|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2013.171.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 171 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
56e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN |
|
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN
|
24.6.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 171/1 |
Voor het internationaal publiekrecht hebben alleen de originele VN/ECE-teksten rechtsgevolgen. Voor de status en de datum van inwerkingtreding van dit reglement, zie de recentste versie van het VN/ECE-statusdocument TRANS/WP.29/343 op:
http://www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29fdocstts.html
Reglement nr. 49 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) — Uniforme bepalingen met betrekking tot de maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door voor voertuigen bestemde compressieontstekingsmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren
Bevat alle geldige tekst tot en met:
|
|
Wijzigingenreeks 06 - Datum van inwerkingtreding: 27 januari 2013 |
|
|
Supplement 1 op wijzigingenreeks 06 - Datum van inwerkingtreding: 15 juli 2013 |
|
|
Corrigendum op supplement 1 op wijzigingenreeks 06 - Datum van inwerkingtreding: 15 juli 2013 |
INHOUD
|
1. |
Toepassingsgebied |
|
2. |
Definities |
|
3. |
Goedkeuringsaanvraag |
|
4. |
Goedkeuring |
|
5. |
Voorschriften en tests |
|
6. |
Installatie in het voertuig |
|
7. |
Motorenfamilie |
|
8. |
Conformiteit van de productie |
|
9. |
Conformiteit van in gebruik zijnde voertuigen/motoren |
|
10. |
Sancties bij non-conformiteit van de productie |
|
11. |
Wijziging en uitbreiding van de goedkeuring van het goedgekeurde type |
|
12. |
Definitieve stopzetting van de productie |
|
13. |
Overgangsbepalingen |
|
14. |
Naam en adres van de voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijke technische diensten en van de typegoedkeuringsinstanties |
AANHANGSELS
|
1 |
Procedure om de conformiteit van de productie te testen wanneer de standaardafwijking aanvaardbaar is |
|
2 |
Procedure om de conformiteit van de productie te testen wanneer de standaardafwijking onaanvaardbaar of niet beschikbaar is |
|
3 |
Procedure om de conformiteit van de productie op verzoek van de fabrikant te testen |
|
4 |
Samenvatting van het goedkeuringsproces bij aardgasmotoren, lpg-motoren en dual-fuelmotoren op aardgas/biomethaan of lpg |
BIJLAGEN
|
1 |
Modellen van het inlichtingenformulier |
|
2A |
Mededeling betreffende de goedkeuring van een motortype of motorenfamilie als technische eenheid wat de emissie van verontreinigende stoffen betreft, krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06 |
|
2B |
Mededeling betreffende de goedkeuring van een voertuigtype met een goedgekeurde motor wat de emissie van verontreinigende stoffen betreft, krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06 |
|
2C |
Mededeling betreffende de goedkeuring van een voertuigtype wat de emissie van verontreinigende stoffen betreft, krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06 |
|
3 |
Opstelling van goedkeuringsmerken |
|
4 |
Testprocedure |
|
5 |
Specificaties van referentiebrandstoffen |
|
6 |
Emissiegegevens die bij de typegoedkeuring vereist zijn voor de technische keuring - Meten van de koolmonoxide-emissies bij stationair toerental |
|
7 |
Controle van de duurzaamheid van motorsystemen |
|
8 |
Conformiteit van in gebruik zijnde motoren of voertuigen |
|
9A |
Boorddiagnosesystemen (OBD-systemen) |
|
9B |
Technische voorschriften voor boorddiagnosesystemen (OBD-systemen) |
|
9C |
Technische voorschriften voor de beoordeling van de prestaties tijdens het gebruik van boorddiagnosesystemen (OBD-systemen) |
|
10 |
Voorschriften om de emissies buiten de cyclus en de emissies tijdens het gebruik te beperken |
|
11 |
Voorschriften om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen |
|
12 |
CO2-emissies en brandstofverbruik |
|
13 |
Typegoedkeuring van vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid |
|
14 |
Toegang tot de OBD-informatie van het voertuig |
|
15 |
Technische voorschriften voor dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen op diesel/gas |
1. TOEPASSINGSGEBIED
1.1. Dit reglement is van toepassing op motorvoertuigen van de categorieën M1, M2, N1 en N2 met een referentiemassa van meer dan 2 610 kg en op alle motorvoertuigen van de categorieën M3 en N3 (1).
Op verzoek van de fabrikant wordt de krachtens dit reglement voor een voltooid voertuig verleende typegoedkeuring tot het desbetreffende incomplete voertuig met een referentiemassa van minder dan 2 610 kg uitgebreid. Typegoedkeuringen worden uitgebreid als de fabrikant kan aantonen dat alle carrosseriecombinaties die naar verwachting op het incomplete voertuig zullen worden gebouwd, de referentiemassa van het voertuig tot meer dan 2 610 kg doen toenemen.
Op verzoek van de fabrikant wordt de krachtens dit reglement voor een voertuig verleende typegoedkeuring tot de varianten en uitvoeringen ervan met een referentiemassa van meer dan 2 380 kg uitgebreid mits zij eveneens voldoen aan de voorschriften voor het meten van de broeikasgasemissies en het brandstofverbruik overeenkomstig punt 4.2.
1.2. Gelijkwaardige goedkeuringen
Hoeven niet krachtens dit reglement te worden goedgekeurd: motoren die zijn gemonteerd in voertuigen met een referentiemassa van maximaal 2 840 kg en waarvoor krachtens Reglement nr. 83 goedkeuring is verleend in de vorm van een uitbreiding.
2. DEFINITIES
Voor de toepassing van dit reglement gelden de volgende definities:
|
2.1. |
"verouderingscyclus": voorgeschreven gebruik van het voertuig of de motor (toerental, belasting, vermogen) tijdens de bedrijfsaccumulatieperiode; |
|
2.2. |
"goedkeuring van een motor (motorenfamilie)": goedkeuring van een motortype (motorenfamilie) wat het emissieniveau van verontreinigende gassen en deeltjes en rook en het boorddiagnosesysteem (OBD-systeem) betreft; |
|
2.3. |
"goedkeuring van een voertuig": goedkeuring van een voertuigtype wat de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes en rook door de motor, het boorddiagnosesysteem (OBD-systeem) en de installatie van de motor in het voertuig betreft; |
|
2.4. |
"aanvullende emissiestrategie (AES)": emissiestrategie die met een specifiek doel en naar aanleiding van een specifieke reeks omgevings- en/of bedrijfsomstandigheden actief wordt en een primaire emissiestrategie vervangt of wijzigt, en alleen operationeel blijft zolang deze omstandigheden zich voordoen; |
|
2.5. |
"primaire emissiestrategie (Base Emission Strategy - BES)": emissiestrategie die over het hele toerental- en belastingsbereik van de motor actief is, tenzij een AES wordt geactiveerd; |
|
2.6. |
"continue regeneratie": regeneratieproces van een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat permanent of ten minste één keer per warmestarttest van de wereldwijd geharmoniseerde transiënte rijcyclus (WHTC-warmestarttest) plaatsvindt; |
|
2.7. |
"motorcarter": de ruimten binnen of buiten de motor die met het oliecarter zijn verbonden door in- of uitwendige verbindingen waardoor gassen en dampen kunnen ontsnappen; |
|
2.8. |
"kritische emissiegerelateerde onderdelen": de volgende onderdelen die hoofdzakelijk zijn ontworpen voor emissiebeheersing: uitlaatgasnabehandelingssystemen, de elektronische regeleenheid (electronic control unit - ECU) en bijbehorende sensoren en actuatoren en het uitlaatgasrecirculatiesysteem (EGR-systeem) met alle bijbehorende filters, koelers, regelkleppen en buizen; |
|
2.9. |
"kritisch emissiegerelateerd onderhoud": onderhoud dat op kritische emissiegerelateerde onderdelen moet worden uitgevoerd; |
|
2.10. |
"manipulatiestrategie": emissiestrategie die niet aan de prestatievoorschriften voor een primaire en/of aanvullende emissiestrategie in deze bijlage voldoet; |
|
2.11. |
"deNOx-systeem": uitlaatgasnabehandelingssysteem dat de emissies van stikstofoxiden (NOx) moet verminderen (bv. passieve en actieve lean NOx-katalysatoren, NOx-adsorptiesystemen en systemen voor selectieve katalytische reductie (SCR-systemen)); |
|
2.12. |
"diagnosefoutcode (Diagnostic trouble code - DTC)": numerieke of alfanumerieke identificatiecode die een storing identificeert of kwalificeert; |
|
2.13. |
"dieselmodus": de normale bedrijfsmodus van een dual-fuelmotor waarin de motor voor geen enkele motorbedrijfsomstandigheid gasvormige brandstof gebruikt; |
|
2.14. |
"rijcyclus": sequentie bestaande uit het starten van de motor, een gebruiksperiode (van het voertuig), het uitzetten van de motor en de periode totdat de motor opnieuw wordt gestart; |
|
2.15. |
"dual-fuelmotor": een motorsysteem dat is ontworpen om tegelijkertijd met diesel en een gasvormige brandstof te werken, waarbij beide brandstoffen apart worden gedoseerd en de verbruikte hoeveelheid van een van de brandstoffen ten opzichte van de andere kan variëren naargelang de bedrijfsomstandigheden; |
|
2.16. |
"dual-fuelmodus": de normale bedrijfsmodus van een dual-fuelmotor waarin de motor in bepaalde bedrijfsomstandigheden tegelijkertijd diesel en een gasvormige brandstof gebruikt; |
|
2.17. |
"dual-fuelvoertuig": een voertuig dat door een dual-fuelmotor wordt aangedreven en waarbij de motorbrandstoffen uit afzonderlijke opslagsystemen binnen het voertuig worden geput; |
|
2.18. |
"constructie-element" met betrekking tot een voertuig of motor:
|
|
2.19. |
"bewakingssysteem van de emissiebeheersing": systeem dat overeenkomstig punt 5.5 de correcte werking van de in het motorsysteem toegepaste NOx-beperkingsmaatregelen garandeert; " emissiebeheersingssysteem ": constructie-elementen en emissiestrategieën die zijn ontwikkeld of gekalibreerd om de emissies te beheersen; |
|
2.20. |
"emissiegerelateerd onderhoud": onderhoud dat de emissies aanzienlijk beïnvloedt of de verslechtering van de emissies van het voertuig of de motor bij normaal gebruik wellicht zal beïnvloeden; |
|
2.21. |
"emissiestrategie": in het algemene ontwerp van een motorsysteem of voertuig opgenomen en voor emissiebeheersing gebruikt constructie-element of stel constructie-elementen; |
|
2.22. |
"familie van motornabehandelingssystemen": door de fabrikant gemaakte indeling van motoren die aan de definitie van motorenfamilie voldoen, maar die verder worden ingedeeld in motoren met nagenoeg hetzelfde uitlaatgasnabehandelingssysteem; |
|
2.23. |
"motorenfamilie": door de fabrikant gemaakte indeling van motoren die door hun ontwerp zoals gedefinieerd in punt 7, nagenoeg dezelfde uitlaatgasemissie-eigenschappen bezitten; |
|
2.24. |
"motorsysteem": de motor, het emissiebeheersingssysteem en de communicatie-interface (hardware en berichten) tussen de elektronische regeleenheid of -eenheden van het motorsysteem (ECU) en elke andere regeleenheid van de aandrijflijn of het voertuig; |
|
2.25. |
"starten van de motor": omvat het contact in de stand "on", het aanslingeren en starten van de verbranding en eindigt wanneer het motortoerental 150 min-1 onder het normale stationaire toerental met opgewarmde motor ligt; |
|
2.26. |
"motortype": een categorie motoren waarvan de in bijlage 1 beschreven essentiële kenmerken niet verschillen; |
|
2.27. |
"uitlaatgasnabehandelingssysteem": een oxidatie-, drieweg- of andere katalysator, een deeltjesfilter, een deNOx-systeem, een combinatie deNOx-systeem/deeltjesfilter of elke andere emissiebeheersingsvoorziening die voorbij de motor is geïnstalleerd; |
|
2.28. |
"verontreinigende gassen": de uitlaatgasemissies van koolmonoxide, NOx (uitgedrukt in NO2-equivalent) en koolwaterstoffen (d.w.z. totaal aan koolwaterstoffen, andere koolwaterstoffen dan methaan en methaan); |
|
2.29. |
"algemene noemer": variabele die aangeeft hoe vaak een voertuig heeft gewerkt, rekening houdend met de algemene voorwaarden; |
|
2.30. |
"groep bewakingsfuncties": reeks OBD-bewakingsfuncties die moet bepalen of het emissiebeheersingssysteem correct functioneert om zo de prestaties van een OBD-motorenfamilie tijdens het gebruik te beoordelen; |
|
2.31. |
"ontstekingscyclusteller": variabele die aangeeft hoe vaak de motor van het voertuig is gestart; |
|
2.32. |
"prestatieratio tijdens het gebruik (In-Use performance ratio - IUPR)": verhouding tussen het aantal keren dat de voorwaarden zich hebben voorgedaan waaronder een bewakingsfunctie of groep bewakingsfuncties een storing had moeten detecteren, en het voor de werking van die bewakingsfunctie of groep bewakingsfuncties relevante aantal rijcycli; |
|
2.33. |
"laag toerental (nlo )": laagste motortoerental waarbij 50% van het opgegeven maximumvermogen wordt ontwikkeld; |
|
2.34. |
"storing": gebrek of verslechtering van een motorsysteem, inclusief het OBD-systeem, waarvan redelijkerwijs kan worden verwacht dat daardoor de door het motorsysteem uitgestoten gereglementeerde verontreinigende stoffen zullen toenemen of de doeltreffendheid van het OBD-systeem zal verminderen; |
|
2.35. |
"storingsindicator (Malfunction indicator - MI)": indicator die deel uitmaakt van het waarschuwingssysteem en de bestuurder van het voertuig duidelijk op een storing attendeert; |
|
2.36. |
"fabrikant": persoon of instantie die jegens de typegoedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van de typegoedkeurings- of vergunningsprocedure en voor het waarborgen van de conformiteit van de productie. Die persoon of instantie hoeft niet direct betrokken te zijn bij alle fasen van de bouw van het voertuig, het systeem, het onderdeel of de technische eenheid waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd; |
|
2.37. |
"maximaal nettovermogen": maximumwaarde van het nettovermogen, gemeten bij volle belasting van de motor; |
|
2.38. |
"nettovermogen": vermogen dat onder atmosferische referentieomstandigheden op een testbank aan het uiteinde van de krukas wordt verkregen of het equivalent ervan bij het overeenkomstige toerental, met de in VN/ECE-Reglement nr. 85 vermelde hulpaggregaten; |
|
2.39. |
"niet-emissiegerelateerd onderhoud": onderhoud dat de emissies niet aanzienlijk beïnvloedt en geen blijvend effect heeft op de verslechtering van de emissies van het voertuig of de motor bij normaal gebruik nadat het onderhoud heeft plaatsgevonden; |
|
2.40. |
"boorddiagnosesysteem (OBD-systeem)": systeem binnen een voertuig of motor dat in staat is:
|
|
2.41. |
"OBD-motorenfamilie": een door de fabrikant gemaakte indeling van motorsystemen met dezelfde methoden voor bewaking en diagnose van emissiegerelateerde storingen; |
|
2.42. |
"werkingssequentie": sequentie die bestaat uit het starten van de motor, een werkingsperiode (van de motor), het uitzetten van de motor en de periode tot het opnieuw starten ervan, waarbij een specifieke OBD-bewakingsfunctie volledig wordt uitgevoerd en een eventuele storing zou worden gedetecteerd; |
|
2.43. |
"originele voorziening voor verontreinigingsbeheersing": voorziening voor verontreinigingsbeheersing of combinatie van dergelijke voorzieningen die onder de voor het voertuig in kwestie verleende typegoedkeuring valt; |
|
2.44. |
"oudermotor": motor die op zodanige wijze uit een motorenfamilie is geselecteerd dat de emissie-eigenschappen ervan representatief zijn voor die motorenfamilie; |
|
2.45. |
"deeltjesnabehandelingsvoorziening": uitlaatgasnabehandelingssysteem dat door mechanische of aerodynamische scheiding of scheiding door diffusie of traagheid de emissie van verontreinigende deeltjes moet verminderen; |
|
2.46. |
"deeltjesmateriaal (Particulate matter - PM)": materiaal dat verzameld wordt op een gespecificeerd filtermedium na verdunning van het uitlaatgas met een schoon, gefiltreerd verdunningsmiddel bij een temperatuur tussen 315 K (42°C) en 325 K (52°C). Dit bestaat voornamelijk uit koolstof, gecondenseerde koolwaterstoffen en sulfaten met geassocieerd water; |
|
2.47. |
"% belasting": deel van het beschikbare maximumkoppel bij een bepaald motortoerental; |
|
2.48. |
"prestatiebewaking": storingsbewaking, door functionaliteitscontroles en bewaking van parameters die geen direct verband houden met emissiegrenzen, op onderdelen of systemen om te controleren of zij binnen het juiste bereik functioneren; |
|
2.49. |
"periodieke regeneratie": het regeneratieproces van een emissiebeheersingsvoorziening, dat periodiek plaatsvindt nadat de motor minder dan 100 uur normaal heeft gewerkt; |
|
2.50. |
"draagbaar emissiemeetsysteem (Portable emissions measurement system - PEMS)": draagbaar emissiemeetsysteem dat voldoet aan aanhangsel 2 van bijlage 8; |
|
2.51. |
"vermogensafname-eenheid": door de motor aangedreven outputvoorziening om op het voertuig gemonteerde hulpapparatuur van energie te voorzien; |
|
2.52. |
"gekwalificeerd beschadigd onderdeel of systeem (Qualified deteriorated component or system - QDC)": onderdeel of systeem dat met opzet is beschadigd, bijvoorbeeld door versnelde veroudering of gecontroleerde manipulatie, en dat overeenkomstig punt 6.3.2 van bijlage 9B en punt A.8.2.2 van aanhangsel 8 van bijlage 9B door de typegoedkeuringsinstantie is geaccepteerd om de OBD-prestaties van het motorsysteem aan te tonen; |
|
2.53. |
"reagens": elk medium dat binnen het voertuig in een tank is opgeslagen en zo nodig op verzoek van het emissiebeheersingssysteem aan het uitlaatgasnabehandelingssysteem wordt verstrekt; |
|
2.54. |
"herkalibratie": bijstelling van een aardgasmotor om dezelfde prestaties (vermogen, brandstofverbruik) te leveren bij aardgas uit een andere groep; |
|
2.55. |
"referentiemassa": massa van het voertuig in rijklare toestand, min de uniforme massa van de bestuurder (75 kg), plus een uniforme massa van 100 kg; |
|
2.56. |
"vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing": voorziening voor verontreinigingsbeheersing of samenstel van dergelijke voorzieningen die of dat bedoeld is om een originele voorziening voor verontreinigingsbeheersing te vervangen en als technische eenheid kan worden goedgekeurd; |
|
2.57. |
"scanner": extern testapparaat dat wordt gebruikt voor gestandaardiseerde communicatie buiten het voertuig met het OBD-systeem volgens de voorschriften van dit reglement; |
|
2.58. |
"bedrijfsaccumulatieschema": de verouderingscyclus en de bedrijfsaccumulatieperiode om de verslechteringsfactoren voor de familie van motornabehandelingssystemen vast te stellen; |
|
2.59. |
"servicemodus": een speciale modus van een dual-fuelmotor die wordt geactiveerd om reparaties uit te voeren of om het voertuig uit het verkeer te verwijderen wanneer de werking in dual-fuelmodus niet mogelijk is (2). |
|
2.60. |
"uitlaatemissies": emissie van verontreinigende gassen en deeltjes; |
|
2.61. |
"manipulatie": inactivering, bijstelling of wijziging van het emissiebeheersings- of aandrijfsysteem van het voertuig, inclusief software of andere logische besturingselementen van die systemen, met als al dan niet bedoeld gevolg dat de emissieprestaties van het voertuig slechter worden; |
|
2.62. |
"ledige massa": de massa van het voertuig in rijklare toestand, zonder de uniforme massa van de bestuurder (75 kg), passagiers of lading, maar met een voor 90% gevulde brandstoftank en het gebruikelijke gereedschap en reservewiel in het voertuig, indien van toepassing; |
|
2.63. |
"nuttige levensduur": de relevante afstand en/of tijd waarvoor aan de relevante emissiegrenswaarden voor gassen en deeltjes moet worden voldaan; |
|
2.64. |
"voertuigtype wat emissies betreft": groep voertuigen waarvan de in bijlage 1 beschreven essentiële motor- en voertuigkenmerken niet verschillen; |
|
2.65. |
"wall-flow dieseldeeltjesfilter": dieseldeeltjesfilter (Diesel Particulate Filter - DPF) waarin al het uitlaatgas wordt gedwongen door een wand te stromen die de vaste deeltjes wegfiltreert; |
|
2.66. |
"Wobbe-index (onderste Wl of bovenste Wu )": verhouding tussen de overeenkomstige calorische waarde van een gas per volume-eenheid en de vierkantswortel van de relatieve dichtheid van het gas onder dezelfde referentieomstandigheden:
|
|
2.67. |
"λ-verschuivingsfactor (Sλ )": uitdrukking die de vereiste flexibiliteit van het motormanagementsysteem beschrijft bij een verandering van de verhouding λ (overmaat lucht) indien de motor op een gas met een andere samenstelling dan puur methaan loopt (zie aanhangsel 5 van bijlage 4 voor de berekening van Sλ). |
3. GOEDKEURINGSAANVRAAG
3.1. Aanvraag voor typegoedkeuring van een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid
|
3.1.1. |
De fabrikant of zijn gemachtigde vertegenwoordiger dient bij de typegoedkeuringsinstantie een aanvraag in voor typegoedkeuring van een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid. |
|
3.1.2. |
De in punt 3.1.1 bedoelde aanvraag moet worden opgesteld volgens het model van het inlichtingenformulier in bijlage 1. Daarop is deel 1 van bijlage 1 van toepassing. |
|
3.1.3. |
De fabrikant moet bij de aanvraag een documentatiepakket voegen met de volledige uitleg over alle constructie-elementen die van invloed zijn op de emissies, de emissiebeheersingsstrategie van het motorsysteem, de middelen waarmee het motorsysteem de outputvariabelen regelt die de emissies beïnvloeden, met het antwoord op de vraag of die regeling direct of indirect is, alsook met een volledige uitleg over het krachtens de punten 4 en 5 van bijlage 11 verplichte waarschuwings- en aansporingssysteem. Het documentatiepakket moet bestaan uit de volgende delen, inclusief de in punt 5.1.4 beschreven informatie:
|
|
3.1.4. |
Behalve de in punt 3.1.3 bedoelde informatie moet de fabrikant de volgende gegevens verstrekken:
|
|
3.1.5. |
De fabrikant stelt de voor de typegoedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst een motor of, in voorkomend geval, een oudermotor ter beschikking die representatief is voor het goed te keuren type. |
|
3.1.6. |
Na een typegoedkeuring aangebrachte wijzigingen in de fabricage van een systeem, onderdeel of technische eenheid maken een typegoedkeuring niet automatisch ongeldig, tenzij de originele kenmerken of technische parameters ervan zodanig zijn veranderd dat de functionaliteit van het motor- of verontreinigingsbeheersingssysteem daar hinder van ondervindt. |
3.2. Aanvraag voor typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies betreft
|
3.2.1. |
De fabrikant of zijn gemachtigde vertegenwoordiger dient bij de typegoedkeuringsinstantie een aanvraag in voor typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies betreft. |
|
3.2.2. |
De in punt 3.2.1 bedoelde aanvraag moet worden opgesteld volgens het model van het inlichtingenformulier in deel 2 van bijlage 1. Zij moet vergezeld gaan van een kopie van het typegoedkeuringscertificaat voor het motorsysteem of de motorenfamilie als technische eenheid. |
|
3.2.3. |
De fabrikant moet een documentatiepakket verstrekken met een volledige uitleg over de elementen van het waarschuwings- en aansporingssysteem dat zich in het voertuig bevindt en krachtens bijlage 11 verplicht is. Dit documentatiepakket moet worden verstrekt overeenkomstig punt 3.1.3. |
|
3.2.4. |
Behalve de in punt 3.2.3 bedoelde informatie moet de fabrikant de volgende gegevens vertrekken:
|
|
3.2.5. |
Na een typegoedkeuring aangebrachte wijzigingen in de fabricage van een systeem, onderdeel of technische eenheid maken een typegoedkeuring niet automatisch ongeldig, tenzij de originele kenmerken of technische parameters ervan zodanig zijn veranderd dat de functionaliteit van het motor- of verontreinigingsbeheersingssysteem daar hinder van ondervindt. |
3.3. Aanvraag voor typegoedkeuring van een voertuig wat emissies betreft
|
3.3.1. |
De fabrikant of zijn gemachtigde vertegenwoordiger dient bij de typegoedkeuringsinstantie een aanvraag in voor typegoedkeuring van een voertuig wat emissies betreft. |
|
3.3.2. |
De in punt 3.3.1 bedoelde aanvraag moet worden opgesteld volgens het model van het inlichtingenformulier in bijlage 1. Daarop zijn de delen 1 en 2 van die bijlage van toepassing. |
|
3.3.3. |
De fabrikant moet een documentatiepakket verstrekken met de volledige uitleg over alle constructie-elementen die van invloed zijn op de emissies, de emissiebeheersingsstrategie van het motorsysteem, de middelen waarmee het motorsysteem de outputvariabelen regelt die de emissies beïnvloeden, met het antwoord op de vraag of die regeling direct of indirect is, alsook met een volledige uitleg over het krachtens bijlage 11 verplichte waarschuwings- en aansporingssysteem. Dit documentatiepakket moet worden verstrekt overeenkomstig punt 3.1.3. |
|
3.3.4. |
Behalve de in punt 3.3.3 bedoelde informatie moet de fabrikant de in punt 3.1.4, onder a) tot en met h), en in punt 3.2.4, onder a) tot en met d), verlangde gegevens verstrekken. |
|
3.3.5. |
De fabrikant moet de voor de typegoedkeuringstests verantwoordelijke technische dienst een motor ter beschikking die representatief is voor het goed te keuren type. |
|
3.3.6. |
Na een typegoedkeuring aangebrachte wijzigingen in de fabricage van een systeem, onderdeel of technische eenheid maken een typegoedkeuring niet automatisch ongeldig, tenzij de originele kenmerken of technische parameters ervan zodanig zijn veranderd dat de functionaliteit van het motor- of verontreinigingsbeheersingssysteem daar hinder van ondervindt. |
3.4. Aanvraag voor typegoedkeuring van een type vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid
|
3.4.1. |
De fabrikant moet bij de typegoedkeuringsinstantie een aanvraag voor typegoedkeuring van een type vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid indienen. |
|
3.4.2. |
De aanvraag moet worden opgesteld volgens het model van het inlichtingenformulier in aanhangsel 1 van bijlage 13. |
|
3.4.3. |
De fabrikant moet een verklaring indienen dat wordt voldaan aan de voorschriften voor de toegang tot OBD-informatie. |
|
3.4.4. |
De fabrikant moet aan de voor de uitvoering van de typegoedkeuringstest verantwoordelijke technische dienst het volgende ter beschikking stellen:
|
|
3.4.5. |
Voor de toepassing van punt 3.4.4, onder a), moeten de testmotoren door de aanvrager met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie worden geselecteerd.
De testomstandigheden moeten voldoen aan punt 6 van bijlage 4. De testmotoren moeten voldoen aan de volgende voorschriften:
|
|
3.4.6. |
Voor de toepassing van punt 3.4.4, onder b) en c), moeten de handelsnaam of het handelsmerk van de aanvrager en de handelsbenaming goed leesbaar en onuitwisbaar op het monster worden aangebracht. |
|
3.4.7. |
Voor de toepassing van punt 3.4.4, onder c), moet het monster een gekwalificeerd beschadigd onderdeel zijn. |
4. GOEDKEURING
4.1. Om typegoedkeuring te verkrijgen voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid, voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies betreft of voor een voertuig wat emissies betreft, moet de fabrikant overeenkomstig de bepalingen van dit reglement aantonen dat de voertuigen of motorsystemen aan de tests zijn onderworpen en voldoen aan punt 5 en aan de bijlagen 4, 6, 7, 9A, 9B, 9C, 10, 11 en 12. De fabrikant moet ook garanderen dat de specificaties van de referentiebrandstoffen in bijlage 5 in acht zijn genomen.
Om typegoedkeuring te verkrijgen voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies betreft of voor een voertuig wat emissies betreft, moet de fabrikant garanderen dat de installatievoorschriften van punt 6 worden nageleefd.
4.2. Om een uitbreiding te verkrijgen van de typegoedkeuring wat emissies betreft van een voertuig met een referentiemassa van meer dan 2 380 kg, maar niet meer dan 2 610 kg waarvoor krachtens dit reglement typegoedkeuring is verleend, moet de fabrikant de voorschriften in aanhangsel 1 van bijlage 12 naleven.
4.3. Om typegoedkeuring te verkrijgen voor een dual-fuelmotor of dual-fuelmotorenfamilie als technische eenheid, voor een dual-fuelvoertuig met een goedgekeurde dual-fuelmotor wat emissies betreft, of voor een dual-fuelvoertuig wat emissies betreft, moet de fabrikant, naast de voorschriften van punt 4.1, aantonen dat het dual-fuelvoertuig of de dual-fuelmotor aan de tests is onderworpen en voldoet aan de voorschriften van bijlage 15.
4.4. Voorbehouden (3)
4.5. Om typegoedkeuring te verkrijgen voor een motorsysteem of motorenfamilie als technische eenheid of voor een voertuig wat emissies betreft, moet de fabrikant garanderen dat de voorschriften van punt 4.6 inzake het aantal brandstoffen voor multibrandstofgoedkeuring of, bij een elektrische-ontstekingsmotor op aardgas en lpg, voor goedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen worden nageleefd.
4.5.1. Aanhangsel 4 bevat tabellen met een samenvatting van de voorschriften voor de goedkeuring van aardgasmotoren, lpg-motoren en dual-fuelmotoren.
4.6. Voorschriften voor multibrandstoftypegoedkeuring
Multibrandstofgoedkeuring wordt verleend overeenkomstig de punten 4.6.1 tot en met 4.6.6.1.
4.6.1. De oudermotor moet voldoen aan de voorschriften van dit reglement voor de geschikte referentiebrandstoffen die zijn gespecificeerd in bijlage 5. Voor motoren op aardgas/biomethaan (inclusief dual-fuelmotoren) gelden specifieke voorschriften die zijn vastgelegd in punt 4.6.3.
4.6.2. Indien de fabrikant toestaat de motorenfamilie te laten lopen op in de handel verkrijgbare brandstoffen die niet onder de referentiebrandstoffen van bijlage 5 of de desbetreffende norm (bv. EN 228 CEN voor loodvrije benzine en EN 590 CEN voor diesel) vallen, zoals B100, moet de fabrikant naast de voorschriften van punt 4.6.1:
|
a) |
in punt 3.2.2.2.1 van deel 1 van bijlage 1 aangeven op welke brandstoffen de motorenfamilie kan lopen; |
|
b) |
aantonen dat de oudermotor voor de aangegeven brandstoffen aan de voorschriften van dit reglement kan voldoen; |
|
c) |
ervoor instaan dat aan de voorschriften van punt 9 inzake conformiteit tijdens het gebruik wordt voldaan voor de aangegeven brandstoffen, inclusief alle mengsels van die brandstoffen met de in de handel verkrijgbare brandstoffen en de geldende normen. |
4.6.3. Bij een motor op aardgas/biomethaan moet de fabrikant aantonen dat de oudermotor zich aan alle in de handel voorkomende brandstofsamenstellingen kan aanpassen.
4.6.3.1. Bij gecomprimeerd aardgas/biomethaan (cng) zijn er over het algemeen twee typen brandstof: brandstof met een hoge verbrandingswaarde (H-gas) en brandstof met een lage verbrandingswaarde (L-gas), maar met aanzienlijke variaties binnen beide groepen; zij vertonen sterke verschillen qua energie-inhoud (uitgedrukt door de Wobbe-index) en λ-verschuivingsfactor (Sλ). Aardgas met een λ-verschuivingsfactor tussen 0,89 en 1,08 (0,89 ≤ Sλ ≤ 1,08) wordt geacht tot groep H te behoren, terwijl aardgas met een λ-verschuivingsfactor tussen 1,08 en 1,19 (1,08 ≤ Sλ ≤ 1,19) wordt geacht tot groep L te behoren. In de samenstelling van de referentiebrandstoffen is rekening gehouden met de extreme variaties van Sλ.
De oudermotor moet voldoen aan de voorschriften van dit reglement voor de referentiebrandstoffen GR (brandstof 1) en G25 (brandstof 2), zoals gespecificeerd in bijlage 5, zonder dat het motorbrandstoftoevoersysteem tussen de twee tests handmatig wordt bijgesteld (de aanpassing moet automatisch zijn). De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing moet de motor worden afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4.
|
4.6.3.1.1. |
Op verzoek van de fabrikant mag de motor met een derde brandstof (brandstof 3) worden getest als de λ-verschuivingsfactor (Sλ) tussen 0,89 (de ondergrens van GR) en 1,19 (de bovengrens van G25) ligt, bv. wanneer brandstof 3 een in de handel verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de conformiteit van de productie. |
4.6.3.2. Bij vloeibaar aardgas/vloeibaar biomethaan (lng) moet de oudermotor voldoen aan de voorschriften van dit reglement voor de referentiebrandstoffen GR (brandstof 1) en G20 (brandstof 2) zoals gespecificeerd in bijlage 5, zonder dat het motorbrandstoftoevoersysteem tussen de twee tests handmatig wordt bijgesteld (de aanpassing moet automatisch zijn). De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing moet de motor worden afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4.
4.6.4. Bij een motor die op gecomprimeerd aardgas/biomethaan (cng) loopt en zichzelf aanpast aan H-gassen enerzijds en L-gassen anderzijds, waarbij met een schakelaar van groep H op groep L kan worden overgeschakeld, moet de oudermotor in elke stand van de schakelaar worden getest met de relevante referentiebrandstof zoals aangegeven in bijlage 5 voor elke groep. De brandstoffen zijn GR (brandstof 1) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep H en G25 (brandstof 2) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep L. De oudermotor moet in beide standen van de schakelaar voldoen aan de voorschriften van dit reglement, zonder dat de brandstoftoevoer tussen de twee tests in elke stand van de schakelaar wordt bijgesteld. De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing moet de motor worden afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4.
4.6.4.1. Op verzoek van de fabrikant mag de motor met een derde brandstof in plaats van G23 (brandstof 3) worden getest als de λ-verschuivingsfactor (Sλ) tussen 0,89 (de ondergrens van GR) en 1,19 (de bovengrens van G25) ligt, bv. wanneer brandstof 3 een in de handel verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de conformiteit van de productie.
4.6.5. Bij aardgasmotoren moet de verhouding van de emissieresultaten "r" voor elke verontreinigende stof als volgt worden bepaald:
4.6.6. Bij lpg moet de fabrikant aantonen dat de oudermotor zich aan alle in de handel voorkomende brandstofsamenstellingen kan aanpassen.
Bij lpg zijn er variaties in de samenstelling C3/C4. In de referentiebrandstoffen is rekening gehouden met die variaties. De oudermotor moet voldoen aan de emissievoorschriften voor de referentiebrandstoffen A en B in bijlage 5, zonder dat de brandstoftoevoer tussen de twee tests wordt bijgesteld. De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing moet de motor worden afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4.
4.6.6.1. De verhouding van de emissieresultaten "r" moet voor elke verontreinigende stof als volgt worden bepaald:
4.7. Voorschriften voor typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen bij elektrische-ontstekingsmotoren op gecomprimeerd aardgas/biomethaan (cng) of lpg
4.7.1. Typegoedkeuring wat uitlaatemissies betreft van een motor die op aardgas loopt en ontworpen is voor aardgas van groep H of L
4.7.1.1. De oudermotor moet worden getest met de in bijlage 5 voor de betrokken gasgroep aangegeven relevante referentiebrandstof. De brandstoffen zijn GR (brandstof 1) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep H en G25 (brandstof 2) en G23 (brandstof 3) voor gasgroep L. De oudermotor moet aan de voorschriften van dit reglement voldoen zonder dat de brandstoftoevoer tussen de twee tests wordt bijgesteld. De motor mag zich tijdens één warme WHTC-cyclus zonder meting aanpassen nadat de brandstof is gewijzigd. Na de aanpassing moet de motor worden afgekoeld overeenkomstig punt 7.6.1 van bijlage 4.
4.7.1.2. Op verzoek van de fabrikant mag de motor met een derde brandstof in plaats van G23 (brandstof 3) worden getest als de λ-verschuivingsfactor (Sλ) tussen 0,89 (de ondergrens van GR) en 1,19 (de bovengrens van G25) ligt, bv. wanneer brandstof 3 een in de handel verkrijgbare brandstof is. De resultaten van deze test mogen worden gebruikt als basis voor de beoordeling van de conformiteit van de productie.
4.7.1.3. De verhouding van de emissieresultaten "r" moet voor elke verontreinigende stof als volgt worden bepaald:
4.7.1.4. Bij aflevering aan de klant moet de motor zijn voorzien van een label zoals beschreven in punt 4.12.8, waarop staat vermeld voor welke gasgroep de motor is goedgekeurd.
4.7.2. Typegoedkeuring wat uitlaatemissies betreft van een motor die op aardgas of lpg loopt en ontworpen is voor brandstof van één bepaalde samenstelling
4.7.2.1. De oudermotor moet voldoen aan de emissievoorschriften voor de referentiebrandstoffen GR en G25 in geval van aardgas of de referentiebrandstoffen A en B in geval van lpg, zoals vermeld in bijlage 5. Tussen de tests mag het brandstoftoevoersysteem worden bijgesteld. Deze bijstelling bestaat uit herkalibratie van het brandstoftoevoergegevensbestand zonder wijziging van het basisregelsysteem of de basisopzet van het gegevensbestand. Zo nodig mogen delen die rechtstreeks verband houden met de brandstofstroom (zoals inspuitkoppen) worden vervangen.
4.7.2.2. Op verzoek van de fabrikant mag de motor worden getest met de referentiebrandstoffen GR en G23 of met de referentiebrandstoffen G25 en G23; in dat geval is de typegoedkeuring alleen geldig voor gasgroep H, respectievelijk gasgroep L.
4.7.2.3. Bij aflevering aan de klant moet de motor zijn voorzien van een label zoals beschreven in punt 4.12.8, waarop staat vermeld voor welke brandstofsamenstelling de motor is gekalibreerd.
4.8. Voorschriften voor brandstofspecifieke typegoedkeuring bij motoren op vloeibaar aardgas/vloeibaar biomethaan (lng)
Bij vloeibaar aardgas/vloeibaar biomethaan kan brandstofspecifieke typegoedkeuring worden verleend overeenkomstig de punten 4.8.1 tot en met 4.8.2.
4.8.1. Voorwaarden voor het indienen van een aanvraag voor brandstofspecifieke typegoedkeuring bij motoren op vloeibaar aardgas/vloeibaar biomethaan (lng)
4.8.1.1. De fabrikant kan alleen maar een aanvraag voor brandstofspecifieke typegoedkeuring indienen als de motor voor een specifieke lng-samenstelling is gekalibreerd (4), wat een λ-verschuivingsfactor oplevert die niet meer dan 3% verschilt van de λ-verschuivingsfactor van de in bijlage 5 gespecificeerde brandstof G20, en waarvan het ethaangehalte niet meer dan 1,5% bedraagt.
4.8.1.2. In alle andere gevallen moet de fabrikant een aanvraag voor universele brandstoftypegoedkeuring indienen overeenkomstig de specificaties van punt 4.6.3.2.
4.8.2. Specifieke testvoorschriften bij brandstofspecifieke typegoedkeuring (lng)
4.8.2.1. Bij een dual-fuelmotorenfamilie waarvan de motoren voor een specifieke lng-samenstelling zijn gekalibreerd4, wat een λ-verschuivingsfactor oplevert die niet meer dan 3% verschilt van de λ-verschuivingsfactor van de in bijlage 5 gespecificeerde brandstof G20, en waarvan het ethaangehalte niet meer dan 1,5% bedraagt, moet de oudermotor alleen op het in bijlage 5 gespecificeerde referentiegas G20 worden getest.
4.9. Typegoedkeuring wat uitlaatemissies betreft van een lid van een motorenfamilie
4.9.1. Behalve in het in punt 4.8.2 genoemde geval moet de typegoedkeuring van een oudermotor zonder verdere tests tot alle leden van de motorenfamilie worden uitgebreid voor alle brandstofsamenstellingen binnen de groep waarvoor de oudermotor is goedgekeurd (bij de in punt 4.7.2 beschreven motoren), of voor dezelfde groep brandstoffen (bij de in punt 4.6 of 4.7 beschreven motoren) waarvoor de oudermotor is goedgekeurd.
4.9.2. Indien de technische dienst constateert dat de ingediende aanvraag wat de geselecteerde oudermotor betreft niet volledig representatief is voor de in deel 1 van bijlage 1 gedefinieerde motorenfamilie, kan hij een andere en zo nodig een extra referentietestmotor selecteren en testen.
4.10. Voorschriften voor goedkeuring wat de boorddiagnosesystemen betreft
4.10.1. De fabrikanten moeten ervoor zorgen dat alle motorsystemen en voertuigen met een OBD-systeem zijn uitgerust.
4.10.2. Het OBD-systeem moet overeenkomstig bijlage 9A zo zijn ontworpen, geconstrueerd en in het voertuig geïnstalleerd dat het de in die bijlage beschreven typen verslechteringen of storingen tijdens de volledige levensduur van het voertuig kan identificeren, registreren en doorgegeven.
4.10.3. De fabrikant moet ervoor zorgen dat het OBD-systeem onder alle normale en redelijkerwijs te verwachten rijomstandigheden, inclusief de in bijlage 9B beschreven normale gebruiksomstandigheden, voldoet aan de voorschriften van bijlage 9A, inclusief de voorschriften voor de OBD-prestaties tijdens het gebruik.
4.10.4. Wanneer het met een gekwalificeerd beschadigd onderdeel wordt getest, moet de storingsindicator van het OBD-systeem overeenkomstig bijlage 9B worden geactiveerd. De storingsindicator van het OBD-systeem mag ook bij emissieniveaus onder de in bijlage 9A gespecificeerde OBD-drempelwaarden worden geactiveerd.
4.10.5. De fabrikant moet ervoor zorgen dat de in bijlage 9A vastgelegde bepalingen voor de prestaties van een OBD-motorenfamilie tijdens het gebruik worden nageleefd.
4.10.6. De aan de OBD-prestaties tijdens het gebruik gerelateerde gegevens moeten door het OBD-systeem overeenkomstig de bepalingen van bijlage 9A worden opgeslagen en via het standaard OBD-communicatieprotocol ongecodeerd ter beschikking worden gesteld.
4.10.7. De fabrikant kan ervoor kiezen tot de in punt 13.2.3 vermelde datum voor nieuwe typegoedkeuringen de OBD-systemen te laten voldoen aan alternatieve bepalingen zoals gespecificeerd in bijlage 9A en waarin naar dit punt wordt verwezen.
4.10.8. De fabrikant kan ervoor kiezen tot de in punt 13.2.2 vermelde datum voor nieuwe typegoedkeuringen voor de bewaking van het dieseldeeltjesfilter (DPF) alternatieve bepalingen toe te passen zoals beschreven in punt 2.3.2.2 van bijlage 9A.
4.11. Voorschriften voor goedkeuring wat vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing betreft
4.11.1. De fabrikant moet ervoor zorgen dat vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing die bestemd zijn voor montage op motorsystemen of voertuigen met typegoedkeuring die onder dit reglement vallen, typegoedkeuring krijgen als technische eenheid overeenkomstig de punten 4.11.2 tot en met 4.11.5.
Katalysatoren, deNOx-voorzieningen en deeltjesfilters moeten voor de toepassing van dit reglement als voorzieningen voor verontreinigingsbeheersing worden beschouwd.
4.11.2. Originele vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing van het type dat onder punt 3.2.12 van deel 1 van bijlage 1 valt en die bestemd zijn voor montage op een voertuig waarnaar in het desbetreffende typegoedkeuringsdocument wordt verwezen, hoeven niet aan alle bepalingen van bijlage 13 te voldoen mits zij voldoen aan de punten 2.1, 2.2 en 2.3 van die bijlage.
4.11.3. De fabrikant moet ervoor zorgen dat op de originele voorziening voor verontreinigingsbeheersing identificatiemiddelen zijn aangebracht.
4.11.4. De in punt 4.11.3 bedoelde identificatiemiddelen moeten het volgende omvatten:
|
a) |
de naam of het handelsmerk van de voertuig- of motorfabrikant; |
|
b) |
het merk en het onderdeelidentificatienummer van de originele voorziening voor verontreinigingsbeheersing, zoals aangegeven in de in punt 3.2.12.2 van deel 1 van bijlage 1 bedoelde informatie. |
4.11.5. Voor vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing mag alleen typegoedkeuring krachtens dit reglement worden verleend nadat de specifieke testvoorschriften in bijlage 13 bij dit reglement zijn opgenomen (5).
4.12. Goedkeuringsmerken en –labels voor motorsystemen en voertuigen
4.12.1. Aan elk goedgekeurd type wordt een goedkeuringsnummer toegekend. De eerste twee cijfers ervan (momenteel 06 voor wijzigingenreeks 06) geven de wijzigingenreeks aan met de recentste belangrijke technische wijzigingen van het reglement op de datum van goedkeuring. Dezelfde overeenkomstsluitende partij mag hetzelfde nummer niet aan een ander motor- of voertuigtype toekennen.
4.12.2. Van de goedkeuring, de uitbreiding of weigering van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een motor- of voertuigtype krachtens dit reglement moet aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling worden gedaan door middel van een formulier volgens het model in bijlage 2A, 2B of 2C, al naargelang het geval. De tijdens de typegoedkeuringstest gemeten waarden moeten eveneens worden aangegeven.
4.12.3. Op elke motor die conform is met een motortype waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring is verleend, of op elk voertuig dat conform is met een voertuig waarvoor krachtens dit reglement goedkeuring is verleend, moet op een opvallende en gemakkelijk bereikbare plaats een internationaal goedkeuringsmerk worden aangebracht dat bestaat uit:
|
4.12.3.1. |
een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de goedkeuring heeft verleend (6); |
|
4.12.3.2. |
het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 4.12.3.1 voorgeschreven cirkel. |
|
4.12.3.3. |
Het goedkeuringsmerk moet na het goedkeuringsnummer ook een liggend streepje en een extra teken bevatten om aan te geven voor welke fase de goedkeuring krachtens punt 13.2 is verleend en in tabel 1 in bijlage 3 is meegedeeld.
|
4.12.4. Indien het voertuig of de motor conform is met een type dat op basis van een of meer andere aan de overeenkomst gehechte reglementen is goedgekeurd in het land dat de goedkeuring krachtens dit reglement heeft verleend, hoeft het in punt 4.12.3.1 bedoelde symbool niet te worden herhaald. In dat geval worden de reglement- en goedkeuringsnummers en de aanvullende symbolen van alle reglementen op basis waarvan goedkeuring krachtens dit reglement is verleend, in verticale kolommen rechts van het in punt 4.12.3.1 voorgeschreven symbool geplaatst.
4.12.5. Het goedkeuringsmerk moet dicht bij of op het door de fabrikant van het goedgekeurde type bevestigde gegevensplaatje worden aangebracht.
4.12.6. In bijlage 3 worden voorbeelden gegeven van de opstelling van goedkeuringsmerken.
4.12.7. Behalve het goedkeuringsmerk moet op de als technische eenheid goedgekeurde motor het volgende worden aangebracht:
|
4.12.7.1. |
het handelsmerk of de handelsnaam van de motorfabrikant; |
|
4.12.7.2. |
de door de fabrikant gegeven handelsbenaming. |
4.12.8. Labels
Voor aardgas- en lpg-motoren met een typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen gelden de volgende labels:
4.12.8.1. Inhoud
De volgende informatie moet worden verstrekt:
|
|
In geval van punt 4.7.1.4 moet op het label staan: "ALLEEN VOOR GEBRUIK MET AARDGAS VAN GROEP H". H wordt zo nodig vervangen door L. |
|
|
In geval van punt 4.7.2.3 moet op het label staan: "ALLEEN VOOR GEBRUIK MET AARDGAS, SPECIFICATIE ...", respectievelijk "ALLEEN VOOR GEBRUIK MET VLOEIBAAR PETROLEUMGAS, SPECIFICATIE ...". Alle informatie in de relevante tabel(len) van bijlage 5 moet worden verstrekt met de afzonderlijke bestanddelen en grenswaarden die door de motorfabrikant zijn opgegeven. |
De letters en cijfers moeten ten minste 4 mm hoog zijn.
Opmerking: Als er op het label niet genoeg plaats is, mag een vereenvoudigde code worden gebruikt. In dat geval moet nadere uitleg met alle bovengenoemde informatie gemakkelijk toegankelijk zijn voor wie de brandstoftank vult of onderhoud of reparaties aan de motor en toebehoren ervan uitvoert, alsook voor de betrokken autoriteiten. De plaats waar die nadere uitleg zich bevindt en de inhoud ervan worden bepaald in overleg tussen de fabrikant en de typegoedkeuringsinstantie.
4.12.8.2. Eigenschappen
De labels moeten even lang meegaan als de motor. Zij moeten goed leesbaar zijn en de letters en cijfers moeten onuitwisbaar zijn. Bovendien moeten de labels zodanig worden aangebracht dat ze tijdens de volledige levensduur van de motor bevestigd blijven en mogen ze niet kunnen worden verwijderd zonder vernietigd of onleesbaar te worden.
4.12.8.3. Plaatsing
De labels moeten worden bevestigd aan een motoronderdeel dat noodzakelijk is voor de normale werking van de motor en tijdens de levensduur van de motor normaliter niet hoeft te worden vervangen. Bovendien moeten ze zodanig worden geplaatst dat ze gemakkelijk leesbaar zijn nadat alle voor de werking van de motor noodzakelijke toebehoren op de motor zijn gemonteerd.
4.13. Bij een goedkeuringsaanvraag voor een voertuigtype wat de motor betreft, moeten de in punt 4.12.8 vermelde opschriften ook dicht bij de vulopening van de brandstoftank worden aangebracht.
4.14. Bij een goedkeuringsaanvraag voor een voertuigtype met een goedgekeurde motor moeten de in punt 4.12.8 vermelde opschriften ook dicht bij de vulopening van de brandstoftank worden aangebracht.
5. VOORSCHRIFTEN EN TESTS
5.1. Algemeen
5.1.1. De fabrikanten moeten hun voertuigen en motoren zo uitrusten dat de onderdelen die de emissies kunnen beïnvloeden, zodanig zijn ontworpen, geconstrueerd en geassembleerd dat het voertuig of de motor bij normaal gebruik aan dit reglement en de uitvoeringsmaatregelen ervan kan voldoen.
5.1.2. De fabrikant moet technische maatregelen nemen om ervoor te zorgen dat de uitlaatemissies overeenkomstig dit reglement tijdens de normale levensduur van het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt.
|
5.1.2.1. |
De in punt 5.1.2 bedoelde maatregelen houden onder meer in dat de in de emissiebeheersingssystemen gebruikte slangen, dichtingen en verbindingen zodanig zijn geconstrueerd dat zij conform zijn met de doelstellingen van het oorspronkelijke ontwerp. |
|
5.1.2.2. |
De fabrikant moet ervoor zorgen dat de resultaten van de emissietest onder de in dit reglement gespecificeerde testomstandigheden aan de toepasselijke grenswaarde voldoen. |
|
5.1.2.3. |
Elk motorsysteem en elk constructie-element dat de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes kan beïnvloeden, moet zodanig worden ontworpen, gebouwd, geassembleerd en geïnstalleerd dat de motor bij normaal gebruik aan de voorschriften van dit reglement kan voldoen. De fabrikant moet er ook voor zorgen dat de voorschriften van punt 5.1.3 en bijlage 10 voor de emissies buiten de cyclus worden nageleefd. |
|
5.1.2.4. |
Het is verboden manipulatiestrategieën toe te passen die de doeltreffendheid van het emissiebeheersingssysteem verminderen. |
|
5.1.2.5. |
Om typegoedkeuring te verkrijgen voor een motor op benzine of E85, moet de fabrikant garanderen dat de specifieke voorschriften van punt 6.3 betreffende vulopeningen van brandstoftanks voor voertuigen die op benzine en E85 rijden, worden nageleefd. |
5.1.3. Voorschriften om de emissies buiten de cyclus te beperken
|
5.1.3.1. |
Wanneer aan punt 5.1.2 wordt voldaan, moet bij het nemen van de technische maatregelen rekening worden gehouden met:
|
|
5.1.3.2. |
De fabrikant moet voldoen aan de specifieke voorschriften, alsook aan de bijbehorende testprocedures in bijlage 10. |
5.1.4. Documentatievoorschriften
|
5.1.4.1. |
Het in punt 3 voorgeschreven documentatiepakket waarmee de typegoedkeuringsinstantie de emissiebeheersingsstrategieën en de binnen het voertuig en de motor aanwezige systemen om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen, kan beoordelen, moet in de twee volgende delen ter beschikking worden gesteld:
|
|
5.1.4.2. |
Het formele documentatiepakket mag beknopt zijn, mits wordt aangetoond dat alle outputs die zijn toegestaan volgens een matrix die uit het regelbereik van de inputs van de individuele eenheid wordt verkregen, zijn geïdentificeerd. In de documentatie moet de functionele werking worden beschreven van het in bijlage 11 voorgeschreven aansporingssysteem, inclusief de parameters die nodig zijn om de informatie over dat systeem op te vragen. Dit materiaal moet door de typegoedkeuringsinstantie worden bewaard. |
|
5.1.4.3. |
Het uitgebreide documentatiepakket moet informatie bevatten over de werking van alle AES en BES, inclusief een beschrijving van de parameters die door een AES worden gewijzigd en de grensomstandigheden waaronder de AES werkt, alsmede een indicatie van welke AES en BES bij de omstandigheden van de testprocedures van bijlage 10 waarschijnlijk actief zullen zijn. Het uitgebreide documentatiepakket moet een beschrijving bevatten van de besturingslogica, de timingstrategieën en de schakelpunten van het brandstofsysteem in alle werkingsmodi. Het moet ook een volledige beschrijving omvatten van het in bijlage 11 voorgeschreven aansporingssysteem, inclusief de bijbehorende bewakingsstrategieën. |
|
5.1.4.4. |
Het uitgebreide documentatiepakket moet strikt vertrouwelijk blijven. Het kan door de typegoedkeuringsinstantie of, met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie, door de fabrikant worden bewaard. Indien de fabrikant het documentatiepakket bewaart, moet het, na controle en goedkeuring, door de typegoedkeuringsinstantie van een kenmerk worden voorzien en worden gedateerd. Het pakket moet bij de goedkeuring of op elk ogenblik tijdens de geldigheidsduur van de goedkeuring beschikbaar worden gesteld voor inspectie door de typegoedkeuringsinstantie. |
5.1.5. Bepalingen inzake de veiligheid van elektronische systemen
|
5.1.5.1. |
De algemene voorschriften, inclusief de specifieke voorschriften voor de veiligheid van elektronische systemen, zijn vastgelegd in punt 4 van bijlage 9B uiteengezet en beschreven in punt 2 van bijlage 9A. |
5.2. Specificaties betreffende de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes
5.2.1. Bij het uitvoeren van de tests van bijlage 4 mogen de emissies van gassen en deeltjes de in tabel 1 aangegeven waarden niet overschrijden.
5.2.2. Bij elektrische-ontstekingsmotoren die aan de test van bijlage 6 worden onderworpen, geldt als maximaal toelaatbaar koolmonoxidegehalte van de uitlaatgassen bij normaal stationair motortoerental het door de voertuigfabrikant opgegeven gehalte. Het mag echter niet meer dan 0,3 vol. % bedragen.
Bij hoog stationair toerental mag het volumepercentage koolmonoxide van de uitlaatgassen niet meer dan 0,2 bedragen, waarbij het toerental ten minste 2 000 min-1 bedraagt en lambda gelijk is aan 1 ± 0,03 volgens fabrieksopgave.
5.2.3. In geval van een gesloten carter moet de fabrikant er bij de in de punten 6.10 en 6.11 van bijlage 4 beschreven test voor zorgen dat het ventilatiesysteem van de motor geen cartergassen in de atmosfeer laat ontsnappen. Als het carter van een open type is, moeten de emissies overeenkomstig punt 6.10 van bijlage 4 worden gemeten en aan de uitlaatemissies worden toegevoegd.
5.3. Emissiegrenswaarden
Tabel 1 bevat de emissiegrenswaarden die van toepassing zijn op dit reglement.
Tabel 1
Emissiegrenswaarden
|
|
Grenswaarden |
|||||||||||||
|
CO (mg/kWh) |
THC (mg/kWh) |
NMHC (mg/kWh) |
CH4 (mg/kWh) |
NOx (mg/kWh) |
NH3 (ppm) |
Deeltjesmassa (mg/kWh) |
Deeltjesaantal (#/kWh) |
|||||||
|
WHSC (CI) |
1 500 |
130 |
|
|
400 |
10 |
10 |
8,0 × 1011 |
||||||
|
WHTC (CI) |
4 000 |
160 |
|
|
460 |
10 |
10 |
6,0 × 1011 |
||||||
|
WHTC (PI) |
4 000 |
|
160 |
500 |
460 |
10 |
10 |
|
||||||
|
Opmerking:
|
||||||||||||||
5.4. Duurzaamheid en verslechteringsfactoren
De fabrikant moet verslechteringsfactoren vaststellen die zullen worden gebruikt om aan te tonen dat de emissies van gassen en deeltjes van een motorenfamilie of familie van motornabehandelingssystemen tijdens de hieronder beschreven normale nuttige levensduur conform blijven met de in punt 5.3 vastgestelde emissiegrenswaarden.
De procedures om de conformiteit van een motorsysteem of familie van motornabehandelingssystemen tijdens de normale nuttige levensduur aan te tonen, worden beschreven in bijlage 7.
De afstand en tijd waarover de voor typegoedkeuring verrichte duurzaamheidtests van voorzieningen voor verontreinigingsbeheersing en de conformiteitstests van voertuigen of motoren tijdens het gebruik moeten worden uitgevoerd, zijn de volgende:
|
a) |
160 000 km of vijf jaar, naargelang wat zich het eerst voordoet, bij motoren die zijn gemonteerd in voertuigen van categorie M1, N1 en M2; |
|
b) |
300 000 km of zes jaar, naargelang wat zich het eerst voordoet, bij motoren die zijn gemonteerd in voertuigen van categorie N2, van categorie N3 met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 16 ton, en van categorie M3, klassen I, II, A en B, met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 7,5 ton; |
|
c) |
700 000 km of zeven jaar, naargelang wat zich het eerst voordoet, bij motoren die zijn gemonteerd in voertuigen van categorie N3 met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 16 ton, en van categorie M3, klassen III en B, met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 7,5 ton. |
5.5. Voorschriften om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen
5.5.1. Bij de typegoedkeuringsaanvraag moeten de fabrikanten de typegoedkeuringsinstantie informatie verstrekken waaruit blijkt dat het NOx-systeem in alle omstandigheden die in de regio (bv. de Europese Unie) geregeld voorkomen, zijn emissiebeheersingsfunctie behoudt, met name bij lage temperaturen.
Voorts moet de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie informatie verstrekken over de werkingsstrategie van elk uitlaatgasrecirculatiesysteem (EGR-systeem), inclusief de werking ervan bij lage omgevingstemperaturen.
Deze informatie moet tevens een beschrijving bevatten van eventuele effecten op de emissies wanneer het systeem bij lage omgevingstemperaturen wordt gebruikt.
Informatie over de tests en procedures om aan deze voorschriften te voldoen, wordt gegeven in bijlage 11.
6. INSTALLATIE IN HET VOERTUIG
6.1. De installatie van de motor in het voertuig moet zodanig worden uitgevoerd dat aan de typegoedkeuringsvoorschriften wordt voldaan. Met betrekking tot de typegoedkeuring van de motor moet rekening worden gehouden met de volgende kenmerken:
|
6.1.1. |
de inlaatonderdruk mag niet meer bedragen dan de in deel 1 van bijlage 1 aangegeven waarde voor de typegoedkeuring van de motor; |
|
6.1.2. |
de uitlaattegendruk mag niet meer bedragen dan de in deel 1 van bijlage 1 aangegeven waarde voor de typegoedkeuring van de motor; |
|
6.1.3. |
het vermogen dat wordt geabsorbeerd door de hulpapparatuur die voor de werking van de motor noodzakelijk is, mag niet meer bedragen dan de in deel 1 van bijlage 1 voor de typegoedkeuring van de motor aangegeven waarde; |
|
6.1.4. |
de kenmerken van het uitlaatgasnabehandelingssysteem moeten in overeenstemming zijn met de kenmerken in deel 1 van bijlage 1 voor de typegoedkeuring van de motor. |
6.2. Installatie van een motor waarvoor typegoedkeuring is verleend, in een voertuig
De installatie van een motor waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid, in een voertuig moet eveneens voldoen aan de volgende voorschriften:
|
a) |
wat de conformiteit van het OBD-systeem betreft moet de installatie overeenkomstig aanhangsel 1 van bijlage 9B voldoen aan de installatievoorschriften van de fabrikant in deel 1 van bijlage 1; |
|
b) |
wat de conformiteit betreft van het systeem waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd, moet de installatie overeenkomstig aanhangsel 4 van bijlage 11 voldoen aan de installatievoorschriften van de fabrikant in deel 1 van bijlage 1. |
|
6.2.1. |
De installatie van een dual-fuelmotor waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid is verleend, in een voertuig moet eveneens voldoen aan de voorschriften van punt 6.3 van bijlage 15 en, overeenkomstig punt 8.2 van bijlage 15, aan de installatievoorschriften van de fabrikant in deel 1 van bijlage 1. |
6.3. Vulopening van brandstoftanks bij motoren die op benzine of E85 lopen
|
6.3.1. |
De vulopening van de benzine- of E85-tank moet zodanig zijn ontworpen dat de tank niet kan worden gevuld uit een brandstofpomp waarvan de slang een mondstuk heeft met een buitendiameter van 23,6 mm of meer. |
|
6.3.2. |
Punt 6.3.1 is niet van toepassing op een voertuig dat beide volgende voorwaarden vervult:
|
|
6.3.3. |
Er moeten maatregelen worden genomen om overmatige verdampingsemissies en brandstofverspilling als gevolg van een ontbrekende brandstoftankdop te voorkomen. Dit kan worden gerealiseerd door middel van:
|
7. MOTORENFAMILIE
7.1. Parameters die de motorenfamilie bepalen
De motorenfamilie zoals bepaald door de motorfabrikant, moet voldoen aan de bepalingen van punt 5.2 van bijlage 4.
Bij een dual-fuelmotor moet de motorenfamilie ook voldoen aan de aanvullende voorschriften van punt 3.1.1 van bijlage 15.
7.2. Keuze van de oudermotor
De oudermotor van de familie moet worden geselecteerd overeenkomstig punt 5.2.4 van bijlage 4.
Bij een dual-fuelmotor moet de oudermotorenfamilie ook voldoen aan de aanvullende voorschriften van punt 3.1.2 van bijlage 15.
7.3. Uitbreiding om een nieuw motorsysteem in een motorenfamilie op te nemen
|
7.3.1. |
Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie kan een nieuw motorsysteem als lid van een gecertificeerde motorenfamilie worden opgenomen als aan de criteria van punt 7.1 wordt voldaan. |
|
7.3.2. |
Indien de constructie-elementen van het oudermotorsysteem representatief zijn voor die van het nieuwe motorsysteem overeenkomstig punt 7.2 of, bij dual-fuelmotoren, punt 3.1.2 van bijlage 15, moet het oudermotorsysteem ongewijzigd blijven en moet de fabrikant het in bijlage 1 gespecificeerde inlichtingenformulier wijzigen. |
|
7.3.3. |
Indien het nieuwe motorsysteem constructie-elementen bevat die niet door het oudermotorsysteem overeenkomstig punt 7.2 of, bij dual-fuelmotoren, punt 3.1.2 van bijlage 15 worden vertegenwoordigd, maar zelf de hele familie overeenkomstig die punten vertegenwoordigen, moet het nieuwe motorsysteem de nieuwe oudermotor worden. In dat geval moet worden aangetoond dat de nieuwe constructie-elementen voldoen aan de bepalingen van dit reglement en moet het in bijlage 1 gespecificeerde inlichtingenformulier worden gewijzigd. |
7.4. Parameters om een OBD-motorenfamilie te definiëren
De OBD-motorenfamilie moet worden gedefinieerd aan de hand van basisontwerpparameters die gemeenschappelijk zijn voor de motorsystemen binnen die familie, overeenkomstig punt 6.1 van bijlage 9B.
8. CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
8.1. Alle motoren of voertuigen die krachtens dit reglement van een goedkeuringsmerk zijn voorzien, moeten zo zijn vervaardigd dat zij, wat de beschrijving op het goedkeuringsformulier en de bijlagen erbij betreft, conform zijn met het goedgekeurde type. Voor de conformiteitscontrole van de productie gelden de procedures van aanhangsel 2 van de Overeenkomst van 1958 (E/ECE/324//E/ECE/TRANS/505/Rev.2), met inachtneming van de punten 8.2 tot en met 8.5.
|
8.1.1. |
De conformiteit van de productie moet worden gecontroleerd op basis van de beschrijving in de typegoedkeuringscertificaten in de bijlagen 2A, 2B en 2C, naargelang het geval. |
|
8.1.2. |
De conformiteit van de productie moet worden beoordeeld volgens de specifieke voorwaarden in dit punt en de relevante statistische methoden in de aanhangsels 1, 2 en 3. |
8.2. Algemene voorschriften
|
8.2.1. |
Bij de toepassing van aanhangsel 1, 2 of 3 moeten op de gemeten emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door motoren waarvan de conformiteit van de productie moet worden gecontroleerd, de desbetreffende verslechteringsfactoren voor die motor worden toegepast zoals vastgesteld in het addendum bij het typegoedkeuringscertificaat dat krachtens dit reglement is afgegeven. |
|
8.2.2. |
Aanhangsel 2 van de Overeenkomst van 1958 (E/ECE/324//E/ECE/TRANS/505/Rev.2) is van toepassing wanneer de typegoedkeuringsinstanties niet tevreden zijn met de controleprocedure van de fabrikant. |
|
8.2.3. |
Alle te testen motoren moeten willekeurig uit de serieproductie worden genomen. |
8.3. Emissie van verontreinigende stoffen
|
8.3.1. |
Indien emissies van verontreinigende stoffen moeten worden gemeten en een motortypegoedkeuring een of meer uitbreidingen heeft, moeten de tests worden uitgevoerd op de motoren die zijn beschreven in het informatiepakket voor de uitbreiding in kwestie. |
|
8.3.2. |
Conformiteit van de motor die aan een emissietest wordt onderworpen:
Nadat de motor aan de instanties ter beschikking is gesteld, mag de fabrikant de geselecteerde motoren niet meer bijstellen. |
|
8.3.2.1. |
Drie motoren moeten uit de serieproductie van de motoren in kwestie worden genomen. De motoren moeten aan de WHTC- en, in voorkomend geval, aan de WHSC-tests worden onderworpen om de conformiteit van de productie te controleren. De grenswaarden zijn vastgesteld in punt 5.3. |
|
8.3.2.2. |
Indien de typegoedkeuringsinstantie tevreden is met de door de fabrikant overeenkomstig aanhangsel 2 van de Overeenkomst van 1958 (E/ECE/324//E/ECE/TRANS/505/Rev.2) opgegeven standaardafwijking van de productie, moeten de tests overeenkomstig aanhangsel 1 worden uitgevoerd.
Indien de typegoedkeuringsinstantie niet tevreden is met de door de fabrikant overeenkomstig aanhangsel 2 van de Overeenkomst van 1958 (E/ECE/324//E/ECE/TRANS/505/Rev.2) opgegeven standaardafwijking van de productie, moeten de tests overeenkomstig aanhangsel 2 worden uitgevoerd. Op verzoek van de fabrikant kunnen de tests overeenkomstig aanhangsel 3 worden uitgevoerd. |
|
8.3.2.3. |
Op basis van tests van de motor door bemonstering zoals beschreven in punt 8.3.2.2, wordt de serieproductie van de motoren in kwestie geacht conform, respectievelijk niet-conform te zijn wanneer, volgens de testcriteria van het toepasselijke aanhangsel, voor alle verontreinigende stoffen een besluit tot goedkeur, respectievelijk voor één verontreinigende stof een besluit tot afkeur is genomen.
Indien voor één verontreinigende stof een besluit tot goedkeur is genomen, mag dat besluit niet worden gewijzigd als gevolg van een resultaat van aanvullende tests die zijn uitgevoerd om voor de andere verontreinigende stoffen tot een besluit te komen. Indien er geen besluit tot goedkeur is genomen voor alle verontreinigende stoffen en er geen besluit tot afkeur is genomen voor één verontreinigende stof, wordt een test op een andere motor uitgevoerd (zie figuur 1). Indien er geen besluit is genomen, mag de fabrikant te allen tijde besluiten de tests te beëindigen. In dat geval wordt een besluit tot afkeur genoteerd. |
Figuur 1
Schema van de productieconformiteitstests
Test van drie motoren
Berekening van het resultaat van de teststatistiek
Voldoet het resultaat van de teststatistiek volgens het relevante aanhangsel aan de criteria om de serie voor ten minste één verontreinigende stof af te keuren?
JA
Serie afgekeurd
NEEN
NEEN
Voldoet het resultaat van de teststatistiek volgens het relevante aanhangsel aan de criteria om de serie voor ten minste één verontreinigende stof goed te keuren?
JA
Voor een of meer verontreinigende stoffen wordt een besluit tot goedkeur genomen
Wordt er voor alle verontreinigende stoffen een besluit tot goedkeur genomen?
YES
Serie goedgekeurd
NEEN
Test van een extra motor
|
8.3.3. |
De tests moeten op nieuwe motoren worden uitgevoerd. |
|
8.3.3.1. |
Op verzoek van de fabrikant mogen de tests worden uitgevoerd op motoren die ten hoogste 125 uur zijn ingelopen. In dat geval moet de inloopprocedure worden uitgevoerd door de fabrikant die zich ertoe verbindt die motoren niet bij te stellen. |
|
8.3.3.2. |
Wanneer de fabrikant verzoekt een inloopprocedure overeenkomstig punt 8.3.3.1 uit te voeren, mag dat met:
De andere testmotoren mogen niet aan de inloopprocedure worden onderworpen, maar de emissies van pas geproduceerde motoren moeten met behulp van de evolutiecoëfficiënt worden aangepast. In dit geval worden de volgende waarden genomen:
|
|
8.3.3.3. |
Bij motoren die op diesel, ethanol (ED95), benzine, E85 en lpg lopen mogen alle tests met de toepasselijke in de handel verkrijgbare brandstoffen worden uitgevoerd. Op verzoek van de fabrikant mogen echter de in bijlage 5 beschreven referentiebrandstoffen worden gebruikt. Dit betekent dat de tests van punt 4 met ten minste twee referentiebrandstoffen voor elke gasmotor moeten worden verricht. |
|
8.3.3.4. |
Bij aardgasmotoren kunnen al deze tests worden verricht met de volgende in de handel verkrijgbare brandstof:
Op verzoek van de fabrikant mogen echter de in bijlage 5 beschreven referentiebrandstoffen worden gebruikt. Dit houdt in dat de in punt 4 beschreven tests moeten worden uitgevoerd. |
|
8.3.3.5. |
In geval van een geschil als gevolg van de non-conformiteit van een gasmotor bij gebruik van een in de handel verkrijgbare brandstof, moeten de tests worden uitgevoerd met een referentiebrandstof waarmee de oudermotor is getest of eventueel met de extra brandstof 3 zoals bedoeld in de punten 4.6.4.1 en 4.7.1.2, waarmee de oudermotor eventueel is getest. Vervolgens moet de uitkomst worden omgerekend met behulp van de relevante factoren r, ra of rb zoals beschreven in de punten 4.6.5, 4.6.6.1 en 4.7.1.3. Indien r, ra of rb kleiner zijn dan 1, mag er geen correctie plaatsvinden. De meetresultaten en de berekende uitkomsten moeten aantonen dat de motor aan de grenswaarden voldoet met alle relevante brandstoffen (brandstof 1, 2 en eventueel 3 bij aardgasmotoren en de brandstoffen A en B bij lpg-motoren). |
|
8.3.3.6. |
De tests om de conformiteit van de productie te controleren van gasmotoren die ontworpen zijn voor een brandstof van één bepaalde samenstelling, moeten worden verricht met de brandstof waarvoor de motor is gekalibreerd. |
8.4. Boorddiagnose (OBD)
|
8.4.1. |
Wanneer de typegoedkeuringsinstantie constateert dat de productiekwaliteit onvoldoende lijkt, kan zij om een controle van de conformiteit van de productie van het OBD-systeem verzoeken. Een dergelijke controle moet worden uitgevoerd met inachtneming van het volgende:
Een willekeurige motor moet uit de serieproductie worden genomen en aan de in bijlage 9B beschreven tests worden onderworpen. De tests mogen worden uitgevoerd op een motor die ten hoogste 125 uur is ingelopen. |
|
8.4.2. |
De productie wordt geacht conform te zijn indien deze motor voldoet aan de voorschriften van de in bijlage 9B beschreven tests. |
|
8.4.3. |
Indien de uit de serieproductie genomen motor niet voldoet aan punt 8.4.1, moeten nog eens vier willekeurige motoren uit de serieproductie worden genomen en aan de in bijlage 9B beschreven tests worden onderworpen. De tests mogen worden uitgevoerd op motoren die ten hoogste 125 uur zijn ingelopen. |
|
8.4.4. |
De productie wordt geacht conform te zijn indien ten minste drie van de extra vier willekeurige motoren voldoen aan de voorschriften van de in bijlage 9B beschreven tests. |
8.5. Informatie van de elektronische regeleenheid die noodzakelijk is voor tests tijdens het gebruik
|
8.5.1. |
De beschikbaarheid van de in punt 9.4.2.1 vereiste datastream-informatie overeenkomstig punt 9.4.2.2 moet worden aangetoond met een externe OBD-scanner zoals beschreven in bijlage 9B. |
|
8.5.2. |
Indien deze informatie niet op adequate wijze kan worden opgevraagd met een scanner die overeenkomstig bijlage 9B correct functioneert, moet de motor niet-conform worden geacht. |
|
8.5.3. |
De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid met de punten 9.4.2.2 en 9.4.2.3 moet worden aangetoond door de WHSC-test overeenkomstig bijlage 4 uit te voeren. |
|
8.5.4. |
Indien de testapparatuur niet voldoet aan de voorschriften van Reglement nr. 85 betreffende hulpaggregaten, moet het gemeten koppel worden gecorrigeerd volgens de correctiemethode in bijlage 4. |
|
8.5.5. |
De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid wordt toereikend geacht als het berekende koppel binnen de in punt 9.4.2.5 gespecificeerde toleranties blijft. |
|
8.5.6. |
De fabrikant moet bij elk geproduceerd motortype binnen elke geproduceerde motorenfamilie regelmatig controleren of de voor tests tijdens het gebruik benodigde informatie van de elektronische regeleenheid beschikbaar en conform is. |
|
8.5.7. |
De uitkomsten van het door de fabrikant uitgevoerde onderzoek moeten op verzoek aan de typegoedkeuringsinstantie worden verstrekt. |
|
8.5.8. |
Op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie moet de fabrikant de beschikbaarheid of conformiteit van de informatie van de elektronische regeleenheid in serieproductie aantonen door de geschikte tests zoals bedoeld in de punten 8.5.1 tot en met 8.5.4, op een steekproef van motoren van hetzelfde type uit te voeren. De regels voor de steekproef, waaronder de grootte van de steekproef en de statistische criteria voor goed- of afkeur zijn de in de punten 8.1 tot en met 8.3 beschreven regels voor de controle van de conformiteit van emissies. |
9. CONFORMITEIT VAN IN GEBRUIK ZIJNDE VOERTUIGEN/MOTOREN
9.1. Inleiding
Dit punt bevat de voorschriften voor de conformiteit tijdens het gebruik van voertuigen waarvoor krachtens dit reglement typegoedkeuring is verleend.
9.2. Conformiteit tijdens het gebruik
9.2.1. Maatregelen om de conformiteit tijdens het gebruik te waarborgen van voertuigen of motorsystemen waarvoor krachtens dit reglement typegoedkeuring is verleend, moeten worden genomen overeenkomstig aanhangsel 2 van de Overeenkomst van 1958 (E/ECE/324//E/ECE/TRANS/505/Rev.2) en moeten voldoen aan bijlage 8 van dit reglement.
9.2.2. De door de fabrikant genomen technische maatregelen moeten waarborgen dat de uitlaatemissies tijdens de volledige normale levensduur van de voertuigen onder normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt. De conformiteit met dit reglement moet tijdens de normale nuttige levensduur van een in een voertuig geïnstalleerd motorsysteem worden gecontroleerd onder normale gebruiksomstandigheden zoals gespecificeerd in bijlage 8.
9.2.3. De fabrikant moet aan de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, verslag uitbrengen van de resultaten van de tests tijdens het gebruik volgens het initiële plan dat bij de typegoedkeuring is ingediend. Wanneer van het initiële plan wordt afgeweken, moet dit tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie worden gemotiveerd.
9.2.4. Indien de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, niet tevreden is met het rapport van de fabrikant overeenkomstig punt 10 van bijlage 8 of bewijzen van ontoereikende conformiteit tijdens het gebruik heeft gerapporteerd, mag zij de fabrikant gelasten een test uit te voeren om dat te bevestigen. De typegoedkeuringsinstantie moet het door de fabrikant ingediende bevestigingstestrapport onderzoeken.
9.2.5. Indien de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, niet tevreden is met de resultaten van de tests tijdens het gebruik of de bevestigingstests volgens de criteria van bijlage 8, of op basis van tests tijdens het gebruik die door een overeenkomstsluitende partij zijn uitgevoerd, moet zij eisen dat de fabrikant een plan van corrigerende maatregelen voorlegt om overeenkomstig punt 9.3 van dit reglement en punt 9 van bijlage 8 een einde te maken aan de non-conformiteit.
9.2.6. Elke overeenkomstsluitende partij mag haar eigen controletests uitvoeren volgens de in bijlage 8 beschreven procedure voor het testen van de conformiteit tijdens het gebruik en mag daarover verslag uitbrengen. Informatie over de opdracht, het onderhoud en de deelname van de fabrikant aan de activiteiten moet daarin worden opgenomen. Op verzoek van een typegoedkeuringsinstantie verstrekt de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, de nodige informatie over de typegoedkeuring zodat er tests kunnen worden uitgevoerd volgens de in bijlage 8 beschreven procedure.
9.2.7. Indien een overeenkomstsluitende partij aantoont dat een motor- of voertuigtype niet voldoet aan de toepasselijke voorschriften van punt 9.2 en bijlage 8, moet zij via haar eigen typegoedkeuringsinstantie de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, daarvan onverwijld in kennis stellen. Na ontvangst van een dergelijk verzoek moet de betrokken typegoedkeuringsinstantie zo spoedig mogelijk en in ieder geval binnen zes maanden na de datum van het verzoek de nodige maatregelen nemen.
Na die kennisgeving deelt de typegoedkeuringsinstantie van de overeenkomstsluitende partij die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, de fabrikant onverwijld mee dat een motor- of voertuigtype niet aan de desbetreffende voorschriften voldoet.
9.2.8. Na de in punt 9.2.7 bedoelde kennisgeving en wanneer bij eerdere tests de conformiteit tijdens het gebruik is gebleken, kan de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, de fabrikant verzoeken aanvullende bevestigingstests uit te voeren na overleg met de deskundigen van de overeenkomstsluitende partij die de non-conformiteit van het voertuig heeft gerapporteerd.
Indien dergelijke testgegevens niet beschikbaar zijn, moet de fabrikant uiterlijk 60 werkdagen na ontvangst van de in punt 9.2.7 bedoelde kennisgeving hetzij de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, overeenkomstig punt 9.3 een plan van corrigerende maatregelen voorleggen, hetzij met een gelijkwaardig voertuig aanvullende tests van de conformiteit tijdens het gebruik uitvoeren om na te gaan of het motor- dan wel het voertuigtype niet aan de voorschriften voldoet. Indien de fabrikant tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie kan aantonen dat er meer tijd nodig is voor aanvullende tests, kan termijnverlenging worden toegestaan.
9.2.9. Deskundigen van de overeenkomstsluitende partij die de non-conformiteit van het motor- of voertuigtype overeenkomstig punt 9.2.7 heeft gerapporteerd, moet worden verzocht de in punt 9.2.8 bedoelde aanvullende tests van de conformiteit tijdens het gebruik bij te wonen. Voorts moeten de resultaten van de tests aan die overeenkomstsluitende partij en aan de typegoedkeuringsinstanties worden meegedeeld.
Indien deze tests van de conformiteit tijdens het gebruik of deze bevestigingstests de non-conformiteit van het motor- of voertuigtype bevestigen, moet de typegoedkeuringsinstantie eisen dat de fabrikant een plan van corrigerende maatregelen voorlegt om een einde te maken aan de non-conformiteit. Het plan van corrigerende maatregelen moet voldoen aan punt 9.3 van dit reglement en aan punt 9 van bijlage 8.
Indien die tests van de conformiteit tijdens het gebruik of die bevestigingstests de conformiteit aantonen, moet de fabrikant een rapport indienen bij de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend. Deze typegoedkeuringsinstantie moet het rapport dan aan de overeenkomstsluitende partij die de non-conformiteit van het voertuigtype heeft gerapporteerd, en de typegoedkeuringsinstanties voorleggen. Het rapport moet de testresultaten bevatten overeenkomstig punt 10 van bijlage 8.
9.2.10. De typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, moet de overeenkomstsluitende partij die had vastgesteld dat het motor- of voertuigtype niet voldeed aan de toepasselijke voorschriften, op de hoogte stellen van de vooruitgang en resultaten van de besprekingen met de fabrikant, de controletests en de corrigerende maatregelen.
9.3. Corrigerende maatregelen
9.3.1. Op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie en na de tests van de conformiteit tijdens het gebruik overeenkomstig punt 9.2 moet de fabrikant het plan van corrigerende maatregelen uiterlijk 60 werkdagen na ontvangst van de kennisgeving van de typegoedkeuringsinstantie voorleggen. Indien de fabrikant tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie kan aantonen dat er meer tijd nodig is om de reden van de non-conformiteit te onderzoeken teneinde een plan van corrigerende maatregelen voor te leggen, kan termijnverlenging worden toegestaan.
9.3.2. De corrigerende maatregelen zijn van toepassing op alle in gebruik zijnde motoren die tot dezelfde motorenfamilies of OBD-motorenfamilies behoren, en worden uitgebreid tot motorenfamilies of OBD-motorenfamilies die waarschijnlijk dezelfde gebreken vertonen. De noodzaak tot wijziging van de typegoedkeuringsdocumenten moet door de fabrikant worden beoordeeld en het resultaat moet aan de typegoedkeuringsinstantie worden meegedeeld.
9.3.3. De typegoedkeuringsinstantie moet de fabrikant raadplegen om tot overeenstemming te komen over een plan van corrigerende maatregelen en de uitvoering ervan. Indien de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, vaststelt dat er geen overeenstemming kan worden bereikt, neemt zij de nodige maatregelen, die kunnen gaan tot intrekking van de typegoedkeuring, om de voertuigen, systemen, onderdelen of technische eenheden in productie conform te maken met het goedgekeurde type. De typegoedkeuringsinstantie stelt de typegoedkeuringsinstanties van de andere overeenkomstsluitende partijen in kennis van de genomen maatregelen. Indien de typegoedkeuring wordt ingetrokken, stelt de typegoedkeuringsinstantie de typegoedkeuringsinstanties van de andere overeenkomstsluitende partijen binnen 20 werkdagen van de intrekking en de redenen daarvoor in kennis.
9.3.4. Binnen 30 werkdagen vanaf de datum waarop de typegoedkeuringsinstantie het plan van corrigerende maatregelen van de fabrikant heeft ontvangen, keurt zij het plan goed of verwerpt zij het. De typegoedkeuringsinstantie deelt de fabrikant en alle overeenkomstsluitende partijen binnen dezelfde termijn mee of zij het plan van corrigerende maatregelen goedkeurt of verwerpt.
9.3.5. De fabrikant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen.
9.3.6. De fabrikant registreert alle teruggeroepen en gerepareerde of gemodificeerde motorsystemen of voertuigen en de garages die de reparaties hebben uitgevoerd. De typegoedkeuringsinstantie heeft op verzoek toegang tot die gegevens tijdens de uitvoering van het plan en gedurende een termijn van vijf jaar na de uitvoering ervan.
9.3.7. De in punt 9.3.6 bedoelde reparaties of modificaties worden vastgelegd in een certificaat dat door de fabrikant aan de motor- of voertuigeigenaar wordt verstrekt.
9.4. Voorschriften en tests voor het testen tijdens het gebruik
9.4.1. Inleiding
Punt 9.4 bevat de specificaties en tests van de gegevens van de elektronische regeleenheid bij typegoedkeuring met het oog op tests tijdens het gebruik.
9.4.2. Algemene voorschriften
|
9.4.2.1. |
Voor het testen tijdens het gebruik moeten de berekende belasting (het motorkoppel als percentage van het maximumkoppel en het bij het geldende motortoerental beschikbare maximumkoppel), het motortoerental, de motorkoelmiddeltemperatuur, het momentane brandstofverbruik en het referentiemaximumkoppel van de motor als functie van het motortoerental door het OBD-systeem realtime en met een frequentie van ten minste 1Hz als verplichte datastream-informatie beschikbaar worden gesteld. |
|
9.4.2.2. |
Het outputkoppel mag door de elektronische regeleenheid met behulp van ingebouwde algoritmen worden geschat om het geproduceerde interne koppel en het wrijvingskoppel te berekenen. |
|
9.4.2.3. |
Het motorkoppel in Nm dat uit bovenstaande datastream-informatie resulteert, moet rechtstreeks kunnen worden vergeleken met de gemeten waarden bij de bepaling van het motorvermogen krachtens Reglement nr. 85. Met name eventuele correcties met betrekking tot hulpaggregaten moeten in bovenstaande datastream-informatie zijn opgenomen. |
|
9.4.2.4. |
Toegang tot de in punt 9.4.2.1 vereiste informatie moet worden verleend overeenkomstig bijlage 9A en de normen waarnaar in aanhangsel 6 van bijlage 9B wordt verwezen. |
|
9.4.2.5. |
De gemiddelde belasting bij elke bedrijfsomstandigheid in Nm, die op basis van de in punt 9.4.2.1 vereiste informatie is berekend, mag van de gemiddelde gemeten belasting bij die bedrijfsomstandigheid niet meer afwijken dan:
Krachtens Reglement nr. 85 mag de werkelijke maximale motorbelasting 5% van het referentiemaximum afwijken om rekening te houden met variaties in het fabricageproces. Deze tolerantie is in bovenstaande waarden in aanmerking genomen. |
|
9.4.2.6. |
Externe toegang tot de in punt 9.4.2.1 vereiste informatie mag de emissies of prestaties van het voertuig niet beïnvloeden. |
9.4.3. Verificatie van de beschikbaarheid en conformiteit van de voor tests tijdens het gebruik vereiste informatie van de elektronische regeleenheid
|
9.4.3.1. |
De beschikbaarheid van de in punt 9.4.2.1 vereiste datastream-informatie overeenkomstig punt 9.4.2.2 moet worden aangetoond met een externe OBD-scanner zoals beschreven in bijlage 9B. |
|
9.4.3.2. |
Indien deze informatie met een correct functionerende scanner niet op adequate wijze kan worden opgevraagd, wordt de motor niet-conform geacht. |
|
9.4.3.3. |
De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid met de punten 9.4.2.2 en 9.4.2.3 moet met de oudermotor van een motorenfamilie worden aangetoond bij de bepaling van het motorvermogen krachtens Reglement nr. 85 en bij de uitvoering van de WHSC-test overeenkomstig bijlage 4, punt 7.7, en van laboratoriumtests buiten de cyclus bij typegoedkeuring overeenkomstig punt 7 van bijlage 10. |
|
9.4.3.3.1 |
De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid met de punten 9.4.2.2 en 9.4.2.3 moet voor elk lid van een motorenfamilie worden aangetoond bij de bepaling van het motorvermogen krachtens Reglement nr. 85. Daartoe moeten aanvullende metingen worden verricht op diverse werkingspunten bij gedeeltelijke belasting en verschillende motortoerentallen (bv. in de modi van de WHSC en op nog een aantal willekeurig gekozen punten). |
|
9.4.3.4. |
Indien de geteste motor niet voldoet aan de voorschriften van Reglement nr. 85 betreffende hulpaggregaten, moet het gemeten koppel worden gecorrigeerd volgens de vermogenscorrectiemethode in bijlage 4, punt 6.3.5. |
|
9.4.3.5. |
De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid wordt als bewezen beschouwd als het koppelsignaal binnen de in punt 9.4.2.5 vastgelegde toleranties blijft. |
10. SANCTIES BIJ NON-CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
|
10.1. |
De krachtens dit reglement verleende goedkeuring voor een motor- of voertuigtype kan worden ingetrokken indien niet aan de voorschriften van punt 8.1 wordt voldaan of indien de motor(en) of het voertuig (de voertuigen) de in punt 8.3 voorgeschreven tests niet heeft (hebben) doorstaan. |
|
10.2. |
Als een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast een eerder door haar verleende goedkeuring intrekt, stelt zij de andere overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, daarvan onmiddellijk in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2A, 2B of 2C. |
11. WIJZIGING EN UITBREIDING VAN DE GOEDKEURING VAN HET GOEDGEKEURDE TYPE
|
11.1. |
Elke wijziging van het goedgekeurde type moet worden meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie die het type heeft goedgekeurd. Die instantie kan dan:
|
|
11.2. |
De bevestiging of weigering van de goedkeuring, met vermelding van de wijzigingen, moet aan de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, worden meegedeeld volgens de procedure van punt 4.12.2. |
|
11.3. |
De typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring uitbreidt, kent aan die uitbreiding een volgnummer toe en stelt de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2A, 2B of 2C. |
12. DEFINITIEVE STOPZETTING VAN DE PRODUCTIE
Indien de houder van de goedkeuring de productie van een krachtens dit reglement goedgekeurd type definitief stopzet, stelt hij de typegoedkeuringsinstantie die de goedkeuring heeft verleend, daarvan in kennis. Zodra die instantie de kennisgeving heeft ontvangen, stelt zij de andere partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, daarvan in kennis door middel van een mededelingenformulier volgens het model in bijlage 2A, 2B of 2C.
13. OVERGANGSBEPALINGEN
13.1. Algemene bepalingen
13.1.1. Vanaf de officiële datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 06 mag een overeenkomstsluitende partij die dit reglement toepast, niet weigeren goedkeuring te verlenen krachtens dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 06.
13.1.2. Vanaf de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 06 verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen ECE-goedkeuringen als de motor voldoet aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij wijzigingenreeks 06.
13.2. Nieuwe typegoedkeuringen
13.2.1. Vanaf de datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 06 verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen ECE-goedkeuring voor een motorsysteem of voertuig als het voldoet aan:
|
a) |
de voorschriften van punt 4.1; |
|
b) |
de prestatiebewakingsvoorschriften van punt 2.3.2.2 van bijlage 9A; |
|
c) |
de voorschriften voor de bewaking van de OBD-grenswaarde voor NOx in de rij "introductieperiode" van de tabellen 1 en 2 van bijlage 9A; |
|
d) |
de voorschriften voor de reagenskwaliteit en het reagensverbruik tijdens de "introductieperiode" in de punten 7.1.1.1 en 8.4.1.1 van bijlage 11. |
|
13.2.1.1. |
Overeenkomstig punt 6.4.4 van bijlage 9A zijn de fabrikanten vrijgesteld van het verstrekken van een verklaring over de conformiteit van de OBD-prestaties tijdens het gebruik. |
13.2.2. Vanaf 1 september 2014 verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen ECE-goedkeuring voor een motorsysteem of voertuig als het voldoet aan:
|
a) |
de voorschriften van punt 4.1; |
|
b) |
de voorschriften voor de bewaking van de OBD-grenswaarde voor deeltjesmassa in de rij "introductieperiode" van tabel 1 van bijlage 9A; |
|
c) |
de voorschriften voor de bewaking van de OBD-grenswaarde voor NOx in de rij "introductieperiode" van de tabellen 1 en 2 van bijlage 9A; |
|
d) |
de voorschriften voor de reagenskwaliteit en het reagensverbruik tijdens de "introductieperiode" in de punten 7.1.1.1 en 8.4.1.1 van bijlage 11. |
|
13.2.2.1. |
Overeenkomstig punt 6.4.4 van bijlage 9A zijn de fabrikanten vrijgesteld van het verstrekken van een verklaring over de conformiteit van de OBD-prestaties tijdens het gebruik. |
13.2.3. Vanaf 31 december 2015 verlenen de overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, alleen ECE-goedkeuring voor een motorsysteem of voertuig als het voldoet aan:
|
a) |
de voorschriften van punt 4.1; |
|
b) |
de voorschriften voor de bewaking van de OBD-grenswaarde voor deeltjesmassa in de rij "algemene voorschriften" van tabel 1 van bijlage 9A; |
|
c) |
de voorschriften voor de bewaking van de OBD-grenswaarde voor NOx in de rij "algemene voorschriften" van de tabellen 1 en 2 van bijlage 9A; |
|
d) |
de "algemene" voorschriften voor de reagenskwaliteit en het reagensverbruik in de punten 7.1.1 en 8.4.1 van bijlage 11; |
|
e) |
de voorschriften met betrekking tot het plan en de uitvoering van de bewakingstechnieken overeenkomstig de punten 2.3.1.2 en 2.3.1.2.1 van bijlage 9A; |
|
f) |
de voorschriften van punt 6.4.1 van bijlage 9A betreffende het verstrekken van een verklaring over de conformiteit van de OBD-prestaties tijdens het gebruik. |
13.3. Beperkte geldigheid van typegoedkeuringen
13.3.1. Vanaf 1 januari 2014 zijn krachtens wijzigingenreeks 05 van dit reglement verleende typegoedkeuringen niet meer geldig.
13.3.2. Vanaf 1 september 2015 zijn krachtens wijzigingenreeks 06 van dit reglement verleende typegoedkeuringen die niet aan punt 13.2.1 voldoen, niet meer geldig.
13.3.3. Vanaf 31 december 2016 zijn krachtens wijzigingenreeks 06 van dit reglement verleende typegoedkeuringen die niet aan punt 13.2.2 voldoen, niet meer geldig.
13.4. Bijzondere bepalingen
13.4.1. De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen goedkeuring blijven verlenen voor motorsystemen of voertuigen die aan een eerdere wijzigingenreeks of versie van dit reglement voldoen, op voorwaarde dat die motorsystemen of voertuigen bestemd zijn voor verkoop in of uitvoer naar landen die de desbetreffende voorschriften in nationaal recht omzetten.
13.4.2. Vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen
De overeenkomstsluitende partijen die dit reglement toepassen, mogen goedkeuring blijven verlenen voor motoren die voldoen aan de voorschriften van dit reglement zoals gewijzigd bij een eerdere wijzigingenreeks of versie van dit reglement, op voorwaarde dat de motor bedoeld is als vervangingsmotor voor een in gebruik zijnd voertuig waarop die vroegere voorschriften van toepassing waren op de datum waarop dat voertuig in het verkeer is gebracht.
13.4.3. Bij toepassing van de in punt 13.4.1 of 13.4.2 beschreven bijzondere bepalingen moet de typegoedkeuringsmededeling in punt 1.6 van het addendum van de bijlagen 2A en 2C informatie over die bepalingen bevatten.
|
13.4.3.1. |
Bij goedkeuringen krachtens de bijzondere bepalingen van punt 13.4.1 moet de mededeling betreffende de typegoedkeuring aan het begin de volgende tekst bevatten, waarbij het nummer van de desbetreffende wijzigingenreeks de "xx" in onderstaand voorbeeld vervangt:
"Motor conform wijzigingenreeks xx van Reglement nr. 49". |
|
13.4.3.2. |
Bij goedkeuringen krachtens de bijzondere bepalingen van punt 13.4.2 moet de mededeling betreffende de typegoedkeuring aan het begin de volgende tekst bevatten, waarbij het nummer van de desbetreffende wijzigingenreeks de "xx" in onderstaand voorbeeld vervangt:
"Vervangingsmotor conform wijzigingenreeks xx van Reglement nr. 49". |
14. NAAM EN ADRES VAN DE VOOR DE UITVOERING VAN DE GOEDKEURINGSTESTS VERANTWOORDELIJKE TECHNISCHE DIENSTEN EN VAN DE TYPEGOEDKEURINGSINSTANTIES
De partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, delen het secretariaat van de Verenigde Naties de naam en het adres mee van de technische diensten die voor de uitvoering van de goedkeuringstests verantwoordelijk zijn, en van de typegoedkeuringsinstanties die goedkeuring verlenen en waaraan de in andere landen afgegeven certificaten betreffende de goedkeuring of de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring moeten worden toegezonden.
(1) Zoals gedefinieerd in de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2, punt.2 - www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.html.
(2) Bijvoorbeeld bij een lege gastank.
(3) Dit punt wordt voorbehouden voor alternatieve bepalingen betreffende alternatieve OBD- en NOx-beperkingsvoorschriften voor lichte voertuigen.
(4) Dit is meestal het geval bij vloeibaar biomethaan.
(5) De verouderingsprocedure in bijlage 13 moet definitief worden vastgesteld voordat typegoedkeuring kan worden verleend.
(6) De nummers van de partijen bij de Overeenkomst van 1958 zijn opgenomen in bijlage 3 bij de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3), document ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2/Amend.1 - www.unece.org/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29gen/wp29resolutions.
Aanhangsel 1
Procedure om de conformiteit van de productie te testen wanneer de standaardafwijking aanvaardbaar is
|
A.1.1. |
Dit aanhangsel beschrijft de procedure die moet worden toegepast om de conformiteit van de productie wat de emissies van verontreinigende stoffen betreft te verifiëren wanneer de standaardafwijking van de productie van de fabrikant aanvaardbaar is. |
|
A.1.2. |
Bij een minimale steekproefgrootte van drie motoren wordt de bemonsteringsprocedure zo gekozen dat de kans dat een partij waarvan 40% van de motoren gebreken vertoont, een test doorstaat 0,95 is (risico van de producent = 5%), terwijl de kans dat een partij waarvan 65% van de motoren gebreken vertoont, wordt aanvaard 0,10 is (risico van de consument = 10%). |
|
A.1.3. |
De volgende procedure wordt toegepast voor elk van de in punt 5.3 van dit reglement genoemde verontreinigende stoffen (zie figuur 1 in punt 8.3 van dit reglement):
Stel:
|
|
A.1.4. |
Voor elke steekproef wordt de som van de standaardafwijkingen van de grenswaarde berekend met de volgende formule:
|
|
A.1.5. |
Dan geldt:
Tabel 2 Getallen voor een besluit tot goed- en afkeur bij het bemonsteringsschema van aanhangsel 1 Minimale steekproefgrootte: 3
|
Aanhangsel 2
Procedure om de conformiteit van de productie te testen wanneer de standaardafwijking onaanvaardbaar of niet beschikbaar is
|
A.2.1. |
Dit aanhangsel beschrijft de procedure die moet worden toegepast om de conformiteit van de productie wat de emissies van verontreinigende stoffen betreft te verifiëren wanneer de standaardafwijking van de productie van de fabrikant onaanvaardbaar of niet beschikbaar is. |
|
A.2.2. |
Bij een minimale steekproefgrootte van drie motoren wordt de bemonsteringsprocedure zo gekozen dat de kans dat een partij waarvan 40% van de motoren gebreken vertoont, een test doorstaat 0,95 is (risico van de producent = 5%), terwijl de kans dat een partij waarvan 65% van de motoren gebreken vertoont, wordt aanvaard 0,10 is (risico van de consument = 10%). |
|
A.2.3. |
De waarden van de verontreinigende stoffen in punt 5.3 van dit reglement worden, na toepassing van de desbetreffende verslechteringsfactor, geacht logaritmisch normaal te zijn verdeeld en moeten worden omgezet door de natuurlijke logaritme te nemen. mo en m staan voor de minimale, respectievelijk maximale steekproefgrootte (mo = 3 en m = 32) en n staat voor het aantal monsters in de steekproef. |
|
A.2.4. |
Indien de natuurlijke logaritmen van de bij de serie gemeten waarden (na toepassing van de desbetreffende verslechteringsfactor) x1, x2, … xi zijn en L de natuurlijke logaritme van de grenswaarde voor de verontreinigende stof is, dan geldt:
|
|
A.2.5. |
Tabel 3 toont voor het aantal monsters in de steekproef telkens de getallen voor een besluit tot goedkeur (An) en afkeur (Bn). Het resultaat van de teststatistiek is de verhouding Bij m0 ≤ n ≤ m:
|
|
A.2.6. |
Opmerkingen
De volgende recursieve formules zijn nuttig om de opeenvolgende waarden van de teststatistiek te berekenen:
(n = 2, 3,…; Tabel 3 Getallen voor een besluit tot goed- en afkeur bij het bemonsteringsschema van aanhangsel 2 Minimale steekproefgrootte: 3
|
Aanhangsel 3
Procedure om de conformiteit van de productie op verzoek van de fabrikant te testen
|
A.3.1. |
Dit aanhangsel beschrijft de procedure die moet worden toegepast om op verzoek van de fabrikant de conformiteit van de productie wat de emissies van verontreinigende stoffen betreft te verifiëren. |
|
A.3.2. |
Bij een minimale steekproefgrootte van drie motoren wordt de bemonsteringsprocedure zo gekozen dat de kans dat een partij waarvan 30 % van de motoren gebreken vertoont, een test doorstaat 0,90 is (risico van de producent = 10 %), terwijl de kans dat een partij waarvan 65 % van de motoren gebreken vertoont, wordt aanvaard 0,10 is (risico van de consument = 10 %). |
|
A.3.3. |
De volgende procedure wordt toegepast voor elk van de in punt 5.3 van dit reglement genoemde verontreinigende stoffen (zie figuur 1 in punt 8.3 van dit reglement):
Stel:
|
|
A.3.4. |
Bepaal voor de steekproef de teststatistiek, d.w.z. het cumulatieve aantal non-conforme tests bij de n'de test. |
|
A.3.5. |
Dan geldt:
In tabel 4 zijn de getallen voor een besluit tot goed- en afkeur berekend met behulp van de internationale norm ISO 8422/1991. Tabel 4 Getallen voor een besluit tot goed- en afkeur bij het bemonsteringsschema van aanhangsel 3 Minimale steekproefgrootte: 3
|
Aanhangsel 4
Samenvatting van het goedkeuringsproces bij aardgasmotoren, lpg-motoren en dual-fuelmotoren op aardgas/biomethaan of lpg
Goedkeuring van lpg-motoren
|
|
Punt 4.6: Voorschriften voor multibrandstoftypegoedkeuring |
Aantal testritten |
Berekening van r |
Punt 4.7: Voorschriften voor typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen bij elektrische-ontstekingsmotoren op aardgas of lpg |
Aantal testritten |
Berekening van r |
|
Zie punt 4.6.6 Lpg-motor die zich aan alle brandstofsamenstellingen kan aanpassen |
brandstof A en brandstof B |
2 |
|
|
|
|
|
Zie punt 4.7.2 Lpg-motor die ontworpen is voor brandstof van één bepaalde samenstelling |
|
|
|
brandstof A en brandstof B, bijstelling tussen de tests toegestaan |
2 |
|
Goedkeuring van aardgasmotoren
|
|
Punt 4.6: Voorschriften voor multibrandstoftypegoedkeuring |
Aantal testritten |
Berekening van r |
Punt 4.7: Voorschriften voor typegoedkeuring voor een beperkt aantal brandstoffen bij elektrische-ontstekingsmotoren op aardgas of lpg |
Aantal testritten |
Berekening van r |
||||
|
Zie punt 4.6.3 Aardgasmotor die zich aan alle brandstofsamen-stellingen kan aanpassen |
GR (1) en G25 (2) Op verzoek van de fabrikant mag de motor met een extra in de handel verkrijgbare brandstof (3) worden getest als |
2 (max. 3) |
en, als de motor met een extra brandstof wordt getest:
en
|
|
|
|
||||
|
Zie punt 4.6.4 Aardgasmotor die zichzelf aanpast met behulp van een schakelaar |
GR (1) en G23 (3) voor H en G25 (2) en G23 (3) voor L Op verzoek van de fabrikant mag de motor met een in de handel verkrijgbare brandstof (3) i.p.v. met G23 worden getest als |
2 voor de groep H en 2 voor de groep L in de respectieve stand van schakelaar 4 |
en
|
|
|
|
||||
|
Zie punt 4.7.1 Aardgasmotor die ontworpen is voor gas van groep H of groep L |
|
|
|
GR (1) en G23 (3) voor H of G25 (2) en G23 (3) voor L Op verzoek van de fabrikant mag de motor met een in de handel verkrijgbare brandstof (3) i.p.v. met G23 worden getest als |
2 voor groep H of 2 voor groep L 2 |
voor groep H of
voor groep L |
||||
|
Zie punt 4.7.2 Aardgasmotor die ontworpen is voor brandstof van één bepaalde samenstelling |
|
|
|
GR (1) en G25 (2) Bijstelling tussen de tests toegestaan. Op verzoek van de fabrikant mag de motor worden getest met:
|
2 of 2 voor groep H of 2 voor groep L 2 |
|
Goedkeuring van dual-fuelmotoren op aardgas/biomethaan of lpg
|
Dual-fueltype (1) |
Dieselmodus |
Dual-fuelmodus |
|||
|
Cng |
Lng |
Lng20 |
Lpg |
||
|
1A |
|
Universeel of beperkt (2 tests) |
Universeel (2 tests) |
Brandstofspecifiek (1 test) |
Universeel of beperkt (2 tests) |
|
1B |
Universeel (1 test) |
Universeel of beperkt (2 tests) |
Universeel (2 tests) |
Brandstofspecifiek (1 test) |
Universeel of beperkt (2 tests) |
|
2A |
|
Universeel of beperkt (2 tests) |
Universeel (2 tests) |
Brandstofspecifiek (1 test) |
Universeel of beperkt (2 tests) |
|
2B |
Universeel (1 test) |
Universeel of beperkt (2 tests) |
Universeel (2 tests) |
Brandstofspecifiek (1 test) |
Universeel of beperkt (2 tests) |
|
3B |
Universeel (1 test) |
Universeel of beperkt (2 tests) |
Universeel (2 tests) |
Brandstofspecifiek (1 test) |
Universeel of beperkt (2 tests) |
(1) Volgens de definities van bijlage 15.
BIJLAGE 1
MODELLEN VAN HET INLICHTINGENFORMULIER
Dit inlichtingenformulier betreft de goedkeuring krachtens Reglement nr. 49. Het heeft betrekking op maatregelen tegen de emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door motorsystemen en voertuigen. Het betreft de:
|
|
typegoedkeuring van een motor of motorenfamilie als technische eenheid, |
|
|
typegoedkeuring van een voertuig met een goedgekeurde motor wat emissies betreft, |
|
|
typegoedkeuring van een voertuig wat emissies betreft. |
De onderstaande gegevens, voor zover van toepassing, moeten in drievoud worden verstrekt en vergezeld gaan van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen moeten op een passende schaal en met voldoende details, in formaat A4 of tot dat formaat gevouwen, worden ingediend. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.
Indien de in deze bijlage bedoelde systemen, onderdelen of technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties ervan worden verstrekt.
Voor de verklarende voetnoten: zie aanhangsel 1.
Te verstrekken informatie
Het inlichtingenformulier moet in elk geval het volgende bevatten:
Algemene informatie
Bovendien moet in voorkomend geval ook de volgende informatie worden verstrekt
|
Deel 1 |
: |
Essentiële kenmerken van de (ouder)motor en de motortypen binnen een motorenfamilie |
|
Deel 2 |
: |
Essentiële kenmerken van de voertuigonderdelen en -systemen wat uitlaatemissies betreft |
Aanhangsel van het inlichtingenformulier: Informatie over de testomstandigheden
Foto's en/of tekeningen van de oudermotor, het motortype en, indien van toepassing, van de motorruimte.
Eventueel andere bijvoegsels.
Datum, dossier
Opmerkingen betreffende het invullen van de tabellen
De letters A, B, C, D en E staan voor de leden van een motorenfamilie en moeten door de namen van de leden van de motorenfamilie in kwestie worden vervangen.
Wanneer voor een bepaald motorkenmerk dezelfde waarde/beschrijving van toepassing is op alle leden van de motorenfamilie, moeten de cellen A tot en met E worden samengevoegd.
Wanneer de familie uit meer dan 5 leden bestaat, mogen nieuwe kolommen worden toegevoegd.
Bij een typegoedkeuringsaanvraag voor een motor of motorenfamilie als technische eenheid moeten het algemene deel en deel 1 worden ingevuld.
Bij een typegoedkeuringsaanvraag voor een voertuig met een goedgekeurde motor wat emissies betreft, moeten het algemene deel en deel 2 worden ingevuld.
Bij een typegoedkeuringsaanvraag voor een voertuig wat emissies betreft moeten de delen 1 en 2 worden ingevuld.
|
|
|
Oudermotor of motortype |
Leden van de motorenfamilie |
||||
|
A |
B |
C |
D |
E |
|||
|
0. |
Algemeen |
||||||
|
0.l. |
Merk (handelsnaam van fabrikant): |
|
|||||
|
0.2. |
Type |
|
|||||
|
|
|||||||
|
0.2.0.3. |
Motortype als technische eenheid / motorenfamilie als technische eenheid / voertuig met een goedgekeurde motor wat emissies betreft / voertuig wat emissies betreft (1) |
|
|||||
|
0.2.1. |
Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar): |
|
|
|
|
|
|
|
0.3. |
Middel tot identificatie van het type, indien aangebracht op de technische eenheid (2): |
|
|
|
|
|
|
|
0.3.1. |
Plaats van dat identificatiemiddel: |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||
|
0.5. |
Naam en adres van de fabrikant: |
|
|||||
|
|
|||||||
|
0.7. |
Bij onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het goedkeuringsmerk: |
|
|
|
|
|
|
|
0.8. |
Naam en adres van de assemblagefabriek(en): |
|
|
|
|
|
|
|
0.9. |
Eventueel naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant: |
|
|||||
DEEL 1
Essentiële kenmerken van de (ouder)motor en de motortypen binnen een motorenfamilie
|
|
|
Oudermotor of motortype |
Leden van de motorenfamilie |
||||||||||||||||||||||||||||||||
|
A |
B |
C |
D |
E |
|||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2. |
Verbrandingsmotor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1. |
Specifieke informatie over de motor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.1. |
Werkingsprincipe:elektrische ontsteking / compressieontsteking (1) Cyclus: viertakt / tweetakt / draaizuiger (1) |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.1.1. |
Type dual-fuelmotor: type 1A/type 1B/type 2A/type 2B/type 3B (1) (df) Gasenergieverhouding tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus (df): …% |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.2. |
Aantal en opstelling van de cilinders |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.2.1. |
Boring (3) mm |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.2.2. |
Slag (3) mm |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.2.3. |
Ontstekingsvolgorde |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.3. |
Cilinderinhoud (4) cm3 |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.4. |
Volumetrische compressieverhouding (5) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.5. |
Tekeningen van verbrandingskamer, zuigerkop en, bij elektrische-ontstekingsmotoren, zuigerveren |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.6. |
Normaal stationair motortoerental (5) min–1 |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.6.1. |
Hoog stationair motortoerental (5) min–1 |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.6.2. |
Stationair draaien op diesel: ja/nee (1) (df) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.7. |
Volumepercentage koolmonoxide in de uitlaatgassen bij stationair draaiende motor (5): % volgens fabrieksopgave (alleen bij elektrische-ontstekingsmotoren) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.8. |
Nettomaximumvermogen (6) … kW bij …min–1 (volgens fabrieksopgave) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.9. |
Maximaal toegestaan motortoerental volgens fabrieksopgave (min–1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.10. |
Nettomaximumkoppel (6) (Nm) bij (min–1) (volgens fabrieksopgave) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.1.11 |
Fabrieksreferenties van het documentatiepakket dat overeenkomstig de punten 3.1, 3.2 en 3.3 van dit reglement verplicht is en de typegoedkeuringsinstantie in staat stelt een oordeel te vellen over de emissiebeheersingsstrategieën en de systemen binnen de motor om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.2. |
Brandstof |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.2.2. |
Zware voertuigen: diesel / benzine / lpg / aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL / ethanol (ED95) / ethanol (E85) / dual-fuel (1) (dh) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.2.2.1. |
Brandstoffen die voor de motor kunnen worden gebruikt zoals opgegeven door de fabrikant overeenkomstig punt 4.6.2 van dit reglement (naargelang het geval) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4. |
Brandstoftoevoer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2. |
Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking of dual-fuel): ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.1. |
Beschrijving van het systeem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.2. |
Werkingsprincipe: directe inspuiting / voorkamer / wervelkamer (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.3. |
Inspuitpomp |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.3.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.3.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.3.3. |
Maximale brandstofopbrengst (1), (5) … mm3/slag of cyclus bij een motortoerental van … min–1 of eventueel karakteristiek schema (Als aanjaagdrukregeling wordt toegepast, de karakteristieke brandstofopbrengst vermelden, alsmede de aanjaagdruk met bijbehorend motortoerental) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.3.4. |
Vast inspuittijdstip (5) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.3.5. |
Inspuitvervroegingscurve (5) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.3.6. |
Kalibratieprocedure: testbank/motor (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.4. |
Regulateur |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.4.1. |
Type |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.4.2. |
Uitschakelingspunt |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.4.2.1. |
Uitschakelingspunt onder belasting (min–1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.4.2.2. |
Maximumtoerental in onbelaste toestand (min–1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.4.2.3. |
Stationair toerental (min–1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.5. |
Inspuitleidingen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.5.1. |
Lengte (mm) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.5.2. |
Binnendiameter (mm): |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.5.3. |
Common rail, merk en type |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.6. |
Inspuiter(s) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.6.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.6.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.6.3. |
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.7. |
Koudstartsysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.7.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.7.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.7.3. |
Beschrijving |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.8. |
Hulpstartsysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.8.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.8.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.8.3. |
Beschrijving van het systeem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9. |
Elektronische inspuiting: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3. |
Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.1. |
Merk en type van de regeleenheid (ECU) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.2. |
Merk en type van de brandstofregelaar |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.3. |
Merk en type van de luchtmassasensor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.4. |
Merk en type van de brandstofverdelerpomp |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.5. |
Merk en type van het smoorklephuis |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.6. |
Merk en type van de watertemperatuursensor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.7. |
Merk en type van de luchttemperatuursensor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.8. |
Merk en type van de luchtdruksensor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.2.9.3.9. |
Softwarekalibratienummer(s) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3. |
Door brandstofinspuiting (alleen bij elektrische ontsteking): ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.1. |
Werkingsprincipe: inlaatspruitstuk (monopoint/multipoint/directe inspuiting (1)/andere (specificeren)): |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.2. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.3. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4. |
Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.1. |
Merk en type van de regeleenheid (ECU) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.2. |
Merk en type van de brandstofregelaar |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.3. |
Merk en type van de luchtmassasensor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.4. |
Merk en type van de brandstofverdelerpomp |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.5. |
Merk en type van de drukregelaar |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.6. |
Merk en type van de microschakelaar |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.7. |
Merk en type van de instelschroef voor stationair draaien |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.8. |
Merk en type van het smoorklephuis |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.9. |
Merk en type van de watertemperatuursensor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.10. |
Merk en type van de luchttemperatuursensor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.11. |
Merk en type van de luchtdruksensor |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.4.12. |
Softwarekalibratienummer(s) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.5. |
Inspuiters: openingsdruk (5) (kPa) of karakteristiek schema (5): |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.5.1. |
Merk |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.5.2. |
Type |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.6. |
Inspuittiming |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.7. |
Koudstartsysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.7.1. |
Werkingsprincipe(s) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.3.7.2. |
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.4. |
Brandstofpomp |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.4.4.1. |
|
|
|
|
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.5. |
Elektrisch systeem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.5.1. |
Nominale spanning (V), positieve/negatieve massaverbinding (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.5.2. |
Generator |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.5.2.1. |
Type |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.5.2.2. |
Nominale output (VA) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6. |
Ontstekingssysteem (alleen bij elektrische-ontstekingsmotoren) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.3. |
Werkingsprincipe |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.4. |
Ontstekingsvervroegingscurve of –diagram (5) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.5. |
Vast ontstekingstijdstip (5) (graden vóór bdp) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.6. |
Bougies |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.6.1. |
Merk |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.6.2. |
Type |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.6.3. |
Elektrodenafstand (mm) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.7. |
Bobine(s) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.7.1. |
Merk |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.6.7.2. |
Type |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7. |
Koelsysteem: vloeistof/lucht (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.2. |
Vloeistof |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.2.1. |
Aard van de vloeistof |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.2.2. |
Circulatiepomp(en): ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.2.3. |
Kenmerken |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.2.3.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.2.3.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.2.4. |
Aandrijvingsverhouding(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.3. |
Lucht |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.3.1. |
Ventilator: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.3.2. |
Kenmerken |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.3.2.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.3.2.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.7.3.3. |
Aandrijvingsverhouding(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8. |
Inlaatsysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.1. |
Drukvulling: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.1.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.1.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.1.3. |
Beschrijving van het systeem (bv. maximale vuldruk … kPa, overdrukklep, indien van toepassing) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.2. |
Tussenkoeler: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.2.1. |
Type: lucht-lucht/lucht-water (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.3. |
Inlaatonderdruk bij nominaal motortoerental en bij 100% belasting (alleen bij compressieontstekingsmotoren) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.3.1. |
Toelaatbaar minimum (kPa) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.3.2. |
Toelaatbaar maximum (kPa) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.4. |
Beschrijving en tekeningen van de inlaatpijpen en bijbehorende onderdelen (drukkamer, voorverwarmingssysteem, extra luchtinlaten enz.) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.8.4.1. |
Beschrijving van het inlaatspruitstuk (met tekeningen en/of foto's) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.9. |
Uitlaatsysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.9.1. |
Beschrijving en/of tekeningen van het uitlaatspruitstuk |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.9.2. |
Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.9.2.1. |
Beschrijving en/of tekening van de elementen van het uitlaatsysteem die deel uitmaken van het motorsysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.9.3. |
Maximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting (alleen bij compressieontstekingsmotoren) (kPa) (7) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.9.7. |
Inhoud van het uitlaatsysteem (dm3) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.9.7.1. |
Acceptabele inhoud van het uitlaatsysteem: (dm3) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.10. |
Minimumdwarsdoorsnede van inlaat- en uitlaatpoorten |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.11. |
Kleptiming of gelijkwaardige gegevens |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.11.1. |
Maximale lichthoogte van de kleppen, openings- en sluitingshoeken of gegevens over de timing van alternatieve distributiesystemen, ten opzichte van de dode punten. Bij variabele kleptiming, de minimum- en maximumtiming |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.11.2. |
Referentie- en/of afstelbereik (7) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12. |
Maatregelen tegen luchtverontreiniging |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.1.1. |
Voorziening voor het recycleren van cartergassen: ja/nee (1) Zo ja, beschrijving en tekeningen Zo nee, naleving van punt 6.10 van bijlage 4 bij dit reglement verplicht |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2. |
Extra voorzieningen voor verontreinigingsbeheersing (indien aanwezig en niet elders vermeld) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1. |
Katalysator: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.1. |
Aantal katalysatoren en elementen (deze informatie voor elke eenheid verstrekken) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.2. |
Afmetingen, vorm en inhoud van de katalysator(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.3. |
Soort katalytische werking |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.4. |
Totale hoeveelheid edelmetalen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.5. |
Relatieve concentratie |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.6. |
Substraat (structuur en materiaal) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.7. |
Celdichtheid |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.8. |
Type katalysatorhuis |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.9. |
Plaats van de katalysator(en) (plaats en referentieafstand in de uitlaatlijn) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.10. |
Hitteschild: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.11. |
Regeneratiesystemen/-methode van de uitlaatgasnabehandelingssystemen, beschrijving |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.11.5. |
Normaal bedrijfstemperatuurbereik (K) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.11.6. |
Verbruiksreagentia: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.11.7. |
Type en concentratie van het reagens dat nodig is voor de katalytische werking |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.11.8. |
Normaal bedrijfstemperatuurbereik van het reagens K |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.11.9. |
Internationale norm |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.11.10. |
Bijvulfrequentie reagens: continu/bij onderhoud (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.12. |
Merk van de katalysator |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.1.13. |
Onderdeelidentificatienummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.2. |
Zuurstofsensor: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.2.1. |
Merk |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.2.2. |
Plaats |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.2.3. |
Controlebereik |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.2.4. |
Type |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.2.5. |
Onderdeelidentificatienummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.3. |
Luchtinspuiting: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.3.1. |
Type (pulse air, luchtpomp enz.) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.4. |
Uitlaatgasrecirculatie (EGR): ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.4.1. |
Kenmerken (merk, type, debiet enz.) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6. |
Deeltjesvanger: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.1. |
Afmetingen, vorm en inhoud van de deeltjesvanger |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.2. |
Ontwerp van de deeltjesvanger |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.3. |
Plaats (referentieafstand in de uitlaatlijn) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.4. |
Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.5. |
Merk van de deeltjesvanger |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.6. |
Onderdeelidentificatienummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.7. |
Normaal bedrijfstemperatuurbereik (K) en drukbereik (kPa) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.8. |
Bij periodieke regeneratie |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.8.1.1. |
Aantal WHTC-testcycli zonder regeneratie (n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.8.2.1. |
Aantal WHTC-testcycli met regeneratie (nR) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.9. |
Andere systemen: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.6.9.1. |
Beschrijving en werking |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7. |
Boorddiagnosesysteem (OBD-systeem) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.0.1. |
Aantal OBD-motorenfamilies binnen de motorenfamilie |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.0.2. |
Lijst van de OBD-motorenfamilies (indien van toepassing) |
OBD-motorenfamilie 1: … OBD-motorenfamilie 2: … enz. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.0.3. |
Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de oudermotor/het familielid behoort |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.0.4. |
Fabrieksreferenties van de OBD-documentatie die krachtens punt 3.1.4, onder c), en punt 3.3.4 van dit reglement verplicht is en wordt beschreven in bijlage 9A bij dit reglement met het oog op de goedkeuring van het OBD-systeem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.0.5. |
Indien van toepassing, fabrieksreferentie van de documentatie voor het installeren van een motorsysteem met boorddiagnose in een voertuig |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.2. |
Lijst en doel van alle onderdelen die door het OBD-systeem worden bewaakt (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3. |
Beschrijving in woorden (algemene werkingsbeginselen) bij |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.1. |
Elektrische-ontstekingsmotoren (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.1.1. |
Bewaking van de katalysator (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.1.2. |
Detectie van ontstekingsfouten (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.1.3. |
Bewaking van de zuurstofsensor (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.1.4. |
Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.2. |
Compressieontstekingsmotoren (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.2.1. |
Bewaking van de katalysator (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.2.2. |
Bewaking van de deeltjesvanger (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.2.3. |
Bewaking van het elektronische brandstoftoevoersysteem (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.2.4. |
Bewaking van het DeNOx-systeem (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.3.2.5. |
Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.4. |
Criteria voor MI-activering (vast aantal rijcycli of statistische methode) (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.5. |
Lijst van alle gebruikte OBD-outputcodes en –formaten (met telkens een verklaring) (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.6.5. |
Norm voor het OBD-communicatieprotocol (8) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.7. |
Fabrieksreferentie van de OBD-gerelateerde informatie die krachtens punt 3.1.4, onder d), en punt 3.3.4 van dit reglement verplicht is voor de naleving van de bepalingen inzake toegang tot de OBD-informatie van het voertuig, of |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.7.7.1. |
Als alternatief voor een fabrieksreferentie zoals beschreven in punt 3.2.12.2.7.7, referentie van het bijvoegsel bij deze bijlage dat de volgende tabel bevat die volgens onderstaand voorbeeld is ingevuld: Onderdeel - Foutcode - Bewakingsstrategie - Foutdetectiecriteria - MI-activeringcriteria - Secundaire parameters - Voorconditionering - Demonstratietest SCR-katalysator - P20EE – Signalen NOx-sensor 1 en 2 – Verschil tussen de signalen van sensor 1 en sensor 2 – 2e cyclus - Motortoerental, motorbelasting, katalysatortemperatuur, reagensactiviteit, uitlaatgasmassadebiet – Eén OBD-testcyclus (WHTC, warm gedeelte) – OBD-testcyclus (WHTC, warm gedeelte) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.8. |
Ander systeem (beschrijving en werking) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.8.1. |
Systemen om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.8.2. |
Motor met permanente deactivering van het aansporingssysteem voor de bestuurder, voor gebruik door hulpverleningsdiensten of in voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer en de ordediensten: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.8.3. |
Aantal OBD-motorenfamilies binnen de motorenfamilie in kwestie bij het garanderen van de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.8.4. |
Lijst van de OBD-motorenfamilies (indien van toepassing) |
OBD-motorenfamilie 1: … OBD-motorenfamilie 2: … enz. |
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.8.5. |
Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de oudermotor/het familielid behoort |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.8.6. |
Laagste concentratie van het in het reagens aanwezige werkzame ingrediënt, waarbij het waarschuwingssysteem niet wordt geactiveerd (CDmin) (vol. %) |
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.12.2.8.7. |
Indien van toepassing, fabrieksreferentie van de documentatie voor het installeren, in een voertuig, van de systemen om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17. |
Specifieke informatie over gasmotoren en dual-fuelmotoren voor zware voertuigen (bij systeemvarianten soortgelijke informatie verstrekken) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.1. |
Brandstof: lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.2. |
Drukregelaar(s) of verdamper(s)/drukregelaar(s) (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.2.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.2.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.2.3. |
Aantal drukreduceerfasen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.2.4. |
Druk in de eindfase, minimaal (kPa) – maximaal (kPa) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.2.5. |
Aantal hoofdafstelpunten |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.2.6. |
Aantal afstelpunten stationair |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.2.7. |
Typegoedkeuringsnummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.3. |
Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/ vloeistofinspuiting/directe inspuiting (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.3.1. |
Mengverhoudingregeling |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.3.2. |
Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.3.3. |
Typegoedkeuringsnummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.4. |
Mengeenheid |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.4.1. |
Aantal |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.4.2. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.4.3. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.4.4. |
Plaats |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.4.5. |
Afstelmogelijkheden |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.4.6. |
Typegoedkeuringsnummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5. |
Inspuiting in het inlaatspruitstuk |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.1. |
Inspuiting: monopoint/multipoint (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.2. |
Inspuiting: continu/simultaan/sequentieel (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.3. |
Inspuitapparatuur |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.3.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.3.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.3.3. |
Afstelmogelijkheden |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.3.4. |
Typegoedkeuringsnummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.4. |
Brandstofpomp (indien van toepassing) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.4.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.4.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.4.3. |
Typegoedkeuringsnummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.5. |
Inspuiter(s) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.5.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.5.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.5.5.3. |
Typegoedkeuringsnummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6. |
Directe inspuiting |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.1. |
Inspuitpomp/drukregelaar (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.1.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.1.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.1.3. |
Inspuittiming |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.1.4. |
Typegoedkeuringsnummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.2. |
Inspuiter(s) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.2.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.2.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.2.3. |
Openingsdruk of karakteristiek schema (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.6.2.4. |
Typegoedkeuringsnummer |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.7. |
Elektronische regeleenheid (ECU) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.7.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.7.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.7.3. |
Afstelmogelijkheden |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.7.4. |
Softwarekalibratienummer(s) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.8. |
Specifieke aardgasapparatuur |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.8.1. |
Variant 1 (alleen bij goedkeuring van motoren voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.8.1.0.1. |
Voorziening voor automatische aanpassing? ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.8.1.0.2. |
Kalibratie voor een specifieke gassamenstelling aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL1 Omzetting voor een specifieke gassamenstelling aardgas-Ht/aardgas-Lt/aardgas-HLt1 |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.2.17.8.1.1. |
methaan (CH4) … basis (mol %) min. (mol %) max. (mol %) ethaan (C2H6) … basis (mol %) min. (mol %) max. (mol %) propaan (C3H8) … basis (mol %) min. (mol %) max. (mol %) butaan (C4H10) … basis (mol %) min. (mol %) max. (mol %) C5/C5+ … basis (mol %) min. (mol %) max. (mol %) zuurstof (O2) … basis (mol %) min. (mol %) max. (mol %) inert gas (N2, He enz.) … basis (mol %) min. (mol %) max. (mol %) |
||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.4. |
CO2-emissies bij zware motoren |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.4.1. |
CO2-massa-emissies WHSC-test (dg): … (g/kWh) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.4.1.1. |
Bij dual-fuelmotoren, CO2-massa-emissies WHSC-test in dieselmodus (d): … g/kWh Bij dual-fuelmotoren, CO2-massa-emissies WHSC-test in dual-fuelmodus (d) (indien van toepassing): … g/kWh |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.4.2. |
CO2-massaemissies WHTC-test (dg): … (g/kWh) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.4.2.1. |
Bij dual-fuelmotoren, CO2-massa-emissies WHTC-test in dieselmodus (d): … g/kWh Bij dual-fuelmotoren, CO2-massa-emissies WHTC-test in dual-fuelmodus (d): … g/kWh |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.5. |
Brandstofverbruik bij zware motoren |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.5.1. |
Brandstofverbruik WHSC-test (dg): … (g/kWh) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.5.1.1. |
Bij dual-fuelmotoren, brandstofverbruik WHSC-test in dieselmodus (d): … g/kWh Bij dual-fuelmotoren, brandstofverbruik WHSC-test in dual-fuelmodus (d): … g/kWh |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.5.2. |
Brandstofverbruik WHTC-test (5) (dg): … (g/kWh) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.5.5.2.1. |
Bij dual-fuelmotoren, brandstofverbruik WHTC-test in dieselmodus (d): … g/kWh Bij dual-fuelmotoren, brandstofverbruik WHTC-test in dual-fuelmodus (d): … g/kWh |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6. |
Door de fabrikant toegestane temperaturen |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.1. |
Koelsysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.1.1. |
Vloeistofkoeling, maximumtemperatuur bij de uitlaat (K) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.1.2. |
Luchtkoeling |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.1.2.1. |
Referentiepunt |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.1.2.2. |
Maximumtemperatuur op het referentiepunt (K) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.2. |
Maximumuitlaattemperatuur van de inlaattussenkoeler (K) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.3. |
Maximumtemperatuur van de uitlaatgassen op het punt in de uitlaatpijp(en) ter hoogte van de buitenflens (buitenflenzen) van het (de) uitlaatspruitstuk(ken) of de turbocompressor(en) (K) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.4. |
Brandstoftemperatuur, minimum (K) – maximum (K) Bij dieselmotoren bij de inlaat van de inspuitpomp, bij gasmotoren bij de eindtrap van de drukregelaar |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.6.5. |
Smeermiddeltemperatuur Minimum (K) – maximum (K) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8. |
Smeersysteem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.1. |
Beschrijving van het systeem |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.1.1. |
Plaats van het smeermiddelreservoir |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.1.2. |
Toevoersysteem (pomp/inspuiting in het inlaatsysteem/vermenging met brandstof enz.) (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.2. |
Smeerpomp |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.2.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.2.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.3. |
Vermenging met brandstof |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.3.1. |
Procenten |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.4. |
Oliekoeler: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.4.1. |
Tekening(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.4.1.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
|
3.8.4.1.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
||||||||||||||||||||||||||||
DEEL 2
Essentiële kenmerken van de voertuigonderdelen en –systemen wat uitlaatemissies betreft
|
|
|
Oudermotor of motortype |
Leden van de motorenfamilie |
||||
|
A |
B |
C |
D |
E |
|||
|
3.1. |
Fabrikant van de motor |
|
|||||
|
3.1.1. |
Motorcode van de fabrikant (zoals aangebracht op de motor of ander identificatiemiddel) |
|
|
|
|
|
|
|
3.1.2. |
Goedkeuringsnummer (in voorkomend geval), inclusief brandstofidentificatiemarkering |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.2. |
Brandstof |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||
|
3.2.2.3. |
Vulopening brandstoftank: vernauwde opening / etiket |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3. |
Brandstoftank(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.1. |
Bedrijfsbrandstoftank(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.1.1. |
Aantal tanks en inhoud van elke tank |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.2. |
Reservebrandstoftank(s) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.3.2.1. |
Aantal tanks en inhoud van elke tank |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||
|
3.2.8. |
Inlaatsysteem |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||
|
3.2.8.3.3. |
Werkelijke onderdruk in het inlaatsysteem bij het nominale motortoerental en bij 100 % belasting van het voertuig (kPa) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.8.4.2. |
Luchtfilter, tekeningen |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.8.4.2.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.8.4.2.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.8.4.3. |
Inlaatgeluiddemper, tekeningen |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.8.4.3.1. |
Merk(en) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.8.4.3.2. |
Type(n) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.9. |
Uitlaatsysteem |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.9.2. |
Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||
|
3.2.9.2.2. |
Beschrijving en/of tekening van de elementen van het uitlaatsysteem die geen deel uitmaken van het motorsysteem |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||
|
3.2.9.3.1. |
Werkelijke uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en bij 100% belasting van het voertuig (alleen bij compressieontstekingsmotoren) (kPa) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||
|
3.2.9.7. |
Inhoud van het uitlaatsysteem (dm3) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.9.7.1. |
Werkelijke inhoud van het volledige uitlaatsysteem (voertuig en motorsysteem) (dm3) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|||||||
|
3.2.12.2.7. |
Boorddiagnosesysteem (OBD-systeem) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.7.0. |
Gebruikgemaakt van alternatieve goedkeuring zoals gedefinieerd in punt 2.4 van bijlage 9A bij dit reglement: ja/nee (1) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.7.1. |
OBD-onderdelen binnen het voertuig |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.7.2. |
Indien van toepassing, fabrieksreferentie van het documentatiepakket met betrekking tot de installatie in het voertuig van het OBD-systeem van een goedgekeurde motor |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.7.3. |
Beschrijving in woorden en/of tekening van de MI (10) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.7.4. |
Beschrijving in woorden en/of tekening van de OBD-communicatie-interface buiten het voertuig (10) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.8. |
Systemen om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.8.0. |
Gebruikgemaakt van alternatieve goedkeuring zoals gedefinieerd in punt 2.1 van bijlage 11 (11) bij dit reglement: ja / nee (1) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.8.1. |
Zich binnen het voertuig bevindende onderdelen van de systemen die de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen garanderen |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.8.2. |
Activering van de kruipmodus: "uitschakelen na opnieuw starten" / "uitschakelen na tanken" / "uitschakelen na parkeren" (12) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.8.3. |
Indien van toepassing, fabrieksreferentie van het documentatiepakket met betrekking tot de installatie in het voertuig van het systeem dat de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen van een goedgekeurde motor garandeert |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.8.4. |
Beschrijving in woorden en/of tekening van het waarschuwingssignaal (10) |
|
|
|
|
|
|
|
3.2.12.2.8.5. |
Verwarmde/niet-verwarmde reagenstank en doseersysteem (zie punt 2.4 van bijlage 11 bij dit reglement) |
|
|
|
|
|
|
(1) Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn).
