ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.224.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 224

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
22 augustus 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 795/2013 van de Commissie van 21 augustus 2013 tot verlening van een vergunning voor cholinechloride als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten ( 1 )

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 796/2013 van de Commissie van 21 augustus 2013 tot weigering van een vergunning voor de stof 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen als toevoegingsmiddel voor diervoeding ( 1 )

4

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 797/2013 van de Commissie van 21 augustus 2013 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Enterococcus faecium NCIMB 11181 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfok- en mestkalveren en gespeende biggen (vergunninghouder Chr. Hansen A/S) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1333/2004 ( 1 )

6

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 798/2013 van de Commissie van 21 augustus 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof pyrethrinen ( 1 )

9

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 799/2013 van de Commissie van 21 augustus 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

12

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/442/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 21 augustus 2013 inzake de opstelling van de jaarlijkse prioriteitenlijsten voor de ontwikkeling van netcodes en richtsnoeren voor 2014 ( 1 )

14

 

 

Rectificaties

 

*

Rectificatie van Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers ( PB L 199 van 31.7.2007 )

18

 

 

 

*

Bericht aan de lezer — Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 

*

Bericht aan de lezer — Wijze van vermelden van de handelingen (zie bladzijde 3 van de omslag)

s3

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 795/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2013

tot verlening van een vergunning voor cholinechloride als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Voor cholinechloride is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten, in de groep „vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een soortgelijke werking”. Vervolgens is dat product overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het EU-repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003, juncto artikel 7, is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van cholinechloride als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten met het oog op de indeling van cholinechloride in de categorie „nutritionele toevoegingsmiddelen”. Bij die aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 6 september 2011 (3) geconcludeerd dat cholinechloride onder de voorgestelde voorwaarden voor gebruik in diervoeding geen ongunstige gevolgen voor de diergezondheid en de gezondheid van de consument heeft en naar verwachting geen extra risico voor het milieu zal vormen. De EFSA concludeerde eveneens dat er geen veiligheidsproblemen voor de gebruikers zullen rijzen als de nodige beschermingsmaatregelen worden genomen. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van cholinechloride blijkt dat aan de voorwaarden voor vergunningverlening van artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 is voldaan. Het gebruik van die stof zoals gespecifieerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden vereisen, moet worden voorzien in een overgangsperiode om de bestaande voorraden van het toevoegingsmiddel, voormengsels en mengvoeders die deze stof bevatten, zoals toegestaan bij Richtlijn 70/524/EEG, op te gebruiken.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „nutritionele toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een gelijkaardige werking”, wordt onder de in de bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Het in de bijlage beschreven preparaat en diervoeding die dat preparaat bevatten die vóór 11 maart 2014 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 11 september 2013 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1.

(3)  EFSA Journal 2011; 9(9):2353.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie nutritionele toevoegingsmiddelen. Functionele groep: vitaminen, provitaminen en chemisch duidelijk omschreven stoffen met een gelijkaardige werking

3a890

Cholinechloride

 

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van cholinechloride, vaste en vloeibare vorm

 

Karakterisering van de werkzame stof

Naam: cholinechloride

Chemische formule: C5H14ClNO

CAS-nr.: 67-48-1

Geproduceerd door chemische synthese

Zuiverheidscriteria: min. 99 % watervrije stof

 

Analysemethode  (1)

Voor de bepaling van cholinechloride in het toevoegingsmiddel voor diervoeder, voormengsels, diervoeders en water: ionenchromatografie met geleidbaarheidsdetectie (IC-CD)

Alle diersoorten

1.

Als het preparaat een technologisch toevoegingsmiddel bevat of voedermiddelen waarvoor een maximumgehalte is bepaald of die aan andere beperkingen zijn onderworpen, verstrekt de fabrikant van het toevoegingsmiddel voor diervoeder deze gegevens aan de klanten.

2.

In de aanwijzingen voor het gebruik van de toevoegingsmiddelen en van het voormengsel worden de opslag- en stabiliteitsvoorwaarden aangeven.

3.

Cholinechloride mag ook via het drinkwater worden toegediend.

4.

De etikettering van cholinechloride bevattende diervoeders voor pluimvee en varkens moet in de aanwijzingen voor het gebruik aangeven: „Gelijktijdige toediening met drinkwater waaraan cholinechloride is toegevoegd, moet worden vermeden”.

5.

Het geniet aanbeveling om voor volledige diervoeders voor pluimvee en varkens het niveau van 1 000  mg aanvullende cholinechlorine/kg niet te overschrijden.

6.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, bril en handschoenen tijdens hantering.

