoering van zijn taken een geconsolideerde balans van de sector monetaire financiële instellingen (MFI) nodig. Het belangrijkste doel van die information is de Europese Centrale Bank (ECB) een volledig statistisch beeld te geven van de monetaire ontwikkelingen in de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna: de „eurogebiedlidstaten”), die als één economisch gebied worden beschouwd. Deze statistieken bestrijken de geaggregeerde financiële activa en passiva, in termen van standen en transacties, gebaseerd op een volledige en homogene MFI-sector en populatie van informatieplichtigen, en worden regelmatig samengesteld. Voldoende gedetailleerde statistische gegevens zijn ook noodzakelijk om de voortdurende analytische bruikbaarheid van de monetaire aggregaten van het eurogebied en tegenposten te garanderen.

(3)

Overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en krachtens de in de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna: de „ESCB-statuten”) neergelegde voorwaarden, stelt de ECB verordeningen op, voor zover deze nodig zijn voor de uitvoering van de ESCB-taken overeenkomstig de ESCB-statuten en in sommige gevallen zoals vastgelegd in de door de Raad aangenomen bepalingen op grond van artikel 129, lid 4, van het Verdrag.

(4)

Artikel 5.1 van de ESCB-statuten vereist dat de ECB, bijgestaan door de nationale centrale banken (NCB’s), hetzij bij de bevoegde nationale autoriteiten of rechtstreeks bij de economische subjecten de voor de vervulling van de taken van het ESCB benodigde statistische gegevens verzamelt. Artikel 5.2 van de ESCB-statuten bepaalt dat de NCB’s voor zover mogelijk de in artikel 5.1 omschreven taken uitvoeren.

(5)

De ECB is ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2533/98 gehouden om uit de referentiegroep van informatieplichtigen de werkelijke populatie van informatieplichtigen te bepalen en is gerechtigd om bepaalde categorieën informatieplichtigen geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van hun rapportageverplichtingen. Artikel 6, lid 4, bepaalt dat de ECB verordeningen mag vaststellen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder het recht tot verificatie of de gedwongen verzameling van statistische gegevens mag worden uitgeoefend.

(6)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2533/98 vereist dat de lidstaten op het gebied van statistische informatie hun eigen organisatie dienen in te richten en volledig met het ESCB dienen samen te werken ter verzekering van de vervulling van de uit artikel 5 van de ESCB-statuten voortvloeiende verplichtingen.

(7)

Het kan voor NCB’s aangewezen zijn om de statistische gegevens die nodig zijn om aan de statistische rapportageverplichtingen van de ECB te voldoen, bij de werkelijke populatie van informatieplichtigen te verzamelen binnen een breder kader voor statistische rapportage dat de NCB’s onder eigen verantwoordelijkheid overeenkomstig Unie-, dan wel nationale wetgeving, respectievelijk gevestigd gebruik opzetten en dat ook andere statistische doeleinden dient, vermits de statistische verplichtingen van de ECB worden nagekomen. Dit kan ook de rapportagelast verminderen. Het is in deze gevallen voor een grotere doorzichtigheid aangewezen de informatieplichtigen ervan in kennis te stellen dat de gegevens voor andere statistische doeleinden worden verzameld. In specifieke gevallen kan de ECB ter voldoening aan haar verplichtingen gebruikmaken van de aldus verzamelde statistische gegevens.

(8)

De statistische vereisten zijn het meest gedetailleerd in die gevallen waarin de tegenpartijen deel uitmaken van de geldhoudende sector. Gedetailleerde gegevens zijn vereist betreffende: a) depositoverplichtingen naar subsector en looptijd en verder geclassificeerd naar valuta om een nauwgezettere analyse mogelijk te maken van de ontwikkelingen van de in M3 opgenomen vreemde valutacomponenten en onderzoek te vergemakkelijken naar de mate van vervangbaarheid van in vreemde valuta’s en in euro luidende componenten van het monetaire aggregraat M3; b) leningen naar subsector, looptijd, renteherziening en valuta aangezien deze informatie als essentieel wordt beschouwd voor monetaire analyses; c) balansposities ten opzichte van overige MFI’s voor zover zulks nodig is voor de saldering van binnen de MFI-sector aangehouden tegoeden of voor de berekening van de reservebasis; (d) balansposities ten opzichte van niet-ingezetenen van het eurogebied (rest van de wereld) voor „deposito’s met een vaste looptijd van langer dan twee jaar”, „deposito’s met een opzegtermijn van langer dan twee jaar” en „repo’s” om de reservebasis te berekenen waarop de positieve reserveratio betrekking heeft; (e) balansposities ten opzichte van de rest van de wereld voor totale depositoverplichtingen om de externe tegenposten te kunnen bepalen; (f) depositoverplichtingen en leningen ten opzichte van de rest van de wereld bij een oorspronkelijke looptijd korter en langer dan één jaar ten behoeve van betalingsbalansen en financiële rekeningen.

(9)

Voor het verzamelen van statistische information over de effectenportfolio’s van MFI’s, zulks krachtens Verordening (EU) nr. 1011/2012 van de Europese Centrale Bank van 17 oktober 2012 betreffende statistieken inzake aangehouden effecten (ECB/2012/24) (5), rapporteren NCB’s op kwartaalbasis effectsgewijze gegevens. NCB’s kunnen de rapportagevereisten uit hoofde van de verordening en Verordening (EU) nr. 1011/2012 (ECB/2012/24) combineren, indien zulks de rapportagelast van kredietinstellingen tot een minimum kan beperken. Wat geldmarktfondsen betreft, kunnen NCB’s toestaan dat zij rapporteren overeenkomstig 1073Verordening (EU) nr. /2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen (ECB/2013/38) (6), om de rapportagelast van fondsbeheerders te verlichten.

(10)

Financiële transacties worden door de ECB berekend als het verschil tussen de gerapporteerde standen per opeenvolgende maandultimo’s, waarbij wordt gecorrigeerd voor het effect van veranderingen die het gevolg zijn van andere invloeden dan transacties. De aan de informatieplichtigen opgelegde verplichting betreft niet de wisselkoerswijzigingen, die worden berekend door de ECB, dan wel door de NCB’s na raadpleging van de ECB, uit de door de informatieplichtigen per munteenheid verstrekte standengegevens, of de herclassificatieaanpassingen, die door de NCB’s zelf worden verzameld met behulp van verscheidene, reeds aan de NCB’s ter beschikking staande informatiebronnen.

(11)

Artikel 5 van Verordening (EG) nr. 2531/98 geeft de ECB de bevoegdheid tot het vaststellen van verordeningen of beschikkingen om bepaalde instellingen vrij te stellen van de verplichting tot het aanhouden van minimumreserves, om de voorwaarden te omschrijven waaronder bepaalde verplichtingen jegens een andere instelling niet hoeven te worden opgenomen in of in mindering kunnen worden gebracht op de reservebasis, en om voor specifieke categorieën verplichtingen afwijkende reserveratio’s vast te stellen. Op grond van artikel 6 van Verordening (EG) nr. 2531/98 heeft de ECB het recht om bij instellingen de voor de toepassing van reserveverplichtingen noodzakelijke gegevens in te zamelen en om de juistheid en kwaliteit van door instellingen verstrekte informatie te verifiëren teneinde te controleren of deze aan hun reserveverplichtingen hebben voldaan. Het is voor het verminderen van de algemene rapportagelast wenselijk de statistische informatie betreffende de maandelijkse balans te gebruiken voor de regelmatige berekening van de reservebasis van de kredietinstellingen die aan reserveverplichtingen van de ECB onderhevig zijn, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (7).

(12)

Het is noodzakelijk specifieke procedures vast te stellen die dienen te worden toegepast in het geval van fusies en splitsingen van kredietinstellingen, ter verduidelijking van de reserveverplichtingen van deze instellingen.

(13)

De ECB verlangt informatie betreffende de securitisatieactiviteiten van MFI’s teneinde krediet- en leenontwikkelingen in het eurogebied te interpreteren. Dergelijke informatie vormt ook een aanvulling op de gegevens die op grond van Verordening 1075(EU) nr. /2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 worden gerapporteerd betreffende de statistieken over activa en passiva van lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (ECB/2013/40) (8).

(14)

Door de ECB uit hoofde van artikel 34.1 van de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken van van de Europese Centrale Bank (hierna: de „ESCB-statuten”) vastgestelde verordeningen kennen weliswaar rechten toe noch leggen zij verplichtingen op aan lidstaten die de euro niet als munt hebben (hierna: „niet-eurogebiedlidstaten”), artikel 5 van de ESCB-statuten is op eurogebiedlidstaten en niet-eurogebiedlidstaten van toepassing. Overweging 17 van Verordening (EG) nr. 2533/98 wijst erop dat artikel 5 van de ESCB-statuten, samen met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verplichting inhoudt om op nationaal niveau alle maatregelen te nemen en uit te voeren die de niet-eurogebiedlidstaten dienstig achten voor de verzameling van de statistische gegevens om te voldoen aan de statistische rapportageverplichtingen van de ECB, en tijdig op statistisch vlak voorbereidingen te treffen, opdat zij eurogebiedlidstaten kunnen worden.

(15)

De normen voor de bescherming en het gebruik van vertrouwelijke statistische informatie, zoals vastgelegd in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2533/98, dienen van toepassing te zijn.

(16)

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de ECB bevoegd is sancties op te leggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de in ECB-verordeningen of -besluiten vastgelegde statistische rapportageverplichtingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

In deze verordening wordt bedoeld met:

a)   „monetaire financiële instelling” (MFI): een ingezeten onderneming die behoort tot een van de volgende sectoren:

1.

centrale banken; en

2.

overige MFI’s, d.w.z.:

a)

deposito-instellingen

i)

kredietinstellingen zoals omschreven in artikel 4, lid 1, onder (1), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingenen (9), en

ii)

deposito-instellingen met uitzondering van kredietinstellingen namelijk:

overige financiële instellingen die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie en waarvan de activiteiten erin bestaan deposito’s en/of daarmee vergelijkbare financiële titels van institutionele eenheden, niet slechts van MFI’s te ontvangen (de mate waarin de door overige MFI’s uitgegeven instrumenten substituten vormen voor de bij kredietinstellingen geplaatste deposito’s bepalen hun indeling als MFI’s); en voor eigen rekening, althans in economische zin, het verstrekken van leningen en/of beleggen in effecten, of

instellingen voor elektronisch geld die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie door de uitgifte van elektronisch geld; of

b)

geldmarktfondsen (GMF’s) krachtens artikel 2;

b)   de termen „informatieplichtigen” en „ingezeten”: hebben dezelfde betekenis als gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98;

c)   „desbetreffende NCB”: de NCB van de eurogebiedlidstaat waarin de LFI ingezeten is;

d)   „lege financiële instelling”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 10751 van Verordening (EU) nr. /2013 (ECB/2013/40);

e)   „securitisatie”: een transactie die hetzij: a) een traditionele securitisatie is zoals gedefinieerd in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 575/2013/EG; en/of b) een securitisatie zoals gedefinieerd in artikel 10751 van Verordening Verordening (EU) nr. /2013 (ECB/2013/40), die de afstoting van de aan een lege financiële instelling gesecuritiseerde leningen inhoudt;

f)   „instelling voor elektronisch geld” en „elektronisch geld”: hebben dezelfde betekenis zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, en artikel 2, lid 2, van Richtlijn 2009/110/EG van het Europees parlement en de Raad (10);

g)   „afwaardering”: de directe verlaging van de boekwaarde van een lening op de balans vanwege de onvolwaardigheid ervan;

h)   „afschrijving”: een afwaardering van de volledige boekwaarde van een lening waardoor het uit de balans wordt verwijderd;

i)   „beheerder”: een MFI die het beheer voert over de aan een securitisatie ten grondslag liggende leningen dan wel leningen die anderszin zijn doorgegeven in de zin van het innen van hoofdsom en rente van de schuldenaars;

j)   „leningoverdracht”: de economische overdracht van een lening of pool van leningen door de informatieplichtige aan een ontvangende partij, hetzij door middel van eigendomsoverdracht of door subdeelneming;

k)   „leningovername”: de economische overdracht van een lening of pool van leningen door een overdragende partij aan de informatieplichtige, hetzij door middel van eigendomsoverdracht of door subdeelneming;

l)   „intra-groep positie”: posities tussen deposito-instellingen die tot dezelfde groep behoren, bestaande uit een moeder en al haar direct of indirect gecontroleerde in het eurogebied ingezetene groepsleden;

m)   „een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is”: een kleine MFI met een vrijstelling krachtens artikel 9, lid 1;

n)   „verwijdering van de balans”: de verwijdering van een lening of een deel daarvan uit de overeenkomstig deel 2 en 3 van bijlage I gerapporteerde standen, met inbegrip van de verwijdering ervan vanwege de toepassing van een vrijstelling zoals bedoeld in artikel 9, lid 4.

Artikel 2

Identificatie van GMF’s

Instellingen voor collectieve belegging die voldoen aan alle volgende criteria worden behandeld als GMF, indien zij:

a)

het handhaven van de hoofdsom van een fonds en het verschaffen van een rendement overeenkomstig de rentevoeten van geldmarktinstrumenten als beleggingsdoelstelling hebben;

b)

beleggen in geldmarktinstrumenten die voldoen aan de criteria voor geldmarktinstrumenten uiteengezet in Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (11), of beleggen in deposito’s bij kredietinstellingen of, bij wijze van alternatief, verzekeren dat de liquiditeit en waardering van de portefeuille waarin ze beleggen, op een gelijkwaardige basis wordt beoordeeld;

c)

verzekeren dat de geldmarktinstrumenten waarin ze beleggen, van hoge kwaliteit zijn, zoals bepaald door de beheermaatschappij; De kwaliteit van een geldmarktinstrument wordt onder andere op basis van de volgende factoren afgewogen:

i)

de kredietkwaliteit van het geldmarktinstrument,

ii)

de aard van de door het geldmarktinstrument vertegenwoordigde activacategorie,

iii)

voor gestructureerde financiële instrumenten, het operationeel risico en tegenpartijrisico dat inherent is aan de gestructureerde financiële transactie;

iv)

het liquiditeitsprofiel;

d)

verzekeren dat hun portefeuille een gewogen gemiddelde looptijd (WAM) heeft van niet meer dan zes maanden en een gewogen gemiddelde resterende looptijd (WAL) van niet meer dan twaalf maanden (overeenkomstig bijlage I, deel 1, paragraaf 2);

e)

dagelijks de intrinsieke waarde (NAV) en een berekening van de koers van hun aandelen/participaties verschaffen, alsook dagelijks inschrijving en terugkoop van aandelen/rechten van deelneming mogelijk maken;

f)

belegging in effecten beperken tot effecten met een resterende looptijd tot aan de wettelijke aflossingsdatum korter dan of gelijk aan twee jaar, mits de resterende tijd tot de eerstvolgende renteherzieningsdatum korter is dan of gelijk aan 397 dagen waarbij de herziening van effecten met variabele rente dient te geschieden aan een geldmarktrente of -index;

g)

belegging in andere ondernemingen voor collectieve belegging beperken tot ondernemingen die voldoen aan de definitie van GMF;

h)

direct noch indirect, ook niet door middel van derivaten, een belang in aandelen of grondstoffen nemen en derivaten alleen gebruiken overeenkomstig de geldmarktbeleggingsstrategie van het fonds. Derivaten die een valutarisico inhouden, mogen alleen worden gebruikt voor het afdekken van risico’s. Belegging in niet in de basisvaluta luidende effecten is toegestaan mits het valutarisico volledig wordt afgedekt;

i)

hetzij een constante of een fluctuerende intrinsieke waarde hebben.

Artikel 3

Werkelijke populatie van informatieplichtigen

1.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen bestaat uit de MFI’s die ingezetenen zijn van de eurogebiedlidstaten (in lijn met deel 1, bijlage II).

2.   De MFI’s in de werkelijke populatie van informatieplichtigen zijn onderworpen aan volledige statistische rapportageverplichtingen, tenzij een vrijstelling is verleend op grond van artikel 9.

3.   Entiteiten die aan de definitie van MFI voldoen, vallen onder het toepassingsgebied van deze verordening, ook als ze zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 575/2013.

4.   Ten behoeve van de verzameling van statistische informatie betreffende het ingezetenschap van de houders van aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen zoals gespecificeerd in paragraaf 5.7 van deel 2 van bijlage I, bestaat de werkelijke populatie van informatieplichtigen ook uit overige financiële intermediairs met uitzondering van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (OFI’s), behoudens eventuele vrijstellingen uit hoofde van artikel 9, lid 2, onder c). Voor de toepassing van deze verordening kunnen NCB’s een lijst van informatieplichtige OFI’s vaststellen en bijhouden overeenkomstig de beginselen van paragraaf 5.7 van deel 2 van bijlage I.

Artikel 4

Lijst van MFI’s voor statistische doeleinden

1.   De directie stelt voor statistische doeleinden een lijst van MFI’s op en houdt deze bij, daarbij rekening houdend met de eisen inzake frequentie en tijdigheid die voortvloeien uit het gebruik van deze lijst in het kader van de reserveverplichtingen van de ECB. De lijst van MFI’s voor statistische doeleinden bevat een aanduiding of instellingen al dan niet juridisch verplicht zijn zich te houden aan de minimumreserveverplichtingen van de ECB. De lijst van MFI’s is actueel en nauwkeurig, zo homogeen mogelijk en voldoende stabiel voor statistische doeleinden.

2.   De lijst van MFI’s voor statistische doeleinden en de geactualiseerde versies daarvan worden door de NCB’s en de ECB op passende wijze voor de informatieplichtigen toegankelijk gemaakt, onder meer langs elektronische weg, via internet of, op verzoek van de informatieplichtigen, in gedrukte vorm.

3.   De lijst van MFI’s voor statistische doeleinden dient uitsluitend ter informatie. Indien de meest recent beschikbare versie van de lijst onjuist is, legt de ECB echter geen sancties op aan entiteiten die niet naar behoren aan hun statistische rapportageverplichtingen hebben voldaan voor zover de desbetreffende instelling te goeder trouw afging op de onjuiste lijst.

Artikel 5

Statistische rapportageverplichtingen

1.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen verstrekt aan de NCB van de lidstaat waarvan de MFI ingezetene is: a) maandelijkse standen betreffende de balans per maandultimo; en b) maandelijkse geaggregeerde herwaarderingsaanpassingen. Geaggregeerde herwaarderingsaanpassingen worden gerapporteerd met betrekking tot afschrijvingen en afwaarderingen van leningen en met betrekking tot de prijsherwaarderingen van effecten. Meer gedetailleerde gegevens betreffende bepaalde posten op de balans worden driemaandelijks of jaarlijks gerapporteerd. NCB’s kunnen de kwartaalgegevens maandelijks verzamelen, indien zulks de gegevensverwerking faciliteert. De vereiste statistische gegevens zijn aangegeven in bijlage I.

2.   NCB’s kunnen de vereiste statistische gegevens betreffende door MFI’s uitgegeven en aangehouden effecten effectgewijs verzamelen, voor zover de in lid 1 bedoelde gegevens kunnen worden afgeleid overeenkomstig de minimumnormen voor statistische gegevens in bijlage IV.

3.   Overeenkomstig de in tabel 1A van deel 4 van bijlage I uiteengezette minimumvereisten rapporteren MFI’s maandelijkse herwaarderingsaanpassingen met betrekking tot het volledige door de ECB verlangde gegevensbestand. Het is NCB’s toegestaan om extra, niet door de minimumvereisten gevraagde gegevens te verzamelen. Deze extra gegevens kunnen betrekking hebben op de in tabel 1A gemarkeerde uitsplitsingen buiten de „minimumvereisten”.

4.   De ECB kan uitleg vereisen van de aanpassingen in door de NCB’s verzamelde „herclassificaties en overige aanpassingen”.

5.   De ECB kan sancties opleggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de statistische rapportagevereisten in deze verordening, zulks overeenkomstig Besluit ECB/2010/10 van 19 augustus 2010 inzake niet-naleving van statistische rapportagevereisten (12).

Artikel 6

Extra statistische rapportageverplichtingen voor securitisaties en andere overdrachten van leningen

MFI’s rapporteren het volgende:

a)

de nettostroom van in de rapportageperiode uitgevoerde securitisaties en overige overdrachten van leningen, zulks overeenkomst paragraaf 2 van deel 5 van bijlage I;

b)

het aan het einde van de periode uitstaande bedrag en financiële transacties, met uitzondering van leningoverdrachten en -overnames in de loop van de betrokken periode, ten aanzien van gesecuritiseerde en van de balans verwijderde leningen waarvoor de MFI optreedt als beheerder overeenkomstig sectie 3 van deel 5 van bijlage I. NCB’s kunnen die rapportagevereisten ook van toepassing doen zijn op de door MFI’s beheerde van de balans verwijderde leningen die gesecuritiseerd zijn of anderszins overgedragen werden;

c)

het bedrag dat aan het einde van het kwartaal uitstaat met betrekking tot alle leningen waarvoor de MFI optreedt als beheerder in een securitisatie, zulks overeenkomstig sectie 4 van deel 5 van bijlage I;

d)

wanneer de International Accounting Standard 39 (IAS 39), the International Financial Reporting Standard 9 (IFRS 9) of gelijksoortige nationale administratieve regels worden toegepast, het bedrag dat aan het einde van de periode uitstaat met betrekking tot leningen die zijn afgestoten door middel van een securitisatie die niet van de balans is verwijderd, zulks overeenkomstig sectie 3 van deel 5 van bijlage I.

Artikel 7

Tijdigheid

1.   De NCB’s besluiten zelf wanneer, en met welke periodiciteit, zij de gegevens van de informatieplichtigen moeten ontvangen om aan de beneden aangegeven inleveringtermijnen te kunnen voldoen, daarbij waar nodig rekening houdend met de uiterste rapportagedata in het kader van de minimumreserveverplichtingen van de ECB, en informeren de informatieplichtigen dienovereenkomstig.

2.   Maandstatistieken worden door de NCB’s uiterlijk bij de ECB ingediend na het sluiten van de handel op de vijftiende werkdag volgend op het einde van de maand waarop de desbetreffende cijfers betrekking hebben.

3.   Kwartaalstatistieken worden door de NCB’s uiterlijk bij de ECB ingediend na het sluiten van de handel op de achtentwintigste werkdag volgend op het einde van het kwartaal waarop de desbetreffende cijfers betrekking hebben.

Artikel 8

Administratieve regels ten behoeve van statistische rapportage

1.   Tenzij anders bepaald in deze verordening, zijn de boekhoudkundige regels die MFI’s voor rapportagedoeleinden uit hoofde van deze verordening volgen, neergelegd in de nationale omzetting van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (13), alsook in enige andere van toepassing zijnde internationale normen.

2.   Depositoverplichtingen en leningen worden tegen de per maandultimo uitstaande hoofdsom gerapporteerd. Afschrijvingen en afwaarderingen zoals bepaald door de betreffende administratieve verantwoordings- en verslagleggingsmethoden worden van dit bedrag afgetrokken. Depositoverplichtingen en leningen worden niet gesaldeerd tegen enige activa of passiva.

3.   Onverminderd de heersende administratieve praktijken en salderingsregelingen in lidstaten van het eurogebied worden alle financiële activa en passiva voor statistische doeleinden op brutobasis gerapporteerd.

4.   NCB’s kunnen rapportage van leningen waarvoor voorzieningen zijn getroffen, zonder deze voorzieningen toestaan, alsook de rapportage van overgenomen leningen tegen de ten tijde van de acquisitie overeengekomen prijs, op voorwaarde dat alle ingezeten informatieplichtigen deze rapportagepraktijken toepassen.

Artikel 9

Vrijstellingen

1.   Aan kleine MFI’s kunnen als volgt vrijstellingen worden verleend:

a)

NCB’s kunnen kleine MFI’s een vrijstelling verlenen, mits hun gecombineerde bijdrage aan de nationale MFI-balans in termen van standen niet meer bedraagt dan 5 %;

b)

wat kredietinstellingen betreft, leiden de in punt a) bedoelde vrijstellingen tot een vermindering van de statistische rapportageverplichtingen van kredietinstellingen waarop dergelijke vrijstellingen van toepassing zijn zonder afbreuk te doen aan de vereisten voor het berekenen van reserveverplichtingen zoals uiteengezet in bijlage III;

c)

met betrekking tot kleine MFI’s en waarop een vrijstelling zoals bedoeld in punt a) van toepassing is, verzamelen NCB’s minimaal op jaarbasis gegevens met betrekking tot de totale balans, opdat de gecombineerde bijdrage aan de nationale MFI-balans van van de rapporterende instellingen, die bij de zogenoemde „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, gecontroleerd kan worden;

d)

zonder afbreuk te doen aan punt a), kunnen NCB’s vrijstellingen verlenen aan kredietinstellingen die niet vallen onder het in de punten a) en b) vastgelegde regime, waardoor hun rapportageverplichtingen worden gereduceerd tot die welke zijn vastgelegd in deel 6 van bijlage I, mits hun gecombineerde bijdrage aan de nationale MFI-balans in termen van standen niet meer bedraagt dan 10 % van de nationale MFI-balans en evenmin meer dan 1 % van de MFI-balans van het eurogebied;

e)

NCB’s controleren tijdig of is voldaan aan de in de punten a) en d) vastgelegde voorwaarden teneinde, indien vereist, vanaf het begin van elk jaar een vrijstelling te verlenen of in te trekken;

f)

kleine MFI’s kunnen ervoor kiezen geen gebruik te maken van de vrijstellingen en in plaats daarvan de volledige rapportageverplichtingen na te komen.

2.   NCB’s kunnen GMF’s als volgt vrijstellingen verlenen:

a)

NCB’s kunnen geldmarktfondsen vrijstellen van de in artikel 5, lid 1, uiteengezette statistische rapportageverplichtingen, mits geldmarktfondsen in plaats daarvan balansgegevens rapporteren overeenkomstig artikel 5 van Verordening (EU) 1073nr. /2013 (ECB/2013/38), met inachtneming van de volgende vereisten:

i)

geldmarktfondsen rapporteren dergelijke gegevens maandelijks overeenkomstig de in bijlage I bij Verordening (EU) nr. /2013 (ECB/2013/38) uiteengezette 1073„gecombineerde methode” en overeenkomstig de in artikel 9 daarvan uiteengezette uiterste rapportagedata;

ii)

geldmarktfondsen rapporteren per maandultimo standengegevens betreffende aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen overeenkomstig de in artikel 7, lid 2, uiteengezette uiterste rapportagedata.

b)

NCB’s kunnen geldmarktfondsen ook van de volgende statistische rapportagevereisten vrijstellen:

i)

totale posities verstrekken voor: 1) deposito’s van, en aan centrale banken en deposito-instellingen verstrekte leningen; 2) aan alle tegenpartijen-sectoren verstrekte leningen en deposito’s, met uitzondering van de sector niet-financiële vennootschappen, opgesplitst naar oorspronkelijke looptijd; en 3) intra-eurogebied grensoverschrijdende deposito’s en leningen opgesplitst naar land en sector;

ii)

verstrekking van de totale opgebouwde rente voor leningen en deposito’s;

iii)

aparte verstrekking van posities van activa en passiva voor verzekeringsinstellingen en de pensioenfondsen;

iv)

verstrekking van informatie inzake intragroepposities, leningen en deposito’s;

c)

NCB’s kunnen vrijstellingen verlenen voor statistische rapportagevereisten aangaande het ingezetenschap van de houders van aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen;

i)

indien het een eerste uitgifte van aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen betreft, of indien marktontwikkelingen nopen tot een wijziging van rapportagemogelijkheid of van een combinatie daarvan, zoals gedefinieerd in sectie 5.7 (b) van deel 2 van bijlage I, kunnen NCB’s voor de duur van één jaar vrijstelling verlenen van de in sectie 5.7 van deel 2 van bijlage I uiteengezette statistische rapportagevereisten; of

ii)

indien de vereiste statistische informatie inzake het ingezetenschap van de houders van aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen wordt verzameld van andere beschikbare bronnen overeenkomstig sectie 5.7 van deel 2 van bijlage I. De NCB’s controleren tijdig of aan deze voorwaarde wordt voldaan, teneinde met ingang van het begin van elk jaar in samenspraak met de ECB een vrijstelling te verlenen of, zo nodig, in te trekken.

3.   Vrijstellingen met betrekking tot herwaarderingsaanpassingen kunnen als volgt aan MFI’s worden verleend:

a)

zonder afbreuk te doen aan lid 1 kunnen NCB’s aan geldmarktfondsen vrijstellingen verlenen met betrekking tot de rapportage van herwaarderingsaanpassingen, waarmee de geldmarktfondsen ontheven worden van elke verplichting om herwaarderingsaanpassingen te rapporteren;

b)

NCB’s kunnen vrijstellingen verlenen met betrekking tot de frequentie en de uiterste data van de rapportage van prijsherwaarderingen van effecten en deze gegevens op kwartaalbasis verlangen en op dezelfde uiterste data als voor standengegevens die op kwartaalbasis worden gerapporteerd, mits voldaan wordt aan de volgende vereisten:

i)

met behulp van verschillende waarderingsmethoden verstrekken informatieplichtigen de NCB’s de relevante informatie over waarderingspraktijken, met inbegrip van een kwantitatieve aanduiding van het percentage van hun bezit aan deze instrumenten; en

ii)

in geval van een aanzienlijke prijsherwaardering, hebben NCB’s het recht informatieplichtigen te verzoeken aanvullende informatie te verstrekken over de maand waarin deze ontwikkeling zich voordeed;

c)

NCB’s kunnen aan kredietinstellingen die de maandelijkse standen van effecten effectgewijs rapporteren, vrijstellingen verlenen met betrekking tot de rapportage van prijsherwaarderingen van effecten, met inbegrip van het verlenen van volledige vrijstelling van een dergelijke rapportage, met inachtneming van de volgende vereisten:

i)

de gerapporteerde informatie omvat, voor elk effect, de boekwaarde ervan op de balans; en

ii)

voor effecten zonder publiekelijk toegankelijke identificatiecodes, omvat de gerapporteerde informatie gegevens over de instrumentcategorie, looptijd en emittent die ten minste voldoende zijn om de in deel 5 van bijlage I als „minimumvereisten” aangegeven uitsplitsingen af te leiden.

4.   Vrijstellingen aan MFI’s kunnen verleend worden met betrekking tot de statistische rapportage van leningen die worden afgestoten door middel van een securitisatie.

Aan MFI’s die de International Accounting Standard 39 (IAS 39), the International Financial Reporting Standard 9 (IFRS 9) of gelijksoortige nationale administratieve regels, kan door hun NCB toestemming worden verleend om eventuele door middel van een securitisatie afgestoten leningen niet op te nemen in de door deel 2 en 3 van bijlage I vereiste standen overeenkomstig hun nationale praktijk, mits deze praktijk door alle ingezeten MFI’s wordt gevolgd.

5.   NCB’s kunnen vrijstellingen verlenen aan MFI’s met betrekking tot de rapportage van bepaalde kwartaalstanden die betrekking hebben op niet-eurogebiedlidstaten.

Indien op een hoger aggregatieniveau verzamelde cijfers niet-significante posities tonen ten aanzien van in een niet-eurogebiedlidstaat ingezeten tegenpartijen of ten aanzien van de munteenheid van een niet-eurogebiedlidstaat, kan een NCB besluiten geen rapportage met betrekking tot die lidstaat te verlangen. De NCB stelt haar informatieplichtigen van een dergelijk besluit in kennis.

Artikel 10

Minimumnormen en nationale rapportageprocedures

1.   Informatieplichtigen voldoen aan de statistische rapportageverplichtingen waaraan zij onderworpen zijn in overeenstemming met de minimumnormen voor de transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, als vastgelegd in bijlage IV.

2.   De NCB’s definiëren en passen de door de werkelijke populatie van informatieplichtigen te volgen rapportageprocedures toe overeenkomstig nationale vereisten. De NCB’s verzekeren dat deze rapportageprocedures de vereiste statistische gegevens opleveren en een nauwkeurige controle mogelijk maken van de naleving van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals vastgelegd in bijlage IV.

Artikel 11

Fusies, splitsingen en reorganisaties

Inzake een fusie, een splitsing of een andere reorganisatie die van invloed kan zijn op de naleving van statistische verplichtingen, stelt de betreffende werkelijke informatieplichtige, zodra het voornemen tot het uitvoeren van een dergelijke operatie openbaar geworden is en tijdig voor de effectuering ervan, de betreffende NCB in kennis van de voorgenomen procedures ter nakoming van de in deze verordening neergelegde statistische rapportageverplichtingen.

Artikel 12

Gebruik van de gerapporteerde statistische informatie ten behoeve van reserveverplichtingen

1.   De conform deze verordening door kredietinstellingen gerapporteerde statistische informatie wordt door iedere kredietinstelling gebruikt voor het berekenen van haar reservebasis overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9). Meer in het bijzonder wordt deze informatie door de afzonderlijke kredietinstellingen gebruikt om te verifiëren of voor de desbetreffende reserveperiode aan de reserveverplichting is voldaan.

2.   De gegevens over de reservebasis betreffende drie reserveperiodes voor de instellingen die bij de zogenaamde „cutting-off-the-tail”-procedure zijn betrokken, worden gebaseerd op gegevens over de stand van zaken aan het einde van elk kwartaal zoals die door de NCB’s zijn verzameld binnen achtentwintig werkdagen na het einde van het kwartaal waarop ze betrekking hebben.

3.   De speciale regels die gelden voor de toepassing van de reserveverplichtingen van de ECB en zijn neergelegd in bijlage III, hebben in geval van strijdigheid voorrang op de bepalingen van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9).

4.   Om het liquiditeitenbeheer van de ECB en de kredietinstellingen te vergemakkelijken, worden reserveverplichtingen uiterlijk op de eerste dag van de reserveperiode bevestigd; echter, bij uitzondering kan het nodig worden dat kredietinstellingen herzieningen van de reservebasis of van bevestigde reserveverplichtingen rapporteren. De procedures voor bevestiging of aanvaarding van reserveverplichtingen laten de verplichting van informatieplichtigen onverlet om altijd correcte statistische informatie te rapporteren en eventueel reeds gerapporteerde onjuiste statistische informatie zo snel mogelijk te herzien.

Artikel 13

Verificatie en gedwongen verzameling

De NCB’s oefenen het recht tot verificatie of verzameling van de gegevens die informatieplichtigen krachtens deze verordening moeten verstrekken uit, onverminderd het recht van de ECB om deze rechten zelf uit te oefenen. De NCB’s oefenen dit recht met name uit wanneer een instelling die onderdeel uitmaakt van de werkelijke populatie van informatieplichtigen, niet voldoet aan de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, zoals gespecificeerd in bijlage IV.

Artikel 14

Eerste rapportage

1.   De eerste rapportage uit hoofde van deze verordening gaat van start met gegevens voor december 2014.

2.   De eerste rapportage uit hoofde van deze verordening inzake cellen in tabel 3 van deel 3 van bijlage I met betrekking tot de lidstaten van het eurogebied, gaat van start met de eerste kwartaalgegevens na de datum waarop zij de euro hebben aangenomen.

3.   De eerste rapportage uit hoofde van deze verordening inzake de cellen in de tabellen 3 en 4 van deel 3 van bijlage I met betrekking tot de niet-lidstaten van het eurogebied, begint met de eerste kwartaalgegevens na de datum van hun toetreding tot de Unie. Indien de betrokken NCB besluit de eerste rapportage van niet-significante gegevens niet te verlangen, te beginnen met de eerste kwartaalgegevens na de datum van toetreding tot de Unie van de betrokken lidstaat of lidstaten, begint de rapportage twaalf maanden nadat de NCB de informatieplichtigen ervan in kennis heeft gesteld dat gegevens vereist worden.

Artikel 15

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) wordt met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden geïnterpreteerd als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage VI.

Artikel 16

Slotbepaling

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Het richtsnoer is met ingang van 1 januari 2015 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 24 september 2013.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)   PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)   PB L 318 van 27.11.1998, blz. 1.

(3)   PB L 15 van 20.1.2009, blz. 14.

(4)   PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1.

(5)   PB L 305 van 1.11.2012, blz. 6.

(6)  Zie bladzijde 73 van dit Publicatieblad.

(7)   PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10.

(8)  Zie bladzijde 107 van dit Publicatieblad.

(9)   PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(10)   PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7.

(11)   PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32.

(12)   PB L 226 van 28.8.2010, blz. 48.

(13)   PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1.


BIJLAGE I

MONETAIRE FINANCIËLE INSTELLINGEN EN STATISTISCHE RAPPORTAGEVEREISTEN

Inleiding

Het statistische stelsel voor de lidstaten waarvan de munteenheid de euro is (hierna: „lidstaten van het eurogebied”) betreffende de balans van de sector monetaire financiële instellingen (MFI’s) omvat de volgende twee hoofdelementen:

a)

een lijst van MFI’s voor statistische doeleinden (zie deel 1 voor de identificatie van bepaalde MFI’s); en

b)

een specificatie van de statistische gegevens die door deze MFI’s maandelijks, driemaandelijks en jaarlijks worden gerapporteerd (zie deel 2, 3, 4, 5, 6 en 7).

Teneinde volledige informatie te verkrijgen betreffende de balans van MFI’s, is het ook nodig bepaalde statistische rapportageverplichtingen op te leggen aan beleggingsfondsen m.u.v. GMF’s en aan overige financiële intermediairs met uitzondering van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (hierna: de „OFI’s”), wat betreft hun financiële activiteiten met aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen. Deze statistische gegevens worden van de MFI’s, FI’s en van OFI’s verzameld door de nationale centrale banken (NCB’s), overeenkomstig deel 2 en conform nationale regelingen op basis van geharmoniseerde definities en classificaties zoals beschreven in artikel 1 en bijlage II.

De geldvoorraad omvat de in omloop zijnde bankbiljetten en munten en andere monetaire verplichtingen (deposito’s en daarmee vergelijkbare financiële titels) van MFI’s. De tegenposten van de geldhoeveelheid omvatten alle andere balansposten van de MFI’s. De ECB stelt eveneens financiële transacties samen afgeleid van de standen en andere gegevens, waaronder door de MFI’s gerapporteerde gegevens betreffende herwaarderingsaanpassingen (zie deel 5).

De door de ECB vereiste statistische gegevens worden samengevat in deel 8.

DEEL 1

Identificatie van bepaalde MFI’s

SECTIE 1

Identificatie van bepaalde MFI’s gebaseerd op beginselen van vervangbaarheid van deposito’s

1.1.

Financiële instellingen met uitzondering van kredietinstellingen die financiële instrumenten uitgeven die worden beschouwd als met deposito’s vergelijkbare financiële titels, worden ingedeeld als MFI’s mits ze in overige opzichten voldoen aan de definitie van een MFI. De indeling is gebaseerd op de criteria van vervangbaarheid van deposito’s, d.w.z. of passiva worden ingedeeld als deposito’s hetgeen wordt bepaald aan de hand van hun liquiditeit, waarbij aspecten van overdraagbaarheid, convertibiliteit, zekerheid en verhandelbaarheid worden betrokken en waarbij, waar passend, ook de oorspronkelijke looptijd wordt meegenomen.

Deze criteria voor de vervangbaarheid van deposito’s worden ook toegepast om te bepalen of passiva dienen te worden ingedeeld als deposito’s, tenzij er een aparte categorie voor dergelijke passiva is.

1.2.

Zowel ten aanzien van de definiëring van de mate waarin financiële instrumenten substituten kunnen vormen voor deposito’s, als ten aanzien van het indelen van passiva als deposito’s, geldt het volgende:

a)

overdraagbaarheid heeft betrekking op de mate waarin de in de vorm van financiële instrumenten aangehouden gelden gemobiliseerd kunnen worden door middel van betalingsfaciliteiten, zoals cheques, overschrijvingen, incasso’s of vergelijkbare middelen;

b)

convertibiliteit heeft betrekking op de mate waarin financiële instrumenten kunnen worden omgezet in baar geld of girale deposito’s, alsmede op de daaraan verbonden kosten; het verlies van fiscale voordelen bij een dergelijke omzetting kan worden beschouwd als een boete die de mate van liquiditeit vermindert;

c)

zekerheid heeft betrekking op de mate waarin de kapitaalwaarde van een financieel instrument in de nationale munteenheid van tevoren precies bekend is;

d)

op een gereguleerde markt genoteerde en regelmatig verhandelde effecten worden als verhandelbaar beschouwd. Voor participaties in open-end collectieve beleggingsinstellingen bestaat geen markt in de gebruikelijke betekenis van het woord. Desalniettemin kennen beleggers de dagelijkse notering van deze instrumenten en kunnen zij tegen deze koers gelden opnemen.

SECTIE 2

Specificaties voor de identificatiecriteria voor GMF’s

In artikel 2 wordt bedoeld met:

a)

wordt het geldmarktinstrument geacht een hoge kredietkwaliteit te hebben, indien elk erkend ratingbureau dat het instrument heeft beoordeeld, er één van de twee hoogste beschikbare kortetermijnkredietbeoordelingen aan heeft toegekend of, indien het instrument niet is beoordeeld, het een gelijkwaardige kwaliteit heeft zoals bepaald door het interne ratingproces van de beheermaatschappij. Indien een erkend ratingbureau zijn hoogste kortetermijnbeoordeling in twee categorieën verdeelt, worden deze twee ratings als één enkele categorie beschouwd en daarmee als de hoogste beschikbare rating;

b)

als uitzondering op het vereiste in punt a) mag het geldmarktfonds overheidsemissies aanhouden met ten minste de rating „investeringswaardig”, waarbij „overheidsemissie” betekent geldmarktinstrumenten die zijn uitgegeven of gegarandeerd door een centrale, regionale of lokale overheid of centrale bank van een lidstaat, de ECB, de Unie of de Europese Investeringsbank;

c)

bij het berekenen van de WAL voor effecten, met inbegrip van gestructureerde financiële instrumenten, wordt de berekening van de looptijd gebaseerd op de resterende looptijd tot de wettelijke aflossing van de instrumenten. Wanneer in een financieel instrument een putoptie is besloten, mag in plaats van de wettelijke resterende looptijd de uitoefeningsdatum van de putoptie worden gebruikt, echter alleen indien te allen tijde aan de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de beheermaatschappij kan de putoptie vrijelijk uitoefenen op de uitoefeningsdatum ervan;

ii)

de uitoefenprijs van de putoptie blijft dicht bij de verwachte waarde van het instrument op de eerstvolgende uitoefeningsdatum;

iii)

de beleggingsstrategie van het GMF houdt in dat de waarschijnlijkheid hoog is dat de optie op de eerstvolgende uitoefeningsdatum uitgeoefend zal worden;

d)

bij het berekenen van zowel de WAL als de WAM wordt rekening gehouden met het effect van financiële derivaten, deposito’s en efficiënte technieken voor portefeuillebeheer;

e)

„gewogen gemiddelde looptijd” (WAM): een maat voor de gemiddelde tijd tot de vervaldag van alle onderliggende effecten in het fonds, zodanig gewogen dat de relatieve deelneming in elk instrument wordt weerspiegeld, onder de aanname dat de looptijd van een instrument met variabele rente de resterende tijd is tot de eerstvolgende renteherziening aan de geldmarktrente, in plaats van de tijd die resteert tot de hoofdsom van het effect moet worden terugbetaald. In de praktijk wordt de WAM gebruikt om de gevoeligheid van een GMF voor veranderende geldmarktrentes te meten;

f)

„gewogen gemiddelde resterende looptijd” (WAL): het gewogen gemiddelde van de resterende looptijd van elk in het fonds aangehouden effect, d.w.z. de tijd totdat de hoofdsom volledig wordt terugbetaald, zonder rente in aanmerking te nemen en zonder discontering. In tegenstelling tot de berekening van de WAM, staat de berekening van de WAL voor effecten met variable rente en gestructureerde financiële instrumenten het niet toe renteherzieningsdatums te gebruiken en wordt in plaats daarvan alleen de gestelde eindvervaldatum van een effect gebruikt. WAL wordt gebruikt om het kredietrisico te meten, aangezien het kredietrisico hoger is naarmate de terugbetaling van de hoofdsom langer wordt uitgesteld. WAL wordt ook gebruikt om het liquiditeitsrisico te beperken;

g)

„geldmarktinstrumenten”: instrumenten die normaal worden verhandeld op de geldmarkt, die liquide zijn en een waarde hebben die op elk moment nauwkeurig kan worden bepaald;

h)

„beheermaatschappij”: een maatschappij waarvan de normale werkzaamheden bestaan in het beheren van de portefeuille van een GMF.

DEEL 2

Balans (maandelijkse standen)

Voor de samenstelling van monetaire aggregaten en tegenposten van het eurogebied, vereist de ECB de volgende gegevens in tabel 1:

1.   Instrumentcategorieën

a)   Passiva

De relevante instrumentcategorieën zijn: chartale geldomloop, depositoverplichtingen, aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen, uitgegeven schuldbewijzen, kapitaal en reserves en overige passiva. Om monetaire en niet-monetaire passiva van elkaar te scheiden, worden depositoverplichtingen ook uitgesplitst naar onmiddellijk opvraagbare deposito’s, deposito’s met vaste looptijd, deposito’s met opzegtermijn en retrocessieovereenkomsten (repo’s). Zie de definities in bijlage II.

b)   Activa

De relevante instrumentcategorieën zijn: kasmiddelen, leningen, aangehouden schuldbewijzen, aandelen, aandelen in beleggingsfondsen, vaste activa en overige activa. Zie de definities in bijlage II.

