ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.201.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 201

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
26 juli 2013


Inhoud

 

I   Wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2013/42/EU van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een snellereactiemechanisme tegen btw-fraude

1

 

*

Richtlijn 2013/43/EU van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten

4

 

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

*

Kennisgeving betreffende de voorlopige toepassing tussen de Europese Unie en Colombia van de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds

7

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 713/2013 van de Raad van 23 juli 2013 tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor ansjovis in de Golf van Biskaje voor het visseizoen 2013/2014

8

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 714/2013 van de Raad van 25 juli 2013 tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1169/2012

10

 

*

Verordening (EU) nr. 715/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer koperschroot overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 716/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken

21

 

*

Verordening (EU) nr. 717/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 wat betreft de vermeldingen inzake dierenwelzijn in bepaalde modellen van gezondheidscertificaten ( 1 )

31

 

*

Verordening (EU) nr. 718/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 608/2004 inzake de etikettering van voedingsmiddelen en voedselingrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen en/of fytostanolesters ( 1 )

49

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 719/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

51

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 720/2013 van de Commissie van 25 juli 2013 inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de tariefcontingenten die voor de deelperiode juli 2013 zijn geopend bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011

53

 

 

BESLUITEN

 

*

Besluit 2013/395/GBVB van de Raad van 25 juli 2013 inzake de actualisering en wijziging van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van Besluit 2012/765/GBVB

57

 

 

AANBEVELINGEN

 

 

2013/396/EU

 

*

Aanbeveling van de Commissie van 11 juni 2013 over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten

60

 

 

IV   Handelingen die vóór 1 december 2009 zijn aangenomen krachtens het EG-Verdrag, het EU-Verdrag en het Euratom-Verdrag

 

 

2013/397/EG

 

*

Besluit van de Commissie van 26 mei 2009 tot goedkeuring namens de Europese Gemeenschap van bepaalde wijzigingen in bijlage V bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten ( 1 )

66

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


I Wetgevingshandelingen

RICHTLIJNEN

26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/1


RICHTLIJN 2013/42/EU VAN DE RAAD

van 22 juli 2013

tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een snellereactiemechanisme tegen btw-fraude

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 113,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Belastingfraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (btw) leidt tot een aanzienlijke derving van begrotingsinkomsten en heeft een negatieve invloed op de concurrentievoorwaarden en aldus op de werking van de interne markt. Recentelijk hebben specifieke vormen van plotse en grootschalige belastingfraude het licht gezien, waarbij met name gebruik wordt gemaakt van elektronische hulpmiddelen, die het gemakkelijker maken om snel en op grote schaal illegale handelsactiviteiten te verrichten.

(2)

Teneinde bepaalde vormen van belastingontduiking of -ontwijking te voorkomen, kunnen de lidstaten overeenkomstig Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (3) verzoeken om te mogen afwijken van die richtlijn.

(3)

Uit recente ervaringen is gebleken dat de procedure van artikel 395 van Richtlijn 2006/112/EG niet geschikt is om snel te reageren op verzoeken van lidstaten om spoedmaatregelen.

(4)

De ervaring heeft ook aangetoond dat de aanwijzing van de ontvanger als de tot voldoening van de btw gehouden persoon (verleggingsregeling) in bepaalde gevallen een doeltreffende maatregel is om de btw-fraude in specifieke sectoren een halt toe te roepen.

(5)

In het kader van de bepalingen betreffende de verleggingsregeling in de artikelen 199 en 199 bis van Richtlijn 2006/112/EG, hebben de lidstaten niet de flexibiliteit om snel te reageren op plotse en grootschalige fraude in categorieën van goederen en diensten die buiten het toepassingsgebied van die artikelen vallen. Daarom dienen specifieke regelingen getroffen te worden om deze situaties aan te pakken.

(6)

Gelet op de gevallen van grootschalige fraude die zich hebben voorgedaan, is een bijzondere maatregel in het kader van het snellereactiemechanisme (Quick Reaction Mechanism - QRM) de beste garantie voor een snel en uitzonderlijk antwoord op toekomstige gevallen van plotse fraude. Deze bijzondere maatregel bestaat uit een optie om gedurende een korte periode de verleggingsregeling toe te passen, na passende kennisgeving door de betrokken lidstaat. Om te waarborgen dat het toepassen van deze optie in verhouding staat tot het probleem, moet de Commissie, zodra ze in het bezit is van de relevante informatie, een korte periode krijgen om de kennisgeving te beoordelen en mee te delen of zij bezwaar maakt tegen de bijzondere QRM-maatregel. Lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om de Commissie rekening te laten houden met hun standpunten, en moeten derhalve volledig geïnformeerd worden over de kennisgeving, en over elke aanvullende inlichting die in de loop van het proces wordt verstrekt. Vervolgens moet de Raad beslissen over elke verdere toepassing van de verleggingsregeling, middels een uitvoeringsbesluit in het kader van artikel 395 van Richtlijn 2006/112/EG.

(7)

Lidstaten die te kennen hebben gegeven de bijzondere QRM-maatregel te willen toepassen, mogen daartoe overgaan zodra de Commissie heeft medegedeeld dat daartegen geen bezwaar bestaat.

(8)

Om te voorzien in de verdere toepassing van de verleggingsregeling, zo spoedig mogelijk en nog vóór het vervallen van de bijzondere QRM-maatregel, dient de procedure van artikel 395 van richtlijn 2006/112/EG een kortere termijn te hebben.

(9)

Indien er voor de kennisgevingen en voor het verstrekken van aanvullende informatie aan de Commissie in het kader van het QRM, een standaardformulier wordt opgesteld, zou dat een snelle verwerking van de kennisgevingen van de lidstaten bevorderen. Daarom moeten er met betrekking tot het standaardformulier uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend.

(10)

Aangezien een QRM niet meer kan zijn dan een voorlopige oplossing in afwachting van langeretermijnoplossingen in de vorm van wetgeving die het btw-stelsel beter bestand moeten maken tegen btw-fraude, dient het QRM slechts van toepassing te zijn voor een beperkte tijd.

(11)

Om de effectiviteit van het QRM te beoordelen, dient de Commissie een algemeen evaluatieverslag op te stellen over het effect van het mechanisme bij het aanpakken van gevallen van plotse en grootschalige fraude.

(12)

Daar de doelstelling van het overwogen optreden, namelijk een einde maken aan plotse en grootschalige btw-fraude, die zeer vaak een internationale dimensie heeft, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, omdat deze afzonderlijk niet de mogelijkheden hebben om op te treden tegen fraudecircuits in verband met nieuwe vormen van handel die zich over verschillende landen tegelijkertijd uitstrekken, en derhalve, teneinde een sneller en daardoor ook een geschikter en doeltreffender antwoord te bieden op deze praktijken, beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(13)

Richtlijn 2006/112/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2006/112/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

het volgende artikel wordt ingevoegd:

"Artikel 199 ter

1.   Een lidstaat kan, in gevallen van dwingende urgentie en overeenkomstig leden 2 en 3, de ontvanger als de tot voldoening van de btw gehouden persoon voor specifieke leveringen van goederen en diensten aanwijzen, in afwijking van artikel 193 en als een bijzondere maatregel in het kader van het snellereactiemechanisme (QRM) tegen plotse en grootschalige btw-fraude die tot aanzienlijke en onherstelbare financiële verliezen zou kunnen leiden.

De bijzondere QRM-maatregel is onderworpen aan het nemen van passende controlemaatregelen door de lidstaat met betrekking tot de belastingplichtigen die de goederen of diensten leveren waarop die maatregel van toepassing is, en de duur ervan mag de termijn van negen maanden niet overschrijden.

2.   Een lidstaat die een bijzondere QRM-maatregel als voorzien in lid 1 wil invoeren, zendt een kennisgeving aan de Commissie door middel van het overeenkomstig lid 4 opgestelde standaardformulier, en zendt deze kennisgeving tegelijkertijd aan de overige lidstaten. De lidstaat deelt de Commissie mee om welke sector het gaat, de vorm en de kenmerken van de fraude, het bestaan van dwingende redenen van urgentie, het plotse en grootschalige karakter van de fraude alsmede de gevolgen ervan in termen van aanzienlijke en onherstelbare financiële verliezen. Indien de Commissie meent niet over alle noodzakelijke gegevens te beschikken, neemt zij binnen twee weken na ontvangst van de kennisgeving contact op met de betrokken lidstaat en deelt zij hem mee welke aanvullende gegevens vereist zijn. Elke aanvullende inlichting die door de betrokken lidstaat aan de Commissie verstrekt wordt zal tegelijkertijd aan de overige lidstaten toegezonden worden. Indien de aanvullende gegevens niet toereikend zijn, stelt de Commissie de betrokken lidstaat daarvan binnen een week in kennis.

Een lidstaat die een bijzondere QRM-maatregel zoals voorzien in lid 1 wil invoeren, dient tegelijkertijd ook een verzoek in bij de Commissie, overeenkomstig de procedures van artikel 395, leden 2 en 3.

3.   Zodra de Commissie over alle gegevens beschikt die zij nodig acht voor de beoordeling van de kennisgeving als bedoeld in lid 2, eerste alinea, stelt zij de lidstaten daarvan in kennis. Wanneer zij bezwaar maakt tegen de bijzondere QRM-maatregel, brengt zij binnen de maand volgend op de kennisgeving een negatief advies uit, en stelt zij de betrokken lidstaat en het btw-comité hiervan op de hoogte. Wanneer de Commissie geen bezwaar maakt, bevestigt zij dit binnen dezelfde termijn schriftelijk aan de betrokken lidstaat en aan het btw-comité. De lidstaat kan de bijzondere QRM-maatregel vaststellen vanaf de dag van ontvangst van deze bevestiging. Bij het beoordelen van de kennisgeving houdt de Commissie rekening met de standpunten van andere lidstaten die haar schriftelijk zijn toegezonden.

4.   De Commissie stelt bij uitvoeringshandeling een standaardformulier vast voor de indiening van de kennisgeving voor de in lid 2 bedoelde QRM-maatregel en van de in lid 2, eerste alinea, bedoelde gegevens. Deze uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 5 bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (*1) van toepassing, en het comité te dien einde is het bij artikel 58 van Richtlijn (EU) nr. 904/2010 van de Raad (*2) ingestelde comité.

(*1)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13)."

(*2)  Verordening (EU) nr. 904/2010 van de Raad van 7 oktober 2010 betreffende de administratieve samenwerking en de bestrijding van fraude op het gebied van de belasting over de toegevoegde waarde (PB L 268 van 12.10.2010, blz. 1).";"

2)

in artikel 395 wordt het volgende lid toegevoegd:

"5.   In gevallen van dwingende urgentie als omschreven in artikel 199 ter, lid 1, wordt de in leden 2 en 3 vastgestelde procedure voltooid binnen zes maanden na ontvangst van het verzoek door de Commissie.".

Artikel 2

Vóór 1 januari 2018 legt de Commissie aan het Europees Parlement en aan de Raad een algemeen evaluatieverslag voor over het effect van het QRM als voorzien in artikel 1, punt1).

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing tot en met 31 december 2018.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 juli 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  Advies van 7 februari 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)   PB C 11 van 15.1.2013, blz. 31.

(3)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).


26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/4


RICHTLIJN 2013/43/EU VAN DE RAAD

van 22 juli 2013

tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige goederen en diensten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel113,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Richtlijn 2006/112/EG van de Raad (3) is bepaald dat de belasting over de toegevoegde waarde (btw) is verschuldigd door de belastingplichtige die een belastbare goederenlevering of dienst verricht. Voor grensoverschrijdende transacties en voor bepaalde binnenlandse sectoren met een hoog risico is de verplichting tot voldoening van de btw evenwel verlegd naar de afnemer van het goed of de dienst (verleggingsregeling).

(2)

Gelet op de ernst van de btw-fraude moet het de lidstaten worden toegestaan om, op tijdelijke basis, voor bepaalde categorieën van goederen en diensten, ook als deze categorieën niet zijn opgenomen in artikel 199 van Richtlijn 2006/112/EG of het voorwerp uitmaken van een specifieke, aan een lidstaat verleende afwijking, een regeling toe te passen waarbij de verplichting tot betaling van de btw op tijdelijke basis wordt verlegd naar de persoon voor wie de belastbare goederenleveringen of diensten worden verricht.

(3)

Te dien einde heeft de Commissie in 2009 een voorstel ingediend, waarin een aantal goederen en diensten worden opgesomd waarop, voor een beperkte periode, de verleggingsregeling zou kunnen worden toegepast. De Raad heeft ervoor gekozen het voorstel op te splitsen, en heeft Richtlijn 2010/23/EU van de Raad (4) vastgesteld die evenwel alleen op broeikasgasemissierechten van toepassing was, aangezien de fraudesituatie in die sector een onmiddellijk optreden noodzakelijk maakte. De Raad heeft op dat moment ook de politieke toezegging gedaan om de onderhandelingen over het resterende deel van het voorstel van de Commissie voort te zetten.

(4)

Sindsdien zijn er ook in andere sectoren fraudegevallen geweest, en derhalve dienen nieuwe goederen en diensten te worden toegevoegd aan het resterende deel van het voorstel van de Commissie wat betreft de vooraf vastgestelde lijst van goederen en diensten waarop de verleggingsregeling zou kunnen worden toegepast. De fraude heeft zich met name voorgedaan met betrekking tot de levering van gas en elektriciteit, telecommunicatiediensten, spelconsoles, tablet-pc's en laptops, granen, industriële gewassen waaronder oliehoudende zaden en suikerbieten, en ruwe en halfafgewerkte metalen, waaronder edelmetalen.

(5)

De invoering van de verleggingsregeling die niet van algemene toepassing is maar specifiek geldt voor deze goederen en diensten, die volgens recente ervaringen bijzonder fraudegevoelig zijn, mag geen afbreuk doen aan de basisbeginselen van het btw-stelsel, zoals de gespreide betaling.

(6)

De vooraf vastgestelde lijst, waaruit de lidstaten kunnen kiezen, dient te worden beperkt tot leveren van goederen en diensten die volgens recente ervaringen bijzonder fraudegevoelig zijn.

(7)

Wanneer zij de verleggingsregeling toepassen, hebben de lidstaten de vrijheid om de voorwaarden hiervoor vast te stellen, met inbegrip van het vastleggen van drempelwaarden, de categorieën leveranciers of ontvangers waarop de regeling van toepassing kan zijn en de gedeeltelijke toepassing van de regeling binnen bepaalde categorieën.

(8)

Aangezien een verleggingsregeling een tijdelijke maatregel is om het btw-stelsel beter bestand te maken tegen gevallen van btw-fraude, in afwachting van wetgevingsoplossingen op de langere termijn, mag de bij artikel 199 bis van Richtlijn 2006/112/EG ingestelde verleggingsregeling slechts voor een beperkte periode van toepassing zijn.

(9)

Om te waarborgen dat de verleggingsregeling voor een voldoende lange periode kan worden toegepast om doeltreffend te zijn en een latere evaluatie mogelijk te maken, is het noodzakelijk dat de huidige termijn, die op 30 juni 2015 verstrijkt, wordt verlengd. Tevens dienen de datum voor de evaluatieperiode en de einddatum van de periode waarin een verschuiving in frauduleuze activiteiten moet worden gerapporteerd, te worden uitgesteld.

(10)

Teneinde alle lidstaten de mogelijkheid te geven om de verleggingsregeling toe te passen zoals hierboven uiteengezet, is een specifieke wijziging van Richtlijn 2006/112/EG noodzakelijk.

(11)

Aangezien de doelstelling van het overwogen optreden, namelijk de btw-fraude aan te pakken met tijdelijke maatregelen die afwijken van de bestaande voorschriften van de Unie, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, en derhalve beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen treffen, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(12)

Richtlijn 2006/112/EG dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2006/112/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 193 wordt de verwijzing naar "de artikelen 194 tot en met 199" vervangen door een verwijzing naar "de artikelen 194 tot en met 199 ter";

2)

Artikel 199 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de eerste zin vervangen door:

"De lidstaten kunnen tot en met 31 december 2018 voor een minimumperiode van twee jaar bepalen dat de btw voldaan moet worden door de belastingplichtige voor wie de volgende goederenleveringen of diensten worden verricht:";

b)

in lid 1 worden de volgende punten toegevoegd:

"c)

de levering van mobiele telefoons, dat wil zeggen apparaten die zijn vervaardigd of aangepast voor gebruik in een netwerk waarvoor een vergunning is afgegeven en die op gespecificeerde frequenties werken, ongeacht of zij nog een ander gebruik hebben;

d)

de levering van geïntegreerde schakelingen zoals microprocessoren en centrale verwerkingseenheden, vóórdat deze in een eindproduct zijn ingebouwd;

e)

levering van gas en elektriciteit aan een belastingplichtige wederverkoper, zoals bepaald in artikel 38, lid 2;

f)

levering van gas- en elektriciteitscertificaten;

g)

verrichting van telecommunicatiediensten als omschreven in artikel 24, lid 2;

h)

levering van spelconsoles, tablet-pc's en laptops;

i)

granen en industriële gewassen, met inbegrip van oliehoudende zaden en suikerbieten, die in principe, in de staat waarin zij zich bevinden, niet zijn bestemd voor eindverbruik;

j)

ruwe en halfafgewerkte metalen, met inbegrip van edele metalen, wanneer zij niet onder artikel 199, lid 1, onder d), de bijzondere regelingen voor gebruikte goederen, kunstvoorwerpen, voorwerpen voor verzamelingen en antiquiteiten overeenkomstig de artikelen 311 tot en met 343 of de bijzondere regeling voor beleggingsgoud overeenkomstig de artikelen 344 tot en met 356 vallen.";

c)

de volgende leden worden ingevoegd:

"1 bis.   De lidstaten kunnen de voorwaarden bepalen voor de toepassing van de regeling als voorzien in lid 1.

1 ter.   De toepassing van de in lid 1 vastgestelde regeling op de levering van elk van de goederen of diensten opgesomd in de punten (c) tot (j) van dat lid, dient gepaard te gaan met de invoering van passende en doeltreffende rapportageverplichtingen voor belastbare personen die de goederen of diensten leveren waarop de in lid 1 vastgestelde regeling van toepassing is.";

d)

lid 2 wordt vervangen door:

"2.   De lidstaten stellen het btw-comité in kennis van de toepassing van de in lid 1 vastgestelde regeling wanneer deze wordt ingevoerd, en verstrekken het daarbij de volgende informatie:

a)

Het toepassingsgebied van de maatregel waarbij de regeling ten uitvoer wordt gelegd, samen met het type en de kenmerken van de fraude, en een gedetailleerde beschrijving van begeleidende maatregelen, met inbegrip van rapportageverplichtingen betreffende belastbare personen en eventuele andere controlemaatregelen;

b)

ondernomen stappen om de betrokken belastbare personen in kennis te stellen van het invoeren van de toepassing van de regeling;

c)

de evaluatiecriteria om een vergelijking te kunnen maken tussen frauduleuze activiteiten met betrekking tot de in lid 1 bedoelde goederen of diensten voor en na de toepassing van de regeling, frauduleuze activiteiten met betrekking tot andere goederen en diensten voor en na de toepassing van de regeling, en iedere toename van andere vormen van frauduleuze activiteiten voor en na de toepassing van de regeling;

d)

de aanvangsdatum en de toepassingsduur van de maatregel waarbij de regeling ten uitvoer wordt gelegd.";

e)

in lid 3, eerste alinea, wordt de eerste zin vervangen door:

"De lidstaten die de in lid 1 vastgestelde regeling toepassen, leggen op basis van de in lid 2, onder (c), bedoelde evaluatiecriteria de Commissie uiterlijk op 30 juni 2017 een verslag voor.";

f)

in lid 3, tweede alinea, wordt punt a) vervangen door:

"a)

het effect op frauduleuze activiteiten met betrekking tot onder de maatregel vallende leveringen van goederen of diensten;";

g)

lid 4 wordt vervangen door:

"4.   "Elke lidstaat die op zijn grondgebied een trendverschuiving in de frauduleuze activiteiten in verband met de in lid1 opgesomde goederen en diensten constateert, na de datum van inwerkingtreding van dit artikel ten aanzien van dergelijke goederen of diensten, dient daarover uiterlijk op 30 juni 2017 een verslag in bij de Commissie.