(2) Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn om het type voertuig, onderdeel of technische eenheid te beschrijven waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, worden deze tekens op het formulier weergegeven door het symbool "?" (bv. ABC?123??).
(3) Dit cijfer moet op het naaste tiende van een millimeter worden afgerond.
(4) Deze waarde moet worden berekend en op de naaste cm3 worden afgerond.
(5) Tolerantie aangeven.
(6) Bepaald volgens de voorschriften van Reglement nr. 85.
(7) Vul hier voor elke variant de hoogste en laagste waarde in.
(8) Te documenteren in geval van één OBD-motorenfamilie en indien het nog niet is gedocumenteerd in het documentatiepakket (of de documentatiepakketten) waarnaar wordt verwezen in punt 3.2.12.2.7.0.4 van deel 1 van bijlage 1.
(9) Brandstofverbruik voor de gecombineerde WHTC, inclusief het koude en warme gedeelte, overeenkomstig bijlage 12.
(10) Te documenteren indien dat nog niet is gebeurd in de documentatie waarnaar wordt verwezen in punt 3.2.12.2.7.2 van deel 2 van bijlage 1.
(11) Punt 2.1 van bijlage 11 moet voor toekomstige alternatieve goedkeuringen worden voorbehouden.
(12) Doorhalen wat niet van toepassing is.
Aanhangsel van het inlichtingenformulier
Informatie over de testomstandigheden
1. Bougies
1.1. Merk
1.2. Type
1.3. Instelling van de elektrodenafstand
2. Ontstekingsbobine
2.1. Merk
2.2. Type
3. Gebruikt smeermiddel
3.1. Merk
3.2. Type (het percentage olie in het mengsel vermelden, indien smeermiddel en brandstof vermengd zijn)
4. Door de motor aangedreven apparatuur
4.1. Het door de (hulp)apparatuur opgenomen vermogen moet alleen worden bepaald:
|
a) |
indien de benodigde (hulp)apparatuur niet op de motor is gemonteerd en/of |
|
b) |
indien niet-benodigde (hulp)apparatuur op de motor is gemonteerd. Opmerking: De voorschriften voor door de motor aangedreven apparatuur zijn bij emissietests en vermogenstests niet dezelfde. |
4.2. Opsomming en omschrijving van details
4.3. Opgenomen vermogen bij voor de emissietest specifieke motortoerentallen
Tabel 1
Opgenomen vermogen bij voor de emissietest specifieke motortoerentallen
|
Apparatuur |
Stationair draaien |
Laag toerental |
Hoog toerental |
Aanbevolen toerental(2) |
n95h |
|
Pa Overeenkomstig bijlage 4, aanhangsel 6, vereiste (hulp)apparatuur |
|
|
|
|
|
|
Pb Overeenkomstig bijlage 4, aanhangsel 6, niet-vereiste (hulp)apparatuur |
|
|
|
|
|
5. Motorprestaties (opgegeven door de fabrikant) (1)
5.1. Motortoerentallen voor emissietest overeenkomstig bijlage 4 (9) of motortoerentallen voor emissietest in dual-fuelmodus overeenkomstig bijlage 4 (9)(df)
Laag toerental (nlo) … t/min
Hoog toerental (nhi) … t/min
Stationair toerental … t/min
Aanbevolen toerental … t/min
n95h … t/min
5.1.1. Motortoerentallen voor emissietest in dieselmodus overeenkomstig bijlage 4 (9)(df)(di)
Laag toerental (nlo) … t/min
Hoog toerental (nhi) … t/min
Stationair toerental … t/min
Aanbevolen toerental … t/min
n95h … t/min
5.2. Opgegeven waarden voor de vermogenstest krachtens Reglement nr. 85 of opgegeven waarden voor de vermogenstest in dual-fuelmodus krachtens Reglement nr. 85 (df)
5.2.1. Stationair toerental … t/min
5.2.2. Toerental bij maximumvermogen … t/min
5.2.3. Maximumvermogen … kW
5.2.4. Toerental bij maximumkoppel … t/min
5.2.5. Maximumkoppel … Nm
5.2.6. Opgegeven waarden voor de vermogenstest in dieselmodus krachtens Reglement nr. 85 (df)(di)
5.2.6.1. Stationair toerental … t/min
5.2.6.2. Toerental bij maximumvermogen … t/min
5.2.6.3. Maximumvermogen … kW
5.2.6.4. Toerental bij maximumkoppel … t/min
5.2.6.5. Maximumkoppel … Nm
6. Informatie over de instelling van de belasting van de rollenbank (indien van toepassing)
6.1. Voorbehouden voor het type voertuigcarrosserie (niet van toepassing)
6.2. Voorbehouden voor het type versnellingsbak (niet van toepassing)
6.3. Informatie over de instelling van de rollenbank met vaste belastingscurve (indien van toepassing)
6.3.1. Alternatieve methode toegepast om de belasting van de rollenbank in te stellen (ja/nee (2))
6.3.2. Traagheidsmassa (kg)
6.3.3. Opgenomen effectief vermogen bij 80 km/h, inclusief rolverliezen van het voertuig op de rollenbank (kW)
6.3.4. Opgenomen effectief vermogen bij 50 km/h, inclusief rolverliezen van het voertuig op de rollenbank (kW)
6.4. Informatie over de instelling van de rollenbank met regelbare belastingscurve (indien van toepassing)
6.4.1. Uitrolinformatie over de testbaan
6.4.2. Bandenmerk en -type
6.4.3. Bandenmaten (voor/achter)
6.4.4. Bandenspanning (voor/achter) (kPa)
6.4.5. Testmassa van het voertuig inclusief bestuurder (kg)
6.4.6 Uitrolgegevens op de weg (indien van toepassing)
Tabel 2
Uitrolgegevens op de weg
|
V (km/h) |
V2 (km/h) |
V1 (km/h) |
Gemiddelde gecorrigeerde uitlooptijd |
|
120 |
|
|
|
|
100 |
|
|
|
|
80 |
|
|
|
|
60 |
|
|
|
|
40 |
|
|
|
|
20 |
|
|
|
6.4.7. Gemiddeld gecorrigeerd vermogen op de weg (indien van toepassing)
Tabel 3
Gemiddeld gecorrigeerd vermogen op de weg
|
V (km/h) |
Gecorrigeerd vermogen op de weg (kW) |
|
120 |
|
|
100 |
|
|
80 |
|
|
60 |
|
|
40 |
|
|
20 |
|
7. Testomstandigheden voor de OBD-tests
7.1. Gebruikte testcyclus voor de verificatie van het OBD-systeem
7.2. Aantal voorconditioneringscycli vóór de OBD-verificatietests
(1) Informatie over de motorprestaties moeten alleen voor de oudermotor worden verstrekt.
(2) Doorhalen wat niet van toepassing is.
Aanhangsel 1
Toelichting bij de bijlagen 1, 2A, 2B en 2C
|
(1) |
Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn). |
|
(2) |
Tolerantie aangeven. |
|
(3) |
Vul voor elke variant de hoogste en laagste waarde in. |
|
(4) |
Te documenteren in geval van één OBD-motorenfamilie en indien het nog niet is gedocumenteerd in het documentatiepakket (of de documentatiepakketten) waarnaar wordt verwezen in punt 3.2.12.2.7.0.4 van deel 1 van bijlage 1. |
|
(5) |
Brandstofverbruik voor de gecombineerde WHTC, inclusief het koude en warme gedeelte, overeenkomstig bijlage 12. |
|
(6) |
Te documenteren indien dat nog niet is gebeurd in de documentatie waarnaar wordt verwezen in punt 3.2.12.2.7.2 van deel 2 van bijlage 1. |
|
(7) |
Doorhalen wat niet van toepassing is. |
|
(8) |
Informatie over de motorprestaties moet alleen worden verstrekt voor de oudermotor. |
|
(9) |
De tolerantie aangeven; maximaal ± 3 % van de door de fabrikant opgegeven waarden. |
|
(a) |
Indien het middel tot identificatie van het type tekens bevat die niet relevant zijn om het type voertuig, onderdeel of technische eenheid te beschrijven waarop dit inlichtingenformulier betrekking heeft, worden deze tekens op het formulier weergegeven door het symbool "?" (bv. ABC?123??). |
|
(b) |
Ingedeeld volgens de definities in de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3) – ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2. |
|
(c) |
Dit cijfer moet op het naaste tiende van een millimeter worden afgerond. |
|
(d) |
Indien voorgeschreven door dit reglement. |
|
(df) |
Bij een dual-fuelmotor of dual-fuelvoertuig (typen zoals gedefinieerd in bijlage 15). |
|
(dg) |
Behalve bij dual-fuelmotoren of dual-fuelvoertuigen (typen zoals gedefinieerd in bijlage 15). |
|
(dh) |
Bij een dual-fuelmotor of dual-fuelvoertuig mag het in dual-fuelmodus gebruikte type gasvormige brandstof niet worden doorgehaald. |
|
(di) |
Bij dual-fuelmotoren van type 1B, 2B en 3B (typen zoals gedefinieerd in bijlage 15). |
|
(m) |
Deze waarde moet worden berekend en op de naaste cm3 worden afgerond. |
|
(n) |
Bepaald volgens de voorschriften van Reglement nr. 85. |
|
(p) |
Punt 2.1 van bijlage 11 moet voor toekomstige alternatieve goedkeuringen worden voorbehouden. |
BIJLAGE 2A
Mededeling betreffende de goedkeuring van een motortype of motorenfamilie als technische eenheid wat de emissie van verontreinigende stoffen betreft, krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06
(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))
Addendum
bij mededeling nr. … betreffende de typegoedkeuring van een motortype of motorenfamilie als technische eenheid wat uitlaatemissies betreft, krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06
1. Aanvullende informatie
1.1. In te vullen nadere gegevens met betrekking tot de typegoedkeuring van een voertuig met geïnstalleerde motor
1.1.1. Merk van de motor (naam van het bedrijf)
1.1.2. Type en handelsbenaming (eventuele varianten vermelden)
1.1.3. Motorcode van de fabrikant, zoals vermeld op de motor
1.1.4. Voorbehouden.
1.1.5. Motorcategorie: diesel/benzine/lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL/ethanol (ED95)/ethanol (E85)/dual-fuel (1)
|
1.1.5.1. |
Type dual-fuelmotor: type 1A/type 1B/type 2A/type 2B/type 3B (1) (df) |
1.1.6. Naam en adres van de fabrikant
1.1.7. Naam en adres van de gemachtigde vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing)
1.2. In punt 1.1 bedoelde motor waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid
1.2.1. Typegoedkeuringsnummer van de motor/motorenfamilie (1)
1.2.2. Softwarekalibratienummer van de elektronische regeleenheid van de motor (ECU)
1.3. In te vullen nadere gegevens met betrekking tot de typegoedkeuring van een motor/motorenfamilie (1) als technische eenheid (in acht te nemen voorwaarden bij de installatie van de motor in een voertuig)
1.3.1. Maximum- en of minimuminlaatonderdruk
1.3.2. Maximaal toelaatbare tegendruk
1.3.3. Inhoud van het uitlaatsysteem
1.3.4. Eventuele gebruiksbeperkingen
1.4. Emissieniveaus van de motor/oudermotor (1)
Verslechteringsfactor (DF): berekend/vast (1)
Specificeer de DF-waarden en de emissies bij de WHSC- (indien van toepassing) en WHTC-tests in onderstaande tabel.
Bij motoren die op verschillende referentiebrandstoffen worden getest, moeten er voor elke geteste referentiebrandstof nieuwe tabellen worden opgesteld.
Bij dual-fuelmotoren van type 1B en 2B moeten er voor elke geteste modus (dual-fuelmodus en dieselmodus) nieuwe tabellen worden opgesteld.
1.4.1. WHSC-test
Tabel 4
WHSC-test
|
WHSC-test (indien van toepassing) |
|||||||
|
DF Mult/add (1) |
CO |
THC |
NMHC (d) |
NOx |
Deeltjesmassa |
NH3 |
Deeltjesaantal |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Emissies |
CO (mg/kWh) |
THC (mg/kWh) |
NMHC (d) (mg/kWh) |
NOx (mg/kWh) |
Deeltjesmassa (mg/kWh) |
NH3 ppm |
Deeltjesaantal (#/kWh) |
|
Testresult-aat |
|
|
|
|
|
|
|
|
Berekend met DF |
|
|
|
|
|
|
|
|
Massa-emissie CO2-emissies (d): … g/kWh Brandstofverbruik (d): … g/kWh |
|||||||
1.4.2. WHTC-test
Tabel 5
WHTC-test
|
WHTC-test |
||||||||
|
DF Mult/add (1) |
CO |
THC (d) |
NMHC (d) |
CH4 (d) |
NOx |
Deeltjesmassa |
NH3 |
Deeltjesaantal |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Emissies |
CO (mg/kWh) |
THC (d) (mg/kWh) |
NMHC (d) (mg/kWh) |
CH4 (d) (mg/kWh) |
NOx (mg/kWh) |
Deeltjesmassa (mg/kWh) |
NH3 ppm |
Deeltjesaantal (#/kWh) |
|
Koude start |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Warme start zonder regeneratie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Warme start met regeneratie (1) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
kr,u (mult/add) (1) kr,d (mult/add) (1) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Gewogen testresultaat |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Eindresultaat test met DF |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Massa-emissie CO2-emissies (d): … g/kWh Brandstofverbruik (d): … g/kWh |
||||||||
1.4.3. Test bij stationair toerental
Tabel 6
Test bij stationair toerental
|
Test |
CO-waarde (vol. %) |
Lambda (1) |
Motortoerental (min–1) |
Motorolietemperatuur (°C) |
|
Test bij laag stationair toerental |
|
n.v.t. |
|
|
|
Test bij hoog stationair toerental |
|
|
|
|
1.4.4. PEMS-demonstratietest
Tabel 6a
PEMS-demonstratietest
|
Voertuigtype (bv. M3, N3) en toepassing (bv. enkelvoudige of gelede vrachtwagen, stadsbus) |
|
|||||
|
Beschrijving van het voertuig (bv. voertuigmodel, -prototype) |
|
|||||
|
Goedkeur-/afkeurresultaten (7) |
CO |
THC |
NMHC |
CH4 |
NOx |
Deel-tjesmassa |
|
Werkvenster conformiteitsfactor |
|
|
|
|
|
|
|
Venster CO2-massa conformiteitsfactor |
|
|
|
|
|
|
|
Informatie over de rit |
Stad |
Platteland |
Snelweg |
|||
|
Percentage van de duur van de rit dat er in de stad, op het platteland en op de snelweg wordt gereden zoals beschreven in punt 4.5 van bijlage 8 |
|
|
|
|||
|
Percentage van de duur van de rit dat er wordt geaccelereerd, vertraagd, gereden met constante snelheid en gestopt zoals beschreven in punt 4.4.5 van bijlage 8 |
|
|
|
|||
|
|
Minimum |
Maximum |
||||
|
Werkvenster gemiddeld vermogen (%) |
|
|
||||
|
Venster CO2-massa duur (s) |
|
|
||||
|
Werkvenster: percentage geldige vensters |
|
|||||
|
Venster CO2-massa: percentage geldige vensters |
|
|||||
|
Bestendigheid brandstofverbruik (%) |
|
|||||
1.5. Meting van het vermogen
1.5.1. Motorvermogen gemeten op een testbank
Tabel 7
Motorvermogen gemeten op een testbank
|
Gemeten motortoerental (t/min) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gemeten brandstofstroom (g/h) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gemeten koppel (Nm) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gemeten vermogen (kW) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Luchtdruk (kPa) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Waterdampdruk (kPa) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Inlaatluchttemperatuur (K) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Vermogenscorrectiefactor |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gecorrigeerd vermogen (kW) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Vermogen hulpapparatuur (kW) (1) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Nettovermogen (kW) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Nettokoppel (Nm) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gecorrigeerd specifiek brandstofverbruik (g/kWh) |
|
|
|
|
|
|
|
1.5.2. Aanvullende gegevens
1.6. Bijzondere bepalingen
1.6.1. Verlenen van goedkeuringen voor voertuigen voor de uitvoer (zie punt 13.4.1 van dit reglement)
|
1.6.1.1. |
Volgens punt 1.6.1 verleende goedkeuringen voor voertuigen voor de uitvoer: ja/nee (2) |
|
1.6.1.2. |
Geef een beschrijving van de in punt 1.6.1.1 verleende goedkeuringen, met vermelding van de wijzigingenreeks van dit reglement en het niveau van de emissievoorschriften |
1.6.2. Vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen (zie punt 13.4.2 van dit reglement)
|
1.6.2.1. |
Volgens punt 1.6.2 verleende goedkeuringen voor vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen: ja/nee (2) |
|
1.6.2.2. |
Geef een beschrijving van de in punt 1.6.2.1 verleende goedkeuringen voor vervangingsmotoren voor in gebruik zijnde voertuigen, met vermelding van de wijzigingenreeks van dit reglement en het niveau van de emissievoorschriften |
1.7. Alternatieve goedkeuringen (zie bijlage 9A, punt 2.4)
1.7.1. Volgens punt 1.7 verleende alternatieve goedkeuringen: ja/nee (2)
1.7.2. Geef een beschrijving van de volgens punt 1.7.1 verleende alternatieve goedkeuringen.
BIJLAGE 2B
Mededeling betreffende de goedkeuring van een voertuigtype met een goedgekeurde motor wat de emissie van verontreinigende stoffen betreft, krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06
(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))
BIJLAGE 2C
Mededeling betreffende de goedkeuring van een voertuigtype wat de emissie van verontreinigende stoffen betreft, krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06
(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))
Addendum
bij mededeling nr. … betreffende de typegoedkeuring van een voertuig wat de emissie van verontreinigende stoffen betreft, krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06
1. Aanvullende informatie
1.1. In te vullen nadere gegevens met betrekking tot de typegoedkeuring van een voertuig met geïnstalleerde motor
1.1.1. Merk van de motor (naam van het bedrijf)
1.1.2. Type en handelsbenaming (eventuele varianten vermelden)
1.1.3. Motorcode van de fabrikant, zoals vermeld op de motor
1.1.4. Voertuigcategorie
1.1.5. Motorcategorie: diesel/benzine/lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL/ethanol (ED95)/ethanol (E85)/dual-fuel (1)
1.1.5.1. Type dual-fuelmotor: type 1A/type 1B/type 2A/type 2B/type 3B (1) (df)
1.1.6. Naam en adres van de fabrikant
1.1.7. Naam en adres van de gemachtigde vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing)
1.2. Voertuig
1.2.1. Typegoedkeuringsnummer van de motor/motorenfamilie (1)
1.2.2. Softwarekalibratienummer van de elektronische regeleenheid van de motor (ECU)
1.3. In te vullen nadere gegevens met betrekking tot de typegoedkeuring van een motor/motorenfamilie (1) (voorwaarden die in acht moeten worden genomen bij de installatie van de motor in een voertuig)
1.3.1. Maximum- en of minimuminlaatonderdruk
1.3.2. Maximaal toelaatbare tegendruk
1.3.3. Inhoud van het uitlaatsysteem
1.3.4. Eventuele gebruiksbeperkingen
1.4. Emissieniveaus van de motor/oudermotor (1)
Verslechteringsfactor (DF): berekend/vast (1)
Specificeer de DF-waarden en de emissies bij de WHSC- (indien van toepassing) en WHTC-tests in onderstaande tabel.
Bij motoren die op verschillende referentiebrandstoffen worden getest, moeten er voor elke geteste referentiebrandstof nieuwe tabellen worden opgesteld.
Bij dual-fuelmotoren van type 1B en 2B moeten er voor elke geteste modus (dual-fuelmodus en dieselmodus) nieuwe tabellen worden opgesteld.
1.4.1. WHSC-test
Tabel 4
WHSC-test
|
WHSC-test (indien van toepassing) |
|||||||
|
DF Mult/add (1) |
CO |
THC |
NMHC (d) |
NOx |
Deeltjesmassa |
NH3 |
Deeltjesaantal |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Emissies |
CO (mg/kWh) |
THC (mg/kWh) |
NMHC (d) (mg/kWh) |
NOx (mg/kWh) |
Deeltjesmassa (mg/kWh) |
NH3 ppm |
Deeltjesaantal (#/kWh) |
|
Testresultaat |
|
|
|
|
|
|
|
|
Berekend met DF |
|
|
|
|
|
|
|
|
Massa-emissie CO2-emissies (d): … g/kWh Brandstofverbruik (d): … g/kWh |
|||||||
1.4.2. WHTC-test
Tabel 5
WHTC-test
|
WHTC-test |
||||||||
|
DF Mult/add (1) |
CO |
THC (d) |
NMHC (d) |
CH4 (d) |
NOx |
Deeltjesmassa |
NH3 |
Deeltjesaantal |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Emissies |
CO (mg/kWh) |
THC (d) (mg/kWh) |
NMHC (d) (mg/kWh) |
CH4 (d) (mg/kWh) |
NOx (mg/kWh) |
Deeltjesmassa (mg/kWh) |
NH3 ppm |
Deeltjesaantal (#/kWh) |
|
Koude start |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Warme start zonder regeneratie |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Warme start met regeneratie (1) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
kr,u (mult/add) (1) kr,d (mult/add) (1) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Gewogen testresultaat |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Eindresultaat test met DF |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Massa-emissie CO2-emissies (d): … g/kWh Brandstofverbruik (d): … g/kWh |
||||||||
1.4.3. Test bij stationair toerental
Tabel 6
Test bij stationair toerental
|
Test |
CO-waarde (vol. %) |
Lambda (1) |
Motor–toerental (min–1) |
Motorolietemperatuur (°C) |
|
Test bij laag stationair toerental |
|
n.v.t. |
|
|
|
Test bij hoog stationair toerental |
|
|
|
|
1.4.4. PEMS-demonstratietest
Tabel 6a
PEMS-demonstratietest
|
Voertuigtype (bv. M3, N3) en toepassing (bv. enkelvoudige of gelede vrachtwagen, stadsbus) |
|
|||||
|
Beschrijving van het voertuig (bv. voertuigmodel, -prototype) |
|
|||||
|
Goedkeur-/afkeurresultaten (7) |
CO |
THC |
NMHC |
CH4 |
NOx |
Deeltjesmassa |
|
Werkvenster conformiteitsfactor |
|
|
|
|
|
|
|
Venster CO2-massa conformiteitsfactor |
|
|
|
|
|
|
|
Informatie over de rit |
Stad |
Platteland |
Snelweg |
|||
|
Percentage van de duur van de rit dat er in de stad, op het platteland en op de snelweg wordt gereden zoals beschreven in punt 4.5 van bijlage 8 |
|
|
|
|||
|
Percentage van de duur van de rit dat er wordt geaccelereerd, vertraagd, gereden met constante snelheid en gestopt zoals beschreven in punt 4.4.5 van bijlage 8 |
|
|
|
|||
|
|
Minimum |
Maximum |
||||
|
Werkvenster gemiddeld vermogen (%) |
|
|
||||
|
Venster CO2-massa duur (s) |
|
|
||||
|
Werkvenster: percentage geldige vensters |
|
|||||
|
Venster CO2-massa: percentage geldige vensters |
|
|||||
|
Bestendigheid brandstofverbruik (%) |
|
|||||
1.5. Meting van het vermogen
1.5.1. Motorvermogen gemeten op een testbank
Tabel 7
Motorvermogen gemeten op een testbank
|
Gemeten motortoerental (t/min) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gemeten brandstofstroom (g/h) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gemeten koppel (Nm) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gemeten vermogen (kW) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Luchtdruk (kPa) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Waterdampdruk (kPa) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Inlaatluchttemperatuur (K) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Vermogenscorrectiefactor |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gecorrigeerd vermogen (kW) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Vermogen hulpapparatuur (kW) (1) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Nettovermogen (kW) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Nettokoppel (Nm) |
|
|
|
|
|
|
|
|
Gecorrigeerd specifiek brandstofverbruik (g/kWh) |
|
|
|
|
|
|
|
1.5.2. Aanvullende gegevens
1.6. Bijzondere bepalingen
1.6.1. Verlenen van goedkeuringen voor voertuigen voor de uitvoer (zie punt 13.4.1 van dit reglement)
1.6.1.1. Volgens punt 1.6.1 verleende goedkeuringen voor voertuigen voor de uitvoer: ja/nee (2)
1.6.1.2. Geef een beschrijving van de in punt 1.6.1.1 verleende goedkeuringen, met vermelding van de wijzigingenreeks van dit reglement en het niveau van de emissievoorschriften
1.7. Alternatieve goedkeuringen (zie bijlage 9A, punt 2.4)
1.7.1. Volgens punt 1.7 verleende alternatieve goedkeuringen: ja/nee (2)
1.7.2. Geef een beschrijving van de volgens punt 1.7.1 verleende alternatieve goedkeuringen.
BIJLAGE 3
OPSTELLING VAN GOEDKEURINGSMERKEN
In het overeenkomstig punt 4 van dit reglement afgegeven en op een motorsysteem of voertuig aangebrachte goedkeuringsmerk moet het typegoedkeuringsnummer vergezeld gaan van een letter van het alfabet die volgens tabel 1 is toegekend en aangeeft tot welke fase van de voorschriften de goedkeuring beperkt is. Voorts moet het goedkeuringsmerk ook een of meer tekens bevatten die het motortype aangeven en volgens tabel 2 zijn toegekend.
In deze bijlage wordt beschreven hoe dat merk eruitziet en hoe het moet worden samengesteld.
De volgende schematische voorstelling toont de algemene lay-out, de verhoudingen en de inhoud van het merk. De betekenis van de cijfers en letters wordt gegeven en er wordt ook verwezen naar bronnen om de alternatieven voor elke goedkeuring te bepalen.
Voorbeeld 1
Compressieontstekingsmotor op diesel (B7)
Bovenstaand goedkeuringsmerk dat overeenkomstig punt 4 van dit reglement op een motor of voertuig is aangebracht, geeft aan dat het motor- of voertuigtype in kwestie in Zweden (E5) krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06, is goedgekeurd onder nummer 2439. De letter na het goedkeuringsnummer geeft de fase van de voorschriften aan zoals toegelicht in tabel 1 (in dit geval fase A). Voorts geeft een afzonderlijk suffix na het symbool van het land (en boven het nummer van het reglement) het motortype aan zoals toegekend in tabel 2 (in dit geval D voor diesel).
Voorbeeld 2
Compressieontstekingsmotor op ethanol (ED95)
Bovenstaand goedkeuringsmerk dat overeenkomstig punt 4 van dit reglement op een motor of voertuig is aangebracht, geeft aan dat het motor- of voertuigtype in kwestie in Zweden (E5) krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06, is goedgekeurd onder nummer 2439. De letter na het goedkeuringsnummer geeft de fase van de voorschriften aan zoals toegelicht in tabel 1 (in dit geval fase B). Voorts geeft een afzonderlijk suffix na het symbool van het land (en boven het nummer van het reglement) het motortype aan zoals toegekend in tabel 2 (in dit geval ED voor ethanol (ED95)).
Voorbeeld 3
Elektrische-ontstekingsmotor op aardgas
Bovenstaand goedkeuringsmerk dat overeenkomstig punt 4 van dit reglement op een motor of voertuig is aangebracht, geeft aan dat het motor- of voertuigtype in kwestie in Zweden (E5) krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06, is goedgekeurd onder nummer 2439. De letter na het goedkeuringsnummer geeft de fase van de voorschriften aan zoals toegelicht in tabel 1 (in dit geval fase C). Voorts geeft een afzonderlijk suffix na het symbool van het land (en boven het nummer van het reglement) de brandstofgroep aan zoals bepaald in punt 4.12.3.3.6 van dit reglement (in dit geval HLt).
Voorbeeld 4
Elektrische-ontstekingsmotor op lpg
Bovenstaand goedkeuringsmerk dat overeenkomstig punt 4 van dit reglement op een motor of voertuig is aangebracht, geeft aan dat het motor- of voertuigtype in kwestie in Zweden (E5) krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06, is goedgekeurd onder nummer 2439. De letter na het goedkeuringsnummer geeft de fase van de voorschriften aan zoals toegelicht in tabel 1 (in dit geval fase C). Voorts geeft een afzonderlijk suffix na het symbool van het land (en boven het nummer van het reglement) het motortype aan zoals toegekend in tabel 2 (in dit geval Q voor lpg).
Voorbeeld 5
Bovenstaand goedkeuringsmerk, aangebracht op een HL-aardgasmotor/-voertuig, geeft aan dat het motor-/voertuigtype in kwestie in Zweden (E5) krachtens Reglement nr. 49 (in dit geval fase C) en Reglement nr. 85 is goedgekeurd (1). De eerste twee cijfers van de goedkeuringsnummers geven aan dat, op de respectieve datum van goedkeuring, Reglement nr. 49 wijzigingenreeks 06 bevatte en Reglement nr. 85 nog ongewijzigd was.
Tabel 1
Letters die verwijzen naar voorschriften voor OBD- en SCR-systemen
|
Letter |
OBD-grenswaarde voor NOx (2) |
OBD-grenswaarde voor deeltjesmateriaal (3) |
Reagenskwaliteit en -verbruik |
Extra OBD-bewakings-functies (4) |
Toepassingsdatum voor nieuwe typen |
Datum waarop typegoedkeuring niet meer geldig is |
|
A (5) |
Rij "introductieperiode" van de tabellen 1 en 2 van bijlage 9A |
Prestatiebewaking (6) |
Introductie (7) |
N.v.t. |
Datum van inwerkingtreding van wijzigingenreeks 06 van R49 |
1 september 2014 |
|
B (5) |
Rij "introductieperiode" van de tabellen 1 en 2 van bijlage 9A |
Rij "introductieperiode" van tabel 1 van bijlage 9A |
Introductie (7) |
N.v.t. |
1 september 2014 |
31 december 2016 |
|
C |
Rij "algemene voorschriften" van de tabellen 1 en 2 van bijlage 9A |
Rij "algemene voorschriften" van tabel 1 van bijlage 9A |
Algemeen (8) |
Ja |
31 december 2015 |
|
Tabel 2
Motortypecodes voor goedkeuringsmerken
|
Motortype |
Code |
|
Compressieontstekingsmotor op diesel |
D |
|
Compressieontstekingsmotor op ethanol (ED95) |
ED |
|
Elektrische-ontstekingsmotor op ethanol (E85) |
E85 |
|
Elektrische-ontstekingsmotor op benzine |
P |
|
Elektrische-ontstekingsmotor op lpg |
Q |
|
Elektrische-ontstekingsmotor op aardgas |
Zie punt 4.12.3.3.6 van dit reglement |
|
Dual-fuelmotoren |
Zie punt 4.12.3.3.7 van dit reglement |
(1) Reglement nr. 85 is maar een voorbeeld.
(2) De voorschriften voor de bewaking van de OBD-grenswaarde voor NOx in de tabellen 1 en 2 van bijlage 9A.
(3) De voorschriften voor de bewaking van de OBD-grenswaarde voor deeltjesmateriaal in tabel 1 van bijlage 9A.
(4) De voorschriften met betrekking tot het plan en de uitvoering van de bewakingstechnieken overeenkomstig de punten 2.3.1.2 en 2.3.1.2.1 van bijlage 9A.
(5) Tijdens de in punt 4.10.7 van dit reglement bedoelde introductieperiode moet de fabrikant worden vrijgesteld van het verstrekken van de in punt 6.4.1 van bijlage 9A voorgeschreven verklaring.
(6) De voorschriften voor prestatiebewaking in punt 2.3.2.2 van bijlage 9A.
(7) De voorschriften voor de reagenskwaliteit en het reagensverbruik tijdens de "introductieperiode" in de punten 7.1.1.1 en 8.4.1.1 van bijlage 11.
(8) De "algemene" voorschriften voor de reagenskwaliteit en het reagensverbruik in de punten 7.1.1 en 8.4.1 van bijlage 11.
BIJLAGE 4
TESTPROCEDURE
1. INLEIDING
Deze bijlage is gebaseerd op Mondiaal Technisch Reglement nr. 4 betreffende de wereldwijd geharmoniseerde certificering van zware motoren (WHDC).
2. VOORBEHOUDEN (1)
3. Definities, symbolen en afkortingen
3.1. Definities
Voor de toepassing van dit reglement wordt verstaan onder:
3.1.1. "opgegeven maximumvermogen (Pmax)": maximumvermogen in ECE-kW (nettovermogen) zoals opgegeven door de fabrikant in zijn goedkeuringsaanvraag;
3.1.2. "reactietijd": tijdverschil tussen de verandering van het te meten bestanddeel op het referentiepunt en een systeemrespons van 10% van de eindwaarde (t10 ), waarbij de bemonsteringssonde het referentiepunt is. Voor de gasvormige bestanddelen is dit de overbrengingstijd van het gemeten bestanddeel van de bemonsteringssonde naar de detector;
3.1.3. "verloop": verschil tussen de nul- of ijkgasrespons van het meetinstrument na en vóór een emissietest;
3.1.4. "volledige-stroomverdunningsmethode": proces van het mengen van de totale uitlaatgasstroom met verdunningsmiddel voordat een klein deel van de verdunde uitlaatgasstroom wordt afgenomen voor analyse;
3.1.5. "hoog toerental (nhi)": hoogste motortoerental waarbij 70% van het opgegeven maximumvermogen wordt ontwikkeld;
3.1.6. "laag toerental (nlo)": laagste motortoerental waarbij 55% van het opgegeven maximumvermogen wordt ontwikkeld;
3.1.7. "maximumvermogen (Pmax)": maximumvermogen in kW zoals opgegeven door de fabrikant;
3.1.8. "toerental waarbij het maximumkoppel wordt bereikt": motortoerental waarbij het door de fabrikant opgegeven maximumkoppel wordt bereikt door de motor;
3.1.9. "genormaliseerd koppel": in een percentage uitgedrukt motorkoppel, genormaliseerd naar het maximaal beschikbare koppel bij een motortoerental;
3.1.10. "vraag van de operator": input van een motoroperator om de motoroutput aan te sturen. De operator kan een persoon zijn (handmatige aansturing) of een regulateur (automatische aansturing) die op mechanische of elektronische wijze input doorgeeft om de motoroutput te verkrijgen. De input kan afkomstig zijn van een gaspedaal, een gashendel, een brandstofhendel, een snelheidshendel of een afstelpunt van een regulateur, dan wel van een signaal van een van deze onderdelen;
3.1.11. "partiële-stroomverdunningsmethode": proces waarbij een deel van de totale uitlaatgasstroom wordt gescheiden en dan gemengd met een passende hoeveelheid verdunningsmiddel vóór het deeltjesbemonsteringsfilter;
3.1.12. "testcyclus van statische toestanden met overgangen": testcyclus bestaande uit een sequentie van testmodi van de motor in statische toestand met een bepaald toerental en koppel voor iedere modus en bepaalde overgangen tussen die modi (WHSC);
3.1.13. "nominaal toerental": het door de regulateur toegestane maximumtoerental bij vollast of, bij afwezigheid van een regulateur, het toerental waarbij de motor het maximumvermogen levert, volgens opgave van de fabrikant in zijn verkoop- en servicedocumentatie.
3.1.14. "responstijd": tijdverschil tussen de verandering van het te meten bestanddeel op het referentiepunt en een systeemrespons van 90% van de eindwaarde (t 90) met de bemonsteringssonde als referentiepunt, waarbij de verandering van het gemeten bestanddeel ten minste 60% van het volledige schaalbereik (FS) bedraagt en in minder dan 0,1 s plaatsvindt. De responstijd van het systeem bestaat uit de reactietijd en de stijgtijd van het systeem;
3.1.15. "stijgtijd": tijdverschil tussen de 10%- en de 90%-respons van de eindwaarde (t 90 – t 10);
3.1.16. "ijkrespons": gemiddelde respons op een ijkgas gedurende een periode van 30 s;
3.1.17. "specifieke emissies": massa-emissies uitgedrukt in g/kWh;
3.1.18. "testcyclus": sequentie van testpunten, elk bij een bepaald toerental en koppel van de motor in statische toestand (WHSC) of veranderende bedrijfsomstandigheden (WHTC);
3.1.19. "omzettingstijd": tijdverschil tussen de verandering van het te meten bestanddeel op het referentiepunt en een systeemrespons van 50% van de eindwaarde (t 50), waarbij de bemonsteringssonde het referentiepunt is. De omzettingstijd wordt gebruikt voor de alignering van de signalen van verschillende meetinstrumenten;
3.1.20. "transiënte testcyclus": testcyclus met een sequentie van genormaliseerde toerental- en koppelwaarden die binnen een tijdspanne relatief snel variëren (WHTC);
3.1.21. "nulrespons": gemiddelde respons op een nulgas gedurende een periode van 30 s.
Figuur 1
Definities van systeemrespons
3.2. Algemene symbolen
|
Symbool |
Eenheid |
Term |
|
a 1 |
— |
Helling van de regressie |
|
a 0 |
— |
y-Afsnijpunt van de regressie |
|
A/F st |
— |
Stoichiometrische lucht-brandstofverhouding |
|
c |
ppm/vol. % |
Concentratie |
|
c d |
ppm/vol. % |
Concentratie op droge basis |
|
c w |
ppm/vol. % |
Concentratie op natte basis |
|
cb |
ppm/vol. % |
Achtergrondconcentratie |
|
C d |
— |
Afvoercoëfficiënt van SSV |
|
c gas |
ppm/vol. % |
Concentratie van de gasvormige bestanddelen |
|
|
deeltjes/cm3 |
Gemiddelde deeltjesconcentratie van het verdunde uitlaatgas, gecorrigeerd naar standaardomstandigheden (273,2 K en 101,33 kPa) |
|
cs,i |
deeltjes/cm3 |
Een afzonderlijke meting van de deeltjesconcentratie in de verdunde-gasuitlaat van de deeltjesteller, gecorrigeerd voor coïncidentie en naar standaardomstandigheden (273,2 K en 101,33 kPa) |
|
d |
m |
Diameter |
|
di |
|
Elektrische-mobiliteitsdiameter van de deeltjes (30, 50 of 100 nm) |
|
d V |
m |
Diameter van de venturihals |
|
D 0 |
m3/s |
Afsnijpunt van de PDP-kalibratie |
|
D |
— |
Verdunningsfactor |
|
Δt |
s |
Tijdsinterval |
|
e |
|
Het per kWh uitgestoten aantal deeltjes |
|
e gas |
g/kWh |
Specifieke emissie van gasvormige bestanddelen |
|
e PM |
g/kWh |
Specifieke emissie van deeltjes |
|
e r |
g/kWh |
Specifieke emissie tijdens een regeneratie |
|
e w |
g/kWh |
Gewogen specifieke emissie |
|
E CO2 |
% |
CO2-demping van de NOx-analysator |
|
E E |
% |
Doelmatigheid van de ethaanconversie |
|
E H2O |
% |
Waterdemping van de NOx-analysator |
|
E M |
% |
Doelmatigheid van de methaanconversie |
|
E NOx |
% |
Doelmatigheid van de NOx-omzetter |
|
f |
Hz |
Gegevensbemonsteringsfrequentie |
|
f a |
— |
Atmosferische factor van het laboratorium |
|
F s |
— |
Stoichiometrische factor |
|
|
— |
Gemiddelde deeltjesconcentratiereductiefactor van de vluchtige-deeltjesverwijderaar naargelang de voor de test toegepaste verdunningsinstellingen |
|
H a |
g/kg |
Absolute vochtigheid van de inlaatlucht |
|
H d |
g/kg |
Absolute vochtigheid van het verdunningsmiddel |
|
i |
— |
Index die een momentane meting aangeeft (bv. 1 Hz) |
|
k |
— |
Kalibratiefactor om de metingen van de deeltjesaantalteller naar het niveau van het referentie-instrument te corrigeren voor zover dat niet binnen de deeltjesaantalteller zelf gebeurt. Indien de kalibratiefactor binnen de deeltjesaantalteller wordt toegepast, is k in bovenstaande formule gelijk aan 1 |
|
k c |
— |
Koolstofspecifieke factor |
|
k f,d |
m3/kg brandstof |
Aanvullend volume droog uitlaatgas van verbranding |
|
k f,w |
m3/kg brandstof |
Aanvullend volume nat uitlaatgas van verbranding |
|
k h,D |
— |
Vochtigheidscorrectiefactor voor NOx bij compressieontstekingsmotoren |
|
k h,G |
— |
Vochtigheidscorrectiefactor voor NOx bij elektrische-ontstekingsmotoren |
|
kr |
|
De regeneratieaanpassing overeenkomstig punt 6.6.2 of, bij motoren zonder periodiek regenererende nabehandeling, kr = 1 |
|
k r,d |
— |
Regeneratieaanpassingsfactor (naar beneden) |
|
k r,u |
— |
Regeneratieaanpassingsfactor (naar boven) |
|
k w,a |
— |
Droog-natcorrectiefactor voor de inlaatlucht |
|
k w,d |
— |
Droog-natcorrectiefactor voor het verdunningsmiddel |
|
k w,e |
— |
Droog-natcorrectiefactor voor het verdunde uitlaatgas |
|
k w,r |
— |
Droog-natcorrectiefactor voor het ruwe uitlaatgas |
|
K V |
— |
CFV-kalibratiefunctie |
|
λ |
— |
Luchtovermaatgetal |
|
mb |
mg |
Massa van het verzamelde deeltjesmonster van het verdunningsmiddel |
|
m d |
kg |
Massa van het verdunningsmiddelmonster dat door de deeltjesbemonsteringsfilters wordt gevoerd |
|
m ed |
kg |
Totale massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus |
|
m edf |
kg |
Massa van equivalent verdund uitlaatgas gedurende de testcyclus |
|
m ew |
kg |
Totale massa van het uitlaatgas gedurende de cyclus |
|
mex |
kg |
Totale massa van het verdunde uitlaatgas dat voor deeltjesaantalbemonstering aan de verdunningstunnel wordt onttrokken |
|
m f |
mg |
Massa van de deeltjesbemonsteringsfilters |
|
m gas |
g |
Massa van de gasvormige emissies gedurende de testcyclus |
|
mp |
mg |
Massa van het verzamelde deeltjesmonster |
|
m PM |
g |
Massa van de deeltjesemissies gedurende de testcyclus |
|
mPM,corr |
g/test |
Voor de onttrokken deeltjesaantalmonsterstroom gecorrigeerde deeltjesmassa |
|
m se |
kg |
Massa van het uitlaatgasmonster gedurende de testcyclus |
|
m sed |
kg |
Massa van het verdunde uitlaatgas dat door de verdunningstunnel stroomt |
|
m sep |
kg |
Massa van het verdunde uitlaatgas dat door de deeltjesopvangfilters stroomt |
|
m ssd |
kg |
Massa van het secundaire verdunningsmiddel |
|
M |
Nm |
Koppel |
|
M a |
g/mol |
Molaire massa van de inlaatlucht |
|
M d |
g/mol |
Molaire massa van het verdunningsmiddel |
|
M e |
g/mol |
Molaire massa van het uitlaatgas |
|
M f |
Nm |
Door de te monteren apparatuur of hulpapparatuur opgenomen koppel |
|
M gas |
g/mol |
Molaire massa van de gasvormige bestanddelen |
|
M r |
Nm |
Door de te verwijderen apparatuur of hulpapparatuur opgenomen koppel |
|
N |
— |
Tijdens de volledige testcyclus uitgestoten aantal deeltjes |
|
n |
— |
Aantal metingen |
|
nr |
— |
Aantal metingen met regeneratie |
|
n |
min–1 |
Toerental van de motor |
|
n hi |
min–1 |
Hoog motortoerental |
|
n lo |
min–1 |
Laag motortoerental |
|
n pref |
min–1 |
Aanbevolen motortoerental |
|
n p |
r/s |
PDP-pompsnelheid |
|
Ncold |
— |
Het totale aantal deeltjes dat tijdens de volledige WHTC-koudetestcyclus wordt uitgestoten |
|
Nhot |
— |
Het totale aantal deeltjes dat tijdens de volledige WHTC-warmetestcyclus wordt uitgestoten |
|
Nin |
|
Upstream deeltjesaantalconcentratie |
|
Nout |
|
Downstream deeltjesaantalconcentratie |
|
p a |
kPa |
Verzadigde dampdruk van de motorinlaatlucht |
|
p b |
kPa |
Totale luchtdruk |
|
p d |
kPa |
Verzadigde dampdruk van het verdunningsmiddel |
|
p p |
kPa |
Absolute druk |
|
p r |
kPa |
Waterdampdruk na koelbad |
|
p s |
kPa |
Droge luchtdruk |
|
P |
kW |
Vermogen |
|
P f |
kW |
Door de te monteren apparatuur of hulpapparatuur opgenomen vermogen |
|
P r |
kW |
Door de te verwijderen apparatuur of hulpapparatuur opgenomen vermogen |
|
qex |
kg/s |
Massadebiet van het deeltjesaantalmonster |
|
q mad |
kg/s |
Inlaatluchtmassadebiet op droge basis |
|
q maw |
kg/s |
Inlaatluchtmassadebiet op natte basis |
|
q mCe |
kg/s |
Koolstofmassadebiet in het ruwe uitlaatgas |
|
q mCf |
kg/s |
Koolstofmassadebiet naar de motor |
|
q mCp |
kg/s |
Koolstofmassadebiet naar het partiële-stroomverdunningssysteem |
|
q mdew |
kg/s |
Massadebiet van het verdunde uitlaatgas op natte basis |
|
q mdw |
kg/s |
Massadebiet van het verdunningsmiddel op natte basis |
|
q medf |
kg/s |
Massadebiet van het equivalente verdunde uitlaatgas op natte basis |
|
q mew |
kg/s |
Uitlaatgasmassadebiet op natte basis |
|
q mex |
kg/s |
Monstermassadebiet onttrokken aan de verdunningstunnel |
|
q mf |
kg/s |
Brandstofmassadebiet |
|
q mp |
kg/s |
Monsterstroom van uitlaatgas naar het partiële-stroomverdunningssysteem |
|
qsw |
kg/s |
Massadebiet dat naar de verdunningstunnel wordt teruggevoerd om het onttrokken deeltjesaantalmonster te compenseren |
|
q vCVS |
m3/s |
CVS-volumedebiet |
|
q vs |
dm3/min |
Systeemdebiet van het uitlaatgasanalysesysteem |
|
q vt |
cm3/min |
Indicatorgasdebiet |
|
r2 |
— |
Determinatiecoëfficiënt |
|
r d |
— |
Verdunningsverhouding |
|
r D |
— |
Diameterverhouding van SSV |
|
r h |
— |
Koolwaterstofresponsfactor van de vlamionisatiedetector (FID) |
|
r m |
— |
Methanolresponsfactor van de vlamionisatiedetector (FID) |
|
r p |
— |
Drukverhouding van SSV |
|
r s |
— |
Gemiddelde bemonsteringsverhouding |
|
s |
|
Standaardafwijking |
|
ρ |
kg/m3 |
Dichtheid |
|
ρ e |
kg/m3 |
Uitlaatgasdichtheid |
|
σ |
— |
Standaardafwijking |
|
T |
K |
Absolute temperatuur |
|
T a |
K |
Absolute temperatuur van de inlaatlucht |
|
t |
s |
Tijd |
|
t 10 |
s |
Tijd tussen stapvormige input en 10% van de eindwaarde |
|
t 50 |
s |
Tijd tussen stapvormige input en 50% van de eindwaarde |
|
t 90 |
s |
Tijd tussen stapvormige input en 90% van de eindwaarde |
|
u |
— |
Verhouding tussen de dichtheden (of molaire massa's) van de gasbestanddelen en het uitlaatgas gedeeld door 1 000 |
|
V 0 |
m3/r |
PDP-gasvolume dat per omwenteling wordt gepompt |
|
V s |
dm3 |
Systeemvolume van de uitlaatgasanalyseopstelling |
|
W act |
kWh |
Werkelijke cyclusarbeid van de testcyclus |
|
Wact,cold |
kWh |
De werkelijke cyclusarbeid tijdens de volledige WHTC-koudetestcyclus overeenkomstig punt 7.8.6 |
|
Wact, hot |
kWh |
De werkelijke cyclusarbeid tijdens de volledige WHTC-warmetestcyclus overeenkomstig punt 7.8.6 |
|
W ref |
kWh |
Referentiecyclusarbeid van de testcyclus |
|
X 0 |
m3/r |
PDP-kalibratiefunctie |
3.3. Symbolen en afkortingen voor de brandstofsamenstelling
|
w ALF |
waterstofgehalte van de brandstof (massa %) |
|
w BET |
koolstofgehalte van de brandstof (massa %) |
|
w GAM |
zwavelgehalte van de brandstof (massa %) |
|
w DEL |
stikstofgehalte van de brandstof (massa %) |
|
w EPS |
zuurstofgehalte van de brandstof (massa %) |
|
α |
molaire waterstofverhouding (H/C) |
|
γ |
molaire zwavelverhouding (S/C) |
|
δ |
molaire stikstofverhouding (N/C) |
|
ε |
molaire zuurstofverhouding (O/C) |
bij een brandstof CH α O e N δ S γ
3.4. Symbolen en afkortingen voor de chemische bestanddelen
|
C1 |
Koolstof-1-equivalent koolwaterstof |
|
CH4 |
Methaan |
|
C2H6 |
Ethaan |
|
C3H8 |
Propaan |
|
CO |
Koolmonoxide |
|
CO2 |
Kooldioxide |
|
DOP |
Dioctylftalaat |
|
HC |
Koolwaterstoffen |
|
H2O |
Water |
|
NMHC |
Andere koolwaterstoffen dan methaan |
|
NOx |
Stikstofoxiden |
|
NO |
Stikstofmonoxide |
|
NO2 |
Stikstofdioxide |
|
PM |
Deeltjesmateriaal |
3.5. Afkortingen
|
CFV |
Venturibuis met kritische stroming |
|
CLD |
Chemiluminescentiedetector |
|
CVS |
Bemonstering met constant volume |
|
deNOx |
NOx-nabehandelingssysteem |
|
EGR |
Uitlaatgasrecirculatie |
|
ET |
Verdampingsleiding |
|
FID |
Vlamionisatiedetector |
|
FTIR |
Fouriertransformatie-infraroodanalysator |
|
GC |
Gaschromatograaf |
|
HCLD |
Verwarmde chemiluminescentiedetector |
|
HFID |
Verwarmde vlamionisatiedetector |
|
LDS |
Laserdiodespectrometer |
|
LPG |
Vloeibaar petroleumgas |
|
NDIR |
Niet-dispersieve infraroodanalysator |
|
NG |
Aardgas |
|
NMC |
Niet-methaancutter |
|
OT |
Afvoerleiding |
|
PDP |
Verdringerpomp |
|
Per cent FS |
Percentage van het volledige schaalbereik |
|
PCF |
Deeltjesvoorklasseervoorziening |
|
PFS |
Partiële-stroomsysteem |
|
PNC |
Deeltjesaantalteller |
|
PND |
Deeltjesaantalverdunner |
|
PTS |
Deeltjesoverbrengingssysteem |
|
PTT |
Deeltjesoverbrengingsleiding |
|
SSV |
Subsonische venturi |
|
VGT |
Turbine met variabele geometrie |
|
VPR |
Vluchtige-deeltjesverwijderaar |
|
WHSC |
Wereldwijd geharmoniseerde cyclus in statische toestand |
|
WHTC |
Wereldwijd geharmoniseerde transiënte cyclus |
4. Algemene voorschriften
Het motorsysteem moet zodanig zijn ontworpen, gebouwd en geassembleerd dat de motor bij normaal gebruik gedurende zijn nuttige levensduur zoals gedefinieerd in dit reglement, aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen, ook na installatie in het voertuig.
5. Prestatievoorschriften
5.1. Emissie van verontreinigende gassen en deeltjes
De emissie van verontreinigende gassen en deeltjes door de motor wordt vastgesteld door de WHTC- en WHSC-testcycli zoals beschreven in punt 7. De meetsystemen moeten voldoen aan de lineariteitseisen in punt 9.2 en de specificaties in punt 9.3 (meting van de gasvormige emissies), punt 9.4 (deeltjesmeting) en aanhangsel 2.
Andere systemen of analyseapparatuur kunnen door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd indien wordt aangetoond dat zij gelijkwaardige resultaten opleveren overeenkomstig punt 5.1.1.
5.1.1. Gelijkwaardigheid
De systeemgelijkwaardigheid moet worden vastgesteld aan de hand van een correlatiestudie met zeven (of meer) monsterparen tussen het onderzochte systeem en een van de systemen uit deze bijlage.
De "resultaten" hebben betrekking op de gewogen emissiewaarde bij een specifieke cyclus. De correlatietest moet worden uitgevoerd in hetzelfde laboratorium, in dezelfde meetcel en op dezelfde motor en bij voorkeur gelijktijdig. De gelijkwaardigheid van de gemiddelden van de monsterparen wordt vastgesteld aan de hand van F-test- en t-teststatistieken zoals beschreven in aanhangsel 3, punt A.3.3, en verkregen in dezelfde laboratoriummeetcel en op dezelfde motor zoals hierboven beschreven. Uitschieters worden vastgesteld overeenkomstig ISO 5725 en worden niet in het gegevensbestand opgenomen. De systemen die voor de correlatietest worden gebruikt, moeten door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd.
5.2. Motorenfamilie
5.2.1. Algemeen
Een motorenfamilie wordt gekenmerkt door ontwerpparameters. Deze moeten voor alle motoren binnen de familie dezelfde zijn. De motorfabrikant kan zelf beslissen welke motoren tot een bepaalde motorenfamilie behoren zolang hij de hiervoor in punt 5.2.3 opgesomde criteria in acht neemt. De motorenfamilie moet door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd. De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstantie relevante informatie over de emissiewaarden van de leden van de motorenfamilie verstrekken.
5.2.2. Bijzondere gevallen
In sommige gevallen kan er interactie optreden tussen de parameters. Hiermee moet rekening worden gehouden om ervoor te zorgen dat alleen motoren met vergelijkbare uitlaatemissie-eigenschappen tot één motorenfamilie worden gerekend. De fabrikant moet deze gevallen omschrijven en de typegoedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte stellen. Hiermee zal vervolgens rekening worden gehouden als criterium bij het creëren van een nieuwe motorenfamilie.
Indien voorzieningen of kenmerken die niet in punt 5.2.3 zijn vermeld sterk van invloed zijn op het emissieniveau, moet de fabrikant deze apparatuur naar goede ingenieurspraktijk identificeren en de typegoedkeuringsinstantie hiervan op de hoogte stellen. Hiermee zal vervolgens rekening worden gehouden als criterium bij het creëren van een nieuwe motorenfamilie.
Naast de in punt 5.2.3 genoemde parameters kan de fabrikant ook aanvullende criteria opgeven op basis waarvan families van kleinere omvang kunnen worden gedefinieerd. Dat zijn niet noodzakelijkerwijs parameters die van invloed zijn op het emissieniveau.
5.2.3. Parameters die de motorenfamilie bepalen
5.2.3.1. Verbrandingscyclus:
|
a) |
tweetaktcyclus; |
|
b) |
viertaktcyclus; |
|
c) |
draaizuigermotor; |
|
d) |
overige. |
5.2.3.2. Opstelling van de cilinders
5.2.3.2.1. Positie van de cilinders in het blok:
|
a) |
V; |
|
b) |
in lijn; |
|
c) |
stervormig; |
|
d) |
overige (F, W enz.). |
5.2.3.2.2. Relatieve positie van de cilinders
Motoren met hetzelfde blok mogen tot dezelfde familie behoren mits de hart-op-hartverhoudingen van de boringen dezelfde zijn.
5.2.3.3. Voornaamste koelmiddel:
|
a) |
lucht; |
|
b) |
water; |
|
c) |
olie. |
5.2.3.4. Individuele-cilinderinhoud
5.2.3.4.1. Motoren met een individuele-cilinderinhoud ≥ 0,75 dm3
Motoren met een individuele-cilinderinhoud ≥ 0,75 dm3 kunnen alleen tot dezelfde motorenfamilie behoren als het verschil tussen hun individuele-cilinderinhoud en de grootste individuele-cilinderinhoud binnen de familie niet meer dan 15% bedraagt.
5.2.3.4.2. Motoren met een individuele-cilinderinhoud < 0,75 dm3
Motoren met een individuele-cilinderinhoud < 0,75 dm3 kunnen alleen tot dezelfde motorenfamilie behoren als het verschil tussen hun individuele-cilinderinhoud en de grootste individuele-cilinderinhoud binnen de familie niet meer dan 30% bedraagt.
5.2.3.4.3. Motoren met andere grenswaarden voor de individuele-cilinderinhoud
Motoren met een individuele-cilinderinhoud die de grenswaarden in de punten 5.2.3.4.1 en 5.2.3.4.2 overschrijdt, kunnen met de goedkeuring van de typegoedkeuringsinstantie tot dezelfde familie behoren. Deze goedkeuring moet worden gebaseerd op technische elementen (berekeningen, simulaties, experimentele resultaten enz.) die aantonen dat het overschrijden van de grenswaarden geen noemenswaardige invloed uitoefent op de uitlaatemissies.
5.2.3.5. Methode van luchtaanzuiging:
|
a) |
natuurlijke aanzuiging; |
|
b) |
drukvulling; |
|
c) |
drukvulling met tussenkoeler. |
5.2.3.6. Brandstoftype:
|
a) |
diesel; |
|
b) |
aardgas; |
|
c) |
vloeibaar petroleumgas (lpg); |
|
d) |
ethanol. |
5.2.3.7. Type verbrandingskamer:
|
a) |
open kamer; |
|
b) |
gedeelde kamer; |
|
c) |
andere typen. |
5.2.3.8. Ontstekingstype:
|
a) |
elektrische ontsteking; |
|
b) |
compressieontsteking. |
5.2.3.9. Klep- en poorteigenschappen:
|
a) |
configuratie; |
|
b) |
aantal kleppen per cilinder. |
5.2.3.10. Brandstoftoevoertype:
|
a) |
toevoertype voor vloeibare brandstof:
|
|
b) |
toevoertype voor gas als brandstof:
|
|
c) |
Andere typen |
5.2.3.11. Diverse voorzieningen:
|
a) |
uitlaatgasrecirculatie (EGR); |
|
b) |
waterinspuiting; |
|
c) |
luchtinspuiting; |
|
d) |
andere. |
5.2.3.12. Elektronische regelstrategie
Het al of niet aanwezig zijn van een elektronische regeleenheid (ECU) op de motor wordt als een van de basisparameters van een familie beschouwd.
Bij elektronisch gestuurde motoren moet de fabrikant de technische elementen verstrekken die verklaren waarom deze motoren tot dezelfde familie behoren, d.w.z. waarom deze motoren naar verwachting aan dezelfde emissievoorschriften zullen voldoen.
Voorbeelden van deze elementen zijn berekeningen, simulaties, schattingen, beschrijvingen van inspuitparameters en experimentele resultaten.
Voorbeelden van gestuurde kenmerken zijn:
|
a) |
timing; |
|
b) |
inspuitdruk; |
|
c) |
meervoudige inspuitingen; |
|
d) |
aanjaagdruk; |
|
e) |
VGT; |
|
f) |
EGR. |
5.2.3.13. Uitlaatgasnabehandelingssystemen
De functie en combinatie van de volgende voorzieningen worden beschouwd als criteria om te bepalen of een motor tot een bepaalde motorenfamilie behoort:
|
a) |
oxidatiekatalysator; |
|
b) |
driewegkatalysator; |
|
c) |
deNOx-systeem met selectieve NOx-reductie (toevoeging van reductiemiddel); |
|
d) |
andere deNOx-systemen; |
|
e) |
deeltjesvanger met passieve regeneratie; |
|
f) |
deeltjesvanger met actieve regeneratie; |
|
g) |
andere deeltjesvangers; |
|
h) |
andere voorzieningen. |
Als een motor zonder nabehandelingssysteem is gecertificeerd, hetzij als oudermotor, hetzij als lid van een motorenfamilie, mag deze motor, als hij van een oxidatiekatalysator wordt voorzien, lid blijven van dezelfde motorenfamilie mits er geen andere brandstofeisen worden gesteld.
Als er wel specifieke brandstofeisen worden gesteld (bv. deeltjesvangers die speciale additieven aan de brandstof toevoegen om het regeneratieproces te garanderen), moet het besluit om de motor tot dezelfde familie te laten behoren worden genomen op basis van de door de fabrikant verstrekte technische elementen. Deze elementen moeten aantonen dat het verwachte emissieniveau van de motor met uitbreiding aan dezelfde grenswaarde voldoet als de motor zonder uitbreiding.
Als een motor met een nabehandelingssysteem is gecertificeerd, hetzij als oudermotor, hetzij als lid van een motorenfamilie waarvan de oudermotor met hetzelfde nabehandelingssysteem is uitgerust, mag deze motor, als deze niet van een nabehandelingssysteem wordt voorzien, niet aan dezelfde motorenfamilie worden toegevoegd.
5.2.4. Keuze van de oudermotor
5.2.4.1. Compressieontstekingsmotoren
Nadat een motorenfamilie door de typegoedkeuringsinstantie is goedgekeurd, wordt de oudermotor geselecteerd op basis van het hoofdcriterium van de hoogste brandstofopbrengst per slag bij het opgegeven toerental voor het maximumkoppel. Indien twee of meer motoren volgens dit hoofdcriterium overeenstemmen, wordt de oudermotor geselecteerd aan de hand van een tweede criterium, namelijk de hoogste brandstoftoevoer per slag bij het nominaal vermogen.
5.2.4.2. Elektrische-ontstekingsmotoren
Nadat een motorenfamilie door de typegoedkeuringsinstantie is goedgekeurd, wordt de oudermotor geselecteerd op basis van het hoofdcriterium van de grootste inhoud. Indien twee of meer motoren volgens dit hoofdcriterium overeenstemmen, wordt de oudermotor geselecteerd aan de hand van een tweede criterium in deze volgorde:
|
a) |
de hoogste brandstoftoevoer per slag bij het toerental voor het opgegeven nominaal vermogen; |
|
b) |
het vroegste ontstekingstijdstip; |
|
c) |
de laagste EGR-graad. |
5.2.4.3. Opmerkingen bij de keuze van de oudermotor
De typegoedkeuringsinstantie kan concluderen dat de slechtste emissiewaarde van een familie het best kan worden bepaald door extra motoren te testen. De motorfabrikant moet in dit geval informatie verstrekken aan de hand waarvan kan worden vastgesteld welke motoren van de familie waarschijnlijk de hoogste emissiewaarden zullen hebben.
Indien motoren binnen de familie andere kenmerken hebben die geacht kunnen worden de uitlaatemissies te beïnvloeden, moeten die kenmerken eveneens worden bepaald en bij de selectie van de oudermotor in aanmerking worden genomen.
Indien motoren binnen de familie aan dezelfde emissiewaarden voldoen, terwijl hun nuttige levensduur verschilt, moet dit bij de selectie van de oudermotor ook in aanmerking worden genomen.
6. Testomstandigheden
6.1. Laboratoriumtestomstandigheden
De absolute temperatuur (T a) van de inlaatlucht van de motor, uitgedrukt in Kelvin, en de droge atmosferische druk (p s), uitgedrukt in kPa, moeten worden gemeten en de parameter f a moet op de volgende wijze worden berekend. Bij motoren met meerdere cilinders die afzonderlijke groepen inlaatspruitstukken hebben, zoals V-motoren, moet de gemiddelde temperatuur van de afzonderlijke groepen worden genomen. De parameter f a moet in de testresultaten worden vermeld. Voor een betere herhaalbaarheid en reproduceerbaarheid van de testresultaten wordt aanbevolen dat de parameter f a zodanig is dat: 0,93 ≤ f a ≤ 1,07.
|
a) |
Compressieontstekingsmotoren:
Motoren met natuurlijke aanzuiging en mechanische drukvulling:
Motoren met drukvulling met of zonder koeling van de inlaatlucht:
|
|
b) |
Elektrische-ontstekingsmotoren:
|
6.2. Motoren met tussenkoeling
De vulluchttemperatuur moet worden geregistreerd en moet bij het nominaal toerental en vollast binnen ± 5 K liggen van de maximumvulluchttemperatuur zoals opgegeven door de fabrikant. De temperatuur van het koelmiddel moet ten minste 293 K (20°C) bedragen.
Indien een laboratoriumsysteem of externe aanjager wordt gebruikt, moet het koelvloeistofdebiet zo worden ingesteld dat de vulluchttemperatuur binnen ± 5 K van de maximumvulluchttemperatuur ligt zoals opgegeven door de fabrikant voor het nominaal toerental en vollast. De koelvloeistoftemperatuur en het koelvloeistofdebiet van de tussenkoeler op het hierboven genoemde instelpunt mogen gedurende de gehele testcyclus niet worden gewijzigd, tenzij dit leidt tot niet-representatieve overmatige koeling van de vullucht. Het volume van de tussenkoeler moet zijn gebaseerd op goede ingenieurspraktijk en representatief zijn voor de installatie bij een in gebruik zijnde productiemotor. Het laboratoriumsysteem moet zo zijn ontworpen dat zo min mogelijk condensvorming optreedt. Eventueel condens moet worden afgevoerd en alle afvoergaten moeten volledig worden gesloten voordat met de emissietest wordt begonnen.
Als de motorfabrikant drukvalgrenswaarden voor het volledige tussenkoelingssysteem opgeeft, moet de drukval in het volledige tussenkoelingssysteem bij de door de fabrikant gespecificeerde motoromstandigheden binnen die grenswaarden liggen. De drukval moet op de door de fabrikant opgegeven plaatsen worden gemeten.
6.3. Motorvermogen
De specifieke emissiemeting wordt verricht op basis van het motorvermogen en de cyclusarbeid zoals bepaald overeenkomstig de punten 6.3.1 tot en met 6.3.5.
6.3.1. Algemene installatie van de motor
De motor moet worden getest met de in aanhangsel 6 vermelde apparatuur en hulpapparatuur.
Als de apparatuur en hulpapparatuur niet op de voorgeschreven wijze zijn geïnstalleerd, moet overeenkomstig de punten 6.3.2 tot en met 6.3.5 rekening worden gehouden met het vermogen ervan.
6.3.2. Voor de emissietest te monteren apparatuur en hulpapparatuur
Als het onwenselijk is de overeenkomstig aanhangsel 6 vereiste apparatuur en hulpapparatuur op de testbank te monteren, wordt voor het gehele motortoerentalgebied van de WHTC en voor de testtoerentallen van de WHSC het door deze apparatuur opgenomen vermogen bepaald en van het gemeten motorvermogen (referentie- en werkelijk motorvermogen) afgetrokken.
6.3.3. Voor de test te verwijderen apparatuur en hulpapparatuur
Als de overeenkomstig aanhangsel 6 niet vereiste apparatuur en hulpapparatuur niet kan worden verwijderd, mag voor het gehele motortoerentalgebied van de WHTC en voor de testtoerentallen van de WHSC het door deze apparatuur opgenomen vermogen worden bepaald en bij het gemeten motorvermogen (referentie- en werkelijk motorvermogen) worden opgeteld. Als deze waarde meer dan 3% van het maximumvermogen bij het testtoerental bedraagt, moet zij aan de typegoedkeuringsinstantie worden aangetoond.
6.3.4. Bepaling van het vermogen van de hulpapparatuur
Het door de apparatuur en hulpapparatuur opgenomen vermogen moet alleen worden bepaald:
|
a) |
als de overeenkomstig aanhangsel 6 vereiste apparatuur en hulpapparatuur niet op de motor is gemonteerd en/of |
|
b) |
als de overeenkomstig aanhangsel 6 niet vereiste apparatuur en hulpapparatuur op de motor is gemonteerd. |
De waarden van het vermogen van de hulpapparatuur en de wijze waarop deze zijn gemeten of berekend moeten voor het gehele werkgebied van de testcycli door de motorfabrikant worden ingediend en door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd.
6.3.5. Cyclusarbeid van de motor
De berekening van de referentie- en werkelijke cyclusarbeid (zie punten 7.4.8 en 7.8.6) moet worden gebaseerd op het motorvermogen overeenkomstig punt 6.3.1. In dit geval bedragen P f en P r uit formule 4 nul, en is P gelijk aan P m.
Als overeenkomstig de punten 6.3.2 en/of 6.3.3 apparatuur of hulpapparatuur is geïnstalleerd, moet het daardoor opgenomen vermogen worden gebruikt om elke momentane cyclusarbeidswaarde P m,i als volgt te corrigeren:
|
|
(4) |
waarin:
|
P m,i |
= |
het gemeten motorvermogen (kW); |
|
P f,i |
= |
het door de te monteren apparatuur of hulpapparatuur opgenomen vermogen (kW); |
|
P r,i |
= |
het door de te verwijderen apparatuur of hulpapparatuur opgenomen vermogen (kW). |
6.4. Luchtinlaatsysteem van de motor
Er moet gebruik worden gemaakt van een luchtinlaatsysteem of een laboratoriumsysteem met een luchtinlaatrestrictie binnen ± 300 Pa van de door de fabrikant opgegeven maximumwaarde voor een schoon luchtfilter bij het nominaal toerental en vollast. Het statische drukverschil van de restrictie moet op de door de fabrikant opgegeven plaats worden gemeten.
6.5. Uitlaatsysteem van de motor
Er moet gebruik worden gemaakt van een motoruitlaatsysteem of een laboratoriumsysteem met een uitlaattegendruk binnen 80-100% van de door de fabrikant opgegeven maximumwaarde bij het nominaal toerental en vollast. Als de maximale restrictie 5 kPa of minder bedraagt, mag het instelpunt niet minder dan 1,0 kPa van het maximum afliggen. Het uitlaatsysteem moet voldoen aan de voorschriften voor uitlaatgasbemonstering in de punten 9.3.10 en 9.3.11.
6.6. Motor met uitlaatgasnabehandelingssysteem
Indien de motor met een uitlaatgasnabehandelingssysteem is uitgerust, moet de uitlaatpijp over een lengte van ten minste vier pijpdiameters vóór het expansiegedeelte waarin het nabehandelingssysteem is aangebracht, dezelfde diameter hebben als in de praktijk wordt aangetroffen of door de fabrikant is gespecificeerd. De afstand tussen de flens van het uitlaatspruitstuk of de turbocompressoruitlaat en het uitlaatgasnabehandelingssysteem moet dezelfde zijn als bij de configuratie in het voertuig of moet binnen de afstandspecificaties van de fabrikant liggen. De uitlaattegendruk of -restrictie moet aan dezelfde criteria voldoen als hierboven en mag met een klep worden ingesteld. Voor nabehandelingssystemen met variabele restrictie wordt de maximale uitlaatgasrestrictie aangegeven in de door de fabrikant gespecificeerde nabehandelingsvoorwaarden ("degreening"/veroudering en regeneratie-/verontreinigingsniveau). Als de maximale restrictie 5 kPa of minder bedraagt, mag het instelpunt niet minder dan 1,0 kPa van het maximum afliggen. Het nabehandelingsgedeelte mag tijdens dummytests en bij het bepalen van de motorkarakteristiek worden verwijderd en worden vervangen door een gelijkwaardig gedeelte met een niet-werkzame katalysatorconstructie.
De tijdens de testcyclus gemeten emissies moeten representatief zijn voor de emissies in de praktijk. In het geval van een motor met een uitlaatgasnabehandelingssysteem op basis van een verbruiksreagens moet het voor alle tests gebruikte reagens door de fabrikant worden opgegeven.
Voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem met continue regeneratie is geen speciale testprocedure vereist, maar het regeneratieproces moet wel overeenkomstig punt 6.6.1 worden aangetoond.
Voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd zoals beschreven in punt 6.6.2, moeten de emissieresultaten worden gecorrigeerd om rekening te houden met regeneraties. In dit geval is de gemiddelde emissie afhankelijk van de frequentie van de regeneraties uitgedrukt in het gedeelte van de tests waarbinnen een regeneratie plaatsvindt.
6.6.1. Continue regeneratie
De emissies worden gemeten bij een gestabiliseerd nabehandelingssysteem, zodat herhaalbare emissieresultaten worden verkregen. Het regeneratieproces moet ten minste één keer tijdens de WHTC-warmestarttest plaatsvinden en de fabrikant moet aangeven onder welke normale omstandigheden de regeneratie plaatsvindt (roetgehalte, temperatuur, uitlaattegendruk enz.).
Om aan te tonen dat het regeneratieproces continu is, moet er ten minste driemaal een WHTC-warmestarttest worden uitgevoerd. Hiervoor wordt de motor overeenkomstig punt 7.4.1 opgewarmd, overeenkomstig punt 7.6.3 geïmpregneerd en wordt de eerste WHTC-warmestarttest uitgevoerd. De daaropvolgende warmestarttests worden uitgevoerd nadat de motor overeenkomstig punt 7.6.3 is geïmpregneerd. Tijdens de tests worden de uitlaattemperatuur en -druk geregistreerd (temperatuur voor en achter het nabehandelingssysteem, uitlaattegendruk enz.).
Als de door de fabrikant opgegeven voorwaarden zich tijdens de tests voordoen en de resultaten van de drie (of meer) WHTC-warmestarttests niet meer dan ± 25% of 0,005 g/kWh van elkaar afwijken (de hoogste waarde is van toepassing), wordt het nabehandelingssysteem beschouwd als een systeem met continue regeneratie en zijn de algemene testbepalingen van punt 7.6 (WHTC) en punt 7.7 (WHSC) van toepassing.
Indien het uitlaatgasnabehandelingssysteem een veiligheidsmodus heeft die op periodieke regeneratie overschakelt, moet het overeenkomstig punt 6.6.2 worden gecontroleerd. In dat specifieke geval kunnen de toepasselijke emissiegrenswaarden worden overschreden en worden ze niet gewogen.
6.6.2. Periodieke regeneratie
In het geval van een uitlaatgasnabehandelingssysteem op basis van een periodiek regeneratieproces worden de emissies gemeten bij ten minste drie WHTC-warmestarttests (één met en twee zonder regeneratieproces) bij een gestabiliseerd nabehandelingssysteem; de resultaten worden overeenkomstig formule 5 gewogen.
Tijdens de WHTC-warmestarttest moet het regeneratieproces ten minste een keer plaatsvinden. De motor mag voorzien zijn van een schakelaar waarmee het regeneratieproces mogelijk of onmogelijk kan worden gemaakt, op voorwaarde dat de oorspronkelijke motorkalibratie daardoor niet wordt beïnvloed.
De fabrikant geeft aan bij welke normale parameters het regeneratieproces plaatsvindt (roetgehalte, temperatuur, uitlaattegendruk enz.) en hoelang het duurt. De fabrikant vermeldt ook de frequentie van de regeneraties uitgedrukt in het aantal tests waarbij regeneratie plaatsvindt in vergelijking tot het aantal tests zonder regeneratie. De precieze procedure waarmee deze frequentie wordt bepaald, berust op gegevens uit de praktijk en goede ingenieursinzichten, en moet door de typegoedkeurings- of certificeringsinstantie worden goedgekeurd.
De fabrikant verstrekt een nabehandelingssysteem dat zodanig is belast dat tijdens een WHTC-test een regeneratie plaatsvindt. Voor deze test wordt de motor overeenkomstig punt 7.4.1 opgewarmd, overeenkomstig punt 7.6.3 geïmpregneerd en wordt de WHTC-warmestarttest uitgevoerd. Tijdens het warmlopen van de motor mag geen regeneratie plaatsvinden.
De gemiddelde specifieke emissies tussen de regeneratiefasen worden bepaald aan de hand van het rekenkundig gemiddelde van verschillende ongeveer op gelijke afstand in de tijd gelegen resultaten van WHTC-warmestarttests (g/kWh). De minimale eis is dat ten minste één WHTC-warmestarttest zo kort mogelijk vóór een regeneratietest en één WHTC-warmestarttest onmiddelijk na een regeneratietest wordt uitgevoerd. In plaats daarvan kan de fabrikant ook gegevens verstrekken waaruit blijkt dat de emissies tussen de regeneratiefasen constant blijven (± 25% of 0,005 g/kWh; de grootste waarde is van toepassing). In dat geval mogen de emissies van slechts één WHTC-warmestarttest worden gebruikt.
Tijdens de regeneratietest worden alle gegevens geregistreerd die nodig zijn om regeneratie te detecteren (emissie van CO of NOx, temperatuur voor en achter het nabehandelingssysteem, uitlaattegendruk enz.).
Tijdens de regeneratietest kunnen de toepasselijke emissiegrenswaarden worden overschreden.
De testprocedure is in figuur 2 schematisch weergegeven.
Figuur 2:
Schema van het periodieke regeneratieproces
ew = (n × e1…n + nr × er) / (n + nr)
kr = ew / e
De WHTC-warmestartemissies worden als volgt gewogen:
|
|
(5) |
waarin:
|
n |
= |
het aantal WHTC-warmestarttests zonder regeneratie; |
|
nr |
= |
het aantal WHTC-warmestarttests met regeneratie (ten minste één test); |
|
|
= |
de gemiddelde specifieke emissie zonder regeneratie (g/kWh); |
|
|
= |
de gemiddelde specifieke emissie met regeneratie (g/kWh). |
Voor het bepalen van
|
a) |
als voor de regeneratie meer dan één WHTC-warmestarttest nodig is, worden opeenvolgende volledige WHTC-warmestarttests uitgevoerd en worden de emissies continu gemeten zonder impregneren en zonder de motor af te zetten, totdat de regeneratie voltooid is, en wordt het gemiddelde van de WHTC-warmestarttests berekend; |
|
b) |
als de regeneratie tijdens een WHTC-warmestarttest is voltooid, wordt de test voortgezet totdat de volledige duur verstreken is. |
Met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie mogen de regeneratieaanpassingsfactoren multiplicatief (punt c)) of additief (punt d)) worden toegepast op basis van een goede ingenieursanalyse;
|
c) |
de multiplicatieve aanpassingsfactoren worden als volgt berekend:
|
|
d) |
de additieve aanpassingsfactoren worden als volgt berekend:
|
Voor de berekening van de specifieke emissies in punt 8.6.3 worden de regeneratieaanpassingsfactoren als volgt toegepast:
|
e) |
voor een test zonder regeneratie wordt k r,u vermenigvuldigd met of opgeteld bij, respectievelijk, de specifieke emissie e in formule 69 of 70; |
|
f) |
voor een test met regeneratie wordt k r,d vermenigvuldigd met of opgeteld bij, respectievelijk, de specifieke emissie e in formule 69 of 70. |
Op verzoek van de fabrikant kunnen de regeneratieaanpassingsfactoren:
|
g) |
ook op andere leden van dezelfde motorenfamilie worden toegepast, |
|
h) |
ook worden toegepast op andere motorenfamilies met hetzelfde nabehandelingssysteem indien de typegoedkeurings- of certificeringsinstantie vooraf toestemming heeft verleend op basis van door de fabrikant geleverd technisch bewijs dat de emissies gelijkwaardig zijn. |
6.7. Koelsysteem
Er moet gebruik worden gemaakt van een motorkoelsysteem met voldoende capaciteit om de motor op de normale door de fabrikant voorgeschreven bedrijfstemperaturen te houden.
6.8. Smeerolie
De smeerolie moet door de fabrikant worden gespecificeerd en dient representatief te zijn voor in de handel verkrijgbare smeerolie; de specificaties van de smeerolie die tijdens de test wordt gebruikt, moeten worden genoteerd en bij de testresultaten worden vermeld.
6.9. Specificaties van de referentiebrandstof
De referentiebrandstoffen worden gespecificeerd in bijlage 5.
De brandstoftemperatuur moet overeenkomen met de aanbevelingen van de fabrikant.
6.10. Carteremissies
Er mogen geen carteremissies rechtstreeks in de omgevingslucht worden uitgestoten, met de volgende uitzondering: motoren die met turbocompressoren, pompen, aanjagers of hogedrukcompressoren voor luchtinductie zijn uitgerust, mogen carteremissies in de omgevingslucht uitstoten als deze emissies bij alle emissietests bij de uitlaatemissies worden opgeteld (fysisch of mathematisch). Fabrikanten die van deze uitzondering gebruikmaken, moeten de motoren zo installeren dat alle carteremissies in het emissiebemonsteringssysteem kunnen worden geleid.
Voor de toepassing van dit punt worden carteremissies die in alle werkingstoestanden vóór de uitlaatgasnabehandeling in de uitlaatgasstroom worden geleid, niet beschouwd als emissies die rechtstreeks in de omgevingslucht worden uitgestoten.
Voor de emissiemeting moeten open-carteremissies op de volgende wijze in het uitlaatsysteem worden geleid:
|
a) |
de buizen moeten gladde wanden hebben en vervaardigd zijn van elektrisch geleidende materialen die niet reageren met de carteremissies. De buislengten moeten zo klein mogelijk zijn; |
|
b) |
het aantal bochten in de laboratoriumcarterbuizen moet zo klein mogelijk worden gehouden en alle onvermijdelijke bochten moeten een zo groot mogelijke straal hebben; |
|
c) |
de laboratoriumcarteruitlaatbuizen moeten worden verwarmd, dunwandig of geïsoleerd zijn en aan de specificaties van de motorfabrikant voor cartertegendruk beantwoorden; |
|
d) |
de carteruitlaatbuizen moeten op het ruwe uitlaatgas worden aangesloten voorbij het eventuele nabehandelingssysteem, voorbij de eventueel geïnstalleerde uitlaatgasrestrictie en op voldoende afstand vóór de eventuele bemonsteringssondes om de carteremissies voor de bemonstering volledig met de emissies van de motor te laten vermengen. Om grenslaageffecten te vermijden en de vermenging te bevorderen, moet de carteruitlaatbuis zich tot in de vrije uitlaatgasstroom uitstrekken. De uitgang van de carteruitlaatbuis mag ten opzichte van de stroom van het ruwe uitlaatgas in iedere richting worden geplaatst. |
6.11. De punten 6.11.1 en 6.11.2 zijn van toepassing op elektrische-ontstekingsmotoren op benzine of E85.
6.11.1. De druk in het carter moet tijdens de emissietestcycli op een geschikt punt worden gemeten. De druk in het inlaatspruitstuk moet tot op ± 1 kPa nauwkeurig worden gemeten.
6.11.2. De conformiteit met punt 6.10 wordt toereikend geacht indien de in het carter gemeten druk bij geen enkele van de in punt 6.11.1 gedefinieerde bedrijfstoestanden de luchtdruk op het ogenblik van de meting overschrijdt.
7. Testprocedures
7.1. Beginselen van emissiemeting
Voor de meting van de specifieke emissies ondergaat de motor de in de punten 7.2.1 en 7.2.2 beschreven testcycli. Voor de meting van de specifieke emissies moeten de massa van de bestanddelen in het uitlaatgas en de overeenkomstige cyclusarbeid van de motor worden bepaald. De bestanddelen worden bepaald met de in de punten 7.1.1 en 7.1.2 beschreven bemonsteringsmethoden.
7.1.1. Continue bemonstering
Bij continue bemonstering wordt de concentratie van een bestanddeel continu gemeten in ruw of verdund uitlaatgas. Deze concentratie wordt vermenigvuldigd met het continue debiet van het (ruwe of verdunde) uitlaatgas op de plaats van bemonstering om het massadebiet van het bestanddeel te bepalen. De emissie van het bestanddeel wordt gedurende de testcyclus voortdurend opgeteld. Deze som is de totale massa van het uitgestoten bestanddeel.
7.1.2. Partijbemonstering
Bij partijbemonstering wordt continu een monster van het ruwe of verdunde uitlaatgas genomen, dat voor latere meting wordt bewaard. Het genomen monster moet evenredig zijn met het debiet van het ruwe of verdunde uitlaatgas. Voorbeelden van partijbemonstering zijn het verzamelen van verdunde gasvormige bestanddelen in een zak en het verzamelen van deeltjesmateriaal op een filter. De concentraties in een partijmonster worden vermenigvuldigd met de totale massa of het massadebiet van het (ruwe of verdunde) uitlaatgas waaruit het tijdens de testcyclus is genomen. Dit product is de totale massa of het totale massadebiet van het uitgestoten bestanddeel. Om de concentratie van deeltjesmateriaal te berekenen, wordt het op een filter achtergebleven deeltjesmateriaal uit het evenredige uitlaatgasmonster gedeeld door de hoeveelheid gefiltreerd uitlaatgas.
7.1.3. Meetprocedures
In deze bijlage worden twee meetprocedures toegepast die functioneel gelijkwaardig zijn. Beide procedures kunnen zowel voor de WHTC- als voor de WHSC-testcyclus worden gebruikt:
|
a) |
de gasvormige bestanddelen worden voortdurend bemonsterd in het ruwe uitlaatgas, en de deeltjes worden bepaald met een partiële-stroomverdunningssysteem; |
|
b) |
de gasvormige bestanddelen en de deeltjes worden bepaald met een volledige-stroomverdunningssysteem (CVS-systeem). |
Een combinatie van beide beginselen (bv. ruw-uitlaatgasmeting en volledige-stroomverdunningssysteem) is toegestaan.
7.2. Testcycli
7.2.1. Transiënte testcyclus (WHTC)
De transiënte testcyclus (WHTC) wordt in aanhangsel 1 per seconde omschreven als een serie genormaliseerde waarden voor het toerental en het koppel. Als deze test op een motormeetcel wordt uitgevoerd, moeten de genormaliseerde waarden geconverteerd worden naar de werkelijke waarden van de specifieke motor die wordt getest, gebaseerd op de motorkarakteristiek. Deze conversie wordt denormalisering genoemd en de testcyclus verloopt als de referentiecyclus van de motor die moet worden getest. De cyclus wordt met deze referentiewaarden voor toerental en koppel bij de meetcel uitgevoerd en de werkelijke waarden voor toerental, koppel en vermogen worden geregistreerd. Ter validatie van de testresultaten moet er na het beëindigen van de test een regressieanalyse worden uitgevoerd tussen de referentiewaarden en de werkelijke waarden voor toerental, koppel en vermogen.
Om de specifieke emissies op de testbank te berekenen moet de werkelijke cyclusarbeid worden berekend door het werkelijke motorvermogen tijdens de hele cyclus te integreren. Ter validatie van de cyclus moet de werkelijke cyclusarbeid zich binnen de voorgeschreven grenswaarden van de referentiecyclusarbeid bevinden.
Voor verontreinigende gassen kan zowel continue bemonstering (van ruw of verdund uitlaatgas) of partijbemonstering (van verdund uitlaatgas) worden toegepast. Het deeltjesmonster moet worden verdund met een voorbehandeld verdunningsmiddel (zoals omgevingslucht) en op één geschikt filter worden verzameld. De WHTC is in figuur 3 schematisch weergegeven.
Figuur 3
WHTC-testcyclus
7.2.2. Testcyclus van statische toestanden met overgangen (WHSC)
De testcyclus van statische toestanden met overgangen (WHSC) bestaat uit een reeks modi met een genormaliseerd toerental en belasting, die moeten worden geconverteerd naar de referentiewaarden van de specifieke motor die wordt getest, gebaseerd op de motorkarakteristiek. De motor moet gedurende de voorgeschreven tijd in elke modus lopen, waarbij motortoerental en belasting binnen 20 ± 1 seconden lineair worden veranderd. Ter validatie van de testresultaten moet er na het beëindigen van de test een regressieanalyse worden uitgevoerd tussen de referentiewaarden en de werkelijke waarden voor toerental, koppel en vermogen.
De concentratie van elk verontreinigend gas, de uitlaatgasstroom en de vermogensoutput moeten over de hele testcyclus worden bepaald. De verontreinigende gassen kunnen continu worden geregistreerd of in een bemonsteringszak worden opgevangen. Het deeltjesmonster moet worden verdund met een voorbehandeld verdunningsmiddel (zoals omgevingslucht). Tijdens de hele testprocedure wordt één monster genomen en verzameld op één geschikt filter.
Om de specifieke emissies op de testbank te berekenen moet de werkelijke cyclusarbeid worden berekend door het werkelijke motorvermogen tijdens de hele cyclus te integreren.
De WHSC is in tabel 1 weergegeven. Elke modus, met uitzondering van modus 1, begint bij het begin van de overgang uit de vorige modus.
Tabel 1
WHSC-testcyclus
|
Modus |
Genormaliseerd toerental (%) |
Genormaliseerd koppel (%) |
Duur van de modus (s) incl. overgang van 20 s |
|
1 |
0 |
0 |
210 |
|
2 |
55 |
100 |
50 |
|
3 |
55 |
25 |
250 |
|
4 |
55 |
70 |
75 |
|
5 |
35 |
100 |
50 |
|
6 |
25 |
25 |
200 |
|
7 |
45 |
70 |
75 |
|
8 |
45 |
25 |
150 |
|
9 |
55 |
50 |
125 |
|
10 |
75 |
100 |
50 |
|
11 |
35 |
50 |
200 |
|
12 |
35 |
25 |
250 |
|
13 |
0 |
0 |
210 |
|
Som |
|
|
1 895 |
7.3. Algemene testsequentie
In het onderstaande stroomschema staan algemene richtlijnen die bij het testen gevolgd moeten worden. De details van iedere stap worden in de desbetreffende punten beschreven. Indien van toepassing is het toegestaan van de richtlijnen af te wijken, maar de specifieke voorschriften in de desbetreffende punten zijn verplicht.
De procedure voor de WHTC-test bestaat uit een koudestarttest na een ongeforceerde of geforceerde afkoeling van de motor, een warmtestuwperiode en een warmestarttest.
De procedure voor de WHSC-test bestaat uit een warmestarttest na voorconditionering van de motor in modus 9 van de WHSC-test.
Voorbereiding van de motor, metingen vóór de tests, prestatiecontroles en kalibreringen
Motorkarakteristiek genereren (maximumkoppelkromme)
punt 7.4.3
Referentietestcyclus genereren
punt 7.4.6
Een of meer praktijkcycli uitvoeren, indien nodig, om de motor-/meetcel-/emissiesystemen te controleren
WHTC
Ongeforceerde of geforceerde afkoeling van de motor
punt 7.6.1
WHSC
Alle systemen gereedmaken voor bemonstering en gegevensverzameling
punt 7.5.2
Voorconditionering van motor en deeltjessysteem met inbegrip van verdunningstunnel
punt 7.7.1
Uitlaatemissietest met koude motor
punt 7.6.2
Warmtestuwperiode
punt 7.6.3
Overgaan van dummy deeltjesbemonsteringsfilter op gewogen bemonsteringsfilter systeemomloopfase
punt 7.7.1
Alle systemen gereedmaken voor bemonstering en gegevensverzameling
punt 7.5.2
Uitlaatemissietest met warme motor
punt 7.6.4
Uitlaatemissietest binnen 5 minuten na het afzetten van de motor
punt 7.7.3
Validatie van de testcyclus
punt 7.8.6./7
Verzamelen en evalueren van gegevens
punt 7.7.4
Berekening van de emissies
punt 8
7.4. Motorkarakteristiek en referentiecyclus
Overeenkomstig de algemene testsequentie die in punt 7.3 is weergegeven, moeten voorafgaand aan de procedure voor het bepalen van de motorkarakteristiek en voorafgaand aan de tests metingen aan de motor, controles van de motorprestaties en systeemkalibraties worden uitgevoerd.
Als grondslag voor het vaststellen van de WHTC- en WHSC-referentiecyclus worden bij vollast de toerental-maximumkoppelkromme en de toerental-maximumvermogenkromme van de motor bepaald. De motorkarakteristiek wordt gebruikt om het motortoerental (punt 7.4.6) en het motorkoppel (punt 7.4.7) te denormaliseren.
7.4.1. Warmlopen van de motor
De motor moet worden opgewarmd bij 75 tot 100% van het maximumvermogen of overeenkomstig de aanbeveling van de fabrikant en op basis van goede ingenieursinzichten. Tegen het eind van de warmloopfase moet de motor gedurende ten minste 2 minuten, of totdat de motorthermostaat de motortemperatuur regelt, draaien om de temperatuur van het motorkoelmiddel en de motorolie te stabiliseren binnen ± 2% van de gemiddelde waarden ervan.
7.4.2. Bepaling van het toerentalgebied
De minimum- en maximumtoerentallen zijn als volgt:
|
Minimumtoerental |
= |
stationair toerental |
|
Maximumtoerental |
= |
|
7.4.3. Motorkarakteristiek
Na stabilisatie van de motor overeenkomstig punt 7.4.1 moet de motorkarakteristiek als volgt worden bepaald:
|
a) |
de motor wordt niet belast en draait stationair; |
|
b) |
de motor draait bij maximale vraag van de operator en het minimumtoerental; |
|
c) |
het motortoerental wordt verhoogd van het minimum- tot het maximumtoerental met een gemiddeld tempo van 8 ± 1 min–1/s, of met een zodanig constant tempo dat het 4 tot 6 minuten duurt om van het minimum- naar het maximumtoerental te gaan. Het motortoerental en het koppel worden met een bemonsteringsfrequentie van ten minste één punt per seconde geregistreerd. |
Als optie b) van punt 7.4.7 wordt gekozen om het negatieve referentiekoppel te bepalen, kan de motorkarakteristiek direct worden voortgezet van het maximum- naar het minimumtoerental bij minimale vraag van de operator.
7.4.4. Alternatieve bepaling van de motorkarakteristiek
Indien een fabrikant meent dat bovenbeschreven techniek voor een bepaalde motor onveilig of niet representatief is, mag een alternatieve techniek worden toegepast. Deze alternatieve technieken moeten voldoen aan de bedoeling van de gespecificeerde procedure, namelijk de bepaling van het maximaal beschikbare koppel bij alle tijdens de testcyclus bereikte toerentallen. Afwijkingen van de in dit punt bedoelde technieken uit veiligheids- of representativiteitsoverwegingen moeten door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd en de redenen ervoor moeten worden aangegeven. Voor geregelde motoren of turbomotoren mag echter in geen geval de koppelkromme worden bepaald op basis van een test met dalend motortoerental.
7.4.5. Herhaalde tests
Een motor hoeft niet voor elke testcyclus aan een karakteristiekbepaling te worden onderworpen. De karakteristiek van een motor wordt voor een testcyclus echter opnieuw bepaald indien:
|
a) |
overeenkomstig een op de goede ingenieursinzichten gebaseerd oordeel een onredelijk lange periode is verlopen sinds dit de laatste keer heeft plaatsgevonden, of |
|
b) |
fysieke veranderingen of herkalibraties aan de motor hebben plaatsgevonden die de motorprestaties kunnen beïnvloeden. |
7.4.6. Denormalisering van het motortoerental
Om de referentiecycli te genereren, moeten de genormaliseerde toerentallen van aanhangsel 1 (WHTC) en tabel 1 (WHSC) worden gedenormaliseerd met de volgende formule:
|
|
(9) |
Om n pref te bepalen, moet de integraal van het maximumkoppel tussen n idle en n 95h worden berekend uit de in punt 7.4.3 bepaalde motorkarakteristiek.
De motortoerentallen in de figuren 4 en 5 zijn als volgt gedefinieerd:
|
n norm |
= |
het genormaliseerde toerental in aanhangsel 1 en tabel 1, gedeeld door 100; |
|
n lo |
= |
het laagste toerental waarbij het vermogen 55% van het maximumvermogen bedraagt; |
|
n pref |
= |
het motortoerental waarbij de integraal van het maximumkoppel 51% van de volledige integraal tussen n idle en n 95h bedraagt; |
|
n hi |
= |
het hoogste toerental waarbij het vermogen 70 % van het maximumvermogen bedraagt; |
|
n idle |
= |
het stationair toerental; |
|
n 95h |
= |
het hoogste toerental waarbij het vermogen 95 % van het maximumvermogen bedraagt. |
Voor motoren (hoofdzakelijk elektrische-ontstekingsmotoren) waarvan de regulateur een steile toerentalkromme oplevert en de brandstof wordt afgesloten voordat de motor een toerental van n hi of n 95h heeft bereikt, gelden de volgende bepalingen:
|
n hi |
in formule 9 wordt vervangen door n Pmax × 1,02; |
|
n 95h |
wordt vervangen door n Pmax × 1,02. |
Figuur 4
Bepaling van de testtoerentallen
Figuur 5
Bepaling van n pref
7.4.7. Denormalisering van het motorkoppel
De koppelwaarden van het motordynamometerschema van aanhangsel 1 (WHTC) en tabel 1 (WHSC) zijn genormaliseerd naar het maximumkoppel bij het respectieve toerental. Om de referentiecycli te genereren, moeten de koppelwaarden voor elke afzonderlijke referentietoerentalwaarde, zoals bepaald in punt 7.4.6, worden gedenormaliseerd met behulp van de in punt 7.4.3 omschreven kromme, en wel als volgt:
|
|
(10) |
waarin:
|
M norm,i |
= |
het genormaliseerde koppel (%); |
|
M max,i |
= |
het maximumkoppel uit de motorkarakteristiek (Nm); |
|
M f,i |
= |
het door de te monteren apparatuur of hulpapparatuur opgenomen koppel (Nm); |
|
M r,i |
= |
het door de te verwijderen apparatuur of hulpapparatuur opgenomen koppel (Nm). |
Als overeenkomstig punt 6.3.1 en aanhangsel 6 apparatuur of hulpapparatuur is gemonteerd, bedragen M f en M r nul.
Voor de vaststelling van de referentiecyclus krijgen de negatieve koppelwaarden van de motoringpunten (m in aanhangsel 1) referentiewaarden die op een van de volgende manieren worden berekend:
|
a) |
negatieve 40% van het positieve koppel dat beschikbaar is bij het bijbehorende toerentalpunt; |
|
b) |
uitzetten van het negatieve koppel dat vereist is om de motor van het maximum- naar het minimumtoerental te brengen; |
|
c) |
bepaling van het vereiste negatieve koppel om de motor stationair te doen draaien en van het koppel bij n hi en lineaire interpolatie tussen beide punten. |
7.4.8. Berekening van de referentiecyclusarbeid
De referentiecyclusarbeid moet over de hele testcyclus worden bepaald door synchrone berekening van de momentane waarden voor het motorvermogen op grond van het referentietoerental en het referentiekoppel, zoals bepaald in de punten 7.4.6 en 7.4.7. De momentane waarden voor het motorvermogen worden over de testcyclus geïntegreerd om de referentiecyclusarbeid W ref te berekenen (kWh). Als geen hulpapparatuur overeenkomstig punt 6.3.1 is gemonteerd, moeten de momentane vermogenswaarden met behulp van formule 4 in punt 6.3.5 worden gecorrigeerd.
Dezelfde methode wordt gebruikt voor de integratie van het referentie- en het werkelijke motorvermogen. Wanneer waarden moeten worden bepaald tussen naast elkaar liggende referentie- of meetwaarden, wordt lineaire interpolatie gebruikt. Bij de integratie van de werkelijke cyclusarbeid, worden alle negatieve koppelwaarden op nul gezet en meegenomen. Indien de integratie verloopt met een frequentie van minder dan 5 Hz en indien, gedurende een bepaald tijdsinterval, de koppelwaarde van teken verandert, wordt het negatieve gedeelte berekend en op nul gezet. Het positieve gedeelte wordt opgenomen in de geïntegreerde waarde.
7.5. Vóór de test te volgen procedures
7.5.1. Installatie van de meetapparatuur
De instrumenten en de bemonsteringssondes moeten volgens de voorschriften worden aangebracht. De uitlaatpijp wordt op het volledige-stroomverdunningssysteem aangesloten (indien van toepassing).
7.5.2. Voorbereiding van de meetapparatuur voor bemonstering
Alvorens met de emissiebemonstering wordt begonnen, worden de volgende stappen gezet:
|
a) |
binnen 8 uur voor de emissiebemonstering worden overeenkomstig punt 9.3.4 controles op lekken uitgevoerd; |
|
b) |
in geval van partijbemonstering worden schone opslagmiddelen, zoals lege zakjes, aangebracht; |
|
c) |
alle meetinstrumenten worden volgens de instructies van de fabrikant van het instrument en naar goede ingenieursinzichten gestart; |
|
d) |
de verdunningssystemen, de bemonsteringspompen, de ventilatoren en het gegevensverzamelsysteem worden gestart; |
|
e) |
de monsterdebieten worden ingesteld op de gewenste niveaus, waarbij eventueel een omloopstroom kan worden gebruikt; |
|
f) |
warmtewisselaars in het bemonsteringssysteem worden voorverwarmd of voorgekoeld om ze binnen het voor een test voorgeschreven bedrijfstemperatuursbereik te brengen; |
|
g) |
verwarmde of gekoelde onderdelen, zoals bemonsteringsleidingen, filters, koelers en pompen, worden op de bedrijfstemperatuur gestabiliseerd; |
|
h) |
het uitlaatgasverdunningssysteem wordt ten minste 10 minuten voor een testsequentie in werking gesteld; |
|
i) |
eventuele elektronische integreerapparatuur wordt voor het begin van een testperiode op nul (terug)gezet. |
7.5.3. Controle van de gasanalysatoren
Het meetbereik van de gasanalysator wordt gekozen. Emissieanalysatoren met automatische en handmatige meetbereikschakelaar zijn beide toegestaan. Tijdens de testcyclus mag het meetbereik van de emissieanalysatoren niet worden veranderd. Ook de output van analoge operationele versterkers van de analysator mag tijdens de testcyclus niet worden veranderd.
De nul- en de ijkgasrespons moeten voor alle analysatoren worden bepaald met internationaal traceerbare gassen die aan de specificaties van punt 9.3.3 beantwoorden. Het meetbereik van vlamionisatiedetectoren (FID-analysatoren) wordt op basis van een koolstofgetal van één (C1) ingesteld.
7.5.4. Gereedmaken van het deeltjesbemonsteringsfilter
Ten minste een uur voor de test wordt het filter in een petrischaaltje geplaatst dat tegen stof is beschermd en lucht binnenlaat, waarna het geheel in een weegkamer wordt gezet om te stabiliseren. Aan het einde van de stabiliseringsperiode wordt het filter gewogen en wordt het tarragewicht genoteerd. Het filter wordt vervolgens in een gesloten petrischaaltje of filterhouder bewaard totdat het nodig is voor de test. Nadat het filter uit de weegkamer is gehaald, wordt het binnen acht uur gebruikt.
7.5.5. Afstelling van het verdunningssysteem
De totale verdunde uitlaatgasstroom van een volledige-stroomverdunningssysteem of de verdunde uitlaatgasstroom van een partiële-stroomverdunningssysteem worden zo afgesteld, dat watercondensatie in het systeem wordt vermeden en dat de filteroppervlaktetemperatuur tussen 315 K (42°C) en 325 K (52°C) blijft.
7.5.6. Starten van het deeltjesbemonsteringssysteem
Het deeltjesbemonsteringssysteem wordt in werking gesteld en bediend via een omloopsysteem. Het deeltjesachtergrondniveau van het verdunningsmiddel kan worden vastgesteld door bemonstering van het verdunningsmiddel voordat het uitlaatgas de verdunningstunnel ingaat. Deze meting kan voor of na de test worden uitgevoerd. Indien er zowel aan het begin als aan het einde van de cyclus metingen worden verricht, mag de gemiddelde waarde ervan worden bepaald. Bij gebruik van een ander bemonsteringssysteem voor de achtergrondmeting moet de meting gelijktijdig met de testcyclus plaatsvinden.
7.6. WHTC-cyclus
7.6.1. Afkoeling van de motor
Een niet geforceerde of geforceerde afkoelingsprocedure kan worden gebruikt. Bij geforceerde afkoeling moeten de systemen om koellucht langs de motor leiden, gekoelde olie door het motorsmeersysteem te leiden, de koelvloeistof door het motorkoelsysteem te koelen, en het uitlaatgasnabehandelingssysteem te koelen, worden opgesteld naar goede ingenieursinzichten. Bij geforceerde afkoeling van het nabehandelingssysteem mag koellucht pas worden gebruikt na afkoeling van het systeem tot onder de activeringstemperatuur van de katalysator. Afkoelingsprocedures die leiden tot niet-representatieve emissies, zijn niet toegestaan.
7.6.2. Koudestarttest
De koudestarttest wordt pas gestart als de temperatuur van zowel het smeermiddel, de koelvloeistof, als de nabehandelingssystemen tussen 293 K (20°C) en 303 K (30°C) ligt. De motor wordt op een van de volgende manieren opgestart:
|
a) |
de motor wordt gestart op de in de gebruikershandleiding aanbevolen manier, met gebruikmaking van een standaardstartmotor en een voldoende geladen accu of een geschikte energiebron; of |
|
b) |
de motor wordt gestart met de dynamometer. De motor moet binnen ± 25% draaien van zijn in de praktijk gebruikelijke toerental bij het aanslingeren. Met aanslingeren wordt gestopt binnen 1 seconde nadat de motor loopt. Als de motor na 15 seconden aanslingeren niet wil starten, wordt gestopt met aanslingeren en wordt vastgesteld waarom de motor niet wil starten, tenzij de gebruikershandleiding of het onderhoudshandboek aangeeft dat een langere aanslingertijd normaal is. |
7.6.3. Warmestuwperiode
Onmiddellijk na beëindiging van de koudestarttest wordt de motor voor de warmestarttest geconditioneerd middels een warmestuwperiode van 10 ± 1 minuten.
7.6.4. Warmestarttest
De motor wordt aan het eind van de warmtestuwperiode, zoals gedefinieerd in punt 7.6.3, gestart met de in punt 7.6.2 genoemde methoden.
7.6.5. Testsequentie
De testsequentie van zowel de koudestart- als de warmestarttest begint met het starten van de motor. Nadat de motor loopt, wordt de motorwerking zodanig geregeld dat het eerste instelpunt van de cyclus wordt bereikt.
De WHTC wordt uitgevoerd overeenkomstig de referentiecyclus zoals beschreven in punt 7.4. De motortoerental- en koppelinstelpunten worden ingesteld op 5 Hz of hoger (10 Hz wordt aanbevolen). De instelpunten worden berekend door lineaire interpolatie tussen de instelpunten van 1 Hz van de referentiecyclus. De werkelijke waarden voor motortoerental en koppel worden tijdens de testcyclus ten minste eenmaal per seconde (1 Hz) geregistreerd en de signalen mogen elektronisch worden gefiltreerd.
7.6.6. Verzameling van voor de emissie relevante gegevens
Bij het begin van de testsequentie wordt de meetapparatuur gestart en worden gelijktijdig de volgende metingen verricht:
|
a) |
verzameling of analyse van het verdunningsmiddel, bij gebruik van een volledige-stroomverdunningssysteem; |
|
b) |
verzameling of analyse van ruw of verdund uitlaatgas, afhankelijk van de gebruikte methode; |
|
c) |
meting van de hoeveelheid verdund uitlaatgas en van de vereiste temperaturen en drukken; |
|
d) |
registratie van het uitlaatgasmassadebiet, bij analyse van het ruwe uitlaatgas; |
|
e) |
registratie van de feedbackgegevens van dynamometertoerental en -koppel. |
Bij meting van het ruwe uitlaatgas worden de emissieconcentraties ((NM)HC, CO en NOx) en het uitlaatgasmassadebiet continu gemeten en met een frequentie van ten minste 2 Hz in een computersysteem opgeslagen. Alle overige gegevens kunnen worden geregistreerd met een bemonsteringsfrequentie van ten minste 1 Hz. Bij analoge analysatoren wordt de respons geregistreerd en mogen de kalibreringsgegevens tijdens de gegevensevaluatie online of offline worden toegepast.
Bij gebruik van een volledige-stroomverdunningssysteem moeten HC en NOx continu in de verdunningstunnel worden gemeten met een frequentie van ten minste 2 Hz. De gemiddelde concentraties worden bepaald door de analysesignalen te integreren over de hele testcyclus. De responstijd van het systeem mag niet groter zijn dan 20 s en wordt zo nodig gecoördineerd met de CVS-flowfluctuaties en de bemonsteringstijd/testcyclus-offsets. CO, CO2 en NMHC mogen worden bepaald door integratie van continue-metingsignalen of door analyse van de concentraties in de bemonsteringszak die tijdens de cyclus zijn verzameld. De concentraties van de verontreinigende gassen in het verdunningsmiddel worden vóór het punt waar het uitlaatgas de verdunningstunnel binnenkomt bepaald door integratie of door verzameling in de bemonsteringszak voor het achtergrondniveau. Alle andere te meten parameters worden ten minste eenmaal per seconde geregistreerd (1 Hz).
7.6.7. Deeltjesbemonstering
Bij het starten van de testsequentie wordt het deeltjesbemonsteringssysteem van de omloop- naar de deeltjesopvangstand overgeschakeld.
Bij gebruik van een partiële-stroomverdunningssysteem worden de bemonsteringspomp of -pompen zo geregeld dat het debiet via de deeltjesbemonsteringssonde of de verbindingsleiding evenredig blijft met het volgens punt 9.4.6.1 bepaalde uitlaatgasmassadebiet.
Bij gebruik van een volledige-stroomverdunningssysteem worden de bemonsteringspomp of -pompen zo afgesteld dat het debiet door de deeltjesbemonsteringssonde of de verbindingsleiding steeds binnen ± 2,5% van het ingestelde debiet ligt. Wanneer stroomcompensatie (d.w.z. proportionele regeling van de monsterstroom) wordt toegepast, moet worden aangetoond dat de verhouding van de stroom in de hoofdleiding tot de deeltjesmonsterstroom niet met meer dan ± 2,5% van de ingestelde waarde afwijkt (met uitzondering van de eerste 10 bemonsteringsseconden). De gemiddelde temperatuur en druk bij de inlaat van de gasmeter(s) of de stroominstrumentatie worden geregistreerd. Indien wegens het invangen van een te groot aantal deeltjes op het filter het debiet niet over de hele cyclus binnen ± 2,5% kan worden gehandhaafd, is de test ongeldig. De test wordt dan met een lager monsterdebiet herhaald.
7.6.8. Afslaan van de motor en apparatuurstoring
Indien de motor tijdens de koudestarttest afslaat, is de test ongeldig. De motor wordt voorgeconditioneerd en opnieuw gestart overeenkomstig punt 7.6.2 en de test wordt herhaald.
Indien de motor tijdens de warmestarttest afslaat, is de test ongeldig. De motor wordt geïmpregneerd overeenkomstig punt 7.6.3, en de warmestarttest wordt herhaald. In dit geval hoeft de koudestarttest niet te worden herhaald.
Bij storing in de testapparatuur tijdens de testcyclus is de test ongeldig en wordt deze overeenkomstig bovenstaande bepalingen herhaald.
7.7. WHSC-cyclus
7.7.1. Voorconditionering van het verdunningssysteem en de motor
Het verdunningssysteem en de motor worden gestart en overeenkomstig punt 7.4.1 opgewarmd. Na het warmlopen worden de motor en het bemonsteringssysteem voorgeconditioneerd door de motor ten minste tien minuten in modus 9 te laten draaien (zie punt 7.2.2, tabel 1), terwijl tegelijkertijd het verdunningssysteem in werking is. Er mogen dummy-deeltjesemissiemonsters worden genomen. Deze bemonsteringsfilters hoeven niet te worden gestabiliseerd of gewogen en mogen worden weggegooid. De debieten worden ingesteld op de voor de test bij benadering gekozen debieten. De motor wordt na de voorconditionering uitgeschakeld.
7.7.2. Starten van de motor
5 ± 1 minuten na beëindiging van de voorconditionering in modus 9, zoals beschreven in punt 7.7.1, moet de motor worden gestart overeenkomstig de in de gebruikershandleiding aanbevolen startprocedure met gebruikmaking van hetzij een standaardstartmotor, hetzij de dynamometer overeenkomstig punt 7.6.2.
7.7.3. Testsequentie
De testsequentie begint nadat de motor loopt en binnen een minuut nadat de werking van de motor zodanig is geregeld dat deze overeenkomt met modus 1 van de cyclus (stationair draaien).
De WHSC wordt uitgevoerd in de volgorde van de testmodi zoals vermeld in tabel 1 van punt 7.2.2.
7.7.4. Verzameling van voor de emissie relevante gegevens
Bij het begin van de testsequentie wordt de meetapparatuur gestart en worden gelijktijdig de volgende metingen verricht:
|
a) |
verzameling of analyse van het verdunningsmiddel, bij gebruik van een volledige-stroomverdunningssysteem; |
|
b) |
verzameling of analyse van ruw of verdund uitlaatgas, afhankelijk van de gebruikte methode; |
|
c) |
meting van de hoeveelheid verdund uitlaatgas en van de vereiste temperaturen en drukken; |
|
d) |
registratie van het uitlaatgasmassadebiet, bij analyse van het ruwe uitlaatgas; |
|
e) |
registratie van de feedbackgegevens van dynamometertoerental en -koppel. |
Bij meting van het ruwe uitlaatgas worden de emissieconcentraties ((NM)HC, CO en NOx) en het uitlaatgasmassadebiet continu gemeten en met een frequentie van ten minste 2 Hz in een computersysteem opgeslagen. Alle overige gegevens kunnen worden geregistreerd met een bemonsteringsfrequentie van ten minste 1 Hz. Bij analoge analysatoren wordt de respons geregistreerd en mogen de kalibreringsgegevens tijdens de gegevensevaluatie online of offline worden toegepast.
Bij gebruik van een volledige-stroomverdunningssysteem moeten HC en NOx continu in de verdunningstunnel worden gemeten met een frequentie van ten minste 2 Hz. De gemiddelde concentraties worden bepaald door de analysesignalen te integreren over de hele testcyclus. De responstijd van het systeem mag niet groter zijn dan 20 s en wordt zo nodig gecoördineerd met de CVS-flowfluctuaties en de bemonsteringstijd/testcyclus-offsets. CO, CO2 en NMHC mogen worden bepaald door integratie van continue-metingsignalen of door analyse van de concentraties in de bemonsteringszak die tijdens de cyclus zijn verzameld. De concentraties van de verontreinigende gassen in het verdunningsmiddel worden vóór het punt waar het uitlaatgas de verdunningstunnel binnenkomt bepaald door integratie of door verzameling in de bemonsteringszak voor het achtergrondniveau. Alle andere te meten parameters worden ten minste eenmaal per seconde geregistreerd (1 Hz).
7.7.5. Deeltjesbemonstering
Bij het starten van de testsequentie wordt het deeltjesbemonsteringssysteem van de omloop- naar de deeltjesopvangstand overgeschakeld. Bij gebruik van een partiële-stroomverdunningssysteem worden de bemonsteringspomp of -pompen zo geregeld dat het debiet via de deeltjesbemonsteringssonde of de verbindingsleiding evenredig blijft met het volgens punt 9.4.6.1 bepaalde uitlaatgasmassadebiet.
Bij gebruik van een volledige-stroomverdunningssysteem worden de bemonsteringspomp of -pompen zo afgesteld dat het debiet door de deeltjesbemonsteringssonde of de verbindingsleiding steeds binnen ± 2,5% van het ingestelde debiet ligt. Wanneer stroomcompensatie (d.w.z. proportionele regeling van de monsterstroom) wordt toegepast, moet worden aangetoond dat de verhouding van de stroom in de hoofdleiding tot de deeltjesmonsterstroom niet met meer dan ± 2,5% van de ingestelde waarde afwijkt (met uitzondering van de eerste 10 bemonsteringsseconden). De gemiddelde temperatuur en druk bij de inlaat van de gasmeter(s) of de stroominstrumentatie worden geregistreerd. Indien wegens het invangen van een te groot aantal deeltjes op het filter het debiet niet over de hele cyclus binnen ± 2,5% kan worden gehandhaafd, is de test ongeldig. De test wordt dan met een lager monsterdebiet herhaald.
7.7.6. Afslaan van de motor en apparatuurstoring
Indien de motor tijdens de cyclus afslaat, is de test ongeldig. De motor wordt overeenkomstig punt 7.7.1 voorgeconditioneerd en opnieuw gestart overeenkomstig punt 7.7.2 en de test wordt herhaald.
Bij storing in de testapparatuur tijdens de testcyclus is de test ongeldig en wordt deze overeenkomstig bovenstaande bepalingen herhaald.
7.8. Na de test te volgen procedures
7.8.1. Handelingen na de test
Aan het eind van de test worden de meting van het uitlaatgasmassadebiet en van het volume van de verdunde uitlaatgassen, de gasstroom in de bemonsteringszakken en de deeltjesbemonsteringspomp stopgezet. Wanneer een integrerend analysesysteem wordt gebruikt, wordt de bemonstering voortgezet tot na het verstrijken van de responstijd van het systeem.
7.8.2. Controle van proportionele bemonstering
Van ieder proportioneel partijmonster, zoals een in een zak verzameld monster of een monster van deeltjesmateriaal, moet worden gecontroleerd of het monster overeenkomstig de punten 7.6.7 en 7.7.5 proportioneel is. Monsters die niet aan de voorschriften beantwoorden, zijn ongeldig.
7.8.3. Conditioneren en wegen van deeltjesmateriaal
Het deeltjesfilter wordt in afgesloten of verzegelde recipiënten geplaatst of de filterhouders worden gesloten, om de bemonsteringsfilters tegen verontreiniging uit de omgeving te beschermen. Het aldus beschermde filter wordt in de weegkamer teruggeplaatst. Het filter wordt ten minste gedurende een uur geconditioneerd en vervolgens gewogen overeenkomstig punt 9.4.5. De brutomassa van het filter wordt geregistreerd.
7.8.4. Controle van het verloop
Zo spoedig mogelijk na afloop van de testcyclus, en in geen geval meer dan 30 minuten daarna, of tijdens de impregneerperiode, worden de nul- en ijkgasresponsen van het gebruikte meetbereik van de gasanalysator bepaald. Voor de toepassing van dit punt wordt de volgende testcyclus gevolgd:
|
a) |
voor de WHTC: de volledige reeks koud - impregneren - warm; |
|
b) |
voor de WHTC-warmestarttest (punt 6.6): de reeks impregneren - warm; |
|
c) |
voor de WHTC-warmestarttest met meervoudige regeneratie (punt 6.6): het totale aantal warmestarttests; |
|
d) |
voor de WHSC: de testcyclus. |
De volgende bepalingen gelden voor het verloop van de analysator:
|
a) |
de nul- en ijkgasresponsen van voor en na de test kunnen direct in formule 66 van punt 8.6.1 worden gebruikt, zonder dat eerst het verloop hoeft te worden bepaald; |
|
b) |
als het verloop tussen de resultaten voor en na de test minder dan 1% van de volledige schaal bedraagt, mogen de gemeten concentraties ongecorrigeerd worden gebruikt of overeenkomstig punt 8.6.1 voor het verloop worden gecorrigeerd; |
|
c) |
als het verloop tussen de resultaten voor en na de test ten minste 1% van de volledige schaal bedraagt, is de test ongeldig of moeten de gemeten concentraties overeenkomstig punt 8.6.1 voor het verloop worden gecorrigeerd. |
7.8.5. Analyse van gas in bemonsteringszak
Zo spoedig mogelijk moet het volgende worden verricht:
|
a) |
gasmonsters in zakken moeten uiterlijk 30 minuten na afloop van de warmestarttest, of tijdens de impregneerperiode voor de koudestarttest, worden geanalyseerd; |
|
b) |
achtergrondmonsters moeten uiterlijk 60 minuten na afloop van de warmestarttest worden geanalyseerd. |
7.8.6. Validering van cyclusarbeid
Alvorens de werkelijke cyclusarbeid te berekenen moeten alle tijdens het starten van de motor geregistreerde punten worden weggelaten. Voor de bepaling van de werkelijke cyclusarbeid gedurende de testcyclus worden momentane waarden voor het motorvermogen berekend door synchroon gebruik te maken van de waarden voor het werkelijke toerental en het werkelijke koppel. De momentane waarden voor het motorvermogen worden over de testcyclus geïntegreerd om de werkelijke cyclusarbeid W act te berekenen (kWh). Als geen apparatuur of hulpapparatuur overeenkomstig punt 6.3.1 is gemonteerd, moeten de momentane vermogenswaarden met behulp van formule 4 in punt 6.3.5 worden gecorrigeerd.