2.   Uitsplitsing naar looptijd

Oorspronkelijke looptijdbegrenzingen treden in de plaats van een uitsplitsing naar instrument in die gevallen waarin financiële instrumenten in de verschillende markten niet geheel vergelijkbaar zijn.

a)   Passiva

De grenzen voor de looptijd, of opzegtermijn, zijn als volgt vastgesteld: voor deposito’s met vaste looptijd op een oorspronkelijke looptijd van één jaar en van twee jaar; en voor deposito’s met opzegtermijn, op een opzegtermijn van drie maanden en twee jaar. Repo’s worden niet naar looptijd uitgesplitst, aangezien het hier doorgaans om instrumenten met een zeer korte looptijd gaat, meestal minder dan drie maanden. Voor door MFI’s uitgegeven schuldbewijzen worden de looptijdgrenzen uitgesplitst naar één en twee jaar. Voor door geldmarktfondsen uitgegeven aandelen/rechten van deelneming is geen uitsplitsing naar looptijd vereist.

b)   Activa

De grenzen voor de looptijd liggen: op looptijdklassen van één en vijf jaar voor MFI-leningen aan ingezetenen van het eurogebied (met uitzondering van MFI’s) uitgesplitst naar subsector en verder voor MFI-leningen aan huishoudens uitgesplitst naar doel; en op looptijdklassen van één en twee jaar voor door MFI’s aangehouden schuldbewijzen die zijn uitgegeven door overige MFI’s die in het eurogebied gevestigd zijn, om saldering van het onderling MFI-bezit van dit instrument mogelijk te maken bij het berekenen van de monetaire aggregaten.

3.   Uitsplitsing naar doel en afzonderlijke identificatie van leningen aan eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid.

Leningen aan huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens worden verder uitgesplitst naar doel van de lening (consumptief krediet, lening voor huisaankoop, overige kredietverlening). Binnen de categorie „overige kredietverlening”, worden leningen verleend aan eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid afzonderlijk aangegeven (zie definities van instrumentcategorieën in deel 2 van bijlage II en definities van sectoren in deel 3 van bijlage II). NCB’s kunnen afzien van het vereiste van afzonderlijke identificatie van leningen aan eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid indien dergelijke leningen minder dan 5 % uitmaken van de totale kredietverlening aan huishoudens in de eurogebiedlidstaat.

4.   Uitsplitsing naar valuta

Voor balansposten die gebruikt kunnen worden in de samenstelling van monetaire aggregaten, moeten in euro luidende tegoeden apart worden opgenomen zodat de ECB de keuze heeft monetaire aggregaten te definiëren in termen van tegoeden luidende in alle valuta’s of alleen in euro.

5.   Uitsplitsing naar sector en ingezetenschap van tegenpartijen

5.1.

Voor het berekenen van monetaire aggregaten en tegenposten van het eurogebied moet worden vastgesteld welke tegenpartijen die deel uitmaken van de geldaanhoudende sector, in het eurogebied zijn gevestigd. Hiertoe worden, overeenkomstig het herziene Europees Systeem van Rekeningen (hierna: het „ESR 2010”) zoals vastgelegd door Verordening (EU) nr. 549/2013 (zie deel 3 van bijlage II), de tegenpartijen die geen MFI zijn, onderverdeeld in overheid (S.13), waarbij de centrale overheid (S.1311) bij totale depositoverplichtingen apart wordt onderscheiden, en de sectoren van overige ingezetenen. Om de monetaire aggregaten en krediettegenposten maandelijks naar sector te kunnen uitsplitsen, worden de sectoren van overige ingezetenen verder uitgesplitst in de volgende subsectoren: Beleggingsfondsen m.u.v. GMF’s (S.124), overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen + financiële hulpbedrijven + financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.125 + S.126 + S.127), verzekeringsinstellingen (S.128), pensioenfondsen (S.129), niet-financiële vennootschappen (S.11) en huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (S.14 + S.15). Een extra onderscheid wordt gemaakt voor tegenpartijen die LFI’s zijn en als centrale tegenpartij optredende clearinginstellingen, zulks binnen de gefuseerde tegenpartijensectoren (S.125 + S.126 + S.127). Voor eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid zie sectie 3. Ten aanzien van totale deposito’s en de depositocategorieën „deposito’s met een vaste looptijd van langer dan twee jaar”, „deposito’s met een opzegtermijn van langer dan twee jaar” en „repo’s” wordt, met het oog op de minimumreserveverplichtingen van de ECB, een extra onderscheid gemaakt tussen kredietinstellingen, andere MFI-tegenpartijen en centrale overheid.

5.2.

Met betrekking tot totale depositoverplichtingen en de activacategorie totale leningen wordt een extra onderscheid gemaakt voor central banken (S.121) en deposito-instellingen met uitzondering van de centrale bank (S.122) en voor de buitenlandse banken en niet-banken voor een beter inzicht in het kredietverstrekkings- en financieringsbeleid in de bancaire sector en een betere monitoring van interbancaire activiteiten.

5.3.

Aangaande intra-groep posities wordt een extra onderscheid gemaakt voor lening- en depositoposities en transacties tussen deposito-instellingen met uitzondering van de centrale bank (S.122) om kruisverbanden tussen tot dezelfde groep behorende kredietinstellingen (binnenlandse en overige eurogebiedlidstaten) aan te tonen.

5.4.

Met betrekking aangehouden schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd van tot en met één jaar, met een uitsplitsing naar valuta, wordt een extra onderscheid gemaakt voor de overheid (S.13) voor een beter overzicht over de kruisverbanden tussen overheden en banken.

5.5.

Bepaalde deposito’s/leningen voortvloeiend uit repo’s/repotransacties met wederverkoopverplichting of soortgelijke transacties met „overige financiële bemiddelaars (S.125) + financiële hulpbedrijven (S.126)” + financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127) kunnen betrekking hebben op transacties met een centrale tegenpartij. Een centrale tegenpartij is een entiteit die zichzelf juridisch tussen tegenpartijen plaatst bij contracten die op financiële markten worden verhandeld, en daarbij de koper wordt voor elke verkoper en de verkoper voor elke koper. Omdat dergelijke transacties vaak substituten zijn voor bilaterale zakelijke transacties tussen MFI’s, wordt binnen de depositocategorie „repo-overeenkomsten” een extra onderscheid gemaakt met betrekking tot zakelijke transacties die gedaan worden met deze tegenpartijen. Evenzo wordt binnen de activacategorie „leningen” een extra onderscheid gemaakt met betrekking tot repo-overeenkomsten met wederinkoop met deze tegenpartijen.

5.6.

Met betrekking tot alle statistische uitsplitsingen worden tegenpartijen die in de eigen lidstaat gevestigd zijn onderscheiden andere in de overige eurogebiedlidstaten gevestigde tegenpartijen. Tegenpartijen die in het eurogebied gevestigd, worden omschreven aan de hand van hun nationale sector of institutionele classificatie conform de de door de ECB voor statistische doeleinden aangehouden lijsten en „Monetary, financial institutions and markets statistics sector manual: Guidance for the statistical classification of customers” van de ECB, dat classificatieprincipes volgt die, voor zover mogelijk, overeenkomen met het ESR 2010. Voor de buiten het eurogebied gevestigde tegenpartijen is geen geografische uitsplitsing vereist.

5.7.

In het geval van aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen uitgegeven door MFI’s van de eurogebiedlidstaten, rapporteren informatieplichtigen ten minste gegevens betreffende het ingezetenschap van de houders uitgesplitst naar „binnenland/eurogebied, met uitzondering van binnenland/buitenland” opdat bezittingen van niet-ingezetenen van het eurogebied buiten beschouwing kunnen worden gelaten. NCB’s kunnen de vereiste statistische gegevens ook afleiden uit de op basis van Verordening (EU) nr. 1011/2012 (ECB/2012/24) verzamelde gegevens, voor zover de gegevens voldoen aan de tijdigheidseis van artikel 7 van deze verordening en aan de in bijlage IV vastgelegde minimumnormen.

a)

Wat betreft aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen, waarvoor overeenkomstig nationale wetgeving een bestand wordt gevoerd dat de houders ervan identificeert, waaronder informatie inzake het ingezetenschap van de houders, rapporteren de emitterende geldmarktfondsen, of de bevoegde vertegenwoordigers ervan, op de maandelijkse balans gegevens betreffende de uitsplitsing naar ingezetenschap van de houders van door hen uitgegeven aandelen/rechten van deelneming.

b)

Wat betreft aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen waarvoor overeenkomstig nationale wetgeving geen bestand wordt gevoerd dat de houders ervan identificeert, dan wel waarvoor een bestand wordt gevoerd zonder informatie inzake het ingezetenschap van de houders, rapporteren informatieplichtigen gegevens betreffende de uitsplitsing naar ingezetenschap overeenkomstig de door de betreffende NCB in samenspraak met de ECB besloten aanpak. Dit vereiste beperkt zich tot één van de volgende keuzemogelijkheden, of een combinatie daarvan, afhankelijk van de organisatie van de betrokken markten en de nationale wettelijke regelingen in de betrokken lidstaat. Dit vereiste zal periodiek door de NCB worden gecontroleerd.

i)

Emitterende geldmarktfondsen:

Emitterende geldmarktfondsen of de bevoegde vertegenwoordigers ervan rapporteren gegevens inzake de uitsplitsing naar ingezetenschap van de houders van door hen uitgegeven aandelen/rechten van deelneming. Die informatie kan afkomstig zijn van de gevolmachtigde die de aandelen/participaties distribueert, of van een andere entiteit die bij de emissie, wederinkoop of overdracht van de aandelen/rechten van deelneming betrokken is.

ii)

MFI’s en OFI’s als bewaarnemers van aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen:

Als informatieplichtigen rapporteren MFI’s en OFI’s die optreden als bewaarnemers van aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen gegevens inzake de uitsplitsing naar ingezetenschap van de houders van door ingezeten geldmarktfondsen uitgegeven aandelen/rechten van deelneming die in bewaarneming zijn gegeven namens de houder of een andere intermediair die eveneens optreedt als bewaarnemer. Deze optie is van toepassing indien: i) de bewaarnemer een onderscheid maakt tussen de aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen die namens houders in bewaring worden gehouden en die deze namens andere bewaarnemers in bewaring worden gehouden; en ii) de meeste aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen in bewaring zijn gegeven bij binnenlandse ingezeten instellingen die zijn ingedeeld als financiële intermediairs (MFI’s of OFI’s).

iii)

MFI’s en OFI’s als informatieverstrekkers betreffende transacties van ingezetenen met niet-ingezetenen inzake aandelen/rechten van deelneming van een ingezeten geldmarktfonds:

Als informatieplichtigen rapporteren MFI’s en OFI’s die optreden als informatieverstrekkers betreffende transacties van ingezetenen met niet-ingezetenen inzake aandelen/rechten van deelneming van een ingezeten geldmarktfonds gegevens inzake de uitsplitsing naar ingezetenschap van de houders van door ingezeten geldmarktfondsen uitgegeven aandelen/rechten van deelneming die zij verhandelen namens de houder of een andere intermediair die eveneens bij de transactie betrokken is. Deze optie is van toepassing indien: i) de dekking van de rapportage volledig is, d.w.z. zij bestrijkt nagenoeg alle transacties die de informatieplichtigen hebben uitgevoerd; ii) betreffende aan- en verkooptransacties met niet-ingezetenen van het eurogebied nauwkeurige gegevens worden verstrekt; iii) de marge tussen de uitgifteprijs en de terugbetalingsprijs, exclusief kosten, van dezelfde aandelen/rechten van deelneming minimaal is, en iv) het bedrag aan door ingezeten geldmarktfondsen uitgegeven aandelen/participaties die worden gehouden door niet-ingezetenen van het eurogebied, laag is.

iv)

Indien opties i) tot en met ii) niet van toepassing zijn, rapporteren de informatieplichtigen, met inbegrip van MFI’s en OFI’s, de relevante gegevens op basis van de beschikbare informatie.

Image 1
Image 2

DEEL 3

Balans (kwartaalstanden)

Voor de nadere analyse van monetaire ontwikkelingen en voor andere statistische doeleinden, vereist de ECB het volgende ten aanzien van sleutelposten:

1.

Uitsplitsing naar subsector, looptijd en onderpand voor onroerend goed van kredieten aan niet-MFI’s van het eurogebied (zie tabel 2).

Dit is vereist om de volledige subsector- en looptijdenstructuur van de algehele kredietverlening van MFI’s (leningen en effecten) ten opzichte van de geldaanhoudende sector te kunnen volgen. Voor niet-financiële vennootschappen en huishoudens zijn verdere „waarvan”-posities vereist die de leningen aangeven die gegarandeerd worden door een onroerend onderpand.

Voor in euro luidende leningen met een oorspronkelijke looptijd langer dan één jaar en langer dan twee jaar ten opzichte van niet-financiële vennootschappen en huishoudens zijn verdere „waarvan”-posities vereist voor bepaalde overige looptijden en renteherzieningsperioden (zie tabel 2). Onder een renteherziening wordt verstaan een wijziging in de rentevoet van een lening die is voorzien in de actuele leenovereenkomst. Tot leningen die onderhevig zijn aan renteherziening, behoren onder andere leningen met rentevoeten die periodiek worden herzien in overeenstemming met de ontwikkeling van een index, bijv. Euribor, leningen met rentevoeten die voortdurend worden herzien bijv. variabele rente, en leningen met rentevoeten die kunnen worden herzien wanneer de MFI dit aangewezen acht.

2.

Uitsplitsing naar subsector van MFI-depositoverplichtingen aan overheden (met uitzondering van centrale overheden) van de eurogebiedlidstaten (zie tabel 2).

Dit is vereist als aanvullende informatie bij de maandelijkse rapportage.

3.

Sectorale uitsplitsing van balansposities met betrekking tot tegenpartijen van buiten het eurogebied (zie tabel 2).

De sectorindeling overeenkomstig het Systeem van Nationale Rekeningen (hierna: „SNR 2008”) is van toepassing indien het ESR 2010 niet van kracht is.

4.

Identificatie van posities op de balans voor derivaten en opgebouwde rente op leningen en deposito’s binnen de overige activa en overige passiva (zie tabel 2).

Deze uitsplitsing is vereist voor consistentere statistieken.

5.

Uitsplitsing naar land, waaronder posities ten aanzien van de Europese Investeringsbank en het Europese Stabilitsatiemechanisme (zie tabel 3).

Deze uitsplitsing is vereist voor een nadere analyse van monetaire ontwikkelingen en tevens voor overgangsvereisten en voor gegevenskwaliteitscontrole.

6.

Sectorale uitsplitsing voor intra-eurogebied grensoverschrijdende deposito’s vanuit en leningen aan niet-MFI’s (zie tabel 3).

Deze uitsplitsing is vereist om de posities van de MFI-sectoren in de afzonderlijke lidstaten ten aanzien van de overige eurogebiedlidstaten vast te stellen.

7.

Uitsplitsing naar valuta (zie tabel 4).

Deze uitsplitsing is vereist voor de berekening van voor wisselkoerswijzigingen gecorrigeerde transacties voor monetaire aggregaten en tegenposten, in die gevallen waarin deze aggregaten alle valuta’s omvatten.

Image 3
Image 4
Image 5

DEEL 4

Rapportage van herwaarderingsaanpassingen voor de samenstelling van transacties

Om transacties met betrekking tot monetaire aggregaten en tegenposten van het eurogebied, vereist de ECB herwaarderingsaanpassingen met betrekking tot de afboekingen/afwaarderingen van leningen en prijsherwaarderingen van effecten:

1.   Afboekingen/afwaarderingen van leningen

De aanpassing met betrekking tot de afboekingen/afwaarderingen van leningen wordt gerapporteerd om de ECB in staat te stellen financiële transacties samen te stellen uit de in twee opeenvolgende verslagperiodes gerapporteerde standen. De aanpassing geeft eventuele wijzigingen weer in de stand van overeenkomstig deel 2 en 3 gerapporteerde leningen die veroorzaakt worden door de toepassing van afboekingen, met inbegrip van het afboeken van het volledige uitstaande bedrag van een lening (afschrijving). De aanpassing dient ook de wijzigingen in voorzieningen voor leningen weer te geven, indien een NCB besluit dat balansstanden exclusief voorzieningen dienen te worden vermeld. Afboekingen/afwaarderingen die worden geconstateerd bij verkoop of overdracht van de lening aan een derde, worden ook opgenomen, indien identificeerbaar.

De minimumvereisten voor afboeking/afwaardering van leningen zijn uiteengezet in tabel 1A.

2.   Herwaardering van de prijs van effecten

De aanpassing met betrekking tot de prijsherwaardering van effecten heeft betrekking op fluctuaties in de waardering van effecten die het gevolg zijn van een wijziging in de prijs waarvoor effecten worden geboekt of verhandeld. De aanpassing omvat de in de tijd optredende wijzigingen in de waarde van balansstanden op het einde van een periode veroorzaakt door een gewijzigde referentiewaarde waartegen effecten worden geboekt, d.w.z. potentiële winsten/verliezen. Veranderingen in waardering die het gevolg zijn van transacties in effecten, d.w.z. gerealiseerde winsten/verliezen, kunnen er ook in worden opgenomen.

De minimumvereisten voor prijsherwaardering van effecten zijn uiteengezet in tabel 1A.

Voor de passiefzijde van de balans wordt geen minimumrapportageverplichting vastgesteld. Echter, indien door informatieplichtigen op uitgegeven schuldbewijzen toegepaste waarderingspraktijken resulteren in wijzigingen van de standen ervan per periode-ultimo, is het NCB’s toegestaan gegevens betreffende dergelijke wijzigingen te verzamelen. Dergelijke gegevens worden gerapporteerd als „overige herwaarderingsaanpassingen”.

Image 6
Image 7

DEEL 5

Statistische rapportageverplichtingen voor securitisaties en andere overdrachten van leningen

1.   Algemene vereisten

Gegevens worden gerapporteerd overeenkomstig artikel 8, lid 2, gekwalificeerd door artikel 8, lid 4, waar van toepassing. Alle gegevensposten worden uitgesplitst naar het ingezetenschap en de subsector van de leningnemer zoals aangegeven in de koppen van de kolommen in tabel 5. Leningen die worden afgestoten tijdens de „warehousing”-fase in een securitisatie worden behandeld alsof ze al gesecuritiseerd waren.

2.   Vereisten voor de rapportage van nettostromen van gesecuritiseerde of anderszins overgedragen leningen

2.1.

Voor de toepassing van artikel 6, onder a), berekenen MFI’s de posten in deel 1 en 2 van tabel 5 als nettostromen van gesecuritiseerde leningen of anderszins in de betreffende periode afgestoten leningen min de in de betreffende periode verworven leningen. Leningen die zijn overgedragen aan of verworven van een andere binnenlandse MFI, en leningen die worden overgedragen als resultaat van een splitsing van de informatieplichtige, of van een fusie of overname waarbij de informatieplichtige of een andere binnenlandse MFI is betrokken, worden niet meegenomen in deze berekening. Leningen die zijn overgedragen aan of verkregen van niet-binnenlandse MFI’s worden meegenomen in deze berekening.

2.2.

De in sectie 3.1 bedoelde posten worden als volgt toegerekend aan deel 1 en 2 van tabel 5:

a)

overdrachten en overnames die een effect hebben op de overeenkomstig deel 2 en 3 van bijlage I gerapporteerde standen van leningen, d.w.z. overdrachten die uitmonden in verwijdering uit de balans, en overnames die uitmonden in opname en wederopname op de balans, worden toegerekend aan deel 1; en

b)

overdrachten en overnames die een effect hebben op de overeenkomstig deel 2 en 3 van bijlage I gerapporteerde standen van leningen, d.w.z. overdrachten die niet uitmonden in verwijdering uit de balans, en overnames die niet uitmonden in opname en wederopname op de balans, worden toegerekend aan deel 2.

2.3.

De posten in deel 1 van tabel 5 worden, op maandbasis, verder uitgesplitst naar de tegenpartij bij de leningoverdracht, waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen lege financiële instellingen, waarvan ingezeten lege financiële instellingen in het eurogebied, en overige tegenpartijen. Verdere uitsplitsingen naar oorspronkelijke looptijd en doel van de lening zijn op kwartaalbasis vereist voor sommige posten zoals aangegeven in tabel 5 (b).

3.   Vereisten voor de rapportage van gesecuritiseerde en van de balans verwijderde leningen die beheerd worden

3.1.

MFI’s verstrekken als volgt gegevens overeenkomst deel 3 van tabel 5 inzake gesecuritiseerde en van de balans verwijderde leningen waarvoor de MFI als beheerder optreedt:

a)

uitstaande bedragen aan het einde van de periode; en

b)

financiële transacties met uitzondering van leningoverdrachten en -overnames in de loop van de betrokken periode, d.w.z. de mutatie in de uitstaande bedragen zijnde de hoofdsomaflossingen door de lener.

3.2.

Aangaande sectie 3.1 (b) kunnen NCB’s verlangen dat MFI’s in plaats daarvan nettostromen van leningoverdrachten en -overnames verstrekken waarvoor de MFI als beheerder optreedt, zodat de NCB de in sectie 3.1 (b) bedoelde financiële transacties kan afleiden.

3.3.

NCB’s kunnen informatieplichtigen een vrijstelling verlenen van de vereisten van sectie 3.1 (b), indien de netto ontvangen stromen van deel 1.1 van tabel 5 voldoen aan de doelstelling van sectie 3.2, d.w.z. indien nationale praktijk inhoudt dat MFI’s optreden als beheerder van gesecuritiseerde en van de balans verwijderde leningen. NCB’s verzekeren dat die nettostromen consistent zijn met de beoogde berekening van de financiële transacties, met uitzondering van leningoverdrachten en -overnames in sectie 3.1 (b). Voor noodzakelijke wijzigingen kunnen NCB’s van MFI’s aanvullende informatie verlangen.

3.4.

NCB’s kunnen de statistische rapportagevereisten van deze sectie uitbreiden tot alle van de balans verwijderde gesecuritiseerde of anderszins overgedragen leningen waarvoor MFI’s als beheerder optreden. Indien zulks het geval is, zal de NCB de MFI’s in kennis stellen van de statistische rapportagevereisten uit hoofde van deel 3 van tabel 5.

4.   Vereisten voor de rapportage van de uitstaande bedragen van in een securitisatie beheerde leningen

4.1.

MFI’s verstrekken kwartaalgegevens inzake alle in een securitisatie beheerde leningen zulks overeenkomstig deel 4 van tabel 5, ongeacht of de beheerde leningen of de respectieve rechten inzake beheer op de balans van de informatieplichtige worden opgenomen.

4.2.

Met betrekking tot leningen die beheerd worden voor lege financiële instellingen die ingezeten zijn in andere lidstaten van het eurogebied, verschaffen MFI’s verdere uitsplitsingen door de beheerde leningen door afzonderlijke aggregatie van de beheerde leningen voor elke lidstaat waarin een lege financiële instelling ingezeten is.

4.3.

NCB’s mogen de gegevens van artikel 6, onder b), of een deel ervan, LFI-gewijs verzamelen van ingezeten MFI’s die optreden als beheerders van gesecuritiseerde leningen. Als een NCB meent dat de gegevens van afdeling 4.4 en de uitsplitsingen van afdeling 4.2 LFI-gewijs verzameld kunnen worden, deelt het de LFI’s mee of, en indien van toepassing, in welke mate de rapportage van de bovenvermelde secties 4.1 en 4.2 vereist is.

5.   Statistische rapportageverplichtingen voor MFI’s die de IAS 39, de IFRS 9 of soortgelijke nationale administratieve regels toepassen

5.1.

MFI’s die de IAS 39, de IFRS 9 of soortgelijke regels toepassen, rapporteren overeenkomstig deel 5 van tabel 5 de per maandultimo uitstaande bedragen van leningen die zijn afgestoten door middel van een securitisatie en niet van de balans zijn verwijderd.

5.2.

MFI’s waarvoor de vrijstelling in artikel 9, lid 6, van toepassing is, rapporteren de aan het einde van het kwartaal uitstaande bedragen van de leningen die zijn afgestoten door middel van een securitisatie en van de balans zijn verwijderd, maar nog steeds worden opgenomen in de jaarrekening overeenkomstig deel 5 van tabel 5.
Image 8
Image 9

DEEL 6

Vereenvoudigde rapportage voor kleine kredietinstellingen

Kredietinstellingen waarop de in artikel 9, lid 1, onder d), bedoelde vrijstellingen van toepassing zijn, kunnen worden vrijgesteld van de volgende vereisten:

1.

De uitsplitsing naar valuta bedoeld in sectie 4 van deel 2.

2.

De afzonderlijke identificatie van:

a)

balansposities met centrale tegenpartijen zoals bedoeld in sectie 5.3 van deel 2,

b)

syndicaatsleningen zoals aangegeven in tabel 1 van deel 2,

c)

schuldbewijzen met een looptijd tot twee jaar en nominale kapitaalgarantie van minder dan 100 %, zoals aangegeven in tabel 1 van deel 2.

3.

De uitsplitsing naar sector bedoeld in sectie 3 van deel 3.

4.

De uitsplitsing naar land bedoeld in sectie 4 van deel 3.

5.

De uitsplitsing naar valuta bedoeld in sectie 5 van deel 3.

Daarnaast kunnen deze kredietinstellingen voldoen aan de in deel 2, 5 en 6 bedoelde statistische rapportageverplichtingen door gegevens alleen op kwartaalbasis te rapporteren en overeenkomstig de uiterste rapportagedata voor kwartaalstatistieken in artikel 7, lid 3.

DEEL 7

Samenvatting

Samenvatting van uitsplitsingen ten behoeve van de geaggregeerde balans van de MFI-sector Instrument- en looptijdcategorieën, tegenpartijen en valuta’s (1)

INSTRUMENT- EN LOOPTIJDCATEGORIEËN

BALANSPOSTEN

ACTIVA

PASSIVA

1.

Kasmiddelen

2.

Leningen

 

tot één jaar (2)

 

langer dan één jaar en tot vijf jaar (2)

 

langer dan vijf jaar (2)

waarvan: intra-groep posities

waarvan: syndicaatsleningen

waarvan: repotransacties met wederverkoopverplichting

waarvan: doorlopende leningen en rekening-courantkredieten (euro)

waarvan: faciliteitskrediet op kredietkaarten (euro)

waarvan: verruimd krediet op kredietkaarten (euro) waarvan:

waarvan: waarvan zekerheden in de vorm van onroerend goed (6)

Leningen met een oorspronkelijke looptijd langer dan één jaar (euro)

waarvan: leningen met een resterende looptijd korter dan één jaar

waarvan: leningen met een resterende looptijd langer dan één jaar en met een renteherziening in de komende twaalf maanden

Leningen met een oorspronkelijke looptijd langer dan twee jaar (euro)

waarvan: leningen met een resterende looptijd korter dan twee jaar

waarvan: leningen met een resterende looptijd langer dan twee jaar en met een renteherziening in de komende 24 maanden

3.

Aangehouden schuldbewijzen

 

tot één jaar (2)

 

langer dan één jaar en tot twee jaar (2)

 

langer dan twee jaar (2)

4.

Deelnemingen

5.

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

 

Aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen

 

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen

6.

Niet-financiële activa (waaronder vaste activa)

7.

Overige activa

 

waarvan: financiële derivaten

 

waarvan: opgebouwde rente op leningen

8.

Chartaal geld in omloop

9.

Deposito's

 

tot één jaar (3)

 

langer dan één jaar (3)

waarvan: intra-groep posities

waarvan: girale deposito’s

waarvan: tot twee jaar

waarvan: syndicaatsleningen

9.1.

Onmiddellijk opvraagbare deposito’s

waarvan: girale deposito’s

9.2.

Deposito’s met een vaste looptijd

 

tot één jaar

 

langer dan één jaar en tot 2 jaar

 

langer dan 2 jaar

9.3.

Deposito’s met een opzegtermijn

 

tot drie maanden

 

langer dan drie maanden

 

waarvan: langer dan twee jaar (4)

9.4.

Repo’s

10.

Aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen

11.

Uitgegeven schuldbewijzen

 

tot één jaar

 

langer dan één jaar en tot 2 jaar

waarvan: waarvan tot twee jaar en nominale kapitaalgarantie van minder dan 100 %

 

langer dan twee jaar

12.

Kapitaal en reserves

13.

Overige passiva

 

waarvan: financiële derivaten

 

waarvan: opgebouwde rente op leningen


TEGENPARTIJEN EN UITSPLITSING NAAR DOEL

ACTIVA

PASSIVA

A.

Binnenlandse ingezetenen

 

MFI’s

 

waarvan: centrale banken

 

waarvan: deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank

 

Niet-MFI’s

 

Overheid

 

centrale overheid

 

deelstaatoverheid

 

lagere overheid

 

socialezekerheidsfondsen

 

Andere ingezeten sectoren  (5)

 

beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen (S.124)

 

Overige financiële intermediairs, financiële hulpbedrijven en financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.125 + S.126 + S.127) (5)

 

waarvan: centrale tegenpartijen (6)

 

waarvan: LFI’s (6)

 

verzekeringsinstellingen (S.128)

 

pensioenfondsen (S.129) (5)

 

niet-financiële vennootschappen (S.11) (5)

 

huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (S.14 + S.15) (5)

 

consumptief krediet (6)

 

leningen voor de aankoop van een huis (6)

 

overige kredietverlening (6)

waarvan: eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (6)

B.

Ingezetenen van het eurogebied, m.uv. de binnenlandse ingezetenen

 

MFI’s

 

Waarvan: centrale banken

 

Waarvan: deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank

 

Niet-MFI’s

 

Overheid

 

centrale overheid

 

deelstaatoverheid

 

lagere overheid

 

socialezekerheidsfondsen

 

Andere ingezeten sectoren (5)

 

beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen (S.124)

 

overige financiële intermediairs, financiële hulpbedrijven en financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.125 + S.126 + S.127) (5)

 

waarvan: centrale tegenpartijen (6)

 

waarvan: LFI’s (6)

 

verzekeringsinstellingen (S.128)

 

pensioenfondsen (S.129) (5)

 

niet-financiële vennootschappen (S.11) (5)

 

huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (S.14 + S.15) (5)

 

consumptief krediet (6)

 

leningen voor de aankoop van een huis (6)

 

overige kredietverlening (6)

 

waarvan: eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (6)

C.

Ingezetenen van buitenland

 

Banken

 

Niet-banken

 

Overheid

 

Overige ingezetenen

A.

Binnenlandse ingezetenen

 

MFI’s

 

waarvan: centrale banken

 

waarvan: deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank

 

waarvan: kredietinstellingen

 

Niet-MFI’s

 

Overheid

 

centrale overheid

 

overige overheid

 

deelstaatoverheid

 

lagere overheid

 

socialezekerheidsfondsen

 

Andere ingezeten sectoren (5)

 

beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen (S.124)

 

overige financiële intermediairs, financiële hulpbedrijven en financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.125 + S.126 + S.127) (5)

 

waarvan: centrale tegenpartijen (6)

waarvan: LFI’s (6)

 

verzekeringsinstellingen (S.128)

 

pensioenfondsen (S.129) (5)

 

niet-financiële vennootschappen (S.11) (5)

 

huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (S.14 + S.15) (5)

B.

Ingezetenen van het eurogebied, m.uv. de binnenlandse ingezetenen

 

MFI’s

 

waarvan: centrale Banken

 

waarvan: deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank

 

waarvan: kredietinstellingen

 

Niet-MFI’s

 

Overheid

 

centrale overheid

 

overige overheid

 

deelstaatoverheid

 

lagere overheid

 

socialezekerheidsfondsen

 

Andere ingezeten sectoren (5)

 

beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen (S.124)

 

overige financiële intermediairs, financiële hulpbedrijven en financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.125 + S.126 + S.127) (5)

 

waarvan: centrale tegenpartijen (6)

 

waarvan: LFI’s (6)

 

verzekeringsinstellingen (S.128)

 

pensioenfondsen (S.129) (5)

 

niet-financiële vennootschappen (S.11) (5)

 

huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (S.14 + S.15) (5)

C.

Ingezetenen van buitenland

 

Banken

 

Niet-banken

 

Overheid

 

Overige ingezetenen

D.

Totaal

D.

Totaal

VALUTA’S

e

euro

x

vreemde valuta’s overige valuta’s, i.e. valuta’s van overige lidstaten, USD, JPY, CHF, overige valuta’s (7).


(1)  Uitsplitsingen van maandelijkse gegevens worden vetgedrukt, uitsplitsingen van kwartaalgegevens aangegeven in normaal lettertype.

(2)  Maandelijkse uitsplitsing naar looptijd heeft alleen betrekking op leningen aan de belangrijkste ingezeten sectoren m.u.v. MFI’s en de overheid van de eurogebiedlidstaten. De overeenkomstige uitsplitsingen naar looptijd voor leningen aan de overheid m.u.v. centrale overheid van de eurogebiedlidstaten zijn per kwartaal.

(2)  Maandelijkse uitsplitsing naar looptijd heeft alleen betrekking op aangehouden effecten uitgegeven door in het eurogebied gevestigde MFI’s. NET als kwartaalgegevens worden aangehouden effecten uitgegeven door niet-MFI’s in het eurogebied opgesplitst in „tot één jaar” en „langer dan één jaar”.

(3)  Alleen ten opzichte van het buitenland.

(4)  De rapportage van de post „deposito’s met een opzegtermijn van meer dan twee jaar” is tot nader order vrijwillig.

(5)  Maandelijkse uitsplitsing per subsector is vereist voor leningen en deposito’s.

(6)  Voor leningen wordt een verdere uitsplitsing naar doel opgenomen voor de subsector S.14 + S.15. Daarnaast zijn voor een beperkt aantal instrumenten verdere „waarvan posities” voor sommige subsectoren vereist: „waarvan centrale tegenpartijen” en „waarvan lege financiële instellingen” voor de subsector S.125; „waarvan eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid” voor leningen aan de subsector S.14; „waarvan onderpand in de vorm van onroerend goed” voor leningen aan de subsectoren S.11 en S.14 + S.15 (alleen kwartaalvereisten)

(7)  Driemaandelijkse uitsplitsing naar valuta van elke andere Europese Unie lidstaat is alleen vereist voor geselecteerde posten.


BIJLAGE II

CONSOLIDATIEBEGINSELEN EN DEFINITIES

DEEL 1

Consolidatie voor statistische doeleinden binnen dezelfde lidstaat

1.

Voor elke lidstaat die de euro niet als munteenheid hebben (hierna: „eurogebiedlidstaat”) bestaat de populatie van informatieplichtigen uit MFI’s die zijn opgenomen in de lijst van MFI’s voor statistische doeleinden en die ingezetenen zijn van de eurogebiedlidstaten (1). Dit zijn:

a)

instellingen die in het gebied rechtspersoonlijkheid bezitten en aldaar zijn gevestigd, met inbegrip van dochterondernemingen (2) waarvan de moedermaatschappijen buiten dat gebied zijn gevestigd; en

b)

bijkantoren van instellingen die hun hoofdkantoor buiten het gebied hebben.

In zogenaamde „offshore” financiële centra gevestigde instellingen worden vanuit statistisch oogpunt behandeld als ingezetenen van het grondgebied waar zij zijn gevestigd.

2.

MFI’s consolideren voor statistische doeleinden de activiteiten van al hun in dezelfde nationale lidstaat gevestigde binnenlandse kantoren (maatschappelijke zetel of hoofdkantoor en/of bijkantoren). Voor de statistische rapportages is grensoverschrijdende consolidatie niet toegestaan.

a)

Indien een moedermaatschappij en haar dochterondernemingen in dezelfde lidstaat gevestigde MFI’s zijn, is het de moedermaatschappij toegestaan in haar statistische rapportages de werkzaamheden van deze dochterondernemingen te consolideren, waarbij de activiteiten van kredietinstellingen en overige MFI’s gescheiden dienen te worden gehouden.

b)

Indien een instelling bijkantoren op het grondgebied van andere eurogebiedlidstaten heeft, beschouwt de maatschappelijke zetel of het hoofdkantoor in een gegeven eurogebiedlidstaat de posities ten aanzien van al deze bijkantoren als posities ten aanzien van ingezetenen in de andere eurogebiedlidstaten. Een in een gegeven eurogebiedlidstaat gevestigd bijkantoor beschouwt daarentegen de posities ten aanzien van de maatschappelijke zetel of het hoofdkantoor of van andere bijkantoren van dezelfde instelling die zijn gevestigd op het grondgebied van andere eurogebiedlidstaten, als posities ten aanzien van ingezetenen in andere eurogebiedlidstaten.

c)

Indien een instelling bijkantoren buiten de eurogebiedlidstaten heeft, beschouwt de maatschappelijke zetel of het hoofdkantoor in een gegeven eurogebiedlidstaat de posities ten aanzien van al deze bijkantoren als posities ten aanzien van ingezetenen in het buitenland. Een in een gegeven eurogebiedlidstaat gevestigd bijkantoor beschouwt daarentegen de posities ten aanzien van de maatschappelijke zetel of het hoofdkantoor of van andere bijkantoren van dezelfde instelling die zijn gevestigd buiten het grondgebied van andere eurogebiedlidstaten, als posities ten aanzien van ingezetenen in het buitenland.

DEEL 2

Definities van instrumentcategorieën

1.

In deze tabel wordt een gedetailleerde standaardbeschrijving gegeven van de instrumentcategorieën die de nationale centrale banken (NCB’s), conform deze verordening omzetten in categorieën die op het nationale niveau van toepassing zijn overeenkomstig deze verordening. De tabel is geen lijst van afzonderlijke financiële instrumenten en de beschrijvingen zijn niet uitputtend. De definities verwijzen naar het ESR 2010.

2.

De oorspronkelijke looptijd, d.w.z. de looptijd bij uitgifte, is de vaste looptijd van een financieel instrument, vóór afloop waarvan het niet kan worden afgelost, bijv. schuldbewijzen, of vóór afloop waarvan het slechts met een soort boete kan worden afgelost bijv. bij sommige soorten deposito’s. De opzegtermijn is de tijdspanne tussen het ogenblik waarop de houder zijn voornemen om tot aflossing over te gaan bekendmaakt en de datum waarop het hem is toegestaan het zonder een boete in geld om te zetten. Financiële instrumenten worden alleen naar opzegtermijn ingedeeld wanneer er geen overeengekomen looptijd is.

3.

Financiële aanspraken kunnen worden onderscheiden op al dan niet-verhandelbaarheid. Een aanspraak is verhandelbaar als de eigendom ervan zonder meer kan worden overgedragen van de ene eenheid naar de andere door levering of endossement, of, in geval van financiële derivaten, kan worden gecompenseerd. Hoewel elk financieel instrument kan worden verhandeld, zijn verhandelbare instrumenten bedoeld om op een georganiseerde beurs of onderhands („over-the-counter”) te worden verhandeld, al is daadwerkelijke handel geen noodzakelijke voorwaarde voor verhandelbaarheid.

Tabel

Instrumentcategorieën

ACTIVACATEGORIEËN

Categorie

Belangrijkste kenmerken

1.

Kasmiddelen

Aangehouden in omloop zijnde euro- en buitenlandse bankbiljetten en munten die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen.

2.

Leningen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met vijf jaar/langer dan vijf jaar

Aangehouden financiële activa ontstaan doordat crediteuren gelden aan debiteuren lenen die niet zijn beschreven of die zijn beschreven in niet-verhandelbare documenten. Deze post omvat tevens activa in de vorm van bij informatieplichtigen geplaatste deposito’s. NCB’s kunnen ook de volledige sectorale uitsplitsing voor deze post verlangen.

1.

Hiertoe behoren:

a)

leningen verstrekt aan huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, uitgesplitst naar:

i)

consumptief krediet (leningen verstrekt voor hoofdzakelijk persoonlijk gebruik in de consumptie van goederen en diensten). Consumptief krediet verstrekt aan eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid is inbegrepen in deze categorie, indien de rapporterende MFI weet dat de lening voornamelijk wordt gebruikt voor persoonlijke consumptiedoeleinden;

ii)

lening voor huisaankoop (krediet dat wordt verleend voor investering in huizen voor eigen gebruik of verhuur, met inbegrip van bouwen en herinrichting). Het omvat leningen met als zekerheid residentieel onroerend goed die worden gebruikt voor de aankoop van een huis, en overige leningen voor huisaankoop die worden afgesloten op persoonlijke basis of waarvoor andere vormen van activa als zekerheid worden verstrekt. Leningen voor huisvesting verstrekt aan eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid worden in deze categorie opgenomen, tenzij de rapporterende MFI weet dat het huis voornamelijk wordt gebruikt voor zakelijke doeleinden, in welk geval de lening wordt gerapporteerd als „overige kredietverlening waarvan eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid”;

iii)

overige (leningen die worden verstrekt voor andere doeleinden dan consumptie en huisaankoop, zoals bedrijfsleningen, schuldconsolidatie, opleiding enz.). Deze categorie kan leningen voor consumptieve doelen aan eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid bevatten (zie deel 3 van bijlage II) indien ze niet worden gerapporteerd onder de categorie „consumptief krediet”. Tenzij de voorwaarden voor verminderde rapportage van toepassing zijn, moet een „waarvan” positie worden gerapporteerd, waarbij de aan eenmanszaken verstrekte leningen afzonderlijk in deze categorie worden opgenomen (zie deel 3 van bijlage II);

b)

schulden op kredietkaart

Voor de toepassing van deze verordening, omvat deze categorie krediet dat aan huishoudens of niet-financiële vennootschappen wordt verleend hetzij via kaarten met een vertraagde debetfunctie, d.w.z. kaarten waarop faciliteitskrediet wordt verstrekt zoals beneden gedefinieerd, of via creditkaarten, d.w.z. kaarten die faciliteitskrediet en verruimd krediet verstrekken. Schulden op kredietkaarten wordt geregistreerd op specifieke kaartrekeningen en is daarom niet zichtbaar op lopende rekeningen of betaalrekeningen. Faciliteitskrediet wordt gedefinieerd als het krediet dat wordt verstrekt tegen een rentevoet van 0 % in de periode tussen de met de kaart gedurende één factureringscyclus uitgevoerde betalingstransacties en de datum waarop de debetsaldo’s van deze specifieke factureringscyclus opeisbaar worden. Verruimd krediet wordt gedefinieerd als het krediet dat wordt verstrekt nadat de vervaldatums van de voorgaande factureringscyclussen zijn verstreken, d.w.z. debetsaldo’s op de kaartrekening die niet zijn voldaan wanneer dit de eerste keer mogelijk was, tegen een rente of gestaffelde rente van gewoonlijk meer dan 0 %. Vaak moeten maandelijks minimumbetalingen worden gedaan om een verruimd krediet in ieder geval gedeeltelijk af te betalen.

De tegenpartij bij dergelijke vormen van krediet is de entiteit die aansprakelijk is voor de uiteindelijke terugbetaling van de uitstaande bedragen in overeenstemming met de contractuele regeling, die in het geval van privé gebruikte kaarten samenvalt met de kaarthouder, maar niet in het geval van zakelijke kaarten;

c)

Doorlopende leningen en rekening-courantkredieten

Doorlopende leningen zijn leningen die al de volgende kenmerken hebben: i) de geldnemer kan gelden gebruiken of opnemen tot een van te voren goedgekeurde kredietlimiet zonder de kredietverlener van te voren in kennis te stellen; ii) het bedrag aan beschikbaar krediet kan toenemen en afnemen naarmate gelden worden geleend en terugbetaald; iii) het krediet kan herhaaldelijk worden gebruikt; (iv) er is geen verplichting tot regelmatige terugbetaling van gelden.