5.   De Commissie legt vóór 1 januari 2018 een algemeen evaluatieverslag voor aan het Parlement en de Raad betreffende de effecten van de in lid 1 vastgestelde regeling op de fraudebestrijding.".

Artikel 2

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 3

De richtlijn is van toepassing tot en met 31 december 2018.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 22 juli 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)   PB C 341E van 16.12.2010, blz. 81.

(2)   PB C 339 van 14.12.2010, p. 41.

(3)  Richtlijn 2006/112/EG van de Raad van 28 november 2006 betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde (PB L 347 van 11.12.2006, blz. 1).

(4)  Richtlijn 2010/23/EU van de Raad van 16 maart 2010 tot wijziging van Richtlijn 2006/112/EG betreffende het gemeenschappelijke stelsel van belasting over de toegevoegde waarde, wat betreft een facultatieve en tijdelijke toepassing van de verleggingsregeling voor leveringen van bepaalde fraudegevoelige diensten (PB L 72 van 20.3.2010, blz. 1)


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/7


Kennisgeving betreffende de voorlopige toepassing tussen de Europese Unie en Colombia van de handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds

De handelsovereenkomst tussen de Europese Unie en haar lidstaten, enerzijds, en Colombia en Peru, anderzijds, die op 26 juni 2012 in Brussel is ondertekend, zal, overeenkomstig artikel 330, lid 3, ervan, voorlopig worden toegepast tussen de Europese Unie en Colombia vanaf 1 augustus 2013. Ingevolge artikel 3, lid 1, van het Raadsbesluit van 31 mei 2012 betreffende de ondertekening en de voorlopige toepassing van de overeenkomst, worden artikel 2, artikel 202, lid 1, en de artikelen 291 en 292 van de overeenkomst niet voorlopig toegepast door de EU, in afwachting van de voltooiing van de sluitingsprocedures.


VERORDENINGEN

26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/8


VERORDENING (EU) Nr. 713/2013 VAN DE RAAD

van 23 juli 2013

tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor ansjovis in de Golf van Biskaje voor het visseizoen 2013/2014

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het is aan de Raad om de totaal toegestane vangsten (total allowable catches - TAC) per visserijtak of groep van visserijtakken vast te stellen. Vangstmogelijkheden moeten zo over de lidstaten worden verdeeld dat elke lidstaat een relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten voor elk bestand of elke groep van bestanden geniet en dat hierbij de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid in acht worden genomen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (1).

(2)

Met het oog op een adequaat bestandsbeheer en op vereenvoudiging is het dienstig de TAC en de quota van de lidstaten voor het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje (ICES-deelgebied VIII) vast te stellen voor een jaarlijks beheersseizoen dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar, en niet voor een beheersperiode die overeenkomt met een kalenderjaar. Wat evenwel de voorwaarden voor het gebruik van de quota betreft, moeten de algemene bepalingen van Verordening (EU) nr. 39/2013 van de Raad (2) van toepassing blijven.

(3)

De TAC voor ansjovis in de Golf van Biskaje voor het visseizoen 2013/2014 dient te worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen en met inachtneming van de biologische en sociaaleconomische aspecten, waarbij een eerlijke behandeling van de visserijsectoren moet worden gegarandeerd.

(4)

Met het oog op een meerjarenbeheer van het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje heeft de Commissie op 29 juli 2009 een voorstel voorgelegd voor een verordening tot vaststelling van een langetermijnplan voor het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje en de daarop vissende visserijtakken. Aangezien de effectbeoordeling waarop het voorstel is gebaseerd, de meest recente beoordeling is van het effect van de beheersbesluiten voor het bestand, is het dienstig dienovereenkomstig een TAC voor ansjovis in de Golf van Biskaje vast te stellen. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) raamt de biomassa van het paaibestand in zijn advies van juli 2013 op ca. 56 055 ton. In het licht van de meest recente beoordeling van het effect van de beheersbesluiten voor het bestand, moet de TAC voor het visseizoen dat loopt van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014, op 17 100 ton worden vastgesteld.

(5)

Overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (3) moet worden bepaald in hoeverre de in die verordening vastgestelde maatregelen gelden voor het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje.

(6)

Met het oog op het begin van het visseizoen 2013/2014 en de jaarlijkse rapportage van de vangsten dient deze verordening zodra mogelijk na de bekendmaking ervan in werking te treden en met ingang van 1 juli 2013 van toepassing te zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Vangstmogelijkheden voor ansjovis in de Golf van Biskaje

1.   Voor het ansjovisbestand in ICES-deelgebied VIII, als omschreven in Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4), gelden voor het visseizoen dat van 1 juli 2013 tot en met 30 juni 2014 loopt, de volgende TAC en de volgende verdeling daarvan over de lidstaten (in ton levend gewicht):

Soort

:

Ansjovis

Engraulis encrasicolus

ICES-gebied

:

VIII

(ANE/08.)

Spanje

15 390

Analytische TAC

Frankrijk

1 710

EU

17 100

TAC

17 100

2.   De in de artikelen 8 en 10 van Verordening (EU) nr. 39/2013 vastgestelde voorwaarden zijn van toepassing op de in lid 1 opgenomen verdeling van de vangstmogelijkheden en het gebruik ervan.

3.   Voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 847/96 wordt het in lid 1 vermelde bestand beschouwd als een bestand waarop een analytische TAC van toepassing is. Artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening zijn van toepassing.

Artikel 2

Gegevensverstrekking

Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (5) gegevens met betrekking tot de aanlanding van hoeveelheden in ICES-deelgebied VIII gevangen ansjovis aan de Commissie doen toekomen, gebruiken zij daarvoor de bestandscode "ANE/08".

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 23 juli 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)  Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59).

(2)  Verordening (EU) nr. 39/2013 van de Raad van 21 januari 2013 tot vaststelling, voor 2013, van de vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor geen internationale onderhandelingen worden gevoerd of geen internationale overeenkomsten gelden (PB L 23 van 25.1.2013, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).

(4)  Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).

(5)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).


26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 714/2013 VAN DE RAAD

van 25 juli 2013

tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme, en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1169/2012

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 2580/2001 van de Raad van 27 december 2001 inzake specifieke beperkende maatregelen tegen bepaalde personen en entiteiten met het oog op de strijd tegen het terrorisme (1), en met name artikel 2, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Raad heeft op 10 december 2012 Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1169/2012 (2) tot uitvoering van artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 vastgesteld, waarbij een bijgewerkte lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Verordening (EG) nr. 2580/2001 van toepassing is, wordt vastgesteld.

(2)

De Raad heeft aan alle personen, groepen en entiteiten waarvoor dit praktisch mogelijk was motiveringen verstrekt, waarin wordt toegelicht waarom zij in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1169/2012 zijn opgenomen.

(3)

Via een in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakte kennisgeving heeft de Raad aan de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1169/2012 opgenomen personen, groepen en entiteiten meegedeeld dat hij besloten heeft hen op de lijst te handhaven. Tevens heeft hij de betrokken personen, groepen en entiteiten meegedeeld dat het mogelijk is de Raad om de motivering voor hun plaatsing op de lijst te verzoeken voor zover deze niet reeds aan hen is meegedeeld.

(4)

De Raad heeft een volledige heroverweging verricht van de lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Verordening (EG) nr. 2580/2001 van toepassing is, hetgeen ingevolge artikel 2, lid 3, van die verordening vereist is. Daarbij heeft hij rekening gehouden met de opmerkingen die door betrokkenen aan de Raad zijn voorgelegd.

(5)

De Raad heeft vastgesteld dat de in de bijlage bij deze verordening genoemde personen, groepen en entiteiten betrokken zijn geweest bij terroristische daden in de zin van artikel 1, leden 2 en 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van de Raad van 27 december 2001 (3) betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme, dat ten aanzien van hen een beslissing is genomen door een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt, en dat zij onderworpen moeten blijven aan de in Verordening (EG) nr. 2580/2001 vastgestelde specifieke beperkende maatregelen.

(6)

De Raad heeft vastgesteld dat er nog een bijkomende groep betrokken is geweest bij terroristische activiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 2 en lid 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB, dat ten aanzien van hen een beslissing is genomen door een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt en dat deze groep moet worden toegevoegd aan de lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn. De beslissing om de groep aan te wijzen heeft geen gevolgen voor legitieme financiële overdrachten naar Libanon noch op het verlenen van bijstand, waaronder humanitaire hulp, door de Europese Unie en haar lidstaten in Libanon.

(7)

De lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Verordening (EG) nr. 2580/2001 van toepassing is, moet dienovereenkomstig worden bijgewerkt en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1169/2012 moet worden ingetrokken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 2, lid 3, van Verordening (EG) nr. 2580/2001 bedoelde lijst wordt vervangen door de lijst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1169/2012 wordt ingetrokken.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)   PB L 344 van 28.12.2001, blz. 70.

(2)   PB L 337 van 11.12.2012, blz. 2.

(3)   PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.


BIJLAGE

Lijst van personen, groepen en entiteiten als bedoeld in artikel 1

1.   PERSONEN

1.

ABDOLLAHI Hamed (alias Mustafa Abdullahi), geboren op 11.8.1960 in Iran. Paspoort: D9004878

2.

AL-NASSER, Abdelkarim Hussein Mohamed, geboren in Al Ihsa, Saudi-Arabië; Saudisch onderdaan

3.

AL YACOUB, Ibrahim Salih Mohammed, geboren op 16.10.1966 in Tarut, Saudi-Arabië; Saudisch onderdaan

4.

ARBABSIAR Manssor (alias Mansour Arbabsiar), geboren op 6.3.1955 of 15.3.1955 in Iran. Iraans en Amerikaans onderdaan. Paspoort: C2002515 (Iran); paspoort: 477845448 (VS); nationaal identiteitsbewijs nr.: 07442833, vervaldatum 15 maart 2016 (Amerikaans rijbewijs)

5.

BOUYERI, Mohamed (alias Abu ZUBAIR, alias SOBIAR, alias Abu ZOUBAIR), geboren op 8.3.1978 in Amsterdam (Nederland) (lid van de Hofstadgroep)

6.

FAHAS, Sofiane Yacine, geboren op 10.9.1971 in Algiers, Algerije (lid van al Takfir en al-Hijra)

7.

IZZ-AL-DIN, Hasan (alias GARBAYA, Ahmed, alias SA-ID, alias SALWWAN, Samir), Libanon, geboren in 1963 in Libanon, Libanees onderdaan

8.

MOHAMMED, Khalid Shaikh (alias ALI, Salem; alias BIN KHALID, Fahd Bin Adballah; alias HENIN, Ashraf Refaat Nabith; alias WADOOD, Khalid Adbul) geboren op 14.4.1965 of 1.3.1964 in Pakistan, paspoort nr. 488555

9.

SHAHLAI Abdul Reza (alias Abdol Reza Shala'i, alias Abd-al Reza Shalai, alias Abdorreza Shahlai, alias Abdolreza Shahla'i, alias Abdul-Reza Shahlaee, alias Hajj Yusef, alias Haji Yusif, alias Hajji Yasir, alias Hajji Yusif, alias Yusuf Abu-al-Karkh), geboren rond 1957 in Iran; Adressen: (1) Kermanshah, Iran, (2) legerbasis Mehran, provincie Ilam, Iran

10.

SHAKURI Ali Gholam, geboren rond 1965 in Teheran, Iran

11.

SOLEIMANI Qasem (alias Ghasem Soleymani, alias Qasmi Sulayman, alias Qasem Soleymani, alias Qasem Solaimani, alias Qasem Salimani, alias Qasem Solemani, alias Qasem Sulaimani, alias Qasem Sulemani), geboren op 11.3.1957 in Iran; Iraans onderdaan; paspoort: 008827 (Iraans diplomatiek paspoort), afgegeven in 1999, Titel: generaal-majoor

2.   GROEPEN EN ENTITEITEN

1.

Abu Nidal Organisation (ANO), (alias Fatah Revolutionaire Raad, Arabische Revolutionaire Brigades, Zwarte September, en Revolutionaire Organisatie van Socialistische Moslims)

2.

Al-Aqsa Martelarenbrigades

3.

Al-Aqsa e.V.

4.

Al-Takfir en al-Hijra

5.

Babbar Khalsa

6.

Communist Party of the Philippines, inclusief New People's Army (NPA), Filipijnen

7.

Gama'a al-Islamiyya (Islamitische Groep), (alias Al-Gama'a al-Islamiyya, IG)

8.

İslami Büyük Doğu Akıncılar - Cephe (IBDA/C) (Front van Voorvechters voor het Grote Islamitische Oosten)

9.

Hamas (inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassem)

10.

"Militaire vleugel van Hezbollah" (ook bekend als "Militaire vleugel van (respectievelijk) Hizballah, Hizbullah, Hizbollah, Hezballah, Hisbollah, Hizbu'llah, Hizb Allah" en "Raad van de Jihad") (en alle daaraan rapporterende eenheden, waaronder de Externe Veiligheidsorganisatie).

11.

Hizbul Mujahideen (HM)

12.

Hofstadgroep

13.

Holy Land Foundation for Relief and Development

14.

International Sikh Youth Federation (ISYF)

15.

Khalisan Zindabad Force (KZF)

16.

Koerdische Arbeiderspartij (PKK), (alias KADEK; alias KONGRA-GEL)

17.

Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam - LTTE

18.

Ejército de Liberación Nacional (Nationaal Bevrijdingsleger)

19.

Palestinian Islamic Jihad (PIJ) (Palestijnse Islamitische Jihad)

20.

Popular Front for the Liberation of Palestine (PFLP) (Volksfront voor de bevrijding van Palestina)

21.

Popular Front for the Liberation of Palestine-General Command (alias PFLP-General Command, PFLP-GC) (Volksfront voor de bevrijding van Palestina-Algemeen Commando)

22.

Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC) (Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia)

23.

Devrimci Halk Kurtuluș Partisi-Cephesi (DHKP/C), (alias Devrimci Sol (Revolutionair Links); alias Dev Sol) (Revolutionair Volksbevrijdingsleger/front/partij)

24.

Sendero Luminoso (SL) (Lichtend Pad)

25.

Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland)

26.

Teyrbazen Azadiya Kurdistan - TAK (alias Kurdistan Freedom Falcons (Koerdische Vrijheidsvalken), Kurdistan Freedom Hawks (Koerdische Vrijheidshaviken))

26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/14


VERORDENING (EU) Nr. 715/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2013

tot vaststelling van criteria die bepalen wanneer koperschroot overeenkomstig Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad niet langer als afval wordt aangemerkt

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (1), en met name artikel 6, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit een evaluatie van diverse afvalstromen blijkt dat de recyclingmarkten voor koperschroot baat zouden hebben bij de opstelling van specifieke criteria die omschrijven wanneer uit afval verkregen koperschroot niet langer als afval moet worden aangemerkt. Die criteria moeten een hoge mate van milieubescherming waarborgen. Zij dienen de indeling van teruggewonnen koperschroot als afval door derde landen onverlet te laten.

(2)

Rapporten van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Europese Commissie hebben het bestaan aangetoond van een markt voor en een vraag naar koperschroot als grondstof in de non-ferrometaalproductie-industrie. Koperschroot moet daarom voldoende zuiver zijn en voldoen aan de ter zake in de non-ferrometaalproductie-industrie geldende normen of specificaties.

(3)

De criteria die bepalen wanneer koperschroot niet langer als afval is aan te merken, moeten ervoor zorgen dat koperschroot dat werd verkregen uit terugwinningsactiviteiten, voldoet aan de technische vereisten van de non-ferrometaalproductie-industrie en aan bestaande productwetgeving en -normen en dat er al met al geen negatieve gevolgen zijn voor het milieu of de volksgezondheid. Uit rapporten van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek van de Europese Commissie is gebleken dat de voorgestelde criteria ten aanzien van afvalstoffen die als input worden gebruikt voor terugwinningsactiviteiten, ten aanzien van de relevante verwerkingsprocessen en -technieken en ten aanzien van het koperschroot dat voortkomt uit de terugwinning, aan deze doelstellingen voldoen, aangezien zij moeten resulteren in de productie van koperschroot zonder gevaarlijke eigenschappen dat voldoende vrij is van niet-metallische verbindingen en van andere metalen dan koper.

(4)

Om de naleving van deze criteria te waarborgen, is het passend ervoor te zorgen dat informatie wordt verstrekt over koperschroot dat niet langer als afval wordt aangemerkt, en dat er een beheersysteem wordt toegepast.

(5)

Toetsing van de criteria kan noodzakelijk blijken wanneer bij monitoring van de marktontwikkelingen voor koperschroot nadelige effecten op de recyclingmarkten voor koperschroot worden waargenomen, vooral met betrekking tot de beschikbaarheid van en de toegang tot dergelijk schroot.

(6)

Om het voor marktpartijen mogelijk te maken zich aan te passen aan de criteria die bepalen wanneer koperschroot niet langer afval is, is het passend een redelijke termijn vast te stellen alvorens deze verordening van toepassing wordt.

(7)

Het bij artikel 39 van Richtlijn 2008/98/EG ingestelde comité heeft geen advies uitgebracht over de in deze verordening vervatte maatregelen; de Commissie heeft bijgevolg een voorstel betreffende deze maatregelen ingediend bij de Raad en voorgelegd aan het Europees Parlement. De Raad heeft niet gehandeld binnen de periode van twee maanden als bepaald in artikel 5 bis van Besluit 1999/468/EG van de Raad van 28 juni 1999 tot vaststelling van de voorwaarden voor de uitoefening van de aan de Commissie verleende uitvoeringsbevoegdheden (2), en de Commissie heeft het voorstel dan ook onverwijld bij het Europees Parlement ingediend. Het Europees Parlement heeft zich niet binnen vier maanden na bovenvermelde indiening tegen de maatregel verzet.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden criteria vastgesteld die bepalen wanneer koperschroot niet langer afval is.

Artikel 2

Definities

In het kader van deze verordening zijn de definities van Richtlijn 2008/98/EG van toepassing.

Daarnaast zijn de volgende definities van toepassing:

1.   „koperschroot”: metaalschroot dat voornamelijk bestaat uit koper en koperlegeringen;

2.   „houder”: de natuurlijke of rechtspersoon die in het bezit is van koperschroot;

3.   „producent”: de houder die voor de eerste keer koperschroot dat niet langer afval is, overdraagt aan een andere houder;

4.   „importeur”: een binnen de Unie gevestigde natuurlijke of rechtspersoon die koperschroot dat niet langer afval is, in het douanegebied van de Unie binnenbrengt;

5.   „gekwalificeerd personeel”: personeel dat door ervaring of opleiding gekwalificeerd is om de eigenschappen van koperschroot te bewaken en te evalueren;

6.   „visuele controle”: de controle van koperschroot die alle onderdelen van een zending omvat en waarbij gebruik wordt gemaakt van menselijke zintuigen of niet-gespecialiseerde apparatuur;

7.   „zending”: een partij koperschroot die bestemd is voor levering van een producent aan een andere houder en die kan zijn ingesloten in hetzij één, hetzij meerdere vervoerseenheden, zoals containers.