11 september 2023


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de website van het referentielaboratorium: http://irmm.jrc.ec.europa.eu/EURLs/EURL_feed_additives/Pages/index.aspx


22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 796/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2013

tot weigering van een vergunning voor de stof 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen als toevoegingsmiddel voor diervoeding

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De toelating van toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van toelatingsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Voor de stof 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten in de groep „aromatische en eetlustopwekkende stoffen — alle natuurlijke producten en dienovereenkomstige synthetische producten”. Vervolgens is dat product overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 onder CAS-nummer 2530-10-1 en Flavis-nummer 15.024 als bestaand product opgenomen in het EU-repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 juncto artikel 7 van die verordening werd een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van deze stof als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor alle diersoorten, waarbij is verzocht dat toevoegingsmiddel in te delen in de categorie „sensoriële toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „aromatische stoffen”. Bij die aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De stof 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen werd eveneens opgenomen in de lijst van aromastoffen in deel A van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1334/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake aroma’s en bepaalde voedselingrediënten met aromatiserende eigenschappen voor gebruik in levensmiddelen en tot wijziging van Verordening (EEG) nr. 1601/91 van de Raad, Verordening (EG) nr. 2232/96, Verordening (EG) nr. 110/2008 en Richtlijn 2000/13/EG (3) als een in evaluatie zijnde aromastof waarvoor aanvullende wetenschappelijke gegevens moesten worden ingediend. Deze gegevens zijn overgelegd.

(5)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 15 mei 2013 (4) in verband met het gebruik van deze stof als aromastof in voeding geconcludeerd dat deze in vitro en in vivo mutageen is en dat het gebruik ervan als aromastof in voeding een veiligheidsprobleem vormt.

(6)

Uit de beoordeling blijkt dat 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen met grote waarschijnlijkheid eveneens mutageen is voor dieren die diervoeding consumeren die deze stof als sensorieel toevoegingsmiddel bevat. Er is derhalve niet aangetoond dat die stof bij gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding onder de voorgestelde voorwaarden geen ongunstige gevolgen heeft voor de diergezondheid.

(7)

Aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 gestelde voorwaarden voor vergunningverlening is dus niet voldaan. Bijgevolg dient een vergunning voor 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen als toevoegingsmiddel voor diervoeding te worden geweigerd.

(8)

Aangezien het verdere gebruik van 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen als toevoegingsmiddel voor diervoeding een risico voor de diergezondheid kan inhouden, moet het zo spoedig mogelijk uit de handel worden genomen.

(9)

Om praktische redenen en om rekening te houden met bestaande voorraden van diervoeding die aromastof 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen bevat en die al op de markt zijn gebracht vóór de inwerkingtreding van deze verordening, moet een overgangsperiode worden vastgesteld.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Een vergunning voor 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen als toevoegingsmiddel voor diervoeding wordt geweigerd.

Artikel 2

De bestaande voorraden 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen en voormengsels daarvan worden zo snel mogelijk en uiterlijk op 11 oktober 2013 uit de handel gehaald. Mengvoeder dat 3-acetyl-2,5-dimethylthiofeen bevat en is geproduceerd vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening mag uiterlijk tot 11 oktober 2013 worden opgebruikt totdat de voorraden zijn uitgeput.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1.

(3)   PB L 354 van 31.12.2008, blz. 34.

(4)  EFSA Journal 2013; 11(5):3227.


22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 797/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2013

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van Enterococcus faecium NCIMB 11181 als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfok- en mestkalveren en gespeende biggen (vergunninghouder Chr. Hansen A/S) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1333/2004

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG is bij Verordening (EG) nr. 1333/2004 van de Commissie (3) een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor een preparaat van Enterococcus faecium NCIMB 11181 voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfok- en mestkalveren en gespeende biggen. Vervolgens is dat preparaat overeenkomstig artikel 10, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het EU-repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 juncto artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van het preparaat als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor opfok- en mestkalveren en gespeende biggen, waarbij is verzocht om indeling van dat toevoegingsmiddel in de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen”. Bij die aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 1 februari 2012 (4) geconcludeerd dat het preparaat Enterococcus faecium NCIMB 11181 onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden geen ongunstige effecten voor de diergezondheid, de menselijke gezondheid en het milieu heeft en dat het doeltreffend is voor het verbeteren van de zoötechnische prestaties van opfok- en mestkalveren en gespeende biggen. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van het preparaat van Enterococcus faecium NCIMB 11181 blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dat preparaat zoals omschreven in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

Omdat uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1831/2003 een nieuwe vergunning wordt verleend, moet Verordening (EG) nr. 1333/2004 worden ingetrokken.

(7)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden vereisen, moet worden voorzien in een overgangsperiode om de bestaande voorraden van het toevoegingsmiddel, voormengsels en mengvoeders die deze stof bevatten, zoals toegestaan bij Verordening (EG) nr. 1333/2004, op te gebruiken.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage gespecificeerde preparaat, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „darmflorastabilisatoren”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Verordening (EG) nr. 1333/2004 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Het in de bijlage beschreven preparaat en diervoeders die dat preparaat bevatten die vóór 11 maart 2014 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 11 september 2013 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1.