Tot doorlopende leningen behoren de bedragen die zijn verkregen via een kredietlijn en nog niet zijn terugbetaald (uitstaande bedragen). Een kredietlijn is een overeenkomst tussen een geldgever en geldnemer waarbij een geldnemer wordt toegestaan voorschotten op te nemen, gedurende een bepaalde periode en tot een bepaalde limiet, en de voorschotten naar eigen goeddunken vóór een vastgestelde datum terug te betalen. Bedragen die via een kredietlijn beschikbaar zijn en niet zijn opgenomen of al zijn terugbetaald, worden niet in een categorie balansposten opgenomen. Rekening-courantkredieten zijn debetsaldo’s op lopende rekeningen. Via creditkaarten verstrekte leningen worden noch onder doorlopende leningen, noch als rekening-courantkredieten opgenomen. Het totale door de geldnemer verschuldigde bedrag moet worden gerapporteerd, ongeacht of het binnen of buiten een van te voren tussen de geldgever en geldnemer afgesproken limiet valt wat betreft het bedrag en/of maximale periode van de lening;

d)

Syndicaatsleningen (overeenkomsten betreffende één enkele lening waarin verscheidene instellingen als geldgevers deelnemen)

Syndicaatsleningen bestrijken alleen gevallen waarin de geldnemer weet, uit de leningovereenkomst, dat de lening door verschillende geldgevers wordt verstrekt. Voor statistische doeleinden worden alleen werkelijk door geldgevers uitbetaalde bedragen (in plaats van totale kredietlimieten) beschouwd als syndicaatsleningen. De syndicaatslening wordt gewoonlijk afgesloten en gecoördineerd door één instelling (vaak de „penvoerder” genoemd) en wordt feitelijk door verscheidene deelnemers in het syndicaat verstrekt. Alle deelnemers, waaronder de penvoerder, rapporteren hun aandeel in de lening ten opzichte van de geldnemer, d.w.z. niet ten opzichte van de penvoerder, op hun balansen;

e)

deposito’s, zoals vastgelegd onder passivacategorie 9;

f)

financiële leases ten behoeve van derden

Financiële leases zijn contracten waarbij de juridische eigenaar van een duurzaam goed (hierna: de „lessor”) deze activa voor het grootste deel, zo niet het hele economische leven van de activa verhuurt aan een derde (hierna: de „lessee”), in ruil voor afbetalingstermijnen ter dekking van de kosten van het goed plus ingecalculeerde rentekosten. In feite wordt de lessee verondersteld alle mogelijkerwijze aan het gebruik van het goed verbonden voordelen te genieten en de aan de eigendom verbonden kosten en risico’s te dragen. Voor statistische doeleinden worden financiële leases behandeld als leningen van de lessor aan de lessee waarmee de lessee in staat wordt gesteld het duurzame goed te kopen. De activa (duurzame goederen) die aan de lessee zijn verhuurd worden nergens op de balans geregistreerd;

g)

dubieuze leningen die nog niet zijn afgelost of afgeboekt

Het totale bedrag aan leningen waarvan terugbetaling achterstallig is of waarvan anderszins wordt vastgesteld dat ze niet volwaardig zijn, geheel of gedeeltelijk, overeenkomstig de definitie van betalingsachterstand in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

h)

aangehouden niet-verhandelbare effecten

Aangehouden schuldbewijzen zijn niet verhandelbaar zijn en kunnen niet op secundaire markten worden verhandeld;

i)

verhandelde leningen

Leningen die de facto verhandelbaar zijn geworden, dienen opgenomen te worden onder de actiefpost „leningen”, indien bewijs van verhandeling op de secundaire markt ontbreekt. Zij zouden dan immers als schuldbewijzen ingedeeld dienen te worden (categorie 3);

j)

achtergestelde schuld in de vorm van deposito’s of leningen

Achtergestelde schuldinstrumenten geven een ondergeschikte vordering op de uitgevende instelling die alleen kan worden uitgeoefend nadat alle vorderingen met een hogere status, bijv. deposito’s/leningen, zijn voldaan, waardoor ze enigszins lijken op deelnemingen. Voor statistische doeleinden dienen achtergestelde schulden geclassificeerd te worden als „leningen” of als „schuldbewijzen” overeenkomstig de aard van het financiële instrument. Indien het gangbaar is alle vormen van door een MFI aangehouden achtergestelde schulden voor statistische doeleinden als één cijfer aan te geven, dient dit cijfer onder de activapost „schuldbewijzen” opgenomen te worden, vanwege het feit dat achtergestelde schulden hoofdzakelijk bestaan uit effecten en niet uit leningen;

k)

vorderingen onder repotransacties met wederverkoopverplichting of het lenen van effecten tegen geldelijke zekerheid

Tegenpost van gelden betaald in ruil voor door informatieplichtigen gekochte effecten tegen een vaste koers onder beding van wederverkoop van dezelfde of gelijkaardige effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst, of voor het lenen van effecten tegen geldelijke zekerheid (zie passivacategorie 9.4).

Ten behoeve van dit rapportagekader, omvat de uitsplitsing van leningen naar onderpand in de vorm van onroerend goed het totale bedrag aan uitstaande leningen die tegen onderpand worden verstrekt overeenkomstig artikel 199, leden 2 tot en met 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013, met een verhouding van uitstaande leningen en onderpand gelijk aan 1 of minder dan 1. Indien deze regels niet worden toegepast door de informatieplichtige, moet op basis van de benadering die gekozen wordt om te voldoen aan kapitaalvereisten, worden bepaald welke leningen in deze uitsplitsing moeten worden opgenomen.

2.

De volgende post wordt niet behandeld als een lening:

Leningen op basis van een trust

Leningen die op basis van een trust worden verstrekt, d.w.z. trustleningen of fiduciaire leningen, zijn leningen die worden afgesloten op naam van een partij (hierna: de „bewindvoerder”) ten behoeve van een derde (hierna: de „begunstigde”). Voor statistische doeleinden moeten trustleningen niet op de balans van de bewindvoerder geregistreerd worden, indien de aan de eigendom van de gelden verbonden risico’s en beloningen voor de begunstigde blijven. De aan de eigendom verbonden risico’s en beloningen blijven voor de begunstigde indien: a) de begunstigde het kredietrisico van de lening op zich neemt, d.w.z. de bewindvoerder is alleen verantwoordelijk voor het administratieve beheer van de lening; of b) de belegging van de begunstigde wordt gegarandeerd tegen verlies, voor het geval dat de bewindvoerder failliet mocht gaan, d.w.z. de trustlening maakt geen deel uit van de activa van de bewindvoerder die in het geval van een faillissement kunnen worden uitgedeeld.

3.

Schuldbewijzen

Aangehouden schuldbewijzen zijnde verhandelbare financiële instrumenten die de schuld belichamen, worden gewoonlijk op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de emitterende instelling.

Hiertoe behoren:

a)

aangehouden effecten die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of vast bedrag op een bepaalde datum of op bepaalde data, dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum;

b)

leningen die op een georganiseerde markt verhandelbaar zijn geworden, d.w.z. verhandelde leningen mits er bewijs is van handel op secundaire markten, onder meer door het bestaan van marktmakers en van een regelmatige notering van het financiële actief, bijv. door het bestaan van spreads tussen bied- en laatkoers. Indien zulks niet het geval is dienen zij ingedeeld te worden onder de actiefpost „leningen” (zie ook „verhandelde leningen” in categorie 2i);

c)

achtergestelde schuld in de vorm van schuldbewijzen (zie ook „achtergestelde schuld in de vorm van deposito’s of leningen” in categorie 2j).

Effecten die uitgeleend worden op grond van effectenuitleentransacties of verkocht zijn op grond van een repo-overeenkomst, blijven op de balans van de oorspronkelijke eigenaar staan (en worden niet geregistreerd op de balans van de tijdelijke verkrijger) indien er een vaste verplichting bestaat om de transactie om te keren, en niet eenvoudigweg een optie om dat te doen. Indien de tijdelijke verkrijger de ontvangen effecten verkoopt, moet deze verkoop als een rechtstreekse aan- of verkoop van waardepapier geregistreerd worden en op de balans van de tijdelijke verkrijger geregistreerd worden als een negatieve positie in de effectenportefeuille.

3a/3b/3c

Schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar

Hiertoe behoren:

a)

aangehouden verhandelbare schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar;

b)

leningen die op een georganiseerde markt verhandelbaar zijn geworden, d.w.z. verhandelde leningen die zijn ingedeeld als schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar;

c)

achtergestelde schuld in de vorm van schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar.

4.

Deelnemingen

Deelnemingen vertegenwoordigen eigendomsrechten op vennootschappen of quasivennootschappen; het is een vordering op de restwaarde nadat de vorderingen van alle crediteuren zijn voldaan.

Deze post omvat beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen en andere deelnemingen.

5.

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

Aandelen of rechten uitgegeven door beleggingsinstellingen die beleggen in financiële en/of niet-financiële activa voor zover deze belegging beogen van bij het publiek aangetrokken beleggingskapitaal.

Deze post omvat aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen uitgegeven door geldmarktfondsen overeenkomstig artikel 2 van deze verordening en aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen(zoals vastgesteld in artikel 1, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1073/2013 (ECB/2013/38).

6.

Niet-financiële activa (waaronder vaste activa)

Materiële en imateriële active met uitzondering van financiële activa. Deze post omvat woningen, overige bouwwerken, vervoermiddelen, machines en apparatuur, kostbaarheden, intellectuele eigendommen zoals computer software en databases.

7.

Overige activa

De post „overige activa” is de restpost aan de actiefzijde van de balans, gedefinieerd als „niet elders opgenomen activa”. NCB’s kunnen de rapportage van specifieke, in deze post opgenomen subposities verlangen. Tot de overige activa kunnen behoren:

a)

posities in financiële derivaten met een positieve brutomarktwaarde

Voor statistische doeleinden worden hier financiële derivaten opgenomen die op de balans moeten worden opgenomen en dienen gerapporteerd te worden als een afzonderlijke „waarvan”-post met een sectorale (MFI/niet MFI) en een geografische (binnenlands/eurogebied m.u.v. binnenlands/buitenland) uitsplitsing;

b)

bruto ontvangen bedragen uit hoofde van posten op tussenrekeningen

Posten op tussenrekeningen zijn tegoeden op de MFI-balans die niet op naam van klanten worden geboekt, maar die toch verband houden met gelden van klanten, bijv. gelden die wachten op belegging, overboeking of verevening;

c)

bruto ontvangen bedragen uit hoofde van overlopende posten

Overlopende posten behelzen gelden, gewoonlijk toebehorend aan klanten, die tussen MFI’s worden overgedragen. Posten omvatten cheques en andere betalingsvormen die ter inning naar andere MFI’s zijn gezonden;

d)

te ontvangen opgebouwde rente op leningen

Overeenkomstig het algemene beginsel van de periodetoerekening van opbrengsten en kosten, dient te ontvangen rente op leningen op de balans op transactiebasis geregistreerd te worden, d.w.z. op basis van periodieke toerekening, en niet wanneer de rente feitelijk betaald wordt, d.w.z. op kasbasis. Opgebouwde rente op leningen wordt op brutobasis opgenomen in de categorie „overige activa”. Opgebouwde rente wordt niet opgenomen in de lening waarop zij betrekking heeft, en dient gerapporteerd te worden als een afzonderlijke „waarvan”-post;

e)

opgebouwde rente op aangehouden schuldbewijzen;

f)

te ontvangen dividenden;

g)

ontvangen bedragen uit andere hoofde dan het kernbedrijf van de MFI;

h)

tegenpost aan de actiefzijde van door de staat uitgegeven munten (alleen op de balans van NCB’s).

Financiële instrumenten in de vorm van financiële activa (geregistreerd onder overige balansposten), bepaalde financiële instrumenten die geen financiële active zijn, zoals garanties, toezeggingen, gereguleerde en trustleningen (buiten de balans geregistreerd), en niet-financiële activa, (geregistreerd onder categorie 6) behoren niet tot overige activa.


PASSIVACATEGORIEËN

Categorie

Belangrijkste kenmerken

8.

Chartaal geld in omloop

De passivacategorie „chartaal geld in omloop” betreft „bankbiljetten en munten in omloop die zijn uitgegeven of gemachtigd door monetaire autoriteiten”. Hiertoe behoren door de ECB of de NCB’s uitgegeven bankbiljetten. Munten in omloop zijn geen passiefpost van MFI’s in de eurogebiedlidstaten, maar van de centrale overheid. Munten maken desalniettemin deel uit van de monetaire aggregaten en worden daarom geregistreerd onder de categorie „chartaal geld in omloop”. De tegenpost van deze passiefpost dient geregistreerd te worden onder „overige activa”.

9.

Deposito’s

Door informatieplichtigen aan crediteuren verschuldigde bedragen (aandelen, deposito’s of overige) en die voldoen aan de in sectie 1 van deel 1 van bijlage I beschreven kenmerken, behalve de gelden verkregen door de uitgifte van verhandelbare effecten of aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen. Ten behoeve van het rapportagekader wordt deze categorie uitgesplitst naar onmiddellijk opvraagbare deposito’s, deposito’s met vaste looptijd, deposito’s met opzegtermijn en repo-overeenkomsten.

a)

deposito’s en leningen

„Deposito’s” omvatten tevens „leningen” als passiva van MFI’s. Conceptueel gesproken zijn leningen door MFI’s ontvangen bedragen die niet in de vorm van „deposito’s” gestructureerd worden. Het ESR 2010 maakt onderscheid tussen „leningen”„en deposito’s” op grond van de partij die het initiatief neemt, indien dit de geldnemer is, is het een lening, maar indien dit de geldgever is, is het een deposito. In het rapportagekader worden „leningen” niet beschouwd als een aparte categorie aan de passiefzijde van de balans. In plaats daarvan dienen als „leningen” beschouwde tegoeden zonder differentiatie geregistreerd te worden onder de passiefpost „depositoverplichtingen”, tenzij het verhandelbare instrumenten zijn. Dit strookt met de boven gegeven definitie van „depositoverplichtingen”. Leningen aan MFI’s die als „depositoverplichtingen” ingedeeld worden, dienen opgesplitst te worden overeenkomstig de vereisten van het rapportagekader (d.w.z. naar sector, instrument, valuta en looptijd). Door informatieplichtigen ontvangen syndicaatsleningen behoren tot deze categorie.

b)

niet-verhandelbare schuldinstrumenten

Niet-verhandelbare, door informatieplichtigen uitgegeven schuldinstrumenten worden in het algemeen geclassificeerd als „depositoverplichtingen”. Niet-verhandelbare, door informatieplichtigen uitgegeven instrumenten die naderhand verhandelbaar worden en die op secundaire markten verhandeld kunnen worden, dienen als „schuldbewijzen” ingedeeld te worden.

c)

margestortingen

Margestortingen (margins) uit hoofde van derivatencontracten dienen als „depositoverplichtingen” ingedeeld te worden, indien ze bij MFI’s gedeponeerde geldelijke zekerheid vormen, eigendom blijven van de deposant en bij afloop van het contract aan de deposant worden terugbetaald. In beginsel dienen door de informatieplichtige ontvangen marges alleen als „depositoverplichtingen” dienen geclassificeerd te worden voor zover de MFI middelen tot haar beschikking krijgt die zonder meer opnieuw kunnen worden uitgeleend;. indien een deel van door de MFI ontvangen marges aan een andere deelnemer op de derivatenmarkt dient doorgegeven te worden, bijv. de clearinginstelling, dient alleen het voor de MFI beschikbaar blijvende gedeelte in principe als „depositoverplichtingen” geclassificeerd te worden. Door de complexiteit van de huidige marktpraktijken is het moeilijk die marges te identificeren die daadwerkelijk terugbetaalbaar zijn, omdat verschillende soorten marges zonder onderscheid op dezelfde rekeningen worden geplaatst, alsook is het moeilijk die marges te identificeren die voor de MFI middelen zijn voor het verder uitlenen. In die gevallen kan de classificatie van deze marges onder „overige verplichtingen” of als „depositoverplichtingen” aanvaard worden.

d)

geoormerkte uitstaande bedragen

Conform nationale praktijken geoormerkte uitstaande bedragen in verband met bijvoorbeeld leasingcontracten worden geclassificeerd depositoverplichtingen onder „deposito’s met vaste looptijd” of „deposito’s met een opzegtermijn” afhankelijk van de looptijd/bepalingen van het onderliggende contract.

e)

door MFI’s uitgegeven aandelen

Door MFI’s uitgegeven aandelen worden ingedeeld als deposito’s en niet als kapitaal en reserves indien: i) er tussen de uitgevende MFI en de houder sprake is van een economische „debiteur-crediteur” relatie, ongeacht de eigendomsrechten van deze aandelen; en ii) de aandelen kunnen omgezet worden in chartaal geld of kunnen teruggekocht worden zonder significante beperkingen of boeten. Een opzegtermijn wordt niet als een significante beperking beschouwd. Bovendien dienen dergelijke aandelen aan de volgende voorwaarden te voldoen:

de betrokken nationale bestuursrechtelijke bepalingen stipuleren geen onvoorwaardelijk recht voor de uitgevende MFI om terugkoop van haar aandelen af te wijzen;

de aandelen zijn „waardevast”, d.w.z. onder normale omstandigheden vindt uitbetaling plaats tegen hun nominale waarde in geval van terugkoop;

indien de MFI insolvent wordt, zijn de houders van haar aandelen juridisch niet gehouden in te staan voor uitstaande verplichtingen, zulks bovenop de nominale waarde van de aandelen, d.w.z. de deelname van aandeelhouders in het geplaatste kapitaal, noch tot enige bezwarende aanvullende lasten. De achterstelling van aandelen ten opzichte van enig ander door de MFI uitgegeven instrument geldt niet als een bezwarende aanvullende last.

De opzegtermijnen voor de conversie van dergelijke aandelen in chartaal geld worden aangewend voor de indeling van deze aandelen volgens de uitsplitsing naar opzegtermijn binnen de instrumentencategorie „deposito’s”. Deze opzegtermijnen zijn tevens van toepassing bij de bepaling van de reserveratio ingevolge artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9). Geoormerkte aandelen die verband houden met door de MFI verstrekte leningen, dienen ingedeeld te worden als depositoverplichtingen, met dezelfde oorspronkelijke looptijduitsplitsing als de onderliggende lening, d.w.z. als „deposito’s met vaste looptijd” of „deposito’s met een opzegtermijn”, afhankelijk van de looptijdvoorwaarden van het onderliggende leencontract.

Indien MFI’s dergelijke door MFI’s uitgegeven en als deposito’s, en niet als kapitaal en reserves ingedeelde aandelen, aanhouden, worden deze aandelen door de aanhoudende MFI aan de actiefzijde van haar balans als leningen geregistreerd.

f)

securitisatiepassiva

Tegenpost van leningen en/of overige activa afgestoten in een securitisatie, maar nog geregistreerd op de statistische balans.

De volgende post wordt niet behandeld als een deposito:

 

Op een trustbasis ontvangen gelden (deposito’s), worden niet geregistreerd op de statistische balans van de MFI (zie bij „op trustbasis verstrekte leningen” onder categorie 2).

9.1.

Onmiddellijk opvraagbare deposito’s

Deposito’s die zonder enige significante vertraging, beperking of kosten kunnen worden omgezet in chartaal geld en/of die per cheque, bankopdracht, debitering en dergelijke overdraagbaar zijn. Hiertoe behoren:

a)

saldi (rentedragend of niet) die, zonder significante boete of beperkingen, onmiddellijk of aan het eind van de werkdag volgend op die waarop ze werden opgevraagd, in chartaal geld kunnen worden omgezet, maar niet overdraagbaar zijn;

b)

saldi (rentedragend of niet) in „op hardware gebaseerd” of „op software gebaseerd” elektronisch geld, bijv. elektronische portemonnees;

c)

leningen, die afgelost moeten worden aan het einde van de werkdag volgend op de werkdag waarop de lening werd verstrekt.

9.1.a.

Girale deposito’s

Girale deposito’s zijn die deposito’s in de categorie „onmiddellijk opvraagbare deposito’s” die direct overdraagbaar zijn om betalingen te verrichten aan andere economische subjecten met behulp van algemeen gebruikte betaalmiddelen, zoals overmaking en incasso, mogelijk ook via krediet- of debetkaart, transacties in elektronisch geld, cheques, of soortgelijke middelen, zonder enige significante vertraging, beperking of boete. Deposito’s die alleen kunnen worden gebruikt voor opneming van contanten en/of deposito’s waarvan gelden alleen kunnen worden opgenomen of overgedragen via een andere rekening van dezelfde eigenaar worden niet opgenomen onder girale deposito’s.

9.2.

Deposito’s met een vaste looptijd

Niet-girale deposito’s die niet in chartaal geld kunnen worden omgezet vóór afloop van een vaste termijn of die slechts vóór afloop daarvan in chartaal geld kunnen worden omgezet als de houder enigerlei boete betaalt. Hiertoe behoren tevens gereguleerde spaartegoeden waarvoor het looptijdcriterium niet relevant is; deze dienen ingedeeld te worden in de looptijdcategorie „langer dan twee jaar”. Financiële producten met roll-over-bepalingen moeten worden ingedeeld naar de kortste looptijd. Alhoewel deposito’s met een vaste looptijd eventueel eerder kunnen worden opgezegd na voorafgaande kennisgeving, of opgezegd kunnen worden op verzoek op straffe van bepaalde boeten, worden deze kenmerken niet relevant geacht voor classificatiedoeleinden.

9.2.a./9.2.b./9.2.c.

Deposito’s met een vaste looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar

Deze posten omvatten voor elke looptijduitsplitsing:

a)

Geplaatste tegoeden met een vaste looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar die niet-overdraagbaar zijn en vóór het einde van de looptijd niet in chartaal geld kunnen worden omgezet;

b)

Geplaatste tegoeden met een vaste looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar die niet-overdraagbaar zijn, maar wel na voorafgaande opzegging opvraagbaar zijn; na opzegging worden deze tegoeden naargelang de opzegtermijn in 9.3.a. of 9.3.b. ondergebracht;

c)

Geplaatste tegoeden met een vaste looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar die niet-overdraagbaar zijn, maar onder betaling van een boete onmiddellijk opvraagbaar zijn;

d)

Margestortingen uit hoofde van derivatencontracten met een looptijd van hoogstens één jaar/tussen één en twee jaar/langer dan twee jaar die geldelijke zekerheid tegenover het kredietrisico vormen, maar eigendom blijven van de deposant en aan de deposant worden terugbetaald bij afloop van het contract;

e)

Leningen hetzij beschreven in niet-verhandelbare documenten, hetzij niet beschreven met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar;

f)

Door MFI’s uitgegeven niet-verhandelbare schuldbewijzen (al dan niet in documenten belichaamd) met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar;

g)

Achtergestelde schuld uitgegeven door MFI’s in de vorm van deposito’s of leningen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar;

h)

Securitisatiepassiva.

Tegenpost van leningen en/of overige activa afgestoten in een securitisatie, maar nog opgenomen op de statistische balans. Bij conventie worden deze passiva toegewezen aan de looptijduitsplitsing vaste looptijd „langer dan twee jaar”.

Daarnaast omvatten deposito’s met een vaste looptijd van langer dan twee jaar:

Tegoeden (ongeacht looptijd) waarvoor de rentevoet en/of rentevoorwaarden in nationale wetgeving zijn voorgeschreven en die worden aangehouden voor bijzondere doeleinden, zoals woningfinanciering met een tijdshorizon van meer dan twee jaar, zelfs als ze, technisch gezien, onmiddellijk opvraagbaar zijn

9.3.

Deposito’s met een opzegtermijn

Niet-girale deposito’s zonder vaste looptijd die slechts in chartaal geld kunnen worden omgezet met inachtneming van een opzegtermijn, vóór afloop waarvan omzetting in chartaal geld niet of slechts met een boete mogelijk is. Hiertoe behoren deposito’s die juridisch gezien wellicht onmiddellijk opvraagbaar zijn, maar waarvoor krachtens nationale usance boeten en beperkingen gelden (ingedeeld in de looptijdcategorie „tot en met drie maanden”) evenals beleggingsrekeningen zonder opzegtermijn of vaste looptijd maar met beperkingen ten aanzien van de op te nemen bedragen (ingedeeld in de looptijdcategorie „langer dan drie maanden”).

9.3.a./9.3.b.

Deposito’s met een opzegtermijn tot en met drie maanden/langer dan drie maanden waarvan langer dan twee jaar

Hiertoe behoren:

a)

Geplaatste tegoeden zonder vaste looptijd die slechts kunnen worden opgevraagd met inachtneming van een opzegtermijn tot en met drie maanden/langer dan drie maanden, waarvan langer dan twee jaar; als eerdere (of onmiddellijke) opvraging mogelijk is, gaat dit gepaard met een boete; en

b)

Geplaatste tegoeden met een vaste looptijd die niet-overdraagbaar zijn, maar waarbij ten behoeve van vervroegde aflossing opzegging van toepassing is geweest met een opzegtermijn van minder dan drie maanden/langer dan drie maanden, waarvan langer dan twee jaar.

Daarnaast omvatten deposito’s met een opzegtermijn van drie maanden niet-overdraagbare direct opvraagbare spaartegoeden en andere tegoeden waarvoor, hoewel de tegoeden juridisch gezien onmiddellijk opvraagbaar zijn, aanzienlijke boeten gelden

Deposito’s met een opzegtermijn van meer dan drie maanden waarvan langer dan twee jaar (indien van toepassing) omvatten beleggingsrekeningen zonder opzegtermijn of vaste looptijd, waarbij het opnemen van bedragen onderhevig is aan beperkingen

9.4.

Repo’s

Tegenpost van gelden ontvangen in ruil voor door de informatieplichtigen tegen een bepaalde koers verkochte effecten onder beding van wederinkoop van dezelfde (of soortgelijke) effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst. Door informatieplichtigen ontvangen bedragen in ruil voor effecten die aan een derde zijn overgedragen, „tijdelijke verkrijger”, moeten onder „repo-overeenkomsten”, worden ingedeeld indien er een vaste verplichting is om de transactie om te keren en niet louter een optie daartoe. Dit houdt in dat tijdens de transactie alle risico’s en beloningen van de onderliggende effecten voor de informatieplichtigen blijven.

De volgende varianten van repo-achtige transacties worden allemaal ingedeeld onder „repo-overeenkomsten”:

a)

ontvangen bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een effectenuitleen tegen geldeijke zekerheid; en

b)

ontvangen bedragen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van een verkoop/terugkoopovereenkomst.

De onderliggende effecten van repo-achtige transacties worden geboekt volgens de regels in actiefpost 3 schuldbewijzen. Transacties die de tijdelijke overdracht van goud tegen geldeijke zekerheid behelzen, worden ook onder deze post opgenomen

10.

Aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen

Door GMF’s uitgegeven aandelen of rechten van deelneming. Zie definitie in sectie 2 van deel I van bijlage I.

11.

Uitgegeven schuldbewijzen

Door informatieplichtigen uitgegeven effecten niet zijnde aandelen die instrumenten vormen die doorgaans verhandelbaar zijn en op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de emitterende instelling. Hiertoe behoren:

a)

Effecten die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of vast bedrag op een bepaalde datum of op bepaalde data, dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum;

b)

Niet-verhandelbare, door informatieplichtigen uitgegeven instrumenten die nadien verhandelbaar worden, dienen als „schuldbewijzen” te worden geclassificeerd (zie ook categorie 9);

c)

Achtergestelde schuld uitgegeven door MFI’s moet voor monetaire en financiële statistieken op dezelfde manier worden behandeld als andere door MFI’s opgelopen schuld. Daarom dient achtergestelde schuld uitgegeven in de vorm van effecten te worden geclassificeerd als „uitgegeven schuldbewijzen”, terwijl achtergestelde schuld die door MFI’s wordt uitgegeven in de vorm van deposito’s of leningen, onder „depositoverplichtingen” dient te worden opgenomen; Indien alle vormen van achtergestelde schulden uitgegeven door MFI’s voor statistische doeleinden als één enkel cijfer worden aangegeven, dient dit cijfer onder de post „uitgegeven schuldbewijzen” te worden opgenomen, vanwege het feit dat achtergestelde schulden hoofdzakelijk bestaan uit effecten en niet uit leningen; Achtergestelde schuld dient niet te worden opgenomen onder de passiefpost „kapitaal en reserves”;

d)

Hybride instrumenten. Verhandelbaar waardepapier met een combinatie van schuldcomponenten en componenten van derivaten, waaronder:

i)

verhandelbare schuldinstrumenten met daarin besloten derivaten;

ii)

verhandelbaar waardepapier waarvan de aflossingswaarde en/of coupon gekoppeld is aan de ontwikkeling van een onderliggend referentieactief, prijs van een actief of een andere referentie-indicator gedurende de looptijd van het instrument.

11.a./11.b./11.c.

Schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar

Deze posten omvatten voor elke looptijduitsplitsing:

a)

door MFI’s uitgegeven verhandelbare schuldbewijzen (al dan niet in documenten belichaamd) met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar; en

b)

door MFI’s uitgegeven achtergestelde schuld in de vorm van schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar/langer dan twee jaar.

11.d.

Waarvan schuldbewijzen tot twee jaar en nominale kapitaalgarantie minder dan 100 %

Hybride instrumenten die zijn uitgegeven door MFI’s met een oorspronkelijke looptijd tot twee jaar en op de vervaldatum een contractuele aflossingswaarde in de uitgevende valuta hebben die lager is dan het bedrag dat oorspronkelijk is geïnvesteerd vanwege de combinatie van schuldcomponenten en componenten van derivaten.

12.

Kapitaal en reserves

Ten behoeve van het rapportagekader omvat deze categorie de bedragen die voortvloeien uit de uitgifte, door informatieplichtigen aan aandeelhouders en anderen met eigendomsrechten, van aandelen in hun vermogen die voor de houder eigendomsrechten in de MFI vertegenwoordigen en in het algemeen recht geven op een aandeel in de winst en een aandeel in het eigen vermogen bij liquidatie. Winst (of verlies) zoals geregistreerd in de winst-en-verliesrekening, middelen uit niet aan de aandeelhouders uitgekeerde winst dan wel door informatieplichtigen gereserveerde gelden voor waarschijnlijke betalingen en verplichtingen in de toekomst behoren hier eveneens toe. In detail zou de categorie in beginsel het volgende omvatten:

a)

aangetrokken eigen vermogen, met inbegrip van het agio;

b)

winst (of verlies) zoals geregistreerd in de winst-en-verliesrekening;

c)

rechtstreeks in het eigen vermogen verwerkte inkomsten en uitgaven;

d)

middelen uit niet aan de aandeelhouders uitgekeerde winst;

e)

specifieke en algemene voorzieningen met betrekking tot leningen, effecten en andere activa, zoals bijvoorbeeld voorzieningen voor waardeverminderingen en verliezen op leningen (kunnen worden geboekt volgens de administratieve regels).

13.

Overige passiva

De post „overige passiva” is de restpost aan de passiefzijde van de balans, gedefinieerd als „niet elders opgenomen passiva”. NCB’s kunnen de rapportage van specifieke, in deze post opgenomen subposities verlangen. Tot de overige passiva kunnen behoren:

a)

posities in financiële derivaten met een negatieve brutomarktwaarde

Voor statistische doeleinden worden hier financiële derivaten opgenomen die op de balans geregistreerd moeten worden en dienen gerapporteerd te worden als een afzonderlijke „waarvan”-post met een sectorale (MFI/niet-MFI) en een geografische (binnenlands/eurogebied m.u.v. binnenlands/buitenland) uitsplitsing;

b)

bruto te betalen bedragen uit hoofde van tussenrekeningen

Tussenrekeningen zijn tegoeden op de MFI balans die niet op naam van klanten worden geboekt, maar die toch verband houden met gelden van klanten, bijv. gelden die wachten op belegging, overboeking of verevening;

c)

bruto te betalen bedragen uit hoofde van overlopende posten

Overlopende posten behelzen gelden, gewoonlijk toebehorend aan klanten, die tussen MFI’s worden overgedragen. Posten omvatten overmakingen waarvoor rekeningen van klanten zijn gedebiteerd, en andere posten waarvoor de bijbehorende betaling nog niet door de informatieplichtige is gedaan;

d)

te betalen opgebouwde rente op deposito’s.

Overeenkomstig het algemene principe van de periodetoerekening van opbrengsten en kosten, dient op deposito’s te betalen rente op de balans opgenomen te worden naarmate die gevormd wordt, d.w.z. op basis van periodieke toerekening en niet wanneer de rente feitelijk betaald wordt, d.w.z. op kasbasis. Opgebouwde rente op deposito’s wordt op brutobasis opgenomen in de categorie „overige passiva”. Opgebouwde rente wordt niet opgenomen in het deposito waarop zij betrekking heeft, en dient gerapporteerd te worden als een afzonderlijke „waarvan”-post;

e)

opgebouwde rente op uitgegeven schuldbewijzen

f)

te betalen dividenden;

te betalen bedragen uit andere hoofde dan het kernbedrijf van de MFI, bijv. bedragen verschuldigd aan leveranciers, belasting, lonen, sociale premies;

g)

voorzieningen die verplichtingen ten opzichte van derden vertegenwoordigen, d.w.z. pensioenen en dividenden;

h)

margestortingen uit hoofde van derivatencontracten

Margestortingen (margins) uit hoofde van derivatencontracten worden gewoonlijk ingedeeld als „depositoverplichtingen” (zie categorie 9). Door de complexiteit van de huidige marktpraktijken is het moeilijk die marges te identificeren die daadwerkelijk terugbetaalbaar zijn, omdat verschillende soorten marges zonder onderscheid op dezelfde rekeningen worden geplaatst, alsook is het moeilijk die marges te identificeren die voor de MFI middelen zijn voor het verder uitlenen. In die gevallen kan de classificatie van deze marges onder „overige verplichtingen” of als „depositoverplichtingen” aanvaard worden;

i)

netto te betalen bedragen uit hoofde van toekomstige afwikkelingen van effectentransacties of transacties in vreemde valuta.

Van „overige passiva” kunnen bijna alle financiële instrumenten in de vorm van financiële passiva (inbegrepen in de andere balansposten), financiële instrumenten niet in de vorm van financiële activa, zoals garanties, toezeggingen, gereguleerde en trustleningen (verantwoord buiten de balans), en niet-financiële passiva zoals kapitaalposten aan de passiefzijde (inbegrepen in „kapitaal en reserves”) worden uitgesloten.

DEEL 3

Sectorendefinities

Het ESR 2010 stelt de norm voor de sectorindeling. Deze tabel geeft een gedetailleerde standaardbeschrijving van sectoren die NCB’s overeenkomstig deze verordening in nationale categorieën omzetten. In het eurogebied gevestigde tegenpartijen worden geïdentificeerd aan de hand van hun sector conform de door de Europese Centrale Bank (ECB) voor statistische doeleinden bijgehouden lijsten en de leidraad voor de statistische classificatie van tegenpartijen in het „Monetary, financial institutions and markets statistics sector manual: Guidance for the statistical classification of customers” van de ECB. Buiten het eurogebied gevestigde kredietinstellingen worden aangeduid als „banken” en niet als MFI’s. Evenzo heeft de term „niet-MFI” alleen betrekking op de lidstaten; Voor lidstaten die de euro niet als munteenheid hebben, wordt de term „niet-banken” gebruikt.

Tabel

Definities van sectoren

Sector

Definitie

MFI’s

Zie artikel 1

Overheid

De sector overheid (S.13) bestaat uit institutionele eenheden die niet-marktproducenten zijn waarvan de output voor individueel of collectief verbruik is bestemd, en die worden gefinancierd uit verplichte betalingen door eenheden die tot andere sectoren behoren, en institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen (ESR 2010, paragraaf 2.111 tot en met 2.113).

Centrale overheid

Deze subsector (S.1311) omvat alle bestuursinstellingen van de staat en andere centrale organen waarvan de bevoegdheid zich gewoonlijk over het gehele economische gebied uitstrekt, met uitzondering van socialezekerheidsfondsen (ESR 2010, paragraaf 2.114).

Deelstaatoverheid

Deze subsector (S.1312) bestaat uit die typen van bestuursinstellingen die afzonderlijke institutionele eenheden zijn en die bepaalde overheidsfuncties, met uitzondering van het beheer van sociale zekerheidsfondsen, uitoefenen op een lager niveau dan de centrale overheid en op een hoger niveau dan de institutionele eenheden van de lagere overheid (ESR 2010, paragraaf 2.115).

Lagere overheid

Deze subsector (S.1313) omvat de instellingen van openbaar bestuur waarvan de bevoegdheid zich slechts tot een lokaal gedeelte van het economische gebied uitstrekt, met uitzondering van de plaatselijke instellingen van socialezekerheidsfondsen (ESR 2010, paragraaf 2.116).

Socialezekerheidsfondsen

De subsector socialezekerheidsfondsen (S.1314) zijn institutionele eenheden op centraal, deelstaat- en lokaal niveau waarvan de hoofdactiviteit bestaat uit het verstrekken van sociale uitkeringen en die aan de twee volgende criteria voldoen: a) bepaalde bevolkingsgroepen zijn bij wet- of regelgeving verplicht aan de regeling deel te nemen dan wel premies te betalen; en b) de overheid is verantwoordelijk voor het beheer van de instelling wat de vaststelling of goedkeuring van de premies en uitkeringen betreft, ongeacht haar rol als toezichthoudend orgaan of werkgever (ESR 2010, paragraaf 2.117).

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF’s

Beleggingsfondsen zoals vastgesteld in Verordening (EU) nr. 1073/2013 (ECB/2013/38). De subsector bestaat uit alle collectieve beleggingsinstellingen — m.u.v. geldmarktfondsen — die beleggen in financiële en/of niet-financiële activa voor zover deze belegging beogen van bij het publiek aangetrokken beleggingskapitaal.

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen + financiële hulpbedrijven + Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

De overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door het aangaan van verplichtingen, m.u.v. van in chartaal geld luidende verplichtingen, deposito’s (of daarmee vergelijkbare financiële titels), aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen of in verband met verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen bij institutionele eenheden (ESR 2010, paragraaf 2.86 tot en met 2.94).

De subsector financiële hulpbedrijven (S.126) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met activiteiten die nauw verband houden met financiële intermediatie, maar zelf geen financiële intermediairs zijn. Deze subsector omvat eveneens hoofdkantoren waarvan de dochterondernemingen alle of financiële vennootschappen zijn (ESR 2010, paragraaf 2.95 tot en met 2.97).

De subsector financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich noch met financiële intermediatie, noch met het verlenen van financiële hulpdiensten bezighouden en waarvan het merendeel van hetzij de activa hetzij de passiva niet op open markten wordt verhandeld. Deze subsector omvat holdings die een zeggenschapsbelang bezitten in een groep dochterondernemingen en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten van de groep zonder dat andere diensten worden verleend aan de ondernemingen waarin zij dat belang bezitten, m.a.w. zij besturen of beheren geen andere eenheden (ESR 2010, paragraaf 2.98 tot en met 2.99).

Verzekeringsinstellingen

De subsector verzekeringsinstellingen (S.128) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van risico’s, hoofdzakelijk in de vorm van directe verzekering of herverzekering (ESR 2010, paragraaf 2.100 tot en met 2.104).

Pensioenfondsen

De subsector pensioenfondsen (S.129) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van sociale risico’s en behoeften van de verzekerden (sociale verzekering). Pensioenfondsen als socialeverzekeringsregelingen verschaffen een inkomen aan gepensioneerden en vaak uitkeringen bij overlijden en invaliditeit (ESR 2010, paragraaf 2.105 tot en met 2.110).

Niet-financiële vennootschappen

De sector niet-financiële vennootschappen (S.11) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten. Deze sector omvat tevens niet-financiële quasivennootschappen (ESR 2010, paragraaf 2.45 tot en met 2.54).

Huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens

De sector huishoudens (S.14) bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen (ESR 2010, paragraaf 2.118 tot en met 2.128).

De sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (IZWBH) (S.15) bestaat uit instellingen zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen (ESR 2010, paragraaf 2.129 tot en met 2.130).

Eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid (subsector van „huishoudens”)

Eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtsperssonlijkheid, voor zover ze niet als quasivennootschappen worden behandeld, en die marktproducenten zijn (ESR 2010, paragraaf 2.119 d).


(1)  In de tabellen van deze bijlage wordt de ECB geclassificeerd als een ingezeten MFI van het land waar de ECB is gevestigd.

(2)  Dochterondernemingen zijn afzonderlijke rechtspersoonlijkheid bezittende entiteiten waarin een andere entiteit een meerderheidsbelang of een belang van 100 % heeft, terwijl bijkantoren juridisch onzelfstandige (niet rechtspersoonlijkheid bezittende) entiteiten zijn die volledig eigendom zijn van de moedermaatschappij.


BIJLAGE III

TOEPASSING VAN RESERVEVERPLICHTINGEN EN GERELATEERDE SPECIALE REGELS

DEEL I

Reserveverplichtingen voor kredietinstellingen: algemene regels

1.

Met een * gemarkeerde cellen in tabel 1 van bijlage I worden gebruikt bij de berekening van de reservebasis. Wat betreft schuldbewijzen, moeten de kredietinstellingen ofwel het bewijs van de passiva leveren om vrijgesteld te worden van de reservebasis ofwel een genormaliseerd bedrag aftrekken ter grootte van een door de Europese Centrale Bank (ECB) gespecificeerd percentage. De geschakeerde cellen worden uitsluitend gerapporteerd door reserveplichtige kredietinstellingen.

2.

De kolom „w.v. kredietinstellingen met reserveverplichtingen, ECB en nationale centrale banken (NCB’s)” bevat niet de passiva van rapporterende instellingen jegens instellingen die in de lijst van instellingen worden genoemd als zijnde vrijgesteld van het aanhouden van reserveverplichtingen van de ECB, d.w.z. instellingen die zijn vrijgesteld om andere redenen dan reorganisatie. instellingen die op grond van reorganisatie tijdelijk van hun reserveverplichtingen zijn ontheven, worden behandeld als instellingen met reserveverplichtingen. Passiva jegens deze instellingen vallen derhalve onder de kolom „w.v. kredietinstellingen met reserveverplichtingen, ECB en NCB’s”. Onder deze kolom vallen ook de verplichtingen jegens instellingen die door toepassing van de vasteaftrekregeling feitelijk niet verplicht zijn tot het aanhouden van reserves bij het Europees Stelsel van centrale banken.

3.

Volledige rapporteurs kunnen ook informatie verstrekken over posities ten opzichte van „andere MFI’s dan kredietinstellingen met reserveverplichtingen, ECB en NCB’s”, in plaats van posities ten opzichte van „MFI’s” en „kredietinstellingen met reserveverplichtingen, ECB en NCB’s”, op voorwaarde dat dit niet ten koste gaat van de gedetailleerdheid van gegevens en geen gevolgen heeft voor posities in niet-geschakeerde cellen. Voorts bestaat de mogelijkheid dat kredietinstellingen met reserveverplichtingen, afhankelijk van de nationale inzamelingssystemen en zonder dat dit afbreuk doet aan de verplichting tot het hanteren van de definities en classificatiebeginselen met betrekking tot de MFI-balans zoals neergelegd in deze verordening, de noodzakelijke gegevens voor het berekenen van de reservebasis, uitgezonderd die welke betrekking hebben op verhandelbare waardepapieren, verstrekken overeenkomstig de beneden aangegeven tabel, mits dit niet ten koste gaat van de posities in de geschakeerde cellen in tabel 1 van bijlage I.

4.

Kredietinstellingen die bij de zogenaamde „cutting-off-the-tail”-procedure zijn betrokken, rapporteren ten minste de kwartaalgegevens die nodig zijn om de reservebasis te berekenen overeenkomstig de tabel hierna.

5.

Voor rapportage overeenkomstig de tabel hierna, moet een strikte overeenstemming met tabel 1 van bijlage I gewaarborgd worden.
Image 10
Tekst van het beeld

DEEL 2

Speciale regels

SECTIE 1

Statistische rapportage op geaggregeerde basis als groep door kredietinstellingen waarop het stelsel van reserveverplichtingen van de ECB van toepassing is

1.1.

Afhankelijk van de vervulling van de in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9) uiteengezette voorwaarden, kan de directie reserveplichtige kredietinstellingen toestaan statistieken geaggregeerd als groep binnen een lidstaat te rapporteren. Alle betrokken instellingen worden afzonderlijk opgenomen in de lijst van MFI’s van de ECB.

1.2.

Indien kredietinstellingen toestemming is verleend minimumreserves aan te houden via een bemiddelende instelling, op grond van artikel 10 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9), en geen voordeel hebben van de in deze paragraaf bedoelde rapportage als groep, kan de betreffende NCB de bemiddelende instelling machtigen statistieken namens kredietinstellingen geaggregeerd te rapporteren (m.u.v. van die betreffende de reservebasis). Alle betrokken instellingen worden afzonderlijk opgenomen in de lijst van MFI’s van de ECB.

1.3.

Indien de groep van kredietinstellingen slechts bestaat uit instellingen die bij de zogenaamde „cutting-off-the-tail”-procedure zijn betrokken, dienen zij slechts te voldoen aan de regels betreffende vereenvoudigde rapportage voor instellingen die bij de zogenaamde „cutting-off-the-tail”-procedure zijn betrokken. In alle andere gevallen blijft het volledige rapportageschema op de hele groep van toepassing.

SECTIE 2

Reserveverplichtingen in het geval van fusies waarbij kredietinstellingen zijn betrokken

2.1.

Voor de toepassing van deze bijlage hebben de termen „fusie”, „fuserende instellingen”, en „overnemende instelling” dezelfde betekenis als in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9).

2.2.

Voor de reserveperiode waarin een fusie plaatsvindt, worden de reserveverplichtingen van de overnemende instelling berekend en moeten deze worden nagekomen zoals vastgelegd in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9).

2.3.

Voor de daarop volgende reserveperiodes wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis en van statistische informatie die wordt gerapporteerd overeenkomstig de regels in de tabel hierna. In andere gevallen gelden de normale regels voor het rapporteren van statistische informatie en het berekenen van reserveverplichtingen, zoals vastgelegd in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9).

2.4.