Artikel 3

Criteria voor koperschroot

Koperschroot geldt niet langer als afval wanneer bij overdracht door de producent aan een andere houder aan alle hierna volgende voorwaarden is voldaan:

1.

het door terugwinning verkregen koperschroot voldoet aan de criteria van bijlage I, afdeling 1;

2.

de als input voor terugwinning gebruikte afvalstoffen voldoen aan de criteria van bijlage I, afdeling 2;

3.

de als input voor terugwinning gebruikte afvalstoffen zijn verwerkt overeenkomstig de criteria van bijlage I, afdeling 3;

4.

de producent heeft voldaan aan de voorschriften van de artikelen 4 en 5.

Artikel 4

Conformiteitsverklaring

1.   De producent of de importeur geeft voor elke zending koperschroot een conformiteitsverklaring af overeenkomstig het in bijlage II opgenomen model.

2.   De producent of importeur draagt de conformiteitsverklaring over aan de volgende houder van de zending koperschroot. De producent of importeur houdt een afschrift van de conformiteitsverklaring tot ten minste één jaar na de datum van afgifte in zijn bezit en stelt het op verzoek ter beschikking aan de bevoegde instanties.

3.   De conformiteitsverklaring mag in elektronische vorm zijn opgesteld.

Artikel 5

Beheersysteem

1.   De producent past een beheersysteem toe waarmee kan worden aangetoond dat aan de criteria van artikel 3 is voldaan.

2.   Het beheersysteem omvat een reeks gedocumenteerde procedures met betrekking tot elk van de volgende aspecten:

a)

bewaking van de kwaliteit van het door terugwinning verkregen koperschroot, zoals vastgelegd in bijlage I, afdeling 1 (inclusief bemonstering en analyse);

b)

doeltreffendheid van de stralingsbewaking zoals vastgelegd in bijlage I, punt 1.5;

c)

acceptatiecontrole van afvalstoffen die worden gebruikt als input voor de terugwinningsactiviteit overeenkomstig bijlage I, afdeling 2;

d)

bewaking van de in bijlage I, punt 3.3, beschreven verwerkingsprocessen en -technieken;

e)

feedback van klanten met betrekking tot het behalen van de vereiste kwaliteit van koperschroot;

f)

bijhouden van registers met de resultaten van de krachtens de punten a) tot en met d) verrichte bewaking;

g)

toetsing en verbetering van het beheersysteem;

h)

opleiding van personeel.

3.   Het beheersysteem schrijft ook de in bijlage I voor elk criterium vastgestelde specifieke bewakingseisen voor.

4.   In de gevallen waarin een vroegere houder een van de in bijlage I, punt 3.3, bedoelde verwerkingen verricht, zorgt de producent ervoor dat de leverancier een beheersysteem toepast dat voldoet aan de eisen van dit artikel.

5.   Een conformiteitsbeoordelingsinstantie als gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 765/2008 van het Europees Parlement en de Raad (3) die een accreditatie heeft verkregen overeenkomstig die verordening, of een milieuverificateur als gedefinieerd in artikel 2, punt 20, onder b), van Verordening (EG) nr. 1221/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4) die een accreditatie of vergunning heeft verkregen overeenkomstig die verordening, verifieert of het beheersysteem voldoet aan de eisen van dit artikel. Deze verificatie vindt om de drie jaar plaats.

Alleen verificateurs van wie de accreditatie of vergunning betrekking heeft op de hierna genoemde gebieden en NACE-codes, als omschreven in Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad (5), worden geacht over voldoende specifieke ervaring te beschikken om de in deze verordening bedoelde verificatie te verrichten:

a)

* NACE-code 38 (inzameling, verwerking en verwijdering van afval; terugwinning), of

b)

* NACE-code 24 (vervaardiging van metalen in primaire vorm), in het bijzonder met inbegrip van subcode 24.44 (productie van koper).

6.   De importeur verlangt van zijn leveranciers dat zij een beheersysteem toepassen dat voldoet aan de eisen van de leden 1, 2 en 3 en dat is gecontroleerd door een onafhankelijke externe verificateur.

Het beheersysteem van de leverancier wordt gecertificeerd door een conformiteitsbeoordelingsinstantie die is geaccrediteerd door een van de hierna genoemde instanties:

a)

een accreditatie-instantie die voor deze activiteit met goed gevolg de collegiale toetsing door de overeenkomstig artikel 14 van Verordening (EG) nr. 765/2008 erkende instantie heeft doorstaan;

b)

een milieuverificateur die een accreditatie of vergunning heeft verkregen van een accreditatie- of vergunningsinstantie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1221/2009 die tevens is onderworpen aan collegiale toetsing overeenkomstig artikel 31 van die verordening.

Verificateurs die activiteiten in derde landen wensen te ontplooien, dienen een specifieke accreditatie of vergunning te verkrijgen overeenkomstig het bepaalde in Verordening (EG) nr. 765/2008 of Verordening (EG) nr. 1221/2009 in samenhang met Besluit 2011/832/EU van de Commissie (6).

7.   De producent geeft de bevoegde instanties op hun verzoek toegang tot het beheersysteem.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3.

(2)   PB L 184 van 17.7.1999, blz. 23.

(3)   PB L 218 van 13.8.2008, blz. 30.

(4)   PB L 342 van 22.12.2009, blz. 1.

(5)   PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1.

(6)   PB L 330 van 14.12.2011, blz. 25.


BIJLAGE I

Criteria voor koperschroot

Criterium

Voorschriften inzake interne controle

Afdeling 1.   Kwaliteit van het door terugwinning verkregen koperschroot

1.1.

Het schroot wordt ingedeeld overeenkomstig een specificatie van de klant of de industrie of overeenkomstig een norm voor rechtstreeks gebruik bij de productie van metalen stoffen of voorwerpen door smelters, raffineerders, omsmelters of andere metaalproducenten.

Gekwalificeerd personeel deelt elke zending in.

1.2.

De totale hoeveelheid vreemde materialen moet minder dan 2 gewichtsprocent bedragen.

Vreemde materialen zijn:

—

andere metalen dan koper en koperlegeringen;

—

niet-metallische materialen zoals aarde, stof, isolatiemateriaal en glas;

—

brandbare niet-metallische materialen zoals rubber, kunststoffen, weefsel, hout en andere chemicaliën of organische stoffen;

—

slakken, metaalslakken, metaalschuim, luchtfilterstof, slijpstof en slib.

Gekwalificeerd personeel verricht een visuele controle van elke zending.

Op gezette tijden (ten minste om de zes maanden) worden representatieve monsters van elke categorie koperschroot geanalyseerd om de totale hoeveelheid vreemde materialen te meten. Door weging wordt de totale hoeveelheid vreemde materialen gemeten nadat deeltjes en voorwerpen bestaande uit koper of een koperlegering zijn gescheiden van deeltjes en voorwerpen bestaande uit vreemde materialen door deze handmatig of anderszins te scheiden (bijvoorbeeld door magnetische of dichtheidsscheiding).

De frequentie waarmee representatieve monsters moeten worden geanalyseerd, wordt vastgesteld met inachtneming van de volgende factoren:

—

het verwachte variabiliteitspatroon (bijvoorbeeld aan de hand van historische uitkomsten);

—

het risico dat inherent is aan de variabiliteit van de kwaliteit van de afvalstoffen die als input voor de terugwinningsactiviteiten worden gebruikt, alsook van de resultaten van het verwerkingsproces;

—

de inherente nauwkeurigheid van de bewakingsmethode, en

—

de mate waarin de resultaten de grenswaarden voor de totale hoeveelheid vreemde materialen benaderen.

De procedure voor het vaststellen van de bewakingsfrequentie dient te worden gedocumenteerd als onderdeel van het beheersysteem en dient beschikbaar te zijn voor controle.

1.3.

Het schroot mag geen bovenmatige hoeveelheden metaaloxiden bevatten, in welke vorm dan ook, met uitzondering van de typische hoeveelheden die voortkomen uit de opslag van voorbereid schroot in de buitenlucht onder normale atmosferische omstandigheden.

Gekwalificeerd personeel verricht een visuele controle van elke zending.

1.4.

Het schroot dient vrij te zijn van zichtbare olie, olie-emulsies, smeermiddelen of vet, met uitzondering van verwaarloosbare hoeveelheden die geen druppelvorming tot gevolg hebben.

Gekwalificeerd personeel verricht een visuele controle van elke zending, met speciale aandacht voor die delen waar de grootste kans op oliedruppels bestaat.

1.5.

Responsmaatregelen op grond van nationale of internationale regels inzake monitoring- en responsprocedures voor radioactief metaalschroot zijn niet nodig.

Dit voorschrift doet geen afbreuk aan de wetgeving voor de bescherming van de gezondheid van werknemers en van de bevolking, zoals aangenomen in het kader van hoofdstuk III van het Euratom-Verdrag, in het bijzonder Richtlijn 96/29/Euratom van de Raad (1).

Gekwalificeerd personeel controleert de radioactiviteit van elke zending. Elke zending schroot moet vergezeld gaan van een certificaat dat is opgesteld overeenkomstig nationale of internationale regels inzake monitoring- en responsprocedures voor radioactief schroot. Het certificaat mag gevoegd worden bij andere documenten die bij de zending horen.

1.6.

Het schroot mag geen enkele van de gevaarlijke eigenschappen vertonen die voorkomen op de lijst van bijlage III bij Richtlijn 2008/98/EG. Het schroot dient te voldoen aan de in Beschikking 2000/532/EG van de Commissie (2) vastgestelde concentratiegrenswaarden en mag de in bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) vastgestelde concentratiegrenswaarden niet overschrijden.

De eigenschappen van legeringsmetalen die deel uitmaken van koperlegeringen zijn voor dit voorschrift niet relevant.

Gekwalificeerd personeel onderzoekt elke zending door een visuele controle te verrichten. Wanneer deze visuele controle het vermoeden doet rijzen van mogelijke gevaarlijke eigenschappen, worden gepaste aanvullende controlemaatregelen genomen, zoals het nemen van monsters en het uitvoeren van tests, waar nodig. Het personeel moet getraind zijn op het gebied van potentiële gevaarlijke eigenschappen die koperschroot kan vertonen en van de materiaalcomponenten of -kenmerken waaraan deze gevaarlijke eigenschappen zijn te herkennen. De procedure voor het herkennen van gevaarlijke stoffen moet worden gedocumenteerd binnen het beheersysteem.

1.7.

In het schroot mogen zich geen omhulsels bevinden die onder druk staan, gesloten zijn of onvoldoende zijn geopend en daardoor explosies kunnen veroorzaken in een metaalsmeltoven.

Gekwalificeerd personeel onderzoekt elke zending door een visuele controle te verrichten.

1.8.

Het schroot mag geen pvc bevatten in de vorm van coatings, verf of kunststofresiduen.

Gekwalificeerd personeel onderzoekt elke zending door een visuele controle te verrichten.

Afdeling 2.   Afvalstoffen die worden gebruikt als input voor terugwinningsactiviteiten

2.1.

Alleen afvalstoffen die terugwinbaar koper of terugwinbare koperlegeringen bevatten, mogen als input worden gebruikt.

2.2.

Gevaarlijke afvalstoffen mogen niet als input worden gebruikt, tenzij is aangetoond dat de processen en technieken voor het verwijderen van alle gevaarlijke eigenschappen, als omschreven onder „criteria inzake verwerkingsprocessen en -technieken”, zijn toegepast.

2.3.

De volgende afvalstoffen mogen niet als input worden gebruikt:

—

vijlsel en draaibankafval dat vloeistoffen bevat zoals olie of olie-emulsies, en

—

vaten en containers, met uitzondering van onderdelen die van autowrakken afkomstig zijn, die olie of verfstoffen bevatten of hebben bevat.

Er wordt een acceptatiecontrole uitgevoerd van alle ontvangen afvalstoffen (door middel van visuele controle) en van de bijbehorende documenten; dit gebeurt door gekwalificeerd personeel dat getraind is in het herkennen van afvalstoffen die niet voldoen aan de in deze afdeling uiteengezette criteria.

Afdeling 3.   Verwerkingsprocessen en -technieken

3.1.

Het koperschroot moet bij de bron of tijdens de inzameling gescheiden zijn, of anders moeten de voor input bestemde afvalstoffen zijn behandeld teneinde het koperschroot te scheiden van de niet-metallische componenten en van andere metalen dan koper. Het aldus verkregen koperschroot moet gescheiden van alle andere afvalstoffen worden bewaard.

3.2.

Alle mechanische bewerkingen (zoals snijden, verknippen, versnipperen of granuleren; sorteren, scheiden, reinigen, ontgiften of ledigen) die nodig zijn om het metaalschroot voor te bereiden om te worden gebruikt als directe input voor eindgebruik, moeten zijn uitgevoerd.

3.3.

Op afval dat gevaarlijke stoffen bevat, zijn de volgende specifieke voorschriften van toepassing:

—

inputmaterialen afkomstig van afgedankte elektrische of elektronische apparatuur of van autowrakken moeten alle bewerkingen hebben ondergaan die vereist zijn krachtens artikel 6 van Richtlijn 2002/96/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) en artikel 6 van Richtlijn 2000/53/EG van het Europees Parlement en de Raad (5);

—

chloorfluorkoolwaterstoffen in afgedankte apparatuur moeten zijn afgevangen door middel van een proces dat is goedgekeurd door de bevoegde instanties;

—

kabels moeten in stukken gehakt of gestript zijn. Als een kabel organische coatings (plastics) bevat, moeten deze zijn verwijderd in overeenstemming met de beste beschikbare technieken;

—

vaten en containers moeten zijn geledigd en schoongemaakt;

—

gevaarlijke stoffen in niet in punt 1 genoemde afvalstoffen moeten doeltreffend verwijderd zijn middels een proces dat door de bevoegde instantie is goedgekeurd.

 


(1)   PB L 159 van 29.6.1996, blz. 1.

(2)   PB L 226 van 6.9.2000, blz. 3.

(3)   PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.

(4)   PB L 37 van 13.2.2003, blz. 24.

(5)   PB L 269 van 21.10.2000, blz. 34.


BIJLAGE II

In artikel 4, lid 1, bedoelde verklaring van conformiteit met de „einde afvalfase”-criteria

1.

Producent/importeur van het koperschroot:

Naam:

Adres:

Contactpersoon:

Telefoon:

Fax:

E-mail:

2.

a)

naam of code van de categorie metaalschroot, in overeenstemming met een industriële specificatie of norm:

b)

waar relevant, de voornaamste technische elementen van een door de klant opgestelde specificatie, zoals samenstelling, grootte, type en kenmerken:

3.

De zending metaalschroot voldoet aan de industriële specificatie of norm als bedoeld in punt 2 a) of aan de door de klant opgestelde specificatie als bedoeld in punt 2 b).

4.

Grootte van de zending in kilogram:

5.

Er is een testcertificaat met betrekking tot radioactiviteit opgesteld overeenkomstig nationale of internationale regels inzake monitoring- en responsprocedures voor radioactief metaalschroot.

6.

De producent van metaalschroot maakt gebruik van een beheersysteem dat voldoet aan de eisen van Verordening (EU) nr. 715/2013 van de Commissie en dat is gecontroleerd door een geaccrediteerde conformiteitsbeoordelingsinstantie of door een milieuverificateur of, in het geval van niet langer als afval aangemerkt metaalschroot dat wordt ingevoerd in het douanegebied van de Unie, door een onafhankelijke externe verificateur.

7.

De zending metaalschroot voldoet aan de in artikel 3, leden 1, 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 715/2013 bedoelde criteria.

8.

Verklaring van de producent/importeur van metaalschroot: Hierbij verklaar ik dat de bovenstaande informatie naar mijn beste weten volledig en correct is:

Naam:

Datum:

Handtekening:


26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/21


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 716/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2013

tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken (1), en met name artikel 24, lid 3, en artikel 27,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Met het oog op de verduidelijking van een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 110/2008 en op de uniforme tenuitvoerlegging ervan in de lidstaten dienen uitvoeringsbepalingen te worden vastgesteld, met name wat betreft het gebruik van samengestelde termen, zinspelingen, verkoopbenamingen en geografische aanduidingen voor de presentatie van gedistilleerde dranken.

(2)

Overeenkomstig artikel 10, leden 1 en 2, van Verordening (EG) nr. 110/2008 mogen gedistilleerde dranken of andere levensmiddelen onder bepaalde omstandigheden in de presentatie worden voorzien van een samengestelde term die de naam van één van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 vermelde categorieën of één van de in bijlage III bij die verordening geregistreerde geografische aanduidingen bevat, of mag de presentatie ervan één of meerdere zinspelingen omvatten die één of meer van deze categorieën of geografische aanduidingen bevatten. Met het oog op een uniform gebruik van samengestelde termen en zinspelingen in de lidstaten is het noodzakelijk uitvoeringsbepalingen vast te stellen inzake het gebruik ervan voor de presentatie van gedistilleerde dranken en andere levensmiddelen.

(3)

Wanneer in de presentatie van een levensmiddel wordt verwezen naar een bepaalde gedistilleerde drank, moet die gedistilleerde drank volledig in overeenstemming zijn met Verordening (EG) nr. 110/2008 en mag hij niet zijn verdund. Het is noodzakelijk de betekenis van de term „verdunning” met betrekking tot gedistilleerde dranken toe te lichten, aangezien bepaalde vervaardigingsprocessen niet als verdunning moeten worden aangemerkt.

(4)

Om ervoor te zorgen dat de in Verordening (EG) nr. 110/2008 vastgestelde voorwaarden voor de registratie van geografische aanduidingen worden nageleefd, dienen registratieaanvragen door de Commissie te worden onderzocht en dienen uitvoeringsbepalingen te worden vastgesteld inzake de aanvraag-, onderzoeks-, bezwaar- en annuleringsprocedures voor geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken. Met het oog op een uniforme tenuitvoerlegging van deze bepalingen dienen modellen te worden opgesteld voor de registratieaanvraag, het technisch dossier, het bezwaarschrift, de wijziging van het technisch dossier en de annulering van een geografische aanduiding.

(5)

Met het oog op een vlotte communicatie tussen de Commissie en lidstaten en derde landen inzake geregistreerde geografische aanduidingen, dienen de lidstaten en derde landen de Commissie in kennis te stellen van de belangrijkste specificaties van het technisch dossier van hun geografische aanduidingen en dienen zij haar de volledige technische dossiers toe te zenden.

(6)

Beperkingen betreffende de verpakking van een gedistilleerde drank met een geografische aanduiding — zoals de verplichting om een gedistilleerde drank te verpakken in het afgebakende geografische gebied — vormen een beperking van het vrije verkeer van goederen en van de vrijheid van dienstverrichting. Dergelijke beperkingen mogen alleen worden toegestaan als zij voor de bescherming van de reputatie van de geografische aanduiding noodzakelijk zijn, daarmee in verhouding zijn en daartoe geschikt zijn.

(7)

Er dient een EU-symbool voor geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken te worden vastgesteld zodat de consument de gedistilleerde dranken waarvan de kenmerken verband houden met de oorsprong van de drank kan herkennen.