(3)   PB L 247 van 21.7.2004, blz. 11.

(4)  EFSA Journal 2012; 10(2):2574.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

CFU/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie zoötechnische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: darmflorastabilisatoren

4b1708

Chr. Hansen A/S

Enterococcus faecium

(NCIMB 11181)

 

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van Enterococcus faecium (NCIMB 11181) met ten minste:

 

vaste vorm: 5 × 1010 CFU/g toevoegingsmiddel;

 

vaste, in water oplosbare vorm: 2 × 1011 CFU/g toevoegingsmiddel.

 

Karakterisering van de werkzame stof

Levensvatbare cellen van Enterococcus faecium (NCIMB 11181).

 

Analysemethode  (1)

Telling: spreidplaatmethode onder gebruikmaking van galesculineazideagar (EN 15788).

Identificatie: pulsed-field-gelelektroforese (PFGE).

Opfok- en mestkalveren

zes maanden

5 × 108

1.

In de gebruiksaanwijzing voor het toevoegingsmiddel en het voormengsel de opslagvoorwaarden en de stabiliteit bij verwerking tot pellets en in water vermelden.

2.

Mag in melkvervangers voor opfok- en mestkalveren worden gebruikt.

3.

Voor gespeende biggen tot 35 kg.

4.

Aanbevolen minimumdoses:

opfok- en mestkalveren: 2 × 1010 CFU/kg volledige diervoeders

biggen (gespeend): 1 × 1010 – 2 × 1010 CFU/kg volledige diervoeders.

5.

De in water oplosbare vorm van het preparaat mag in drinkwater voor gespeende biggen worden gebruikt met een aanbevolen minimumdosis van 1 × 1010 – 2 × 1010 CFU/l.

6.

Voor de veiligheid van de gebruiker: bij hantering moeten ademhalingsbescherming, veiligheidsbril en -handschoenen worden gedragen.

11 september 2023

Biggen (gespeend)

5 × 108


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding: www.irmm.jrc.be/eurl-feed-additives.


22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/9


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 798/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2013

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof pyrethrinen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2008/127/EG van de Commissie (2) is overeenkomstig de procedure van artikel 24 ter van Verordening (EG) nr. 2229/2004 van de Commissie van 3 december 2004 houdende nadere bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (3) de werkzame stof pyrethrinen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (4) opgenomen. Sinds de vervanging van Richtlijn 91/414/EEG door Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt deze stof geacht krachtens die verordening te zijn goedgekeurd en is zij opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (5).

(2)

Overeenkomstig artikel 25 bis van Verordening (EG) nr. 2229/2004 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) op 12 december 2012 haar standpunt over het ontwerpevaluatieverslag voor pyrethrinen (6) aan de Commissie voorgelegd. De EFSA heeft haar standpunt over pyrethrinen aan de kennisgever meegedeeld. De Commissie heeft deze verzocht het ontwerpevaluatieverslag voor pyrethrinen te becommentariëren. Het ontwerpevaluatieverslag en het standpunt van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie binnen het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 16 juli 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor pyrethrinen.

(3)

Er wordt bevestigd dat de werkzame stof pyrethrinen geacht moet worden krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 te zijn goedgekeurd.

(4)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, juncto artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis moeten de goedkeuringsvoorwaarden voor pyrethrinen worden gewijzigd. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden gevraagd.

(5)

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Er moet een redelijke termijn vóór de toepassing van deze verordening worden toegestaan om de lidstaten, de kennisgevers en de houders van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die pyrethrinen bevatten in staat te stellen te voldoen aan de voorschriften als gevolg van de wijziging van de goedkeuringsvoorwaarden.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)   PB L 344 van 20.12.2008, blz. 89.

(3)   PB L 379 van 24.12.2004, blz. 13.

(4)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(5)   PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid; Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance pyrethrins. EFSA Journal 2013;11(1):3032. [76 blz.] doi:10.2903/j.efsa.2013.3032. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu/efsajournal


BIJLAGE

In deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt rij 246 over de werkzame stof pyrethrinen vervangen door:

Nummer

Triviale naam, Identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„246

Pyrethrinen: 8003-34-7

CIPAC-nr. 32

Extract A: extracten van Chrysanthemum cinerariaefolium:

89997-63-7

pyrethrine 1: CAS-nr. 121-21-1

pyrethrine 2: CAS-nr. 121-29-9

cinerine 1: CAS-nr. 25402-06-6

cinerine 2: CAS-nr. 121-20-0

jasmoline 1: CAS-nr. 4466-14-2

jasmoline 2: CAS-nr. 1172-63-0

Extract B:

pyrethrine 1: CAS-nr. 121-21-1

pyrethrine 2: CAS-nr. 121-29-9

cinerine 1: CAS-nr. 25402-06-6

cinerine 2: CAS-nr. 121-20-0

jasmoline 1: CAS-nr. 4466-14-2

jasmoline 2: CAS-nr. 1172-63-0

Pyrethrinen zijn een complex mengsel van chemische stoffen.