De in punt 7.4.8 beschreven methode wordt ook gebruikt voor het integreren van het werkelijke motorvermogen.
De werkelijke cyclusarbeid W act wordt gebruikt ter vergelijking met de referentiecyclusarbeid W ref en voor de berekening van de specifieke emissies op de testbank (zie punt 8.6.3).
W act moet liggen tussen 85% en 105% van W ref.
7.8.7. Validering van de gegevens van de testcyclus
Voor zowel de WHTC als de WHSC wordt een lineaire regressie van de werkelijke waarden (n act, M act, P act) op de referentiewaarden (n ref, M ref, P ref) uitgevoerd.
Om het biaseffect van het tijdsverschil tussen de werkelijke en de referentiecycluswaarden zoveel mogelijk te beperken, mag de hele werkelijke signaalreeks van het motortoerental en -koppel vroeger of later gesteld worden ten opzichte van de referentietoerental- en referentiekoppelreeks. Wanneer de werkelijke signalen worden verschoven, moeten zowel het toerental als het koppel eenzelfde hoeveelheid in dezelfde richting worden verschoven.
De kleinste-kwadratenmethode moet worden toegepast, met de best passende formule met de vorm:
|
|
(11) |
waarin:
|
y |
= |
werkelijke waarde van toerental (min–1), koppel (Nm) of vermogen (kW); |
|
a 1 |
= |
helling van de regressierechte; |
|
x |
= |
referentiewaarde van toerental (min–1), koppel (Nm) of vermogen (kW); |
|
a 0 |
= |
y-afsnijpunt van de regressierechte. |
Voor elke regressierechte worden de standaardfout van de schatting (SEE) van y over x en de determinatiecoëfficiënt (r2) berekend.
Aanbevolen wordt deze analyse uit te voeren met een frequentie van 1 Hz. Een test is geldig wanneer aan de criteria van tabel 2 (WHTC) of tabel 3 (WHSC) is voldaan.
Tabel 2:
Regressierechte-toleranties voor de WHTC
|
|
Toerental |
Koppel |
Vermogen |
|
Standaardfout van de schatting (SEE) van y over x |
Maximaal 5% van maximumtoerental van de test |
Maximaal 10% van het maximumkoppel van de motor |
Maximaal 10% van het maximumvermogen van de motor |
|
Helling van de regressierechte, a1 |
0,95 tot 1,03 |
0,83 - 1,03 |
0,89 - 1,03 |
|
Determinatiecoëfficiënt, r2 |
Minimaal 0,970 |
Minimaal 0,850 |
Minimaal 0,910 |
|
y-afsnijpunt van de regressierechte, a0 |
Maximaal 10% van stationair toerental |
± 20 Nm of ± 2% van het maximumkoppel (grootste waarde is van toepassing) |
± 4 kW of ± 2% van het maximumvermogen (grootste waarde is van toepassing) |
Tabel 3
Regressierechtetoleranties voor de WHSC
|
|
Toerental |
Koppel |
Vermogen |
|
Standaardfout van de schatting (SEE) van y over x |
Maximaal 1% van maximumtoerental van de test |
Maximaal 2% van het maximumkoppel van de motor |
Maximaal 2% van het maximumvermogen van de motor |
|
Helling van de regressierechte, a1 |
0,99 tot 1,01 |
0,98 - 1,02 |
0,98 - 1,02 |
|
Determinatiecoëfficiënt, r2 |
Minimaal 0,990 |
Minimaal 0,950 |
Minimaal 0,950 |
|
y-afsnijpunt van de regressierechte, a0 |
Maximaal 1 % van maximumtoerental van de test |
± 20 Nm of ± 2 % van het maximumkoppel (grootste waarde is van toepassing) |
± 4 kW of ± 2 % van het maximumvermogen (grootste waarde is van toepassing) |
Alleen voor regressiedoeleinden is het vóór de berekening van de regressie toegestaan punten te schrappen, mits dit in tabel 4 is aangegeven. Dergelijke punten mogen echter niet worden geschrapt bij het berekenen van de cyclusarbeid en de emissies. Het schrappen van punten kan voor de hele cyclus of voor een gedeelte ervan worden toegepast.
Tabel 4
Punten die in de regressieanalyse mogen worden geschrapt
|
Gebeurtenis |
Voorwaarden |
Toegestane schrapping van punten |
|
Minimale vraag van de operator (stationair punt) |
n ref = 0% en M ref = 0% en
en
|
toerental en vermogen |
|
Minimale vraag van de operator (motoringpunt) |
M ref < 0% |
vermogen en koppel |
|
Minimale vraag van de operator |
n act ≤ 1,02 n ref en M act > M ref of n act > n ref en M act ≤ M ref' of
n
act > 1,02 n
ref en |
vermogen en hetzij koppel, hetzij toerental |
|
Maximale vraag van de operator |
n act < n ref en M act ≥ M ref of n act ≥ 0,98 n ref en M act < M ref of
n
act < 0,98 n
ref en |
vermogen en hetzij koppel, hetzij toerental |
8. Berekening van de emissies
Het definitieve testresultaat wordt in één stap afgerond op het aantal cijfers achter de komma dat is vermeld in de toepasselijke emissienorm plus één extra significant cijfer, overeenkomstig ASTM E 29-06B. Tussentijdse waarden die tot het definitieve specifieke emissieresultaat op de testbank leiden, mogen niet worden afgerond.
De berekening van de koolwaterstoffen en/of andere koolwaterstoffen dan methaan is gebaseerd op de volgende molaire koolstof-/waterstof-/zuurstofverhoudingen (C/H/O) van de brandstof:
|
|
CH1,86O0,006 voor diesel (B7), |
|
|
CH2,92O0,46 voor ethanol voor brandstofspecifieke compressieontstekingsmotoren (ED95), |
|
|
CH1,93O0,032 voor benzine (E10), |
|
|
CH2,74O0,385 voor ethanol (E85), |
|
|
CH2,525 voor lpg (vloeibaar petroleumgas), |
|
|
CH4 voor aardgas en biomethaan. |
In aanhangsel 5 worden voorbeelden van de berekeningsprocedures gegeven.
Met voorafgaande toestemming van de typegoedkeuringsinstantie mogen de emissies, overeenkomstig bijlage 7 bij Mondiaal Technisch Reglement nr. 11 betreffende het testprotocol voor de uitlaatemissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines, op molaire basis worden berekend.
8.1. Droog-natcorrectie
Bij meting op droge basis wordt de gemeten concentratie aan de hand van de volgende formule omgezet in een concentratie op natte basis:
|
|
(12) |
waarin:
|
c d |
= |
de droge concentratie in ppm of vol. %; |
|
kw |
= |
de droog-natcorrectiefactor (k w,a, k w,e of k w,d afhankelijk van de gebruikte formule). |
8.1.1. Ruw uitlaatgas
|
|
(13) |
|
of |
|
|
|
(14) |
|
of |
|
|
|
(15) |
|
waarin |
|
|
|
(16) |
|
en |
|
|
|
(17) |
waarin:
|
H a |
= |
de vochtigheidsgraad van de inlaatlucht (g water per kg droge lucht); |
|
w ALF |
= |
het waterstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
q mf,i |
= |
het momentane brandstofmassadebiet (kg/s); |
|
q mad,I |
= |
het momentane massadebiet van de droge inlaatlucht (kg/s); |
|
p r |
= |
de waterdampdruk na koelbad (kPa); |
|
p b |
= |
de totale luchtdruk (kPa); |
|
w DEL |
= |
het stikstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w EPS |
= |
het zuurstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
α |
= |
de molaire waterstofverhouding van de brandstof; |
|
c CO2 |
= |
de droge concentratie CO2 (%); |
|
c CO |
= |
de droge concentratie CO (%). |
De formules 13 en 14 zijn vrijwel identiek; de factor 1,008 in de formules 13 en 15 is een benadering van de meer exacte noemer in formule 14.
8.1.2. Verdund uitlaatgas
|
|
(18) |
|
of |
|
|
|
(19) |
|
waarin |
|
|
|
(20) |
waarin:
|
α |
= |
de molaire waterstofverhouding van de brandstof; |
|
c CO2w |
= |
de natte concentratie CO2 (%); |
|
c CO2d |
= |
de droge concentratie CO2 (%); |
|
H d |
= |
de vochtigheidsgraad van het verdunningsmiddel (g water per kg droge lucht); |
|
H a |
= |
de vochtigheidsgraad van de inlaatlucht (g water per kg droge lucht); |
|
D |
= |
de verdunningsfactor (zie punt 8.5.2.3.2). |
8.1.3. Verdunningsmiddel
|
|
(21) |
|
waarin |
|
|
|
(22) |
waarin:
|
H d |
= |
de vochtigheidsgraad van het verdunningsmiddel (g water per kg droge lucht). |
8.2. NOx-correctie voor vochtigheid
Aangezien de NOx-emissie afhangt van de toestand van de omgevingslucht, moet de NOx-concentratie voor vochtigheid worden gecorrigeerd met behulp van de in de punten 8.2.1 en 8.2.2 genoemde factoren. De vochtigheidsgraad van de inlaatlucht Ha mag met algemeen aanvaarde formules worden afgeleid van de meting van de relatieve vochtigheid, het dauwpunt, de dampdruk of de droge-/nattebol.
8.2.1. Compressieontstekingsmotoren
|
|
(23) |
waarin:
|
H a |
= |
de vochtigheidsgraad van de inlaatlucht (g water per kg droge lucht). |
8.2.2. Elektrische-ontstekingsmotoren
|
|
(24) |
waarin:
|
H a |
= |
de vochtigheidsgraad van de inlaatlucht (g water per kg droge lucht). |
8.3. Correctie voor opwaartse druk van het deeltjesfilter
De massa van het bemonsteringsfilter moet worden gecorrigeerd voor de opwaartse druk van de lucht. De correctie voor opwaartse druk is afhankelijk van de dichtheid van het bemonsteringsfilter, de luchtdichtheid en de dichtheid van het kalibratiegewicht van de balans, en er wordt geen rekening gehouden met de opwaartse druk van het deeltjesmateriaal zelf. De correctie voor opwaartse druk moet zowel voor de tarramassa als voor de brutomassa van het filter worden toegepast.
Indien de dichtheid van het filtermateriaal onbekend is, worden de volgende dichtheden gebruikt:
|
a) |
met teflon gecoat glasvezelfilter: 2 300 kg/m3; |
|
b) |
mebraanfilter van teflon: 2 144 kg/m3; |
|
c) |
membraanfilter van teflon met ondersteuningsring van polymethylpenteen: 920 kg/m3. |
Voor kalibratiegewichten van roestvrij staal wordt een dichtheid van 8 000 kg/m3 gebruikt. Indien het kalibratiegewicht van een ander materiaal is, moet de dichtheid ervan bekend zijn.
De volgende formule moet worden gebruikt:
|
|
(25) |
|
waarin |
|
|
|
(26) |
waarin:
|
m uncor |
= |
de ongecorrigeerde massa van het deeltjesfilter (mg); |
|
ρ a |
= |
de dichtheid van de lucht (kg/m3); |
|
ρ w |
= |
de dichtheid van het kalibratiegewicht van de balans (kg/m3); |
|
ρ f |
= |
de dichtheid van het deeltjesbemonsteringsfilter (kg/m3); |
|
p b |
= |
de totale luchtdruk (kPa); |
|
T a |
= |
de luchttemperatuur in de omgeving van de balans (K); |
|
28,836 |
= |
de molaire massa van de lucht bij de referentievochtigheid (282,5 K) (g/mol); |
|
8,3144 |
= |
de molaire gasconstante. |
De massa mp van het deeltjesmonster die in de punten 8.4.3 en 8.5.3 wordt gebruikt, wordt als volgt berekend:
|
|
(27) |
waarin:
|
m f,G |
= |
de voor opwaartse druk gecorrigeerde brutomassa van het deeltjesfilter (mg); |
|
m f,T |
= |
de voor opwaartse druk gecorrigeerde tarramassa van het deeltjesfilter (mg). |
8.4. Partiële-stroomverdunning (PFS) en ruw-uitlaatgasmeting
Om de massa-emissies te berekenen worden de momentane concentratiesignalen van de gasvormige bestanddelen vermenigvuldigd met het momentane uitlaatgasmassadebiet. Het uitlaatgasmassadebiet kan rechtstreeks worden gemeten, of worden berekend met de methode voor inlaatlucht- en brandstofstroommeting, indicatorgasmethode of meting van inlaatlucht en lucht-brandstofverhouding. Bijzondere aandacht moet worden gegeven aan de responstijden van de verschillende instrumenten. Met deze verschillen moet rekening worden gehouden door tijdalignering van de signalen. Bij deeltjes worden de signalen van het uitlaatgasmassadebiet gebruikt om het partiële-stroomverdunningssysteem zo te regelen dat het verkregen monster evenredig is met het uitlaatgasmassadebiet. De evenredigheid wordt gecontroleerd met regressieanalyse tussen monster en uitlaatgasstroom overeenkomstig punt 9.4.6.1. De volledige testopstelling is in figuur 6 schematisch weergegeven.
Figuur 6:
Schema van een meetsysteem voor ruwe/partiële stroom
8.4.1. Bepaling van het uitlaatgasmassadebiet
8.4.1.1. Inleiding
Om de emissies in het ruwe uitlaatgas te kunnen berekenen en het partiële-stroomverdunningssysteem te kunnen controleren, is het noodzakelijk het uitlaatgasmassadebiet te kennen. Om het uitlaatgasmassadebiet te bepalen mag een van de in de punten 8.4.1.3 tot en met 8.4.1.7 beschreven methoden worden gebruikt.
8.4.1.2. Responstijd
Voor het berekenen van de emissies mag de responstijd van de in punten 8.4.1.3 tot en met 8.4.1.7 beschreven methoden niet langer zijn dan de in punt 9.3.5 voorgeschreven responstijd van de analysator (≤ 10 s).
Voor de controle van een partiële-stroomverdunningssysteem is een snellere respons vereist. Bij partiële-stroomverdunningssystemen met onlinecontrole moet de responstijd ≤ 0,3 s zijn. Bij partiële-stroomverdunningssystemen met anticiperende controle op basis van een vooraf vastgelegde testprocedure moet de responstijd van het uitlaatgasdebietmeetsysteem ≤ 5 s met een stijgtijd van ≤ 1 s zijn. De systeemresponstijd moet door de fabrikant van het instrument worden gespecificeerd. De gecombineerde responstijdvoorschriften voor het uitlaatgasdebiet en partiële-stroomverdunningssysteem zijn vermeld in punt 9.4.6.1.
8.4.1.3. Directe meting
Voor de directe meting van het momentane uitlaatgasdebiet moet een systeem worden gebruikt, bijvoorbeeld:
|
a) |
apparaten die op basis van drukverschil werken, zoals een stroomkop (zie verder ISO 5167); |
|
b) |
ultrasone debietmeter; |
|
c) |
vortex debietmeter. |
Er moeten maatregelen worden genomen om meetfouten die van invloed zijn op de emissiewaarden, te voorkomen. Zo moet de apparatuur zorgvuldig in het uitlaatsysteem van de motor worden geïnstalleerd volgens de aanbevelingen van de fabrikant van het instrument en naar goede ingenieurspraktijk. Met name mogen de prestaties en de emissies van de motor geen hinder ondervinden van de installatie van de apparatuur.
De debietmeters moeten voldoen aan de lineariteitseisen in punt 9.2.
8.4.1.4. Meting van het lucht- en brandstofdebiet
Bij deze methode worden het lucht- en het brandstofdebiet gemeten met geschikte debietmeters. Het momentane uitlaatgasmassadebiet wordt als volgt berekend:
|
|
(28) |
waarin:
|
q mew,i |
= |
het momentane uitlaatgasmassadebiet (kg/s); |
|
q maw,i |
= |
het momentane inlaatluchtmassadebiet (kg/s); |
|
q mf,i |
= |
het momentane brandstofmassadebiet (kg/s). |
De debietmeters moeten voldoen aan de lineariteitseisen in punt 9.2, maar moeten ook nauwkeurig genoeg zijn om aan de lineariteitseisen voor het uitlaatgasdebiet te voldoen.
8.4.1.5. Meting van een indicatorgas
Bij deze methode wordt de concentratie van een indicatorgas in de uitlaat gemeten.
Een bekende hoeveelheid van een inert gas (bv. zuiver helium) wordt als indicator in de uitlaatgasstroom gespoten. Het gas wordt vermengd en verdund door het uitlaatgas, maar zal in de uitlaatpijp niet reageren. Vervolgens wordt de concentratie van het gas in het uitlaatgasmonster gemeten.
Om ervoor te zorgen dat het indicatorgas volledig vermengd wordt, wordt de uitlaatgasbemonsteringssonde ten minste 1 m of 30 keer de diameter van de uitlaatpijp (de grootste waarde is van toepassing) voorbij het inspuitpunt van het indicatorgas aangebracht. De bemonsteringssonde mag dichter bij het inspuitpunt worden geplaatst als wordt toegezien op de complete vermenging door de concentratie van het indicatorgas te vergelijken met de referentieconcentratie wanneer het indicatorgas vóór de motor wordt ingespoten.
Het indicatorgasdebiet moet zo zijn ingesteld dat de concentratie van het indicatorgas bij stationair toerental na vermenging kleiner wordt dan het volledige schaalbereik van de indicatorgasanalysator.
Het uitlaatgasmassadebiet wordt als volgt berekend:
|
|
(29) |
waarin:
|
q mew,i |
= |
het momentane uitlaatgasmassadebiet (kg/s); |
|
q vt |
= |
het indicatorgasdebiet (cm3/min); |
|
c mix,i |
= |
de momentane concentratie van het indicatorgas na vermenging (ppm); |
|
ρ e |
= |
de dichtheid van het uitlaatgas (kg/m3) (zie tabel 5); |
|
c b |
= |
de achtergrondconcentratie van het indicatorgas in de inlaatlucht (ppm). |
De achtergrondconcentratie van het indicatorgas (c b) kan worden vastgesteld door het gemiddelde te nemen van de achtergrondconcentratie gemeten onmiddelijk vóór de testprocedure en na de testprocedure.
Wanneer de achtergrondconcentratie minder dan 1% bedraagt van de concentratie van het indicatorgas na vermenging (c mix.i) bij maximaal uitlaatgasdebiet, mag de achtergrondconcentratie worden verwaarloosd.
Het hele systeem moet voldoen aan de lineariteitseisen voor de uitlaatgasstroom in punt 9.2.
8.4.1.6. Meting van het luchtdebiet en de lucht-brandstofverhouding
Bij deze methode wordt de uitlaatgasmassa berekend aan de hand van het luchtdebiet en de lucht-brandstofverhouding. Het momentane uitlaatgasmassadebiet wordt als volgt berekend:
|
|
(30) |
|
waarin |
|
|
|
(31) |
|
|
(32) |
waarin:
|
q maw,i |
= |
het momentane inlaatluchtmassadebiet (kg/s); |
|
|
= |
de stoichiometrische lucht-brandstofverhouding (kg/kg); |
|
λ i |
= |
de momentane overmaat lucht; |
|
c CO2d |
= |
de droge concentratie CO2 (%); |
|
c COd |
= |
de droge concentratie CO (ppm); |
|
c HCw |
= |
de natte concentratie HC (ppm). |
Luchtdebietmeters en analysatoren moeten voldoen aan de lineariteitseisen van punt 9.2 en het hele systeem moet voldoen aan de lineariteitseisen voor de uitlaatgasstroom van punt 9.2.
Indien meetapparatuur voor de lucht-brandstofverhouding zoals een zirkoniumsensor wordt gebruikt om de overmaat lucht te meten, moet deze voldoen aan de specificaties van punt 9.3.2.7.
8.4.1.7. Koolstofbalansmethode
Bij deze methode wordt de uitlaatgasmassa berekend aan de hand van de brandstofstroom en de gasvormige bestanddelen van het uitlaatgas die koolstof bevatten. Het momentane uitlaatgasmassadebiet wordt als volgt berekend:
|
|
(33) |
|
waarin |
|
|
|
(34) |
|
en |
|
|
|
(35) |
waarin:
|
q mf,i |
= |
het momentane brandstofmassadebiet (kg/s). |
|
H a |
= |
de vochtigheidsgraad van de inlaatlucht (g water per kg droge lucht). |
|
w BET |
= |
het koolstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w ALF |
= |
het waterstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w DEL |
= |
het stikstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w EPS |
= |
het zuurstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
c CO2d |
= |
de droge concentratie CO2 (%); |
|
c CO2d,a |
= |
de concentratie van droge CO2 in de inlaatlucht (%); |
|
c CO |
= |
de droge concentratie CO (ppm); |
|
c HCw |
= |
de natte concentratie HC (ppm). |
8.4.2. Bepaling van de gasvormige bestanddelen
8.4.2.1. Inleiding
De gasvormige bestanddelen in het door de te testen motor geproduceerde ruwe uitlaatgas moeten worden gemeten met de meet- en bemonsteringssystemen die in punt 9.3 en aanhangsel 2 worden beschreven. De gegevensevaluatie wordt beschreven in punt 8.4.2.2.
Er worden twee berekeningsprocedures beschreven in de punten 8.4.2.3 en 8.4.2.4, die voor de referentiebrandstof in bijlage 5 gelijkwaardig zijn. De procedure in punt 8.4.2.3 is eenvoudiger aangezien deze getabelleerde u-waarden gebruikt voor de verhouding tussen de dichtheid van het bestanddeel en die van het uitlaatgas. De procedure in punt 8.4.2.4 is nauwkeuriger voor brandstofeigenschappen die afwijken van de specificaties in bijlage 5, maar veronderstelt wel een elementaire analyse van de brandstofsamenstelling.
8.4.2.2. Evaluatie van de gegevens
De voor de emissie relevante gegevens worden overeenkomstig punt 7.6.6 geregistreerd en bewaard.
Voor de berekening van de massa-emissie van de gasvormige bestanddelen worden de diagrammen van de geregistreerde concentraties en het diagram van het uitlaatgasmassadebiet gealigneerd aan de hand van de omzettingstijd zoals bepaald in punt 3.1. Daarom wordt de responstijd van het uitlaatgasmassadebietsysteem en van elke analysator van gasvormige emissies bepaald volgens punt 8.4.1.2 respectievelijk punt 9.3.5 en vervolgens geregistreerd.
8.4.2.3. Berekening van massa-emissie gebaseerd op getabelleerde waarden
De massa van de verontreigende stoffen (g/test) moet worden bepaald door de momentane massa-emissies uit de ruwe concentraties van de verontreinigende stoffen en het voor de omzettingstijd gealigneerde uitlaatgasmassadebiet te berekenen zoals bepaald in punt 8.4.2.2, deze momentane waarden over de hele cyclus te integreren en de geïntegreerde waarden te vermenigvuldigen met de u-waarden uit tabel 5. Indien op droge basis is gemeten, moet op de momentane concentraties een droog-natcorrectie worden toegepast overeenkomstig punt 8.1, alvorens andere berekeningen worden uitgevoerd.
Voor de berekening van de NOx moet de massa-emissie, indien van toepassing, worden vermenigvuldigd met de vochtigheidscorrectiefactor k h,D of k h,G, zoals bepaald overeenkomstig punt 8.2.
De volgende formule moet worden gebruikt:
|
|
(36) |
waarin:
|
u gas |
= |
de waarde van het uitlaatgasbestanddeel uit tabel 5; |
|
c gas,i |
= |
de momentane concentratie van het bestanddeel in het uitlaatgas (ppm); |
|
q mew,i |
= |
het momentane uitlaatgasmassadebiet (kg/s); |
|
f |
= |
de bemonsteringsfrequentie (Hz); |
|
n |
= |
het aantal metingen. |
Tabel 5
De u-waarden van het ruwe uitlaatgas en de dichtheid van de bestanddelen
|
Brandstof |
ρe |
Gas |
|||||
|
NOx |
CO |
HC |
CO2 |
O2 |
CH4 |
||
|
ρ gas [kg/m3] |
|||||||
|
2,053 |
1,250 |
1,9636 |
1,4277 |
0,716 |
|||
|
u gas (2) |
|||||||
|
Diesel (B7) |
1,2943 |
0,001586 |
0,000966 |
0,000482 |
0,001517 |
0,001103 |
0,000553 |
|
Ethanol (ED95) |
1,2768 |
0,001609 |
0,000980 |
0,000780 |
0,001539 |
0,001119 |
0,000561 |
|
Cng (3) |
1,2661 |
0,001621 |
0,000987 |
0,000528 (4) |
0,001551 |
0,001128 |
0,000565 |
|
Propaan |
1,2805 |
0,001603 |
0,000976 |
0,000512 |
0,001533 |
0,001115 |
0,000559 |
|
Butaan |
1,2832 |
0,001600 |
0,000974 |
0,000505 |
0,001530 |
0,001113 |
0,000558 |
|
Lpg (5) |
1,2811 |
0,001602 |
0,000976 |
0,000510 |
0,001533 |
0,001115 |
0,000559 |
|
Benzine (E10) |
1,2931 |
0,001587 |
0,000966 |
0,000499 |
0,001518 |
0,001104 |
0,000553 |
|
Ethanol (E85) |
1,2797 |
0,001604 |
0,000977 |
0,000730 |
0,001534 |
0,001116 |
0,000559 |
8.4.2.4. Berekening van de massa-emissie gebaseerd op exacte formules
De massa van de verontreigende stoffen (g/test) moet worden bepaald door de momentane massa-emissies uit de ruwe concentraties van de verontreinigende stoffen, de u-waarden en het voor de omzettingstijd gealigneerde uitlaatgasmassadebiet te berekenen zoals bepaald in punt 8.4.2.2, en deze momentane waarden over de hele cyclus te integreren. Indien op droge basis is gemeten, moet op de momentane concentraties een droog-natcorrectie worden toegepast overeenkomstig punt 8.1, alvorens andere berekeningen worden uitgevoerd.
Voor de berekening van de NOx moet de massa-emissie worden vermenigvuldigd met de vochtigheidscorrectiefactor k h,D of k h,G, zoals bepaald overeenkomstig punt 8.2.
De volgende formule moet worden gebruikt:
|
|
(37) |
waarin:
|
u gas |
wordt berekend met formule 38 of 39; |
|
c gas,i |
de momentane concentratie van het bestanddeel in het uitlaatgas (ppm); |
|
q mew,i |
het momentane uitlaatgasmassadebiet (kg/s); |
|
f |
de bemonsteringsfrequentie (Hz); |
|
n |
het aantal metingen. |
De momentane u-waarden worden als volgt berekend:
|
|
(38) |
|
of |
|
|
|
(39) |
|
waarin |
|
|
|
(40) |
waarin:
|
M gas |
= |
de molaire massa van het gasbestanddeel (g/mol; zie aanhangsel 5); |
|
Me,i |
= |
de momentane molaire massa van het uitlaatgas (g/mol); |
|
ρ gas |
= |
de dichtheid van het gasbestanddeel (kg/m3); |
|
ρ e,i |
= |
de momentane dichtheid van het uitlaatgas (kg/m3). |
De molaire massa van het uitlaatgas M e moet voor een algemene brandstofsamenstelling CH α O ε N δ S γ als volgt worden afgeleid, uitgaande van volledige verbranding:
|
|
(41) |
waarin:
|
q maw,i |
= |
het momentane inlaatluchtmassadebiet op natte basis (kg/s); |
|
q mf,i |
= |
het momentane brandstofmassadebiet (kg/s); |
|
H a |
= |
de vochtigheidsgraad van de inlaatlucht (g water per kg droge lucht); |
|
M a |
= |
de molaire massa van de droge inlaatlucht (= 28,965 g/mol). |
De dichtheid van het uitlaatgas ρ e wordt als volgt afgeleid:
|
|
(42) |
waarin:
|
q mad,i |
= |
het momentane inlaatluchtmassadebiet op droge basis (kg/s); |
|
q mf,i |
= |
het momentane brandstofmassadebiet (kg/s); |
|
H a |
= |
de vochtigheidsgraad van de inlaatlucht (g water per kg droge lucht); |
|
k fw |
= |
de brandstofspecifieke factor van nat uitlaatgas (formule 16) in punt 8.1.1. |
8.4.3. Deeltjesbepaling
8.4.3.1. Evaluatie van de gegevens
De deeltjesmassa wordt met formule 27 van punt 8.3 berekend. Voor de evaluatie van de deeltjesconcentratie wordt de totale monstermassa (m sep) door het filter gedurende de testcyclus geregistreerd.
Met voorafgaande goedkeuring van de typegoedkeuringsinstantie mag de deeltjesmassa worden gecorrigeerd voor het deeltjesniveau van het verdunningsmiddel, zoals bepaald in punt 7.5.6, naar goede ingenieurspraktijk en overeenkomstig de specifieke kenmerken van het gebruikte deeltjesmeetsysteem.
8.4.3.2. Berekening van massa-emissie
Afhankelijk van het systeem wordt de deeltjesmassa (g/test) berekend volgens een van de methoden in de punten 8.4.3.2.1 of 8.4.3.2.2 na de correctie voor opwaartse druk van de massa van het deeltjesfilter overeenkomstig punt 8.3.
8.4.3.2.1. Berekening volgens bemonsteringsverhouding
|
|
(43) |
waarin:
|
m p |
= |
de gedurende de cyclus bemonsterde deeltjesmassa (mg); |
|
r s |
= |
de gemiddelde bemonsteringsverhouding gedurende de testcyclus; |
waarin
|
|
(44) |
waarin:
|
m se |
= |
de monstermassa gedurende de cyclus (kg); |
|
m ew |
= |
het totale uitlaatgasmassadebiet gedurende de cyclus (kg); |
|
m sep |
= |
de massa van het verdunde uitlaatgas dat door de deeltjesopvangfilters stroomt (kg); |
|
m sed |
= |
de massa van het verdunde uitlaatgas dat door de verdunningstunnel stroomt (kg). |
In het geval van totale bemonstering zijn m sep en m sed identiek.
8.4.3.2.2. Berekening volgens verdunningsverhouding
|
|
(45) |
waarin:
|
m p |
= |
de gedurende de cyclus bemonsterde deeltjesmassa (mg); |
|
m sep |
= |
de massa van het verdunde uitlaatgas dat door de deeltjesopvangfilters stroomt (kg); |
|
m edf |
= |
de massa van equivalent verdund uitlaatgas gedurende de cyclus (kg). |
De totale massa van equivalent verdund uitlaatgas gedurende de cyclus wordt als volgt bepaald:
|
|
(46) |
|
|
(47) |
|
|
(48) |
waarin:
|
q medf,i |
= |
het momentane massadebiet van equivalent verdund uitlaatgas (kg/s); |
|
q mew,i |
= |
het momentane uitlaatgasmassadebiet (kg/s); |
|
r d,i |
= |
de momentane verdunningsverhouding; |
|
q mdew,i |
= |
het momentane verdunde uitlaatgasmassadebiet (kg/s); |
|
q mdw,i |
= |
het momentane massadebiet van het verdunningsmiddel (kg/s); |
|
f |
= |
de bemonsteringsfrequentie (Hz); |
|
n |
= |
het aantal metingen. |
8.5. Meting van volledige-stroomverdunning (CVS)
Om de massa-emissies te berekenen worden de via integratie of bemonstering met zakken verkregen concentratiesignalen van de gasvormige bestanddelen vermenigvuldigd met het verdunde uitlaatgasmassadebiet. Het uitlaatgasmassadebiet moet worden gemeten door een bemonsteringssysteem met constant volume (CVS), dat samen met een verdringerpomp (PDP), een venturibuis met kritische stroming (CFV) of een subsonische venturi (SSV) met of zonder stroomcompensatie gebruikt mag worden.
Voor bemonstering met zakken of voor deeltjesbemonstering moet een proportioneel monster worden genomen uit het verdunde uitlaatgas van het CVS-systeem. Voor een systeem zonder stroomcompensatie mag de verhouding van de monsterstroom tot de CVS-stroom niet meer dan ± 2,5% van het instelpunt van de test afwijken. Voor een systeem met stroomcompensatie moet ieder afzonderlijk debiet constant binnen ± 2,5% van zijn respectieve doeldebiet blijven.
De volledige testopstelling is in figuur 7 schematisch weergegeven.
Figuur 7
Schema van een meetsysteem voor volledige stroom
8.5.1. Bepaling van de verdunde-uitlaatgasstroom
8.5.1.1. Inleiding
Om de emissies in het verdunde uitlaatgas te kunnen berekenen, moet het verdunde uitlaatgasdebiet bekend zijn. De totale verdunde uitlaatgasstroom gedurende de cyclus (kg/test) wordt berekend uit de meetwaarden tijdens de cyclus en de corresponderende kalibratiegegevens van de stroommeter (V0 voor PDP, KV voor CFV, Cd voor SSV) volgens een van de methoden beschreven in de punten 8.5.1.2 tot en met 8.5.1.4. Wanneer de totale deeltjesmonsterstroom (msep ) groter is dan 0,5% van de totale CVS-stroom (med ), wordt de CVS-stroom gecorrigeerd voor msep of wordt de deeltjesmonsterstroom terug naar de CVS geleid voordat hij de stroommeter bereikt.
8.5.1.2. PDP-CVS-systeem
Wanneer met een warmtewisselaar de temperatuur van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus binnen ± 6 K wordt gehouden, wordt de massastroom gedurende de cyclus als volgt berekend:
|
|
(49) |
waarin:
|
V 0 |
= |
het volume van het gas dat per omwenteling onder testomstandigheden door de pomp wordt verplaatst (m3/omw.); |
|
n P |
= |
het totale aantal omwentelingen van de pomp per test; |
|
p p |
= |
de absolute druk bij de pompinlaat (kPa); |
|
T |
= |
de gemiddelde temperatuur van het verdunde uitlaatgas bij de pompinlaat (K). |
Bij gebruik van een systeem met stroomcompensatie (d.w.z. zonder warmtewisselaar), wordt de momentane massa-emissie berekend en geïntegreerd over de cyclus. In dat geval wordt de momentane massa van het verdunde uitlaatgas als volgt berekend:
|
|
(50) |
waarin:
|
n P,i |
= |
het totale aantal omwentelingen van de pomp per tijdsinterval. |
8.5.1.3. CFV-CVS-systeem
Wanneer met een warmtewisselaar de temperatuur van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus binnen ± 11 K wordt gehouden, wordt de massastroom gedurende de cyclus als volgt berekend:
|
|
(51) |
waarin:
|
t |
= |
de cyclustijd (s); |
|
K V |
= |
de kalibratiecoëfficiënt van de venturibuis met kritische stroming onder standaardomstandigheden; |
|
p p |
= |
de absolute druk bij de inlaat van de venturibuis (kPa); |
|
T |
= |
de absolute temperatuur bij de inlaat van de venturibuis (K). |
Bij gebruik van een systeem met stroomcompensatie (d.w.z. zonder warmtewisselaar), wordt de momentane massa-emissie berekend en geïntegreerd over de cyclus. In dat geval wordt de momentane massa van het verdunde uitlaatgas als volgt berekend:
|
|
(52) |
waarin:
|
Δti |
= |
het tijdsinterval (s). |
8.5.1.4. SSV-CVS-systeem
Wanneer de temperatuur van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus met een warmtewisselaar binnen ± 11 K wordt gehouden, wordt de massastroom gedurende de cyclus als volgt berekend:
|
|
(53) |
|
waarin |
|
|
|
(54) |
waarin:
|
A 0 |
= |
0,006111 in SI-eenheden van |
|
d V |
= |
de diameter van de SSV-hals (m); |
|
C d |
= |
de afvoercoëfficiënt van de SSV; |
|
p p |
= |
de absolute druk bij de inlaat van de venturibuis (kPa); |
|
T |
= |
de temperatuur bij de inlaat van de venturibuis (K); |
|
r p |
= |
de verhouding van de SSV-hals tot de absolute statische druk aan de inlaat, |
|
r D |
= |
de verhouding van de diameter van de SSV-hals d tot de binnendiameter van de inlaat D. |
Bij gebruik van een systeem met stroomcompensatie (d.w.z. zonder warmtewisselaar), wordt de momentane massa-emissie berekend en geïntegreerd over de cyclus. In dat geval wordt de momentane massa van het verdunde uitlaatgas als volgt berekend:
|
|
(55) |
waarin:
|
Δt i |
= |
het tijdsinterval (s). |
De real time-berekening wordt gestart met hetzij een redelijke waarde voor Cd , bijvoorbeeld 0,98, hetzij een redelijke waarde voor Qssv . Als de berekening wordt gestart met Qssv , dan wordt de initiële waarde van Qssv gebruikt om het Reynoldsgetal te evalueren.
Tijdens alle emissietests moet het Reynoldsgetal aan de SSV-hals binnen het bereik liggen van de Reynoldsgetallen die zijn gebruikt om de kalibratiekromme in punt 9.5.4 af te leiden.
8.5.2. Bepaling van de gasvormige bestanddelen
8.5.2.1. Inleiding
De gasvormige bestanddelen in het door de te testen motor geproduceerde ruwe uitlaatgas moeten worden gemeten volgens de in aanhangsel 2 beschreven methoden. Het uitlaatgas moet worden verdund met gefiltreerde omgevingslucht, synthetische lucht of stikstof. De doorstromingscapaciteit van het volledige-stroomsysteem moet groot genoeg zijn om condensatie van water in de verdunnings- en de bemonsteringssystemen volledig uit te sluiten. De gegevensevaluatie en berekeningsprocedures worden beschreven in de punten 8.5.2.2 en 8.5.2.3.
8.5.2.2. Evaluatie van de gegevens
De voor de emissie relevante gegevens worden overeenkomstig punt 7.6.6 geregistreerd en bewaard.
8.5.2.3. Berekening van de massa-emissie
8.5.2.3.1. Systemen met constante massastroom
Voor systemen met een warmtewisselaar wordt de massa van de verontreinigende stoffen bepaald met de volgende formule:
|
|
(56) |
waarin:
|
u gas |
= |
de waarde van het uitlaatgasbestanddeel uit tabel 6; |
|
c gas |
= |
de gemiddelde voor de achtergrond gecorrigeerde concentratie van het bestanddeel (ppm); |
|
m ed |
= |
de totale massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus (kg). |
Bij meting op droge basis moet de droog-natcorrectie overeenkomstig punt 8.1 worden toegepast.
Voor de berekening van de NOx moet de massa-emissie, indien van toepassing, worden vermenigvuldigd met de vochtigheidscorrectiefactor k h,D of k h,G, zoals bepaald overeenkomstig punt 8.2.
De u-waarden staan in tabel 6. Bij het berekenen van de u gas-waarden is aangenomen dat de dichtheid van het verdunde uitlaatgas gelijk is aan de luchtdichtheid. De u gas-waarden zijn daarom gelijk voor elk gasbestanddeel, maar verschillend voor HC.
Tabel 6
De u-waarden van het verdunde uitlaatgas en de dichtheden van de bestanddelen
|
Brandstof |
ρde |
Gas |
|||||
|
NOx |
CO |
HC |
CO2 |
O2 |
CH4 |
||
|
ρgas [kg/m3] |
|||||||
|
2,053 |
1,250 |
1,9636 |
1,4277 |
0,716 |
|||
|
u gas (7) |
|||||||
|
Diesel (B7) |
1,293 |
0,001588 |
0,000967 |
0,000483 |
0,001519 |
0,001104 |
0,000553 |
|
Ethanol (ED95) |
1,293 |
0,001588 |
0,000967 |
0,000770 |
0,001519 |
0,001104 |
0,000553 |
|
Cng (8) |
1,293 |
0,001588 |
0,000967 |
0,000517 (9) |
0,001519 |
0,001104 |
0,000553 |
|
Propaan |
1,293 |
0,001588 |
0,000967 |
0,000507 |
0,001519 |
0,001104 |
0,000553 |
|
Butaan |
1,293 |
0,001588 |
0,000967 |
0,000501 |
0,001519 |
0,001104 |
0,000553 |
|
Lpg (10) |
1,293 |
0,001588 |
0,000967 |
0,000505 |
0,001519 |
0,001104 |
0,000553 |
|
Benzine (E10) |
1,293 |
0,001588 |
0,000967 |
0,000499 |
0,001519 |
0,001104 |
0,000554 |
|
Ethanol (E85) |
1,293 |
0,001588 |
0,000967 |
0,000722 |
0,001519 |
0,001104 |
0,000554 |
In plaats hiervan mogen de u-waarden ook als volgt worden berekend met de exacte berekeningsmethode waarvan in punt 8.4.2.4 een algemene beschrijving is gegeven:
|
|
(57) |
waarin:
|
M gas |
= |
de molaire massa van het gasbestanddeel (g/mol; zie aanhangsel 5); |
|
M e |
= |
de molaire massa van het uitlaatgas (g/mol); |
|
M d |
= |
de molaire massa van het verdunningsmiddel (=28,965 g/mol); |
|
D |
= |
de verdunningsfactor (zie punt 8.5.2.3.2). |
8.5.2.3.2. Bepaling van de voor de achtergrond gecorrigeerde concentraties
De gemiddelde achtergrondconcentratie van gasvormige verontreinigingen in het verdunningsmiddel moet van de gemeten concentraties worden afgetrokken om de nettoconcentratie van de verontreinigende stoffen te krijgen. De gemiddelde waarde van de achtergrondconcentraties kan worden bepaald via de bemonsteringszakmethode of via continue meting met integratie. De volgende formule moet worden gebruikt:
|
|
(58) |
waarin:
|
c gas,e |
= |
de concentratie van het in het verdunde uitlaatgas gemeten bestanddeel (ppm); |
|
c d |
= |
de concentratie van het in het verdunningsmiddel gemeten bestanddeel (ppm); |
|
D |
= |
de verdunningsfactor. |
De verdunningsfactor wordt als volgt berekend:
|
a) |
Bij diesel- en lpg-motoren
|
|
b) |
Bij aardgasmotoren
waarin:
De stoichiometrische factor wordt als volgt berekend:
waarin:
Indien de brandstofsamenstelling niet bekend is, mag de volgende stoichiometrische factor worden gebruikt:
|
8.5.2.3.3. Systemen met stroomcompensatie
Bij systemen zonder warmtewisselaar moet de massa van de verontreinigende stoffen (g/test) worden bepaald door de momentane massa-emissies te berekenen en deze momentane waarden over de hele cyclus te integreren. Verder wordt de achtergrondcorrectie direct op de momentane concentraties toegepast. De volgende formule moet worden gebruikt:
|
|
(62) |
waarin:
|
c gas,e |
= |
de concentratie van het in het verdunde uitlaatgas gemeten bestanddeel (ppm); |
|
c d |
= |
de concentratie van het in het verdunningsmiddel gemeten bestanddeel (ppm); |
|
m ed,i |
= |
de momentane massa van het verdunde uitlaatgas (kg); |
|
m ed |
= |
de totale massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus (kg); |
|
u gas |
= |
de getabelleerde waarde uit tabel 6; |
|
D |
= |
de verdunningsfactor. |
8.5.3. Deeltjesbepaling
8.5.3.1. Berekening van de massa-emissie
De deeltjesmassa (g/test) wordt na de correctie voor opwaartse druk van het deeltjesbemonsteringsfilter overeenkomstig punt 8.3 op de volgende manier berekend:
|
|
(63) |
waarin:
|
m p |
= |
de gedurende de cyclus bemonsterde deeltjesmassa (mg); |
|
m sep |
= |
de massa van het verdunde uitlaatgas dat door de deeltjesopvangfilters stroomt (kg); |
|
m ed |
= |
de massa van verdund uitlaatgas gedurende de cyclus (kg); |
|
|
(64) |
waarin:
|
m set |
de massa van het dubbelverdunde uitlaatgas door het deeltjesfilter (kg); |
|
m ssd |
de massa van het secundaire verdunningsmiddel (kg). |
Wanneer het deeltjesachtergrondniveau van het verdunningsmiddel is bepaald overeenkomstig punt 7.5.6, kan de deeltjesmassa voor deze achtergrond worden gecorrigeerd. In dat geval wordt de deeltjesmassa (g/test) als volgt berekend:
|
|
(65) |
waarin:
|
m sep |
= |
de massa van het verdunde uitlaatgas dat door de deeltjesopvangfilters stroomt (kg); |
|
m ed |
= |
de massa van verdund uitlaatgas gedurende de cyclus (kg); |
|
m sd |
= |
de massa van het verdunningsmiddel, bemonsterd door het bemonsteringssysteem voor achtergronddeeltjes (kg); |
|
m b |
= |
de massa van de verzamelde achtergronddeeltjes in het verdunningsmiddel (mg); |
|
D |
= |
de verdunningsfactor zoals bepaald in punt 8.5.2.3.2. |
8.6. Algemene berekeningen
8.6.1. Verloopcorrectie
Voor de controle van het verloop in punt 7.8.4 wordt de gecorrigeerde concentratiewaarde als volgt berekend:
|
|
(66) |
waarin:
|
c ref,z |
= |
de referentieconcentratie van het nulgas (gewoonlijk nul; ppm); |
|
c ref,s |
= |
de referentieconcentratie van het ijkgas (ppm); |
|
c pre,z |
= |
de vóór de test gemeten concentratie van het nulgas (ppm); |
|
c pre,s |
= |
de vóór de test gemeten concentratie van het ijkgas (ppm); |
|
c post,z |
= |
de na de test gemeten concentratie van het nulgas (ppm); |
|
c post,s |
= |
de na de test gemeten concentratie van het ijkgas (ppm); |
|
c gas |
= |
de concentratie van het monstergas (ppm). |
Voor elk bestanddeel worden overeenkomstig punt 8.6.3 twee reeksen specifieke emissieresultaten berekend, na toepassing van eventuele andere correcties. Bij de berekening van de ene reeks worden de ongecorrigeerde concentraties gebruikt en bij de berekening van de andere de met formule 66 voor verloop gecorrigeerde concentraties.
Afhankelijk van het gebruikte meetsysteem en de toegepaste berekeningsmethode worden de ongecorrigeerde emissieresultaten berekend met formule 36, 37, 56, 57 of 62. Voor de berekening van de gecorrigeerde emissies wordt c gas in de formules 36, 37, 56, 57 of 62 vervangen door c cor van formule 66. Als in de formule de momentane concentratiewaarden c gas,i worden gebruikt, wordt de gecorrigeerde waarde ook toegepast als momentane waarde c cor,i. In formule 57 wordt de correctie op zowel de gemeten concentratie als de achtergrondconcentratie toegepast.
De vergelijking wordt gemaakt als percentage van de ongecorrigeerde resultaten. Het verschil tussen de ongecorrigeerde en de gecorrigeerde specifieke emissiewaarden op de testbank moet binnen ± 4% van de ongecorrigeerde specifieke emissiewaarden op de testbank liggen of binnen ± 4% van de desbetreffende grenswaarde (de grootste waarde is van toepassing). Als het verloop meer dan 4% bedraagt, is de test ongeldig.
Indien verloopcorrectie wordt toegepast, mogen bij de rapportage van de emissies alleen de voor het verloop gecorrigeerde emissiewaarden worden gebruikt.
8.6.2. Berekening van NMHC en CH4
De berekening van NMHC en CH4 hangt af van de toegepaste kalibreringsmethode. De vlamionisatiedetector voor de meting zonder NMC (onderste traject van aanhangsel 2, figuur 11) moet met propaan worden gekalibreerd. Voor de kalibrering van de vlamionisatiedetector in reeksen met NMC (bovenste traject van aanhangsel 2, figuur 11) mogen de volgende methoden worden toegepast:
|
a) |
kalibratiegas: propaan; propaan wordt langs NMC geleid; |
|
b) |
kalibratiegas: propaan; methaan stroomt door NMC. |
De concentratie van NMHC en CH4 wordt voor punt a) als volgt berekend:
|
|
(67) |
|
|
(68) |
De concentratie van NMHC en CH4 wordt voor punt b) als volgt berekend:
|
|
(67a) |
|
|
(68a) |
waarin:
|
c HC(w/NMC) |
= |
de HC-concentratie als het bemonsteringsgas door de NMC stroomt (ppm); |
|
c HC(w/oNMC) |
= |
de HC-concentratie als het bemonsteringsgas niet door de NMC stroomt (ppm); |
|
r h |
= |
de methaanresponsfactor zoals bepaald overeenkomstig punt 9.3.7.2; |
|
E M |
= |
de doelmatigheid van de methaanconversie zoals bepaald overeenkomstig punt 9.3.8.1; |
|
E E |
= |
de doelmatigheid van de ethaanconversie zoals bepaald overeenkomstig punt 9.3.8.2. |
Als r h < 1,05, mag deze factor in de formules 67, 67a en 68a worden weggelaten.
8.6.3. Berekening van de specifieke emissies
De specifieke emissies e gas of e PM (g/kWh) worden voor elk afzonderlijk bestanddeel op de volgende manieren berekend, afhankelijk van het type testcyclus.
Voor de WHSC, de warme WHTC of de koude WHTC wordt de volgende formule gebruikt:
|
|
(69) |
waarin:
|
m |
= |
de massa-emissie van het bestanddeel (g/test); |
|
W act |
= |
de werkelijke cyclusarbeid zoals bepaald overeenkomstig punt 7.8.6 (kWh). |
Voor de WHTC is het definitieve testresultaat een gewogen gemiddelde van de koudestarttest en de warmestarttest volgens de volgende formule:
|
|
(70) |
waarin:
|
m cold |
de massa-emissie van het bestanddeel bij de koudestarttest (g/test); |
|
m hot |
de massa-emissie van het bestanddeel bij de warmestarttest (g/test); |
|
W act,cold |
de werkelijke cyclusarbeid bij de koudestarttest (kWh); |
|
W act,hot |
de werkelijke cyclusarbeid bij de warmestarttest (kWh). |
Als periodieke regeneratie overeenkomstig punt 6.6.2 plaatsvindt, moet de regeneratieaanpassingsfactor k r,u of k r,d worden vermenigvuldigd met, respectievelijk worden opgeteld bij het specifieke emissieresultaat e zoals bepaald met de formules 69 en 70.
9. Specificatie en verificatie van de apparatuur
Deze bijlage bevat geen nadere gegevens over apparatuur of systemen voor het meten van stroming, druk of temperatuur. In plaats daarvan worden in punt 9.2 alleen de lineariteitseisen gegeven waaraan dergelijke apparatuur of systemen voor emissietests moeten voldoen.
9.1. Specificaties van de dynamometer
Voor de uitvoering van de in de punten 7.2.1 en 7.2.2 beschreven testcycli wordt een motordynamometer met adequate kenmerken gebruikt.
De meetapparatuur voor het koppel en het toerental moet in staat zijn het asvermogen zo nauwkeurig te meten dat kan worden voldaan aan de criteria voor cyclusvalidatie. Er kunnen aanvullende berekeningen nodig zijn. De nauwkeurigheid van de meetapparatuur moet zo zijn dat de lineariteitseisen in tabel 7 van punt 9.2 niet worden overschreden.
9.2. Lineariteitseisen
De kalibrering van de meetapparatuur en meetsystemen moet voldoen aan nationale (internationale) normen. De meetapparatuur en meetsystemen moeten voldoen aan de lineariteitseisen in tabel 7. De lineariteitscontrole volgens punt 9.2.1 moet voor de gasanalysatoren ten minste om de drie maanden plaatsvinden, en na iedere systeemreparatie of -wijziging die van invloed kan zijn op de kalibratie. Voor de andere apparatuur en systemen geldt dat de lineariteitscontrole moet worden uitgevoerd overeenkomstig de interne controleprocedures van de fabrikant van de apparatuur of overeenkomstig de ISO 9000-voorschriften.
Tabel 7
Lineariteitseisen voor apparatuur en meetsystemen
|
Meetsysteem |
|
Helling a1 |
Standaardafwijking SEE |
Determinatiecoëfficiënt r2 |
|
Motortoerental |
max. ≤ 0,05 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Motorkoppel |
max. ≤ 1 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Brandstofstroom |
max. ≤ 1 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Luchtstroom |
max. ≤ 1 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Uitlaatgasstroom |
max. ≤ 1 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Verdunningsmiddelstroom |
max. ≤ 1 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Verdunde uitlaatgasstroom |
max. ≤ 1 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Monsterstroom |
max. ≤ 1 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Gasanalysatoren |
max. ≤ 0,5 % |
0,99 - 1,01 |
max. ≤ 1 % |
≥ 0,998 |
|
Gasverdelers |
max. ≤ 0,5 % |
0,98 - 1,02 |
max. ≤ 2 % |
≥ 0,990 |
|
Temperatuur |
max. ≤ 1 % |
0,99 - 1,01 |
max. ≤ 1 % |
≥ 0,998 |
|
Druk |
max. ≤ 1 % |
0,99 - 1,01 |
max. ≤ 1 % |
≥ 0,998 |
|
PM-balans |
max. ≤ 1 % |
0,99 - 1,01 |
max. ≤ 1 % |
≥ 0,998 |
9.2.1. Lineariteitscontrole
9.2.1.1. Inleiding
Voor elk meetsysteem in tabel 7 moet een lineariteitscontrole worden uitgevoerd. Hierbij worden, tenzij anders is gespecificeerd, ten minste 10 referentiewaarden in het meetsysteem ingevoerd en worden de gemeten waarden met deze referentiewaarden vergeleken aan de hand van lineaire regressie volgens de kleinste-kwadratenmethode overeenkomstig formule 11 in punt 7.8.7. De grenswaarden in tabel 7 verwijzen naar de tijdens het testen te verwachten maxima.
9.2.1.2. Algemene eisen
De meetsystemen moeten overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant worden opgewarmd. De meetsystemen moeten worden gebruikt bij hun gespecificeerde temperatuur, druk en stroom.
9.2.1.3. Procedure
De lineariteitscontrole wordt binnen elk normaal werkgebied uitgevoerd in de volgende stappen:
|
a) |
het instrument wordt op nul gezet door middel van een nulsignaal. Voor gasanalysatoren wordt hiervoor gezuiverde synthetische lucht (of stikstof) direct door de analysatorpoort geleid; |
|
b) |
het meetbereik van het instrument wordt geijkt door middel van een ijksignaal. Voor gasanalysatoren wordt hiervoor een passend ijkgas direct door de analysatorpoort geleid; |
|
c) |
de nulprocedure van stap a) wordt herhaald; |
|
d) |
de controle wordt uitgevoerd door ten minste 10 referentiewaarden (waaronder nul) tussen nul en de te verwachten hoogste waarden van de emissietests in te voeren. Voor gasanalysatoren worden bekende gasconcentraties overeenkomstig punt 9.3.3.2 direct door de analysatorpoort geleid; |
|
e) |
met een registratiefrequentie van ten minste 1 Hz worden 30 seconden lang de referentiewaarden gemeten en de gemeten waarden geregistreerd; |
|
f) |
aan de hand van de rekenkundige gemiddelden tijdens die 30 seconden worden de parameters van de lineaire regressie volgens de kleinste-kwadratenmethode berekend volgens formule 11 in punt 7.8.7; |
|
g) |
de parameters van de lineaire regressie moeten voldoen aan de eisen van tabel 7 in punt 9.2; |
|
h) |
zo nodig wordt de nulinstelling opnieuw gecontroleerd en de controleprocedure herhaald. |
9.3. Meet- en bemonsteringssysteem voor gasvormige emissies
9.3.1. Specificaties van de analysator
9.3.1.1. Algemeen
De analysatoren moeten een zodanig meetbereik en zodanige responstijd hebben dat de vereiste nauwkeurigheid van de meting van de uitlaatgasbestanddelen onder stabiele en veranderende omstandigheden is gewaarborgd.
De elektromagnetische compatibiliteit (EMC) van de apparatuur moet voldoende zijn om extra fouten tot een minimum te beperken.
9.3.1.2. Nauwkeurigheid
De nauwkeurigheid, gedefinieerd als de mate waarin de afgelezen waarde van de analysator afwijkt van de referentiewaarde, mag niet meer bedragen dan ± 2 % van de afgelezen waarde of ± 0,3 % van het volledige schaalbereik (de grootste waarde is van toepassing).
9.3.1.3. Precisie
De precisie, gedefinieerd als 2,5 maal de standaardafwijking van tien herhaalde responsen op een bepaald kalibratie- of ijkgas, mag niet meer bedragen dan 1 % van de uiterste concentratie op de schaal voor elk gebied boven 155 ppm (of ppm C) of 2 % van elk gebied beneden 155 ppm (of ppm C).
9.3.1.4. Ruis
Het maximumafleesverschil over een willekeurige periode van 10 seconden bij gebruik van een nulgas en een kalibratie- of ijkgas mag voor elk meetbereik niet groter zijn dan 2% van de volledige schaal.
9.3.1.5. Nulpuntsverloop
Het verloop van de nulgasrespons wordt door de fabrikant van het instrument gespecificeerd.
9.3.1.6. Meetbereikverloop
Het verloop van de ijkgasrespons wordt door de fabrikant van het instrument gespecificeerd.
9.3.1.7. Stijgtijd
De stijgtijd van de analysator in het meetsysteem mag niet meer dan 2,5 seconden bedragen.
9.3.1.8. Gasdroging
Uitlaatgassen mogen op natte of droge basis worden gemeten. Bij gebruik van een gasdroogapparaat moet dit een minimale invloed hebben op de samenstelling van de gemeten gassen. Chemische drogers zijn niet aanvaardbaar voor het verwijderen van water uit het monster.
9.3.2. Gasanalysatoren
9.3.2.1. Inleiding
In de punten 9.3.2.2 tot en met 9.3.2.7 worden de toe te passen meetbeginselen beschreven. Een uitvoerige beschrijving van de meetsystemen is opgenomen in aanhangsel 2. De te meten gassen worden geanalyseerd met de volgende instrumenten. Bij niet-lineaire analyseapparatuur mogen lineariseringscircuits worden toegepast.
9.3.2.2. Analyse van koolmonoxide (CO)
Voor de analyse van koolmonoxide wordt een niet-dispersieve analysator met absorptie in het infraroodgebied (NDIR) gebruikt.
9.3.2.3. Analyse van kooldioxide (CO2)
Voor de analyse van kooldioxide wordt een niet-dispersieve analysator met absorptie in het infraroodgebied (NDIR) gebruikt.
9.3.2.4. Analyse van koolwaterstoffen (HC)
Voor de analyse van koolwaterstoffen wordt een verwarmde vlamionisatieordetector (HFID) gebruikt met verwarmde detector, kleppen, leidingen enz. om de temperatuur van het gas op 463 ± 10 K (190 ± 10 °C) te houden. Desgewenst mag bij aardgas- en elektrische-ontstekingsmotoren voor de analyse van koolwaterstoffen een niet-verwarmde vlamionisatiedetector (FID) worden gebruikt, afhankelijk van de gehanteerde methode (zie aanhangsel 2, punt A.2.1.3).
9.3.2.5. Analyse van methaan (CH4) en andere koolwaterstoffen (NMHC)
De uit methaan en andere koolwaterstoffen bestaande fractie wordt bepaald met een verwarmde niet-methaancutter (NMC) en twee FID's overeenkomstig aanhangsel 2, punten A.2.1.4 en A.2.1.5. De concentratie van de bestanddelen wordt overeenkomstig punt 8.6.2 bepaald.
9.3.2.6. Analyse van stikstofoxiden (NOx)
Voor de NOx-meting zijn twee meetinstrumenten gespecificeerd die beide mogen worden gebruikt mits het instrument aan de criteria van punt 9.3.2.6.1, respectievelijk punt 9.3.2.6.2 beantwoordt. Voor het vaststellen van de systeemgelijkwaardigheid van een alternatieve meetprocedure overeenkomstig punt 5.1.1 is alleen de CLD toegestaan.
9.3.2.6.1. Chemiluminescentiedetector (CLD)
Indien op droge basis wordt gemeten, wordt voor de analyse van stikstofoxiden gebruikgemaakt van een chemiluminescentiedetector (CLD) of een verwarmde chemiluminescentiedetector (HCLD) met een NO2/NO-omzetter. Indien op natte basis wordt gemeten, wordt een HCLD gebruikt met een omzetter die op een temperatuur van 328 K (55 °C) of meer wordt gehouden, mits aan de controle van de waterdemping is voldaan (zie punt 9.3.9.2.2). Voor de CLD en de HCLD moet de wandtemperatuur van het bemonsteringstraject tot aan de omzetter voor de meting op droge basis en tot aan de analysator voor de meting op natte basis tussen 328 K (55 °C) en 473 K (200 °C) liggen.
9.3.2.6.2. Niet-dispersieve ultravioletdetector (NDUV)
Voor de meting van de NOx-concentratie moet een niet-dispersieve ultravioletanalysator (NDUV) worden gebruikt. Als de NDUV-analysator uitsluitend NO meet, wordt vóór de NDUV-analysator een NO2/NO-omzetter geplaatst. Om watercondensatie te voorkomen moet de NDUV-temperatuur worden gehandhaafd, tenzij vóór de analysator, en vóór de NO2/NO-omzetter indien deze wordt gebruikt, een monsterdroger is geïnstalleerd.
9.3.2.7. Meting van de lucht-brandstofverhouding
Om overeenkomstig punt 8.4.1.6 het uitlaatgasdebiet te meten, wordt gebruikgemaakt van een lucht-brandstofverhoudingssensor met groot bereik of een zirkonium-lambdasensor. De sensor wordt rechtstreeks op de uitlaatpijp gemonteerd waar de temperatuur van de uitlaatgassen hoog genoeg is om watercondensatie tegen te gaan.
De nauwkeurigheid van de sensor met ingebouwde elektronica ligt in het volgende gebied:
|
|
± 3 % van de afgelezen waarde voor λ < 2 |
|
|
± 5 % van de afgelezen waarde voor 2 ≤ λ < 5 |
|
|
± 10 % van de afgelezen waarde voor 5 ≤ λ |
Om aan bovenstaande nauwkeurigheidsvoorschriften te voldoen, moet de sensor gekalibreerd zijn zoals aangegeven door de fabrikant van het instrument.
9.3.3. Gassen
De bewaartijd voor alle gassen moet worden gerespecteerd.
9.3.3.1. Zuivere gassen
De vereiste zuiverheidsgraad van de gassen is gedefinieerd door de hieronder vermelde grenswaarden voor de verontreiniging. De volgende gassen moeten voor gebruik beschikbaar zijn:
|
a) |
voor ruw uitlaatgas:
|
|
b) |
voor verdund uitlaatgas (facultatief voor ruw uitlaatgas):
|
Als geen gasflessen beschikbaar zijn, mag een gasreiniger worden gebruikt mits de verontreinigingsniveaus kunnen worden aangetoond.
9.3.3.2. Kalibratie- en ijkgassen
In voorkomend geval moeten gasmengsels met de volgende chemische samenstelling beschikbaar zijn. Andere gascombinaties zijn toegestaan mits de gassen niet met elkaar reageren. De door de fabrikant aangegeven houdbaarheidsdatum van de kalibratiegassen moet worden genoteerd.
|
|
C3H8 en gezuiverde synthetische lucht (zie punt 9.3.3.1); |
|
|
CO en gezuiverde stikstof; |
|
|
NO en gezuiverde stikstof; |
|
|
NO2 en gezuiverde synthetische lucht; |
|
|
CO2 en gezuiverde stikstof; |
|
|
CH4 en gezuiverde synthetische lucht; |
|
|
C2H6 en gezuiverde synthetische lucht. |
De werkelijke concentratie van een kalibratie- en ijkgas moet binnen ± 1% van de nominale waarde liggen en voldoen aan nationale of internationale normen. Alle concentraties van het kalibratiegas zijn gebaseerd op het volume (volumeprocent of volume ppm).
9.3.3.3. Gasverdelers
De voor kalibratie en ijking gebruikte gassen mogen ook worden verkregen met behulp van gasverdelers (precisiemengapparatuur), waarbij verdund wordt met zuiver N2 of met gezuiverde synthetische lucht. De nauwkeurigheid van de gasverdeler moet zodanig zijn dat de concentratie van de gemengde kalibratiegassen op ± 2 % na kan worden bepaald. Dit impliceert dat de samenstelling van de primaire gassen die voor mengen worden gebruikt, op ten minste ± 1 % nauwkeurig bekend moet zijn overeenkomstig nationale of internationale normen voor gassen. De controle wordt verricht door meting tussen 15 en 50 % van de volledige schaal voor iedere kalibratie waarbij een gasverdeler wordt gebruikt. Er mag nog een extra controle worden uitgevoerd met behulp van een ander kalibratiegas, indien de eerste controle mislukte.
Eventueel kan de mengvoorziening worden gecontroleerd met een instrument dat van nature lineair is, bv. NO-gas met een CLD. Het meetbereik van het instrument wordt afgesteld terwijl het ijkgas rechtstreeks op het instrument wordt aangesloten. De gasverdeler moet bij de gebruikte instellingen worden gecontroleerd en de nominale waarde dient te worden vergeleken met de gemeten concentratie van het instrument. Het verschil moet op elk punt binnen ± 1 % van de nominale waarde liggen.
Voor het uitvoeren van de lineariteitscontrole overeenkomstig punt 9.2.1 moet de gasverdeler een nauwkeurigheid hebben van ± 1 %.
9.3.3.4. Gassen voor zuurstofinterferentiecontrole
De gassen voor zuurstofinterferentiecontrole zijn een mengsel van propaan, zuurstof en stikstof. Ze moeten propaan met 350 ppm C ± 75 ppm C koolwaterstof bevatten. De concentratiewaarde wordt met kalibratiegastoleranties bepaald via chromatografische analyse van alle koolwaterstoffen plus onzuiverheden of via dynamische menging. De benodigde zuurstofconcentraties voor het testen van motoren met elektrische ontsteking en met compressieontsteking staan vermeld in tabel 8, waarbij het restant gezuiverde stikstof is.
Tabel 8
Gassen voor zuurstofinterferentiecontrole
|
Motortype |
Concentratie O2 (%) |
|
Compressieontsteking |
21 (tussen 20 en 22) |
|
Elektrische en compressieontsteking |
10 (tussen 9 en 11) |
|
Elektrische en compressieontsteking |
5 (tussen 4 en 6) |
|
Elektrische ontsteking |
0 (tussen 0 en 1) |
9.3.4. Controle op lekken
Het systeem moet op lekken worden gecontroleerd. De sonde wordt losgekoppeld van het uitlaatsysteem en het uiteinde wordt voorzien van een stop. De analysatorpomp wordt ingeschakeld. Indien er geen lek is, wijzen alle stroommeters na een stabiliseringsperiode ongeveer nul aan. Zo niet worden de bemonsteringsleidingen gecontroleerd en de gebreken hersteld.
De maximaal toelaatbare leksnelheid aan de vacuümzijde mag 0,5 % van de snelheid bij normaal gebruik bedragen voor het gedeelte van het systeem dat wordt gecontroleerd. De stroom door de analyseapparatuur en de stroom in de omloopleiding mogen worden gebruikt om de snelheid bij normaal gebruik te ramen.
Het systeem kan ook worden leeggepompt tot een druk van ten minste 20 kPa vacuüm (80 kPa absoluut). Na een stabiliseringsperiode mag de stijging van de druk Δp (kPa/min) in het systeem niet groter zijn dan:
|
|
(71) |
waarin:
|
V s |
= |
het systeemvolume (l); |
|
q vs |
= |
het debiet van het systeem (l/min). |
Bij een andere methode wordt de concentratie aan het begin van de bemonsteringsleiding abrupt veranderd door van het nulgas op het ijkgas over te schakelen. Indien de aflezing van een correct gekalibreerde analysator na een toereikende tijdsperiode ≤ 99% van de toegevoerde concentratie is, wijst dit op een lekprobleem dat moet worden opgelost.
9.3.5. Controle van de responstijd van het analysesysteem
De systeeminstellingen moeten bij de controle van de responstijd precies dezelfde zijn als bij de meting tijdens de eigenlijke test (druk, debiet, filterinstellingen op de analysator en alle overige factoren die de responstijd beïnvloeden). De responstijd moet worden bepaald bij rechtstreekse gasomschakeling aan de inlaat van de bemonsteringssonde. De gasomschakeling moet binnen 0,1 seconde plaatsvinden. De voor de test gebruikte gassen moeten een concentratiewijziging van ten minste 60 % van de volledige schaaluitslag (FS) veroorzaken.
Het verloop van de concentratie van elk gasbestanddeel moet worden geregistreerd. De responstijd wordt gedefinieerd als het verschil in tijd tussen de gasomschakeling en de corresponderende wijziging van de geregistreerde concentratie. De systeemresponstijd (t 90) bestaat uit de reactietijd tot aan de meetdetector en de stijgtijd van de detector. De reactietijd wordt gedefinieerd als de tijd vanaf de wijziging (t 0) totdat de respons 10% van de eindwaarde bedraagt (t 10). De stijgtijd wordt gedefinieerd als de tijd tussen de 10%- en de 90%-respons van de eindwaarde (t 90 – t 10).
Bij tijdalignering van de analyseapparatuur en de signalen van de uitlaatgasstroom wordt de omzettingstijd gedefinieerd als de tijd vanaf de wijziging (t 0) totdat de respons 50% van de eindwaarde bedraagt (t 50).
De systeemresponstijd moet ≤ 10 s zijn met een stijgtijd van ≤ 2,5 s overeenkomstig punt 9.3.1.7 voor alle beperkt aanwezige bestanddelen (CO, NOx, HC of NMHC) en alle gasgroepen. Bij gebruik van een NMC voor het meten van de NMHC mag de systeemresponstijd groter zijn dan 10 seconden.
9.3.6. Doelmatigheidstest van de NOx-omzetter
De doelmatigheid van de omzetter die wordt toegepast voor de omzetting van NO2 in NO, wordt getest overeenkomstig de punten 9.3.6.1 tot en met 9.3.6.8 (zie figuur 8).
Figuur 8
Schema voor de controle van de doelmatigheid van de NO2-omzetter
9.3.6.1. Testopstelling
Aan de hand van de in figuur 8 schematisch afgebeelde testopstelling en de onderstaande procedure moet de doelmatigheid van de omzetter met een ozonisator worden getest.
9.3.6.2. Kalibratie
De CLD en de HCLD moeten worden gekalibreerd in het meest gebruikte werkgebied overeenkomstig de specificaties van de fabrikant en met gebruikmaking van een nulgas en een ijkgas (waarvan het NO-gehalte ongeveer 80% van het werkgebied bedraagt en de NO2-concentratie van het gasmengsel minder dan 5% van de NO-concentratie bedraagt). De NOx-analysator moet in de NO-modus staan, zodat het ijkgas niet door de omzetter stroomt. De aangegeven concentratie moet worden genoteerd.
9.3.6.3. Berekening
Het percentage van de doelmatigheid van de omzetter wordt als volgt berekend:
|
|
(72) |
waarin:
|
a |
de NOx-concentratie overeenkomstig punt 9.3.6.6; |
|
b |
de NOx-concentratie overeenkomstig punt 9.3.6.7; |
|
c |
de NO-concentratie overeenkomstig punt 9.3.6.4; |
|
d |
de NO-concentratie overeenkomstig punt 9.3.6.5. |
9.3.6.4. Toevoegen van zuurstof
Via een T-stuk wordt voortdurend zuurstof of referentielucht aan de gasstroom toegevoegd totdat de aangegeven concentratie 20 % minder bedraagt dan de in punt 9.3.6.2 aangegeven kalibratieconcentratie (de analysator staat in de NO-stand).
De aangegeven concentratie (c) wordt genoteerd. De ozonisator is gedurende het proces gedeactiveerd.
9.3.6.5. Activering van de ozonisator
De ozonisator wordt geactiveerd zodat genoeg ozon wordt geproduceerd om de NO-concentratie tot ongeveer 20% (minimaal 10%) van de in punt 9.3.6.2 aangegeven kalibratieconcentratie te verminderen. De aangegeven concentratie (d) wordt genoteerd (de analysator staat in de NO-stand).
9.3.6.6. NOx-stand
De NO-analysator wordt in de NOx-modus gezet, zodat het gasmengsel (bestaande uit NO, NO2, O2 en N2) nu door de omzetter stroomt. De aangegeven concentratie (a) wordt genoteerd (de analysator staat in de NOx-modus).
9.3.6.7. Deactivering van de ozonisator
De ozonisator wordt nu gedeactiveerd. Het in punt 9.3.6.6 beschreven gasmengsel stroomt via de omzetter de detector binnen. De aangegeven concentratie (b) wordt genoteerd (de analysator staat in de NOx-stand).
9.3.6.8. NO-stand
De analysator wordt nu in de NO-stand gezet, waarbij de ozonisator wordt gedeactiveerd en de zuurstof- of synthetische-luchtstroom wordt afgesloten. De NOx-aflezing van de analysator mag niet meer dan ± 5 % van de volgens punt 9.3.6.2 gemeten waarde afwijken (de analysator staat in de NO-stand).
9.3.6.9. Testfrequentie
De doelmatigheid van de omzetter wordt ten minste eenmaal per maand gecontroleerd.
9.3.6.10. Eisen ten aanzien van de doelmatigheid
De doelmatigheid E NOx van de omzetter mag niet minder bedragen dan 95%.
Indien de ozonisator, met de analysator ingesteld voor het meest gebruikelijke meetbereik, geen vermindering van 80 tot 20 % kan teweegbrengen overeenkomstig punt 9.3.6.5, moet het hoogste meetbereik worden gebruikt waarbij deze vermindering wel mogelijk is.
9.3.7. Instelling van de FID
9.3.7.1. Optimalisering van de detectorrespons
De FID moet worden afgesteld zoals aangegeven door de fabrikant van het instrument. Er moet gebruik worden gemaakt van een propaan/luchtmengsel als ijkgas voor de optimalisering van de respons in het meest gebruikte werkgebied.
Er wordt een ijkgas met een C-concentratie van 350 ± 75 ppm in het analyseapparaat gevoerd, waarbij het brandstof- en luchtdebiet volgens de aanbevelingen van de fabrikant van het instrument worden afgesteld. De respons bij een bepaalde brandstofstroom wordt bepaald uit het verschil tussen de ijkgas- en de nulgasrespons. De brandstofstroom moet stapsgewijs worden bijgesteld onder en boven de specificatie van de fabrikant. De ijkgasrespons en de nulgasrespons bij beide brandstofstromen moeten worden genoteerd. Het verschil tussen de ijkgasrespons en de nulgasrespons moet worden uitgezet en de brandstofstroom moet worden bijgesteld naar de rijke kant van de kromme. Dit is de begininstelling voor het debiet, waarvoor wellicht verdere optimalisering nodig is afhankelijk van de resultaten van de koolwaterstofresponsfactoren en de zuurstofinterferentiecontrole overeenkomstig de punten 9.3.7.2 en 9.3.7.3. Indien de zuurstofinterferentie of de koolwaterstofresponsfactoren niet aan de volgende specificaties voldoen, moet de luchtstroom stapsgewijs worden bijgesteld onder en boven de specificaties van de fabrikant, waarbij voor elke stroom de punten 9.3.7.2 en 9.3.7.3 worden herhaald.
De optimalisering mag desgewenst worden uitgevoerd volgens de procedures vastgelegd in SAE-document nr. 770141.
9.3.7.2. Responsfactoren voor koolwaterstof
Er moet een lineariteitscontrole van de analysator worden uitgevoerd met propaan in lucht en gezuiverde synthetische lucht overeenkomstig punt 9.2.1.3.
De responsfactoren moeten worden bepaald bij de eerste ingebruikneming van een analysator en na grote onderhoudsbeurten. De responsfactor (r h) voor een bepaalde koolwaterstof is de verhouding tussen de FID C1-aflezing en de gasconcentratie in de cilinder uitgedrukt in ppm C1.
De concentratie van het testgas moet op een zodanig niveau zijn dat de respons ongeveer 80% van de volledige schaal is. De concentratie moet bekend zijn met een nauwkeurigheid van ± 2 % ten opzichte van een gravimetrische standaard uitgedrukt in volume. Bovendien moet de gascilinder vooraf gedurende 24 uur op een temperatuur van 298 ± 5 K (25 ± 5 °C) worden geconditioneerd.
De te gebruiken testgassen en de relatieve responsfactorgebieden zijn als volgt:
|
a) |
methaan en gezuiverde synthetische lucht 1,00 ≤ r h ≤ 1,15; |
|
b) |
propyleen en gezuiverde synthetische lucht 0,90 ≤ r h ≤ 1,1; |
|
c) |
tolueen en gezuiverde synthetische lucht 0,90 ≤ r h ≤ 1,1. |
Dit zijn waarden ten opzichte van een r h van 1 voor propaan en gezuiverde synthetische lucht.
9.3.7.3. Zuurstofinterferentiecontrole
Alleen bij ruw-uitlaatgasanalysatoren moet de zuurstofinterferentiecontrole bij de eerste ingebruikneming van een analysator en na grote onderhoudsbeurten worden uitgevoerd.
Het meetbereik moet zodanig worden gekozen dat de gassen voor zuurstofinterferentiecontrole in de bovenste 50% vallen. De test wordt uitgevoerd met de voorgeschreven oventemperatuur. De specificaties van de gassen voor zuurstofinterferentiecontrole staan in punt 9.3.3.4.
|
a) |
De analysator wordt op nul gezet; |
|
b) |
bij elektrische-ontstekingsmotoren wordt het meetbereik ingesteld met een mengsel met 0% zuurstof. Bij compressieontstekingsmotoren wordt het meetbereik ingesteld met een mengsel met 21% zuurstof; |
|
c) |
de nulgasrespons wordt opnieuw gecontroleerd. Indien deze meer dan 0,5 % van de volledige schaal is veranderd, worden de stappen a) en b) van dit punt herhaald; |
|
d) |
de gassen voor zuurstofinterferentiecontrole (5 % en 10 %) worden in de analysator gevoerd; |
|
e) |
de nulgasrespons wordt opnieuw gecontroleerd. Indien deze meer dan ± 1 % van de volledige schaal is veranderd, wordt de test herhaald; |
|
f) |
de zuurstofinterferentie E O2 wordt voor elk mengsel in stap d) als volgt berekend:
waarin:
|
||||||||||||||||||||||||
|
g) |
vóór de tests moet bij alle vereiste gassen voor zuurstofinterferentiecontrole de interferentie door zuurstof E O2 minder bedragen dan ± 1,5 %; |
|
h) |
indien de zuurstofinterferentie E O2 meer dan ± 1,5 % bedraagt, mogen corrigerende maatregelen worden genomen door stapsgewijs de luchtstroom onder en boven de specificaties van de fabrikant, de brandstofstroom en de monsterstroom bij te stellen; |
|
i) |
bij elke nieuwe afstelling moet de zuurstofinterferentie opnieuw worden bepaald. |
9.3.8. Doelmatigheid van de niet-methaancutter (NMC)
De NMC wordt gebruikt voor het verwijderen van andere koolwaterstoffen dan methaan uit het gasmonster, namelijk door oxidering van alle koolwaterstoffen behalve methaan. In het ideale geval bedraagt de methaanconversie 0 % en loopt de conversie van de andere koolwaterstoffen, vertegenwoordigd door ethaan, op tot 100 %. Voor de nauwkeurige meting van de NMHC worden beide rendementen bepaald en gebruikt voor de berekening van het NMHC-emissiemassadebiet (zie punt 8.6.2).
9.3.8.1. Doelmatigheid van de methaanconversie
Het methaankalibratiegas wordt wel en niet via de NMC door de FID geleid en in beide gevallen wordt de concentratie geregistreerd. De doelmatigheid wordt dan als volgt bepaald:
|
|
(75) |
waarin:
|
c HC(w/NMC) |
= |
de HC-concentratie als CH4 door de NMC stroomt (ppm C); |
|
c HC(w/o NMC) |
= |
de HC-concentratie als CH4 niet door de NMC stroomt (ppm C). |
9.3.8.2. Doelmatigheid van de ethaanconversie
Het ethaankalibratiegas wordt wel en niet via de NMC door de FID geleid en in beide gevallen wordt de concentratie geregistreerd. De doelmatigheid wordt dan als volgt bepaald:
|
|
(76) |
waarin:
|
c HC(w/NMC) |
= |
de HC-concentratie als C2H6 door de NMC stroomt (ppm C); |
|
c HC(w/o NMC) |
= |
de HC-concentratie als C2H6 niet door de NMC stroomt (ppm C). |
9.3.9. Interferentie-effecten
Andere gassen dan het te analyseren gas kunnen de aflezing op verscheidene wijzen beïnvloeden. Positieve interferentie treedt op bij NDIR-instrumenten wanneer het storende gas hetzelfde effect heeft als het te meten gas, maar in mindere mate. Negatieve interferentie treedt op in NDIR-instrumenten doordat het interfererende gas de absorptieband van het te meten gas verbreedt en in CLD-instrumenten doordat het interfererende gas de reactie onderdrukt. De in de punten 9.3.9.1 en 9.3.9.3 bedoelde interferentiecontroles moeten worden uitgevoerd vóór de eerste ingebruikneming van een analysator en na grote onderhoudsbeurten.
9.3.9.1. Interferentiecontrole van de CO-analysator
Water en CO2 kunnen de prestaties van de CO-analysator beïnvloeden. Daarom wordt een CO2-ijkgas met een concentratie van 80 tot 100% van de volledige schaal in het maximumwerkgebied dat bij de test wordt gebruikt, door water op kamertemperatuur geleid en de respons van de analysator wordt genoteerd. De analysatorrespons mag niet meer dan 2% van de tijdens de test verwachte gemiddelde CO-concentratie bedragen.
De interferentieprocedures voor CO2 en H2O kunnen ook afzonderlijk worden gevolgd. Als de gebruikte CO2- en H2O-niveaus hoger zijn dan de tijdens de test verwachte maximumniveaus, wordt elke waargenomen interferentiewaarde verlaagd door deze waarde te vermenigvuldigen met het quotiënt van de verwachte maximumconcentratie en de bij deze procedure daadwerkelijk gebruikte concentratie. Bij de afzonderlijke interferentieprocedures mogen H2O-concentraties worden gebruikt die lager zijn dan de tijdens de test verwachte maximumniveaus, mits de waargenomen H2O-interferentie wordt verhoogd door deze waarde te vermenigvuldigen met het quotiënt van de verwachte maximumconcentratie aan H2O en de bij deze procedure daadwerkelijk gebruikte concentratie. De som van de twee bijgestelde interferentiewaarden moet voldoen aan de in dit punt gespecificeerde tolerantie.
9.3.9.2. Dempingscontrole van de NOx-analysator: CLD-analysator
De twee relevante gassen voor CLD- (en HCLD-)analysatoren zijn CO2 en waterdamp. De dempingsresponsen op deze gassen zijn evenredig met de concentratie ervan. Er zijn derhalve testtechnieken nodig om de demping bij de verwachte hoogste concentraties tijdens de test te bepalen. Als de CLD-analysator gebruikmaakt van compensatiealgoritmen voor demping waarvoor meetinstrumenten voor H2O en/of CO2 worden gebruikt, wordt de demping beoordeeld terwijl deze instrumenten zijn ingeschakeld en de compensatiealgoritmen worden toegepast.
9.3.9.2.1. Dempingscontrole voor CO2
Een CO2-ijkgas met een concentratie van 80 tot 100% van de volledige schaal van het maximumwerkgebied moet door de NDIR-analysator worden gevoerd en de CO2-waarde moet als A worden genoteerd. Vervolgens wordt het gas verdund met 50% NO-ijkgas en door de NDIR en de CLD gevoerd, waarbij de CO2- en NO-waarden respectievelijk worden genoteerd als B en C. De CO2-toevoer wordt afgesloten en alleen het NO-ijkgas wordt door de (H)CLD geleid. De NO-waarde wordt als D genoteerd.
Het dempingspercentage wordt als volgt berekend:
|
|
(77) |
waarin:
|
A |
= |
de met de NDIR gemeten onverdunde CO2-concentratie (%); |
|
B |
= |
de met de NDIR gemeten verdunde CO2-concentratie (%); |
|
C |
= |
de met de (H)CLD gemeten verdunde NO-concentratie (ppm); |
|
D |
= |
de met de (H)CLD gemeten onverdunde NO-concentratie (ppm). |
Met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie zijn alternatieve methoden toegestaan voor het verdunnen van het CO2- en NO-ijkgas en het kwantificeren van de concentratie ervan, zoals bv. dynamisch mengen.
9.3.9.2.2. Controle van de waterdemping
Deze controle is uitsluitend van toepassing op de meting van natte-gasconcentraties. Voor de berekening van de waterdemping moet het NO-ijkgas met waterdamp worden verdund en moet de waterdampconcentratie van het mengsel stapsgewijs worden gebracht op de waarde die tijdens de test wordt verwacht.
Een NO-ijkgas met een concentratie van 80 tot 100% van de volledige schaal in het normale werkgebied moet door de (H)CLD worden gevoerd en de NO-waarde moet als D worden genoteerd. Het NO-ijkgas moet door water op kamertemperatuur worden geleid en door de (H)CLD, waarbij de NO-waarde als C wordt genoteerd. De watertemperatuur moet worden vastgesteld en als F worden genoteerd. De verzadigde dampdruk van het mengsel bij de watertemperatuur van de bubbler (F) moet worden vastgesteld en als G worden genoteerd.
De waterdampconcentratie van het mengsel (in %) moet op de volgende wijze worden berekend:
|
|
(78) |
en als H worden genoteerd. De verwachte verdunde NO-ijkgasconcentratie (in waterdamp) moet als volgt worden berekend:
|
|
(79) |
en als D e worden genoteerd. De tijdens de test verwachte maximumwaterdampconcentratie in het uitlaatgas (in %) moet worden geraamd op grond van de maximale CO2-concentratie in het uitlaatgas A, en wel als volgt:
|
|
(80) |
en als H m worden genoteerd.
Het waterdempingspercentage wordt als volgt berekend:
|
|
(81) |
waarin:
|
D e |
= |
de verwachte verdunde NO-concentratie (ppm); |
|
C |
= |
de gemeten verdunde NO-concentratie (ppm); |
|
H m |
= |
de maximale waterdampconcentratie (%); |
|
H |
= |
de werkelijke waterdampconcentratie (%). |
9.3.9.2.3. Maximaal toelaatbare demping
De gecombineerde CO2- en waterdemping mag niet meer dan 2% van de volledige schaal bedragen.
9.3.9.3. Dempingscontrole van de NOx-analysator: NDUV-analysator
Koolwaterstoffen en H2O kunnen positief interfereren met een NDUV-analysator door een soortgelijke respons als NOx te veroorzaken. Als de NDUV-analysator gebruikmaakt van compensatiealgoritmen waarvoor metingen van andere gassen worden gebruikt om deze interferentie te controleren, moeten deze metingen simultaan worden verricht om de algoritmen tijdens de controle van de interferentie van de analysator te testen.
9.3.9.3.1. Procedure
De NDUV-analysator wordt volgens de instructies van de fabrikant gestart, bediend, op nul gezet en geijkt. Aanbevolen wordt voor deze controle uitlaatgas aan de motor te onttrekken. Voor de kwantificering van de NOx in het uitlaatgas wordt een CLD gebruikt. De CLD-respons wordt gebruikt als referentiewaarde. Ook moet de HC in het uitlaatgas worden gemeten met een FID-analysator. De FID-respons wordt gebruikt als referentiewaarde voor koolwaterstof.
Indien tijdens de test een monsterdroger wordt gebruikt, wordt het motoruitlaatgas vóór die droger in de NDUV-analysator geleid. De analysator wordt enige tijd met rust gelaten om de respons te laten stabiliseren. De tijd die nodig is om de verbindingsbuis te reinigen en rekening te houden met de analysatorrespons, mag bij de stabilisatietijd worden gerekend. Terwijl alle analysatoren de concentratie van het monster meten, worden 30 seconden van de bemonsterde gegevens geregistreerd en worden de rekenkundige gemiddelden voor de drie analysatoren berekend.
De gemiddelde waarde van de CLD wordt afgetrokken van de gemiddelde waarde van de NDUV. Dit verschil wordt vermenigvuldigd met het quotiënt van de verwachte gemiddelde HC-concentratie en de tijdens de controle gemeten HC-concentratie:
|
|
(82) |
waarin:
|
c NOx,CLD |
= |
de met de CLD gemeten NOx-concentratie (ppm); |
|
c NOx,NDUV |
= |
de met de NDUV gemeten NOx-concentratie (ppm); |
|
c HC,e |
= |
de verwachte maximale HC-concentratie (ppm); |
|
c HC,m |
= |
de gemeten HC-concentratie (ppm). |
9.3.9.3.2. Maximaal toelaatbare demping
De gecombineerde HC- en waterdemping mag niet meer dan 2% van de tijdens de test verwachte NOx-concentratie bedragen.
9.3.9.4. Monsterdroger
Met een monsterdroger wordt water verwijderd dat de NOx-meting kan beïnvloeden.
9.3.9.4.1. Doelmatigheid van de monsterdroger
Voor droge CLD-analysatoren moet worden aangetoond dat de monsterdroger ervoor zorgt dat bij de hoogste verwachte waterdampconcentratie H m (zie punt 9.3.9.2.2) de CLD-vochtigheid op ≤ 5 g water/kg droge lucht (of ongeveer 0,008 % H2O) blijft, wat gelijk is aan 100 % relatieve vochtigheid bij 3,9 °C en 101,3 kPa. Dit is tevens gelijk aan ongeveer 25 % relatieve vochtigheid bij 25 °C en 101,3 kPa. Dit kan worden aangetoond door de temperatuur bij de uitlaat van een thermische ontvochtiger te meten of door de vochtigheid vlak voor de CLD te meten. Het is ook mogelijk de vochtigheid van de CLD-uitlaat te meten, zolang de enige stroom die de CLD binnengaat, afkomstig is van de ontvochtiger.
9.3.9.4.2. NO2-opname door monsterdroger
Door vloeibaar water dat in een verkeerd ontworpen monsterdroger achterblijft, kan NO2 uit het monster worden verwijderd. Als een monsterdroger in combinatie met een NDUV-analysator wordt gebruikt, zonder dat voor de droger een NO2/NO-omzetter is geplaatst, kan NO2 uit het monster worden verwijderd vóór de NOx-meting.
De monsterdroger moet zodanig zijn ontworpen dat bij de maximaal verwachte concentratie NO2 ten minste 95% van de totale NO2 kan worden gemeten.
9.3.10. Bemonstering van ruwe gasvormige emissies, indien van toepassing
De sondes voor bemonstering van gasvormige emissies moeten ten minste 0,5 m of driemaal de diameter van de uitlaatpijp (de grootste waarde is van toepassing) vanaf het einde van het uitlaatsysteem en voldoende dicht bij de motor worden geplaatst, zodat de uitlaatgastemperatuur bij de sonde ten minste 343 K (70 °C) bedraagt.
Bij een motor met meerdere cilinders en een vertakt uitlaatspruitstuk moet de inlaat van de sonde ver genoeg in de uitlaat worden geplaatst, zodat het monster representatief is voor de gemiddelde uitlaatemissies van alle cilinders. Bij motoren met meerdere cilinders die afzonderlijke spruitstukken hebben, zoals V-motoren, wordt aanbevolen de spruitstukken vóór de bemonsteringssonde te combineren. Indien dit niet praktisch is, mag een monster worden genomen van de groep met de hoogste CO2-emissie. Bij de berekening van de uitlaatemissie moet worden uitgegaan van de totale uitlaatmassastroom.
Indien de motor met een uitlaatgasnabehandelingssysteem is uitgerust, moet het uitlaatgasmonster voorbij die voorziening worden genomen.
9.3.11. Bemonstering van verdunde gasvormige emissies, indien van toepassing
De uitlaatpijp tussen de motor en het volledige-stroomverdunningssysteem moet voldoen aan de voorschriften van aanhangsel 2. De bemonsteringssonde(s) voor de gasvormige emissies wordt/worden in de verdunningstunnel geplaatst op een punt waar het verdunningsmiddel en het uitlaatgas goed vermengd zijn en dicht bij de deeltjesbemonsteringssonde.
In het algemeen kan de bemonstering op twee manieren gebeuren:
|
a) |
de emissies worden tijdens de cyclus bemonsterd in een bemonsteringszak en na voltooiing van de test gemeten; voor HC moet de bemonsteringszak worden verhit tot 464 ± 11 K (191 ± 11 °C) en voor NOx moet de temperatuur van de bemonsteringszak boven het dauwpunt liggen; |
|
b) |
de emissies worden continu bemonsterd en gedurende de cyclus geïntegreerd. |
De achtergrondconcentratie wordt vóór de verdunningstunnel overeenkomstig punt a) of b) bepaald en overeenkomstig punt 8.5.2.3.2 van de emissieconcentratie afgetrokken.
9.4. Deeltjesmeet- en bemonsteringssysteem
9.4.1. Algemene specificaties
Om de massa van de deeltjes vast te stellen, zijn een deeltjesverdunnings- en bemonsteringssysteem, een deeltjesbemonsteringsfilter, een microgrambalans en een weegkamer met constante temperatuur en vochtigheid nodig. Het deeltjesbemonsteringssysteem moet een representatief monster van de deeltjes garanderen, evenredig met de uitlaatgasstroom.
9.4.2. Algemene voorschriften voor het verdunningssysteem
Voor het bepalen van de deeltjes moet het monster worden verdund met gefiltreerde omgevingslucht, synthetische lucht of stikstof (het verdunningsmiddel). Het verdunningssysteem wordt als volgt ingesteld:
|
a) |
verwijder alle watercondens uit het verdunnings- en bemonsteringssysteem; |
|
b) |
houdt de temperatuur van het verdunde uitlaatgas in een gebied van 20 cm vóór tot 20 cm na de filterhouder(s) tussen 315 K (42°C) en 325 K (52°C); |
|
c) |
de temperatuur van het verdunningsmiddel moet vlak bij de ingang van de verdunningstunnel tussen 293 K (20°C) en 315 K (42°C) liggen; |
|
d) |
de minimale verdunningsverhouding moet tussen 5:1 en 7:1 liggen en voor de primaire oplosfase ten minste 2:1 bedragen op basis van het maximale uitlaatgasdebiet van de motor; |
|
e) |
bij een partiële-stroomverdunningssysteem moet de retentietijd in het systeem vanaf het punt waar het verdunningsmiddel in de filterhouder(s) wordt geleid, tussen 0,5 en 5 seconden bedragen; |
|
f) |
bij een volledige-stroomverdunningssysteem moet de totale retentietijd in het systeem vanaf het punt waar het verdunningsmiddel in de filterhouder(s) wordt geleid, tussen 1 en 5 seconden bedragen; indien een secundair verdunningssysteem wordt gebruikt, moet de retentietijd in dat systeem vanaf het punt waar het secundaire verdunningsmiddel in de filterhouder(s) wordt geleid, ten minste 0,5 seconden bedragen. |
Het verdunningsmiddel mag vóór instroming in het verdunningssysteem worden gedroogd; dit is met name nuttig als het verdunningsmiddel een hoge vochtigheidsgraad heeft.
9.4.3. Deeltjesbemonstering
9.4.3.1. Partiële-stroomverdunningssysteem
De deeltjesbemonsteringssonde moet vlak bij de sonde voor de bemonstering van de gasvormige emissies worden geplaatst, maar op voldoende afstand om geen storingen te veroorzaken. Daarom zijn de installatievoorschriften van punt 9.3.10 ook van toepassing op deeltjesbemonstering. De bemonsteringsleiding moet voldoen aan de voorschriften van aanhangsel 2.
Bij een motor met meerdere cilinders en een vertakt uitlaatspruitstuk moet de inlaat van de sonde ver genoeg in de uitlaat worden geplaatst, zodat het monster representatief is voor de gemiddelde uitlaatemissies van alle cilinders. Bij motoren met meerdere cilinders die afzonderlijke spruitstukken hebben, zoals V-motoren, wordt aanbevolen de spruitstukken vóór de bemonsteringssonde te combineren. Indien dit niet praktisch is, mag een monster van de groep met de hoogste deeltjesemissie worden genomen. Bij de berekening van de uitlaatemissie moet worden uitgegaan van de totale uitlaatmassastroom van het spruitstuk.
9.4.3.2. Volledige-stroomverdunningssysteem
De deeltjesbemonsteringssonde moet vlak bij de sonde voor de bemonstering van de gasvormige emissies in de verdunningstunnel worden geplaatst, maar op voldoende afstand om geen storingen te veroorzaken. Daarom zijn de installatievoorschriften van punt 9.3.11 ook van toepassing op deeltjesbemonstering. De bemonsteringsleiding moet voldoen aan de voorschriften van aanhangsel 2.
9.4.4. Deeltjesbemonsteringsfilters
Het verdunde uitlaatgas wordt bemonsterd met een filter dat tijdens de testreeks aan de voorschriften van de punten 9.4.4.1 tot en met 9.4.4.3 voldoet.
9.4.4.1. Filterspecificaties
Alle filtertypen moeten een 0,3 μm-DOP-(dioctylftalaat)-of PAO-(poly-alfa-olefine)-opvangrendement van ten minste 99 % hebben. De door de fabrikanten van bemonsteringsfilters verrichte metingen die in hun productratings tot uiting komen, mogen worden gebruikt om aan te tonen dat aan deze eis is voldaan. Het filter moet gemaakt zijn van een van de volgende materialen:
|
a) |
met fluorkoolstof (PTFE) gecoate glasvezel, of |
|
b) |
een membraan van fluorkoolstof (PTFE). |
9.4.4.2. Filtergrootte
Het filter moet rond zijn en een nominale diameter van 47 mm (tolerantie: 46,50 ± 0,6 mm) en een blootgestelde diameter (werkzame diameter) van ten minste 38 mm hebben.
9.4.4.3. Aanstroomsnelheid door het filter
De aanstroomsnelheid door het filter moet 0,90 tot 1,00 m/s bedragen en minder dan 5% van de geregistreerde stroomsnelheden mag dit bereik overschrijden. Als de totale massa van het deeltjesmateriaal op het filter meer dan 400 μg bedraagt, mag de aanstroomsnelheid door het filter worden teruggebracht tot 0,50 m/s. De aanstroomsnelheid wordt berekend als het volumedebiet van het monster bij de druk vóór het filter en de temperatuur van het filteroppervlak, gedeeld door het blootgestelde oppervlak van het filter.
9.4.5. Specificaties van de weegkamer en de analytische balans
De atmosfeer in de kamer (of ruimte) moet vrij zijn van vuildeeltjes (zoals stof, aerosolen of halfvluchtig materiaal) die de deeltjesfilters kunnen verontreinigen. De weegkamer moet gedurende ten minste 60 minuten vóór het wegen van de filters aan de specificaties beantwoorden.
9.4.5.1. Weegkameromstandigheden
De kamer (of ruimte) waarin de deeltjesfilters worden geconditioneerd en gewogen, moet gedurende het conditioneren en wegen van de filters op een temperatuur van 295 ± 1 K (22 ± 1 °C) worden gehouden. De vochtigheid moet op een dauwpunt van 282,5 ± 1 K (9,5 ± 1 °C) worden gehouden.
Als de stabilisatie in een andere omgeving plaatsvindt dan de weging, moet de temperatuur van de stabilisatieomgeving op 295 ± 3 K (22 ± 3 °C) worden gehouden; voor het dauwpunt geldt echter ook in dit geval het voorschrift van 282,5 ± 1 K (9,5 ± 1 °C).
De vochtigheid en omgevingstemperatuur moeten worden geregistreerd.
9.4.5.2. Wegen van het referentiefilter
Er moeten ten minste twee ongebruikte referentiefilters worden gewogen binnen twaalf uur na maar bij voorkeur op hetzelfde tijdstip als de weging van het bemonsteringsfilter. De referentiefilters moeten van hetzelfde materiaal zijn als de bemonsteringsfilters. De wegingen moeten voor opwaartse druk worden gecorrigeerd.
Indien het gewicht van een van de referentiefilters tussen het wegen van de bemonsteringsfilters met meer dan 10 μg verandert, moeten alle bemonsteringsfilters worden verwijderd en wordt de emissietest herhaald.
De referentiefilters worden naar goede ingenieursinzichten periodiek vervangen, maar ten minste een keer per jaar.
9.4.5.3. Analytische balans
De voor het wegen van de filters gebruikte analytische balans moet voldoen aan de eisen voor lineariteitscontrole in tabel 7 van punt 9.2. Dat houdt in dat de nauwkeurigheid (standaarddeviatie) ten minste 2 μg en de resolutie ten minste 1 μg (1 cijfer = 1 μg) moet zijn.
Met het oog op een nauwkeurige weging van het filter wordt de volgende installatie van de balans aanbevolen:
|
a) |
plaats de balans op een trillingsisolatieplatform om haar tegen geluiden en trillingen van buitenaf te beschermen; |
|
b) |
bescherm de balans met een elektrisch geaard tochtscherm met statische dissipatie tegen convectieve luchtstromen. |
9.4.5.4. Eliminering van statische-elektriciteitseffecten
Het filter moet voor het wegen worden geneutraliseerd met bijvoorbeeld polonium of een andere voorziening met hetzelfde effect. Als een PTFE-membraanfilter wordt gebruikt, moet de statische elektriciteit worden gemeten en wordt aanbevolen deze binnen ± 2,0 V van neutraal te houden.
In de omgeving van de balans moet de statische elektrische lading zoveel mogelijk worden beperkt. Hiervoor kunnen de volgende methoden worden toegepast:
|
a) |
de balans moet elektrisch geaard zijn; |
|
b) |
als de deeltjesmonsters handmatig worden verplaatst, moeten pincetten van roestvrij staal worden gebruikt; |
|
c) |
de pincetten moeten van een aardingskabel voorzien zijn of de operateur moet met een aardingskabel worden verbonden, zodat de aardingskabel en de balans een gemeenschappelijke aarding hebben. De aardingskabels moeten van een behoorlijke weerstand voorzien zijn om de operateur tegen onbedoelde schokken te beschermen. |
9.4.5.5. Aanvullende specificaties
Alle delen van het verdunningssysteem en het bemonsteringssysteem vanaf de uitlaatpijp tot en met de filterhouder die in contact zijn met het ruwe en het verdunde uitlaatgas, moeten zodanig zijn ontworpen dat afzetting of wijziging van de deeltjes tot een minimum wordt beperkt. Alle delen moeten gemaakt zijn van elektrisch geleidende materialen die niet met de uitlaatgasbestanddelen reageren, en moeten elektrisch worden geaard om elektrostatische effecten te voorkomen.
9.4.5.6. Kalibratie van de stroommeetinstrumenten
Elke in een deeltesbemonsterings- of partiële-stroomverdunningssysteem gebruikte stroommeter moet zo vaak als nodig is worden onderworpen aan de lineariteitscontrole van punt 9.2.1 om aan de nauwkeurigheidseisen van dit reglement te voldoen. Voor de debietreferentiewaarden moet een nauwkeurige stroommeter worden gebruikt die voldoet aan internationale en/of nationale normen. Zie punt 9.4.6.2 voor de kalibratie van de differentiaalstroommeting.
9.4.6. Speciale voorschriften voor het partiële-stroomverdunningssysteem
Het partiële-stroomverdunningssysteem moet zijn ontworpen om een proportioneel monster van het ruwe uitlaatgas uit de uitlaatgasstroom te kunnen nemen en aldus op de uitwijkingen in het uitlaatgasdebiet te reageren. Het is hiervoor van essentieel belang dat de verdunningsverhouding r d of de bemonsteringsverhouding r s zodanig wordt bepaald dat aan de nauwkeurigheidseisen van punt 9.4.6.2 wordt voldaan.
9.4.6.1. Systeemresponstijd
Voor de controle van een partiële-stroomverdunningssysteem is een snelle systeemrespons vereist. De omzettingstijd voor het systeem wordt bepaald volgens de procedure in punt 9.4.6.6. Indien de omzettingstijd van de uitlaatgasdebietmeting (zie punt 8.4.1.2) en het partiële-stroomsysteem gecombineerd 0,3 seconden of minder bedraagt, moet met onlinecontrole worden gewerkt. Indien de omzettingstijd meer dan 0,3 seconden bedraagt, moet gebruik worden gemaakt van anticiperende controle volgens een vooraf vastgelegde testprocedure. In dit geval moet de gecombineerde stijgtijd ≤ 1 seconde zijn en de gecombineerde reactietijd ≤ 10 seconden.
De totale systeemrespons moet een representatief monster van de deeltjes (q mp,i) garanderen, evenredig met het uitlaatgasmassadebiet. Om de evenredigheid te bepalen, wordt een regressieanalyse van q mp,i versus q mew,i uitgevoerd met een gegevensverzamelingssnelheid van ten minste 5 Hz, waarbij aan de volgende criteria moet worden voldaan:
|
a) |
de determinatiecoëfficiënt r 2 van de lineaire regressie tussen q mp,i en q mew,i bedraagt ten minste 0,95; |
|
b) |
de standaardafwijking van de schattingswaarde van q mp,i over q mew,i bedraagt maximaal 5% van het maximum van q mp; |
|
c) |
het q mp-afsnijpunt van de regressierechte bedraagt maximaal ± 2% van het maximum van q mp. |
Anticiperende controle is vereist indien de omzettingstijd van het deeltjessysteem (t 50,P) en het uitlaatgasmassadebietsignaal (t 50,F) gecombineerd groter is dan 0,3 seconden. In dit geval moet een voortest worden uitgevoerd en het uitlaatgasmassadebietsignaal van deze voortest worden gebruikt om de monsterstroom naar het deeltjessysteem te controleren. Voor een correcte controle van het partiële-stroomsysteem moet het tijddiagram van q mew,pre van de voortest, die q mp controleert, worden verschoven met een anticipatietijd ("look ahead") van t 50,P + t 50,F.
Om de correlatie tussen q mp,i en q mew,i vast te stellen, wordt gebruikgemaakt van de gegevens die tijdens de eigenlijke test worden verzameld (tijdalignering van q mew,i op t 50,F voor q mp,i; t 50,P speelt bij de tijdalignering geen rol). Met andere woorden, de tijdsverschuiving tussen q mew en q mp is het verschil tussen hun respectieve omzettingstijden die werden vastgesteld in punt 9.4.6.6.
9.4.6.2. Specificaties voor de differentiaalstroommeting
Bij partiële-stroomverdunningssystemen is de nauwkeurigheid van de monsterstroom q mp van bijzonder belang indien deze niet rechtstreeks wordt gemeten, maar door een differentiaalstroommeting wordt bepaald.
|
|
(83) |
In dit geval moet de maximumfout in het verschil zodanig zijn dat de nauwkeurigheid van q mp binnen ± 5 % ligt, wanneer de verdunningsverhouding minder dan 15 is. Deze kan afzonderlijk worden berekend door het bepalen van het kwadratisch gemiddelde van de fouten van elk instrument.
Een aanvaardbare nauwkeurigheid van q mp kan worden verkregen met een van de volgende methoden:
|
a) |
de absolute nauwkeurigheid van q mdew en q mdw bedraagt ± 0,2 %, hetgeen een nauwkeurigheid van q mp van ≤ 5 % bij een verdunningsverhouding van 15 mogelijk maakt. Bij hogere verdunningsverhoudingen zullen echter grotere fouten optreden. |
|
b) |
de kalibratie van q mdw ten opzichte van q mdew wordt zodanig uitgevoerd dat de nauwkeurigheid van q mp even groot is als onder a). Zie punt 9.4.6.3 voor nadere gegevens; |
|
c) |
de nauwkeurigheid van q mp wordt indirect berekend uit de nauwkeurigheid van de verdunningsverhouding zoals bepaald door een indicatorgas, bv. CO2. Er is een even grote nauwkeurigheid van q mp als bij methode a) vereist; |
|
d) |
de absolute nauwkeurigheid van q mdew en q mdw ligt binnen ± 2 % van het volledige schaalbereik, waarbij de maximumfout in het verschil tussen q mdew en q mdw binnen 0,2 % ligt en de lineariteitsfout binnen ± 0,2 % van de hoogste tijdens de test waargenomen q mdew ligt. |
9.4.6.3. Kalibratie van de differentiaalstroommeting
De stroommeter of de stroommeetinstrumenten moeten volgens een van de volgende procedures worden gekalibreerd, en wel zodanig dat de bemonsteringsstroom q mp naar de tunnel aan de nauwkeurigheidseisen van punt 9.4.6.2 voldoet:
|
a) |
de stroommeter voor q mdw wordt in serie geplaatst met de stroommeter voor q mdew; het verschil tussen beide stroommeters wordt voor ten minste vijf instelpunten gekalibreerd, waarbij de stroomwaarden liggen op gelijke afstanden tussen de laagste waarde voor q mdw tijdens de test en de waarde voor q mdew tijdens de test. Omleiding om de verdunningstunnel is toegestaan; |
|
b) |
een gekalibreerd stroommeetapparaat wordt in serie geplaatst met de stroommeter voor q mdew, en de nauwkeurigheid wordt gecontroleerd voor de tijdens de test gebruikte waarde. Het gekalibreerde stroommeetapparaat wordt in serie geplaatst met de stroommeter voor q mdw, en de nauwkeurigheid wordt gecontroleerd van ten minste vijf instellingen die corresponderen met een verdunningsverhouding tussen 3 en 50, gerelateerd aan de tijdens de test gebruikte q mdew; |
|
c) |
de verbindingsleiding (TT) wordt van de uitlaat losgekoppeld, en een gekalibreerd stroommeetapparaat met een voor q mp geschikt bereik wordt aan de verbindingsleiding gekoppeld. Vervolgens wordt q mdew ingesteld op de tijdens de test te gebruiken waarde en wordt q mdw achtereenvolgens ingesteld op ten minste vijf waarden die corresponderen met verdunningsverhoudingen tussen 3 en 50. Als alternatief mag voor de kalibratie een speciaal stroomtraject buiten de tunnel om worden aangebracht, waarbij echter wel de totale stroom en de verdunningsmiddelstroom door de bijbehorende meters moeten worden geleid zoals bij de eigenlijke test; |
|
d) |
een indicatorgas wordt in verbindingsleiding TT geleid. Dit indicatorgas kan een bestanddeel van het uitlaatgas zijn, zoals CO2 of NOx. Na verdunning in de tunnel wordt het indicatorgasbestanddeel gemeten. Dit moet worden uitgevoerd voor vijf verdunningsverhoudingen tussen 3 en 50. De nauwkeurigheid van de monsterstroom wordt bepaald op basis van verdunningsverhouding r d:
|
Om de nauwkeurigheid van q mp te kunnen waarborgen, moet rekening worden gehouden met de nauwkeurigheid van de gasanalyseapparatuur.
9.4.6.4. Controle van de koolstofstroom
Een controle van de koolstofstroom met echte uitlaatgassen wordt sterk aanbevolen om meet- en bedieningsproblemen te detecteren en de werking van het partiële-stroomsysteem te controleren. Ten minste telkens wanneer er een nieuwe motor is geïnstalleerd of wanneer de configuratie van de meetcel op een belangrijk punt is gewijzigd, moet de koolstofstroom worden gemeten.
De motor moet draaien bij het hoogste koppel en toerental of bij een andere modus in stabiele toestand waarbij 5% of meer CO2 wordt geproduceerd. Het partiële-stroombemonsteringssysteem moet functioneren met een verdunningsfactor van circa 15:1.
Indien een controle op de koolstofstroom wordt uitgevoerd, moet de in aanhangsel 4 vastgestelde procedure worden gevolgd. De koolstofdebieten worden berekend met de formules 112 tot en met 114 in aanhangsel 4. Alle koolstofdebieten mogen onderling slechts 3% afwijken.
9.4.6.5. Controle vóór de test
Een voorafgaande controle moet worden uitgevoerd binnen twee uur vóór de eigenlijke test, en wel als volgt.
Met de methode die ook voor de kalibratie wordt gebruikt, moet de nauwkeurigheid van de stroommeters worden gecontroleerd (zie punt 9.4.6.2) voor ten minste twee punten, inclusief de stroomwaarden voor q mdw die corresponderen met verdunningsverhoudingen tussen 5 en 15 voor de tijdens de test toegepaste waarde van q mdew.
Indien aan de hand van eerdere gegevens over de in punt 9.4.6.2 vastgelegde kalibratieprocedure kan worden aangetoond dat de kalibratie van de stroommeters lang stabiel blijft, mag de controle vóór de test vervallen.
9.4.6.6. Bepaling van de omzettingstijd
De instellingen van het systeem voor de controle van de omzettingstijd moeten precies dezelfde zijn als tijdens de metingen van de eigenlijke test. De omzettingstijd moet worden bepaald met de volgende methode.
Een onafhankelijke referentiestroommeter met een voor de bemonsteringsstroom geschikt meetbereik moet in serie worden geplaatst met de sonde en daarmee nauw worden verbonden. Bij de grootte van de bij de responstijdmeting toegepaste stap moet de omzettingstijd van deze stroommeter minder zijn dan 100 ms, waarbij de stroomrestrictie laag genoeg is om het dynamisch vermogen van het partiële-stroomverdunningssysteem onaangetast te laten, terwijl het naar goede ingenieurspraktijk moet worden uitgevoerd.
Op de toevoer van de uitlaatgasstroom (of van de luchtstroom indien de uitlaatgasstroom wordt berekend) van het partiële-stroomverdunningssysteem wordt een abrupte verandering uitgevoerd van een lage stroom naar ten minste 90% van het maximale uitlaatgasdebiet. De abrupte verandering moet op dezelfde wijze worden geactiveerd als de anticiperende beperking bij de eigenlijke test. De impuls voor de abrupte verandering van de uitlaatgasstroom en de respons van de stroommeter moeten worden geregistreerd met een frequentie van ten minste 10 Hz.
Op grond van deze gegevens moet de omzettingstijd voor het partiële-stroomverdunningssysteem worden bepaald; dit is de tijd vanaf het in werking treden van de impuls voor de abrupte verandering tot aan het punt van 50% van de respons van de stroommeter. Op eenzelfde manier moeten de omzettingstijden van het q mp-signaal van het partiële-stroomverdunningssysteem en van het q mew,i-signaal van de uitlaatgasstroommeter worden bepaald. Deze signalen worden gebruikt bij de controle van de regressie die na elke test wordt uitgevoerd (zie punt 9.4.6.1).
De berekening moet ten minste gedurende vijf opwaartse en neerwaartse impulsen worden herhaald, waarna het gemiddelde van de resultaten wordt bepaald. De interne omzettingstijd (< 100 ms) van de referentiestroommeter moet op deze waarde in mindering worden gebracht. Dit is de "anticiperende" waarde van het partiële-stroomverdunningssysteem, die moet worden toegepast overeenkomstig punt 9.4.6.1.
9.5. Kalibratie van het CVS-systeem
9.5.1. Algemeen
Het CVS-systeem wordt gekalibreerd met behulp van een nauwkeurige debietmeter en een instelbare restrictie. De stroom in het systeem wordt bij verschillende drukken gemeten, en tevens worden de afstellingsparameters van het systeem gemeten en aan de gasstromen gerelateerd.
Er mogen verschillende typen stroommeters worden gebruikt, bv. een gekalibreerde venturibuis, een laminaire-stroommeter of een gekalibreerde turbinemeter.
9.5.2. Kalibratie van de verdringerpomp (PDP)
Alle parameters die betrekking hebben op de pomp, worden gelijktijdig gemeten met de parameters die verband houden met een kalibratieventuri die in serie is geschakeld met de pomp. Vervolgens kan de kromme van het berekende debiet (uitgedrukt in m3/s bij de inlaat van de pomp, bij absolute druk en temperatuur) worden uitgezet tegen een correlatiefunctie die overeenkomt met een gegeven combinatie van voor de pomp geldende parameters. Daarna wordt de lineaire formule bepaald die de verhouding tussen het pompdebiet en de correlatiefunctie uitdrukt. Indien de pomp van het CVS-systeem meer dan één pompsnelheid heeft, moet voor iedere gebruikte snelheid een kalibratie worden verricht.
Tijdens het kalibreren moet de temperatuur stabiel worden gehouden.
In alle aansluitingen en leidingen tussen de kalibratieventuri en de CVS-pomp moet de lekkage onder 0,3% van de laagste stroomwaarde (hoogste restrictie en laagste toerental van de verdringerpomp) blijven.
9.5.2.1. Gegevensanalyse
Het luchtdiebiet (q vCVS) bij elke restrictiestand (ten minste zes standen) wordt berekend in m3/s aan de hand van de meetwaarden van de stroommeter volgens de door de fabrikant voorgeschreven methode. Het luchtdebiet wordt dan als volgt omgezet in pompdebiet V 0, weergegeven in m3 per omwenteling bij absolute temperatuur en druk bij de inlaat van de pomp:
|
|
(85) |
waarin:
|
q vCVS |
het luchtdebiet bij standaardomstandigheden (101,3 kPa, 273 K) (m3/s); |
|
T |
= de temperatuur bij de inlaat van de pomp (K); |
|
p p |
= de absolute druk bij de pompinlaat (kPa); |
|
n |
= het toerental van de pomp (omw/s). |
Ter compensatie van de wisselwerking tussen de drukvariaties van de pomp en de pompslip wordt de correlatiefunctie (X 0) tussen het toerental van de pomp, het drukverschil tussen inlaat en uitlaat van de pomp en de absolute druk bij de uitlaat van de pomp berekend met de volgende formule:
|
|
(86) |
waarin:
|
Δp p |
= |
het drukverschil tussen inlaat en uitlaat van de pomp (kPa); |
|
p p |
= |
de absolute druk bij de uitlaat van de pomp (kPa). |
Om de kalibratieformule te verkrijgen, wordt een lineaire aanpassing met de kleinste kwadraten uitgevoerd:
|
|
(87) |
|
D 0 en m |
zijn respectievelijk de ordinaat en de helling die de regressierechten beschrijven. |
Indien het CVS-systeem verschillende bedrijfssnelheden heeft, moet voor iedere snelheid een kalibratie worden verricht. De voor deze snelheden verkregen kalibratiekrommen moeten zo goed als evenwijdig zijn en de ordinaatwaarden bij de oorsprong D 0 moeten toenemen naarmate het debietbereik van de pomp afneemt.
De met de formule berekende waarden moeten binnen ± 0,5 % van de gemeten waarden van V 0 liggen. De waarden van m variëren per pomp. De instroming van deeltjes zal ertoe leiden dat de pompslip na enige tijd vermindert, wat tot lagere waarden voor m leidt. De kalibratie moet daarom worden uitgevoerd bij het in bedrijf stellen van de pomp, na iedere belangrijke onderhoudsbeurt en wanneer bij een controle van het hele systeem een wijziging van de slip wordt vastgesteld.
9.5.3. Kalibratie van de venturibuis met kritische stroming (CFV)
De kalibratie van de CFV is gebaseerd op de debietformule voor een venturibuis met kritische stroming. Het gasdebiet is afhankelijk van de druk en de temperatuur bij de inlaat van de venturibuis.
Om het kritische stromingsgebied te bepalen, wordt een kromme van K v uitgezet als functie van de druk bij de inlaat van de venturibuis. Bij een kritische stroming (gesmoord) heeft K v een betrekkelijk constante waarde. Wanneer de druk afneemt (d.w.z. wanneer de onderdruk toeneemt), komt de venturibuis vrij en neemt K v af, wat aangeeft dat de CFV buiten het toelaatbare gebied werkt.
9.5.3.1. Gegevensanalyse
Het luchtdebiet (q vCVS) bij elke restrictiestand (ten minste acht standen) wordt berekend in m3/s aan de hand van de meetwaarden van de stroommeter volgens de door de fabrikant voorgeschreven methode. De waarden van de kalibratiecoëfficiënt voor elk meetpunt worden berekend met onderstaande formule:
|
|
(88) |
waarin:
|
q vCVS |
het luchtdebiet bij standaardomstandigheden (101,3 kPa, 273 K) (m3/s); |
|
T |
= de temperatuur bij de inlaat van de venturibuis (K); |
|
p p |
= de absolute druk bij de inlaat van de venturibuis (kPa). |
De gemiddelde K v en de standaardafwijking worden berekend. De standaardafwijking mag niet meer dan ± 0,3 % van de gemiddelde K v bedragen.
9.5.4. Kalibratie van de subsonische venturi (SSV)
De kalibratie van de SSV is gebaseerd op de debietformule voor een subsonische venturi. De gasstroom is een functie van de inlaatdruk en -temperatuur, de drukval tussen de inlaat en de hals van de SSV, zoals weergegeven in formule 53 (zie punt 8.5.1.4).
9.5.4.1. Gegevensanalyse
Het luchtdebiet (Q SSV) bij elke restrictiestand (ten minste zestien standen) wordt berekend in m3/s aan de hand van de meetwaarden van de stroommeter volgens de door de fabrikant voorgeschreven methode. De afvoercoëfficiënt wordt als volgt berekend op basis van de kalibratiegegevens voor elk meetpunt:
|
|
(89) |
waarin:
|
Q SSV |
= |
het luchtdebiet bij standaardomstandigheden (101,3 kPa, 273 K) (m3/s); |
|
T |
= |
de temperatuur bij de inlaat van de venturibuis (K); |
|
d V |
= |
de diameter van de SSV-hals (m); |
|
r p |
= |
de verhouding van de SSV-hals tot de absolute statische druk aan de inlaat = |
|
r D |
= |
de verhouding van de diameter van de SSV-hals d V tot de binnendiameter van de inlaat D. |
Om het bereik van de subsonische stroom te berekenen, moet C d worden uitgezet als functie van het Reynoldsgetal (Re) aan de SSV-hals. Re aan de SSV-hals wordt berekend met de volgende formule:
|
|
(90) |
|
waarbij |
|
|
|
(91) |
waarin:
|
A1 |
= |
25,55152 in SI-eenheden van |
|
Q SSV |
= |
het luchtdebiet bij standaardomstandigheden (101,3 kPa, 273 K) (m3/s); |
|
d V |
= |
de diameter van de SSV-hals (m); |
|
μ |
= |
de absolute of dynamische viscositeit van het gas (kg/ms); |
|
b |
= |
1,458 × 106 (ervaringsconstante) (kg/ms K0,5); |
|
S |
= |
110,4 (ervaringsconstante) (K). |
Omdat Q SSV in de Re-formule wordt ingevoerd, moeten de berekeningen eerst uitgaan van een aanname voor Q SSV of C d van de kalibratieventuri, en moeten deze worden herhaald tot Q SSV convergeert. De convergentiemethode moet tot op 0,1 % nauwkeurig zijn of beter.
Van ten minste 16 punten in het gebied van de subsonische stroom moeten de uit de resulterende, optimaal op de kalibratiekromme passende formule berekende waarden voor C d voor elk kalibratiepunt liggen binnen ± 0,5 % van de gemeten waarde voor C d.
9.5.5. Controle van het hele systeem
De totale nauwkeurigheid van de CVS-bemonsterings- en analyseapparatuur wordt bepaald door een bekende massa verontreinigend gas in het systeem te brengen terwijl dit normaal werkt. Vervolgens wordt de analyse uitgevoerd en wordt de massa verontreinigend gas berekend overeenkomstig punt 8.5.2.3, behalve voor propaan, waarvoor een factor u van 0,000472 wordt gebruikt in plaats van 0,000480 voor HC. Daarbij wordt een van de volgende twee technieken toegepast.
9.5.5.1. Meting met behulp van een opening met kritische stroming
In het CVS-systeem wordt via een opening met gekalibreerde kritische stroming een bekende hoeveelheid zuiver gas (koolmonoxide of propaan) gebracht. Indien de inlaatdruk voldoende hoog is, is het door de opening geregelde debiet onafhankelijk van de uitlaatdruk van de opening (kritische stromingsomstandigheden). Men laat het CVS-systeem gedurende vijf tot tien minuten werken zoals bij een normale uitlaatemissietest. Vervolgens wordt een gasmonster geanalyseerd met de gebruikelijke apparatuur (bemonsteringszak of integratiemethode) om de massa van het gas te berekenen.
De aldus bepaalde massa mag niet meer dan ± 3 % afwijken van de bekende massa van het ingespoten gas.
9.5.5.2. Meting met behulp van een gravimetrische methode
De massa van een kleine met koolmonoxide of propaan gevulde fles wordt bepaald met een nauwkeurigheid van ± 0,01 g. Gedurende 5 tot 10 minuten laat men het CVS-systeem werken zoals bij een normale uitlaatemissietest, terwijl in het systeem koolmonoxide of propaan wordt ingespoten. De in de apparatuur gebrachte hoeveelheid zuiver gas wordt bepaald door het massaverschil van de fles te meten. Vervolgens wordt een gasmonster geanalyseerd met de gebruikelijke apparatuur (bemonsteringszak of integratiemethode) om de massa van het gas te berekenen.
De aldus bepaalde massa mag niet meer dan ± 3 % afwijken van de bekende massa van het ingespoten gas.
10. Testprocedure voor deeltjesaantalmeting
10.1. Bemonstering
De deeltjesaantalemissies worden gemeten door continue bemonstering via hetzij een partiële-stroomverdunningssysteem zoals beschreven in aanhangsel 2, punten A.2.2.1 en A.2.2.2, hetzij een volledige-stroomverdunningssysteem zoals beschreven in aanhangsel 2, punten A.2.2.3 en A.2.2.4.
10.1.1. Filtratie van het verdunningsmiddel
Het verdunningsmiddel dat voor zowel de primaire als, in voorkomend geval, de secundaire verdunning van het uitlaatgas in het verdunningssysteem wordt gebruikt, wordt door filters gevoerd die voldoen aan de voorschriften voor deeltjesfilters met hoog rendement (HEPA-filters) zoals vastgesteld in aanhangsel 2, punt A.2.2.2 of A.2.2.4. Het verdunningsmiddel mag eventueel koolstof zijn dat wordt gewassen voordat het door het HEPA-filter wordt gevoerd om de koolwaterstofconcentraties in het verdunningsmiddel te verminderen en te stabiliseren. Aanbevolen wordt om vóór het HEPA-filter en na de eventueel gebruikte koolstofwasser een extra grovedeeltjesfilter te plaatsen.
10.2. Compensatie voor de deeltjesaantalmonsterstroom bij volledige-stroomverdunningssystemen
Ter compensatie van de massastroom die voor deeltjesaantalbemonstering aan het verdunningssysteem wordt onttrokken, wordt de onttrokken (gefiltreerde) massastroom naar het verdunningssysteem teruggevoerd. Als alternatief mag de totale massastroom in het verdunningssysteem mathematisch voor de onttrokken deeltjesaantalmonsterstroom worden gecorrigeerd. Indien de totale massastroom die voor de deeltjesaantal- en de deeltjesmassabemonstering samen aan het verdunningssysteem wordt onttrokken, minder dan 0,5% van de totale verdunde uitlaatgasstroom in de verdunningstunnel (med) bedraagt, mag deze correctie of terugvoer achterwege worden gelaten.