(8)

Rekening houdend met de tijd die de lidstaten nodig hebben voor de tenuitvoerlegging van de maatregelen inzake het gebruik van samengestelde termen en zinspelingen, dient de toepassing van deze maatregelen te worden uitgesteld.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor gedistilleerde dranken,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening bevat uitvoeringsbepalingen voor Verordening (EG) nr. 110/2008, met name wat betreft:

a)

het gebruik van in artikel 10 van Verordening (EG) nr. 110/2008 bedoelde samengestelde termen en zinspelingen in de aanduiding, de presentatie en de etikettering van een levensmiddel;

b)

de in artikel 15 van Verordening (EG) nr. 110/2008 bedoelde geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en het gebruik van een EU-symbool voor de geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „categorie gedistilleerde drank”: één van de in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 vermelde categorieën 1 tot en met 46;

b)   „geografische aanduiding”: één van de in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 geregistreerde geografische aanduidingen;

c)   „samengestelde term”: de combinatie van een term die is opgenomen in één van de categorieën 1 tot en met 46 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008 of een geografische aanduiding van een gedistilleerde drank waarvan alle alcohol van het eindproduct afkomstig is, en:

i)

de naam van één of meer andere levensmiddelen dan die welke worden gebruikt voor de productie van die gedistilleerde drank overeenkomstig bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008, of een van deze naam afgeleid adjectief, en/of

ii)

de term „likeur”;

d)   „zinspeling”: de rechtstreekse of onrechtstreekse verwijzing naar één of meer categorieën gedistilleerde drank of geografische aanduidingen, die niet een verwijzing is in een samengestelde term of in de lijst van ingrediënten als bedoeld in artikel 9, lid 9, van Verordening (EG) nr. 110/2008.

HOOFDSTUK II

VOORSCHRIFTEN INZAKE HET GEBRUIK VAN SAMENGESTELDE TERMEN EN ZINSPELINGEN

Artikel 3

Samengestelde termen

1.   De term „gedistilleerde drank” mag geen deel uitmaken van een samengestelde term die een alcoholische drank aanduidt.

2.   Een samengestelde term die een alcoholische drank aanduidt, mag niet bestaan uit een combinatie van de term „likeur” met de naam van één van de categorieën 33 tot en met 40 van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 110/2008.

3.   Een samengestelde term mag de verkoopbenaming van een gedistilleerde drank niet vervangen.

4.   De samengestelde term die een alcoholische drank aanduidt, dient te worden aangebracht in uniforme letters van hetzelfde lettertype, dezelfde lettergrootte en dezelfde kleur. De term mag niet worden onderbroken door enige tekst of afbeelding die er geen deel van uitmaakt en de lettergrootte ervan mag niet groter zijn dan die van de verkoopbenaming.

Artikel 4

Zinspelingen

De zinspeling op een categorie gedistilleerde drank of op een geografische aanduiding mag bij de presentatie van een levensmiddel niet op dezelfde regel staan als de verkoopbenaming. In het geval van alcoholische dranken is de lettergrootte van de zinspeling kleiner dan die van de verkoopbenaming en de samengestelde term.

Artikel 5

Verdunning van een gedistilleerde drank

Voor de toepassing van artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 110/2008 wordt de verlaging van het alcoholgehalte van een gedistilleerde drank, uitsluitend door toevoeging van water, tot onder het minimumgehalte dat voor die gedistilleerde drank in de desbetreffende categorie in bijlage II bij die verordening is vastgesteld, als verdunning aangemerkt.

HOOFDSTUK III

GEOGRAFISCHE AANDUIDINGEN

Artikel 6

Aanvraag tot registratie van een geografische aanduiding

De aanvraag tot registratie van een geografische aanduiding in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 wordt ingediend bij de Commissie en bestaat uit:

a)

het aanvraagformulier, in overeenstemming met het model in bijlage I bij deze verordening;

b)

het technisch dossier, in overeenstemming met het model in bijlage II bij deze verordening;

c)

de belangrijkste specificaties van het onder b) vermelde technisch dossier.

Artikel 7

Grensoverschrijdende aanvragen

1.   Indien bij een grensoverschrijdende geografische aanduiding enkel lidstaten zijn betrokken, wordt de aanvraag gezamenlijk of door één van de lidstaten namens de andere ingediend. In het laatste geval bevat de aanvraag een document van elk van de andere betrokken lidstaten waarin zij de indienende lidstaat machtigen om in hun naam te handelen.

Indien bij een grensoverschrijdende geografische aanduiding uitsluitend derde landen zijn betrokken, wordt de aanvraag bij de Commissie ingediend hetzij door één van de aanvragende partijen namens de andere, hetzij door één van de derde landen namens de andere en bevat zij de volgende elementen:

a)

het bewijs van bescherming in de betrokken derde landen, en

b)

een document van elk van de andere betrokken derde landen waarin zij het indienende derde land machtigen om in hun naam te handelen.

Indien bij een grensoverschrijdende geografische aanduiding ten minste één lidstaat en ten minste één derde land zijn betrokken, wordt de aanvraag bij de Commissie ingediend door één van de betrokken lidstaten, autoriteiten van het derde land of particuliere entiteiten van het derde land en bevat zij de volgende elementen:

a)

het bewijs van bescherming in de betrokken derde landen, en

b)

een document van elk van de betrokken lidstaten of derde landen waarin zij de indienende partij machtigen om in hun naam te handelen.

2.   De betrokken lidstaat of autoriteit van het derde land of particuliere entiteit van het derde land die bij de Commissie een grensoverschrijdende aanvraag indient, fungeert als bewaarnemer van elke kennisgeving of elk besluit van de Commissie.

Artikel 8

Ontvangst van de aanvraag

1.   De datum van indiening van de aanvraag is de datum van ontvangst door de Commissie.

2.   De betrokken lidstaat of autoriteit van het derde land of particuliere entiteit van het derde land krijgt een ontvangstbevestiging die minstens de volgende gegevens bevat:

a)

het dossiernummer,

b)

de te registreren naam,

c)

het aantal ontvangen bladzijden, en

d)

de datum van ontvangst van de aanvraag.

Artikel 9

Gevestigde geografische aanduidingen

1.   Indien in het overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Verordening (EG) nr. 110/2008 ingediende technisch dossier voor een gevestigde geografische aanduiding niet wordt aangetoond dat de in artikel 15, lid 1, van die verordening vastgestelde voorwaarden zijn vervuld, stelt de Commissie een termijn vast voor de wijziging of intrekking ervan of voor de indiening van opmerkingen door de lidstaat.

2.   Indien dergelijke tekortkomingen niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn door de lidstaat zijn verholpen, wordt het technisch dossier geacht niet te zijn ingediend en is artikel 20, lid 3, van Verordening (EG) nr. 110/2008 van toepassing.

Artikel 10

Verpakking in het betrokken geografische gebied

Indien in het technisch dossier is bepaald dat de verpakking van de gedistilleerde drank binnen het afgebakende geografische gebied of in de onmiddellijke omgeving ervan moet gebeuren, moet deze vereiste voor het betrokken product worden gerechtvaardigd.

Artikel 11

Ontvankelijkheid van de aanvraag

1.   De aanvraag is ontvankelijk indien ze bestaat uit alle in artikel 6 vermelde elementen.

2.   Indien de aanvraag niet volledig is, verzoekt de Commissie de aanvrager om de tekortkoming binnen twee maanden te verhelpen. Als de tekortkoming niet binnen de vastgestelde termijn is verholpen, verklaart de Commissie de aanvraag onontvankelijk.

Artikel 12

Onderzoek van de inachtneming van de geldigheidsvoorwaarden

1.   Indien een geografische aanduiding niet voldoet aan artikel 15 van Verordening (EG) nr. 110/2008 of indien de registratieaanvraag niet voldoet aan de in artikel 17 van die verordening vastgestelde vereisten, stelt de Commissie een termijn vast voor de wijziging of intrekking ervan of voor de indiening van opmerkingen door de betrokken lidstaat, autoriteit van het derde land of particuliere entiteit van het derde land.

2.   Als de tekortkomingen niet binnen de in lid 1 bedoelde termijn door de betrokken lidstaat, autoriteit van het derde land of particuliere entiteit van het derde land zijn verholpen, verklaart de Commissie de aanvraag onontvankelijk.

Artikel 13

Bezwaar tegen de registratie

1.   De in artikel 17, lid 7, van Verordening (EG) nr. 110/2008 bedoelde bezwaarschriften worden opgesteld overeenkomstig het in bijlage III bij de onderhavige verordening vastgestelde model en worden ingediend bij de Commissie. De datum van indiening van het bezwaarschrift is de datum van ontvangst door de Commissie.

2.   De opposant krijgt een ontvangstbevestiging die minstens de volgende gegevens bevat:

a)

het dossiernummer,

b)

het aantal ontvangen bladzijden, en

c)

de datum van ontvangst van het bezwaarschrift.

Artikel 14

Ontvankelijkheid van een bezwaarschrift

1.   Het bezwaarschrift is ontvankelijk als de in voorkomend geval verworven rechten waarop aanspraak wordt gemaakt en de bezwaargronden erin zijn vermeld en op voorwaarde dat het werd ontvangen binnen de in artikel 17, lid 7, van Verordening (EG) nr. 110/2008 vastgestelde termijn.

2.   Als het bezwaar wordt gemaakt overeenkomstig artikel 23, lid 3, van Verordening (EG) nr. 110/2008, omdat er reeds een merk met reputatie en bekendheid bestaat dat in de Unie wordt gebruikt, wordt bij het bezwaarschrift een bewijs van de indiening van een registratieaanvraag, van de registratie of van het gebruik van dat bestaande merk gevoegd, zoals het registratiecertificaat of het bewijs van het gebruik van dat merk, alsmede een bewijs van de reputatie en de bekendheid ervan.

3.   Elk bezwaarschrift bevat gedetailleerde gegevens over de feiten, bewijsstukken en opmerkingen ter staving van het bezwaar en gaat vergezeld van de desbetreffende onderbouwende documenten.

De informatie en de bewijsstukken die worden verstrekt om het gebruik van een reeds bestaand merk aan te tonen, hebben betrekking op de plaats, de duur, de omvang en de aard van dat gebruik en van de faam en de bekendheid van dat merk.

4.   Indien de in de leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie en documenten niet zijn voorgelegd, verzoekt de Commissie de opposant de tekortkomingen binnen twee maanden te verhelpen. Als de tekortkomingen niet binnen de vastgestelde termijn zijn verholpen, verklaart de Commissie het bezwaar onontvankelijk.

Artikel 15

Onderzoek van een bezwaar

1.   Indien het bezwaar ontvankelijk is, stelt de Commissie de betrokken lidstaat, autoriteit van het derde land of particuliere entiteit van het derde land hiervan in kennis en verzoekt zij deze binnen twee maanden opmerkingen in te dienen. Alle opmerkingen die binnen deze termijn worden ontvangen, worden meegedeeld aan de opposant.

2.   De Commissie verzoekt de partijen om binnen twee maanden hun commentaar op de opmerkingen van de andere partijen kenbaar te maken.

3.   Indien de Commissie het bezwaar gegrond acht, wijst zij de registratieaanvraag af.

4.   Als meerdere bezwaarschriften zijn ingediend, is het mogelijk dat na een verkennend onderzoek van één of meer van die bezwaarschriften wordt besloten dat de registratieaanvraag niet kan worden aanvaard; in dergelijke gevallen kan de Commissie de overige bezwaarprocedures schorsen. De Commissie stelt de andere opposanten in kennis van elk besluit dat voor hen van belang is.

5.   Als een registratieaanvraag wordt afgewezen, worden de geschorste bezwaarprocedures geacht te zijn afgesloten en worden de betrokken opposanten daarvan naar behoren in kennis gesteld.

Artikel 16

Besluiten van de Commissie

1.   Krachtens artikel 9, lid 2, artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 2, en artikel 15, lid 3, door de Commissie genomen besluiten zijn gebaseerd op de voor haar beschikbare documenten en gegevens.

De besluiten en de desbetreffende gronden worden ter kennis gebracht van de betrokken lidstaat, autoriteit van het derde land of particuliere entiteit van het derde land en eventueel aan de opposant.

2.   Indien de aanvraag tot registratie van een geografische aanduiding niet wordt afgewezen overeenkomstig artikel 11, lid 2, artikel 12, lid 2, of artikel 15, lid 3, besluit de Commissie overeenkomstig artikel 17, lid 8, van Verordening (EG) nr. 110/2008 de geografische aanduiding te registreren in bijlage III bij die verordening.

Artikel 17

Taalgebruik

De geografische aanduiding wordt geregistreerd in de taal/talen die in het betrokken geografische gebied wordt/worden gebruikt om het betrokken product aan te duiden en met de originele schrijfwijze.

Artikel 18

Indiening van een annuleringsverzoek

1.   Een verzoek tot annulering van een geografische aanduiding wordt opgesteld overeenkomstig het in bijlage IV vastgestelde model en wordt ingediend bij de Commissie. De datum van indiening van het annuleringsverzoek is de datum van ontvangst door de Commissie.

2.   De opsteller van het annuleringsverzoek krijgt een ontvangstbevestiging die minstens de volgende gegevens bevat:

a)

het dossiernummer,

b)

het aantal ontvangen bladzijden, en

c)

de datum van ontvangst van het verzoek.

Artikel 19

Ontvankelijkheid van een annuleringsverzoek

1.   Een annuleringsverzoek is ontvankelijk indien het rechtmatige belang van de opsteller van het annuleringsverzoek duidelijk is vermeld en indien de annuleringsgrond(en) is/zijn toegelicht.

2.   Elk annuleringsverzoek bevat gedetailleerde gegevens over de feiten, bewijsstukken en opmerkingen ter staving van de annulering. Het gaat vergezeld van de desbetreffende onderbouwende documenten en met name van een verklaring van de lidstaat of van de autoriteit van het derde land waar zich de verblijfplaats of statutaire zetel van de opsteller van het verzoek bevindt.

3.   Indien de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie en documenten niet samen met het annuleringsverzoek zijn voorgelegd, verzoekt de Commissie de opsteller van het verzoek de tekortkomingen binnen twee maanden te verhelpen. Als de tekortkomingen niet binnen de vastgestelde termijn zijn verholpen, wijst de Commissie het verzoek af.

De Commissie stelt de opsteller van het annuleringsverzoek en de lidstaat, de autoriteit van het derde land of de particuliere entiteit van het derde land op welker geografische aanduiding het verzoek betrekking heeft, in kennis van het onontvankelijkheidsbesluit.

Artikel 20

Onderzoek van een annuleringsverzoek

1.   Indien de Commissie het annuleringsverzoek niet overeenkomstig artikel 19, lid 3, heeft afgewezen, stelt zij de lidstaat, de autoriteit van het derde land of de particuliere entiteit van het derde land op welker geografische aanduiding het verzoek betrekking heeft, in kennis van het verzoek en verzoekt zij deze binnen twee maanden opmerkingen in te dienen. Alle opmerkingen die binnen deze termijn worden ontvangen, worden aan de opsteller van het annuleringsverzoek meegedeeld.

2.   De Commissie besluit de geografische aanduiding te annuleren indien de betrokken lidstaat, autoriteit van het derde land of particuliere entiteit van het derde land geen opmerkingen indient of de termijn van twee maanden niet in acht neemt.

3.   De Commissie neemt haar besluit om de betrokken geografische aanduiding te annuleren op basis van de gegevens waarover zij na het verstrijken van de termijn voor indiening van opmerkingen beschikt. Zij gaat na of het productdossier voor de geografische aanduiding niet langer kan worden nageleefd dan wel of de naleving ervan niet langer kan worden gegarandeerd, met name wanneer de in artikel 17 van Verordening (EG) nr. 110/2008 vastgestelde voorwaarden niet langer worden vervuld of in de nabije toekomst mogelijk niet langer zullen worden vervuld.

Een dergelijk annuleringsbesluit wordt gemeld aan de betrokken lidstaat, autoriteit van het derde land of particuliere entiteit van het derde land, of aan de opsteller van het annuleringsverzoek.

4.   Als meerdere annuleringsverzoeken betreffende dezelfde geografische aanduiding zijn ingediend en de Commissie na een verkennend onderzoek van één of meer van die verzoeken besluit dat het niet langer gerechtvaardigd is de geografische aanduiding te beschermen, kan zij de andere annuleringsprocedures betreffende die geografische aanduiding schorsen. Zij stelt de overige opstellers van annuleringsverzoeken in kennis van elk besluit dat voor hen van belang is.

Indien een geografische aanduiding wordt geannuleerd, sluit de Commissie de geschorste annuleringsprocedures af en stelt zij de overige opstellers van annuleringsverzoeken daarvan in kennis.

Artikel 21

Wijziging van het technisch dossier

1.   Een aanvraag tot wijziging van het technisch dossier van een geregistreerde geografische aanduiding als bedoeld in artikel 21 van Verordening (EG) nr. 110/2008 wordt opgesteld overeenkomstig bijlage V bij de onderhavige verordening en wordt ingediend in elektronisch formaat.

2.   Voor de in lid 1 bedoelde aanvraag zijn de artikelen 8 tot en met 15 van deze verordening van overeenkomstige toepassing. Deze procedures gelden enkel voor de punten van het technisch dossier waarop de wijziging betrekking heeft.

3.   Als de aanvraag tot wijziging van het productdossier door een andere dan de oorspronkelijke aanvrager wordt ingediend, stelt de Commissie de oorspronkelijke aanvrager in kennis van de aanvraag.

Artikel 22

Gebruik van een EU-symbool voor geregistreerde geografische aanduidingen

1.   Het in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie (2) vastgestelde EU-symbool voor geregistreerde geografische aanduidingen mag worden gebruikt voor gedistilleerde dranken. Dat symbool mag niet samen met een samengestelde term die een geografische aanduiding bevat, worden gebruikt. De aanduiding „BESCHERMDE GEOGRAFISCHE AANDUIDING” mag worden vervangen door de equivalente termen in een andere officiële EU-taal, zoals vastgesteld in die bijlage.

2.   Wanneer het in lid 1 bedoelde EU-symbool wordt aangebracht op het etiket van een gedistilleerde drank, gaat het vergezeld van de overeenkomstige geografische aanduiding.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 23

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 september 2013. De artikelen 3 en 4 zijn van toepassing met ingang van 1 maart 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16.

(2)   PB L 369 van 23.12.2006, blz. 1.