Zonder afbreuk te doen aan de in de vorige paragrafen uiteengezette verplichtingen, kan de betreffende NCB de overnemende instelling toestemming geven via tijdelijke procedures te voldoen aan de verplichtingen om statistische informatie te rapporteren, bijvoorbeeld aparte formulieren voor elk van de fuserende instellingen gedurende verscheidene perioden nadat de fusie heeft plaatsgevonden. De duur van deze vrijstelling van normale rapportageprocedures dient zoveel mogelijk beperkt te blijven en een periode van zes maanden nadat de fusie heeft plaatsgevonden, niet te overschrijden. Deze vrijstelling laat de verplichting van de overnemende instelling onverlet om te voldoen aan haar rapportageverplichtingen overeenkomstig deze verordening en, indien van toepassing, aan haar verplichting om de rapportageverplichtingen van fuserende instellingen op zich te nemen overeenkomstig deze bijlage.

Tabel

Specifieke regels voor de berekening van reserveverplichtingen van kredietinstellingen die betrokken zijn bij een fusie (1)

Gevalnummer

Type fusie

Te vervullen verplichtingen

1

Een fusie waarbij een volledige rapporteur (overnemende instelling) één of meer volledige rapporteurs (fuserende instellingen) overneemt, wordt van kracht na de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van maandelijkse statistische informatie die betrekking heeft op de voorafgaande maand

Voor de reserveperiode die volgt op de fusie, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de overnemende instelling en de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebases zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebases indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht

2

Een fusie waarbij een volledige rapporteur (overnemende instelling) één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, en mogelijk één of meer volledige rapporteurs (fuserende instellingen) overneemt, wordt van kracht na de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal

Voor de reserveperiode die volgt op de fusie, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de overnemende instelling en de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebases zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebases indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht

3

Een fusie waarbij een volledige rapporteur (overnemende instelling) één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, en mogelijk één of meer volledige rapporteurs (fuserende instellingen) overneemt, wordt van kracht na de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal

Voor de reserveperiode die volgt op de fusie, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de overnemende instelling en de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebases zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebases indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht. De overnemende instelling dient, naast haar eigen rapportageverplichtingen, de rapportageverplichtingen van de fuserende instellingen te vervullen wat betreft statistische informatie die betrekking heeft op de aan de fusie voorafgaande maand

4

Een fusie waarbij een volledige rapporteur (overnemende instelling) één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, en mogelijk één of meer volledige rapporteurs (fuserende instellingen) overneemt, wordt van kracht in de periode tussen het einde van een kwartaal en de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal

Voor de reserveperiode die volgt op de fusie, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de overnemende instelling en de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebasissen zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebasissen indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht. De overnemende instelling dient, naast haar eigen rapportageverplichtingen, de rapportageverplichtingen van de fuserende instellingen te vervullen wat betreft statistische informatie die betrekking heeft op de maand die of het kwartaal dat aan de fusie voorafgaat, afhankelijk van de instelling

5

Een fusie waarbij een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is (overnemende instelling), één of meer volledige rapporteurs en mogelijk één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn (fuserende instellingen), overneemt, wordt van kracht na de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op de voorafgaande maand

Dezelfde procedure als in geval 1 is van toepassing

6

Een fusie waarbij een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is (overnemende instelling), één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn (fuserende instellingen) overneemt, wordt van kracht na de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal

Vanaf de op de fusie volgende reserveperiode en tot de overnemende instelling voor de eerste keer na de fusie kwartaalgegevens heeft gerapporteerd, overeenkomstig de verminderde statistische rapportageverplichtingen die gelden voor rapporteurs die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, zoals vastgelegd in bijlage III bij deze verordening, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de overnemende instelling en de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebases zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebases indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht

7

Een fusie waarbij een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is (overnemende instelling), één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn (fuserende instellingen), overneemt, wordt van kracht na de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal en waarbij de instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is, als gevolg van de fusie, een volledige rapporteur wordt

Dezelfde procedure als in geval 2 is van toepassing

8

Een fusie waarbij een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is (overnemende instelling), één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn (fuserende instellingen), overneemt, wordt van kracht in de periode tussen het einde van een kwartaal en de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal

Vanaf de op de fusie volgende reserveperiode en tot de overnemende instelling voor de eerste keer na de fusie kwartaalgegevens heeft gerapporteerd, overeenkomstig de verminderde statistische rapportageverplichtingen die gelden voor rapporteurs die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, zoals vastgelegd in bijlage III, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de overnemende instelling en de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebases zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebases indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht. De overnemende instelling dient, naast haar eigen rapportageverplichtingen, de rapportageverplichtingen van de fuserende instellingen te vervullen wat betreft statistische informatie die betrekking heeft op het aan de fusie voorafgaande kwartaal

9

Een fusie waarbij een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is (overnemende instelling), één of meer volledige rapporteurs en mogelijk één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn (fuserende instellingen) overneemt, wordt van kracht in de periode tussen het einde van een maand en de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van maandelijkse statistische informatie die betrekking heeft op de voorafgaande maand

Dezelfde procedure als in geval 3 is van toepassing

10

Een fusie waarbij een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is (overnemende instelling), één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn (fuserende instellingen) overneemt, wordt van kracht in de periode tussen het einde van een kwartaal en de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal en waarbij de instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is, als gevolg van de fusie, een volledige rapporteur wordt

Dezelfde procedure als in geval 4 is van toepassing

11

Een fusie waarbij een volledige rapporteur (overnemende instelling) wordt gevormd van één of meer volledige rapporteurs (fuserende instellingen), wordt van kracht in de periode tussen het einde van een maand en de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van maandelijkse statistische informatie die betrekking heeft op de voorafgaande maand

Voor de reserveperiode die volgt op de fusie, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebases zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebases indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht. De overnemende instelling vervult de rapportageverplichtingen van de fuserende instellingen wat betreft de statistische informatie die betrekking heeft op de aan de fusie voorafgaande maand

12

Een fusie waarbij een volledige rapporteur (overnemende instelling) wordt gevormd van één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, en mogelijk één of meer volledige rapporteurs (fuserende instellingen), wordt van kracht in de periode tussen het einde van een kwartaal en de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal

Voor de reserveperiode die volgt op de fusie, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebases zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebases indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht De overnemende instelling vervult de rapportageverplichtingen van de fuserende instellingen wat betreft gegevens die betrekking hebben op de maand die of het kwartaal dat aan de fusie voorafgaat, afhankelijk van de instelling

13

Een fusie waarbij een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is (overnemende instelling), wordt gevormd van één of meer instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn (fuserende instellingen), wordt van kracht in de periode tussen het einde van een kwartaal en de door de betreffende NCB vastgestelde einddatum voor het rapporteren van statistische informatie die betrekking heeft op het voorafgaande kwartaal

Vanaf de op de fusie volgende reserveperiode en tot de overnemende instelling voor de eerste keer na de fusie kwartaalgegevens heeft gerapporteerd, overeenkomstig de verminderde statistische rapportageverplichtingen die gelden voor rapporteurs die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, zoals vastgelegd in bijlage III, wordt de reserveverplichting van de overnemende instelling berekend op basis van een reservebasis die de som is van de reservebasissen van de overnemende instelling en de fuserende instellingen. De bij elkaar te voegen reservebases zijn de voor deze reserveperiode relevante reservebases indien de fusie niet had plaatsgevonden. Er geldt dat slechts eenmaal een vast bedrag op de reserveverplichting in mindering kan worden gebracht De overnemende instelling neemt de rapportageverplichtingen op zich van de fuserende instellingen wat betreft gegevens die betrekking hebben op het aan de fusie voorafgaande kwartaal


(1)  Deze tabel geeft de details van meer complexe procedures die van toepassing zijn op specifieke gevallen. Voor gevallen die niet in de tabel voorkomen, gelden de normale regels voor het rapporteren van statistische informatie en het berekenen van reserveverplichtingen, zoals uiteengezet in artikel 3 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9).


BIJLAGE IV

MINIMUM KWALITEITSNORMEN WAARAAN DE RAPPORTAGE DOOR DE WERKELIJKE POPULATIE VAN INFORMATIEPLICHTIGEN MOET VOLDOEN

Informatieplichtigen dienen de volgende minimumnormen in acht te nemen om aan de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank (ECB) te voldoen.

1.

Minimumnormen voor transmissie:

a)

de rapportage moet tijdig plaatsvinden en binnen de termijn die door de desbetreffende NCB is vastgesteld;

b)

vorm en formaat van de statistische rapporten moeten voldoen aan de technische rapportagevereisten die hiervoor door de NCB’s zijn vastgesteld;

c)

de informatieplichtige dient de betrokken NCB details te verstrekken inzake één of meerdere contactpersonen;

d)

de datatransmissie aan de NCB’s moet gebeuren met inachtneming van de daarvoor vastgestelde technische specificaties.

2.

Minimumnormen voor nauwkeurigheid:

a)

statistische informatie moet juist zijn: aan alle lineaire verbanden wordt voldaan (bijv. activa en passiva dienen gelijk te zijn, en opgetelde subtotalen dienen gelijk te zijn aan de totalen), en de gegevens van de verschillende perioden moeten consistent zijn;

b)

informatieplichtigen zijn in staat informatie te verschaffen over de ontwikkelingen waarop de verstrekte gegevens duiden;

c)

statistische gegevens moeten volledig zijn: er moet gewezen worden op eventuele leemtes, waarvoor aan de NCB een verklaring moet worden gegeven en die, waar van toepassing, zo snel mogelijk moeten worden verholpen;

d)

de informatieplichtigen houden zich aan de afmetingen, het afrondingsbeleid en decimalen die door de NCB’s voor de technische transmissie van de gegevens zijn vastgesteld.

3.

Minimumnormen voor de conceptuele naleving:

a)

statistische gegevens worden gepresenteerd met inachtneming van de definities en classificaties zoals vervat in deze verordening;

b)

in geval van afwijkingen van deze definities en classificaties, moeten de informatieplichtigen, waar van toepassing, op gezette tijden het verschil controleren en kwantificeren tussen de gebruikte maatstaf en de maatstaf in deze verordening;

c)

informatieplichtigen moeten een verklaring kunnen geven voor een eventuele breuk in de verstrekte gegevens ten opzichte van de cijfers van voorgaande perioden.

4.

Minimumnormen voor herzieningen:

De informatieplichtigen moeten het door de ECB en de betrokken NCB vastgestelde herzieningenbeleid en -procedures volgen. Herzieningen die afwijken van regelmatige herzieningen worden van een toelichting voorzien.


BIJLAGE V

INGETROKKEN VERORDENING EN OPEENVOLGENDE WIJZIGINGEN ERVAN

 

Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32)

(PB L 15 van 20.1.2009, blz. 14).

 

Verordening (EU) nr. 883/2011

(PB L 228 van 3.9.2011, blz. 13).


BIJLAGE VI

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32)

Deze verordening

Artikel 1a

Artikel 2

Artikel 2

Artikel 3

Artikel 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Artikel 12

Artikel 13

Artikel 13

Artikel 14

Artikel 14

Artikel 15

Artikel 15

Artikel 16

Bijlage I, deel 2, sectie 5.2a

Bijlage I, deel 2, sectie 5.3

Bijlage I, deel 2, sectie 5.2b

Bijlage I, deel 2, sectie 5.4

Bijlage I, deel 2, sectie 5.3

Bijlage I, deel 2, sectie 5.5

Bijlage I, deel 2, sectie 5.4

Bijlage I, deel 2, sectie 5.6

Bijlage I, deel 2, sectie 5.5

Bijlage I, deel 2, sectie 5.7

Bijlage I, deel 3, sectie 4

Bijlage I, deel 3, sectie 4

Bijlage I, deel 3, sectie 5

Bijlage I, deel 3, sectie 5

Bijlage I, deel 3, sectie 6

Bijlage I, deel 3, sectie 6

Bijlage I, deel 3, sectie 7

Bijlage I, deel 4

Bijlage I, deel 5

Bijlage I, deel 4

Bijlage I, deel 6

Bijlage I, deel 7

Bijlage I, deel 8

Bijlage I, deel 5

Bijlage I, deel 6

Bijlage I, deel 7


7.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/51


VERORDENING (EU) Nr. 1072/2013 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 24 september 2013

met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen gehanteerde rentetarieven (herschikking)

(ECB/2013/34)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), inzonderheid artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 4,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 63/2002 van de Europese Centrale Bank van 20 december 2001 met betrekking tot statistieken van door monetaire financiële instellingen ten aanzien van huishoudens en niet-financiële vennootschappen gehanteerde rentetarieven op deposito's en leningen (ECB/2001/18) (2) werd wezenlijk gewijzigd. Aangezien verdere wijzigingen nodig zijn, in het bijzonder in het licht van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (3), is omwille van de duidelijkheid een herschikking noodzakelijk.

(2)

Het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) heeft voor de uitvoering van zijn taken statistieken nodig met betrekking tot de door monetaire financiële instellingen (MFI's) met uitzondering van de centrale banken en geldmarktfondsen ten aanzien van huishoudens en niet-financiële vennootschappen gehanteerde rentetarieven op deposito's en leningen. Het belangrijkste doel daarvan is de Europese Centrale Bank (ECB) een volledig, gedetailleerd en geharmoniseerd statistisch beeld te geven van de door deze instellingen gehanteerde rentetarieven en de wijzigingen ervan. Deze rentetarieven vormen de laatste schakel in het mechanisme voor de doorwerking van het monetaire beleid dat voortvloeit uit gewijzigde officiële rentetarieven, en zijn daardoor een noodzakelijke eerste voorwaarde voor een betrouwbare analyse van monetaire ontwikkelingen in de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna „eurogebied-lidstaten”). Tegelijkertijd heeft het ESCB informatie over de renteontwikkeling nodig om een bijdrage te kunnen leveren aan een soepele beleidsvoering door de bevoegde autoriteiten met betrekking tot het bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen en de stabiliteit van het financiële stelsel.

(3)

Overeenkomstig het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie en krachtens de in de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna de „ESCB-statuten”) neergelegde voorwaarden, stelt de ECB verordeningen op, voorzover deze nodig zijn voor de uitvoering van de ESCB-taken overeenkomstig de ESCB-statuten en in sommige gevallen zoals vastgelegd in de door de Raad aangenomen bepalingen op grond van artikel 129, lid 4, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie.

(4)

Artikel 5.1 van de ESCB-statuten vereist dat de ECB, bijgestaan door de nationale centrale banken (NCB's), hetzij bij de bevoegde nationale autoriteiten of rechtstreeks bij de economische subjecten de voor de vervulling van de ESCB-taken benodigde statistische gegevens verzamelt. Artikel 5.2 van de ESCB-statuten bepaalt dat de NCB's voor zover mogelijk de in artikel 5.1 omschreven taken uitvoeren.

(5)

Het kan noodzakelijk zijn, en tevens de rapportagelast verminderen, dat de NCB's bij de werkelijke populatie van informatieplichtigen de statistische gegevens verzamelen die nodig zijn om aan de statistische rapportageverplichtingen van de ECB te voldoen als onderdeel van een breder kader voor statistische rapportage dat de NCB's onder eigen verantwoordelijkheid overeenkomstig Uniewetgeving of nationale wetgeving, respectievelijk gevestigd gebruik opzetten en dat ook andere statistische doeleinden dient, mits de statistische rapportageverplichtingen aan de ECB worden nagekomen. Het is in deze gevallen voor een grotere doorzichtigheid aangewezen de informatieplichtigen ervan in kennis te stellen dat de gegevens voor andere statistische doeleinden worden verzameld. In specifieke gevallen kan de ECB ter voldoening aan haar verplichtingen gebruikmaken van de aldus verzamelde statistische gegevens.

(6)

Sinds de vaststelling van Verordening (EG) nr. 63/2002 (ECB/2001/18) zijn het rapportageschema voor nieuwe leningen aan huishoudens en aan niet-financiële ondernemingen en de methoden voor de selectie van de werkelijke populatie van informatieplichtigen meermaals verbeterd, waarmee aangaande de instructies voor steekproeven en de statistische rapportagevereisten rekening moet worden gehouden.

(7)

Het is tevens noodzakelijk de ECB in staat te stellen analytische en statistische ondersteuning te verlenen aan het Europees Comité voor systeemrisico’s, zulks overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1096/2010 van de Raad van 17 november 2010 tot toewijzing aan de Europese Centrale Bank van specifieke taken betreffende de werking van het Europees Comité voor systeemrisico’s (4).

(8)

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2533/98 vereist dat de ECB uit de referentiepopulatie van informatieplichtigen de werkelijke populatie van informatieplichtigen bepaalt en de rapportagelast tot een minimum beperkt. Gezien de kenmerkende eigenschappen van de MFI-sector in elk van de eurogebied-lidstaten wordt de uiteindelijke keuze van de selectiemethode wat betreft de werkelijke populatie van informatieplichtigen aan de NCB's overgelaten. Het doel is de rapportagelasten te verlichten, terwijl tegelijkertijd de hoge kwaliteit van de statistieken wordt verzekerd. Artikel 5, lid 1, bepaalt dat de ECB verordeningen kan aannemen voor de vaststelling en het opleggen van haar vereisten met betrekking tot het rapporteren van statistische gegevens aan de werkelijke populatie van informatieplichtigen van de eurogebied-lidstaten. Artikel 6, lid 4, bepaalt dat de ECB verordeningen mag vaststellen tot nadere bepaling van de voorwaarden waaronder het recht tot verificatie of de gedwongen verzameling van statistische gegevens mag worden uitgeoefend.

(9)

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de lidstaten op het gebied van statistische informatie hun eigen organisatie dienen in te richten en volledig met het ESCB dienen samen te werken ter verzekering van de vervulling van de uit artikel 5 van de ESCB-statuten voortvloeiende verplichtingen.

(10)

Verordeningen die door de ECB uit hoofde van artikel 34.1 van de statuten worden vastgesteld kennen weliswaar geen rechten toe en leggen geen verplichtingen op aan lidstaten die de euro niet als munt hebben (hierna „niet-eurogebied-lidstaten”), maar artikel 5 van de ESCB-statuten is desalniettemin zowel op eurogebied-lidstaten als niet-eurogebied-lidstaten van toepassing. Overweging 17 van Verordening (EG) nr. 2533/98 verwijst naar het feit dat artikel 5 van de ESCB-statuten, samen met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie, voor de niet-eurogebied-lidstaten, om eurogebied-lidstaten te kunnen worden, de verplichting inhoudt om op nationaal niveau alle maatregelen te nemen en uit te voeren die zij dienstig achten voor de verzameling van de statistische gegevens die nodig zijn om te voldoen aan de door de ECB opgelegde statistische rapportageverplichtingen, evenals voor het tijdig treffen van voorbereidingen op het gebied van statistieken,

(11)

De normen voor de bescherming en het gebruik van vertrouwelijke statistische informatie, zoals vastgelegd in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2533/98, dienen van toepassing te zijn.

(12)

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de ECB bevoegd is sancties op te leggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de in ECB-verordeningen of -besluiten vastgelegde statistische rapportageverplichtingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van deze verordening betekent:

1.

de termen „informatieplichtigen” en „ingezetenen” hebben dezelfde betekenis als gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98;

2.

„huishoudens”: de sector huishoudens en de sector instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens (S.14 en S.15 gecombineerd), zoals uiteengezet in het herziene Europees systeem van rekeningen (hierna „ESR-2010”), neergelegd in Verordening (EU) nr. 549/2013.

3.

„niet-financiële vennootschappen”: de sector niet-financiële vennootschappen (S.11), zoals uiteengezet in ESR-2010.

4.

„monetaire financiële instelling” (MFI) heeft dezelfde betekenis als omschreven in artikel 1 van Verordening (EU) nr. /2013 1071van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (5);

5.

„MFI-rentestatistieken”: statistieken met betrekking tot de rentetarieven die ingezeten MFI's m.u.v. centrale banken en geldmarktfondsen ten aanzien van in de eurogebied-lidstaten ingezeten huishoudens en niet-financiële vennootschappen op in euro luidende deposito's en leningen. „MFI-rentestatistieken” omvatten de respectievelijke nieuw afgesloten contracten van in euro luidende deposito's en leningen, alsook nieuwe transactievolumes van overgesloten leningen;

6.

„geldmarktfonds” heeft dezelfde betekenis als omschreven in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 25/2009 van de Europese Centrale Bank (ECB/2008/32) (6);

7.

„referentiepopulatie van informatieplichtigen”: ingezeten MFI's m.u.v. centrale banken en geldmarktfondsen die in euro luidende deposito's aantrekken van of in euro luidende leningen verstrekken aan in de lidstaten van het eurogebied ingezeten huishoudens en/of niet-financiële vennootschappen;

8.

„een instelling die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken is”: een kleine MFI m.u.v. een centrale bank of een geldmarktfonds met een vrijstelling krachtens artikel 4.

Artikel 2

Werkelijke populatie van informatieplichtigen

1.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen dient te bestaan uit ingezeten MFI’s m.u.v. centrale banken en geldmarktfondsen en andere uit de referentiepopulatie van informatieplichtigen geselecteerde instellingen en geselecteerd door de NCB's. NCB's dienen de werkelijke populatie van informatieplichtigen ofwel via een volledige telling of een steekproef te selecteren.

2.   In het geval van een steekproef verdelen de NCB's de referentiepopulatie van informatieplichtigen onder in homogene strata en selecteren vervolgens ofwel de werkelijke populatie van informatieplichtigen willekeurig in elk stratum of de grootste instellingen per stratum.

3.   In het geval van een aselecte steekproef dient de minimumgrootte van de nationale steekproef zodanig te zijn dat de maximale stochastische fout op nationaal niveau gemiddeld niet groter is dan 10 basispunten bij een betrouwbaarheidsniveau van 90 %. Bij selectie van de grootste instellingen, dient de minimumgrootte van de nationale steekproef te voldoen aan een soortgelijk niveau van kwaliteitsmeting op basis van een functie van de geschatte gemiddelde absolute waarde van de fouten.

4.   NCB’s passen tevens de formules en criteria voor de selectie van de werkelijke populatie van informatieplichtigen toe, zoals vastgelegd in Richtsnoer ECB/2007/9 van 1 augustus 2007 betreffende monetaire statistieken en statistieken inzake financiële instellingen en markten (7).

5.   Iedere NCB stelt haar ingezeten informatieplichtigen in kennis van hun statistische reportageverplichtingen op grond van nationale procedures.

6.   De Raad van bestuur heeft het recht naleving van dit artikel te controleren.

Artikel 3

Statistische rapportagevereisten

1.   Ten behoeve van de regelmatige productie van MFI-rentestatistieken verstrekt de werkelijke populatie van informatieplichtigen maandelijks statistische gegevens met betrekking tot nieuwe contracten en uitstaande bedragen aan de NCB van de lidstaat waarvan de informatieplichtige ingezetene is. De vereiste statistische gegevens zijn aangegeven in bijlage I.

2.   Overeenkomstig nationale kenmerken definiëren de NCB’s de door de werkelijke populatie van informatieplichtigen te volgen rapportageprocedures en passen deze toe. De NCB’s verzekeren dat deze rapportageprocedures de vereiste statistische informatie opleveren en een nauwkeurige controle mogelijk maken van de vervulling van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, naleving van concepten en herzieningen zoals vastgelegd in lid 3.

3.   De vereiste statistische gegevens worden gerapporteerd met inachtneming van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, naleving van concepten en herzieningen, zoals vastgelegd in bijlage II.

4.   De NCB's rapporteren de maandelijkse geaggregeerde nationale statistische informatie aan de ECB uiterlijk aan het einde van de 19e werkdag na het einde van de referentiemaand.

5.   De ECB kan sancties opleggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de statistische rapportagevereisten vervat in deze verordening, zulks overeenkomstig Besluit ECB/2010/10 van 19 augustus 2010 inzake niet-naleving van statistische rapportagevereisten (8).

Artikel 4

Vrijstellingen

1.   Indien de informatieplichtigen door een telling worden geselecteerd, kunnen NCB's vrijstellingen verlenen aan kleine MFI’s m.u.v. centrale banken en geldmarktfondsen in verband met de rapportagefrequentie, mits het gecombineerde aandeel van deze informatieplichtigen in de nationale MFI-balans in termen van uitstaande bedragen zoals berekend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2008/32) niet meer bedraagt dan 5 %. Instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, mogen de MFI-rentestatistieken niet maandelijks maar op kwartaalbasis rapporteren.

2.   NCB’s controleren jaarlijks tijdig of is voldaan aan de in de lid 1 vastgelegde voorwaarden teneinde, indien vereist, vanaf het begin van elk jaar een vrijstelling te verlenen of in te trekken.

3.   Instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn, kunnen afzien van de vrijstellingen en in plaats daarvan de volledige statistische rapportageverplichtingen nakomen.

4.   Voor extrapolatie tot een 100 %-dekking mogen de NCB's de gerapporteerde gegevens kopiëren naar de ontbrekende perioden door geëigende statistische ramingstechnieken toe te passen om rekening te houden met trends in de gegevens of seizoensinvloeden. De NCB's houden op jaarbasis toezicht op het aantal instellingen die bij de „cutting-off-the-tail”-procedure betrokken zijn.

Artikel 5

Verificatie en gedwongen verzameling

De NCB’s oefenen het recht tot verificatie of verzameling van de verplichte gegevens die de informatieplichtigen overeenkomstig deze verordening moeten verstrekken, uit, zulks onverminderd de bevoegdheid van de ECB om dit recht zelf uit te oefenen. In het bijzonder oefenen de NCB's dit recht uit wanneer een informatieplichtige niet voldoet aan de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, naleving van concepten en herzieningen, zoals vastgelegd in bijlage II.

Artikel 6

Eerste rapportage

Eerste rapportage op grond van deze verordening begint met de informatie over de maand december 2014.

Artikel 7

Intrekking

1.   Verordening (EU) nr. 63/2002 (ECB/2001/18) wordt met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden geïnterpreteerd als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 8

Slotbepaling

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is met ingang van 1 januari 2015 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 24 september 2013.

Voor de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)   PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)   PB L 10 van 12.1.2002, blz. 24.

(3)   PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1.

(4)   PB L 331 van 15.12.2010, blz. 162.

(5)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(6)   PB L 15 van 20.1.2009, blz. 14.

(7)   PB L 341 van 27.12.2007, blz. 1.

(8)   PB L 226 van 28.8.2010, blz. 48.


BIJLAGE I

RAPPORTAGEKADER VAN RENTESTATISTIEKEN VOOR MONETAIRE FINANCIËLE INSTELLINGEN

DEEL 1

Soort tarief

I.    Overeengekomen rente uitgedrukt in procenten per jaar

Algemene grondslag

1.

Het rentetype waarover informatieplichtigen voor alle categorieën deposito's en leningen die betrekking hebben op nieuwe contracten en op uitstaande bedragen, informatie dienen te verschaffen is de overeengekomen rente uitgedrukt in procenten per jaar (AAR, annualised agreed rate). Het is gedefinieerd als het rentetarief dat afzonderlijk tussen de informatieplichtige en het huishouden of de niet-financiële vennootschap is overeengekomen voor een deposito of lening, omgerekend op jaarbasis en uitgedrukt in procenten per jaar. De AAR omvat alle rentebetalingen op deposito's en leningen, maar geen andere mogelijk van toepassing zijnde kosten. Disagio, gedefinieerd als het verschil tussen het nominale bedrag van de lening en het door de klant ontvangen bedrag, wordt beschouwd als een rentebetaling bij aanvang van het contract (tijd t0) en daarom meegenomen in de AAR.

2.

Indien tussen de informatieplichtige en het huishouden of de niet-financiële vennootschap overeengekomen rentebetalingen op gezette tijden in een jaar worden gekapitaliseerd, bijvoorbeeld per maand of per kwartaal in de plaats van per jaar, wordt het overeengekomen tarief met behulp van de volgende formule omgerekend om de AAR af te leiden:

Formula

met:

x

de AAR,

rag

het rentetarief op jaarbasis dat is overeengekomen tussen de informatieplichtigen en het huishouden of de niet-financiële vennootschap voor een deposito of lening waarbij de rente op het deposito en alle betalingen en aflossingen van de lening op gezette tijden binnen een jaar worden gekapitaliseerd, en

n

het aantal kapitalisatieperioden voor de depositorente en betalings-/aflossingsperioden van de lening per jaar, d.w.z. 1 bij jaarlijkse betalingen, 2 bij halfjaarlijkse betalingen, 4 bij betalingen per kwartaal, en 12 bij maandelijkse betalingen.

3.

Nationale centrale banken (NCB’s) kunnen ook verlangen dat hun informatieplichtigen voor alle of voor sommige deposito- en leninginstrumenten die betrekking hebben op nieuwe contracten en uitstaande bedragen, het eng gedefinieerde rentetarief (NDER) rapporteren, in plaats van de AAR. Het eng gedefinieerde rentetarief is gedefinieerd als het door de informatieplichtige en het huishouden of de niet-financiële vennootschap overeengekomen rentetarief op jaarbasis dat gelijk is aan de contante waarde van alle actuele of toekomstige verplichtingen, met uitzondering van kosten (deposito's of leningen, betalingen of aflossingen of rentebetalingen). Het NDER is gelijk aan de rentecomponent van het jaarlijkse kostenpercentage (APRC) zoals gedefinieerd in artikel 3, onder i), van Richtlijn 2008/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 inzake kredietovereenkomsten voor consumenten en tot intrekking van Richtlijn 87/102/EEG van de Raad (1). Het NDER gebruikt een iteratieve benadering van het rentetarief op jaarbasis en kan daarom op elk type deposito of lening worden toegepast, terwijl de AAR de in paragraaf 2 gedefinieerde algebraïsche formule gebruikt en daarom alleen toegepast kan worden op deposito's en leningen met regelmatige kapitalisatie van rentebetalingen. Alle andere vereisten zijn hetzelfde, hetgeen inhoudt dat overal waar in het navolgende van deze bijlage sprake is van de AAR, dit ook van toepassing is op het NDER.

Behandeling van belastingen, subsidies en regulerende maatregelen

4.

De rentebetalingen die worden bestreken door de AAR, reflecteren wat de informatieplichtige betaalt op deposito's en ontvangt op leningen. Indien het door de ene partij betaalde bedrag verschilt van het door de andere partij ontvangen bedrag, is de opvatting van de informatieplichtige inzake het tarief bepalend voor de rentebetaling die gerapporteerd wordt voor doeleinden van rentestatistieken van MFI’s.

5.

Op grond van dit principe dienen rentetarieven op een brutobasis vóór belastingen te worden geregistreerd, aangezien de rentetarieven vóór belastingen weergeven wat informatieplichtigen op deposito's betalen en op leningen ontvangen.

6.

Voorts worden door derden aan huishoudens of niet-financiële vennootschappen toegekende subsidies niet meegenomen bij het bepalen van de rentebetaling, aangezien de subsidies niet betaald of ontvangen worden door de informatieplichtige.

7.

Gunstige tarieven die informatieplichtigen berekenen voor hun werknemers, worden meegenomen in MFI-rentestatistieken.

8.

Indien regulerende maatregelen rentebetalingen beïnvloeden, bijvoorbeeld renteplafonds of het verbod op vergoeding voor girale deposito's, wordt dit in MFI-rentestatistieken tot uitdrukking gebracht. Een wijziging in de regulerende maatregelen, bijvoorbeeld het niveau van toegepaste rentetarieven of renteplafonds, wordt in MFI-rentestatistieken weergegeven als een wijziging in het rentetarief.

II.    Jaarlijks kostenpercentage

9.

Naast AAR verstrekken de informatieplichtigen met betrekking tot nieuwe contracten voor consumptief krediet en leningen aan huishoudens voor de aankoop van een huis, d.w.z.:

één jaarlijks kostenpercentage voor nieuw consumptief krediet (zie indicator 30 in appendix 2), en

één jaarlijks kostenpercentage voor nieuwe leningen aan huishoudens voor de aankoop van een huis (zie indicator 31 in appendix 2) (2).

10.

In het jaarlijkse kostenpercentage zijn de „totale kosten van het aan de consument verleende krediet” opgenomen, zoals gedefinieerd in artikel 3, onder g), van Richtlijn 2008/48/EG. Deze totale kosten omvatten een rentecomponent en een component overige (ermee samenhangende) kosten, zoals de onderzoeks- en administratiekosten, kosten voor het opstellen van de documenten, garanties, kredietverzekering, enz.

11.

De samenstelling van de component overige kosten kan van land tot land verschillen, aangezien de definities in Richtlijn 2008/48/EG op verschillende manieren worden toegepast en omdat de nationale financiële systemen en de procedures voor het verstrekken van onderpand voor krediet verschillen.

III.    Conventies

12.

Informatieplichtigen gaan bij het samenstellen van het AAR uit van een standaardjaar van 365 dagen, d.w.z. het effect van een bijkomende dag in schrikkeljaren wordt genegeerd.

DEEL 2

Te rapporteren activiteiten

13.

Informatieplichtigen verstrekken MFI-rentestatistieken met betrekking tot uitstaande bedragen en nieuwe contracten.

IV.    Rentetarieven op uitstaande bedragen

14.

Uitstaande bedragen worden gedefinieerd als de stand van alle deposito's die door huishoudens en niet-financiële vennootschappen bij de informatieplichtige worden geplaatst en de stand van alle leningen die door de informatieplichtige aan huishoudens en niet-financiële vennootschappen worden verstrekt.

15.

Een rentetarief op uitstaande bedragen weerspiegelt het gewogen gemiddelde renteniveau dat van toepassing is op de stand van deposito's of leningen in de betreffende categorie instrumenten op het referentietijdstip zoals gedefinieerd in paragraaf 29. De gewogen gemiddelde rentetarieven zijn de som van de AAR vermenigvuldigd met de corresponderende uitstaande bedragen en gedeeld door de totale uitstaande bedragen. Het bestrijkt alle uitstaande saldi op contracten die zijn afgesloten in alle aan de rapportagedatum voorafgaande perioden.

V.    Nieuwe contracten met betrekking tot girale deposito's, deposito’s met opzegtermijn, schulden op kredietkaarten en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten

16.

In het geval van girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, schulden op kredietkaarten en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten zoals gedefinieerd in de paragrafen 46 tot en met 49 en 55, wordt het begrip nieuwe contracten uitgebreid tot het gehele uitstaande bedrag. Het debet- of creditsaldo, d.w.z. het uitstaande bedrag, op het referentietijdstip zoals gedefinieerd in paragraaf 32, wordt daarom gebruikt als een indicator voor de nieuwe contracten in girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, krediet op kredietkaarten en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten.

17.

Het rentetarief voor girale deposito’s, deposito’s met een opzegtermijn, schulden op kredietkaarten en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten reflecteert het gewogen gemiddelde renteniveau dat van toepassing is het uitstaande bedrag op deze rekeningen op het referentietijdstip zoals gedefinieerd in paragraaf 32. Het omvat de actuele balanspositie van alle uitstaande gedurende alle perioden vóór de referentiedatum overeengekomen contracten.

18.

Om de MFI-rentetarieven te berekenen op rekeningen die afhankelijk van het saldo deposito's of leningen kunnen zijn, maken informatieplichtigen een onderscheid tussen de perioden met een creditsaldo en de perioden met een debetsaldo. De informatieplichtigen rapporteren gewogen gemiddelde rentetarieven waarbij de creditsaldi als girale deposito's worden aangeduid, en gewogen gemiddelde rentetarieven waarbij de debetsaldi als rekening-courantkredieten worden aangeduid. Ze rapporteren geen gewogen gemiddelde rentetarieven waarin (lage) tarieven voor girale deposito's en (hoge) tarieven voor rekening-courantkredieten worden gecombineerd.

VI.    Nieuwe contracten in instrumentcategorieën m.u.v. girale deposito's, deposito’s met opzegtermijn, schulden op kredietkaart en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten

19.

De volgende paragrafen 20 tot en met 27 hebben betrekking op termijndeposito’s, repo-overeenkomsten (repo's), en alle leningen met uitzondering van doorlopende leningen en rekening-courantkredieten en schulden op kredietkaart zoals gedefinieerd in de paragrafen 46 tot en met 49 en 55. De paragrafen 22 en 23 inzake overgesloten leningen betreffen uitsluitend leningen met uitzondering van doorlopende leningen, rekening-courantkredieten en schulden op kredietkaart.

20.

Nieuwe contracten worden gedefinieerd als elke nieuwe overeenkomst tussen het huishouden of de niet-financiële vennootschap en de informatieplichtige. Nieuwe overeenkomsten omvatten:

alle financiële contracten die voor de eerste keer het rentetarief van het deposito of de lening vermelden, en

alle heronderhandelingen van bestaande deposito's en leningen zoals omschreven in paragraaf 21.

21.

Heronderhandelingen betreft de actieve betrokkenheid van de huishoudens of niet-financiële vennootschappen bij de aanpassing van de voorwaarden van een bestaande deposito of lening, met inbegrip van het rentetarief. Verruimingen en andere aanpassingen van de voorwaarden die automatisch worden uitgevoerd, d.w.z. zonder enigerlei actieve betrokkenheid van de huishouden of de niet-financiële vennootschap, zijn dus geen heronderhandelingen.

22.

Voor de afzonderlijke rapportage van het transactievolume van nieuwe contracten van overgesloten leningen aan huishoudens en niet-financiële vennootschappen in MFI-rentestatistieken betreft heronderhandeling nieuw afgesloten leningen, m.u.v. schulden op kredietkaarten, doorlopende leningen en rekening-courant kredieten, die reeds op de balans van de informatieplichtige staan op het einde van de aan de referentiemaand voorafgaande maand.

23.

Schuldherstructureringsleningen worden niet bij voorbaat uitgesloten uit overgesloten leningen. Indien de herstructurering evenwel een heronderhandeling van de rentevoet met zich meebrengt, en de lening dientengevolge wordt toegekend tegen een rentevoet onder de op de markt gangbare tarieven zoals omschreven in paragraaf 28, dient deze niet opgenomen te worden onder de overgesloten leningen of nieuwe contracten.

24.

Het rentetarief voor nieuwe contracten weerspiegelt het toepasselijke gewogen gemiddelde renteniveau op de deposito's en leningen in de betreffende categorie instrumenten met betrekking tot nieuwe afgesloten overeenkomsten tussen huishoudens en niet-financiële vennootschappen en de informatieplichtige in de referentieperiode zoals gedefinieerd in paragraaf 35.

25.

Wijzigingen in variabele rentetarieven in de zin van automatische aanpassingen van het rentetarief door de informatieplichtige zijn geen nieuwe overeenkomsten en worden daarom niet beschouwd als nieuwe contracten. Voor bestaande contracten worden deze wijzigingen in variabele tarieven derhalve niet meegenomen in tarieven voor nieuwe contracten, maar alleen in de gemiddelde tarieven op uitstaande bedragen.

26.

Een wijziging van een vast in een variabel rentetarief of omgekeerd (op tijdstip t1) in de loop van het contract, die bij aanvang van het contract (tijdstip t0) is afgesproken, is geen nieuwe overeenkomst, maar onderdeel van de voorwaarden van de lening zoals vastgelegd op tijdstip t0. Dergelijke wijzigingen worden derhalve niet beschouwd als nieuwe contracten.

27.

Een huishouden of niet-financiële vennootschap neemt bij het afsluiten van een lening, buiten een doorlopende lening of een rekening-courantkrediet normaliter het volledige bedrag bij aanvang van het contract op. Het kan een lening echter in een of meerdere tranches opnemen op de tijdstippen t1, t2, t3, enz. in plaats van het volledige bedrag bij aanvang van het contract (tijdstip t0). Het feit dat de lening in een of meerdere tranches wordt opgenomen is irrelevant voor MFI-rentestatistieken. De overeenkomst tussen het huishouden of de niet-financiële vennootschap en de informatieplichtige op tijdstip t0, met het rentetarief en het totale bedrag van de lening, wordt opgenomen in MFI-rentestatistieken met betrekking tot nieuwe contracten. Indien de heronderhandeling van de voorwaarden van de lening plaatsvinden na tijdstip t0, dient het volledige bedrag dat is toegekend en nog niet is terugbetaald tegen het tijdstip waarop de heronderhandeling plaatsvindt gerapporteerd te worden onder overgesloten leningen.

VII.    Behandeling van dubieuze leningen en leningen voor schuldherstructurering onder marktvoorwaarden

28.

Dubieuze leningen en schuldherstructureringsleningen voor die zijn verstrekt tegen onder de op de markt gangbare tarieven, worden niet opgenomen in de gewogen gemiddelde rentetarieven of in de transactievolumes nieuwe contracten. Dubieuze leningen worden gedefinieerd overeenkomstig 1071bijlage II bij Verordening (EU) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) en het totale bedrag van een volledig of gedeeltelijk als een dubieuze lening ingedeelde lening maakt geen deel uit van de MFI-rentestatistieken. Schuldherstructureringsleningen tegen onder de op de markt gangbare tarieven, d.w.z. schuldherstructurering aangaande debiteurs met financiële problemen dienen omschreven te worden in overeenstemming met de bestaande nationale definities.

DEEL 3

Referentietijdstip

VIII.    Referentietijdstip voor MFI-rentetarieven op uitstaande bedragen

29.

NCB's bepalen of de MFI-rentetarieven op uitstaande bedragen, d.w.z. de in appendix 1 beschreven indicatoren 1 tot en met 26, op nationaal niveau worden samengesteld als een momentopname op de laatste dag van de periode of als impliciete rentetarieven die betrekking hebben op periodegemiddelden. De bestreken periode is één maand.

30.

Rentetarieven op uitstaande bedragen die samengesteld worden als een momentopname op het einde van de maand, worden berekend als gewogen gemiddelden van de rentetarieven die van toepassing zijn op de deposito- en leningenstanden op een bepaald tijdstip op de laatste dag van de maand. Op dat tijdstip verzamelt de informatieplichtige de toepasselijke rentetarieven en de betreffende bedragen voor alle uitstaande deposito's en leningen ten opzichte van huishoudens en niet-financiële vennootschappen, en stelt voor iedere categorie instrumenten een gewogen gemiddeld rentetarief samen. In tegenstelling tot maandgemiddelden, bestrijken MFI-rentetarieven op uitstaande bedragen die samengesteld zijn als momentopnamen aan het einde van de maand, alleen die contracten die nog uitstaan op het tijdstip waarop de gegevens worden verzameld.

31.

Rentetarieven op uitstaande bedragen die samengesteld worden als impliciete op maandgemiddelden betrekking hebbende rentetarieven, worden berekend als quotiënten, met als teller de gecumuleerde rentestroom in de referentiemaand, d.w.z. het gecumuleerde bedrag aan rente dat op deposito's is verschuldigd en op leningen te ontvangen, en als noemer de gemiddelde maandstand. Aan het einde van de referentiemaand rapporteert de informatieplichtige voor iedere categorie instrumenten het gecumuleerde bedrag aan verschuldigde of te ontvangen rente in de loop van de maand en de gemiddelde deposito- en leningenstand in dezelfde maand. In tegenstelling tot waarnemingen op het einde van de maand omvatten de als maandgemiddelden samengestelde MFI-rentetarieven op uitstaande bedragen ook contracten die op enigerlei moment gedurende de maand uitstonden, maar niet meer uitstaan op het einde van de maand. De gemiddelde deposito- en leningenstanden in de referentiemaand worden idealiter samengesteld als het gemiddelde van de dagstanden in de maand. Als een minimumnorm wordt de gemiddelde maandstand afgeleid uit de dagsaldi voor categorieën volatiele instrumenten, d.w.z. ten minste girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimd krediet op kredietkaarten, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten. Voor alle andere categorieën instrumenten wordt de gemiddelde maandstand afgeleid uit weeksaldi of frequenter vastgestelde saldi.

IX.    Referentietijdstip voor nieuwe contracten met betrekking tot girale deposito's, deposito’s met opzegtermijn, verruimd krediet op kredietkaarten en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten

32.

NCB's bepalen of de MFI-rentetarieven op girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimd krediet op kredietkaarten, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, d.w.z. de in appendix 2 beschreven indicatoren 1, 5, 6, 7, 12, 23, 32 en 36, op nationaal niveau worden samengesteld als een momentopname op het einde van de periode of als impliciete op periodegemiddelden betrekking hebbende rentetarieven. De bestreken periode is één maand.

33.

Analoog aan de samenstelling van rente op uitstaande bedragen in appendix 1 worden de rentetarieven op girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimd krediet op kredietkaarten, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten samengesteld op een van de volgende manieren:

a)

een momentopname op het einde van de maand wordt berekend, d.w.z. gewogen gemiddelden van de rentetarieven die van toepassing zijn op deze deposito- en leningenstanden op een bepaald tijdstip op de laatste dag van de maand. Op dat tijdstip verzamelt de informatieplichtige de rentetarieven en de betreffende bedragen voor alle girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimd krediet op kredietkaarten, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten ten opzichte van huishoudens en niet-financiële vennootschappen en stelt voor iedere categorie instrumenten een gewogen gemiddeld rentetarief vast. In tegenstelling tot maandgemiddelden, bestrijken MFI-rentetarieven op uitstaande bedragen die samengesteld zijn als momentopnamen aan het einde van de maand, alleen die contracten die nog uitstaan op het tijdstip waarop de gegevens worden verzameld;

b)

impliciete rentetarieven die betrekking hebben op het maandgemiddelde, worden berekend, d.w.z. quotiënten met als teller het gecumuleerd bedrag aan verschuldigde rente op deposito's en te ontvangen op leningen, en als noemer het daggemiddelde van de standen. Aan het einde van de maand rapporteert de informatieplichtige voor girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimd krediet op kredietkaarten, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten het gedurende de maand gecumuleerde bedrag aan verschuldigde of te ontvangen rente en de gemiddelde deposito- en leningenstand gedurende dezelfde maand. Voor girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimd krediet op kredietkaarten, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten wordt de gemiddelde maandstand afgeleid uit de dagsaldi. In tegenstelling tot waarnemingen op het einde van de maand omvatten de als maandgemiddelden samengestelde MFI-rentetarieven op uitstaande bedragen ook contracten die op enigerlei moment gedurende de maand uitstonden, maar niet meer uitstaan op het einde van de maand.