10.3. Compensatie voor de deeltjesaantalmonsterstroom bij partiële-stroomverdunningssystemen
10.3.1. Bij partiële-stroomverdunningssystemen wordt de voor deeltjesaantalbemonstering aan het verdunningssysteem onttrokken massastroom bij het controleren van de evenredigheid van de bemonstering gecompenseerd. Dit is mogelijk door hetzij de deeltjesaantalmonsterstroom vóór de stroommeter naar het verdunningssysteem terug te voeren, hetzij door mathematische correctie zoals beschreven in punt 10.3.2. In het geval van partiële-stroomverdunningssystemen voor totale bemonstering wordt de voor deeltjesaantalbemonstering onttrokken massastroom bij de deeltjesmassaberekening eveneens gecorrigeerd zoals beschreven in punt 10.3.3.
10.3.2. Het momentane uitlaatgasdebiet naar het verdunningssysteem (qmp ), aan de hand waarvan de evenredigheid van de bemonstering wordt gecontroleerd, wordt gecorrigeerd volgens een van de volgende methoden:
|
a) |
Indien de onttrokken deeltjesaantalmonsterstroom buiten beschouwing wordt gelaten, wordt formule 83 in punt 9.4.6.2 vervangen door de volgende formule:
waarin:
Het naar de partiële-stroomsysteemregelaar gestuurde qex -signaal moet continu tot op 0,1 % van qmdew nauwkeurig zijn en met een frequentie van ten minste 1 Hz worden gestuurd. |
|
b) |
Indien de onttrokken deeltjesaantalmonsterstroom volledig of gedeeltelijk buiten beschouwing wordt gelaten, maar een equivalente stroom vóór de stroommeter naar het verdunningssysteem wordt teruggevoerd, wordt formule 83 in punt 9.4.6.2 vervangen door de volgende formule:
waarin:
Het naar de partiële-stroomsysteemregelaar gestuurde verschil tussen qex en qsw moet continu tot op 0,1 % van qmdew nauwkeurig zijn. Het signaal (of de signalen) moet(en) met een frequentie van ten minste 1 Hz worden gestuurd. |
10.3.3. Correctie van de deeltjesmateriaalmeting
Wanneer een deeltjesaantalmonsterstroom aan een partiële-stroomverdunningssysteem voor totale bemonstering wordt onttrokken, wordt de in punt 8.4.3.2.1 of 8.4.3.2.2 berekende deeltjesmassa (mPM ) als volgt gecorrigeerd om de onttrokken stroom te compenseren. Deze correctie is noodzakelijk, ook wanneer de gefiltreerde onttrokken stroom naar het partiële-stroomverdunningssysteem wordt teruggevoerd.
|
|
(94) |
waarin:
|
mPM,corr |
= |
voor de onttrokken deeltjesaantalmonsterstroom gecorrigeerde deeltjesmassa (g/test); |
|
mPM |
= |
overeenkomstig punt 8.4.3.2.1 of 8.4.3.2.2 bepaalde deeltjesmassa (g/test); |
|
msed |
= |
totale massa van het verdunde uitlaatgas dat door de verdunningstunnel stroomt (kg); |
|
mex |
= |
totale massa van het verdunde uitlaatgas dat voor deeltjesaantalbemonstering aan de verdunningstunnel wordt onttrokken (kg). |
10.3.4. Evenredigheid van de bemonstering met partiële-stroomverdunning
Voor het meten van het deeltjesaantal wordt het uitlaatgasmassadebiet, bepaald volgens een van de in de punten 8.4.1.3 tot en met 8.4.1.7 beschreven methoden, gebruikt om het partiële-stroomverdunningssysteem zo te regelen dat het genomen monster evenredig is aan het uitlaatgasmassadebiet. De evenredigheid wordt gecontroleerd met regressieanalyse tussen monster en uitlaatgasstroom overeenkomstig punt 9.4.6.1.
10.4. Bepaling van deeltjesaantallen
10.4.1. Tijdalignering
Bij partiële-stroomverdunningssystemen wordt met de retentietijd in het deeltjesaantalbemonsterings- en -meetsysteem rekening gehouden door tijdalignering van het deeltjesaantalsignaal met de testcyclus en het uitlaatgasmassadebiet volgens de procedure van punt 8.4.2.2. De omzettingstijd van het deeltjesaantalbemonsterings- en -meetsysteem wordt bepaald overeenkomstig punt A.8.1.3.7 van aanhangsel 8.
10.4.2. Bepaling van deeltjesaantallen met een partiële-stroomverdunningssysteem
Wanneer deeltjesaantallen met een partiële-stroomverdunningssysteem worden bemonsterd volgens de procedures van punt 8.4, wordt het tijdens de volledige testcyclus uitgestoten aantal deeltjes berekend met de volgende formule:
|
|
(95) |
waarin:
|
N |
= |
tijdens de volledige testcyclus uitgestoten aantal deeltjes; |
||||||||
|
medf |
= |
massa van het equivalente verdunde uitlaatgas tijdens de volledige cyclus, bepaald overeenkomstig punt 8.4.3.2.2 (kg/test); |
||||||||
|
k |
= |
kalibratiefactor om de metingen van de deeltjesaantalteller naar het niveau van het referentie-instrument te corrigeren voor zover dat niet binnen de deeltjesaantalteller zelf gebeurt. Indien de kalibratiefactor binnen de deeltjesaantalteller wordt toegepast, is k in bovenstaande formule gelijk aan 1; |
||||||||
|
|
= |
gemiddelde deeltjesconcentratie van het verdunde uitlaatgas, gecorrigeerd naar standaardomstandigheden (273,2 K en 101,33 kPa) (deeltjes/cm3); |
||||||||
|
|
= |
gemiddelde deeltjesconcentratiereductiefactor van de vluchtige-deeltjesverwijderaar naargelang de voor de test toegepaste verdunningsinstellingen; |
||||||||
|
|
= |
moet worden berekend met de volgende formule:
waarin:
|
10.4.3. Bepaling van deeltjesaantallen met een volledige-stroomverdunningssysteem
Wanneer deeltjesaantallen met een volledige-stroomverdunningssysteem worden bemonsterd volgens de procedures van punt 8.5, wordt het tijdens de volledige testcyclus uitgestoten aantal deeltjes berekend met de volgende formule:
|
|
(97) |
waarin:
|
N |
= |
tijdens de volledige testcyclus uitgestoten aantal deeltjes; |
||||||||
|
med |
= |
totale verdunde uitlaatgasstroom tijdens de volledige cyclus, berekend volgens een van de in de punten 8.5.1.2 tot en met 8.5.1.4 beschreven methoden (kg/test); |
||||||||
|
k |
= |
kalibratiefactor om de metingen van de deeltjesaantalteller naar het niveau van het referentie-instrument te corrigeren voor zover dat niet binnen de deeltjesaantalteller zelf gebeurt. Indien de kalibratiefactor binnen de deeltjesaantalteller wordt toegepast, is k in bovenstaande formule gelijk aan 1; |
||||||||
|
|
= |
gemiddelde gecorrigeerde deeltjesconcentratie van het verdunde uitlaatgas, gecorrigeerd naar standaardomstandigheden (273,2 K en 101,33 kPa) (deeltjes/cm3); |
||||||||
|
|
= |
gemiddelde deeltjesconcentratiereductiefactor van de vluchtige-deeltjesverwijderaar naargelang de voor de test toegepaste verdunningsinstellingen; |
||||||||
|
|
= |
moet worden berekend met de volgende formule:
waarin:
|
10.4.4. Testresultaat
10.4.4.1. Berekening van de specifieke emissies
Voor elke afzonderlijke WHSC, warme WHTC en koude WHTC worden de specifieke emissies in aantal deeltjes/kWh als volgt berekend:
|
|
(99) |
waarin:
|
e |
= |
het per kWh uitgestoten aantal deeltjes; |
|
Wact |
= |
de werkelijke cyclusarbeid overeenkomstig punt 7.8.6 (kWh). |
10.4.4.2. Uitlaatgasnabehandelingssystemen met periodieke regeneratie
Voor motoren met periodiek regenererende nabehandelingssystemen gelden de algemene bepalingen van punt 6.6.2. De WHTC-warmestartemissies worden gewogen volgens formule 5, waarin
10.4.4.3. Gewogen gemiddeld WHTC-testresultaat
Voor de WHTC is het definitieve testresultaat een gewogen gemiddelde van de koude- en warmestarttests (met inbegrip van periodieke regeneratie, indien relevant), berekend met een van de volgende formules:
|
a) |
bij multiplicatieve regeneratieaanpassing of bij motoren zonder periodiek regenererende nabehandeling
|
|
b) |
bij additieve regeneratieaanpassing
waarin:
|
10.4.4.4. Afronding van de eindresultaten
De definitieve WHSC- en gewogen gemiddelde WHTC-testresultaten worden overeenkomstig ASTM E 29–06B in één stap op drie significante cijfers afgerond. Tussentijdse waarden die tot het definitieve specifieke emissieresultaat op de testbank leiden, mogen niet worden afgerond.
10.5. Bepaling van de deeltjesaantalachtergrond
|
10.5.1. |
Op verzoek van de motorfabrikant mogen de deeltjesaantalconcentraties van de verdunningstunnelachtergrond, vóór of na de test, vanaf een punt na de deeltjes- en koolwaterstoffilters tot in het deeltjesaantalmeetsysteem worden bemonsterd om de deeltjesconcentraties van de tunnelachtergrond te bepalen. |
|
10.5.2. |
Voor typegoedkeuring mogen de deeltjesaantalconcentraties van de tunnelachtergrond niet worden afgetrokken, maar voor controle van de conformiteit van de productie kunnen deze, op verzoek van de fabrikant en met de voorafgaande toestemming van de typegoedkeuringsinstantie, van de in de verdunde uitlaatgassen gemeten waarden worden afgetrokken als kan worden aangetoond dat de bijdrage van de tunnelachtergrond significant is. |
(1) De nummering van deze bijlage komt overeen met die van Mondiaal Technisch Reglement nr. 4 betreffende WHDC. Sommige punten van het mondiaal technisch WHDC-reglement zijn echter niet nodig in deze bijlage.
(1) afhankelijk van de brandstof.
(2) bij λ = 2, droge lucht, 273 K, 101,3 kPa.
(3) u met een nauwkeurigheid van 0,2 % en een massasamenstelling van: C = 66 - 76%; H = 22 - 25%; N = 0 - 12%.
(4) NMHC op basis van CH2,93 (gebruik de ugas-coëfficient van CH4 voor totaal HC).
(5) u met een nauwkeurigheid van 0,2% en een massasamenstelling van: C3 = 70 - 90%; C4 = 10 - 30%.
(6) afhankelijk van de brandstof.
(7) bij λ = 2, droge lucht, 273 K, 101,3 kPa.
(8) u met een nauwkeurigheid van 0,2% en een massasamenstelling van: C = 66 - 76%; H = 22 - 25%; N = 0 - 12%.
(9) NMHC op basis van CH2,93 (gebruik de u gas-coëfficient van CH4 voor totaal HC).
(10) u met een nauwkeurigheid van 0,2% en een massasamenstelling van: C3 = 70 - 90%; C4 = 10 - 30%.
Aanhangsel 1
WHTC-motordynamometerschema
|
Tijd |
Genormaliseerdtoerental |
Genormaliseerdkoppel |
|
s |
% |
% |
|
1 |
0,0 |
0,0 |
|
2 |
0,0 |
0,0 |
|
3 |
0,0 |
0,0 |
|
4 |
0,0 |
0,0 |
|
5 |
0,0 |
0,0 |
|
6 |
0,0 |
0,0 |
|
7 |
1,5 |
8,9 |
|
8 |
15,8 |
30,9 |
|
9 |
27,4 |
1,3 |
|
10 |
32,6 |
0,7 |
|
11 |
34,8 |
1,2 |
|
12 |
36,2 |
7,4 |
|
13 |
37,1 |
6,2 |
|
14 |
37,9 |
10,2 |
|
15 |
39,6 |
12,3 |
|
16 |
42,3 |
12,5 |
|
17 |
45,3 |
12,6 |
|
18 |
48,6 |
6,0 |
|
19 |
40,8 |
0,0 |
|
20 |
33,0 |
16,3 |
|
21 |
42,5 |
27,4 |
|
22 |
49,3 |
26,7 |
|
23 |
54,0 |
18,0 |
|
24 |
57,1 |
12,9 |
|
25 |
58,9 |
8,6 |
|
26 |
59,3 |
6,0 |
|
27 |
59,0 |
4,9 |
|
28 |
57,9 |
m |
|
29 |
55,7 |
m |
|
30 |
52,1 |
m |
|
31 |
46,4 |
m |
|
32 |
38,6 |
m |
|
33 |
29,0 |
m |
|
34 |
20,8 |
m |
|
35 |
16,9 |
m |
|
36 |
16,9 |
42,5 |
|
37 |
18,8 |
38,4 |
|
38 |
20,7 |
32,9 |
|
39 |
21,0 |
0,0 |
|
40 |
19,1 |
0,0 |
|
41 |
13,7 |
0,0 |
|
42 |
2,2 |
0,0 |
|
43 |
0,0 |
0,0 |
|
44 |
0,0 |
0,0 |
|
45 |
0,0 |
0,0 |
|
46 |
0,0 |
0,0 |
|
47 |
0,0 |
0,0 |
|
48 |
0,0 |
0,0 |
|
49 |
0,0 |
0,0 |
|
50 |
0,0 |
13,1 |
|
51 |
13,1 |
30,1 |
|
52 |
26,3 |
25,5 |
|
53 |
35,0 |
32,2 |
|
54 |
41,7 |
14,3 |
|
55 |
42,2 |
0,0 |
|
56 |
42,8 |
11,6 |
|
57 |
51,0 |
20,9 |
|
58 |
60,0 |
9,6 |
|
59 |
49,4 |
0,0 |
|
60 |
38,9 |
16,6 |
|
61 |
43,4 |
30,8 |
|
62 |
49,4 |
14,2 |
|
63 |
40,5 |
0,0 |
|
64 |
31,5 |
43,5 |
|
65 |
36,6 |
78,2 |
|
66 |
40,8 |
67,6 |
|
67 |
44,7 |
59,1 |
|
68 |
48,3 |
52,0 |
|
69 |
51,9 |
63,8 |
|
70 |
54,7 |
27,9 |
|
71 |
55,3 |
18,3 |
|
72 |
55,1 |
16,3 |
|
73 |
54,8 |
11,1 |
|
74 |
54,7 |
11,5 |
|
75 |
54,8 |
17,5 |
|
76 |
55,6 |
18,0 |
|
77 |
57,0 |
14,1 |
|
78 |
58,1 |
7,0 |
|
79 |
43,3 |
0,0 |
|
80 |
28,5 |
25,0 |
|
81 |
30,4 |
47,8 |
|
82 |
32,1 |
39,2 |
|
83 |
32,7 |
39,3 |
|
84 |
32,4 |
17,3 |
|
85 |
31,6 |
11,4 |
|
86 |
31,1 |
10,2 |
|
87 |
31,1 |
19,5 |
|
88 |
31,4 |
22,5 |
|
89 |
31,6 |
22,9 |
|
90 |
31,6 |
24,3 |
|
91 |
31,9 |
26,9 |
|
92 |
32,4 |
30,6 |
|
93 |
32,8 |
32,7 |
|
94 |
33,7 |
32,5 |
|
95 |
34,4 |
29,5 |
|
96 |
34,3 |
26,5 |
|
97 |
34,4 |
24,7 |
|
98 |
35,0 |
24,9 |
|
99 |
35,6 |
25,2 |
|
100 |
36,1 |
24,8 |
|
101 |
36,3 |
24,0 |
|
102 |
36,2 |
23,6 |
|
103 |
36,2 |
23,5 |
|
104 |
36,8 |
22,7 |
|
105 |
37,2 |
20,9 |
|
106 |
37,0 |
19,2 |
|
107 |
36,3 |
18,4 |
|
108 |
35,4 |
17,6 |
|
109 |
35,2 |
14,9 |
|
110 |
35,4 |
9,9 |
|
111 |
35,5 |
4,3 |
|
112 |
35,2 |
6,6 |
|
113 |
34,9 |
10,0 |
|
114 |
34,7 |
25,1 |
|
115 |
34,4 |
29,3 |
|
116 |
34,5 |
20,7 |
|
117 |
35,2 |
16,6 |
|
118 |
35,8 |
16,2 |
|
119 |
35,6 |
20,3 |
|
120 |
35,3 |
22,5 |
|
121 |
35,3 |
23,4 |
|
122 |
34,7 |
11,9 |
|
123 |
45,5 |
0,0 |
|
124 |
56,3 |
m |
|
125 |
46,2 |
m |
|
126 |
50,1 |
0,0 |
|
127 |
54,0 |
m |
|
128 |
40,5 |
m |
|
129 |
27,0 |
m |
|
130 |
13,5 |
m |
|
131 |
0,0 |
0,0 |
|
132 |
0,0 |
0,0 |
|
133 |
0,0 |
0,0 |
|
134 |
0,0 |
0,0 |
|
135 |
0,0 |
0,0 |
|
136 |
0,0 |
0,0 |
|
137 |
0,0 |
0,0 |
|
138 |
0,0 |
0,0 |
|
139 |
0,0 |
0,0 |
|
140 |
0,0 |
0,0 |
|
141 |
0,0 |
0,0 |
|
142 |
0,0 |
4,9 |
|
143 |
0,0 |
7,3 |
|
144 |
4,4 |
28,7 |
|
145 |
11,1 |
26,4 |
|
146 |
15,0 |
9,4 |
|
147 |
15,9 |
0,0 |
|
148 |
15,3 |
0,0 |
|
149 |
14,2 |
0,0 |
|
150 |
13,2 |
0,0 |
|
151 |
11,6 |
0,0 |
|
152 |
8,4 |
0,0 |
|
153 |
5,4 |
0,0 |
|
154 |
4,3 |
5,6 |
|
155 |
5,8 |
24,4 |
|
156 |
9,7 |
20,7 |
|
157 |
13,6 |
21,1 |
|
158 |
15,6 |
21,5 |
|
159 |
16,5 |
21,9 |
|
160 |
18,0 |
22,3 |
|
161 |
21,1 |
46,9 |
|
162 |
25,2 |
33,6 |
|
163 |
28,1 |
16,6 |
|
164 |
28,8 |
7,0 |
|
165 |
27,5 |
5,0 |
|
166 |
23,1 |
3,0 |
|
167 |
16,9 |
1,9 |
|
168 |
12,2 |
2,6 |
|
169 |
9,9 |
3,2 |
|
170 |
9,1 |
4,0 |
|
171 |
8,8 |
3,8 |
|
172 |
8,5 |
12,2 |
|
173 |
8,2 |
29,4 |
|
174 |
9,6 |
20,1 |
|
175 |
14,7 |
16,3 |
|
176 |
24,5 |
8,7 |
|
177 |
39,4 |
3,3 |
|
178 |
39,0 |
2,9 |
|
179 |
38,5 |
5,9 |
|
180 |
42,4 |
8,0 |
|
181 |
38,2 |
6,0 |
|
182 |
41,4 |
3,8 |
|
183 |
44,6 |
5,4 |
|
184 |
38,8 |
8,2 |
|
185 |
37,5 |
8,9 |
|
186 |
35,4 |
7,3 |
|
187 |
28,4 |
7,0 |
|
188 |
14,8 |
7,0 |
|
189 |
0,0 |
5,9 |
|
190 |
0,0 |
0,0 |
|
191 |
0,0 |
0,0 |
|
192 |
0,0 |
0,0 |
|
193 |
0,0 |
0,0 |
|
194 |
0,0 |
0,0 |
|
195 |
0,0 |
0,0 |
|
196 |
0,0 |
0,0 |
|
197 |
0,0 |
0,0 |
|
198 |
0,0 |
0,0 |
|
199 |
0,0 |
0,0 |
|
200 |
0,0 |
0,0 |
|
201 |
0,0 |
0,0 |
|
202 |
0,0 |
0,0 |
|
203 |
0,0 |
0,0 |
|
204 |
0,0 |
0,0 |
|
205 |
0,0 |
0,0 |
|
206 |
0,0 |
0,0 |
|
207 |
0,0 |
0,0 |
|
208 |
0,0 |
0,0 |
|
209 |
0,0 |
0,0 |
|
210 |
0,0 |
0,0 |
|
211 |
0,0 |
0,0 |
|
212 |
0,0 |
0,0 |
|
213 |
0,0 |
0,0 |
|
214 |
0,0 |
0,0 |
|
215 |
0,0 |
0,0 |
|
216 |
0,0 |
0,0 |
|
217 |
0,0 |
0,0 |
|
218 |
0,0 |
0,0 |
|
219 |
0,0 |
0,0 |
|
220 |
0,0 |
0,0 |
|
221 |
0,0 |
0,0 |
|
222 |
0,0 |
0,0 |
|
223 |
0,0 |
0,0 |
|
224 |
0,0 |
0,0 |
|
225 |
0,0 |
0,0 |
|
226 |
0,0 |
0,0 |
|
227 |
0,0 |
0,0 |
|
228 |
0,0 |
0,0 |
|
229 |
0,0 |
0,0 |
|
230 |
0,0 |
0,0 |
|
231 |
0,0 |
0,0 |
|
232 |
0,0 |
0,0 |
|
233 |
0,0 |
0,0 |
|
234 |
0,0 |
0,0 |
|
235 |
0,0 |
0,0 |
|
236 |
0,0 |
0,0 |
|
237 |
0,0 |
0,0 |
|
238 |
0,0 |
0,0 |
|
239 |
0,0 |
0,0 |
|
240 |
0,0 |
0,0 |
|
241 |
0,0 |
0,0 |
|
242 |
0,0 |
0,0 |
|
243 |
0,0 |
0,0 |
|
244 |
0,0 |
0,0 |
|
245 |
0,0 |
0,0 |
|
246 |
0,0 |
0,0 |
|
247 |
0,0 |
0,0 |
|
248 |
0,0 |
0,0 |
|
249 |
0,0 |
0,0 |
|
250 |
0,0 |
0,0 |
|
251 |
0,0 |
0,0 |
|
252 |
0,0 |
0,0 |
|
253 |
0,0 |
31,6 |
|
254 |
9,4 |
13,6 |
|
255 |
22,2 |
16,9 |
|
256 |
33,0 |
53,5 |
|
257 |
43,7 |
22,1 |
|
258 |
39,8 |
0,0 |
|
259 |
36,0 |
45,7 |
|
260 |
47,6 |
75,9 |
|
261 |
61,2 |
70,4 |
|
262 |
72,3 |
70,4 |
|
263 |
76,0 |
m |
|
264 |
74,3 |
m |
|
265 |
68,5 |
m |
|
266 |
61,0 |
m |
|
267 |
56,0 |
m |
|
268 |
54,0 |
m |
|
269 |
53,0 |
m |
|
270 |
50,8 |
m |
|
271 |
46,8 |
m |
|
272 |
41,7 |
m |
|
273 |
35,9 |
m |
|
274 |
29,2 |
m |
|
275 |
20,7 |
m |
|
276 |
10,1 |
m |
|
277 |
0,0 |
m |
|
278 |
0,0 |
0,0 |
|
279 |
0,0 |
0,0 |
|
280 |
0,0 |
0,0 |
|
281 |
0,0 |
0,0 |
|
282 |
0,0 |
0,0 |
|
283 |
0,0 |
0,0 |
|
284 |
0,0 |
0,0 |
|
285 |
0,0 |
0,0 |
|
286 |
0,0 |
0,0 |
|
287 |
0,0 |
0,0 |
|
288 |
0,0 |
0,0 |
|
289 |
0,0 |
0,0 |
|
290 |
0,0 |
0,0 |
|
291 |
0,0 |
0,0 |
|
292 |
0,0 |
0,0 |
|
293 |
0,0 |
0,0 |
|
294 |
0,0 |
0,0 |
|
295 |
0,0 |
0,0 |
|
296 |
0,0 |
0,0 |
|
297 |
0,0 |
0,0 |
|
298 |
0,0 |
0,0 |
|
299 |
0,0 |
0,0 |
|
300 |
0,0 |
0,0 |
|
301 |
0,0 |
0,0 |
|
302 |
0,0 |
0,0 |
|
303 |
0,0 |
0,0 |
|
304 |
0,0 |
0,0 |
|
305 |
0,0 |
0,0 |
|
306 |
0,0 |
0,0 |
|
307 |
0,0 |
0,0 |
|
308 |
0,0 |
0,0 |
|
309 |
0,0 |
0,0 |
|
310 |
0,0 |
0,0 |
|
311 |
0,0 |
0,0 |
|
312 |
0,0 |
0,0 |
|
313 |
0,0 |
0,0 |
|
314 |
0,0 |
0,0 |
|
315 |
0,0 |
0,0 |
|
316 |
0,0 |
0,0 |
|
317 |
0,0 |
0,0 |
|
318 |
0,0 |
0,0 |
|
319 |
0,0 |
0,0 |
|
320 |
0,0 |
0,0 |
|
321 |
0,0 |
0,0 |
|
322 |
0,0 |
0,0 |
|
323 |
0,0 |
0,0 |
|
324 |
4,5 |
41,0 |
|
325 |
17,2 |
38,9 |
|
326 |
30,1 |
36,8 |
|
327 |
41,0 |
34,7 |
|
328 |
50,0 |
32,6 |
|
329 |
51,4 |
0,1 |
|
330 |
47,8 |
m |
|
331 |
40,2 |
m |
|
332 |
32,0 |
m |
|
333 |
24,4 |
m |
|
334 |
16,8 |
m |
|
335 |
8,1 |
m |
|
336 |
0,0 |
m |
|
337 |
0,0 |
0,0 |
|
338 |
0,0 |
0,0 |
|
339 |
0,0 |
0,0 |
|
340 |
0,0 |
0,0 |
|
341 |
0,0 |
0,0 |
|
342 |
0,0 |
0,0 |
|
343 |
0,0 |
0,0 |
|
344 |
0,0 |
0,0 |
|
345 |
0,0 |
0,0 |
|
346 |
0,0 |
0,0 |
|
347 |
0,0 |
0,0 |
|
348 |
0,0 |
0,0 |
|
349 |
0,0 |
0,0 |
|
350 |
0,0 |
0,0 |
|
351 |
0,0 |
0,0 |
|
352 |
0,0 |
0,0 |
|
353 |
0,0 |
0,0 |
|
354 |
0,0 |
0,5 |
|
355 |
0,0 |
4,9 |
|
356 |
9,2 |
61,3 |
|
357 |
22,4 |
40,4 |
|
358 |
36,5 |
50,1 |
|
359 |
47,7 |
21,0 |
|
360 |
38,8 |
0,0 |
|
361 |
30,0 |
37,0 |
|
362 |
37,0 |
63,6 |
|
363 |
45,5 |
90,8 |
|
364 |
54,5 |
40,9 |
|
365 |
45,9 |
0,0 |
|
366 |
37,2 |
47,5 |
|
367 |
44,5 |
84,4 |
|
368 |
51,7 |
32,4 |
|
369 |
58,1 |
15,2 |
|
370 |
45,9 |
0,0 |
|
371 |
33,6 |
35,8 |
|
372 |
36,9 |
67,0 |
|
373 |
40,2 |
84,7 |
|
374 |
43,4 |
84,3 |
|
375 |
45,7 |
84,3 |
|
376 |
46,5 |
m |
|
377 |
46,1 |
m |
|
378 |
43,9 |
m |
|
379 |
39,3 |
m |
|
380 |
47,0 |
m |
|
381 |
54,6 |
m |
|
382 |
62,0 |
m |
|
383 |
52,0 |
m |
|
384 |
43,0 |
m |
|
385 |
33,9 |
m |
|
386 |
28,4 |
m |
|
387 |
25,5 |
m |
|
388 |
24,6 |
11,0 |
|
389 |
25,2 |
14,7 |
|
390 |
28,6 |
28,4 |
|
391 |
35,5 |
65,0 |
|
392 |
43,8 |
75,3 |
|
393 |
51,2 |
34,2 |
|
394 |
40,7 |
0,0 |
|
395 |
30,3 |
45,4 |
|
396 |
34,2 |
83,1 |
|
397 |
37,6 |
85,3 |
|
398 |
40,8 |
87,5 |
|
399 |
44,8 |
89,7 |
|
400 |
50,6 |
91,9 |
|
401 |
57,6 |
94,1 |
|
402 |
64,6 |
44,6 |
|
403 |
51,6 |
0,0 |
|
404 |
38,7 |
37,4 |
|
405 |
42,4 |
70,3 |
|
406 |
46,5 |
89,1 |
|
407 |
50,6 |
93,9 |
|
408 |
53,8 |
33,0 |
|
409 |
55,5 |
20,3 |
|
410 |
55,8 |
5,2 |
|
411 |
55,4 |
m |
|
412 |
54,4 |
m |
|
413 |
53,1 |
m |
|
414 |
51,8 |
m |
|
415 |
50,3 |
m |
|
416 |
48,4 |
m |
|
417 |
45,9 |
m |
|
418 |
43,1 |
m |
|
419 |
40,1 |
m |
|
420 |
37,4 |
m |
|
421 |
35,1 |
m |
|
422 |
32,8 |
m |
|
423 |
45,3 |
0,0 |
|
424 |
57,8 |
m |
|
425 |
50,6 |
m |
|
426 |
41,6 |
m |
|
427 |
47,9 |
0,0 |
|
428 |
54,2 |
m |
|
429 |
48,1 |
m |
|
430 |
47,0 |
31,3 |
|
431 |
49,0 |
38,3 |
|
432 |
52,0 |
40,1 |
|
433 |
53,3 |
14,5 |
|
434 |
52,6 |
0,8 |
|
435 |
49,8 |
m |
|
436 |
51,0 |
18,6 |
|
437 |
56,9 |
38,9 |
|
438 |
67,2 |
45,0 |
|
439 |
78,6 |
21,5 |
|
440 |
65,5 |
0,0 |
|
441 |
52,4 |
31,3 |
|
442 |
56,4 |
60,1 |
|
443 |
59,7 |
29,2 |
|
444 |
45,1 |
0,0 |
|
445 |
30,6 |
4,2 |
|
446 |
30,9 |
8,4 |
|
447 |
30,5 |
4,3 |
|
448 |
44,6 |
0,0 |
|
449 |
58,8 |
m |
|
450 |
55,1 |
m |
|
451 |
50,6 |
m |
|
452 |
45,3 |
m |
|
453 |
39,3 |
m |
|
454 |
49,1 |
0,0 |
|
455 |
58,8 |
m |
|
456 |
50,7 |
m |
|
457 |
42,4 |
m |
|
458 |
44,1 |
0,0 |
|
459 |
45,7 |
m |
|
460 |
32,5 |
m |
|
461 |
20,7 |
m |
|
462 |
10,0 |
m |
|
463 |
0,0 |
0,0 |
|
464 |
0,0 |
1,5 |
|
465 |
0,9 |
41,1 |
|
466 |
7,0 |
46,3 |
|
467 |
12,8 |
48,5 |
|
468 |
17,0 |
50,7 |
|
469 |
20,9 |
52,9 |
|
470 |
26,7 |
55,0 |
|
471 |
35,5 |
57,2 |
|
472 |
46,9 |
23,8 |
|
473 |
44,5 |
0,0 |
|
474 |
42,1 |
45,7 |
|
475 |
55,6 |
77,4 |
|
476 |
68,8 |
100,0 |
|
477 |
81,7 |
47,9 |
|
478 |
71,2 |
0,0 |
|
479 |
60,7 |
38,3 |
|
480 |
68,8 |
72,7 |
|
481 |
75,0 |
m |
|
482 |
61,3 |
m |
|
483 |
53,5 |
m |
|
484 |
45,9 |
58,0 |
|
485 |
48,1 |
80,0 |
|
486 |
49,4 |
97,9 |
|
487 |
49,7 |
m |
|
488 |
48,7 |
m |
|
489 |
45,5 |
m |
|
490 |
40,4 |
m |
|
491 |
49,7 |
0,0 |
|
492 |
59,0 |
m |
|
493 |
48,9 |
m |
|
494 |
40,0 |
m |
|
495 |
33,5 |
m |
|
496 |
30,0 |
m |
|
497 |
29,1 |
12,0 |
|
498 |
29,3 |
40,4 |
|
499 |
30,4 |
29,3 |
|
500 |
32,2 |
15,4 |
|
501 |
33,9 |
15,8 |
|
502 |
35,3 |
14,9 |
|
503 |
36,4 |
15,1 |
|
504 |
38,0 |
15,3 |
|
505 |
40,3 |
50,9 |
|
506 |
43,0 |
39,7 |
|
507 |
45,5 |
20,6 |
|
508 |
47,3 |
20,6 |
|
509 |
48,8 |
22,1 |
|
510 |
50,1 |
22,1 |
|
511 |
51,4 |
42,4 |
|
512 |
52,5 |
31,9 |
|
513 |
53,7 |
21,6 |
|
514 |
55,1 |
11,6 |
|
515 |
56,8 |
5,7 |
|
516 |
42,4 |
0,0 |
|
517 |
27,9 |
8,2 |
|
518 |
29,0 |
15,9 |
|
519 |
30,4 |
25,1 |
|
520 |
32,6 |
60,5 |
|
521 |
35,4 |
72,7 |
|
522 |
38,4 |
88,2 |
|
523 |
41,0 |
65,1 |
|
524 |
42,9 |
25,6 |
|
525 |
44,2 |
15,8 |
|
526 |
44,9 |
2,9 |
|
527 |
45,1 |
m |
|
528 |
44,8 |
m |
|
529 |
43,9 |
m |
|
530 |
42,4 |
m |
|
531 |
40,2 |
m |
|
532 |
37,1 |
m |
|
533 |
47,0 |
0,0 |
|
534 |
57,0 |
m |
|
535 |
45,1 |
m |
|
536 |
32,6 |
m |
|
537 |
46,8 |
0,0 |
|
538 |
61,5 |
m |
|
539 |
56,7 |
m |
|
540 |
46,9 |
m |
|
541 |
37,5 |
m |
|
542 |
30,3 |
m |
|
543 |
27,3 |
32,3 |
|
544 |
30,8 |
60,3 |
|
545 |
41,2 |
62,3 |
|
546 |
36,0 |
0,0 |
|
547 |
30,8 |
32,3 |
|
548 |
33,9 |
60,3 |
|
549 |
34,6 |
38,4 |
|
550 |
37,0 |
16,6 |
|
551 |
42,7 |
62,3 |
|
552 |
50,4 |
28,1 |
|
553 |
40,1 |
0,0 |
|
554 |
29,9 |
8,0 |
|
555 |
32,5 |
15,0 |
|
556 |
34,6 |
63,1 |
|
557 |
36,7 |
58,0 |
|
558 |
39,4 |
52,9 |
|
559 |
42,8 |
47,8 |
|
560 |
46,8 |
42,7 |
|
561 |
50,7 |
27,5 |
|
562 |
53,4 |
20,7 |
|
563 |
54,2 |
13,1 |
|
564 |
54,2 |
0,4 |
|
565 |
53,4 |
0,0 |
|
566 |
51,4 |
m |
|
567 |
48,7 |
m |
|
568 |
45,6 |
m |
|
569 |
42,4 |
m |
|
570 |
40,4 |
m |
|
571 |
39,8 |
5,8 |
|
572 |
40,7 |
39,7 |
|
573 |
43,8 |
37,1 |
|
574 |
48,1 |
39,1 |
|
575 |
52,0 |
22,0 |
|
576 |
54,7 |
13,2 |
|
577 |
56,4 |
13,2 |
|
578 |
57,5 |
6,6 |
|
579 |
42,6 |
0,0 |
|
580 |
27,7 |
10,9 |
|
581 |
28,5 |
21,3 |
|
582 |
29,2 |
23,9 |
|
583 |
29,5 |
15,2 |
|
584 |
29,7 |
8,8 |
|
585 |
30,4 |
20,8 |
|
586 |
31,9 |
22,9 |
|
587 |
34,3 |
61,4 |
|
588 |
37,2 |
76,6 |
|
589 |
40,1 |
27,5 |
|
590 |
42,3 |
25,4 |
|
591 |
43,5 |
32,0 |
|
592 |
43,8 |
6,0 |
|
593 |
43,5 |
m |
|
594 |
42,8 |
m |
|
595 |
41,7 |
m |
|
596 |
40,4 |
m |
|
597 |
39,3 |
m |
|
598 |
38,9 |
12,9 |
|
599 |
39,0 |
18,4 |
|
600 |
39,7 |
39,2 |
|
601 |
41,4 |
60,0 |
|
602 |
43,7 |
54,5 |
|
603 |
46,2 |
64,2 |
|
604 |
48,8 |
73,3 |
|
605 |
51,0 |
82,3 |
|
606 |
52,1 |
0,0 |
|
607 |
52,0 |
m |
|
608 |
50,9 |
m |
|
609 |
49,4 |
m |
|
610 |
47,8 |
m |
|
611 |
46,6 |
m |
|
612 |
47,3 |
35,3 |
|
613 |
49,2 |
74,1 |
|
614 |
51,1 |
95,2 |
|
615 |
51,7 |
m |
|
616 |
50,8 |
m |
|
617 |
47,3 |
m |
|
618 |
41,8 |
m |
|
619 |
36,4 |
m |
|
620 |
30,9 |
m |
|
621 |
25,5 |
37,1 |
|
622 |
33,8 |
38,4 |
|
623 |
42,1 |
m |
|
624 |
34,1 |
m |
|
625 |
33,0 |
37,1 |
|
626 |
36,4 |
38,4 |
|
627 |
43,3 |
17,1 |
|
628 |
35,7 |
0,0 |
|
629 |
28,1 |
11,6 |
|
630 |
36,5 |
19,2 |
|
631 |
45,2 |
8,3 |
|
632 |
36,5 |
0,0 |
|
633 |
27,9 |
32,6 |
|
634 |
31,5 |
59,6 |
|
635 |
34,4 |
65,2 |
|
636 |
37,0 |
59,6 |
|
637 |
39,0 |
49,0 |
|
638 |
40,2 |
m |
|
639 |
39,8 |
m |
|
640 |
36,0 |
m |
|
641 |
29,7 |
m |
|
642 |
21,5 |
m |
|
643 |
14,1 |
m |
|
644 |
0,0 |
0,0 |
|
645 |
0,0 |
0,0 |
|
646 |
0,0 |
0,0 |
|
647 |
0,0 |
0,0 |
|
648 |
0,0 |
0,0 |
|
649 |
0,0 |
0,0 |
|
650 |
0,0 |
0,0 |
|
651 |
0,0 |
0,0 |
|
652 |
0,0 |
0,0 |
|
653 |
0,0 |
0,0 |
|
654 |
0,0 |
0,0 |
|
655 |
0,0 |
0,0 |
|
656 |
0,0 |
3,4 |
|
657 |
1,4 |
22,0 |
|
658 |
10,1 |
45,3 |
|
659 |
21,5 |
10,0 |
|
660 |
32,2 |
0,0 |
|
661 |
42,3 |
46,0 |
|
662 |
57,1 |
74,1 |
|
663 |
72,1 |
34,2 |
|
664 |
66,9 |
0,0 |
|
665 |
60,4 |
41,8 |
|
666 |
69,1 |
79,0 |
|
667 |
77,1 |
38,3 |
|
668 |
63,1 |
0,0 |
|
669 |
49,1 |
47,9 |
|
670 |
53,4 |
91,3 |
|
671 |
57,5 |
85,7 |
|
672 |
61,5 |
89,2 |
|
673 |
65,5 |
85,9 |
|
674 |
69,5 |
89,5 |
|
675 |
73,1 |
75,5 |
|
676 |
76,2 |
73,6 |
|
677 |
79,1 |
75,6 |
|
678 |
81,8 |
78,2 |
|
679 |
84,1 |
39,0 |
|
680 |
69,6 |
0,0 |
|
681 |
55,0 |
25,2 |
|
682 |
55,8 |
49,9 |
|
683 |
56,7 |
46,4 |
|
684 |
57,6 |
76,3 |
|
685 |
58,4 |
92,7 |
|
686 |
59,3 |
99,9 |
|
687 |
60,1 |
95,0 |
|
688 |
61,0 |
46,7 |
|
689 |
46,6 |
0,0 |
|
690 |
32,3 |
34,6 |
|
691 |
32,7 |
68,6 |
|
692 |
32,6 |
67,0 |
|
693 |
31,3 |
m |
|
694 |
28,1 |
m |
|
695 |
43,0 |
0,0 |
|
696 |
58,0 |
m |
|
697 |
58,9 |
m |
|
698 |
49,4 |
m |
|
699 |
41,5 |
m |
|
700 |
48,4 |
0,0 |
|
701 |
55,3 |
m |
|
702 |
41,8 |
m |
|
703 |
31,6 |
m |
|
704 |
24,6 |
m |
|
705 |
15,2 |
m |
|
706 |
7,0 |
m |
|
707 |
0,0 |
0,0 |
|
708 |
0,0 |
0,0 |
|
709 |
0,0 |
0,0 |
|
710 |
0,0 |
0,0 |
|
711 |
0,0 |
0,0 |
|
712 |
0,0 |
0,0 |
|
713 |
0,0 |
0,0 |
|
714 |
0,0 |
0,0 |
|
715 |
0,0 |
0,0 |
|
716 |
0,0 |
0,0 |
|
717 |
0,0 |
0,0 |
|
718 |
0,0 |
0,0 |
|
719 |
0,0 |
0,0 |
|
720 |
0,0 |
0,0 |
|
721 |
0,0 |
0,0 |
|
722 |
0,0 |
0,0 |
|
723 |
0,0 |
0,0 |
|
724 |
0,0 |
0,0 |
|
725 |
0,0 |
0,0 |
|
726 |
0,0 |
0,0 |
|
727 |
0,0 |
0,0 |
|
728 |
0,0 |
0,0 |
|
729 |
0,0 |
0,0 |
|
730 |
0,0 |
0,0 |
|
731 |
0,0 |
0,0 |
|
732 |
0,0 |
0,0 |
|
733 |
0,0 |
0,0 |
|
734 |
0,0 |
0,0 |
|
735 |
0,0 |
0,0 |
|
736 |
0,0 |
0,0 |
|
737 |
0,0 |
0,0 |
|
738 |
0,0 |
0,0 |
|
739 |
0,0 |
0,0 |
|
740 |
0,0 |
0,0 |
|
741 |
0,0 |
0,0 |
|
742 |
0,0 |
0,0 |
|
743 |
0,0 |
0,0 |
|
744 |
0,0 |
0,0 |
|
745 |
0,0 |
0,0 |
|
746 |
0,0 |
0,0 |
|
747 |
0,0 |
0,0 |
|
748 |
0,0 |
0,0 |
|
749 |
0,0 |
0,0 |
|
750 |
0,0 |
0,0 |
|
751 |
0,0 |
0,0 |
|
752 |
0,0 |
0,0 |
|
753 |
0,0 |
0,0 |
|
754 |
0,0 |
0,0 |
|
755 |
0,0 |
0,0 |
|
756 |
0,0 |
0,0 |
|
757 |
0,0 |
0,0 |
|
758 |
0,0 |
0,0 |
|
759 |
0,0 |
0,0 |
|
760 |
0,0 |
0,0 |
|
761 |
0,0 |
0,0 |
|
762 |
0,0 |
0,0 |
|
763 |
0,0 |
0,0 |
|
764 |
0,0 |
0,0 |
|
765 |
0,0 |
0,0 |
|
766 |
0,0 |
0,0 |
|
767 |
0,0 |
0,0 |
|
768 |
0,0 |
0,0 |
|
769 |
0,0 |
0,0 |
|
770 |
0,0 |
0,0 |
|
771 |
0,0 |
22,0 |
|
772 |
4,5 |
25,8 |
|
773 |
15,5 |
42,8 |
|
774 |
30,5 |
46,8 |
|
775 |
45,5 |
29,3 |
|
776 |
49,2 |
13,6 |
|
777 |
39,5 |
0,0 |
|
778 |
29,7 |
15,1 |
|
779 |
34,8 |
26,9 |
|
780 |
40,0 |
13,6 |
|
781 |
42,2 |
m |
|
782 |
42,1 |
m |
|
783 |
40,8 |
m |
|
784 |
37,7 |
37,6 |
|
785 |
47,0 |
35,0 |
|
786 |
48,8 |
33,4 |
|
787 |
41,7 |
m |
|
788 |
27,7 |
m |
|
789 |
17,2 |
m |
|
790 |
14,0 |
37,6 |
|
791 |
18,4 |
25,0 |
|
792 |
27,6 |
17,7 |
|
793 |
39,8 |
6,8 |
|
794 |
34,3 |
0,0 |
|
795 |
28,7 |
26,5 |
|
796 |
41,5 |
40,9 |
|
797 |
53,7 |
17,5 |
|
798 |
42,4 |
0,0 |
|
799 |
31,2 |
27,3 |
|
800 |
32,3 |
53,2 |
|
801 |
34,5 |
60,6 |
|
802 |
37,6 |
68,0 |
|
803 |
41,2 |
75,4 |
|
804 |
45,8 |
82,8 |
|
805 |
52,3 |
38,2 |
|
806 |
42,5 |
0,0 |
|
807 |
32,6 |
30,5 |
|
808 |
35,0 |
57,9 |
|
809 |
36,0 |
77,3 |
|
810 |
37,1 |
96,8 |
|
811 |
39,6 |
80,8 |
|
812 |
43,4 |
78,3 |
|
813 |
47,2 |
73,4 |
|
814 |
49,6 |
66,9 |
|
815 |
50,2 |
62,0 |
|
816 |
50,2 |
57,7 |
|
817 |
50,6 |
62,1 |
|
818 |
52,3 |
62,9 |
|
819 |
54,8 |
37,5 |
|
820 |
57,0 |
18,3 |
|
821 |
42,3 |
0,0 |
|
822 |
27,6 |
29,1 |
|
823 |
28,4 |
57,0 |
|
824 |
29,1 |
51,8 |
|
825 |
29,6 |
35,3 |
|
826 |
29,7 |
33,3 |
|
827 |
29,8 |
17,7 |
|
828 |
29,5 |
m |
|
829 |
28,9 |
m |
|
830 |
43,0 |
0,0 |
|
831 |
57,1 |
m |
|
832 |
57,7 |
m |
|
833 |
56,0 |
m |
|
834 |
53,8 |
m |
|
835 |
51,2 |
m |
|
836 |
48,1 |
m |
|
837 |
44,5 |
m |
|
838 |
40,9 |
m |
|
839 |
38,1 |
m |
|
840 |
37,2 |
42,7 |
|
841 |
37,5 |
70,8 |
|
842 |
39,1 |
48,6 |
|
843 |
41,3 |
0,1 |
|
844 |
42,3 |
m |
|
845 |
42,0 |
m |
|
846 |
40,8 |
m |
|
847 |
38,6 |
m |
|
848 |
35,5 |
m |
|
849 |
32,1 |
m |
|
850 |
29,6 |
m |
|
851 |
28,8 |
39,9 |
|
852 |
29,2 |
52,9 |
|
853 |
30,9 |
76,1 |
|
854 |
34,3 |
76,5 |
|
855 |
38,3 |
75,5 |
|
856 |
42,5 |
74,8 |
|
857 |
46,6 |
74,2 |
|
858 |
50,7 |
76,2 |
|
859 |
54,8 |
75,1 |
|
860 |
58,7 |
36,3 |
|
861 |
45,2 |
0,0 |
|
862 |
31,8 |
37,2 |
|
863 |
33,8 |
71,2 |
|
864 |
35,5 |
46,4 |
|
865 |
36,6 |
33,6 |
|
866 |
37,2 |
20,0 |
|
867 |
37,2 |
m |
|
868 |
37,0 |
m |
|
869 |
36,6 |
m |
|
870 |
36,0 |
m |
|
871 |
35,4 |
m |
|
872 |
34,7 |
m |
|
873 |
34,1 |
m |
|
874 |
33,6 |
m |
|
875 |
33,3 |
m |
|
876 |
33,1 |
m |
|
877 |
32,7 |
m |
|
878 |
31,4 |
m |
|
879 |
45,0 |
0,0 |
|
880 |
58,5 |
m |
|
881 |
53,7 |
m |
|
882 |
47,5 |
m |
|
883 |
40,6 |
m |
|
884 |
34,1 |
m |
|
885 |
45,3 |
0,0 |
|
886 |
56,4 |
m |
|
887 |
51,0 |
m |
|
888 |
44,5 |
m |
|
889 |
36,4 |
m |
|
890 |
26,6 |
m |
|
891 |
20,0 |
m |
|
892 |
13,3 |
m |
|
893 |
6,7 |
m |
|
894 |
0,0 |
0,0 |
|
895 |
0,0 |
0,0 |
|
896 |
0,0 |
0,0 |
|
897 |
0,0 |
0,0 |
|
898 |
0,0 |
0,0 |
|
899 |
0,0 |
0,0 |
|
900 |
0,0 |
0,0 |
|
901 |
0,0 |
5,8 |
|
902 |
2,5 |
27,9 |
|
903 |
12,4 |
29,0 |
|
904 |
19,4 |
30,1 |
|
905 |
29,3 |
31,2 |
|
906 |
37,1 |
10,4 |
|
907 |
40,6 |
4,9 |
|
908 |
35,8 |
0,0 |
|
909 |
30,9 |
7,6 |
|
910 |
35,4 |
13,8 |
|
911 |
36,5 |
11,1 |
|
912 |
40,8 |
48,5 |
|
913 |
49,8 |
3,7 |
|
914 |
41,2 |
0,0 |
|
915 |
32,7 |
29,7 |
|
916 |
39,4 |
52,1 |
|
917 |
48,8 |
22,7 |
|
918 |
41,6 |
0,0 |
|
919 |
34,5 |
46,6 |
|
920 |
39,7 |
84,4 |
|
921 |
44,7 |
83,2 |
|
922 |
49,5 |
78,9 |
|
923 |
52,3 |
83,8 |
|
924 |
53,4 |
77,7 |
|
925 |
52,1 |
69,6 |
|
926 |
47,9 |
63,6 |
|
927 |
46,4 |
55,2 |
|
928 |
46,5 |
53,6 |
|
929 |
46,4 |
62,3 |
|
930 |
46,1 |
58,2 |
|
931 |
46,2 |
61,8 |
|
932 |
47,3 |
62,3 |
|
933 |
49,3 |
57,1 |
|
934 |
52,6 |
58,1 |
|
935 |
56,3 |
56,0 |
|
936 |
59,9 |
27,2 |
|
937 |
45,8 |
0,0 |
|
938 |
31,8 |
28,8 |
|
939 |
32,7 |
56,5 |
|
940 |
33,4 |
62,8 |
|
941 |
34,6 |
68,2 |
|
942 |
35,8 |
68,6 |
|
943 |
38,6 |
65,0 |
|
944 |
42,3 |
61,9 |
|
945 |
44,1 |
65,3 |
|
946 |
45,3 |
63,2 |
|
947 |
46,5 |
30,6 |
|
948 |
46,7 |
11,1 |
|
949 |
45,9 |
16,1 |
|
950 |
45,6 |
21,8 |
|
951 |
45,9 |
24,2 |
|
952 |
46,5 |
24,7 |
|
953 |
46,7 |
24,7 |
|
954 |
46,8 |
28,2 |
|
955 |
47,2 |
31,2 |
|
956 |
47,6 |
29,6 |
|
957 |
48,2 |
31,2 |
|
958 |
48,6 |
33,5 |
|
959 |
48,8 |
m |
|
960 |
47,6 |
m |
|
961 |
46,3 |
m |
|
962 |
45,2 |
m |
|
963 |
43,5 |
m |
|
964 |
41,4 |
m |
|
965 |
40,3 |
m |
|
966 |
39,4 |
m |
|
967 |
38,0 |
m |
|
968 |
36,3 |
m |
|
969 |
35,3 |
5,8 |
|
970 |
35,4 |
30,2 |
|
971 |
36,6 |
55,6 |
|
972 |
38,6 |
48,5 |
|
973 |
39,9 |
41,8 |
|
974 |
40,3 |
38,2 |
|
975 |
40,8 |
35,0 |
|
976 |
41,9 |
32,4 |
|
977 |
43,2 |
26,4 |
|
978 |
43,5 |
m |
|
979 |
42,9 |
m |
|
980 |
41,5 |
m |
|
981 |
40,9 |
m |
|
982 |
40,5 |
m |
|
983 |
39,5 |
m |
|
984 |
38,3 |
m |
|
985 |
36,9 |
m |
|
986 |
35,4 |
m |
|
987 |
34,5 |
m |
|
988 |
33,9 |
m |
|
989 |
32,6 |
m |
|
990 |
30,9 |
m |
|
991 |
29,9 |
m |
|
992 |
29,2 |
m |
|
993 |
44,1 |
0,0 |
|
994 |
59,1 |
m |
|
995 |
56,8 |
m |
|
996 |
53,5 |
m |
|
997 |
47,8 |
m |
|
998 |
41,9 |
m |
|
999 |
35,9 |
m |
|
1000 |
44,3 |
0,0 |
|
1001 |
52,6 |
m |
|
1002 |
43,4 |
m |
|
1003 |
50,6 |
0,0 |
|
1004 |
57,8 |
m |
|
1005 |
51,6 |
m |
|
1006 |
44,8 |
m |
|
1007 |
48,6 |
0,0 |
|
1008 |
52,4 |
m |
|
1009 |
45,4 |
m |
|
1010 |
37,2 |
m |
|
1011 |
26,3 |
m |
|
1012 |
17,9 |
m |
|
1013 |
16,2 |
1,9 |
|
1014 |
17,8 |
7,5 |
|
1015 |
25,2 |
18,0 |
|
1016 |
39,7 |
6,5 |
|
1017 |
38,6 |
0,0 |
|
1018 |
37,4 |
5,4 |
|
1019 |
43,4 |
9,7 |
|
1020 |
46,9 |
15,7 |
|
1021 |
52,5 |
13,1 |
|
1022 |
56,2 |
6,3 |
|
1023 |
44,0 |
0,0 |
|
1024 |
31,8 |
20,9 |
|
1025 |
38,7 |
36,3 |
|
1026 |
47,7 |
47,5 |
|
1027 |
54,5 |
22,0 |
|
1028 |
41,3 |
0,0 |
|
1029 |
28,1 |
26,8 |
|
1030 |
31,6 |
49,2 |
|
1031 |
34,5 |
39,5 |
|
1032 |
36,4 |
24,0 |
|
1033 |
36,7 |
m |
|
1034 |
35,5 |
m |
|
1035 |
33,8 |
m |
|
1036 |
33,7 |
19,8 |
|
1037 |
35,3 |
35,1 |
|
1038 |
38,0 |
33,9 |
|
1039 |
40,1 |
34,5 |
|
1040 |
42,2 |
40,4 |
|
1041 |
45,2 |
44,0 |
|
1042 |
48,3 |
35,9 |
|
1043 |
50,1 |
29,6 |
|
1044 |
52,3 |
38,5 |
|
1045 |
55,3 |
57,7 |
|
1046 |
57,0 |
50,7 |
|
1047 |
57,7 |
25,2 |
|
1048 |
42,9 |
0,0 |
|
1049 |
28,2 |
15,7 |
|
1050 |
29,2 |
30,5 |
|
1051 |
31,1 |
52,6 |
|
1052 |
33,4 |
60,7 |
|
1053 |
35,0 |
61,4 |
|
1054 |
35,3 |
18,2 |
|
1055 |
35,2 |
14,9 |
|
1056 |
34,9 |
11,7 |
|
1057 |
34,5 |
12,9 |
|
1058 |
34,1 |
15,5 |
|
1059 |
33,5 |
m |
|
1060 |
31,8 |
m |
|
1061 |
30,1 |
m |
|
1062 |
29,6 |
10,3 |
|
1063 |
30,0 |
26,5 |
|
1064 |
31,0 |
18,8 |
|
1065 |
31,5 |
26,5 |
|
1066 |
31,7 |
m |
|
1067 |
31,5 |
m |
|
1068 |
30,6 |
m |
|
1069 |
30,0 |
m |
|
1070 |
30,0 |
m |
|
1071 |
29,4 |
m |
|
1072 |
44,3 |
0,0 |
|
1073 |
59,2 |
m |
|
1074 |
58,3 |
m |
|
1075 |
57,1 |
m |
|
1076 |
55,4 |
m |
|
1077 |
53,5 |
m |
|
1078 |
51,5 |
m |
|
1079 |
49,7 |
m |
|
1080 |
47,9 |
m |
|
1081 |
46,4 |
m |
|
1082 |
45,5 |
m |
|
1083 |
45,2 |
m |
|
1084 |
44,3 |
m |
|
1085 |
43,6 |
m |
|
1086 |
43,1 |
m |
|
1087 |
42,5 |
25,6 |
|
1088 |
43,3 |
25,7 |
|
1089 |
46,3 |
24,0 |
|
1090 |
47,8 |
20,6 |
|
1091 |
47,2 |
3,8 |
|
1092 |
45,6 |
4,4 |
|
1093 |
44,6 |
4,1 |
|
1094 |
44,1 |
m |
|
1095 |
42,9 |
m |
|
1096 |
40,9 |
m |
|
1097 |
39,2 |
m |
|
1098 |
37,0 |
m |
|
1099 |
35,1 |
2,0 |
|
1100 |
35,6 |
43,3 |
|
1101 |
38,7 |
47,6 |
|
1102 |
41,3 |
40,4 |
|
1103 |
42,6 |
45,7 |
|
1104 |
43,9 |
43,3 |
|
1105 |
46,9 |
41,2 |
|
1106 |
52,4 |
40,1 |
|
1107 |
56,3 |
39,3 |
|
1108 |
57,4 |
25,5 |
|
1109 |
57,2 |
25,4 |
|
1110 |
57,0 |
25,4 |
|
1111 |
56,8 |
25,3 |
|
1112 |
56,3 |
25,3 |
|
1113 |
55,6 |
25,2 |
|
1114 |
56,2 |
25,2 |
|
1115 |
58,0 |
12,4 |
|
1116 |
43,4 |
0,0 |
|
1117 |
28,8 |
26,2 |
|
1118 |
30,9 |
49,9 |
|
1119 |
32,3 |
40,5 |
|
1120 |
32,5 |
12,4 |
|
1121 |
32,4 |
12,2 |
|
1122 |
32,1 |
6,4 |
|
1123 |
31,0 |
12,4 |
|
1124 |
30,1 |
18,5 |
|
1125 |
30,4 |
35,6 |
|
1126 |
31,2 |
30,1 |
|
1127 |
31,5 |
30,8 |
|
1128 |
31,5 |
26,9 |
|
1129 |
31,7 |
33,9 |
|
1130 |
32,0 |
29,9 |
|
1131 |
32,1 |
m |
|
1132 |
31,4 |
m |
|
1133 |
30,3 |
m |
|
1134 |
29,8 |
m |
|
1135 |
44,3 |
0,0 |
|
1136 |
58,9 |
m |
|
1137 |
52,1 |
m |
|
1138 |
44,1 |
m |
|
1139 |
51,7 |
0,0 |
|
1140 |
59,2 |
m |
|
1141 |
47,2 |
m |
|
1142 |
35,1 |
0,0 |
|
1143 |
23,1 |
m |
|
1144 |
13,1 |
m |
|
1145 |
5,0 |
m |
|
1146 |
0,0 |
0,0 |
|
1147 |
0,0 |
0,0 |
|
1148 |
0,0 |
0,0 |
|
1149 |
0,0 |
0,0 |
|
1150 |
0,0 |
0,0 |
|
1151 |
0,0 |
0,0 |
|
1152 |
0,0 |
0,0 |
|
1153 |
0,0 |
0,0 |
|
1154 |
0,0 |
0,0 |
|
1155 |
0,0 |
0,0 |
|
1156 |
0,0 |
0,0 |
|
1157 |
0,0 |
0,0 |
|
1158 |
0,0 |
0,0 |
|
1159 |
0,0 |
0,0 |
|
1160 |
0,0 |
0,0 |
|
1161 |
0,0 |
0,0 |
|
1162 |
0,0 |
0,0 |
|
1163 |
0,0 |
0,0 |
|
1164 |
0,0 |
0,0 |
|
1165 |
0,0 |
0,0 |
|
1166 |
0,0 |
0,0 |
|
1167 |
0,0 |
0,0 |
|
1168 |
0,0 |
0,0 |
|
1169 |
0,0 |
0,0 |
|
1170 |
0,0 |
0,0 |
|
1171 |
0,0 |
0,0 |
|
1172 |
0,0 |
0,0 |
|
1173 |
0,0 |
0,0 |
|
1174 |
0,0 |
0,0 |
|
1175 |
0,0 |
0,0 |
|
1176 |
0,0 |
0,0 |
|
1177 |
0,0 |
0,0 |
|
1178 |
0,0 |
0,0 |
|
1179 |
0,0 |
0,0 |
|
1180 |
0,0 |
0,0 |
|
1181 |
0,0 |
0,0 |
|
1182 |
0,0 |
0,0 |
|
1183 |
0,0 |
0,0 |
|
1184 |
0,0 |
0,0 |
|
1185 |
0,0 |
0,0 |
|
1186 |
0,0 |
0,0 |
|
1187 |
0,0 |
0,0 |
|
1188 |
0,0 |
0,0 |
|
1189 |
0,0 |
0,0 |
|
1190 |
0,0 |
0,0 |
|
1191 |
0,0 |
0,0 |
|
1192 |
0,0 |
0,0 |
|
1193 |
0,0 |
0,0 |
|
1194 |
0,0 |
0,0 |
|
1195 |
0,0 |
0,0 |
|
1196 |
0,0 |
20,4 |
|
1197 |
12,6 |
41,2 |
|
1198 |
27,3 |
20,4 |
|
1199 |
40,4 |
7,6 |
|
1200 |
46,1 |
m |
|
1201 |
44,6 |
m |
|
1202 |
42,7 |
14,7 |
|
1203 |
42,9 |
7,3 |
|
1204 |
36,1 |
0,0 |
|
1205 |
29,3 |
15,0 |
|
1206 |
43,8 |
22,6 |
|
1207 |
54,9 |
9,9 |
|
1208 |
44,9 |
0,0 |
|
1209 |
34,9 |
47,4 |
|
1210 |
42,7 |
82,7 |
|
1211 |
52,0 |
81,2 |
|
1212 |
61,8 |
82,7 |
|
1213 |
71,3 |
39,1 |
|
1214 |
58,1 |
0,0 |
|
1215 |
44,9 |
42,5 |
|
1216 |
46,3 |
83,3 |
|
1217 |
46,8 |
74,1 |
|
1218 |
48,1 |
75,7 |
|
1219 |
50,5 |
75,8 |
|
1220 |
53,6 |
76,7 |
|
1221 |
56,9 |
77,1 |
|
1222 |
60,2 |
78,7 |
|
1223 |
63,7 |
78,0 |
|
1224 |
67,2 |
79,6 |
|
1225 |
70,7 |
80,9 |
|
1226 |
74,1 |
81,1 |
|
1227 |
77,5 |
83,6 |
|
1228 |
80,8 |
85,6 |
|
1229 |
84,1 |
81,6 |
|
1230 |
87,4 |
88,3 |
|
1231 |
90,5 |
91,9 |
|
1232 |
93,5 |
94,1 |
|
1233 |
96,8 |
96,6 |
|
1234 |
100,0 |
m |
|
1235 |
96,0 |
m |
|
1236 |
81,9 |
m |
|
1237 |
68,1 |
m |
|
1238 |
58,1 |
84,7 |
|
1239 |
58,5 |
85,4 |
|
1240 |
59,5 |
85,6 |
|
1241 |
61,0 |
86,6 |
|
1242 |
62,6 |
86,8 |
|
1243 |
64,1 |
87,6 |
|
1244 |
65,4 |
87,5 |
|
1245 |
66,7 |
87,8 |
|
1246 |
68,1 |
43,5 |
|
1247 |
55,2 |
0,0 |
|
1248 |
42,3 |
37,2 |
|
1249 |
43,0 |
73,6 |
|
1250 |
43,5 |
65,1 |
|
1251 |
43,8 |
53,1 |
|
1252 |
43,9 |
54,6 |
|
1253 |
43,9 |
41,2 |
|
1254 |
43,8 |
34,8 |
|
1255 |
43,6 |
30,3 |
|
1256 |
43,3 |
21,9 |
|
1257 |
42,8 |
19,9 |
|
1258 |
42,3 |
m |
|
1259 |
41,4 |
m |
|
1260 |
40,2 |
m |
|
1261 |
38,7 |
m |
|
1262 |
37,1 |
m |
|
1263 |
35,6 |
m |
|
1264 |
34,2 |
m |
|
1265 |
32,9 |
m |
|
1266 |
31,8 |
m |
|
1267 |
30,7 |
m |
|
1268 |
29,6 |
m |
|
1269 |
40,4 |
0,0 |
|
1270 |
51,2 |
m |
|
1271 |
49,6 |
m |
|
1272 |
48,0 |
m |
|
1273 |
46,4 |
m |
|
1274 |
45,0 |
m |
|
1275 |
43,6 |
m |
|
1276 |
42,3 |
m |
|
1277 |
41,0 |
m |
|
1278 |
39,6 |
m |
|
1279 |
38,3 |
m |
|
1280 |
37,1 |
m |
|
1281 |
35,9 |
m |
|
1282 |
34,6 |
m |
|
1283 |
33,0 |
m |
|
1284 |
31,1 |
m |
|
1285 |
29,2 |
m |
|
1286 |
43,3 |
0,0 |
|
1287 |
57,4 |
32,8 |
|
1288 |
59,9 |
65,4 |
|
1289 |
61,9 |
76,1 |
|
1290 |
65,6 |
73,7 |
|
1291 |
69,9 |
79,3 |
|
1292 |
74,1 |
81,3 |
|
1293 |
78,3 |
83,2 |
|
1294 |
82,6 |
86,0 |
|
1295 |
87,0 |
89,5 |
|
1296 |
91,2 |
90,8 |
|
1297 |
95,3 |
45,9 |
|
1298 |
81,0 |
0,0 |
|
1299 |
66,6 |
38,2 |
|
1300 |
67,9 |
75,5 |
|
1301 |
68,4 |
80,5 |
|
1302 |
69,0 |
85,5 |
|
1303 |
70,0 |
85,2 |
|
1304 |
71,6 |
85,9 |
|
1305 |
73,3 |
86,2 |
|
1306 |
74,8 |
86,5 |
|
1307 |
76,3 |
42,9 |
|
1308 |
63,3 |
0,0 |
|
1309 |
50,4 |
21,2 |
|
1310 |
50,6 |
42,3 |
|
1311 |
50,6 |
53,7 |
|
1312 |
50,4 |
90,1 |
|
1313 |
50,5 |
97,1 |
|
1314 |
51,0 |
100,0 |
|
1315 |
51,9 |
100,0 |
|
1316 |
52,6 |
100,0 |
|
1317 |
52,8 |
32,4 |
|
1318 |
47,7 |
0,0 |
|
1319 |
42,6 |
27,4 |
|
1320 |
42,1 |
53,5 |
|
1321 |
41,8 |
44,5 |
|
1322 |
41,4 |
41,1 |
|
1323 |
41,0 |
21,0 |
|
1324 |
40,3 |
0,0 |
|
1325 |
39,3 |
1,0 |
|
1326 |
38,3 |
15,2 |
|
1327 |
37,6 |
57,8 |
|
1328 |
37,3 |
73,2 |
|
1329 |
37,3 |
59,8 |
|
1330 |
37,4 |
52,2 |
|
1331 |
37,4 |
16,9 |
|
1332 |
37,1 |
34,3 |
|
1333 |
36,7 |
51,9 |
|
1334 |
36,2 |
25,3 |
|
1335 |
35,6 |
m |
|
1336 |
34,6 |
m |
|
1337 |
33,2 |
m |
|
1338 |
31,6 |
m |
|
1339 |
30,1 |
m |
|
1340 |
28,8 |
m |
|
1341 |
28,0 |
29,5 |
|
1342 |
28,6 |
100,0 |
|
1343 |
28,8 |
97,3 |
|
1344 |
28,8 |
73,4 |
|
1345 |
29,6 |
56,9 |
|
1346 |
30,3 |
91,7 |
|
1347 |
31,0 |
90,5 |
|
1348 |
31,8 |
81,7 |
|
1349 |
32,6 |
79,5 |
|
1350 |
33,5 |
86,9 |
|
1351 |
34,6 |
100,0 |
|
1352 |
35,6 |
78,7 |
|
1353 |
36,4 |
50,5 |
|
1354 |
37,0 |
57,0 |
|
1355 |
37,3 |
69,1 |
|
1356 |
37,6 |
49,5 |
|
1357 |
37,8 |
44,4 |
|
1358 |
37,8 |
43,4 |
|
1359 |
37,8 |
34,8 |
|
1360 |
37,6 |
24,0 |
|
1361 |
37,2 |
m |
|
1362 |
36,3 |
m |
|
1363 |
35,1 |
m |
|
1364 |
33,7 |
m |
|
1365 |
32,4 |
m |
|
1366 |
31,1 |
m |
|
1367 |
29,9 |
m |
|
1368 |
28,7 |
m |
|
1369 |
29,0 |
58,6 |
|
1370 |
29,7 |
88,5 |
|
1371 |
31,0 |
86,3 |
|
1372 |
31,8 |
43,4 |
|
1373 |
31,7 |
m |
|
1374 |
29,9 |
m |
|
1375 |
40,2 |
0,0 |
|
1376 |
50,4 |
m |
|
1377 |
47,9 |
m |
|
1378 |
45,0 |
m |
|
1379 |
43,0 |
m |
|
1380 |
40,6 |
m |
|
1381 |
55,5 |
0,0 |
|
1382 |
70,4 |
41,7 |
|
1383 |
73,4 |
83,2 |
|
1384 |
74,0 |
83,7 |
|
1385 |
74,9 |
41,7 |
|
1386 |
60,0 |
0,0 |
|
1387 |
45,1 |
41,6 |
|
1388 |
47,7 |
84,2 |
|
1389 |
50,4 |
50,2 |
|
1390 |
53,0 |
26,1 |
|
1391 |
59,5 |
0,0 |
|
1392 |
66,2 |
38,4 |
|
1393 |
66,4 |
76,7 |
|
1394 |
67,6 |
100,0 |
|
1395 |
68,4 |
76,6 |
|
1396 |
68,2 |
47,2 |
|
1397 |
69,0 |
81,4 |
|
1398 |
69,7 |
40,6 |
|
1399 |
54,7 |
0,0 |
|
1400 |
39,8 |
19,9 |
|
1401 |
36,3 |
40,0 |
|
1402 |
36,7 |
59,4 |
|
1403 |
36,6 |
77,5 |
|
1404 |
36,8 |
94,3 |
|
1405 |
36,8 |
100,0 |
|
1406 |
36,4 |
100,0 |
|
1407 |
36,3 |
79,7 |
|
1408 |
36,7 |
49,5 |
|
1409 |
36,6 |
39,3 |
|
1410 |
37,3 |
62,8 |
|
1411 |
38,1 |
73,4 |
|
1412 |
39,0 |
72,9 |
|
1413 |
40,2 |
72,0 |
|
1414 |
41,5 |
71,2 |
|
1415 |
42,9 |
77,3 |
|
1416 |
44,4 |
76,6 |
|
1417 |
45,4 |
43,1 |
|
1418 |
45,3 |
53,9 |
|
1419 |
45,1 |
64,8 |
|
1420 |
46,5 |
74,2 |
|
1421 |
47,7 |
75,2 |
|
1422 |
48,1 |
75,5 |
|
1423 |
48,6 |
75,8 |
|
1424 |
48,9 |
76,3 |
|
1425 |
49,9 |
75,5 |
|
1426 |
50,4 |
75,2 |
|
1427 |
51,1 |
74,6 |
|
1428 |
51,9 |
75,0 |
|
1429 |
52,7 |
37,2 |
|
1430 |
41,6 |
0,0 |
|
1431 |
30,4 |
36,6 |
|
1432 |
30,5 |
73,2 |
|
1433 |
30,3 |
81,6 |
|
1434 |
30,4 |
89,3 |
|
1435 |
31,5 |
90,4 |
|
1436 |
32,7 |
88,5 |
|
1437 |
33,7 |
97,2 |
|
1438 |
35,2 |
99,7 |
|
1439 |
36,3 |
98,8 |
|
1440 |
37,7 |
100,0 |
|
1441 |
39,2 |
100,0 |
|
1442 |
40,9 |
100,0 |
|
1443 |
42,4 |
99,5 |
|
1444 |
43,8 |
98,7 |
|
1445 |
45,4 |
97,3 |
|
1446 |
47,0 |
96,6 |
|
1447 |
47,8 |
96,2 |
|
1448 |
48,8 |
96,3 |
|
1449 |
50,5 |
95,1 |
|
1450 |
51,0 |
95,9 |
|
1451 |
52,0 |
94,3 |
|
1452 |
52,6 |
94,6 |
|
1453 |
53,0 |
65,5 |
|
1454 |
53,2 |
0,0 |
|
1455 |
53,2 |
m |
|
1456 |
52,6 |
m |
|
1457 |
52,1 |
m |
|
1458 |
51,8 |
m |
|
1459 |
51,3 |
m |
|
1460 |
50,7 |
m |
|
1461 |
50,7 |
m |
|
1462 |
49,8 |
m |
|
1463 |
49,4 |
m |
|
1464 |
49,3 |
m |
|
1465 |
49,1 |
m |
|
1466 |
49,1 |
m |
|
1467 |
49,1 |
8,3 |
|
1468 |
48,9 |
16,8 |
|
1469 |
48,8 |
21,3 |
|
1470 |
49,1 |
22,1 |
|
1471 |
49,4 |
26,3 |
|
1472 |
49,8 |
39,2 |
|
1473 |
50,4 |
83,4 |
|
1474 |
51,4 |
90,6 |
|
1475 |
52,3 |
93,8 |
|
1476 |
53,3 |
94,0 |
|
1477 |
54,2 |
94,1 |
|
1478 |
54,9 |
94,3 |
|
1479 |
55,7 |
94,6 |
|
1480 |
56,1 |
94,9 |
|
1481 |
56,3 |
86,2 |
|
1482 |
56,2 |
64,1 |
|
1483 |
56,0 |
46,1 |
|
1484 |
56,2 |
33,4 |
|
1485 |
56,5 |
23,6 |
|
1486 |
56,3 |
18,6 |
|
1487 |
55,7 |
16,2 |
|
1488 |
56,0 |
15,9 |
|
1489 |
55,9 |
21,8 |
|
1490 |
55,8 |
20,9 |
|
1491 |
55,4 |
18,4 |
|
1492 |
55,7 |
25,1 |
|
1493 |
56,0 |
27,7 |
|
1494 |
55,8 |
22,4 |
|
1495 |
56,1 |
20,0 |
|
1496 |
55,7 |
17,4 |
|
1497 |
55,9 |
20,9 |
|
1498 |
56,0 |
22,9 |
|
1499 |
56,0 |
21,1 |
|
1500 |
55,1 |
19,2 |
|
1501 |
55,6 |
24,2 |
|
1502 |
55,4 |
25,6 |
|
1503 |
55,7 |
24,7 |
|
1504 |
55,9 |
24,0 |
|
1505 |
55,4 |
23,5 |
|
1506 |
55,7 |
30,9 |
|
1507 |
55,4 |
42,5 |
|
1508 |
55,3 |
25,8 |
|
1509 |
55,4 |
1,3 |
|
1510 |
55,0 |
m |
|
1511 |
54,4 |
m |
|
1512 |
54,2 |
m |
|
1513 |
53,5 |
m |
|
1514 |
52,4 |
m |
|
1515 |
51,8 |
m |
|
1516 |
50,7 |
m |
|
1517 |
49,9 |
m |
|
1518 |
49,1 |
m |
|
1519 |
47,7 |
m |
|
1520 |
47,3 |
m |
|
1521 |
46,9 |
m |
|
1522 |
46,9 |
m |
|
1523 |
47,2 |
m |
|
1524 |
47,8 |
m |
|
1525 |
48,2 |
0,0 |
|
1526 |
48,8 |
23,0 |
|
1527 |
49,1 |
67,9 |
|
1528 |
49,4 |
73,7 |
|
1529 |
49,8 |
75,0 |
|
1530 |
50,4 |
75,8 |
|
1531 |
51,4 |
73,9 |
|
1532 |
52,3 |
72,2 |
|
1533 |
53,3 |
71,2 |
|
1534 |
54,6 |
71,2 |
|
1535 |
55,4 |
68,7 |
|
1536 |
56,7 |
67,0 |
|
1537 |
57,2 |
64,6 |
|
1538 |
57,3 |
61,9 |
|
1539 |
57,0 |
59,5 |
|
1540 |
56,7 |
57,0 |
|
1541 |
56,7 |
69,8 |
|
1542 |
56,8 |
58,5 |
|
1543 |
56,8 |
47,2 |
|
1544 |
57,0 |
38,5 |
|
1545 |
57,0 |
32,8 |
|
1546 |
56,8 |
30,2 |
|
1547 |
57,0 |
27,0 |
|
1548 |
56,9 |
26,2 |
|
1549 |
56,7 |
26,2 |
|
1550 |
57,0 |
26,6 |
|
1551 |
56,7 |
27,8 |
|
1552 |
56,7 |
29,7 |
|
1553 |
56,8 |
32,1 |
|
1554 |
56,5 |
34,9 |
|
1555 |
56,6 |
34,9 |
|
1556 |
56,3 |
35,8 |
|
1557 |
56,6 |
36,6 |
|
1558 |
56,2 |
37,6 |
|
1559 |
56,6 |
38,2 |
|
1560 |
56,2 |
37,9 |
|
1561 |
56,6 |
37,5 |
|
1562 |
56,4 |
36,7 |
|
1563 |
56,5 |
34,8 |
|
1564 |
56,5 |
35,8 |
|
1565 |
56,5 |
36,2 |
|
1566 |
56,5 |
36,7 |
|
1567 |
56,7 |
37,8 |
|
1568 |
56,7 |
37,8 |
|
1569 |
56,6 |
36,6 |
|
1570 |
56,8 |
36,1 |
|
1571 |
56,5 |
36,8 |
|
1572 |
56,9 |
35,9 |
|
1573 |
56,7 |
35,0 |
|
1574 |
56,5 |
36,0 |
|
1575 |
56,4 |
36,5 |
|
1576 |
56,5 |
38,0 |
|
1577 |
56,5 |
39,9 |
|
1578 |
56,4 |
42,1 |
|
1579 |
56,5 |
47,0 |
|
1580 |
56,4 |
48,0 |
|
1581 |
56,1 |
49,1 |
|
1582 |
56,4 |
48,9 |
|
1583 |
56,4 |
48,2 |
|
1584 |
56,5 |
48,3 |
|
1585 |
56,5 |
47,9 |
|
1586 |
56,6 |
46,8 |
|
1587 |
56,6 |
46,2 |
|
1588 |
56,5 |
44,4 |
|
1589 |
56,8 |
42,9 |
|
1590 |
56,5 |
42,8 |
|
1591 |
56,7 |
43,2 |
|
1592 |
56,5 |
42,8 |
|
1593 |
56,9 |
42,2 |
|
1594 |
56,5 |
43,1 |
|
1595 |
56,5 |
42,9 |
|
1596 |
56,7 |
42,7 |
|
1597 |
56,6 |
41,5 |
|
1598 |
56,9 |
41,8 |
|
1599 |
56,6 |
41,9 |
|
1600 |
56,7 |
42,6 |
|
1601 |
56,7 |
42,6 |
|
1602 |
56,7 |
41,5 |
|
1603 |
56,7 |
42,2 |
|
1604 |
56,5 |
42,2 |
|
1605 |
56,8 |
41,9 |
|
1606 |
56,5 |
42,0 |
|
1607 |
56,7 |
42,1 |
|
1608 |
56,4 |
41,9 |
|
1609 |
56,7 |
42,9 |
|
1610 |
56,7 |
41,8 |
|
1611 |
56,7 |
41,9 |
|
1612 |
56,8 |
42,0 |
|
1613 |
56,7 |
41,5 |
|
1614 |
56,6 |
41,9 |
|
1615 |
56,8 |
41,6 |
|
1616 |
56,6 |
41,6 |
|
1617 |
56,9 |
42,0 |
|
1618 |
56,7 |
40,7 |
|
1619 |
56,7 |
39,3 |
|
1620 |
56,5 |
41,4 |
|
1621 |
56,4 |
44,9 |
|
1622 |
56,8 |
45,2 |
|
1623 |
56,6 |
43,6 |
|
1624 |
56,8 |
42,2 |
|
1625 |
56,5 |
42,3 |
|
1626 |
56,5 |
44,4 |
|
1627 |
56,9 |
45,1 |
|
1628 |
56,4 |
45,0 |
|
1629 |
56,7 |
46,3 |
|
1630 |
56,7 |
45,5 |
|
1631 |
56,8 |
45,0 |
|
1632 |
56,7 |
44,9 |
|
1633 |
56,6 |
45,2 |
|
1634 |
56,8 |
46,0 |
|
1635 |
56,5 |
46,6 |
|
1636 |
56,6 |
48,3 |
|
1637 |
56,4 |
48,6 |
|
1638 |
56,6 |
50,3 |
|
1639 |
56,3 |
51,9 |
|
1640 |
56,5 |
54,1 |
|
1641 |
56,3 |
54,9 |
|
1642 |
56,4 |
55,0 |
|
1643 |
56,4 |
56,2 |
|
1644 |
56,2 |
58,6 |
|
1645 |
56,2 |
59,1 |
|
1646 |
56,2 |
62,5 |
|
1647 |
56,4 |
62,8 |
|
1648 |
56,0 |
64,7 |
|
1649 |
56,4 |
65,6 |
|
1650 |
56,2 |
67,7 |
|
1651 |
55,9 |
68,9 |
|
1652 |
56,1 |
68,9 |
|
1653 |
55,8 |
69,5 |
|
1654 |
56,0 |
69,8 |
|
1655 |
56,2 |
69,3 |
|
1656 |
56,2 |
69,8 |
|
1657 |
56,4 |
69,2 |
|
1658 |
56,3 |
68,7 |
|
1659 |
56,2 |
69,4 |
|
1660 |
56,2 |
69,5 |
|
1661 |
56,2 |
70,0 |
|
1662 |
56,4 |
69,7 |
|
1663 |
56,2 |
70,2 |
|
1664 |
56,4 |
70,5 |
|
1665 |
56,1 |
70,5 |
|
1666 |
56,5 |
69,7 |
|
1667 |
56,2 |
69,3 |
|
1668 |
56,5 |
70,9 |
|
1669 |
56,4 |
70,8 |
|
1670 |
56,3 |
71,1 |
|
1671 |
56,4 |
71,0 |
|
1672 |
56,7 |
68,6 |
|
1673 |
56,8 |
68,6 |
|
1674 |
56,6 |
68,0 |
|
1675 |
56,8 |
65,1 |
|
1676 |
56,9 |
60,9 |
|
1677 |
57,1 |
57,4 |
|
1678 |
57,1 |
54,3 |
|
1679 |
57,0 |
48,6 |
|
1680 |
57,4 |
44,1 |
|
1681 |
57,4 |
40,2 |
|
1682 |
57,6 |
36,9 |
|
1683 |
57,5 |
34,2 |
|
1684 |
57,4 |
31,1 |
|
1685 |
57,5 |
25,9 |
|
1686 |
57,5 |
20,7 |
|
1687 |
57,6 |
16,4 |
|
1688 |
57,6 |
12,4 |
|
1689 |
57,6 |
8,9 |
|
1690 |
57,5 |
8,0 |
|
1691 |
57,5 |
5,8 |
|
1692 |
57,3 |
5,8 |
|
1693 |
57,6 |
5,5 |
|
1694 |
57,3 |
4,5 |
|
1695 |
57,2 |
3,2 |
|
1696 |
57,2 |
3,1 |
|
1697 |
57,3 |
4,9 |
|
1698 |
57,3 |
4,2 |
|
1699 |
56,9 |
5,5 |
|
1700 |
57,1 |
5,1 |
|
1701 |
57,0 |
5,2 |
|
1702 |
56,9 |
5,5 |
|
1703 |
56,6 |
5,4 |
|
1704 |
57,1 |
6,1 |
|
1705 |
56,7 |
5,7 |
|
1706 |
56,8 |
5,8 |
|
1707 |
57,0 |
6,1 |
|
1708 |
56,7 |
5,9 |
|
1709 |
57,0 |
6,6 |
|
1710 |
56,9 |
6,4 |
|
1711 |
56,7 |
6,7 |
|
1712 |
56,9 |
6,9 |
|
1713 |
56,8 |
5,6 |
|
1714 |
56,6 |
5,1 |
|
1715 |
56,6 |
6,5 |
|
1716 |
56,5 |
10,0 |
|
1717 |
56,6 |
12,4 |
|
1718 |
56,5 |
14,5 |
|
1719 |
56,6 |
16,3 |
|
1720 |
56,3 |
18,1 |
|
1721 |
56,6 |
20,7 |
|
1722 |
56,1 |
22,6 |
|
1723 |
56,3 |
25,8 |
|
1724 |
56,4 |
27,7 |
|
1725 |
56,0 |
29,7 |
|
1726 |
56,1 |
32,6 |
|
1727 |
55,9 |
34,9 |
|
1728 |
55,9 |
36,4 |
|
1729 |
56,0 |
39,2 |
|
1730 |
55,9 |
41,4 |
|
1731 |
55,5 |
44,2 |
|
1732 |
55,9 |
46,4 |
|
1733 |
55,8 |
48,3 |
|
1734 |
55,6 |
49,1 |
|
1735 |
55,8 |
49,3 |
|
1736 |
55,9 |
47,7 |
|
1737 |
55,9 |
47,4 |
|
1738 |
55,8 |
46,9 |
|
1739 |
56,1 |
46,8 |
|
1740 |
56,1 |
45,8 |
|
1741 |
56,2 |
46,0 |
|
1742 |
56,3 |
45,9 |
|
1743 |
56,3 |
45,9 |
|
1744 |
56,2 |
44,6 |
|
1745 |
56,2 |
46,0 |
|
1746 |
56,4 |
46,2 |
|
1747 |
55,8 |
m |
|
1748 |
55,5 |
m |
|
1749 |
55,0 |
m |
|
1750 |
54,1 |
m |
|
1751 |
54,0 |
m |
|
1752 |
53,3 |
m |
|
1753 |
52,6 |
m |
|
1754 |
51,8 |
m |
|
1755 |
50,7 |
m |
|
1756 |
49,9 |
m |
|
1757 |
49,1 |
m |
|
1758 |
47,7 |
m |
|
1759 |
46,8 |
m |
|
1760 |
45,7 |
m |
|
1761 |
44,8 |
m |
|
1762 |
43,9 |
m |
|
1763 |
42,9 |
m |
|
1764 |
41,5 |
m |
|
1765 |
39,5 |
m |
|
1766 |
36,7 |
m |
|
1767 |
33,8 |
m |
|
1768 |
31,0 |
m |
|
1769 |
40,0 |
0,0 |
|
1770 |
49,1 |
m |
|
1771 |
46,2 |
m |
|
1772 |
43,1 |
m |
|
1773 |
39,9 |
m |
|
1774 |
36,6 |
m |
|
1775 |
33,6 |
m |
|
1776 |
30,5 |
m |
|
1777 |
42,8 |
0,0 |
|
1778 |
55,2 |
m |
|
1779 |
49,9 |
m |
|
1780 |
44,0 |
m |
|
1781 |
37,6 |
m |
|
1782 |
47,2 |
0,0 |
|
1783 |
56,8 |
m |
|
1784 |
47,5 |
m |
|
1785 |
42,9 |
m |
|
1786 |
31,6 |
m |
|
1787 |
25,8 |
m |
|
1788 |
19,9 |
m |
|
1789 |
14,0 |
m |
|
1790 |
8,1 |
m |
|
1791 |
2,2 |
m |
|
1792 |
0,0 |
0,0 |
|
1793 |
0,0 |
0,0 |
|
1794 |
0,0 |
0,0 |
|
1795 |
0,0 |
0,0 |
|
1796 |
0,0 |
0,0 |
|
1797 |
0,0 |
0,0 |
|
1798 |
0,0 |
0,0 |
|
1799 |
0,0 |
0,0 |
|
1800 |
0,0 |
0,0 |
|
m = "motoring" |
||
Aanhangsel 2
Meetapparatuur
A.2.1. Dit aanhangsel bevat de basisvoorschriften en de algemene beschrijvingen van de bemonsterings- en analysesystemen voor het meten van de emissie van gassen en deeltjes. Aangezien verschillende configuraties gelijkwaardige resultaten kunnen opleveren, hoeven de figuren van dit aanhangsel niet exact te worden gevolgd. Onderdelen zoals instrumenten, kleppen, elektromagneten, pompen, debietapparatuur en schakelaars mogen worden gebruikt om extra gegevens te verstrekken en de functies van de onderdeelsystemen te coördineren. Andere onderdelen die niet noodzakelijk zijn om de nauwkeurigheid van bepaalde systemen te waarborgen, mogen worden weggelaten als dat technisch verantwoord is.
A.2.1.1. Analysesysteem
A.2.1.2. Beschrijving van het analysesysteem
Een analysesysteem voor de vaststelling van de gasvormige emissies in het ruwe (figuur 9) of verdunde (figuur 10) uitlaatgas wordt beschreven op basis van het gebruik van:
|
a) |
een HFID- of FID-analysator voor de meting van koolwaterstoffen; |
|
b) |
NDIR-analysatoren voor de meting van koolmonoxide en kooldioxide; |
|
c) |
een HCLD- of CLD-analysator voor de meting van stikstofoxiden. |
Het monster van alle bestanddelen dient te worden genomen met één bemonsteringssonde die inwendig is gesplitst voor de verschillende analyseapparaten. Eventueel mogen twee dicht bijeen geplaatste bemonsteringssondes worden gebruikt. Er moet op worden toegezien dat er nergens in het analysesysteem onbedoelde condensatie van uitlaatgasbestanddelen (inclusief water en zwavelzuur) optreedt.
Figuur 9
Stroomschema van het analysesysteem voor CO, CO2, NOx en HC in ruw uitlaatgas
Figuur 10
Stroomschema van het analysesysteem voor CO, CO2, NOx en HC in verdund uitlaatgas
A.2.1.3. Onderdelen van de figuren 9 en 10
|
EP |
Uitlaatpijp |
|
SP |
Sonde voor de bemonstering van ruw uitlaatgas (alleen figuur 9) |
Aanbevolen wordt een roestvrij stalen rechte sonde met een gesloten uiteinde, voorzien van een aantal gaatjes. De binnendiameter mag niet groter zijn dan de binnendiameter van de bemonsteringsleiding. De wanddikte van de sonde mag niet meer bedragen dan 1 mm. De sonde moet voorzien zijn van minimaal drie gaatjes in drie verschillende radiale vlakken die een zodanige afmeting hebben dat de bemonsteringsstromen ongeveer gelijk zijn. De sonde moet op een diepte van ten minste 80% van de uitlaatpijpdiameter worden geplaatst. Er mag gebruik worden gemaakt van een of twee bemonsteringssondes.
|
SP2 |
Sonde voor de bemonstering van HC in het verdunde uitlaatgas (alleen figuur 10) |
De sonde moet:
|
a) |
worden gedefinieerd als de eerste 254 tot 762 mm van de verwarmde bemonsteringsleiding HSL1; |
|
b) |
een minimumbinnendiameter van 5 mm hebben; |
|
c) |
worden aangebracht in de verdunningstunnel DT (figuur 15) op een plaats waar het verdunningsmiddel en het uitlaatgas goed vermengd zijn (d.w.z. circa tien tunneldiameters voorbij het punt waar het uitlaatgas de verdunningstunnel binnenkomt); |
|
d) |
zich op voldoende afstand (radiaal) van andere sondes en de tunnelwand bevinden zodat de sonde niet door een zog of door wervelingen wordt beïnvloed; |
|
e) |
verwarmd worden om de gasstroomtemperatuur bij de uitgang van de sonde te verhogen tot 463 ± 10 K (190 ± 10°C) of tot 385 K ± 10 K (112 ± 10°C) bij elektrische-ontstekingsmotoren; |
|
f) |
niet verwarmd zijn in het geval van een FID-meting (koud). |
|
SP3 |
Sonde voor de bemonstering van CO, CO2 en NOx in het verdunde uitlaatgas (alleen figuur 10) |
De sonde moet:
|
a) |
in hetzelfde vlak liggen als SP2; |
|
b) |
zich op voldoende afstand (radiaal) van andere sondes en de tunnelwand bevinden zodat de sonde niet door een zog of door wervelingen wordt beïnvloed; |
|
c) |
verwarmd worden tot een minimumtemperatuur van 328 K (55°C) om condensatie van waterdamp te voorkomen. |
|
HF1 |
Verwarmd voorfilter (facultatief) |
De temperatuur moet dezelfde zijn als die voor HSL1.
|
HF2 |
Verwarmd filter |
Het filter moet alle vaste deeltjes vóór het analyseapparaat uit het gasmonster verwijderen. De temperatuur moet dezelfde zijn als die voor HSL1. Het filter moet zo nodig worden vervangen.
|
HSL1 |
Verwarmde bemonsteringsleiding |
De bemonsteringsleiding voert de gasmonsters van één sonde naar een of meer verdeelstukken en de HC-analysator.
De bemonsteringsleiding moet:
|
a) |
een binnendiameter van minimaal 4 mm en maximaal 13,5 mm hebben; |
|
b) |
van roestvrij staal of PTFE gemaakt zijn; |
|
c) |
een wandtemperatuur hebben van 463 ± 10 K (190 ± 10°C), gemeten op elk afzonderlijk verwarmd deel, indien de temperatuur van het uitlaatgas bij de bemonsteringssonde lager is dan of gelijk is aan 463 K (190°C); |
|
d) |
een wandtemperatuur hebben van meer dan 453 K (180°C), indien de temperatuur van het uitlaatgas boven 463 K (190°C) ligt; |
|
e) |
een gastemperatuur van 463 ± 10 K (190 ± 10°C) hebben onmiddellijk vóór het verwarmde filter HF2 en de HFID. |
|
HSL2 |
Verwarmde bemonsteringsleiding voor NOx |
De bemonsteringsleiding moet:
|
a) |
een wandtemperatuur tussen 328 en 473 K (55 en 200°C) hebben tot de omzetter voor meting op droge basis en tot het analyseapparaat voor meting op natte basis; |
|
b) |
van roestvrij staal of PTFE gemaakt zijn. |
|
HP |
Verwarmde bemonsteringspomp |
De pomp moet worden verwarmd tot de temperatuur van HSL.
|
SL |
Bemonsteringsleiding voor CO en CO2 |
De leiding moet van PTFE of roestvrij staal gemaakt zijn. De leiding mag verwarmd worden of onverwarmd zijn.
|
HC |
HFID-analysator |
Verwarmde vlamionisatiedetector (HFID) of vlamionisatiedetector (FID) voor het bepalen van de koolwaterstofconcentratie. De temperatuur van de HFID moet tussen 453 en 473 K (180 en 200°C) worden gehouden.
|
CO, CO2 |
NDIR-analysator |
NDIR-analysatoren voor het bepalen van de koolmonoxide- en kooldioxideconcentratie (facultatief voor het bepalen van de verdunningsverhouding bij de meting van de deeltjesconcentratie).
|
NOx |
CLD-analysator of NDUV-analysator |
CLD-, HCLD- of NDUV-analysator voor het bepalen van de stikstofoxidenconcentratie. Bij gebruik van een HCLD moet deze op een temperatuur van 328 tot 473 K (55 tot 200°C) worden gehouden.
|
B |
Monsterdroger (facultatief voor NO-meting) |
Om te koelen en waterdamp uit het uitlaatgasmonster te laten condenseren. Het koelbad is facultatief indien de analyse niet door waterdamp wordt beïnvloed, zoals bepaald in punt 9.3.9.2.2 van deze bijlage. Indien het water door condensatie wordt verwijderd, moet de temperatuur of het dauwpunt van het bemonsteringsgas in de watervanger of stroomafwaarts worden gemeten. De temperatuur of het dauwpunt van het bemonsteringsgas mag niet hoger zijn dan 280 K (7°C). Chemische droging is niet toegestaan voor de verwijdering van het water uit de monsters.
|
BK |
Achtergrondzak (facultatief; alleen figuur 10) |
Voor de meting van de achtergrondconcentraties.
|
BG |
Achtergrondzak (facultatief; alleen figuur 10) |
Voor de meting van de monsterconcentraties.
A.2.1.4. Niet-methaancuttermethode (NMC)
De NMC oxideert alle koolwaterstoffen behalve CH4 tot CO2 en H2O, zodat alleen nog CH4 door de HFID wordt gedetecteerd nadat het monster door de NMC is geleid. Naast de gebruikelijke opstelling voor de bemonstering van HC (zie de figuren 9 en 10) moet er een tweede opstelling voor de bemonstering van HC worden opgezet, die is voorzien van een cutter, zoals in figuur 11 wordt weergegeven. Zodoende kunnen de totaalwaarden voor HC, CH4 en NMHC gelijktijdig worden gemeten.
De NMC moet vóór de test bij een temperatuur van ten minste 600 K (327°C) worden gekarakteriseerd voor wat het katalytische effect op CH4 en C2H6 betreft, waarbij de H2O-waarden representatief zijn voor uitlaatgascondities. Het dauwpunt en het O2-niveau van de bemonsterde uitlaatgasstroom moeten bekend zijn. De relatieve respons van de FID op CH4 en C2H6 moet worden bepaald overeenkomstig punt 9.3.8 van deze bijlage.
Figuur 11
Stroomschema voor de analyse van methaan met de NMC
A.2.1.5. Onderdelen van figuur 11
|
NMC |
Niet-methaancutter |
Om alle koolwaterstoffen behalve methaan te oxideren.
HC
Verwarmde vlamionisatiedetector (HFID) of vlamionisatiedetector (FID) om de concentraties HC en CH4 te meten. De temperatuur van de HFID moet tussen 453 en 473 K (180 en 200°C) worden gehouden.
|
V1 |
Selectieklep |
Om te kiezen tussen nulgas en ijkgas.
|
R |
Drukregelaar |
Om de druk in de bemonsteringsleiding en de stroom naar de HFID te regelen.
A.2.2. Verdunnings- en deeltjesbemonsteringssysteem
A.2.2.1. Beschrijving van een partiële-stroomsysteem
Het hier beschreven verdunningssysteem is gebaseerd op de verdunning van een gedeelte van de uitlaatgassen. Het splitsen van de uitlaatgasstroom en de daaropvolgende verdunning kunnen geschieden door verschillende soorten verdunningssystemen. Bij de daaropvolgende verzameling van deeltjes kan al het verdunde uitlaatgas of een gedeelte van het verdunde uitlaatgas door het deeltjesbemonsteringssysteem worden gevoerd. De eerste methode wordt de totale bemonsteringsmethode genoemd, de tweede de deelbemonsteringsmethode. De berekening van de verdunningsverhouding hangt af van het toegepaste systeem.
Bij de totale bemonsteringsmethode zoals afgebeeld in figuur 12, wordt het ruwe uitlaatgas van de uitlaatpijp (EP) naar de verdunningstunnel (DT) gevoerd door de bemonsteringssonde (SP) en de verbindingsbuis (TT). De totale stroom door de tunnel wordt geregeld door de stroomregelaar FC2 en de bemonsteringspomp (P) van het deeltjesbemonsteringssysteem (zie figuur 16). De verdunningsmiddelstroom wordt geregeld door de stroomregelaar FC1, die q mew of q maw en q mf kan gebruiken als stuursignalen voor de gewenste uitlaatgassplitsing. De monsterstroom in DT is het verschil tussen de totale stroom en de verdunningsmiddelstroom. Het verdunningsmiddeldebiet wordt gemeten met stroommeter FM1 en het totale debiet met stroommeter FM3 van het deeltjesbemonsteringssysteem (zie figuur 16). De verdunningsverhouding wordt berekend uit deze twee debieten.
Figuur 12
Schema van het partiële-stroomverdunningssysteem (totale bemonsteringsmethode)
Bij de deelbemonsteringsmethode zoals afgebeeld in figuur 13, wordt het ruwe uitlaatgas van de uitlaatpijp EP naar de verdunningstunnel DT gevoerd door de bemonsteringssonde SP en de verbindingsbuis TT. De totale stroom door de tunnel wordt geregeld door stroomregelaar FC1, die hetzij met de verdunningsmiddelstroom, hetzij met de aanzuigventilator voor de totale tunnelstroom is verbonden. Stroomregelaar FC1 kan q mew of q maw en q mf als stuursignalen gebruiken voor de gewenste uitlaatgassplitsing. De monsterstroom in DT is het verschil tussen de totale stroom en de verdunningsmiddelstroom. Het verdunningsmiddeldebiet wordt gemeten met stroommeter FM1 en het totale debiet met stroommeter FM2. De verdunningsverhouding wordt berekend uit deze twee debieten. Door het deeltjesbemonsteringssysteem wordt een deeltjesmonster uit DT genomen (zie figuur 16).
Figuur 13
Schema van het partiële-stroomverdunningssysteem (deelbemonsteringsmethode)
A.2.2.2. Onderdelen van de figuren 12 en 13
|
EP |
Uitlaatpijp |
De uitlaatpijp mag worden geïsoleerd. Om de thermische traagheid van de uitlaatpijp te verminderen, wordt een dikte/diameterverhouding van 0,015 of minder aanbevolen. Het gebruik van flexibele delen moet worden beperkt tot een lengte/diameterverhouding van 12 of minder. Bochten moeten tot een minimum worden beperkt om afzetting door inertie tegen te gaan. Indien het systeem een testbankdemper omvat, mag de demper ook worden geïsoleerd. Aanbevolen wordt een rechte pijp van zes pijpdiameters vóór en drie pijpdiameters na de tip van de sonde te gebruiken.
|
SP |
Bemonsteringssonde |
De sonde moet van een van de volgende typen zijn:
|
a) |
een open buis die op de hartlijn van de uitlaatpijp is geplaatst en waarvan de opening tegen de stroom in is gericht; |
|
b) |
een open buis die op de hartlijn van de uitlaatpijp is geplaatst en waarvan de opening met de stroom mee is gericht; |
|
c) |
een sonde met verscheidene gaatjes zoals beschreven onder SP in punt A.2.1.3; |
|
d) |
een afgedekte sonde die op de hartlijn van de uitlaatpijp is geplaatst en waarvan de opening tegen de stroom in is gericht, zoals weergegeven in figuur 14. |
De minimumdiameter aan de binnenkant van de tip van de sonde is 4 mm. De minimumdiameterverhouding tussen uitlaatpijp en sonde is vier.
Bij gebruik van sondetype a) moet vlak voor de filterhouder een inertiale voorklasseervoorziening (cycloonfilter of impactor) met een "cut point" van 50% tussen 2,5 en 10 μm worden aangebracht.
Figuur 14
Schema van een afgedekte sonde
|
TT |
Verbindingsbuis |
De verbindingsbuis moet zo kort mogelijk zijn, maar:
|
a) |
mag niet langer zijn dan 0,26 m als de buis over 80% van de totale lengte, gemeten tussen het einde van de sonde en de verdunningsfase, geïsoleerd is; of |
|
b) |
mag niet langer zijn dan 1 m als de buis over 90% van de totale lengte, gemeten tussen het einde van de sonde en de verdunningsfase, tot meer dan 150°C verwarmd is. |
De verbindingsbuis moet een diameter hebben die ten minste even groot is als die van de sonde, maar maximaal 25 mm bedraagt, en moet in de hartlijn van de verdunningstunnel uitkomen en met de stroom mee zijn gericht.
Ten aanzien van bovenstaand punt a) geldt dat de isolatie moet bestaan uit materiaal met een maximale thermische geleidbaarheid van 0,05 W/mK en met een radiale isolatiedikte die overeenkomt met de diameter van de sonde.
|
FC1 |
Stroomregelaar |
Er moet een stroomregelaar worden gebruikt om de verdunningsmiddelstroom door de aanjager PB en/of de aanzuigventilator SB te regelen. De regelaar kan worden aangesloten op de signalen van de uitlaatgasstroom overeenkomstig punt 8.4.1 van deze bijlage. De stroomregelaar mag vóór of na de desbetreffende aanjager worden geplaatst. Bij toevoer van samengeperste lucht regelt FC1 de luchtstroom rechtstreeks.
|
FM1 |
Stroommeter |
Een gasstroom- of andere stroommeter die de verdunningsmiddelstroom meet. Het gebruik van FM1 is facultatief indien PB gekalibreerd is om de stroom te meten.
|
DAF |
Verdunningsmiddelfilter |
Het verdunningsmiddel (omgevingslucht, synthetische lucht of stikstof) moet worden gefiltreerd met een hoogrendementsfilter (HEPA) met een initieel opvangrendement van ten minste 99,97% volgens EN 1822-1 (filterklasse H14 of beter), ASTM F 1471-93 of een gelijkwaardige norm.
|
FM2 |
Stroommeter (deelbemonsteringsmethode, alleen figuur 13) |
Een gasstroom- of debietmeter die de verdunde uitlaatgasstroom meet. Het gebruik van FM2 is facultatief indien de aanzuigventilator SB gekalibreerd is om de stroom te meten.
|
PB |
Aanjager (deelbemonsteringsmethode, alleen figuur 13) |
Om het verdunningsmiddeldebiet te regelen, mag PB op stroommeter FC1 of FC2 worden aangesloten. PB is overbodig wanneer gebruik wordt gemaakt van een vlinderklep. Indien PB is gekalibreerd, kan hij worden gebruikt om de verdunningsmiddelstroom te meten.
|
SB |
Aanzuigventilator (deelbemonsteringsmethode, alleen figuur 13) |
Indien SB is gekalibreerd, kan hij worden gebruikt om de verdunde uitlaatgasstroom te meten.
|
DT |
Verdunningstunnel (partiële stroom) |
De verdunningstunnel:
|
a) |
moet voor een deelbemonsteringssysteem lang genoeg zijn om volledige vermenging van het uitlaatgas en het verdunningsmiddel door turbulentie tot stand te brengen (Reynoldsgetal, Re, groter dan 4 000, waarbij Re op de binnendiameter van de verdunningstunnel is gebaseerd), d.w.z. voor de totale bemonsteringsmethode is volledige vermenging niet nodig; |
|
b) |
moet van roestvrij staal gemaakt zijn; |
|
c) |
mag tot een wandtemperatuur van 325 K (52°C) worden verwarmd; |
|
d) |
mag worden geïsoleerd. |
|
PSP |
Deeltjesbemonsteringssonde (deelbemonsteringsmethode, alleen figuur 13) |
De deeltjesbemonsteringssonde is het eerste stuk van de deeltjesverbindingsbuis PTT (zie punt A.2.2.6) en:
|
a) |
moet tegen de stroom in worden gemonteerd op een punt waar het verdunningsmiddel en het uitlaatgas goed vermengd zijn, d.w.z. in de hartlijn van de verdunningstunnel DT, ongeveer tien tunneldiameters voorbij het punt waar het uitlaatgas in de verdunningstunnel stroomt; |
|
b) |
moet een binnendiameter van minimaal 8 mm hebben; |
|
c) |
mag tot een wandtemperatuur van 325 K (52°C) worden verwarmd door directe verwarming of door voorverwarming van het verdunningsmiddel, mits de temperatuur van het verdunningsmiddel niet meer dan 325 K (52°C) bedraagt voordat het uitlaatgas in de verdunningstunnel wordt geleid; |
|
d) |
mag worden geïsoleerd. |
A.2.2.3. Beschrijving van een volledige-stroomverdunningssysteem
Het hier beschreven systeem is gebaseerd op verdunning van het totale uitlaatgas in de verdunningstunnel DT uitgaande van constantevolumebemonstering (CVS), en wordt weergegeven in figuur 15.
De verdunde uitlaatgasstroom wordt gemeten met een verdringerpomp (PDP), met een venturibuis met kritische stroming (CFV) of met een subsonische venturi (SSV). Er kan gebruik worden gemaakt van een warmtewisselaar (HE) of van elektronische stroomcompensatie (EFC) voor proportionele deeltjesbemonstering of voor de vaststelling van de stroom. Aangezien de bepaling van de deeltjesmassa gebaseerd is op de totale verdunde uitlaatgasstroom, hoeft de verdunningsverhouding niet te worden berekend.
Bij de daaropvolgende verzameling van deeltjes wordt een monster van het verdunde uitlaatgas naar het deeltjesbemonsteringssysteem met dubbele verdunning geleid (zie figuur 17). Hoewel het dubbele-verdunningssysteem gedeeltelijk uit een verdunningssysteem bestaat, wordt dit systeem beschreven als een variant van het deeltjesbemonsteringssysteem, aangezien de meeste onderdelen overeenkomen met een typisch deeltjesbemonsteringssysteem.
Figuur 15
Schema van een volledige-stroomverdunningssysteem (CVS)
A.2.2.4. Onderdelen van figuur 15
|
EP |
Uitlaatpijp |
De lengte van de uitlaatpijp vanaf de uitgang van het uitlaatspruitstuk van de motor, de uitgang van de turbocompressor of de nabehandelingsinrichting tot de verdunningstunnel mag niet meer dan 10 m bedragen. Indien het systeem langer is dan 4 m, moet het gedeelte dat langer is dan 4 m, worden geïsoleerd, behalve een eventueel in het systeem opgenomen opaciteitsmeter. De radiale dikte van het isolatiemateriaal moet ten minste 25 mm bedragen. De thermische geleidbaarheid van het isolatiemateriaal moet een waarde hebben van maximaal 0,1 W/mK, gemeten bij een temperatuur van 673 K. Om de thermische traagheid van de uitlaatpijp te verminderen, wordt een dikte/diameterverhouding van 0,015 of minder aanbevolen. Het gebruik van flexibele delen moet worden beperkt tot een lengte/diameterverhouding van 12 of minder.
|
PDP |
Verdringerpomp |
De PDP bepaalt de totale verdunde uitlaatgasstroom aan de hand van het aantal pompomwentelingen en de plunjerverplaatsing. De tegendruk van het uitlaatsysteem mag door de PDP of het inlaatsysteem voor het verdunningsmiddel niet kunstmatig worden verlaagd. De statische tegendruk van het uitlaatgas, gemeten met de PDP in werking, moet binnen ± 1,5 kPa van de statische druk liggen, gemeten zonder aansluiting op de PDP bij gelijk toerental en gelijke belasting. De gasmengseltemperatuur onmiddellijk vóór de PDP moet gedurende de test binnen ± 6 K van de gemiddelde bedrijfstemperatuur liggen wanneer geen stroomcompensatie (EFC) wordt toegepast. Er mag slechts stroomcompensatie worden toegepast indien de temperatuur bij de inlaat van de PDP niet meer dan 323 K (50°C) bedraagt.
|
CFV |
Venturibuis met kritische stroming |
De CFV meet de totale verdunde uitlaatgasstroom door de stroming voortdurend te knijpen (kritische stroming). De statische tegendruk van het uitlaatgas, gemeten met de CFV in werking, moet binnen ± 1,5 kPa van de statische druk liggen, gemeten zonder aansluiting op de CFV bij gelijk toerental en gelijke belasting. De gasmengseltemperatuur onmiddellijk vóór de CFV moet gedurende de test binnen ± 11 K van de gemiddelde bedrijfstemperatuur liggen wanneer geen stroomcompensatie (EFC) wordt toegepast.
|
SSV |
Subsonische venturi |
Een SSV meet de totale verdunde uitlaatgasstroom met de gasstroomfunctie van een subsonische venturi die afhankelijk is van de druk en temperatuur bij de inlaat en de drukval tussen de inlaat en de hals van de venturibuis. De statische tegendruk van het uitlaatgas, gemeten met de SSV in werking, moet binnen ± 1,5 kPa van de statische druk liggen, gemeten zonder aansluiting op de SSV bij gelijk toerental en gelijke belasting. De gasmengseltemperatuur onmiddellijk vóór de SSV moet gedurende de test binnen ± 11 K van de gemiddelde bedrijfstemperatuur liggen wanneer geen stroomcompensatie (EFC) wordt toegepast.
|
HE |
Warmtewisselaar (facultatief) |
De warmtewisselaar moet voldoende capaciteit hebben om de temperatuur binnen de bovengenoemde grenswaarden te houden. Indien EFC wordt toegepast, is een warmtewisselaar niet nodig.
|
EFC |
Elektronische stroomcompensatie (facultatief) |
Indien de temperatuur bij de inlaat van de PDP, CFV of SSV niet binnen de bovenstaande grenzen wordt gehouden, moet een stroomcompensatiesysteem worden toegepast voor permanente meting van de stroom en regeling van de proportionele bemonstering in het dubbele-verdunningssysteem. Hiertoe worden de continu gemeten stroomsignalen gebruikt om de evenredigheid van de monsterstroom door de deeltjesfilters van het dubbele-verdunningssysteem op een niveau van ± 2,5% te houden (zie figuur 17).
|
DT |
Verdunningstunnel (volledige-stroomverdunning) |
De verdunningstunnel
|
a) |
moet een diameter hebben die klein genoeg is om turbulente stroom teweeg te brengen (getal van Reynolds, Re, groter dan 4 000, waarbij Re op de binnendiameter van de verdunningstunnel is gebaseerd) en moet lang genoeg zijn om volledige vermenging van het uitlaatgas met het verdunningsmiddel teweeg te brengen; |
|
b) |
mag worden geïsoleerd; |
|
c) |
mag worden verwarmd tot een wandtemperatuur die voldoende is om watercondensatie tegen te gaan. |
Het uitlaatgas van de motor moet met de stroom mee gericht zijn op het punt waar het de verdunningstunnel binnenkomt, en grondig worden vermengd. Er mag een mengopening worden gebruikt.
Bij gebruik van dubbele verdunning moet een monster uit de verdunningstunnel worden overgebracht naar de secundaire verdunningstunnel voor verdere verdunning en vervolgens door de bemonsteringsfilters worden geleid (figuur 17). Het secundaire verdunningssysteem moet voldoende secundair verdunningsmiddel toevoeren om de tweemaal verdunde uitlaatgasstroom op een temperatuur te houden die vlak voor het deeltjesfilter tussen 315 K (42°C) en 325 K (52°C) ligt.
|
DAF |
Verdunningsmiddelfilter |
Het verdunningsmiddel (omgevingslucht, synthetische lucht of stikstof) moet worden gefiltreerd met een hoogrendementsfilter (HEPA-filter) met een initieel opvangrendement van ten minste 99,97% volgens EN 1822-1 (filterklasse H14 of beter), ASTM F 1471-93 of een gelijkwaardige norm.
|
PSP |
Deeltjesbemonsteringssonde |
De sonde is het eerste stuk van de PTT en
|
a) |
moet tegen de stroom in worden gemonteerd op een punt waar het verdunningsmiddel en de uitlaatgassen goed vermengd zijn, d.w.z. in de hartlijn van de verdunningstunnel DT, ongeveer 10 tunneldiameters voorbij het punt waar het uitlaatgas in de verdunningstunnel stroomt; |
|
b) |
moet een binnendiameter van minimaal 8 mm hebben; |
|
c) |
mag tot een wandtemperatuur van 325 K (52°C) worden verwarmd door directe verwarming of door voorverwarming van het verdunningsmiddel, mits de luchttemperatuur niet meer dan 325 K (52°C) bedraagt voordat het uitlaatgas in de verdunningstunnel wordt geleid; |
|
d) |
mag worden geïsoleerd. |
A.2.2.5. Beschrijving van een deeltjesbemonsteringssysteem
Een deeltjesbemonsteringssysteem moet de deeltjes met het deeltjesfilter opvangen, en wordt afgebeeld in de figuren 16 en 17. Bij totale bemonstering met partiële-stroomverdunning waarbij het gehele verdunde uitlaatgasmonster door de filters wordt gevoerd, vormen het verdunningssysteem en het bemonsteringssysteem gewoonlijk één geheel (zie figuur 12). Bij deelbemonstering met partiële of volledige stroomverdunning, waarbij slechts een deel van het verdunde uitlaatgas door de filters wordt gevoerd, zijn het verdunningssysteem en het bemonsteringssysteem gewoonlijk gescheiden.
Bij een partiële-stroomverdunningssysteem wordt met de bemonsteringspomp P een monster van het verdunde uitlaatgas uit de verdunningstunnel DT genomen via de deeltjesbemonsteringssonde PSP en de deeltjesverbindingsbuis PTT, zoals weergegeven in figuur 16. Het monster wordt door de filterhouder(s) FH geleid die de deeltjesbemonsteringsfilters bevat(ten). De monsterstroom wordt door stroomregelaar FC3 geregeld.
Bij een volledige-stroomverdunningssysteem wordt een deeltjesbemonsteringssysteem met dubbele verdunning gebruikt, zoals weergegeven in figuur 17. Een monster van het verdunde uitlaatgas wordt vanuit de verdunningstunnel DT door de deeltjesbemonsteringssonde PSP en de deeltjesverbindingsbuis PTT overgebracht naar de secundaire verdunningstunnel SDT, waar het nogmaals wordt verdund. Het monster wordt vervolgens door de filterhouder(s) FH geleid waarin zich de deeltjesbemonsteringsfilters bevinden. Het verdunningsmiddeldebiet is gewoonlijk constant, terwijl het monsterdebiet door stroomregelaar FC3 wordt geregeld. Indien elektronische stroomcompensatie EFC (zie figuur 15) wordt toegepast, moet de totale verdunde uitlaatgasstroom als stuursignaal voor FC3 worden gebruikt.
Figuur 16
Schema van een deeltjesbemonsteringssysteem
Figuur 17
Schema van een deeltjesbemonsteringssysteem met dubbele verdunning
A.2.2.6. Onderdelen van figuur 16 (alleen partiële-stroomsysteem) en figuur 17 (alleen volledige-stroomsysteem)
|
PTT |
Deeltjesverbindingsbuis |
De verbindingsbuis:
|
a) |
moet inert zijn voor deeltjesmateriaal; |
|
b) |
mag tot een wandtemperatuur van 325 K (52°C) worden verwarmd; |
|
c) |
mag worden geïsoleerd. |
|
SDT |
Secundaire verdunningstunnel (alleen figuur 17) |
De secundaire verdunningstunnel:
|
a) |
moet een zodanige lengte en diameter hebben dat aan de retentietijdvoorschriften van punt 9.4.2, onder f), van deze bijlage wordt voldaan; |
|
b) |
mag tot een wandtemperatuur van 325 K (52°C) worden verwarmd; |
|
c) |
mag worden geïsoleerd. |
|
FH |
Filterhouder |
De filterhouder:
|
a) |
moet een divergente kegeltophoek van 12,5 ° (vanuit het midden) hebben voor de overgang van de diameter van de verbindingsbuis naar de blootgestelde diameter van het filteroppervlak; |
|
b) |
mag tot een wandtemperatuur van 325 K (52°C) worden verwarmd; |
|
c) |
mag worden geïsoleerd. |
Filterwisselaars met verschillende filters (automatische wisselaars) zijn aanvaardbaar, mits er geen interactie tussen de bemonsteringsfilters optreedt.
PTFE-membraanfilters moeten in een aparte cassette in de filterhouder worden gemonteerd.
Bij gebruik van een bemonsteringssonde met open buis waarvan de opening tegen de uitlaatstroom in is gericht, moet vlak voor de filterhouder een inertiale voorklasseervoorziening met een "cut point" van 50% tussen 2,5 μm en 10 μm worden aangebracht.
|
P |
Bemonsteringspomp |
|
FC2 |
Stroomregelaar |
Een stroomregelaar moet het deeltjesmonsterdebiet regelen.
|
FM3 |
Stroommeter |
Gasstroom- of debietmeter om de deeltjesmonsterstroom door het deeltjesfilter te bepalen. Deze mag voor of na bemonsteringspomp P worden geïnstalleerd.
|
FM4 |
Stroommeter |
Gasstroom- of debietmeter om de secundaire verdunningsmiddelstroom door het deeltjesfilter te bepalen.
|
BV |
Kogelklep (facultatief) |
De kogelklep moet een binnendiameter van minimaal de binnendiameter van de deeltjesverbindingsbuis PTT en een schakeltijd van minder dan 0,5 s hebben.
Aanhangsel 3
Statistische berekeningen
A.3.1. Gemiddelde waarde en standaardafwijking
Het rekenkundig gemiddelde wordt als volgt berekend:
|
|
(102) |
De standaardafwijking wordt als volgt berekend:
|
|
(103) |
A.3.2. Regressieanalyse
De helling van de regressierechte wordt als volgt berekend:
|
|
(104) |
Het y-afsnijpunt van de regressierechte wordt als volgt berekend:
|
|
(105) |
De standaardafwijking van de schattingswaarde (SEE) wordt als volgt berekend:
|
|
(106) |
De determinatiecoëfficiënt wordt als volgt berekend:
|
|
(107) |
A.3.3. Bepaling van systeemgelijkwaardigheid
De systeemgelijkwaardigheid overeenkomstig punt 5.1.1 van deze bijlage moet met behulp van de passende testcycli worden vastgesteld aan de hand van een correlatiestudie met zeven (of meer) monsterparen tussen het kandidaat-systeem en een van de geaccepteerde referentiesystemen uit deze bijlage. De gelijkwaardigheid wordt bepaald aan de hand van de F-test en de tweezijdige Student t-test.
Met deze statistische methode wordt de hypothese onderzocht dat de standaarddeviatie van de monsters en het gemiddelde voor een emissie gemeten met het kandidaat-systeem niet verschillen van de standaarddeviatie en het bemonsteringsgemiddelde voor die emissie gemeten met het referentiesysteem. De hypothese wordt getest op basis van een 10%-significantieniveau van de F- en t-waarden. Zie tabel 9 voor de kritieke F- en t-waarden voor zeven tot tien monsterparen. Als de F- en t-waarden die volgens onderstaande formule zijn berekend, groter zijn dan de kritieke F- en t-waarden, is het kandidaat-systeem niet gelijkwaardig.
De volgende procedure moet worden gevolgd; de indices R en C verwijzen respectievelijk naar het referentie- en het kandidaat-systeem:
|
a) |
voer ten minste zeven tests parallel met het kandidaat- en het referentiesysteem uit. n R en n C staan voor het aantal tests; |
|
b) |
bereken de gemiddelden
|
|
c) |
bereken de F-waarde als volgt:
(van de twee standaarddeviaties s R en s C moet de grootste in de teller staan); |
|
d) |
bereken de t-waarde als volgt:
|
|
e) |
vergelijk de berekende F- en t-waarden met de kritieke F- en t-waarden op basis van het aantal tests (zie tabel 9). Raadpleeg bij een grotere steekproefomvang statistische tabellen voor een 10%-significantieniveau (90%-betrouwbaarheidsniveau); |
|
f) |
bepaal de vrijheidsgraad (df) als volgt:
|
|
g) |
bepaal de gelijkwaardigheid als volgt:
|
Tabel 9
t- en F-waarden op basis van steekproefomvang
|
Steekproefomvang |
F-test |
t-test |
||
|
|
df |
F crit |
df |
t crit |
|
7 |
6, 6 |
3,055 |
6 |
1,943 |
|
8 |
7, 7 |
2,785 |
7 |
1,895 |
|
9 |
8, 8 |
2,589 |
8 |
1,860 |
|
10 |
9, 9 |
2,440 |
9 |
1,833 |
Aanhangsel 4
Controle van de koolstofstroom
A.4.1. Inleiding
Vrijwel alle koolstof in het uitlaatgas is afkomstig van de brandstof, en op een minimaal gedeelte na is deze in het uitlaatgas aanwezig als CO2. Dit vormt de basis voor een op CO2-metingen gebaseerde controle van het systeem.
De stroom van koolstof in de uitlaatgasmeetsystemen is afhankelijk van de brandstofstroom. De koolstofstroom bij verschillende bemonsteringspunten in emissie- en deeltjesbemonsteringssystemen is afhankelijk van de CO2-concentraties en de gasstromen op deze punten.
De motor is dus een bekende bron van koolstofstroom, en door observatie van dezelfde koolstofstroom in de uitlaatpijp en bij de uitlaat van het deeltjesmateriaalbemonsteringssysteem met partiële stroom kan de lekvrijheid en de nauwkeurigheid van de stroommeting worden gecontroleerd. Het voordeel van deze controle is dat de onderdelen wat temperatuur en stroom betreft onder werkelijke motortestomstandigheden werken.
In figuur 18 worden de bemonsteringspunten getoond waar de koolstofstromen moeten worden gecontroleerd. De specifieke formules voor de koolstofstroom bij elk van de bemonsteringspunten worden beneden aangegeven.
Figuur 18
Meetpunten voor controle op de koolstofstroom
A.4.2. Koolstofstroom naar de motor (plaats 1)
Het koolstofmassadebiet naar de motor voor brandstof CH α O ε wordt weergegeven door de volgende vergelijking:
|
|
(112) |
waarin:
|
qmf |
= |
het brandstofmassadebiet (kg/s). |
A.4.3. Koolstofstroom in het ruwe uitlaatgas (plaats 2)
Het koolstofmassadebiet in de uitlaatpijp van de motor wordt bepaald op basis van de concentratie van ruw CO2 en het uitlaatgasmassadebiet:
|
|
(113) |
waarin:
|
c CO2,r |
= |
de concentratie van natte CO2 in het ruwe uitlaatgas (%); |
|
c CO2,a |
= |
de concentratie van natte CO2 in de omgevingslucht (%); |
|
q mew |
= |
het uitlaatgasmassadebiet op natte basis (kg/s); |
|
Me |
= |
de molaire massa van het uitlaatgas (g/mol). |
Indien de concentratie CO2 op droge basis is gemeten, wordt zij overeenkomstig punt 8.1 van deze bijlage omgezet in een concentratie op natte basis.
A.4.4. Koolstofstroom in het verdunningssysteem (plaats 3)
Bij een partiële-stroomverdunningssysteem moet ook met de splitsingsverhouding rekening worden gehouden. De koolstofstroom wordt vastgesteld op basis van de concentratie van verdund CO2, het uitlaatgasmassadebiet en het monsterstroomdebiet:
|
|
(114) |
waarin:
|
c CO2,d |
= |
de concentratie van natte CO2 in het verdunde uitlaatgas bij de uitlaat van de verdunningstunnel (%); |
|
c CO2,a |
= |
de concentratie van natte CO2 in de omgevingslucht (%); |
|
q mew |
= |
het uitlaatgasmassadebiet op natte basis (kg/s); |
|
q mp |
= |
de bemonsteringsstroom van het uitlaatgas naar het partiële-stroomverdunningssysteem (kg/s); |
|
Me |
= |
de molaire massa van het uitlaatgas (g/mol). |
Indien de concentratie CO2 op droge basis is gemeten, wordt zij overeenkomstig punt 8.1 van deze bijlage omgezet in een concentratie op natte basis.
A.4.5. Berekening van de molaire massa van het uitlaatgas
De molaire massa van het uitlaatgas wordt berekend met behulp van formule 41 (zie punt 8.4.2.4 van deze bijlage).