BIJLAGE I

AANVRAAG TOT REGISTRATIE VAN EEN GEOGRAFISCHE AANDUIDING

Datum van ontvangst (DD/MM/JJJJ) …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Aantal bladzijden (deze bladzijde inbegrepen) …

Taal van de aanvraag …

Dossiernummer …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Te registreren geografische aanduiding …

Categorie gedistilleerde drank

Aanvrager

Naam van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon …

Volledig adres (straatnaam, huisnummer, gemeente/stad en postcode, land) …

Rechtsvorm, omvang en samenstelling (in het geval van rechtspersonen) …

Nationaliteit …

Telefoon, e-mail …

Bemiddelende instantie

Lidsta(a)t(en) (*)

Autoriteit van een derde land (*)

[(*) doorhalen wat niet van toepassing is]

Na(a)m(en) van de bemiddelende instantie(s) …

Volledig adres (straatnaam, huisnummer, gemeente/stad en postcode, land) …

Telefoon, e-mail …

Bewijs van bescherming in het derde land …

Technisch dossier

Aantal bladzijden …

Na(a)m(en) van de ondertekenaar(s) …

Handtekening(en) …


BIJLAGE II

TECHNISCH DOSSIER

Datum van ontvangst (DD/MM/JJJJ) …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Aantal bladzijden (deze bladzijde inbegrepen) …

Taal van de aanvraag …

Dossiernummer …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Te registreren geografische aanduiding …

Categorie gedistilleerde drank

Beschrijving van de gedistilleerde drank

—

Fysische, chemische en/of organoleptische kenmerken

—

Specifieke kenmerken (in vergelijking met gedistilleerde dranken van dezelfde categorie)

Betrokken geografisch gebied

Methode voor het verkrijgen van de gedistilleerde drank

Verband met het geografische milieu of de oorsprong

—

Voor het verband relevante bijzonderheden over het geografische gebied of de oorsprong

—

Specifieke aan het geografische gebied toe te schrijven kenmerken van de gedistilleerde drank

EU- of nationale/regionale bepalingen

Aanvrager

—

Lidstaat, derde land of rechtspersoon/natuurlijk persoon …

—

Volledig adres (straatnaam, huisnummer, gemeente/stad en postcode, land) …

—

Rechtsvorm (in het geval van rechtspersonen) …

Aanvullingen op de geografische aanduiding

Bijzondere etiketteringsvoorschriften


BIJLAGE III

BEZWAARSCHRIFT TEGEN EEN GEOGRAFISCHE AANDUIDING

Datum van ontvangst (DD/MM/JJJJ) …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Aantal bladzijden (deze bladzijde inbegrepen) …

Taal van het bezwaarschrift …

Dossiernummer …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Opposant

Naam van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon …

Volledig adres (straatnaam, huisnummer, gemeente/stad en postcode, land) …

Nationaliteit …

Telefoon, e-mail …

Bemiddelende instantie

Lidsta(a)t(en) (*)

Autoriteit van het derde land (facultatief) (*)

[(*) doorhalen wat niet van toepassing is]

Na(a)m(en) van de bemiddelende instantie(s) …

Volledig adres (straatnaam, huisnummer, gemeente/stad en postcode, land) …

Geografische aanduiding waartegen bezwaar wordt gemaakt …

Verworven rechten

Geregistreerde geografische aanduiding (*)

Nationale geografische aanduiding (*)

[(*) doorhalen wat niet van toepassing is]

Naam …

Registratienummer …

Datum van registratie (DD/MM/JJJJ) …

Merk

Symbool …

Lijst van producten en diensten …

Registratienummer …

Registratiedatum …

Land van oorsprong …

Reputatie/bekendheid (*) …

[(*) doorhalen wat niet van toepassing is]

Bezwaargronden

Naam van de ondertekenaar …

Handtekening …


BIJLAGE IV

VERZOEK TOT ANNULERING VAN EEN GEOGRAFISCHE AANDUIDING

Datum van ontvangst (DD/MM/JJJJ) …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Aantal bladzijden (deze bladzijde inbegrepen) …

Opsteller van het annuleringsverzoek …

Dossiernummer …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Taal van het annuleringsverzoek …

Naam van de rechtspersoon of de natuurlijke persoon …

Volledig adres (straatnaam, huisnummer, gemeente/stad en postcode, land) …

Nationaliteit …

Telefoon, e-mail …

Betwiste geografische aanduiding …

Rechtmatig belang van de opsteller van het verzoek …

Verklaring van de lidstaat of het derde land …

Annuleringsgronden

Naam van de ondertekenaar …

Handtekening …


BIJLAGE V

AANVRAAG TOT WIJZIGING VAN HET PRODUCTDOSSIER VAN EEN GEOGRAFISCHE AANDUIDING

Datum van ontvangst (DD/MM/JJJJ) …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Aantal bladzijden (deze bladzijde inbegrepen) …

Taal van de wijziging …

Dossiernummer …

[wordt door de Commissie ingevuld]

Bemiddelende instantie

Lidsta(a)t(en) (*)

Autoriteit van het derde land (facultatief) (*)

[(*) doorhalen wat niet van toepassing is]

Naam van de bemiddelende instantie(s) …

Volledig adres (straatnaam, huisnummer, gemeente/stad en postcode, land) …

Telefoon, e-mail …

Naam van de geografische aanduiding

Rubriek van het productdossier waarop de wijziging betrekking heeft

Beschermde naam (*)

Omschrijving van het product (*)

Geografisch gebied (*)

Verband (*)

Naam en adres van de controlerende autoriteiten (*)

Andere (*)

[(*) doorhalen wat niet van toepassing is]

Wijziging

Wijziging in het productdossier die geen wijziging van de belangrijkste specificaties meebrengt (*)

Wijziging in het productdossier die een wijziging van de belangrijkste specificaties meebrengt (*)

[(*) doorhalen wat niet van toepassing is]

Toelichting bij de wijziging …

Gewijzigde belangrijkste specificaties

[op een afzonderlijk blad]

Naam van de ondertekenaar …

Handtekening …


26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/31


VERORDENING (EU) Nr. 717/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2013

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 142/2011 wat betreft de vermeldingen inzake dierenwelzijn in bepaalde modellen van gezondheidscertificaten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1774/2002 (verordening dierlijke bijproducten) (1), en met name artikel 42, lid 2, onder d), eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (2) bepaalt dat zendingen dierlijke bijproducten en afgeleide producten die bedoeld zijn voor invoer in of doorvoer door de Unie, vergezeld moeten gaan van gezondheidscertificaten volgens de modellen in bijlage XV bij die verordening.

(2)

In sommige modellen van certificaten in bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 moet de officiële dierenarts verklaren dat is voldaan aan de voorschriften inzake dierenwelzijn van Richtlijn 93/119/EG van de Raad van 22 december 1993 inzake de bescherming van dieren bij het slachten of doden (3).

(3)

Richtlijn 93/119/EG is door Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad van 24 september 2009 inzake de bescherming van dieren bij het doden (4) ingetrokken en vervangen. Verordening (EG) nr. 1099/2009 is vanaf 1 januari 2013 van toepassing.

(4)

Voor de duidelijkheid moeten de verklaringen inzake dierenwelzijn in de modellen van gezondheidscertificaten in hoofdstuk 3 (D), hoofdstuk 3 (F), punt II.1.3, onder b), iv), en hoofdstuk 8, punt II.2.2, onder b), iv), in bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 worden bijgewerkt.

(5)

Om verstoring van het handelsverkeer te voorkomen moet worden toegestaan dat certificaten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening overeenkomstig Verordening (EU) nr. 142/2011 zijn afgegeven, nog gedurende een overgangsperiode worden gebruikt.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad heeft zich ertegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Voor een overgangsperiode tot en met 31 januari 2014 mogen zendingen producten van dierlijke oorsprong die vergezeld gaan van certificaten die vóór 1 december 2013 zijn afgegeven volgens de modellen van bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 voordat die bij deze verordening werd gewijzigd, nog in de Unie worden binnengebracht.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 december 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 300 van 14.11.2009, blz. 1.

(2)   PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1.

(3)   PB L 340 van 31.12.1993, blz. 21.

(4)   PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.


BIJLAGE

Bijlage XV bij Verordening (EU) nr. 142/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Hoofdstuk 3 (D) wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 3 (D)

Gezondheidscertificaat

Voor rauw voeder voor gezelschapsdieren voor rechtstreekse verkoop of dierlijke bijproducten die als voeder voor pelsdieren worden gebruikt, bestemd voor verzending naar of doorvoer door (2) de Europese Unie

Image 1

Tekst van het beeld

Image 2

Tekst van het beeld

Image 3

Tekst van het beeld

Image 4

Tekst van het beeld

Image 5

Tekst van het beeld

2)

Hoofdstuk 3 (F) wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 3 (F)

Gezondheidscertificaat

Voor dierlijke bijproducten (3) voor de vervaardiging van voeder voor gezelschapsdieren bestemd voor verzending naar of doorvoer door (2) de Europese Unie

Image 6

Tekst van het beeld

Image 7

Tekst van het beeld

Image 8

Tekst van het beeld

Image 9

Tekst van het beeld

Image 10

Tekst van het beeld

Image 11

Tekst van het beeld

3)

Hoofdstuk 8 wordt vervangen door:

„HOOFDSTUK 8

Gezondheidscertificaat

Voor dierlijke bijproducten voor doeleinden buiten de voederketen of voor handelsmonsters (2), bestemd voor verzending naar of doorvoer door (2) de Europese Unie

Image 12

Tekst van het beeld

Image 13

Tekst van het beeld

Image 14

Tekst van het beeld

Image 15

Tekst van het beeld

Image 16

Tekst van het beeld

Image 17

Tekst van het beeld

26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/49


VERORDENING (EU) Nr. 718/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2013

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 608/2004 inzake de etikettering van voedingsmiddelen en voedselingrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen en/of fytostanolesters

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake de etikettering en presentatie van levensmiddelen alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame (1), en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Ingevolge het advies van het Wetenschappelijk Comité voor de menselijke voeding (WCMV) van 26 september 2002 (2) en om te kunnen garanderen dat consumenten voldoende informatie krijgen bij het aanschaffen van voedingsmiddelen en voedselingrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen en fytostanolesters, voorziet Verordening (EG) nr. 608/2004 van 31 maart 2004 inzake de etikettering van voedingsmiddelen en voedselingrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen en/of fytostanolesters (3) in verplichte vermeldingen bovenop diegene opgesomd in artikel 3 van Richtlijn 2000/13/EG met betrekking tot de etikettering van dergelijke levensmiddelen.

(2)

Verordening (EG) nr. 608/2004 bepaalt dat de etikettering van dergelijke voedingsmiddelen en voedselingrediënten onder meer moet vermelden dat het product uitsluitend bedoeld is voor mensen die hun bloedcholesterolgehalte willen verlagen. Die verplichte vermelding moet ervoor zorgen dat het product de doelgroep bereikt en dat onnodige consumptie door niet-doelgroepen vermeden wordt.

(3)

De vrijwillige vermelding van voedings- en gezondheidsclaims op voedseletiketten wordt geregeld door Verordening (EG) nr. 1924/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 inzake voedings- en gezondheidsclaims voor levensmiddelen (4). Dienovereenkomstig werd onder bepaalde gebruiksvoorwaarden een vergunning verleend voor bepaalde gezondheidsclaims die betrekking hebben op de verlaging en de instandhouding van het bloedcholesterol met betrekking tot voedingsmiddelen die plantensterolen en plantenstanolen bevatten door Verordening (EG) nr. 983/2009 van de Commissie van 21 oktober 2009 inzake de verlening en weigering van een vergunning voor bepaalde gezondheidsclaims voor levensmiddelen over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen (5), Verordening (EU) nr. 384/2010 van de Commissie van 5 mei 2010 betreffende de verlening en weigering van een vergunning voor bepaalde gezondheidsclaims voor levensmiddelen over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en de gezondheid van kinderen (6) en Verordening (EU) nr. 432/2012 van de Commissie van 16 mei 2012 tot vaststelling van een lijst van toegestane gezondheidsclaims voor levensmiddelen die niet over ziekterisicobeperking en de ontwikkeling en gezondheid van kinderen gaan (7).

(4)

Verordening (EG) nr. 983/2009 verleende, onder bepaalde gebruiksvoorwaarden, een vergunning voor de volgende gezondheidsclaims: „Het is aangetoond dat plantensterolen het bloedcholesterol in significante mate verlagen. Een hoog cholesterolgehalte is een risicofactor voor de ontwikkeling van coronaire hartziekten” en „Het is aangetoond dat plantenstanolesters het bloedcholesterol verlagen. Een hoog cholesterolgehalte is een risicofactor voor de ontwikkeling van coronaire hartziekten”.

(5)

Verordening (EU) nr. 384/2010 verleende, onder specifieke gebruiksvoorwaarden, een vergunning voor de volgende gezondheidsclaim: „Het is aangetoond dat plantensterolen en plantenstanolesters de bloedcholesterol verlagen. Een hoog cholesterolgehalte is een risicofactor bij de ontwikkeling van coronaire hartziekten.”

(6)

Verordening (EU) nr. 432/2012 verleende, onder specifieke gebruiksvoorwaarden, een vergunning voor de volgende gezondheidsclaim: „Plantensterolen/-stanolen dragen bij tot de instandhouding van normale cholesterolgehalten in het bloed”.

(7)

De formulering van de gezondheidsclaims waarvoor een vergunning is verleend, samen met de verplichte vermelding met betrekking tot de doelgroep zoals vastgesteld in Richtlijn (EG) nr. 608/2004, zou consumenten die hun bloedcholesterolgehalte niet onder controle moeten houden ertoe kunnen aanzetten het product te gebruiken. Om de consistentie te waarborgen van informatie op de etikettering van voedingsmiddelen en voedselingrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen en/of fytostanolesters, is het daarom aangewezen om de verplichte vermelding zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 608/2004 te wijzigen, waarbij moet worden gezorgd dat de formulering voldoende waarborgen biedt voor het informatieve doel waarvoor zij aanvankelijk werd ingevoerd.

(8)

Om exploitanten van een levensmiddelenbedrijf in staat te stellen de etikettering van hun producten aan te passen aan de voorschriften van deze verordening, is het belangrijk een passende overgangsperiode voor de toepassing van deze verordening vast te stellen.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad hebben zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EG) nr. 608/2004

In artikel 2 van Verordening (EG) nr. 608/2004 wordt punt 3 vervangen door:

„3.

er wordt vermeld dat het product niet bedoeld is voor mensen die hun bloedcholesterolgehalte niet onder controle moeten houden.”.

Artikel 2

Overgangsmaatregelen

Voedingsmiddelen en voedselingrediënten met toegevoegde fytosterolen, fytosterolesters, fytostanolen en/of fytostanolesters die in de handel gebracht werden of eerder dan 15 februari 2014 van een etiket werden voorzien en die niet in overeenstemming zijn met de voorschriften van deze verordening, mogen in de handel worden gebracht totdat de voorraden van die voedingsmiddelen zijn uitgeput.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.

(2)  Advies van het WCMV „General view on the long-term effects of the intake of elevated levels of phytosterols from multiple dietary sources”.

(3)   PB L 97 van 1.4.2004, blz. 44.

(4)   PB L 404 van 30.12.2006, blz. 9.

(5)   PB L 277 van 22.10.2009, blz. 3.

(6)   PB L 113 van 6.5.2010, blz. 6.

(7)   PB L 136 van 25.5.2012, blz. 1.


26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/51


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 719/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0707 00 05

TR

133,1

ZZ

133,1

0709 93 10

TR

128,9

ZZ

128,9

0805 50 10

AR

88,6

CL

73,3

TR

70,0

UY

72,5

ZA

92,0

ZZ

79,3

0806 10 10

CL

51,4

EG

143,5

TR

171,3

ZZ

122,1

0808 10 80

AR

185,9

BR

117,1

CL

133,9

CN

96,1

NZ

132,0

US

154,6

ZA

124,5

ZZ

134,9

0808 30 90

AR

98,1

CL

142,7

CN

77,3

TR

225,6

ZA

111,0

ZZ

130,9

0809 10 00

TR

191,7

ZZ

191,7

0809 29 00

TR

345,7

ZZ

345,7

0809 30

TR

173,0

ZZ

173,0

0809 40 05

BA

63,8

TR

115,1

XS

88,4

ZZ

89,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/53


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 720/2013 VAN DE COMMISSIE

van 25 juli 2013

inzake de afgifte van invoercertificaten voor rijst in het kader van de tariefcontingenten die voor de deelperiode juli 2013 zijn geopend bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (2), en met name artikel 7, lid 2,

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 van de Commissie van 7 december 2011 inzake de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst (3), en met name artikel 5, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 betreft de opening en de wijze van beheer van bepaalde tariefcontingenten voor de invoer van rijst en breukrijst, die overeenkomstig bijlage I bij die uitvoeringsverordening zijn verdeeld over landen van oorsprong en over verscheidene deelperioden.

(2)

Juli is de derde deelperiode voor het bij artikel 1, lid 1, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgestelde contingent en de tweede deelperiode voor de bij artikel 1, lid 1, onder b), c) en d), van die uitvoeringsverordening vastgestelde contingenten.

(3)

Blijkens de gegevens die overeenkomstig artikel 8, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 zijn verstrekt, hebben de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van die uitvoeringsverordening gedurende de eerste tien werkdagen van juli 2013 zijn ingediend voor de contingenten met de volgnummers 09.4154 – 09.4166, betrekking op een hoeveelheid die groter is dan de beschikbare hoeveelheid. Bijgevolg dient door vaststelling van de toewijzingscoëfficiënt die moet worden toegepast op de voor de betrokken contingenten aangevraagde hoeveelheid, te worden bepaald in hoeverre de invoercertificaten kunnen worden afgegeven.

(4)

Uit de bovenbedoelde gegevens blijkt ook dat de aanvragen die overeenkomstig artikel 4, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 gedurende de eerste tien werkdagen van juli 2013 zijn ingediend voor de contingenten met de volgnummers 09.4127 – 09.4128 – 09.4129 – 09.4148 – 09.4149 – 09.4150 – 09.4152 – 09.4153, betrekking hebben op een hoeveelheid die kleiner is dan de beschikbare hoeveelheid.

(5)

Voorts dient voor de contingenten met de volgnummers 09.4127 – 09.4128 – 09.4129 – 09.4130 – 09.4148 – 09.4112 – 09.4116 – 09.4117 – 09.4118 – 09.4119 – 09.4166 overeenkomstig artikel 5, eerste alinea, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 de totale hoeveelheid te worden vastgesteld die beschikbaar is voor de volgende deelperiode.

(6)

Met het oog op een efficiënt beheer van de procedure voor de afgifte van invoercertificaten dient deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking te treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Op grond van de aanvragen van certificaten voor de invoer van rijst in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgestelde contingenten met de volgnummers 09.4154 – 09.4166 die gedurende de eerste tien werkdagen van juli 2013 zijn ingediend, worden certificaten afgegeven voor de aangevraagde hoeveelheid, vermenigvuldigd met de in de bijlage bij de onderhavige verordening vastgestelde toewijzingscoëfficiënt.

2.   De totale hoeveelheid die in het kader van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgestelde contingenten met de volgnummers 09.4127 – 09.4128 – 09.4129 – 09.4130 – 09.4148 – 09.4112 – 09.4116 – 09.4117 – 09.4118 – 09.4119 – 09.4166 beschikbaar is voor de volgende deelperiode, wordt vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Jerzy PLEWA

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13.

(3)   PB L 325 van 8.12.2011, blz. 6.


BIJLAGE

Hoeveelheden die overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 voor de deelperiode juli 2013 moeten worden toegewezen, dan wel beschikbaar zijn voor de daaropvolgende deelperiode

a)

Bij artikel 1, lid 1, onder a), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgesteld contingent voor volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30 :

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode juli 2013

Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode september 2013 (in kg)

Verenigde Staten

09.4127

— (1)

23 797 401

Thailand

09.4128

— (1)

1 000 890

Australië

09.4129

— (1)

480 370

Andere landen van oorsprong

09.4130

— (2)

313

b)

Bij artikel 1, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgesteld contingent voor gedopte rijst van GN-code 1006 20 :

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode juli 2013

Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode oktober 2013 (in kg)

Alle landen

09.4148

— (3)

1 494 000

c)

Bij artikel 1, lid 1, onder c), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgesteld contingent voor breukrijst van GN-code 1006 40 00 :

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode juli 2013

Thailand

09.4149

— (4)

Australië

09.4150

— (5)

Guyana

09.4152

— (5)

Verenigde Staten

09.4153

— (5)

Andere landen van oorsprong

09.4154

15,487488  %

d)

Bij artikel 1, lid 1, onder d), van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1273/2011 vastgesteld contingent voor volwitte of halfwitte rijst van GN-code 1006 30 :

Oorsprong

Volgnummer

Toewijzingscoëfficiënt voor de deelperiode juli 2013

Totale hoeveelheid die beschikbaar is voor de deelperiode september 2013 (in kg)

Thailand

09.4112

— (6)

10 985

Verenigde Staten

09.4116

— (6)

23 384

India

09.4117

— (6)

40 694

Pakistan

09.4118

— (6)

432

Andere landen van oorsprong

09.4119

— (6)

239 251

Alle landen

09.4166

0,785369  %

0


(1)  De aanvragen hebben betrekking op hoeveelheden die kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de beschikbare hoeveelheden: alle aanvragen zijn derhalve ontvankelijk.