Extract A: ≥ 500 g/kg pyrethrinen

Extract B: ≥ 480 g/kg pyrethrinen

1 september 2009

31 augustus 2019

DEEL A

De stof mag alleen worden toegelaten voor gebruik als insecticide.

DEEL B

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over pyrethrinen (SANCO/2627/2008) (en met name met de aanhangsels I en II), dat door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is goedgekeurd.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten met name letten op:

a)

het risico voor de toedieners en werknemers;

b)

het risico voor niet tot de doelsoorten behorende organismen.

De gebruiksvoorwaarden moeten in voorkomend geval het gebruik van geschikte persoonlijke beschermingsmiddelen en andere risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie indienen wat betreft:

1.

de specificatie van het technische materiaal zoals commercieel vervaardigd, waaronder gegevens over alle relevante verontreinigingen en de gelijkwaardigheid met de specificaties van het bij de toxiciteitsonderzoeken gebruikte testmateriaal;

2.

het risico van inhalering;

3.

de residudefinitie;

4.

de representativiteit van het hoofdbestanddeel „pyrethrine 1” wat betreft het lot en het gedrag in de bodem en in het water.

De aanvrager moet uiterlijk op 31 maart 2014 de in de punt 1 bedoelde informatie en uiterlijk op 31 december 2015 de in de punten 2, 3 en 4 bedoelde informatie indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.”


22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 799/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0709 93 10

TR

118,4

ZZ

118,4

0805 50 10

AR

118,7

CL

110,2

TR

70,0

UY

138,4

ZA

106,6

ZZ

108,8

0806 10 10

EG

181,7

MA

135,8

TR

147,3

ZZ

154,9

0808 10 80

AR

203,2

BR

114,7

CL

147,3

CN

88,4

NZ

124,1

US

129,8

ZA

120,6

ZZ

132,6

0808 30 90

AR

196,9

CL

148,9

TR

152,7

ZA

94,4

ZZ

148,2

0809 30

TR

143,3

ZZ

143,3

0809 40 05

BA

51,7

MK

74,4

TR

101,0

ZZ

75,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/14


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 21 augustus 2013

inzake de opstelling van de jaarlijkse prioriteitenlijsten voor de ontwikkeling van netcodes en richtsnoeren voor 2014

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/442/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 714/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor toegang tot het net voor grensoverschrijdende handel in elektriciteit en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1228/2003 (1), en met name artikel 6, lid 1, en Verordening (EG) nr. 715/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende de voorwaarden voor de toegang tot aardgastransmissienetten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1775/2005 (2), en met name artikel 6, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

ACHTERGROND

(1)

Op 4 februari 2011 heeft de Europese Raad bepaald dat de uiterste termijn voor de voltooiing van de interne markt voor elektriciteit en gas 2014 is. Het derde energiepakket is een belangrijke stap op weg naar dit doel. Er moeten echter nog meer inspanningen worden geleverd om ervoor te zorgen dat gas en elektriciteit vrijelijk door Europa kunnen stromen. De netcodes en richtsnoeren waarin door het derde pakket is voorzien, zullen voorschriften voor deze verdere ontwikkeling verstrekken.

(2)

Als eerste stap op weg naar bindende Europese netcodes moet de Commissie overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 714/2009 (hierna de „elektriciteitsverordening” genoemd) en artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 715/2009 (hierna de „gasverordening” genoemd) een jaarlijkse prioriteitenlijst van in de ontwikkeling van netcodes op te nemen gebieden opstellen. Bij de vaststelling van de prioriteiten moet de Europese Commissie het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators („ACER”), het verantwoordelijke Europese netwerk van transmissiesysteembeheerders („ENTSB”) en andere betrokken belanghebbenden raadplegen. In dit besluit worden de prioriteiten vastgesteld waartoe de Commissie heeft besloten op grond van de uitkomst van de openbare raadpleging.

(3)

Voor de planning van middelen moeten jaarlijks prioritaire gebieden voor de ontwikkeling van netcodes en richtsnoeren worden vastgesteld. Zodra een gebied voor het eerst als prioritair wordt aangemerkt, moeten verkennende werkzaamheden worden gestart om vast te stellen in hoeverre harmonisatie nodig is. Op prioritaire gebieden waar de werkzaamheden op het gebied van netcodes en richtsnoeren reeds zijn begonnen, moeten de werkzaamheden worden voortgezet en voltooid.