Als alternatief kunnen de volgende molaire massa’s voor het uitlaatgas worden gebruikt:
|
Me (diesel) |
= |
28,9 g/mol |
|
Me (LPG) |
= |
28,6 g/mol |
|
Me (aardgas) |
= |
28,3 g/mol |
Aanhangsel 5
Voorbeeld van de berekeningsprocedure
A.5.1. Denormalisatieprocedure voor toerental en koppel
Als voorbeeld wordt het volgende testpunt gedenormaliseerd:
|
% toerental |
= |
43%; |
|
% koppel |
= |
82%. |
Gegeven zijn de volgende waarden:
|
n lo |
= |
1 015 min–1; |
|
n hi |
= |
2 200 min–1; |
|
n pref |
= |
1 300 min–1; |
|
n idle |
= |
600 min–1; |
wat resulteert in:
waarbij het maximumkoppel dat bij 1 178 min–1 uit de motorkarakteristiek wordt afgelezen, 700 Nm bedraagt.
A.5.2. Basisgegevens voor stoichiometrische berekeningen
|
Atoommassa van waterstof |
1,00794 u |
|
Atoommassa van koolstof |
12,011 u |
|
Atoommassa van zwavel |
32,065 u |
|
Atoommassa van stikstof |
14,0067 u |
|
Atoommassa van zuurstof |
15,9994 u |
|
Atoommassa van argon |
39,9 u |
|
Molaire massa van water |
18,01534 g/mol |
|
Molaire massa van kooldioxide |
44,01 g/mol |
|
Molaire massa van koolmonoxide |
28,011 g/mol |
|
Molaire massa van zuurstof |
31,9988 g/mol |
|
Molaire massa van stikstof |
28,011 g/mol |
|
Molaire massa van stikstofoxide |
30,008 g/mol |
|
Molaire massa van stikstofdioxide |
46,01 g/mol |
|
Molaire massa van zwaveldioxide |
64,066 g/mol |
|
Molaire massa van droge lucht |
28,965 g/mol |
Aangenomen dat er geen samendrukbaarheidseffecten zijn, kunnen alle gassen die zijn betrokken bij het proces van inlaat, verbranding en uitlaat van de motor als ideaal worden beschouwd. Volumetrische berekeningen worden daarom gebaseerd op een molair volume van 22,414 l/mol overeenkomstig de hypothese van Avogadro.
A.5.3. Gasvormige emissies (diesel)
Hieronder staan de meetgegevens van een enkel punt van de testcyclus (bij een bemonsteringsfrequentie van 1 Hz) voor de berekening van de momentane massa-emissie. In dit voorbeeld worden CO en NOx op droge basis en HC op natte basis gemeten. De HC-concentratie wordt uitgedrukt in propaanequivalent (C3) en moet met 3 worden vermenigvuldigd om het C1-equivalent te verkrijgen. De berekeningswijze is identiek voor de andere punten van de testcyclus.
In het rekenvoorbeeld staan ter verduidelijking afgeronde waarden voor de tussenliggende resultaten van de verschillende stappen. Opgemerkt zij dat het tijdens de daadwerkelijke berekening niet is toegestaan tussenliggende resultaten af te ronden (zie punt 8 van deze bijlage).
|
Ta,i (K) |
Ha,i (g/kg) |
Wact (kWh) |
qmew,i (kg/s) |
qmaw,i (kg/s) |
qmf,i (kg/s) |
cHC,i (ppm) |
cCO,i (ppm) |
cNOx,i (ppm) |
|
295 |
8,0 |
40 |
0,155 |
0,150 |
0,005 |
10 |
40 |
500 |
Er wordt met de volgende brandstofsamenstelling rekening gehouden:
|
Bestanddeel |
Molaire verhouding |
Massa % |
|
H |
α = 1,8529 |
w ALF = 13,45 |
|
C |
β = 1,0000 |
w BET = 86,50 |
|
S |
γ = 0,0002 |
w GAM = 0,050 |
|
N |
δ = 0,0000 |
w DEL = 0,000 |
|
O |
ε = 0,0000 |
w EPS = 0,000 |
Stap 1: Droog-natcorrectie (punt 8.1 van deze bijlage):
Formule 16:
Formule 13:
Formule 12:
Stap 2: Temperatuur- en vochtigheidscorrectie voor NOx (punt 8.2.1 van deze bijlage):
Formule 23:
Stap 3: Berekening van de momentane emissie van elk afzonderlijk punt van de testcyclus (punt 8.4.2.3 van deze bijlage):
Formule 36:
Stap 4: Berekening van de massa-emissie gedurende de cyclus door middel van integratie van de momentane emissiewaarden en de u-waarden uit tabel 5 (punt 8.4.2.3 van deze bijlage):
De volgende berekening wordt aangenomen voor de WHTC-cyclus (1 800 s) en dezelfde emissie op elk punt van de cyclus.
Formule 36:
Stap 5: Berekening van de specifieke emissies (punt 8.6.3 van deze bijlage):
Formule 69:
A.5.4. Deeltjesemissie (diesel)
|
pb,b (kPa) |
pb,a (kPa) |
Wact (kWh) |
qmew,i (kg/s) |
qmf,i (kg/s) |
qmdw,i (kg/s) |
qmdew,i (kg/s) |
muncor,b (mg) |
muncor,a (mg) |
msep (kg) |
|
99 |
100 |
40 |
0,155 |
0,005 |
0,0015 |
0,0020 |
90,0000 |
91,7000 |
1,515 |
Stap 1: Berekening van m edf (punt 8.4.3.2.2 van deze bijlage):
Formule 48:
Formule 47:
Formule 46:
Stap 2: Correctie voor opwaartse druk van de deeltjesmassa (punt 8.3 van deze bijlage)
Vóór de test:
Formule 26:
Formule 25:
Na de test:
Formule 26:
Formule 25:
Formule 27:
Stap 3: Berekening van de deeltjesmassa-emissie (punt 8.4.3.2.2 van deze bijlage):
Formule 45:
Stap 4: Berekening van de specifieke emissie (punt 8.6.3 van deze bijlage):
Formule 69:
A.5.5. λ-verschuivingsfactor (Sλ)
A.5.5.1. Berekening van de λ-verschuivingsfactor (Sλ) (1)
waarin:
|
Sλ |
= |
λ-verschuivingsfactor; |
||||||||||||||||||
|
% inert gas |
= |
vol. % van de inerte gassen in de brandstof (d.w.z. N2, CO2, He enz.); |
||||||||||||||||||
|
O2* |
= |
vol. % van de oorspronkelijke zuurstof in de brandstof; |
||||||||||||||||||
|
n en m |
= |
staan voor de gemiddelde CnHm van de koolwaterstoffen in de brandstof, d.w.z.: waarin:
|
A.5.5.2. Voorbeelden van de berekening van de λ-verschuivingsfactor Sλ
Voorbeeld 1: G25: CH4 = 86%, N2 = 14% (vol. %)
Voorbeeld 2: GR: CH4 = 87%, C2H6 = 13% (vol. %)
Voorbeeld 3: USA: CH4 = 8%, C2H6 = 4,5%, C3H8 = 2,3%, C6H14 = 0,2%, O2 = 0,6%, N2 = 4%
(1) Stoichiometrische lucht-brandstofverhouding van brandstoffen voor automobielen – SAE J1829, juni 1987. John B. Heywood, Internal combustion engine fundamentals, McGraw-Hill, 1988, hoofdstuk 3.4 "Combustion stoichiometry" (blz. 68-72).
Aanhangsel 6
Installatie van apparatuur en hulpapparatuur voor de emissietest
|
Nummer |
Hulpapparatuur |
Gemonteerd voor de emissietest |
|
1 |
Inlaatsysteem |
|
|
Inlaatspruitstuk |
Ja |
|
|
Emissiebeheersingssysteem van het motorcarter |
Ja |
|
|
Controlevoorzieningen voor dubbel inlaatspruitstuk |
Ja |
|
|
Luchtstroommeter |
Ja |
|
|
Luchtinlaatleidingen |
Ja, of meetcelapparatuur |
|
|
Luchtfilter |
Ja, of meetcelapparatuur |
|
|
Aanzuigdemper |
Ja, of meetcelapparatuur |
|
|
Snelheidsbegrenzer |
Ja |
|
|
2 |
Voorverwarmingssysteem van het inlaatspruitstuk |
Ja, moet zo mogelijk in de gunstigste stand worden gezet |
|
3 |
Uitlaatsysteem |
|
|
Uitlaatspruitstuk |
Ja |
|
|
Leidingen |
Ja |
|
|
Geluiddemper |
Ja |
|
|
Uitlaatpijp |
Ja |
|
|
Uitlaatrem |
Nee, of volledig open |
|
|
Drukvullingsvoorziening |
Ja |
|
|
4 |
Brandstofpomp |
Ja |
|
5 |
Uitrusting voor gasmotoren |
|
|
Elektronisch regelsysteem, luchtstroommeter enz. |
Ja |
|
|
Drukverlager |
Ja |
|
|
Verdamper |
Ja |
|
|
Menger |
Ja |
|
|
6 |
Brandstofinspuiting |
|
|
Voorfilter |
Ja |
|
|
Filter |
Ja |
|
|
Pomp |
Ja |
|
|
Hogedrukleiding |
Ja |
|
|
Verstuiver |
Ja |
|
|
Luchtinlaatklep |
Ja |
|
|
Elektronisch regelsysteem, sensoren enz. |
Ja |
|
|
Regulateur/regelsysteem |
Ja |
|
|
Automatische vollastaanslag van de regelstang, afhankelijk van de luchtdruk |
Ja |
|
|
7 |
Vloeistofkoeling |
|
|
Radiator |
Neen |
|
|
Ventilator |
Neen |
|
|
Ventilatorhuis |
Neen |
|
|
Waterpomp |
Ja |
|
|
Thermostaat |
Ja, mag in volledig geopende stand zijn gemonteerd |
|
|
8 |
Luchtkoeling |
|
|
Behuizing |
Neen |
|
|
Ventilator of aanjager |
Neen |
|
|
Temperatuurregelsysteem |
Neen |
|
|
9 |
Elektrische apparatuur |
|
|
Generator |
Neen |
|
|
Spoel(en) |
Ja |
|
|
Bedrading |
Ja |
|
|
Elektronisch regelsysteem |
Ja |
|
|
10 |
Drukvulapparatuur |
|
|
Direct door de motor en/of door de uitlaatgassen aangedreven compressor |
Ja |
|
|
Tussenkoeler |
Ja, of meetcelsysteem |
|
|
Pomp of ventilator van de koelinrichting (aangedreven door de motor) |
Neen |
|
|
Debietregelsysteem voor het koelmiddel |
Ja |
|
|
11 |
Voorziening tegen luchtverontreiniging (uitlaatgasnabehandelingssysteem) |
Ja |
|
12 |
Startuitrusting |
Ja, of meetcelsysteem |
|
13 |
Oliepomp |
Ja |
Aanhangsel 7
Procedure voor het meten van ammoniak
A.7.1. Dit aanhangsel beschrijft de procedure voor het meten van ammoniak (NH3). Bij niet-lineaire analyseapparatuur moet het gebruik van lineariseringscircuits worden toegestaan.
A.7.2. Voor de NH3-meting zijn twee meetbeginselen gespecificeerd die beide mogen worden toegepast mits zij voldoen aan de criteria van punt A.7.2.1, respectievelijk punt A.7.2.2. Gasdrogers zijn niet toegestaan voor NH3-meting.
A.7.2.1. Laserdiodespectrometer (LDS)
A.7.2.1.1. Meetbeginsel
De LDS maakt gebruik van het beginsel van spectroscopie op één lijn. De NH3-absorptielijn wordt gekozen in het nabij-infrarode spectrumbereik en gescand door een diodelaser met één modus.
A.7.2.1.2. Installatie
De analysator wordt ofwel rechtstreeks in de uitlaatpijp (in-situ) geplaatst, ofwel binnen een analysatorkamer die gebruikmaakt van extractieve bemonstering volgens de instructies van de fabrikant van het instrument. Indien hij in een analysatorkamer wordt geplaatst, moet het monsterpad (bemonsteringsleiding, voorfilter(s) en kleppen) van roestvrij staal of PTFE zijn gemaakt en tot 463 ± 10 K (190 ± 10°C) worden verwarmd om NH3-verlies en bemonsteringsartefacten zoveel mogelijk te beperken. Voorts moet de bemonsteringsleiding zo kort mogelijk zijn.
Invloeden van de uitlaattemperatuur en -druk, de installatieomgeving en trillingen op de meting moeten zoveel mogelijk worden beperkt of er moeten compensatietechnieken worden toegepast.
Indien mantellucht in combinatie met meting in de uitlaatpijp zelf wordt gebruikt om het instrument te beschermen, mag dat geen gevolgen hebben voor de concentratie van de uitlaatgasbestanddelen die na het apparaat worden gemeten of moeten monsters van andere uitlaatgasbestanddelen vóór het apparaat worden genomen.
A.7.2.1.3. Beïnvloeding
De spectrumresolutie van de laser moet maximaal 0,5 cm-1 zijn om beïnvloeding door andere in het uitlaatgas aanwezige gassen zoveel mogelijk te beperken.
A.7.2.2. Fouriertransformatie-infraroodanalysator (FTIR)
A.7.2.2.1. Meetbeginsel
De FTIR maakt gebruik van het beginsel van brede-golfband-infraroodspectroscopie. Hiermee kunnen uitlaatgasbestanddelen waarvan de gestandaardiseerde spectra in het instrument beschikbaar zijn, tegelijkertijd worden gemeten. Het absorptiespectrum (intensiteit/golflengte) wordt berekend op basis van het gemeten interferogram (intensiteit/tijd) door middel van de Fouriertransformatiemethode.
A.7.2.2.2. Installatie en bemonstering
De FTIR moet volgens de instructies van de fabrikant worden geïnstalleerd. Voor de beoordeling wordt de NH3-golflengte gekozen. Het monsterpad (bemonsteringsleiding, voorfilter(s) en kleppen) moet van roestvrij staal of PTFE zijn gemaakt en tot 463 ± 10 K (190 ± 10°C) worden verwarmd om NH3-verlies en bemonsteringsartefacten zoveel mogelijk te beperken. Voorts moet de bemonsteringsleiding zo kort mogelijk zijn.
A.7.2.2.3. Beïnvloeding
De spectrumresolutie van de NH3-golflengte moet maximaal 0,5 cm-1 zijn om beïnvloeding door andere gassen in het uitlaatgas zoveel mogelijk te beperken.
A.7.3. Emissietestprocedure en beoordeling
A.7.3.1. Controle van de analyseapparatuur
Vóór de emissietest moet het bereik van de analysator worden gekozen. Emissieanalysatoren met automatische of handmatige meetbereikschakelaar zijn toegestaan. Tijdens de testcyclus mag het meetbereik van de analysatoren niet worden veranderd.
Indien de bepalingen van punt A.7.3.4.2 niet van toepassing zijn op het instrument, moeten de nul- en de ijkgasrespons worden bepaald. Voor de ijkgasrespons moet een NH3-gas worden gebruikt dat voldoet aan de specificaties van punt A.7.4.2.7. Er mogen referentiecellen worden gebruikt die NH3-ijkgas bevatten.
A.7.3.2. Verzameling van voor de emissie relevante gegevens
Bij het begin van de testsequentie moet tegelijkertijd de verzameling van NH3-gegevens worden gestart. De NH3-concentratie moet continu worden gemeten en met ten minste 1 Hz op een computersysteem worden opgeslagen.
A.7.3.3. Handelingen na de test
Na afloop van de test moet de bemonstering tot na het verstrijken van de responstijd van het systeem worden voortgezet. De bepaling van het verloop van de analysator overeenkomstig punt A.7.3.4.1 is alleen verplicht als de informatie in punt A.7.3.4.2 niet beschikbaar is.
A.7.3.4. Verloop van de analysator
A.7.3.4.1. Zo spoedig mogelijk na afloop van de testcyclus, maar in geen geval meer dan 30 minuten daarna, of tijdens de impregneerperiode moeten de nul- en ijkgasresponsen van de analysator worden bepaald. Het verschil tussen de resultaten vóór en na de test moet minder dan 2% van de volledige schaal bedragen.
A.7.3.4.2. In de volgende situaties is het niet verplicht het verloop van de analysator te bepalen:
|
a) |
indien het in de punten A.7.4.2.3 en A.7.4.2.4 bedoelde verloop van het nul- en ijkgas zoals gespecificeerd door de fabrikant van het instrument aan punt A.7.3.4.1 voldoet; |
|
b) |
indien het tijdsinterval voor het in de punten A.7.4.2.3 en A.7.4.2.4 bedoelde verloop van het nul- en ijkgas zoals gespecificeerd door de fabrikant van het instrument, de duur van de test overschrijdt. |
A.7.3.5. Evaluatie van de gegevens
De gemiddelde NH3-concentratie (ppm/test) wordt bepaald door de momentane waarden te integreren over de hele cyclus. De volgende formule moet worden gebruikt:
|
|
(115) |
waarin:
|
c NH3,i |
= |
de momentane NH3-concentratie in het uitlaatgas (ppm); |
|
n |
= |
het aantal metingen. |
Voor de WHTC wordt het uiteindelijke testresultaat bepaald met de volgende formule:
|
|
(116) |
waarin:
|
c NH3,cold |
= |
de gemiddelde NH3-concentratie van de koudestarttest (ppm); |
|
c NH3,hot |
= |
de gemiddelde NH3-concentratie van de warmestarttest (ppm). |
A.7.4. Specificaties en verificatie van de analysator
A.7.4.1. Lineariteitseisen
De analysator moet voldoen aan de lineariteitseisen in tabel 7 van deze bijlage. De lineariteitscontrole volgens punt 9.2.1 van deze bijlage moet ten minste om de 12 maanden plaatsvinden en na elke systeemreparatie of -wijziging die van invloed zou kunnen zijn op de kalibratie. Met de voorafgaande toestemming van de typegoedkeuringsinstantie worden minder dan 10 referentiepunten toegestaan indien een gelijkwaardige nauwkeurigheid kan worden aangetoond.
Voor de lineariteitscontrole moet een NH3-gas worden gebruikt dat voldoet aan de specificaties van punt A.7.4.2.7. Het gebruik van referentiecellen die NH3-ijkgas bevatten, moet worden toegestaan.
Instrumenten waarvan de signalen voor compensatiealgoritmen worden gebruikt, moeten voldoen aan de lineariteitseisen in tabel 7 van deze bijlage. De lineariteitscontrole moet worden uitgevoerd volgens de interne controleprocedures van de fabrikant van de apparatuur of volgens de ISO 9000-voorschriften.
A.7.4.2. Specificaties van de analysator
De analysator moet een zodanig meetbereik en zodanige responstijd hebben dat de vereiste nauwkeurigheid voor het meten van de NH3-concentratie onder stabiele en veranderende omstandigheden is gewaarborgd.
A.7.4.2.1. Minimale detectiewaarde
De analysator moet in alle testomstandigheden een minimale detectiewaarde van < 2 ppm hebben.
A.7.4.2.2. Nauwkeurigheid
De nauwkeurigheid, gedefinieerd als de mate waarin de afgelezen waarde van de analysator afwijkt van de referentiewaarde, mag niet meer bedragen dan ± 3 % van de afgelezen waarde of ± 2 ppm (de grootste waarde is van toepassing).
A.7.4.2.3. Nulpuntsverloop
Het verloop van de nulgasrespons en het bijbehorende tijdsinterval moeten door de fabrikant van het instrument worden gespecificeerd.
A.7.4.2.4. Meetbereikverloop
Het verloop van de ijkgasrespons en het bijbehorende tijdsinterval moeten door de fabrikant van het instrument worden gespecificeerd.
A.7.4.2.5. Systeemresponstijd
De systeemresponstijd moet ≤ 20 s zijn.
A.7.4.2.6. Stijgtijd
De stijgtijd van de analysator moet ≤ 5 s zijn.
A.7.4.2.7. NH3-kalibratiegas
Er moet een gasmengsel met de volgende chemische samenstelling beschikbaar zijn.
NH3 en gezuiverde stikstof.
De werkelijke concentratie van het kalibratiegas moet binnen ± 3% van de nominale waarde liggen. De NH3-concentratie is gebaseerd op het volume (vol. % of vol. ppm).
De door de fabrikant aangegeven houdbaarheidsdatum van de kalibratiegassen moet worden genoteerd.
A.7.5. Andere systemen
Andere systemen of analyseapparatuur kunnen door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd indien wordt aangetoond dat zij gelijkwaardige resultaten opleveren overeenkomstig punt 5.1.1 van deze bijlage.
De "resultaten" moeten betrekking hebben op de gemiddelde NH3-concentraties bij een specifieke cyclus.
Aanhangsel 8
Apparatuur voor het meten van deeltjesaantalemissies
A.8.1. Specificatie
A.8.1.1. Systeemoverzicht
A.8.1.1.1. Het deeltjesbemonsteringssysteem bestaat uit een sonde waarmee of een punt waarop een monster wordt genomen van een homogeen gemengde stroom in een verdunningssysteem zoals beschreven in aanhangsel 2, punten A.2.2.1 en A.2.2.2 of A.2.2.3 en A.2.2.4, een vluchtige-deeltjesverwijderaar (VPR) vóór een deeltjesaantalteller (PNC), en de nodige verbindingsleidingen.
A.8.1.1.2. Aanbevolen wordt een deeltjesgroottevoorklasseervoorziening (bv. een cycloon, impactor enz.) vóór de inlaat van de VPR aan te brengen. Een bemonsteringssonde die als adequate grootteklasseervoorziening fungeert zoals afgebeeld in aanhangsel 2, figuur 14, is echter een aanvaardbaar alternatief voor een deeltjesgroottevoorklasseervoorziening. In het geval van partiële-stroomverdunningssystemen is het aanvaardbaar dat voor deeltjesmassa- en deeltjesaantalbemonstering dezelfde voorklasseervoorziening wordt gebruikt, waarbij het deeltjesaantalmonster na de voorklasseervoorziening aan het verdunningssysteem wordt onttrokken. Als alternatief mogen afzonderlijke voorklasseervoorzieningen worden gebruikt, die het deeltjesaantalmonster vóór de deeltjesmassavoorklasseervoorziening uit het verdunningssysteem nemen.
A.8.1.2. Algemene voorschriften
A.8.1.2.1. Het deeltjesbemonsteringspunt bevindt zich binnen een verdunningssysteem.
De bemonsteringssondetip of het deeltjesbemonsteringspunt en de deeltjesoverbrengingsleiding (PTT) samen vormen het deeltjesoverbrengingssysteem (PTS). Het PTS brengt het monster van de verdunningstunnel naar de ingang van de VPR. Het PTS moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
Bij volledige- en partiële-stroomverdunningssystemen van het deelbemonsteringstype (zoals beschreven in aanhangsel 2, punt A.2.2.1) wordt de bemonsteringssonde dicht bij de hartlijn van de tunnel, 10 tot 20 tunneldiameters na de gasinlaat, geïnstalleerd met de opening tegen de tunnelgasstroom in en met de as bij de tip evenwijdig aan die van de verdunningstunnel. De bemonsteringssonde wordt zo in het verdunningskanaal geplaatst dat het monster uit een homogeen verdunningsmiddel/uitlaatgasmengsel wordt genomen.
Bij partiële-stroomverdunningssystemen van het totale-bemonsteringstype (zoals beschreven in aanhangsel 2, punt A.2.2.1) bevindt het deeltjesbemonsteringspunt of de bemonsteringssonde zich in de deeltjesoverbrengingsleiding, vóór de deeltjesfilterhouder, de stroommeter en elk bemonsterings-/omloopaftakpunt. Het bemonsteringspunt of de bemonsteringssonde wordt zo geplaatst dat het monster uit een homogeen verdunningsmiddel/uitlaatgasmengsel wordt genomen. De afmetingen van de deeltjesbemonsteringssonde moeten zo zijn dat de werking van het partiële-stroomverdunningssysteem niet wordt beïnvloed.
Het via het PTS onttrokken bemonsteringsgas moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
bij volledige-stroomverdunningssystemen moet het een Reynoldsgetal (Re) van minder dan 1 700 hebben;
bij partiële-stroomverdunningssystemen moet het een Reynoldsgetal (Re) van minder dan 1 700 hebben in de PTT, d.w.z. na de bemonsteringssonde of het bemonsteringspunt;
het moet een retentietijd in het PTS van hoogstens 3 seconden hebben.
Elke andere bemonsteringsconfiguratie voor het PTS waarbij een even grote deeltjespenetratie bij 30 nm kan worden aangetoond, zal aanvaardbaar worden geacht.
De afvoerleiding (OT) die het verdunde monster van de VPR naar de inlaat van de PNC voert, moet de volgende eigenschappen bezitten:
de binnendiameter moet ten minste 4mm bedragen;
de monstergasstroom door de OT moet een retentietijd van hoogstens 0,8 seconde hebben.
Elke andere bemonsteringsconfiguratie voor de OT waarbij een even grote deeltjespenetratie bij 30 nm kan worden aangetoond, zal aanvaardbaar worden geacht.
A.8.1.2.2. De VPR moet voorzieningen voor monsterverdunning en verwijdering van vluchtige deeltjes omvatten.
A.8.1.2.3. Alle delen van het verdunningssysteem en het bemonsteringssysteem vanaf de uitlaatpijp tot en met de PNC die in contact zijn met ruw en verdund uitlaatgas, moeten zodanig zijn ontworpen dat afzetting van de deeltjes zoveel mogelijk wordt beperkt. Alle delen moeten gemaakt zijn van elektrisch geleidende materialen die niet met de uitlaatgasbestanddelen reageren, en moeten elektrisch worden geaard om elektrostatische effecten te voorkomen.
A.8.1.2.4. Het deeltjesbemonsteringssysteem moet goede aerosolbemonsteringseigenschappen bezitten, wat inhoudt dat scherpe bochten en abrupte veranderingen van de doorsnede worden vermeden, dat gladde inwendige oppervlakken worden gebruikt en dat de lengte van de bemonsteringsleiding zoveel mogelijk wordt beperkt. Geleidelijke veranderingen in de dwarsdoorsnede zijn toegestaan.
A.8.1.3. Specifieke voorschriften
A.8.1.3.1. Het deeltjesmonster mag niet door een pomp gaan voordat het de PNC passeert.
A.8.1.3.2. Een monstervoorklasseervoorziening wordt aanbevolen.
A.8.1.3.3. De monstervoorconditioneringseenheid moet:
|
A.8.1.3.3.1. |
het monster in een of meer fasen kunnen verdunnen om een deeltjesaantalconcentratie onder de bovendrempel van de telmodus van de PNC voor afzonderlijke deeltjes en een gastemperatuur van minder dan 35°C bij de inlaat naar de PNC te verkrijgen; |
|
A.8.1.3.3.2. |
een eerste verwarmde verdunningsfase hebben die een monster bij een temperatuur van 150 tot 400°C oplevert en ten minste tienmaal verdunt; |
|
A.8.1.3.3.3. |
in de verwarmde fasen een constante nominale bedrijfstemperatuur handhaven, binnen het in punt A.8.1.3.3.2 gespecificeerde bereik, met een tolerantie van ± 10°C. Aangeven of de verwarmde fasen al dan niet de correcte bedrijfstemperatuur hebben; |
|
A.8.1.3.3.4. |
een deeltjesconcentratiereductiefactor (fr(di)) bereiken zoals gedefinieerd in punt A.8.2.2.2, voor deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 30 en 50 nm, die niet meer dan 30, respectievelijk 20% hoger en niet meer dan 5% lager is dan die voor deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 100 nm voor de VPR als geheel; |
|
A.8.1.3.3.5. |
ook meer dan 99,0% van de tetracontaandeeltjes (CH3(CH2)38CH3) van 30 nm verdampen, bij een inlaatconcentratie ≥ 10 000 cm–3, door opwarming en verlaging van de partieeldrukken van het tetracontaan. |
A.8.1.3.4. De PNC moet:
|
A.8.1.3.4.1. |
onder volledige-stroomomstandigheden functioneren; |
|
A.8.1.3.4.2. |
een telnauwkeurigheid van ± 10% hebben over het bereik 1 cm–3 tot de bovendrempel van de telmodus van de PNC voor afzonderlijke deeltjes ten opzichte van een erkende norm. Bij concentraties van minder dan 100 cm–3 mogen gemiddelde metingen over uitgebreide bemonsteringsperioden worden verlangd om de nauwkeurigheid van de PNC met een hoge statistische betrouwbaarheidsgraad aan te tonen; |
|
A.8.1.3.4.3. |
afleesbaar zijn tot op ten minste 0,1 deeltjes cm–3 bij concentraties van minder dan 100 cm–3; |
|
A.8.1.3.4.4. |
een lineaire respons voor deeltjesconcentraties hebben over het volledige meetbereik in de telmodus voor afzonderlijke deeltjes; |
|
A.8.1.3.4.5. |
een gegevensrapportagefrequentie hebben van ten minste 0,5 Hz; |
|
A.8.1.3.4.6. |
een t90-responstijd over het gemeten concentratiebereik hebben van minder dan 5 s; |
|
A.8.1.3.4.7. |
ook een coïncidentiecorrectiefunctie hebben tot maximaal 10% correctie en mag gebruikmaken van een interne kalibratiefactor zoals bepaald in punt A.8.2.1.3, maar niet van een ander algoritme om het telrendement te bepalen of hiervoor te corrigeren; |
|
A.8.1.3.4.8. |
bij deeltjesgrootten met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 23 nm (± 1 nm) en 41 nm (± 1 nm) een telrendement hebben van 50% (± 12%), respectievelijk meer dan 90%. Dit telrendement mag met interne (bv. door het ontwerp van het instrument) of externe middelen (bv. groottevoorklassering) worden verkregen; |
|
A.8.1.3.4.9. |
als de PNC een werkvloeistof gebruikt, moet deze met de door de fabrikant van het instrument aangegeven frequentie worden vervangen. |
A.8.1.3.5. Wanneer de druk en/of de temperatuur niet op een bekend constant niveau worden gehouden op het punt waar het PNC-debiet wordt geregeld, moeten deze bij de inlaat naar de PNC worden gemeten en worden gerapporteerd om de deeltjesconcentratiemetingen naar standaardomstandigheden te kunnen corrigeren.
A.8.1.3.6. De som van de retentietijd in het PTS, de VPR en de OT, plus de t90-responstijd van de PNC mag niet meer dan 20 s bedragen.
A.8.1.3.7. De omzettingstijd van het volledige deeltjesaantalbemonsteringssysteem (PTS, VPR, OT en PNC samen) wordt bepaald door aerosolomschakeling direct bij de inlaat van het PTS. De aerosolomschakeling moet in minder dan 0,1 s plaatsvinden. Het voor de test gebruikte aerosol moet een concentratiewijziging van ten minste 60% van de volledige schaaluitslag (FS) veroorzaken.
Het concentratieverloop moet worden geregistreerd. Bij tijdalignering van de deeltjesaantalconcentratie en de signalen van de uitlaatgasstroom wordt de omzettingstijd gedefinieerd als de tijd vanaf de wijziging (t0) tot de respons 50% van de eindwaarde bedraagt (t50).
A.8.1.4. Beschrijving van het aanbevolen systeem
Het volgende punt bevat een beschrijving van de aanbevolen methode om het deeltjesaantal te meten. Elk systeem dat aan de prestatiespecificaties van de punten A.8.1.2 en A.8.1.3 voldoet, is echter aanvaardbaar.
De figuren 19 en 20 zijn schematische tekeningen van de aanbevolen configuraties van het deeltjesbemonsteringssysteem bij gedeeltelijke-, respectievelijk volledige-stroomverdunningssystemen.
Figuur 19
Schematische voorstelling van het aanbevolen deeltjesbemonsteringssysteem – gedeeltelijke-stroomverdunning
Figuur 20
Schematische voorstelling van het aanbevolen deeltjesbemonsteringssysteem – volledige-stroomverdunning
A.8.1.4.1. Beschrijving van het bemonsteringssysteem
Het deeltjesbemonsteringssysteem bestaat uit een bemonsteringssondetip of deeltjesbemonsteringspunt in het verdunningssysteem, een deeltjesoverbrengingsleiding (PTT), een deeltjesvoorklasseervoorziening (PCF) en een vluchtige-deeltjesverwijderaar (VPR) vóór de meeteenheid die de deeltjesaantalconcentratie meet (PNC). De VPR moet voorzieningen voor monsterverdunning (deeltjesaantalverdunners PND1 en PND2) en deeltjesverdamping (verdampingsleiding ET) omvatten. De bemonsteringssonde of het bemonsteringspunt voor de testgasstroom moet zodanig in het verdunningskanaal zijn geplaatst dat van een homogeen verdunningsmiddel/uitlaatgasmengsel een representatief gasstroommonster wordt genomen. De som van de retentietijd van het systeem, plus de t90-responstijd van de PNC mag niet meer dan 20 s bedragen.
A.8.1.4.2. Deeltjesoverbrengingssysteem
De bemonsteringssondetip of het deeltjesbemonsteringspunt en de deeltjesoverbrengingsleiding (PTT) samen vormen het deeltjesoverbrengingssysteem (PTS). Het PTS brengt het monster van de verdunningstunnel naar de ingang van de eerste deeltjesaantalverdunner. Het PTS moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
Bij volledige- en partiële-stroomverdunningssystemen van het deelbemonsteringstype (zoals beschreven in aanhangsel 2, punt A.2.2.1) wordt de bemonsteringssonde dicht bij de hartlijn van de tunnel, 10 tot 20 tunneldiameters na de gasinlaat, geïnstalleerd met de opening tegen de tunnelgasstroom in en met de as bij de tip evenwijdig aan die van de verdunningstunnel. De bemonsteringssonde wordt zo in het verdunningskanaal geplaatst dat het monster uit een homogeen verdunningsmiddel/uitlaatgasmengsel wordt genomen.
Bij partiële-stroomverdunningssystemen van het totale-bemonsteringstype (zoals beschreven in aanhangsel 2, punt A.2.2.1) bevindt het deeltjesbemonsteringspunt zich in de deeltjesoverbrengingsleiding, vóór de deeltjesfilterhouder, de stroommeter en elk bemonsterings-/omloopaftakpunt. Het bemonsteringspunt of de bemonsteringssonde wordt zo geplaatst dat het monster uit een homogeen verdunningsmiddel/uitlaatgasmengsel wordt genomen.
Het via het PTS onttrokken bemonsteringsgas moet voldoen aan de volgende voorwaarden:
het moet een Reynoldsgetal (Re) van minder dan 1 700 hebben;
het moet een retentietijd in het PTS van hoogstens 3 seconden hebben.
Elke andere bemonsteringsconfiguratie voor de PTS waarbij een even grote deeltjespenetratie voor deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 30 nm kan worden aangetoond, zal aanvaardbaar worden geacht.
De afvoerleiding (OT) die het verdunde monster van de VPR naar de inlaat van de PNC voert, moet de volgende eigenschappen bezitten:
de binnendiameter moet ten minste 4 mm bedragen;
de monstergasstroom door de OT moet een retentietijd van ten hoogste 0,8 seconde hebben.
Elke andere bemonsteringsconfiguratie voor de OT waarbij een even grote deeltjespenetratie voor deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 30 nm kan worden aangetoond, zal aanvaardbaar worden geacht.
A.8.1.4.3. Deeltjesvoorklasseervoorziening
De aanbevolen deeltjesvoorklasseervoorziening moet vóór de VPR worden geplaatst. De deeltjesdiameter van het 50%-scheidingspunt van de voorklasseervoorziening moet tussen 2,5 en 10 μm bedragen bij het voor de bemonstering van deeltjesaantalemissies gekozen volumedebiet. Bij dat volumedebiet moet de voorklasseervoorziening ten minste 99% van de massaconcentratie aan instromende deeltjes van 1 μm laten uitstromen. In het geval van partiële-stroomverdunningssystemen is het aanvaardbaar dat voor deeltjesmassa- en deeltjesaantalbemonstering dezelfde voorklasseervoorziening wordt gebruik, waarbij het deeltjesaantalmonster na de voorklasseervoorziening aan het verdunningssysteem wordt onttrokken. Als alternatief mogen afzonderlijke voorklasseervoorzieningen worden gebruikt, die het deeltjesaantalmonster vóór de deeltjesmassavoorklasseervoorziening uit het verdunningssysteem nemen.
A.8.1.4.4. Vluchtige-deeltjesverwijderaar (VPR)
De VPR moet één deeltjesaantalverdunner (PND1), een verdampingsleiding en een tweede verdunner (PND2) in serieschakeling omvatten. Deze verdunningsfunctie dient om de aantalconcentratie van het monster dat de deeltjesconcentratiemeeteenheid binnenstroomt, tot onder de bovendrempel van de telmodus van de PNC voor afzonderlijke deeltjes te reduceren en nucleatie binnen het monster te onderdrukken. De VPR moet aangeven of de PND1 en de verdampingsleiding al dan niet de correcte bedrijfstemperatuur hebben.
De VPR moet ook meer dan 99,0% van de tetracontaandeeltjes (CH3(CH2)38CH3) van 30 nm verdampen, bij een inlaatconcentratie ≥ 10 000 cm–3, door opwarming en verlaging van de partieeldrukken van het tetracontaan. Hij moet ook een deeltjesconcentratiereductiefactor (fr) bereiken voor deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 30 en 50 nm, die niet meer dan 30, respectievelijk 20% hoger en niet meer dan 5% lager is dan die voor deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 100 nm voor de VPR als geheel.
A.8.1.4.4.1. Eerste deeltjesaantalverdunner (PND1)
De eerste deeltjesaantalverdunner moet specifiek zijn ontworpen om de deeltjesaantalconcentratie te verdunnen en bij een (wand)temperatuur van 150 tot 400°C te functioneren. Binnen dit bereik moet de wandtemperatuur op een constante nominale bedrijfstemperatuur worden gehouden, met een tolerantie van ± 10°C, en mag hij de wandtemperatuur van de ET (punt A.8.1.4.4.2) niet overschrijden. De verdunner moet van HEPA-gefiltreerde verdunningslucht worden voorzien en een verdunningsfactor 10 tot 200 kunnen bereiken.
A.8.1.4.4.2. Verdampingsleiding (ET)
De ET moet over haar volledige lengte worden ingesteld op een wandtemperatuur die groter is dan of gelijk is aan die van de eerste deeltjesaantalverdunner en de wandtemperatuur moet op een vaste nominale temperatuur tussen 300 en 400°C worden gehouden, met een tolerantie van ± 10°C.
A.8.1.4.4.3. Tweede deeltjesaantalverdunner (PND2)
PND2 moet specifiek zijn ontworpen om de deeltjesaantalconcentratie te verdunnen. De verdunner moet van HEPA-gefiltreerde verdunningslucht worden voorzien en een verdunningsfactor 10 tot 30 kunnen handhaven. De verdunningsfactor van PND2 moet tussen 10 en 15 zo worden gekozen dat de deeltjesaantalconcentratie na de tweede verdunner kleiner is dan de bovendrempel van de telmodus van de PNC voor afzonderlijke deeltjes en dat de temperatuur van het gas voor het de PNC binnenstroomt, minder dan 35°C bedraagt.
A.8.1.4.5. Deeltjesaantalteller (PNC)
De PNC moet voldoen aan de voorschriften van punt A.8.1.3.4.
A.8.2. Kalibreren/valideren van het deeltjesbemonsteringssysteem (1)
A.8.2.1. Kalibreren van de deeltjesaantalteller
A.8.2.1.1. De technische dienst moet ervoor zorgen dat er binnen de 12 maanden vóór de emissietest een kalibratiecertificaat voor de PNC voorhanden is waaruit blijkt dat deze voldoet aan een erkende norm.
A.8.2.1.2. Na elke belangrijke onderhoudsbeurt moet de PNC opnieuw worden gekalibreerd en moet een nieuw kalibratiecertificaat worden afgegeven.
A.8.2.1.3. De kalibratie moet voldoen aan een standaard kalibreermethode:
|
a) |
door vergelijking van de respons van de te kalibreren PNC met die van een gekalibreerde aerosolelektrometer bij het gelijktijdig bemonsteren van elektrostatisch geklasseerde kalibratiedeeltjes, of |
|
b) |
door vergelijking van de respons van de te kalibreren PNC met die van een tweede PNC die direct volgens bovenstaande methode is gekalibreerd. |
In het geval van de elektrometer moet de kalibratie worden uitgevoerd met ten minste zes standaardconcentraties die zo gelijkmatig mogelijk over het meetbereik van de PNC zijn verdeeld. Deze punten moeten een nominale-nulconcentratiepunt omvatten dat wordt verkregen door HEPA-filters van ten minste klasse H13 van EN 1822:2008 of filters met gelijkwaardige prestaties op de inlaat van elk instrument te bevestigen. Zonder op de te kalibreren PNC een kalibratiefactor toe te passen, moeten voor elke gebruikte concentratie, met uitzondering van het nulpunt, de gemeten concentraties binnen ± 10% van de standaardconcentratie liggen, zoniet wordt de PNC afgekeurd. De gradiënt van een lineaire regressie van de twee gegevensreeksen moet worden berekend en geregistreerd. Op de te kalibreren PNC wordt een kalibratiefactor toegepast die omgekeerd evenredig is aan de gradiënt. De lineariteit van de respons wordt berekend als het kwadraat van de Pearsons product-momentcorrelatiecoëfficiënt (R2) van de twee gegevenssreeksen en moet gelijk zijn aan of groter zijn dan 0,97. Bij de berekening van zowel de gradiënt als R2 moet de lineaire regressie door de oorsprong worden geforceerd (nulconcentratie op beide instrumenten).
In het geval van de referentie-PNC moet de kalibratie worden uitgevoerd met ten minste zes standaardconcentraties over het volledige meetbereik van de PNC. Op ten minste drie punten moet de concentratie onder 1 000 cm–3 liggen, de overige concentraties moeten lineair gespreid zijn tussen 1 000 cm–3 en het maximumbereik van de PNC in de telmodus voor afzonderlijke deeltjes. Deze punten moeten een nominale-nulconcentratiepunt omvatten dat wordt verkregen door HEPA-filters van ten minste klasse H13 van EN 1822:2008 of filters met gelijkwaardige prestaties op de inlaat van elk instrument te bevestigen. Zonder op de te kalibreren PNC een kalibratiefactor toe te passen, moeten voor elke concentratie, met uitzondering van het nulpunt, de gemeten concentraties binnen ± 10% van de standaardconcentratie liggen, zoniet wordt de PNC afgekeurd. De gradiënt van een lineaire regressie van de twee gegevensreeksen moet worden berekend en geregistreerd. Op de te kalibreren PNC wordt een kalibratiefactor toegepast die omgekeerd evenredig is aan de gradiënt. De lineariteit van de respons wordt berekend als het kwadraat van de Pearsons product-momentcorrelatiecoëfficiënt (R2) van de twee gegevenssreeksen en moet gelijk zijn aan of groter zijn dan 0,97. Bij de berekening van zowel de gradiënt als R2 moet de lineaire regressie door de oorsprong worden geforceerd (nulconcentratie op beide instrumenten).
A.8.2.1.4. Tijdens de kalibratie moet ook de doelmatigheid van de PNC voor het detecteren van deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 23 nm aan de voorschriften van punt A.8.1.3.4.8 worden getoetst. Het telrendement bij deeltjes van 41 nm hoeft niet te worden gecontroleerd.
A.8.2.2. Kalibreren/valideren van de vluchtige-deeltjesverwijderaar
A.8.2.2.1. Kalibratie van de deeltjesconcentratiereductiefactoren van de VPR voor alle verdunningsinstellingen bij de vaste nominale bedrijfstemperatuur van het instrument is vereist wanneer de voorziening nieuw is en na elke belangrijke onderhoudsbeurt. De eis tot periodieke validering van de deeltjesconcentratiereductiefactor van de VPR is beperkt tot een controle bij een enkele instelling die gebruikelijk is voor metingen bij voertuigen die met een dieseldeeltjesfilter zijn uitgerust. De technische dienst moet ervoor zorgen dat er binnen de 6 maanden vóór de emissietest een kalibratie- of valideringscertificaat voor de vluchtige-deeltjesverwijderaar voorhanden is. Als de vluchtige-deeltjesverwijderaar een temperatuurbewakingsalarm heeft, wordt een valideringsinterval van 12 maanden toegestaan.
De VPR moet met vaste deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 30, 50 en 100 nm op de deeltjesconcentratiereductiefactor worden ingesteld. De deeltjesconcentratiereductiefactoren (fr(d)) voor deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 30 en 50 nm mogen niet meer dan 30, respectievelijk 20% hoger en niet meer dan 5% lager zijn dan die voor deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 100 nm. Voor de validering mag de gemiddelde deeltjesconcentratiereductiefactor niet meer dan ± 10% afwijken van de gemiddelde deeltjesconcentratiereductiefactor (
A.8.2.2.2. De testaerosol voor deze metingen bestaat uit vaste deeltjes met een elektrische-mobiliteitsdiameter van 30, 50 en 100 nm, bij een minimumconcentratie van 5 000 deeltjes cm–3 bij de inlaat van de VPR. De deeltjesconcentratie wordt vóór en na de onderdelen gemeten.
De deeltjesconcentratiereductiefactor bij elke deeltjesgrootte (fr(di) ) wordt als volgt berekend:
|
|
(117) |
waarin:
|
Nin(di) |
= |
upstream deeltjesaantalconcentratie voor deeltjes met diameter di; |
|
Nout(di) |
= |
downstream deeltjesaantalconcentratie voor deeltjes met diameter di; en |
|
di |
= |
elektrische-mobiliteitsdiameter van de deeltjes (30, 50 of 100 nm). |
Nin(di ) en Nout(di ) moeten naar dezelfde omstandigheden worden gecorrigeerd.
De gemiddelde deeltjesconcentratiereductie (
|
|
(118) |
Aanbevolen wordt de VPR als complete unit te kalibreren en te valideren.
A.8.2.2.3. De technische dienst moet ervoor zorgen dat er binnen de 6 maanden vóór de emissietest een valideringscertificaat voor de VPR voorhanden is waaruit de doeltreffendheid van de vluchtige-deeltjesverwijderaar blijkt. Als de vluchtige-deeltjesverwijderaar een temperatuurbewakingsalarm heeft, wordt een valideringsinterval van 12 maanden toegestaan. De VPR moet aantoonbaar meer dan 99,0% van de tetracontaandeeltjes (CH3(CH2)38CH3) met een elektrische-mobiliteitsdiameter van ten minste 30 nm bij een inlaatconcentratie ≥ 10 000 cm–3 kunnen verwijderen, wanneer hij op zijn minimale verdunningsinstelling en bij de door de fabrikant aanbevolen temperatuur werkt.
A.8.2.3. Controleprocedures voor het deeltjesaantalsysteem
A.8.2.3.1. Vóór elke test moet de deeltjesteller een gemeten concentratie van minder dan 0,5 deeltjes cm–3 rapporteren, wanneer een HEPA-filter van ten minste klasse H13 van EN 1822:2008 of een filter met gelijkwaardige prestaties op de inlaat van het complete deeltjesbemonsteringssysteem (VPR en PNC) is bevestigd.
A.8.2.3.2. Maandelijks moet de stroming naar de deeltjesteller toe een gemeten waarde rapporteren die, bij controle met een gekalibreerde stroommeter, maximaal 5% van het nominale debiet van de deeltjesteller afwijkt.
A.8.2.3.3. Nadat een HEPA-filter van ten minste klasse H13 van EN 1822:2008 of een filter met gelijkwaardige prestaties op de inlaat van de deeltjesteller is aangebracht, moet de deeltjesteller dagelijks een concentratie ≤ 0,2 cm–3 rapporteren. Nadat dit filter is verwijderd, moet de deeltjesteller een toename van de gemeten concentratie tot ten minste 100 deeltjes cm–3 aangeven wanneer hij met omgevingslucht wordt getest, en naar ≤ 0,2 cm–3 terugkeren wanneer het HEPA-filter opnieuw is aangebracht.
A.8.2.3.4. Vóór het begin van elke test moet worden nagegaan of het meetsysteem aangeeft dat de verdampingsleiding, indien aanwezig in het systeem, haar correcte bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
A.8.2.3.5. Vóór het begin van elke test moet worden nagegaan of het meetsysteem aangeeft dat de verdunner PND1 zijn correcte bedrijfstemperatuur heeft bereikt.
(1) Voorbeelden van kalibreer-/valideermethoden zijn te vinden op: www.unece.org/es/trans/main/wp29/wp29wgs/wp29grpe/pmpfcp.
BIJLAGE 5
SPECIFICATIES VAN REFERENTIEBRANDSTOFFEN
Technische gegevens van brandstoffen voor het testen van compressieontstekingsmotoren en dual-fuelmotoren
Type: diesel (B7)
|
Parameter |
Eenheid |
Grenswaarde (1) |
Testmethode |
|||
|
Minimum |
Maximum |
|||||
|
Cetaanindex |
|
46,0 |
|
EN ISO 4264 |
||
|
Cetaangetal (2) |
|
52,0 |
56,0 |
EN-ISO 5165 |
||
|
Dichtheid bij 15 °C |
kg/m3 |
833 |
837 |
EN-ISO 3675 EN ISO 12185 |
||
|
Distillatie: |
||||||
|
°C |
245 |
|
EN-ISO 3405 |
||
|
°C |
345 |
350 |
EN-ISO 3405 |
||
|
°C |
|
360 |
EN-ISO 3405 |
||
|
Vlampunt |
°C |
55 |
|
EN 22719 |
||
|
Verstoppingspunt van het filter bij lage temperatuur |
°C |
|
5 |
EN 116 |
||
|
Viscositeit bij 40 °C |
mm2/s |
2,3 |
3,3 |
EN-ISO 3104 |
||
|
Polycyclische aromatische koolwaterstoffen |
massa % |
2,0 |
4,0 |
EN 12916 |
||
|
Zwavelgehalte |
mg/kg |
|
10 |
EN ISO 20846/EN ISO 20884 |
||
|
Kopercorrosie (3 h bij 50 °C) |
rating |
|
klasse 1 |
EN-ISO 2160 |
||
|
Conradson-koolstofresidu (10% distillatieresidu) |
massa % |
|
0,2 |
EN-ISO 10370 |
||
|
Asgehalte |
massa % |
|
0,01 |
EN-ISO 6245 |
||
|
Totale verontreiniging |
mg/kg |
|
24 |
EN 12662 |
||
|
Watergehalte |
massa % |
|
0,02 |
EN-ISO 12937 |
||
|
Neutralisatiegetal (sterk zuur) |
mg KOH/g |
|
0,10 |
ASTM D 974 |
||
|
Oxidatiebestendigheid (3) |
mg/ml |
|
0,025 |
EN-ISO 12205 |
||
|
Smeercapaciteit (diameter van het slijtageoppervlak na HFRR-test bij 60 °C) |
μm |
|
400 |
EN ISO 12156 |
||
|
Oxidatiestabiliteit bij 110 °C (3) |
H |
20,0 |
|
EN 15751 |
||
|
Methylesters van vetzuren (4) |
vol. % |
6,0 |
7,0 |
EN 14078 |
||
Type: ethanol voor brandstofspecifieke compressieontstekingsmotoren (ED95) (5)
|
Parameter |
Eenheid |
Grenswaarden (6) |
Testmethode (7) |
|
|
|
|
Minimum |
Maximum |
|
|
Totale alcohol (ethanol inclusief gehalte aan alcoholen met een hogere verzadiging) |
massa % |
92,4 |
|
EN 15721 |
|
Overige hogere verzadigde mono-alcoholen (C3-C5) |
massa % |
|
2,0 |
EN 15721 |
|
Methanol |
massa % |
|
0,3 |
EN 15721 |
|
Dichtheid 15 °C |
kg/m3 |
793,0 |
815,0 |
EN ISO 12185 |
|
Zuurgraad, berekend als azijnzuur |
massa % |
|
0,0025 |
EN 15491 |
|
Uitzicht |
|
Helder en klaar |
|
|
|
Vlampunt |
°C |
10 |
|
EN 3679 |
|
Droog residu |
mg/kg |
|
15 |
EN 15691 |
|
Watergehalte |
massa % |
|
6,5 |
EN 15489 (8) EN-ISO 12937 EN15692 |
|
Aldehyden, berekend als acetaldehyde |
massa % |
|
0,0050 |
ISO 1388-4 |
|
Esters berekend als ethylacetaat |
massa % |
|
0,1 |
ASTM D1617 |
|
Zwavelgehalte |
mg/kg |
|
10,0 |
EN 15485 EN 15486 |
|
Sulfaten |
mg/kg |
|
4,0 |
EN 15492 |
|
Deeltjesverontreiniging |
mg/kg |
|
24 |
EN 12662 |
|
Fosfor |
mg/l |
|
0,20 |
EN 15487 |
|
Anorganische chloride |
mg/kg |
|
1,0 |
EN 15484 of EN 15492 |
|
Koper |
mg/kg |
|
0,100 |
EN 15488 |
|
Elektrische geleidbaarheid |
μS/cm |
|
2,50 |
DIN 51627-4 of prEN 15938 |
Technische gegevens van brandstoffen voor het testen van elektrische-ontstekingsmotoren en dual-fuelmotoren
Type: benzine (E10)
|
Parameter |
Eenheid |
Grenswaarden (9) |
Testmethode (10) |
|||
|
Minimum |
Maximum |
|
||||
|
Research-octaangetal, RON |
|
95,0 |
97,0 |
EN ISO 5164:2005 (11) |
||
|
Motoroctaangetal, MON |
|
84,0 |
86,0 |
EN ISO 5163:2005 (11) |
||
|
Dichtheid bij 15 °C |
kg/m2 |
743 |
756 |
EN ISO 3675 EN ISO 12185 |
||
|
Dampdruk |
kPa |
56,0 |
60,0 |
EN ISO 13016-1 (DVPE) |
||
|
Watergehalte |
vol. % |
|
0,015 |
ASTM E 1064 |
||
|
Distillatie: |
||||||
|
vol. % |
24,0 |
44,0 |
EN-ISO 3405 |
||
|
vol. % |
56,0 |
60,0 |
EN-ISO 3405 |
||
|
vol. % |
88,0 |
90,0 |
EN-ISO 3405 |
||
|
°C |
190 |
210 |
EN-ISO 3405 |
||
|
Residu |
vol. % |
— |
2,0 |
EN-ISO 3405 |
||
|
Koolwaterstoffenanalyse: |
||||||
|
vol. % |
3,0 |
18,0 |
EN 14517 EN 15553 |
||
|
vol. % |
25,0 |
35,0 |
EN 14517 EN 15553 |
||
|
vol. % |
0,4 |
1,0 |
EN 12177 EN 238, EN 14517 |
||
|
vol. % |
rapport |
EN 14517 EN 15553 |
|||
|
Koolstof-waterstofverhouding |
|
rapport |
|
|||
|
Koolstof-zuurstofverhouding |
|
rapport |
|
|||
|
Inductieperiode (12) |
minuten |
480 |
|
EN-ISO 7536 |
||
|
Zuurstofgehalte (13) |
massa % |
3,7 |
EN 1601 EN 13132 EN 14517 |
|||
|
Aanwezige gom |
mg/ml |
— |
0,04 |
EN-ISO 6246 |
||
|
Zwavelgehalte (14) |
mg/kg |
— |
10 |
EN ISO 20846 EN ISO 20884 |
||
|
Kopercorrosie (3 h bij 50 °C) |
rating |
— |
klasse 1 |
EN-ISO 2160 |
||
|
Loodgehalte |
mg/l |
— |
5 |
EN 237 |
||
|
Zwavelgehalte (15) |
mg/l |
— |
1,3 |
ASTM D 3231 |
||
|
Ethanol (12) |
vol. % |
9,5 |
10,0 |
EN 1601 EN 13132 EN 14517 |
||
Type: ethanol (E85)
|
Parameter |
Eenheid |
Grenswaarden (16) |
Testmethode |
|
|
Minimum |
Maximum |
|||
|
Research-octaangetal, RON |
|
95,0 |
— |
EN ISO 5164 |
|
Motoroctaangetal, MON |
|
85,0 |
— |
EN ISO 5163 |
|
Dichtheid bij 15 °C |
kg/m3 |
rapport |
ISO 3675 |
|
|
Dampdruk |
kPa |
40,0 |
60,0 |
EN ISO 13016-1 (DVPE) |
|
Zwavelgehalte (17) |
mg/kg |
— |
10 |
EN 15485 of EN 15486 |
|
Oxidatiebestendigheid |
minuten |
360 |
|
EN ISO 7536 |
|
Hoeveelheid aanwezige gom (met solvent gewassen) |
mg/100 ml |
— |
5 |
EN-ISO 6246 |
|
Uitzicht Te bepalen bij omgevingstemperatuur of 15 °C (de hoogste temperatuur is van toepassing) |
|
klaar en helder, zichtbaar vrij van zwevende of bezonken verontreinigende stoffen |
visuele controle |
|
|
Ethanol en hogere alcoholen (18) |
vol. % |
83 |
85 |
EN 1601 EN 13132 EN 14517 E DIN 51627-3 |
|
Hogere alcoholen (C3-C8) |
vol. % |
— |
2,0 |
E DIN 51627-3 |
|
Methanol |
vol. % |
|
1,00 |
E DIN 51627-3 |
|
Benzine (19) |
vol. % |
rest |
EN 228 |
|
|
Zwavel |
mg/l |
0,20 (20) |
EN 15487 |
|
|
Watergehalte |
vol. % |
|
0,300 |
EN 15489 of EN 15692 |
|
Hoeveelheid anorganische chloriden |
mg/l |
|
1 |
EN 15492 |
|
pHe |
|
6,5 |
9,0 |
EN 15490 |
|
Koperstripcorrosie (3 h bij 50°C) |
rating |
klasse 1 |
|
EN ISO 2160 |
|
Zuurgraad (als azijnzuur CH3COOH) |
massa % |
— |
0,0050 |
EN 15491 |
|
(mg/l) |
(40) |
|||
|
Elektrische geleidbaarheid |
μS/cm |
1,5 |
DIN 51627-4 of prEN 15938 |
|
|
Koolstof-waterstofverhouding |
|
rapport |
|
|
|
Koolstof-zuurstofverhouding |
|
rapport |
|
|
Type: lpg
|
Parameter |
Eenheid |
Brandstof A |
Brandstof B |
Testmethode |
|
Samenstelling: |
|
|
|
EN 27941 |
|
C3-gehalte |
vol. % |
30 ± 2 |
85 ± 2 |
|
|
C4-gehalte |
vol. % |
rest (21) |
rest (21) |
|
|
< C3, > C4 |
vol. % |
max. 2 |
max. 2 |
|
|
Alkenen |
vol. % |
max. 12 |
max. 15 |
|
|
Verdampingsresidu |
mg/kg |
max. 50 |
max. 50 |
EN 15470 |
|
Water bij 0°C |
|
geen |
geen |
EN 15469 |
|
Totaal zwavelgehalte inclusief reukstof |
mg/kg |
max. 10 |
max. 10 |
EN 24260, ASTM D 3246, ASTM 6667 |
|
Waterstofsulfide |
|
geen |
geen |
EN ISO 8819 |
|
Koperstripcorrosie (1 h bij 40 °C) |
rating |
klasse 1 |
klasse 1 |
ISO 6251 (22) |
|
Geur |
|
kenmerkend |
kenmerkend |
|
|
Motoroctaangetal (23) |
|
min. 89,0 |
min. 89,0 |
EN 589, bijlage B |
Type: aardgas/biomethaan
|
Kenmerken |
Eenheid |
Basis |
Grenswaarden |
Testmethode |
|
|
minimum |
maximum |
||||
|
Referentiebrandstof GR |
|||||
|
Samenstelling: |
|
|
|
|
|
|
Methaan |
|
87 |
84 |
89 |
|
|
Ethaan |
|
13 |
11 |
15 |
|
|
Rest (24) |
mol % |
— |
— |
1 |
ISO 6974 |
|
Zwavelgehalte |
mg/m3 (25) |
— |
|
10 |
ISO 6326-5 |
|
Referentiebrandstof G23 |
|||||
|
Samenstelling: |
|
|
|
|
|
|
Methaan |
|
92,5 |
91,5 |
93,5 |
|
|
Rest (26) |
mol % |
— |
— |
1 |
ISO 6974 |
|
N2 |
mol % |
7,5 |
6,5 |
8,5 |
|
|
Zwavelgehalte |
mg/m3 (27) |
— |
— |
10 |
ISO 6326-5 |
|
Referentiebrandstof G25 |
|||||
|
Samenstelling: |
|
|
|
|
|
|
Methaan |
mol % |
86 |
84 |
88 |
|
|
Rest (28) |
mol % |
— |
— |
1 |
ISO 6974 |
|
N2 |
mol % |
14 |
12 |
16 |
|
|
Zwavelgehalte |
mg/m3 (29) |
— |
— |
10 |
ISO 6326-5 |
|
Referentiebrandstof G20 |
|||||
|
Samenstelling: |
|
|
|
|
|
|
Methaan |
mol % |
100 |
99 |
100 |
ISO 6974 |
|
Rest (30) |
mol % |
— |
— |
1 |
ISO 6974 |
|
N2 |
mol % |
|
|
|
ISO 6974 |
|
Zwavelgehalte |
mg/ m3 (31) |
— |
— |
10 |
ISO 6326-5 |
|
Wobbe-index (netto) |
MJ/m3 (32) |
48,2 |
47,2 |
49,2 |
|
(1) De in de specificaties vermelde waarden zijn "reële waarden". De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van ISO 4259, Petroleum products - Determination and application of precision data in relation to methods of test, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul; bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde is het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid). Hoewel deze maatregel om technische redenen is ingevoerd, moet de fabrikant van brandstoffen er toch naar streven een nulwaarde te verkrijgen indien de vastgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en de gemiddelde waarde te verkrijgen ingeval maximum- en minimumgrenswaarden zijn opgegeven. Indien moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificatievoorschriften voldoet, moet ISO 4259 worden toegepast.
(2) Het opgegeven gebied voor het cetaangetal is niet in overeenstemming met het voorgeschreven minimum van 4R. Bij geschillen tussen brandstofleverancier en gebruiker kunnen de bepalingen van ISO 4259 evenwel worden toegepast om die geschillen op te lossen, mits er bij voorkeur niet één meting, maar herhaalde en voldoende metingen worden verricht om de vereiste nauwkeurigheid te bereiken.
(3) Ook al wordt de oxidatiebestendigheid onder controle gehouden, toch zal de houdbaarheid waarschijnlijk beperkt zijn. De leverancier moet om advies worden gevraagd over de voorwaarden en de duur van de opslag.
(4) Het vetzuurmethylestergehalte moet voldoen aan de specificatie van EN 14214.
(5) Aan de ethanolbrandstof mogen additieven, zoals cetaanverbeteraar zoals gespecificeerd door de fabrikant van de motor, worden toegevoegd mits er geen negatieve bijwerkingen bekend zijn. Indien aan deze voorwaarden wordt voldaan, bedraagt de maximumhoeveelheid 10 massa %.
(6) De in de specificaties vermelde waarden zijn "reële waarden". De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van ISO 4259, Petroleum products - Determination and application of precision data in relation to methods of test, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul; bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde is het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid). Hoewel deze maatregel om technische redenen is ingevoerd, moet de fabrikant van brandstoffen er toch naar streven een nulwaarde te verkrijgen indien de vastgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en de gemiddelde waarde te verkrijgen ingeval maximum- en minimumgrenswaarden zijn opgegeven. Indien moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificatievoorschriften voldoet, moet ISO 4259 worden toegepast.
(7) Voor bovenstaande eigenschappen zullen equivalente EN/ISO-methoden worden toegepast zodra deze zijn bekendgemaakt.
(8) Indien moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificatievoorschriften voldoet, moet EN 15489 worden toegepast.
(9) De in de specificaties vermelde waarden zijn "reële waarden". De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van ISO 4259, Petroleum products - Determination and application of precision data in relation to methods of test, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul; bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde is het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid). Hoewel deze maatregel om technische redenen is ingevoerd, moet de fabrikant van brandstoffen er toch naar streven een nulwaarde te verkrijgen indien de vastgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en de gemiddelde waarde te verkrijgen ingeval maximum- en minimumgrenswaarden zijn opgegeven. Indien moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificatievoorschriften voldoet, moet ISO 4259 worden toegepast.
(10) Voor bovenstaande eigenschappen zullen equivalente EN/ISO-methoden worden toegepast zodra deze zijn bekendgemaakt.
(11) Voor de berekening van het eindresultaat moet overeenkomstig EN 228:2008 voor MON en RON een correctiefactor van 0,2 worden afgetrokken.
(12) De brandstof mag oxidatieremmers en metaalactivatoren bevatten die gewoonlijk worden gebruikt om raffinaderijbenzine te stabiliseren, maar detergente/dispersieve additieven en oplosolie mogen niet worden gebruikt.
(13) Ethanol die aan de specificatie van EN 15376 voldoet, is de enige zuurstofhoudende verbinding die opzettelijk aan de referentiebrandstof mag worden toegevoegd.
(14) Het reële zwavelgehalte van de voor de test van type I gebruikte brandstof moet worden gerapporteerd.
(15) Fosfor-, ijzer-, mangaan- of loodhoudende verbindingen mogen niet opzettelijk aan deze referentiebrandstof worden toegevoegd.
(16) De in de specificaties vermelde waarden zijn "reële waarden". De grenswaarden zijn vastgesteld aan de hand van ISO 4259, Petroleum products - Determination and application of precision data in relation to methods of test, terwijl voor het vastleggen van een minimumwaarde rekening is gehouden met een minimumverschil van 2R boven nul; bij het vaststellen van een maximum- en minimumwaarde is het minimumverschil 4R (R = reproduceerbaarheid). Hoewel deze maatregel om technische redenen is ingevoerd, moet de fabrikant van brandstoffen er toch naar streven een nulwaarde te verkrijgen indien de vastgestelde maximumwaarde 2R bedraagt, en de gemiddelde waarde te verkrijgen ingeval maximum- en minimumgrenswaarden zijn opgegeven. Indien moet worden nagegaan of een brandstof al dan niet aan de specificatievoorschriften voldoet, moet ISO 4259 worden toegepast.
(17) Het reële zwavelgehalte van de voor de emissietests gebruikte brandstof moet worden gerapporteerd.
(18) Ethanol die aan de specificatie van prEN 15376 voldoet, is de enige zuurstofhoudende verbinding die opzettelijk aan deze referentiebrandstof mag worden toegevoegd.
(19) Het gehalte aan loodvrije benzine kan worden bepaald als 100 min de som van het percentage water, alcoholen, MTBE en ETBE.
(20) Fosfor-, ijzer-, mangaan- of loodhoudende verbindingen mogen niet opzettelijk aan deze referentiebrandstof worden toegevoegd.
(21) Hierbij geldt: rest = 100 - C3 - <C3 - >C4
(22) Indien het monster corrosieremmers of andere chemische stoffen bevat die de corrosiviteit van het monster op de koperstrip verminderen, kan de aanwezigheid van corrosieve stoffen met deze methode niet altijd nauwkeurig worden bepaald. Het is dan ook verboden dergelijke stoffen toe te voegen met als enig doel de test te beïnvloeden.
(23) Op verzoek van de fabrikant kan een hoger MON worden gebruikt om de typegoedkeuringstests uit te voeren.
(24) Inerte gassen +C2+.
(25) Waarde te bepalen onder standaardomstandigheden (293,2 K (20 °C) en 101,3 kPa).
(26) Inerte gassen (andere dan N2) + C2 + C2+.
(27) Waarde te bepalen bij 293,2 K (20 °C) en 101,3 kPa.
(28) Inerte gassen (andere dan N2) + C2 + C2+.
(29) Waarde te bepalen bij 293,2 K (20 °C) en 101,3 kPa.
(30) Inerte gassen (andere dan N2) + C2 + C2+.
(31) Waarde te bepalen bij 293,2 K (20 °C) en 101,3 kPa.
(32) Waarde te bepalen bij 273,2 K (20 °C) en 101,3 kPa.
BIJLAGE 6
EMISSIEGEGEVENS DIE BIJ DE TYPEGOEDKEURING VEREIST ZIJN VOOR DE TECHNISCHE KEURING
METEN VAN KOOLMONOXIDE-EMISSIES BIJ STATIONAIR TOERENTAL
1. INLEIDING
|
1.1. |
Deze bijlage geeft een beschrijving van de procedure voor het meten van koolmonoxide-emissies bij stationair toerental (normaal en hoog) bij elektrische-ontstekingsmotoren op benzine of ethanol (E85) of elektrische-ontstekingsmotoren op aardgas/biomethaan of lpg die zijn geïnstalleerd in M2-, N1- of M1-voertuigen met een toelaatbare maximummassa van niet meer dan 7,5 ton. |
2. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
|
2.1. |
De algemene voorschriften zijn vastgelegd in punt 5.3.7 van Reglement nr. 83, met de in de punten 2.2, 2.3 en 2.4 beschreven uitzonderingen. |
|
2.2. |
De atoomverhoudingen in punt 5.3.7.3 van Reglement nr. 83 worden als volgt gelezen:
|
|
2.3. |
De tabel in punt 1.4.3 van bijlage 2A (tabel 6) moet worden aangevuld op basis van de voorschriften in de punten 2.2 en 2.4 van deze bijlage. |
|
2.4. |
De fabrikant moet binnen 24 maanden na de datum waarop de typegoedkeuring is verleend, bevestigen dat de ten tijde van de typegoedkeuring in punt 2.1 van deze bijlage genoteerde lambdawaarde juist is en representatief is voor serievoertuigen van het goedgekeurde type. De beoordeling moet worden gemaakt op basis van tests en onderzoeken van serievoertuigen. |
3. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN
|
3.1. |
De technische voorschriften zijn vastgelegd in bijlage 5 bij Reglement nr. 83, met de in punt 3.2 beschreven uitzondering. |
|
3.2. |
De in punt 2.1 van bijlage 5 bij Reglement nr. 83 gespecificeerde referentiebrandstoffen moeten worden gelezen als een verwijzing naar de overeenkomstige referentiebrandstofspecificaties in bijlage 5 bij dit reglement. |
BIJLAGE 7
CONTROLE VAN DE DUURZAAMHEID VAN MOTORSYSTEMEN
1. INLEIDING
1.1. Deze bijlage geeft een beschrijving van de procedures voor het selecteren van motoren die volgens een bedrijfsaccumulatieschema moeten worden getest om verslechteringsfactoren vast te stellen. De verslechteringsfactoren moeten overeenkomstig punt 3.6 van deze bijlage op de volgens bijlage 4 gemeten emissies worden toegepast.
1.2. Deze bijlage beschrijft ook het emissiegerelateerde en niet-emissiegerelateerde onderhoud dat moet worden uitgevoerd aan motoren die aan een bedrijfsaccumulatieschema worden onderworpen. Dit onderhoud moet overeenkomen met het onderhoud dat aan in gebruik zijnde motoren wordt uitgevoerd, en moet aan de eigenaars van nieuwe motoren en voertuigen worden meegedeeld.
2. SELECTIE VAN MOTOREN VOOR DE VASTSTELLING VAN FACTOREN DIE DE NUTTIGE LEVENSDUUR VERKORTEN
2.1. De motoren moeten uit de motorenfamilie zoals gedefinieerd in punt 7 van dit reglement, worden geselecteerd voor emissietests om factoren vast te stellen die de nuttige levensduur verkorten.
2.2. Voorts kunnen motoren uit verschillende motorenfamilies op basis van het gebruikte type uitlaatgasnabehandelingssysteem tot families worden samengevoegd. Om motoren met verschillende cilinderaantallen en -configuraties maar met dezelfde technische specificaties en installatie voor het uitlaatgasnabehandelingssysteem in dezelfde familie van motornabehandelingssystemen onder te brengen, moet de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie gegevens verstrekken waaruit blijkt dat de emissiebeperkingsprestaties van dergelijke motorsystemen vergelijkbaar zijn.
2.3. Voor de tests volgens het in punt 3.2 gedefinieerde bedrijfsaccumulatieschema selecteert de motorfabrikant één motor die de overeenkomstig punt 2.2 vastgestelde familie van motornabehandelingssystemen vertegenwoordigt, en deelt hij deze keuze vóór de aanvang van de tests aan de typegoedkeuringsinstantie mee.
2.3.1. Indien de typegoedkeuringsinstantie oordeelt dat de ongunstigste emissies van de familie van motornabehandelingssystemen beter kunnen worden bepaald door een andere motor te testen, wordt de testmotor door de typegoedkeuringsinstantie en de motorfabrikant samen geselecteerd.
3. VASTSTELLING VAN FACTOREN DIE DE NUTTIGE LEVENSDUUR VERKORTEN
3.1. Algemeen
De voor een familie van motornabehandelingssystemen geldende verslechteringsfactoren worden van de geselecteerde motoren afgeleid op basis van een bedrijfsaccumulatieschema waarbij de emissies van gassen en deeltjes tijdens de WHTC- en WHSC-tests periodiek worden gemeten.
3.2. Bedrijfsaccumulatieschema
Bedrijfsaccumulatieschema's kunnen naar keuze van de fabrikant worden uitgevoerd door een voertuig met de geselecteerde motor tijdens het gebruik een accumulatieschema te laten afwerken of door de gekozen motor volgens een accumulatieprogramma op een dynamometer te laten draaien.
3.2.1. Bedrijfsaccumulatie tijdens het gebruik en op een dynamometer
3.2.1.1. De fabrikant stelt de vorm en de omvang van de bedrijfsaccumulatie en de verouderingscyclus voor motoren op vakkundige wijze vast.
3.2.1.2. De fabrikant bepaalt de testpunten waarop de emissies van gassen en deeltjes tijdens de warme WHTC- en WHSC-tests zullen worden gemeten. Het minimumaantal testpunten is drie: een aan het begin, een ongeveer in het midden en een aan het einde van het bedrijfsaccumulatieschema.
3.2.1.3. De overeenkomstig punt 3.5.2 aan het begin- en eindpunt van de nuttige levensduur berekende emissiewaarden moeten binnen de in punt 5.3 van dit reglement gespecificeerde grenswaarden liggen, maar de afzonderlijke emissieresultaten van de testpunten mogen die grenswaarden overschrijden.
3.2.1.4. Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie hoeft op elk testpunt maar één testcyclus (de warme WHTC- of WHSC-test) te worden uitgevoerd, terwijl de andere testcyclus alleen aan het begin en het eind van het bedrijfsaccumulatieschema wordt uitgevoerd.
3.2.1.5. Voor verschillende families van motornabehandelingssystemen kunnen verschillende bedrijfsaccumulatieschema's worden toegepast.
3.2.1.6. De bedrijfsaccumulatieschema's mogen korter zijn dan de nuttige levensduur, maar niet korter dan aangegeven in tabel 1 in punt 3.2.1.8.
3.2.1.7. Bij bedrijfsaccumulatie op een motordynamometer moet de fabrikant de toepasselijke correlatie aangeven tussen de bedrijfsaccumulatieperiode (gereden afstand) en de motordynamometeruren, zoals bv. de correlatie van het brandstofverbruik, de snelheid van het voertuig versus het motortoerental enz.
3.2.1.8. Minimumduur van de bedrijfsaccumulatieperiode
Tabel 1
Minimumduur van de bedrijfsaccumulatieperiode
|
Voertuigcategorie waarin de motor zal worden geïnstalleerd (1) |
Minimumduur van de bedrijfsaccumulatieperiode |
Nuttige levensduur |
|
Voertuigen van categorie N1 |
160 000 km |
Zie punt 5.4 van dit reglement |
|
Voertuigen van categorie N2 |
188 000 km |
Zie punt 5.4 van dit reglement |
|
Voertuigen van categorie N3 met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 16 ton |
188 000 km |
Zie punt 5.4 van dit reglement |
|
Voertuigen van categorie N3 met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 16 ton |
233 000 km |
Zie punt 5.4 van dit reglement |
|
Voertuigen van categorie M1 |
160 000 km |
Zie punt 5.4 van dit reglement |
|
Voertuigen van categorie M2 |
160 000 km |
Zie punt 5.4 van dit reglement |
|
Voertuigen van categorie M3, klassen I, II, A en B, met een technisch toelaatbare maximummassa van niet meer dan 7,5 ton |
188 000 km |
Zie punt 5.4 van dit reglement |
|
Voertuigen van categorie M3, klassen III en B, met een technisch toelaatbare maximummassa van meer dan 7,5 ton |
233 000 km |
Zie punt 5.4 van dit reglement |
3.2.1.9. Versnelde veroudering door het bedrijfsaccumulatieschema op basis van het brandstofverbruik aan te passen, is toegestaan. De aanpassing moet gebaseerd zijn op de verhouding tussen het normale brandstofverbruik tijdens het gebruik en het brandstofverbruik tijdens de verouderingscyclus, maar het brandstofverbruik tijdens de verouderingscyclus mag niet meer dan 30% hoger liggen dan het normale verbruik tijdens het gebruik.
3.2.1.9. Het bedrijfsaccumulatieschema moet in de typegoedkeuringsaanvraag volledig worden beschreven en vóór het begin van de tests aan de typegoedkeuringsinstantie worden overgelegd.
3.2.2. Indien de typegoedkeuringsinstantie besluit dat er bij de warme WHTC- en WHSC-tests tussen de door de fabrikant gekozen punten aanvullende metingen moeten worden verricht, stelt zij de fabrikant daarvan in kennis. Het herziene bedrijfsaccumulatieschema moet door de fabrikant worden voorbereid en door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd.
3.3. Testen van de motor
3.3.1. Stabilisering van het motorsysteem
3.3.1.1. Voor elke familie van motornabehandelingssystemen bepaalt de fabrikant hoeveel uren het voertuig moet rijden of de motor moet draaien voordat de werking van het motornabehandelingssysteem is gestabiliseerd. Op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie stelt de fabrikant de daarvoor gebruikte gegevens en analysen ter beschikking. Als alternatief mag de fabrikant de motor 60 tot 125 uur of de daarmee overeenkomende afstand volgens de verouderingscyclus laten draaien om het motornabehandelingssysteem te stabiliseren.
3.3.1.2. Het einde van de in punt 3.3.1.1 bepaalde stabilisatieperiode wordt beschouwd als het begin van het bedrijfsaccumulatieschema.
3.3.2. Bedrijfsaccumulatietests
3.3.2.1. Na de stabilisatie moet de motor draaien volgens het door de fabrikant gekozen bedrijfsaccumulatieschema zoals beschreven in punt 3.2. Bij de periodieke intervallen in het bedrijfsaccumulatieschema dat door de fabrikant en, in voorkomend geval, ook door de typegoedkeuringsinstantie overeenkomstig punt 3.2.2 is vastgesteld, moet de motor tijdens de warme WHTC- en WHSC-cyclus op emissies van gassen en deeltjes worden getest. Indien is overeengekomen dat op elk testpunt maar één testcyclus (warme WHTC of WHSC) wordt uitgevoerd, moet de andere testcyclus (warme WHTC of WHSC) overeenkomstig punt 3.2.1.4 aan het begin en eind van het bedrijfsaccumulatieschema worden uitgevoerd.
3.3.2.2. Tijdens het bedrijfsaccumulatieschema moet de motor overeenkomstig punt 4 worden onderhouden.
3.3.2.3. Tijdens het bedrijfsaccumulatieschema is niet-gepland onderhoud aan de motor of het voertuig toegestaan, bijvoorbeeld wanneer het OBD-systeem specifiek een probleem heeft gedetecteerd waardoor de storingsindicator (hierna "MI") is geactiveerd.
3.4. Rapportage
3.4.1. De resultaten van alle tijdens het bedrijfsaccumulatieschema verrichte emissietests (warme WHTC en WHSC) moeten aan de typegoedkeuringsinstantie worden verstrekt. Indien een emissietest ongeldig wordt verklaard, moet de fabrikant uitleggen waarom dat is gebeurd. In dat geval moet binnen de volgende 100 uren bedrijfsaccumulatie tijdens de warme WHTC- en WHSC-tests nog een reeks emissietests worden uitgevoerd.
3.4.2. De fabrikant moet alle informatie over alle tijdens het bedrijfsaccumulatieschema uitgevoerde emissietests en aan de motor verricht onderhoud opslaan. Deze informatie moet samen met de resultaten van de tijdens het bedrijfsaccumulatieschema verrichte emissietests bij de typegoedkeuringsinstantie worden ingediend.
3.5. Vaststelling van verslechteringsfactoren
3.5.1. Voor elke verontreinigende stof die tijdens de warme WHTC- en WHSC-cyclus op elk testpunt gedurende het bedrijfsaccumulatieschema is gemeten, moet op basis van alle testresultaten een "best passende" lineaire regressieanalyse worden gemaakt. De resultaten van elke test voor elke verontreinigende stof moeten worden uitgedrukt in een getal met één cijfer achter de komma meer dan de voor die verontreinigende stof geldende grenswaarde zoals vermeld in punt 5.3 van dit reglement. Indien is overeengekomen dat op elk testpunt maar één testcyclus (warme WHTC of WHSC) wordt uitgevoerd en de andere testcyclus (warme WHTC of WHSC) alleen aan het begin en eind van het bedrijfsaccumulatieschema wordt uitgevoerd, moet overeenkomstig punt 3.2.1.4 van deze bijlage de regressieanalyse alleen op basis van de testresultaten van de testcyclus op elk testpunt worden gemaakt.
Op verzoek van de fabrikant en met de voorafgaande goedkeuring van de typegoedkeuringsinstantie wordt niet-lineaire regressie toegestaan.
3.5.2. De emissiewaarden voor elke verontreinigende stof aan het begin van het bedrijfsaccumulatieschema en aan het voor de testmotor geldende eindpunt van de nuttige levensduur moeten met de regressieformule worden berekend. Indien het bedrijfsaccumulatieschema korter is dan de nuttige levensduur, moeten de emissiewaarden aan het eindpunt van de nuttige levensduur worden bepaald door extrapolatie van de in punt 3.5.1 vastgestelde regressieformule.
3.5.3. Voor elke verontreinigende stof wordt de verslechteringsfactor (DF) gedefinieerd als de verhouding van de toegepaste emissiewaarden aan het eindpunt van de nuttige levensduur en aan het begin van het bedrijfsaccumulatieschema (multiplicatieve verslechteringsfactor).
Op verzoek van de fabrikant en met de voorafgaande goedkeuring van de typegoedkeuringsinstantie mag voor elke verontreinigende stof een additieve verslechteringsfactor worden toegepast. De additieve verslechteringsfactor wordt beschouwd als het verschil tussen de berekende emissiewaarden aan het eindpunt van de nuttige levensduur en aan het begin van het bedrijfsaccumulatieschema.
Indien de berekening een waarde oplevert van minder dan 1,00 voor een multiplicatieve DF of minder dan 0,00 voor een additieve DF, moet de verslechteringsfactor 1,0, respectievelijk 0,00 zijn.
In figuur 1 wordt een voorbeeld gegeven van de vaststelling van verslechteringsfactoren door middel van lineaire regressie.
Vermenging van multiplicatieve en additieve verslechteringsfactoren binnen één reeks verontreinigende stoffen mag niet worden toegestaan.
Indien is overeengekomen dat op elk testpunt maar één testcyclus (warme WHTC of WHSC) wordt uitgevoerd en de andere testcyclus (warme WHTC of WHSC) alleen aan het begin en eind van het bedrijfsaccumulatieschema wordt uitgevoerd, moet overeenkomstig punt 3.2.1.4 de verslechteringsfactor die is berekend voor de testcyclus die op elk testpunt is uitgevoerd, ook van toepassing zijn op de andere testcyclus.
Figuur 1
Voorbeeld van de vaststelling van verslechteringsfactoren
Afstand [km]
NOx [mg/kWh]
3.6. Toegewezen verslechteringsfactoren
3.6.1. In plaats van een bedrijfsaccumulatieschema te gebruiken om verslechteringsfactoren vast te stellen, mogen de motorfabrikanten ervoor kiezen de volgende toegewezen multiplicatieve verslechteringsfactoren te gebruiken:
Tabel 2
Verslechteringsfactoren
|
Testcyclus |
CO |
THC (2) |
NMHC (3) |
CH4 (3) |
NOx |
NH3 |
Deeltjesmassa |
Deeltjesaantal |
|
WHTC |
1,3 |
1,3 |
1,4 |
1,4 |
1,15 |
1,0 |
1,05 |
1,0 |
|
WHSC |
1,3 |
1,3 |
1,4 |
1,4 |
1,15 |
1,0 |
1,05 |
1,0 |
Er worden geen toegewezen additieve verslechteringsfactoren gegeven. Het is niet toegestaan de toegewezen multiplicatieve verslechteringsfactoren in additieve verslechteringsfactoren om te zetten.
3.7. Toepassing van verslechteringsfactoren
3.7.1. De motoren moeten voldoen aan de respectieve emissiegrenswaarden voor elke verontreinigende stof zoals aangegeven in punt 5.3 van dit reglement, na toepassing van de verslechteringsfactoren op het overeenkomstig bijlage 4 gemeten testresultaat (egas, ePM). Naargelang het type verslechteringsfactor (DF) geldt het volgende:
|
a) |
multiplicatieve DF |
: |
(egas of ePM) * DF ≤ emissiegrenswaarde; |
|
b) |
additieve DF |
: |
(egas of ePM) + DF ≤ emissiegrenswaarde. |
3.7.2. De fabrikant kan ervoor kiezen de voor een familie van motornabehandelingssystemen vastgestelde DF's toe te passen op een motorsysteem dat niet tot dezelfde familie van motornabehandelingssystemen behoort. In dat geval moet de fabrikant aan de typegoedkeuringsinstantie aantonen dat het motorsysteem waarvoor de familie van nabehandelingssystemen oorspronkelijk was getest en het motorsysteem waarnaar de DF's worden overgedragen, dezelfde technische specificaties en voorschiften voor installatie in het voertuig hebben en dat de emissies van die motoren of motorsystemen nagenoeg gelijk zijn.
3.7.3. De verslechteringsfactoren voor elke verontreinigende stof tijdens de desbetreffende testcyclus moeten in de punten 1.4.1 en 1.4.2 van het addendum bij bijlage 2A en in de punten 1.4.1 en 1.4.2 van het addendum bij bijlage 2C worden opgenomen.
3.8. Controle van de conformiteit van de productie
3.8.1. De conformiteit van de productie met de emissievoorschriften moet worden gecontroleerd op basis van punt 8 van dit reglement.
3.8.2. De fabrikant mag ervoor kiezen de verontreinigende emissies vóór elk uitlaatgasnabehandelingssysteem te meten op het moment dat de typegoedkeuringstest wordt uitgevoerd. Zo kan de fabrikant voor de motor en het nabehandelingssysteem apart een informele verslechteringsfactor ontwikkelen, die hij bij controles aan het einde van de productielijn als hulpmiddel mag gebruiken.
3.8.3. Voor de typegoedkeuring mogen alleen de verslechteringsfactoren overeenkomstig punt 3.5 of 3.6 in de punten 1.4.1 en 1.4.2 van het addendum bij bijlage 2A en in de punten 1.4.1 en 1.4.2 van het addendum bij bijlage 2C worden opgenomen.
4. ONDERHOUD
In het kader van het bedrijfsaccumulatieschema moet het onderhoud volgens de service- en onderhoudshandleiding van de fabrikant worden uitgevoerd.
4.1. Emissiegerelateerd gepland onderhoud
4.1.1. Emissiegerelateerd gepland onderhoud in het kader van de uitvoering van een bedrijfsaccumulatieschema moet plaatsvinden met dezelfde afstands- of gelijkwaardige intervallen als die welke in de onderhoudsinstructies van de fabrikant voor de eigenaar van de motor of het voertuig zullen worden gespecificeerd. Dit onderhoudsschema mag in de loop van het bedrijfsaccumulatieschema zo nodig worden bijgewerkt mits er geen onderhoudswerkzaamheid uit het onderhoudsschema wordt geschrapt nadat zij op de testmotor is uitgevoerd.
4.1.2. Voor het bedrijfsaccumulatieschema moet de motorfabrikant de aanpassing, de reiniging en het onderhoud (indien nodig) en de geplande vervanging specificeren van de volgende items:
|
a) |
filters en koelers in het uitlaatgasrecirculatiesysteem, |
|
b) |
positieve carterventilatieklep, indien aanwezig, |
|
c) |
uiteinde van brandstofinjectoren (alleen reiniging), |
|
d) |
brandstofinjectoren, |
|
e) |
turbocompressor, |
|
f) |
elektronische motorregeleenheid en bijbehorende sensoren en actuators, |
|
g) |
deeltjesnabehandelingssysteem (en bijbehorende onderdelen), |
|
h) |
deNOx-systeem, |
|
i) |
uitlaatgasrecirculatiesysteem met alle bijbehorende regelkleppen en leidingen, |
|
j) |
elk ander uitlaatgasnabehandelingssysteem. |
4.1.3. Kritisch emissiegerelateerd gepland onderhoud mag alleen tijdens het gebruik worden uitgevoerd en moeten aan de eigenaar van het voertuig worden meegedeeld.
4.2. Wijzigingen in het geplande onderhoud
4.2.1. De fabrikant moet bij de typegoedkeuringsinstantie een verzoek indienen tot goedkeuring van elk nieuw gepland onderhoud dat hij tijdens het bedrijfsaccumulatieschema wil verrichten en vervolgens ook aan eigenaars van motoren of voertuigen wil aanbevelen. Samen met het verzoek moeten gegevens worden ingediend waaruit blijkt dat het nieuwe geplande onderhoud en het onderhoudsinterval noodzakelijk zijn.
4.3. Niet-emissiegerelateerd gepland onderhoud
4.3.1. Niet-emissiegerelateerd gepland onderhoud dat redelijk en technisch noodzakelijk is (bv. olie verversen, vervangen van oliefilter, brandstoffilter of luchtfilter, onderhoud van het koelsysteem, afstellen van stationair toerental, regulateur, aanhalen van motorbouten, kleppenspeling, injectorspeling, timing, afstellen van de spanning van aandrijfriemen enz.) mag aan de voor het bedrijfsaccumulatieschema geselecteerde motoren en voertuigen worden verricht met de langste intervallen die door de fabrikant aan de eigenaar worden aanbevolen.
4.4. Reparatie
4.4.1. Reparaties aan andere onderdelen van een voor tests volgens een bedrijfsaccumulatieschema geselecteerde motor dan het emissiebeheersings- of het brandstofsysteem mogen alleen bij het uitvallen van een onderdeel of bij een storing van het motorsysteem worden verricht.
4.4.2. Indien de motor zelf, het emissiebeheersings- of het brandstofsysteem tijdens het bedrijfsaccumulatieschema uitvalt, wordt de bedrijfsaccumumatie als ongeldig beschouwd en moet een nieuwe bedrijfsaccumulatie met een nieuw motorsysteem worden gestart.
(1) Zoals gedefinieerd in de Geconsolideerde resolutie betreffende de constructie van voertuigen (R.E.3) - ECE/TRANS/WP.29/78/Rev.2,, punt 2.
(2) Bij compressieontstekingsmotoren.
(3) Bij elektrische-ontstekingsmotoren.
BIJLAGE 8
CONFORMITEIT VAN IN GEBRUIK ZIJNDE MOTOREN OF VOERTUIGEN
1. INLEIDING
1.1 Deze bijlage bevat voorschriften voor het controleren en aantonen van de conformiteit van motoren en voertuigen tijdens het gebruik.
2. PROCEDURE VOOR DE CONFORMITEIT TIJDENS HET GEBRUIK
2.1. De conformiteit van in gebruik zijnde voertuigen of motoren van een motorenfamilie moet worden aangetoond door voertuigen op de weg te testen met hun normale rijpatronen, omstandigheden en ladingen. De test van de conformiteit tijdens het gebruik moet representatief zijn voor voertuigen die worden gebruikt op hun echte routes, met hun normale lading en met de gebruikelijke professionele bestuurder van het voertuig. Wanneer het voertuig wordt gebruikt door een bestuurder die niet de gebruikelijke professionele bestuurder van het voertuig in kwestie is, moet die andere bestuurder over de vereiste vaardigheid en opleiding beschikken om voertuigen van de te testen categorie te besturen.
2.2. Indien de normale gebruiksomstandigheden van een bepaald voertuig niet verenigbaar worden geacht met de correcte uitvoering van de tests, kan de fabrikant of de typegoedkeuringsinstantie om toepassing van alternatieve routes en ladingen verzoeken.
2.3. De fabrikant moet aan de typegoedkeuringsinstantie aantonen dat het voertuig, de rijpatronen, de omstandigheden en de ladingen die hij heeft gekozen, representatief zijn voor de motorenfamilie. Op basis van de voorschriften in de punten 4.1 en 4.5 moet worden vastgesteld of de rijpatronen en ladingen aanvaardbaar zijn voor het testen van de conformiteit tijdens het gebruik.
2.4. De fabrikant moet het tijdschema en het bemonsteringsplan voor de conformiteitstests meedelen op het moment van de initiële typegoedkeuring van een nieuwe motorenfamilie.
2.5. Voertuigen zonder communicatie-interface waarmee de volgens de punten 9.4.2.1 en 9.4.2.2 van dit reglement vereiste gegevens van de elektronische regeleenheid kunnen worden verzameld, voertuigen waarvan gegevens ontbreken en voertuigen met een niet-standaard dataprotocol worden niet-conform geacht.
2.6. Voertuigen waarbij de verzameling van gegevens van de elektronische regeleenheid de voertuigemissies of -prestaties beïnvloeden, worden niet-conform geacht.
3. SELECTIE VAN DE MOTOR OF HET VOERTUIG
3.1. Nadat typegoedkeuring voor een motorenfamilie is verleend, moet de fabrikant binnen 18 maanden na de eerste registratie van een voertuig dat met een motor van die familie is uitgerust, tests tijdens het gebruik op die motorenfamilie uitvoeren. Bij meerfasentypegoedkeuring wordt onder "eerste registratie" de eerste registratie van een voltooid voertuig verstaan.
De tests moeten ten minste om de twee jaar voor elke motorenfamilie periodiek worden herhaald op voertuigen tijdens hun nuttige levensduur zoals gespecificeerd in punt 5.4 van dit reglement.
Op verzoek van de fabrikant mogen de tests vijf jaar na de beëindiging van de productie worden stopgezet.
3.1.1. Bij een minimale steekproefgrootte van drie motoren wordt de bemonsteringsprocedure zo gekozen dat de kans dat een partij waarvan 20% van de voertuigen of motoren gebreken vertoont, een test doorstaat 0,90 is (risico van de producent = 10%), terwijl de kans dat een partij waarvan 60% van de voertuigen of motoren gebreken vertoont, wordt aanvaard 0,10 is (risico van de consument = 10%).
3.1.2. Voor de steekproef wordt de teststatistiek bepaald, d.w.z. het cumulatieve aantal non-conforme tests bij de n'de test.
3.1.3. Het besluit tot goed- of afkeur van de partij moet worden genomen overeenkomstig de volgende voorschriften:
|
a) |
is de teststatistiek kleiner dan of gelijk aan het volgens de steekproefgrootte voor een besluit tot goedkeur geldende aantal in tabel 1, wordt voor de partij een besluit tot goedkeur genomen; |
|
b) |
is de teststatistiek groter dan of gelijk aan het volgens de steekproefgrootte voor een besluit tot afkeur geldende aantal in tabel 1, wordt voor de partij een besluit tot afkeur genomen; |
|
c) |
in alle andere gevallen wordt een extra motor overeenkomstig deze bijlage getest en wordt de berekeningsprocedure toegepast op de steekproefgrootte plus één. |
In tabel 1 zijn de aantallen voor een besluit tot goed- en afkeur berekend met behulp van de internationale norm ISO 8422/1991.
Tabel 1
Aantallen voor een besluit tot goed- en afkeur bij het bemonsteringsschema
Minimale steekproefgrootte: 3
|
Cumulatief aantal geteste motoren (steekproefgrootte) |
Aantal voor een besluit tot goedkeur |
Aantal voor een besluit tot afkeur |
|
3 |
— |
3 |
|
4 |
0 |
4 |
|
5 |
0 |
4 |
|
6 |
1 |
4 |
|
7 |
1 |
4 |
|
8 |
2 |
4 |
|
9 |
2 |
4 |
|
10 |
3 |
4 |
De typegoedkeuringsinstantie moet de gekozen motor- en voertuigconfiguraties goedkeuren voordat de testprocedures worden aangevat. De keuze vindt plaats door de typegoedkeuringsinstantie de criteria voor te leggen op basis waarvan de voertuigen in kwestie zijn geselecteerd.
3.2. De geselecteerde motoren en voertuigen moeten in de regio (bv. de Europese Unie) worden gebruikt en zijn geregistreerd. Het voertuig moet ten minste 25 000 km in gebruik zijn.
3.3. Elk getest voertuig moet een onderhoudsboekje hebben waaruit blijkt dat het onderhoud en de service van het voertuig naar behoren en volgens de aanbevelingen van de fabrikant zijn uitgevoerd.
3.4. Via het OBD-systeem moet de goede werking van de motor worden gecontroleerd. Alle storingsmeldingen en de gereedheidscode die in het geheugen van het OBD-systeem zijn opgeslagen, moeten worden genoteerd en de nodige reparaties moeten worden uitgevoerd.
Motoren met een storing van klasse C hoeven vóór de tests niet noodzakelijk te worden gerepareerd. De diagnosefoutcode (DTC) mag niet worden gewist.
Motoren waarvan een van de krachtens bijlage 11 vereiste tellers niet op nul staat, mogen niet worden getest. Dit moet aan de typegoedkeuringsinstantie worden gemeld.
3.5. De motor of het voertuig mag geen tekenen van verkeerd gebruik vertonen (bv. overbelasting, verkeerde brandstof of andere vormen van verkeerd gebruik) of andere factoren (bv. manipulatie) die de emissieprestaties kunnen beïnvloeden. Er moet rekening worden gehouden met de in de computer opgeslagen informatie over foutcodes van het OBD-systeem en motorbedrijfsuren.
3.6. Alle in het voertuig aanwezige onderdelen van het emissiebeheersingssysteem moeten conform zijn met die welke in de toepasselijke typegoedkeuringsdocumenten zijn vermeld.
3.7. Indien het aantal geproduceerde motoren binnen een motorenfamilie minder dan 500 eenheden per jaar bedraagt, mag de fabrikant met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie tests van de conformiteit tijdens het gebruik uitvoeren met een kleiner aantal motoren of voertuigen dan vermeld in punt 3.1.
4. TESTOMSTANDIGHEDEN
4.1. Lading van het voertuig
Voor het testen van de conformiteit tijdens het gebruik mag de lading worden gereproduceerd en mag een kunstmatige lading worden gebruikt.
Indien geen statistieken beschikbaar zijn waaruit blijkt dat de lading representatief is voor het voertuig, moet de voertuiglading 50 tot 60% van de maximumvoertuiglading bedragen.
De maximumlading is het verschil tussen de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van het voertuig en de massa van het voertuig in rijklare toestand zoals gespecificeerd in bijlage 3 bij Speciale Resolutie nr. 1 van de VN/ECE (TRANS/WP.29/1045).
4.2. Omgevingsomstandigheden
De test moet worden uitgevoerd onder omgevingsomstandigheden die voldoen aan de volgende voorwaarden:
luchtdruk van 82,5 kPa of hoger;
temperatuur die hoger is dan of gelijk is aan 266 K (-7°C) en lager is dan of gelijk is aan de temperatuur die wordt bepaald door de volgende formule bij de gespecificeerde luchtdruk:
waarin:
|
T |
= |
de temperatuur van de omgevingslucht (K); |
|
pb |
= |
de luchtdruk (kPa). |
4.3. Motorkoelmiddeltemperatuur
De motorkoelmiddeltemperatuur moet conform zijn met punt A.1.2.6.1 van aanhangsel 1.
4.4. De smeerolie, de brandstof en het reagens moeten binnen de specificaties van de fabrikant liggen.
4.4.1. Smeerolie
Er moeten oliemonsters worden genomen.
4.4.2. Brandstof
De testbrandstof moet een in de handel verkrijgbare brandstof zijn die onder de relevante normen valt, of een referentiebrandstof zoals gespecificeerd in bijlage 5 bij dit reglement. Er moeten brandstofmonsters worden genomen.
4.4.2.1. Indien de fabrikant overeenkomstig punt 4 van dit reglement heeft verklaard dat hij voor de in de handel verkrijgbare brandstoffen die in punt 3.2.2.2.1 van deel 1 van bijlage I bij dit reglement zijn aangegeven, aan de voorschriften van dit reglement kan voldoen, moeten op ten minste één van de aangegeven in de handel verkrijgbare brandstoffen of op een mengsel van de aangegeven brandstoffen en de brandstoffen die onder de relevante normen vallen, tests worden uitgevoerd.
4.4.3. Reagens
Bij uitlaatgasnabehandelingssystemen die een reagens gebruiken om de emissies te beperken, moet een monster van het reagens worden genomen. Het reagens mag niet worden bevroren.
4.5. Voorschriften voor de rit
De delen van een rit moeten worden uitgedrukt als percentage van de totale duur van de rit.
De rit bestaat uit een stadsrit, gevolgd door een rit op het platteland en een rit op de snelweg volgens de in de punten 4.5.1. tot en met 4.5.4 aangegeven percentages. Indien een andere testvolgorde om praktische redenen gegrond is, kunnen de ritten met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie in een andere volgorde dan stad, platteland en snelweg worden uitgevoerd.
Voor de toepassing van dit punt wordt onder "ongeveer" de doelwaarde van ± 5% verstaan.
Een stadsrit wordt gekenmerkt door een voertuigsnelheid tussen 0 en 50 km/h, een plattelandsrit door een voertuigsnelheid tussen 50 en 75 km/h en een rit op de snelweg door een voertuigsnelheid van meer dan 75 km/h.
4.5.1. Bij M1- en N1-voertuigen bestaat de rit uit ongeveer 45% stad, 25% platteland en 30% snelweg.
4.5.2. Bij M2- en M3-voertuigen bestaat de rit uit ongeveer 45% stad, 25% platteland en 30% snelweg. M2- en M3-veortuigen van klasse I, II of A worden voor ongeveer 70% in de stad en 30% op het platteland getest.
4.5.3. Bij N2-voertuigen bestaat de rit uit ongeveer 45% stad, 25% platteland, gevolgd door 30% snelweg.
4.5.4. Bij categorie N3-voertuigen bestaat de rit uit ongeveer 20% stad, 25% platteland, gevolgd door 55% snelweg.
4.5.5 De volgende verdeling van de karakteristieke ritwaarden uit de WHDC-database kunnen als extra richtsnoer dienen voor de beoordeling van de rit:
|
a) |
accelereren: 26,9% van de tijd, |
|
b) |
vertragen: 22,6% van de tijd, |
|
c) |
rijden met constante snelheid: 38,1% van de tijd, |
|
d) |
stoppen (voertuigsnelheid = 0): 12,4% van de tijd. |
4.6. Voorschriften voor het gebruik
4.6.1. De rit moet zodanig worden gekozen dat de tests niet worden onderbroken en de gegevens continu worden verzameld totdat de in punt 4.6.5 vastgestelde minimumduur van de test wordt bereikt.
4.6.2. De bemonstering van emissiegegevens en andere gegevens begint vóór het starten van de motor. Koudestartemissies mogen overeenkomstig punt A.1.2.6 van aanhangsel 1 uit de emissiebeoordeling worden geschrapt.
4.6.3. Het is niet toegestaan gegevens van verschillende ritten te combineren of ritgegevens te wijzigen of te wissen.
4.6.4. Indien de motor afslaat, mag hij weer worden gestart, maar de verzameling van gegevens mag niet worden onderbroken.
4.6.5. De minimumduur van de test moet lang genoeg zijn om vijfmaal de arbeid te voltooien die tijdens de WHTC wordt uitgevoerd, of om vijfmaal de CO2-referentiemassa in kg/cyclus van de WHTC te produceren, naargelang het geval.
4.6.6. De stroomtoevoer naar het PEMS wordt verzorgd door een externe stroombron en is niet afkomstig van een bron die haar energie direct of indirect uit de geteste motor put.
4.6.7. De installatie van de PEMS-apparatuur mag de emissies en/of de prestaties van het voertuig niet beïnvloeden.
4.6.8. Aanbevolen wordt met de voertuigen overdag onder normale verkeersomstandigheden te rijden.
4.6.9. Indien de typegoedkeuringsinstantie niet tevreden is over de resultaten van de controle van de gegevensconsistentie overeenkomstig punt A.1.3.2 van aanhangsel 1, kan zij de test als ongeldig beschouwen.
4.6.10. Voor het testen van voertuigen in de steekproef zoals beschreven in de punten 3.1.1 tot en met 3.1.3 moet dezelfde werkwijze worden toegepast.
5. DATASTREAM VAN DE ELEKTRONISCHE REGELEENHEID
5.1. Controle van de beschikbaarheid en conformiteit van de voor tests tijdens het gebruik vereiste datastream-informatie van de elektronische regeleenheid
5.1.1. De beschikbaarheid van de datastream-informatie overeenkomstig punt 9.4.2 van dit reglement moet vóór de test tijdens het gebruik worden aangetoond.
5.1.1.1. Als die informatie niet op adequate wijze door het PEMS kan worden opgevraagd, moet de beschikbaarheid van de informatie worden aangetoond met een externe OBD-scanner zoals beschreven in bijlage 9B.
|
5.1.1.1.1. |
Wanneer de informatie op adequate wijze met de scanner kan worden opgevraagd, wordt het PEMS geacht niet te voldoen en is de test ongeldig. |
|
5.1.1.1.2. |
Wanneer de informatie met een correct functionerende scanner niet op adequate wijze kan worden opgevraagd uit twee voertuigen met motoren van dezelfde motorenfamilie, wordt de motor niet-conform geacht. |
5.1.2. De conformiteit van het koppelsignaal dat door de PEMS-apparatuur op basis van de in punt 9.4.2.1 van dit reglement vereiste datastream-informatie van de elektronische regeleenheid wordt berekend, moet bij vollast worden gecontroleerd.
5.1.2.1. De methode om deze conformiteit te controleren, wordt beschreven in aanhangsel 4.
5.1.2.2. De conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid wordt toereikend geacht als het berekende koppel binnen de in punt 9.4.2.5 van dit reglement gespecificeerde tolerantie voor het koppel bij vollast blijft.
5.1.2.3. Als het berekende koppel niet binnen de in punt 9.4.2.5 van dit reglement gespecificeerde tolerantie voor het koppel bij vollast blijft, wordt de motor geacht de test niet te hebben doorstaan.
6. BEOORDELING VAN DE EMISSIES
6.1. De test moet worden uitgevoerd en de testresultaten moeten worden berekend overeenkomstig aanhangsel 1.
6.2. De conformiteitsfactoren moeten voor zowel de methode op basis van de CO2-massa als die op basis van de arbeid worden berekend en voorgelegd. Het besluit tot goedkeur/afkeur moet worden genomen op grond van de resultaten van de methode op basis van de arbeid.
6.3. Het 90%-cumulatieve percentiel van de conformiteitsfactoren voor de uitlaatemissie van elk getest motorsysteem, dat overeenkomstig de in aanhangsel 1 gespecificeerde meet- en berekeningprocedures wordt bepaald, mag de in tabel 2 aangegeven waarden niet overschrijden.
Tabel 2
Maximaal toegestane conformiteitsfactoren voor het testen van de conformiteit van de emissies tijdens het gebruik
|
Verontreinigende stof |
Maximaal toegestane conformiteitsfactor |
|
CO |
1,50 |
|
THC |
1,50 |
|
NMHC |
1,50 |
|
CH4 |
1,50 |
|
NOx |
1,50 |
|
Deeltjesmassa |
— |
|
Deeltjesaantal |
— |
7. BEOORDELING VAN DE RESULTATEN VOOR DE CONFORMITEIT TIJDENS HET GEBRUIK
7.1. Op basis van het in punt 10 bedoelde rapport over de conformiteit tijdens het gebruik moet de typegoedkeuringsinstantie:
|
a) |
besluiten dat de test van de conformiteit tijdens het gebruik van een familie van motorsystemen toereikend is en geen verdere actie ondernemen; |
|
b) |
besluiten dat de verstrekte gegevens niet volstaan om een besluit te nemen en de fabrikant om aanvullende informatie of testgegevens verzoeken; |
|
c) |
besluiten dat de conformiteit tijdens het gebruik van een familie van motorsystemen ontoereikend is en de in punt 9.3 van dit reglement en in punt 9 van deze bijlage bedoelde maatregelen nemen. |
8. BEVESTIGINGSTESTS VAN HET VOERTUIG
8.1. Bevestigingstests worden uitgevoerd om de emissiewaarden tijdens het gebruik van een motorenfamilie te bevestigen.
8.2. Goedkeuringsinstanties kunnen bevestigingstests uitvoeren.
8.3. De bevestigingstest moeten worden uitgevoerd als voertuigtests zoals gespecificeerd in de punten 2.1 en 2.2. Representatieve voertuigen moeten worden geselecteerd en gebruikt onder normale omstandigheden en moeten worden getest volgens de in deze bijlage gedefinieerde procedures.
8.4. Een testresultaat kan als onbevredigend worden aangemerkt wanneer bij tests van twee of meer voertuigen die dezelfde motorenfamilie vertegenwoordigen, voor een van de gereglementeerde verontreinigde bestanddelen de in punt 6 vastgestelde grenswaarde ruim wordt overschreden.
9. PLAN VAN CORRIGERENDE MAATREGELEN
9.1. Wanneer een fabrikant voornemens is corrigerende maatregelen te nemen, moet hij op het moment dat hij daartoe besluit, een rapport indienen bij de typegoedkeuringsinstantie van het land waar de motoren of voertuigen waarop de corrigerende maatregelen betrekking hebben, zijn geregistreerd of worden gebruikt. In het rapport moeten de details van de corrigerende maatregelen worden uiteengezet en moeten de motorenfamilies worden beschreven waarvoor de maatregelen gelden. Na de start van de corrigerende maatregelen moet de fabrikant geregeld verslag uitbrengen aan de typegoedkeuringsinstantie.
9.2. De fabrikant moet een kopie van alle mededelingen met betrekking tot het plan van corrigerende maatregelen verstrekken, gegevens over de terugroepactie bijhouden en bij de typegoedkeuringsinstantie geregeld voortgangsverslagen indienen.
9.3. De fabrikant moet het plan van corrigerende maatregelen een unieke identificatienaam of een uniek identificatienummer toekennen.
9.4. De fabrikant moet een plan van corrigerende maatregelen voorleggen dat de in de punten 9.4.1 tot en met 9.4.11 gespecificeerde informatie omvat.
9.4.1. Een beschrijving van elk type motorsysteem waarop het plan van corrigerende maatregelen betrekking heeft.
9.4.2. Een beschrijving van de specifieke modificaties, aanpassingen, reparaties, correcties, bijstellingen of andere wijzigingen die moeten worden uitgevoerd om de motoren weer conform te maken met de voorschriften, inclusief een kort overzicht van de gegevens en technische studies waarop de fabrikant zijn besluit baseert tot het nemen van specifieke maatregelen om de non-conformiteit te corrigeren.
9.4.3. Een beschrijving van de manier waarop de fabrikant de motor- of voertuigeigenaars op de hoogte stelt van de corrigerende maatregelen.
9.4.4. Indien van toepassing, een beschrijving van de juiste wijze van onderhoud of gebruik die de fabrikant als voorwaarde stelt om voor reparatie in het kader van het plan van corrigerende maatregelen in aanmerking te komen, alsmede een uiteenzetting van de redenen van de fabrikant om een dergelijke voorwaarde te stellen. Ten aanzien van het onderhoud of het gebruik mogen er alleen voorwaarden worden gesteld als er een aantoonbaar verband bestaat met de non-conformiteit en de corrigerende maatregelen.
9.4.5. Een beschrijving van de procedure die door de motor- of voertuigeigenaars moet worden gevolgd om de non-conformiteit te laten corrigeren. Deze beschrijving behelst ook een datum met ingang waarvan de corrigerende maatregelen kunnen worden genomen, de geschatte tijd die de garage nodig heeft om de reparatie uit te voeren en de plaats waar dat kan gebeuren. De reparatie moet snel worden uitgevoerd binnen een redelijke termijn na aanbieding van het voertuig.
9.4.6. Een kopie van de informatie die aan de motor- of voertuigeigenaar wordt verstrekt.
9.4.7. Een korte beschrijving van het systeem dat de fabrikant zal toepassen om een toereikende levering van onderdelen of systemen voor de uitvoering van de corrigerende maatregelen te waarborgen. Vermeld moet worden wanneer er een voldoende grote voorraad onderdelen of systemen beschikbaar zal zijn om de actie te starten.
9.4.8. Een kopie van alle instructies die moeten worden gegeven aan degenen die de reparatie zullen moeten uitvoeren.
9.4.9. Een beschrijving van het effect van de voorgestelde corrigerende maatregelen op de emissies, het brandstofverbruik, het rijgedrag en de veiligheid van elk motor- of voertuigtype waarop het plan van corrigerende maatregelen betrekking heeft, vergezeld van gegevens, technische studies enz. die deze conclusies staven.
9.4.10. Alle overige informatie, rapporten of gegevens die de typegoedkeuringsinstantie redelijkerwijs noodzakelijk kan achten om het plan van corrigerende maatregelen te beoordelen.
9.4.11. Indien het plan van corrigerende maatregelen een terugroepactie omvat, moet bij de typegoedkeuringsinstantie een beschrijving van de methode voor registratie van de reparaties worden ingediend. Indien een label wordt gebruikt, moet daarvan een model worden overgelegd.
9.5. Van de fabrikant kan worden verlangd dat hij degelijk opgezette en noodzakelijke tests verricht op onderdelen en motoren waarop de voorgestelde wijziging, reparatie of modificatie is uitgevoerd teneinde de effectiviteit van die wijziging, reparatie of modificatie aan te tonen.
10. RAPPORTAGEPROCEDURES
10.1. Voor elke geteste motorenfamilie moet bij de typegoedkeuringsinstantie een technisch rapport worden ingediend. In het rapport moeten de activiteiten en resultaten van de tests van de conformiteit tijdens het gebruik worden uiteengezet. Het rapport moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
10.1.1. Algemeen
10.1.1.1. Naam en adres van de fabrikant
10.1.1.2. Adres van de assemblagefabriek(en)
10.1.1.3. Naam, adres, telefoon- en faxnummer en e-mailadres van de vertegenwoordiger van de fabrikant
10.1.1.4. Type en handelsbenaming (eventuele varianten vermelden)
10.1.1.5. Motorenfamilie
10.1.1.6. Oudermotor
10.1.1.7. Leden van de motorenfamilie
10.1.1.8. De codes van de voertuigidentificatienummers (VIN) die van toepassing zijn op de voertuigen met een motor waarvan de conformiteit tijdens het gebruik wordt gecontroleerd
10.1.1.9. Middel tot en plaats van identificatie van het type, indien aangebracht op het voertuig
10.1.1.10. Voertuigcategorie
10.1.1.11. Motortype: benzine, ethanol (E85), diesel/aardgas/lpg/ethanol (ED95) (doorhalen wat niet van toepassing is)
10.1.1.12. De typegoedkeuringsnummers die op de motortypen van de in gebruik zijnde familie van toepassing zijn, in voorkomend geval met inbegrip van de nummers van alle uitbreidingen en correcties achteraf/terugroepingen (substantiële wijzigingen)
10.1.1.13. Nadere gegevens over de uitbreidingen van de typegoedkeuringen en de correcties achteraf/terugroepingen van de motoren waarop de informatie van de fabrikant betrekking heeft
10.1.1.14. De motorfabricageperiode waarop de informatie van de fabrikant betrekking heeft (bv. "voertuigen of motoren die in de loop van het kalenderjaar 2014 zijn gefabriceerd")
10.1.2. Selectie van de motor of het voertuig
10.1.2.1. Methode om het voertuig of de motor te lokaliseren
10.1.2.2. Selectiecriteria voor voertuigen, motoren, in gebruik zijnde families
10.1.2.3. De geografische gebieden waar de fabrikant voertuigen heeft verzameld
10.1.3. Apparatuur
10.1.3.1. Merk en type van het PEMS
10.1.3.2. Kalibratie van het PEMS
10.1.3.3. Voeding van het PEMS
10.1.3.4. Berekeningssoftware en gebruikte versie (bv. EMROAD 4.0)
10.1.4. Testgegevens
10.1.4.1. Datum en tijdstip van de test
10.1.4.2. Plaats van de test, inclusief gedetailleerde informatie over de testroute
10.1.4.3. Weer- en omgevingsomstandigheden (bv. temperatuur, vochtigheidsgraad, hoogte)
10.1.4.4. Per voertuig op de testroute afgelegde afstanden
10.1.4.5. Kenmerken en specificaties van de testbrandstof
10.1.4.6. Specificatie van het reagens (in voorkomend geval)
10.1.4.7. Specificatie van de smeerolie
10.1.4.8. Resultaten van de emissietest overeenkomstig aanhangsel 1
10.1.5. Informatie over de motor
10.1.5.1. Motorbrandstoftype (bv. diesel, ethanol ED95, aardgas, lpg, benzine, E85)
10.1.5.2. Verbrandingssysteem van de motor (bv. elektrische – of compressieontsteking)
10.1.5.3. Typegoedkeuringsnummer
10.1.5.4. Motor gereviseerd
10.1.5.5. Fabrikant van de motor
10.1.5.6. Motormodel
10.1.5.7. Productiejaar en -maand van de motor
10.1.5.8. Motoridentificatienummer
10.1.5.9. Cilinderinhoud [liter]
10.1.5.10. Aantal cilinders
10.1.5.11. Nominaal motorvermogen: [kW bij t/min]
10.1.5.12. Hoogste motorkoppel: [Nm bij t/min]
10.1.5.13. Stationair toerental [t/min]
10.1.5.14. Door de fabrikant verstrekte koppelkromme bij vollast beschikbaar (ja/nee)
10.1.5.15. Door de fabrikant verstrekt referentienummer van de koppelkromme bij vollast
10.1.5.16. DeNOx-systeem (bv. EGR, SCR)
10.1.5.17. Type katalysator
10.1.5.18. Type deeltjesvanger
10.1.5.19. Nabehandeling gewijzigd t.o.v. typegoedkeuring? (ja/nee)
10.1.5.20. Informatie over de elektronische regeleenheid van de motor (softwarekalibratienummer)
10.1.6. Voertuiginformatie
10.1.6.1. Eigenaar van het voertuig
10.1.6.2. Voertuigtype (bv. M3, N3) en toepassing (bv. enkelvoudige of gelede vrachtwagen, stadsbus)
10.1.6.3. Voertuigfabrikant
10.1.6.4. Voertuigidentificatienummer
10.1.6.5. Registratienummer van het voertuig en land van registratie
10.1.6.6. Voertuigmodel
10.1.6.7. Productiejaar en -maand van het voertuig
10.1.6.8. Type transmissie (bv. handgeschakeld, automatisch of ander)
10.1.6.9. Aantal versnellingen vooruit
10.1.6.10. Stand van de kilometerteller bij de start van de test [km]
10.1.6.11. Brutogewicht van de voertuigcombinatie [kg]
10.1.6.12. Bandenmaat [niet verplicht]
10.1.6.13. Diameter uitlaatpijp [mm] [niet verplicht]
10.1.6.14. Aantal assen
10.1.6.15. Inhoud brandstoftank [liter] [niet verplicht]
10.1.6.16. Aantal brandstoftanks [niet verplicht]
10.1.6.17. Inhoud reagensreservoir(s) [liter] [niet verplicht]
10.1.6.18. Aantal reagenstanks [niet verplicht]
10.1.7. Kenmerken van de testroute
10.1.7.1. Stand van de kilometerteller bij de start van de test [km]
10.1.7.2. Duur [s]
10.1.7.3. Gemiddelde omgevingsomstandigheden (zoals berekend uit de gemeten momentane gegevens)
10.1.7.4. Informatie over sensor voor omgevingsomstandigheden (type en plaats van sensoren)
10.1.7.5. Informatie over de voertuigsnelheid (bv. cumulatieve snelheidsverdeling)
10.1.7.6. Percentage van de duur van de rit dat er in de stad, op het platteland en op de snelweg wordt gereden zoals beschreven in punt 4.5
10.1.7.7. Percentage van de duur van de rit dat er wordt geaccelereerd, vertraagd, gereden met constante snelheid en gestopt zoals beschreven in punt 4.4.5
10.1.8. Gemeten momentane gegevens
10.1.8.1. THC-concentratie [ppm]
10.1.8.2. CO-concentratie [ppm]
10.1.8.3. NOx-concentratie [ppm]
10.1.8.4. CO2-concentratie [ppm]
10.1.8.5. CH4-concentratie [ppm], alleen voor aardgasmotoren
10.1.8.6. Uitlaatgasstroom [kg/h]
10.1.8.7. Uitlaattemperatuur [°C]
10.1.8.8. Omgevingstemperatuur [°C]
10.1.8.9. Omgevingsdruk [kPa]
10.1.8.10. Omgevingsvochtigheid [g/kg] [niet verplicht]
10.1.8.11. Motorkoppel [Nm]
10.1.8.12. Motortoerental [t/min]
10.1.8.13. Motorbrandstofstroom [g/s]
10.1.8.14. Motorkoelmiddeltemperatuur [°C]
10.1.8.15. Grondsnelheid van het voertuig [km/h] op basis van elektronische regeleenheid van de motor en GPS
10.1.8.16. Breedtegraad van het voertuig [graden] (moet voldoende nauwkeurig zijn om de testroute te kunnen traceren)
10.1.8.17. Lengtegraad van het voertuig [graden]
10.1.9. Berekende momentane gegevens
10.1.9.1. THC-massa [g/s]
10.1.9.2. CO-massa [g/s]
10.1.9.3. NOx-massa [g/s]
10.1.9.4. CO2-massa [g/s]
10.1.9.5. CH4-massa [g/s], alleen bij elektrische-ontstekingsmotoren
10.1.9.6. Gecumuleerde THC-massa [g]
10.1.9.7. Gecumuleerde CO-massa [g]
10.1.9.8. Gecumuleerde NOx-massa [g]
10.1.9.9. Gecumuleerde CO2-massa [g]
10.1.9.10. Gecumuleerde CH4-massa [g], alleen bij elektrische-ontstekingsmotoren
10.1.9.11. Berekend brandstofdebiet [g/s]
10.1.9.12. Motorvermogen [kW]
10.1.9.13. Motorarbeid [kWh]
10.1.9.14. Werkvenster duur [s]
10.1.9.15. Werkvenster gemiddeld motorvermogen [%]
10.1.9.16. Werkvenster THC-conformiteitsfactor [-]
10.1.9.17. Werkvenster CO-conformiteitsfactor [-]
10.1.9.18. Werkvenster NOx-conformiteitsfactor [-]
10.1.9.19. Werkvenster CH4-conformiteitsfactor [-], alleen bij aardgasmotoren
10.1.9.20. Venster CO2-massa duur [s]
10.1.9.21. Venster CO2-massa THC-conformiteitsfactor [-]
10.1.9.22. Venster CO2-massa CO-conformiteitsfactor [-]
10.1.9.23. Venster CO2-massa NOx-conformiteitsfactor [-]
10.1.9.24. Venster CO2-massa CH4-conformiteitsfactor [-], alleen bij aardgasmotoren
10.1.10. Gemiddelde en geïntegreerde gegevens
10.1.10.1. Gemiddelde THC-concentratie [ppm] [niet verplicht]
10.1.10.2. Gemiddelde CO-concentratie [ppm] [niet verplicht]
10.1.10.3. Gemiddelde NOx-concentratie [ppm] [niet verplicht]
10.1.10.4. Gemiddelde CO2-concentratie [ppm] [niet verplicht]
10.1.10.5. Gemiddelde CH4-concentratie [ppm], alleen bij aardgasmotoren [niet verplicht]
10.1.10.6. Gemiddelde uitlaatgasstroom [kg/h] [niet verplicht]
10.1.10.7. Gemiddelde uitlaattemperatuur [°C] [niet verplicht]
10.1.10.8. THC-emissies [g]
10.1.10.9. CO-emissies [g]
10.1.10.10. NOx-emissies [g]
10.1.10.11. CO2-emissies [g]
10.1.10.12. CH4-emissies [g], alleen bij ardgasmotoren
10.1.11. Goedkeur-/afkeurresultaten
10.1.11.1. Minimaal, maximaal en 90%-cumulatief percentiel voor:
10.1.11.2. Werkvenster THC-conformiteitsfactor [-]
10.1.11.3. Werkvenster CO-conformiteitsfactor [-]
10.1.11.4. Werkvenster NOx-conformiteitsfactor [-]
10.1.11.5. Werkvenster CH4-conformiteitsfactor [-], alleen bij aardgasmotoren
10.1.11.6. Venster CO2-massa THC-conformiteitsfactor [-]
10.1.11.7. Venster CO2-massa CO-conformiteitsfactor [-]
10.1.11.8. Venster CO2-massa NOx-conformiteitsfactor [-]
10.1.11.9. Venster CO2-massa CH4-conformiteitsfactor [-], alleen bij aardgasmotoren
10.1.11.10. Werkvenster: Minimaal en maximaal gemiddeld venstervermogen [%]
10.1.11.11. Venster CO2-massa: Minimale en maximale vensterduur [s]
10.1.11.12. Werkvenster: percentage geldige vensters
10.1.11.13. Venster CO2-massa: percentage geldige vensters
10.1.12. Testcontroles
10.1.12.1. Nul-, ijk- en controleresultaten van de THC-analysator, vóór en na de test
10.1.12.2. Nul-, ijk- en controleresultaten van de CO-analysator, vóór en na de test
10.1.12.3. Nul-, ijk- en controleresultaten van de NOx-analysator, vóór en na de test
10.1.12.4. Nul-, ijk- en controleresultaten van de CO2-analysator, vóór en na de test
10.1.12.5. Nul-, ijk- en controleresultaten van de CH4-analysator, vóór en na de test, alleen bij aardgasmotoren
10.1.12.6. Resultaten van de controle van de gegevensconsistentie overeenkomstig punt A.1.3.2 van aanhangsel 1
|
10.1.12.6.1. |
Resultaten van de in punt A.1.3.2.1 van aanhangsel 1 beschreven lineaire regressie, inclusief de helling van de regressierechte (m), de determinatiecoëfficiënt (r2) en het afsnijpunt (b) van de y-as van de regressierechte. |
|
10.1.12.6.2. |
Resultaat van de controle van de consistentie van de gegevens van de elektronische regeleenheid overeenkomstig punt A.1.3.2.2 van aanhangsel 1. |
|
10.1.12.6.3. |
Resultaat van de controle van de consistentie van het specifieke brandstofverbruik op de testbank overeenkomstig punt A.1.3.2.3 van aanhangsel 1, inclusief het berekende specifieke brandstofverbruik op de testbank en de verhouding van het met het PEMS gemeten specifieke brandstofverbruik op de testbank tot het voor de WHTC-test opgegeven specifieke brandstofverbruik op de testbank. |
|
10.1.12.6.4. |
Resultaat van de controle van de consistentie van de kilometerteller overeenkomstig punt A.1.3.2.4 van aanhangsel 1. |
|
10.1.12.6.5. |
Resultaat van de controle van de consistentie van de omgevingsdruk overeenkomstig punt A.1.3.2.5 van aanhangsel 1. |
10.1.13. Lijst van eventuele andere bijgevoegde stukken.
Aanhangsel 1
Testprocedure voor het testen van voertuigemissies met draagbare emissiemeetsystemen
A.1.1. Inleiding
Dit aanhangsel geeft een beschrijving van de procedure om gasvormige emissies met draagbare emissiemeetsystemen (hierna "PEMS") in het voertuig en op de weg te meten. De gasvormige emissies die bij de uitlaat van de motor moeten worden gemeten, bestaan uit de volgende bestanddelen: koolmonoxide, totale koolwaterstoffen en stikstofoxiden, plus methaan bij aardgasmotoren.