(2)  Voor deze deelperiode zijn geen hoeveelheden beschikbaar.

(3)  Voor deze deelperiode wordt geen toewijzingscoëfficiënt toegepast: de Commissie is geen enkele certificaataanvraag meegedeeld.

(4)  De aanvragen hebben betrekking op hoeveelheden die kleiner zijn dan of gelijk zijn aan de beschikbare hoeveelheden: alle aanvragen zijn derhalve ontvankelijk.

(5)  Voor deze deelperiode wordt geen toewijzingscoëfficiënt toegepast: de Commissie is geen enkele certificaataanvraag meegedeeld.

(6)  Voor deze deelperiode zijn geen hoeveelheden beschikbaar.


BESLUITEN

26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/57


BESLUIT 2013/395/GBVB VAN DE RAAD

van 25 juli 2013

inzake de actualisering en wijziging van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme en tot intrekking van Besluit 2012/765/GBVB

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 27 december 2001 heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB betreffende de toepassing van specifieke maatregelen ter bestrijding van het terrorisme vastgesteld (1).

(2)

Op 10 december 2012 heeft de Raad Besluit 2012/765/GBVB inzake de actualisering van de lijst van personen, groepen en entiteiten bedoeld in de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB vastgesteld (2).

(3)

Overeenkomstig artikel 1, lid 6, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB dient een volledige heroverweging te worden verricht van de lijst van personen, groepen en entiteiten waarop Besluit 2012/765/GBVB van toepassing is.

(4)

Dit besluit bevat de resultaten van de evaluatie die de Raad heeft verricht ten aanzien van de personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn.

(5)

De Raad heeft vastgesteld dat de personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, betrokken zijn geweest bij terroristische daden in de zin van artikel 1, leden 2 en 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB, dat ten aanzien van hen een beslissing is genomen door een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt, en dat zij onderworpen moeten blijven aan de in dat gemeenschappelijk standpunt vervatte specifieke beperkende maatregelen.

(6)

De Raad heeft vastgesteld dat er nog een bijkomende groep betrokken is geweest bij terroristische activiteiten als bedoeld in artikel 1, lid 2 en lid 3, van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB, dat ten aanzien van hen een beslissing is genomen door een bevoegde instantie in de zin van artikel 1, lid 4, van dat gemeenschappelijk standpunt en dat deze groep moet worden toegevoegd aan de lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn. De beslissing om de groep aan te wijzen heeft geen gevolgen voor legitieme financiële overdrachten naar Libanon noch op het verlenen van bijstand, waaronder humanitaire hulp, door de Europese Unie en haar lidstaten in Libanon.

(7)

De lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, moet dienovereenkomstig worden geactualiseerd, en Besluit 2012/765/GBVB moet worden ingetrokken,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De lijst van personen, groepen en entiteiten waarop de artikelen 2, 3 en 4 van Gemeenschappelijk Standpunt 2001/931/GBVB van toepassing zijn, is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

Besluit 2012/765/GBVB wordt ingetrokken.

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 25 juli 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)   PB L 344 van 28.12.2001, blz. 93.

(2)   PB L 337 van 11.12.2012, blz. 50.


BIJLAGE

Lijst van personen, groepen en entiteiten, bedoeld in artikel 1

1.   PERSONEN

1.

ABDOLLAHI Hamed (alias Mustafa Abdullahi), geboren op 11 augustus 1960 in Iran. Paspoort: D9004878

2.

AL-NASSER, Abdelkarim Hussein Mohamed, geboren in Al Ihsa, Saudi-Arabië; Saudisch onderdaan

3.

AL YACOUB, Ibrahim Salih Mohammed, geboren op 16 oktober 1966 in Tarut, Saudi-Arabië; Saudisch onderdaan

4.

ARBABSIAR Manssor (alias Mansour Arbabsiar), geboren op 6 maart 1955 of 15 maart 1955 in Iran. Iraans en Amerikaans onderdaan. Paspoort: C2002515 (Iran); Paspoort: 477845448 (VS). Nationaal identiteitsbewijs nr.: 07442833, vervaldatum 15 maart 2016 (Amerikaans rijbewijs)

5.

BOUYERI, Mohamed (alias Abu ZUBAIR; alias SOBIAR; alias Abu ZOUBAIR), geboren op 8 maart 1978 in Amsterdam (Nederland) (lid van de "Hofstadgroep")

6.

FAHAS, Sofiane Yacine, geboren op 10 september 1971 in Algiers (Algerije) (lid van al-Takfir en al-Hijra)

7.

IZZ-AL-DIN, Hasan (alias GARBAYA, Ahmed; alias SA-ID; alias SALWWAN, Samir), Libanon, geboren in 1963 in Libanon, Libanees onderdaan

8.

MOHAMMED, Khalid Shaikh (alias ALI, Salem; alias BIN KHALID, Fahd Bin Adballah; alias HENIN, Ashraf Refaat Nabith; alias WADOOD, Khalid Adbul), geboren op 14 april 1965 of 1 maart 1964 in Pakistan, paspoort nr. 488555

9.

SHAHLAI Abdul Reza (alias Abdol Reza Shala'i, alias Abd-al Reza Shalai, alias Abdorreza Shahlai, alias Abdolreza Shahla'i, alias Abdul-Reza Shahlaee, alias Hajj Yusef, alias Haji Yusif, alias Hajji Yasir, alias Hajji Yusif, alias Yusuf Abu-al-Karkh), geboren rond 1957 in Iran; adressen: (1) Kermanshah, Iran, (2) legerbasis Mehran, provincie Ilam, Iran

10.

SHAKURI Ali Gholam, geboren rond 1965 in Teheran, Iran

11.

SOLEIMANI Qasem (alias Ghasem Soleymani, alias Qasmi Sulayman, alias Qasem Soleymani, alias Qasem Solaimani, alias Qasem Salimani, alias Qasem Solemani, alias Qasem Sulaimani, alias Qasem Sulemani), geboren op 11 maart 1957 in Iran; Iraans onderdaan; Paspoort: 008827 (Iraans diplomatiek paspoort), afgegeven in 1999, Titel: generaal-majoor

2.   GROEPEN EN ENTITEITEN

1.

Abu Nidal Organisation (ANO), (alias Fatah Revolutionaire Raad, Arabische Revolutionaire Brigades, Zwarte September, en Revolutionaire Organisatie van Socialistische Moslims)

2.

Al-Aqsa Martelarenbrigade

3.

Al-Aqsa e.V.

4.

Al-Takfir en al-Hijra

5.

Babbar Khalsa

6.

Communist Party of the Philippines, inclusief New People's Army (NPA), Filipijnen

7.

Gama'a al-Islamiyya (Islamitische Groep), (alias Al-Gama'a al-Islamiyya, IG)

8.

İslami Büyük Doğu Akıncılar - Cephe (IBDA/C) (Front van Voorvechters voor het Grote Islamitische Oosten)

9.

Hamas (inbegrepen Hamas-Izz al-Din al-Qassem)

10.

"Militaire vleugel van Hezbollah" (ook bekend als "Militaire vleugel van (respectievelijk) Hizballah, Hizbullah, Hizbollah, Hezballah, Hisbollah, Hizbu'llah, Hizb Allah" en "Raad van de Jihad") (en alle daaraan rapporterende eenheden, waaronder de Externe Veiligheidsorganisatie).

11.

Hizbul Mujahideen (HM)

12.

Hofstadgroep

13.

Holy Land Foundation for Relief and Development (Stichting van het Heilig land voor hulp en ontwikkeling)

14.

International Sikh Youth Federation - ISYF (Internationale federatie van sikh-jongeren)

15.

Khalisan Zindabad Force (KZF)

16.

Koerdische Arbeiderspartij (PKK), (alias KADEK; alias KONGRA-GEL)

17.

Bevrijdingstijgers van Tamil Eelam (LTTE)

18.

Ejército de Liberación Nacional (Nationaal Bevrijdingsleger)

19.

Palestinian Islamic Jihad (PIJ) (Palestijnse Islamitische Jihad)

20.

Popular Front for the Liberation of Palestina (PFLP) (Volksfront voor de bevrijding van Palestina)

21.

Popular Front for the Liberation of Palestine-General Command (alias PFLP-General Command, PFLP-GC) (Volksfront voor de bevrijding van Palestina-Algemeen Commando)

22.

"Fuerzas armadas revolucionarias de Colombia" - Fuerzas Armadas Revolucionarias de Colombia (FARC) (Revolutionaire Strijdkrachten van Colombia)

23.

Devrimci Halk Kurtuluș Partisi-Cephesi (DHKP/C), (alias Devrimci Sol (Revolutionair Links); alias Dev Sol) (Revolutionair Volksbevrijdingsleger/front/partij)

24.

Sendero Luminoso (SL) (Lichtend Pad)

25.

Stichting Al Aqsa (alias Stichting Al Aqsa Nederland, alias Al Aqsa Nederland)

26.

Teyrbazen Azadiya Kurdistan (TAK) (alias Kurdistan Freedom Falcons (Koerdische Vrijheidsvalken); alias Kurdistan Freedom Hawks (Koerdische Vrijheidshaviken)

AANBEVELINGEN

26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/60


AANBEVELING VAN DE COMMISSIE

van 11 juni 2013

over gemeenschappelijke beginselen voor mechanismen voor collectieve vorderingen tot staking en tot schadevergoeding in de lidstaten betreffende schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten

(2013/396/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie heeft zich ten doel gesteld een ruimte van vrijheid, veiligheid en recht te handhaven en te ontwikkelen, onder meer door de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, alsook voor de consumenten een hoog niveau van bescherming te waarborgen.

(2)

De moderne economie schept soms situaties waarin een groot aantal personen kan worden geschaad door dezelfde illegale praktijken die betrekking hebben op de schending door een of meer handelaren of andere personen van aan het EU-recht ontleende rechten („situatie van massaschade”). De betrokkenen kunnen zich genoopt zien om de staking van die praktijken of schadevergoeding te vorderen.

(3)

De Commissie heeft in 2005 een groenboek aangenomen over schadevorderingen wegens schending van de communautaire antitrustregels (1) en in 2008 een witboek, waarin specifiek voor de schending van antitrustregels beleidsvoorstellen over collectief verhaal zijn opgenomen (2). In 2008 publiceerde de Commissie een groenboek over collectief verhaal voor consumenten (3). In 2011 hield de Commissie een openbare raadpleging: „Op weg naar een meer samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen” (4).

(4)

Op 2 februari 2012 nam het Europees Parlement de resolutie „Op weg naar een samenhangende Europese aanpak van collectieve verhaalmechanismen” aan, waarin het de wens uitdrukte dat eventuele voorstellen voor collectief verhaal de vorm van een horizontaal kader zouden krijgen, met inbegrip van een reeks gemeenschappelijke beginselen, dat binnen de EU via het collectief verhaal een uniforme toegang tot de rechter waarborgt en specifiek, maar niet uitsluitend, gericht is op schendingen van consumentenrechten. Het Parlement beklemtoonde eveneens de noodzaak om rekening te houden met de rechtstradities en rechtsstelsels van de lidstaten en om de coördinatie van goede praktijken tussen de lidstaten te verbeteren (5).

(5)

Op 11 juni 2013 heeft de Commissie een mededeling „Naar een Europees horizontaal kader voor collectief verhaal” (6) aangenomen, waarin de balans wordt opgemaakt van de maatregelen die tot op heden zijn genomen en van de adviezen van de belanghebbenden en van het Europees Parlement, en die het standpunt van de Commissie bevat over een aantal centrale kwesties betreffende collectief verhaal.

(6)

Het is een van de kerntaken van publieke handhaving om schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten te voorkomen en te bestraffen. De mogelijkheid voor particulieren om vorderingen in te stellen op basis van schendingen van die rechten, vormt een aanvulling op de publieke handhaving. Wanneer deze aanbeveling verwijst naar een schending van aan het EU-recht ontleende rechten, vallen daaronder alle situaties waarin de schending van op EU-niveau vastgestelde voorschriften schade heeft veroorzaakt of dreigt te veroorzaken aan natuurlijke personen en rechtspersonen.

(7)

De aanvullende private handhaving van aan het EU-recht ontleende rechten in de vorm van collectief verhaal is onder meer nuttig op gebieden als consumentenbescherming, concurrentie, milieubescherming, bescherming van persoonsgegevens, wetgeving inzake financiële diensten en bescherming van beleggers. De beginselen die in deze aanbeveling zijn vastgesteld, moeten horizontaal en gelijkelijk op die gebieden worden toegepast, maar ook op alle andere gebieden waar collectieve vorderingen tot staking of schadevergoeding in het geval van schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten relevant zijn.

(8)

Individueel verhaal, zoals de procedure voor geringe vorderingen in consumentenzaken, is het gebruikelijke instrument om geschillen te beslechten ter voorkoming van schade en om schadevergoeding te vragen.

(9)

Naast individueel verhaal hebben alle lidstaten ook voorzien in verschillende vormen van collectieve verhaalmechanismen. Deze maatregelen hebben als doel illegale praktijken te voorkomen en te doen staken, en ervoor te zorgen dat kan worden verzocht om vergoeding van de schade die in situaties van massaschade werd veroorzaakt. De mogelijkheid om claims samen te voegen en collectief een vordering in te stellen, kan een beter middel zijn om zich tot de rechter te wenden, met name wanneer de kosten van individuele vorderingen de betrokkenen die schade hebben geleden, afschrikken om zich tot de rechter te wenden.

(10)

Deze aanbeveling heeft als doel de toegang tot de rechter te vergemakkelijken wanneer er sprake is van schendingen van aan het EU-recht ontleende rechten en daartoe alle lidstaten aan te bevelen nationale mechanismen voor collectief verhaal op te zetten die in de hele EU volgens dezelfde basisbeginselen werken, rekening houdend met de rechtstradities van de lidstaten en met waarborgen tegen misbruik.

(11)

Op het gebied van de vordering tot staking hebben het Europees Parlement en de Raad reeds Richtlijn 2009/22/EG betreffende het doen staken van inbreuken in het raam van de bescherming van de consumentenbelangen aangenomen (7). Met de stakingsprocedure waarin deze richtlijn voorziet, kunnen personen die aanvoeren schade te hebben geleden als gevolg van illegale praktijken, echter geen schadevergoeding vorderen.

(12)

In sommige lidstaten zijn in uiteenlopende mate procedures ingevoerd om collectieve vorderingen tot schadevergoeding in te stellen. Er zijn echter grote verschillen tussen de bestaande nationale procedures voor het instellen van collectieve vorderingen.

(13)

Deze aanbeveling bevat een aantal beginselen betreffende zowel gerechtelijk als buitengerechtelijk collectief verhaal, die in de hele Unie zouden moeten worden toegepast, met eerbiediging van de verschillende rechtstradities van de lidstaten. Deze beginselen moeten ervoor zorgen dat de fundamentele procedurele rechten van de partijen gewaarborgd blijven en moeten misbruik vermijden door middel van passende waarborgen.

(14)

Deze aanbeveling heeft betrekking op collectieve vorderingen tot schadevergoeding en — voor zover passend en toepasselijk op de betrokken beginselen — op collectieve vorderingen tot staking. Zij doet gaan afbreuk aan de bestaande sectorale mechanismen betreffende vorderingen tot staking waarin het EU-recht voorziet.

(15)

Mechanismen voor collectief verhaal moeten de procedurele waarborgen van partijen bij civiele vorderingen behouden. Om te voorkomen dat er een cultuur van misbruik van procesrecht wordt ontwikkeld in situaties van massaschade, moeten de nationale mechanismen voor collectief verhaal de in deze aanbeveling beschreven fundamentele waarborgen bevatten. Elementen als punitieve schadevergoeding, indringerige procedures tot openbaarmaking van bewijsmateriaal („pre-trial discovery”), en het toekennen van schadevergoeding door een jury („jury awards”), die niet tot de rechtstradities van de meeste lidstaten behoren, moeten als algemene regel worden vermeden.

(16)

Procedures voor alternatieve geschillenbeslechting kunnen een efficiënt instrument zijn om verhaal te halen in situaties van massaschade. Deze procedures moeten altijd beschikbaar zijn naast, of als een vrijwillig onderdeel van de gerechtelijke procedure voor collectief verhaal.

(17)

De juridische bevoegdheid tot het instellen van een collectieve vordering in de lidstaten verschilt naar gelang van het soort mechanisme voor collectief verhaal. Bij bepaalde vormen van collectieve vorderingen, zoals groepsvorderingen waarbij de vordering gezamenlijk kan worden ingesteld door degenen die schade hebben geleden, is de kwestie van de bevoegdheid duidelijker dan in de context van representatieve vorderingen, waarbij de kwestie van de bevoegdheid dus moet worden verduidelijkt.

(18)

In het geval van een representatieve vordering moet de bevoegdheid om de vordering in te stellen, worden beperkt tot ad hoc gecertificeerde instanties, aangewezen vertegenwoordigende instanties die voldoen aan bepaalde criteria, of tot overheidsinstanties. De vertegenwoordigende instantie moet worden verplicht om haar administratieve en financiële capaciteit te bewijzen om de belangen van de eisers op gepaste wijze te vertegenwoordigen.

(19)

De beschikbaarheid van financiering voor collectieve geschillenbeslechting moet zodanig worden geregeld dat zij niet tot misbruik van het systeem of tot belangenconflicten kan leiden.

(20)

Om misbruik van het systeem te voorkomen en in het belang van een goede rechtsbedeling, mag geen gerechtelijke procedure voor collectief verhaal worden ingesteld tenzij aan de bij wet vastgestelde ontvankelijkheidsvoorwaarden is voldaan.

(21)

De rechter moet een belangrijke rol krijgen in de bescherming van de rechten en belangen van alle partijen die betrokken zijn bij collectief verhaal en in het efficiënt beheer van collectieve vorderingen.

(22)

In rechtsgebieden waar een overheidsinstantie bevoegd is om een besluit te nemen om vast te stellen dat er sprake is van een schending van het EU-recht, is het van belang om te zorgen voor samenhang tussen het definitieve besluit betreffende die schending en de uitkomst van de collectieve vordering. Bovendien kan er in het geval van collectieve vorderingen na een besluit van een overheidsinstantie (vervolgvorderingen), van uitgegaan worden dat de overheidsinstantie bij de vaststelling van de schending van het EU-recht al rekening heeft gehouden met het algemeen belang en met de noodzaak om misbruik te vermijden.

(23)

Wat het milieurecht betreft, houdt deze aanbeveling rekening met de bepalingen van artikel 9, leden 3, 4 en 5, van het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden van de VN/ECE (het Verdrag van Aarhus) die, respectievelijk ruime toegang tot de rechter bevorderen inzake milieuaangelegenheden, criteria vaststellen waaraan procedures moeten voldoen, waaronder de criteria dat zij snel moeten zijn en niet onevenredig duur mogen zijn, en voorzien in de voorlichting van het publiek en het in het aanmerking nemen van bijstandsmechanismen.

(24)

De lidstaten moeten uiterlijk twee jaar na de bekendmaking van deze aanbeveling de nodige maatregelen nemen ter uitvoering van de daarin vervatte beginselen.

(25)

De lidstaten dienen de Commissie verslag uit te brengen over de tenuitvoerlegging van deze aanbeveling. Op basis van die verslaglegging moet de Commissie toezien op de door de lidstaten genomen maatregelen en deze beoordelen.