OPENBARE RAADPLEGING

(4)

De op grond van artikel 6, lid 1, van de elektriciteits- en de gasverordening vereiste openbare raadpleging heeft van 2 april tot en met 13 mei 2013 plaatsgevonden. De Commissie heeft 22 reacties ontvangen (3).

(5)

De belangrijkste algemene opmerkingen die de openbare raadpleging heeft opgeleverd, waren de volgende:

a)

De belanghebbenden lieten duidelijk blijken dat zij de gerichte aanpak van de Commissie ondersteunen waarbij voorrang wordt gegeven aan de totstandbrenging van de belangrijkste elementen voor de voltooiing van de interne energiemarkt. De belanghebbenden zijn van mening dat de Commissie in haar raadpleging de belangrijkste zaken die tot stand moeten worden gebracht om de energiemarkt verder te kunnen integreren, heeft aangegeven, en dat er niet meer taken moeten worden toegevoegd aan de jaarlijkse prioriteitenlijsten voor 2014.

b)

Verscheidene belanghebbenden benadrukken het belang van een juiste tenuitvoerlegging van reeds vastgestelde netcodes, waarbij sommigen van hen de Commissie en ACER oproepen zich actiever op te stellen om tot een coherente uitvoering te komen. Bovendien willen de belanghebbenden duidelijkheid over de toekomstige wijzigingen van vastgestelde netcodes en over wat de governance daarvan wordt. Eén belanghebbende noemt de dringende behoefte aan een globale eenheidslijst met definities die voor alle netcodes geldt.

c)

Verscheidene belanghebbenden hebben het belang van een transparant, efficiënt en coherent proces benadrukt, dat garandeert dat de belanghebbenden er eerder en nauwer bij worden betrokken. Ook is vermeld dat de nodige termijnen moeten worden toegestaan voor de ontwikkeling van robuuste netcodes, waarbij voldoende tijd wordt ingeruimd voor de raadpleging van de betrokken actoren. In dit verband hebben de belanghebbenden gevraagd de ontwerpvoorstellen voor de kaderrichtsnoeren en netcodes vergezeld te doen gaan van de relevante effectbeoordeling waarover de belanghebbenden zijn geraadpleegd.

(6)

De belangrijkste opmerkingen betreffende de jaarlijkse prioriteitenlijsten voor elektriciteitsnetcodes voor 2014 die de openbare raadpleging heeft opgeleverd, waren de volgende:

a)

Verscheidene belanghebbenden hebben hun zorgen geuit over het feit dat de netcodes die momenteel worden ontwikkeld een onvoldoende niveau van harmonisatie op Europees niveau bieden, en zij wijzen erop dat vele besluiten (bv. ten aanzien van waarden en methoden) niet worden genomen in de code zelf, maar worden opengelaten om later door de TSB’s en de nationale regelgevende autoriteiten in een besluitvormings- en goedkeuringsproces te worden vastgesteld. De belanghebbenden vrezen dat dit kan leiden tot een extra laag regelgeving op Europees niveau, waardoor veeleer extra marktstructuurvoorschriften worden toegevoegd dan dat de bestaande diversiteit op dat gebied wordt opgelost.

b)

Sommige belanghebbenden waren bezorgd over de mogelijke inconsequenties tussen de netcodes en hebben opgemerkt dat is gebleken dat de ontwikkeling van verschillende netcodes in het kader van hetzelfde kaderrichtsnoer niet de meest efficiënte manier is om Europese voorschriften vast te stellen; daarom hebben zij voorgesteld slechts één netcode te ontwikkelen in overeenstemming met het bijbehorende kaderrichtsnoer. Sommigen hebben benadrukt dat, om voor samenhang te zorgen, ten minste enkele netcodes gezamenlijk moeten worden ontwikkeld, zoals de voorschriften voor elektriciteitsproducenten, voorschriften voor capaciteitsallocatie op de lange termijn, balanceringsregels en voorschriften inzake noodvoorschriften.

c)

Verscheidene belanghebbenden steunen de ontwikkeling van voorschriften betreffende geharmoniseerde transmissietariefstructuren, aangezien de bestaande variëteit van tariefstructuren ongelijkheid schept voor de elektriciteitsproducenten binnen de EU, omdat sommigen bijvoorbeeld nettarieven moeten betalen en anderen niet.

d)

ENTSB-E heeft zijn bezorgdheid geuit over het feit dat in de jaarlijkse prioriteitenlijst voor 2014 geen voorschriften inzake investeringsstimulansen zijn opgenomen, terwijl die wel deel uitmaakten van de lijst voor 2013. ENTSB-E is van mening dat vertrouwen op het proces dat is vastgesteld bij de nieuwe verordening betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur (4) (de „TEN-E-verordening”), waarbij is bepaald dat de Europese Commissie richtsnoeren kan vaststellen wanneer zij vindt dat de methodologie die uiterlijk op 31 maart 2014 door de nationale regulerende instantie moet worden gepubliceerd op basis van de aanbevelingen inzake beste praktijken van het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregelgevers (ACER), onvoldoende is om een tijdige uitvoering van projecten van gemeenschappelijk belang zeker te stellen, en dat de efficiëntie van de hele TEN-E-verordening daardoor in gevaar komt.