34.

Betreffende bankrekeningen die een deposito of een lening kunnen zijn, afhankelijk van het saldo, indien MFI-rentetarieven worden samengesteld als een momentopname op het einde van de maand, bepaalt alleen het saldo op een bepaald tijdstip op de laatste dag van de maand of de rekening in deze maand als een giraal deposito of als een rekening-courantkrediet wordt beschouwd. Indien MFI-rentetarieven worden berekend als impliciete rentetarieven die betrekking hebben op het gemiddelde van de maand, wordt iedere dag vastgesteld of de rekening een deposito of een lening is. Vervolgens wordt het gemiddelde berekend van de dagelijkse creditsaldi en de dagelijkse debetsaldi om de gemiddelde maandstanden te berekenen voor de noemer van het impliciete rentetarief. Verder maken de stromen in de teller onderscheid tussen gecumuleerde verschuldigde rente op deposito's en te ontvangen rente op leningen. Informatieplichtigen rapporteren geen gewogen gemiddelde rentetarieven waarin (lage) tarieven voor girale deposito's en (hoge) tarieven voor rekening-courantkredieten worden gecombineerd.

X.    Referentietijdstip voor nieuwe contracten (m.u.v. girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, leningen op kredietkaarten en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten)

35.

MFI-rentetarieven voor nieuwe contracten met uitzondering van girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, leningen op kredietkaarten, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, d.w.z. alle in appendix 2 beschreven indicatoren met uitzondering van de indicatoren 1, 5, 6, 7, 12, 23, 32 en 36, worden berekend als periodegemiddelden. De bestreken periode is één (hele) maand.

36.

Voor iedere categorie instrumenten berekenen de informatieplichtigen het tarief voor nieuwe contracten als een gewogen gemiddelde van alle rentetarieven voor nieuwe transacties in de categorie instrumenten in de referentiemaand. Deze rentetarieven met betrekking tot het maandgemiddelde worden doorgegeven aan de NCB van de lidstaat die de euro als munt heeft (hierna de „eurogebied-lidstaat’) waarvan de informatieplichtige ingezetene is, samen met het bedrag van de nieuwe contracten die in de rapportagemaand voor iedere categorie instrumenten zijn afgesloten. Informatieplichtigen nemen de in de hele maand afgesloten nieuwe transacties in aanmerking.

37.

Voor de indicatoren voor overgesloten leningen aan huishoudens en niet-financiële vennootschappen, d.w.z. de indicatoren 88 tot en met 91 omschreven in appendix 2, is uitsluitend informatie over nieuwe contracten vereist. Alle heronderhandelingen van bestaande deposito's en leningen zoals omschreven in de paragrafen 22 tot 27 dienen in aanmerking genomen te worden, zelfs indien dat contract gedurende de referentiemaand meerdere malen is overgesloten.

DEEL 4

Categorieën instrumenten

XI.    Algemene bepalingen

38.

Informatieplichtigen verschaffen MFI-rentestatistieken met betrekking tot uitstaande bedragen voor de in appendix 1 aangegeven categorieën instrumenten en met betrekking tot nieuwe contracten voor de categorieën instrumenten in appendix 2. Zoals vastgelegd in paragraaf 16 zijn rentetarieven op girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimd krediet op kredietkaarten, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten rentetarieven op nieuwe contracten, hoewel het concept van nieuwe contracten wordt uitgebreid tot het gehele uitstaande bedrag, en daarom worden opgenomen in appendix 2.

39.

Een categorie instrumenten zoals omschreven in de appendices 1 en 2 is op nationaal niveau niet van toepassing in bepaalde eurogebied-lidstaten en worden daarom buiten beschouwing gelaten indien ingezeten kredietinstellingen en andere instellingen producten die tot deze categorie behoren, helemaal niet aanbieden aan in de lidstaat van het eurogebied ingezeten huishoudens en niet-financiële instellingen. Gegevens dienen te worden verschaft indien enige zakelijke activiteit bestaat, hoe gering die activiteit ook moge zijn.

40.

Voor iedere in appendix 1 en appendix 2 gedefinieerde categorie instrumenten, en toegepast op de bankzaken die door ingezeten kredietinstellingen en andere instellingen worden gedaan met in de eurogebied-lidstaten ingezeten huishoudens en niet-financiële vennootschappen, worden de MFI-rentestatistieken samengesteld op basis van alle rentetarieven die van toepassing zijn op alle producten die binnen deze categorie instrumenten vallen. Dit houdt in dat NCB's niet binnen elke categorie instrumenten een pakket binnenlandse producten mogen vaststellen waarvoor MFI-rentestatistieken worden verzameld; integendeel, de tarieven op alle door elk van de informatieplichtigen aangeboden producten moeten worden meegenomen. Zoals vermeld in artikel 16 van Richtsnoer ECB/2007/9 van 1 augustus 2007 betreffende monetaire statistieken en statistieken inzake financiële instellingen en markten (3), hoeven NCB's niet ieder product dat op nationaal niveau bestaat, in de steekproef op te nemen. Ze mogen echter geen hele categorie instrumenten uitsluiten op de grond dat de betrokken bedragen erg klein zijn. Dus indien een categorie instrumenten slechts door één instelling wordt aangeboden, wordt deze instelling opgenomen in de steekproef. Indien een categorie instrumenten ten tijde van de eerste steekproeftrekking niet bestaat in een eurogebied-lidstaat, maar een nieuw product dat tot deze categorie behoort daarna door een instelling wordt geïntroduceerd, wordt deze instelling bij de eerstvolgende controle van de representativiteit opgenomen in de steekproef. Indien binnen een bestaande instrumentcategorie een nieuw product wordt gecreëerd, rapporteren de instellingen in de steekproef hierover in hun eerstvolgende verslag, zoals van alle informatieplichtigen wordt vereist dat ze over al hun producten rapporteren.

41.

Uitzonderingen op het beginsel van dekking van alle rentetarieven toegepast op alle producten zijn rentetarieven op dubieuze leningen en leningen voor schuldherstructurering. Zoals aangegeven in paragraaf 28, worden dubieuze leningen en leningen voor schuldherstructurering tegen tarieven die lager liggen dan de in de markt gangbare tarieven, d.w.z. toegepast op debiteurs met financiële problemen, niet opgenomen in MFI-rentestatistieken.

XII.    Uitsplitsing naar munteenheid

42.

MFI-rentestatistieken bestrijken de rentetarieven die worden toegepast door de populatie van informatieplichtigen. Gegevens over deposito's en leningen in andere valuta's dan de euro zijn niet vereist voor alle eurogebied-lidstaten. Dit wordt weerspiegeld in de appendices 1 en 2 waar alle indicatoren betrekking hebben op in euro luidende deposito's en leningen.

XIII.    Uitsplitsing naar sector

43.

Met uitzondering van repo's, worden alle deposito's en leningen die vereist zijn voor MFI-rentestatistieken uitgesplitst naar sector. Appendices 1 en 2 maken daarom onderscheid tussen indicatoren ten opzichte van huishoudens (waaronder instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens) (4) en ten opzichte van niet-financiële vennootschappen (5). Bovendien worden aparte gegevens gerapporteerd voor eenmanszaken/personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid als een deel van huishoudens, maar uitsluitend aangaande nieuwe leningen voor „andere doeleinden”. NCB's kunnen afzien van het vereiste van afzonderlijke identificatie van leningen aan eenmanszaken indien dergelijke leningen minder dan 5 % uitmaken van de totale kredietverlening aan huishoudens in de eurogebied-lidstaat in termen van uitstaande bedragen zoals berekend overeenkomstig Verordening 1071(EU) nr. 25/2009 (ECB/2008/32).

44.

Indicator 5 in appendix 1 en indicator 11 in appendix 2 hebben betrekking op repo's. Ofschoon de vergoeding voor repo's niet in alle eurogebied-lidstaten onafhankelijk is van de sector van de houder, is voor repo's geen uitsplitsing vereist naar de sectoren huishoudens en niet-financiële vennootschappen op het niveau van alle eurogebied-lidstaten. Voorts is geen uitsplitsing naar looptijd vereist op het niveau van alle eurogebied-lidstaten, omdat wordt aangenomen dat repo's hoofdzakelijk van zeer korte termijn zijn. Het MFI-rentetarief op repo's heeft zonder differentiatie betrekking op beide sectoren.

45.

De indicatoren 5 en 6 in appendix 2 hebben betrekking op door huishoudens aangehouden deposito's met opzegtermijn. Het rentetarief en het gewicht voor deposito's met opzegtermijn hebben op het niveau van alle eurogebied-lidstaten echter betrekking op zowel door huishoudens als door niet-financiële vennootschappen aangehouden deposito's met opzegtermijn, d.w.z. beide sectoren worden samengenomen, maar ze worden toegerekend aan huishoudens. Op het niveau van alle eurogebied-lidstaten is geen uitsplitsing naar sector vereist.

XIV.    Uitsplitsing naar type instrument

46.

Tenzij in de hiernavolgende paragrafen 47 tot en met 55 anders wordt vermeld, zijn de uitsplitsing naar instrument voor MFI-rentetarieven en de definities van de verschillende soorten instrumenten overeenkomstig de categorieën activa en passiva zoals uiteengezet in deel 2 van bijlage II bij Verordening 1071(EU) nr. 25/2009 (ECB/2008/32).

47.

MFI-rentetarieven op girale deposito's, d.w.z. de indicatoren 1 en 7 in appendix 2, bestrijken alle girale deposito's, ongeacht of zij rentedragend zijn of niet. Renteloze girale deposito's worden dus meegenomen in MFI- rentestatistieken.

48.

In het kader van MFI-rentestatistieken hebben doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, d.w.z. de indicatoren 12 en 23 in appendix 2, dezelfde betekenis als in deel 2 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 25/2009 (ECB/2008/32), 1071ongeacht de initiële periode met vaste rente. Boetes op rekening-courantkredieten die worden opgelegd als een component van andere kosten, bijvoorbeeld in de vorm van speciale vergoedingen, worden niet verdisconteerd in het AAR zoals gedefinieerd in paragraaf 1, omdat dit tarief alleen de rentecomponent van leningen omvat. Onder deze categorie gerapporteerde leningen worden niet gerapporteerd onder een categorie nieuwe contracten.

49.

In het kader van MFI-rentestatistieken hebben schulden op kredietkaart dezelfde betekenis als gedefinieerd in deel 2 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 25/2009 1071(ECB/2008/32). Gegevens betreffende rente worden uitsluitend gerapporteerd aangaande verruimd krediet op kredietkaarten, in de indicatoren 32 en 36. De rente op faciliteitskrediet wordt niet apart gerapporteerd, aangezien de rente per definitie 0 % bedraagt. Het uitstaande faciliteitskrediet op kredietkaarten is echter opgenomen als een deel van MFI-rentestatistieken op uitstaande bedragen, samen met het uitstaande leningen op kredietkaarten. Noch het faciliteitskrediet op kredietkaarten, noch verruimd krediet op kredietkaarten worden onder enige andere indicator voor nieuwe contracten gerapporteerd.

50.

In het kader van MFI-rentestatistieken omvatten nieuwe leningen aan niet- financiële vennootschappen (behoudens doorlopende leningen en rekening- courantkredieten en schulden op kredietkaart), d.w.z. de indicatoren 37 tot en met 54, 80, 82, 84 en 91 in appendix 2, alle leningen, behoudens schulden op kredietkaart en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten aan vennootschappen ongeacht de hoogte ervan, terwijl de indicatoren 62 tot en met 79, 81, 83 en 85 gedekte leningen betreffen zoals omschreven in paragraaf 64. Leningen aan niet-financiële vennootschappen in appendix 1 inzake uitstaande bedragen, hebben dezelfde betekenis als omschreven in deel 2 van bijlage II bij Verordening 1071(EU) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) en omvatten doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, alsook schulden op kredietkaart.

51.

In het kader van MFI-rentestatistieken worden nieuwe leningen aan huishoudens voor consumptie, d.w.z. de indicatoren 13, 14 en 15, 30 en 88 in appendix 2 omschreven als leningen, m.u.v. schulden op kredietkaart (verruimd krediet en faciliteitskrediet), alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten die worden verstrekt voor de aanschaf van goederen en diensten voor persoonlijk gebruik, terwijl de indicatoren 55, 56 en 57 gedekte leningen betreffen zoals omschreven in paragraaf 64. Leningen voor consumptie in appendix 1 die betrekking hebben op uitstaande bedragen, hebben dezelfde betekenis als omschreven in deel 10712 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) en omvatten doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, alsook schulden op kredietkaart.

52.

Voor MFI-rentestatistieken worden nieuwe leningen aan huishoudens voor de aankoop van een huis, d.w.z. de indicatoren 16 tot en met 19, 31 en 89 in appendix 2, gedefinieerd als een krediet, met uitzondering van doorlopende leningen en rekening-courantkredieten of schulden op kredietkaart, dat wordt verleend voor investering in huisvesting, met inbegrip van bouwen en het aanbrengen van verbeteringen aan het huis (herinrichting, terwijl de indicatoren 58 tot en met 61 betrekking hebben op de in paragraaf 64 gedekte leningen. Leningen aan huishoudens voor de aankoop van een huis in appendix 1 die betrekking hebben op uitstaande bedragen, hebben dezelfde betekenis als omschreven in deel 2 van bijlage 1071II bij Verordening (EU) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) en omvatten doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, alsook schulden op kredietkaart.

53.

In het kader van MFI-rentestatistieken worden nieuwe leningen aan huishoudens voor andere doeleinden, d.w.z. de indicatoren 20, 21 en 22, 33, 34 en 35 en 90 in appendix 2, gedefinieerd als leningen met uitzondering van doorlopende leningen, rekening-courant kredieten of schulden op kredietkaart, die worden verstrekt voor bijvoorbeeld zakelijke doeleinden, schuldconsolidatie, opleiding, enz. De definitie van overige leningen aan huishoudens in appendix 1 die betrekking hebben op uitstaande bedragen, het dezelfde betekenis als de definitie 1071in deel 2 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 25/2009 (ECB/2008/32) en omvat doorlopende leningen en rekening-courant kredieten, alsook schulden op kredietkaart.

54.

Ten behoeve van MFI-rentetarieven op uitstaande bedragen omvatten leningen voor consumptie, leningen aan huishoudens voor de aankoop van een huis en overige leningen aan huishoudens voor andere doeleinden tezamen alle leningen die aan huishoudens worden verstrekt door ingezeten kredietinstellingen en andere instellingen, met inbegrip van doorlopende leningen en rekening-courantkrediet, alsook schulden op kredietkaart.

55.

Ten behoeve van MFI-rentetarieven op nieuwe contracten omvatten verruimde kredietkaartschulden, doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, leningen aan huishoudens voor consumptie, voor de aankoop van een huis en voor andere doeleinden alle leningen, m.u.v. faciliteitskrediet op kredietkaarten, die aan huishoudens worden verstrekt door ingezeten kredietinstellingen en andere instellingen. Faciliteitskrediet op kredietkaart worden niet apart gerapporteerd in MFI-rentestatistieken inzake nieuwe contracten, maar worden opgenomen als een deel van de respectieve posten uitstaande bedragen.

XV.    Uitsplitsing naar bedragcategorie

56.

Voor overige leningen aan niet-financiële vennootschappen, d.w.z. de indicatoren 37 tot en met 54 en 62 tot en met 85 in appendix 2, worden drie categorieën bedragen onderscheiden, d.w.z. a) „tot en met 0,25 miljoen EUR”, b) „meer dan 0,25 miljoen tot 1 miljoen EUR” en c) „meer dan 1 miljoen EUR”. Het bedrag heeft enkel betrekking op de als een nieuw contract beschouwde enkele krediettransactie, en niet op alle contracten tussen de niet-financiële vennootschap en de informatieplichtige.

XVI.    Uitsplitsing naar oorspronkelijke looptijd en resterende looptijd, opzeggingstermijn en renteherzieningsperioden of initiële vaste rente

57.

Afhankelijk van het soort instrument en of het MFI-rentetarief betrekking heeft op uitstaande bedragen of op nieuwe contracten, geven de statistieken een uitsplitsing naar oorspronkelijke en resterende looptijd, opzegtermijnen en renteherziening of initiële periode met vaste rente. Deze uitsplitsingen verwijzen naar tijdsperioden of termijnen, bijvoorbeeld een rentetarief op deposito's met een vaste looptijd tot twee jaar heeft betrekking op een gemiddeld tarief voor alle deposito's met een vaste oorspronkelijke looptijd die ligt tussen twee dagen en twee jaar, gewogen op basis van de omvang van het deposito.

58.

De definities van de uitsplitsing naar oorspronkelijke en resterende looptijd en opzegtermijnen en renteherziening zijn overeenkomstig de definities in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 25/2009 1071(ECB/2008/32). Zoals uiteengezet in appendix 1, worden alle depositocategorieën op uitstaande bedragen met uitzondering van repo's en alle kredietcategorieën op uitstaande bedragen uitgesplitst naar oorspronkelijke looptijd. Een uitsplitsing naar oorspronkelijke looptijd in combinatie met resterende looptijd en de volgende renteherziening wordt toegepast op de indicatoren 15 tot en met 26 zoals vastgelegd in appendix 1. Zoals uiteengezet in appendix 2, worden nieuwe contracten op deposito's met vaste looptijd eveneens uitgesplitst naar oorspronkelijke looptijd en worden nieuwe contracten deposito's met opzegtermijn uitgesplitst naar opzegtermijn. Aparte gegevens betreffende leningen aan niet-financiële ondernemingen met een initiële periode met vaste rente tot één jaar in combinatie met een oorspronkelijke looptijd van meer dan een jaar worden gerapporteerd voor elke omvang leningcategorie van paragraaf 56, zoals omschreven in appendix 2.

59.

De krediettarieven op nieuwe contracten in appendix 2 worden uitgesplitst naar de in het contract opgenomen initiële periode met vaste rente, zulks met uitzondering voor de indicatoren 88 tot en met 91 inzake overgesloten leningen. In het kader van MFI-rentestatistieken wordt de initiële periode met vaste rente gedefinieerd als een bij de aanvang van het contract vastgestelde periode waarin de hoogte van het rentetarief niet kan wijzigen. De initiële rentevaste periode kan korter zijn dan of gelijk aan de oorspronkelijke looptijd van de lening. De hoogte van het rentetarief wordt alleen geacht vast te zijn indien het op een exact niveau is vastgesteld, bijvoorbeeld 10 % of als een differentieel percentage ten opzichte van een referentietarief op een vast moment in de tijd, bijvoorbeeld het zesmaandelijkse Euribor-tarief plus 2 procent op een bepaalde vooraf bepaalde dag en tijd. Indien bij aanvang van een contract voor een bepaalde periode een procedure wordt overeengekomen tussen het huishouden of de niet-financiële instelling en de informatieplichtige om het krediettarief te berekenen, bijvoorbeeld het zesmaandelijkse Euribor-tarief plus 2 procent gedurende drie jaar, dan wordt uitgegaan van een initiële rentevaste periode van zes maanden en niet drie jaar, omdat de hoogte van het rentetarief in de drie jaar elke zes maanden kan veranderen. De MFI-rentestatistieken inzake nieuwe kredietcontracten geven alleen het rentetarief weer dat voor de initiële periode met vaste rente bij de aanvang van een contract of na heronderhandeling van de lening wordt overeengekomen. Indien na deze initiële periode met vaste rente het rentetarief automatisch gewijzigd wordt in een variabel tarief, wordt dit niet weergegeven in de MFI-rentetarieven voor nieuwe contracten, maar alleen in de tarieven op uitstaande bedragen.

60.

De volgende initiële perioden met vaste rente worden onderscheiden voor leningen aan huishoudens.

 

Voor leningen aan huishoudens voor consumptie en andere doeleinden:

variabel tarief en een initiële perioden met vaste rente tot (en met) één jaar,

meer dan één jaar en tot (en met) vijf jaar initiële periode met vaste rente, en

een initiële periode met vaste rente van meer dan vijf jaar.

 

Voor leningen aan huishoudens voor de aankoop van een huis:

variabel tarief en een initiële periode met vaste rente tot (en met) één jaar,

een initiële periode met vaste rente van meer dan één jaar en tot (en met) vijf jaar,

een initiële periode met vaste rente van meer dan vijf jaar en tot (en met) tien jaar, en

een initiële periode met vaste rente van meer dan tien jaar.

61.

De volgende initiële perioden met vaste rente worden onderscheiden voor leningen aan niet-financiële ondernemingen tot 0,25 miljoen EUR, meer dan 0,25 miljoen tot 1 miljoen EUR en meer dan 1 miljoen EUR:

variabel tarief en een initiële periode met vaste rente tot (en met) drie maanden,

initiële periode met vaste rente van meer dan drie maanden en tot (en met) één jaar,

meer dan één jaar en tot (en met) vijf jaar initiële periode met vaste rente, en

initiële periode met vaste rente van meer dan drie jaar tot (en met) vijf jaar,

een initiële rentevaste periode langer dan vijf jaar en tot (en met) tien jaar, en

een initiële periode met vaste rente langer dan tien jaar.

62.

Voor MFI-rentestatistieken wordt „variabel rentetarief” omschreven als de rente die continu, d.w.z. elke dag, of naar goeddunken van de MFI m.u.v. centrale banken en geldmarktfondsen onderworpen is aan herzieningen van de rentevoet.

XVII.    Uitsplitsing naar gedekte lening met onderpand en/of garanties

63.

Leningen aan huishoudens en niet-financiële vennootschappen gedekt door een onderpand en/of garanties worden bovendien separaat gerapporteerd voor alle categorieën nieuwe contracten van MFI-rentestatistieken, behoudens schulden op kredietkaart, doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, alsook kredietverleningen voor andere doeleinden. Voorts is geen uitsplitsing naar onderpand/waarborgen vereist voor de indicatoren die nieuwe contracten van overgesloten leningen betreffen.

64.

Voor de MFI-rentestatistieken omvat de uitsplitsing van leningen naar onderpand/garanties de totale bedragen aan nieuwe bedrijfsleningen die door een zakelijke zekerheid gedekt werden via de volgestorte kredietprotectietechniek zoals omschreven in artikel 4, lid 1, punt 58, en de artikelen 197 tot en met 200, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (6) en/of gegarandeerd middels de „niet-volgestorte kredietprotectietechniek”, zoals omschreven in artikel 4, lid 1, punt 59, en de artikelen 201, 202 en 203, van Verordening (EU) nr. 575/2013, waardoor de waarde van het onderpand en/of de garantie hoger is dan of gelijk is aan het totale bedrag van de lening. Indien een MFI de m.u.v. de centrale banken en geldmarktfondsen de „gestandaardiseerde benadering” zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 575/2013 niet toepast voor het toezicht, mag zij dezelfde behandeling toepassen bij de rapportage van lening onder deze uitsplitsing.

DEEL 5

RAPPORTAGEVERPLICHTINGEN

65.

Om de geaggregeerde bedragen met betrekking tot alle eurogebied-lidstaten af te leiden, worden voor elk van de in de appendices 1 en 2 opgenomen categorieën instrumenten drie niveaus van samenvoeging toegepast.

XVIII.    Statistische informatie op het niveau van informatieplichtigen

66.

Zoals vastgelegd in de paragrafen 67 tot en met 72 wordt op het eerste niveau de samenvoeging uitgevoerd door de informatieplichtigen. De NCB kunnen ook van de informatieplichtigen gegevens op het niveau van de individuele deposito's en leningen opvragen. De gegevens worden gerapporteerd aan de NCB van de eurogebied-lidstaat waarvan de informatieplichtige ingezetene is.

67.

Indien de rentetarieven inzake uitstaande bedragen, d.w.z. de indicatoren 1 tot en met 26 in appendix 1, worden samengesteld als een momentopname aan het einde van de maand, verschaffen informatieplichtigen voor ieder van de categorieën instrumenten een gewogen gemiddeld rentetarief dat betrekking heeft op de laatste dag van de maand.

68.

Indien de rentetarieven inzake uitstaande bedragen, d.w.z. de indicatoren 1 tot en met 26 in appendix 1, worden samengesteld als impliciete rentetarieven die betrekking hebben op maandgemiddelden, verschaffen informatieplichtigen voor ieder van de categorieën instrumenten de gecumuleerde verschuldigde en te ontvangen rente in de maand en de gemiddelde deposito- en leningenstand in dezelfde maand.

69.

Indien de rentetarieven inzake girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimde kredietkaartschulden, alsook doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, d.w.z. de indicatoren 1, 5, 6, 7, 12, 23, 32 en 36 in appendix 2, worden samengesteld als een momentopname aan het einde van de maand, verschaffen informatieplichtigen voor ieder van de categorieën instrumenten een gewogen gemiddeld rentetarief dat betrekking heeft op de laatste dag van de maand.

70.

Indien rentetarieven op girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimde kredietkaartschulden en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, d.w.z. de indicatoren 1, 5, 6, 7, 12, 23, 32 en 36 in appendix 2, worden samengesteld als impliciete rentetarieven met betrekking tot maandelijkse gemiddelden, verschaffen de informatieplichtigen voor ieder van de categorieën instrumenten de in de loop van de maand gecumuleerde verschuldigde en te ontvangen rente en de gemiddelde deposito- en leningenstand in dezelfde maand.

71.

Voor elk van de categorieën instrumenten inzake nieuwe contracten, d.w.z. de indicatoren 2, 3 en 4, 8 tot en met 11, 13 tot en met 22, 30 en 31, 33, 34 en 35 en 37 tot en met 85 in appendix 2, verschaffen informatieplichtigen een gewogen gemiddeld rentetarief. Daarnaast verschaffen informatieplichtigen voor elk van de indicatoren 2, 3 en 4, 8 tot en met 11, 13 tot en met 22 en 33, 34 en 35 en 37 tot en met 85 in appendix 2 het bedrag aan nieuwe contracten die in elke categorie instrumenten in de loop van de maand zijn afgesloten. Voor de instrumentencategorieën die verwijzen naar overgesloten leningen aan huishoudens en niet-financiële vennootschappen (indicatoren 88 tot en met 91 in appendix 2) is uitsluitend informatie over nieuwe contracten vereist.

72.

Kredietinstellingen en andere instellingen, waaraan door een NCB toestemming is verleend MFI-rentestatistieken samen als een groep te rapporteren, worden beschouwd als één informatieplichtige en verschaffen de in de paragrafen 67 tot en met 71 bepaalde gegevens die betrekking hebben op de groep als geheel. Bovendien verschaft de informatieplichtige elk jaar voor elke categorie instrumenten het aantal rapporterende instellingen en de variantie in rentetarieven voor deze instellingen binnen de groep. Het aantal informatieplichtige instellingen binnen de groep en de variantie hebben betrekking op de maand oktober en worden met de gegevens voor oktober ingediend.

XIX.    Nationaal gewogen gemiddeld rentetarief en geaggregeerde resultaten voor eurogebied-lidstaten

73.

Op het tweede niveau wordt de samenvoeging uitgevoerd door de NCB's. Zij voegen de rentetarieven en de daarmee samenhangende bedragen aan contracten voor al hun nationale informatieplichtigen samen tot een nationaal gewogen gemiddeld rentetarief voor elke categorie instrumenten. De gegevens worden aan de Europese Centrale Bank (ECB) gerapporteerd. De laatste samenvoeging van de categorieën instrumenten voor elke eurogebied-lidstaat tot het niveau van alle eurogebied-lidstaten wordt uitgevoerd door de ECB.

(1)   PB L 133 van 22.5.2008, blz. 66.

(2)  NCB's kunnen een derogatie toekennen voor consumentenkrediet en leningen aan huishoudens voor huisaankopen ten opzichte van instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.

(3)   PB L 341 van 27.12.2007, blz. 1.

(4)  S.14 en S.15 gecombineerd, zoals vastgelegd in de ESA 2010 vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees Systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1).

(5)  S.11 zoals omschreven in ESA 2010.

(6)   PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

Appendix 1

Categorieën instrumenten voor tarieven op uitstaande bedragen

Een overeengekomen rente uitgedrukt in procenten per jaar of eng gedefinieerd rentetarief wordt op maandbasis gerapporteerd voor alle in tabel 1 opgenomen categorieën.

Tabel 1

 

Sector

Type instrument

Oorspronkelijke looptijd

Resterende looptijd

Renteherziening

Indicator uitstaand bedrag (OA)

Rapportageverplichting

Deposito's in EUR

Van huishoudens

Met vaste looptijd

Tot twee jaar

 

 

1

AAR

Langer dan 2 jaar

 

 

2

AAR

Van niet-financiële ondernemingen

Met vaste looptijd

Tot twee jaar

 

 

3

AAR

Langer dan 2 jaar

 

 

4

AAR

Repo's

 

 

5

AAR

Leningen in EUR

Aan huishoudens

Voor de aankoop van een huis

Tot 1 jaar

 

 

6

AAR

Langer dan 1 en tot 5 jaar

 

 

7

AAR

Langer dan 5 jaar

 

 

8

AAR

Voor consumptie en andere doeleinden

Tot 1 jaar

 

 

9

AAR

Langer dan 1 en tot 5 jaar

 

 

10

AAR

Langer dan 5 jaar

 

 

11

AAR

Totaal

Langer dan 1 jaar

 

 

15

AAR

Tot 1 jaar

 

16

AAR

Langer dan 1 jaar

In de komende 12 maanden

17

AAR

Langer dan 2 jaar

 

 

18

AAR

Tot twee jaar

 

19

AAR

Langer dan 2 jaar

In de komende 24 maanden

20

AAR

Aan niet-financiële vennootschappen

Tot 1 jaar

 

 

12

AAR

Langer dan 1 en tot 5 jaar

 

 

13

AAR

Langer dan 5 jaar

 

 

14

AAR

Langer dan 1 jaar

 

 

21

AAR

Tot 1 jaar

 

22

AAR

Langer dan 1 jaar

In de komende 12 maanden

23

AAR

Langer dan 2 jaar

 

 

24

AAR

Tot twee jaar

 

25

AAR

Langer dan 2 jaar

In de komende 24 maanden

26

AAR

Appendix 2

Een overeengekomen AAR of een NDER wordt op maandbasis gerapporteerd voor alle in de tabellen 2, 3 en 4 opgenomen categorieën. De rapportage van de overeengekomen AAR gaat gepaard met het verband houdende transactievolume indien vermeld in de tabellen door het woord „bedrag”. Voor de categorieën die verwijzen naar overgesloten leningen in tabel 6 is uitsluitend informatie inzake nieuwe contracten vereist.

Categorieën binnen de tabellen 2 (behoudens de indicatoren 33, 34 en 35), 3, 5 en 6 sluiten elkaar uit in elke tabel. Daarom wordt een onder enige post in tabel 2 (behoudens de indicatoren 33, 34 en 35) en/of in tabel 3 en/of tabel 5 en/of tabel 6 gerapporteerde lening niet opnieuw gerapporteerd onder een andere post in dezelfde tabel, behoudens voor de in de indicatoren 33, 34 en 35 gerapporteerde leningen, die eveneens dienen gerapporteerd te worden onder de indicatoren 20, 21 en 22.

Alle onder een categorie in tabel 3 gerapporteerde leningen dienen eveneens in de overeenstemmende categorieën van tabel 2 te staan. Wat indicatoren in tabel 4 betreft, deze zijn subindicatoren van tabel 2, en indien gedekt, van tabel 3; daarom moet een onder tabel 4 gerapporteerde lening ook vermeld staan in tabel 2 of 3, voor zover nodig. De leningen die gerapporteerd worden onder een post in tabel 6 worden ook vermeld onder de passende categorie in tabel 2, en in de passende categorie in de tabellen 3 en 4.

Tabel 5 verwijst uitsluitend naar het jaarlijkse kostenpercentage. In tabel 5 opgenomen leningen zijn eveneens opgenomen in de tabellen 2, 3, 4 en 6, al naargelang het geval, rekening houdend met de verschillende methodologie van het jaarlijkse kostenpercentage zoals omschreven in paragraaf 9.

In het geval van girale deposito's, deposito's met opzegtermijn, verruimde kredietkaartschulden en doorlopende leningen en rekening-courantkredieten, d.w.z. indicatoren 1, 5, 6, 7, 12, 23, 32, 36, wordt het begrip nieuwe contracten uitgebreid tot het gehele uitstaande bedrag.

Tabel 2

 

Sector

Type instrument

Oorspronkelijke looptijd, opzegtermijn, initiële rentevaste periode

Nieuwecontractenindicator

Rapportageverplichting

Deposito's in EUR

Van huishoudens

Onmiddellijk opvraagbaar

1

AAR

Met vaste looptijd

Met een looptijd tot één jaar

2

AAR, bedrag

Met een looptijd langer dan één en tot twee jaar

3

AAR, bedrag

Met een looptijd langer dan twee jaar

4

AAR, bedrag

Met opzegtermijn (*1)

Opzegtermijn tot drie maanden

5

AAR

Opzegtermijn langer dan drie maanden

6

AAR

Van niet-financiële ondernemingen

Onmiddellijk opvraagbaar

7

AAR

Met vaste looptijd

Met een looptijd tot één jaar

8

AAR, bedrag

Met een looptijd langer dan één en tot twee jaar

9

AAR, bedrag

Met een looptijd langer dan twee jaar

10

AAR, bedrag

Repo's

11

AAR, bedrag

Leningen in EUR

Aan huishoudens

Doorlopende leningen en rekening-courantkredieten

12

AAR

Verruimde kredietkaartschulden

32

AAR

Voor consumptie

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar

13

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot vijf jaar

14

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf jaar

15

AAR, bedrag

Voor de aankoop van een huis

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar

16

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot vijf jaar

17

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf en tot tien jaar

18

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan tien jaar

19

AAR, bedrag

Voor andere doeleinden

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar

20

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot vijf jaar

21

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf jaar

22

AAR, bedrag

Voor andere doeleinden, waarvan eenmanszaken

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar

33

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot vijf jaar

34

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf jaar

35

AAR, bedrag

Leningen in EUR

Aan niet-financiële vennootschappen

Doorlopende leningen en rekening-courantkredieten

23

AAR

Verruimde kredietkaartschulden

36

AAR

Leningen tot een bedrag van 0,25 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot drie maanden

37

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie maanden en tot één jaar

38

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot drie jaar

39

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie en tot vijf jaar

40

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf en tot tien jaar

41

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan tien jaar

42

AAR, bedrag

Leningen boven een bedrag van 0,25 miljoen EUR en tot 1 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot drie maanden

43

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie maanden en tot één jaar

44

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot drie jaar

45

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie en tot vijf jaar

46

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf en tot tien jaar

47

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan tien jaar

48

AAR, bedrag

Leningen voor een bedrag van meer dan 1 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot drie maanden

49

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan 3 maanden en tot één jaar

50

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot drie jaar

51

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie en tot vijf jaar

52

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf en tot tien jaar

53

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan tien jaar

54

AAR, bedrag


Tabel 3

Nieuw afgesloten leningen met onderpand en/of garanties

 

Sector

Type instrument

Initiële rentevaste periode

Nieuwecontractenindicator

Rapportageverplichting

Leningen in EUR

Aan huishoudens

Voor consumptie

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar

55

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot vijf jaar

56

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf jaar

57

AAR, bedrag

Voor de aankoop van een huis

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar

58

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot vijf jaar

59

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf en tot tien jaar

60

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan tien jaar

61

AAR, bedrag

Leningen in EUR

Aan niet-financiële vennootschappen

Leningen tot een bedrag van 0,25 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot drie maanden

62

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie maanden en tot één jaar

63

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot drie jaar

64

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie en tot vijf jaar

65

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf en tot tien jaar

66

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan tien jaar

67

AAR, bedrag

Leningen boven een bedrag van 0,25 miljoen EUR en tot 1 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot drie maanden

68

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie maanden en tot één jaar

69

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot drie jaar

70

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie en tot vijf jaar

71

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf en tot tien jaar

72

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan tien jaar

73

AAR, bedrag

Lningen voor een bedrag van meer dan 1 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot drie maanden

74

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie maanden en tot één jaar

75

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan één en tot drie jaar

76

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan drie en tot vijf jaar

77

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan vijf en tot tien jaar

78

AAR, bedrag

Periode met initiële vaste rente voor meer dan tien jaar

79

AAR, bedrag


Tabel 4

Nieuw afgesloten leningen aan niet-financiële ondernemingen met een initiële rentevaste periode van minder dan één jaar en een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar

 

Sector

Type instrument

Alle lening/leningen op onderpand/garantie naar oorspronkelijke looptijd

Nieuwecontractenindicator

Rapportageverplichting

Leningen in EUR

Aan niet-financiële vennootschappen

Leningen tot een bedrag van 0,25 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar, met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar

80

AAR, bedrag

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar, met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar, uitsluitend leningen op onderpand/garantie

81

AAR, bedrag

Leningen boven een bedrag van 0,25 miljoen EUR en tot 1 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar, met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar

82

AAR, bedrag

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar, met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar, uitsluitend leningen op onderpand/garantie

83

AAR, bedrag

Lningen voor een bedrag van meer dan 1 miljoen EUR

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar, met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar

84

AAR, bedrag

Variabel tarief en periode met initiële vaste rente tot één jaar, met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar, uitsluitend leningen op onderpand/garantie

85

AAR, bedrag


Tabel 5

Nieuw afgesloten leningen aan huishoudens

 

Sector

Type instrument

Alle leningen

Nieuwecontractenindicator

Rapportageverplichting

Leningen in EUR

Aan huishoudens

Voor consumptie

Jaarlijks kostenpercentage

30

Jaarlijks kostenpercentage

Voor de aankoop van een woning

Jaarlijks kostenpercentage

31

Jaarlijks kostenpercentage


Tabel 6

Nieuwe overgesloten leningen

 

Sector

Type instrument

Oorspronkelijke looptijd, opzegtermijn, initiële rentevaste periode

Nieuwecontractenindicator

Rapportageverplichting

Leningen in EUR

Aan huishoudens

Voor consumptie

totaal

88

Bedrag

Voor de aankoop van een woning

totaal

89

Bedrag

Voor andere doeleinden

totaal

90

Bedrag

Aan niet-financiële vennootschappen

totaal

91

Bedrag


(*1)  Voor deze instrumentcategorie worden huishoudens en niet-financiële vennootschapen samengevoegd en toegewezen aan de sector huishoudens.


BIJLAGE II

De informatieplichtigen moeten voldoen aan de volgende minimumnormen om de rapportageverplichtingen van de Europese Centrale Bank (ECB) met betrekking tot statistische informatie na te komen.

1.   

Minimumnormen voor transmissie:

a)

de rapportage moet tijdig gebeuren en binnen de termijnen die zijn vastgesteld door de NCB van de eurogebied-lidstaat (hierna „desbetreffende NCB”) waarvan de informatieplichtige ingezetene is;

b)

vorm en formaat van de statistische rapporten moeten voldoen aan de technische eisen die zijn vastgesteld door de desbetreffende NCB;

c)

de informatieplichtige dient de betrokken NCB details te verstrekken inzake één of meerdere contactpersonen, en

d)

de datatransmissie aan de desbetreffende NCB moet gebeuren met inachtneming van de daarvoor vastgestelde technische specificaties.

2.   

Minimumnormen voor nauwkeurigheid:

a)

statistische informatie moet juist zijn;

b)

informatieplichtigen zijn in staat informatie te verschaffen over de ontwikkelingen waarop de verstrekte gegevens duiden;

c)

de statistische gegevens zijn volledig en bevatten geen continue of structurele leemtes; er dient gewezen te worden op eventuele bestaande leemtes, waarvoor aan de desbetreffende NCB een verklaring dient te worden gegeven en die, waar van toepassing, zo snel mogelijk dienen verholpen te worden;

d)

de informatieplichtigen houden zich aan de afmetingen, het afrondingsbeleid en decimalen die door de NCB's voor de technische transmissie van de gegevens zijn vastgesteld.

3.   

Minimumnormen voor de conceptuele naleving:

a)

statistische gegevens worden gepresenteerd met inachtneming van de definities en classificaties zoals vervat in deze verordening;

b)

in geval van afwijking van deze definities en classificaties, moeten informatieplichtigen op gezette tijden het verschil controleren en kwantificeren tussen de gebruikte maatstaf en de maatstaf die in deze verordening is vervat;

c)

informatieplichtigen moeten een verklaring kunnen geven voor een eventuele breuk in de verstrekte gegevens ten opzichte van de cijfers van voorgaande perioden.

4.   

Minimumnormen voor herzieningen:

De informatieplichtigen moeten het door de ECB en de betrokken NCB vastgestelde herzieningenbeleid en -procedures volgen. Herzieningen die afwijken van regelmatige herzieningen worden van een toelichting voorzien.


BIJLAGE III

INGETROKKEN VERORDENING MET LIJST VAN OPEENVOLGENDE WIJZIGINGEN

(als bedoeld in artikel 7)

Verordening (EG) nr. 63/2002 (ECB/2001/18)

(PB L 10 van 12.1.2002, blz. 24)

Gewijzigd bij:

 

Verordening (EG) nr. 2181/2004 (ECB/2004/21)

(PB L 371 van 18.12.2004, blz. 42)

 

Verordening (EG) nr. 290/2009 (ECB/2009/7)

(PB L 94 van 8.4.2009, blz. 75)

 

Verordening (EG) nr. 674/2010 (ECB/2010/7)

(PB L 196 van 28.7.2010, blz. 23)


BIJLAGE IV

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) 63/2002 (ECB/2001/18)

Deze verordening

Artikel 1

Artikel 1

Artikel 2, lid 1

Artikel 2, lid 1

 

Artikel 2, lid 2

 

Artikel 2, lid 3

 

Artikel 2, lid 4

Artikel 2, lid 2

Artikel 2, lid 5

Artikel 2, lid 3

Artikel 2, lid 6

Artikel 3

Artikel 3

 

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

 

Artikel 8

Artikel 7

Artikel 9

Bijlage I (1)

 

Bijlage II

Bijlage I

Bijlage III

Bijlage II

 

Bijlage III

Bijlage IV

 


(1)  In te voegen in het richtsnoer van de ECB tot herschikking van Richtsnoer ECB/2007/9.


7.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/73


VERORDENING (EU) Nr. 1073/2013 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 18 oktober 2013

houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen (herschikking)

(ECB/2013/38)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), inzonderheid artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 4,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Aangezien Verordening (EG) nr. 958/2007 van de Europese Centrale Bank van 27 juli 2007 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen (ECB/2007/8) (2) aanzienlijk gewijzigd dient te worden, is omwille van de duidelijkheid een herschikking noodzakelijk, in het bijzonder in het licht van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (3).

(2)

Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt in artikel 2, lid 1, dat ter vervulling van haar vereisten met betrekking tot het rapporteren van statistische gegevens de Europese Centrale Bank (ECB), bijgestaan door de nationale centrale banken (NCB’s), bevoegd is tot het verzamelen van statistische gegevens binnen de grenzen van de referentiepopulatie van informatieplichtigen en van hetgeen nodig is om de taken van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) uit te voeren. Uit artikel 2, lid 2, onder a), van Verordening (EG) nr. 2533/98 volgt dat beleggingsfondsen (BF’s) deel uitmaken van de referentiepopulatie van informatieplichtigen voor de vervulling van de rapportagevereisten van de ECB inzake onder meer monetaire en financiële statistieken. Verder is de ECB ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2533/98 gehouden om de werkelijke populatie van informatieplichtigen te bepalen uit de referentiegroep van informatieplichtigen en gerechtigd om bepaalde categorieën informatieplichtigen geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van hun statistische rapportageverplichtingen.

(3)

Om zijn taken te vervullen en voor het nauwgezet volgen van de financiële activiteiten die niet door monetaire financiële instellingen (MFI’s) worden uitgeoefend, benodigt het ESCB hoogwaardige statistische gegevens over het door BF’s uitgeoefende bedrijf. Deze gegevens beogen de ECB vooral een uitvoerig statistisch beeld te verschaffen van de BF-sector in de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna: de „eurogebiedlidstaten”) en als één economisch gebied worden beschouwd.