(26)

Binnen vier jaar na de bekendmaking van deze aanbeveling moet de Commissie nagaan of verdere stappen, met inbegrip van wetgevende maatregelen, nodig zijn om ervoor te zorgen dat de doelstellingen van deze aanbeveling ten volle worden verwezenlijkt. De Commissie moet in het bijzonder de tenuitvoerlegging van deze aanbeveling beoordelen en de gevolgen ervan voor de toegang tot de rechter, het recht om schadevergoeding te krijgen, de noodzaak om misbruik van procesrecht te voorkomen en de werking van de eengemaakte markt, de economie van de Europese Unie en het consumentenvertrouwen,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

I.   DOEL EN ONDERWERP

1.

Deze aanbeveling heeft als doel de toegang tot de rechter te vergemakkelijken, illegale praktijken een halt toe te roepen en benadeelde partijen de mogelijkheid te bieden schadevergoeding te verkrijgen in situaties van massaschade die werd veroorzaakt door de schending van aan het EU-recht ontleende rechten, en tegelijk te voorzien in passende procedurele waarborgen om misbruik van procesrecht te voorkomen.

2.

Alle lidstaten moeten beschikken over mechanismen voor collectief verhaal op nationaal niveau, zowel voor vorderingen tot staking als voor vorderingen tot schadevergoeding, met eerbiediging van de in deze aanbeveling vastgestelde basisbeginselen. Deze beginselen moeten in de hele EU gelden, met eerbiediging van de verschillende rechtstradities van de lidstaten. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat de procedures voor collectief verhaal eerlijk, billijk, snel en niet buitensporig duur zijn.

II.   DEFINITIES EN TOEPASSINGSGEBIED

3.

Voor de toepassing van deze aanbeveling wordt verstaan onder:

a)   „collectief verhaal”: i) een wettelijk mechanisme dat het mogelijk maakt dat twee of meer natuurlijke personen, rechtspersonen of instanties die gerechtigd zijn om een representatieve vordering in te stellen, collectief een vordering tot staking van onwettig gedrag instellen (collectieve vordering tot staking); ii) een wettelijk mechanisme dat het mogelijk maakt dat twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die aanvoeren schade te hebben geleden in een situatie van massaschade, of instanties die gerechtigd zijn om een representatieve vordering in te stellen, collectief een vordering tot schadevergoeding instellen (collectieve vordering tot schadevergoeding);

b)   „situatie van massaschade”: een situatie waarin twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen aanvoeren schade te hebben geleden die het gevolg is van dezelfde illegale activiteit van een of meer natuurlijke personen of rechtspersonen;

c)   „vordering tot schadevergoeding”: een vordering waarbij een schadeclaim voor een nationale rechter wordt gebracht;

d)   „representatieve vordering”: een vordering die wordt ingesteld door een vertegenwoordigende instantie, een ad hoc gecertificeerde instantie of een overheidsinstantie voor rekening en in naam van twee of meer natuurlijke personen of rechtspersonen die aanvoeren te zijn blootgesteld aan dreigende schade of schade te hebben geleden in een situatie van massaschade, terwijl deze personen geen partijen zijn bij de procedure;

e)   „collectieve vervolgvordering”: een collectieve vordering die wordt ingesteld nadat een overheidsinstantie een definitief besluit heeft genomen waarbij is vastgesteld dat er sprake is van een schending van het EU-recht;

Deze aanbeveling bevat gemeenschappelijke beginselen die moeten gelden voor alle gevallen van collectief verhaal en beginselen die specifiek gelden hetzij voor collectieve vorderingen tot staking, hetzij voor collectieve vorderingen tot schadevergoeding.

III.   GEMEENSCHAPPELIJKE BEGINSELEN DIE GELDEN VOOR COLLECTIEVE VORDERINGEN TOT STAKING EN VOOR COLLECTIEVE VORDERINGEN TOT SCHADEVERGOEDING

Bevoegdheid om een representatieve vordering in te stellen

4.

De lidstaten wijzen vertegenwoordigende instanties aan die bevoegd zijn om representatieve vorderingen in te stellen op grond van duidelijk omschreven voorwaarden om daarvoor in aanmerking te komen. Deze voorwaarden omvatten ten minste de volgende vereisten:

a)

de instantie moet een non-profit-karakter hebben;

b)

er moet een direct verband zijn tussen de belangrijkste doelstellingen van de instantie en de aan het EU-recht ontleende rechten waarvan wordt beweerd dat ze zijn geschonden en waarvoor de vordering wordt ingesteld, en

c)

de instantie moet over voldoende capaciteit beschikken qua financiële en personele middelen en juridische expertise om verscheidene eisers zo goed mogelijk te vertegenwoordigen in hun belang.

5.

De lidstaten zorgen ervoor dat de aangewezen instantie haar status verliest zodra niet langer aan een of meer voorwaarden is voldaan.

6.

De lidstaten zorgen ervoor dat representatieve vorderingen uitsluitend kunnen worden ingesteld door instanties die van tevoren officieel zijn aangewezen, zoals aanbevolen in punt 4, of door instanties die op ad-hocbasis door de nationale autoriteiten of rechterlijke instanties van een lidstaat voor een welbepaalde representatieve vordering zijn gecertificeerd.

7.

Bovendien, of bij wijze van alternatief, kunnen de lidstaten overheidsinstanties de bevoegdheid verlenen om representatieve vorderingen in te stellen.

Ontvankelijkheid

8.

De lidstaten zorgen ervoor dat in een zo vroeg mogelijk stadium van de geschillenbeslechting wordt geverifieerd dat zaken waarin de voorwaarden voor collectief verhaal niet vervuld zijn en kennelijk ongegronde zaken niet worden voortgezet.

9.

Te dien einde verrichten de rechtbanken ambtshalve het nodige onderzoek.

Informatie over een collectieve vordering

10.

De lidstaten zorgen ervoor dat de vertegenwoordigende instantie of de groep eisers informatie kan verspreiden over de aangevoerde schending van aan het EU-recht ontleende rechten en over hun voornemen om de staking van die schending te vorderen, alsook over een situatie van massaschade en over hun voornemen om via collectief verhaal een vordering tot schadevergoeding in te stellen. Dezelfde mogelijkheden moeten bestaan voor de vertegenwoordigende instantie, de ad hoc gecertificeerde instantie, een overheidsinstantie of voor de groep eisers, wat de informatie over de lopende vorderingen tot schadevergoeding betreft.

11.

De verspreidingsmethodes moeten rekening houden met de bijzondere omstandigheden van de betrokken situatie van massaschade, de vrijheid van meningsuiting, het recht op informatie en het recht op bescherming van de reputatie of de ondernemingswaarde van een verweerder voordat zijn verantwoordelijkheid voor de aangevoerde schending bij een eindbeslissing van de rechtbank wordt vastgesteld.

12.

De verspreidingsmethodes doen geen afbreuk aan de EU-voorschriften over handel met voorkennis en marktmanipulatie.

Vergoeding van de proceskosten van de in het gelijk gestelde partij

13.

De lidstaten zorgen ervoor dat de partij van wie de collectieve vordering wordt afgewezen, de door de in het gelijk gestelde partij gedragen noodzakelijke proceskosten vergoedt („beginsel dat de verliezer betaalt”), onder de voorwaarden van het toepasselijke nationale recht.

Financiering

14.

De eisende partij moet worden verplicht bij de aanvang van de procedure voor de rechtbank de oorsprong aan te geven van de middelen die zij zal gebruiken ter ondersteuning van de rechtsvordering.

15.

De rechter moet de behandeling van de zaak kunnen schorsen wanneer er, ingeval financiële middelen van een derde partij worden gebruikt,

a)

een belangenconflict bestaat tussen de derde partij en de eisende partij en haar leden;

b)

de derde partij over onvoldoende middelen beschikt om te voldoen aan haar financiële verplichtingen tegenover de eisende partij die de collectieve vordering instelt;

c)

de eisende partij over onvoldoende middelen beschikt om eventuele kosten van de tegenpartij te dragen, wanneer de collectieve vordering wordt afgewezen.

16.

De lidstaten zorgen ervoor dat wanneer een collectieve vordering door een private derde partij wordt gefinancierd, het die private derde partij verboden is:

a)

invloed uit te oefenen op de procedurele beslissingen van de eisende partij, met inbegrip van schikkingen;

b)

een collectieve vordering te financieren tegen een verweerder die een concurrent is van de financier of tegen een verweerder waarvan de financier afhankelijk is;

c)

buitensporige rente aan te rekenen op de ter beschikking gestelde financiële middelen.

Grensoverschrijdende zaken

17.

De lidstaten zien erop toe dat, wanneer een geschil betrekking heeft op natuurlijke personen of rechtspersonen uit verscheidene lidstaten, nationale voorschriften over ontvankelijkheid of over de bevoegdheid van buitenlandse groepen eisers of vertegenwoordigende instanties uit andere nationale rechtssystemen, niet verhinderen dat één enkele collectieve vordering kan worden ingesteld voor één enkele rechterlijke instantie.

18.

Elke vertegenwoordigende instantie die van tevoren officieel door een lidstaat is aangewezen als bevoegde instantie om representatieve vorderingen in te stellen, moet zich kunnen wenden tot de rechter in de lidstaat die bevoegd is om de situatie van massaschade te behandelen.

IV.   SPECIFIEKE BEGINSELEN BETREFFENDE COLLECTIEVE VORDERINGEN TOT STAKING

Snelle procedures voor vorderingen tot staking

19.

De gerechten en de bevoegde overheidsinstanties moeten vorderingen tot staking waarin wordt verzocht om de stopzetting van of een verbod op een schending van aan het EU-recht ontleende rechten, zo spoedig mogelijk behandelen, zo nodig in het kader van een kort geding, om te voorkomen dat een dergelijke schending (nog meer) schade veroorzaakt.

Efficiënte handhaving van bevelen tot staking

20.

De lidstaten voorzien in passende sancties tegen de in het ongelijk gestelde verweerder om ervoor te zorgen dat bevelen tot staking daadwerkelijk worden nageleefd, met inbegrip van de betaling van vaste dwangsommen voor elke dag vertraging of van andere bedragen waarin de nationale wetgeving voorziet.

V.   SPECIFIEKE BEGINSELEN BETREFFENDE COLLECTIEVE VORDERINGEN TOT SCHADEVERGOEDING

Samenstelling van de eisende partij volgens het „opt-in”-beginsel

21.

De eisende partij wordt samengesteld op basis van de uitdrukkelijke instemming van de natuurlijke personen of rechtspersonen die aanvoeren te zijn benadeeld („opt-in”-beginsel). Elke uitzondering op dit beginsel, bij wet of bij rechterlijke beslissing, moet naar behoren worden gemotiveerd met redenen die verband houden met een goede rechtsbedeling.

22.

Een lid van de eisende partij moet de eisende partij te allen tijde kunnen verlaten voordat dat de eindbeslissing is gegeven of de zaak anderszins op geldige wijze is afgewikkeld, onder dezelfde voorwaarden als die welke gelden voor de intrekking van individuele vorderingen, zonder de mogelijkheid te verliezen om in een andere vorm zijn claim verder geldend te maken, indien dit geen afbreuk doet aan de goede rechtsbedeling.

23.

Natuurlijke personen of rechtspersonen die aanvoeren in dezelfde situatie van massaschade schade te hebben geleden, moeten zich te allen tijde kunnen aansluiten bij de eisende partij voordat dat de eindbeslissing is gegeven of de zaak anderszins op geldige wijze is afgewikkeld, indien dit geen afbreuk doet aan de goede rechtsbedeling.

24.

De verweerder wordt op de hoogte gehouden van de samenstelling van de eisende partij en van eventuele wijzigingen daarin.

Collectieve alternatieve geschillenbeslechting en schikkingen

25.

De lidstaten zorgen ervoor dat de partijen bij een geschil in een situatie van massaschade worden aangemoedigd om consensueel of buitengerechtelijk tot een vergelijk te komen over de schadevergoeding, zowel tijdens het vooronderzoek als tijdens het civiel proces, waarbij ook rekening wordt gehouden met de voorschriften van Richtlijn 2008/52/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2008 betreffende bepaalde aspecten van bemiddeling/mediation in burgerlijke en handelszaken (8).

26.

De lidstaten zorgen ervoor dat de gerechtelijke mechanismen voor collectief verhaal vergezeld gaan van passende middelen voor collectieve alternatieve geschillenbeslechting waarop de partijen vóór en gedurende het geding een beroep kunnen doen. Gebruik van dergelijke middelen moet afhangen van de instemming van de partijen die bij de zaak betrokken zijn.

27.

Verjaringstermijnen die van toepassing zijn op de vorderingen, worden opgeschort vanaf het ogenblik dat de partijen overeenkomen een poging te doen om hun geschil op te lossen door middel van een alternatieve geschillenbeslechtingsprocedure tot ten minste het ogenblik waarop één of beide partijen zich uitdrukkelijk terugtrekken uit die procedure voor alternatieve geschillenbeslechting.

28.

De wettigheid van de bindende uitkomst van een collectieve schikking moet door de rechtbanken worden geverifieerd met inachtneming van de passende bescherming van de belangen en rechten van alle betrokken partijen.

Vertegenwoordiging in rechte en het honorarium van de advocaat

29.

De lidstaten zorgen ervoor dat de vergoeding van de advocaat en de wijze waarop deze wordt berekend, geen stimulans vormen om een geschil te voeren dat overbodig is vanuit het oogpunt van het belang van een partij.

30.

De lidstaten mogen geen resultaatafhankelijke honoraria toestaan die een dergelijke stimulans kunnen vormen. De lidstaten die bij wijze van uitzondering resultaatafhankelijke honoraria toestaan, moeten in een passende nationale regulering van deze honoraria in geval van collectief verhaal voorzien die in het bijzonder rekening houdt met het recht van de leden van de eisende partij op volledige schadeloosstelling.

Verbod op punitieve schadevergoeding

31.

De schadevergoeding die wordt toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen die in een situatie van massaschade zijn benadeeld, mag niet hoger zijn dan de schadevergoeding die zou zijn toegekend indien deze was gevorderd door middel van individuele vorderingen. Met name moet punitieve schadevergoeding, die tot overcompensatie leidt van de schade van de eisende partij, worden verboden.

Financiering van collectieve vorderingen tot schadevergoeding

32.

De lidstaten zorgen ervoor, dat, in aanvulling op de algemene financieringsbeginselen, voor gevallen van private financiering door derden van collectief verhaal, het verboden is de aan de financier betaalde vergoeding of door hem in rekening gebrachte rente te baseren op het bedrag van de bereikte schikking of de toegekende schadevergoeding, tenzij die financieringsregeling door een overheidsinstantie wordt geregeld in het belang van de partijen.

Collectieve vervolgvorderingen

33.

De lidstaten zorgen ervoor dat op rechtsgebieden waar een overheidsinstantie bevoegd is om een besluit te nemen waarbij wordt vastgesteld dat er sprake is van een schending van het EU-recht, collectieve vorderingen als algemene regel pas kunnen worden ingesteld na de definitieve afsluiting van een eventuele procedure voor die overheidsinstantie die was ingeleid vóór het instellen van de private vordering. Indien de procedure voor de overheidsinstantie wordt ingeleid nadat de collectieve vordering is ingesteld, moet de rechtbank vermijden een beslissing te geven die onverenigbaar is met het besluit dat de overheidsinstantie beoogt te nemen. Daartoe kan de rechtbank zijn uitspraak over de collectieve vordering aanhouden totdat de procedure van de overheidsinstantie is afgesloten.

34.

De lidstaten zorgen ervoor dat in het geval van vervolgvorderingen, de personen die aanvoeren schade te hebben geleden, niet de mogelijkheid wordt ontnomen om schadevergoeding te vorderen doordat een verjaringstermijn verstrijkt vóór de definitieve afsluiting van de procedures door de overheidsinstantie.

VI.   ALGEMENE INFORMATIE

Register van collectieve vorderingen

35.

De lidstaten zetten een nationaal register van collectieve vorderingen op.

36.

Het nationale register moet gratis beschikbaar zijn voor elke belangstellende via elektronische weg of anderszins. De websites waarop de registers worden gepubliceerd, moeten toegang bieden tot volledige en objectieve informatie over de beschikbare methoden om schadevergoeding te verkrijgen, met inbegrip van buitengerechtelijke methoden.

37.

De lidstaten, bijgestaan door de Commissie, moeten streven naar coherentie van de informatie die in de registers wordt verzameld en naar de interoperabiliteit ervan.

VII.   CONTROLE EN VERSLAGLEGGING

38.

Uiterlijk op 26 juli 2015 implementeren de lidstaten de in deze aanbeveling vervatte beginselen in hun nationale systemen voor collectief verhaal.

39.

De lidstaten verzamelen betrouwbare jaarlijkse statistieken over het aantal gerechtelijke en buitengerechtelijke procedures voor collectief verhaal en gegevens over de partijen, het voorwerp en de uitkomst van de zaken.

40.

De lidstaten delen de overeenkomstig punt 39 verzamelde gegevens jaarlijks mee aan de Commissie en voor het eerst uiterlijk op 26 juli 2016.

41.

De Commissie beoordeelt uiterlijk op 26 juli 2017 de tenuitvoerlegging van de aanbeveling op basis van praktische ervaring. In dit verband beoordeelt de Commissie in het bijzonder de gevolgen ervan voor de toegang tot de rechter, het recht om schadevergoeding te krijgen, de noodzaak om misbruik van procesrecht te voorkomen en de werking van de eengemaakte markt, kmo’s, het concurrentievermogen van de EU-economie en het consumentenvertrouwen. De Commissie gaat tevens na of verdere maatregelen moeten worden voorgesteld om de in deze aanbeveling voorgestelde horizontale aanpak te consolideren en te versterken.

Slotbepalingen

42.

Deze aanbeveling wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 11 juni 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  COM(2005) 672 van 19.12.2005.

(2)  COM(2008) 165 van 2.4.2008.

(3)  COM(2008) 794 van 27.11.2008.

(4)  COM(2010) 135 final van 31.3.2010.

(5)  2011/2089(INI))

(6)  COM(2013) 401 final.

(7)   PB L 110 van 1.5.2009, blz. 30.

(8)   PB L 136 van 24.5.2008, blz. 3.


IV Handelingen die vóór 1 december 2009 zijn aangenomen krachtens het EG-Verdrag, het EU-Verdrag en het Euratom-Verdrag

26.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 201/66


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 26 mei 2009

tot goedkeuring namens de Europese Gemeenschap van bepaalde wijzigingen in bijlage V bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/397/EG)

DE COMMISSIE VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAPPEN,

Gelet op het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap,

Gelet op Besluit 1999/201/EG van de Raad van 14 december 1998 betreffende de sluiting van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten (1), en met name op artikel 4, derde alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten (hierna de „overeenkomst” genoemd) biedt de mogelijkheid sanitaire maatregelen als gelijkwaardig te erkennen wanneer de exporterende partij op objectieve wijze heeft aangetoond dat de maatregelen het door de importerende partij vastgestelde adequate niveau van bescherming bieden. De overeenkomst is namens de Gemeenschap goedgekeurd bij Besluit 1999/201/EG.

(2)

De gelijkwaardigheid van de volksgezondheidsmaatregelen inzake visserijproducten is samen met Canada onderzocht en vastgesteld. De gelijkwaardigheid is wederzijds vastgesteld.

(3)

Het bij de overeenkomst ingestelde Gemengd Comité van beheer („het Gemengd Comité van beheer”) heeft tijdens zijn vergadering op 5 en 6 oktober 2006 een aanbeveling gedaan betreffende de bepaling van de gelijkwaardigheid van hygiënevoorschriften voor visserijproducten. Deze werd tijdens de vergadering van het Gemengd Comité van beheer op 3 en 4 oktober 2007 aangevuld met een specifieke aanbeveling betreffende de gelijkwaardigheid van microbiologische criteria voor visserijproducten.