(7)

De belangrijkste opmerkingen betreffende de jaarlijkse prioriteitenlijsten voor gasnetcodes voor 2014 die de openbare raadpleging heeft opgeleverd, waren de volgende:

a)

De meeste belanghebbenden juichten het toe dat capaciteitsuitbreiding op de jaarlijkse prioriteitenlijst voor 2014 was gezet en benadrukten dat de belanghebbenden bij de opstelling van de voorschriften daarvoor grondig moeten worden geraadpleegd en dat de voorschriften samenhang moeten vertonen met de netcode inzake capaciteitsallocatiemechanismen. Verschillende belanghebbenden, waaronder de ENTSB-G, wijzen erop dat er sprake is van sterke interactie tussen de voorschriften inzake tarieven en de capaciteitsuitbreiding, en dat aandacht moet worden geschonken aan de samenhang tussen beide onderwerpen.

b)

Verschillende belanghebbenden, waaronder de ENTSB-G, steunen het uitvoeren van een onderzoek naar de voorschriften inzake handel in 2014, om vast te stellen of geharmoniseerde Europese voorschriften voor het ontwerp van capaciteitsproducten en -contracten ten aanzien van de zekerheid, beperkingen van de allocatie en secundaire markten nodig zijn. Bij het onderzoek wordt rekening gehouden met de ervaring die is opgedaan met de uitvoering van de netcode inzake capaciteitsallocatiemechanismen en balancering en de mogelijke gevolgen van de toename van de penetratie van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen op de elektriciteitsmarkten. Eén belanghebbende stelt voor stap voor stap te analyseren wat de verschillen zijn tussen de contractvoorwaarden en de processen van de transmissiesysteembeheerders bij elk interconnectiepunt. ENTSB-G roept op tot erkenning van het feit dat het niet op elkaar aansluiten van de capaciteit en de verschillende niveaus van zekerheid een onvermijdelijke consequentie zijn van de invoering van entry-exitsystemen. Eén belanghebbende heeft zich sterk verzet tegen de verdere harmonisatie van het ontwerp van capaciteitsproducten en -contracten aangezien dat niet verplicht is en zou leiden tot een onvoldoende aanbod van vaste capaciteit en uiteindelijk tot inefficiënte investeringen. Bovendien werd gesteld dat de handelsvoorschriften de uitvoering van Verordening (EU) nr. 1227/2011 van het Europees Parlement en de Raad (5) betreffende de integriteit en transparantie van de groothandelsmarkt voor energie niet ingewikkelder mogen maken.

c)

Eén belanghebbende verzoekt om de invoering van een netcode voor gaskwaliteit en een netcode voor benchmarkgerelateerde efficiëntie en tarieven, om op doeltreffende en doelmatige wijze een interne markt tot stand te brengen, waarbij de suggestie wordt gedaan als eerste stap ACER het mandaat te geven een vergelijking te maken van alle Europese transmissiesysteembeheerders, met inbegrip van alle geleverde diensten.

d)

Eén belanghebbende suggereert in de prioriteitenlijst de ontwikkeling van richtsnoeren op te nemen om het probleem van de historische contracten op te lossen, overeenkomstig artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 715/2009.

(8)

Hoewel dit besluit alleen gericht is op het vaststellen van de jaarlijkse prioriteitenlijst voor 2014, heeft de Commissie de belanghebbenden ook geraadpleegd over de noodzaak en de mogelijke werkingssfeer van netcodes en richtsnoeren die na 2014 tegemoet kunnen worden gezien als belangrijke gebieden, zodat ACER in zijn werkprogramma voor 2014 onderzoek als activiteit kan opnemen.