(4)

Om de rapportagelast te beperken mogen NCB’s de nodige gegevens over BF’s verzamelen bij de werkelijke populatie van informatieplichtigen als deel van een breder, andere statistische doeleinden dienend kader voor statistische rapportage, onverminderd de naleving van de statistische vereisten van de ECB. Het is in dergelijke gevallen voor een grotere doorzichtigheid gepast de informatieplichtigen ervan in kennis te stellen dat de gegevens voor andere statistische doeleinden worden verzameld.

(5)

De beschikbaarheid van gegevens over financiële transacties vereenvoudigt een grondigere analyse voor monetaire beleidsdoeleinden en andere doeleinden. Gegevens betreffende financiële transacties en standen worden ook gebruikt om andere statistieken op te maken, met name de financiële rekeningen van het eurogebied.

(6)

Hoewel krachtens artikel 34.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank (hierna: de „ESCB-statuten”) aangenomen verordeningen geen rechten toekennen, noch verplichtingen opleggen aan lidstaten die de euro niet als munt hebben (hierna: de „niet-eurogebiedlidstaten”), geldt artikel 5 van de ESCB-statuten zowel voor eurogebiedlidstaten als voor niet-eurogebiedlidstaten. Overweging 17 van Verordening (EG) nr. 2533/98 verwijst naar het feit dat artikel 5 van de ESCB-statuten, samen met artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie de verplichting inhoudt om op nationaal niveau alle maatregelen te nemen en uit te voeren die de niet-eurogebiedlidstaten dienstig achten voor het verzamelen van de nodige statistische gegevens ter voldoening aan de door de ECB opgelegde statistische rapportageverplichtingen, evenals voor het tijdig treffen van voorbereidingen op het gebied van de statistiek om eurogebiedlidstaten te kunnen worden.

(7)

Hoewel deze verordening zich in de eerste plaats richt tot BF’s, zouden volledige gegevens over houders van door BF’s uitgegeven aandelen aan toonder niet direct bij BF’s beschikbaar kunnen zijn, waardoor het nodig is andere entiteiten op te nemen in de werkelijke populatie van informatieplichtigen.

(8)

De normen voor de bescherming en het gebruik van vertrouwelijke statistische informatie, zoals vastgelegd in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2533/98, dienen van toepassing te zijn.

(9)

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de ECB bevoegd is sancties op te leggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de in ECB-verordeningen of -besluiten vastgelegde statistische rapportageverplichtingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

In deze verordening wordt bedoeld met:

1.

„beleggingsfonds (BF)”: een onderneming voor collectieve belegging die:

a)

belegt in financiële en/of niet-financiële activa, zoals bedoeld in bijlage II, voor zover belegging van bij het publiek aangetrokken kapitaal haar doelstelling is, en

b)

overeenkomstig Unierecht of nationaal recht is opgericht krachtens:

i)

overeenkomstenrecht, als een gewoon fonds bestuurd door beheerders;

ii)

trustrecht, als beleggingsfonds;

iii)

vennootschapsrecht, als een beleggingsmaatschappij;

iv)

een ander soortgelijk mechanisme of juridische vorm.

De volgende ondernemingen vallen onder de definitie van een BF:

a)

ondernemingen wier rechten van deelneming of aandelen op verzoek van de houders direct of indirect uit de activa van de onderneming worden ingekocht of afgelost, en

b)

ondernemingen met een vast aantal uitgegeven aandelen, en wier aandeelhouders bestaande aandelen moeten kopen of verkopen bij toetreding, c.q. uittreding uit het fonds.

De volgende ondernemingen vallen niet onder de definitie van een BF:

a)

pensioenfondsen zoals gedefinieerd in het herziene Europees Systeem van rekeningen (hierna: het „ESR 2010”) zoals vastgelegd door Verordening (EU) nr. 549/2013 (subsector S.129);

b)

geldmarktfondsen (MMF’s) zoals gedefinieerd in bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (4),

Binnen de context van de definitie van BF, omvat „openbaar” kleine, professionele en institutionele beleggers;

2.

„informatieplichtige” heeft dezelfde betekenis als gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98;

3.

„ingezetene” heeft dezelfde betekenis als gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98. Binnen de context van deze verordening, en bij gebreke van een fysieke dimensie van een juridische entiteit, wordt het ingezetenschap ervan bepaald door het economische gebied krachtens welk recht de entiteit rechtspersoonlijkheid heeft. Als de entiteit geen rechtspersoonlijkheid heeft, wordt de statutaire vestigingsplaats als criterium gebruikt, namelijk het land wiens rechtssysteem het ontstaan en verder bestaan van de entiteit beheerst;

4.

„monetaire financiële instelling (MFI)” heeft dezelfde betekenis als gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EU) nr. /2013 1071(ECB/2013/33);

5.

„OFI”: overige financiële intermediairs behalve verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen, zoals gedefinieerd in ESR 2010 (subsector S.125);

6.

„aandelen en rechten van deelneming op naam in BF’s”: aandelen en rechten van deelneming in beleggingsfondsen, waarvan, overeenkomstig nationale wetgeving, een register wordt bijgehouden waarin de houders van de aandelen en rechten van deelneming en hun ingezetenschap en sector worden vermeld;

7.

„aandelen en rechten van deelneming aan toonder in BF’s”: aandelen en rechten van deelneming in BF’s, waarvan, overeenkomstig nationale wetgeving, geen register wordt bijgehouden waarin de houders van de aandelen en rechten van deelneming worden vermeld, of waarvan een register wordt bijgehouden zonder vermelding van ingezetenschap en sector van de houder;

8.

„desbetreffende NCB”: de NCB van de eurogebiedlidstaat waarin het BF ingezeten is;

9.

„effectgewijze” gegevens: gegevens uitgesplitst naar individuele effecten.

Artikel 2

Werkelijke populatie van informatieplichtigen

1.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen bestaat uit de BF’s die ingezetenen zijn van de eurogebiedlidstaten. Het BF zelf, of bij BF’s zonder rechtspersoonlijkheid naar nationale wetgeving, de wettige vertegenwoordigers ervan, zijn verantwoordelijk voor de rapportage van de krachtens deze verordening vereiste statistische gegevens.

2.   Onverlet lid 1, omvat de werkelijke populatie van informatieplichtigen voor het verzamelen van gegevens over de houders van door BF’s uitgegeven aandelen aan toonder, overeenkomstig paragraaf 3 in deel 2 van bijlage I, MFI’s en OFI’s. De NCB’s kunnen deze entiteiten een vrijstelling verlenen op voorwaarde dat de vereiste statistische gegevens uit andere beschikbare bronnen verzameld worden, zulks overeenkomstig paragraaf 3 in deel 2 van bijlage I. De NCB’s gaan na of aan deze voorwaarde tijdig werd voldaan om, indien nodig, een vrijstelling te verlenen of in te trekken bij het begin van elk jaar, zulks in samenspraak met de ECB. Binnen het kader van deze verordening kunnen de NCB’s een lijst van informatieplichtige OFI’s opmaken en bijhouden overeenkomstig de beginselen van paragraaf 3 in deel 2 van bijlage I.

Artikel 3

Lijst van BF’s voor statistische doeleinden

1.   De ECB-directie maakt voor statistische doeleinden een lijst op van BF’s die de referentiepopulatie van informatieplichtigen vormen, en houdt deze bij, met inbegrip van, indien van toepassing, hun subfondsen in de zin van artikel 4, lid 2. De lijst kan, indien dergelijke lijsten beschikbaar zijn, gebaseerd zijn op bestaande lijsten van BF’s waarover nationale autoriteiten toezicht houden, aangevuld met andere BF’s die onder de definitie van BF’s in artikel 1 vallen.

2.   De NCB’s en de ECB maken deze lijst en bijwerkingen ervan in een passende vorm beschikbaar, waaronder via elektronische weg, het internet of, op verzoek van de betrokken informatieplichtigen, in gedrukte vorm.

3.   Indien de meest recent beschikbare elektronische versie van de in lid 2 bedoelde lijst onjuist is, legt de ECB geen sancties op aan informatieplichtigen die niet naar behoren aan hun statistische rapportageverplichtingen hebben voldaan voor zover de desbetreffende informatieplichtige te goeder trouw afging op de onjuiste lijst.

Artikel 4

Fondsgewijze rapportage

1.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen rapporteert fondsgewijs gegevens betreffende haar activa en passiva.

2.   Onverlet lid 1, indien een BF zijn activa zodanig opsplitst, en over meerdere subfondsen spreidt, dat aandelen/rechten van deelneming met betrekking tot elk subfonds onafhankelijk gedekt worden door verschillende activa, wordt elk subfonds beschouwd als een individueel BF.

3.   In afwijking van lid 1 en lid 2 mogen BF’s, mits voorafgaande toestemming wordt verleend en overeenkomstig de instructies van de desbetreffende NCB, hun activa en passiva als een groep rapporteren op voorwaarde dat de resultaten daarvan vergelijkbaar zijn met de resultaten van de fondsgewijze rapportage.

Artikel 5

Driemaandelijkse en maandelijkse statistische rapportageverplichtingen

1.   De informatieplichtigen verstrekken het volgende overeenkomstig de bijlagen I en II:

a)

op kwartaalbasis, kwartaalultimo standengegevens inzake de activa en passiva van BF’s, en gegevens inzake herwaarderingsaanpassingen of transacties op kwartaalbasis, indien van toepassing, en

b)

op maandbasis, maandultimo standengegevens inzake uitgegeven BF-aandelen/rechten van deelneming, en de corresponderende gegevens inzake maandelijkse herwaarderingsaanpassingen of transacties, indien van toepassing en afzonderlijke rapportage van nieuwe uitgiften en aflossingen van BF-aandelen/rechten van deelneming in de rapportagemaand.

2.   De NBC’s mogen de gegevens in lid 1, onder a), op maandbasis in plaats van op kwartaalbasis verzamelen.

Artikel 6

Herwaarderingsaanpassingen of transacties

1.   Overeenkomstig de instructies van de desbetreffende NCB, rapporteren de informatieplichtigen herwaarderingsaanpassingen of transacties voor de op een geaggregeerde basis gerapporteerde gegevens zoals bepaald in bijlage I.

2.   Zoals bepaald in bijlage I, kunnen de NCB’s hetzij ramingen van effectentransacties afleiden uit de effectgewijze gegevens of direct effectgewijs transactiegegevens verzamelen.

3.   Nadere vereisten en richtsnoeren betreffende de samenstelling van herwaarderingsaanpassingen of transacties zijn opgenomen in bijlage III.

Artikel 7

Regels inzake financiële administratie

1.   De door BF’s toegepaste regels inzake financiële administratie voor de rapportage krachtens deze verordening zijn de regels in de desbetreffende nationale wetgeving ter uitvoering van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (5) of als de voorgaande bepaling niet van toepassing is, de op BF’s toepasselijke nationale of internationale normen.

2.   Onverminderd de actuele boekhoudkundige praktijken en salderingsregelingen in de eurogebiedlidstaten, worden alle financiële activa en passiva voor statistische doeleinden op een brutobasis gerapporteerd.

Artikel 8

Vrijstellingen

1.   Aan BF’s kunnen als volgt vrijstellingen van de in artikel 5 uiteengezette statistische rapportageverplichtingen worden verleend:

a)

De NCB’s kunnen de in termen van totale activa kleinste BF’s vrijstellingen verlenen, mits de BF’s die bijdragen aan de opstelling van de geaggregeerde kwartaalbalans in elke eurogebiedlidstaat ten minste 95 % uitmaken van de totale activa van BF’s in termen van standen.

b)

In eurogebiedlidstaten waarin de gecombineerde totale activa van nationale BF’s niet meer bedragen dan 1 % van de totale activa van BF’s in het eurogebied, kunnen NCB’s vrijstellingen verlenen aan de kleinste BF’s in termen van totale activa, mits de BF’s die bijdragen aan de opstelling van de geaggregeerde kwartaalbalans ten minste 80 % uitmaken van de totale activa van nationale BF’s in termen van standen.

c)

De BF’s met vrijstellingen zoals neergelegd in a) en b) rapporteren alleen, op kwartaalbasis, kwartaalultimo standengegevens inzake uitgegeven BF-aandelen/rechten van deelneming, en de corresponderende gegevens inzake herwaarderingsaanpassingen of transacties, indien van toepassing.

d)

De NCB’s gaan na of jaarlijks tijdig aan de onder a) en b) uiteengezette voorwaarden wordt voldaan om een vrijstelling te verlenen of, indien nodig, in te trekken bij het begin van elk kalenderjaar.

2.   Vrijstellingen kunnen worden verleend aan BF’s die zijn onderworpen aan nationale regels inzake financiële administratie welke toestaan dat BF’s hun activa minder vaak dan elk kwartaal waarderen. De BF-categorieën waaraan NCB’s vrijstellingen kunnen verlenen, worden door de Raad van bestuur vastgesteld. De BF’s met een dergelijke vrijstelling zijn onderworpen aan de vereisten van artikel 5 met een frequentie conform hun verplichtingen inzake financiële administratie betreffende het tijdstip van waardering van hun activa.

3.   De BF’s kunnen afzien van de vrijstellingen en in plaats daarvan de volledige in artikel 5 bepaalde statistische rapportageverplichtingen nakomen. Indien een BF daarvoor opteert, dient de desbetreffende NCB daarmee in te stemmen, vooraleer het BF het gebruik van deze vrijstellingen wijzigt.

Artikel 9

Tijdigheid

1.   De NCB’s bepalen wanneer zij gegevens van informatieplichtigen behoren te ontvangen krachtens artikel 5 om aan de termijnen van lid 2 te voldoen.

2.   De NCB’s verstrekken de ECB:

a)

geaggregeerde kwartaalstanden en herwaarderingsaanpassingen op basis van de bij informatieplichtigen verzamelde kwartaalgegevens uiterlijk aan het einde van de achtentwintigste werkdag volgend op het einde van het kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben;

b)

geaggregeerde maandelijkse standen en herwaarderingsaanpassingen uiterlijk aan het einde van de achtentwintigste werkdag volgend op het einde van de maand waarop de gegevens betrekking hebben, op basis van de bij informatieplichtigen verzamelde maandelijkse gegevens inzake uitgegeven BF-aandelen/rechten van deelneming of op basis van actuele gegevens overeenkomstig artikel 5, lid 2;

c)

geaggregeerde maandelijkse nieuwe uitgiften en aflossingen van BF-aandelen/rechten van deelneming uiterlijk aan het einde van de achtentwintigste werkdag volgend op het einde van de maand waarop de gegevens betrekking hebben, op basis van de bij informatieplichtigen verzamelde maandelijkse gegevens.

Artikel 10

Minimumnormen en nationale rapportageprocedures

1.   Informatieplichtigen voldoen aan de statistische rapportageverplichtingen waaraan ze zijn onderworpen overeenkomstig de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals bepaald in bijlage IV.

2.   De NCB’s bepalen en passen de door de werkelijke populatie van informatieplichtigen te volgen rapportageprocedures toe overeenkomstig nationale vereisten. De NCB’s verzekeren dat deze rapportageprocedures de vereiste statistische gegevens opleveren en een nauwkeurige controle mogelijk maken van de naleving van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals vastgelegd in bijlage IV.

Artikel 11

Fusies, splitsingen en reorganisaties

In het geval van een fusie, splitsing of reorganisatie die de naleving van hun statistische verplichtingen kan beïnvloeden, stellen de betreffende informatieplichtigen, zodra het voornemen tot het uitvoeren van een dergelijke transactie openbaar geworden is en tijdig voor de effectuering ervan, de desbetreffende NCB in kennis van de voorgenomen procedures ter nakoming van de in deze verordening neergelegde statistische rapportageverplichtingen.

Artikel 12

Verificatie en gedwongen verzameling

De NCB’s oefenen het recht uit tot verificatie of gedwongen verzameling van de gegevens die informatieplichtigen krachtens deze verordening verstrekken, onverminderd het recht van de ECB om dit recht zelf uit te oefenen. De NCB’s oefenen dit recht met name uit wanneer een instelling die onderdeel uitmaakt van de werkelijke populatie van informatieplichtigen, niet voldoet aan de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, zoals omschreven in bijlage IV.

Artikel 13

Eerste rapportage

De eerste rapportage gaat van start met maand- en kwartaalgegevens voor december 2014.

Artikel 14

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 958/2007 (ECB/2007/8) wordt met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage V.

Artikel 15

Slotbepaling

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de publicatie ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 18 oktober 2013.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)   PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)   PB L 211 van 11.8.2007, blz. 8.

(3)   PB L 174 van 26.6.2013, blz. 1.

(4)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(5)   PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1.


BIJLAGE I

STATISTISCHE RAPPORTAGEVEREISTEN

DEEL 1

Algemene statistische rapportageverplichtingen

1.

De werkelijke populatie van informatieplichtigen moet de volgende statistische gegevens verstrekken:

a)

op kwartaalbasis: i) effectsgewijze gegevens voor effecten met publiekelijk toegankelijke door BF’s gehouden identificatiecodes; ii) geaggregeerde gegevens, uitgesplitst naar instrument-/looptijdcategorie, valuta en tegenpartijen, voor andere activa en passiva dan effecten en voor effecten zonder publiekelijk toegankelijke identificatiecodes; iii) hetzij effectgewijze of geaggregeerde gegevens betreffende houders van uitgegeven BF-aandelen/rechten van deelneming, zoals nader gespecificeerd in deel 2. De desbetreffende NCB kan van informatieplichtigen verlangen effectsgewijze gegevens te verstrekken voor effecten zonder publiekelijk toegankelijke identificatiecodes of postengewijze gegevens voor andere activa en passiva dan effecten, en

b)

op maandelijkse basis, effectsgewijze gegevens die alle door BF’s uitgegeven aandelen/rechten van deelneming vermelden.

Zoals bepaald in tabel 2, kan de desbetreffende NCB ook beslissen gegevens over transacties effectgewijs te verzamelen, naast de gegevens inzake de velden die binnen het kader van de effectgewijze rapportage gerapporteerd moeten worden om geaggregeerde gegevens over effecten af te leiden.

De geaggregeerde gegevens moeten worden verstrekt in termen van standen, en overeenkomstig de instructies van de desbetreffende NCB, in termen van hetzij: a) herwaarderingen ten gevolge van prijs- en wisselkoerswijzigingen; of b) transacties.

Mits voorafgaande toestemming van de desbetreffende NCB is verkregen, mogen informatieplichtigen die de vereiste kwartaalgegevens effectgewijs verstrekken, de vereiste maandelijkse gegevens op een geaggregeerde basis in plaats van effectgewijs verstrekken.

2.

De aan de desbetreffende NCB effectgewijs te verstrekken gegevens worden in tabel 2 gespecificeerd. De geaggregeerde driemaandelijkse statistische rapportagevereisten voor standen worden in tabel 1 gespecificeerd en de vereisten voor herwaarderingen ten gevolge van prijs- en wisselkoerswijzigingen of transacties worden in tabel 3 gespecificeerd. De geaggregeerde maandelijkse statistische rapportagevereisten voor standen, herwaarderingen ten gevolge van prijs- en wisselkoerswijzigingen of transacties, en nieuwe uitgiften en aflossingen van BF-aandelen/rechten van deelneming worden in tabel 4 gespecificeerd.

3.

Voor zover is voldaan aan de voorwaarden inzake bescherming en gebruik van vertrouwelijke statistische gegevens die het ESCB heeft verzameld krachtens artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2533/98, in het bijzonder lid 5 ervan, kan een NCB de noodzakelijke gegevens ook afleiden uit de via Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsfondsen verzamelde gegevens (1), voor zover de door de bevoegde nationale toezichthoudende autoriteit op grond van die richtlijn verzamelde gegevens aan de NCB worden doorgegeven overeenkomstig tussen de twee lichamen overeengekomen voorwaarden.

DEEL 2

Ingezetenschap en economische sector van de houders van BF-aandelen/rechten van deelneming

1.

Informatieplichtigen rapporteren op kwartaalbasis gegevens betreffende het ingezetenschap van de houders van door BF’s van de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna: de „eurogebiedlidstaten”), uitgegeven BF-aandelen/rechten van deelneming overeenkomstig de uitsplitsing naar binnenland/eurogebied, met uitzondering van binnenland/buitenland. De binnenlandse tegenpartijen en tegenpartijen van het eurogebied, met uitzondering van binnenland, worden verder uitgesplitst naar sector.

2.

Wat betreft aandelen/rechten van deelneming op naam rapporteren informatieplichtigen gegevens inzake de uitsplitsing naar ingezetenschap en sector van de houders van de door BF’s uitgegeven aandelen/rechten van deelneming. Indien ingezetenschap en sector van de houder niet direct kunnen worden vastgesteld, worden de betreffende gegevens gerapporteerd op basis van de beschikbare informatie.

3.

Wat betreft aandelen/rechten van deelneming aan toonder rapporteren informatieplichtigen gegevens betreffende de uitsplitsing naar ingezetenschap en sector van de houders van BF-aandelen/rechten van deelneming overeenkomstig de door de desbetreffende NCB gekozen methode. Dit vereiste beperkt zich tot één van de volgende keuzemogelijkheden, of een combinatie daarvan, afhankelijk van de organisatie van de betrokken markten en de nationale wettelijke regelingen in de betrokken lidstaat. De NCB houdt periodiek toezicht op dit vereiste.

a)

Emitterende BF’s:

Emitterende BF’s, of hun bevoegde vertegenwoordigers of de entiteiten bedoeld in artikel 2, lid 2, rapporteren gegevens inzake de uitsplitsing naar ingezetenschap en sector van de houders van door hen uitgegeven aandelen/rechten van deelneming. Dergelijke informatie kan afkomstig zijn van de gevolmachtigde die de aandelen/rechten van deelneming distribueert, of van een andere bij de emissie, wederinkoop of overdracht van de aandelen/rechten van deelneming betrokken entiteit.

b)

MFI’s en OFI’s als bewaarnemers van aandelen/rechten van deelneming in BF’s:

Als informatieplichtigen rapporteren MFI’s en OFI’s die optreden als bewaarnemers van BF-aandelen/rechten van deelneming, gegevens inzake de uitsplitsing naar ingezetenschap en sector van de houders van door ingezeten BF’s uitgegeven aandelen/rechten van deelneming die in bewaarneming zijn gegeven namens de houder of een andere intermediair die eveneens optreedt als bewaarnemer. Deze optie geldt indien: i) de bewaarnemer onderscheid maakt tussen BF-aandelen/rechten van deelneming in bewaarneming namens de houders ervan en in bewaarneming namens andere bewaarnemers; en ii) de meeste BF-aandelen/rechten van deelneming bij nationale ingezeten instellingen in bewaarneming zijn gegeven, welke instellingen zijn geclassificeerd als financiële intermediairs (MFI’s of OFI’s).

c)

MFI’s en OFI’s als gegevensverstrekkers betreffende transacties van ingezetenen met niet-ingezetenen inzake aandelen/rechten van deelneming in een ingezeten BF:

Als informatieplichtigen rapporteren MFI’s en OFI’s, die optreden als gegevensverstrekkers betreffende transacties van ingezetenen met niet-ingezetenen inzake aandelen/rechten van deelneming in een ingezeten BF, gegevens inzake de uitsplitsing naar ingezetenschap en sector van de houders van door ingezeten BF’s uitgegeven aandelen/rechten van deelneming, die zij verhandelen namens de houder of een andere intermediair die eveneens bij de transactie betrokken is. Deze optie geldt als: i) de rapportagedekking uitvoerig is, d.w.z. deze dekt in wezen alle door de informatieplichtigen uitgevoerde transacties; ii) accurate gegevens inzake aan- en verkopen met niet-ingezetenen van de eurogebiedlidstaten worden verstrekt; iii) marges tussen uitgifte- en terugbetalingsprijs, zonder vergoedingen, van die aandelen/rechten van deelneming minimaal zijn; en iv) de door niet-ingezetenen van eurogebiedlidstaten aangehouden door ingezeten BF’s uitgegeven hoeveelheid aandelen/rechten van deelneming gering is.

d)

Indien de punten a) tot en met c) niet van toepassing zijn, rapporteren informatieplichtigen, waaronder MFI’s en OFI’s, de betrokken gegeven op basis van de beschikbare informatie.

4.

NCB’s kunnen de noodzakelijke gegevens ook afleiden uit de via Verordening (EU) nr. 1011/2012 van de Europese Centrale Bank van 17 oktober 2012 betreffende statistieken inzake aangehouden effecten (ECB/2012/24) (2) verzamelde gegevens, voor zover de gegevens voldoen aan de tijdigheidsvereisten van artikel 9 en, meer in het algemeen, aan de in bijlage IV uiteengezette minimumnormen.

5.

NCB’s kunnen voor één jaar vrijstelling verlenen van de in de lid 2 en lid 3 uiteengezette vereisten, indien het de eerste uitgifte van aandelen/rechten van deelneming op naam of aan toonder betreft, of indien marktontwikkelingen nopen tot een wijziging van keuzemogelijkheid of van een combinatie van keuzemogelijkheden.

DEEL 3

Rapportagetabellen

Image 11

Tabel 2

Vereiste effectgewijze gegevens

Gegevens voor de velden in de hiernavolgende tabel moeten als volgt worden gerapporteerd voor ieder effect dat in de categorieën „schuldbewijzen”, „deelnemingen” en „aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen” wordt ingedeeld.

1.

Gegevens voor veld 1 moeten worden gerapporteerd.

2.

Indien de desbetreffende NCB de effectgewijze gegevens inzake transacties niet direct verzamelt, moeten gegevens voor twee van de drie velden 2, 3 en 4 worden gerapporteerd (d.w.z. velden 2 en 3; velden 2 en 4; of velden 3 en 4).

3.

Indien de desbetreffende NCB de effectgewijze gegevens inzake transacties direct verzamelt, moeten gegevens voor de volgende velden ook worden gerapporteerd:

a)

veld 5; of velden 6 en 7, en

b)

veld 4; of velden 2 en 3.

4.

De desbetreffende NCB mag van informatieplichtigen ook rapportage van gegevens voor veld 8 verlangen.

5.

De desbetreffende NCB mag ervoor opteren voor de gevallen 2 en 3, onder b), alleen gegevens voor veld 2 te verzamelen. In dat geval moet de NCB minstens eenmaal per jaar de ongewijzigde kwaliteit van de door de NCB gerapporteerde geaggregeerde gegevens controleren, met inbegrip van de frequentie en de omvang van de herzieningen, en de ECB daarvan op de hoogte brengen.

Veld

Titel

1

Effectenidentificatiecode

2

Aantal rechten van deelneming of geaggregeerd nominaal bedrag

3

Prijs

4

Totaal bedrag

5

Financiële transacties

6

Gekochte effecten (activa) of uitgegeven effecten (passiva)

7

Verkochte effecten (activa) of afgeloste effecten (passiva)

8

Valuta waarin het effect luidt

Image 12

Image 13


(1)   PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1.

(2)   PB L 305 van 1.11.2012, blz. 6.


BIJLAGE II

DEFINITIES

DEEL 1

Definities van instrumentcategorieën

1.

Deze tabel omvat een gedetailleerde standaardbeschrijving van de instrumentcategorieën die de nationale centrale banken (NCB’s), conform deze verordening, omzetten in nationale categorieën. De tabel is geen lijst van individuele financiële instrumenten en de beschrijvingen zijn niet uitputtend. De definities verwijzen naar het Europees Systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (hierna: het „ESR 2010”) vastgelegd door Verordening (EU) nr. 549/2013.

2.

Voor sommige instrumentcategorieën zijn uitsplitsingen naar looptijd vereist. Deze verwijzen naar de oorspronkelijke looptijd, d.w.z. looptijd bij uitgifte. Het is de vaste looptijd van een financieel instrument, vóór afloop waarvan het niet kan worden afgelost, bijv. schuldbewijzen, of vóór afloop waarvan het slechts met een soort boete kan worden afgelost, bijv. bij sommige soorten deposito’s.

3.

Financiële aanspraken kunnen worden onderscheiden op grond van het feit of ze al dan niet verhandelbaar zijn. Een aanspraak is verhandelbaar als de eigendom ervan gemakkelijk kan worden overgedragen van de ene eenheid naar de andere door levering of endossement, of, in geval van financiële derivaten, kan worden gecompenseerd. Hoewel elk financieel instrument in potentie kan worden verhandeld, zijn verhandelbare instrumenten bedoeld om op een georganiseerde beurs of onderhands („over the counter”) te worden verhandeld, al is daadwerkelijke handel geen noodzakelijke voorwaarde voor verhandelbaarheid.

Tabel A

Definities van instrumentcategorieën van de activa en passiva van BF’s

CATEGORIEËN ACTIVA

Categorie

Beschrijving van de belangrijkste kenmerken

1.

Vorderingen inzake deposito’s en leningen

Ten behoeve van het rapportagekader omvat deze post door de BF’s bij geldnemers uitgezette gelden, of door BF’s verkregen leningen, die niet of in een niet-verhandelbaar document zijn beschreven

De volgende posten zijn inbegrepen:

door het BF geplaatste deposito’s, zoals girale deposito’s, deposito’s met vaste looptijd en deposito’s met opzegtermijn

aangehouden niet-verhandelbare effecten:

Aangehouden schuldbewijzen die niet verhandelbaar zijn en niet op secundaire markten kunnen worden verhandeld

verhandelde leningen:

Leningen die de facto verhandelbaar zijn geworden, dienen te worden opgenomen onder de actiefpost „vorderingen inzake deposito’s en leningen”, mits er geen bewijs is van handel op de secundaire markt. Anders worden ze ingedeeld als schuldbewijzen

achtergestelde schuld in de vorm van deposito’s of leningen: achtergestelde schuldpapieren geven een ondergeschikte vordering op de uitgevende instelling die alleen kan worden uitgeoefend nadat alle vorderingen met een hogere status zijn voldaan, waardoor ze enigszins lijken op deelnemingen. Voor statistische doeleinden worden achtergestelde schulden ingedeeld als „leningen” of als „schuldbewijzen” overeenkomstig de aard van het instrument. Indien het gangbaar is alle vormen van de door BF’s aangehouden achtergestelde schulden voor statistische doeleinden als één enkel cijfer aan te geven, wordt dit cijfer onder de post „schuldbewijzen” opgenomen, vanwege het feit dat achtergestelde schulden hoofdzakelijk bestaan uit schuldbewijzen en niet uit leningen

vorderingen uit hoofde van repotransacties met wederverkoopverplichting tegen geldelijke zekerheid:

tegenpost van gelden betaald in ruil voor door BF’s tegen een bepaalde koers gekochte effecten onder beding van wederverkoop van dezelfde (of soortgelijke) effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst

vorderingen uit hoofde van effectenleningen tegen geldelijke zekerheid:

tegenpost van gelden ontvangen in ruil voor door BF’s geleende effecten

Ter fine van deze verordening omvat deze post ook aangehouden in omloop zijnde euro- en buitenlandse bankbiljetten en munten die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen

2.

Schuldbewijzen

Aangehouden schuldbewijzen, die verhandelbare, als schuldbewijs dienende financiële instrumenten zijn, gewoonlijk op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de emitterende instelling

Deze post omvat:

aangehouden effecten die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of een vast bedrag op een bepaalde datum of op bepaalde data, dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum

verhandelde leningen die verhandelbaar zijn geworden op een gereguleerde markt, mits er bewijs is van handel op de secundaire markt, waaronder het bestaan van marktmakers, en van een regelmatige notering van het financiële actief, zoals door het bestaan van spreads tussen bied- en laatkoers. Indien dit niet het geval is, worden ze ingedeeld als „vorderingen inzake deposito’s en leningen”

achtergestelde schuld in de vorm van schuldbewijzen

Effecten die uitgeleend worden op grond van effectenuitleentransacties of verkocht uit hoofde van een repo-overeenkomst blijven op de balans van de oorspronkelijke eigenaar staan (en worden niet geregistreerd op de balans van de tijdelijke verkrijger) indien er een vaste verplichting bestaat om de transactie om te keren en niet alleen een optie om dat te doen. Indien de tijdelijke verkrijger de ontvangen effecten verkoopt, moet deze verkoop als een rechtstreekse aan- of verkoop van waardepapier worden geregistreerd en op de balans van de tijdelijke verkrijger worden opgenomen als een negatieve positie in de effectenportefeuille

3.

Deelnemingen en aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen

Financiële activa die eigendomsrechten vertegenwoordigen in vennootschappen of quasivennootschappen. Dergelijke financiële activa geven de houder in het algemeen recht op een aandeel in de winst van de vennootschappen of quasivennootschappen, alsook in hun nettovermogen in geval van liquidatie.

Deze post omvat beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen, overige deelnemingen, aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen en aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen

Gewone aandelen die zijn uitgeleend op grond van effectenuitleentransacties, of die zijn verkocht uit hoofde van een repo-overeenkomst worden behandeld volgens de regels in categorie 2 „schuldbewijzen”

3a.

Deelnemingen en aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen waarvan beursgenoteerde aandelen

Beursgenoteerde aandelen zijn aandelenbewijzen die aan een beurs genoteerd zijn. Deze beurs kan zowel een erkende aandelenbeurs als enige andere vorm van secundaire markt zijn. Dat beurskoersen voor beursgenoteerde aandelen bestaan, betekent dat de actuele marktprijzen gewoonlijk onmiddellijk beschikbaar zijn

3b.

Deelnemingen en aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen waarvan aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen

Deze post omvat aangehouden aandelen of rechten van deelneming uitgegeven door geldmarktfondsen en door beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen opgenomen in de lijsten van MFI’s en BF’s voor statistische doeleinden

Geldmarktfondsen zijn gedefinieerd in Verordening 1071(EU) nr. /2013 (ECB/2013/33).

Beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen zijn gedefinieerd in artikel 1 van deze verordening

(2 + 3)a.

waarvan effecten (schuldbewijzen, deelnemingen en aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen) die zijn uitgeleend of verkocht uit hoofde van repo-overeenkomsten

Deze post omvat de effecten, gerapporteerd onder categorie 2 (schuldbewijzen) en 3 (deelnemingen en aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen), die zijn geleend op grond van effectenuitleentransacties, of die zijn verkocht uit hoofde van repo-overeenkomsten (of andere gelijksoortige transacties, zoals verkoop- en terugkooptransacties)

4.

Financiële derivaten

Financiële derivaten zijn financiële instrumenten die aan een specifiek financieel instrument, een specifieke indicator of een specifiek goed zijn gekoppeld en aan de hand waarvan specifieke financiële risico’s zelfstandig op financiële markten kunnen worden verhandeld

Deze post omvat:

opties

warrants

futures

termijncontracten

swaps

kredietderivaten

Financiële derivaten worden op de balans op brutobasis tegen marktwaarde geregistreerd. Individuele derivatencontracten met een positieve marktwaarde worden aan de actiefzijde van de balans opgenomen en contracten met een negatieve marktwaarde aan de passiefzijde van de balans

Bruto toekomstige verplichtingen die voortvloeien uit derivatencontracten, dienen niet als balansposten te worden opgenomen

Financiële derivaten kunnen volgens verschillende waarderingsmethoden op een nettobasis worden geregistreerd. In het geval dat alleen nettoposities beschikbaar zijn, of posities tegen een andere waarde dan de marktwaarde worden geregistreerd, worden in plaats daarvan deze posities gerapporteerd.

Deze post omvat geen financiële derivaten die overeenkomstig nationale regels niet op de balans dienen te worden opgenomen

5.

Niet-financiële activa (waaronder vaste activa)

Materiële en immateriële activa, m.u.v. financiële activa. Vaste activa zijn niet-financiële activa die herhaaldelijk of continu voor langer dan een jaar door het BF worden gebruikt.

Deze post omvat huizen, overige gebouwen en bouwwerken, bedrijfsinventaris, kostbaarheden en intellectuele eigendommen zoals computersoftware en databases

6.

Overige activa

Dit is de restpost aan de actiefzijde van de balans, gedefinieerd als „niet elders opgenomen activa”. NCB’s mogen uit hoofde van deze post ook individuele uitsplitsingen vereisen van:

opgebouwde te ontvangen rente op deposito’s en leningen

opgebouwde rente op aangehouden schuldbewijzen

te ontvangen lopende huur

te ontvangen bedragen uit andere hoofde dan het kernbedrijf van het BF


CATEGORIEËN PASSIVA

Categorie

Beschrijving van de belangrijkste kenmerken

7.

Ontvangen leningen en deposito’s

Door BF’s aan crediteuren verschuldigde bedragen, niet zijnde gelden verkregen uit de uitgifte van verhandelbare effecten. Deze post bestaat uit:

leningen: aan de BF’s verstrekte leningen die niet of in een niet-verhandelbaar document zijn beschreven

repo’s en repotype transacties tegen geldelijke zekerheid: tegenpost van gelden ontvangen in ruil voor door het BF tegen een bepaalde koers verkochte effecten onder beding van wederinkoop van dezelfde (of soortgelijke) effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst. Door BF’s ontvangen bedragen in ruil voor effecten die aan een derde zijn overgedragen („tijdelijke verkrijgende”), worden hier ingedeeld indien er een vaste verplichting is om de transactie om te keren en niet louter een optie daartoe. Dit houdt in dat het BF tijdens de transactie alle risico’s en beloningen van de onderliggende effecten behoudt

geldelijke zekerheid ontvangen in ruil voor effectenleningen: bedragen ontvangen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen in de vorm van effectenuitleentransacties tegen geldelijke zekerheid

geldelijke zekerheid ontvangen in transacties die de tijdelijke overdracht van goud tegen onderpand inhouden

8.

BF-aandelen/rechten van deelneming

Aandelen of rechten van deelneming, waaronder in de vorm van kapitaaldeelneming, uitgegeven door BF’s die voor statistische doeleinden in de lijst van BF’s zijn opgenomen. Deze post behelst de totale verplichtingen aan de aandeelhouders van het BF. Hiertoe behoren eveneens gelden uit hoofde van niet-uitgekeerde winst of door het BF gereserveerde gelden voor betalingen en verplichtingen in de toekomst

9.

Financiële derivaten

Zie categorie 4

10.

Overige passiva

Dit is de restpost aan de passiefzijde van de balans, gedefinieerd als „niet elders opgenomen passiva”.

NCB’s mogen uit hoofde van deze post ook individuele uitsplitsingen vereisen van:

uitgegeven schuldbewijzen

Effecten uitgegeven door het BF, met uitzondering van deelnemingen, die gewoonlijk verhandelbare instrumenten zijn en op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de uitgevende instelling

opgebouwde te betalen rente op leningen en deposito’s

te betalen bedragen uit andere hoofde dan het kernbedrijf van het BF, d.w.z. bedragen verschuldigd aan leveranciers, belasting, lonen, sociale premies etc.

voorzieningen die verplichtingen ten opzichte van derden vertegenwoordigen, d.w.z. pensioenen, dividenden etc.

nettoposities uit hoofde van effectenuitleen zonder geldelijke zekerheid

netto te betalen bedragen uit hoofde van toekomstige afwikkelingen van effectentransacties

DEEL 2

Definities van effectsgewijze kenmerken

Tabel B

Definities van effectsgewijze kenmerken

Veld

Beschrijving

Effectenidentificatiecode

Unieke effectenidentificatiecode. De code kan de ISIN-code zijn of een andere effectenidentificatiecode, met inachtneming van de instructies van de NCB

Aantal eenheden of geaggregeerd nominaal bedrag

Aantal eenheden van een effect, of geaggregeerd nominaal bedrag indien het effect in bedragen en niet in eenheden wordt verhandeld

Prijs

Koers per eenheid van een effect, of percentage van het geaggregeerd nominaal bedrag indien het effect in bedragen en niet in eenheden wordt verhandeld. De koers is normaliter de marktprijs of dicht daarbij. Onder deze post kunnen NCB’s ook opgebouwde rente verlangen

Totaal bedrag

Totaal bedrag voor een effect. Ingeval van in eenheden verhandelde effecten, is dit bedrag gelijk aan het aantal effecten vermenigvuldigd met de koers per eenheid. Indien effecten in bedragen en niet in eenheden worden verhandeld, is dit bedrag gelijk aan het geaggregeerde nominale bedrag vermenigvuldigd met de koers uitgedrukt als een percentage

Het totale bedrag is in beginsel de marktprijs of dicht daarbij. Onder deze post kunnen NCB’s ook opgebouwde rente verlangen

Financiële transacties

De som van aankopen minus verkopen (effecten aan de actiefzijde) of uitgiften minus aflossingen (effecten aan de passiefzijde) van een tegen transactiewaarde opgenomen effect

Gekochte effecten (activa) of uitgegeven effecten (passiva)

De som van aankopen (effecten aan de actiefzijde) of uitgiften (effecten aan de passiefzijde) van een tegen transactiewaarde opgenomen effect

Verkochte effecten (activa) of afgeloste effecten (passiva)

De som van verkopen (effecten aan de actiefzijde) of aflossingen (effecten aan de passiefzijde) van een tegen transactiewaarde opgenomen effect

Valuta waarin het effect luidt

ISO-code of equivalent van de valuta waarin de koers luidt en/of het uitstaande bedrag van het effect

DEEL 3

Definities van sectoren

Het ESR 2010 stelt de norm voor de sectorindeling. Deze tabel geeft een gedetailleerde standaardbeschrijving van sectoren die NCB’s overeenkomstig deze verordening in nationale categorieën omzetten. Tegenpartijen gevestigd in de lidstaten die de euro als munt hebben, worden bepaald aan de hand van hun sector conform de door de Europese Centrale Bank (ECB) voor statistische doeleinden bijgehouden lijsten en de leidraad voor de statistische classificatie van tegenpartijen die wordt verschaft door het „Sectorhandboek voor statistieken inzake monetaire financiële instellingen en markten: Leidraad voor de statistische classificatie van klanten” van de ECB.

Tabel C

Definities van sectoren

Sector

Definitie

1.

MFI’s

MFI’s zoals gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33). Deze sector bestaat uit NCB’s, kredietinstellingen zoals gedefinieerd in Unierecht, geldmarktfondsen, overige financiële instellingen die er hun bedrijf van maken deposito’s en/of daarmee vergelijkbare financiële titels aan te trekken van andere entiteiten dan MFI’s, en voor eigen rekening, tenminste in economische zin, leningen te verstrekken en/of te beleggen in effecten, en instellingen voor elektronisch geld met als hoofdactiviteit financiële intermediatie in de vorm van het uitgeven van elektronisch geld

2.

Overheid

De sector overheid (S.13) bestaat uit institutionele eenheden die niet-marktproducenten zijn waarvan de output voor individueel of collectief verbruik is bestemd, en die worden gefinancierd uit verplichte betalingen door eenheden die tot andere sectoren behoren, en institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen (ESR 2010, paragraaf 2.111 tot en met 2.113)

3.

Beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen

BF’s zoals gedefinieerd in artikel 1 van deze verordening

4.

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen + financiële hulpbedrijven + financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

De subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door het aangaan van verplichtingen, andere dan in chartaal geld, deposito’s (of daarmee vergelijkbare financiële titels), aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen of in verband met verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen, bij institutionele eenheden. LFI’s zoals gedefinieerd in Verordening 1075(EU) nr. /2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (ECB/2013/40) (1) worden in deze subsector opgenomen (ESR 2010, paragraaf 2.86 tot en met 2.94)

De subsector financiële hulpbedrijven (S.126) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met activiteiten die nauw verband houden met financiële intermediatie, maar zelf geen financiële intermediairs zijn. Deze subsector omvat eveneens hoofdkantoren waarvan de filialen allemaal of hoofdzakelijk financiële vennootschappen zijn (ESR 2010, paragraaf 2.95 tot en met 2.97)

De subsector financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich noch met financiële intermediatie, noch met het verlenen van financiële hulpdiensten bezighouden en waarvan het merendeel van de activa of passiva niet op open markten wordt verhandeld. Deze subsector omvat ook holdings die een zeggenschapsbelang bezitten in een groep dochterondernemingen en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten van de groep zonder dat andere diensten worden verleend aan de ondernemingen waarin zij dat belang bezitten, m.a.w. zij besturen of beheren geen andere eenheden (ESR 2010, paragraaf 2.98 en 2.99)

5.

Verzekeringsinstellingen + pensioenfondsen

De subsector verzekeringsinstellingen (S.128) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van risico’s, hoofdzakelijk in de vorm van directe verzekering of herverzekering (ESR 2010, paragraaf 2.100 tot en met 2.104).

De subsector pensioenfondsen (S.129) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van sociale risico’s en behoeften van de verzekerden (sociale verzekering). Pensioenfondsen als socialeverzekeringsregelingen verschaffen een inkomen aan gepensioneerden en vaak uitkeringen bij overlijden en invaliditeit (ESR 2010, paragraaf 2.105 tot en met 2.110).

6.

Niet-financiële vennootschappen

De sector niet-financiële vennootschappen (S.11) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten. Deze sector omvat tevens niet-financiële quasivennootschappen (ESR 2010, paragraaf 2.45 tot en met 2.50)

7.

Huishoudens + instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens

De sector huishoudens (S.14) bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen. De sector huishoudens omvat tevens eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid voor zover zij niet als quasivennootschappen worden behandeld, die marktproducent zijn (ESR 2010, paragraaf 2.118 tot en met 2.128)

De sector instellingen zonder winstoogmerk (izw’s) ten behoeve van huishoudens (S.15) bestaat uit izw’s met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen (ESR 2010, paragraaf 2.129 en 2.130)


(1)  Zie bladzijde 107 van dit Publicatieblad.