Bij motoren die op andere gassen dan aardgas lopen, kan de fabrikant, de technische dienst of de typegoedkeuringsinstantie ervoor kiezen de totale koolwaterstofemissies (THC-emissies) in plaats van de emissies van andere koolwaterstoffen dan methaan te meten. In dat geval is de emissiegrenswaarde voor de totale koolwaterstofemissie dezelfde als die in tabel 5.3 van dit reglement voor de emissies van andere koolwaterstoffen dan methaan. De toepasselijke grenswaarde bij de berekening van de conformiteitsfactoren in de punten A.1.4.2.3 en A.1.4.3.2 is in dat geval de emissiegrenswaarde voor andere koolwaterstoffen dan methaan.
Daarnaast moet het kooldioxide worden gemeten om de in de punten A.1.3 en A.1.4 beschreven berekeningsprocedures te kunnen toepassen.
A.1.2. Testprocedure
A.1.2.1. Algemene voorschriften
De tests moeten worden uitgevoerd met een PEMS dat bestaat uit:
|
A.1.2.1.1. |
gasanalysatoren om de concentratie van gereglementeerde verontreinigende gassen in het uitlaatgas te meten; |
|
A.1.2.1.2. |
een uitlaatmassastroommeter op basis van de gemiddelde Pitot-waarde of een gelijkwaardig beginsel; |
|
A.1.2.1.3. |
een mondiaal plaatsbepalingssysteem (GPS); |
|
A.1.2.1.4. |
sensoren om de omgevingstemperatuur en –druk te meten; |
|
A.1.2.1.5. |
een verbinding met de elektronische regeleenheid van het voertuig. |
A.1.2.2. Testparameters
De parameters in tabel 1 moeten worden gemeten en geregistreerd:
Tabel 1
Testparameters
|
Parameter |
Eenheid |
Bron |
|
THC-concentratie (1) |
ppm |
analysator |
|
CO-concentratie (1) |
ppm |
analysator |
|
NOx-concentratie (1) |
ppm |
analysator |
|
CO2-concentratie (1) |
ppm |
analysator |
|
ppm |
analysator |
|
|
Uitlaatgasstroom |
kg/h |
uitlaatstroommeter |
|
Uitlaattemperatuur |
K |
uitlaatstroommeter |
|
Omgevingstemperatuur (3) |
K |
sensor |
|
Omgevingsdruk |
kPa |
sensor |
|
Motorkoppel (4) |
Nm |
elektronische regeleenheid of sensor |
|
Motortoerental |
t/min |
elektronische regeleenheid of sensor |
|
Motorbrandstofstroom |
g/s |
elektronische regeleenheid of sensor |
|
Motorkoelmiddeltemperatuur |
K |
elektronische regeleenheid of sensor |
|
Motorinlaatluchttemperatuur (3) |
K |
sensor |
|
Grondsnelheid van het voertuig |
km/h |
elektronische regeleenheid en GPS |
|
Breedtegraad van het voertuig |
graden |
GPS |
|
Lengtegraad van het voertuig |
graden |
GPS |
A.1.2.3. Voorbereiding van het voertuig
De voorbereiding van het voertuig moet het volgende omvatten:
|
a) |
controle van het boorddiagnosesysteem: vastgestelde problemen die zijn opgelost, moeten worden geregistreerd en aan de typegoedkeuringsinstantie voorgelegd; |
|
b) |
eventuele vervanging van olie, brandstof en reagens. |
A.1.2.4. Installatie van de meetapparatuur
A.1.2.4.1. Centrale eenheid
Zo mogelijk moet het PEMS worden geïnstalleerd op een plaats waar het zo weinig mogelijk wordt beïnvloed door:
|
a) |
veranderingen in de omgevingstemperatuur; |
|
b) |
veranderingen in de omgevingsdruk; |
|
c) |
elektromagnetische straling; |
|
d) |
mechanische schokken en trillingen; |
|
e) |
koolwaterstoffen in de omgeving (indien een FID-analysator wordt gebruikt met omgevingslucht als lucht voor de FID-brander). |
De installatie moet gebeuren volgens de instructies van de PEMS-fabrikant.
A.1.2.4.2. Uitlaatstroommeter
De uitlaatstroommeter moet aan de uitlaat van het voertuig worden bevestigd. De sensoren van de uitlaatstroommeter moeten worden geplaatst tussen twee rechte buisstukken waarvan de lengte ten minste tweemaal de diameter van de uitlaatstroommeter bedraagt (ervoor en erna). Aanbevolen wordt de uitlaatstroommeter na de uitlaatdemper te plaatsen om het effect van drukwisselingen van het uitlaatgas op de meetsignalen te beperken.
A.1.2.4.3. Mondiaal plaatsbepalingssysteem
De antenne moet op de hoogst mogelijke plaats worden gemonteerd, zonder risico van interferentie met eventuele obstakels tijdens het rijden op de weg.
A.1.2.4.4. Verbinding met de elektronische regeleenheid van het voertuig
Er moet een datalogger worden gebruikt om de in tabel 1 vermelde motorparameters te registreren. Deze datalogger kan gebruikmaken van de CAN-bus (Control Area Network) van het voertuig voor toegang tot de gegevens van de elektronische regeleenheid die volgens standaardprotocollen zoals SAE J1939, J1708 of ISO 15765-4 naar het CAN worden gestuurd.
A.1.2.4.5. Bemonstering van gasvormige emissies
De bemonsteringsleiding moet volgens de specificaties van punt A.2.2.3 van aanhangsel 2 worden verwarmd en op de verbindingspunten (bemonsteringssonde en achterkant van de centrale eenheid) goed worden geïsoleerd om te voorkomen dat er koude plaatsen zijn die tot een verontreiniging van het bemonsteringssysteem door gecondenseerde koolwaterstoffen zouden kunnen leiden.
De bemonsteringssonde moet overeenkomstig punt 9.3.10 van bijlage 4 in de uitlaatpijp worden geïnstalleerd.
Indien de lengte van de bemonsteringsleiding wordt gewijzigd, moet de overbrengingstijd van het systeem worden gecontroleerd en zo nodig gecorrigeerd.
A.1.2.5. Vóór de test te volgen procedures
A.1.2.5.1. De instrumenten van het PEMS starten en stabiliseren
De centrale eenheden moeten volgens de specificaties van de fabrikant van het instrument worden opgewarmd en gestabiliseerd totdat de druk, de temperatuur en de stroom de juiste bedrijfsinstellingen hebben bereikt.
A.1.2.5.2. Reinigen van het bemonsteringssysteem
Om verontreiniging van het systeem te voorkomen, moeten de bemonsteringsleidingen van de PEMS-instrumenten volgens de specificaties van de fabrikant worden doorgeblazen totdat de bemonstering begint.
A.1.2.5.3. Controle en kalibratie van de analyseapparatuur
De nul- en ijkkalibratie en de lineariteitscontroles van de analysatoren moeten worden uitgevoerd met kalibratiegassen die voldoen aan punt 9.3.3 van bijlage 4.
A.1.2.5.4. De uitlaatstroommeter reinigen
De uitlaatstroommeter moet op de verbindingspunten van de drukopnemer volgens de specificaties van de fabrikant worden doorgeblazen. Hiermee moeten condensatie en dieseldeeltjes uit de drukleidingen en bijbehorende drukmeetpoorten van de stroomleiding worden verwijderd.
A.1.2.6. Emissietest
A.1.2.6.1. Start van de test
De bemonstering van emissies, de meting van de uitlaatparameters en de registratie van de motor- en omgevingsgegevens moeten vóór het starten van de motor beginnen. De beoordeling van de gegevens moet beginnen nadat de koelmiddeltemperatuur voor het eerst 343K (70°C) heeft bereikt of, als dit eerder is, nadat de koelmiddeltemperatuur gedurende 5 minuten is gestabiliseerd met een marge van +/- 2K, maar niet later dan 20 minuten na het starten van de motor.
A.1.2.6.2. Uitvoering van de test
De bemonstering van emissies, de meting van de uitlaatparameters en de registratie van de motor- en omgevingsgegevens moeten tijdens het normale gebruik van de motor worden voortgezet. De motor mag worden uitgezet en weer gestart, maar de bemonstering van de emissies moet gedurende de gehele test worden voortgezet.
De gasanalysatoren van het PEMS moeten ten minste om de twee uur worden gecontroleerd. De bij de controles geregistreerde gegevens moeten worden gemarkeerd en mogen niet voor de emissieberekeningen worden gebruikt.
A.1.2.6.3. Einde van de testsequentie
Na afloop van de test moet worden gewacht tot de responstijd van de bemonsteringssystemen is verstreken. De motor mag vóór of na het beëindigen van de bemonstering worden uitgezet.
A.1.2.7. Controle van de metingen
A.1.2.7.1. Controle van de analyseapparatuur
De nul-, ijk- en lineariteitscontroles van de in punt A.1.2.5.3 beschreven analysatoren moet worden uitgevoerd met kalibratiegassen die voldoen aan punt 9.3.3 van bijlage 4.
A.1.2.7.2. Nulpuntsverloop
De nulrespons wordt gedefinieerd als de gemiddelde respons, inclusief ruis, op een nulgas gedurende een interval van ten minste 30 seconden. Het verloop van de nulrepons moet in het laagste meetbereik minder dan 2% van de volledige schaal bedragen.
A.1.2.7.3. Meetbereikverloop
De ijkgasrespons wordt gedefinieerd als de gemiddelde respons, inclusief ruis, op een ijkgas gedurende een interval van ten minste 30 seconden. Het verloop van de ijkgasrespons moet in het laagste meetbereik minder dan 2% van de volledige schaal bedragen.
A.1.2.7.4. Controle van het verloop
Dit is alleen van toepassing indien er tijdens de test geen correctie van het nulpuntsverloop heeft plaatsgevonden.
Zo spoedig mogelijk na afloop van de test, maar uiterlijk 30 minuten daarna, moeten de toegepaste meetbereiken van de gasanalysator op nul worden ingesteld en worden geijkt om hun verloop in vergelijking met de resultaten vóór de test te controleren.
De volgende bepalingen gelden voor het verloop van de analysator:
|
a) |
als het verschil tussen de resultaten vóór en na de test minder dan 2% bedraagt zoals gespecificeerd in de punten A.1.2.7.2 en A.1.2.7.3, mogen de gemeten concentraties ongecorrigeerd worden gebruikt of overeenkomstig punt A.1.2.7.5 voor het verloop worden gecorrigeerd; |
|
b) |
als het verschil tussen de resultaten vóór en na de test 2% of meer bedraagt zoals gespecificeerd in de punten A.1.2.7.2 en A.1.2.7.3, is de test ongeldig of moeten de gemeten concentraties overeenkomstig punt A.1.2.7.5 voor het verloop worden gecorrigeerd. |
A.1.2.7.5. Verloopcorrectie
Indien overeenkomstig punt A.1.2.7.4 verloopcorrectie wordt toegepast, moet de gecorrigeerde concentratiewaarde worden berekend overeenkomstig punt 8.6.1 van bijlage 4.
Het verschil tussen de ongecorrigeerde en de gecorrigeerde specifieke emissiewaarden op de testbank moet binnen ± 6% van de ongecorrigeerde specifieke emissiewaarden op de testbank liggen. Als het verloop meer dan 6% bedraagt, is de test ongeldig. Indien verloopcorrectie wordt toegepast, mogen bij de rapportage van de emissies alleen de voor het verloop gecorrigeerde emissiewaarden worden gebruikt.
A.1.3. Berekening van de emissies
Het definitieve testresultaat moet worden afgerond op het aantal cijfers achter de komma dat is vermeld in de toepasselijke emissienorm, plus één extra significant cijfer overeenkomstig ASTM E 29-06b. Tussentijdse waarden die tot het definitieve specifieke emissieresultaat op de testbank leiden, mogen niet worden afgerond.
A.1.3.1. Tijdalignering van de gegevens
Om het biaseffect van het tijdsverschil tussen de verschillende signalen op de berekening van de massa-emissies zoveel mogelijk te beperken, moeten de voor de berekening van de emissies relevante gegevens worden gealigneerd zoals beschreven in de punten A.1.31.1 tot en met A.1.3.1.4.
A.1.3.1.1. Gegevens van de gasanalysatoren
De gegevens van de gasanalysatoren moeten volgens de procedure in punt 9.3.5 van bijlage 4 worden gealigneerd.
A.1.3.1.2. Gegevens van de gasanalysatoren en de uitlaatstroommeter
De gegevens van de gasanalysatoren moeten volgens de procedure in punt 3.1.4 met de gegevens van de uitlaatstroommeter worden gealigneerd.
A.1.3.1.3. PEMS- en motorgegevens
De gegevens van het PEMS (gasanalysatoren en uitlaatstroommeter) moeten volgens de procedure in punt 3.1.4 met de gegevens van de elektronische regeleenheid van de motor worden gealigneerd.
A.1.3.1.4. Procedure voor betere tijdalignering van de PEMS-gegevens
De testgegevens in tabel 1 worden opgesplitst in 3 verschillende categorieën:
|
1. |
gasanalysatoren (THC- en, indien van toepassing, CO-, CO2- en NOx-concentraties); |
|
2. |
uitlaatstroommeter (uitlaatmassastroom en uitlaattemperatuur); |
|
3. |
motor (koppel, toerental, temperaturen, brandstofdebiet, voertuigsnelheid via de elektronische regeleenheid). |
De tijdalignering van elke categorie met de andere categorieën moet worden gecontroleerd door te zoeken naar de hoogste correlatiecoëfficiënt tussen twee reeksen parameters. Alle parameters in een categorie moeten worden verschoven om de correlatiefactor zo groot mogelijk te maken. Om de correlatiecoëfficiënten te berekenen, moeten de volgende parameters worden gebruikt:
voor tijdalignering:
|
a) |
categorieën 1 en 2 (gegevens van de analysatoren en de uitlaatstroommeter) met categorie 3 (motorgegevens): de snelheid van het voertuig via het GPS-systeem en de elektronische regeleenheid; |
|
b) |
categorie 1 met categorie 2: de CO2-concentratie en de uitlaatmassa; |
|
c) |
categorie 2 met categorie 3: de CO2-concentratie en de motorbrandstofstroom. |
A.1.3.2. Controles van de gegevensconsistentie
A.1.3.2.1. Gegevens van de analysatoren en de uitlaatstroommeter
De gegevensconsistentie (uitlaatmassastroom gemeten door de uitlaatstroommeter en gasconcentraties) moet worden gecontroleerd door middel van een correlatie tussen de door de elektronische regeleenheid gemeten brandstofstroom en de brandstofstroom die is berekend met de formule in punt 8.4.1.6 van bijlage 4. Op de gemeten en berekende brandstofdebietwaarden moet lineaire regressie worden toegepast. De kleinste-kwadratenmethode moet worden toegepast, met de best passende formule met de vorm:
waarin:
|
y |
= |
berekende brandstofstroom [g/s]; |
|
m |
= |
helling van de regressierechte; |
|
x |
= |
gemeten brandstofstroom [g/s]; |
|
b |
= |
y-afsnijpunt van de regressierechte. |
Voor elke regressierechte moeten de helling (m) en de determinatiecoëfficiënt (r2) worden berekend. Aanbevolen wordt deze analyse uit te voeren in het bereik van 15% van de maximumwaarde tot de maximumwaarde, en met een frequentie van 1 Hz of hoger. Een test wordt geldig geacht wanneer de volgende twee criteria zijn beoordeeld:
Tabel 2
Toleranties
|
Helling van de regressierechte, m |
0,9 tot en met 1,1 - Aanbevolen |
|
Determinatiecoëfficiënt r2 |
min. 0,90 - Verplicht |
A.1.3.2.2. Koppelgegevens van de elektronische regeleenheid
De consistentie van de koppelgegevens van de elektronische regeleenheid moet worden gecontroleerd door vergelijking van de maximumkoppelwaarden van de elektronische regeleenheid bij verschillende motortoerentallen met de overeenkomstige waarden op de officiële motorkoppelkromme bij vollast volgens punt 5 van deze bijlage.
A.1.3.2.3. Specifiek brandstofverbruik op de testbank
Het specifieke brandstofverbruik op de testbank moet als volgt worden gecontroleerd:
|
a) |
het brandstofverbruik berekend op basis van de emissiegegevens (gasanalysatorconcentraties en uitlaatmassastroomgegevens), volgens de formules in punt 8.4.1.6 van bijlage 4; |
|
b) |
de arbeid berekend op basis van de gegevens van de elektronische regeleenheid (motorkoppel en -toerental). |
A.1.3.2.4. Kilometerteller
De door de kilometerteller aangegeven afstand moet aan de GPS-gegevens worden getoetst en worden gecontroleerd.
A.1.3.2.5. Omgevingsdruk
De omgevingsdruk moet worden getoetst aan de hoogte die uit de GPS-gegevens blijkt.
A.1.3.3. Droog-natcorrectie
Indien de concentratie op droge basis is gemeten, moet zij aan de hand van de formule in punt 8.1 van bijlage 4 in een concentratie op natte basis worden omgezet.
A.1.3.4. NOx-correctie voor vochtigheid en temperatuur
De NOx-concentraties die door het PEMS zijn gemeten, mogen niet voor de omgevingsluchttemperatuur en -vochtigheid worden gecorrigeerd.
A.1.3.5. Berekening van de momentane gasvormige emissies
De massa-emissies moeten worden bepaald zoals beschreven in punt 8.4.2.3 van bijlage 4.
A.1.4. Bepaling van emissies en conformiteitsfactoren
A.1.4.1. Beginsel van het gemiddeldenvenster
De emissies moeten worden geïntegreerd volgens een methode van een bewegend gemiddeldenvenster, gebaseerd op de CO2-referentiemassa of de referentiearbeid. Het berekeningsprincipe is als volgt: de massa-emissies worden niet berekend voor de volledige gegevensreeks, maar voor subreeksen van de volledige gegevensreeks. De lengte van deze subreeksen wordt zo bepaald dat zij overeenkomen met de CO2-massa van de motor of de motorarbeid gemeten tijdens de transiënte referentiecyclus in een laboratorium. De bewegende gemiddelde berekeningen worden uitgevoerd met een tijdsinterval Δt dat gelijk is aan de gegevensbemonsteringsperiode. Deze subreeksen waarmee de gemiddelden van de emissiegegevens worden vastgesteld, worden in de volgende punten "gemiddeldenvensters" genoemd.
Ongeldige gegevens mogen voor de berekening van de arbeid of CO2-massa en de emissies van het gemiddeldenvenster niet in aanmerking worden genomen.
De volgende gegevens worden als ongeldig beschouwd:
|
a) |
de periodieke controle van de instrumenten en/of na controles van het nulpuntsverloop; |
|
b) |
de gegevens buiten de omstandigheden die zijn gespecificeerd in de punten 4.2 en 4.3 van deze bijlage. |
De massa-emissies (mg/venster) moeten worden bepaald zoals beschreven in punt 8.4.2.3 van bijlage 4.
Figuur 1
Voertuigsnelheid als functie van de tijd en gemiddelde voertuigemissies, vanaf het eerste gemiddeldenvenster, als functie van de tijd
A.1.4.2. Op arbeid gebaseerde methode
Figuur 2
Op arbeid gebaseerde methode
Op arbeid gebaseerde methode
De duur (t 2,i – t 1,i ) van het ide gemiddeldenvenster wordt bepaald door:
waarin:
|
W(tj,i) = |
de motorarbeid gemeten tussen de start en tijdstip tj,i (kWh); |
|
Wref = |
de motorarbeid voor de WHTC (kWh); |
|
t2,i |
wordt zo gekozen dat: |
waarin Δt de periode van gegevensbemonstering is, gelijk aan 1 seconde of minder.
A.1.4.2.1. Berekening van de specifieke emissies
De specifieke emissies e gas (mg/kWh) moeten voor elk venster en elke verontreinigende stof op de volgende wijze worden berekend:
waarin:
|
m |
= |
de massa-emissie van het bestanddeel (mg/venster); |
|
|
= |
de motorarbeid tijdens het ide gemiddeldenvenster (kWh). |
A.1.4.2.2. Keuze van geldige vensters
De geldige vensters zijn de vensters waarvan het gemiddelde vermogen hoger is dan de vermogensdrempel van 20% van het maximale motorvermogen. Het percentage geldige vensters moet 50% of meer zijn.
|
A.1.4.2.2.1. |
Als het percentage geldige vensters minder dan 50% is, moet de gegevensbeoordeling met lagere vermogensdrempels worden herhaald. De vermogensdrempel moet in stappen van 1% worden verlaagd totdat het percentage geldige vensters 50% of meer is. |
|
A.1.4.2.2.2. |
De laagste drempel mag in geen geval minder dan 15% bedragen. |
|
A.1.4.2.2.3. |
De test wordt ongeldig verklaard als het percentage geldige vensters minder dan 50% bedraagt bij een vermogensdrempel van 15%. |
A.1.4.2.3. Berekening van de conformiteitsfactoren
De conformiteitsfactoren moeten voor elk geldig venster en elke afzonderlijke verontreinigende stof op de volgende wijze worden berekend:
waarin:
|
e |
= |
de specifieke emissie op de testbank van het bestanddeel (mg/kWh); |
|
L |
= |
de toepasselijke grenswaarde (mg/kWh). |
A.1.4.3. Op CO2-massa gebaseerde methode
Figuur 3
Op CO2-massa gebaseerde methode
Op CO2-massa gebaseerde methode
De duur (t 2,i – t 1,i ) van het ide gemiddeldenvenster wordt bepaald door:
waarin:
|
mCO2(tj,i) = |
de CO2-massa gemeten tussen de start van de test en tijdstip tj,i (kg); |
|
mCO2,ref = |
de CO2-massa die is bepaald voor de WHTC (kg); |
|
t2,i |
zodanig wordt gekozen dat: |
waarin Δt de periode van gegevensbemonstering is, gelijk aan 1 seconde of minder.
De CO2-massa's worden in de vensters berekend door de overeenkomstig punt A.1.3.5 berekende momentane emissies te integreren.
A.1.4.3.1. Keuze van geldige vensters
De geldige vensters zijn de vensters waarvan de duur niet langer is dan de maximumduur berekend op basis van:
waarin:
|
D max = |
de maximale vensterduur (s); |
|
P max = |
het maximale motorvermogen (kW). |
|
A.1.4.3.1.1. |
Als het percentage geldige vensters minder dan 50% is, moet de gegevensbeoordeling met een langere vensterduur worden herhaald. Dit wordt gerealiseerd door de waarde 0,2 in de formule van punt A.1.4.3.1 met stappen van 0,01 te verlagen totdat het percentage geldige vensters 50% of meer is. |
|
A.1.4.3.1.2. |
De verlaagde waarde in bovenstaande formule mag in geen geval lager zijn dan 0,15. |
|
A.1.4.3.1.3. |
De test wordt ongeldig verklaard als het percentage geldige vensters minder dan 50% bedraagt bij een maximale vensterduur berekend overeenkomstig de punten A.1.4.3.1, A.1.4.3.1.1 en A.1.4.3.1.2. |
A.1.4.3.2. Berekening van de conformiteitsfactoren
De conformiteitsfactoren moeten voor elk venster en elke afzonderlijke verontreinigende stof op de volgende wijze worden berekend:
waarbij
waarin:
|
m |
= |
de massa-emissie van het bestanddeel (mg/venster); |
|
|
= |
de CO2-massa tijdens het ide gemiddeldenvenster (kg); |
|
mCO2,ref |
= |
de CO2-massa van de motor die is bepaald voor de WHTC (kg); |
|
mL |
= |
de massa-emissie van het bestanddeel die overeenkomt met de toepasselijke grenswaarde bij de WHTC (mg). |
(1) Gemeten of gecorrigeerd naar een natte basis.
(2) Alleen bij gasmotoren die op aardgas lopen.
(3) Gebruik de omgevingstemperatuursensor of een inlaatluchttemperatuursensor.
(4) De geregistreerde waarde moet ofwel (a) het nettokoppel zijn, ofwel (b) het nettokoppel berekend op basis van het werkelijke percentage van het motorkoppel, het wrijvingskoppel en het referentiekoppel, overeenkomstig SAE-norm J1939-71.
Aanhangsel 2
Draagbare meetapparatuur
A.2.1. Algemeen
De gasvormige emissies moeten worden berekend volgens de in aanhangsel 1 van deze bijlage beschreven procedure. Dit aanhangsel beschrijft de kenmerken van de draagbare meetapparatuur waarmee dergelijke tests moeten worden uitgevoerd.
A.2.2. Meetapparatuur
A.2.2.1. Algemene specificaties van de gasanalysatoren
De specificaties van de PEMS-gasanalysatoren moeten voldoen aan punt 9.3.1 van bijlage 4.
A.2.2.2. Technologie van de gasanalysatoren
De gassen moeten worden geanalyseerd met de technologieën die zijn gespecificieerd in punt 9.3.2 van bijlage 4.
De stikstofoxidenanalysator mag ook van het niet-dispersieve ultraviolettype (NDUV) zijn.
A.2.2.3. Bemonstering van gasvormige emissies
De bemonsteringssondes moeten voldoen aan punt A.2.1.2 van aanhangsel 2 van bijlage 4. De bemonsteringsleiding moet tot 190 °C (+/– 10 °C) worden verwarmd.
A.2.2.4. Andere instrumenten
De meetinstrumenten moeten voldoen aan de voorschriften in tabel 7 en punt 9.3.1 van bijlage 4.
A.2.3. Hulpapparatuur
A.2.3.1. Verbinding van de uitlaatstroommeter met de uitlaat
Door de installatie van de uitlaatstroommeter mag de tegendruk niet hoger worden dan de door de motorfabrikant aanbevolen waarde en mag de uitlaat niet meer dan 1,2 meter langer worden. Zoals alle onderdelen van de PEMS-apparatuur moet de installatie van de uitlaatstroommeter aan de ter plaatse geldende verkeersveiligheidsregels en verzekeringsvoorschriften voldoen.
A.2.3.2. Plaats van het PEMS en montageapparatuur
De PEMS-apparatuur moet worden geïnstalleerd zoals aangegeven in punt A.1.2.4 van aanhangsel 1.
A.2.3.3. Elektrische stroom
De PEMS-apparatuur moet volgens de in punt 4.6.6 van deze bijlage beschreven methode van stroom worden voorzien.
Aanhangsel 3
Kalibratie van draagbare meetapparatuur
A.3.1. Kalibratie en verificatie van de apparatuur
A.3.1.1. Kalibratiegassen
De PEMS-gasanalysatoren moeten worden gekalibreerd met gassen die voldoen aan punt 9.3.3 van bijlage 4.
A.3.1.2. Lektest
De PEMS-lektests moeten worden uitgevoerd overeenkomstig punt 9.3.4 van bijlage 4.
A.3.1.3. Controle van de responstijd van het analysesysteem
De responstijd van het analytische systeem van het PEMS moet worden gecontroleerd overeenkomstig punt 9.3.5 van bijlage 4.
Aanhangsel 4
Methode om de conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid te controleren
A.4.1. Inleiding
Dit aanhangsel beschrijft in grote lijnen de methode die wordt toegepast om de conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid tijdens met het PEMS uitgevoerde tests van de conformiteit tijdens het gebruik te controleren.
De gedetailleerde toepasselijke procedure wordt aan de motorfabrikant overgelaten, maar moet door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd.
A.4.2. De "maximumkoppelmethode"
|
A.4.2.1. |
De "maximumkoppelmethode" bestaat erin aan te tonen dat tijdens de voertuigtests een punt op de referentiekromme van het maximumkoppel als functie van het motortoerental is bereikt. |
|
A.4.2.2. |
Als tijdens de met het PEMS uitgevoerde test ter controle van de conformiteit van de emissies tijdens het gebruik een punt op de referentiekromme van het maximumkoppel als functie van het motortoerental niet is bereikt, mag de fabrikant de belasting van het voertuig en/of de testroute zo nodig wijzigen om dat na afloop van die test aan te tonen. |
BIJLAGE 9A
BOORDDIAGNOSESYSTEMEN (OBD-SYSTEMEN)
1. INLEIDING
1.1. In deze bijlage worden de functionele aspecten beschreven van boorddiagnosesystemen (OBD-systemen) voor de beheersing van de emissies van motorsystemen die onder dit reglement vallen.
2. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
2.1. De algemene voorschriften, inclusief de specifieke voorschriften voor de veiligheid van elektronische systemen, zijn vastgelegd in punt 4 van bijlage 9B en beschreven in punt 2 van deze bijlage.
2.2. Voorbehouden
2.3. Aanvullende bepalingen betreffende de bewakingsvoorschriften
2.3.1. Slecht functionerende injectoren
|
2.3.1.1. |
De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstantie een analyse voorleggen van de langetermijneffecten van slecht functionerende brandstofinjectoren (bv. verstopte of vervuilde injectoren) op het emissiebeheersingssysteem, ook al worden de OBD-grenswaarden daardoor niet overschreden. |
|
2.3.1.2. |
Na de in punt 4.10.7 van dit reglement bedoelde periode moet de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie een plan voorleggen met de bewakingstechnieken die hij naast de krachtens aanhangsel 3 van bijlage 9B verplichte technieken wil toepassen om de in punt 2.3.1.1 bedoelde effecten te diagnosticeren. |
|
2.3.1.2.1. |
Nadat dit plan door de instantie is goedgekeurd, moet de fabrikant die technieken in het OBD-systeem toepassen om een typegoedkeuring te verkrijgen. |
2.3.2. Bewakingsvoorschriften voor deeltjesnabehandelingsvoorzieningen
|
2.3.2.1 |
De prestaties van de deeltjesnabehandelingvoorziening, inclusief de filtratie- en continue regeneratieprocessen, moeten worden bewaakt volgens de OBD-grenswaarden in tabel 1. |
|
2.3.2.2. |
Bij een wall-flow dieseldeeltjesfilter (DPF) kan de fabrikant ervoor kiezen de prestatiebewakingsvoorschriften van aanhangsel 8 van bijlage 9B toe te passen in plaats van de voorschriften van punt 2.3.3.1, mits hij met technische documentatie kan aantonen dat er bij verslechtering een positieve correlatie bestaat tussen het verlies van filtratie-efficiëntie en het verlies van drukval ("deltadruk") in het DPF onder de bedrijfsomstandigheden van de motor zoals gespecificeerd in de in aanhangsel 8 van bijlage 9B beschreven test. |
2.4. Alternatieve goedkeuring
2.4.1. Voorbehouden (1)
2.4.2. Als alternatief voor de voorschriften in punt 4 van bijlage 9B en de voorschriften in deze bijlage kunnen motorfabrikanten die jaarlijks over de hele wereld minder dan 500 motoren produceren van een type dat onder dit reglement valt, typegoedkeuring krachtens dit reglement verkrijgen als de emissiebeheersingsonderdelen van het motorsysteem ten minste op circuitonderbreking en op rationaliteit en plausibiliteit van de sensoroutputs worden bewaakt en als het nabehandelingssysteem ten minste op volledige functiestoring wordt bewaakt. Motorfabrikanten die jaarlijks over de hele wereld minder dan 50 motoren produceren van een type dat onder dit reglement valt, kunnen typegoedkeuring krachtens dit reglement verkrijgen als de emissiebeheersingsonderdelen van het motorsysteem ten minste op circuitonderbreking en op rationaliteit en plausibiliteit van de sensoroutputs worden bewaakt ("onderdeelbewaking").
Een fabrikant mag de alternatieve bepalingen in dit punt niet voor meer dan 500 motoren per jaar toepassen.
2.4.3. De typegoedkeuringsinstantie moet de andere overeenkomstsluitende partijen in kennis stellen van de omstandigheden van elke typegoedkeuring die krachtens [punt 2.4.1 en] punt 2.4.2 is verleend.
2.5. Conformiteit van de productie
Op het OBD-systeem zijn de voorschriften inzake de conformiteit van de productie in punt 8.4 van dit reglement van toepassing.
Indien de typegoedkeuringsinstantie besluit dat de conformiteit van de productie van het OBD-systeem moet worden gecontroleerd, moet de controle worden uitgevoerd overeenkomstig punt 8.4 van dit reglement.
3. PRESTATIEVOORSCHRIFTEN
3.1. De prestatievoorschriften zijn vastgelegd in punt 5 van bijlage 9B.
3.2. OBD-grenswaarden
3.2.1. De OBD-grenswaarden voor het OBD-systeem zijn gespecificeerd in de rij "algemene voorschriften" van tabel 1 voor compressieontstekingsmotoren en van tabel 2 voor gasmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren die zijn geïnstalleerd in voertuigen van categorie M3, voertuigen van categorie N2 met een toelaatbare maximummassa van meer dan 7,5 ton en voertuigen van categorie N3.
3.2.2. Tot het einde van de in punt 4.10.7 van dit reglement bedoelde introductieperiode gelden alleen de OBD-grenswaarden in de rij "introductieperiode" van tabel 1 voor compressieontstekingsmotoren en van tabel 2 voor gasmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren die zijn geïnstalleerd in voertuigen van categorie M3, voertuigen van categorie N2 met een toelaatbare maximummassa van meer dan 7,5 ton en voertuigen van categorie N3.
Tabel 1
OBD-grenswaarden (compressieontstekingsmotoren)
|
|
Grenswaarde in mg/kWh |
|
|
|
NOx |
Deeltjesmassa |
|
Introductieperiode |
1 500 |
25 |
|
Algemene voorschriften |
1 200 |
25 |
Tabel 2
OBD-grenswaarden (alle gasmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren die zijn geïnstalleerd in voertuigen van categorie M3, voertuigen van categorie N2 met een toelaatbare maximummassa van meer dan 7,5 ton en voertuigen van categorie N3).
|
|
Grenswaarde in mg/kWh |
|
|
|
NOx |
CO (2) |
|
Introductieperiode |
1 500 |
|
|
Algemene voorschriften |
1 200 |
|
4. DEMONSTRATIEVOORSCHRIFTEN
4.1. De demonstratievoorschriften en testprocedures zijn vastgelegd in de punten 6 en 7 van bijlage 9B.
5. DOCUMENTATIEVOORSCHRIFTEN
5.1. De documentatievoorschriften zijn vastgelegd in punt 8 van bijlage 9B.
6. VOORSCHRIFTEN VOOR DE PRESTATIES TIJDENS HET GEBRUIK
De voorschriften van dit punt zijn van toepassing op de bewakingsfuncties van het OBD-systeem overeenkomstig bijlage 9C.
6.1. Technische voorschriften
6.1.1. De technische voorschriften voor de beoordeling van de prestaties van OBD-systemen tijdens het gebruik, inclusief de voorschriften betreffende communicatieprotocollen, tellers, noemers en de verhoging ervan, zijn vastgelegd in bijlage 9C.
6.1.2. Met name de prestatieratio tijdens het gebruik (in-use performance ratio, IUPRm) van een specifieke bewakingsfunctie m van het OBD-systeem moet worden berekend met de volgende formule:
waarin:
|
|
tellerm de teller van een specifieke bewakingsfunctie m is; het is een variabele die aangeeft hoe vaak met een voertuig zo is gereden dat alle voor de detectie van een storing door die bewakingsfunctie vereiste bewakingsomstandigheden zich hebben voorgedaan; en |
|
|
noemerm de noemer van een specifieke bewakingsfunctie m is; het is een variabele die het aantal rijcycli van het voertuig aangeeft dat relevant is voor die specifieke bewakingsfunctie (of "waarin zich gebeurtenissen voordoen die voor die specifieke bewakingsfunctie relevant zijn"). |
6.1.3. De prestatieratio tijdens het gebruik (IUPRg) van een groep g van bewakingsfuncties binnen een voertuig wordt berekend met de volgende formule:
waarin:
|
|
tellerg de teller is van een groep g van bewakingsfuncties en de werkelijke waarde (tellerm) is van de specifieke bewakingsfunctie m die de laagste prestatieratio tijdens het gebruik zoals gedefinieerd in punt 6.1.2 heeft van alle bewakingsfuncties binnen die groep g van bewakingsfuncties binnen een bepaald voertuig; en |
|
|
noemerg de noemer is van een groep g van bewakingsfuncties en de werkelijke waarde (noemerm) is van de specifieke bewakingsfunctie m die de laagste prestatieratio tijdens het gebruik zoals gedefinieerd in punt 6.1.2 heeft van alle bewakingsfuncties binnen die groep g van bewakingsfuncties binnen een bepaald voertuig. |
6.2. Minimale prestatieratio tijdens het gebruik
6.2.1. De prestatieratio tijdens het gebruik (IUPRm) van een bewakingsfunctie m van het OBD-systeem zoals gedefinieerd in punt 5 van bijlage 9B moet groter zijn dan of gelijk zijn aan de minimale prestatieratio tijdens het gebruik (IUPRm(min)) die van toepassing is op de bewakingsfunctie m tijdens de hele nuttige levensduur van de motor zoals gespecificeerd in punt 5.4 van dit reglement.
6.2.2. De waarde van de minimale prestatieratio tijdens het gebruik (IUPR(min)) bedraagt 0,1 voor alle bewakingsfuncties.
6.2.3. De voorschriften van punt 6.2.1 worden geacht te zijn nageleefd indien voor alle groepen bewakingsfuncties g aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
6.2.3.1. |
de gemiddelde waarde van de IUPRg-waarden van alle voertuigen met een motor uit de OBD-motorenfamilie in kwestie is gelijk aan of hoger dan IUPR(min), en |
|
6.2.3.2. |
meer dan 50% van alle in punt 6.2.3.1 bedoelde motoren heeft een IUPRg die gelijk is aan of hoger is dan IUPR(min). |
6.3. Documentatievoorschriften
6.3.1. De documentatie die bij elk bewaakt onderdeel of systeem vereist is overeenkomstig punt 8 van bijlage 9B moet de volgende gegevens bevatten over de prestaties tijdens het gebruik:
|
a) |
de criteria voor het verhogen van de teller en de noemer; |
|
b) |
een criterium voor blokkering van de verhoging van de teller of de noemer. |
|
6.3.1.1. |
Aan de in punt 6.3.1 bedoelde documentatie moet een criterium worden toegevoegd voor blokkering van de verhoging van de algemene noemer. |
6.4. Verklaring over de conformiteit van de OBD-prestaties tijdens het gebruik
6.4.1. Bij de typegoedkeuringsaanvraag moet de fabrikant een verklaring over de conformiteit van de OBD-prestaties tijdens het gebruik verstrekken volgens het model in aanhangsel 2 van deze bijlage. Behalve deze verklaring moet de conformiteit met punt 6.1 worden geverifieerd via de aanvullende beoordelingsregels in punt 6.5.
6.4.2. De in punt 6.4.1 bedoelde verklaring moet worden gehecht aan de documentatie betreffende de OBD-motorenfamilie die krachtens de punten 5 en 6.3 is vereist.
6.4.3. De fabrikant moet een dossier bewaren met alle testgegevens, technische en productieanalysen en andere informatie die ten grondslag ligt aan de verklaring over de conformiteit van de OBD-prestaties tijdens het gebruik. De fabrikant moet die informatie op verzoek aan de typegoedkeuringsinstantie verstrekken.
6.4.4. Tijdens de in punt 4.10.7 van dit reglement bedoelde introductieperiode moet de fabrikant worden vrijgesteld van het verstrekken van de in punt 6.4.1 voorgeschreven verklaring.
6.5. Beoordeling van de prestaties tijdens het gebruik
6.5.1. De OBD-prestaties tijdens het gebruik en de naleving van punt 6.2.3 moeten ten minste volgens de procedure in aanhangsel 1 van deze bijlage worden aangetoond.
6.5.2. De nationale instanties en hun vertegenwoordigers kunnen aanvullende tests uitvoeren om de naleving van punt 6.2.3 te verifiëren.
|
6.5.2.1. |
Om overeenkomstig punt 6.5.2 de niet-naleving van de voorschriften van punt 6.2.3 aan te tonen, moeten de instanties voor ten minste één van de voorschriften van punt 6.2.3 de niet-naleving met een statistisch betrouwbaarheidsniveau van 95% op basis van een steekproef van ten minste 30 voertuigen aantonen. |
|
6.5.2.2. |
De fabrikant moet de mogelijkheid hebben om de naleving aan te tonen van de voorschriften van punt 6.2.3 waarvoor overeenkomstig punt 6.5.2.1 de niet-naleving was aangetoond, door een test uit te voeren op basis van een steekproef van ten minste 30 voertuigen met een beter statistisch betrouwbaarheidsniveau dan de in punt 6.5.2.1 bedoelde test. |
|
6.5.2.3. |
Bij tests die overeenkomstig de punten 6.5.2.1 en 6.5.2.2 worden uitgevoerd, moeten zowel de instanties als de fabrikanten relevante nadere gegevens uitwisselen, zoals bijvoorbeeld gegevens over de selectie van de voertuigen. |
6.5.3. Indien overeenkomstig punt 6.5.1 of 6.5.2 de niet-naleving van de voorschriften van punt 6.2.3 wordt aangetoond, moeten overeenkomstig punt 9.3 van dit reglement corrigerende maatregelen worden genomen.
(1) Dit punt is voorbehouden voor toekomstige alternatieve goedkeuringen (bv. de omzetting van Euro 6 in Reglement nr. 83).
(2) De OBD-grenswaarden voor CO zullen in een later stadium worden vastgesteld.
Aanhangsel 1
Beoordeling van de prestaties van het boorddiagnosesysteem tijdens het gebruik
A.1.1. Algemeen
A.1.1.1. Dit aanhangsel geeft een beschrijving van de procedure die moet worden gevolgd om de OBD-prestaties tijdens het gebruik met betrekking tot de bepalingen in punt 6 van deze bijlage aan te tonen.
A.1.2. Procedure om de OBD-prestaties tijdens het gebruik aan te tonen
A.1.2.1. De OBD-prestaties tijdens het gebruik van een motorenfamilie moeten door de fabrikant worden aangetoond aan de typegoedkeuringsinstantie die de typegoedkeuring voor de desbetreffende voertuigen of motoren heeft verleend. Hierbij moeten de OBD-prestaties tijdens het gebruik van alle OBD-motorenfamilies binnen de motorenfamilie in kwestie in aanmerking worden genomen (figuur 1).
Figuur 1
Twee OBD-motorenfamilies binnen één motorenfamilie
Van elke OBD- motorenfamilie moet de conformiteit tijdens het gebruik worden beoordeeld
A.1.2.1.1. De demonstratie van de OBD-prestaties tijdens het gebruik moet door de fabrikant in nauwe samenwerking met de typegoedkeuringsinstantie worden georganiseerd en uitgevoerd.
A.1.2.1.2. De fabrikant mag bij de demonstratie van de conformiteit gebruikmaken van relevante elementen die werden gebruikt om de conformiteit van een OBD-motorenfamilie binnen een andere motorenfamilie aan te tonen, mits deze eerdere demonstratie niet meer dan twee jaar vóór de huidige demonstratie heeft plaatsgevonden (figuur 2).
|
A.1.2.1.2.1. |
Een fabrikant mag deze elementen dan echter niet gebruiken om de conformiteit van een derde of daaropvolgende motorenfamilie aan te tonen, tenzij al deze demonstraties binnen twee jaar na het eerste gebruik van de elementen bij het aantonen van de conformiteit plaatsvinden. |
Figuur 2
Eerder aangetoonde conformiteit van een OBD-motorenfamilie
Van elke OBD- motorenfamilie moet de conformiteit tijdens het gebruik worden beoordeeld
De conformiteit van OBD-motorenfamilie 1 mag maar één keer worden aangetoond
A.1.2.2. De demonstratie van de OBD-prestaties tijdens het gebruik en de in bijlage 8 gespecificeerde demonstratie van de conformiteit tijdens het gebruik moeten op hetzelfde ogenblik en met dezelfde frequentie worden uitgevoerd.
A.1.2.3. De fabrikant moet het initiële tijdschema en het bemonsteringsplan voor de conformiteitstests op het moment van de initiële typegoedkeuring van een nieuwe motorenfamilie aan de typegoedkeuringsinstantie meedelen.
A.1.2.4. Voertuigtypen zonder communicatie-interface waarmee de volgens bijlage 9C vereiste gegevens over de prestaties tijdens het gebruik kunnen worden verzameld, voertuigen waarvan gegevens ontbreken of voertuigen met een niet-standaard dataprotocol worden niet-conform geacht.
A.1.2.4.1. Afzonderlijke voertuigen met mechanische of elektrische gebreken waardoor de in bijlage 9C bedoelde noodzakelijke gegevens over de prestaties tijdens het gebruik niet kunnen worden verzameld, worden van de conformiteitstests uitgesloten en het voertuigtype wordt niet-conform geacht zolang er niet genoeg voertuigen die aan de steekproefvoorschriften voldoen, kunnen worden gevonden om het onderzoek naar behoren te kunnen uitvoeren.
A.1.2.5. Motor- of voertuigtypen waarbij de verzameling van gegevens over de prestaties tijdens het gebruik de OBD-bewakingsprestaties beïnvloedt, worden niet-conform geacht.
A.1.3. Gegevens over de OBD-prestaties tijdens het gebruik
A.1.3.1. De gegevens over de OBD-prestaties tijdens het gebruik die in aanmerking moeten worden genomen om de conformiteit van een OBD-motorenfamilie te beoordelen, zijn de gegevens die overeenkomstig punt 6 van bijlage 9C door het OBD-systeem zijn geregistreerd en overeenkomstig punt 7 van die bijlage beschikbaar zijn gesteld.
A.1.4. Selectie van de motor of het voertuig
A.1.4.1. Selectie van de motor
A.1.4.1.1. Wanneer een OBD-motorenfamilie in verschillende motorenfamilies wordt gebruikt (figuur 2), moet de fabrikant uit elke motorenfamilie motoren selecteren om de prestaties van die OBD-motorenfamilie tijdens het gebruik aan te tonen.
A.1.4.1.2. Alle motoren uit een bepaalde OBD-motorenfamilie mogen in dezelfde demonstratie worden gebruikt, ook al zijn de bewakingssystemen waarmee zij zijn uitgerust, niet van dezelfde generatie of in dezelfde staat van modificatie.
A.1.4.2. Voertuigselectie
A.1.4.2.1. Voertuigsegmenten
|
A.1.4.2.1.1. |
Voor de indeling van de voertuigen waarvan de conformiteit moet worden aangetoond, moeten 6 voertuigsegmenten in acht worden genomen:
|
|
A.1.4.2.1.2. |
Indien mogelijk moeten er bij een onderzoek voertuigen uit elk segment worden gekozen. |
|
A.1.4.2.1.3. |
Per segment geldt een minimum van 15 voertuigen. |
|
A.1.4.2.1.4. |
Wanneer een OBD-motorenfamilie in verschillende motorenfamilies wordt gebruikt (figuur 2), moet het aantal motoren uit elke motorenfamilie binnen een voertuigsegment zo representatief mogelijk zijn voor het volumeaandeel, wat de verkochte en in gebruik zijnde voertuigen betreft, voor het voertuigsegment in kwestie. |
A.1.4.2.2. Voertuigkwalificatie
|
A.1.4.2.2.1. |
De geselecteerde motoren moeten worden geïnstalleerd in voertuigen die in een land van de overeenkomstsluitende partijen zijn geregistreerd en worden gebruikt. |
|
A.1.4.2.2.2. |
Elk geselecteerd voertuig moet een onderhoudsboekje hebben waaruit blijkt dat het onderhoud en de service van het voertuig naar behoren en volgens de aanbevelingen van de fabrikant zijn uitgevoerd. |
|
A.1.4.2.2.3. |
De correcte werking van het OBD-systeem moet worden gecontroleerd. Alle storingsmeldingen die voor het OBD-systeem zelf relevant zijn en in het OBD-geheugen zijn opgeslagen, moeten worden genoteerd en de nodige reparaties moeten worden uitgevoerd. |
|
A.1.4.2.2.4. |
De motor en het voertuig mogen geen tekenen van verkeerd gebruik vertonen (bv. overbelasting, verkeerde brandstof of andere vormen van verkeerd gebruik) of andere factoren (bv. manipulatie) die de OBD-prestaties kunnen beïnivloeden. In het computergeheugen opgeslagen foutcodes van het OBD-systeem en informatie over bedrijfsuren moeten als bewijsmateriaal worden gehanteerd om uit te maken of het voertuig verkeerd is gebruikt of om andere redenen niet kan worden opgenomen in een onderzoek. |
|
A.1.4.2.2.5. |
Alle onderdelen van het emissiebeperkings- en OBD-systeem van het voertuig moeten zijn zoals aangegeven in de desbetreffende typegoedkeuringsdocumenten. |
A.1.5. Onderzoek naar de prestaties tijdens het gebruik
A.1.5.1. Verzameling van gegevens over de prestaties tijdens het gebruik
A.1.5.1.1. Overeenkomstig punt A.1.6 moet de fabrikant uit het OBD-systeem van elk voertuig in het onderzoek de volgende informatie opvragen:
|
a) |
het voertuigidentificatienummer (VIN); |
|
b) |
de tellerg en noemerg voor elke groep bewakingsfuncties die door het systeem overeenkomstig punt 6 van bijlage 9C zijn geregistreerd; |
|
c) |
de algemene noemer; |
|
d) |
de waarde van de ontstekingscyclusteller; |
|
e) |
het totale aantal motorbedrijfsuren. |
A.1.5.1.2. De resultaten van de beoordeelde groep bewakingsfuncties mogen niet in aanmerking worden genomen als voor de noemer geen minimumwaarde van 25 is bereikt.
A.1.5.2. Beoordeling van de prestaties tijdens het gebruik
A.1.5.2.1. De werkelijke prestatieratio per groep bewakingsfuncties van een afzonderlijke motor (IUPRg) moet worden berekend aan de hand van de tellerg en noemerg die uit het OBD-systeem van het desbetreffende voertuig zijn opgevraagd.
A.1.5.2.2. Voor elke groep bewakingsfuncties binnen de desbetreffende OBD-motorenfamilie in een voertuigsegment moeten de prestaties van de OBD-motorenfamilie tijdens het gebruik overeenkomstig punt 6.5.1 worden beoordeeld.
A.1.5.2.3. Voor alle in punt A.1.4.2.1 van dit aanhangsel gedefinieerde voertuigsegmenten mogen de OBD-prestaties tijdens het gebruik enkel en alleen als aangetoond worden beschouwd voor de toepassing van punt 6.5.1 van deze bijlage als voor alle groepen g van bewakingsfuncties de volgende voorwaarden zijn vervuld:
|
a) |
de gemiddelde waarde
|
|
b) |
meer dan 34% van alle motoren in de desbetreffende steekproef heeft een IUPRg-waarde die gelijk is aan of hoger is dan IUPR(min). |
A.1.6. Rapportering aan de typegoedkeuringsinstantie
De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstantie een rapport over de prestaties van de OBD-motorenfamilie tijdens het gebruik verstrekken met de volgende informatie:
A.1.6.1. de lijst van de motorenfamilies binnen de OBD-motorenfamilie in kwestie (figuur 1);
A.1.6.2. de volgende informatie over de bij de demonstratie onderzochte voertuigen:
|
a) |
het totale aantal bij de demonstratie onderzochte voertuigen; |
|
b) |
het aantal en het type voertuigsegmenten; |
|
c) |
het voertuigidentificatienummer en een korte beschrijving (type-variant-uitvoering) van elk voertuig; |
A.1.6.3. informatie over de prestaties tijdens het gebruik voor elk voertuig:
|
a) |
de tellerg, noemerg, en prestatieratio tijdens het gebruik (IUPRg) voor elke groep bewakingsfuncties; |
|
b) |
de algemene noemer, de waarde van de telfunctie voor het aantal ontstekingscycli, het totale aantal motorbedrijfsuren; |
A.1.6.4. de resultaten van de statistieken over de prestaties tijdens het gebruik voor elke groep bewakingsfuncties:
|
a) |
de gemiddelde waarde
|
|
b) |
het aantal en het percentage motoren in de steekproef met een IUPRg die gelijk is aan of hoger is dan IUPRm(min). |
Aanhangsel 2
Model van een verklaring over de conformiteit van de OBD-prestaties tijdens het gebruik
"(Naam van de fabrikant) verklaart dat de motoren van deze OBD-motorenfamilie zo zijn ontworpen en gefabriceerd dat zij voldoen aan alle voorschriften van de punten 6.1 en 6.2 van bijlage 9A.
(Naam van de fabrikant) legt deze verklaring te goeder trouw af nadat hij de OBD-prestaties tijdens het gebruik van de motoren van de OBD-motorenfamilie voor het toepasselijke werkgebied en onder de toepasselijke omgevingscondities naar behoren technisch heeft beoordeeld.
[datum]"
BIJLAGE 9B
TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR BOORDDIAGNOSESYSTEMEN (OBD-SYSTEMEN)
1. INLEIDING
In deze bijlage worden de technische voorschriften beschreven van boorddiagnosesystemen (OBD-systemen) voor de beheersing van de emissies van motorsystemen die onder dit reglement vallen.
Deze bijlage is gebaseerd op Mondiaal Technisch Reglement nr. 5 betreffende wereldwijd geharmoniseerde OBD-systemen.
2. VOORBEHOUDEN (1)
3. DEFINITIES
3.1. " Waarschuwingssysteem ": systeem binnen het voertuig dat de bestuurder van het voertuig of een andere belanghebbende erop attendeert dat het OBD-syssteem een storing heeft gedetecteerd.
3.2. " Kalibratieverificatienummer ": nummer dat door het motorsysteem wordt berekend en gerapporteerd om de integriteit van de kalibratiesoftware te valideren.
3.3. " Onderdeelbewaking ": bewaking van inputonderdelen op storingen in het elektrische circuit en rationaliteitsstoringen en van outputonderdelen op storingen in het elektrische circuit en functionaliteitsstoringen. Het gaat om onderdelen die met de regelaar(s) van het motorsysteem elektrisch zijn verbonden.
3.4. " Bevestigde en actieve DTC ": een diagnosefoutcode die wordt opgeslagen terwijl het OBD-systeem concludeert dat er een storing is.
3.5. " Continue MI ": storingsindicator die altijd een constante indicatie geeft wanneer de contactsleutel in de stand "on" of "run" staat met draaiende motor (ontsteking ingeschakeld – motor draait).
3.6. " Gebrek ": een OBD-bewakingsstrategie of andere OBD-functie die niet aan alle gedetailleerde voorschriften van deze bijlage voldoet.
3.7. " Storing in het elektrische circuit ": storing (bv. open of kortgesloten circuit) die ertoe leidt dat het gemeten signaal (d.w.z. spanning, stroomsterkte, frequentie enz.) buiten het bereik is waarin de sensor zijn overdrachtsfunctie moet vervullen.
3.8. " OBD-familie voor emissies ": door de fabrikant gemaakte indeling van motorsystemen met dezelfde methoden voor bewaking en diagnose van emissiegerelateerde storingen.
3.9. " emissiegrensbewaking ": bewaking van een storing die tot overschrijding van de OBD-grenswaarden leidt en bestaat uit een van de volgende of beide volgende handelingen:
|
a) |
directe emissiemeting via een of meer uitlaatemissiesensoren en een model om de directe en de specifieke emissies van de toepasselijke testcyclus aan elkaar te relateren; |
|
b) |
indicatie van een emissieverhoging via correlatie tussen de computerinput- en outputinformatie en de voor de testcyclus specifieke emissies. |
3.10. " Functionaliteitsstoring ": storing waarbij een outputonderdeel niet op een computerbevel reageert zoals verwacht.
3.11. " Emissiebeheersingsstrategie bij storing (MECS) ": strategie binnen het motorsysteem die als gevolg van een emissiegerelateerde storing wordt geactiveerd.
3.12. " MI-status ": de status van de MI, d.w.z. continue MI, korte MI, MI op verzoek of MI uit.
3.13. " Bewaking ": (zie " emissiegrensbewaking", "prestatiebewaking" en "volledige-functiestoringsbewaking").
3.14. " OBD-testcyclus ": cyclus waarin een motorsysteem op een motortestbank wordt gebruikt om de reactie van een OBD-systeem op de aanwezigheid van een gekwalificeerd beschadigd onderdeel te beoordelen.
3.15. " OBD-oudermotorsysteem ": motorsysteeem dat is geselecteerd uit een familie van OBD-systemen voor emissies waarvan de meeste OBD-constructie-elementen representatief zijn voor die familie.
3.16. " MI op verzoek ": storingsindicator die een constante indicatie geeft als reactie op een manueel verzoek vanop de bestuurderszitplaats wanneer de contactsleutel in de stand "on" of "run" staat met draaiende motor (ontsteking ingeschakeld – motor draait).
3.17. " In behandeling zijnde DTC ": diagnosefoutcode die door het OBD-systeem wordt opgeslagen omdat een bewakingsfunctie een situatie heeft gedetecteerd waarin tijdens de huidige of de laatst voltooide werkingssequentie misschien een storing is opgetreden.
3.18. " Potentiële DTC ": diagnosefoutcode die door het OBD-systeem wordt opgeslagen omdat een bewakingsfunctie een situatie heeft gedetecteerd waarin misschien een storing is opgetreden, maar die verder moet worden beoordeeld om dat te bevestigen. Een potentiële DTC is een in behandeling zijnde DTC die geen bevestigde en actieve DTC is.
3.19. " Eerder actieve DTC ": eerder bevestigde en actieve DTC die opgeslagen blijft nadat het OBD-systeem heeft geconcludeerd dat de storing die de DTC heeft veroorzaakt, niet langer optreedt.
3.20. " Rationaliteitsstoring ": storing waarbij het signaal van een afzonderlijke sensor of een afzonderlijk onderdeel verschilt van het verwachte signaal in vergelijking met de signalen van andere sensoren of onderdelen binnen het beheersingsssteem. Rationaliteitstoringen zijn onder meer storingen die ertoe leiden dat het gemeten signaal (d.w.z. spanning, stroomsterkte, frequentie enz.) binnen het bereik is waarin de sensor zijn overdrachtsfunctie moet vervullen.
3.21. " Gereedheid ": status die aangeeft of een bewakingsfunctie of groep bewakingsfuncties is uitgevoerd sinds een extern verzoek of bevel (bv. door een OBD-scanner) voor het laatst heeft gewist.
3.22. " Korte MI ": storingsindicator die een constante indicatie geeft vanaf het ogenblik dat de contactsleutel in de stand "on" of "run" wordt gezet en de motor wordt gestart (ontsteking ingeschakeld – motor draait) en die na 15 seconden dooft of nadat de contactsleutel in de stand "off" is gezet, naargelang wat zich het eerst voordoet.
3.23. " Identificatie van de softwarekalibratie ": reeks alfanumerieke tekens die de in het motorsysteem geïnstalleerde emissiegerelateerde kalibratie/softwareversie(s) identificeert.
3.24. " Volledige-functiestoringsbewaking ": bewaking van een storing die tot een volledig verlies van de gewenste functie van een systeem leidt.
3.25. " Warmloopcyclus ": het laten draaien van de motor totdat de koelmiddeltemperatuur sinds het starten van de motor met ten minste 22 K (22°C / 40°F) is gestegen en ten minste 333 K (60°C / 140°F) bereikt (2).
3.26. Afkortingen
|
AES |
aanvullende emissiestrategie |
|
CV |
carterventilatie |
|
DOC |
dieseloxidatiekatalysator |
|
DPF |
dieseldeeltjesfilter of deeltjesvanger inclusief DPF's met katalysator en continu regenererende deeltjesvangers |
|
DTC |
Diagnosefoutcode |
|
EGR |
uitlaatgasrecirculatie |
|
HC |
koolwaterstof |
|
LNT |
lean NOx-vanger (of NOx-absorberende voorziening) |
|
LPG |
vloeibaar petroleumgas |
|
MECS |
emissiebeheersingsstrategie bij storing |
|
NG |
aardgas |
|
NOx |
stikstofoxiden |
|
OTL |
OBD-grenswaarde |
|
PM |
deeltjesmateriaal |
|
SCR |
selectieve katalytische reductie |
|
SW |
ruitenwissers |
|
TFF |
volledige-functiestoringsbewaking |
|
VGT |
turbocompressor met variabele geometrie |
|
VVT |
variabele kleptiming |
4. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
In het kader van deze bijlage moet het OBD-systeem in staat zijn storingen te detecteren, het optreden ervan met een storingsindicator aan te geven, de vermoedelijke plaats van de storingen aan de hand van in het computergeheugen opgeslagen informatie te identificeren en die informatie aan een systeem buiten het voertuig te verstrekken.
Het OBD-systeem moet zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat het tijdens de hele levensduur van het voertuig of de motor typen storingen kan identificeren. Daarbij zal de typegoedkeuringsinstantie accepteren dat motoren die langer zijn gebruikt dan hun gereglementeerde nuttige levensduur, enige achteruitgang van de prestaties en de gevoeligheid van het OBD-systeem kunnen vertonen, in die zin dat de OBD-grenswaarden mogen worden overschreden voordat het OBD-systeem de bestuurder van het voertuig op een storing attendeert.
Bovenstaande alinea houdt geen uitbreiding in van de aansprakelijkheid van de motorfabrikant voor de conformiteit van een motor na afloop van de reglementaire nuttige levensduur (d.w.z. de periode waarin of de afstand waarover de emissienormen of -grenswaarden van toepassing blijven).
4.1. Goedkeuringsaanvraag voor een OBD-systeem
4.1.1. Primaire goedkeuring
De fabrikant van een motorsysteem kan een goedkeuringsaanvraag voor het OBD-systeem ervan indienen op een van de drie volgende wijzen:
|
a) |
de fabrikant van een motorsysteem dient een goedkeuringsaanvraag voor een afzonderlijk OBD-systeem in door aan te tonen dat het OBD-systeem voldoet aan alle bepalingen van deze bijlage; |
|
b) |
de fabrikant van een motorsysteem dient een goedkeuringsaanvraag voor een familie van OBD-systemen voor emissies in door aan te tonen dat het OBD-oudermotorsysteem van de familie voldoet aan alle bepalingen van deze bijlage. |
De fabrikant van een motorsysteem dient de goedkeuringsaanvraag voor een OBD-systeem in door aan te tonen dat het OBD-systeem voldoet aan de criteria om te behoren tot een familie van OBD-systemen voor emissies die al is gecertificeerd.
4.1.2. Uitbreiding of wijziging van een bestaand certificaat
4.1.2.1. Uitbreiding om een nieuw motorsysteem in een familie van OBD-systemen voor emissies op te nemen
Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie kan een nieuw motorsysteem als lid van een familie van gecertificeerde OBD-systemen voor emissies worden opgenomen als alle motorsystemen binnen de aldus uitgebreide familie van OBD-systemen voor emissies nog steeds dezelfde methoden voor bewaking en diagnose van emissiegerelateerde storingen hebben.
Indien alle OBD-constructie-elementen van het OBD-oudermotorsysteem representatief zijn voor die van het nieuwe motorsysteem, moet het OBD-oudermotorsysteem ongewijzigd blijven en moet de fabrikant het documentatiepakket wijzigen overeenkomstig punt 8.
Als het nieuwe motorsysteem constructie-elementen bevat die niet door het OBD-oudermotorsysteem worden vertegenwoordigd, maar het zelf de hele familie zou vertegenwoordigen, moet het nieuwe motorsysteem het nieuwe OBD-oudermotorsysteem worden. In dat geval moet worden aangetoond dat de nieuwe OBD-constructie-elementen voldoen aan de bepalingen van deze bijlage en moet het documentatiepakket worden gewijzigd overeenkomstig punt 8.
4.1.2.2. Uitbreiding bij een wijziging in de constructie die het OBD-systeem beïnvloedt
Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie kan bij een wijziging in de constructie van het OBD-systeem een uitbreiding van een bestaand certificaat worden toegestaan als de fabrikant aantoont dat die wijzing voldoet aan de bepalingen van deze bijlage.
Het documentatiepakket moet worden gewijzigd overeenkomstig punt 8.
Indien het bestaande certificaat voor een familie van OBD-systemen voor emissies geldt, moet de fabrikant aan de typegoedkeuringsinstantie aantonen dat de methoden voor bewaking en diagnose van emissiegerelateerde storingen binnen de familie nog steeds dezelfde zijn en dat het OBD-oudermotorsysteem representatief blijft voor de familie.
4.1.2.3. Wijziging van een certificaat bij herindeling van een storing
Dit punt is van toepassing wanneer de fabrikant op verzoek van de instantie die de goedkeuring heeft verleend, of op eigen initiatief een aanvraag tot wijziging van een bestaand certificaat indient om een of meer storingen anders in te delen.
Vervolgens moet worden aangetoond dat de nieuwe indeling voldoet aan de bepalingen van deze bijlage en moet het documentatiepakket worden gewijzigd overeenkomstig punt 8.
4.2. Bewakingsvoorschriften
Alle in een motorsysteem opgenomen emissiegerelateerde onderdelen en systemen moeten door het OBD-systeem worden bewaakt volgens de voorschriften in aanhangsel 3 en, bij dual-fuelmotoren of dual-fuelvoertuigen, in punt 7 van bijlage 15. Het is echter niet nodig dat het OBD-systeem één enkele bewakingsfunctie gebruikt om elke in aanhangsel 3 en, bij dual-fuelmotoren of dual-fuelvoertuigen, in punt 7 van bijlage 15 genoemde storing te detecteren.
Het OBD-systeem moet ook zijn eigen onderdelen bewaken.
Aanhangsel 3 bevat een lijst van de door het OBD-systeem te bewaken systemen of onderdelen en beschrijft de voor elk van die onderdelen of systemen verwachte typen bewaking (d.w.z. emissiegrensbewaking, prestatiebewaking, volledige-functiestoringsbewaking of onderdeelbewaking).
De fabrikant kan besluiten aanvullende systemen en onderdelen te bewaken.
4.2.1. Keuze van de bewakingstechniek
De typegoedkeuringsinstanties kunnen ermee akkoord gaan dat de fabrikant een andere bewakingstechniek toepast dan die van aanhangsel 3 of, bij dual-fuelmotoren of dual-fuelvoertuigen, van punt 7 van bijlage 15. De fabrikant moet aantonen dat het gekozen type bewaking deugdelijk, snel en efficiënt is (aan de hand van technische overwegingen, testresultaten, eerdere overeenkomsten enz.).
Wanneer een systeem en/of onderdeel in aanhangsel 3 of, bij dual-fuelmotoren of dual-fuelvoertuigen, in punt 7 van bijlage 15 niet wordt genoemd, moet de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie een bewakingsvorm ter goedkeuring voorleggen. De typegoedkeuringsinstantie zal het gekozen type bewaking en bewakingstechniek (d.w.z. emissiegrensbewaking, prestatiebewaking, volledige-functiestoringsbewaking of onderdeelbewaking) goedkeuren als de fabrikant, met verwijzing naar die in aanhangsel 3 of, bij dual-fuelmotoren of dual-fuelvoertuigen, in punt 7 van bijlage 15, heeft aangetoond dat het deugdelijk, snel en efficiënt is (aan de hand van technische overwegingen, testresultaten, eerdere overeenkomsten enz.).
4.2.1.1. Correlatie met werkelijke emissies
Bij emissiegrensbewaking is een correlatie met voor de testcyclus specifieke emissies vereist. Deze correlatie wordt doorgaans aangetoond met een testmotor in een laboratoriumopstelling.
Voor alle andere vormen van bewaking (d.w.z. prestatiebewaking, volledige-functiestoringsbewaking of onderdeelbewaking) is geen correlatie met werkelijke emissies vereist. De typegoedkeuringsinstantie mag echter om testgegevens vragen om de in punt 6.2 beschreven indeling van de storingseffecten te verifiëren.
Voorbeelden:
Voor een elektrische storing is er wellicht geen correlatie nodig omdat het een ja/neen-storing is. Bij een DPF-storing die via deltadruk wordt bewaakt, is er wellicht geen correlatie nodig omdat deze op een storing anticipeert.
Als de fabrikant volgens de demonstratievoorschriften van deze bijlage aantoont dat bij totale uitval of verwijdering van een onderdeel of systeem de emissies de OBD-grenswaarden niet overschrijden, wordt prestatiebewaking van dit onderdeel of systeem geaccepteerd.
Wanneer een uitlaatemissiesensor wordt gebruikt om de emissies van een specifieke verontreinigende stof te bewaken, kunnen alle andere bewakingsfuncties van verdere correlatie met de werkelijke emissies van die stof worden vrijgesteld. Een dergelijke vrijstelling neemt echter niet weg dat deze bewakingsfuncties, waarbij andere bewakingstechnieken worden toegepast, in het OBD-systeem moeten worden opgenomen aangezien zij toch nodig zijn om een storing te isoleren.
Een storing moet overeenkomstig punt 4.5 altijd worden ingedeeld op basis van de invloed ervan op de emissies, ongeacht het type bewaking dat wordt gebruikt om de storing te detecteren.
4.2.2. Onderdeelbewaking (input-/outputonderdelen en -systemen)
Bij inputonderdelen die tot het motorsysteem behoren, moet het OBD-systeem ten minste storingen in het elektrische circuit en, waar mogelijk, rationaliteitsstoringen detecteren.
Bij de diagnose van de rationaliteitsstoring moet dan worden geverifieerd of een sensoroutput niet ongebruikelijk hoog of laag is (d.w.z. er moet een "tweezijdige" diagnose worden gesteld).
In de mate van het mogelijke en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie moet het OBD-systeem rationaliteitsstoringen (bv. ongebruikelijk hoge en lage outputs) en storingen in het elektrische circuit (bv. outputs die zo hoog of zo laag zijn dat zij buiten bereik liggen) afzonderlijk detecteren. Voorts moeten voor elke storing (bv. lage of hoge outputs buiten bereik en rationaliteitsstoringen) unieke DTC's worden opgeslagen.
Bij outputonderdelen die tot het motorsysteem behoren, moet het OBD-systeem ten minste storingen in het elektrische circuit detecteren en, waar mogelijk, nagaan of er op computerbevelen niet de juiste functionele reactie volgt.
In de mate van het mogelijke en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie moet het OBD-systeem functionaliteitsstoringen en storingen in het elektrische circuit (bv. hoge en lage outputs buiten bereik) afzonderlijk detecteren en voor elke storing (bv. lage en hoge outputs buiten bereik en functiestoringen) unieke DTC's opslaan.
Het OBD-systeem moet ook rationaliteitsbewaking uitvoeren op de informatie van of naar onderdelen die niet tot het motorsysteem behoren wanneer deze informatie de prestaties van het emissiebeheersingssysteem en/of het motorsysteem in het gedrang brengt.
4.2.2.1. Uitzondering voor onderdeelbewaking
Bewaking van storingen in het elektrische circuit en, in de mate van het mogelijke, van functionaliteits- en rationaliteitsstoringen van het motorsysteem is niet noodzakelijk als aan alle volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
a) |
de storing leidt tot een verhoging van de emissie van een verontreinigende stof die minder dan 50% van de gereglementeerde emissiegrenswaarde bedraagt, en |
|
b) |
de storing leidt niet tot een emissie die de gereglementeerde emissiegrenswaarde overschrijdt (3)/, en |
|
c) |
de storing heeft geen gevolgen voor een onderdeel of systeem dat de correcte werking van het OBD-systeem mogelijk maakt, en |
|
d) |
de storing heeft niet tot gevolg dat het emissiebeheersingssysteem aanzienlijk trager of slechter werkt dan oorspronkelijk was bedoeld (bv. een uitval van het reagensverwarmingssysteem onder koude omstandigheden kan niet als uitzondering worden beschouwd). |
De invloed van de emissies moet worden bepaald op een gestabiliseerd motorsysteem in een meetcel van een motordynamometer, volgens de demonstratieprocedures van deze bijlage.
Als een dergelijke demonstratie niet overtuigend is voor criterium d), moet de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie relevante constructie-elementen voorleggen zoals goede ingenieurspraktijk, technische overwegingen, simulaties, testresultaten enz.
4.2.3. Bewakingsfrequentie
De bewakingsfuncties moeten continu werken telkens als de bewakingsvoorwaarden zijn vervuld of eenmaal per werkingssequentie (bv. bij bewakingsfuncties die, wanneer ze werken, de emissies doen toenemen).
Op verzoek van de fabrikant kan de typegoedkeuringsinstantie bewakingsfuncties goedkeuren die niet continu werken. In dat geval moet de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie daarvan duidelijk op de hoogte stellen, de omstandigheden beschrijven waaronder de bewakingsfunctie werkt, en het voorstel met relevante constructie-elementen (bv. goede ingenieurspraktijk) staven.
De bewakingfuncties moeten werken tijdens de toepasselijke OBD-testcyclus zoals gespecificeerd in punt 7.2.2.
Een bewakingsfunctie wordt geacht continu te werken als zij met een snelheid van niet minder dan tweemaal per seconde werkt en binnen 15 seconden concludeert dat de voor die bewakingsfunctie relevante storing aanwezig of afwezig is. Indien een input- of outputonderdeel van de computer in het kader van de regeling van de motor minder dan tweemaal per seconde wordt bemonsterd, wordt een bewakingsfunctie eveneens geacht continu te werken als het systeem bij elke bemonstering concludeert dat de voor die bewakingsfunctie relevante storing aanwezig of afwezig is.
Bij continu bewaakte onderdelen of systemen hoeft een outputonderdeel/-systeem niet te worden geactiveerd om enkel en alleen dat outputonderdeel/-systeem te bewaken.
4.3. Voorschriften voor het opslaan van OBD-informatie
Wanneer een storing is opgespoord maar nog niet is bevestigd, moet de mogelijke storing als "potentiële DTC" worden beschouwd en moet bijgevolg een "in behandeling zijnde DTC" worden geregistreerd. Een "potentiële DTC" mag niet leiden tot activering van het waarschuwingssysteem overeenkomstig punt 4.6.
Binnen de eerste werkingssequentie kan een storing direct als "bevestigd en actief" worden beschouwd zonder als "potentiële DTC" te zijn aangemerkt. De storing krijgt de status "in behandeling zijnde DTC" en "bevestigde en actieve DTC".
Wanneer een storing met de eerder actieve status opnieuw optreedt, kan die storing naar keuze van de fabrikant meteen de status "in behandeling zijnde DTC" en "bevestigde en actieve DTC" krijgen zonder dat zij de status "potentiële DTC" heeft gekregen. Als die storing de status "potentieel" krijgt, behoudt zij ook de eerder actieve status zolang deze nog niet bevestigd en actief is.
Het bewakingssysteem moet vóór het einde van de eerstvolgende werkingssequentie na de eerste detectie concluderen of er een storing aanwezig is. Op dat moment wordt een "bevestigde en actieve DTC" opgeslagen en wordt het waarschuwingssysteem overeenkomstig punt 4.6 geactiveerd.
Bij een recoverbare MECS (d.w.z. de werking keert automatisch terug naar normaal en de volgende keer dat de motor wordt gestart, wordt de MECS gedeactiveerd) hoeft een "bevestigde en actieve DTC" niet te worden opgeslagen, tenzij de MECS vóór het einde van de volgende werkingssequentie weer wordt geactiveerd. Bij een niet-recoverbare MECS moet een "bevestigde en actieve DTC" worden opgeslagen zodra de MECS wordt geactiveerd.
In bepaalde specifieke gevallen waarbij bewakingsfuncties meer dan twee werkingssequenties nodig hebben om een storing nauwkeurig te detecteren en te bevestigen (bv. bewakingsfuncties die gebruikmaken van statistische modellen of bewakingsfuncties met betrekking tot vloeistofverbruik in het voertuig) kan de typegoedkeuringsinstantie het gebruik van meer dan twee werkingssequenties voor bewaking toestaan mits de fabrikant de noodzaak van die langere periode aantoont (bv. met technische bewijzen, testresultaten, interne ervaring enz.).
Wanneer een bevestigde en actieve storing tijdens een volledige werkingssequentie niet langer door het systeem wordt gedetecteerd, moet zij bij het begin van de volgende werkingssequentie de eerder actieve status krijgen en die status behouden totdat de OBD-informatie over deze storing overeenkomstig punt 4.4 door een scanner of uit het computergeheugen wordt gewist.
Opmerking: De voorschriften van dit punt worden in aanhangsel 2 geïllustreerd.
4.4. Voorschriften voor het wissen van OBD-informatie
Een DTC en de bijbehorende informatie (inclusief het freeze frame) mogen door het OBD-systeem zelf pas uit het computergeheugen worden gewist nadat die DTC zich gedurende ten minste 40 warmloopcycli of 200 motorbedrijfsuren, naargelang wat zich het eerst voordoet, in de eerder actieve status heeft bevonden. Het OBD-systeem moet alle DTC's en bijbehorende informatie (inclusief het freeze frame) op verzoek van een scanner of onderhoudsinstrument wissen.
4.5. Voorschriften voor de indeling van storingen
Storingen worden ingedeeld in klassen. Wanneer een storing wordt gedetecteerd, wordt daaraan overeenkomstig punt 4.2 een klasse toegekend.
Een storing wordt tijdens de werkelijke levensduur van het voertuig ingedeeld in één klasse, tenzij de instantie die het certificaat heeft afgegeven of de fabrikant besluit dat de storing anders moet worden ingedeeld.
Als een storing leidt tot een andere indeling voor verschillende gereglementeerde verontreinigende emissies of voor de invloed ervan op andere bewakingsfuncties, wordt de storing ingedeeld in de klasse die het belangrijkst is in de discriminatoire weergavestrategie.
Als een MECS wordt geactiveerd als gevolg van de detectie van een storing, wordt die storing ingedeeld op basis van hetzij de invloed van de geactiveerde MECS op de emissies, hetzij de invloed ervan op andere bewakingsfuncties. De storing wordt dan ingedeeld in de klasse die het belangrijkst is in de discriminatoire weergavestrategie.
4.5.1. Storing van klasse A
Een storing wordt ingedeeld in klasse A wanneer de relevante OBD-grenswaarden worden geacht te zijn overschreden.
De emissies mogen niet boven de OBD-grenswaarden liggen wanneer deze klasse storing zich voordoet.
4.5.2. Storing van klasse B1
Een storing wordt ingedeeld in klasse B1 wanneer zich omstandigheden voordoen die tot overschrijding van de OBD-grenswaarden kunnen leiden, maar waarvoor de exacte invloed op de emissies niet kan worden geschat en de werkelijke emissies naargelang de omstandigheden dus boven of onder de OBD-grenswaarden kunnen liggen.
Voorbeelden van storingen van klasse B1 zijn storingen die worden gedetecteerd door bewakingsfuncties die emissieniveaus uit sensorresultaten of beperkte bewakingsmogelijkheden afleiden.
Storingen waardoor het OBD-systeem storingen van klasse A of B1 minder goed kan bewaken, worden ingedeeld in klasse B1.
4.5.3. Storing van klasse B2
Een storing behoort tot klasse B2 wanneer zich omstandigheden voordoen die worden geacht de emissies te beïnvloeden, maar niet dermate dat de OBD-grenswaarden worden overschreden.
Storingen waardoor het OBD-systeem storingen van klasse B2 minder goed kan bewaken, worden ingedeeld in klasse B1 of B2.
4.5.4. Storing van klasse C
Een storing wordt ingedeeld in klasse C wanneer zich omstandigheden voordoen die, als zij worden bewaakt, worden geacht de emissies te beïnvloeden, maar dermate dat de reglementaire emissiegrenswaarden niet worden overschreden.
Storingen waardoor het OBD-systeem storingen van klasse C minder goed kan bewaken, worden ingedeeld in klasse B1 of B2.
4.6. Waarschuwingssysteem
Een storing in een onderdeel van het waarschuwingssysteem mag er niet toe leiden dat het OBD-systeem niet meer functioneert.
4.6.1. MI-specificatie
De storingsindicator moet een visueel signaal zijn dat in alle lichtomstandigheden zichtbaar is. Hij moet een geel of ambergeel (zoals gedefinieerd in VN/ECE-Reglement nr. 37) waarschuwingssignaal geven dat wordt geïdentificeerd door het 0640-symbool overeenkomstig ISO-norm 7000:2004.
4.6.2. MI-verlichtingsschema's
Naargelang de door het OBD-systeem gedetecteerde storing(en) moet de MI worden verlicht volgens een van de activeringsmodi in onderstaande tabel.
|
|
Activeringsmodus 1 |
Activeringsmodus 2 |
Activeringsmodus 3 |
Activeringsmodus 4 |
|
Voorwaarden voor activering |
Geen storing |
Storing van klasse C |
Storing van klasse B en B1-tellers < 200 h |
Storing van klasse A of B1-teller < 200 h |
|
Contact aan, motor aan |
Geen weergave |
Discriminatoire weergavestrategie |
Discriminatoire weergavestrategie |
Discriminatoire weergavestrategie |
|
Contact aan, motor uit |
Geharmoniseerde weergavestrategie |
Geharmoniseerde weergavestrategie |
Geharmoniseerde weergavestrategie |
Geharmoniseerde weergavestrategie |
Voor de weergavestrategie moet de MI worden geactiveerd volgens de klasse waarin een storing is ingedeeld. Deze strategie moet worden vergrendeld met softwarecodes die niet routinematig beschikbaar mogen zijn via de scanner.
De MI-activeringsstrategie bij contact aan en motor uit wordt beschreven in punt 4.6.4.
De figuren B1 en B2 illustreren de voorgeschreven activeringsstrategie bij contact aan en motor aan of uit.
Figuur B1
Test van het lampje en gereedheidsindicatie
Figuur B2
Weergavestrategie voor storingen: alleen de discriminatoire strategie is van toepassing
4.6.3. MI-activering bij "motor aan"
Wanneer de sleutel in de aan-stand wordt geplaatst en de motor wordt gestart (motor aan), moet de MI worden uitgeschakeld tenzij aan de voorschriften van punt 4.6.3.1 wordt voldaan.
4.6.3.1. MI-weergavestrategie
Voor de activering van de MI heeft de continue MI voorrang op de korte MI en de MI op verzoek. Voor de activering van de MI heeft de korte MI voorrang op de MI op verzoek.
4.6.3.1.1. Storingen van klasse A
Het OBD-systeem geeft opdracht voor een continue MI wanneer een bevestigde DTC voor een storing van klasse A wordt opgeslagen.
4.6.3.1.2. Storingen van klasse B
Het OBD-systeem geeft opdracht voor een korte MI bij de volgende gebeurtenis met het contact aan na opslag van een bevestigde en actieve DTC voor een storing van klasse B.
Wanneer een B1-teller 200 uur bereikt, geeft het OBD-systeem opdracht voor een continue MI.
4.6.3.1.3. Storingen van klasse C
De fabrikant kan informatie over storingen van klasse C verstrekken door middel van een MI op verzoek die beschikbaar is totdat de motor wordt gestart.
4.6.3.1.4. MI-deactiveringsschema
De continue MI wordt een korte MI indien zich een enkele bewakingsgebeurtenis voordoet en de storing die de continue MI oorspronkelijk had geactiveerd, tijdens de huidige werkingssequentie niet wordt gedetecteerd en een continue MI niet wordt geactiveerd als gevolg van een andere storing.
De korte MI wordt gedeactiveerd indien de storing niet wordt gedetecteerd tijdens de drie opeenvolgende werkingssequenties na die waarin de bewakingsfunctie heeft geconcludeerd dat de storing in kwestie niet aanwezig was, en indien de MI niet wordt geactiveerd als gevolg van een andere storing van klasse A of B.
De figuren 1, 4A en 4B in aanhangsel 2 illustreren de deactivering van de korte, respectievelijk continue MI in verschillende gebruiksgevallen.
4.6.4. MI-activering bij contact aan/motor uit
De MI-activering bij contact aan/motor uit moet bestaan uit twee sequenties, gescheiden door een periode van 5 seconden waarin de storingsindicator is uitgeschakeld:
|
a) |
de eerste sequentie is bedoeld om een indicatie te geven van de functionaliteit van de MI en de gereedheid van de bewaakte onderdelen; |
|
b) |
de tweede sequentie is bedoeld om een indicatie te geven van de aanwezigheid van een storing. |
De tweede sequentie wordt herhaald totdat de motor wordt gestart (4) (motor aan) of het contact wordt uitgezet.
Op verzoek van de fabrikant mag deze activering tijdens een werkingssequentie (bv. bij start-stopsystemen) maar eenmaal plaatsvinden.
4.6.4.1. MI-functionaliteit/gereedheid
De MI moet gedurende 5 seconden een vaste indicatie geven dat de MI functioneel is.
De MI moet gedurende 10 seconden in de uit-stand blijven.
De MI moet vervolgens gedurende 5 seconden in de aan-stand blijven om aan te geven dat de gereedheid voor alle bewaakte onderdelen volledig is.
De MI moet gedurende 5 seconden eenmaal per seconde knipperen om aan te geven dat de gereedheid voor een of meer bewaakte onderdelen niet volledig is.
De MI moet vervolgens gedurende 5 seconden in de uit-stand blijven.
4.6.4.2. Aanwezigheid / afwezigheid van een storing
Na de in punt 4.6.4.1 beschreven sequentie moet de MI de aanwezigheid van een storing aangeven door een aantal keer te knipperen of permanent op te lichten, naargelang de toepasselijke activeringsmodus zoals beschreven in de volgende punten, of de afwezigheid van een storing aangeven door een reeks afzonderlijke knipperingen. Indien van toepassing bestaat elke knippering uit een MI-aan van 1 seconde, gevolgd door een MI-uit van 1 seconde, en wordt de reeks knipperingen gevolgd door een periode van 5 seconden met de MI uit.
Er zijn vier activeringsmodi, waarbij activeringsmodus 4 voorrang heeft op de activeringsmodi 1, 2 en 3, activeringsmodus 3 voorrang heeft op de activeringsmodi 1 en 2 en activeringsmodus 2 voorrang heeft op activeringsmodus 1.
4.6.4.2.1. Activeringsmodus 1 - afwezigheid van storingen
De MI moet eenmaal knipperen.
4.6.4.2.2. Activeringsmodus 2 - "MI op verzoek"
De MI moet tweemaal knipperen als het OBD-systeem opdracht zou geven voor een MI op verzoek volgens de in punt 4.6.3.1 beschreven discriminatoire weergavestrategie.
4.6.4.2.3. Activeringsmodus 3 - "korte MI"
De MI moet driemaal knipperen als het OBD-systeem opdracht zou geven voor een korte MI volgens de in punt 4.6.3.1 beschreven discriminatoire weergavestrategie.
4.6.4.2.4. Activeringsmodus 4 - "continue MI"
De MI moet continu AAN blijven ("continue MI") als het OBD-systeem opdracht zou geven voor een continue MI volgens de in punt 4.6.3.1 beschreven discriminatoire weergavestrategie.
4.6.5. Aan storingen gerelateerde tellers
4.6.5.1. MI-tellers
4.6.5.1.1. Continue MI-teller
Het OBD-systeem moet een continue MI-teller bevatten om te registreren hoeveel uren de motor met geactiveerde continue storingsindicator heeft gedraaid.
De continue MI-teller moet optellen tot de maximumwaarde bij een teller van 2 bytes met een resolutie van 1 uur en moet die waarde vasthouden tenzij de voorwaarden zijn vervuld om de teller weer op nul te mogen zetten.
De continue MI-teller moet als volgt werken:
|
a) |
als van nul wordt gestart, moet de continue MI-teller beginnen tellen zodra een continue storingsindicator wordt geactiveerd; |
|
b) |
de continue MI-teller moet stoppen en de op dat moment aangegeven waarde vasthouden wanneer de continue MI niet meer wordt geactiveerd; |
|
c) |
de continue MI-teller moet verder tellen vanaf het punt waar hij was gestopt, als een storing die tot een continue MI leidt, binnen 3 werkingssequenties wordt gedetecteerd; |
|
d) |
de continue MI-teller moet weer vanaf nul beginnen tellen wanneer na 3 werkingssequenties sinds de teller voor het laatst was gestopt, een storing wordt gedetecteerd die tot een continue storingsindicator leidt; |
|
e) |
de continue MI-teller moet weer op nul worden gezet wanneer:
|
Figuur C1
Illustratie van de beginselen voor activering van MI-tellers
Figuur C2
Illustratie van de beginselen voor activering van de B1-teller
4.6.5.1.2. Cumulatieve continue MI-teller
Het OBD-systeem moet een cumulatieve continue MI-teller bevatten om het cumulatieve aantal uren te registreren dat de motor tijdens zijn levensduur met geactiveerde continue MI heeft gedraaid.
De cumulatieve continue MI-teller moet optellen tot de maximumwaarde bij een teller van 2 bytes met een resolutie van 1 uur en moet die waarde vasthouden.
De cumulatieve continue MI-teller mag door het motorsysteem, door een scanner of door het loskoppelen van een accu niet weer op nul worden gezet.
De cumulatieve continue MI-teller moet als volgt werken:
|
a) |
de cumulatieve continue MI-teller moet beginnen tellen wanneer de continue MI wordt geactiveerd; |
|
b) |
de cumulatieve continue MI-teller moet stoppen en de op dat moment aangegeven waarde vasthouden wanneer de continue MI niet meer wordt geactiveerd; |
|
c) |
de cumulatieve continue MI-teller moet verder tellen vanaf het punt waar hij was gestopt wanneer een continue MI wordt geactiveerd. |
Figuur C1 illustreert het beginsel van de cumulatieve continue MI-teller en aanhangsel 2 bevat voorbeelden ter illustratie van de logica.
4.6.5.2. Tellers voor storingen van klasse B1
4.6.5.2.1. Enkele B1-teller
Het OBD-systeem moet een B1-teller bevatten om te registreren hoeveel uren de motor heeft gedraaid terwijl een storing van categorie B1 aanwezig was.
De B1-teller moet als volgt werken:
|
a) |
de B1-teller moet beginnen tellen zodra een storing van klasse B1 wordt gedetecteerd en een bevestigde en actieve DTC is opgeslagen; |
|
b) |
de B1-teller moet stoppen en de op dat moment aangegeven waarde vasthouden als er geen storing van klasse B1 wordt bevestigd en actief is, of wanneer alle storingen van klasse B1 door een scanner zijn gewist; |
|
c) |
de B1-teller moet verder tellen vanaf het punt waar hij was gestopt als binnen 3 werkingssequenties een daaropvolgende B1-storing wordt gedetecteerd. |
Wanneer de B1-teller 200 motorbedrijfsuren heeft overschreden, moet het OBD-systeem de teller op 190 motorbedrijfsuren zetten wanneer het heeft vastgesteld dat een storing van klasse B1 niet meer bevestigd en actief is, of wanneer alle storingen van klasse B1 door een scanner zijn gewist. De B1-teller moet vanaf 190 motorbedrijfsuren beginnen tellen als binnen 3 werkingssequenties een daaropvolgende storing van klasse B1 aanwezig is.
De B1-teller moet weer op nul worden gezet wanneer zich drie opeenvolgende werkingssequenties hebben voorgedaan waarbij geen storingen van klasse B1 zijn gedetecteerd.
Opmerking: De B1-teller geeft niet het aantal motorbedrijfsuren met een enkele aanwezige storing van klasse B1 aan.
De B1-teller mag het aantal uren met twee of meer verschillende storingen van klasse B1 cumuleren, waarbij geen enkele de tijd heeft bereikt die de teller aangeeft.
De B1-teller is alleen bedoeld om te bepalen wanneer de continue MI moet worden geactiveerd.
Figuur C2 illustreert het beginsel van de B1-teller en aanhangsel 2 bevat voorbeelden ter illustratie van de logica.
4.6.5.2.2. Meerdere B1-tellers
Een fabrikant mag meerdere B1-tellers gebruiken. In dat geval moet het systeem aan elke storing van klasse B1 een specifieke B1-teller kunnen toewijzen.
Voor de bediening van de specifieke B1-teller gelden dezelfde regels als voor de enkele B1-teller, d.w.z. dat elke specifieke B1-teller moet beginnen tellen wanneer de toegewezen storing van klasse B1 wordt gedetecteerd.
4.7. OBD-informatie
4.7.1. Geregistreerde informatie
De door het OBD-systeem geregistreerde informatie moet op verzoek van buiten het voertuig als de volgende pakketinformatie beschikbaar zijn:
|
a) |
informatie over de staat van de motor; |
|
b) |
informatie over actieve emissiegerelateerde storingen; |
|
c) |
informatie voor reparatie. |
4.7.1.1. Informatie over de staat van de motor
Deze informatie biedt een handhavingsdienst (5)/ met de status van de storingsindicator en bijbehorende gegevens (bv. continue MI-teller, gereedheid).
Het OBD-systeem moet alle gegevens (volgens de in aanhangsel 6 vermelde toepasselijke norm) zo verstrekken dat de externe testapparatuur voor controle langs de weg deze kan assimileren, en moet medewerkers van een handhavingsdienst de volgende informatie verstrekken:
|
a) |
discriminatoire/niet-discriminatoire weergavestrategie; |
|
b) |
het voertuigidentificatienummer (VIN); |
|
c) |
aanwezigheid van een continue MI; |
|
d) |
de gereedheid van het OBD-systeem; |
|
e) |
het aantal motorbedrijfsuren dat een continue MI voor het laatst was geactiveerd (continue MI-teller). |
Deze informatie mag alleen kunnen worden uitgelezen (en niet gewist).
4.7.1.2. Informatie over actieve emissiegerelateerde storingen
Deze informatie biedt keuringsstations (6)/ een reeks motorgerelateerde OBD-gegevens waaronder de status van de storingsindicator en bijbehorende gegevens (MI-tellers), een lijst van actieve/bevestigde storingen van de klassen A en B en bijbehorende gegevens (bv. B1-teller).
Het OBD-systeem moet alle gegevens (volgens de in aanhangsel 6 vermelde toepasselijke norm) zo verstrekken dat de externe keuringstestapparatuur deze kan assimileren, en moet keurders de volgende informatie verstrekken:
|
a) |
het nummer van het mondiaal technisch reglement (en van de herziening), op te nemen in het typegoedkeuringsmerk krachtens Reglement nr. 49; |
|
b) |
discriminatoire/niet-discriminatoire weergavestrategie; |
|
c) |
het voertuigidentificatienummer (VIN); |
|
d) |
de status van de storingsindicator; |
|
e) |
de gereedheid van het OBD-systeem; |
|
f) |
aantal warmloopcycli en motorbedrijfsuren sinds de geregistreerde OBD-informatie voor het laatst is gewist; |
|
g) |
het aantal motorbedrijfsuren dat een continue MI voor het laatst was geactiveerd (continue MI-teller); |
|
h) |
het gecumuleerde aantal bedrijfsuren met een continue MI (cumulatieve continue MI-teller); |
|
i) |
de waarde van de B1-teller met het hoogste aantal motorbedrijfsuren; |
|
j) |
de bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse A; |
|
k) |
de bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse B (B1 en B2); |
|
l) |
de bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse B1; |
|
m) |
de identificatie(s) van de softwarekalibratie; |
|
n) |
het (de) kalibratieverificatienummer(s). |
Deze informatie mag alleen kunnen worden uitgelezen (en niet gewist).
4.7.1.3. Informatie voor reparatie
Deze informatie biedt reparateurs alle in deze bijlage gespecificeerde OBD-gegevens (bv. freezeframe-informatie).
Het OBD-systeem moet alle gegevens (volgens de in aanhangsel 6 vermelde toepasselijke norm) zo verstrekken dat de externe reparatietestapparatuur deze kan assimileren, en moet reparateurs de volgende informatie verstrekken:
|
a) |
nummer van het mondiaal technisch reglement (en eventueel revisienummer), op te nemen in het typegoedkeuringsmerk krachtens Reglement nr. 49; |
|
b) |
voertuigidentificatienummer (VIN); |
|
c) |
status van de storingsindicator; |
|
d) |
gereedheid van het OBD-systeem; |
|
e) |
aantal warmloopcycli en motorbedrijfsuren sinds de geregistreerde OBD-informatie voor het laatst is gewist; |
|
f) |
status van de bewaking (d.w.z. uitgeschakeld voor de rest van deze rijcyclus, deze rijcyclus voltooien of niet voltooien) sinds de motor voor het laatst is uitgezet, voor elke bewakingsfunctie die voor de gereedheidsstatus wordt gebruikt; |
|
g) |
aantal motorbedrijfsuren sinds de storingsindicator is geactiveerd (continue MI-teller); |
|
h) |
bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse A; |
|
i) |
bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse B (B1 en B2); |
|
j) |
gecumuleerd aantal bedrijfsuren met een continue MI (cumulatieve continue MI-teller); |
|
k) |
waarde van de B1-teller met het hoogste aantal motorbedrijfsuren; |
|
l) |
bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse B1 en aantal motorbedrijfsuren op de B1-teller(s); |
|
m) |
bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse C; |
|
n) |
DTC's in behandeling en de desbetreffende klasse; |
|
o) |
eerder actieve DTC's en de desbetreffende klasse; |
|
p) |
realtimegegevens over door de OEM geselecteerde en ondersteunde sensorsignalen, interne signalen en outputsignalen (zie punt 4.7.2 en aanhangsel 5); |
|
q) |
de krachtens deze bijlage vereiste freezeframe-gegevens (zie punt 4.7.1.4. en aanhangsel 5); |
|
r) |
identificatie(s) van de softwarekalibratie; |
|
s) |
kalibratieverificatienummer(s). |
Het OBD-systeem moet alle geregistreerde storingen van het motorsysteem en bijbehorende gegevens (informatie over de bedrijfsuren, freeze frame enz.) overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage wissen wanneer dit verzoek via de externe reparatietestapparatuur volgens de in aanhangsel 6 vermelde toepasselijke norm wordt gedaan.
4.7.1.4. Freezeframe-informatie
Er moet ten minste één freeze frame met informatie worden opgeslagen op het moment dat bij besluit van de fabrikant een potentiële DTC of een bevestigde en actieve DTC wordt opgeslagen. De fabrikant mag de freezeframe-informatie bijwerken wanneer de in behandeling zijnde DTC opnieuw wordt gedetecteerd.
Het freeze frame moet de bedrijfsomstandigheden van het voertuig geven op het moment dat de storing is gedetecteerd, alsook de DTC voor de opgeslagen gegevens. Het freeze frame moet de informatie bevatten die wordt weergegeven in tabel 1 in aanhangsel 5. Het freeze frame moet ook alle informatie in de tabellen 2 en 3 van aanhangsel 5 bevatten die voor bewakings- of controledoeleinden wordt gebruikt in de specifieke regeleenheid die de DTC heeft opgeslagen.
Bij de opslag van freezeframe-informatie moet informatie over een storing van klasse A voorrang hebben op informatie over een storing van klasse B1, die op haar beurt voorrang moet hebben op informatie over een storing van klasse B2 en deze moet dan weer voorrang hebben op informatie over een storing van klasse C. De eerst gedetecteerde storing moet voorrang hebben op de recentste storing, tenzij de recentste storing tot een hogere klasse behoort.
Indien een voorziening door het OBD-systeem wordt bewaakt en niet onder aanhangsel 5 valt, moet de freezeframe-informatie informatie-elementen voor de sensoren en actuators van die voorziening bevatten die vergelijkbaar zijn met de in aanhangsel 5 beschreven elementen. Dit moet op het moment van de goedkeuring aan de typegoedkeuringsinstantie ter goedkeuring worden voorgelegd.
4.7.1.5. Gereedheid
Behalve de in de punten 4.7.1.5.1, 4.7.1.5.2 en 4.7.1.5.3 vermelde uitzonderingen mag de gereedheid alleen op "volledig" worden gesteld wanneer een bewakingsfunctie of groep bewakingsfuncties waarop deze status betrekking heeft, is uitgevoerd en deze de aanwezigheid (d.w.z. een bevestigde en actieve DTC heeft opgeslagen) of afwezigheid van de voor die bewakingsfunctie relevante storing heeft geconcludeerd sinds deze door een extern verzoek of bevel (bv. door een OBD-scanner) voor het laatst is gewist. De gereedheid moet op "niet volledig" worden gezet door het foutcodegeheugen (zie punt 4.7.4) door een extern verzoek of bevel (bv. via een OBD-scanner) te wissen.
Het normaal uitzetten van de motor mag de gereedheid niet doen veranderen.
4.7.1.5.1. De fabrikant kan verzoeken, maar heeft daar het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie voor nodig, dat de gereedheidsstatus van een bewakingsfunctie op "volledig" wordt gezet zonder dat de bewakingsfunctie is uitgevoerd en deze de aanwezigheid of afwezigheid van de voor die functie relevante storing heeft geconcludeerd, als de bewaking gedurende meerdere werkingssequenties (ten minste 9 werkingssequenties of 72 bedrijfsuren) wegens permanente extreme bedrijfsomstandigheden (bv. koude omgevingstemperatuur, grote hoogte) is uitgeschakeld. Bij een dergelijk verzoek moeten de omstandigheden voor de uitschakeling van het bewakingssysteem worden gespecificeerd, alsook het aantal werkingssequenties dat zonder voltooiing van de bewaking zou plaatsvinden voordat de gereedheidsstatus als "volledig" wordt aangegeven. De in het verzoek van de fabrikant aangevoerde extreme omgevings- of hoogtecondities mogen nooit minder ernstig zijn dan die welke in deze bijlage voor tijdelijke uitschakeling van het OBD-systeem zijn gespecificeerd.
4.7.1.5.2. Van de gereedheid afhankelijke bewakingsfuncties
Van alle in deze bijlage vermelde bewakingsfuncties of groepen bewakingsfuncties die voor en door verwijzing naar deze bijlage, met uitzondering van de punten 11 en 12 van aanhangsel 3, noodzakelijk zijn, moet de gereedheid worden ondersteund.
4.7.1.5.3. Gereedheid bij continue bewakingsfuncties
De gereedheid van alle in de punten 1, 7 en 10 van aanhangsel 3 vermelde bewakingsfuncties of groepen bewakingsfuncties die bij en door verwijzing naar deze bijlage noodzakelijk zijn en die krachtens deze bijlage worden geacht continu te worden uitgevoerd, moet altijd "volledig" aangeven.
4.7.2. Datastream-informatie
Op verzoek moet het OBD-systeem de in de tabellen 1 tot en met 4 van aanhangsel 5 vermelde informatie realtime aan een scanner ter beschikking stellen (werkelijke signaalwaarden verdienen de voorkeur boven surrogaatwaarden).
Voor de berekende belastings- en koppelparameters moet het OBD-systeem de meest nauwkeurige waarden rapporteren die binnen de toepasselijke elektronische regeleenheid (bv. de computer die de motor regelt) worden berekend.
Tabel 1 in aanhangsel 5 bevat de lijst van de verplichte OBD-informatie met betrekking tot motorbelasting en -toerental.
Tabel 3 in aanhangsel 5 bevat de overige OBD-informatie die moet worden opgenomen indien deze door het emissie- of OBD-systeem wordt gebruikt om OBD-bewakingsfuncties in of uit te schakelen.
Tabel 4 in aanhangsel 5 bevat de informatie die moet worden opgenomen als de motor daartoe is uitgerust of hij de informatie detecteert of berekent (7). Naar keuze van de fabrikant mag ook andere freezeframe- of datastream-informatie worden opgenomen.
Indien een voorziening door het OBD-systeem wordt bewaakt en niet onder aanhangsel 5 valt (bv. SCR), moet de datastream-informatie informatie-elementen voor de sensoren en actuators van die voorziening bevatten die vergelijkbaar zijn met de in aanhangsel 5 beschreven elementen. Dit moet op het moment van de goedkeuring aan de typegoedkeuringsinstantie ter goedkeuring worden voorgelegd.
4.7.3. Toegang tot OBD-informatie
Toegang tot OBD-informatie mag alleen overeenkomstig de in aanhangsel 6 vermelde normen en overeenkomstig de volgende punten worden verleend (8)/.
De toegang tot OBD-informatie mag niet afhankelijk zijn van een toegangscode of andere voorziening of methode die alleen bij de fabrikant of zijn leveranciers verkrijgbaar is. Voor de interpretatie van de OBD-informatie mag geen unieke decodeerinformatie noodzakelijk zijn, tenzij die informatie algemeen beschikbaar is.
Voor toegang tot OBD-informatie moet een enkele methode (bv. een centraal toegangspunt of een centrale toegangsknoop) worden ondersteund om alle OBD-informatie op te vragen. Deze methode moet toegang bieden tot alle OBD-informatie die krachtens deze bijlage is vereist. Zij moet ook toegang bieden tot specifieke kleinere informatiepakketten zoals gedefinieerd in deze bijlage (bv. informatiepakketten over de technische staat bij emissiegerelateerde OBD).
Toegang tot OBD-informatie moet worden verstrekt door toepassing van ten minste een uit de volgende in aanhangsel 6 vermelde reeks normen:
|
a) |
ISO 27145 met ISO 15765-4 (op basis van CAN); |
|
b) |
ISO 27145 met ISO 13400-4 (op basis van TCP/IP); |
|
c) |
SAE J1939-73. |
De fabrikanten moeten zoveel mogelijk de relevante ISO of SAE-foutcodes gebruiken (bv. P0xxx, P2xxx enz.). Als dat niet mogelijk is, mag de fabrikant de diagnosefoutcodes van de desbetreffende punten van ISO 27145 of SAE J1939gebruiken. De foutcodes moeten volledig toegankelijk zijn via gestandaardiseerde diagnoseapparatuur die voldoet aan de bepalingen van deze bijlage.
De fabrikant moet emissiegerelateerde diagnosegegevens die niet in ISO 27145 of SAE J1939 zijn gespecificeerd, maar wel verband houden met deze bijlage, volgens de relevante ISO- of SAE-procedure aan de ISO- of SAE-normalisatie-instantie verstrekken.
OBD-informatie moet via een draadverbinding toegankelijk zijn.
OBD-gegevens moeten door het OBD-systeem worden verstrekt op verzoek van een scanner die voldoet aan de voorschriften van de toepasselijke normen zoals vermeld in aanhangsel 6 (communicatie met externe tester).
4.7.3.1. Draadverbinding op basis van CAN
De communicatiesnelheid op de bedrade datalink van het OBD-systeem moet 250 kbps of 500 kbps bedragen.
De fabrikant moet de transmissiesnelheid kiezen en het OBD-systeem ontwerpen overeenkomstig de normen van aanhangsel 6 waarnaar in deze bijlage wordt verwezen. Het OBD-systeem moet bestand zijn tegen de automatische detectie van een van beide transmissiesnelheden door de externe testapparatuur.
De verbindingsinterface tussen het voertuig en het externe diagnosetestapparaat (bv. een scanner) moet gestandaardiseerd zijn en voldoen aan alle voorschriften van ISO 15031-3 type A (12 V gelijkstroomvoeding), type B (24 V gelijkstroomvoeding) of SAE J1939-13 (12 of 24 V gelijkstroomvoeding).
4.7.3.2. [Voorbehouden voor een draadverbinding op basis van TCP/IP (Ethernet)]
4.7.3.3. Plaats van de connector
De connector moet zich aan de bestuurderskant in de voetenruimte van het voertuiginterieur bevinden, in het gebied begrensd door de bestuurderskant van het voertuig en de rand van de middenconsole aan de bestuurderskant (of de hartlijn van het voertuig als het geen middenconsole heeft) en op een plaats niet hoger dan de onderkant van het stuurwiel wanneer het zich in de laagste verstelbare stand bevindt. De connector mag niet op of in de middenconsole zijn geplaatst (d.w.z. noch op de horizontale vlakken bij de op de vloer gemonteerde versnellingshendel, parkeerremhendel of bekerhouders, noch op de verticale vlakken naast de bedieningsorganen voor de stereo/radio, de airco of het navigatiesysteem). De connector moet gemakkelijk herkenbaar en toegankelijk zijn (bv. om een extern apparaat aan te sluiten). Bij voertuigen met een portier aan de kant van de bestuurder moet de connector gemakkelijk herkenbaar en toegankelijk zijn voor iemand die aan de bestuurderskant buiten het voertuig staat (of gehurkt zit) met het portier open.
De typegoedkeuringsinstantie mag op aanvraag van de fabrikant een andere plaats goedkeuren, op voorwaarde dat de plaats van installatie gemakkelijk toegankelijk is en beschermd is tegen onopzettelijke beschadiging onder normale gebruiksomstandigheden, bv. de plaats die wordt beschreven in de normenreeks ISO 15031.
Als de connector afgedekt is of zich in een specifiek apparatuurkastje bevindt, moet het deksel of deurtje met de hand zonder enig gereedschap kunnen worden verwijderd of geopend en moet daarop duidelijk het opschrift "OBD" zijn aangebracht om de plaats van de connector aan te geven.
De fabrikant mag voertuigen met aanvullende diagnoseconnectoren en datalinks uitrusten voor andere fabrikantspecifieke doeleinden dan de vereiste OBD-functies. Als de aanvullende connector conform is met een van de standaard diagnoseconnectoren die krachtens aanhangsel 6 zijn toegestaan, moet alleen op de krachtens deze bijlage verplichte connector duidelijk het opschrift "OBD" worden aangebracht om hem van andere soortgelijke connectoren te onderscheiden.
4.7.4. OBD-informatie met een scanner wissen / resetten
Op verzoek van de scanner moeten de volgende gegevens in het computergeheugen worden gewist of op de in deze bijlage gespecificeerde waarde worden gereset:
|
OBD-informatie |
Wisbaar |
Resetbaar (9)/ |
|
Status van de storingsindicator |
|
X |
|
Gereedheid van het OBD-systeem |
|
X |
|
Aantal motorbedrijfsuren sinds de storingsindicator is geactiveerd (continue MI-teller) |
X |
|
|
Alle DTC's |
X |
|
|
De waarde van de B1-teller met het hoogste aantal motorbedrijfsuren |
|
X |
|
Het aantal motorbedrijfsuren op de B1-teller(s) |
|
X |
|
De krachtens deze bijlage vereiste freezeframe-gegevens |
X |
|
OBD-informatie mag niet worden gewist door de accu('s) van het voertuig los te koppelen.
4.8. Elektronische beveiliging
Voertuigen met een emissiebeheersingssysteem moeten zijn uitgerust met voorzieningen om niet door de fabrikant toegestane modificaties van het systeem te verhinderen. De fabrikant moet modificaties toestaan die noodzakelijk zijn voor diagnose, service, keuring, latere aanpassing of reparatie van het voertuig.
Herprogrammeerbare computercodes of bedrijfsparameters moeten bestand zijn tegen manipulatie en een beschermingsniveau bieden dat ten minste even hoog is als de bepalingen in ISO 15031-7 (SAE J2186) of J1939-73, op voorwaarde dat de beveiligingsuitwisseling geschiedt met behulp van de protocollen en de diagnoseconnector zoals voorgeschreven in deze bijlage. Verwijderbare kalibratiegeheugenchips moeten zijn ingekapseld, in een verzegelde behuizing zijn ondergebracht of door elektronische algoritmen zijn beschermd en mogen alleen met behulp van speciale gereedschappen en procedures kunnen worden vervangen.
Computergecodeerde motorbedrijfsparameters mogen alleen kunnen worden veranderd met behulp van speciale gereedschappen en procedures (bv. gesoldeerde of ingekapselde computeronderdelen of verzegelde/dichtgesoldeerde computerbehuizingen).
De fabrikanten moeten de nodige maatregelen nemen om te voorkomen dat de maximumdosering van de brandstof gemanipuleerd kan worden terwijl het voertuig in gebruik is.
De fabrikanten mogen bij de typegoedkeuringsinstantie vrijstelling van een van deze voorschriften aanvragen voor voertuigen waarbij beveiliging overbodig wordt geacht. De criteria die de typegoedkeuringsinstantie bij de beoordeling van een dergelijke aanvraag zal hanteren, zijn onder meer de beschikbaarheid van prestatiechips, de hoge-prestatiemogelijkheden van het voertuig en de verwachte verkoopcijfers voor het voertuig.
Fabrikanten die gebruikmaken van programmeerbare computercodesystemen (bv. EEPROM - Electrically Erasable Programmable Read-Only Memory), moeten ongeoorloofde herprogrammering tegengaan. De fabrikanten moeten verbeterde manipulatiebeveiligingsstrategieën en schrijfbeveiligingsvoorzieningen toepassen waarbij elektronische toegang tot een elders geplaatste computer van de fabrikant noodzakelijk is. Alternatieve methoden die een gelijkwaardige manipulatiebeveiliging bieden, kunnen door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd.
4.9. Duurzaamheid van het OBD-systeem
Het OBD-systeem moet zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat het tijdens de hele levensduur van het voertuig of motorsysteem typen storingen kan identificeren.
Alle aanvullende bepalingen met betrekking tot de duurzaamheid van OBD-systemen zijn in deze bijlage opgenomen.
Een OBD-systeem mag niet worden geprogrammeerd of ontworpen om tijdens de werkelijke levensduur van het voertuig op basis van de leeftijd en/of de kilometerstand van het voertuig gedeeltelijk of geheel te deactiveren en mag ook geen algoritme of strategie bevatten om de doeltreffendheid van het OBD-systeem mettertijd te verminderen.
5. PRESTATIEVOORSCHRIFTEN
5.1. Grenswaarden
De OBD-grenswaarden voor de in aanhangsel 3 gedefinieerde toepasselijke bewakingscriteria zijn vastgelegd in het hoofdgedeelte van dit reglement.
5.2. Tijdelijke uitschakeling van het OBD-systeem
De typegoedkeuringsinstanties kunnen toestaan dat een OBD-systeem onder de in de volgende punten beschreven omstandigheden tijdelijk wordt uitgeschakeld.
Op het moment van de typegoedkeuring moet de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie een gedetailleerde beschrijving verstrekken van alle strategieën voor tijdelijke uitschakeling van het OBD-systeem, alsook de gegevens en/of het technisch rapport waaruit blijkt dat bewaking onder dergelijke omstandigheden onbetrouwbaar of onpraktisch zou zijn.
In elk geval moet de bewaking hernemen zodra de omstandigheden die de tijdelijke uitschakeling rechtvaardigden, zich niet meer voordoen.
5.2.1. Bedrijfsveiligheid van de motor en het voertuig
De fabrikanten mogen toestemming vragen om OBD-bewakingssystemen die hinder ondervinden wanneer bedrijfsveiligheidstrategieën worden geactiveerd, uit te schakelen.
Het OBD-systeem hoeft tijdens een storing geen onderdelen te testen als daardoor het veilige gebruik van het voertuig in het gedrang zou komen.
5.2.2. Omgevingstemperatuur en hoogte
Fabrikanten mogen toestemming vragen om bewakingsfuncties van het OBD-systeem uit te schakelen:
|
a) |
bij omgevingstemperaturen onder 266 K (-7°C) als de koelmiddeltemperatuur niet ten minste 333 K (60°C) bedraagt; of |
|
b) |
bij omgevingstemperaturen onder 266 K (-7°C) als het reagens bevroren is; of |
|
c) |
bij omgevingstemperaturen boven 308 K (35°C); of |
|
d) |
op een hoogte van meer dan 2 500 m boven zeeniveau. |
Een fabrikant mag toestemming vragen om een bewakingsfunctie van een OBD-systeem bij andere omgevingstemperaturen en hoogten tijdelijk uit te schakelen mits hij met gegevens en/of een technisch rapport heeft aangetoond dat onder dergelijke omstandigheden een foute diagnose zou worden gesteld vanwege het effect op het onderdeel zelf (bv. bevriezing van het onderdeel, effect op de compatibiliteit met de sensortoleranties).
Opmerking: De omgevingscondities mogen met indirecte methoden worden geraamd. Zo mag bijvoorbeeld de omgevingstemperatuur op basis van de inlaatluchttemperatuur worden bepaald.
5.2.3. Laag brandstofniveau
Fabrikanten mogen toestemming vragen om bewakingssystemen uit te schakelen die hinder ondervinden van een laag brandstofniveau, een lage brandstofdruk of een vrijwel lege brandstoftank (bv. diagnose van een storing in de brandstoftoevoer of ontstekingsfouten), overeenkomstig het volgende schema:
|
|
Diesel |
Gas |
|||
|
|
NG |
LPG |
|||
|
X |
|
X |
||
|
|
X |
|
||
5.2.4. Spanningsniveau van de accu of het systeem van het voertuig
Fabrikanten mogen toestemming vragen om bewakingssystemen uit te schakelen die hinder kunnen ondervinden van het spanningsniveau van de accu of het systeem van het voertuig.
5.2.4.1. Lage spanning
Bij bewakingssystemen die hinder ondervinden van een laag spanningsniveau van de accu of het systeem van het voertuig, mogen fabrikanten toestemming vragen om deze uit te schakelen wanneer de spanning van de accu of het systeem minder dan 90% van de nominale spanning (of 11,0 V bij een accu van 12 V en 22,0 V bij een accu van 24 V) bedraagt. Fabrikanten mogen toestemming vragen om een spanningsgrens te gebruiken die hoger ligt dan deze waarde om de systeembewaking uit te schakelen.
De fabrikant moet aantonen dat bewaking bij die spanningen onbetrouwbaar zou zijn en dat ofwel het voertuig onder de uitschakelingscriteria wellicht niet gedurende langere tijd zal functioneren, ofwel dat het OBD-systeem de accu- of systeemspanning bewaakt en bij de gebruikte spanning een storing zal opsporen die andere bewakingsfuncties uitschakelt.
5.2.4.2. Hoge spanning
Bij emissiegerelateerde bewakingssystemen die hinder ondervinden van een hoog spanningsniveau van de accu of het systeem van het voertuig, mogen fabrikanten toestemming vragen om deze uit te schakelen wanneer de accu- of systeemspanning een door de fabrikant vastgestelde spanning overschrijdt.
De fabrikant moet aantonen dat bewaking boven de door de fabrikant vastgestelde spanning onbetrouwbaar zou zijn en dat ofwel het waarschuwingslicht voor het elektrische oplaadsysteem of de alternator gaat branden (of de spanningsmeter zich in de "rode zone" bevindt), ofwel dat het OBD-systeem de accu- of systeemspanning bewaakt en bij de gebruikte spanning een storing zal detecteren die andere bewakingsfuncties uitschakelt.
5.2.5. Actieve vermogensafname-eenheden
De fabrikant mag toestemming vragen om bewakingssystemen die hinder ondervinden, tijdelijk uit te schakelen bij voertuigen die met een vermogensafname-eenheid zijn uitgerust, op voorwaarde dat die eenheid tijdelijk actief is.
5.2.6. Geforceerde regeneratie
De fabrikant mag toestemming vragen om OBD-bewakingssystemen die tijdens de geforceerde regeneratie van een emissiebeheersingssysteem voorbij de motor (bv. een deeltjesfilter) hinder ondervinden, uit te schakelen.
5.2.7. Aanvullende emissiestrategie (AES)
De fabrikant mag toestemming vragen om bewakingsfuncties van het OBD-systeem uit te schakelen tijdens de werking van een AES, inclusief een MECS, in omstandigheden die niet in punt 5.2 aan de orde zijn geweest, indien bewakingsfuncties daar hinder van ondervinden.
5.2.8. Tanken
De fabrikant van een voertuig op gas mag het OBD-systeem na het tanken tijdelijk uitschakelen als het systeem zich moet aanpassen aan de herkenning van een wijziging in de kwaliteit en samenstelling van de brandstof door de elektronische regeleenheid.
Zodra de nieuwe brandstof is herkend en de motorparameters zijn bijgesteld, moet het OBD-systeem weer worden ingeschakeld. Het systeem mag niet langer dan 10 minuten uitgeschakeld zijn.
6. DEMONSTRATIEVOORSCHRIFTEN
De basiselementen om aan te tonen dat een OBD-systeem aan de voorschriften van deze bijlage voldoet, zijn de volgende:
|
a) |
procedure om het obd-systeem voor de oudermotor te selecteren. Het OBD-systeem voor de oudermotor wordt door de fabrikant in overleg met de typegoedkeuringsinstantie geselecteerd; |
|
b) |
procedure om de indeling van een storing aan te tonen. De fabrikant legt met betrekking tot het OBD-systeem voor de oudermotor in kwestie de indeling van elke storing voor aan de typegoedkeuringsinstantie, alsook de vereiste ondersteunende gegevens om elke indeling te verantwoorden; |
|
c) |
procedure om een beschadigd onderdeel te kwalificeren. De fabrikant stelt op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie beschadigde onderdelen ter beschikking om het OBD-systeem te testen. Deze onderdelen worden gekwalificeerd op basis van door de fabrikant verstrekte ondersteunende gegevens; |
|
d) |
procedure om bij gasmotoren de referentiebrandstof te selecteren. |
6.1. Familie van OBD-systemen voor emissies
De fabrikant is verantwoordelijk voor het bepalen van de samenstelling van een familie van OBD-systemen voor emissies. Het groeperen van motorsystemen binnen een OBD-motorenfamilie voor emissies moet op goede technische inzichten zijn gebaseerd en aan de typegoedkeuringsinstantie ter goedkeuring worden voorgelegd.
Motoren die niet tot dezelfde motorenfamilie behoren, kunnen wel tot dezelfde OBD-familie voor emissies behoren.
6.1.1. Parameters om een familie van OBD-systemen voor emissies te definiëren
Een OBD-familie voor emissies wordt gekenmerkt door elementaire ontwerpparameters die gemeenschappelijk zijn voor de motorsystemen binnen die familie.
Om tot dezelfde OBD-motorenfamilie te worden gerekend, moeten motorsystemen de volgende lijst van basisparameters gemeen hebben:
|
a) |
emissiebeheersingssystemen; |
|
b) |
OBD-bewakingsmethoden; |
|
c) |
criteria voor prestatie- en onderdeelbewaking; |
|
d) |
bewakingsparameters (bv. frequentie). |
Deze overeenkomsten moeten door de fabrikant met een relevante technische demonstratie of andere passende procedures worden aangetoond en door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd.
De fabrikant kan de typegoedkeuringsinstantie om goedkeuring verzoeken van kleine verschillen in de methoden voor bewaking en diagnose van het emissiebeheersingssysteem van de motor als gevolg van variaties in de motorsysteemconfiguratie, wanneer die methoden door de fabrikant als soortgelijk worden beschouwd en:
|
a) |
ze alleen verschillen om te beantwoorden aan specifieke eigenschappen van de onderdelen in kwestie (bv. afmetingen, uitlaatgasstroom enz.); of |
|
b) |
de overeenkomsten tussen die methoden op goede technische inzichten zijn gebaseerd. |
6.1.2. OBD-oudermotorsysteem
Een OBD-familie voor emissies voldoet aan de voorschriften van deze bijlage wanneer is aangetoond dat het OBD-oudermotorsysteem van die familie daaraan voldoet.
De selectie van het OBD-oudermotorsysteem gebeurt door de fabrikant en moet door de typegoedkeuringsinstantie worden aanvaard.
Vóór de tests kan de typegoedkeuringsinstantie de fabrikant verzoeken een aanvullende motor te selecteren voor demonstratie.
De fabrikant kan de typegoedkeuringsinstantie ook voorstellen aanvullende motoren te testen om de hele OBD-familie voor emissies te bestrijken.
6.2. Procedures om de indeling van een storing aan te tonen
De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstantie de documentatie voorleggen waarin de juiste indeling van elke storing wordt gerechtvaardigd. Deze documentatie moet een storingsanalyse bevatten (bv. elementen van een "storingsmodus- en effectanalyse") en kan tevens het volgende bevatten:
|
a) |
simulatieresultaten; |
|
b) |
testresultaten; |
|
c) |
verwijzing naar een eerder goedgekeurde indeling. |
In de volgende punten worden de gestelde eisen beschreven om de correcte indeling aan te tonen, alsook de testeisen. Het minimumaantal tests is vier en het maximumaantal is viermaal het geëvalueerde aantal motorenfamilies binnen de OBD-familie voor emissies. De typegoedkeuringsinstantie kan op elk moment besluiten de test af te breken voordat dit maximumaantal storingstests is bereikt.
In specifieke gevallen waarin de indelingstests niet mogelijk zijn (bv. wanneer een MECS wordt geactiveerd en de motor de test niet kan uitvoeren enz.), mag de storing worden ingedeeld op basis van een technische beoordeling. Deze uitzondering moet door de fabrikant worden gedocumenteerd en door de typegoedkeuringsinstantie worden toegestaan.
6.2.1. Demonstratie van indeling in klasse A
Voor indeling van een storing in klasse A hoeft de fabrikant geen demonstratietest te verrichten.
Als de typegoedkeuringsinstantie het niet eens is met de indeling van een storing in klasse A door de fabrikant, moet volgens haar de storing in klasse B1, B2 of C worden ingedeeld, al naargelang het geval.
In dat geval moet in het goedkeuringsdocument worden vermeld dat de storing op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie in die klasse is ingedeeld.
6.2.2. Demonstratie van indeling in klasse B1 (onderscheid tussen A en B1)
Om de indeling van een storing in klasse B1 te rechtvaardigen, moet in de documentatie duidelijk wordt aangetoond dat de storing in bepaalde omstandigheden (10)/ leidt tot emissies die lager zijn dan de OBD-grenswaarden.
Wanneer de typegoedkeuringsinstantie een emissietest eist om de indeling van een storing in klasse B1 te verantwoorden, moet de fabrikant aantonen dat de emissies als gevolg van die specifieke storing in bepaalde omstandigheden onder de OBD-grenswaarden liggen:
|
a) |
de fabrikant kiest de testomstandigheden in overleg met de typegoedkeuringsinstantie; |
|
b) |
de fabrikant hoeft niet aan te tonen dat in andere omstandigheden de emissies als gevolg van de storing inderdaad boven de OBD-grenswaarden liggen. |
Als de fabrikant de indeling in klasse B1 niet kan verantwoorden, wordt de storing ingedeeld in klasse A.
6.2.3. Demonstratie van indeling in klasse B1 (onderscheid tussen B2 en B1)
Als de typegoedkeuringsinstantie het niet eens is met de indeling van een storing in klasse B1 door de fabrikant omdat zij van oordeel is dat de OBD-grenswaarden niet worden overschreden, moet volgens haar de storing in klasse B2 of C worden ingedeeld. In dat geval moet in de goedkeuringsdocumenten worden vermeld dat de storing op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie in die klasse is ingedeeld.
6.2.4. Demonstratie van indeling in klasse B2 (onderscheid tussen B2 en B1)
Om de indeling van een storing in klasse B2 te verantwoorden, moet de fabrikant aantonen dat de emissies lager zijn dan de OBD-grenswaarden.
Als de typegoedkeuringsinstantie het niet eens is met de indeling van een storing in klasse B2 omdat zij van oordeel is dat de OBD-grenswaarden worden overschreden, kan de fabrikant worden gevraagd om met tests aan te tonen dat de emissies als gevolg van de storing onder de OBD-grenswaarden liggen. Als de test niet slaagt, moet die storing volgens de typegoedkeuringsinstantie worden heringedeeld in klasse A of B1 en moet de fabrikant de juiste indeling vervolgens verantwoorden en de documentatie updaten.