(9)

De belangrijkste uit de openbare raadpleging voortgekomen opmerkingen betreffende de mogelijke reikwijdte van en de behoefte aan netcodes en richtsnoeren ten aanzien van voorschriften inzake het elektriciteitsnet ná 2014, waren de volgende:

a)

Sommige belanghebbenden willen graag voorschriften ingevoerd zien betreffende de vaststelling van de beginselen aan de hand waarvan de toereikendheid van transmissienetten worden beoordeeld, en dus de eisen die aan derden worden gesteld. Andere belanghebbenden zijn van mening dat voorschriften inzake reserves, adequaatheid en capaciteitsmechanismen niet in artikel 8, lid 6, van de elektriciteits- en de gasverordening zijn opgenomen en daarom juridisch niet aanvaardbaar zijn, en in plaats daarvan onder de bevoegdheid van de nationale regeringen vallen.

b)

Verschillende belanghebbenden vragen om opheldering ten aanzien van de vraag wat in de voorschriften inzake operationele coördinatie zal worden opgenomen.

c)

Eén belanghebbende stelt voor voorschriften inzake aanbesteding, handel en governance van ondersteunende diensten te ontwikkelen, alsmede inzake alle soorten flexibiliteits- en capaciteitsdiensten, met het algemene doel om een Europese markt voor netondersteuningsdiensten te ontwikkelen, met inbegrip van balancerings- en alle soorten flexibiliteitsdiensten.

(10)

De belangrijkste uit de openbare raadpleging voortgekomen opmerkingen betreffende de mogelijke reikwijdte van en de behoefte aan netcodes en richtsnoeren ten aanzien van voorschriften inzake het gasnet ná 2014, waren de volgende:

a)

Verschillende belanghebbenden waren van mening dat de voorschriften inzake netaansluiting en noodprocedures in overeenstemming moeten zijn met Verordening (EU) nr. 994/2010 van het Europees Parlement en de Raad (6) betreffende maatregelen tot veiligstelling van de gaslevering.

b)

Sommige belanghebbenden stelden zich vragen bij de reikwijdte van de voorschriften inzake netaansluiting met het oog op het bieden van locatiespecifieke signalen en spraken zich uit tegen de ontwikkeling van dergelijke voorschriften.

BESLUIT

(11)

De Commissie houdt rekening met de antwoorden van de belanghebbenden die de prioriteitstelling van de werkzaamheden ten aanzien van de levering van belangrijke benodigde elementen voor de voltooiing van de interne energiemarkt tegen 2014 ondersteunen; de Commissie erkent de verschillende acties die nodig zijn met het oog op die voltooiing, alsmede de beperkte middelen, het feit dat voor reeds vastgestelde netcodes en richtsnoeren middelen nodig zijn om ze juist uit te voeren, en het feit dat elk nieuw gebied dat wordt toegevoegd aan de jaarlijkse prioriteitenlijst voor 2014 ertoe kan leiden dat tegen 2014 geen richtsnoeren of netcodes worden vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor de ontwikkeling van geharmoniseerde elektriciteitsvoorschriften stelt de Commissie deze jaarlijkse prioriteitenlijst voor 2014 vast:

voorschriften op het gebied van capaciteitsallocatie en congestiebeheer, met inbegrip van governance voor day-ahead- en intraday-markten, waaronder capaciteitsberekening (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften voor koppeling aan het net:

voorschriften inzake eisen voor elektriciteitsproducenten (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften inzake de distributiesysteembeheerder en de aansluiting van industriële afnemers (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften inzake de HVDC-transmissiesysteemaansluiting (afronding netcode en begin van de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften inzake transmissiesysteembeheer (7):

voorschriften inzake operationele veiligheid (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften inzake operationele planning en regeling (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften inzake belastingsfrequentiecontrole en -reserves (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften inzake eisen en procedures voor noodgevallen (afronding netcode en begin van de fase van vaststelling door de Commissie);

balanceringsregels, waaronder die inzake netgerelateerd reservevermogen (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften voor de (voorwaartse) capaciteitsallocatie (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften inzake geharmoniseerde transmissietariefstructuren (onderzoek door ACER met het oog op de opstelling van een kaderrichtsnoer (8)).

Artikel 2

Aangezien is bepaald dat geharmoniseerde voorschriften inzake capaciteitsallocatie en -balancering in 2013 zullen worden vastgesteld, stelt de Commissie vóór 2014 de volgende prioriteitenlijst voor de totstandbrenging van geharmoniseerde voorschriften op het gebied van gas op:

voorschriften inzake interoperabiliteit en gegevensuitwisseling (verkeert in de fase van vaststelling door de Commissie);

voorschriften inzake geharmoniseerde transmissietariefstructuren (ENTSB-G stelt hiervoor de netcode op);

regels ten aanzien van een EU-brede marktgebaseerde aanpak van de allocatie van „nieuw gebouwde” gastransmissiecapaciteit (ACER en ENTSB-G stellen de wijziging van de netcode inzake capaciteitsallocatiemechanismen op en nemen de respectieve tariefregels op in de netcode inzake transmissietariefstructuren);

handelsvoorschriften die verband houden met de technische en operationele bepalingen van nettoegangsdiensten en systeembalancering (onderzoek door ACER om na te gaan of bindende EU-voorschriften voor de verdere harmonisatie van het ontwerp van capaciteitsproducten en contracten ten aanzien van de voorzieningszekerheid, beperkingen van de allocatie en secundaire markten nodig zijn, rekening houdend met de uitvoering van het richtsnoer inzake congestiebeheersprocedures en de netcodes inzake capaciteitsallocatiemechanismen en balancering).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 21 augustus 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 211 van 14.8.2009, blz. 15.