BIJLAGE III

HERWAARDERINGSAANPASSINGEN OF TRANSACTIES

1.

De werkelijke populatie van informatieplichtigen dient herwaarderingsaanpassingen of transacties overeenkomstig artikel 6 van deze verordening te rapporteren. Indien de werkelijke populatie van informatieplichtigen herwaarderingsaanpassingen rapporteert, bestrijken deze hetzij herwaarderingen ten gevolge van prijs- en wisselkoerswijzigingen, hetzij alleen prijswijzigingen in de referentieperiode, zulks met voorafgaande toestemming van de desbetreffende NCB. Indien de herwaarderingsaanpassing slechts herwaarderingen ten gevolge van prijswijzigingen bestrijkt, verzamelt de desbetreffende NCB de nodige gegevens die ten minste een uitsplitsing omvat naar het Britse pond, de Zwitserse frank, de Japanse yen en de Amerikaanse dollar om de herwaarderingen af te leiden die het gevolg zijn van wisselkoerswijzigingen.

2.

„Financiële transacties” betreft transacties die voortvloeien uit het creëren, liquideren of wijzigen van eigendom van financiële activa of passiva. Deze transacties worden gemeten als het verschil tussen de gerapporteerde standen per periode-ultimo, waarbij wordt gecorrigeerd voor het effect van veranderingen ten gevolge van „herwaarderingsaanpassingen” (veroorzaakt door prijs- en wisselkoerswijzigingen) en „herindelingen en overige aanpassingen”. De Europese Centrale Bank vereist statistische gegevens voor het samenstellen van transacties in de vorm van aanpassingen die „herindelingen en overige aanpassingen” en „prijs- en wisselkoersherwaarderingen” bestrijken. Financiële transacties dienen in beginsel te voldoen aan het ESR 2010, maar kunnen vanwege nationale praktijken afwijken.

3.

„Prijs- en wisselkoersherwaarderingen” betreft fluctuaties in de waardering van activa en passiva die voortvloeien uit hetzij gewijzigde prijzen van activa en passiva en/of van de wisselkoersen die de waarde in euro van in een vreemde valuta luidende activa en passiva beïnvloeden. De aanpassing met betrekking tot de prijsherwaarderingen van activa/passiva heeft betrekking op fluctuaties in de waardering van activa/passiva die het gevolg zijn van een wijziging in de prijs waartegen activa/passiva worden geboekt of verhandeld. De prijsherwaarderingen omvatten in de tijd optredende wijzigingen in de waarde van standen per periode-ultimo, veroorzaakt door een gewijzigde referentiewaarde waartegen activa/passiva worden geboekt, d.w.z. waarderingsverschillen. Tussen opeenvolgende rapportagedatums optredende schommelingen in wisselkoersen ten opzichte van de euro leiden, uitgedrukt in euro, tot wijzigingen in de waarde van activa/passiva in buitenlandse valuta’s. Aangezien deze veranderingen waarderingsverschillen betreffen en niet het resultaat zijn van financiële transacties, moeten deze effecten uit de transactiegegevens worden verwijderd. In beginsel omvatten „prijs- en wisselkoersherwaarderingen” tevens waarderingsmutaties die voortvloeien uit transacties in activa/passiva, bijv. gerealiseerde winsten/verliezen; er bestaan in dit opzicht evenwel uiteenlopende nationale praktijken.

BIJLAGE IV

DOOR DE WERKELIJKE POPULATIE VAN INFORMATIEPLICHTIGEN TOE TE PASSEN MINIMUMNORMEN

Informatieplichtigen dienen de volgende minimumkwaliteitsnormen in acht te nemen, om aan de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank (ECB) te voldoen.

1.

Minimumnormen voor transmissie:

a)

de rapportage gebeurt tijdig en binnen de termijn die door de desbetreffende NCB is vastgesteld;

b)

vorm en formaat van de statistische rapporten voldoen aan de technische rapportagevereisten die door de desbetreffende NCB zijn vastgesteld;

c)

de informatieplichtige verschaft de gegevens van één of meer contactpersonen aan de desbetreffende NCB;

d)

de datatransmissie aan de desbetreffende NCB vindt plaats met inachtneming van de daarvoor vastgestelde technische specificaties;

e)

ingeval van effectgewijze rapportage moeten de informatieplichtigen, indien de desbetreffende NCB zulks verzoekt, aanvullende gegevens verstrekken (bijv. naam van de emittent, emissiedatum) die benodigd zijn om effecten te identificeren waarvan effectenidentificatiecodes hetzij onjuist, hetzij niet publiekelijk beschikbaar zijn.

2.

Minimumnormen voor nauwkeurigheid:

a)

statistische gegevens zijn juist: aan alle lineaire beperkingen moet worden voldaan (bijv. activa en passiva dienen gelijk te zijn, en opgetelde subtotalen moeten gelijk zijn aan de totalen) en gegevens van de verschillende perioden zijn consistent;

b)

de informatieplichtigen zijn in staat informatie verschaffen over de ontwikkelingen waarop de verstrekte gegevens duiden;

c)

de statistische gegevens zijn volledig en bevatten geen continue of structurele leemtes; er dient gewezen te worden op eventuele bestaande leemtes, waarvoor aan de desbetreffende NCB een verklaring dient te worden gegeven en die, waar van toepassing, zo snel mogelijk dienen te worden verholpen;

d)

de informatieplichtigen houden zich aan afmetingen, afrondingsbeleid en decimalen die door de desbetreffende NCB voor de technische transmissie van de gegevens zijn vastgesteld.

3.

Minimumnormen voor conceptuele naleving:

a)

statistische gegevens worden gepresenteerd met inachtneming van de definities en classificaties zoals vervat in deze verordening;

b)

in geval van afwijking van deze definities en classificaties, moeten informatieplichtigen op gezette tijden het verschil controleren en kwantificeren tussen de gebruikte maatstaf en de maatstaf die in deze verordening is vervat;

c)

informatieplichtigen kunnen een verklaring geven voor een eventuele breuk in de verstrekte gegevens ten opzichte van de cijfers van voorgaande perioden.

4.

Minimumnormen voor herzieningen:

Het beleid en de procedures die door de ECB en de desbetreffende NCB met betrekking tot herzieningen zijn vastgesteld, dienen te worden gevolgd. Herzieningen die afwijken van regelmatige herzieningen worden van een toelichting voorzien.


BIJLAGE V

CONCORDANTIETABEL

Verordening (EG) nr. 958/2007 (ECB/2007/8)

Deze verordening

Artikelen 1 en 2

Artikelen 1 en 2

Artikel 3

Artikel 8

Artikel 4

Artikel 3

Artikel 5

Artikel 4

Artikel 6

Artikel 5

Artikel 7

Artikel 6

Artikel 8

Artikel 7

Artikelen 9 tot en met 13

Artikelen 9 tot en met 13

Artikel 14

Artikel 14

Artikel 15

Bijlage I, deel 1, punt 1

Bijlage I, deel 1, punt 2, onder (a)

Bijlage I, deel 1, punt 1

Bijlage I, deel 1, punt 2, onder (b)

Bijlage I, deel 1, punt 3

Bijlage I, deel 1, punt 2

Bijlage I, deel 1, punt 3

Bijlage I, deel 2, punten 1 tot en met 3

Bijlage I, deel 2, punten 1 tot en met 3

Bijlage I, deel 2, punt 4

Bijlage I, deel 2, punt 4

Bijlage I, deel 2, punt 5

Bijlage I, deel 3

Bijlage I, deel 3

Bijlage II, deel 1

Bijlage II, deel 1, punt 1

Bijlage II, deel 1, punten 2 en 3

Bijlage II, delen 2 en 3

Bijlage II, delen 2 en 3

Bijlagen III en IV

Bijlagen III en IV

Bijlage V


7.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/94


VERORDENING (EU) Nr. 1074/2013 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 18 oktober 2013

betreffende de statistische rapportagevereisten ten aanzien van postcheque- en girodiensten die deposito’s aantrekken van in het eurogebied ingezetenen, niet-monetaire financiële instellingen

(herschikking)

(ECB/2013/39)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), inzonderheid artikel 5, lid 1, en artikel 6, lid 4,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 1027/2006 van de Europese Centrale Bank van 14 juni 2006 betreffende de statistische rapportagevereisten ten aanzien van postcheque- en girodiensten die deposito’s aantrekken van in het eurogebied ingezetenen, niet-monetaire financiële instellingen (ECB/2006/8) (2) dient aanzienlijk gewijzigd te worden en omwille van de duidelijkheid is een herschikking noodzakelijk, in het bijzonder in het licht van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (3).

(2)

Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt in artikel 2, lid 1, dat ter vervulling van haar vereisten met betrekking tot het rapporteren van statistische gegevens de Europese Centrale Bank (ECB), bijgestaan door de nationale centrale banken (NCB's), bevoegd is tot het verzamelen van statistische gegevens binnen de grenzen van de referentiepopulatie van informatieplichtigen en van hetgeen nodig is om de taken van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) uit te voeren. Artikel 2, lid 2, onder b), bepaalt voorts dat postcheque- en girodiensten (POGI's) deel uitmaken van de referentiepopulatie van informatieplichtigen, voor zover nodig is ter vervulling van de rapportagevereisten van de ECB inzake monetaire en financiële statistieken.

(3)

Het doel van de POGI-gegevens is de ECB adequate statistieken te verschaffen betreffende de financiële activiteiten van de POGI-subsector in de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de „eurogebied-lidstaten”) en als één economisch gebied worden beschouwd.

(4)

Ingevolge artikel 3, lid 1 van Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 met betrekking tot de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (4), bestaat de werkelijke populatie van informatieplichtigen voor die verordening uit de monetaire financiële instellingen (MFI's) die ingezeten zijn in de eurogebied-lidstaten.

(5)

De monetaire aggregaten van het eurogebied en hun tegenposten worden hoofdzakelijk afgeleid uit de MFI-balansgegevens die worden verzameld uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33). De monetaire aggregaten van het eurogebied omvatten evenwel niet alleen monetaire verplichtingen van MFI’s ten aanzien van niet-MFI-ingezetenen van het eurogebied, met uitzondering van de centrale overheid, maar ook monetaire verplichtingen van de centrale overheid ten aanzien van niet-MFI-ingezetenen van het eurogebied, met uitzondering van de centrale overheid.

(6)

In een aantal eurogebied-lidstaten maken POGI’s geen deel uit van de sector centrale overheid in het herziene Europees systeem van rekeningen (hierna het „ESR-2010”) vastgelegd in Verordening (EU) nr. 549/2013, en hebben ze niet als enige taak het ontvangen van deposito’s namens hun nationale ministeries van Financiën, maar mogen ze deposito’s voor eigen rekening aantrekken.

(7)

POGI’s die deposito’s aantrekken, verrichten in dat opzicht werkzaamheden die met werkzaamheden van MFI’s vergelijkbaar zijn. Op beide soorten entiteiten dienen vergelijkbare statistische rapportagevereisten van toepassing te zijn, voorzover deze vereisten voor hun werkzaamheden relevant zijn.

(8)

Het is noodzakelijk een geharmoniseerde behandeling en de beschikbaarheid van statistische gegevens inzake door POGI’s aangetrokken deposito’s te verzekeren,

(9)

De normen voor de bescherming en het gebruik van vertrouwelijke statistische informatie, zoals vastgelegd in artikel 8 van Verordening (EG) nr. 2533/98, dienen van toepassing te zijn,

(10)

Artikel 7, lid 1, van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de ECB bevoegd is sancties op te leggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de in ECB-verordeningen of -besluiten vastgelegde statistische rapportageverplichtingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

In deze verordening gelden de volgende definities:

1.

„informatieplichtigen” en „ingezeten” hebben dezelfde betekenis als gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98;

2.

„postcheque- en girodienst (POGI)”: een postkantoor dat behoort tot de sector „niet-financiële vennootschappen” (sector 11, ESR-2010), en, in aanvulling op postale diensten, deposito’s aantrekt van niet-MFI-ingezetenen van het eurogebied, teneinde voor hun deposanten overmakingsdiensten te verrichten;

3.

„desbetreffende NCB”: de NCB van de eurogebied-lidstaat waarin de POGI ingezeten is.

Artikel 2

Werkelijke populatie van informatieplichtigen

1.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen bestaat uit de POGI’s die ingezetenen zijn van de eurogebied-lidstaten.

2.   De directie kan een lijst van onder deze verordening vallende POGI’s opstellen en bijhouden. De NCB’s en de ECB maken deze lijst, en de herzieningen ervan, op passende wijze toegankelijk voor de betrokken POGI’s, waaronder via elektronische weg, het internet of, op verzoek van de betrokken POGI’s, in gedrukte vorm. Deze lijst dient uitsluitend ter informatie. Ingeval de meest recent beschikbare versie van de lijst onjuist is, legt de ECB echter geen sancties op aan POGI’s die niet naar behoren aan hun statistische rapportageverplichtingen hebben voldaan voor zover deze te goeder trouw afgingen op de onjuiste lijst.

3.   NCB’s kunnen POGI’s vrijstellen van het vereiste om statistische gegevens te rapporteren uit hoofde van deze verordening, indien de vereiste statistische gegevens reeds uit andere beschikbare bronnen worden verzameld. NCB's gaan na of aan deze voorwaarde tijdig werd voldaan om een vrijstelling te verlenen of, indien nodig, in te trekken bij het begin van elk jaar, zulks in samenspraak met de ECB.

Artikel 3

Statistische rapportagevereisten

1.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen rapporteert maandelijkse statistische gegevens aan de desbetreffende NCB in termen van standen inzake haar balans per maandultimo.

2.   De uit hoofde van deze verordening vereiste, in de bijlagen I en II gespecificeerde statistische gegevens betreffen door een POGI voor eigen rekening uitgevoerde werkzaamheden.

3.   De uit hoofde van deze verordening vereiste statistische gegevens worden gerapporteerd met inachtneming van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, zoals vastgelegd in bijlage III.

4.   De NCB’s definiëren en passen de door de werkelijke populatie van informatieplichtigen te volgen rapportageprocedures toe overeenkomstig nationale vereisten. De NCB’s verzekeren dat deze rapportageprocedures de op grond van deze verordening vereiste statistische gegevens opleveren en een nauwkeurige controle mogelijk maken van de naleving van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals vastgelegd in bijlage III.

Artikel 4

Fusies, splitsingen en reorganisaties

In het geval van een fusie, splitsing of een andere reorganisatie die de naleving van zijn statistische verplichtingen kan beïnvloeden, stelt de betreffende informatieplichtige, zodra het voornemen tot het uitvoeren van een dergelijke transactie openbaar geworden is en binnen een redelijke tijd voor de effectuering ervan, de desbetreffende NCB in kennis van de voorgenomen procedures ter nakoming van de in deze verordening neergelegde statistische rapportageverplichtingen.

Artikel 5

Tijdigheid

De NCB’s versturen de krachtens artikel 3, leden 1 en 2, gerapporteerde statistische gegevens aan de ECB uiterlijk aan het einde van de vijftiende werkdag volgend op het einde van de maand waarop zij betrekking hebben. De NCB’s bepalen wanneer zij gegevens van informatieplichtigen moeten ontvangen om aan deze termijn te kunnen voldoen.

Artikel 6

Regels inzake financiële administratie ten behoeve van statistische rapportage

1.   Met inachtneming van de leden 2 en 3 zijn de door POGI’s toegepaste regels inzake financiële administratie voor de rapportage krachtens deze verordening de regels neergelegd in de desbetreffende nationale omzetting van Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (5), alsook in eventuele andere geldende internationale boekhoudkundige normen.

2.   Depositoverplichtingen en leningen worden tegen het nominale per maandultimo uitstaande bedrag gerapporteerd. Depositoverplichtingen en leningen worden niet gesaldeerd met enige andere activa of passiva.

3.   Onverminderd de actuele administratieve praktijken en salderingsregelingen in de eurogebied-lidstaten, worden alle financiële activa en passiva voor statistische doeleinden op een brutobasis gerapporteerd.

4.   NCB’s kunnen de rapportage van leningen waarvoor voorzieningen zijn getroffen, zonder deze voorzieningen toestaan, alsook de rapportage van overgenomen leningen tegen de ten tijde van verkrijging overeengekomen prijs, op voorwaarde dat alle ingezeten informatieplichtigen deze rapportagepraktijken toepassen.

Artikel 7

Verificatie en gedwongen verzameling

De NCB’s oefenen het recht uit tot verificatie of gedwongen verzameling van de gegevens die informatieplichtigen krachtens deze verordening verstrekken, onverminderd het recht van de ECB om dit recht zelf uit te oefenen. De NCB's oefenen dit recht met name uit wanneer een POGI die onderdeel uitmaakt van de werkelijke populatie van informatieplichtigen, niet voldoet aan de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, zoals omschreven in bijlage III.

Artikel 8

Eerste rapportage

De eerste rapportage begint met de maandelijkse gegevens voor december 2014.

Artikel 9

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 1027/2006 (ECB/2006/8) wordt met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening gelden als verwijzingen naar deze verordening en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 10

Slotbepalingen

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 18 oktober 2013.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)   PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)   PB L 184 van 6.7.2006, blz. 12.

(3)   PB L 174, van 26.6.2013, blz. 1.

(4)  Zie bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(5)   PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1.


BIJLAGE I

STATISTISCHE RAPPORTAGEVEREISTEN

Image 14

BIJLAGE II

DEFINITIES IN VERBAND MET DE STATISTISCHE RAPPORTAGEVEREISTEN

Consolidatie voor statistische doeleinden binnen hetzelfde nationale grondgebied

POGI’s consolideren voor statistische doeleinden de werkzaamheden van al hun op hetzelfde nationale grondgebied gevestigde kantoren (maatschappelijke zetel of hoofdkantoor en/of bijkantoren). Voor statistische doeleinden is grensoverschrijdende consolidatie niet toegestaan.

a)

Indien een moedermaatschappij en haar dochterondernemingen in dezelfde lidstaat gevestigde POGI’s zijn, is het de moedermaatschappij toegestaan in haar statistische rapportages de werkzaamheden van deze dochterondernemingen te consolideren.

b)

Indien een POGI bijkantoren op het grondgebied van de andere eurogebied-lidstaten heeft, beschouwt de maatschappelijke zetel of het hoofdkantoor in een gegeven eurogebied-lidstaat de posities ten aanzien van al deze bijkantoren als posities ten aanzien van ingezetenen in de andere eurogebied-lidstaten. Een in een gegeven eurogebied-lidstaat gevestigd bijkantoor beschouwt daarentegen de posities ten aanzien van de maatschappelijke zetel of het hoofdkantoor of andere bijkantoren van dezelfde instelling die zijn gevestigd op het grondgebied van de andere eurogebied-lidstaten, als posities ten aanzien van ingezetenen in de andere eurogebied-lidstaten.

c)

Indien een POGI bijkantoren buiten het grondgebied van de eurogebied-lidstaten heeft, beschouwt de maatschappelijke zetel of het hoofdkantoor in een gegeven eurogebied-lidstaat de posities ten aanzien van al deze bijkantoren als posities ten aanzien van ingezetenen in de rest van de wereld. Een in een gegeven eurogebied-lidstaat gevestigd bijkantoor beschouwt daarentegen de posities ten aanzien van de maatschappelijke zetel of het hoofdkantoor of andere bijkantoren van dezelfde instelling die zijn gevestigd buiten de eurogebied-lidstaten, als posities ten aanzien van ingezetenen in het buitenland.

Sectorendefinities

Het ESR-2010 stelt de norm voor de sectorindeling. Tegenpartijen van POGI’s op het grondgebied van de eurogebied-lidstaten worden bepaald aan de hand van hun binnenlandse sector of institutionele classificatie conform de door de Europese Centrale Bank (ECB) voor statistische doeleinden bijgehouden lijsten en de leidraad voor de statistische classificatie van tegenpartijen die wordt verschaft door het „Monetary, financial institutions and markets statistics sector manual. Guidance for the statistical classification of customers” van de ECB.

Tabel

Sectorendefinities

Sector

Definitie

MFI's

MFI’s zoals omschreven in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33). Deze sector bestaat uit NCB's, kredietinstellingen zoals gedefinieerd in Unierecht, geldmarktfondsen, overige financiële instellingen die er hun bedrijf van maken deposito’s en/of daarmee vergelijkbare financiële titels aan te trekken van andere entiteiten dan MFI’s, en voor eigen rekening, ten minste in economische zin, leningen te verstrekken en/of te beleggen in effecten, en instellingen voor elektronisch geld met als hoofdactiviteit financiële intermediatie in de vorm van het uitgeven van elektronisch geld

Overheid

De sector overheid (S.13) bestaat uit institutionele eenheden die niet-marktproducenten zijn waarvan de output voor individueel of collectief verbruik is bestemd, en die worden gefinancierd uit verplichte betalingen door eenheden die tot andere sectoren behoren, en institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen (ESR-2010, paragraaf 2.111, 2.112 en 2.113)

Centrale overheid

Deze subsector (S.1311) omvat alle bestuursinstellingen van de staat en andere centrale organen waarvan de bevoegdheid zich gewoonlijk over het gehele economische gebied uitstrekt, met uitzondering van socialezekerheidsfondsen (ESR-2010, paragraaf 2.114)

Deelstaatoverheid

Deze subsector (S.1312) bestaat uit die typen van bestuursinstellingen die afzonderlijke institutionele eenheden zijn en die bepaalde overheidsfuncties, met uitzondering van het beheer van socialezekerheidsfondsen, uitoefenen op een lager niveau dan de centrale overheid en op een hoger niveau dan de institutionele eenheden van de lagere overheid (ESR-2010, paragraaf 2.115)

Lagere overheid (S.1313)

Deze subsector (S.1313) omvat de instellingen van openbaar bestuur waarvan de bevoegdheid zich slechts tot een lokaal gedeelte van het economische gebied uitstrekt, met uitzondering van de plaatselijke instellingen van socialezekerheidsfondsen (ESR-2010, paragraaf 2.116)

Socialezekerheidsfondsen

De subsector socialezekerheidsfondsen (S.1314) omvat de institutionele eenheden op centraal, deelstaat- en lokaal niveau waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verstrekken van sociale uitkeringen en die aan elk van de volgende twee criteria voldoen a) bepaalde bevolkingsgroepen zijn bij wet- of regelgeving verplicht aan de regeling deel te nemen dan wel premies te betalen, en b) de overheid is verantwoordelijk voor het beheer van de instelling wat de vaststelling of goedkeuring van de premies en uitkeringen betreft, ongeacht haar rol als toezichthoudend orgaan of werkgever (ESR-2010, paragraaf 2.117)

Beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen

Beleggingsfondsen zoals gedefinieerd in artikel 1 van Verordening 1073(EU) nr. /2013 (ECB/2013/38) houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsfondsen. Deze subsector bestaat uit alle collectieve beleggingsinstellingen m.u.v. geldmarktfondsen die beleggen in financiële en/of niet-financiële activa, voorzover belegging van bij het publiek aangetrokken kapitaal hun doelstelling is

Overige financiële intermediairs, m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen + financiële hulpbedrijven + financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

De subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door het aangaan van verplichtingen, andere dan in chartaal geld, deposito's (of daarmee vergelijkbare financiële titels), aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen of in verband met verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen, bij institutionele eenheden. (ESR-2010, paragraaf 2.86 tot en met 2.94)

De subsector financiële hulpbedrijven (S.126) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met activiteiten die nauw verband houden met financiële intermediatie, maar zelf geen financiële intermediairs zijn. Deze subsector omvat ook hoofdkantoren waarvan de dochterondernemingen allemaal of voor het merendeel financiële instellingen zijn (ESR-2010, paragraaf 2.95, 2.96 en 2.97)

De subsector financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich noch met financiële intermediatie, noch met het verlenen van financiële hulpdiensten bezighouden en waarvan het merendeel van de activa of passiva niet op open markten wordt verhandeld. Deze subsector omvat ook holdings die een zeggenschapsbelang bezitten in een groep dochterondernemingen en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten van de groep zonder dat andere diensten worden verleend aan de ondernemingen waarin zij dat belang bezitten, m.a.w. zij besturen of beheren geen andere eenheden (ESR-2010, paragraaf 2.98 en 2.99)

Verzekeringsinstellingen

De subsector verzekeringsinstellingen (S. 128) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van risico's, hoofdzakelijk in de vorm van directe verzekering of herverzekering(ESR-2010, paragraaf 2.100 tot en met 2.104)

Pensioenfondsen

De subsector pensioenfondsen (S. 129) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van sociale risico's en behoeften van de verzekerden (sociale verzekering). Pensioenfondsen als socialeverzekeringsregelingen verschaffen een inkomen aan gepensioneerden en vaak uitkeringen bij overlijden en invaliditeit (ESR-2010, paragraaf 2.105 tot en met 2.110)

Niet-financiële vennootschappen

De sector niet-financiële vennootschappen (S.11) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten. Deze sector omvat eveneens niet-financiële quasivennootschappen (ESR-2010, paragraaf 2.45 tot en met 2.54)

Huishoudens + instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens

De sector huishoudens (S.14) bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen

De sector huishoudens omvat eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover zij niet als quasi-vennootschappen worden behandeld, die marktproducent zijn (ESR-2010, paragraaf 2.118 tot en met 2.128)

De sector instellingen zonder winstoogmerk (izw's) ten behoeve van huishoudens (S.15) bestaat uit izw's met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen (ESR-2010, paragraaf 2.129 en 2.130)

Definities van instrumentencategorieën

1.

Deze tabel omvat een gedetailleerde standaardbeschrijving van de instrumentencategorieën die NCB's, conform deze verordening, omzetten in op nationaal niveau van toepassing zijnde categorieën. De tabel is geen lijst van individuele financiële instrumenten en de beschrijvingen zijn niet uitputtend. De definities verwijzen naar het ESR-2010.

2.

Oorspronkelijke looptijd, d.w.z. looptijd bij uitgifte, heeft betrekking op de vaste looptijd van een financieel instrument, vóór afloop waarvan het niet kan worden afgelost, bv. schuldbewijzen, of vóór afloop waarvan het slechts met een soort boete kan worden afgelost, bv. bij sommige soorten deposito’s. De opzegtermijn is de tijdspanne tussen het ogenblik waarop de houder zijn voornemen om tot aflossing over te gaan bekendmaakt, en het ogenblik waarop het hem is toegestaan het instrument zonder een boete in geld om te zetten. Financiële instrumenten worden alleen naar opzegtermijn ingedeeld als er geen vaste looptijd is.

3.

Financiële aanspraken kunnen worden onderscheiden op grond van het feit of ze al dan niet verhandelbaar zijn. Een aanspraak is verhandelbaar als de eigendom ervan gemakkelijk kan worden overgedragen van de ene eenheid naar de andere door levering of endossement, of, in geval van financiële derivaten, kan worden gecompenseerd. Hoewel elk financieel instrument in potentie kan worden verhandeld, zijn verhandelbare instrumenten bedoeld om op een georganiseerde beurs of onderhands („over-the-counter”) te worden verhandeld, al is daadwerkelijke handel geen noodzakelijke voorwaarde voor verhandelbaarheid.

Gedetailleerde beschrijving van de instrumentencategorieën die voorkomen op de geaggregeerde balans op maandbasis

ACTIVACATEGORIEËN

Categorie

Beschrijving van de belangrijkste kenmerken

1.

Geld

Aangehouden in omloop zijnde euro- en buitenlandse bankbiljetten en munten die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen

2.

Leningen

Bezit aan financiële activa die ontstaan wanneer crediteuren gelden uitlenen aan debiteuren die niet of in een niet-verhandelbaar document zijn beschreven. Deze post omvat eveneens activa in de vorm van door informatieplichtigen geplaatste deposito's.

Deze post omvat:

a)

deposito's, zoals gedefinieerd in passivacategorie 5;

b)

dubieuze vorderingen die nog niet zijn terugbetaald of afgeschreven

Het totale bedrag aan leningen waarvan terugbetaling achterstallig is of waarvan anderszins wordt vastgesteld dat ze, geheel of gedeeltelijk, niet volwaardig zijn, conform de definitie van wanbetaling in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

bezit aan niet-verhandelbare effecten

Aangehouden schuldbewijzen die niet verhandelbaar zijn en niet op secundaire markten kunnen worden verhandeld;

d)

verhandelde leningen

Leningen die de facto verhandelbaar zijn geworden, dienen te worden opgenomen onder de actiefpost „leningen”, mits er geen bewijs is van handel op de secundaire markt. Anders dienen ze ingedeeld te worden als schuldbewijzen (categorie 3);

e)

achtergestelde schuld in de vorm van deposito’s of leningen

Achtergestelde schuldpapieren geven een ondergeschikte vordering op de uitgevende instelling die alleen kan worden uitgeoefend nadat alle vorderingen met een hogere status (bv. deposito's/leningen) zijn voldaan, waardoor ze enigszins lijken op deelnemingen. Voor statistische doeleinden worden achtergestelde schulden behandeld als „leningen” of als „schuldbewijzen” overeenkomstig de aard van het instrument. Indien het gangbaar is alle vormen van door POGI's aangehouden achtergestelde schulden voor statistische doeleinden als één enkel cijfer aan te geven, wordt dit cijfer onder de post „schuldbewijzen” opgenomen, vanwege het feit dat achtergestelde schulden hoofdzakelijk bestaan uit effecten en niet uit leningen;

f)

vorderingen uit hoofde van repotransacties met wederverkoopverplichting of effectenleningen tegen geldelijke zekerheid

Tegenpost van gelden betaald in ruil voor door informatieplichtigen tegen een bepaalde koers gekochte effecten onder beding van wederverkoop van dezelfde of soortgelijke effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst, of effectenleningen tegen geldelijke zekerheid.

De volgende post wordt niet als een lening ingedeeld:

 

leningen op basis van een trust

 

Leningen op basis van een trust, d.w.z. trustleningen of fiduciaire leningen, zijn leningen die worden afgesloten op naam van een partij (hierna „de bewindvoerder”) namens een derde (hierna „de begunstigde”). Voor statistische doeleinden hoeven trustleningen niet op de balans van de bewindvoerder opgenomen te worden indien de aan de eigendom van de gelden verbonden risico's en beloningen voor de begunstigde blijven. De aan de eigendom verbonden risico's en beloningen blijven voor de begunstigde indien: a) de begunstigde het kredietrisico van de lening op zich neemt, d.w.z. de bewindvoerder is alleen verantwoordelijk voor het administratieve beheer van de lening; of b) de belegging van de begunstigde wordt gegarandeerd tegen verlies, voor het geval dat de bewindvoerder failliet mocht gaan, d.w.z. de trustlening maakt geen deel uit van de activa van de bewindvoerder die in het geval van een faillissement kunnen worden uitgedeeld.

3.

Schuldbewijzen

Aangehouden schuldbewijzen, die verhandelbare, als schuldbewijs dienende financiële instrumenten zijn, gewoonlijk op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de emitterende instelling

Deze post omvat:

a)

aangehouden effecten die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of een vast bedrag op een bepaalde datum of op bepaalde data, dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum;

b)

leningen die verhandelbaar zijn geworden op een gereguleerde markt, d.w.z. verhandelde leningen, mits er bewijs is van handel op de secundaire markt, waaronder het bestaan van marktmakers, en van een regelmatige notering van het financiële actief, zoals door het bestaan van spreads tussen bied- en laatkoers. Indien dit niet het geval is, dienen ze te worden ingedeeld onder de actiefpost „leningen” (zie ook „verhandelde leningen” in categorie 2d);

c)

achtergestelde schuld in de vorm van schuldbewijzen (zie ook „achtergestelde schuld in de vorm van deposito's of leningen” in categorie 2e).

Effecten die uitgeleend worden op grond van effectenuitleentransacties of verkocht uit hoofde van een repo-overeenkomst blijven op de balans van de oorspronkelijke eigenaar staan (en worden niet geregistreerd op de balans van de tijdelijke verkrijger) indien er een vaste verplichting bestaat om de transactie om te keren en niet alleen een optie om dat te doen. Indien de tijdelijke verkrijger de ontvangen effecten verkoopt, moet deze verkoop als een rechtstreekse aan- of verkoop van effecten worden geregistreerd en op de balans van de tijdelijke verkrijger worden opgenomen als een negatieve positie in de effectenportefeuille.

3a/3b.

Schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/van meer dan één jaar en tot en met twee jaar

Deze posten omvatten:

a)

aangehouden verhandelbare schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/van meer dan één jaar en tot en met twee jaar;

b)

leningen die verhandelbaar zijn geworden op een gereguleerde markt, d.w.z. verhandelde leningen die worden ingedeeld als schuldbewijzen, met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/van meer dan één jaar en tot en met twee jaar;

c)

achtergestelde schuld in de vorm van schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/van meer dan één jaar en tot en met twee jaar.

4.

Aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen

Deze actiefpost omvat aangehouden aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen (zie definitie in 1071Verordening (EU) nr. /2013 (ECB/2013/33) bijlage I, deel 1, paragraaf 2)


CATEGORIEËN PASSIVA

Categorie

Beschrijving van de belangrijkste kenmerken

5.

Deposito's

Bedragen (deposito's of anderszins), die informatieplichtigen verschuldigd zijn aan crediteuren en die voldoen aan de kenmerken beschreven in paragraaf 1 van deel 1 van bijlage I van Verordening (EU) nr. /2013 1071(ECB/2013/33). Ten behoeve van het rapportagekader wordt deze categorie uitgesplitst in girale deposito’s, deposito's met vaste looptijd en deposito’s met opzegtermijn

a)

Deposito's en leningen

„Deposito's” omvatten tevens „leningen” als passiva van POGI's. Conceptueel gesproken zijn leningen door POGI's ontvangen bedragen die niet in de vorm van „deposito’s” worden gestructureerd. Het ESR-2010 maakt onderscheid tussen „leningen” en „deposito's” op grond van de partij die het initiatief neemt, d.w.z. indien dit de geldnemer is, is het een lening, maar indien dit de geldgever is, is het een deposito. In het rapportagekader worden „leningen” niet beschouwd als een aparte categorie aan de passiefzijde van de balans. In plaats daarvan dienen als leningen beschouwde tegoeden zonder differentiatie te worden opgenomen onder de post „depositoverplichtingen”, tenzij het verhandelbare instrumenten zijn. Dit is in overeenstemming met de boven gegeven definitie van „depositoverplichtingen”. Leningen aan POGI's die worden ingedeeld als „depositoverplichtingen”, worden uitgesplitst conform de vereisten van het rapportagekader, d.w.z. naar sector, instrument, valuta en looptijd. Door informatieplichtigen ontvangen syndicaatsleningen vallen in deze categorie.

b)

Niet-verhandelbare schuldinstrumenten

Niet-verhandelbare, door informatieplichtigen uitgegeven schuldinstrumenten dienen in het algemeen te worden geclassificeerd als „depositoverplichtingen”. Niet-verhandelbare, door informatieplichtigen uitgegeven schuldinstrumenten die nadien verhandelbaar worden en die op secundaire markten kunnen worden verhandeld, dienen als „schuldbewijzen” te worden ingedeeld.

c)

Margestortingen

Margestortingen (margins) uit hoofde van derivatencontracten dienen als „depositoverplichtingen” ingedeeld te worden, indien ze bij POGI’s gedeponeerde geldelijke zekerheid vormen, eigendom blijven van de deposant en bij afloop van het contract aan de deposant worden terugbetaald. In beginsel dienen door de informatieplichtige ontvangen marges alleen als „depositoverplichtingen” geclassificeerd te worden voor zover de POGI middelen tot haar beschikking krijgt die zonder meer opnieuw kunnen worden uitgeleend; indien een gedeelte van de door de POGI ontvangen marges aan een andere deelnemer op de derivatenmarkt moet worden doorgegeven, bv. het clearinghuis, dient alleen het voor de POGI beschikbaar blijvende gedeelte in beginsel als „depositoverplichtingen” geclassificeerd te worden. De complexiteit van de huidige marktpraktijken maakt een vaststelling van die marges die voor de POGI middelen zijn voor het opnieuw uitlenen of marges die daadwerkelijk terugbetaalbaar zijn, wellicht moeilijk omdat verschillende soorten marges zonder onderscheid op dezelfde rekeningen worden geplaatst. In deze gevallen is het aanvaardbaar deze marges in te delen als „overige verplichtingen” of „depositoverplichtingen”.

d)

Geoormerkte uitstaande bedragen

Volgens nationale praktijk worden „geoormerkte uitstaande bedragen” in verband met bijvoorbeeld leasing contracten als depositoverplichtingen geclassificeerd onder „deposito’s met vaste looptijd” of „deposito’s met opzegtermijn”, afhankelijk van de looptijd/bepalingen van het onderliggende contract.

De volgende post wordt niet als een deposito ingedeeld:

gelden (deposito’s) die op een trustbasis worden ontvangen, worden niet opgenomen op de statistische balans van de POGI (zie „leningen op basis van een trust” onder categorie 2)

5.1.

Girale deposito’s

Deposito’s die zonder significante vertraging, beperking of boete kunnen worden omgezet in chartaal geld en/of die per cheque, bankopdracht, debitering en dergelijke overdraagbaar zijn. Deze post omvat:

a)

saldi (rentedragend of niet) die, zonder significante boete of beperkingen, onmiddellijk of aan het eind van de werkdag volgend op die waarop ze werden opgevraagd, in chartaal geld kunnen worden omgezet, maar niet overdraagbaar zijn;

b)

saldi (rentedragend of niet) in „op hardware gebaseerd” of „op software gebaseerd” elektronisch geld, bv. elektronische portemonnees;

c)

leningen, die moeten worden afgelost aan het einde van de werkdag volgend op die waarop de lening werd verstrekt.

5.2.

Deposito's met vaste looptijd

Niet-overdraagbare deposito’s die niet in chartaal geld kunnen worden omgezet vóór afloop van een vaste termijn of die slechts vóór afloop daarvan in chartaal geld kunnen worden omgezet als de houder enigerlei boete betaalt. Hiertoe behoren tevens gereguleerde spaartegoeden waarvoor het looptijdcriterium niet relevant is; deze dienen ingedeeld te worden in de looptijdcategorie „langer dan twee jaar”. Financiële producten met roll-over-bepalingen moeten worden ingedeeld naar de kortste looptijd. Alhoewel deposito’s met een vaste looptijd eventueel eerder kunnen worden opgezegd na voorafgaande kennisgeving, of opgezegd kunnen worden op verzoek op straffe van bepaalde boeten, worden deze kenmerken niet relevant geacht voor classificatiedoeleinden

5.2a/5.2b.

Deposito's met een vaste looptijd tot en met één jaar/van meer dan één jaar en tot en met twee jaar

Deze posten omvatten voor elke looptijduitsplitsing:

a)

geplaatste tegoeden met een vaste looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar die niet-overdraagbaar zijn en vóór het einde van de looptijd niet in chartaal geld kunnen worden omgezet;

b)

geplaatste tegoeden met een vaste looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar die niet-overdraagbaar zijn, maar wel na voorafgaande opzegging opvraagbaar zijn; na opzegging dienen deze tegoeden in 5.3a ingedeeld te worden;

c)

geplaatste tegoeden met een vaste looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar die niet-overdraagbaar zijn, maar onder betaling van een boete onmiddellijk opvraagbaar zijn;

d)

margestortingen uit hoofde van derivatencontracten met een looptijd van hoogstens één jaar/tussen één en twee jaar die geldelijke zekerheid tegen kredietrisico vormen, maar eigendom blijven van de deposant en aan de deposant worden terugbetaald bij afloop van het contract;

e)

leningen die niet of in een niet-verhandelbaar document zijn beschreven, met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar;

f)

niet-verhandelbare, door POGI’s uitgegeven schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar;

g)

achtergestelde door POGI’s uitgegeven schuldbewijzen in de vorm van deposito’s of leningen met een oorspronkelijke looptijd tot en met één jaar/langer dan één jaar en tot en met twee jaar.

5.3.

Deposito's met opzegtermijn

Niet-overdraagbare deposito’s zonder vaste looptijd die slechts in chartaal geld kunnen worden omgezet met inachtneming van een opzegtermijn; voor de afloop is de omzetting in geld niet mogelijk of slechts mogelijk met een boete. Hiertoe behoren deposito’s die juridisch gezien wellicht onmiddellijk opvraagbaar zijn, maar waarvoor krachtens nationale praktijk boeten en beperkingen gelden (ingedeeld in de looptijdcategorie „tot en met drie maanden”), evenals beleggingsrekeningen zonder opzegtermijn of vaste looptijd, maar met beperkingen ten aanzien van de op te nemen bedragen (ingedeeld in de looptijdcategorie „langer dan drie maanden”)

5.3a

Deposito’s met een opzegtermijn tot en met drie maanden

Deze post omvat:

a)

geplaatste tegoeden zonder vaste looptijd die slechts met inachtneming van een opzegtermijn tot en met drie maanden kunnen worden opgevraagd; als eerdere (of zelfs onmiddellijke) opvraging mogelijk is, gaat dit gepaard met een boete; en

b)

niet-overdraagbare geplaatste tegoeden met een vaste looptijd, waarbij ten behoeve van vervroegde aflossing opzegging van toepassing is geweest met een opzegtermijn van minder dan drie maanden.

Daarnaast omvatten deposito’s met een opzegtermijn tot en met drie maanden niet-overdraagbare direct opvraagbare spaartegoeden en andere tegoeden waarvoor, hoewel de tegoeden juridisch gezien onmiddellijk opvraagbaar zijn, aanzienlijke boeten gelden


BIJLAGE III

DOOR DE WERKELIJKE POPULATIE VAN INFORMATIEPLICHTIGEN TOE TE PASSEN MINIMUMKWALITEITSNORMEN

Informatieplichtigen dienen de volgende miniumkwaliteitsnormen in acht te nemen, om aan de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank (ECB) te voldoen.

1.

Minimumnormen voor transmissie:

a)

de rapportage gebeurt tijdig en binnen de termijn die door de desbetreffende NCB is vastgesteld;

b)

vorm en formaat van de statistische rapporten voldoen aan de technische rapportagevereisten die door de desbetreffende NCB zijn vastgesteld;

c)

de informatieplichtige verschaft de gegevens van een of meerdere contactpersonen aan de desbetreffende NCB;

d)

de datatransmissie aan de desbetreffende NCB’s vindt plaats met inachtneming van de daarvoor vastgestelde technische specificaties.

2.

Minimumnormen voor nauwkeurigheid:

a)

statistische gegevens zijn juist: aan alle lineaire beperkingen moet worden voldaan (bv. activa en schulden dienen gelijk te zijn, en opgetelde subtotalen moeten gelijk zijn aan totalen);

b)

de informatieplichtigen zijn in staat informatie verschaffen over de ontwikkelingen waarop de verstrekte gegevens duiden;

c)

de statistische gegevens zijn volledig en bevatten geen continue of structurele leemten; er dient gewezen te worden op eventuele bestaande leemten, waarvoor aan de desbetreffende NCB een verklaring dient te worden gegeven en die, waar van toepassing, zo snel mogelijk dienen verholpen te worden;

d)

de informatieplichtigen houden zich aan afmetingen, afrondingsbeleid en decimalen die door de desbetreffende NCB voor de technische transmissie van de gegevens zijn vastgesteld.

3.

Minimumnormen voor conceptuele naleving:

a)

statistische gegevens worden gepresenteerd met inachtneming van de definities en classificaties zoals vervat in deze verordening;

b)

in geval van afwijking van deze definities en classificaties, moeten informatieplichtigen op gezette tijden het verschil controleren en kwantificeren tussen de gebruikte maatstaf en de maatstaf die in deze verordening is vervat;

c)

informatieplichtigen kunnen een verklaring geven voor eventuele breuken in de verstrekte gegevens ten opzichte van de cijfers van voorgaande perioden.

4.

Minimumnormen voor herzieningen

Het beleid en de procedures die door de ECB en de desbetreffende NCB met betrekking tot herzieningen zijn vastgesteld, dienen te worden gevolgd. Herzieningen die afwijken van regelmatige herzieningen worden van een toelichting voorzien.


BIJLAGE IV

Concordantietabel

Verordening (EG) nr. 1027/2006 (ECB/2006/8)

Deze verordening

Artikel 1, 2 en 3

Artikel 1, 2 en 3

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 7

Artikel 10

Bijlage I

Bijlage I


7.11.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 297/107


VERORDENING (EU) Nr. 1075/2013 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 18 oktober 2013

houdende statistieken betreffende de activa en passiva van lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten

(herschikking)

(ECB/2013/40)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 5,

Gezien Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad van 23 november 1998 met betrekking tot het verzamelen van statistische gegevens door de Europese Centrale Bank (1), inzonderheid artikel 5, lid 1, artikel 6, lid 4,

Gezien het advies van de Europese Commissie,

Overwegende:

(1)

Aangezien Verordening (EG) nr. 24/2009 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2008 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (ECB/2008/30) (2) substantieel gewijzigd dient te worden, dient de verordening ter wille van de duidelijkheid herschikt te worden, in het bijzonder in het licht van Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (3).