6.2.5. Demonstratie van indeling in klasse B2 (onderscheid tussen B2 en C)
Als de typegoedkeuringsinstantie het niet eens is met de indeling van een storing in klasse B2 door de fabrikant omdat zij van oordeel is dat de reglementaire emissiegrenzen niet worden overschreden, moet volgens haar de storing in klasse C worden ingedeeld. In dat geval moet in de goedkeuringsdocumenten worden vermeld dat de storing op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie in die klasse is ingedeeld.
6.2.6. Demonstratie van indeling in klasse C
Om de indeling van een storing in klasse C te verantwoorden, moet de fabrikant aantonen dat de emissies lager zijn dan de reglementaire emissiegrenswaarden.
Als de typegoedkeuringsinstantie het niet eens is met de indeling van een storing in klasse C, kan de fabrikant worden gevraagd om met tests aan te tonen dat de emissies als gevolg van de storing onder de reglementaire emissiegrenswaarden liggen.
Als de test niet slaagt, moet die storing volgens de typegoedkeuringsinstantie in een andere klasse worden heringedeeld en moet de fabrikant de juiste herindeling vervolgens verantwoorden en de documentatie updaten.
6.3. Procedures om de OBD-prestaties aan te tonen
De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstantie een volledig documentatiepakket overleggen waarmee wordt aangetoond dat het OBD-systeem wat de bewakingsfuncties betreft voldoet aan de voorschriften. Dat pakket kan het volgende omvatten:
|
a) |
algoritmen en beslissingsdiagrammen; |
|
b) |
tests en/of simulatieresultaten; |
|
c) |
verwijzing naar eerder goedgekeurde bewakingssystemen enz. |
In de volgende punten worden de vereisten beschreven voor het aantonen van de OBD-prestaties, inclusief de testeisen. Het aantal tests moet viermaal zo groot zijn als het aantal motorenfamilies dat binnen de OBD-familie voor emissies wordt geëvalueerd, maar het minimumaantal is acht.
De geselecteerde bewakingsfuncties moeten op evenwichtige wijze de in punt 4.2 genoemde verschillende soorten bewaking (d.w.z. emissiegrensbewaking, prestatiebewaking, volledige-functiestoringsbewaking of onderdeelbewaking) weerspiegelen. Zij moeten bovendien op evenwichtige wijze de in aanhangsel 3 vermelde verschillende punten weerspiegelen.
6.3.1. Procedures om de OBD-prestaties met tests aan te tonen
Naast de ondersteunende gegevens waarnaar in punt 6.3 wordt verwezen, moet de fabrikant de juiste bewaking van specifieke emissiebeheersingssystemen of -onderdelen aantonen door deze te testen op een motortestopstelling volgens de testprocedures in punt 7.2.
In dat geval moet de fabrikant de gekwalificeerde beschadigde onderdelen verstrekken of de elektrische voorziening waarmee een storing zal worden gesimuleerd.
De juiste detectie van een storing door het OBD-systeem en de juiste reactie daarop (bv. MI-indicatie, DTC-opslag enz.) moeten worden aangetoond overeenkomstig punt 7.2.
6.3.2. Procedures om een beschadigd onderdeel (of systeem) te kwalificeren
Dit punt is van toepassing op de gevallen waarin de voor een OBD-demonstratietest geselecteerde storing wordt bewaakt via de uitlaatemissies (11) (emissiegrensbewaking - zie punt 4.2) en de fabrikant met een emissietest de kwalificatie van het beschadigde onderdeel moet aantonen.
In heel specifieke gevallen is de kwalificatie van beschadigde onderdelen of systemen misschien niet mogelijk (bv. wanneer een MECS wordt geactiveerd en de test niet op de motor kan worden uitgevoerd enz.). In dergelijke gevallen moet het beschadigde onderdeel zonder tests worden gekwalificeerd. Deze uitzondering moet door de fabrikant worden gedocumenteerd en door de typegoedkeuringsinstantie worden toegestaan.
6.3.2.1. Procedure om een beschadigd onderdeel te kwalificeren waarmee de detectie van storingen van de klassen A en B1 wordt aangetoond
6.3.2.1.1. Emissiegrensbewaking
Wanneer de door de typegoedkeuringsinstantie geselecteerde storing leidt tot uitlaatemissies die een OBD-grenswaarde kunnen overschrijden, moet de fabrikant met een emissietest overeenkomstig punt 7 aantonen dat het beschadigde onderdeel of de beschadigde voorziening er niet toe leidt dat de relevante emissie de OBD-grenswaarde met meer dan 20% overschrijdt.
6.3.2.1.2. Prestatiebewaking
Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie mag bij prestatiebewaking de OBD-grenswaarde met meer dan 20% worden overschreden. Een dergelijk verzoek moet worden gemotiveerd.
Wanneer de prestatiebewaking van een afwijking in het verbruik van gasvormige brandstof van een dual-fuelmotor of dual-fuelvoertuig door bijlage 15 wordt voorgeschreven, wordt een beschadigd onderdeel zonder verwijzing naar de OBD-grenswaarde gekwalificeerd.
6.3.2.1.3. Onderdeelbewaking
Bij onderdeelbewaking wordt een beschadigd onderdeel zonder verwijzing naar de OBD-grenswaarde gekwalificeerd.
6.3.2.2. Kwalificatie van beschadigde onderdelen waarmee de detectie van storingen van klasse B2 wordt aangetoond
Bij storingen van klasse B2 en op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie moet de fabrikant met een emissietest overeenkomstig punt 7 aantonen dat het beschadigde onderdeel of de beschadigde voorziening er niet toe leidt dat de relevante emissie de OBD-grenswaarde overschrijdt.
6.3.2.3. Kwalificatie van beschadigde onderdelen waarmee de detectie van storingen van klasse C wordt aangetoond
Bij storingen van klasse C en op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie moet de fabrikant met een emissietest overeenkomstig punt 7 aantonen dat het beschadigde onderdeel of de beschadigde voorziening er niet toe leidt dat de relevante emissie de toepasselijke reglementaire emissiegrens overschrijdt.
6.3.3. Testrapport
Het testrapport moet ten minste de in aanhangsel 4 genoemde informatie bevatten.
6.4. Goedkeuring van een OBD-systeem met gebreken
6.4.1. Op verzoek van een fabrikant kunnen typegoedkeuringsinstanties OBD-systemen met een of meer gebreken goedkeuren.
Bij de behandeling van het verzoek gaat de typegoedkeuringsinstantie na of naleving van de voorschriften van deze bijlage haalbaar of onredelijk is.
De typegoedkeuringsinstantie houdt rekening met de gedetailleerde gegevens van de fabrikant over factoren zoals technische uitvoerbaarheid, doorlooptijd en productiecycli, met inbegrip van de geleidelijke introductie of stopzetting van de productie van motormodellen en geprogrammeerde computerupgrades, de mate waarin het resulterende OBD-systeem aan de voorschriften van deze bijlage zal kunnen voldoen en het feit dat de fabrikant voldoende inspanningen heeft geleverd om aan de voorschriften van de bijlage te voldoen.
De typegoedkeuringsinstantie accepteert geen verzoeken in verband met gebreken waarbij een vereiste diagnosebewakingsfunctie volledig ontbreekt (d.w.z. het volledig ontbreken van de bewakingsfuncties die krachtens aanhangsel 3 verplicht zijn).
6.4.2. Voor gebreken toegestane termijn
Een gebrek wordt toegestaan gedurende één jaar na de datum van goedkeuring van het motorsysteem.
Als de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie afdoende kan aantonen dat ingrijpende wijzigingen in de motor en extra doorlooptijd noodzakelijk zijn om het gebrek te verhelpen, kan het gebrek gedurende nog een jaar worden toegestaan, mits de totale voor gebreken toegestane termijn niet langer is dan drie jaar (d.w.z. gebreken kunnen driemaal voor één jaar worden toegestaan).
De fabrikant kan geen verlenging van de voor gebreken toegestane termijn aanvragen.
6.5. Procedure om de referentiebrandstof bij gasmotoren te selecteren
Om de OBD-prestaties en de indeling van storingen aan te tonen, moet een van de in bijlage 5 vermelde referentiebrandstoffen worden gebruikt waarvoor de motor is ontworpen.
Deze referentiebrandstof wordt gekozen door de typegoedkeuringsinstantie, die het testlaboratorium voldoende tijd moet geven om de gekozen referentiebrandstof te verstrekken.
7. TESTPROCEDURES
7.1. Testproces
De demonstratie van de juiste indeling van storingen op basis van tests en de demonstratie van de juiste bewakingsprestatie van een OBD-systeem aan de hand van tests moeten tijdens het testproces afzonderlijk plaatsvinden. Voor een storing van klasse A is bijvoorbeeld geen indelingstest vereist, maar misschien wel een OBD-prestatietest.
Naargelang het geval kan dezelfde test worden gebruikt om de juiste indeling van een storing, de kwalificatie van een door de fabrikant verstrekt beschadigd onderdeel en de correcte bewaking door het OBD-systeem aan te tonen.
Het motorsysteem waarop het OBD-systeem wordt getest, moet voldoen aan de emissievoorschriften van dit reglement.
7.1.1. Testproces om de indeling van een storing aan te tonen
Wanneer de typegoedkeuringsinstantie de fabrikant overeenkomstig punt 6.2 verzoekt de indeling van een specifieke storing te verantwoorden, moet hij dat met een aantal emissietests aantonen.
Wanneer de typegoedkeuringsinstantie een test eist om de indeling van een storing eerder in klasse B1 dan in klasse A te verantwoorden, moet de fabrikant overeenkomstig punt 6.2.2 aantonen dat de emissies als gevolg van de storing in kwestie in bepaalde omstandigheden onder de OBD-grenswaarden liggen:
|
a) |
de fabrikant kiest die testomstandigheden in overleg met de typegoedkeuringsinstantie; |
|
b) |
de fabrikant hoeft niet aan te tonen dat in andere omstandigheden de emissies als gevolg van de storing inderdaad boven de OBD-grenswaarden liggen. |
De emissietest mag op verzoek van de fabrikant tot drie keer toe worden herhaald.
Als een van deze tests leidt tot emissies die onder de desbetreffende OBD-grenswaarden liggen, wordt de indeling van de storing in klasse B1 goedgekeurd.
Wanneer de typegoedkeuringsinstantie een test eist om de indeling van een storing eerder in klasse B2 dan in klasse B1 of eerder in klasse C dan in klasse B2 te verantwoorden, hoeft de emissietest niet te worden herhaald. Als de bij de test gemeten emissies boven de OBD-grenswaarde, respectievelijk de emissiegrens liggen, moet de storing in een andere klasse worden ingedeeld.
Opmerking: Overeenkomstig punt 6.2.1 is dit punt niet van toepassing op storingen die in klasse A zijn ingedeeld.
7.1.2. Testproces om de OBD-prestaties aan te tonen
Wanneer de typegoedkeuringsinstantie overeenkomstig punt 6.3 verzoekt de prestaties van het OBD-systeem te testen, bestaat de demonstratie uit de volgende fasen:
|
a) |
de typegoedkeuringsinstantie selecteert een storing en de fabrikant stelt een overeenkomstig beschadigd onderdeel of systeem ter beschikking; |
|
b) |
naargelang het geval en als daarom wordt verzocht, toont de fabrikant met een emissietest aan dat het beschadigde onderdeel gekwalificeerd is voor een bewakingsdemonstratie; |
|
c) |
de fabrikant toont aan dat het OBD-systeem zodanig reageert dat aan de bepalingen van deze bijlage wordt voldaan (d.w.z. MI-indicatie, DTC-opslag enz.), uiterlijk aan het einde van een reeks OBD-testcycli. |
7.1.2.1. Kwalificatie van het beschadigde onderdeel
Wanneer de typegoedkeuringsinstantie de fabrikant vraagt een beschadigd onderdeel te kwalificeren door middel van tests overeenkomstig punt 6.3.2, moet deze demonstratie plaatsvinden door een emissietest uit te voeren.
Indien is bepaald dat de installatie van een beschadigd onderdeel of een beschadigde voorziening op een motorsysteem inhoudt dat een vergelijking met de OBD-grenswaarden niet mogelijk is (bv. omdat de statistische voorwaarden voor validatie van de toepasselijke emissietestcyclus niet zijn vervuld), kan de storing van dat onderdeel of die voorziening als gekwalificeerd worden beschouwd als de typegoedkeuringsinstantie daar op basis van de door de fabrikant geleverde technische bewijzen mee instemt.
Indien de installatie van een beschadigd onderdeel of een beschadigde voorziening op een motor inhoudt dat de vollastkromme (zoals vastgesteld bij een correct werkende motor) tijdens de test niet kan worden bereikt, kan het beschadigde onderdeel of de beschadigde voorziening als gekwalificeerd worden beschouwd als de typegoedkeuringsinstantie daar op basis van de door de fabrikant verschafte technische bewijzen mee instemt.
7.1.2.2. Detectie van storingen
Elke bewakingsfunctie die de typegoedkeuringsinstantie voor een test op een motortestopstelling selecteert, moet binnen twee opeenvolgende OBD-testcycli overeenkomstig punt 7.2.2 op het aanbrengen van een gekwalificeerd beschadigd onderdeel zodanig reageren dat aan de voorschriften van deze bijlage wordt voldaan.
Wanneer in de beschrijving van de bewakingsfunctie is gespecificeerd en door de typegoedkeuringsinstantie wordt geaccepteerd dat voor het voltooien van een specifieke bewakingsfunctie meer dan twee werkingssequenties nodig zijn, mag het aantal OBD-testcycli overeenkomstig het verzoek van de fabrikant worden verhoogd.
Na elke afzonderlijke OBD-testcyclus van de demonstratietest moet de motor worden uitgezet. In de periode totdat de motor opnieuw wordt gestart, moet rekening worden gehouden met elke bewaking die eventueel na het uitzetten van de motor kan plaatsvinden en met alle voorwaarden die moeten worden vervuld voor bewaking bij het opnieuw starten van de motor.
De test wordt als afgerond beschouwd zodra het OBD-systeem zodanig heeft gereageerd dat aan de voorschriften van deze bijlage wordt voldaan.
7.2. Toepasselijke tests
In de context van deze bijlage:
|
a) |
is de emissietestcyclus de testcyclus die bij de kwalificatie van een beschadigd onderdeel of systeem wordt gebruikt om de gereglementeerde emissies te meten; |
|
b) |
is de OBD-testcyclus de testcyclus die wordt gebruikt om aan te tonen dat de OBD-bewakingsfuncties storingen kunnen detecteren. |
7.2.1. Emissietestcyclus
De in deze bijlage bedoelde testcyclus om emissies te meten, is de WHTC-testcyclus zoals beschreven in bijlage 4.
7.2.2. OBD-testcyclus
De in deze bijlage bedoelde OBD-testcyclus is het warme gedeelte van de WHTC-cyclus zoals beschreven in bijlage 4.
Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie kan voor een specifieke bewakingsfunctie een alternatieve OBD-testcyclus worden gebruikt (bv. het koude gedeelte van de WHTC-cyclus). In de aanvraag moet documentatie (technische overwegingen, simulatie, testresultaten enz.) worden opgenomen waaruit blijkt dat:
|
a) |
de aangevraagde testcyclus om de bewaking aan te tonen onder normale rijomstandigheden plaatsvindt; en |
|
b) |
het warme gedeelte van de WHTC-cyclus voor de bewaking in kwestie minder geschikt is (bv. bewaking van het vloeistofverbruik). |
7.2.3. Testomstandigheden
De omstandigheden (d.w.z. temperatuur, hoogte, brandstofkwaliteit enz.) voor het uitvoeren van de in de punten 7.2.1 en 7.2.2 bedoelde tests zijn de in bijlage 4 beschreven omstandigheden waarin de WHTC-testcyclus moet worden uitgevoerd.
Bij een emissietest die bedoeld is om de indeling van een specifieke storing in klasse B1 te verantwoorden, kunnen de testomstandigheden, bij besluit van de fabrikant, overeenkomstig punt 6.2.2 afwijken van die in de bovenstaande punten.
7.3. Demonstratieproces voor prestatiebewaking
Bij prestatiebewaking mag de fabrikant de demonstratievoorschriften van aanhangsel 7 toepassen.
De typegoedkeuringsinstanties kunnen toestaan dat de fabrikant een andere prestatiebewakingstechniek dan die van aanhangsel 7 toepast. De fabrikant moet aan de hand van een deugdelijk technisch dossier op basis van de ontwerpkenmerken, door voorlegging van de testresultaten, door verwijzing naar eerdere goedkeuringen of met een andere acceptabele methode aantonen dat het gekozen bewakingstype ten minste even degelijk, snel en efficiënt is als de in aanhangsel 7 genoemde typen.
7.4. Testrapporten
Het testrapport moet ten minste de in aanhangsel 4 genoemde informatie bevatten.
8. DOCUMENTATIEVOORSCHRIFTEN
8.1. Documentatie met het oog op de goedkeuring
De fabrikant moet een documentatiepakket verstrekken met een volledige beschrijving van het OBD-systeem. Het documentatiepakket moet ter beschikking worden gesteld in twee delen:
|
a) |
een eerste deel dat kort mag zijn, mits het de relaties tussen bewakingsfuncties, sensoren/actuators en werkingsomstandigheden aantoont (d.w.z. het alle omstandigheden beschrijft waarin bewakingsfuncties worden in- en uitgeschakeld). In de documentatie moet de functionele werking van het OBD-systeem worden beschreven, inclusief de ranglijst van de storingen binnen de hiërarchische indeling. Dit materiaal moet door de typegoedkeuringsinstantie worden bewaard. Op verzoek kan deze informatie aan belanghebbenden ter beschikking worden gesteld; |
|
b) |
een tweede deel met gegevens zoals gedetailleerde informatie over gekwalificeerde beschadigde onderdelen of systemen en bijbehorende testresultaten waarmee het hierboven bedoelde beslissingsproces wordt onderbouwd, en een overzicht van alle input- en outputsignalen die voor het motorsysteem beschikbaar zijn en door het OBD-systeem worden bewaakt. In deel 2 moeten ook alle bewakingsstrategieën en het beslissingsproces worden uiteengezet. |
Dit tweede deel moet strikt vertrouwelijk blijven. Het kan door de typegoedkeuringsinstantie of, met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie, door de fabrikant worden bewaard, maar het moet bij de goedkeuring of op gelijk welk moment tijdens de geldigheidsduur van de goedkeuring ter beschikking worden gesteld voor inspectie door de typegoedkeuringsinstantie.
8.1.1. Documentatie met betrekking tot elk bewaakt onderdeel of systeem
Het in het tweede deel opgenomen documentatiepakket moet onder meer de volgende informatie voor elk bewaakt onderdeel of systeem bevatten:
|
a) |
de storingen en bijbehorende DTC('s); |
|
b) |
de voor het detecteren van storingen toegepaste bewakingsmethode; |
|
c) |
de gebruikte parameters en de vereiste omstandigheden voor het detecteren van storingen en, indien van toepassing, de grenswaarden van de foutcriteria (prestatie- en onderdeelbewaking); |
|
d) |
de criteria voor het opslaan van een DTC; |
|
e) |
de bewakingsduur (d.w.z. de werkingstijd/-procedure die nodig is om de bewaking volledig uit te voeren) en de bewakingsfrequentie (d.w.z. continu, eenmaal per rit enz.). |
8.1.2. Documentatie met betrekking tot de indeling van storingen
Het in het tweede deel opgenomen documentatiepakket moet onder meer de volgende informatie voor de indeling van een storing bevatten.
De storingsindeling van elke DTC moet worden gedocumenteerd. Deze indeling kan binnen dezelfde OBD-familie voor emissies per motortype verschillen (bv. verschillende motorkwalificaties).
Deze informatie moet de overeenkomstig punt 4.2 vereiste technische verantwoording bevatten voor de indeling in klasse A, B1 of B2.
8.1.3. Documentatie met betrekking tot de OBD-familie voor emissies
Het in het tweede deel opgenomen documentatiepakket moet onder meer de volgende informatie voor de OBD-familie voor emissies bevatten.
Er moet een beschrijving van de OBD-familie voor emissies worden verstrekt. Deze moet een overzicht en een beschrijving bevatten van de motortypen binnen de familie, de beschrijving van het OBD-systeem van de oudermotor en alle elementen die de familie overeenkomstig punt 6.1.1 kenmerken.
Wanneer in de OBD-familie voor emissies motoren voorkomen die tot verschillende motorenfamilies behoren, moet een beknopte beschrijving van die motorenfamilies worden verstrekt.
Daarnaast moet de fabrikant een lijst verstrekken van elke elektronische input, output en identificatie van het communicatieprotocol dat door elke OBD-familie voor emissies wordt gebruikt.
8.2. Documentatie voor het installeren van een motorsysteem met OBD in een voertuig
De motorfabrikant moet in de installatiedocumenten van het motorsysteem de nodige voorschriften opnemen om te garanderen dat het voertuig bij gebruik op de weg of elders aan de voorschriften van deze bijlage zal voldoen. Deze documentatie moet onder meer het volgende omvatten:
|
a) |
de gedetailleerde technische voorschriften, inclusief de bepalingen om de compatibiliteit met het OBD-systeem van het motorsysteem te waarborgen; |
|
b) |
de uit te voeren controleprocedure. |
Het bestaan en de geschiktheid van dergelijke installatievoorschriften kunnen tijdens de goedkeuringsprocedure van het motorsysteem worden gecontroleerd.
Opmerking: Deze documentatie is niet vereist wanneer een voertuigfabrikant een aanvraag voor directe goedkeuring van de installatie van het OBD-systeem in het voertuig indient.
(1) De nummering van deze bijlage komt overeen met die van Mondiaal Technisch Reglement nr. 5 betreffende wereldwijd geharmoniseerde OBD-systemen. Sommige punten van dat mondiaal technisch reglement zijn echter niet nodig in deze bijlage.
(2) Deze definitie houdt niet in dat een temperatuursensor noodzakelijk is om de koelmiddeltemperatuur te meten.
(3) Bij de gemeten waarde moet rekening worden gehouden met de relevante nauwkeurigheidstolerantie van het meetcelsysteem en de grotere variabiliteit van de testresultaten als gevolg van de storing.
(4) Een motor mag worden geacht te zijn gestart tijdens de aanslingerfase.
(5) Dit informatiepakket kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de technische staat van het motorsysteem met betrekking tot emissies in grote lijnen vast te stellen.
(6) Dit informatiepakket kan bijvoorbeeld worden gebruikt om de technische staat van het motorsysteem met betrekking tot emissies in detail vast te stellen.
(7) Het is niet verplicht de motor uit te rusten om enkel en alleen de in de tabellen 3 en 4 van bijlage 5 vermelde informatie te verstrekken.
(8) De fabrikant mag gebruikmaken van een aanvullend OBD-display in het voertuig, zoals bv. een op het dashboard gemonteerd videoscherm, om toegang te verlenen tot OBD-informatie. Op een dergelijke aanvullende voorziening zijn de voorschriften van deze bijlage niet van toepassing.
(9) Op de in het desbetreffende deel van deze bijlage gespecificeerde waarde.
(10) Voorbeelden van omstandigheden die de overschrijding van de OBD-grenswaarden kunnen beïnvloeden, zijn de leeftijd van het motorsysteem en de uitvoering van de test met een nieuw of verouderd onderdeel.
(11) Dit punt zal later tot andere bewakingsfuncties dan die voor emissiegrenzen worden uitgebreid.
Aanhangsel 1
Goedkeuring van de installatie van OBD-systemen
In dit aanhangsel wordt nader ingegaan op het geval waarin de voertuigfabrikant goedkeuring aanvraagt voor de installatie in een voertuig van een of meer OBD-systemen binnen een OBD-familie voor emissies, die zijn gecertificeerd als zijnde in overeenstemming met de voorschriften van deze bijlage.
In dit geval moet niet alleen aan de algemene voorschriften van deze bijlage worden voldaan, maar is ook een demonstratie van de correcte installatie vereist. Deze demonstratie moet geschieden op basis van het relevante constructie-element, de resultaten van controletests enz., en moet de conformiteit van de volgende elementen met de voorschriften van deze bijlage aantonen:
|
a) |
de installatie in het voertuig met betrekking tot de compatibiliteit met het OBD-systeem van het motorsysteem; |
|
b) |
de MI-indicator (pictogram, schema's voor activering enz.); |
|
c) |
de bedrade communicatie-interface. |
De correcte oplichting van de MI, de opslag van informatie en de OBD-communicatie binnen/buiten het voertuig zullen worden gecontroleerd. Voor de controles hoeft het motorsysteem niet te worden gedemonteerd (er mag bv. een elektrische verbinding worden verbroken).
Aanhangsel 2
Storingen - Illustratie van de DTC-status - Illustratie van de schema’s voor activering van de MI en de tellers
Doel van dit aanhangsel is de voorschriften van de punten 4.3 en 4.6.5 van deze bijlage
te illustreren aan de hand van de volgende figuren:
|
Figuur 1: |
DTC-status bij een storing van klasse B1 |
|
Figuur 2: |
DTC-status bij twee opeenvolgende verschillende storingen van klasse B1 |
|
Figuur 3: |
DTC-status bij het opnieuw optreden van een storing van klasse B1 |
|
Figuur 4A: |
Storing van klasse A - activering van de MI en de MI-tellers |
|
Figuur 4B: |
Illustratie van het beginsel voor deactivering van de continue MI |
|
Figuur 5: |
Storing van klasse B1 - activering van de B1-teller in vijf gebruiksgevallen. |
Figuur 1
DTC-status bij een storing van klasse B1
Voetnoten:
|
|
het punt waarop bewaking van de storing in kwestie plaatsvindt. |
|
N, M |
Krachtens deze bijlage moeten de "belangrijkste" werkingssequenties waarin zich bepaalde gebeurtenissen voordoen, worden geïdentificeerd en moeten de daaropvolgende werkingssequenties worden geteld. Om dit voorschrift te illustreren, zijn aan de belangrijkste werkingssequenties de waarden N en M toegekend. Zo staat M voor de eerste werkingssequentie na de detectie van een potentiële storing en is N de werkingssequentie waarin de MI wordt uitgeschakeld. |
Figuur 2
DTC-status bij twee opeenvolgende verschillende storingen van klasse B1
Voetnoten:
|
|
het punt waarop bewaking van de storing in kwestie plaatsvindt. |
|
N, M |
|
|
N', M' |
Krachtens deze bijlage moeten de "belangrijkste" werkingssequenties waarin zich bepaalde gebeurtenissen voordoen, worden geïdentificeerd en moeten de daaropvolgende werkingssequenties worden geteld. Om dit voorschrift te illustreren, zijn aan de belangrijkste werkingssequenties de waarden N en M toegekend voor de eerste storing, en N' en M' voor de tweede storing. Zo staat M voor de eerste werkingssequentie na de detectie van een potentiële storing en is N de werkingssequentie waarin de MI wordt uitgeschakeld. |
|
N + 40 = |
de veertigste werkingssequentie na de eerste uitschakeling van de MI of 200 motorbedrijfsuren, naargelang wat zich het eerst voordoet. |
Figuur 3
DTC-status bij het opnieuw optreden van een storing van klasse B1
Voetnoten:
|
|
het punt waarop bewaking van de storing in kwestie plaatsvindt. |
|
N, M |
|
|
N', M' |
Krachtens deze bijlage moeten de "belangrijkste" werkingssequenties waarin zich bepaalde gebeurtenissen voordoen, worden geïdentificeerd en moeten de daaropvolgende werkingssequenties worden geteld. Om dit voorschrift te illustreren, zijn aan de belangrijkste werkingssequenties de waarden N en M toegekend voor het eerste optreden van een storing, en N' en M' voor het tweede optreden ervan. Zo staat M voor de eerste werkingssequentie na de detectie van een potentiële storing en is N de werkingssequentie waarin de MI wordt uitgeschakeld. |
Figuur 4A
Storing van klasse A - activering van de MI en de MI-tellers
|
op. seq. |
= |
werkingssequentie |
|
start |
= |
starten |
|
frozen |
= |
bevroren |
|
erase |
= |
wissen |
|
erase & start |
= |
wissen en starten |
|
restart |
= |
opnieuw starten |
Werking van de tellers voor de continue storingsindicator in vier gebruiksgevallen
|
Opmerking: |
De details in verband met de deactivering van de continue MI worden hieronder in figuur 4B geïllustreerd voor het specifieke geval dat er een potentiële status aanwezig is. |
Figuur 4B
Illustratie van het beginsel voor deactivering van de continue MI
Deactivering van de continue storingsindicator in drie gebruiksgevallen
Voetnoten:
|
|
= |
het punt waarop bewaking van de storing in kwestie plaatsvindt. |
|
M |
= |
de werkingssequentie waarin de bewakingsfunctie voor het eerst concludeert dat een bevestigde en actieve storing niet langer aanwezig is. |
|
geval 1 |
= |
het geval waarin de bewakingsfunctie concludeert dat er tijdens de werkingssequentie M geen storing aanwezig is. |
|
geval 2 |
= |
het geval waarin de bewakingsfunctie tijdens de werkingssequentie M al eerder heeft geconcludeerd dat er een storing aanwezig was. |
|
geval 3 |
= |
het geval waarin de bewakingsfunctie tijdens de werkingssequentie M concludeert dat er een storing aanwezig is nadat zij eerst had geconcludeerd dat er geen aanwezig was. |
Figuur 5
Storing van klasse B1 - activering van de B1-teller in vijf gebruiksgevallen
|
"x" hrs |
= |
x uur |
|
"y" hrs |
= |
y uur |
|
op. seq. |
= |
werkingssequentie |
|
start |
= |
starten |
|
frozen |
= |
congelato |
|
erase |
= |
wissen |
|
erase & start |
= |
wissen en starten |
|
restart |
= |
opnieuw starten |
Operation of B1 Counter for Five Use Cases
|
Opmerking: |
In dit voorbeeld wordt ervan uitgegaan dat er maar een enkele B1-teller is. |
Aanhangsel 3
Bewakingsvoorschriften
In dit aanhangsel wordt een overzicht gegeven van de systemen of onderdelen die overeenkomstig punt 4.2 van deze bijlage door het OBD-systeem moeten worden bewaakt. Tenzij anders is bepaald, zijn de voorschriften op alle motortypen van toepassing.
Aanhangsel 3 - punt 1
Bewaking van elektrische/elektronische onderdelen
Op elektrische/elektronische onderdelen waarmee de in dit aanhangsel beschreven emissiebeheersingssystemen worden geregeld of bewaakt, moet overeenkomstig punt 4.2 van deze bijlage onderdeelbewaking worden toegepast. Dit geldt onder meer voor druk- en temperatuursensoren, uitlaatgassensoren en zuurstofsensoren, indien aanwezig, klopsensoren, brandstof- of reagensinjectoren in de uitlaat, verbranders of verwarmingselementen in de uitlaat, gloeibougies en inlaatluchtverwarmers.
Als er een feedbackregelkring bestaat, moet het OBD-systeem bewaken of de feedbackregeling volgens het ontwerp kan worden gehandhaafd (bv. om de feedbackregeling binnen een door de fabrikant opgegeven tijdsinterval toe te passen, indien het systeem er niet in slaagt de feedbackregeling te handhaven of als de feedbackregeling alle door de fabrikant toegestane aanpassingen heeft opgebruikt) - onderdeelbewaking.
Met name wanneer de reagensinjectie door middel van een gesloten systeem wordt geregeld, zijn de bewakingsvoorschriften van dit punt van toepassing, maar mogen de gedetecteerde storingen niet in klasse C worden ingedeeld.
Opmerking: Deze bepalingen gelden voor alle elektrische/elektronische onderdelen, ook als zij bij een van de in de andere punten van dit aanhangsel beschreven bewakingsfuncties horen.
Aanhangsel 3 - punt 2
DPF-systeem
Het OBD-systeem moet de juiste werking van de volgende elementen van het DPF-systeem bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
(a) |
DPF-substraat: de aanwezigheid van het DPF-substraat – volledige-functiestoringsbewaking; |
|
(b) |
DPF-prestaties: verstopping van het DPF – volledige-functiestoringsbewaking; |
|
(c1) |
DPF-filtreerprestaties: het filtreer- en continuregeneratieproces van het DPF. Dit voorschrift zou alleen van toepassing zijn op deeltjesemissies - emissiegrensbewaking. Als alternatief moet het OBD-systeem, naargelang het geval (1), het volgende bewaken: |
|
(c2) |
DPF-prestaties: filtreer- en regeneratieprocessen (bv. accumulatie van deeltjes tijdens het filtreerproces en verwijdering van deeltjes tijdens een geforceerd regeneratieproces) – prestatiebewaking overeenkomstig aanhangsel 8 van deze bijlage. |
Opmerking: Voor de bewaking van de periodieke regeneratie moet worden nagegaan of de voorziening in staat is om volgens ontwerp te presteren (bv. om regeneratie uit te voeren binnen een door de fabrikant opgegeven tijdsinterval, om regeneratie op verzoek uit te voeren enz.). Dit is één element van de onderdeelbewaking in verband met de voorziening.
Aanhangsel 3 - punt 3
Bewaking van selectieve katalytische reductie (SCR)
Voor de toepassing van dit punt wordt onder SCR selectieve katalytische reductie of een andere lean NOx-katalysator verstaan. Het OBD-systeem moet de juiste werking van de volgende elementen van het SCR-systeem bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
(a) |
injectiesysteem voor actief/intrusief reagens: de capaciteit van het systeem om de toevoer van een reagens op de juiste wijze te reguleren, via injectie in de uitlaat of injectie in de cilinder – prestatiebewaking; |
|
(b) |
actief/intrusief reagens: de beschikbaarheid aan boord van het reagens, het juiste verbruik van het reagens wanneer een ander reagens dan brandstof wordt gebruikt (bv. ureum) – prestatiebewaking; |
|
(c) |
actief/intrusief reagens: voor zover mogelijk de kwaliteit van het reagens wanneer een ander reagens dan brandstof wordt gebruikt (bv. ureum) – prestatiebewaking; |
|
(d) |
omzettingsefficiëntie van de SCR-katalysator: de capaciteit van de SCR-katalysator om NOx om te zetten – emissiegrensbewaking. |
Aanhangsel 3 - punt 4
Bewaking van de lean NOx-vanger (LNT-systeem) of de NOx-adsorberende voorziening
Het OBD-systeem moet de juiste werking van de volgende elementen van het LNT-systeem bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
(a) |
de capaciteit van het LNT-systeem om NOx te adsorberen/op te slaan en om te zetten – prestatiebewaking; |
|
(b) |
injectiesysteem voor actief/intrusief reagens van het LNT-systeem: de capaciteit van het systeem om de toevoer van een reagens op de juiste wijze te reguleren, via injectie in de uitlaat of injectie in de cilinder – prestatiebewaking. |
Aanhangsel 3 - punt 5
Bewaking van oxidatiekatalysatoren (waaronder dieseloxidatiekatalysatoren - DOC)
Dit punt is van toepassing op oxidatiekatalysatoren die los staan van andere nabehandelingssystemen. Katalysatoren die deel uitmaken van de behuizing van een nabehandelingssysteem, komen in het desbetreffende punt van dit aanhangsel aan de orde.
Het OBD-systeem moet de juiste werking van de volgende elementen van oxidatiekatalysatoren bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
(a) |
HC-omzettingsefficiëntie: de capaciteit van de oxidatiekatalysator om HC vóór andere nabehandelingsvoorzieningen om te zetten – volledige-functiestoringsbewaking; |
|
(b) |
HC-omzettingsefficiëntie: de capaciteit van de oxidatiekatalysator om HC na andere nabehandelingsvoorzieningen om te zetten – volledige-functiestoringsbewaking. |
Aanhangsel 3 - punt 6
Bewaking van het uitlaatgasrecirculatiesysteem (EGR-systeem)
Het OBD-systeem moet de juiste werking van de volgende elementen van het EGR-systeem bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
|
Diesel |
Gas |
||
|
X |
|
||
|
|
X |
||
|
X |
X |
||
|
X |
X |
||
|
X |
X |
||
|
X |
X |
|
(a3) |
lage EGR-stroom (volledige-functiestoringsbewaking of prestatiebewaking) |
Indien de emissies zelfs bij een totale uitval van de capaciteit van het EGR-systeem om de uitlaatgasrecirculatie op het opgedragen debiet te houden (bv. door correct functioneren van een systeem voor selectieve katalytische reductie voorbij de motor) niet hoger zijn dan de OBD-grenswaarden, dan:
|
1. |
moet het OBD-systeem, wanneer het EGR-debiet door middel van een gesloten systeem wordt geregeld, een storing vaststellen als het EGR-systeem de EGR-stroom niet kan verhogen om het opgedragen debiet te bereiken. Een dergelijke storing mag niet in klasse C worden ingedeeld; |
|
2. |
moet het OBD-systeem, wanneer het EGR-debiet door middel van een gesloten systeem wordt geregeld, een storing vaststellen als het systeem geen detecteerbare hoeveelheid EGR-stroom heeft wanneer een dergelijke stroom wordt verwacht. Een dergelijke storing mag niet in klasse C worden ingedeeld; |
|
(c2) |
ontoereikende prestaties van de EGR-koeler (volledige-functiestoringsbewaking) |
Indien het bewakingssysteem bij een totale uitval van de capaciteit van het EGR-koelsysteem om de door de fabrikant opgegeven koelprestaties te bereiken, geen storing vaststelt (omdat de resulterende emissietoename voor geen enkele verontreinigende stof de OBD-grenswaarde bereikt), moet het OBD-systeem een storing vaststellen wanneer het systeem geen detecteerbare hoeveelheid EGR-koeling heeft.
Een dergelijke storing mag niet in klasse C worden ingedeeld.
Aanhangsel 3 - punt 7
Bewaking van het brandstofsysteem
Het OBD-systeem moet de juiste werking van de volgende elementen van het brandstofsysteem bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
|
Diesel |
Gas |
||
|
X |
|
||
|
X |
|
||
|
X |
|
||
|
|
X |
Aanhangsel 3 - punt 8
Regelsysteem voor de luchtbehandeling en de turbocompressor/compressordruk
Het OBD-systeem moet de juiste werking van de volgende elementen van het regelsysteem voor de luchtbehandeling en de turbocompressor/compressordruk bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
|
Diesel |
Gas |
||
|
X |
|
||
|
|
X |
||
|
X |
X |
||
|
X |
X |
||
|
X |
X |
|
(a3) |
Onderdruk turbocompressor (volledige-functiestoringsbewaking) |
|
1. |
Indien de emissies zelfs bij een totale uitval van de capaciteit van het compressorsysteem om de opgedragen compressordruk te handhaven, de OBD-grenswaarden niet zouden overschrijden en de compressordruk door middel van een gesloten systeem wordt geregeld, moet het OBD-systeem een storing vaststellen wanneer het compressorsysteem de compressordruk niet kan verhogen om de gevraagde compressordruk te bereiken.
Een dergelijke storing mag niet in klasse C worden ingedeeld. |
|
2. |
Indien de emissies zelfs bij een totale uitval van de capaciteit van het compressorsysteem om de opgedragen compressordruk te handhaven, de OBD-grenswaarden niet zouden overschrijden en de compressordruk door middel van een gesloten systeem wordt geregeld, moet het OBD-systeem een storing vaststellen als het systeem geen detecteerbare hoeveelheid compressordruk heeft wanneer een dergelijke druk wordt verwacht.
Een dergelijke storing mag niet in klasse C worden ingedeeld. |
Aanhangsel 3 - punt 9
Variabele-kleptimingsysteem (VVT-systeem)
Het OBD-systeem moet de juiste werking van het variabele-kleptimingsysteem bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
(a) |
fout in de VVT-streefwaarde: de capaciteit van het VVT-systeem om de opgedragen kleptiming te bereiken – prestatiebewaking; |
|
(b) |
trage reactie van het VVT-systeem: de capaciteit van het VVT-systeem om de opgedragen kleptiming binnen een door de fabrikant opgegeven tijdsinterval na de opdracht te bereiken – prestatiebewaking. |
Aanhangsel 3 - punt 10
Bewaking van ontstekingsfouten
|
|
Diesel |
Gas |
||
|
X |
|
||
|
|
X |
Aanhangsel 3 - punt 11
Bewaking van het carterventilatiesysteem
Geen voorschriften.
Aanhangsel 3 - punt 12
Bewaking van het motorkoelsysteem
Het OBD-systeem moet de juiste werking van de volgende elementen van het motorkoelsysteem bewaken:
|
(a) |
motorkoelmiddeltemperatuur (thermostaat): open thermostaat. De fabrikanten hoeven de thermostaat niet te bewaken als een storing ervan geen andere OBD-bewakingsfuncties zal uitschakelen – volledige functiestoring. |
De fabrikanten hoeven de motorkoelmiddeltemperatuur of -temperatuursensor niet te bewaken als die niet wordt gebruikt om een gesloten systeem/feedbackregeling van een emissiebeheersingssysteem in te schakelen en/of andere bewakingsfuncties uit te schakelen.
De fabrikanten kunnen de bewakingsfunctie opschorten of vertragen gedurende de tijd die nodig is om de temperatuur voor een gesloten systeem te bereiken, als de motor zich in omstandigheden bevindt die tot een foute diagnose kunnen leiden (bv. de motor draait meer dan 50 tot 75 % van de warmlooptijd stationair).
Aanhangsel 3 - punt 13
Bewaking van uitlaatgas- en zuurstofsensoren
Het OBD-systeem moet het volgende bewaken:
|
|
Diesel |
Gas |
||
|
X |
X |
||
|
|
X |
Aanhangsel 3 - punt 14
Bewaking van het regelsysteem voor het stationaire toerental
Het OBD-systeem moet de juiste werking van de elektrische elementen van het regelsysteem voor het stationaire toerental bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust, overeenkomstig punt 1 van dit aanhangsel.
Aanhangsel 3 - punt 15
Driewegkatalysator
Het OBD-systeem moet de juiste werking van driewegkatalysatoren bewaken bij motoren die daarmee zijn uitgerust:
|
|
Diesel |
Gas |
||
|
|
X |
(1) C1 geldt voor de fasen B en C zoals blijkt uit tabel 1 van bijlage 3. C2 geldt voor fase A zoals blijkt uit tabel 1 van bijlage 3.
Aanhangsel 4
Rapport van overeenstemming met de technische voorschriften
Dit rapport wordt door de typegoedkeuringsinstantie overeenkomstig de punten 6.3.3 en 7.3 van deze bijlage afgegeven na onderzoek van een OBD-systeem of een familie van OBD-systemen voor emissies wanneer dat systeem of die familie voldoet aan de voorschriften van dit aanhangsel.
In dit rapport moet de exacte referentie (inclusief het versienummer) van dit aanhangsel worden opgenomen.
In dit rapport moet de exacte verwijzing (inclusief het versienummer) naar dit reglement worden opgenomen.
Het rapport bevat een voorblad waarop de definitieve overeenstemming van het OBD-systeem of de familie van OBD-systemen voor emissies en de volgende vijf punten worden aangegeven:
|
Punt 1 |
Informatie over het OBD-systeem |
|
Punt 2 |
Informatie over de conformiteit van het OBD-systeem |
|
Punt 3 |
Informatie over gebreken |
|
Punt 4 |
Informatie over demonstratietests van het OBD-systeem |
|
Punt 5 |
Testprotocol |
Het technische rapport, inclusief de onderdelen ervan, moet ten minste de elementen bevatten die in de volgende voorbeelden worden gegeven.
In het rapport moet worden vermeld dat reproductie of publicatie van delen van dit rapport zonder de schriftelijke toestemming van ondergetekende typegoedkeuringsinstantie niet is toegestaan.
Definitief rapport van overeenstemming
Het documentatiepakket en het daarin beschreven OBD-systeem of de daarin beschreven OBD-familie voor emissies voldoen aan de voorschriften van het volgende reglement:
Reglement nr. … / versie … / datum van inwerkingtreding / type brandstof ….
Dit reglement is de omzetting van het volgende mondiaal technisch reglement:
Mondiaal Technisch Reglement… / A + B / versie … / datum ….
Het rapport van overeenstemming met de technische voorschriften telt … bladzijden.
Plaats, datum: …
Auteur (naam en handtekening)
Goedkeuringsinstantie (naam, stempel)
Punt 1 van het rapport van overeenstemming met de technische voorschriften (voorbeeld)
Informatie over het OBD-systeem
1. Type goedkeuringsaanvraag
|
Goedkeuringsaanvraag |
|||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
2. Informatie over het OBD-systeem
|
Goedkeuring van een afzonderlijk OBD-systeem |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
Goedkeuring van een OBD-familie voor emissies |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
Goedkeuring van een OBD-systeem als lid van een gecertificeerde OBD-familie voor emissies |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
Uitbreiding om een nieuw motorsysteem in een OBD-familie voor emissies op te nemen |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
Uitbreiding bij een wijziging in de constructie die het OBD-systeem beïnvloedt |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
Gewijzigde beschrijving van het OBD-systeem (door de fabrikant): referentie en datum |
… |
||
|
Uitbreiding voor herindeling van een storing |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
Gewijzigde beschrijving van het OBD-systeem (door de fabrikant): referentie en datum |
… |
Punt 2 van het rapport van overeenstemming met de technische voorschriften (voorbeeld)
Informatie over de conformiteit van het OBD-systeem
1. Documentatiepakket
|
De elementen die de fabrikant in het documentatiepakket van de OBD-familie voor emissies heeft verstrekt, zijn volledig en voldoen aan de voorschriften van punt 8 van deze bijlage met betrekking tot de volgende items: |
|
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
||
|
JA/NEE |
2. Inhoud van de documentatie
|
Bewaking |
|
|
De bewakingsfuncties voldoen aan de voorschriften van punt 4.2 van deze bijlage: |
JA/NEE |
|
Indeling |
|
|
De storingsindeling voldoet aan de voorschriften van punt 4.5 van deze bijlage: |
JA/NEE |
|
MI-activeringsschema |
|
|
Overeenkomstig punt 4.6.3 van deze bijlage is het MI-activeringsschema: |
Discriminatoir/Niet-discriminatoir |
|
De activering en de deactivering van de storingsindicator voldoen aan de voorschriften van punt 4.6 van deze bijlage: |
JA/NEE |
|
Registreren en wissen van DTC's |
|
|
Het registreren en wissen van DTC's geschiedt volgens de voorschriften van de punten 4.3 en 4.4 van deze bijlage: |
JA/NEE |
|
Uitschakeling van het OBD-systeem |
|
|
De in het documentatiepakket beschreven strategieën voor tijdelijke loskoppeling of uitschakeling van het OBD-systeem voldoen aan de voorschriften van punt 5.2 van deze bijlage: |
JA/NEE |
|
Elektronische systeembeveiliging |
|
|
De door de fabrikant beschreven maatregelen voor elektronische systeembeveiliging voldoen aan de voorschriften van punt 4.8 van deze bijlage: |
JA/NEE |
Punt 3 van het rapport van overeenstemming met de technische voorschriften (voorbeeld)
Informatie over gebreken
|
Aantal gebreken van het OBD-systeem |
(bv. 4 gebreken) |
||
|
De gebreken voldoen aan de voorschriften van punt 6.4 van deze bijlage |
JA/NEE |
||
|
Gebrek nr. 1 |
|||
|
bv. meting van de ureumconcentratie (SCR) binnen gedefinieerde toleranties |
||
|
bv. één jaar / zes maanden na de datum van goedkeuring |
||
|
(Beschrijving van de gebreken 2 tot en met n-1) |
|
||
|
Gebrek nr. n |
|||
|
bv. meting van de NH3-concentratie achter het SCR-systeem |
||
|
bv. één jaar / zes maanden na de datum van goedkeuring |
Punt 4 van het rapport van overeenstemming met de technische voorschriften (voorbeeld)
Demonstratietests van het OBD-systeem
1. Testresultaat van het OBD-systeem
|
Resultaten van de tests |
|
|
Het in bovenstaand documentatiepakket beschreven OBD-systeem is overeenkomstig punt 6 van deze bijlage met succes getest om overeenstemming van de bewakingsfuncties en de in punt 5 aangegeven storingsindelingen aan te tonen: |
JA/NEE |
Voor de details van de uitgevoerde demonstratietests: zie punt 5.
1.1. Op de motortestopstelling getest OBD-systeem
|
Motor |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
Regeleenheden waarop deze bijlage van toepassing is (inclusief elektronische regeleenheden van de motor) |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
Diagnoseapparaat (scanner die bij de test is gebruikt) |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
Testinformatie |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
2. Demonstratietests van de installatie van het OBD-systeem
|
Behalve de demonstratie van het OBD-systeem / de OBD-familie voor emissies is de installatie van het OBD-systeem of de OBD-systemen binnen de OBD-familie voor emissies op een voertuig getest overeenkomstig de bepalingen van aanhangsel 1 van bijlage 9B: |
JA/NEE |
2.1. Testresultaat van de installatie van het OBD-systeem
|
Resultaten van de test |
|
|
Als de installatie van het OBD-systeem op een voertuig is getest, is deze met succes getest overeenkomstig aanhangsel 1 van bijlage 9B. |
JA/NEE |
2.2. Geteste installatie
Als de installatie van het OBD-systeem op een voertuig is getest:
|
Getest voertuig |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
Diagnoseapparaat (scanner die voor de test is gebruikt) |
|||
|
… |
||
|
… |
||
|
… |
||
|
Testinformatie |
|||
|
… |
Punt 5 van het rapport van overeenstemming met de technische voorschriften (voorbeeld)
Testprotocol
|
Demonstratietest van het OBD-systeem |
||||||||||||||||
|
|
||||||||||||||||
|
- Algemeen - |
- Demonstratie van de storingsindeling - |
- Demonstratie van de OBD-prestaties - |
||||||||||||||
|
|
- Test - |
- Emissieniveau - |
- Indeling - |
- Kwalificatie van het beschadigde onderdeel - |
- MI-activering - |
|||||||||||
|
Storingsmodus |
Foutcode |
Getest overeenkomstig punt |
Testcyclus |
Boven OBD-grensw. |
Onder OBD-grensw. |
Onder EG + X |
Door fabrikant voorgestelde indeling |
Definitieve indeling (1) |
Getest overeenkomstig punt |
Testcyclus |
Gekwalificeerd |
Getest overeenkomstig punt |
Testcyclus |
Continue MI na … cyclus |
Korte MI na … cyclus |
MI op verzoek na … cyclus |
|
|
||||||||||||||||
|
SCR-systeemdoseerklep |
P2… |
niet getest |
|
— |
— |
— |
A |
A |
6.3.2.1 |
WHTC |
ja |
6.3.1 |
WHTC |
2e |
|
|
|
EGR-klep elektrisch |
P1… |
niet getest |
|
|
|
|
A |
B1 |
6.3.2.1 |
WHTC |
ja |
6.3.1 |
WHTC |
|
1e |
|
|
EGR-klep mechanisch |
P1… |
niet getest |
|
|
|
|
B1 |
B1 |
6.3.2.1 |
WHTC |
ja |
6.3.1 |
WHTC |
|
2e |
|
|
EGR-klep mechanisch |
P1… |
6.2.2 |
WHTC |
|
X |
|
B1 |
B1 |
niet getest |
|
ja |
|
|
|
|
|
|
EGR-klep mechanisch |
P1… |
6.2.2 |
WHTC |
|
X |
|
B1 |
B1 |
6.3.2.1 |
WHTC |
ja |
6.3.1 |
WHTC |
|
2e |
|
|
Luchttemp. elektrische sensor |
P1… |
niet getest |
|
|
|
|
B2 |
B2 |
6.3.2.2 |
WHTC |
ja |
6.3.1 |
WHTC |
|
1e |
|
|
Olietemp. elektrische sensor |
P1… |
6.2.6 |
ETC |
|
|
X |
C |
C |
niet getest |
|
ja |
|
|
|
|
|
Opmerkingen: 1) op verzoek van de certificeringsinstantie kan de storing in een andere klasse worden ingedeeld dan die welke de fabrikant heeft voorgesteld.
Alleen de storingen die zijn getest voor indeling of voor prestaties en de storingen die op verzoek van de certificeringsinstantie in een andere klasse zijn ingedeeld, worden op dit blad weergegeven.
Storingen kunnen worden getest om de indeling of prestaties te bepalen, of beide.
Het voorbeeld van de mechanische EGR-klep geeft aan hoe elk van deze 3 gevallen in de tabel wordt weergegeven.
(1) Zoals aangegeven in het goedkeuringsdocument.
Aanhangsel 5
Freezeframe- en datastream-informatie
In de volgende tabellen wordt een overzicht gegeven van de informatie-elementen die in de punten 4.7.1.4 en 4.7.2 van deze bijlage aan de orde komen.
Tabel 1
Dwingende voorschriften
|
|
Freezeframe |
Datastream |
|
Berekende belasting (motorkoppel als percentage van het maximaal beschikbare koppel bij het huidige motortoerental) |
x |
x |
|
Motortoerental |
x |
x |
|
Motorkoelmiddeltemperatuur (of soortgelijk) |
x |
x |
|
Luchtdruk (rechtstreeks gemeten of geschat) |
x |
x |
Tabel 2
Optionele informatie over motortoerental en -belasting
|
|
Freezeframe |
Datastream |
|
Motorkoppel op verzoek van de bestuurder (als percentage van het maximale motorkoppel) |
x |
x |
|
Feitelijk motorkoppel (berekend als percentage van het maximumkoppel, d.w.z. berekend op basis van de opgedragen hoeveelheid ingespoten benzine) |
x |
x |
|
Referentiemaximumkoppel |
|
x |
|
Referentiemaximumkoppel als functie van het motortoerental |
|
x |
|
Verstreken tijd sinds het starten van de motor |
x |
x |
Tabel 3
Optionele informatie, indien gebruikt door het emissie- of OBD-systeem om OBD-informatie in of uit te schakelen
|
|
Freezeframe |
Datastream |
|
Brandstofniveau (bv. percentage van de nominale inhoud van de brandstoftank) of brandstofdruk in de tank (bv. percentage van het bruikbare bereik van de brandstofdruk in de tank), naargelang het geval |
x |
x |
|
Motorolietemperatuur |
x |
x |
|
Snelheid van het voertuig |
x |
x |
|
Status van de aanpassing aan de brandstofkwaliteit (actief / niet-actief) bij gasmotoren |
|
x |
|
Spanning van het computersysteem voor regeling van de motor (voor de belangrijkste controlechip) |
x |
x |
Tabel 4
Optionele informatie, indien de motor daartoe is uitgerust of de gegevens opneemt of berekent
|
|
Freezeframe |
Datastream |
|
Absolute stand van de gasklep / stand van de gasklep voor inlaatlucht (stand van de klep die wordt gebruikt om de inlaatlucht te reguleren) |
x |
x |
|
Status van het regelsysteem voor dieselbrandstof bij een gesloten systeem (bv. een gesloten systeem voor de brandstofdruk) |
x |
x |
|
Druk van de brandstofrail |
x |
x |
|
Inspuitregeldruk (d.w.z. druk van de vloeistof die de brandstofinspuiting reguleert) |
x |
x |
|
Representatieve brandstofinspuittiming (begin van de eerste grote inspuiting) |
x |
x |
|
Opgedragen druk van de brandstofrail |
x |
x |
|
Opgedragen inspuitregeldruk (d.w.z. druk van de vloeistof die de brandstofinspuiting reguleert) |
x |
x |
|
Inlaatluchttemperatuur |
x |
x |
|
Omgevingstemperatuur |
x |
x |
|
Inlaat-/uitlaatluchttemperatuur turbocompressor (compressor en turbine) |
x |
x |
|
Inlaat-/uitlaatdruk turbocompressor (compressor en turbine) |
x |
x |
|
Vulluchttemperatuur (na tussenkoeler indien gemonteerd) |
x |
x |
|
Feitelijke compressordruk |
x |
x |
|
Luchtdebiet via de luchtmassadebietsensor |
x |
x |
|
Opgedragen cyclus/stand van de EGR-klep (mits de EGR zo wordt geregeld) |
x |
x |
|
Feitelijke cyclus/stand van de EGR-klep |
x |
x |
|
Status vermogensafname (actief of niet actief) |
x |
x |
|
Stand gaspedaal |
x |
x |
|
Overbodige absolute stand pedaal |
x |
indien gemeten |
|
Momentaan brandstofverbruik |
x |
x |
|
Opgedragen/beoogde compressordruk (als de compressordruk wordt gebruikt om de werking van de turbocompressor te regelen) |
x |
x |
|
DPF-inlaatdruk |
x |
x |
|
DPF-uitlaatdruk |
x |
x |
|
DPF-deltadruk |
x |
x |
|
Uitlaatdruk van de motor |
x |
x |
|
DPF-inlaattemperatuur |
x |
x |
|
DPF-uitlaattemperatuur |
x |
x |
|
Uitlaatgastemperatuur van de motor |
x |
x |
|
Toerental turbocompressor/turbine |
x |
x |
|
Stand van de turbocompressor met variabele geometrie |
x |
x |
|
Opgedragen stand van de turbocompressor met variabele geometrie |
x |
x |
|
Stand van de overdrukklep |
x |
x |
|
Outputwaarde van de sensor voor de lucht-brandstofverhouding |
|
x |
|
Outputwaarde van de zuurstofsensor |
|
x |
|
Outputwaarde van de secundaire zuurstofsensor (indien gemonteerd) |
|
x |
|
Outputwaarde van de NOx-sensor |
|
x |
Aanhangsel 6
Referentiestandaarddocumenten
Dit aanhangsel bevat de verwijzingen naar de industrienormen die overeenkomstig de bepalingen in deze bijlage moeten worden gebruikt voor de seriële communicatie-interface naar het voertuig of de motor. Twee oplossingen zijn toegestaan:
|
a) |
ISO 27145 met hetzij ISO 15765-4 (op basis van CAN), hetzij ISO 13400 (op basis van TCP/IP); |
|
b) |
SAE J1939-73. |
Voorts zijn overeenkomstig de bepalingen van deze bijlage nog andere ISO- of SAE-normen van toepassing.
Onder verwijzing naar ISO 27145 in deze bijlage wordt verstaan verwijzing naar:
|
a) |
ISO 27145-1 Road vehicles — Implementation of WWH-OBD communication requirements — Part 1 — General Information and use case definitions; |
|
b) |
ISO 27145- 2 Road vehicles — Implementation of WWH-OBD communication requirements — Part 2 — Common emissions-related data dictionary; |
|
c) |
ISO 27145- 3 Road vehicles — Implementation of WWH-OBD communication requirements — Part 3 — Common message dictionary; |
|
d) |
ISO 27145- 4 Road vehicles — Implementation of WWH-OBD communication requirements — Part 4 — Connection between vehicle and test equipment. |
Onder verwijzing naar J1939-73 in deze bijlage wordt verstaan verwijzing naar:
J1939-73 "APPLICATION LAYER - DIAGNOSTICS", gepubliceerd in 2011.
Onder verwijzing naar ISO 13400 in deze bijlage wordt verstaan verwijzing naar:
|
a) |
FDIS 13400-1: 2011 Road vehicles — Diagnostic communication over Internet Protocol (DoIP) — Part 1: General information and use case definition; |
|
b) |
FDIS 13400- 3: 2011 Road vehicles — Diagnostic communication over Internet Protocol (DoIP) — Part 2 — Network and transport layer requirements and services; |
|
c) |
FDIS 13400- 3: 2011 Road vehicles — Diagnostic communication over Internet Protocol (DoIP) — Part 3: IEEE 802.3 based wired vehicle interface; |
|
d) |
[nog geen definitieve versie] 13400-4: 2011 Road vehicles — Diagnostic communication over Internet Protocol (DoIP) — Part 4: Ethernet-based high-speed data link connector. |
Aanhangsel 7
Prestatiebewaking
A.7.1. Algemeen
A.7.1.1. In dit aanhangsel worden bepalingen uiteengezet met betrekking tot de demonstratieprocedure die in bepaalde gevallen van prestatiebewaking van toepassing is.
A.7.2. Demonstratie van prestatiebewaking
A.7.2.1. Goedkeuring van de storingsindeling
|
A.7.2.1.1. |
Overeenkomstig punt 4.2.1.1 van deze bijlage is bij prestatiebewaking geen correlatie met feitelijke emissies noodzakelijk. De typegoedkeuringsinstantie mag echter om testgegevens vragen teneinde de in punt 6.2 beschreven indeling van de storingseffecten te verifiëren. |
A.7.2.2. Goedkeuring van de door de fabrikant gekozen prestatiebewaking
|
A.7.2.2.1. |
Bij de goedkeuring van de door de fabrikant gekozen prestatiebewaking baseert de typegoedkeuringsinstantie zich op technische informatie die door de fabrikant is verstrekt. |
|
A.7.2.2.2. |
De door de fabrikant gekozen prestatiedrempel voor de bewakingsfunctie in kwestie wordt tijdens een kwalificatietest op de oudermotor van de OBD-motorenfamilie als volgt bepaald:
|
|
A.7.2.2.3. |
De voor de basismotor goedgekeurde prestatiebewakingscriteria worden zonder verdere demonstratie van toepassing geacht op alle andere leden van de OBD-motorenfamilie. |
|
A.7.2.2.4. |
In overleg tussen de fabrikant en de typegoedkeuringsinstantie is aanpassing van de prestatiedrempel aan verschillende leden van de OBD-motorenfamilie mogelijk om rekening te houden met verschillende ontwerpparameters (bv. de afmetingen van de EGR-koeler). Dat overleg moet worden gebaseerd op technische elementen die de relevantie ervan aantonen. |
|
A.7.2.2.4.1. |
Op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie kan een tweede lid van de OBD-motorenfamilie aan het in punt A.7.2.2.2 beschreven goedkeuringsproces worden onderworpen. |
A.7.2.3. Kwalificatie van een beschadigd onderdeel
|
A.7.2.3.1. |
Om de OBD-prestaties van de gekozen bewakingsfunctie van een OBD-motorenfamilie aan te tonen, moet op de oudermotor van de OBD-motorenfamilie een beschadigd onderdeel worden gekwalificeerd overeenkomstig punt 6.3.2 van deze bijlage. |
|
A.7.2.3.2. |
Indien een tweede motor wordt getest overeenkomstig punt A.7.2.2.4.1, moet het beschadigde onderdeel op die tweede motor worden gekwalificeerd overeenkomstig punt 6.3.2 van deze bijlage. |
A.7.2.4. Demonstratie van de OBD-prestaties
|
A.7.2.4.1. |
De demonstratie van de OBD-prestaties moet plaatsvinden overeenkomstig punt 7.1.2 van deze bijlage met het gekwalificeerde beschadigde onderdeel dat gekwalificeerd is voor gebruik met de oudermotor. |
Aanhangsel 8
Demonstratievoorschriften in geval van prestatiebewaking van een wall-flow dieseldeeltjesfilter
A.8.1. Algemeen
A.8.1.1. Dit aanhangsel beschrijft de OBD-demonstratieprocedure die van toepassing wanneer het filtreerproces van een wall-flow dieseldeeltjesfilter (DPF) aan prestatiebewaking wordt onderworpen.
A.8.1.2. Een beschadigd wall-flow DPF kan bijvoorbeeld worden gecreëerd door in het DPF-substraat gaten te boren of door de dekplaatjes van het DPF-substraat te verbrijzelen.
A.8.2. Kwalificatietest
A.8.2.1. Principe
|
A.8.2.1.1. |
Een beschadigd wall-flow DPF wordt als een "gekwalificeerd beschadigd onderdeel" beschouwd als de drukval (deltadruk) in dat beschadigde wall-flow DPF onder de voor die test gespecificeerde motorbedrijfsomstandigheden 60% of meer bedraagt van de drukval die in een schoon en niet-beschadigd wall-flow DPF van hetzelfde type is gemeten. |
|
A.8.2.1.1.1. |
De fabrikant moet aantonen dat dit schone en niet-beschadigde wall-flow DPF tot dezelfde tegendruk leidt als het beschadigde filter vóór de beschadiging. |
A.8.2.2. Kwalificatieproces
|
A.8.2.2.1. |
Om een beschadigd wall-flow DPF te kwalificeren, moet de motor die daarmee is uitgerust, onder gestabiliseerde, statische omstandigheden worden gebruikt en worden ingesteld op de waarden voor toerental en belasting die in bijlage 4 bij dit reglement voor fase 9 in de WHSC-testcyclus zijn aangegeven (55% genormaliseerd toerental en 50% genormaliseerd koppel). |
|
A.8.2.2.2. |
Om een beschadigd wall-flow DPF als "gekwalificeerd beschadigd onderdeel" te kwalificeren, moet de fabrikant aantonen dat de drukval in dat beschadigde wall-flow DPF, gemeten wanneer het motorsysteem onder de in punt A.8.2.2.1 beschreven omstandigheden wordt gebruikt, niet lager is dan het percentage van de drukval in een schoon en niet-beschadigd wall-flow DPF onder dezelfde omstandigheden, dat overeenkomstig de punten A.8.2.1.1 en A.8.2.1.2 van toepassing is. |
A.8.2.3. Demonstratie van de OBD-prestaties
|
A.8.2.3.1. |
De demonstratie van de OBD-prestaties moet plaatsvinden overeenkomstig punt 7.1.2 van deze bijlage met het gekwalificeerde beschadigde wall-flow DPF dat op het oudermotorsysteem is gemonteerd. |
BIJLAGE 9C
TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEOORDELING VAN DE PRESTATIES TIJDENS HET GEBRUIK VAN BOORDDIAGNOSESYSTEMEN (OBD-SYSTEMEN)
1. TOEPASBAARHEID
In de huidige versie is deze bijlage alleen van toepassing op wegvoertuigen met compressieontstekingsmotor.
2. VOORBEHOUDEN
3. DEFINITIES
3.1. "Prestatieratio tijdens het gebruik"
De prestatieratio tijdens het gebruik (IUPR) van een specifieke bewakingsfunctie m van het OBD-systeem is:
3.2. "Teller"
De teller van een specifieke bewakingsfunctie m (tellerm) is een variabele die aangeeft hoe vaak een voertuig zo heeft gewerkt dat alle voor de detectie van een storing door die bewakingsfunctie vereiste bewakingsomstandigheden zich hebben voorgedaan.
3.3. "Noemer"
De noemer van een specifieke bewakingsfunctie m (noemerm) is een variabele die het aantal gebeurtenissen tijdens voertuigritten aangeeft, rekening houdend met de voor die bewakingsfunctie specifieke voorwaarden.
3.4. "Algemene noemer"
De algemene noemer is een variabele die aangeeft hoe vaak een voertuig heeft gewerkt, rekening houdend met de algemene omstandigheden.
3.5. Afkortingen
|
IUPR |
Prestatieratio tijdens het gebruik |
|
IUPRm |
Prestatieratio van een specifieke bewakingsfunctie m tijdens het gebruik |
4. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
Het OBD-systeem moet de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik van de in dit punt genoemde OBD-bewakingsfuncties kunnen bijhouden en vastleggen (punt 6), in een computergeheugen kunnen opslaan en op verzoek buiten het voertuig kunnen doorgeven (punt 7).
De gegevens over de prestaties van een bewakingsfunctie tijdens het gebruik omvatten de teller en de noemer waarmee de IUPR kan worden berekend.
4.1. IUPR-bewakingsfuncties
4.1.1. Groepen bewakingsfuncties
De fabrikanten moeten softwarealgoritmen in het OBD-systeem opnemen om de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik van de in aanhangsel 1 van deze bijlage vermelde groepen bewakingsfuncties individueel bij te houden en te rapporteren.
De fabrikanten zijn niet verplicht softwarealgoritmen in het OBD-systeem op te nemen om de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik van permanent uitgevoerde bewakingsfuncties zoals gedefinieerd in punt 4.2.3 van bijlage 9B, individueel bij te houden en te rapporteren als die bewakingsfuncties al deel uitmaken van een van de in aanhangsel 1 van deze bijlage vermelde groepen bewakingsfuncties.
De gegevens over de prestaties tijdens het gebruik van bewakingsfuncties voor verschillende uitlaatlijnen of cilinderbanken binnen een groep bewakingsfuncties moeten overeenkomstig punt 6 individueel worden bijgehouden en vastgelegd en overeenkomstig punt 7 worden gerapporteerd.
4.1.2. Meervoudige bewakingsfuncties
Voor elke groep bewakingsfuncties waarover krachtens punt 4.1.1 moet worden gerapporteerd, moet het OBD-systeem overeenkomstig punt 6 de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik individueel bijhouden voor elk van de specifieke bewakingsfuncties die tot die groep behoren.
4.2. Beperking van het gebruik van gegevens over de prestaties tijdens het gebruik
Voor de statistische beoordeling van de prestaties tijdens het gebruik van het OBD-systeem van een grotere groep voertuigen, worden de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik van één voertuig gebruikt.
In tegenstelling tot andere OBD-gegevens kunnen de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik niet worden gebruikt om conclusies over de verkeerswaardigheid van een individueel voertuig te trekken.
5. VOORSCHRIFTEN VOOR DE BEREKENING VAN PRESTATIERATIO'S TIJDENS HET GEBRUIK
5.1. Berekening van de prestatieratio tijdens het gebruik
Voor elke bewakingsfunctie m waarop deze bijlage betrekking heeft, wordt de prestatieratio tijdens het gebruik berekend met de volgende formule:
waarbij de tellerm en de noemerm overeenkomstig dit punt worden verhoogd.
5.1.1. Voorschriften voor de berekening en vastlegging van de ratio door een systeem
Elke IUPRm-ratio moet een minimumwaarde van 0 en een maximumwaarde van 7,99527 hebben, met een resolutie van 0,000122 (1).
Een ratio voor een specifiek onderdeel wordt geacht nul te zijn wanneer de waarde van de teller gelijk is aan nul en de waarde van de noemer niet gelijk is aan nul.
Een ratio voor een specifiek onderdeel wordt geacht de maximumwaarde van 7,99527 te hebben wanneer de waarde van de noemer gelijk is aan nul of wanneer de feitelijke waarde van de teller gedeeld door de noemer hoger is dan de maximumwaarde van 7,99527.
5.2. Voorschriften voor de verhoging van de teller
Per rijcyclus mag de teller maar een keer worden verhoogd.
De teller van een specifieke bewakingsfunctie moet binnen 10 seconden enkel en alleen worden verhoogd als tijdens één rijcyclus aan de volgende criteria wordt voldaan:
|
a) |
er wordt voldaan aan alle bewakingsvoorwaarden die voor de detectie van een storing en de vastlegging van een potentiële DTC door de bewakingsfunctie van het specifieke onderdeel vereist zijn, met inbegrip van inschakelingscriteria, de aan- of afwezigheid van gerelateerde DTC's, voldoende bewakingstijd en prioriteitstoekenning voor de uitvoering van diagnosen (bv. diagnose A gaat vooraf aan diagnose B). Opmerking: Voor het verhogen van de teller van een specifieke bewakingsfunctie volstaat het misschien niet dat wordt voldaan aan alle bewakingsvoorwaarden die voor de vaststelling van de afwezigheid van een storing door die bewakingsfunctie vereist zijn; |
|
b) |
voor bewakingsfuncties waarbij meerdere fasen of gebeurtenissen binnen één rijcyclus nodig zijn om een storing te detecteren, moet worden voldaan aan elke bewakingsvoorwaarde die voor de voltooiing van alle gebeurtenissen vereist is; |
|
c) |
voor bewakingsfuncties die voor de identificatie van storingen worden gebruikt en pas na de vastlegging van een potentiële DTC worden uitgevoerd, mogen de teller en de noemer dezelfde zijn als die van de bewakingsfunctie die de oorspronkelijke storing heeft gedetecteerd; |
|
d) |
voor bewakingsfuncties die een interventie vergen om de aanwezigheid van een storing nader te onderzoeken, mag de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie een alternatieve wijze voorstellen om de teller te verhogen. Dit alternatief moet gelijkwaardig zijn aan de methode waarmee de teller zou worden verhoogd als er een storing aanwezig was. |
Voor bewakingsfuncties die geheel of gedeeltelijk plaatsvinden terwijl de motor wordt uitgeschakeld, wordt de teller verhoogd binnen 10 seconden nadat de bewakingsfunctie is voltooid tijdens het uitschakelen van de motor of tijdens de eerste 10 seconden van het starten van de motor bij de eerstvolgende rijcyclus.
5.3. Voorschriften voor het verhogen van de noemer
5.3.1. Algemene verhogingsregels
De noemer wordt een keer per rijcyclus verhoogd als tijdens die rijcyclus:
|
a) |
de algemene noemer overeenkomstig punt 5.4 wordt verhoogd; en |
|
b) |
de noemer niet overeenkomstig punt 5.6 is geblokkeerd; en |
|
c) |
aan de aanvullende specifieke verhogingsregels in punt 5.3.2, indien van toepassing, wordt voldaan. |
5.3.2. Aanvullende specifieke verhogingsregels voor bewakingsfuncties
5.3.2.1. Specifieke noemer voor verdampingssystemen (voorbehouden)
5.3.2.2. Specifieke noemer voor secundaire luchtsystemen (voorbehouden)
5.3.2.3. Specifieke noemer voor onderdelen of systemen die alleen werken bij het starten van de motor
Naast de voorschriften van punt 5.3.1, onder a) en b), geldt voor de noemer(s) van bewakingsfuncties van onderdelen of systemen die alleen werken bij het starten van de motor, dat deze moet(en) worden verhoogd als het onderdeel of de strategie ten minste 10 seconden is ingeschakeld.
Bij het bepalen van deze inschakelduur mag de tijd die nodig is voor interventies aan de onderdelen of strategieën later in dezelfde rijcyclus, uitsluitend met het oog op bewaking, door het OBD-systeem niet worden meegeteld.
5.3.2.4. Specifieke noemer voor onderdelen of systemen die niet voortdurend zijn ingeschakeld
Naast de voorschriften van punt 5.3.1, onder a) en b), geldt voor de noemer(s) van bewakingsfuncties van onderdelen of systemen die niet voortdurend zijn ingeschakeld (bv. variabele-kleptimingsystemen (VVT) of EGR-kleppen), dat deze moet(en) worden verhoogd als het onderdeel of het systeem tijdens de rijcyclus ten minste twee keer wordt ingeschakeld (bv. aangezet, geopend, gesloten of vergrendeld) of in totaal ten minste 10 seconden is ingeschakeld (al naargelang de situatie die zich het eerst voordoet).
5.3.2.5. Specifieke noemer voor DPF's
Naast de voorschriften van punt 5.3.1, onder a) en b), geldt voor de noemer(s) van bewakingsfuncties van DPF's dat deze in ten minste één rijcyclus moet(en) worden verhoogd als het voertuig in totaal ten minste 800 km heeft gereden of de motor ten minste 750 minuten heeft gedraaid sinds de noemer voor het laatst is verhoogd.
5.3.2.6. Specifieke noemer voor oxidatiekatalysatoren
Naast de voorschriften van punt 5.3.1, onder a) en b), geldt voor de noemer(s) van bewakingsfuncties van oxidatiekatalysatoren die voor de actieve regeneratie van DPF's worden gebruikt, dat deze in ten minste één rijcyclus moet(en) worden verhoogd als gedurende ten minste 10 seconden een regeneratie plaatsvindt.
5.3.2.7. Specifieke noemer voor hybride voertuigen (voorbehouden)
5.4. Voorschriften voor het verhogen van de algemene noemer
De algemene noemer moet binnen 10 seconden enkel en alleen worden verhoogd als tijdens één rijcyclus aan de volgende criteria wordt voldaan:
|
a) |
de gecumuleerde tijd vanaf het begin van de rijcyclus bedraagt ten minste 600 seconden, terwijl:
|
|
b) |
de motor draait in totaal ten minste 300 seconden bij een toerental van minimaal 1 150 min–1 terwijl aan de onder a) beschreven voorwaarden wordt voldaan. In plaats van het criterium van 1 150 min–1 mag de fabrikant de motor ook minimaal 15% boven de berekende belasting laten draaien of het voertuig met minimaal 40 km/h laten rijden; |
|
c) |
het voertuig werkt minimaal 30 seconden stationair (bv. gaspedaal losgelaten door de bestuurder en het voertuig rijdt met 1,6 km/h of minder of met een motortoerental van maximaal 200 min–1 boven het normale stationaire toerental met opgewarmde motor) terwijl aan de onder a) beschreven voorwaarden wordt voldaan. |
5.5. Voorschriften voor het verhogen van de telfunctie voor het aantal ontstekingscycli
De telfunctie voor het aantal ontstekingscycli moet telkens als de motor wordt gestart, maar een keer worden verhoogd.
5.6. Blokkering van de verhoging van de tellers, van de noemers en van de algemene noemer
5.6.1. Binnen 10 seconden na de detectie van een storing (d.w.z. wanneer een potentiële of een bevestigde en actieve DTC wordt opgeslagen) waardoor een bewakingsfunctie wordt gedeactiveerd, moet het OBD-systeem het verder verhogen van de teller en noemer van elke gedeactiveerde bewakingsfunctie blokkeren.
Wanneer de storing niet meer wordt gedetecteerd (d.w.z. wanneeer de potentiële DTC wordt gewist door het systeem zelf of met behulp van een scanner), moet het verhogen van alle betrokken tellers en noemers binnen 10 seconden worden hervat.
5.6.2. Binnen 10 seconden nadat een vermogensafname-eenheid (PTO) is ingeschakeld waardoor een bewakingsfunctie overeenkomstig punt 5.2.5 van bijlage 9B wordt gedeactiveerd, moet het OBD-systeem het verder verhogen van de teller en noemer van elke gedeactiveerde bewakingsfunctie blokkeren.
Wanneer de werking van de PTO wordt beëindigd, moet het verhogen van alle overeenkomstige tellers en noemers binnen 10 seconden worden hervat.
5.6.3. Bij een storing (d.w.z. wanneer een potentiële of een bevestigde en actieve DTC is opgeslagen) waardoor niet kan worden vastgesteld of aan de in punt 5.3 vermelde criteria voor noemerm van een bewakingsfunctie m wordt voldaan (2), moet het OBD-systeem binnen 10 seconden het verder verhogen van tellerm en noemerm blokkeren.
Het verhogen van tellerm en noemerm moet binnen 10 seconden worden hervat wanneer de storing niet langer aanwezig is (bv. wanneer een in behandeling zijnde DTC door het systeem zelf of met behulp van een scanner wordt gewist).
5.6.4. Bij een storing (d.w.z. wanneer een potentiële of een bevestigde en actieve DTC is opgeslagen) waardoor niet kan worden vastgesteld of aan de in punt 5.4 vermelde criteria voor de algemene noemer wordt voldaan, moet het OBD-systeem binnen 10 seconden het verder verhogen van de algemene noemer blokkeren.
Het verhogen van de algemene noemer moet binnen 10 seconden worden hervat wanneer de storing niet langer aanwezig is (bv. wanneer een in behandeling zijnde DTC door het systeem zelf of met behulp van een scanner wordt gewist).
Het verhogen van de algemene noemer mag om geen enkele andere reden worden geblokkeerd.
6. VOORSCHRIFTEN VOOR HET BIJHOUDEN EN VASTLEGGEN VAN GEGEVENS OVER DE PRESTATIES TIJDENS HET GEBRUIK
Voor elke in aanhangsel 1 van deze bijlage vermelde groep bewakingsfuncties moet het OBD-systeem de tellers en noemers van elk van de in aanhangsel 3 van bijlage 9B vermelde specifieke bewakingsfuncties die tot die groep behoren, afzonderlijk bijhouden.
Alleen de teller en noemer van de specifieke bewakingsfunctie met de laagste getalverhouding moeten worden gerapporteerd.
Indien twee of meer specifieke bewakingsfuncties dezelfde ratio hebben, moeten voor de specifieke groep bewakingsfuncties de teller en noemer van de specifieke bewakingsfunctie met de hoogste noemer worden gerapporteerd.
Om zonder vertekening de laagste ratio van een groep te bepalen, mogen alleen de bewakingsfuncties in aanmerking worden genomen die specifiek in die groep zijn genoemd (bv. wanneer een NOx-sensor wordt gebruikt om een van de in bijlage 9B, aanhangsel 3, punt 3 ("SCR"), vermelde bewakingsfuncties te verrichten, wordt daarmee rekening gehouden in de groep bewakingsfuncties "uitlaatgassensor" en niet in de groep bewakingsfuncties "SCR").
Het OBD-systeem moet ook de algemene noemer en de telfunctie voor het aantal ontstekingscycli bijhouden en rapporteren.
Opmerking: De fabrikanten zijn overeenkomstig punt 4.1.1 niet verplicht softwarealgoritmen in het OBD-systeem op te nemen om de tellers en noemers van permanent uitgevoerde bewakingsfuncties individueel bij te houden en te rapporteren.
7. VOORSCHRIFTEN VOOR HET OPSLAAN EN DOORGEVEN VAN GEGEVENS OVER DE PRESTATIES TIJDENS HET GEBRUIK
Het doorgeven van gegevens over de prestaties tijdens het gebruik is een nieuw gebruiksgeval en is niet opgenomen in de drie bestaande gebruiksgevallen, die betrekking hebben op de aanwezigheid van mogelijke storingen.
7.1. Informatie over de prestaties tijdens het gebruik
De door het OBD-systeem vastgelegde informatie over de prestaties tijdens het gebruik moet overeenkomstig punt 7.2 door een systeem buiten het voertuig kunnen worden uitgelezen.
Op deze wijze krijgen de typegoedkeuringsinstanties gegevens over de prestaties tijdens het gebruik.
Het OBD-systeem moet de externe IUPR-testapparatuur alle informatie verstrekken (overeenkomstig de toepasselijke norm die vermeld is in aanhangsel 6 van bijlage 9B) die nodig is om de gegevens te assimileren en een inspecteur de volgende informatie te verschaffen:
|
a) |
het voertuigidentificatienummer (VIN); |
|
b) |
de teller en de noemer voor elke groep bewakingsfuncties, die het systeem overeenkomstig punt 6 heeft vastgelegd; |
|
c) |
de algemene noemer; |
|
d) |
de waarde van de telfunctie voor het aantal ontstekingscycli; |
|
e) |
het totale aantal motorbedrijfsuren; |
|
f) |
bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse A; |
|
g) |
bevestigde en actieve DTC's voor storingen van klasse B (B1 en B2); |
Deze informatie mag alleen kunnen worden uitgelezen (en niet worden gewist).
7.2. Toegang tot de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik
Toegang tot de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik mag alleen overeenkomstig de in aanhangsel 6 van bijlage 9B vermelde normen en overeenkomstig de volgende alinea's worden verleend (3).
Voor de toegang tot de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik mogen geen toegangscodes of andere voorzieningen of methoden vereist zijn die alleen de fabrikant of zijn leveranciers kunnen verstrekken. Voor de interpretatie van de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik mag geen unieke decodeerinformatie noodzakelijk zijn, tenzij die informatie algemeen beschikbaar is.
Voor toegang tot de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik moet dezelfde methode (bv. een toegangspunt of -knoop) worden gebruikt als voor het opvragen van alle OBD-informatie. Deze methode moet toegang bieden tot alle krachtens deze bijlage vereiste gegevens over de prestaties tijdens het gebruik.
7.3. Re-initialisatie van de gegevens over de prestaties tijdens het gebruik
7.3.1. Weer op nul zetten
Elke waarde mag alleen weer op nul worden gezet wanneer een niet-vluchtig RAM-geheugen (NVRAM) wordt gereset (bv. bij herprogrammering). De waarden mogen onder geen enkele andere omstandigheid weer op nul worden gezet, ook niet wanneer een wisopdracht van een scanner voor foutcodes wordt ontvangen.
7.3.2. Resetten bij overflow van het geheugen
Als de teller of de noemer van een specifieke bewakingsfunctie de waarde 65 535 ± 2 bereikt, moeten beide getallen door twee worden gedeeld om overflowproblemen te voorkomen; pas daarna mag een van beide weer worden verhoogd.
Als de telfunctie voor het aantal ontstekingscycli de maximumwaarde van 65 535 ± 2 bereikt, mag de telfunctie bij de volgende ontstekingscyclus weer bij nul beginnen om overflowproblemen te voorkomen.
Als de algemene noemer de maximumwaarde van 65 535 ± 2 bereikt, mag de algemene noemer bij de volgende rijcyclus die aan de definitie van de algemene noemer voldoet, weer bij nul beginnen om overflowproblemen te voorkomen.
(1) Deze waarde komt overeen met een maximale hexadecimale waarde van 0xFFFF met een resolutie van 0x1.
(2) Bv. snelheid van het voertuig / motortoerental / berekende belasting, omgevingstemperatuur, hoogte boven zeeniveau, stationair werken of werkingstijd.
(3) De fabrikant mag gebruikmaken van een aanvullend OBD-display in het voertuig, zoals bv. een monitor op het dashboard, om toegang te verlenen tot gegevens over de prestaties tijdens het gebruik. Op een dergelijke aanvullende voorziening zijn de voorschriften van deze bijlage niet van toepassing.
Aanhangsel 1
Groepen bewakingsfuncties
Deze bijlage betreft de volgende groepen bewakingsfuncties:
|
A. |
Oxidatiekatalysatoren De specifieke bewakingsfuncties van deze groep zijn in bijlage 9B, aanhangsel 3, punt 5, vermeld. |
|
B. |
Systemen voor selectieve katalytische reductie (SCR) De specifieke bewakingsfuncties van deze groep zijn in bijlage 9B, aanhangsel 3, punt 3, vermeld. |
|
C. |
Uitlaatgas- en zuurstofsensoren De specifieke bewakingsfuncties van deze groep zijn in bijlage 9B, aanhangsel 3, punt 13, vermeld. |
|
D. |
EGR-systemen en VVT De specifieke bewakingsfuncties van deze groep zijn in bijlage 9B, aanhangsel 3, punten 6 en 9, vermeld. |
|
E. |
DPF-systemen De specifieke bewakingsfuncties van deze groep zijn in bijlage 9B, aanhangsel 3, punt 2, vermeld. |
|
F. |
Compressordrukregelsysteem De specifieke bewakingsfuncties van deze groep zijn in bijlage 9B, aanhangsel 3, punt 8, vermeld. |
|
G. |
NOx-adsorberende voorziening De specifieke bewakingsfuncties van deze groep zijn in bijlage 9B, aanhangsel 3, punt 4, vermeld. |
|
H. |
Driewegkatalysator De specifieke bewakingsfuncties van deze groep zijn in bijlage 9B, aanhangsel 3, punt 15, vermeld. |
|
I. |
Verdampingssystemen (voorbehouden) |
|
J. |
Secundair luchtsysteem (voorbehouden) |
Een specifieke bewakingsfunctie moet tot een van deze groepen behoren.
BIJLAGE 10
VOORSCHRIFTEN OM DE EMISSIES BUITEN DE CYCLUS EN DE EMISSIES TIJDENS HET GEBRUIK TE BEPERKEN
1. TOEPASBAARHEID
Deze bijlage bevat de prestatievoorschriften en een verbod op manipulatiestrategieën voor motoren en voertuigen waarvoor typegoedkeuring is verleend krachtens dit reglement, waarmee wordt beoogd de emissies onder uiteenlopende motorbedrijfs- en omgevingsomstandigheden zoals die zich tijdens normaal gebruik van het voertuig voordoen, doeltreffend te beheersen. In deze bijlage worden ook de testprocedures uiteengezet voor het testen van emissies buiten de cyclus tijdens de typegoedkeuring en tijdens het feitelijke gebruik van het voertuig.
Deze bijlage is gebaseerd op Mondiaal Technisch Reglement nr. 10 betreffende wereldwijd geharmoniseerde emissies buiten de cyclus (OCE).
2. Voorbehouden (1)
3. DEFINITIES
3.1. " Starten van de motor ": het proces vanaf het aanslingeren van de motor totdat de motor een toerental bereikt dat 150 min–1 onder het normale stationaire toerental met opgewarmde motor ligt (voor voertuigen met automatische transmissie vastgesteld in de normale rijstand).
3.2. " Warmlopen van de motor ": het inrijden van het voertuig totdat de temperatuur van het koelmiddel ten minste 70°C bedraagt.
3.3. " Nominaal toerental ": het door de regulateur toegestane maximumtoerental bij vollast of, bij afwezigheid van een regulateur, het toerental waarbij de motor het maximumvermogen levert, volgens opgave van de fabrikant in zijn verkoop- en servicedocumentatie.
3.4. " Gereglementeerde emissies ": "verontreinigende gassen" en "deeltjesmateriaal " (PM) zoals gedefinieerd in punt 2 van dit reglement.
4. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
Elk motorsysteem en elk constructieonderdeel dat de emissie van gereglementeerde verontreinigende stoffen kan beïnvloeden, moet zodanig worden ontworpen, gebouwd, geassembleerd en geïnstalleerd dat de motor en het voertuig aan de bepalingen van deze bijlage kunnen voldoen.
4.1. Verbod op manipulatiestrategieën
Motorsystemen en voertuigen mogen niet met een manipulatiestrategie zijn uitgerust.
4.2. Voorbehouden (2)
5. PRESTATIEVOORSCHRIFTEN
5.1. Emissiestrategieën
De emissiestrategieën moeten zodanig zijn ontworpen dat het motorsysteem bij normaal gebruik aan de voorschriften van deze bijlage kan voldoen. Normaal gebruik is niet beperkt tot de in punt 6 genoemde gebruiksomstandigheden.
5.1.1. Voorschriften voor primaire emissiestrategieën (BES)
Een BES mag geen onderscheid maken tussen de werking bij een toepasselijke typegoedkeurings- of certificeringstest en andere werking en mag in omstandigheden die niet in aanzienlijke mate in de toepasselijke typegoedkeurings- of certificeringstests zijn opgenomen, geen lager emissiebeheersingsniveau opleveren.
5.1.2. Voorschriften voor aanvullende emissiestrategieën (AES)
Een AES mag de doelmatigheid van de emissiebeheersing bij een BES niet verminderen in omstandigheden waarvan redelijkerwijs mag worden verwacht dat zij bij normaal voertuiggebruik optreden, tenzij een van de volgende specifieke uitzonderingen op de AES van toepassing is:
|
a) |
de werking van de AES is in aanzienlijke mate in de toepasselijke typegoedkeuringstests opgenomen, met inbegrip van de testprocedures buiten de cyclus in punt 7 van deze bijlage en de bepalingen tijdens het gebruik in punt 9 van dit reglement; |
|
b) |
de AES wordt geactiveerd om de motor en/of het voertuig tegen schade of ongevallen te beschermen; |
|
c) |
de AES wordt alleen geactiveerd tijdens het starten of het warmlopen van de motor zoals gedefinieerd in deze bijlage; |
|
d) |
de werking van de AES wordt gebruikt om onder specifieke, niet in aanzienlijke mate in de typegoedkeurings- of certificeringstests opgenomen omgevings- of bedrijfsomstandigheden de beheersing van één type gereglementeerde emissies op te geven om een ander type gereglementeerde emissies te blijven beheersen. Per saldo moet een dergelijke AES tot gevolg hebben dat de effecten van extreme omgevingsomstandigheden zodanig worden gecompenseerd dat alle gereglementeerde emissies op aanvaardbare wijze worden beheerst. |
5.2. Wereldwijd geharmoniseerde maximumgrenswaarden (World-harmonized Not-To-Exceed limits, WNTE-grenswaarden) voor gasvormige en deeltjesemissies via de uitlaat
5.2.1. De uitlaatemissies mogen de toepasselijke emissiegrenswaarden van punt 5.2.2 niet overschrijden.
5.2.2. De toepasselijke emissiegrenswaarden zijn als volgt:
|
a) |
voor CO: 2 000 mg/kWh; |
|
b) |
voor THC: 220 mg/kWh; |
|
c) |
voor NOx: 600 mg/kWh; |
|
d) |
voor PM: 16 mg/kWh. |
6. OMGEVINGS- EN BEDRIJFSOMSTANDIGHEDEN
De WNTE-emissiegrenswaarden zijn van toepassing bij:
|
a) |
elke luchtdruk van 82,5 kPa of hoger; |
|
b) |
elke temperatuur die lager is dan of gelijk is aan de met formule 5 bepaalde temperatuur bij de gespecificeerde luchtdruk:
waarin:
|
|
c) |
elke motorkoelmiddeltemperatuur van meer dan 343 K (70°C). |
De toepasselijke luchtdruk- en temperatuuromstandigheden zijn weergegeven in figuur 1.
Luchtdruk- en temperatuurbereik volgens WNTE
Figuur 1
Illustratie van de luchtdruk- en temperatuuromstandigheden
7. LABORATORIUMTESTS EN VOERTUIGTESTS BUITEN DE CYCLUS VAN MOTOREN BIJ TYPEGOEDKEURING
De voorschriften voor laboratoriumtests buiten de cyclus zijn niet van toepassing op de typegoedkeuring van elektrische-ontstekingsmotoren die onder dit reglement vallen.
7.1. WNTE-controlegebied
Het WNTE-controlegebied omvat de in de punten 7.1.1 tot en met 7.1.6 beschreven motortoerentallen en -belastingstoestanden. In figuur 2 wordt een voorbeeld gegeven van het WNTE-controlegebied.
7.1.1. Motortoerentalbereik
Het WNTE-controlegebied omvat alle operationele toerentallen tussen het 30e percentiel van de cumulatieve toerentalverdeling over de WHTC-testcyclus, met inbegrip van het stationaire toerental (n30) en het hoogste toerental waarbij 70% van het maximumvermogen optreedt (nhi). Figuur 3 is een voorbeeld van de cumulatieve toerentalfrequentieverdeling volgens de WNTE voor een specifieke motor.
7.1.2. Motorkoppelbereik
Het WNTE-controlegebied omvat alle motorbelastingstoestanden waarbij het koppel ten minste 30% van het maximumkoppel van de motor bedraagt.
7.1.3. Motorvermogenbereik
Niettegenstaande de punten 7.1.1 en 7.1.2 moeten toerentallen en belastingstoestanden onder 30% van het maximumvermogen van de motor voor alle emissies van het WNTE-controlegebied worden uitgesloten.
7.1.4. Toepassing van het motorenfamilieconcept
In beginsel heeft binnen een familie elke motor met een unieke koppel-vermogenskromme zijn eigen WNTE-controlegebied. Bij tests tijdens het gebruik moet het eigen WNTE-controlegebied van de motor worden gebruikt. Bij typegoedkeurings- of certificeringstests op basis van het motorenfamilieconcept van het mondiaal technisch reglement betreffende de wereldwijd geharmoniseerde testcyclus mag de fabrikant facultatief één WNTE-controlegebied voor de motorenfamilie gebruiken mits de volgende voorschriften worden nageleefd:
|
a) |
er mag één motortoerentalbereik van het WNTE-controlegebied worden gebruikt als de gemeten motortoerentallen n30 en nhi binnen ± 3% van de door de fabrikant opgegeven waarden liggen. Indien de tolerantie voor een motortoerental wordt overschreden, worden de gemeten motortoerentallen gebruikt voor het bepalen van het WNTE-controlegebied; |
|
b) |
er mag één motorkoppel-/vermogensbereik van het WNTE-controlegebied worden gebruikt als dit het volledige bereik van de hoogst tot de laagst gekwalificeerde motor van de familie dekt. In plaats daarvan mogen de motorkwalificaties ook in verschillende WNTE-controlegebieden worden gegroepeerd. |
Figuur 2
Voorbeeld van een WNTE-controlegebied
Figuur 3
Voorbeeld van cumulatieve toerentalfrequentieverdeling volgens WNTE
7.1.5. Buiten beschouwing laten van bepaalde WNTE-werkpunten bij de controle van de overeenstemming
De fabrikant kan de typegoedkeuringsinstantie verzoeken tijdens de certificering of typegoedkeuring bepaalde werkpunten van het in de punten 7.1.1 tot en met 7.1.4 gedefinieerde WNTE-controlegebied buiten beschouwing te laten. De typegoedkeuringsinstantie kan hiermee instemmen als de fabrikant kan aantonen dat de motor bij geen enkele voertuigcombinatie ooit bij deze punten zal kunnen werken.
7.2. Minimale duur en gegevensbemonsteringsfrequentie van een WNTE-emissiemeting
7.2.1. Om te controleren of een motor aan de in punt 5.2 bedoelde WNTE-emissiegrenswaarden voldoet, moet de motor binnen het in punt 7.1 bepaalde WNTE-controlegebied draaien en moeten de emissies ten minste over een periode van 30 seconden worden gemeten en geïntegreerd. Een WNTE-emissiemeting wordt gedefinieerd als één reeks geïntegreerde metingen over een bepaalde periode. Als de motor bijvoorbeeld gedurende 65 seconden aaneengesloten binnen het controlegebied en de omgevingscondities van de WNTE draait, vormt dit één WNTE-emissiemeting en wordt de gemiddelde emissie over de hele periode van 65 seconden genomen. Bij laboratoriumtests geldt de in punt 7.5 gedefinieerde integratieperiode.
7.2.2. Als bij motoren met emissiebeheersing op basis van periodieke regeneratie tijdens de WNTE-test een regeneratie plaatsvindt, moet de periode waarover het gemiddelde wordt genomen ten minste even lang zijn als de tijd tussen twee regeneraties vermenigvuldigd met het aantal volledige regeneraties tijdens de bemonsteringsperiode. Dit voorschrift geldt alleen voor motoren die bij het begin van een regeneratie een elektronisch signaal geven.
7.2.3. Een WNTE-emissiemeting is een reeks van gegevens die ten minste gedurende de minimale emissiemeetperiode met een frequentie van ten minste 1 Hz worden verzameld terwijl de motor binnen het WNTE-controlegebied draait. Voor elke WNTE-emissiemeting wordt het gemiddelde van de gemeten emissiegegevens over de emissiemeetperiode genomen.
7.3. Tests tijdens het gebruik
Bij typegoedkeuring moet een PEMS-demonstratietest worden verricht door de oudermotor in een voertuig te testen volgens de in aanhangsel 1 van deze bijlage beschreven procedure.
7.3.1. De fabrikant mag het voertuig kiezen dat voor de tests zal worden gebruikt, maar die keuze moet door de typegoedkeuringsinstantie worden goedgekeurd. De kenmerken van het voertuig dat voor de PEMS-demonstratietest wordt gebruikt, moeten representatief zijn voor de voertuigcategorie waarvoor het motorsysteem is bedoeld. Het voertuig mag een prototype zijn.
7.3.2. Op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie mag een extra motor binnen de motorenfamilie of een gelijkwaardige motor die een andere voertuigcategorie vertegenwoordigt, in een voertuig worden getest.
7.4. WNTE- laboratoriumtests
Wanneer de bepalingen van deze bijlage worden gebruikt als basis voor laboratoriumtests, gelden de volgende bepalingen.
7.4.1. De specifieke massa-emissies van gereglementeerde verontreinigende stoffen moeten worden bepaald op basis van willekeurig gekozen testpunten die over het WNTE-controlegebied zijn verspreid. Alle testpunten moeten liggen binnen drie willekeurig gekozen cellen van een rooster dat over het controlegebied wordt gelegd. Het rooster omvat negen cellen voor motoren met een nominaal toerental van minder dan 3 000 min–1 en twaalf cellen voor motoren met een nominaal toerental van 3 000 min–1 of meer. De roosters worden als volgt vastgesteld:
|
a) |
de buitengrenzen van het rooster vallen samen met die van het WNTE-controlegebied; |
|
b) |
twee verticale lijnen op gelijke afstand tussen de motortoerentallen n30 en nhi voor een rooster met negen cellen, of drie verticale lijnen op gelijke afstand tussen de motortoerentallen n30 en nhi voor een rooster met twaalf cellen; en |
|
c) |
twee lijnen die bij elke verticale lijn binnen het WNTE-controlegebied op gelijke afstand van het motorkoppel (⅓) liggen. |
In de figuren 5 en 6 worden voorbeelden gegeven van roosters voor specifieke motoren.
7.4.2. In de drie gekozen roostercellen moeten telkens vijf willekeurige meetpunten worden gekozen, zodat in totaal 15 willekeurige punten binnen het WNTE-controlegebied worden getest. De cellen worden na elkaar getest; dit betekent dat alle vijf punten in één cel worden getest voordat naar de volgende roostercel wordt overgegaan. De meetpunten worden in één testcyclus van statische toestanden met overgangen gecombineerd.
7.4.3. De volgorde waarin de roostercellen worden getest, en de volgorde waarin de punten binnen de roostercel worden getest, wordt willekeurig vastgesteld. De drie te testen roostercellen, de 15 meetpunten, de testvolgorde van de roostercellen en de testvolgorde van de punten binnen een roostercel worden door de typegoedkeurings- of certificeringsinstantie met erkende statistische randomiseringsmethoden bepaald.
7.4.4. De gemiddelde specifieke massa-emissies van gereglementeerde verontreinigende gassen, gemeten in een roostercel met vijf meetpunten van een cyclus, mogen de in punt 5.2 bedoelde WNTE-grenswaarden niet overschrijden.
7.4.5. De gemiddelde specifieke massa-emissies van gereglementeerde verontreinigende deeltjes, gemeten over alle 15 meetpunten van een cyclus, mogen de in punt 5.2 bedoelde WNTE-grenswaarden niet overschrijden.
7.5. Procedure voor laboratoriumtests
7.5.1. Na afloop van de WHSC-cyclus wordt de motor gedurende drie minuten voorgeconditioneerd op fase 9 van de WHSC. De testsequentie begint onmiddellijk na de voorconditioneringsfase.
7.5.2. De motor draait twee minuten bij elk willekeurig gekozen meetpunt. De overgang uit de vorige statische toestand is hierbij inbegrepen. De overgang van het motortoerental en de belasting tussen de testpunten moet lineair verlopen en 20 ± 1 seconden duren.
7.5.3. De test duurt in totaal 30 minuten. Het testen van elke reeks van 5 willekeurig gekozen punten in een roostercel duurt 10 minuten, gemeten van het begin van de overgang naar het eerste meetpunt tot het eind van de meting van de statische toestand bij het vijfde punt. De testprocedure is schematisch weergegeven in figuur 5.
7.5.4. De WNTE-laboratoriumtest moet voldoen aan de validatiestatistieken van punt 7.8.7 van bijlage 4.
7.5.5. De emissies worden gemeten overeenkomstig de punten 7.5, 7.7 en 7.8 van bijlage 4.
7.5.6. De testresultaten worden berekend overeenkomstig punt 8 van bijlage 4.
Figuur 4
Schematisch voorbeeld van het begin van de WNTE-testcyclus
Figuren 5 en 6
Roosters van de WNTE-testcyclus
7.6. Afronding
Elk definitief testresultaat wordt afgerond op het aantal cijfers achter de komma dat is vermeld in de toepasselijke WHDC-emissienorm plus één extra significant cijfer, overeenkomstig ASTM E 29-06. Tussentijdse waarden die tot het definitieve specifieke emissieresultaat op de testbank leiden, mogen niet worden afgerond.
8. VOORBEHOUDEN
9. Voorbehouden
10. CONFORMITEITSVERKLARING BETREFFENDE EMISSIES BUITEN DE CYCLUS
Bij de typegoedkeuringsaanvraag voegt de fabrikant een verklaring dat de motorenfamilie of het voertuig voldoet aan de voorschriften van dit reglement inzake beperking van de emissies buiten de cyclus. Bovendien wordt de conformiteit met de toepasselijke emissiegrenswaarden en voorschriften tijdens het gebruik met aanvullende tests geverifieerd.
10.1. Voorbeeld van een conformiteitsverklaring betreffende emissies buiten de cyclus
Dit is een voorbeeld van een conformiteitsverklaring:
"(Naam van de fabrikant) verklaart dat de motoren van deze motorenfamilie aan alle voorschriften van deze bijlage voldoen. (Naam van de fabrikant) legt deze verklaring te goeder trouw af en heeft de emissieprestaties van de motoren van de motorenfamilie voor het toepasselijke werkgebied en de toepasselijke omgevingscondities naar behoren technisch beoordeeld."
10.2. Grondslag van een conformiteitsverklaring betreffende emissies buiten de cyclus
De fabrikant bewaart op de productie-eenheid een dossier met alle testgegevens, technische analysen en andere informatie die de grondslag van de OCE-conformiteitsverklaring vormt. De fabrikant verstrekt deze informatie op verzoek aan de certificerings- of typegoedkeuringsinstantie.
11. DOCUMENTATIE
De typegoedkeuringsinstantie kan van de fabrikant een documentatiepakket verlangen. Hierin moeten alle constructieonderdelen en elementen van de emissiebeheersingsstrategie van het motorsysteem worden beschreven, alsook de middelen waarmee de outputvariabelen direct of indirect worden geregeld.
De informatie mag een volledige beschrijving van de emissieheersingsstrategie bevatten. Daarnaast mag informatie worden gegeven over de werking van alle AES en BES, waaronder een beschrijving van de parameters die door een AES worden gewijzigd en de grensomstandigheden waaronder de AES werkt, en een aanduiding welke AES en BES bij de omstandigheden van de testprocedures in deze bijlage waarschijnlijk actief zullen zijn.
(1) De nummering van deze bijlage komt overeen met die van Mondiaal Technisch Reglement nr. 10 betreffende OCE. Sommige punten van het mondiaal technisch reglement over OCE zijn echter niet nodig in deze bijlage.
(2) De nummering van deze bijlage komt overeen met die van Mondiaal Technisch Reglement nr. 10 betreffende OCE. Sommige punten van het mondiaal technisch reglement over OCE zijn echter niet nodig in deze bijlage.
Aanhangsel 1
PEMS-demonstratietest bij typegoedkeuring
A.1.1. Inleiding
Dit aanhangsel beschrijft de procedure voor de PEMS-demonstratietest bij typegoedkeuring.
A.1.2. Testvoertuig
A.1.2.1. De kenmerken van het voertuig dat voor de PEMS-demonstratietest wordt gebruikt, moeten representatief zijn voor de voertuigcategorie waarvoor het motorsysteem is bedoeld. Het voertuig mag een prototype of een aangepast productievoertuig zijn.
A.1.2.2. De beschikbaarheid en conformiteit van de datastream-informatie van de elektronische regeleenheid moet worden aangetoond (bv. overeenkomstig de bepalingen van punt 5 van bijlage 8).
A.1.3. Testomstandigheden
A.1.3.1. Lading van het voertuig
De voertuiglading moet 50 tot 60% bedragen van de maximumvoertuiglading overeenkomstig bijlage 8.
A.1.3.2. Omgevingsomstandigheden
De test moet worden uitgevoerd onder omgevingsomstandigheden zoals beschreven in punt 4.2 van bijlage 8.
A.1.3.3. De motorkoelmiddeltemperatuur moet voldoen aan punt 4.3 van bijlage 8.
A.1.3.4. Brandstof, smeermiddelen en reagens
De brandstof, de smeerolie en het reagens voor het uitlaatgasnabehandelingssysteem moeten voldoen aan de bepalingen van punt 4.4 van bijlage 8.
A.1.3.5. Voorschriften voor de rit en voor het gebruik
De voorschriften voor de rit en voor het gebruik worden beschreven in de punten 4.5 tot en met 4.6.8 van bijlage 8.
A.1.4. Beoordeling van de emissies
A.1.4.1. De test moet worden uitgevoerd en de testresultaten moeten worden berekend overeenkomstig punt 6 van bijlage 8.
A.1.5. Rapport
A.1.5.1. In een technisch rapport met de beschrijving van de PEMS-demonstratietest moeten de activiteiten en resultaten worden uiteengezet en moet ten minste de volgende informatie worden verstrekt:
|
a) |
algemene informatie zoals beschreven in punt 10.1.1 van bijlage 8; |
|
b) |
uitleg waarom het (de) testvoertuig(en) als representatief kan (kunnen) worden beschouwd voor de voertuigcategorie waarvoor het motorsysteem is bedoeld; |
|
c) |
informatie over de testapparatuur en testgegevens zoals beschreven in de punten 10.1.3 en 10.1.4 van bijlage 8; |
|
d) |
informatie over de geteste motor zoals beschreven in punt 10.1.5 van bijlage 8; |
|
e) |
informatie over het voor de test gebruikte voertuig zoals beschreven in punt 10.1.6 van bijlage 8; |
|
f) |
informatie over de kenmerken van de route zoals beschreven in punt 10.1.7 van bijlage 8; |
|
g) |
informatie over momentane gemeten en berekende gegevens zoals beschreven in de punten 10.1.8 en 10.1.9 van bijlage 8; |
|
h) |
informatie over gemiddelde en geïntegreerde gegevens zoals beschreven in punt 10.1.10 van bijlage 8; |
|
i) |
goedkeur-/afkeurresultaten zoals beschreven in punt 10.1.11 van bijlage 8; |
|
j) |
informatie over testverificaties zoals beschreven in punt 10.1.12 van bijlage 8. |
BIJLAGE 11
VOORSCHRIFTEN OM DE CORRECTE WERKING VAN DE NOX-BEPERKINGSMAATREGELEN TE GARANDEREN
1. INLEIDING
Deze bijlage bevat de voorschriften om de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen te garanderen. Zij bevat ook voorschriften voor voertuigen die een reagens gebruiken om de emissies te beperken.
2. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
Alle onder deze bijlage vallende motorsystemen moeten zo zijn ontworpen, gebouwd en geïnstalleerd dat zij onder normale gebruiksomstandigheden tijdens de volledige normale levensduur van de motor aan deze voorschriften kunnen voldoen. Om dit doel te bereiken is het aanvaardbaar dat de prestaties en de gevoeligheid van het bewakingssysteem van motoren die langer dan de in punt 5.4 van dit reglement bedoelde toepasselijke duurzaamheidsperiode zijn gebruikt, enige achteruitgang vertonen.
2.1. Alternatieve goedkeuring
2.1.1. Voorbehouden (1).
2.2. Vereiste informatie
2.2.1. Informatie met een volledige beschrijving van de functionele werkingseigenschappen van een onder deze bijlage vallend motorsysteem moet door de fabrikant in het formulier van bijlage 1 worden verstrekt.
2.2.2. In zijn typegoedkeuringsaanvraag moet de fabrikant de kenmerken specificeren van alle reagentia die door het emissiebeheersingssysteem worden verbruikt. In die specificatie moeten de typen en concentraties, de werkingstemperatuuromstandigheden en de verwijzingen naar internationale normen worden opgenomen.
2.2.3. Bij de indiening van de typegoedkeuringsaanvraag moet aan de typegoedkeuringsinstantie gedetailleerde schriftelijke informatie met een volledige beschrijving van de functionele werkingskenmerken van het overeenkomstig punt 4 geleverde waarschuwingssysteem voor de bestuurder en het overeenkomstig punt 5 geleverde aansporingssysteem voor de bestuurder worden verstrekt.
2.2.4. Wanneer een fabrikant een aanvraag voor goedkeuring van een motor of motorenfamilie als technische eenheid indient, moeten in het in punt 3.1.3, 3.2.3 of 3.3.3 van dit reglement bedoelde documentatiepakket de juiste voorschriften worden opgenomen die zullen garanderen dat het voertuig bij gebruik op de weg of elders aan deze bijlage zal voldoen. Die documentatie moet het volgende omvatten:
|
a) |
de gedetailleerde technische voorschriften, inclusief de bepalingen die de compatibiliteit waarborgen met de bewakings-, waarschuwings- en aansporingssystemen die in het motorsysteem met het oog op de naleving van deze bijlage aanwezig zijn; |
|
b) |
de verificatieprocedure waaraan moet worden voldaan voor installatie van de motor in het voertuig. |
Het bestaan en de geschiktheid van dergelijke installatievoorschriften kunnen tijdens de goedkeuringsprocedure van het motorsysteem worden gecontroleerd.
De in de punten a) en b) bedoelde documentatie is niet verplicht als de fabrikant typegoedkeuring aanvraagt voor een voertuig wat emissies betreft.
2.3. Bedrijfsomstandigheden
2.3.1. Elk onder deze bijlage vallend motorsysteem moet overeenkomstig bijlage 10 zijn emissiebeheersingsfunctie behouden in alle omstandigheden die op het grondgebied van de regio in kwestie (bv. de Europese Unie) geregeld voorkomen, met name bij lage omgevingstemperaturen.
2.3.2. Het emissiebeheersingssysteem moet operationeel zijn:
|
a) |
bij omgevingstemperaturen tussen 266 en 308 K (-7°C en 35°C); |
|
b) |
op alle hoogten onder de 1 600 m; |
|
c) |
bij een motorkoelmiddeltemperatuur boven 343 K (70°C). |
Dit punt is niet van toepassing op de bewaking van het reagensniveau in het reservoir, waarvoor geldt dat de bewaking moet plaatsvinden onder alle omstandigheden waarin meting technisch haalbaar is, waaronder alle omstandigheden waarin een vloeibaar reagens niet bevroren is.
2.4. Bescherming van het reagens tegen bevriezing
2.4.1. De fabrikant mag gebruikmaken van een verwarmd of niet-verwarmd reagensreservoir en reagensdoseersysteem overeenkomstig de algemene voorschriften van punt 2.3.1. Een verwarmd systeem moet voldoen aan de voorschriften van punt 2.4.2, een niet-verwarmd systeem aan die van punt 2.4.3.
2.4.1.1. Het gebruik van een niet-verwarmd reagensreservoir en reagensdoseersysteem moet in de schriftelijke instructies aan de eigenaar van het voertuig worden meegedeeld.
2.4.2. Verwarmd reagensreservoir en reagensdoseersysteem
2.4.2.1. Als het reagens bevroren is, moet de fabrikant ervoor zorgen dat het binnen maximaal 70 minuten na het starten van het voertuig bij een omgevingstemperatuur van 266 K (- 7°C) gebruiksklaar is.
2.4.2.2. Demonstratie
|
2.4.2.2.1. |
Het reagensreservoir en het reagensdoseersysteem moeten 72 uur lang of totdat het reagens grotendeels vast wordt, bij 255 K (- 18°C) worden geïmpregneerd. |
|
2.4.2.2.2. |
Na de in punt 2.4.2.2.1 beschreven impregneerperiode moet de motor bij een omgevingstemperatuur van 266 K (- 7°C) als volgt worden gestart en gebruikt: 10 tot 20 minuten stationair, gevolgd door maximaal 50 minuten met een maximumbelasting van 40%. |
|
2.4.2.2.3. |
Het reagensdoseersysteem moet aan het einde van de in de punten 2.4.2.2.1 en 2.4.2.2.2 beschreven testprocedures volledig functioneel zijn. |
|
2.4.2.2.4. |
De demonstratie van de naleving van de voorschriften van punt 2.4.2.2 kan worden uitgevoerd in een meetcel in een koelruimte die met een motor- of voertuigdynamometer is uitgerust of kan worden gebaseerd op praktijktests met het voertuig, mits de typegoedkeuringsinstantie daar toestemming voor heeft gegeven. |
2.4.3. Onverwarmd reagensreservoir en reagensdoseersysteem
2.4.3.1. Het in punt 4 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder moet worden geactiveerd als er bij een omgevingstemperatuur ≤ 266 K (- 7°C) geen reagensdosering plaatsvindt.
2.4.3.2. Het in punt 5.4 beschreven sterke-aansporingssysteem moet worden geactiveerd als er binnen maximaal 70 minuten na het starten van het voertuig bij een omgevingstemperatuur ≤ 266 K (- 7°C) geen reagensdosering plaatsvindt.
2.5. Elk in een voertuig aangebracht reagensreservoir moet een systeem hebben om de daarin opgeslagen vloeistof te bemonsteren, zonder dat daarvoor informatie nodig is die niet aan boord van het voertuig is opgeslagen. Het bemonsteringspunt moet gemakkelijk toegankelijk zijn zonder gebruik van speciale gereedschappen of voorzieningen. Sleutels of systemen die normaliter in het voertuig worden meegenomen om de toegang tot de tank te vergrendeln, mogen voor de toepassing van dit punt niet als speciale gereedschappen of voorzieningen worden beschouwd.
3. ONDERHOUDSVOORSCHRIFTEN
3.1. De fabrikant moet alle eigenaars van nieuwe voertuigen of nieuwe motoren waarvoor krachtens dit reglement typegoedkeuring is verleend, schriftelijke instructies over het emissiebeheersingssysteem en de correcte werking ervan verstrekken of doen verstrekken.
In die instructies moet staan dat, als het emissiebeheersingssysteem van het voertuig niet correct functioneert, de bestuurder daar door het waarschuwingssysteem van in kennis wordt gesteld en dat de inwerkingtreding van het aansporingssysteem voor de bestuurder door het negeren van die waarschuwing tot gevolg zal hebben dat het voertuig zijn taken niet meer efficiënt kan uitvoeren.
3.2. De instructies moeten voorschriften omvatten voor het correcte gebruik en onderhoud van voertuigen om hun emissieprestaties te handhaven, en, in voorkomend geval, ook voorschriften voor het correcte gebruik van verbruiksreagentia.
3.3. De instructies moeten in duidelijke en niet-technische bewoordingen zijn gesteld in de officiële taal of talen van het land van de overeenkomstsluitende partij waar het nieuwe voertuig of de nieuwe motor wordt verkocht of geregistreerd.
3.4. In de instructies moet worden vermeld of verbruiksreagentia tussen de normale onderhoudsintervallen door de gebruiker van het voertuig moeten worden bijgevuld. In de instructies moet ook de vereiste reagenskwaliteit worden gespecificeerd. Daarin moet ook worden aangegeven hoe de gebruiker het reagensreservoir moet bijvullen. In de instructies moet voorts een indicatie worden gegeven van het vermoedelijke reagensverbruik voor het voertuigtype en van de verwachte vulfrequentie.
3.5. In de instructies moet worden vermeld dat het gebruik van en het bijvullen met een vereist reagens met de juiste specificaties essentieel is om het voertuig aan de voorschriften voor afgifte van het conformiteitscertificaat voor dat voertuigtype te laten voldoen.
3.6. In de instructies moet worden vermeld dat het gebruik van een voertuig dat geen reagens verbruikt hoewel dat nodig is om de emissies te verminderen, een strafbaar feit kan zijn.
3.7. In de instructies moet worden uitgelegd hoe het waarschuwingssysteem en de aansporingssystemen voor de bestuurder functioneren. Ook moet worden uitgelegd wat de gevolgen zijn voor de voertuigprestaties en de foutenregistratie als het waarschuwingssysteem wordt genegeerd en het reagens niet wordt bijgevuld of een probleem niet wordt gecorrigeerd.
4. WAARSCHUWINGSSYSTEEM VOOR DE BESTUURDER
4.1. Het voertuig moet voorzien zijn van een waarschuwingssysteem met visuele signalen om de bestuurder erop te attenderen dat een laag reagensniveau, een onjuiste reagenskwaliteit, een te laag reagensverbruik of een storing is gedetecteerd, wat het gevolg kan zijn van manipulatie en het aansporingssysteem voor de bestuurder in werking zal stellen als niet tijdig wordt ingegrepen. Het waarschuwingssysteem moet ook actief zijn wanneer het in punt 5 beschreven aansporingssysteem voor de bestuurder is geactiveerd.
4.2. Het in bijlage 9B beschreven OBD-weergavesysteem van het voertuig mag niet worden gebruikt om de in punt 4.1 beschreven visuele signalen te geven. De waarschuwing mag niet dezelfde zijn als die welke voor OBD-doeleinden (de MI of storingsindicator) of motoronderhoud wordt gebruikt. Het waarschuwingssysteem of de visuele signalen mogen niet met een scanner kunnen worden uitgezet zolang de oorzaak van de activering van de waarschuwing niet is weggenomen. De voorwaarden voor activering en deactivering van het waarschuwingssystem en de visuele signalen worden beschreven in aanhangsel 2.
4.3. Het waarschuwingssysteem voor de bestuurder mag korte berichten weergeven, inclusief berichten die duidelijk het volgende aangeven:
|
a) |
de resterende afstand of tijd vóór de activering van de lichte of sterke aansporing, |
|
b) |
het niveau van de koppelvermindering, |
|
c) |
de omstandigdheden waarin de uitschakeling van het voertuig ongedaan kan worden gemaakt. |
Het systeem dat voor de weergave van de in dit punt bedoelde berichten wordt gebruikt, mag hetzelfde zijn als dat voor OBD- of andere onderhoudsdoeleinden.
4.4. Als de fabrikant dat wenst, mag het systeem een geluidssignaal geven om de bestuurder te waarschuwen. De annulering van hoorbare waarschuwingen door de bestuurder is toegestaan.
4.5. Het waarschuwingssysteem voor de bestuurder moet overeenkomstig de punten 6.2, 7.2, 8.4 en 9.3 worden geactiveerd.
4.6. Het waarschuwingssysteem voor de bestuurder moet worden gedeactiveerd als de redenen voor activering niet langer aanwezig zijn. Het waarschuwingssysteem voor de bestuurder mag pas automatisch worden gedeactiveerd als de oorzaak van de activering is weggenomen.
4.7. Het waarschuwingssysteem mag tijdelijk worden onderbroken door andere waarschuwingssignalen met belangrijke veiligheidsberichten.
4.8. Op voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door hulpverleningsdiensten of op voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer en de ordediensten, mag een voorziening worden aangebracht waarmee de bestuurder de visuele signalen van het waarschuwingssysteem kan dimmen.
4.9. Details van de activerings- en deactiveringsprocedures van het waarschuwingssysteem voor de bestuurder worden gegeven in aanhangsel 2.
4.10. In het kader van de aanvraag voor typegoedkeuring krachtens dit reglement moet de fabrikant de werking van het waarschuwingssysteem voor de bestuurder demonstreren zoals gespecificeerd in aanhangsel 1.
5. AANSPORINGSSYSTEEM VOOR DE BESTUURDER
5.1. Het voertuig moet een aansporingssysteem voor de bestuurder hebben met twee fasen, namelijk eerst een lichte aansporing (een beperking van de prestaties) en daarna een sterke aansporing (effectieve uitschakeling van de werking van het voertuig).
5.2. Het voorschrift betreffende een aansporingssysteem voor de bestuurder geldt niet voor motoren of voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door hulpverleningsdiensten of voor voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer en de ordediensten. Permanente deactivering van het aansporingssysteem voor de bestuurder mag alleen mogelijk zijn door de motor- of voertuigfabrikant.
5.3. Lichte-aansporingssysteem
Het lichte-aansporingssysteem moet het maximaal beschikbare motorkoppel in het hele motortoerentalbereik tussen het toerental van het maximumkoppel en dat waarbij de toerentalbegrenzer ingrijpt, geleidelijk met ten minste 25% verminderen zoals beschreven in aanhangsel 3. Het maximaal beschikbare verminderde motorkoppel onder het motortoerental van het maximumkoppel voordat de koppelvermindering plaatsvindt, mag niet hoger zijn dan het verminderde koppel bij dat toerental.
Het lichte-aansporingssysteem moet worden geactiveerd zodra het voertuig voor het eerst stilstaat nadat de in de punten 6.3, 7.3, 8.5 en 9.4 bedoelde omstandigheden zijn opgetreden.
5.4. Sterke-aansporingssysteem
De voertuig- of motorfabrikant moet ten minste een van de in de punten 5.4.1 tot en met 5.4.3 beschreven sterke-aansporingssystemen inbouwen, alsmede het in punt 5.4.4 beschreven systeem voor "uitschakelen na bepaalde tijd".
5.4.1. Een systeem voor "uitschakelen na opnieuw starten" moet de voertuigsnelheid tot 20 km/h beperken ("kruipmodus") nadat de motor op verzoek van de bestuurder is uitgezet ("contact uit").
5.4.2. Een systeem voor "uitschakelen na tanken" moet de voertuigsnelheid tot 20 km/h beperken ("kruipmodus") nadat het niveau van de brandstoftank met een meetbare hoeveelheid is toegenomen, die niet meer mag zijn dan 10% van de brandstoftankinhoud en moet zijn goedgekeurd door de typegoedkeuringsinstantie op basis van de technische capaciteiten van de brandstofniveaumeter en een verklaring door de fabrikant.
5.4.3. Een systeem voor "uitschakelen na parkeren" moet de voertuigsnelheid tot 20 km/h beperken ("kruipmodus") nadat het voertuig meer dan een uur heeft stilgestaan.
5.4.4. Een systeem voor "uitschakelen na bepaalde tijd" moet de voertuigsnelheid tot 20 km/h beperken ("kruipmodus") bij de eerste gelegenheid dat het voertuig komt stil te staan nadat de motor acht uur heeft gewerkt, indien geen van de in de punten 5.4.1 tot en met 5.4.3 beschreven systemen eerder zijn geactiveerd.
5.5. Het aansporingssysteem voor de bestuurder moet overeenkomstig de punten 6.3, 7.3, 8.5 en 9.4 worden ingeschakeld.
5.5.1. Wanneer het aansporingssysteem voor de bestuurder heeft vastgesteld dat het sterke-aansporingssysteem moet worden geactiveerd, moet het lichte-aansporingssysteem geactiveerd blijven totdat de voertuigsnelheid tot 20 km/h is beperkt ("kruipmodus").
5.6. Het aansporingssysteem voor de bestuurder moet worden gedeactiveerd als de redenen voor activering niet langer aanwezig zijn. Het aansporingssysteem voor de bestuurder mag pas automatisch worden gedeactiveerd als de oorzaak van de activering is weggenomen.
5.7. Details van de activerings- en deactiveringsprocedures van het aansporingssysteem voor de bestuurder worden gegeven in aanhangsel 2.
5.8. In het kader van de aanvraag voor typegoedkeuring krachtens dit reglement moet de fabrikant de werking van het aansporingssysteem voor de bestuurder demonstreren zoals gespecificeerd in aanhangsel 1.
6. BESCHIKBAARHEID VAN REAGENS
6.1. Reagensindicator
Het voertuig moet voorzien zijn van een specifieke indicator op het dashboard die het reagensniveau in het reagensreservoir duidelijk aangeeft. Het minimaal aanvaardbare prestatieniveau voor de reagensindicator is dat hij, wanneer het in punt 4 bedoelde waarschuwingssysteem voor de bestuurder geactiveerd is om problemen met de beschikbaarheid van reagens te melden, continu het reagensniveau aangeeft. De reagensindicator mag een analoge of digitale weergave hebben en mag het niveau in verhouding tot de volledige reservoirinhoud, de hoeveelheid resterend reagens of de geschatte nog te rijden afstand aangeven.
De reagensindicator moet zich vlak bij de brandstofmeter bevinden.
6.2. Activering van het waarschuwingssysteem voor de bestuurder
6.2.1. Het in punt 4 gespecificeerde waarschuwingssysteem voor de bestuurder moet worden geactiveerd wanneer het reagensniveau minder dan 10% van de inhoud van het reagensreservoir of een door de fabrikant gekozen hoger percentage bedraagt.
6.2.2. De gegeven waarschuwing moet duidelijk genoeg zijn om de bestuurder te doen begrijpen dat het reagensniveau laag is. Bij een waarschuwingssysteem met berichtenweergave moet de visuele waarschuwing een bericht tonen dat op een laag reagensniveau wijst (bv. "ureumniveau laag", "AdBlue-niveau laag" of "reagensniveau laag").
6.2.3. Het waarschuwingssysteem voor de bestuurder hoeft aanvankelijk niet continu geactiveerd te zijn, maar de activering moet in intensiteit toenemen zodat zij continu wordt wanneer het reagensniveau een zeer laag percentage van de reservoirinhoud nadert en dichter komt bij het punt waarop het aansporingssysteem voor de bestuurder in werking treedt. Het moet culmineren in een attendering van de bestuurder met een intensiteit die door de fabrikant wordt gekozen, maar die duidelijk beter merkbaar is dan het moment waarop het in punt 6.3 beschreven aansporingssysteem voor de bestuurder in werking treedt.