(2)   PB L 211 van 14.8.2009, blz. 36.

(3)  De antwoorden zijn bekendgemaakt op de volgende site:

http://ec.europa.eu/energy/gas_electricity/consultations/20130513_network_codes_en.htm

(4)   PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39.

(5)   PB L 326 van 8.12.2011, blz. 1.

(6)   PB L 295 van 12.11.2010, blz. 1.

(7)  Voorschriften inzake operationele opleiding en inzake eisen en operationele procedures voor noodgevallen volgen later.

(8)  Ten aanzien van de voorschriften inzake investeringsstimuli zijn in de TEN-E-verordening, met name in artikel 13, voorschriften opgenomen om ervoor te zorgen dat de juiste stimulansen worden gegeven voor infrastructuurprojecten van gemeenschappelijk belang op het gebied van gas en elektriciteit, waarvoor hogere risico’s worden gelopen dan normaliter. In dit verband worden in de TEN-E-verordening de volgende taken beschreven:

indien zij beschikbaar zijn moet elke nationale regelgevende autoriteit uiterlijk op 31 juli 2013 bij ACER de gebruikte methode en criteria voor de evaluatie van de investeringen en de hogere risico’s die zij lopen, indienen;

ACER moet uiterlijk op 31 december 2013 het delen van goede praktijken vergemakkelijken en aanbevelingen doen;

elke nationale regelgevende autoriteit moet uiterlijk op 31 maart 2014 de methode bekendmaken die zij gebruikt om investeringen en de hogere risico’s die zij lopen, te evalueren.

Op basis van de input van de bovengenoemde taken besluit de Europese Commissie of wettelijk bindende richtsnoeren moeten worden uitgevaardigd.


Rectificaties

22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/18


Rectificatie van Verordening (EG) nr. 862/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 11 juli 2007 betreffende communautaire statistieken over migratie en internationale bescherming en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 311/76 van de Raad betreffende de opstelling van statistieken over buitenlandse werknemers

( Publicatieblad van de Europese Unie L 199 van 31 juli 2007 )

Bladzijde 27, artikel 5, lid 1, onder b):

in plaats van:

„b)

onderdanen van derde landen dat op grond van de nationale immigratiewetgeving illegaal op het grondgebied van de lidstaat verblijft.”,

te lezen:

„b)

onderdanen van derde landen van wie de illegale aanwezigheid is vastgesteld op het grondgebied van de lidstaat op grond van de nationale immigratiewetgeving.”.

Bladzijde 28, artikel 7, lid 1, onder a):

in plaats van:

„a)

het aantal onderdanen van derde landen van wie de illegale aanwezigheid op het grondgebied van de lidstaat is vastgesteld en die het onderwerp vormen van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling waarin wordt vastgesteld of verklaard dat hun verblijf illegaal is en waarin hen tot het verlaten van het grondgebied van de lidstaat wordt verplicht, uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de betrokken personen;”,

te lezen:

„a)

het aantal onderdanen van derde landen van wie de illegale aanwezigheid is vastgesteld op het grondgebied van de lidstaat en die het onderwerp vormen van een administratieve of gerechtelijke beslissing of handeling waarin wordt vastgesteld of verklaard dat hun verblijf illegaal is en waarin zij tot het verlaten van het grondgebied van de lidstaat worden verplicht, uitgesplitst naar het staatsburgerschap van de betrokken personen;”.


22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/s3


BERICHT AAN DE LEZER

Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 216/2013 van de Raad van 7 maart 2013 betreffende de elektronische publicatie van het Publicatieblad van de Europese Unie (PB L 69 van 13.3.2013, blz. 1) zal, met ingang van 1 juli 2013, enkel de elektronische editie van het Publicatieblad authentiek zijn en rechtsgevolgen hebben.

Indien het door onvoorziene en uitzonderlijke omstandigheden niet mogelijk is de elektronische editie van het Publicatieblad te publiceren, zal de gedrukte editie authentiek zijn en rechtsgevolgen hebben overeenkomstig de bepalingen van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 216/2013.


22.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 224/s3


BERICHT AAN DE LEZER — WIJZE VAN VERMELDEN VAN DE HANDELINGEN

Vanaf 1 juli 2013 is de wijze van vermelden van de handelingen veranderd.

Gedurende een overgangsperiode zal zowel de oude als de nieuwe manier worden gebruikt.