(4)

Het Gemengd Comité van beheer heeft tijdens zijn vergadering op 5 en 6 oktober 2006 een aanbeveling gedaan betreffende de vaststelling van voorschriften voor de invoer in de Gemeenschap van met een sportvisakte gevangen vis uit Canada. Het Gemengd Comité van beheer heeft tijdens zijn vergadering op 5 en 6 oktober 2006 een aanbeveling gedaan betreffende vers vlees om de rechtsgrondslag van de EU- en Canadese normen bij te werken.

(5)

Het Gemengd Comité van beheer heeft tijdens zijn vergadering op 5 en 6 oktober 2006 een aanbeveling gedaan betreffende gehakt vlees om de rechtsgrondslag van de EU-normen bij te werken.

(6)

Het Gemengd Comité van beheer heeft tijdens zijn vergadering op 3 en 4 oktober 2007 een aanbeveling gedaan over de bepaling van de gelijkwaardigheid van de voorschriften inzake de post mortem keuring van vlees van pluimvee.

(7)

Het Gemengd Comité van beheer heeft tijdens zijn vergadering op 27 en 28 april 2005 een aanbeveling gedaan betreffende de mogelijkheid tot invoer uit Canada van levende tweekleppige weekdieren die nog niet een voor de handel geschikte maat hebben bereikt en bestemd zijn voor natte opslag, heruitzetting of zuivering in de Gemeenschap overeenkomstig het Gemeenschapsrecht.

(8)

Als gevolg van die aanbevelingen is het dienstig de desbetreffende delen van bijlage V bij de overeenkomst te wijzigen.

(9)

Krachtens artikel 16, lid 3, van de overeenkomst moeten wijzigingen in de bijlagen bij briefwisseling tussen de partijen worden aangenomen.

(10)

Bijgevolg moeten de aanbevolen wijzigingen in bijlage V bij de overeenkomst namens de Gemeenschap worden goedgekeurd.

(11)

Bij Besluit C(2008) 2633 van de Commissie van 19 juni 2008, dat niet in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, zijn bepaalde wijzigingen in bijlage V bij de overeenkomst aangebracht.

(12)

Het is nodig dat bepaalde aanpassingen van diplomatieke aard worden aangebracht in de tekst van de brieven die zijn opgenomen in de bijlage bij Besluit C(2008) 2633. Voor de duidelijkheid moet dat besluit worden geannuleerd en door dit besluit worden vervangen.

(13)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

BESLUIT:

Artikel 1

Op grond van de aanbevelingen van het Gemengd Comité van beheer dat is ingesteld bij artikel 16, lid 1, van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten, worden de wijzigingen in bijlage V bij die overeenkomst namens de Gemeenschap goedgekeurd.

De tekst van een briefwisseling tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada, waarin die wijzigingen in bijlage V bij die overeenkomst worden vastgesteld, is opgenomen in de bijlage bij dit besluit.

Artikel 2

De directeur-generaal van directoraat-generaal Gezondheid en Consumenten wordt gemachtigd om de brief van de Europese Gemeenschap namens de Gemeenschap te ondertekenen.

Artikel 3

Dit besluit annuleert en vervangt Besluit C(2008) 2633.

Gedaan te Brussel, 26 mei 2009.

Voor de Commissie

Androulla VASSILIOU

Lid van de Commissie


(1)   PB L 71 van 18.3.1999, blz. 1.


BIJLAGE

Briefwisseling over de wijzigingen in bijlage V bij de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten

A.   BRIEF VAN DE EUROPESE GEMEENSCHAP

22 maart 2010

Geachte heer, mevrouw,

Onder verwijzing naar artikel 16, leden 2 en 3, van de op 17 december 1998 in Ottawa gesloten Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten (hierna „de overeenkomst” genoemd) heb ik de eer de volgende wijzigingen in bijlage V bij de overeenkomst voor te stellen overeenkomstig de aanbevelingen van het bij artikel 16, lid 1, van de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité van beheer:

1.

de tabel in punt 6 betreffende vers vlees in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door de tabel in aanhangsel I van deze briefwisseling;

2.

de tabel in punt 11 betreffende visserijproducten voor menselijke consumptie in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door de tabel in aanhangsel II van deze briefwisseling;

3.

de tabel in punt 15 betreffende gehakt vlees in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door de tabel in aanhangsel III van deze briefwisseling;

4.

punt 1 van hoofdstuk II van voetnoot A in bijlage V bij de overeenkomst wordt geschrapt;

5.

punt 1 van hoofdstuk I van voetnoot B in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door:

„Voor vis die is gevangen met een Canadese sportvisakte, waarop de naam van de importeur wordt vermeld, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

—

de vis is tijdens de geldigheidstermijn van de sportvisakte in Canadese viswateren gevangen overeenkomstig de Canadese wettelijke regelingen inzake de sportvisserij en met inachtneming van de vangstlimieten;

—

de vis is overeenkomstig adequate hygiëne- en conserveringsmaatregelen van de ingewanden ontdaan;

—

de vis behoort niet tot een giftige soort of een soort die biotoxines kan bevatten;

—

de vis moet binnen een maand na de uiterste datum van geldigheid van de sportvisakte in de Gemeenschap worden ingevoerd en is niet voor de handel bestemd. Bij het geleidedocument dient een kopie van de sportvisakte te worden gevoegd.”;

6.

de punten 3, 4 en 5 van hoofdstuk I van voetnoot B in bijlage V bij de overeenkomst worden geschrapt;

7.

de punten 1, 2, 3, 4 en 5 van hoofdstuk II van voetnoot B in bijlage V bij de overeenkomst worden geschrapt;

8.

punt 2 van hoofdstuk I van voetnoot C in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door:

„Levende tweekleppige weekdieren die een voor de handel geschikte maat hebben bereikt, moeten bestemd zijn voor menselijke consumptie en niet voor natte opslag, heruitzetting of zuivering in de EG.”.

Ik heb de eer u voor te stellen dat, indien deze brief en de aanhangsels daarvan, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, aanvaardbaar zijn voor uw regering, deze brief en uw bevestiging tezamen een overeenkomst tot wijziging van de overeenkomst vormen, die in werking treedt op de datum van de laatste nota van een uitwisseling van diplomatieke nota’s tussen de regering van Canada en de Europese Gemeenschap, waarin wordt bevestigd dat alle voor de inwerkingtreding van deze briefwisseling vereiste interne procedures zijn voltooid.

Met de meeste hoogachting,

Voor de Europese Gemeenschap

Robert MADELIN

B.   BRIEF VAN DE REGERING VAN CANADA

16 april 2010

Geachte heer, mevrouw,

Ik heb de eer u de ontvangst te bevestigen van uw brief van 22 maart 2010, die als volgt luidt:

„Geachte heer, mevrouw,

Onder verwijzing naar artikel 16, leden 2 en 3, van de op 17 december 1998 in Ottawa gesloten Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap en de regering van Canada inzake sanitaire maatregelen ter bescherming van de volksgezondheid en de diergezondheid bij de handel in levende dieren en dierlijke producten (hierna de „overeenkomst” genoemd) heb ik de eer de volgende wijzigingen in bijlage V bij de overeenkomst voor te stellen overeenkomstig de aanbevelingen van het bij artikel 16, lid 1, van de overeenkomst opgerichte Gemengd Comité van beheer:

1.

de tabel in punt 6 betreffende vers vlees in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door de tabel in aanhangsel I van deze briefwisseling;

2.

de tabel in punt 11 betreffende visserijproducten voor menselijke consumptie in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door de tabel in aanhangsel II van deze briefwisseling;

3.

de tabel in punt 15 betreffende gehakt vlees in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door de tabel in aanhangsel III van deze briefwisseling;

4.

punt 1 van hoofdstuk II van voetnoot A in bijlage V bij de overeenkomst wordt geschrapt;

5.

punt 1 van hoofdstuk I van voetnoot B in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door:

„Voor vis die is gevangen met een Canadese sportvisakte, waarop de naam van de importeur wordt vermeld, moet aan de volgende voorwaarden zijn voldaan:

—

de vis is tijdens de geldigheidstermijn van de sportvisakte in Canadese viswateren gevangen overeenkomstig de Canadese wettelijke regelingen inzake de sportvisserij en met inachtneming van de vangstlimieten;

—

de vis is overeenkomstig adequate hygiëne- en conserveringsmaatregelen van de ingewanden ontdaan;

—

de vis behoort niet tot een giftige soort of een soort die biotoxines kan bevatten;

—

de vis moet binnen een maand na de uiterste datum van geldigheid van de sportvisakte in de Gemeenschap worden ingevoerd en is niet voor de handel bestemd. Bij het geleidedocument dient een kopie van de sportvisakte te worden gevoegd.”;

6.

de punten 3, 4 en 5 van hoofdstuk I van voetnoot B in bijlage V bij de overeenkomst worden geschrapt;

7.

de punten 1, 2, 3, 4 en 5 van hoofdstuk II van voetnoot B in bijlage V bij de overeenkomst worden geschrapt;

8.

punt 2 van hoofdstuk I van voetnoot C in bijlage V bij de overeenkomst wordt vervangen door:

„Levende tweekleppige weekdieren die een voor de handel geschikte maat hebben bereikt, moeten bestemd zijn voor menselijke consumptie en niet voor natte opslag, heruitzetting of zuivering in de EG.”.

Ik heb de eer u voor te stellen dat, indien deze brief en de aanhangsels daarvan, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, aanvaardbaar zijn voor uw regering, deze brief en uw bevestiging tezamen een overeenkomst tot wijziging van de overeenkomst vormen, die in werking treedt op de datum van de laatste nota van een uitwisseling van diplomatieke nota’s tussen de regering van Canada en de Europese Gemeenschap, waarin wordt bevestigd dat alle voor de inwerkingtreding van deze briefwisseling vereiste interne procedures zijn voltooid.”.

Ik heb de eer te bevestigen dat het bovenstaande aanvaardbaar is voor mijn regering en dat uw brief en dit antwoord en de bijgevoegde aanhangsels, waarvan de Engelse en de Franse tekst gelijkelijk authentiek zijn, overeenkomstig uw voorstel tezamen een overeenkomst tot wijziging van de overeenkomst vormen, die in werking treedt op de datum van de laatste nota van een uitwisseling van diplomatieke nota’s tussen de regering van Canada en de Europese Gemeenschap, waarin wordt bevestigd dat alle voor de inwerkingtreding van deze briefwisseling vereiste interne procedures zijn voltooid.

Met de meeste hoogachting,

Voor de bevoegde autoriteit van de regering van Canada

Ross HORNBY

Aanhangsel I

6.   Vers vlees

Product

Uitvoer van de Europese Gemeenschap naar Canada

Uitvoer van Canada naar de Europese Gemeenschap

Handelsvoorwaarden

Equiv. (cat.)

Bijzondere voorwaarden

Acties

Handelsvoorwaarden

Equiv. (Cat)

Bijzondere voorwaarden

Acties

EG-normen

Canadese normen

Canadese normen

EG-normen

Diergezondheid

—

Herkauwers

Richtlijn 2002/99/EG

Verordening (EG) nr. 999/2001

H of A Act and Regs.

Sec 40, 41

Ja (2)

Oorsprongsverklaring

 

H of A Act and Regs.

Richtlijn 2002/99/EG Verordening (EG) nr. 999/2001

Beschikking 79/542/EEG

Ja (3)

 

 

—

Paardachtigen

Richtlijn 2002/99/EG

H of A Act and Regs.

Sec 40, 41

Ja (2)

Oorsprongsverklaring

 

H of A Act and Regs.

Richtlijn 2002/99/EG Beschikking 79/542/EEG

Ja (3)

 

 

—

Varkens

Richtlijn 2002/99/EG

H of A Act and Regs.

Sec 40, 41

Ja (2)

Oorsprongsverklaring

 

H of A Act and Regs.

Richtlijn 2002/99/EG Beschikking 79/542/EEG

Ja (3)

 

 

Volksgezondheid

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004

Meat Inspection Act & Regs.

Food and Drugs Act & Regs.

Consumer Packaging & Labelling Act & Regs. (indien verpakt voor detailverkoop)

Canada Agricultural Products Act & Livestock and Poultry Carcass Grading Regs. (indien rundvlees)

Ja (1)

 

Sommige bepalingen moeten opnieuw worden bezien wanneer de Meat Inspection Regulation wordt gewijzigd.

Meat Inspection Act & Regs.

Food and Drugs Act & Regs.

Consumer Packaging & Labelling Act & Regs. (indien verpakt voor detailverkoop)

Canada Agricultural Products Act & Livestock and Poultry Carcass Grading Regs. (indien rundvlees)

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004

Beschikking 79/542/EEG Beschikking 2005/290/EG

Ja (1)

De punten 2 en 3 onder punt 11.7.3 over de Europese Unie in hoofdstuk 11 van het Meat Hygiene Manual, zoals voorgeschreven in de Canadese Meat Hygiene Directive (nr. 2008/33/EG) (1)

De ante en post mortem bepalingen, de definitie van slachtvarkens en andere hygiënische voorwaarden moeten opnieuw worden bezien wanneer de nieuwe EU-verordeningen inzake levensmiddelenhygiëne worden toegepast.


(1)  http://www.inspection.gc.ca/francais/anima/meavia/mmopmmhv/chap11/eu-uef.shtml voor de Franse versie en

http://www.inspection.gc.ca/english/anima/meavia/mmopmmhv/chap11/eu-uee.shtml voor de Engelse versie.

Aanhangsel II

11.   Visserijproducten en levende tweekleppige weekdieren

Product

Uitvoer van de Europese Gemeenschap naar Canada

Uitvoer van Canada naar de Europese Gemeenschap

Handelsvoorwaarden

Equiv. (Cat)

Bijzondere voorwaarden

Acties

Handelsvoorwaarden

Equiv. (Cat)

Bijzondere voorwaarden

Acties

EG-normen

Canadese normen

Canadese normen

EG-normen

Diergezondheid

1.

Levende aquacultuurdieren en aquacultuurproducten bestemd voor menselijke consumptie of aquacultuur

2.

Dode, van de ingewanden ontdane vis voor menselijke consumptie

3.

Dode, niet van de ingewanden ontdane producten voor menselijke consumptie

4.

Levende viseieren voor aquacultuur

5.

Levende vis voor aquacultuur (inclusief vinvis, weekdieren, schaal- en schelpdieren en andere ongewervelden)

Richtlijn 2006/88/EG

Fish Health Protection Regulations made under the Fisheries Act, R.S.C. 1985, c.F-14

1.

NE

2.

Ja (2)

3.

NE

4.

NE

5.

NE

Gezondheidscertificaat voor vis, afgegeven door een officiële instantie

 

Fish Health Protection Regulations made under the Fisheries Act, R.S.C. 1985, c. F-14

Richtlijn 2006/88/EG

Beschikkingen 2003/858/EG, 2003/804/EG, 2006/656/EG

Verordening (EG) nr. 1251/2008

Verordeningen (EG) nr. 2074/2005, (EG) nr. 1250/2008

1.

NE

2.

Ja (2)

3.

NE

4.

NE

5.

NE

Officieel gezondheidscertificaat

 

Volksgezondheid

—

Vis en visserijproducten voor menselijke consumptie

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004, (EG) nr. 2073/2005

Fish Inspection Regulations made under the Fish Inspection Act, R.S.C., 1985, c. F-12

Food and Drugs Act & Regs.

Consumer Packaging and Labelling Regulations (indien verpakt voor detailverkoop)

Ja (1)

Gerookte vis, verpakt in hermetisch gesloten recipiënten, die niet-bevroren is, moet minstens 9 % zout bevatten (waterfasemethode).

De Canadese en EG-systemen worden geacht een gelijkwaardig beschermingsniveau te bieden m.b.t. de microbiologische voorschriften. De door Canada en de EG gehanteerde criteria voor de controle van eindproducten verschillen echter in bepaalde opzichten. Bij uitvoer moet de exporteur er garant voor staan dat zijn producten aan de criteria van het land van invoer voldoen.

 

Fish Inspection Regulations made under the Fish Inspection Act, R.S.C., 1985, c. F-12

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004, (EG) nr. 2073/2005

Beschikking 2005/290/EG

Ja (1)

Voetnoot B (I)

De Canadese en EG-systemen worden geacht een gelijkwaardig beschermingsniveau te bieden m.b.t. de microbiologische voorschriften. De door Canada en de EG gehanteerde criteria voor de controle van eindproducten verschillen echter in bepaalde opzichten. Bij uitvoer moet de exporteur er garant voor staan dat zijn producten aan de criteria van het land van invoer voldoen.

Health Canada moet worden verzocht om prioriteit te geven aan de herziening van de verordeningen betreffende gerookte vis

—

Levende tweekleppige weekdieren voor menselijke consumptie, inclusief stekelhuidigen, manteldieren en mariene buikpotigen

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004

Fish Inspection Regulations made under the Fish Inspection Act, R.S.C., 1985, c. F-12 Food and Drugs Act and Regulations

Ja (2)

Voetnoot C (ii)

De EG zal een lijst van erkende verzendingscentra overleggen. De EG verzoekt Canada de huidige grenswaarden voor contaminanten te onderzoeken om gelijkwaardigheid te beoordelen

Fish Inspection Regulations made under the Fish Act, R.S.C., 1985, c. F-12

Management of Contaminated Fisheries

Regulations made under the Fisheries Act, R.S.C. 1985, c. F-14

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004, (EG) nr. 2074/2005

Ja (2)

Voetnoot C (ii)

Officieel certificaat

De gelijkwaardigheid van de bacteriologische kwaliteit evalueren aan de hand van kweekwater versus vlees van schaal- en schelpdieren

Canada zal een lijst van erkende verwerkingsinrichtingen verstrekken

Aanhangsel III

15.   Gehakt vlees

Product

Uitvoer van de Europese Gemeenschap naar Canada

Uitvoer van Canada naar de Europese Gemeenschap

Handelsvoorwaarden

Equiv. (Cat)

Bijzondere voorwaarden

Acties

Handelsvoorwaarden

Equiv. (Cat)

Bijzondere voorwaarden

Acties

EG-normen

Canadese normen

Canadese normen

EG-normen

Diergezondheid

—

Herkauwers

Richtlijn 2002/99/EG

H of A Act and Regs.

Sec 40-52

Ja (3)

Als omschreven in de „Meat Inspection Regulations”

 

H of A Act and Regs

Richtlijn 2002/99/EG

Beschikking 79/542/EEG

Ja (3)

 

 

—

Varkens

Richtlijn 2002/99/EG

H of A Act and Regs.

Sec 40-52

Ja (3)

Als omschreven in de „Meat Inspection Regulations”

 

H of A Act and Regs

Richtlijn 2002/99/EG

Beschikking 79/542/EEG

Ja (3)

 

 

—

Paardachtigen

Richtlijn 2002/99/EG

H of A Act and Regs.

Sec 40-52

Ja (3)

 

 

H of A Act and Regs

Richtlijn 2002/99/EG

Ja (3)

 

 

—

Pluimvee/ vrij wild/ gekweekt wild

Richtlijn 2002/99/EG

H of A Act and Regs.

Sec 40-52

Ja (3)

 

 

H of A Act and Regs

Richtlijn 2002/99/EG

Ja (3)

 

 

Volksgezondheid

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004

Meat Inspection Act & Regs.

Food and Drugs Act & Regs

Consumer Packaging and Labelling Act & Regs. (indien verpakt voor detailverkoop)

Ja (2)

Geen handel in gehakt vlees van vrij wild

 

Meat Inspection Act & Regs.

Food and Drugs Act & Regs.

Consumer Packaging and Labelling Act & Regs. (indien verpakt voor detailverkoop)

Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004, (EG) nr. 854/2004

Beschikking 79/542/EEG

Ja (3)

Voetnoot A (I)