(2)

Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt in artikel 2, lid 1 dat de Europese Centrale Bank (ECB), ter vervulling van haar statistische rapportageverplichtingen, bijgestaan door de nationale centrale banken (NCB’s), bevoegd is tot het verzamelen van statistische gegevens binnen de perken van de referentiepopulatie van informatieplichtigen en van hetgeen nodig is om de taken van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB) uit te voeren. Uit artikel 2, lid 2, onder a) van Verordening (EG) nr. 2533/98 blijkt dat lege financiële instellingen (LFI’s) die securitisatietransacties verrichten, deel uitmaken van de refererentiepopulatie van informatieplichtigen voor de vervulling van de statistische rapportageverplichtingen van de ECB, onder meer inzake monetaire en financiële statistieken. Verder is de ECB ingevolge artikel 3 van Verordening (EG) nr. 2533/98 gehouden om de werkelijke populatie van informatieplichtigen te bepalen binnen de grenzen van de referentiepopulatie van informatieplichtigen en is zij gerechtigd om bepaalde categorieën informatieplichtigen geheel of gedeeltelijk vrij te stellen van hun statistische rapportageverplichtingen.

(3)

Deze LFI-gegevens beogen de ECB te voorzien van adequate statistieken betreffende de financiële werkzaamheden van de LFI-subsector in de als één economisch gebied beschouwde lidstaten die de euro als munt hebben.

(4)

Gezien de nauwe banden tussen de securitisatiewerkzaamheden van LFI’s en monetaire financiële instellingen (MFI’s) is een consistente, aanvullende en geïntegreerde verslaglegging door LFI’s en MFI’s vereist. Daarom dient de overeenkomstig deze verordening geleverde statistische informatie samen met de gegevensvereisten voor MFI’s betreffende gesecuritiseerde leningen te worden beoordeeld, zoals bepaald in Verordening (EU) nr. 1071/2013 van de Europese Centrale Bank van 24 september 2013 betreffende de balans van de sector monetaire financiële instellingen (ECB/2013/33) (4).

(5)

Deze geïntegreerde rapportagemethode door LFI’s en MFI’s en de vrijstellingen van deze Verordening dienen de rapportagelast voor informatieplichtigen te minimaliseren en overlappingen te vermijden bij de rapportage van statistische informatie door LFI’s en MFI’s.

(6)

NCB’s dienen LFI’s vrij te kunnen stellen van gezien het statistische nut onredelijk hoge kosten veroorzakende statistische rapportageverplichtingen.

(7)

Alhoewel door de ECB uit hoofde van artikel 34.1 van de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken van van de Europese Centrale Bank (hierna de „ESCB-statuten”) vastgestelde verordeningen kennen rechten toe noch leggen zij verplichtingen op aan lidstaten die de euro niet als munt hebben (hierna: „niet-eurogebied lidstaten”), is artikel 5 van de ESCB-statuten op eurogebied-lidstaten en niet-eurogebied lidstaten van toepassing. Overweging 17 van Verordening (EG) nr. 2533/98 wijst erop dat artikel 5 van de ESCB-statuten, samen met artikel 4, lid 3 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, de verplichting inhoudt om op nationaal niveau alle maatregelen te nemen en uit te voeren die de niet-eurogebied lidstaten dienstig achten voor de verzameling van de statistische gegevens om te voldoen aan de statistische rapportageverplichtingen van de ECB, en tijdig op statistisch vlak voorbereidingen te treffen, opdat zij eurogebied-lidstaten kunnen worden.

(8)

De normen voor de bescherming en het gebruik van vertrouwelijke statistische informatie van artikel 8 van de Verordening (EG) nr. 2533/98 van de Raad, dienen van toepassing te zijn.

(9)

Artikel 7, lid 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98 bepaalt dat de ECB bevoegd is sancties op te leggen aan informatieplichtigen die niet voldoen aan de in ECB-verordeningen of -besluiten vastgelegde statistische rapportageverplichtingen.

HEEFT DEZE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

In deze verordening wordt bedoeld met:

1.   „LFI”: een onderneming die overeenkomstig nationaal recht of Unierecht is opgericht krachtens één van de volgende mogelijkheden:

i)

overeenkomstenrecht, als een gewoon fonds bestuurd door beheerders;

ii)

trustrecht;

iii)

vennootschapsrecht als een naamloze vennootschap of een besloten vennootschap;

iv)

een ander soortgelijk mechanisme,

en waarvan de hoofdactiviteit aan de volgende twee criteria voldoet:

a)

beoogt één of meerdere securitisatietransacties uit te voeren, dan wel voert die uit, en is gevrijwaard van het risico van faillissement of anderszins in gebreke zijn van de initiator, of de verzekeringsinstelling of de herverzekeringsinstelling, en

b)

geeft uit, of is voornemens uit te geven: schuldbewijzen, overige schuldinstrumenten, rechten van deelneming in securitisatiefondsen en/of financiële derivaten (hierna de „financiële instrumenten”) en/of zij is (of kan dit zijn) juridisch of economisch eigenaar van aan de uitgifte van financieringsinstrumenten ten grondslag liggende activa, welke financieringsinstrumenten aan het publiek aangeboden worden of onderhands geplaatst worden.

Onder deze definitie vallen niet:

a)

monetaire financiële instellingen (MFI’s), zoals vastgesteld in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33);

b)

beleggingsfondsen (IF’s) zoals vastgesteld in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1073/2013 van de Europese Centrale Bank van 18 oktober 2013 houdende statistieken betreffende de activa en passiva van beleggingsinstellingen (ECB/2013/38) (5);

c)

verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen zoals vastgesteld in artikel 13 van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (6);

d)

beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (abi-beheerders) die alternatieve beleggingsinstellingen beheren en/of verhandelen zoals omschreven in artikel 4, lid 1 van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en De Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen (7) die vallen onder het toepassingsgebied van Richtlijn 2011/61/EU krachtens artikel 2 ervan;

2.   „securitisatie”: een transactie of een regeling waarbij een van de initiator of de verzekerings- en de herverzekeringsinstelling afgescheiden entiteit financieringsinstrumenten uitgeeft aan beleggers, welke entiteit is opgezet voor de transactie of de regeling, dan wel daartoe dient, en een of meer van het volgende plaatsvindt:

a)

de juridische eigendom van, dan wel het economische belang in een activum of een activapool, dan wel een deel daarvan, wordt overgedragen aan een van de originator afgescheiden voor de transactie of de regeling opgezette, dan wel daartoe dienende, entiteit, zulks middels de activa-overdracht van de originator, dan wel middels subdeelneming;

b)

het kredietrisico van een activum of een pool van activa, dan wel een deel ervan, wordt middels kredietderivaten, garanties, dan wel enige gelijkaardige regeling, overgedragen aan de beleggers in de financieringsinstrumenten die zijn uitgegeven door een van de originator afgescheiden voor de transactie of de regeling opgezette, dan wel daartoe dienende, entiteit;

c)

verzekeringsrisico’s worden overgedragen van een verzekerings-, dan wel herverzekeringsonderneming aan een voor de transactie of regeling, dan wel daartoe dienende, opgezette entiteit die dergelijke risico’s volledig financiert middels uitgegeven financieringsinstrumenten, waarbij de aflossingsverplichtingen van de beleggers in die financieringsinstrumenten achtergesteld worden bij de herverzekeringsverplichtingen van die entiteit.

Indien dergelijke financieringsinstrumenten uitgegeven worden, vormen zij geen betalingsverplichtingen van de initiator, verzekerings-, dan wel herverzekeringsonderneming;

3.   „initiator”: overdracht door de overdrager aan de securitisatiestructuur van een activum, dan wel een pool van activa, en/of het kredietrisico van het activum of de pool van activa;

4.   „informatieplichtige”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98;

5.   „ingezetene”: heeft dezelfde betekenis als in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 2533/98. Binnen de context van deze verordening, bij gebreke van een significante fysische dimensie van een juridische entiteit, bepaalt het recht van het economische gebied de rechtspersoonlijkheid en daardoor het ingezetenschap van de entiteit. Als de entiteit geen rechtspersoonlijkheid heeft, wordt de statutaire vestigingsplaats als criterium gebruikt, namelijk het land wiens rechtssysteem de oprichting en het verdere bestaan van de entiteit beheerst;

6.   „desbetreffende NCB”: de NCB van de eurogebied-lidstaat waarin de LFI ingezeten is;

7.   „starten met de werkzaamheden”: alle met securitisatie verband houdende werkzaamheden, waaronder voorbereidingsmaatregelen, met uitzondering van de oprichting van een entiteit, die naar verwachting de securitisatiewerkzaamheden binnen de volgende zes maanden niet zal starten. Verricht een LFI werkzaamheden nadat de securitisatie-werkzaamheden voorzienbaar worden, dan betekent zulks dat met de werkzaamheden werd gestart.

Artikel 2

Populatie van informatieplichtigen

1.   In het grondgebied van een eurogebied-lidstaat ingezeten LFI’s vormen de referentiepopulatie van informatieplichtigen. De referentiepopulatie van informatieplichtigen is onderworpen aan de verplichting van artikel 3, lid 2.

2.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen bestaat uit de referentiepopulatie van informatieplichtigen, met uitzondering van de LFI’s die krachtens artikel 5, lid 1, onder c) volledig vrijgesteld werden van statistische rapportageverplichtingen. De werkelijke populatie van statistische informatieplichtigen is onderworpen aan de rapportageverplichtingen van artikel 4, behoudens de in artikel 5 vastgelegde vrijstellingen. De LFI’s die krachtens artikel 5, lid 3 hun jaarrekening rapporteren of die krachtens artikel 5, lid 5 onderworpen zijn aan ad-hocrapportageverplichtingen, maken eveneens deel uit van de werkelijke populatie van informatieplichtigen.

3.   Indien een LFI krachtens haar nationale wetgeving geen rechtspersoonlijkheid heeft, zijn uit hoofde van deze verordening informatieplichtigen de personen die gerechtigd zijn om de LFI te vertegenwoordigen, dan wel bij gebreke van een geformaliseerde vertegenwoordiging, de personen die krachtens de toepasselijke nationale wetgeving aansprakelijk zijn voor de handelingen van de LFI.

Artikel 3

Lijst van LFI’s voor statistische doeleinden

1.   De ECB-directie maakt voor statistische doeleinden een lijst van LFI’s op die de referentiepopulatie van informatieplichtigen vormen en houdt deze bij. De LFI’s geven overeenkomstig Richtsnoer ECB/2007/9 van 1 augustus 2007 betreffende monetaire statistieken en statistieken inzake financiële instellingen en markten (8) aan de NCB’s de door deze gevraagde gegevens door. De NCB’s en de ECB stellen deze lijst, en de herzieningen ervan, op passende wijze ter beschikking, o.a. elektronisch, via het internet of, op verzoek van de betrokken informatieplichtigen, in gedrukte vorm.

2.   Een LFI stelt de desbetreffende NCB binnen een week vanaf de datum waarop zij haar werkzaamheden heeft gestart in kennis van haar bestaan, ongeacht mogelijke statistische rapportageverplichtingen uit hoofde van deze verordening.

3.   Indien de meest recent beschikbare elektronische versie van de in lid 1 genoemde lijst onjuist is, legt de ECB geen sancties op aan informatieplichtigen die niet naar behoren aan hun statistische rapportageverplichtingen hebben voldaan voor zover aan het vereiste van lid 2 werd voldaan en de informatieplichtige te goeder trouw afging op de onjuiste lijst.

Artikel 4

Statistische rapportageverplichtingen en rapportageregels op kwartaalbasis

1.   De werkelijke populatie van informatieplichtigen levert op kwartaalbasis aan de desbetreffende NCB gegevens betreffende de aan het kwartaaleinde uitstaande bedragen, financiële transacties en afschrijvingen/afwaarderingen van de activa en passiva van de LFI’s, zulks overeenkomstig de bijlagen I en II.

2.   Voor zover de in lid 1 genoemde gegevens afgeleid kunnen worden overeenkomstig de statistische nimumkwaliteitsnormen van bijlage III, kunnen de NCB’s de ter voldoening aan de statistische rapportageverplichtigen van lid 1 statistische gegevens betreffende door LFI’s uitgegeven en aangehouden effecten effectsgewijs verzamelen. Behoudens de uiterste rapportagedata van artikel 6, kunnen NCB’s de verstrekking verlangen van effectsgewijze financiële transactiedata inzake schuldbewijzen die LFI’s aanhouden overeenkomstig één van de methoden van sectie 2 van deel I van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 1011/2012 van de Europese Centrale Bank (ECB/2012/24) (9).

3.   Onverminderd de rapportageregels van bijlage II worden alle activa en passiva van LFI’s krachtens deze verordening gerapporteerd overeenkomstig de rapportageregels zoals bepaald in de desbetreffende nationale wetgeving tot tenuitvoerlegging van de Richtlijn 86/635/EEG van de Raad van 8 december 1986 betreffende de jaarrekening en de geconsolideerde jaarrekening van banken en andere financiële instellingen (10). De regels inzake financiële administratie in de desbetreffende nationale wetgeving tot tenuitvoerlegging van de Vierde Richtlijn 78/660/EEG van de Raad van 25 juli 1978 op de grondslag van artikel 54, lid 3, onder g) van het Verdrag betreffende de jaarrekening van bepaalde vennootschapsvormen (11) zijn van toepassing op LFI’s die niet binnen het toepassingsgebied vallen van de nationale wet tot tenuitvoerlegging van Richtlijn 86/635/EEG. Andere relevante nationale of internationale standaarden of praktijken voor jaarrekeningen zijn van toepassing op LFI’s die niet vallen onder de nationale wetgeving tot tenuitvoerlegging van deze richtlijnen.

4.   Indien lid 3 de rapportage van instrumenten op basis van de actuele marktwaarde vereist, kunnen NCB’s de LFI’s vrijstellen van de rapportage van deze instrumenten op basis van actuele marktwaarde idein de kosten voor de LFI daarvoor onredelijk hoog zouden zijn. In dat geval passen LFI’s de waardering toe die gebruikt wordt voor beleggersrapporten.

5.   Als de beschikbare gegevens overeenkomstig de nationale marktpraktijken verwijzen naar om het even welke datum binnen een kwartaal kunnen de NCB’s de informatieplichtigen toestaan deze kwartaalgegevens in plaats daarvan te rapporteren, mits deze gegevens vergelijkbaar zijn en rekening wordt gehouden met significante transacties tussen deze datum en het einde van het kwartaal.

6.   Informatieplichtigen kunnen in overeenstemming met de desbetreffende NCB in plaats van de in lid 1 genoemde gegevens inzake financiële transacties, herwaarderingsaanpassingen en overige volumemutaties verstrekken waaruit de NCB financiële transacties kan afleiden.

7.   In overeenstemming met de desbetreffende NCB kan een informatieplichtige in plaats van de inzake in lid 1 genoemde afschrijvingen/afwaarderingen andere informatie leveren waaruit de NCB de vereiste gegevens betreffende afschrijvingen/afwaarderingen kan afleiden.

Artikel 5

Vrijstellingen

1.   De NCB’s kunnen de volgende vrijstellingen van de statistische rapportageverplichtingen van artikel 4 verlenen:

a)

voor door MFI’s van het eurogebied geïnitieerde leningen die uitgesplitst zijn naar looptijd, sector en ingezetenschap van de debiteuren, en indien de MFI’s de gesecuritiseerde leningen in de zin van Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33) blijven aflossen, kunnen de NCB’s vrijstellingen verlenen van de rapportageplicht betreffende deze leningen. Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33) stipuleert de rapportage van deze gegevens;

b)

de NCB’s kunnen LFI’s vrijstellen van alle in bijlage I vastgelegde rapportageverplichtingen, afgezien van de verplichting om in elke deelnemende lidstaat op kwartaalbasis gegevens betreffende het uitstaande kwartaalultimobedrag van de totale activa te rapporteren, op voorwaarde dat LFI’s die bijdragen tot de geaggregeerde kwartaalrekening van activa/passiva minstens 95 % van alle activa van de LFI’s vertegenwoordigen in termen van uitstaande bedragen. De NCB’s controleren tijdig of aan deze voorwaarde wordt voldaan, teneinde met ingang van het begin van elk kalenderjaar een vrijstelling te verlenen of, zo nodig, in te trekken;

c)

voor zover de gegevens van artikel 4 overeenkomstig de statistische minimumkwaliteitsnormen, zoals vastgelegd in bijlage III, kunnen worden afgeleid uit andere statistische, openbare of gegevensbronnen van toezichthouders, en onverminderd de bepalingen onder a) en b), kunnen de NCB’s, na overleg met de ECB, de informatieplichtigen volledig of gedeeltelijk vrijstellen van de statistische rapportageverplichtingen van bijlage I.

2.   Mits de desbetreffende NCB voorafgaand toestemming verleent, kunnen de LFI’s afzien van de vrijstellingen van lid 1 en de volledige statistische rapportageverplichtingen van artikel 4 nakomen.

3.   Vrijgestelde LFI’s in de zin van lid 1, onder c) verstrekken de jaarrekening aan de desbetreffende NCB indien deze niet openbaar toegankelijk is, zulks binnen zes maanden na het einde van de referentieperiode of zo snel mogelijk daarna, zulks overeenkomstig de toepasselijke nationale wettelijke praktijken in de lidstaat van ingezetenschap van de LFI. De desbetreffende NCB stelt de LFI’s in kennis van deze op hen toepasselijke rapportageverplichting.

4.   De desbetreffende NCB trekt de vrijstelling van lid 1, onder c) in als de gegevens inzake statistische normen, die vergelijkbaar zijn met de in deze verordening vastgelegde normen, gedurende drie opeenvolgende rapportageperiodes niet tijdig ter beschikking werden gesteld aan de desbetreffende NCB, ongeacht of dit al dan niet toe te rekenen is aan de betrokken LFI. Zoals uiteengezet in artikel 4, beginnen de LFI’s met de gegevensrapportage, zulks ten laatste drie maanden na de datum waarop de desbetreffende NCB de informatieplichtigen in kennis heeft gesteld van de ingetrokken vrijstelling.

5.   Onverminderd lid 3, kunnen de NCB’s ad-hocrapportageverplichtingen opleggen aan vrijgestelde LFI’s in de zin van lid 1, onder c), zulks om te voldoen aan de vereisten van deze verordening. LFI’s rapporteren de op ad-hocbasis verlangde informatie binnen 15 werkdagen na het verzoek van de desbetreffende NCB.

Artikel 6

Uiterste data

De NCB’s geven de ECB gegevens door inzake geaggregeerde kwartaalactiva en -passiva betreffende de balansposities van ingezeten LFI’s lidstaat, en wel uiterlijk aan het einde van de 28e werkdag volgend op het einde van het kwartaal waarop de gegevens betrekking hebben. De NCB’s leggen uiterste data vast voor de ontvangst van gegevens van de informatieplichtigen.

Artikel 7

Minimumnormen en nationale rapportageprocedures

1.   Informatieplichtigen voldoen aan de statistische rapportageverplichtingen waaraan zij onderworpen zijn in overeenstemming met de minimumnormen voor de transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, als vastgelegd in bijlage III.

2.   De NCB’s bepalen en passen de door de werkelijke populatie van informatieplichtigen te volgen rapportageprocedures toe overeenkomstig nationale vereisten. De NCB’s verzekeren dat deze rapportageprocedures de vereiste statistische gegevens opleveren en een nauwkeurige controle mogelijk maken van de naleving van de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen zoals vastgelegd in bijlage III.

Artikel 8

Verificatie en gedwongen verzameling

Het recht tot verificatie of verzameling van de verplichte gegevens die door informatieplichtigen overeenkomstig deze verordening moeten worden verstrekt, wordt uitgeoefend door de NCB’s, onverminderd de bevoegdheid van de ECB om dit recht zelf uit te oefenen. De NCB’s oefenen deze rechten met name uit wanneer een instelling die onderdeel uitmaakt van de werkelijke populatie van informatieplichtigen, niet voldoet aan de minimumnormen voor transmissie, nauwkeurigheid, conceptuele naleving en herzieningen, zoals gespecificeerd in bijlage III.

Artikel 9

Eerste rapportage

1.   De eerste rapportage begint met de kwartaalgegevens van het vierde kwartaal van 2014.

2.   LFI’s die de werkzaamheden na 31 december 2014 starten, rapporteren bij de eerste rapportage gegevens op kwartaalbasis, teruggaand tot het begin van de securitisatiewerkzaamheden.

3.   LFI’s die de werkzaamheden starten voordat hun lidstaat de euro na 31 december 2014 heeft aangenomen, rapporteren bijde eerste rapportage gegevens op kwartaalbasis vanaf de referentieperiode waarin de lidstaat de euro heeft aangenomen. Voor de referentieperiode waarin de lidstaat de euro heeft aangenomen, rapporteert de LFI slechts uitstaande bedragen.

Artikel 10

Intrekking

1.   Verordening (EG) nr. 24/2009 (ECB/2008/30) wordt met ingang van 1 januari 2015 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de ingetrokken verordening worden geïnterpreteerd als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 11

Slotbepaling

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Het richtsnoer is met ingang van 1 januari 2015 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 18 oktober 2013.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)   PB L 318 van 27.11.1998, blz. 8.

(2)   PB L 15 van 20.1.2009, blz. 1.

(3)   PB L 174, van 26.6.2013, blz. 1.

(4)  Bladzijde 1 van dit Publicatieblad.

(5)  Bladzijde *p:page3* van dit Publicatieblad.

(6)   PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

(7)   PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1.

(8)   PB L 341 van 27.12.2007, blz. 1.

(9)   PB L 305 van 1.11.2012, blz. 6.

(10)   PB L 372 van 31.12.1986, blz. 1.

(11)   PB L 222 van 14.8.1978, blz. 11.


BIJLAGE I

STATISTISCHE RAPPORTAGEVEREISTEN

Image 15
Image 16

BIJLAGE II

DEFINITIES

DEEL I

Definities van instrumentcategorieën

1.

Deze tabel omvat een gedetailleerde standaardbeschrijving van de instrumentcategorieën die de nationale centrale banken (NCB’s), conform deze verordening, omzetten in nationale categorieën. De tabel is geen lijst van afzonderlijke financiële instrumenten en de beschrijvingen zijn niet uitputtend. De definities verwijzen naar het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie (hierna het „ESR 2010”) vastgelegd door Verordening (EU) nr. 549/2013.

2.

Voor sommige instrumentcategorieën zijn uitsplitsingen naar looptijd vereist. Deze verwijzen naar de oorspronkelijke looptijd, d.w.z. looptijd bij uitgifte, zijnde de vaste looptijd van een financieel instrument, vóór afloop waarvan het niet kan worden afgelost, bijv. schuldbewijzen, of vóór afloop waarvan het slechts met een soort boete kan worden afgelost, bijv. bij sommige soorten deposito’s.

3.

Financiële aanspraken kunnen worden onderscheiden naar al dan niet-verhandelbaarheid. Een aanspraak is verhandelbaar indien de eigendom ervan gemakkelijk kan worden overgedragen van de ene eenheid naar de andere door levering of endossement, of, in geval van financiële derivaten, kan worden gecompenseerd. Hoewel elk financieel instrument kan worden verhandeld, zijn verhandelbare instrumenten bedoeld om op een georganiseerde beurs of onderhands („over-the-counter”) te worden verhandeld, al is daadwerkelijke handel geen noodzakelijke voorwaarde voor verhandelbaarheid.

4.

Alle financiële activa en passiva dienen op brutobasis te worden gerapporteerd, d.w.z. financiële activa worden gerapporteerd met inbegrip van financiële verplichtingen.

Tabel A

Definities van instrumentcategorieën van de activa en passiva van LFI’s

ACTIVACATEGORIEËN

Categorie

Belangrijkste kenmerken

1.

Vordering inzake deposito’s en leningen

Ten behoeve van het rapportagekader omvat deze post door de LFI’s bij geldnemers uitgezette gelden, die niet of in een niet-verhandelbaar document zijn beschreven.

Het betreft onder meer de volgende posten:

door het LFI geplaatste deposito’s, zoals onmiddellijk opvraagbare deposito’s, deposito’s met vaste looptijd en deposito’s met opzegtermijn,

door de LFI verstrekte leningen,

vorderingen uit hoofde van repotransacties met wederverkoopverplichting tegen geldelijke zekerheid: tegenpost van gelden betaald in ruil voor door LFI’s tegen een bepaalde koers gekochte effecten onder beding van wederverkoop van dezelfde (of soortgelijke) effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst,

vorderingen uit hoofde van effectenleningen tegen geldelijke zekerheid: tegenpost van gelden ontvangen in ruil voor door LFI’s geleende effecten.

Ter fine van deze verordening omvat deze post ook aangehouden in omloop zijnde euro- en buitenlandse bankbiljetten en munten die algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen

2.

Gesecuritiseerde leningen

Ten behoeve van het rapportagekader bestaat deze post uit leningen die door de LFI van de initiator werden verworven. Leningen zijn financiële activa ontstaan doordat crediteuren gelden aan debiteuren lenen die niet zijn beschreven of die zijn beschreven in niet-verhandelbare documenten.

Dit omvat eveneens:

financiële leases ten behoeve van derden: financiële leases zijn contracten waarbij de juridische eigenaar van een duurzaam goed (hierna de „lessor”) de risico’s en voordelen van eigendom van het activum overdraagt aan een derde (hierna de „lessee”) Voor statistische doeleinden worden financiële leases behandeld als leningen van de lessor aan de lessee waarmee de lessee het duurzame goed kan aankopen. Door een initiator verstrekte financiële leases, welke handelt als lessor, dienen te worden opgenomen onder de actiefpost „gesecuritiseerde leningen”. Het geleasde activum wordt geregistreerd op de balans van de lessee en niet in die van de lessor,

dubieuze vorderingen die nog niet zijn afgelost of afgeschreven: dubieuze vorderingen worden beschouwd als leningen met achterstallige terugbetaling of die anderszins onvolwaardig zijn bevonden,

aangehouden niet-verhandelbare effecten: aangehouden niet-verhandelbare schuldbewijzen, die niet op secundaire markten verhandeld mogen worden,

verhandelde leningen: leningen die de facto verhandelbaar zijn geworden, dienen geregistreerd te worden onder de actiefpost „gesecuritiseerde leningen”, mits er geen bewijs is van handel op de secundaire markt. Anders worden ze ingedeeld als „schuldbewijzen”,

achtergestelde schuld in de vorm van deposito’s of leningen: achtergestelde schuldpapieren geven een ondergeschikte vordering op de uitgevende instelling die alleen kan worden uitgeoefend nadat alle vorderingen met een hogere status zijn voldaan, waardoor ze enigszins lijken op deelnemingen. Voor statistische doeleinden worden achtergestelde schulden ingedeeld als „gesecuritiseerde leningen” of als „schuldbewijzen” overeenkomstig de aard van het instrument. Indien het gangbaar is alle vormen van de door LFI’s aangehouden achtergestelde schulden voor statistische doeleinden als één enkel cijfer aan te geven, wordt dit cijfer onder de post „schuldbewijzen” opgenomen, omdat achtergestelde schulden hoofdzakelijk bestaan uit schuldbewijzen en niet uit leningen,

gesecuritiseerde leningen dienen tegen nominale waarde gerapporteerd te worden, zelfs indien ze door de initiator voor een andere prijs werden gekocht. De tegenpost voor het verschil tussen de nominale waarde en de aankoopprijs dient te worden opgenomen onder „overige passiva”,

Deze post omvat gesecuritiseerde leningen ongeacht of de heersende administratieve verantwoordings- en verslagleggingsmethode eist dat de leningen op de balans van de LFI geregistreerd worden.

3.

Schuldbewijzen

Aangehouden schuldbewijzen, die verhandelbare als schuldbewijs dienende financiële instrumenten zijn, gewoonlijk op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de emitterende instelling.

Hiertoe behoren:

aangehouden effecten die de houder een onvoorwaardelijk recht geven op een vast of contractueel bepaald inkomen in de vorm van couponbetalingen en/of een vast bedrag op een bepaalde datum of op bepaalde data, dan wel vanaf een bij de emissie vastgestelde datum,

leningen die op een georganiseerde markt verhandelbaar zijn geworden, d.w.z. verhandelde leningen mits er bewijs is van handel op secundaire markten, onder meer door het bestaan van marktmakers en van een regelmatige notering van het financiële activum, bijv. door het bestaan van spreads tussen bied- en laatkoers. Is dit niet het geval dan worden ze ingedeeld als „gesecuritiseerde leningen”,

achtergestelde schuld in de vorm van schuldbewijzen.

Effecten die middels effectenuitleentransacties uitgeleend worden of verkocht worden middels een repo-overeenkomst, blijven op de balans van de oorspronkelijke eigenaar staan (en worden niet geregistreerd op de balans van de tijdelijke verkrijger) indien er een vaste verplichting bestaat om de transactie om te keren en niet alleen een optie om dat te doen. Indien de tijdelijke verkrijger de ontvangen effecten verkoopt, dient deze verkoop als een rechtstreekse aan- of verkoop van waardepapieren geregistreerd te worden en op de balans van de tijdelijke verkrijger opgenomen te worden als een negatieve positie in de effectenportefeuille.

Deze post omvat gesecuritiseerde schuldbewijzen, ongeacht of de heersende administratieve verantwoordings- en verslagleggingsmethode eist dat de effecten op de balans van de LFI geregistreerd worden.

4.

Overige gesecuritiseerde activa

Deze post omvat gesecuritiseerde activa met uitzondering van die van de categorieën 2 en 3, zoals belastingvorderingen en commerciële kredieten, ongeacht of de heersende administratieve verantwoordings- of verslagleggingsmethode eist dat de activa op de balans van de LFI geregistreerd worden.

5.

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

Financiële activa die eigendomsrechten vertegenwoordigen in vennootschappen of quasi-vennootschappen. Deze financiële activa geven de houder ervan in het algemeen recht op een aandeel in de winst van de vennootschappen of quasi-vennootschappen, alsook in hun nettovermogen in geval van liquidatie.

Deze post omvat beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen, overige deelnemingen, aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen en aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen.

Gewone aandelen die zijn uitgeleend op grond van effectenuitleentransacties, of die zijn verkocht uit hoofde van een repo-overeenkomst worden behandeld volgens de regels in categorie 3 „schuldbewijzen”.

6.

Financiële derivaten

Financiële derivaten zijn financiële instrumenten die aan een specifiek financieel instrument, een specifieke indicator of een specifiek goed zijn gekoppeld, aan de hand waarvan specifieke financiële risico’s zelfstandig op financiële markten verhandeld kunnen worden

Hiertoe behoren:

opties,

warrants,

futures,

termijncontracten,

swaps,

kredietderivaten.

Financiële derivaten worden op de balans op brutobasis tegen marktwaarde geregistreerd. Individuele derivatencontracten met een positieve marktwaarde worden aan de actiefzijde van de balans geregistreerd en contracten met een negatieve marktwaarde aan de passiefzijde van de balans.

Bruto toekomstige verplichtingen uit derivatencontracten dienen niet als balansposten opgenomen te worden.

Deze post omvat geen financiële derivaten die overeenkomstig de nationale regels niet op de balans dienen opgenomen te worden.

7.

Niet-financiële activa (waaronder vaste activa)

Materiële en immateriële activa, m.u.v. financiële activa. Vaste activa zijn niet-financiële activa die herhaaldelijk of continu langer dan een jaar door de LFI gebruikt worden.

Deze post omvat woningen, overige bouwwerken, vervoermiddelen, machines en apparatuur, kostbaarheden, intellectuele eigendommen zoals computer software en databases.

8.

Overige activa

Dit is een restpost aan de actiefzijde van de balans, gedefinieerd als „niet elders opgenomen activa”. Deze post kan omvatten:

te ontvangen opgebouwde rente op deposito’s en leningen,

opgebouwde rente op aangehouden schuldbewijzen,

te ontvangen bedragen uit anderen hoofde dan het kernbedrijf van de LFI.


PASSIVACATEGORIEËN

Categorie

Belangrijkste kenmerken

9.

Ontvangen leningen en deposito’s

Door LFI’s aan crediteuren verschuldigde bedragen, niet zijnde gelden verkregen door de uitgifte van verhandelbare effecten. Deze post bestaat uit:

leningen: aan de LFI’s verstrekte leningen die niet of in een niet-verhandelbaar document zijn beschreven,

niet-verhandelbare schuldbewijzen, uitgegeven door LFI’s: uitgegeven niet-verhandelbare schuldinstrumenten worden in het algemeen geclassificeerd als „depositoverplichtingen”. Niet-verhandelbare door LFI’s uitgegeven instrumenten die nadien verhandelbaar worden en die op secundaire markten kunnen worden verhandeld, dienen als „schuldbewijzen” heringedeeld te worden,

repo’s en repo-type transacties tegen geldelijke zekerheid: tegenpost van gelden ontvangen in ruil voor door de LFI’s tegen een bepaalde koers verkochte effecten onder beding van wederinkoop van dezelfde (of soortgelijke) effecten tegen een vaste koers op een afgesproken datum in de toekomst. Door de LFI ontvangen bedragen in ruil voor effecten die aan een derde zijn overgedragen („tijdelijke verkrijger”) dienen hier te worden ingedeeld, indien er een vaste verplichting bestaat om de transactie om te keren en niet louter een optie daartoe. Dit houdt in dat de LFI tijdens de transactie alle risico’s en beloningen van de onderliggende effecten behoudt,

geldelijke zekerheid ontvangen in ruil voor effectenleningen: bedragen ontvangen in ruil voor effecten die tijdelijk aan een derde zijn overgedragen middels effectenuitleentransacties tegen geldelijke zekerheid,

geldelijke zekerheid ontvangen in transacties die de tijdelijke overdracht van goud tegen geldelijke zekerheid inhouden.

10.

Uitgegeven schuldbewijzen

Effecten uitgegeven door de LFI, met uitzondering van deelnemingen, die gewoonlijk verhandelbare instrumenten zijn en op secundaire markten worden verhandeld of op de markt kunnen worden verrekend en die de houder geen eigendomsrechten verlenen met betrekking tot de uitgevende instelling Het omvat o.a. effectenuitgiften in de vorm van:

effecten op onderpand van activa,

credit-linked notes,

aan verzekeringen gekoppelde effecten.

11.

Kapitaal en reserves

Ten behoeve van het rapportagekader omvat deze post de bedragen voortvloeiend uit de uitgifte door LFI’s van aandelenkapitaal en toekomend aan aandeelhouders en anderen met eigendomsrechten, die voor de houder eigendomsrechten in de LFI vertegenwoordigen en in het algemeen recht geven op een aandeel in de winst en een aandeel in het eigen vermogen bij liquidatie. Hiertoe behoren eveneens gelden uit hoofde van niet-uitgekeerde winst of door de LFI gereserveerde gelden voor betalingen en verplichtingen in de toekomst Hiertoe behoren:

eigen vermogen,

niet-uitgekeerde winsten of gelden,

specifieke en algemene voorzieningen met betrekking tot leningen, effecten en andere activa,

rechten van deelneming in securitisatiefondsen.

12.

Financiële derivaten

Zie categorie 6.

13.

Overige passiva

Dit is een restpost aan de passiefzijde van de balans, gedefinieerd als „niet-elders-opgenomen passiva”.

Deze post kan omvatten:

te betalen opgebouwde rente op deposito’s en leningen,

te betalen opgebouwde rente op uitgegeven schuldbewijzen,

te betalen bedragen uit anderen hoofde dan het kernbedrijf van de LFI, d.w.z. bedragen verschuldigd aan leveranciers, belastingen, lonen, sociale premies enz.,

voorzieningen die verplichtingen ten opzichte van derden vertegenwoordigen, d.w.z. pensioenen, dividenden enz.,

nettoposities uit hoofde van effectenuitleen zonder geldelijke zekerheid,

netto te betalen bedragen uit hoofde van toekomstige afrekeningen van effectentransacties,

tegenposten voor de waarderingsaanpassing, d.w.z. de nominale waarde minus aankoopprijs van leningen.

Te betalen opgebouwde rente op uitgegeven schuldbewijzen is vereist als een afzonderlijke „waarvan”-post, tenzij de desbetreffende NCB een vrijstelling verleent, indien de gegevens afgeleid of geraamd kunnen worden uit alternatieve bronnen.

DEEL 2

Definities van sectoren

Het ESR 2010 stelt de norm voor de sectorindeling. Deze tabel geeft een gedetailleerde standaardbeschrijving van sectoren die NCB’s overeenkomstig deze verordening in nationale categorieën omzetten. Tegenpartijen gevestigd in de lidstaten die de euro als munt hebben, worden bepaald aan de hand van hun sector conform de door de Europese Centrale Bank (ECB) voor statistische doeleinden bijgehouden lijsten en de leidraad voor de statistische classificatie van tegenpartijen die wordt verschaft door het „Sectorhandboek voor statistieken inzake monetaire financiële instellingen en markten: leidraad voor de statistische classificatie van klanten” van de ECB. Kredietinstellingen die buiten de lidstaten zijn gevestigd die de euro als munt hebben, worden aangeduid als „banken” en niet als MFI’s. Evenzo verwijst de term „niet-MFI” slechts naar het eurogebied. Voor lidstaten die de euro niet als munt hebben, wordt de term „niet-banken” gebruikt.

Tabel B

Definities van sectoren

Sector

Definitie

1.

MFI’s

MFI’s zoals gedefinieerd in artikel 1 van Verordening (EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33). Deze sector bestaat uit NCB’s, kredietinstellingen zoals gedefinieerd in Unierecht, geldmarktfondsen, overige financiële instellingen die er hun bedrijf van maken deposito’s en/of daarmee vergelijkbare financiële titels aan te trekken van andere entiteiten dan MFI’s, en voor eigen rekening, tenminste in economische zin, leningen te verstrekken en/of te beleggen in effecten, en instellingen voor elektronisch geld met als hoofdactiviteit financiële intermediatie in de vorm van het uitgeven van elektronisch geld

2.

Overheid

De sector overheid (S.13) bestaat uit institutionele eenheden die niet-marktproducenten zijn waarvan de output voor individueel of collectief verbruik is bestemd, en die worden gefinancierd uit verplichte betalingen door eenheden die tot andere sectoren behoren, en institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen (ESR 2010, paragraaf 2.111 tot en met 2.113)

3.

Beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen

Beleggingsfondsen zoals gedefinieerd in artikel 1 van Verordening EU) nr. 1071/2013 (ECB/2013/33). De subsector bestaat uit alle collectieve beleggingsinstellingen m.u.v. geldmarktfondsen die beleggen in financiële en/of niet-financiële activa voor zover deze belegging beogen van bij het publiek aangetrokken beleggingskapitaal

4.

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen + financiële hulpbedrijven + financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

De subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door het aangaan van verplichtingen, andere dan in chartaal geld, deposito’s (of daarmee vergelijkbare financiële titels), aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen of in verband met verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen, bij institutionele eenheden. LFI’s zoals gedefinieerd in deze verordening behoren tot deze subsector (ESR 2010, paragrafen 2.86 tot en met 2.94)

De subsector financiële hulpbedrijven (S.126) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met activiteiten die nauw verband houden met financiële intermediatie, maar zelf geen financiële intermediairs zijn. Deze subsector omvat eveneens hoofdkantoren waarvan de dochterondernemingen alle of voor het merendeel financiele vennootschappen zijn (ESR 2010, paragraaf 2.95 tot en met 2.97)

De subsector financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich noch met financiële intermediatie, noch met het verlenen van financiële hulpdiensten bezighouden, en waarvan het merendeel van de activa of passiva niet op open markten wordt verhandeld. Deze subsector omvat ook holdings die een zeggenschapsbelang bezitten in een groep dochterondernemingen en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten van de groep zonder dat andere diensten worden verleend aan de ondernemingen waarin zij dat belang bezitten, m.a.w. zij besturen of beheren geen andere eenheden (ESR 2010, paragraaf 2.98 en 2.99)

5.

Verzekeringsinstellingen + pensioenfondsen

De subsector verzekeringsinstellingen (S.128) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van risico’s, hoofdzakelijk in de vorm van directe verzekering of herverzekering (ESR 2010, paragraaf 2.100 tot en met 2.104).

De subsector pensioenfondsen (S.129) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van sociale risico’s en behoeften van de verzekerden (sociale verzekering). Pensioenfondsen als socialeverzekeringsregelingen verschaffen een inkomen aan gepensioneerden en vaak uitkeringen bij overlijden en invaliditeit (ESR 2010, paragraaf 2.105 tot en met 2.110).

6.

Niet-financiële vennootschappen

De sector niet-financiële vennootschappen (S.11) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten. Deze sector omvat tevens niet-financiële quasivennootschappen (ESR 2010, paragraaf 2.45 tot en met 2.50)

7.

Huishoudens en instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens

De sector huishoudens (S.14) bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen. De sector huishoudens omvat tevens eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid voor zover zij niet als quasivennootschappen worden behandeld, die marktproducent zijn (ESR 2010, paragraaf 2.118 tot en met 2.128)

De sector instellingen zonder winstoogmerk (izw’s) ten behoeve van huishoudens(S.15) bestaat uit izw’s met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen (ESR 2010, paragraaf 2.129 en 2.130)

DEEL 3

Definitie van financiële transacties

Financiële transacties overeenkomstig ESR 2010 worden gedefinieerd als de mutaties in financiële activa en passiva voor elk type financieel instrument, d.w.z. de som van alle financiële transacties die in de betreffende verslagperiode plaatsvinden. Een financiële transactie tussen institutionele eenheden is een gelijktijdige vorming of afwikkeling van een financieel actief en het overeenkomstige financiële passief, dan wel de overdracht van een financieel actief of passief aan een andere partij. Financiële transacties worden geregistreerd tegen transactiewaarde, d.w.z. de op basis van commerciële motieven bepaalde waarde in nationale valuta waartegen de betrokken financiële activa en/of passiva tot stand komen of afgewikkeld, geruild of overgenomen worden tussen ingezeten institutionele eenheden. Afschrijvingen/afwaarderingen en waarderingsmutaties zijn geen financiële transacties.

DEEL 4

Definitie van afschrijvingen/afwaarderingen

Afschrijvingen/afwaarderingen worden gedefinieerd als het effect van veranderingen in de waarde van op de balans geregistreerde leningen, die worden veroorzaakt door de afschrijvingen/afwaarderingen van leningen. Afschrijvingen/afwaarderingen die worden erkend bij verkoop of overdracht van de leningen aan derden, worden ook opgenomen, indien identificeerbaar. In geval van afschrijvingen wordt de lening als een waardeloze actiefpost beschouwd en van de balans verwijderd. In geval van afwaarderingen wordt ervan uitgegaan dat de lening niet volledig geïnd zal worden en wordt op de balans de waarde van de lening verminderd.


BIJLAGE III

DOOR DE WERKELIJKE POPULATIE VAN INFORMATIEPLICHTIGEN TOE TE PASSEN MINIMUMNORMEN

Informatieplichtigen moeten de volgende minimumnormen in acht nemen, om aan de statistische rapportagevereisten van de Europese Centrale Bank (ECB) te voldoen.

1.

Minimumnormen voor transmissie:

a)

de rapportage moet tijdig plaatsvinden en binnen de termijn die door de desbetreffende NCB is vastgesteld;

b)

vorm en formaat van de statistische rapporten moeten voldoen aan de technische rapportagevereisten die hiervoor door de desbetreffende NCB’s zijn vastgesteld;

c)

een of meer contactpersonen binnen de informatieplichtige moeten worden aangewezen;

d)

de datatransmissie aan de desbetreffende NCB moet gebeuren met inachtneming van de daarvoor vastgestelde technische specificaties.

2.

Minimumnormen voor nauwkeurigheid:

a)

de statistische informatie moet juist zijn: aan alle lineaire beperkingen moet worden voldaan (bv. dienen activa en passiva gelijk te zijn, en moeten opgetelde subtotalen gelijk zijn aan de totalen), en

b)

informatieplichtigen zijn in staat informatie te verschaffen over de ontwikkelingen waarop de verstrekte gegevens duiden;

c)

de statistische gegevens zijn volledig en bevatten geen continue of structurele leemtes; er dient gewezen te worden op eventuele bestaande leemtes, waarvoor aan de desbetreffende NCB een verklaring dient te worden gegeven en die, waar van toepassing, zo snel mogelijk dienen te worden verholpen;

d)

de informatieplichtigen houden zich aan de afmetingen, het afrondingsbeleid en decimalen die door de desbetreffende NCB’s voor de technische transmissie van de gegevens zijn vastgesteld.

3.

Minimumnormen voor de conceptuele naleving:

a)

de statistische gegevens moet worden gepresenteerd met inachtneming van de definities en classificaties zoals vervat in deze verordening;

b)

in geval van afwijkingen van deze definities en classificaties, moeten de informatieplichtigen op gezette tijden het verschil controleren en kwantificeren tussen de gebruikte maatstaf en de maatstaf in deze verordening;

c)

informatieplichtigen moeten een verklaring kunnen geven voor een eventuele breuk in de verstrekte gegevens ten opzichte van de cijfers van voorgaande perioden.

4.

Minimumnormen voor herzieningen:

De informatieplichtigen moeten het door de ECB en de desbetreffende NCB vastgestelde herzieningenbeleid en -procedures volgen. Herzieningen die afwijken van regelmatige herzieningen worden van een toelichting voorzien.