6.2.4. De continue waarschuwing mag niet gemakkelijk kunnen worden uitgeschakeld of genegeerd. Bij een waarschuwingssysteem met berichtenweergave moet een expliciet bericht worden weergegeven (bv. "ureum bijvullen", "AdBlue bijvullen" of "reagens bijvullen"). De continue waarschuwing mag door andere waarschuwingssignalen met belangrijke veiligheidsberichten tijdelijk worden onderbroken.
6.2.5. Het waarschuwingssysteem voor de bestuurder mag niet kunnen worden uitgeschakeld zolang het reagens niet is bijgevuld tot een niveau waarop de activering ervan niet is vereist.
6.3. Activering van het aansporingssysteem voor de bestuurder
6.3.1. Het in punt 5.3 beschreven lichte-aansporingssysteem moet worden ingeschakeld en vervolgens overeenkomstig datzelfde punt worden geactiveerd als het reagensniveau minder dan 2,5% van de nominale reservoirinhoud of een door de fabrikant gekozen hoger percentage bedraagt.
6.3.2. Het in punt 5.4 beschreven sterke-aansporingssysteem moet worden ingeschakeld en vervolgens overeenkomstig datzelfde punt worden geactiveerd als het reagensreservoir leeg is (d.w.z. als het doseersysteem geen reagens meer uit het reservoir kan putten) of zich op een door de fabrikant bepaald niveau van minder dan 2,5% van zijn nominale inhoud bevindt.
6.3.3. Het lichte- of zware-aansporingssysteem voor de bestuurder mag niet kunnen worden uitgeschakeld zolang het reagens niet is bijgevuld tot een niveau waarop de desbetreffende activering niet is vereist.
7. BEWAKING VAN DE REAGENSKWALITEIT
7.1. Het voertuig moet voorzien zijn van een middel om de aanwezigheid van een onjuist reagens vast te stellen.
7.1.1. De fabrikant moet een minimaal aanvaardbare reagensconcentratie CDmin specificeren waarbij de uitlaatemissies de in punt 5.3 van dit reglement vastgelegde grenswaarden niet overschrijden.
7.1.1.1. Tijdens de in punt 4.10.7 van dit reglement bedoelde introductieperiode en op verzoek van de fabrikant moet, voor de toepassing van punt 7.1.1, de NOx-emissiegrenswaarde in punt 5.3 van dit reglement worden vervangen door 900 mg/kWh.
7.1.1.2. De correcte waarde van CDmin moet tijdens de typegoedkeuring volgens de in aanhangsel 6 gedefinieerde procedure worden aangetoond en in het in punt 5.1.4 van dit reglement gespecificeerde uitgebreide documentatiepakket worden geregistreerd.
7.1.2. Elke reagensconcentratie die lager is dan CDmin moet worden gedetecteerd en voor de toepassing van punt 7.1 als onjuist reagens worden beschouwd.
7.1.3. Voor de reagenskwaliteit moet er een specifieke teller zijn (de "reagenskwaliteitsteller"). De reagenskwaliteitsteller moet het aantal motorbedrijfsuren met een onjuist reagens tellen.
7.1.4. Details van de criteria en mechanismen voor activering en deactivering van de reagenskwaliteitsteller worden beschreven in aanhangsel 2.
7.1.5. De informatie van de reagenskwaliteitsteller moet overeenkomstig aanhangsel 5 op gestandaardiseerde wijze ter beschikking worden gesteld.
7.2. Activering van het waarschuwingssysteem voor de bestuurder
Wanneer de bewakingssystemen detecteren of, in voorkomend geval, bevestigen dat de reagenskwaliteit onjuist is, moet het in punt 4 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder worden geactiveerd. Bij een waarschuwingssysteem met berichtenweergave moet een bericht worden weergegeven met de reden van de waarschuwing (bv. "onjuist ureum gedetecteerd", "onjuist AdBlue gedetecteerd " of "onjuist reagens gedetecteerd ").
7.3. Activering van het aansporingssysteem voor de bestuurder
7.3.1. Het in punt 5.3 beschreven lichte-aansporingssysteem moet worden ingeschakeld en vervolgens overeenkomstig datzelfde punt worden geactiveerd als de reagenskwaliteit niet binnen 10 motorbedrijfsuren na de activering van het in punt 7.2 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder wordt gecorrigeerd.
7.3.2. Het in punt 5.4 beschreven sterke-aansporingssysteem moet worden ingeschakeld en vervolgens overeenkomstig datzelfde punt worden geactiveerd als de reagenskwaliteit niet binnen 20 motorbedrijfsuren na de activering van het in punt 7.2 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder wordt gecorrigeerd.
7.3.3. Het aantal uren vóór activering van de aansporingssystemen moet worden verminderd indien de storing zich volgens het in aanhangsel 2 beschreven mechanisme herhaaldelijk voordoet.
8. BEWAKING VAN HET REAGENSVERBRUIK
8.1. Het voertuig moet voorzien zijn van een middel om het reagensverbruik te meten en buiten het voertuig toegang tot verbruiksinformatie te verstrekken.
8.2. Reagensverbruiks- en doseeractiviteitstellers
8.2.1. Voor het reagensverbruik moet er een specifieke teller zijn (de "reagensverbruiksteller") en een andere voor de doseeractiviteit (de "doseeractiviteitsteller"). Die tellers moeten het aantal motorbedrijfsuren met een onjuist reagensverbruik, respectievelijk een onderbreking van de reagensdoseeractiviteit tellen.
8.2.2. Details van de criteria en mechanismen voor activering en deactivering van de reagensverbruiks- en de doseringsteller worden beschreven in aanhangsel 2.
8.2.3. De informatie van de reagensverbruiksteller en de doseringsteller moet overeenkomstig aanhangsel 5 op gestandaardiseerde wijze ter beschikking worden gesteld.
8.3. Bewakingsvoorwaarden
8.3.1. De maximale detectieperiode voor onvoldoende reagensverbruik bedraagt 48 uur of de periode die overeenkomt met een opgedragen reagensverbruik van ten minste 15 liter, waarbij de langste duur geldt.
8.3.2. Om het reagensverbruik te bewaken, moet ten minste een van de volgende parameters in het voertuig of de motor worden bewaakt:
|
a) |
het reagensniveau in het reservoir binnen het voertuig; |
|
b) |
de reagensstroom of ingespoten hoeveelheid reagens, zo dicht als technisch mogelijk is bij het punt van inspuiting in het uitlaatgasnabehandelingssysteem. |
8.4. Activering van het waarschuwingssysteem voor de bestuurder
8.4.1. Het in punt 4 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder moet worden geactiveerd indien tijdens een door de fabrikant vast te stellen periode die niet langer mag zijn dan de in punt 8.3.1 vastgestelde maximumperiode, tussen het gemiddelde reagensverbruik en het gemiddelde opgedragen reagensverbruik van het motorsysteem een afwijking van meer dan 20% wordt gedetecteerd. Bij een waarschuwingssysteem met berichtenweergave moet een bericht worden weergegeven met de reden van de waarschuwing (bv. "storing in ureumdosering", "storing in AdBlue-dosering" of "storing in reagensdosering").
8.4.1.1. Tot het einde van de in punt 4.10.7 van dit reglement beschreven introductieperiode moet het in punt 4 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder worden geactiveerd indien tijdens de door de fabrikant vast te stellen periode die niet langer mag zijn dan de in punt 8.3.1 vastgestelde maximumperiode, tussen het gemiddelde reagensverbruik en het gemiddelde opgedragen reagensverbruik van het motorsysteem een afwijking van meer dan 50% wordt gedetecteerd.
8.4.2. Bij een onderbreking van de reagensdosering moet het in punt 4 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder worden geactiveerd. Bij een waarschuwingssysteem met berichtenweergave moet een bericht met een passende waarschuwing worden weergeven. Dat is niet nodig als die onderbreking door de elektronische regeleenheid van de motor wordt opgedragen omdat de bedrijfsomstandigheden van het voertuig zo zijn dat de emissieprestaties van het voertuig geen reagensdosering vereisen.
8.5. Activering van het aansporingssysteem voor de bestuurder
8.5.1. Het in punt 5.3 beschreven lichte-aansporingssysteem moet worden ingeschakeld en vervolgens overeenkomstig datzelfde punt worden geactiveerd als een fout in het reagensverbruik of een onderbreking van de reagensdosering niet binnen 10 motorbedrijfsuren na de activering van het in de punten 8.4.1 en 8.4.2 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder wordt gecorrigeerd.
8.5.2. Het in punt 5.4 beschreven sterke-aansporingssysteem moet worden ingeschakeld en vervolgens overeenkomstig datzelfde punt worden geactiveerd als een fout in het reagensverbruik of een onderbreking van de reagensdosering niet binnen 20 motorbedrijfsuren na de activering van het in de punten 8.4.1 en 8.4.2 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder wordt gecorrigeerd.
8.5.3. Het aantal uren vóór activering van de aansporingssystemen moet worden verminderd indien de storing zich volgens het in aanhangsel 2 beschreven mechanisme herhaaldelijk voordoet.
9. BEWAKING VAN STORINGEN DIE AAN MANIPULATIE KUNNEN WORDEN TOEGESCHREVEN
9.1. Behalve het reagensniveau in het reagensreservoir, de reagenskwaliteit en het reagensverbruik moeten de volgende storingen door het antimanipulatiesysteem worden bewaakt, omdat zij aan manipulatie kunnen worden toegeschreven:
|
a) |
belemmering van de werking van de EGR-klep; |
|
b) |
storingen van het in punt 9.2.1 beschreven antimanipulatiebewakingssysteem. |
9.2. Bewakingsvoorschriften
9.2.1. Het antimanipulatiebewakingssysteem moet worden bewaakt op elektrische storingen en op verwijdering of deactivering van sensoren waardoor het systeem geen andere in de punten 6 tot en met 8 (onderdeelbewaking) genoemde storingen kan opsporen.
Een niet-exhaustieve lijst van sensoren die de diagnosecapaciteit beïnvloeden, zijn bijvoorbeeld sensoren die de NOx-concentratie direct meten, sensoren voor de ureumkwaliteit, omgevingssensoren en sensoren om de reagensdosering, het reagensniveau of het reagensverbruik te bewaken.
9.2.2. EGR-klepteller
9.2.2.1. Voor een belemmerde EGR-klep moet er een specifieke teller zijn. De EGR-klepteller moet het aantal motorbedrijfsuren tellen dat een DTC voor een belemmerde EGR-klep als actief wordt bevestigd.
9.2.2.2. Details van de criteria en mechanismen voor activering en deactivering van de EGR-klepteller worden beschreven in aanhangsel 2.
9.2.2.3. De informatie van de EGR-klepteller moet overeenkomstig aanhangsel 5 op gestandaardiseerde wijze ter beschikking worden gesteld.
9.2.3. Tellers van het bewakingssysteem
9.2.3.1. Voor elk van de in punt 9.1, onder b), genoemde bewakingsfouten moet er een specifieke teller zijn. De tellers van het bewakingssysteem moeten het aantal motorbedrijfsuren tellen dat de DTC voor een storing van het bewakingssysteem als actief wordt bevestigd. Er mogen meerdere fouten in één teller worden gecombineerd.
9.2.3.2. Details van de criteria voor activering en deactivering van de tellers van het bewakingssysteem en van de bijbehorende mechanismen worden beschreven in aanhangsel 2.
9.2.3.3. De informatie van de teller van het bewakingssysteem moet overeenkomstig aanhangsel 5 op gestandaardiseerde wijze ter beschikking worden gesteld.
9.3. Activering van het waarschuwingssysteem voor de bestuurder
Het in punt 4 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder moet worden geactiveerd wanneer een van de in punt 9.1 beschreven storingen optreedt, en moet aangeven dat een dringende reparatie noodzakelijk is. Bij een waarschuwingssysteem met berichtenweergave moet een bericht worden weergeven met de reden van de waarschuwing (bv. "reagensdoseerklep ontkoppeld") ofwel het bericht "kritische emissiestoring".
9.4. Activering van het aansporingssysteem voor de bestuurder
9.4.1. Het in punt 5.3 beschreven lichte-aansporingssysteem moet worden ingeschakeld en vervolgens overeenkomstig datzelfde punt worden geactiveerd als de in punt 9.1 gespecificeerde storing niet binnen 36 motorbedrijfsuren na de activering van het in punt 9.3 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder wordt gecorrigeerd.
9.4.2. Het in punt 5.4 beschreven sterke-aansporingssysteem moet worden ingeschakeld en vervolgens overeenkomstig datzelfde punt worden geactiveerd als de in punt 9.1 gespecificeerde storing niet binnen 100 motorbedrijfsuren na de activering van het in punt 9.3 beschreven waarschuwingssysteem voor de bestuurder wordt gecorrigeerd.
9.4.3. Het aantal uren vóór activering van de aansporingssystemen moet worden verminderd indien de storing zich volgens het in aanhangsel 2 beschreven mechanisme herhaaldelijk voordoet.
(1) Dit punt is voorbehouden voor toekomstige alternatieve goedkeuringen (bv. de omzetting van Euro 6 in Reglement nr. 83).
Aanhangsel 1
Demonstratievoorschriften
A.1.1. Algemeen
A.1.1.1. De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstantie een volledig documentatiepakket overleggen waarmee wordt aangetoond dat het SCR-systeem wat de functies voor bewaking en activering van het waarschuwings- en aansporingssysteem voor de bestuurder betreft, voldoet aan de voorschriften van deze bijlage. Dat pakket kan het volgende omvatten:
|
a) |
algoritmen en beslissingsdiagrammen; |
|
b) |
tests en/of simulatieresultaten; |
|
c) |
verwijzing naar eerder goedgekeurde bewakingssystemen enz. |
A.1.1.2. Tijdens de typegoedkeuring moet de naleving van de voorschriften van deze bijlage worden aangetoond door, zoals geïllustreerd in tabel 1 en gespecificeerd in dit aanhangsel, het volgende uit te voeren:
|
a) |
een demonstratie van de activering van het waarschuwingssysteem; |
|
b) |
een demonstratie van de activering van het lichte-aansporingssysteem; |
|
c) |
een demonstratie van de activering van het sterke-aansporingssysteem. |
Tabel 1
Illustratie van de inhoud van de demonstratieprocedure overeenkomstig de bepalingen van de punten A.1.3, A.1.4 en A.1.5.
|
|
Demonstratie-elementen |
||||||
|
Activering van het waarschuwingssysteem overeenkomstig punt A.1.3 |
|
||||||
|
Activering van het lichte-aansporingssysteem overeenkomstig punt A.1.4 |
|
||||||
|
Activering van het sterke-aansporingssysteem overeenkomstig punt A.1.5 |
|
A.1.2. Motorenfamilies of OBD-motorenfamilies
Dat een motorenfamilie of een OBD-motorenfamilie voldoet aan de voorschriften van deze bijlage, kan worden aangetoond door een van de leden van de familie in kwestie te testen, op voorwaarde dat de fabrikant aan de typegoedkeuringsinstantie aantoont dat de bewakingssystemen die nodig zijn om aan de voorschriften van deze bijlage te voldoen, binnen de familie nagenoeg dezelfde zijn.
A.1.2.1. Dit bewijs kan worden geleverd door de typegoedkeuringsinstanties elementen zoals algoritmen, functionele analysen enz. over te leggen.
A.1.2.2. De testmotor wordt door de fabrikant in overleg met de typegoedkeuringsinstantie geselecteerd. Dit kan, maar hoeft niet de oudermotor van de familie in kwestie te zijn.
A.1.2.3. Indien motoren van een motorenfamilie behoren tot een OBD-motorenfamilie waarvoor reeds typegoedkeuring is verleend, wordt de naleving van de voorschriften door die motorenfamilie zonder verdere tests geacht te zijn aangetoond (figuur 1) mits de fabrikant aan de instantie aantoont dat de voor naleving van de voorschriften van deze bijlage vereiste bewakingssystemen binnen de desbetreffende motoren- en OBD-motorenfamilie nagenoeg dezelfde zijn.
Figuur 1
Eerder aangetoonde conformiteit van een OBD-motorenfamilie
De conformiteit van motorenfamilie 1 wordt geacht te zijn aangetoond
De conformiteit van OBD- motorenfamilie 1 is aangetoond voor motorenfamilie 2
A.1.3. Demonstratie van de activering van het waarschuwingssysteem
A.1.3.1. De conformiteit van de activering van het waarschuwingssysteem moet worden aangetoond door één test uit te voeren voor elk van de foutencategorieën in de punten 6 tot en met 9 van deze bijlage, zoals reagenstekort, lage reagenskwaliteit, laag reagensverbruik, storing van onderdelen van het bewakingssysteem.
A.1.3.2. Keuze van de te testen storingen
|
A.1.3.2.1. |
Om de activering van het waarschuwingssysteem bij een verkeerde reagenskwaliteit aan te tonen, moet een reagens worden gekozen waarvan de concentratie van de werkzame ingrediënt gelijk is aan of hoger is dan de minimaal aanvaardbare reagensconcentratie CDmin, die door de fabrikant overeenkomstig punt 7.1.1 van deze bijlage is meegedeeld. |
|
A.1.3.2.2. |
Om de activering van het waarschuwingssysteem bij een verkeerd reagensverbruik aan te tonen, volstaat het voor een onderbreking van de doseeractiviteit te zorgen. |
|
A.1.3.2.2.1. |
Indien de activering van het waarschuwingssysteem door een onderbreking van de doseeractiviteit is aangetoond, moet de fabrikant de typegoedkeuringsinstantie tevens bewijzen zoals algoritmen, functionele analysen of resultaten van eerdere tests overleggen om aan te tonen dat het waarschuwingssysteem correct wordt geactiveerd bij een verkeerd reagensverbruik door andere oorzaken. |
|
A.1.3.2.3. |
Om aan te tonen dat het waarschuwingssysteem wordt geactiveerd bij storingen die aan manipulatie kunnen worden toegeschreven zoals gedefinieerd in punt 9 van deze bijlage, moet de keuze plaatsvinden volgens de volgende voorschriften:
|
A.1.3.3. Demonstratie
|
A.1.3.3.1. |
Voor deze demonstratie van de activering van het waarschuwingssysteem moet voor elk van de in punt A.1.3.1 beschreven storingen een afzonderlijke test worden uitgevoerd. |
|
A.1.3.3.2. |
Tijdens een test mag zich geen andere storing voordoen dan die waarvoor de test is bedoeld. |
|
A.1.3.3.3. |
Vóór het begin van een test moeten alle DTC's zijn gewist. |
|
A.1.3.3.4. |
Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie mogen de te testen storingen worden gesimuleerd. |
|
A.1.3.3.5. |
Zodra andere storingen dan een reagenstekort zijn veroorzaakt of gesimuleerd, moeten zij overeenkomstig punt 7.1.2.2 van bijlage 9B worden gedetecteerd. |
|
A.1.3.3.5.1. |
De detectiesequentie moet worden stopgezet zodra de DTC van de geselecteerde storing de "bevestigde en actieve" status heeft gekregen. |
|
A.1.3.3.6. |
Om aan te tonen dat het waarschuwingssysteem wordt geactiveerd wanneer geen reagens beschikbaar is, moet het motorsysteem naar keuze van de fabrikant gedurende een of meer werkingssequenties in werking worden gesteld. |
|
A.1.3.3.6.1. |
De demonstratie begint met een reagensniveau in het reservoir dat door de fabrikant en de typegoedkeuringsinstantie is overeengekomen, maar dat niet minder dan 10% van de nominale reservoirinhoud bedraagt. |
|
A.1.3.3.6.2. |
Het waarschuwingssysteem wordt geacht correct te hebben gepresteerd als de volgende voorwaarden tegelijkertijd zijn vervuld:
|
A.1.3.4. De activering van het waarschuwingssysteem wordt geacht voor reagensniveaugebeurtenissen te zijn aangetoond als het systeem aan het einde van elke overeenkomstig punt A.1.3.2.1 uitgevoerde demonstratietest naar behoren is geactiveerd.
A.1.3.5. De activering van het waarschuwingssysteem wordt geacht voor DTC-gestuurde gebeurtenissen te zijn aangetoond als het systeem aan het einde van elke overeenkomstig punt A.1.3.2.1 uitgevoerde demonstratietest naar behoren is geactiveerd en de DTC voor de geselecteerde storing de in tabel 1 van aanhangsel 2 aangegeven status heeft gekregen.
A.1.4. Demonstratie van het aansporingssysteem
A.1.4.1. De demonstratie van het aansporingssysteem moet plaatsvinden door tests op een motortestbank uit te voeren.
|
A.1.4.1.1. |
Alle voor de demonstraties vereiste aanvullende voertuigonderdelen of -subsystemen zoals omgevingstemperatuursensoren, niveausensoren en waarschuwings- en informatiesystemen voor de bestuurder, moeten daartoe tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie op het motorsysteem worden aangesloten of worden gesimuleerd. |
|
A.1.4.1.2. |
Indien de fabrikant het wenst en de typegoedkeuringsinstantie ermee instemt, mogen de demonstratietests op een compleet voertuig worden uitgevoerd door het voertuig op een geschikte testbank te monteren of er onder gecontroleerde omstandigheden mee op een testbaan te rijden. |
A.1.4.2. De testsequentie moet aantonen dat het aansporingssysteem wordt geactiveerd bij een reagenstekort en wanneer zich een van de in punt 7, 8 of 9 van deze bijlage gedefinieerde storingen voordoet.
A.1.4.3. Voor deze demonstratie geldt het volgende:
|
a) |
behalve het reagenstekort kiest de typegoedkeuringsinstantie een van de in punt 7, 8 of 9 van deze bijlage gedefinieerde storingen die eerder bij de demonstratie van het waarschuwingssysteem is gebruikt; |
|
b) |
met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie mag de fabrikant de voltooiing van een bepaald aantal bedrijfsuren simuleren; |
|
c) |
het bereiken van de voor lichte aansporing vereiste koppelvermindering mag tegelijkertijd worden aangetoond met de procedure voor goedkeuring van de algemene motorprestaties die overeenkomstig dit reglement wordt uitgevoerd. Afzonderlijke koppelmeting tijdens de demonstratie van het aansporingssysteem is in dat geval niet noodzakelijk. De voor sterke aansporing vereiste snelheidsbegrenzing moet overeenkomstig punt 5 van deze bijlage worden aangetoond. |
A.1.4.4. Voorts moet de fabrikant de werking van het aansporingssysteem aantonen onder de in punt 7, 8 of 9 van deze bijlage gedefinieerde storingsomstandigheden die niet voor gebruik bij de in de punten A.1.4.1, A.1.4.2 en A.1.4.3 beschreven demonstratietests zijn gekozen. Deze aanvullende demonstraties mogen worden uitgevoerd door de typegoedkeuringsinstantie een technisch dossier over te leggen met bewijzen zoals algoritmen, functionele analysen en de resultaten van eerdere tests.
|
A.1.4.4.1. |
Deze aanvullende demonstraties moeten met name tot tevredenheid van de typegoedkeuringsinstantie aantonen dat het correcte koppelverminderingsmechanisme in de elektronische regeleenheid van de motor is geïntegreerd. |
A.1.4.5. Demonstratietest van het lichte-aansporingssysteem
|
A.1.4.5.1. |
De demonstratie begint wanneer het waarschuwingssysteem of, in voorkomend geval, het "continue" waarschuwingssysteem als gevolg van de detectie van een door de typegoedkeuringsinstantie gekozen storing is geactiveerd. |
|
A.1.4.5.2. |
Wanneer de reactie van het systeem op een reagenstekort in het reservoir wordt gecontroleerd, laat men het motorsysteem draaien totdat de reagensbeschikbaarheid 2,5% van de nominale reservoirinhoud of de door de fabrikant overeenkomstig punt 6.3.1 van deze bijlage opgegeven waarde heeft bereikt waarbij het lichte-aansporingssysteem in werking moet treden. |
|
A.1.4.5.2.1. |
Met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie mag de fabrikant een continue werking simuleren door reagens uit het reservoir te verwijderen terwijl de motor draait of is uitgezet. |
|
A.1.4.5.3. |
Wanneer de reactie van het systeem op een andere storing dan een reagenstekort in het reservoir wordt gecontroleerd, laat men het motorsysteem draaien gedurende het desbetreffende in tabel 2 van aanhangsel 2 vermelde aantal bedrijfsuren of, indien de fabrikant dat wenst, totdat de desbetreffende teller de waarde heeft bereikt waarbij het lichte-aansporingssysteem wordt geactiveerd. |
|
A.1.4.5.4. |
De demonstratie van het lichte-aansporingssysteem wordt geacht te zijn voltooid als de fabrikant aan het einde van elke demonstratietest die overeenkomstig de punten A.1.4.5.2 en A.1.4.5.3 is uitgevoerd, aan de typegoedkeuringsinstantie heeft aangetoond dat de elektronische regeleenheid van de motor het koppelverminderingsmechanisme heeft geactiveerd. |
A.1.4.6. Demonstratietest van het sterke-aansporingssysteem
|
A.1.4.6.1. |
Deze demonstratie begint nadat het lichte-aansporingssysteem is geactiveerd en mag worden uitgevoerd als voortzetting van de tests ter demonstratie van het lichte-aansporingssysteem. |
|
A.1.4.6.2. |
Wanneer de reactie van het systeem op een reagenstekort in het reservoir wordt gecontroleerd, laat men het motorsysteem draaien totdat het reagensreservoir leeg is (d.w.z. totdat het doseersysteem geen reagens meer uit het reservoir kan putten) of het niveau onder 2,5% van de nominale reservoirinhoud heeft bereikt waarbij volgens de fabrikant het sterke-aansporingssysteem zal worden geactiveerd. |
|
A.1.4.6.2.1. |
Met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie mag de fabrikant een continue werking simuleren door reagens uit het reservoir te verwijderen terwijl de motor draait of is uitgezet. |
|
A.1.4.6.3. |
Wanneer de reactie van het systeem op een andere storing dan een reagenstekort in het reservoir wordt gecontroleerd, laat men het motorsysteem draaien gedurende het desbetreffende in tabel 2 van aanhangsel 2 vermelde aantal bedrijfsuren of, indien de fabrikant dat wenst, totdat de desbetreffende teller de waarde heeft bereikt waarbij het sterke-aansporingssysteem wordt geactiveerd. |
|
A.1.4.6.4. |
De demonstratie van het sterke-aansporingssysteem wordt geacht te zijn voltooid als de fabrikant aan het einde van elke demonstratietest die overeenkomstig de punten A.1.4.6.2 en A.1.4.6.3 is uitgevoerd, aan de typegoedkeuringsinstantie heeft aangetoond dat het vereiste snelheidsbegrenzingsmechanisme van het voertuig is geactiveerd. |
A.1.5. Demonstratie van de snelheidsbegrenzing van het voertuig na de activering van het sterke-aansporingssysteem
A.1.5.1. De demonstratie van de snelheidsbegrenzing van het voertuig na de activering van het sterke-aansporingssysteem bestaat erin de typegoedkeuringsinstantie een technisch dossier over te leggen met bewijzen zoals algoritmen, functionele analysen en de resultaten van eerdere tests.
|
A.1.5.1.1. |
Indien de fabrikant het wenst en de typegoedkeuringsinstantie ermee instemt, mag de demonstratie van de snelheidsbegrenzing van het voertuig overeenkomstig punt A.1.5.4 op een compleet voertuig worden uitgevoerd door het voertuig op een geschikte testbank te monteren of er onder gecontroleerde omstandigheden mee op een testbaan te rijden. |
A.1.5.2. Wanneer de fabrikant een aanvraag voor goedkeuring van een motor of motorenfamilie als technische eenheid indient, moet hij de typegoedkeuringsinstantie bewijzen verstrekken waaruit blijkt dat het documentatiepakket inzake de installatie voldoet aan de bepalingen van punt 2.2.4 van deze bijlage betreffende de maatregelen om te garanderen dat het voertuig bij gebruik op de weg of elders aan de voorschriften van deze bijlage inzake sterke aansporing zal voldoen.
A.1.5.3. Indien de typegoedkeuringsinstantie niet tevreden is met de door de fabrikant verstrekte bewijzen van de correcte werking van het sterke-aansporingssysteem, kan zij een demonstratie op één representatief voertuig eisen om de correcte werking van het systeem te bevestigen. Die demonstratie moet overeenkomstig punt A.1.5.4 worden uitgevoerd.
A.1.5.4. Aanvullende demonstratie om het effect van de activering van het sterke-aansporingssysteem op een voertuig te bevestigen
|
A.1.5.4.1. |
Deze demonstratie moet op verzoek van de typegoedkeuringsinstantie worden uitgevoerd wanneer zij niet tevreden is met de door de fabrikant verstrekte bewijzen van de correcte werking van het sterke-aansporingssysteem. De demonstratie moet in overleg met de typegoedkeuringsinstantie zo snel mogelijk plaatsvinden. |
|
A.1.5.4.2. |
De fabrikant moet een van de in de punten 6 tot en met 9 van deze bijlage gedefinieerde storingen kiezen en ze in het motorsysteem introduceren of daarop simuleren, zoals tussen de fabrikant en de typegoedkeuringsinstantie is overeengekomen. |
|
A.1.5.4.3. |
Het aansporingssysteem moet door de fabrikant in een staat worden gebracht waarbij het lichte-aansporingssysteem wel en het sterke-aansporingssysteem nog niet is geactiveerd. |
|
A.1.5.4.4. |
Er moet met het voertuig worden gereden totdat de teller voor de gekozen storing het desbetreffende in tabel 2 van aanhangsel 2 vermelde aantal bedrijfsuren heeft bereikt of, in voorkomend geval, tot het reagensreservoir leeg is of het niveau onder 2,5% van de nominale reservoirinhoud heeft bereikt waarbij de fabrikant gekozen heeft het sterke-aansporingssysteem te activeren. |
|
A.1.5.4.5. |
Indien de fabrikant voor de in punt 5.4.1 van deze bijlage bedoelde aanpak "uitschakelen na opnieuw starten" heeft gekozen, moet er met het voertuig worden gereden tot het einde van de lopende werkingssequentie, waarbij tevens moet worden aangetoond dat het voertuig harder kan rijden dan 20 km/h. Na het opnieuw starten moet de voertuigsnelheid tot 20 km/h worden begrensd. |
|
A.1.5.4.6. |
Indien de fabrikant voor de in punt 5.4.2 van deze bijlage bedoelde aanpak "uitschakelen na tanken" heeft gekozen, moet er met het voertuig een door de fabrikant gekozen korte afstand worden afgelegd nadat het in een staat is gebracht waarbij er in de tank genoeg reservecapaciteit is om de in punt 5.4.2 van deze bijlage vastgestelde hoeveelheid brandstof te kunnen bijtanken. Bij het rijden met het voertuig vóór het bijtanken moet tevens worden aangetoond dat het voertuig harder kan rijden dan 20 km/h. Na het bijtanken met de in punt 5.4.2 vastgestelde hoeveelheid brandstof moet de voertuigsnelheid tot 20 km/h worden begrensd. |
|
A.1.5.4.7. |
Indien de fabrikant voor de in punt 5.4.3 van deze bijlage bedoelde aanpak "uitschakelen na parkeren" heeft gekozen, moet het voertuig worden gestopt nadat het een door de fabrikant gekozen korte afstand heeft afgelegd, die voldoende moet zijn om aan te tonen dat het voertuig harder kan rijden dan 20 km/h. Nadat het voertuig meer dan een uur heeft stilgestaan, moet de voertuigsnelheid tot 20 km/h worden begrensd. |
Aanhangsel 2
Beschrijving van de activerings- en deactiveringsmechanismen van het waarschuwings- en aansporingssysteem voor de bestuurder
A.2.1. Ter completering van de voorschriften van deze bijlage betreffende de activerings- en deactiveringsmechanismen van het waarschuwings- en aansporingssysteem voor de bestuurder, bevat dit aanhangsel de technische voorschriften voor de toepassing van die mechanismen overeenkomstig de OBD-bepalingen van bijlage 9B.
Alle in bijlage 9B gehanteerde definities zijn van toepassing op dit aanhangsel.
A.2.2. Activerings- en deactiveringsmechanismen van het waarschuwingssysteem voor de bestuurder
A.2.2.1. Het waarschuwingssysteem voor de bestuurder moet worden geactiveerd wanneer de diagnosefoutcode (DTC) voor een storing die de activering rechtvaardigt, de in tabel 1 gedefinieerde status heeft.
Tabel 1
Activering van het waarschuwingssysteem voor de bestuurder
|
Type storing |
DTC-status voor activering van het waarschuwingssysteem |
|
slechte reagenskwaliteit |
bevestigd en actief |
|
laag reagensverbruik |
potentieel (indien gedetecteerd na 10 uur), potentieel of bevestigd en actief in andere gevallen |
|
afwezigheid van dosering |
bevestigd en actief |
|
belemmerde EGR-klep |
bevestigd en actief |
|
storing van het bewakingssysteem |
bevestigd en actief |
A.2.2.1.1. Indien de teller voor de desbetreffende storing niet op nul staat en dus aangeeft dat de bewakingsfunctie een situatie heeft gedetecteerd waarin de storing misschien een tweede keer of nogmaals is opgetreden, moet het waarschuwingssysteem voor de bestuurder worden geactiveerd wanneer de DTC de status "potentieel" heeft.
A.2.2.2. Het waarschuwingssysteem voor de bestuurder moet worden gedeactiveerd wanneer het diagnosesysteem concludeert dat de voor die waarschuwing relevante storing niet meer aanwezig is of wanneer de informatie, inclusief de DTC's voor de storingen die de activering rechtvaardigen, door een scanner is gewist.
A.2.2.2.1. Wissen van storingsinformatie met een scanner
|
A.2.2.2.1.1. |
Het wissen van informatie, inclusief DTC's voor storingen die de activering van een waarschuwingssignaal voor de bestuurder rechtvaardigen en de bijbehorende gegevens, met een scanner moet plaatsvinden overeenkomstig bijlage 9B. |
|
A.2.2.2.1.2. |
Het wissen van storingsinformatie mag alleen mogelijk zijn wanneer de motor is uitgezet. |
|
A.2.2.2.1.3. |
Wanneer storingsinformatie en ook DTC's worden gewist, mogen tellers die verband houden met die storingen en die volgens deze bijlage niet mogen worden gewist, niet worden gewist. |
A.2.3. Activerings- en deactiveringsmechanisme van het aansporingssysteem voor de bestuurder
A.2.3.1. Het aansporingssysteem voor de bestuurder moet worden geactiveerd wanneer het waarschuwingssysteem actief is en de teller die relevant is voor het type storing dat de activering rechtvaardigt, de in tabel 2 gespecificeerde waarde heeft bereikt.
A.2.3.2. Het aansporingssysteem voor de bestuurder moet worden gedeactiveerd wanneer het geen storing meer detecteert die de activering rechtvaardigt, of als de informatie, inclusief de DTC's voor de storingen die de activering rechtvaardigen, door een scanner of onderhoudsinstrument is gewist.
A.2.3.3. Na de beoordeling van de hoeveelheid reagens in het reservoir moeten het waarschuwings- en het aansporingssysteem voor de bestuurder overeenkomstig punt 6 van deze bijlage onmiddellijk worden geactiveerd, respectievelijk gedeactiveerd. In dat geval mogen de activerings- of deactiveringsmechanismen niet afhankelijk zijn van de status van de daaraan gerelateerde DTC's.
A.2.4. Tellermechanisme
A.2.4.1. Algemeen
A.2.4.1.1. Om aan de voorschriften van deze bijlage te voldoen, moet het systeem ten minste 5 tellers bevatten om te registreren hoeveel uren de motor heeft gedraaid terwijl het systeem een van de volgende zaken heeft gedetecteerd:
|
a) |
een onjuiste reagenskwaliteit, |
|
b) |
een onjuist reagensverbruik, |
|
c) |
een onderbreking van de reagensdosering, |
|
d) |
een belemmerde EGR-klep, |
|
e) |
een storing van het bewakingssysteem zoals gedefinieerd in punt 9.1, onder b), van deze bijlage. |
A.2.4.1.2. Elk van de tellers moet optellen tot de maximumwaarde voor een teller van 2 bytes met een resolutie van 1 uur en moet die waarde vasthouden tenzij de voorwaarden zijn vervuld om de teller weer op nul te mogen zetten.
A.2.4.1.3. Een fabrikant mag een of meer bewakingssysteemtellers gebruiken.
Eén teller mag het aantal uren dat twee of meer verschillende, voor dat tellertype relevante storingen zich voordoen, accumuleren.
|
A.2.4.1.3.1. |
Wanneer de fabrikant besluit meerdere bewakingssysteemtellers te gebruiken, moet het systeem een specifieke bewakingssysteemteller kunnen toewijzen aan elke storing die overeenkomstig deze bijlage relevant is voor dat tellertype. |
A.2.4.2. Beginsel van de tellermechanismen
A.2.4.2.1. Elk van de tellers moet als volgt werken:
|
A.2.4.2.1.1. |
als de teller bij nul start, moet hij beginnen tellen zodra een voor die teller relevante storing wordt gedetecteerd en de desbetreffende diagnosefoutcode (DTC) de in tabel 2 gedefinieerde status heeft; |
|
A.2.4.2.1.2. |
als zich één bewakingsgebeurtenis voordoet en de storing die de teller aanvankelijk heeft geactiveerd, niet meer wordt gedetecteerd of als de fout door een scanner of onderhoudsinstrument is gewist, moet de teller stoppen en de op dat moment aangegeven waarde vasthouden;
|
|
A.2.4.2.1.3. |
Na bevriezing moet de teller weer op nul worden gezet wanneer de voor die teller relevante bewakingsfuncties ten minste eenmaal hun volledige bewakingscyclus hebben doorlopen zonder een storing te hebben gedetecteerd, en er gedurende 36 motorbedrijfsuren sinds de laatste bevriezing van de teller geen voor die teller relevante storing is gedetecteerd (zie figuur 1). |
|
A.2.4.2.1.4. |
De teller moet voorttellen vanaf het punt waar hij was gestopt als een voor die teller relevante storing wordt gedetecteerd in een periode dat de teller bevroren is (zie figuur 1). Figuur 1 Reactiveren en weer op nul zetten van een teller nadat de waarde een tijdlang was bevroren |
A.2.5. Illustratie van de activerings-, deactiverings- en tellermechanismen
A.2.5.1. Dit punt illustreert de activerings-, deactiverings- en tellermechanismen voor enkele typische gevallen. De figuren en beschrijvingen in de punten A.2.4.2, A.2.4.3 en A.2.4.4 dienen alleen ter illustratie van deze bijlage en mogen niet worden geciteerd als voorbeelden van de voorschriften van dit reglement of als definitieve beschrijvingen van de toe te passen procedures. Ter vereenvoudiging is bijvoorbeeld het feit dat het waarschuwingssysteem ook actief is wanneer het aansporingssysteem actief is, niet in de illustraties aangegeven.
A.2.5.2. Figuur 2 illustreert de werking van de activerings- en deactiveringsmechanismen bij de bewaking van de reagensbeschikbaarheid voor vijf gevallen:
|
a) |
gebruiksgeval 1: ondanks de waarschuwing blijft de bestuurder met het voertuig rijden totdat het wordt uitgeschakeld; |
|
b) |
reparatiegeval 1 ("adequaat" bijvullen): de bestuurder vult het reagensreservoir zo bij dat een niveau boven de drempel van 10% wordt bereikt. Waarschuwing en aansporing worden gedeactiveerd; |
|
c) |
reparatiegevallen 2 en 3 ("inadequaat" bijvullen): het waarschuwingssysteem wordt geactiveerd. Het waarschuwingsniveau hangt af van de hoeveelheid beschikbaar reagens; |
|
d) |
reparatiegeval 4 ("zeer inadequaat" bijvullen): de lichte aansporing wordt onmiddellijk geactiveerd. |
Figuur 2
Beschikbaarheid van reagens
A.2.5.3. In figuur 3 worden drie gevallen van onjuiste ureumkwaliteit geïllustreerd:
|
a) |
gebruiksgeval 1: ondanks de waarschuwing blijft de bestuurder met het voertuig rijden totdat het wordt uitgeschakeld; |
|
b) |
reparatie, geval 1 ("slechte" of "bedrieglijke" reparatie): na uitschakeling van het voertuig verandert de bestuurder de kwaliteit van het reagens, maar kort daarna vervangt hij het reagens weer door een reagens van slechte kwaliteit. Het aansporingssysteem wordt onmiddellijk gereactiveerd en het voertuig wordt na 2 motorbedrijfsuren uitgeschakeld; |
|
c) |
reparatie, geval 2 ("goede" reparatie): na uitschakeling van het voertuig corrigeert de bestuurder de kwaliteit van het reagens. Wat later wordt echter opnieuw bijgevuld met een reagens van slechte kwaliteit. De waarschuwings-, aansporings- en telprocedures herbeginnen van nul. |
Figuur 3
Vullen met een reagens van slechte kwaliteit
A.2.5.4. Figuur 4 illustreert drie gevallen van storing van het ureumdoseersysteem. Zij illustreert ook de procedure die van toepassing is bij de in punt 9 van deze bijlage beschreven bewakingsstoringen:
|
a) |
gebruiksgeval 1: ondanks de waarschuwing blijft de bestuurder met het voertuig rijden totdat het wordt uitgeschakeld; |
|
b) |
reparatie, geval 1 ("goede" reparatie): na uitschakeling van het voertuig repareert de bestuurder het doseersysteem. Wat later valt het doseersysteem echter weer uit. De waarschuwings-, aansporings- en telprocedures herbeginnen van nul; |
|
c) |
reparatie, geval 2 ("slechte" reparatie): tijdens de periode van lichte aansporing (koppelvermindering) repareert de bestuurder het doseersysteem. Kort daarna valt het doseersysteem echter weer uit. Het lichte-aansporingssysteem wordt onmiddellijk gereactiveerd en de teller herbegint bij de waarde die hij op het moment van de reparatie had. |
Figuur 4
Storing van het reagensdoseersysteem
Aanhangsel 3
Koppelvermindering bij lichte aansporing
Dit diagram illustreert de bepalingen van punt 5.3 van deze bijlage betreffende koppelvermindering.
Aanhangsel 4
Demonstratie van de juiste installatie in een voertuig bij motoren waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid
Dit aanhangsel is van toepassing wanneer de voertuigfabrikant typegoedkeuring aanvraagt voor een voertuig met een krachtens dit reglement goedgekeurde motor wat emissies betreft.
In dat geval moet niet alleen aan de algemene installatievoorschriften van punt 6 van dit reglement worden voldaan, maar is ook een demonstratie van de correcte installatie vereist. Die demonstratie bestaat erin de typegoedkeuringsinstantie een technisch dossier over te leggen met bewijzen zoals technische tekeningen, functionele analysen en de resultaten van eerdere tests.
Indien van toepassing en als de fabrikant het wenst, mogen de overgelegde bewijzen betrekking hebben op de installatie van systemen of onderdelen op echte of gesimuleerde voertuigen, mits de fabrikant kan aantonen dat de gepresenteerde installatie een adequate representatie is van de norm die bij de productie zal worden bereikt.
De demonstratie moet de conformiteit van de volgende elementen met de voorschriften van deze bijlage aantonen:
|
a) |
de installatie in het voertuig wat de compatibiliteit met het motorsysteem betreft (hardware, software en communicatie); |
|
b) |
het waarschuwings- en aansporingssysteem (bv. pictogrammen, activeringsschema’s enz.); |
|
c) |
het reagensreservoir en de elementen (bv. sensoren) die op het voertuig zijn aangebracht om aan deze bijlage te voldoen. |
De correcte activering van de waarschuwings- en aansporingssystemen en van de informatieopslag- en communicatiesystemen binnen en buiten het voertuig kan worden gecontroleerd. Voor de controle van deze systemen hoeven het motorsysteem of motoronderdelen niet te worden gedemonteerd en hoeft de testlast evenmin onnodig te worden verzwaard door procedures zoals verandering van de ureumkwaliteit of langdurige werking van het voertuig of de motor. Om de taak van de voertuigfabrikant zoveel mogelijk te verlichten, moet bij voorkeur voor elektrische afkoppelingen en simulatie van tellers met een hoog aantal bedrijfsuren worden gekozen om deze systemen te controleren.
Aanhangsel 5
Toegang tot "informatie over de NOx-beperking"
A.5.1. Dit aanhangsel geeft een beschrijving van de specificaties voor toegang tot de informatie die nodig is om de status van het voertuig met betrekking tot de correcte werking van het NOx-beperkingssysteem te controleren ("informatie over de NOx-beperking").
A.5.2. Toegangsmethoden
|
A.5.2.1. |
De "informatie over de NOx-beperking” mag alleen worden verstrekt overeenkomstig de norm(en) betreffende het opvragen van informatie over het motorsysteem uit het OBD-systeem. |
|
A.5.2.2. |
De toegang tot de "informatie over de NOx-beperking" mag niet afhankelijk zijn van toegangscodes of andere voorzieningen of methoden die alleen bij de fabrikant of zijn leveranciers verkrijgbaar zijn. Voor de interpretatie van die informatie mag geen gespecialiseerde of unieke decodeerinformatie noodzakelijk zijn, tenzij die informatie algemeen beschikbaar is. |
|
A.5.2.3. |
Het moet mogelijk zijn alle "informatie over de NOx-beperking" uit het systeem op te vragen met de toegangsmethode die wordt toegepast om OBD-informatie overeenkomstig bijlage 9A op te vragen. |
|
A.5.2.4. |
Het moet mogelijk zijn alle "informatie over de NOx-beperking" uit het systeem op te vragen met de testapparatuur die wordt gebruikt om OBD-informatie overeenkomstig bijlage 9A op te vragen. |
|
A.5.2.5. |
De "informatie over de NOx-beperking" mag alleen kunnen worden uitgelezen (d.w.z. dat de gegevens niet kunnen worden gewist, gereset, verwijderd of gewijzigd). |
A.5.3. Inhoud van de informatie
|
A.5.3.1. |
De "informatie over de NOx-beperking" moet ten minste de volgende gegevens bevatten:
|
Aanhangsel 6
Demonstratie van de minimaal aanvaardbare reagensconcentratie CDmin
|
A.6.1. |
Tijdens de typegoedkeuring moet de fabrikant de correcte waarde van CDmin aantonen door overeenkomstig bijlage 4 het warme gedeelte van de WHTC-cyclus met een reagens met de concentratie CDmin uit te voeren. |
|
A.6.2. |
De test moet de passende voorconditioneringscyclus volgen, waarbij een NOx-beperkingssysteem met gesloten circuit de kwaliteit van het reagens met de concentratie CDmin kan aanpassen. |
|
A.6.3. |
De uit deze test voortvloeiende verontreinigende emissies moeten lager zijn dan de in de punten 7.1.1 en 7.1.1.1 van deze bijlage gespecificeerde emissiegrenswaarden. |
BIJLAGE 12
CO2-EMISSIES EN BRANDSTOFVERBRUIK
1. INLEIDING
1.1. Deze bijlage geeft een beschrijving van de bepalingen en testprocedures voor het rapporteren van de CO2-emissies en het brandstofverbruik.
2. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
2.1. De CO2-emissies en het brandstofverbruik moeten tijdens de WHTC- en WHSC-testcycli overeenkomstig de punten 7.2 tot en met 7.8 van bijlage 4 worden vastgesteld.
2.2. De testresultaten moeten als de voor de cyclus gemiddelde specifieke waarden op de testbank worden gerapporteerd en in g/kWh worden uitgedrukt.
3. BEPALING VAN DE CO2-EMISSIES
3.1. Meting van het ruwe uitlaatgas
Dit punt is van toepassing indien CO2 in het ruwe uitlaatgas wordt gemeten.
3.1.1. Meting
Het CO2 in het ruwe uitlaatgas dat door de voor de tests ter beschikking gestelde motor wordt uitgestoten, moet worden gemeten met een niet-dispersieve infraroodanalysator (NDIR) overeenkomstig punt 9.3.2.3 en aanhangsel 2 van bijlage 4.
Het meetsysteem moet voldoen aan de lineariteitsvoorschriften van punt 9.2 en aan tabel 7 van bijlage 4.
Het meetsysteem moet voldoen aan de punten 9.3.1, 9.3.4 en 9.3.5 van bijlage 4.
3.1.2. Evaluatie van de gegevens
De relevante gegevens moeten overeenkomstig punt 7.6.6 van bijlage 4 worden geregistreerd en bewaard. De diagrammen van de geregistreerde concentraties en het diagram van het uitlaatgasmassadebiet moeten worden gealigneerd aan de hand van de omzettingstijd zoals bepaald in punt 3.1 van bijlage 4.
3.1.3. Berekening van de voor de cyclus gemiddelde emissie
Indien op droge basis is gemeten, moet op de momentane concentraties een droog-natcorrectie worden toegepast overeenkomstig punt 8.1 van bijlage 4, alvorens andere berekeningen worden uitgevoerd.
De CO2-massa (g/test) moet worden bepaald door de momentane massa-emissies uit de ruwe CO2-concentratie en het voor de omzettingstijd gealigneerde uitlaatgasmassadebiet te berekenen zoals bepaald in punt 8.4.2.2 van bijlage 4, deze momentane waarden over de hele cyclus te integreren en de geïntegreerde waarde te vermenigvuldigen met de u-waarden voor CO2 uit tabel 5 van bijlage 4.
De volgende formule moet worden gebruikt:
waarin:
|
u CO2 |
= |
de verhouding tussen de CO2-dichtheid en de dichtheid van het uitlaatgas; |
|
c CO2,i |
= |
de momentane CO2-concentratie in het uitlaatgas (ppm); |
|
q mew,i |
= |
het momentane uitlaatgasmassadebiet (kg/s); |
|
f |
= |
de gegevensbemonsteringsfrequentie (Hz); |
|
n |
= |
het aantal metingen. |
Facultatief mag de CO2-massa overeenkomstig punt 8.4.2.4 van bijlage 4 worden berekend met een molaire massa CO2 (M CO2 ) van 44,01 g/mol.
3.2. Meting van het verdunde uitlaatgas
Dit punt is van toepassing indien CO2 in het verdunde uitlaatgas wordt gemeten.
3.2.1. Meting
Het CO2 in het verdunde uitlaatgas dat door de voor de tests ter beschikking gestelde motor wordt uitgestoten, moet worden gemeten met een niet-dispersieve infraroodanalysator (NDIR) overeenkomstig punt 9.3.2.3 en aanhangsel 2 van bijlage 4. Het uitlaatgas moet worden verdund met gefiltreerde omgevingslucht, synthetische lucht of stikstof. De doorstromingscapaciteit van het volledige-stroomsysteem moet groot genoeg zijn om condensatie van water in de verdunnings- en de bemonsteringssystemen volledig uit te sluiten.
Het meetsysteem moet voldoen aan de lineariteitsvoorschriften van punt 9.2 en aan tabel 7 van bijlage 4.
Het meetsysteem moet voldoen aan de punten 9.3.1, 9.3.4 en 9.3.5 van bijlage 4.
3.2.2. Evaluatie van de gegevens
De relevante gegevens moeten overeenkomstig punt 7.6.6 van bijlage 4 worden geregistreerd en bewaard.
3.2.3. Berekening van de voor de cyclus gemiddelde emissie
Bij meting op droge basis moet de droog-natcorrectie overeenkomstig punt 8.1 van bijlage 4 worden toegepast.
Bij systemen met constante massastroom (met warmtewisselaar) wordt de CO2-massa (g/test) bepaald met de volgende formule:
waarin:
|
c CO2 |
= |
de gemiddelde, voor de achtergrond gecorrigeerde CO2-concentratie (ppm); |
|
0,001519 |
= |
de verhouding tussen de CO2-dichtheid en de luchtdichtheid (u-factor); |
|
m ed |
= |
de totale massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus (kg). |
Bij systemen met stroomcompensatie (zonder warmtewisselaar) wordt de CO2-massa (g/test) bepaald door de momentane massa-emissies te berekenen en deze momentane waarden over de hele cyclus te integreren. Verder wordt de achtergrondcorrectie direct op de momentane concentraties toegepast. De volgende formule moet worden gebruikt:
waarin:
|
c CO2,e |
= |
de in het verdunde uitlaatgas gemeten CO2-concentratie (ppm); |
|
c CO2,d |
= |
de in de verdunningslucht gemeten CO2-concentratie (ppm); |
|
0,001519 |
= |
de verhouding is tussen de CO2-dichtheid en de luchtdichtheid (u-factor); |
|
m ed,i |
= |
de momentane massa van het verdunde uitlaatgas (kg); |
|
m ed |
= |
de totale massa van het verdunde uitlaatgas gedurende de cyclus (kg); |
|
D |
= |
de verdunningsfactor. |
Facultatief mag de u-factor met formule 57 in punt 8.5.2.3.1 van bijlage 4 worden berekend met een molaire massa CO2 (M CO2 ) van 44,01 g/mol.
CO2-achtergrondcorrectie wordt toegepast overeenkomstig punt 8.5.2.3.2 van bijlage 4.
3.3. Berekening van de specifieke emissies op de testbank
De cyclusarbeid die nodig is voor de berekening van de specifieke CO2-emissies op de testbank, moet worden bepaald overeenkomstig punt 7.8.6 van bijlage 4.
3.3.1. WHTC
De specifieke emissies op de testbank e CO2 (g/kWh) moeten als volgt worden berekend:
waarin:
|
m CO2, cold |
= |
de CO2-massa-emissies bij de koudestarttest (g/test); |
|
m CO2, hot |
= |
de CO2-massa-emissies bij de warmestarttest (g/test); |
|
W act, cold |
= |
de werkelijke cyclusarbeid bij de koudestarttest (kWh); |
|
W act, hot |
= |
de werkelijke cyclusarbeid bij de warmestarttest (kWh). |
3.3.2. WHSC
De specifieke emissies op de testbank e CO2 (g/kWh) moeten als volgt worden berekend:
waarin:
|
m CO2 |
= |
de CO2-massa-emissies (g/test); |
|
W act |
= |
de feitelijke cyclusarbeid (kWh). |
4. BEPALING VAN HET BRANDSTOFVERBRUIK
4.1. Meting
Het momentane brandstofdebiet moet worden gemeten met systemen die de massa bij voorkeur direct meten, zoals:
|
a) |
massadebietsensor; |
|
b) |
brandstofweging; |
|
c) |
coriolismeter. |
Het brandstofdebietmeetsysteem moet het volgende hebben:
|
a) |
een nauwkeurigheid van ± 2 % van de afgelezen waarde of ± 0,3 % van het volledige schaalbereik (de grootste waarde is van toepassing); |
|
b) |
een precisie van ± 1 % van het volledige schaalbereik of beter; |
|
c) |
een stijgtijd van maximaal 5 s. |
Het brandstofdebietmeetsysteem moet voldoen aan de lineariteitsvoorschriften van punt 9.2 en aan tabel 7 van bijlage 4.
Er moeten voorzorgsmaatregelen worden genomen om meetfouten te voorkomen. Dergelijke voorzorgsmaatregelen moeten ten minste het volgende omvatten:
|
a) |
de zorgvuldige installatie van de voorziening volgens de aanbevelingen van de fabrikant van het instrument en naar goede ingenieurspraktijk; |
|
b) |
eventueel debietconditionering om een zog, wervelingen, circulatiestromen of debietwisselingen te voorkomen die de nauwkeurigheid van het brandstofdebietsysteem kunnen beïnvloeden; |
|
c) |
brandstof die niet door de motor stroomt of van de motor naar de brandstoftank terugkeert. |
4.2. Evaluatie van de gegevens
De relevante gegevens moeten overeenkomstig punt 7.6.6 van bijlage 4 worden geregistreerd en bewaard.
4.3. Berekening van het voor de cyclus gemiddelde brandstofverbruik
De brandstofmassa (g/test) moet door de som van de momentane waarden gedurende de cyclus als volgt worden bepaald:
waarin:
|
q mf,i |
= |
het momentane brandstofdebiet (kg/s); |
|
f |
= |
de gegevensbemonsteringsfrequentie (Hz); |
|
n |
= |
het aantal metingen. |
4.4. Berekening van het specifieke brandstofverbruik op de testbank
De cyclusarbeid die nodig is voor de berekening van het specifieke brandstofverbruik op de testbank, moet worden bepaald overeenkomstig punt 7.8.6 van bijlage 4.
4.4.1. WHTC
Het specifieke brandstofverbruik op de testbank e f (g/kWh) moet als volgt worden berekend:
waarin:
|
q mf, cold |
= |
de brandstofmassa bij de koudestarttest (g/test); |
|
q mf, hot |
= |
de brandstofmassa bij de warmestarttest (g/test); |
|
W act, cold |
= |
de werkelijke cyclusarbeid bij de koudestarttest (kWh); |
|
W act, hot |
= |
de werkelijke cyclusarbeid bij de warmestarttest (kWh). |
4.4.2. WHSC
Het specifieke brandstofverbruik op de testbank e f (g/kWh) moet als volgt worden berekend:
waarin:
|
q mf |
= |
de brandstofmassa (g/test); |
|
W act |
= |
de feitelijke cyclusarbeid (kWh). |
Aanhangsel 1
Bepalingen betreffende de CO2–emissies en het brandstofverbruik met het oog op de uitbreiding van een krachtens dit reglement verleende typegoedkeuring voor een voertuig met een referentiemassa van meer dan 2 380 kg, maar niet meer dan 2 610 kg
A.1.1. Inleiding
|
A.1.1.1. |
Dit aanhangsel bevat de bepalingen en testprocedures voor het rapporteren van de CO2–emissies en het brandstofverbruik met het oog op de uitbreiding van een krachtens dit reglement verleende typegoedkeuring voor een voertuig met een referentiemassa van meer dan 2 380 kg, maar niet meer dan 2 610 kg. |
A.1.2. Algemene voorschriften
|
A.1.2.1. |
Om een uitbreiding te verkrijgen van een typegoedkeuring van een voertuig met betrekking tot het motortype waarvoor krachtens dit reglement typegoedkeuring is verleend, tot een voertuig met een referentiemassa van meer dan 2 380 kg, maar niet meer dan 2 610 kg, moet de fabrikant de voorschriften van Reglement nr. 101 naleven, met onderstaande uitzonderingen. |
|
A.1.2.1.2. |
Punt 5.2.4 van Reglement nr. 101 moet als volgt worden gelezen:
|
|
A.1.2.1.3. |
Punt 1.4.3 van bijlage 6 van Reglement nr. 101 moet als volgt worden gelezen:
|
BIJLAGE 13
TYPEGOEDKEURING VAN VERVANGINGSVOORZIENINGEN VOOR VERONTREINIGINGSBEHEERSING ALS TECHNISCHE EENHEID
1. INLEIDING
1.1. Deze bijlage bevat aanvullende voorschriften voor de typegoedkeuring van vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing als technische eenheid.
1.2. Definitie
1.2.1. " Type voorziening voor verontreinigingsbeheersing ": katalysatoren en deeltjesfilters die niet van elkaar verschillen op de volgende essentiële punten:
|
a) |
aantal substraten, structuur en materiaal; |
|
b) |
type activiteit van elk substraat; |
|
c) |
volume, verhouding frontaal gebied en substraatlengte; |
|
d) |
totale hoeveelheid edelmetalen; |
|
e) |
relatieve concentratie edelmetalen; |
|
f) |
celdichtheid; |
|
g) |
afmetingen en vorm; |
|
h) |
thermische beveiliging. |
2. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
2.1. Markering
2.1.1 Op elke vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moeten ten minste de volgende identificatiemiddelen worden aangebracht:
|
a) |
de naam of het handelsmerk van de fabrikant; |
|
b) |
het merk en het onderdeelidentificatienummer van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing, zoals aangegeven op het inlichtingenformulier volgens het model in aanhangsel 1. |
2.1.2. Op elke originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moeten ten minste de volgende identificatiemiddelen worden aangebracht:
|
a) |
de naam of het handelsmerk van de voertuig- of motorfabrikant; |
|
b) |
het merk en het onderdeelidentificatienummer van de originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing, zoals aangegeven in de in punt 2.3 bedoelde informatie. |
2.2. Documentatie
2.2.1. Elke vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moet vergezeld gaan van de volgende informatie:
|
a) |
de naam of het handelsmerk van de fabrikant; |
|
b) |
het merk en het onderdeelidentificatienummer van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing, zoals aangegeven op het inlichtingenformulier volgens het model in aanhangsel 1; |
|
c) |
de voertuigen of motoren, met vermelding van het bouwjaar, waarvoor de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing is goedgekeurd, eventueel met inbegrip van een merkteken dat aangeeft of de voorziening geschikt is voor montage op een voertuig dat met een OBD-systeem is uitgerust; |
|
d) |
installatie-instructies. |
De in dit punt bedoelde informatie moet zijn opgenomen in de productcatalogus die door de fabrikant van vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing aan de verkooppunten wordt verstrekt.
2.2.2. Elke originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moet vergezeld gaan van de volgende informatie:
|
a) |
de naam of het handelsmerk van de voertuig- of motorfabrikant; |
|
b) |
het merk en het onderdeelidentificatienummer van de originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing, zoals aangegeven in de in punt 2.3 bedoelde informatie; |
|
c) |
de voertuigen of motoren waarvoor de originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing van een type is dat onder punt 3.2.12.2.1 van aanhangsel 1 van bijlage 1 valt, eventueel met inbegrip van een merkteken dat aangeeft of de voorziening geschikt is voor montage op een voertuig dat met een OBD-systeem is uitgerust; |
|
d) |
installatie-instructies. |
De in dit punt bedoelde informatie moet beschikbaar zijn in de productcatalogus die door de voertuig- of motorfabrikant aan de verkooppunten wordt verstrekt.
2.3. Bij een originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moet de voertuig- of motorfabrikant de typegoedkeuringsinstantie de nodige informatie in elektronisch formaat verstrekken om het verband te leggen tussen de desbetreffende onderdeelnummers en de typegoedkeuringsdocumentatie.
Deze informatie moet het volgende omvatten:
|
a) |
merk(en) en type(n) van het voertuig of de motor; |
|
b) |
merk(en) en type(n) van de originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing; |
|
c) |
onderdeelnummer(s) van de originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing; |
|
d) |
typegoedkeuringsnummer van het (de) desbetreffende motor- of voertuigtype(n). |
3. TYPEGOEDKEURINGSMERK VOOR EEN TECHNISCHE EENHEID
3.1. Op elke vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing die conform is met het type dat krachtens dit reglement als technische eenheid is goedgekeurd, moet een typegoedkeuringsmerk worden aangebracht.
3.2. Het in punt 3.1 bedoelde typegoedkeuringsmerk bestaat uit:
|
3.2.1. |
een cirkel met daarin de letter E, gevolgd door het nummer van het land dat de typegoedkeuring heeft verleend (zie punt 4.12.3.1 van dit reglement); |
|
3.2.2. |
het nummer van dit reglement, gevolgd door de letter R, een liggend streepje en het goedkeuringsnummer, rechts van de in punt 3.2.1 voorgeschreven cirkel; |
|
3.2.3. |
de letters RD na het nummer van het land om aan te geven dat de typegoedkeuring voor een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing is verleend. |
3.3. Het typegoedkeuringsmerk moet zo op de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing worden aangebracht dat het goed leesbaar en onuitwisbaar is. Het moet zo mogelijk zichtbaar zijn wanneer de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing op het voertuig is geïnstalleerd.
3.4. Een voorbeeld van het typegoedkeuringsmerk voor een technische eenheid wordt gegeven in aanhangsel 3.
3.5. Van de goedkeuring, de uitbreiding, weigering of intrekking van de goedkeuring of de definitieve stopzetting van de productie van een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing krachtens dit reglement moet aan de partijen bij de Overeenkomst van 1958 die dit reglement toepassen, mededeling worden gedaan door middel van een formulier volgens het model in aanhangsel 2. De tijdens de typegoedkeuringstest gemeten waarden moeten eveneens worden aangegeven.
4. TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN
4.1. Algemene voorschriften
4.1.1. De vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moet zodanig zijn ontworpen en gebouwd en moet zo kunnen worden gemonteerd dat de motor en het voertuig kunnen voldoen aan de regels waaraan zij oorspronkelijk voldeden en dat de verontreinigende emissies tijdens de normale levensduur van het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt.
4.1.2. De vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moet op exact dezelfde plaats als de originele voorziening worden geïnstalleerd en de plaats van de uitlaatgas-, de temperatuur- en de druksensor in de uitlaatlijn mag niet worden gewijzigd.
4.1.3. Als de originele voorziening voor verontreinigingsbeheersing van een thermische beveiliging is voorzien, moet de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing van een gelijkwaardige beveiliging zijn voorzien.
4.1.4. Op verzoek van de aanvrager van de typegoedkeuring voor het vervangingsonderdeel stelt de typegoedkeuringsinstantie die de originele typegoedkeuring van het motorsysteem heeft verleend, op niet-discriminerende wijze voor elke te testen motor de in de punten 3.2.12.2.6.8.1.1 en 3.2.12.2.6.8.2.1 van deel 1 van het inlichtingenformulier in bijlage 1 bedoelde informatie ter beschikking.
4.2. Algemene duurzaamheidsvoorschriften
De vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moet duurzaam zijn, d.w.z. zodanig zijn ontworpen en gebouwd en zo kunnen worden gemonteerd dat zij redelijk bestand is tegen de corrosie- en oxidatieverschijnselen waaraan zij wordt blootgesteld, rekening houdend met de gebruiksomstandigheden van het voertuig.
Het ontwerp van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moet zo zijn dat de elementen waarmee de emissies worden beheerst, adequaat worden beschermd tegen mechanische schokken om te garanderen dat de verontreinigende emissies tijdens de normale levensduur van het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden effectief worden beperkt.
De indiener van een typegoedkeuringsaanvraag moet de typegoedkeuringsinstantie details verstrekken van de test waarmee de weerstand tegen mechanische schokken is vastgesteld, alsmede de resultaten van die test.
4.3. Voorschriften betreffende emissies
4.3.1. Procedure voor de beoordeling van emissies
De in punt 3.4.4, onder a), aangegeven motoren die zijn uitgerust met een volledig emissiebeheersingssysteem, inclusief de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing van het type waarvoor goedkeuring wordt aangevraagd, moeten worden onderworpen aan tests die geschikt zijn voor de bedoelde toepassing zoals beschreven in bijlage 4, teneinde de prestaties ervan volgens de hieronder beschreven procedure met het originele emissiebeheersingssysteem te vergelijken.
4.3.1.1. Indien de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing niet het volledige emissiebeheersingssysteem omvat, mogen alleen nieuwe originele onderdelen of nieuwe originele vervangingsonderdelen voor verontreinigingsbeheersing worden gebruikt om een volledig systeem te hebben.
4.3.1.2. Het emissiebeheersingssysteem moet volgens de in punt 4.3.2.4 beschreven procedure worden verouderd en opnieuw worden getest om de duurzaamheid van de emissieprestaties vast te stellen.
De duurzaamheid van een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing wordt bepaald op grond van een vergelijking van de twee opeenvolgende reeksen uitlaatgasemissietests.
|
a) |
De eerste test is de test die is uitgevoerd met de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing die met 12 WHSC-cycli is ingelopen; |
|
b) |
de tweede test is de test die is uitgevoerd met de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing die volgens onderstaande procedures is verouderd. |
Indien goedkeuring voor verschillende motortypen van dezelfde motorfabrikant wordt aangevraagd en mits deze verschillende motortypen van een identiek origineel systeem voor verontreinigingsbeheersing zijn voorzien, mag de test worden beperkt tot ten minste twee motoren die met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie zijn gekozen.
4.3.2. Procedure voor de beoordeling van de emissieprestaties van een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing
4.3.2.1. De motor of motoren moeten overeenkomstig punt 4.11.4 van dit reglement met een nieuwe originele voorziening voor verontreinigingsbeheersing worden uitgerust.
Het uitlaatgasnabehandelingssysteem moet met 12 WHSC-cycli worden voorgeconditioneerd. Na deze voorconditionering moeten de motoren volgens de in bijlage 4 gespecificeerde WHDC-testprocedures worden getest. Er moeten drie uitlaatgastests van elk toepasselijk type worden uitgevoerd.
De testmotoren met het originele uitlaatgasnabehandelingssysteem of het originele vervangingssysteem voor uitlaatgasnabehandeling moeten voldoen aan de grenswaarden overeenkomstig de typegoedkeuring van de motor of het voertuig.
4.3.2.2. Uitlaatgastest met een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing
De te beoordelen vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing moet op het overeenkomstig punt 4.3.2.1 geteste uitlaatgasnabehandelingssysteem worden gemonteerd ter vervanging van de relevante originele uitlaatgasnabehandelingsvoorziening.
Het uitlaatgasnabehandelingssysteem waarin de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing is opgenomen, moet vervolgens met 12 WHSC-cycli worden voorgeconditioneerd. Na deze voorconditionering moeten de motoren volgens de in bijlage 4 gespecificeerde WHDC-procedures worden getest. Er moeten drie uitlaatgastests van elk toepasselijk type worden uitgevoerd.
4.3.2.3. Initiële beoordeling van de emissie van verontreinigende stoffen door motoren die met een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing zijn uitgerust
Aan de emissievoorschriften voor motoren die met de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing zijn uitgerust, wordt geacht te zijn voldaan als de resultaten voor elke gereglementeerde verontreinigende stof (CO, HC, NMHC, methaan, NOx, NH3, deeltjesmassa en deeltjesaantal naargelang de typegoedkeuring van de motor) de volgende voorwaarden vervullen:
|
(1) |
|
|
(2) |
M ≤ G |
waarin:
|
M |
= |
gemiddelde waarde van de emissies van één verontreinigende stof die is verkregen uit de drie tests met de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing; |
|
S |
= |
gemiddelde waarde van de emissies van één verontreinigende stof die is verkregen uit de drie tests met de originele voorziening of de originele vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing; |
|
G |
= |
grenswaarde van de emissies van één verontreinigende stof overeenkomstig de typegoedkeuring van het voertuig. |
4.3.2.4. Duurzaamheid van de emissieprestaties
Het overeenkomstig punt 4.3.2.2 geteste uitlaatgasnabehandelingssysteem waarin de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing is opgenomen, moet aan de in aanhangsel 4 beschreven duurzaamheidsprocedures worden onderworpen.
4.3.2.5. Uitlaatgastest met verouderde vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing
Het verouderde uitlaatgasnabehandelingssysteem waarin de verouderde vervangingsvoorzieningsysteem voor verontreinigingsbeheersing is opgenomen, moet vervolgens op de voor de punten 4.3.2.1 en 4.3.2.2 gebruikte testmotor worden gemonteerd.
De verouderde uitlaatgasnabehandelingssystemen moeten met 12 WHSC-cycli worden voorgeconditioneerd en daarna volgens de in bijlage 4beschreven WHDC-procedures worden getest. Er moeten drie uitlaatgastests van elk toepasselijk type worden uitgevoerd.
4.3.2.6. Bepaling van de verouderingsfactor voor de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing
De verouderingsfactor voor elke verontreinigende stof is de verhouding van de toegepaste emissiewaarden bij het eindpunt van de nuttige levensduur en aan het begin van het bedrijfsaccumulatieprogramma (bv. als de emissies van verontreinigende stof A bij het eindpunt van de nuttige levensduur 1,50 g/kWh bedragen en bij de start van het bedrijfsaccumulatieprogramma 1,82 g/kWh, is de verouderingsfactor
4.3.2.7. Beoordeling van de emissie van verontreinigende stoffen door motoren die met een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing zijn uitgerust
Aan de emissievoorschriften voor motoren die met de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing (zoals beschreven in punt 4.3.2.5) zijn uitgerust, wordt geacht te zijn voldaan als de resultaten voor elke gereglementeerde verontreinigende stof (CO, HC, NMHC, methaan, NOx, NH3, deeltjesmassa en deeltjesaantal naargelang de typegoedkeuring van de motor) de volgende voorwaarde vervullen:
waarin:
|
M |
= |
gemiddelde waarde van de emissies van één verontreinigende stof die is verkregen uit de drie tests met de voorgeconditioneerde vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing vóór veroudering (d.w.z. de resultaten uit punt 4.3.2); |
|
AF |
= |
de verouderingsfactor voor één verontreinigende stof; |
|
G |
= |
grenswaarde van de emissies van één verontreinigende stof overeenkomstig de typegoedkeuring van het voertuig of de voertuigen. |
4.3.3. Technologiefamilie van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing
De fabrikant mag een technologiefamilie voor de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing vaststellen aan de hand van fundamentele eigenschappen die alle voorzieningen binnen die familie gemeen hebben.
Om tot dezelfde technologiefamilie te behoren, moeten vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing:
|
a) |
hetzelfde emissiebeheersingsmechanisme hebben (oxidatiekatalysator, driewegkatalysator, deeltjesfilter, selectieve katalytische reductie voor NOx enz.); |
|
b) |
hetzelfde substraatmateriaal hebben (hetzelfde type keramiek of metaal); |
|
c) |
hetzelfde substraattype en dezelfde celdichtheid hebben; |
|
d) |
dezelfde katalytisch actieve materialen en, wanneer er meerdere zijn, dezelfde verhouding van katalytisch actieve materialen hebben; |
|
e) |
dezelfde totale hoeveelheid katalytisch actieve materialen hebben; |
|
f) |
hetzelfde type washcoat hebben, dat volgens dezelfde procedure is aangebracht. |
4.3.4. Beoordeling van de duurzaamheid van de emissieprestaties van een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing door toepassing van een verouderingsfactor voor een technologiefamilie.
Wanneer de fabrikant een technologiefamilie van vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing heeft vastgesteld, mogen de in punt 4.3.2 beschreven procedures worden toegepast om de verouderingsfactoren voor elke verontreinigende stof voor het oudersysteem van die familie te bepalen. De motor waarop deze tests worden uitgevoerd, moet een minimuminhoud van 0,75 dm3 per cilinder hebben.
4.3.4.1. Bepaling van de duurzaamheidsprestaties van familieleden
Een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing A binnen een familie die bedoeld is voor montage op een motor met inhoud CA mag worden geacht dezelfde verouderingsfactoren te hebben als de oudervervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing P, bepaald op een motor met inhoud CP, als de volgende voorwaarden worden vervuld:
waarin:
|
VA |
= |
substraatvolume (in dm3) van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing A; |
|
VP |
= |
substraatvolume (in dm3) van de oudervervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing P van dezelfde familie; |
en
beide motoren passen dezelfde methode toe voor regeneratie van alle emissiebeheersingssystemen die in het originele uitlaatgasnabehandelingssysteem zijn opgenomen. Dit voorschrift is alleen van toepassing als het originele uitlaatgasnabehandelingssysteem voorzieningen omvat die regeneratie vergen.
Als deze voorwaarden zijn vervuld, mag de duurzaamheid van de emissieprestaties van andere familieleden worden bepaald op basis van de emissieresultaten (S) van dat familielid, die zijn bepaald overeenkomstig de punten 4.3.2.1, 4.3.2.2 en 4.3.2.3 en met toepassing van de verouderingsfactoren die voor het oudersysteem van die familie zijn vastgesteld.
4.4. Voorschriften betreffende uitlaattegendruk
De tegendruk mag het volledige uitlaatsysteem de overeenkomstig punt 6.1.2 van dit reglement vastgestelde waarde niet doen overschrijden.
4.5. Voorschriften betreffende de OBD-compatibiliteit (alleen van toepassing op vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing die bestemd zijn voor montage op voertuigen met een OBD-systeem)
4.5.1. De OBD-compatibiliteit hoeft alleen te worden aangetoond als de originele voorziening voor verontreinigingsbeheersing in de oorspronkelijke configuratie werd bewaakt.
4.5.2. De compatibiliteit van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing met het OBD-systeem moet volgens de in bijlage 9B beschreven procedures worden aangetoond voor vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing die bestemd zijn voor montage op motoren of voertuigen waarvoor krachtens dit reglement typegoedkeuring is verleend.
4.5.3. De bepalingen in dit reglement die gelden voor andere onderdelen dan voorzieningen voor verontreinigingsbeheersing, zijn niet van toepassing.
4.5.4. De fabrikant van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing mag dezelfde voorconditionerings- en testprocedure toepassen als bij de oorspronkelijke typegoedkeuring. In dat geval moet de typegoedkeuringsinstantie die de originele typegoedkeuring voor een voertuigmotor heeft verleend, op verzoek en op niet-discriminerende basis het aanhangsel betreffende de testomstandigheden van bijlage 1 ter beschikking stellen, waarin het aantal en het type preconditioneringscycli en het type testcyclus zijn opgenomen die door de fabrikant van de originele uitrusting voor de OBD-tests van de voorziening voor verontreinigingsbeheersing zijn toegepast.
4.5.5. Om na te gaan of alle andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen correct zijn geïnstalleerd en naar behoren functioneren, mag het OBD-systeem vóór de installatie van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing geen storing aangeven en geen foutcodes hebben opgeslagen. Daarvoor kan gebruik worden gemaakt van een beoordeling van de status van het OBD-systeem aan het einde van de in de punten 4.3.2 tot en met 4.3.2.7 beschreven tests.
4.5.6. Tijdens het gebruik van het voertuig overeenkomstig de punten 4.3.2 tot en met 4.3.2.7 mag de storingsindicator niet in werking treden.
5. CONFORMITEIT VAN DE PRODUCTIE
5.1. Maatregelen om de conformiteit van de productie te waarborgen, moeten worden genomen overeenkomstig punt 8 van dit reglement.
5.2. Bijzondere bepalingen
5.2.1. De in aanhangsel 2 van de Overeenkomst van 1958 (E/ECE/324//E/ECE/TRANS/505/Rev.2) bedoelde controles moeten ook betrekking hebben op de conformiteit met de onder "type voorziening voor verontreinigingsbeheersing" in punt 1.2.1 gedefinieerde kenmerken.
5.2.2. Voor de toepassing van punt 8 van dit reglement mogen de in punt 4.3 van deze bijlage (voorschriften betreffende emissies) beschreven tests worden uitgevoerd. In dat geval mag de houder van de goedkeuring ook vragen niet de originele voorziening voor verontreinigingsbeheersing als vergelijkingsbasis te gebruiken, maar de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing die bij de typegoedkeuringstests is gebruikt (of een ander exemplaar waarvan is aangetoond dat het conform is met het goedgekeurde type). De emissiewaarden die met het aan verificatie onderworpen exemplaar zijn gemeten, mogen dan gemiddeld met niet meer dan 15% de gemiddelde waarden overschrijden die met het als referentie gebruikte exemplaar zijn gemeten.
Aanhangsel 1
Model van het inlichtingenformulier
Inlichtingenformulier nr. …
betreffende de typegoedkeuring van vervangingsvoorzieningen voor verontreinigingsbeheersing
De volgende gegevens moeten in drievoud worden verstrekt en vergezeld gaan van een inhoudsopgave. Eventuele tekeningen moeten op een passende schaal en met voldoende details, in A4-formaat of tot dat formaat gevouwen, worden ingediend. Op eventuele foto’s moeten voldoende details te zien zijn.
Indien de systemen, onderdelen of technische eenheden elektronisch gestuurde functies hebben, moeten gegevens over de prestaties ervan worden verstrekt.
0. Algemeen
0.1. Merk (handelsnaam van fabrikant): …
0.2. Type: …
0.2.1. Handelsbenaming(en) (indien beschikbaar): …
0.3. Middel tot identificatie van het type: …
0.5. Naam en adres van de fabrikant: …
0.7. Bij onderdelen en technische eenheden, plaats en wijze van aanbrenging van het goedkeuringsmerk: …
0.8. Naam en adres van de assemblagefabriek(en): …
0.9 Eventueel naam en adres van de gemachtigde vertegenwoordiger van de fabrikant: …
…
1. Beschrijving van de voorziening
1.1. Type vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing: (oxidatiekatalysator, driewegkatalysator, SCR-katalysator, deeltjesfilter enz.) …
1.2. Tekeningen van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing, waarop met name alle kenmerken zijn aangegeven waarnaar onder "type voorziening voor verontreinigingsbeheersing" in punt 1.2.1 van deze bijlage wordt verwezen: …
1.3. Beschrijving van het (de) motor- en voertuigtype(n) waarvoor de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing is bestemd: …
1.3.1. Nummer en/of symbool van het (de) motor- en voertuigtype(n): …
…
1.3.2. Nummer en/of symbool van de originele voorziening(en) voor verontreinigingsbeheersing waarvoor de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing in de plaats moet komen: …
1.3.3. Wordt de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing geacht compatibel te zijn met de OBD-voorschriften? (ja/nee) (1)
1.3.4. Is de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing compatibel met de bestaande voertuig-/motorregelsystemen? (ja/nee) (1)
1.4. Een beschrijving en tekeningen waarop de plaats van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing ten opzichte van het (de) uitlaatspruitstuk(ken) van de motor is aangegeven: …
(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.
Aanhangsel 2
Mededeling betreffende de goedkeuring van een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing krachtens Reglement nr. 49, wijzigingenreeks 06
(maximumformaat: A4 (210 × 297 mm))
Aanhangsel 3
Opstelling van het goedkeuringsmerk
Dit aanhangsel geeft details over de opstelling van het goedkeuringsmerk dat overeenkomstig punt 3 van deze bijlage is afgegeven en op een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing is aangebracht.
De volgende schematische voorstelling toont de algemene lay-out, de verhoudingen en de inhoud van het merk. De betekenis van de cijfers en letters wordt gegeven en er wordt ook verwezen naar bronnen om de alternatieven voor elke goedkeuring te bepalen.
Aanhangsel 4
Verouderingsprocedure voor de beoordeling van de duurzaamheid
|
1. |
Dit aanhangsel geeft een beschrijving van de procedures om een vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing te verouderen en zo de duurzaamheid ervan te kunnen beoordelen. |
|
2. |
Om de duurzaamheid van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing aan te tonen, gelden de voorschriften in de punten 1 tot en met 3.4.2 van bijlage 7. |
|
2.1. |
Om de duurzaamheid van de vervangingsvoorziening voor verontreinigingsbeheersing aan te tonen, mag de in tabel 1 aangegeven minimumduur van de bedrijfsaccumulatieperiode worden toegepast.
Tabel 1 Minimumduur van de bedrijfsaccumulatieperiode
|
BIJLAGE 14
TOEGANG TOT DE OBD-INFORMATIE VAN HET VOERTUIG
1. TOEGANG TOT OBD-INFORMATIE
|
1.1. |
Aanvragen voor typegoedkeuring of wijziging van een typegoedkeuring moeten vergezeld gaan van de relevante informatie over het OBD-systeem van het voertuig. Deze relevante informatie moet de fabrikanten van vervangings- of retrofitonderdelen in staat stellen hun onderdelen compatibel te maken met het OBD-systeem van het voertuig om de storingsvrije werking ervan te garanderen. Dergelijke relevante informatie moet de fabrikanten van diagnose- en testapparatuur in staat stellen gereedschap en apparatuur te maken waarmee een doeltreffende en accurate diagnose van de emissiebeheersingssystemen van de motor of het voertuig kan worden uitgevoerd. |
|
1.2. |
Op verzoek moeten de typegoedkeuringsinstanties punt 2.1 met de relevante informatie over het OBD-systeem op niet-discriminerende wijze ter beschikking stellen van alle belanghebbende fabrikanten van onderdelen, diagnose- of testapparatuur. |
|
1.3. |
Als een typegoedkeuringsinstantie door een belanghebbende fabrikant van onderdelen, diagnose- of testapparatuur wordt verzocht informatie te verstrekken over het OBD-systeem van een motorsysteem of voertuig waarvoor typegoedkeuring is verleend krachtens een vorige versie van het reglement, moet:
|
|
1.4. |
Dit voorschrift mag eerder krachtens dit reglement verleende goedkeuringen niet ongeldig maken en mag ook geen uitbreidingen beletten van dergelijke goedkeuringen krachtens het reglement op basis waarvan zij oorspronkelijk zijn verleend. |
|
1.5. |
Informatie kan alleen worden gevraagd voor vervangings- of serviceonderdelen waarvoor VN/ECE-typegoedkeuring moet worden verleend, of voor onderdelen die deel uitmaken van een systeem waarvoor VN/ECE-typegoedkeuring moet worden verleend. |
|
1.6. |
In de informatieaanvraag moet precies worden aangegeven voor welk motorsysteem of voertuigmodel de informatie nodig is. Uit de aanvraag moet blijken dat de informatie nodig is voor de ontwikkeling van vervangings- of retrofitonderdelen of voor diagnose- of testapparatuur. |
2. OBD-GEGEVENS
|
2.1. |
De motor- of voertuigfabrikant moet de volgende aanvullende informatie verstrekken om de fabricage van OBD-compatibele vervangings- of serviceonderdelen en van diagnose- en testapparatuur mogelijk te maken, tenzij die informatie onder intellectuele-eigendomsrechten valt dan wel specifieke technische kennis van de fabrikant of de OEM-leverancier(s) vormt. |
|
2.1.1. |
Een beschrijving van het type en het aantal voorconditioneringscycli waaraan de motor of het voertuig bij de oorspronkelijke typegoedkeuring is onderworpen. |
|
2.1.2. |
Een beschrijving van het type OBD-demonstratiecyclus waaraan het voertuig bij de oorspronkelijke typegoedkeuring is onderworpen met betrekking tot het onderdeel dat door het OBD-systeem wordt bewaakt. |
|
2.1.3. |
Een uitvoerige beschrijving van alle onderdelen die in het kader van de strategie voor foutendetectie en MI-activering (vast aantal rijcycli of statistische methode) van een sensor zijn voorzien, inclusief een lijst van door sensoren bepaalde relevante secundaire parameters voor elk door het OBD-systeem bewaakt onderdeel en een lijst van alle OBD-outputcodes en -formaten (met een verklaring van elke code en elk formaat) voor afzonderlijke emissiegerelateerde onderdelen van de aandrijflijn en voor afzonderlijke niet-emissiegerelateerde onderdelen, voor zover de bewaking van het onderdeel dient om de MI-activering te bepalen. Met name bij voertuigtypen die gebruikmaken van een communicatielink volgens ISO 15765– 4 "Road vehicles — Diagnostics on Controller Area Network (CAN) — Part 4: Requirements for emissions-related systems", moeten voor elke bewaakte ID van het OBD-systeem de in modus $ 06 Test ID $ 00 tot FF verstrekte gegevens uitvoerig worden toegelicht.
Wanneer andere communicatieprotocolnormen worden toegepast, moet een even uitvoerige toelichting worden verstrekt. |
|
2.1.4. |
De in dit punt gevraagde informatie kan bijvoorbeeld worden verstrekt door een tabel zoals de volgende te completeren:
|
BIJLAGE 15
TECHNISCHE VOORSCHRIFTEN VOOR DUAL-FUELMOTOREN EN DUAL-FUELVOERTUIGEN OP DIESEL/GAS
1. TOEPASSINGSGEBIED
Deze bijlage is van toepassing op dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen.
2. DEFINITIES EN AFKORTINGEN
2.1. "Gasenergieverhouding (GER)"bij een dual-fuelmotor : de verhouding (uitgedrukt als percentage) van de energie-inhoud van de gasvormige brandstof (1) tot die van beide brandstoffen (diesel en gasvormige brandstof).
2.2. "Gemiddelde gasverhouding": de tijdens een specifieke werkingssequentie berekende gemiddelde gasenergieverhouding.
2.3. "Zware dual-fuelmotor (HDDF-motor) van type 1A": een dual-fuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet minder dan 90 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt, die niet uitsluitend op diesel stationair draait en die geen dieselmodus heeft.
2.4. "Zware dual-fuelmotor (HDDF-motor) van type 1B": een dual-fuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet minder dan 90 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt, die in dual-fuelmodus niet uitsluitend op diesel stationair draait en die een dieselmodus heeft.
2.5. "Zware dual-fuelmotor (HDDF-motor) van type 2A": een dual-fuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding tussen 10 en 90 % (10 % < GERWHTC < 90 %) werkt en geen dieselmodus heeft, of die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet minder dan 90 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt, maar die uitsluitend op diesel stationair draait en geen dieselmodus heeft.
2.6. "Zware dual-fuelmotor (HDDF-motor) van type 2B": een dual-fuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding tussen 10 en 90 % (10 % < GERWHTC < 90 %) werkt en een dieselmodus heeft, of die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet minder dan 90 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt, maar die in dual-fuelmodus uitsluitend op diesel stationair draait en een dieselmodus heeft.
2.7. "Zware dual-fuelmotor (HDDF-motor) van type 3B" (2) : een dual-fuelmotor die tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus met een gemiddelde gasverhouding van niet meer dan 10 % (GERWHTC ≥ 90 %) werkt en een dieselmodus heeft.
3. VOOR DUAL-FUEL SPECIFIEKE AANVULLENDE GOEDKEURINGSVOORSCHRIFTEN
3.1. Dual-fuelmotorenfamilie
3.1.1. Criteria om tot een dual-fuelmotorenfamilie te behoren
Alle motoren binnen een dual-fuelmotorenfamilie moeten tot hetzelfde type dual-fuelmotoren zoals gedefinieerd in deel 2 (3) behoren en op dezelfde brandstoftypen lopen of, in voorkomend geval, op brandstoffen die overeenkomstig dit reglement geacht worden tot dezelfde groep te behoren.
Alle motoren binnen een dual-fuelmotorenfamilie moeten voldoen aan de in dit reglement vastgestelde criteria om tot een compressieontstekingsmotorenfamilie te behoren.
Het verschil tussen de hoogste en de laagste GERWHTC ( d.w.z. de hoogste GERWHTC min de laagste GERWHTC) binnen een dual-fuelmotorenfamilie mag niet meer dan 30% bedragen.
3.1.2. Keuze van de oudermotor
De oudermotor van een dual-fuelmotorenfamilie moet worden gekozen volgens de criteria die in dit reglement voor de keuze van de oudermotor van een compressieontstekingsmotorenfamilie zijn vastgesteld.
4. ALGEMENE VOORSCHRIFTEN
4.1. Bedrijfsmodi van dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen
4.1.1. Voorwaarden voor een dual-fuelmotor om in dieselmodus te werken
Een dual-fuelmotor mag alleen in dieselmodus werken als hij, wanneer hij in dieselmodus werkt, volgens alle voorschriften van dit reglement betreffende dieselmotoren is gecertificeerd.
Wanneer een dual-fuelmotor uit een al gecertificeerde dieselmotor is ontwikkeld, moet hij in de dieselmodus opnieuw worden gecertificeerd.
4.1.2. Voorwaarden voor een HDDF-motor om uitsluitend op diesel stationair te draaien
4.1.2.1. HDDF-motoren van type 1A mogen niet uitsluitend op diesel stationair draaien, behalve onder de in punt 4.1.3 voor het warmlopen en starten gedefinieerde omstandigheden.
4.1.2.2. HDDF-motoren van type 1B mogen in dual-fuelmodus niet uitsluitend op diesel stationair draaien.
4.1.2.3. HDDF-motoren van type 2A, 2B en 3B mogen uitsluitend op diesel stationair draaien..
4.1.3. Voorwaarden voor een HDDF-motor om op diesel alleen warm te lopen of te starten
4.1.3.1. Een dual-fuelmotor van type 1B, 2B of 3B mag op diesel alleen warmlopen of starten. In dat geval moet hij echter in dieselmodus werken.
4.1.3.2. Een dual-fuelmotor van type 1A of 2A mag op diesel alleen warmlopen of starten. In dat geval moet de strategie echter als AES worden opgegeven en moet aan de volgende aanvullende voorschriften worden voldaan:
|
4.1.3.2.1. |
de strategie moet inactief worden wanneer het koelmiddel een temperatuur van 343 K (70°C) heeft bereikt, of binnen 15 minuten nadat zij is geactiveerd, naargelang wat zich het eerst voordoet; en |
|
4.1.3.2.2. |
de servicemodus moet worden geactiveerd terwijl de strategie actief is. |
4.2. Servicemodus
4.2.1. Voorwaarden voor dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen om in servicemodus te werken
Wanneer zijn motor in servicemodus werkt, wordt de bruikbaarheid van een dual-fuelvoertuig beperkt en wordt het tijdelijk vrijgesteld van de in dit reglement beschreven verplichtingen inzake uitlaatemissies, OBD en NOx-beperking.
4.2.2. Bruikbaarheidsbeperking in servicemodus
De bruikbaarheidsbeperking die geldt voor dual-fuelvoertuigen die in servicemodus werken, is die welke door het in bijlage 11 gespecificeerde "sterke-aansporingssysteem" wordt geactiveerd.
De bruikbaarheidsbeperking mag door de activering of deactivering van de in bijlage 11 gespecificeerde waarschuwings- en aansporingssystemen niet worden gedeactiveerd.
De activering en de deactivering van de servicemodus mag de in bijlage 11 gespecificeerde waarschuwings- en aansporingssystemen niet activeren of deactiveren.
De bruikbaarheidsbeperkingsvoorschriften worden geïllustreerd in aanhangsel 2.
4.2.2.1. Activering van de bruikbaarheidsbeperking
De bruikbaarheidsbeperking moet automatisch worden geactiveerd wanneer de servicemodus wordt geactiveerd.
Indien de servicemodus overeenkomstig punt 4.2.3 vanwege een storing in het gastoevoersysteem of een abnormaal gasverbruik wordt geactiveerd, moet de bruikbaarheidsbeperking actief worden nadat het voertuig voor het eerst weer heeft stilgestaan of binnen 30 minuten bedrijfstijd na activering van de servicemodus, naargelang wat zich het eerst voordoet.
Indien de servicemodus vanwege een lege gastank wordt geactiveerd, moet de bruikbaarheidsbeperking actief worden zodra de servicemodus wordt geactiveerd.
4.2.2.2. Activering van de bruikbaarheidsbeperking
Het bruikbaarheidsbeperkingssysteem moet worden geactiveerd wanneer het voertuig niet langer in servicemodus werkt.
4.2.3. Onbeschikbaarheid van gasvormige brandstof bij het werken in dual-fuelmodus
Om ervoor te zorgen dat het voertuig bij de detectie van een lege gasvormige-brandstoftank, van een storing in het gastoevoersysteem overeenkomstig punt 7.2 of van een abnormaal gasverbruik in dual-fuelmodus overeenkomstig punt 7.3, verder kan rijden en uiteindelijk de hoofdverkeersstroom kan verlaten, moeten:
|
a) |
dual-fuelmotoren van type 1A en 2A de servicemodus activeren; |
|
b) |
dual-fuelmotoren van type 1B, 2B en 3B in dieselmodus werken. |
4.2.3.1. Onbeschikbaarheid van gasvormige brandstof – lege gasvormige-brandstoftank
Bij een lege gasvormige-brandstoftank moet de servicemodus of, indien van toepassing overeenkomstig punt 4.2.3, de dieselmodus worden geactiveerd zodra het motorsysteem heeft gedetecteerd dat de tank leeg is.
Wanneer het beschikbare gas in de tank weer het niveau bereikt dat de activering van het in punt 4.3.2 gespecificeerde waarschuwingssyssteem voor een lege tank rechtvaardigt, mag de servicemodus worden gedeactiveerd of, indien van toepassing, de dual-fuelmodus worden gereactiveerd.
4.2.3.2. Onbeschikbaarheid van gasvormige brandstof – storing van de gastoevoer
Bij een storing in het gastoevoersysteem overeenkomstig punt 7.2 moet de servicemodus of, indien van toepassing overeenkomstig punt 4.2.3, de dieselmodus worden geactiveerd wanneer de voor die storing relevante DTC de bevestigde en actieve status heeft.
Zodra het diagnosesysteem concludeert dat de storing niet meer aanwezig is of wanneer de informatie, inclusief de DTC's voor de storingen die de activering rechtvaardigen, door een scanner is gewist, mag de servicemodus worden gedeactiveerd of, indien van toepassing, de dual-fuelmodus worden gereactiveerd.
4.2.3.2.1. Indien de in punt 4.4 gespecificeerde teller voor een storing in het gastoevoersysteem niet op nul staat en dus aangeeft dat de bewakingsfunctie een situatie heeft gedetecteerd waarin de storing misschien een tweede keer of nogmaals is opgetreden, moet de servicemodus of, indien van toepassing, de dieselmodus worden geactiveerd wanneer de DTC de status "potentieel" heeft.
4.2.3.3. Onbeschikbaarheid van gasvormige brandstof – abnormaal gasverbruik
Bij een abnormaal gasverbruik in dual-fuelmodus overeenkomstig punt 7.3 moet de servicemodus of, indien van toepassing overeenkomstig punt 4.2.3, de dieselmodus worden geactiveerd wanneer de voor die storing relevante DTC de status "potentieel" heeft.
Zodra het diagnosesysteem concludeert dat de storing niet meer aanwezig is of wanneer de informatie, inclusief de DTC's voor de storingen die de activering rechtvaardigen, door een scanner is gewist, mag de servicemodus worden gedeactiveerd of, indien van toepassing, de dual-fuelmodus worden gereactiveerd.
4.3. Dual-fuelindicatoren
4.3.1. Dual-fuelbedrijfsmodusindicator
Dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen moeten de bestuurder een visuele indicatie geven van de modus waarin de motor draait (dual-fuelmodus, dieselmodus of servicemodus).
De fabrikant beslist over de kenmerken en de plaats van deze indicator, die deel mag uitmaken van een al bestaand visueel indicatiesysteem.
De indicator mag door een berichtenweergave worden gecompleteerd. Het systeem dat voor de weergave van de in dit punt bedoelde berichten wordt gebruikt, mag hetzelfde zijn als het systeem dat voor OBD, voor de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen of voor andere onderhoudsdoeleinden wordt gebruikt.
Het visuele element van de dual-fuelbedrijfsmodusindicator mag niet hetzelfde zijn als dat wat voor OBD (d.w.z. de MI of storingsindicator) met het oog op het waarborgen van de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen of voor andere motoronderhoudsdoeleinden wordt gebruikt.
De weergave van veiligheidswaarschuwingen heeft altijd voorrang op de bedrijfsmodusindicatie.
4.3.1.1. De dual-fuelmodusindicator moet in servicemodus worden gezet zodra de servicemodus wordt geactiveerd (d.w.z. voordat hij werkelijk actief wordt) en de indicatie moet blijven zolang de servicemodus actief is.
4.3.1.2. De dual-fuelmodusindicator moet ten minste één minuut op dual-fuelmodus of dieselmodus worden gezet zodra de motor in dual-fuelmodus of dieselmodus draait. Bij "contact aan" is deze indicatie ten minste 1 minuut lang verplicht. De indicatie moet ook op verzoek van de bestuurder worden gegeven.
4.3.2. Waarschuwingssysteem voor lege gasvormige-brandstoftank (dual-fuelwaarschuwingssysteem)
Een dual-fuelvoertuig moet worden uitgerust met een dual-fuelwaarschuwingssysteem dat de bestuurder erop attendeert dat de gasvormige-brandstoftank weldra leeg zal zijn.
Het dual-fuelwaarschuwingssysteem moet actief blijven totdat de tank wordt bijgevuld tot een hoger niveau dan dat waarbij het waarschuwingssysteem wordt geactiveerd.
Het dual-fuelwaarschuwingssysteem mag tijdelijk worden onderbroken door andere waarschuwingssignalen met belangrijke veiligheidsberichten.
Het dual-fuelwaarschuwingssysteem mag niet met een scanner kunnen worden uitgezet zolang de oorzaak van de activering van de waarschuwing niet is weggenomen.
4.3.2.1. Kenmerken van het dual-fuelwaarschuwingssysteem
Het dual-fuelwaarschuwingssysteem moet bestaan uit een visueel waarschuwingssysteem (icoon, pictogram enz.) naar keuze van de fabrikant.
Als de fabrikant dat wenst, mag het systeem een geluidssignaal geven. In dat geval is annulering van dat geluidssignaal door de bestuurder toegestaan.
Het visuele element van het dual-fuelwaarschuwingssysteem mag niet hetzelfde zijn als dat wat voor het OBD-systeem (d.w.z. de MI of storingsindicator) met het oog op het waarborgen van de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen of voor andere motoronderhoudsdoeleinden wordt gebruikt.
Voorts mag het dual-fuelwaarschuwingssysteem korte berichten weergeven, inclusief berichten die duidelijk de resterende afstand of de tijd vóór de activering van de bruikbaarheidsbeperking aangeven.
Het systeem dat voor de weergave van de in dit punt bedoelde berichten wordt gebruikt, mag hetzelfde zijn als het systeem dat voor de weergave van aanvullende OBD-berichten, berichten over de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen of berichten voor andere onderhoudsdoeleinden wordt gebruikt.
Op voertuigen die bestemd zijn voor gebruik door hulpverleningsdiensten of op voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer en de ordediensten, mag een voorziening worden aangebracht waarmee de bestuurder de visuele signalen van het waarschuwingssysteem kan dimmen.
4.4. Teller van storingen in de gastoevoer
Het systeem moet een telsysteem bevatten om te registreren hoeveel uren de motor heeft gedraaid terwijl het systeem een storing in de gastoevoer heeft gedetecteerd overeenkomstig punt 7.2.
4.4.1. De criteria en mechanismen voor activering en deactivering van de teller moeten voldoen aan de specificaties van aanhangsel 2.
4.4.2. Een teller zoals gespecificeerd in punt 4.4 is niet vereist wanneer de fabrikant aan de typegoedkeuringsinstantie kan aantonen (bv. met een beschrijving van de strategie, experimentele elementen enz.) dat de dual-fuelmotor bij detectie van een storing automatisch op dieselmodus overschakelt.
4.5. Demonstratie van de dual-fuelindicatoren en de bruikbaarheidsbeperking
In het kader van de aanvraag voor typegoedkeuring krachtens dit reglement moet de fabrikant de werking van de dual-fuelindicatoren en de bruikbaarheidsbeperking demonstreren overeenkomstig de bepalingen van aanhangsel 3.
4.6. Meegedeeld koppel
4.6.1. Meegedeeld koppel wanneer een dual-fuelmotor in dual-fuelmodus werkt
Wanneer een dual-fuelmotor in dual-fuelmodus werkt:
|
a) |
moet de overeenkomstig de voorschriften voor datastream-informatie in bijlage 9B opvraagbare en in bijlage 8 bedoelde referentiekoppelkromme de koppelkromme zijn die overeenkomstig bijlage 4 is verkregen wanneer de motor op een motortestbank in dual-fuelmodus wordt getest; |
|
b) |
moeten de geregistreerde werkelijke koppels (aangegeven koppel en wrijvingskoppel) het resultaat van de dual-fuelverbranding zijn en niet het resultaat dat wordt verkregen wanneer de motor uitsluitend op diesel loopt. |
4.6.2. Meegedeeld koppel wanneer een dual-fuelmotor in dieselmodus werkt
Wanneer een dual-fuelmotor in dieselmodus werkt, moet de overeenkomstig de voorschriften voor datastream-informatie in bijlage 9B opvraagbare en in bijlage 8 bedoelde referentiekoppelkromme de koppelkromme zijn die overeenkomstig bijlage 4 is verkregen wanneer de motor op een motortestbank in dieselmodus wordt getest.
4.7. Voorschriften om emissies buiten de cyclus en emissies tijdens het gebruik te beperken
Dual-fuelmotoren vallen onder de voorschriften van bijlage 10, ongeacht of zij in dual-fuelmodus of, zoals bij de typen 1B, 2B en 3B, in dieselmodus werken.
4.7.1. PEMS-tests bij de certificering
De in bijlage 10 bij de typegoedkeuring voorgeschreven PEMS-demonstratietest moet worden uitgevoerd door de oudermotor van een dual-fuelmotorenfamilie te testen wanneer hij in dual-fuelmodus werkt.
4.7.1.1. Bij dual-fuelmotoren van type 1B, 2B en 3B moet onmiddellijk na of vóór de PEMS-demonstratietest in dual-fuelmodus een aanvullende PEMS-test op dezelfde motor en hetzelfde voertuig in dieselmodus worden verricht.
In dat geval kan alleen certificering worden verleend als de PEMS-demonstratietest zowel in dual-fuelmodus als in dieselmodus een besluit tot goedkeur heeft opgeleverd.
4.7.2. Aanvullende voorschriften
4.7.2.1. Adaptieve strategieën van een dual-fuelmotor zijn toegestaan op voorwaarde dat:
|
a) |
de motor altijd van het HDDF-type (d.w.z. type 1A, 2B enz.) blijft dat voor de typegoedkeuring is opgegeven; en |
|
b) |
bij een motor van type 2 het verschil tussen de hoogste en de laagste GERWHTC binnen de familie nooit het in punt 3.1.1 vermelde percentage overschrijdt; en |
|
c) |
deze strategieën worden aangegeven en zij voldoen aan de voorschriften van bijlage 10. |
5. PRESTATIEVOORSCHRIFTEN
5.1. Emissiegrenswaarden voor HDDF-motoren van type 1A en 1B
5.1.1. Voor HDDF-motoren van type 1A en HDDF-motoren van type 1B die in dual-fuelmodus werken, gelden de emissiegrenswaarden die voor elektrische-ontstekingsmotoren in punt 5.3 van dit reglement zijn vastgesteld.
5.1.2. Voor HDDF-motoren van type 1B die in dieselmodus werken, gelden de emissiegrenswaarden die voor compressieontstekingsmotoren in punt 5.3 van dit reglement zijn vastgesteld.
5.2. Emissiegrenswaarden voor HDDF-motoren van type 2A en 2B
5.2.1. Emissiegrenswaarden tijdens de WHSC-testcyclus
5.2.1.1. Voor HDDF-motoren van type 2A en HDDF-motoren van type 2B die in dual-fuelmodus werken, gelden tijdens de WHSC-testcyclus de uitlaatemissiegrenswaarden (incl. de deeltjesaantalgrenswaarde) die tijdens de WHSC-testcyclus voor compressieontstekingsmotoren gelden en in de tabel van punt 5.3 van dit reglement zijn vastgesteld.
5.2.1.2. Voor HDDF-motoren van type 2B die in dieselmodus werken, gelden tijdens de WHSC-testcyclus de emissiegrenswaarden (incl. de deeltjesaantalgrenswaarde) die voor compressieontstekingsmotoren in punt 5.3 van dit reglement zijn vastgesteld.
5.2.2. Emissiegrenswaarden tijdens de WHTC-testcyclus
5.2.2.1. Emissiegrenswaarden voor CO, NOx, NH3 en deeltjesmassa
Voor HDDF-motoren van type 2A en HDDF-motoren van type 2B die in dual-fuelmodus werken, gelden tijdens de WHSC-testcyclus de CO-, NOx-, NH3- en deeltjesmassa-emissiegrenswaarden die voor zowel compressieontstekingsmotoren als elektrische-ontstekingsmotoren tijdens de WHSC-testcyclus gelden en in punt 5.3 van dit reglement zijn vastgesteld.
5.2.2.2. Emissiegrenswaarden voor koolwaterstoffen
5.2.2.2.1. Aardgasmotoren
Voor HDDF-motoren van type 2A en HDDF-motoren van type 2B die in dual-fuelmodus op aardgas lopen, worden de THC-, NMHC- en CH4-grenswaarden tijdens de WHSC-testcyclus berekend aan de hand van die welke voor compressieontstekingsmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren tijdens de WHSC-testcyclus gelden en in punt 5.3 van dit reglement zijn vastgesteld. De berekeningsprocedure wordt in punt 5.3 van deze bijlage beschreven.
5.2.2.2.2. Lpg-motoren
Voor HDDF-motoren van type 2A en HDDF-motoren van type 2B die in dual-fuelmodus op lpg lopen, gelden tijdens de WHSC-testcyclus de THC-emissiegrenswaarden die tijdens de WHSC-testcyclus voor compressieontstekingsmotoren gelden en in punt 5.3 van dit reglement zijn vastgelegd.
5.2.2.3. Emissiegrenswaarden voor het deeltjesaantal
5.2.2.3.1. Voor HDDF-motoren van type 2A en HDDF-motoren van type 2B die in dual-fuelmodus werken, geldt tijdens de WHSC-testcyclus de deeljesaantalgrenswaarde die tijdens die cyclus voor compressieontstekingsmotoren geldt en in punt 5.3 van dit reglement is vastgesteld. Indien er in punt 5.3 van dit reglement een deeltjesaantalgrenswaarde voor elektrische-ontstekingsmotoren tijdens de WHTC-testcyclus wordt vastgesteld, zijn de voorschriften van punt 5.2.4 van toepassing voor de berekening van de grenswaarde die tijdens die cyclus voor HDDF-motoren van type 2A en type 2B geldt.
5.2.2.3.2. Voor HDDF-motoren van type 2B die in dieselmodus werken, gelden tijdens de WHTC-testcyclus de emissiegrenswaarden (incl. de deeltjesaantalgrenswaarde) die voor compressieontstekingsmotoren in punt 5.3 van dit reglement zijn vastgesteld.
5.2.3. Koolwaterstofgrenswaarden (in mg/kWh) voor HDDF-motoren van type 2A en HDDF-motoren van type 2B die tijdens de WHTC-testcyclus in dual-fuelmodus werken
De volgende berekeningsprocedure geldt voor HDDF-motoren van type 2A en HDDF-motoren van type 2B die tijdens de WHTC-testcyclus in dual-fuelmodus werken.
Bereken de gemiddelde gasverhouding GERWHTC tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus.
Bereken een overeenkomstige THCGER in mg/kWh met de volgende formule:
Bepaal de toepasbare THC-grenswaarde in mg/kWh met de volgende methode:
|
|
als THCGER ≤ CH4PI, dan
|
|
|
als THCGER > CH4PI, dan
|
Bij deze procedure geldt het volgende:
|
NMHCPI |
= |
de NMHC-emissiegrenswaarde tijdens de WHTC-testcyclus, die overeenkomstig punt 5.3 van dit reglement voor elektrische-ontstekingsmotoren geldt; |
|
CH4PI |
= |
de CH4-emissiegrenswaarde tijdens de WHTC-testcyclus, die overeenkomstig punt 5.3 van dit reglement voor elektrische-ontstekingsmotoren geldt. |
Figuur 1
Illustratie van de HC-grenswaarden bij een HDDF-motor van type 2 die tijdens de WHTC-cyclus in dual-fuelmodus werkt (dual-fuel aardgasmotoren)
Emissiegrenswaarde (mg/kWh)
Gasernergieverhouding tijdens de WHTC (warm gedeelte)
5.2.4. Deeltjesaantalgrenswaarde (in #/kWh) voor HDDF-motoren van type 2A en HDDF-motoren van type 2B die tijdens de WHTC-testcyclus in dual-fuelmodus werken
Indien er in punt 5.3 van dit reglement een deeltjesaantalgrenswaarde voor elektrische-ontstekingsmotoren tijdens de WHTC-testcyclus wordt vastgesteld, moet op HDDF-motoren van type 1A, 1B, 2A en 2B die tijdens de WHTC-cyclus worden getest, de volgende berekeningsprocedure worden toegepast.
Bereken de gemiddelde gasverhouding GERWHTC tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus.
Bereken vervolgens de tijdens de WHTC-testcyclus toepasselijke deeltjesaantalgrenswaarden PN limitWHTC in #/kWh met de volgende formule (lineaire interpolatie tussen de deeltjesaantalgrenswaarden voor compressieontstekingsmotoren en elektrische-ontstekingsmotoren):
waarin:
|
PN limitPI/WHTC |
= |
de deeltjesaantalgrenswaarde die voor elektrische-ontstekingsmotoren tijdens de WHTC-testcyclus geldt; |
|
PN limitCI/WHTC |
= |
de deeltjesaantalgrenswaarde die voor compressieontstekingsmotoren tijdens de WHTC-testcyclus geldt. |
Figuur 2
Illustratie van de deeltjesaantalgrenswaarden bij een HDDF-motor van type 2 die tijdens de WHTC-cyclus in dual-fuelmodus werkt
Gasenergieverhouding tijdens de WHTC (warm gedeelte)
5.3. Emissiegrenswaarden voor HDDF-motoren van type 3B die in dual-fuelmodus werken
De emissiegrenswaarden voor HDDF-motoren van type 3B die in dual-fuelmodus of in dieselmodus werken, zijn de uitlaatemissiegrenswaarden die voor compressieontstekingsmotoren gelden.
5.4. Conformiteitsfactoren
In principe moet de te hanteren emissiegrenswaarde voor de toepassing van de conformiteitsfactor die bij de uitvoering van een PEMS-test wordt gebruikt, ongeacht of die test bij de certificering of bij het controleren en aantonen van de conformiteit van motoren en voertuigen tijdens het gebruik plaatsvindt, worden bepaald op basis van de werkelijke GER, berekend aan de hand van het tijdens de wegtest gemeten brandstofverbruik.
Bij gebrek aan een degelijke methode om het gas- of dieselverbruik te meten, mag de fabrikant echter gebruikmaken van de GERWHTC die tijdens het warme gedeelte van de WHTC is bepaald.
6. DEMONSTRATIEVOORSCHRIFTEN
6.1. Dual-fuelmotoren moeten aan de in tabel 1 gespecificeerde laboratoriumtests worden onderworpen
Tabel 1
Op een dual-fuelmotor uit te voeren laboratoriumtests
|
|
Type 1A |
Type 1B |
Type 2A |
Type 2B |
Type 3B |
|
WHTC |
NMHC; CH4; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
Dual-fuelmodus: NMHC; CH4; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
THC; NMHC; CH4; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
Dual-fuelmodus: THC; NMHC; CH4; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
THC; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
|
Dieselmodus: THC; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
Dieselmodus: THC; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
||||
|
WHSC |
geen test |
Dual-fuelmodus: geen test |
NMHC; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
Dual-fuelmodus: NMHC; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
THC; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
|
Dieselmodus: THC; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
Dieselmodus: THC; CO; NOx; PM; PN; NH3 |
||||
|
WNTE-laboratorium test |
geen test |
Dual-fuelmodus: geen test |
[HC]; CO; NOx; PM |
Dual-fuelmodus: [HC]; CO; NOx; PM |
THC; CO; NOx; PM |
|
Dieselmodus: THC; CO; NOx; PM |
Dieselmodus: THC; CO; NOx; PM |
6.2. Demonstraties bij de installatie van HDDF-motoren waarvoor typegoedkeuring is verleend
Behalve de voorschriften van dit reglement met betrekking tot de installatie van een motor waarvoor typegoedkeuring als technische eenheid is verleend, moet een demonstratie van de correcte installatie van een dual-fuelmotor in een voertuig worden verricht op basis van relevante constructie-elementen, resultaten van controletests enz., en moet de conformiteit van de volgende elementen met de voorschriften van deze bijlage worden aangetoond:
|
a) |
de in deze bijlage gespecificeerde dual-fuelindicatoren en dual-fuelwaarschuwingen (pictogram, activeringsschema's enz.); |
|
b) |
het brandstofopslagsysteem; |
|
c) |
de prestaties van het voertuig in servicemodus. |
Het correcte oplichten van de indicator en de correcte activering van het waarschuwingssysteem zullen worden gecontroleerd. Voor de controles hoeft het motorsysteem niet te worden gedemonteerd (er mag bv. een elektrische verbinding worden verbroken).
6.3. Demonstratievoorschriften bij een motor van type 2
De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstantie bewijsmateriaal overleggen waaruit blijkt dat het GERWHTC-bereik van alle leden van de dual-fuelmotorenfamilie binnen het in punt 3.1.1 aangegeven percentage blijf (bv. met algoritmen, functionele analysen, resultaten van eerdere tests enz.).
6.4. Aanvullende demonstratievoorschriften bij multibrandstoftypegoedkeuring
Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie mag tussen de demonstratietests ten hoogste tweemaal de laatste 10 minuten van de WHTC aan de aanpassingsrit worden toegevoegd.
6.5. Voorschriften om de duurzaamheid van een dual-fuelmotor aan te tonen
De bepalingen van bijlage 7 zijn van toepassing.
7. OBD-VOORSCHRIFTEN
7.1. Algemene OBD-voorschriften
Alle dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage 9A voor dieselmotoren, ongeacht of zij in dual-fuelmodus of dieselmodus werken.
Op een dual-fuelmotorsysteem met zuurstofsensor(en) zijn de voorschriften voor gasmotoren in punt 13 van aanhangsel 3 van bijlage 9B van toepassing.
Op een dual-fuelmotorsysteem met driewegkatalysator zijn de voorschriften voor gasmotoren in de punten 7, 10 en 15 van aanhangsel 3 van bijlage 9B van toepassing.
7.1.1. Aanvullende algemene OBD-voorschriften voor dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen van type 1B, 2B en 3B
7.1.1.1. Bij storingen waarvan de detectie niet van de werkingsmodus van de motor afhangt, mogen de in bijlage 9B gespecificeerde en aan de DTC-status gerelateerde mechanismen niet van de werkingsmodus van de motor afhangen (als bv. een DTC de status "potentieel" in dual-fuelmodus heeft bereikt, zal hij de volgende keer dat de storing wordt gedetecteerd, zelfs in dieselmodus de bevestigde en actieve status krijgen).
7.1.1.2. Bij storingen waarvan de detectie van de werkingsmodus van de motor afhangt, mogen DTC's een eerder actieve status niet in een andere modus krijgen dan die waarin zij de bevestigde en actieve status hebben bereikt.
7.1.1.3. Een verandering van de werkingsmodus (van dual-fuel naar diesel of omgekeerd) mag de OBD-mechanismen (tellers enz.) niet stoppen of resetten. Bij storingen waarvan de detectie afhankelijk is van de werkingsmodus in kwestie, mogen de tellers voor die storingen op verzoek van de fabrikant en met de goedkeuring van de typegoedkeuringsinstantie:
|
a) |
stoppen en, zo mogelijk, de op dat moment aangegeven waarde vasthouden wanneer de werkingsmodus verandert; |
|
b) |
herstarten en, zo mogelijk, voorttellen vanaf het punt waar zij waren gestopt wanneer de werkingsmodus weer verandert. |
7.1.1.4. Van een mogelijke invloed van de werkingsmodus op de storingsdetectie mag geen gebruik worden gemaakt om de periode tot de activering van een bruikbaarheidsbeperking te verlengen.
7.1.1.5. Bij dual-fuelmotoren van type 1B, 2B of 3B moet de fabrikant aangeven welke storingen afhankelijk zijn van de werkingsmodus. Die informatie moet in het in punt 8.1, onder a), van bijlage 9B voorgeschreven informatiepakket worden opgenomen. De reden voor de afhankelijkheid van de werkingsmodus moet in het in punt 8.1, onder a), van bijlage 9B voorgeschreven informatiepakket worden opgenomen.
7.1.1.5. De volgende informatie moet aan tabel 1 in aanhangsel 5 van bijlage 9B worden toegevoegd.
|
|
Freezeframe |
Datastream |
|
Bij dual-fuelmotoren van type 1B, 2B en 3B, werkingsmodus van de dual-fuelmotor (dual-fuel of diesel) |
x |
x |
7.2. Bewaking van het gastoevoersysteem
Bij HDDF-motoren en –voertuigen moet de gastoevoer binnen het motorsysteem (incl. de signalen die van buiten het motorsysteem komen) worden bewaakt overeenkomstig de specificaties van punt 1 in aanhangsel 3 van bijlage 9B – onderdeelbewaking.
7.3. Bewaking van het verbruik van gasvormige brandstof
Dual-fuelvoertuigen moeten voorzien zijn van een middel om het gasverbruik te meten en buiten het voertuig toegang tot verbruiksinformatie te verstrekken. Een abnormaal verbruik van gasvormige brandstof (bv. een afwijking van 50% van het normale verbruik) moet worden bewaakt – prestatiebewaking.
De bewakingsfunctie voor onvoldoende verbruik van gasvormige brandstof moet in dual-fuelmodus continu worden uitgevoerd, maar de maximale detectieperiode is 48 uur werking in die modus.
De bewakingsfunctie mag niet onder de "IUPR"-voorschriften vallen.
7.4. OBD-gebreken
De voorschriften inzake gebreken van bijlage 9B voor dieselmotoren zijn van toepassing op dual-fuelmotoren.
Een gebrek dat zowel in dieselmodus als in dual-fuelmodus aanwezig is, mag niet voor elke modus afzonderlijk worden meegeteld.
7.5. Wissen van storingsinformatie met een scanner
7.5.1. Het wissen van informatie met een scanner, inclusief van DTC's voor de in deze bijlage behandelde storingen, moet plaatsvinden overeenkomstig bijlage 9B.
7.5.2. Het wissen van storingsinformatie mag alleen mogelijk zijn wanneer de motor is uitgezet.
7.5.3. Wanneer storingsinformatie over het in punt 7.2 gespecificeerde gastoevoersysteem, inclusief de DTC, wordt gewist, mag de teller voor die storing niet worden gewist.
8. VOORSCHRIFTEN OM DE CORRECTE WERKING VAN DE NOx-BEPERKINGSMAATREGELEN TE GARANDEREN
8.1. Bijlage 11 (over de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen) is van toepassing op HDDF-motoren en –voertuigen, ongeacht of zij in dual-fuelmodus of dieselmodus werken.
8.2. Aanvullende algemene OBD-voorschriften voor dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen van type 1B, 2B en 3B
8.2.1. Bij HDDF-motoren van type 1B, 2B en 3B moet het koppel dat voor de toepassing van het in bijlage 11 beschreven lichte-aansporingssysteem in aanmerking wordt genomen, het laagste zijn van de in dieselmodus en in dual-fuelmodus verkregen koppels.
8.2.2. De voorschriften van punt 7.1.1 betreffende aanvullende algemene OBD-voorschriften voor dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen van type 1B, 2B en 3B zijn eveneens van toepassing op het diagnosesysteem voor de correcte werking van de NOx-beperkingssystemen.
Zo geldt met name het volgende.
|
8.2.2.1. |
Van een mogelijke invloed van de werkingsmodus op de storingsdetectie mag geen gebruik worden gemaakt om de periode tot de activering van een bruikbaarheidsbeperking te verlengen. |
|
8.2.2.2. |
Een verandering van de werkingsmodus (van dual-fuel naar diesel of omgekeerd) mag de mechanismen waarmee aan de specificatie van bijlage 11 wordt voldaan (tellers enz.), niet stoppen of resetten. Wanneer een van deze mechanismen (bv. een diagnosesysteem) afhankelijk is van de werkingsmodus in kwestie, mag de teller voor dat mechanisme op verzoek van de fabrikant en met de goedkeuring van de typegoedkeuringsinstantie:
|
9. CONFORMITEIT VAN IN GEBRUIK ZIJNDE VOERTUIGEN/MOTOREN
De conformiteit van in gebruik zijnde dual-fuelmotoren en dual-fuelvoertuigen moet worden aangetoond overeenkomstig de voorschriften van bijlage 8.
De PEMS-tests moeten in dual-fuelmodus worden uitgevoerd.
9.1. Bij dual-fuelmotoren van type 1B, 2B en 3B moet onmiddellijk na of vóór bovengenoemde demonstratietest in dual-fuelmodus een aanvullende PEMS-test op dezelfde motor en hetzelfde voertuig in dieselmodus worden verricht.
In dat geval moet het besluit tot goedkeur of afkeur van de partij in kwestie volgens de in bijlage 8 beschreven statistische procedure worden genomen op basis van het volgende:
|
a) |
voor een individueel voertuig wordt een besluit tot goedkeur genomen als de PEMS-test zowel in dual-fuelmodus als in dieselmodus een besluit tot goedkeur heeft opgeleverd; |
|
b) |
voor een individueel voertuig wordt een besluit tot afkeur genomen als de PEMS-test zowel in dual-fuelmodus als in dieselmodus een besluit tot afkeur heeft opgeleverd. |
10. AANVULLENDE TESTPROCEDURES
10.1. Aanvullende voorschriften voor dual-fuelmotoren met betrekking tot de emissietestprocedure
10.1.1. Bij het uitvoeren van een emissietest moeten dual-fuelmotoren voldoen aan de voorschriften van dit reglement (incl. bijlage 4) en met name aan de voorschriften van aanhangsel 4.
10.2. Aanvullende voorschriften voor dual-fuelmotoren met betrekking tot de PEMS-emissietestprocedure
10.2.1. Dual-fuelmotoren die aan een PEMS-test worden onderworpen, moeten aan de voorschriften van aanhangsel 5 en ook aan de andere PEMS-voorschriften van dit reglement voldoen.
10.2.2. Koppelcorrectie
Zo nodig, bv. vanwege een variërende gassamenstelling, mag de fabrikant besluiten het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid te corrigeren. In dat geval gelden de volgende voorschriften.
10.2.2.1. Correctie van het PEMS-koppelsignaal
De fabrikant moet de typegoedkeuringsinstantie een beschrijving verstrekken van de verhouding waarmee het reële koppel uit de tijdens de emissietests met de twee geschikte referentiebrandstoffen verkregen koppels en uit het in de elektronische regeleenheid opvraagbare werkelijke koppel kan worden geëxtrapoleerd.
10.2.2.1.1. Indien de met de twee referentiebrandstoffen verkregen koppels mogen worden geacht in dezelfde grootteorde te liggen (d.w.z. binnen de in punt 9.4.2.5 van dit reglement gespecificeerde tolerantie van 7 %), hoeft de gecorrigeerde waarde van de elektronische regeleenheid niet te worden gebruikt.
10.2.2.2. Bij een PEMS-test in aanmerking te nemen koppelwaarde
Voor een PEMS-test (op arbeid gebaseerd venster) moet de gecorrigeerde koppelwaarde het resultaat zijn van die interpolatie.
10.2.2.3. Conformiteit van het koppelsignaal van de elektronische regeleenheid
De in aanhangsel 4 van bijlage 8 beschreven "maximumkoppelmethode" dient om aan te tonen dat tijdens de voertuigtests een punt is bereikt tussen de referentiekrommen van het maximumkoppel die bij een bepaald motortoerental tijdens tests met de twee geschikte referentiebrandstoffen zijn verkregen.
De waarde van dat punt moet met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie worden geraamd op basis van de werkelijke brandstofsamenstelling die zo dicht mogelijk bij de motor is bemonsterd, en de vermogenskrommen die met elk van de referentiebrandstoffen tijdens de emissiecertificatietest zijn verkregen.
10.3. Aanvullende, voor dual-fuel specifieke bepalingen voor het bepalen van de CO2-emissies
Punt 3.1 van bijlage 12 betreffende het bepalen van de CO2-emissies bij een ruwe meting is niet van toepassing op dual-fuelmotoren. In plaats daarvan gelden de volgende bepalingen.
Het overeenkomstig punt 4.3 van bijlage 12 tijdens de test gemeten gemiddelde brandstofverbruik moet dienen als basis om de voor de test gemiddelde CO2-emissies te berekenen.
De massa van elke verbruikte brandstof moet worden gebruikt om overeenkomstig punt A.6.4 van deze bijlage de molaire waterstofverhouding en de massafracties van de brandstofmix tijdens de test te bepalen.
De totale brandstofmassa moet met de formules 23 en 24 worden bepaald.
|
|
(23) |
|
|
(24) |
waarin:
|
mfuel,corr |
= |
de gecorrigeerde brandstofmassa van beide brandstoffen (g/test); |
|
mfuel |
= |
de totale brandstofmassa van beide brandstoffen (g/test); |
|
mTHC |
= |
massa van de totale waterstofemissies in het uitlaatgas (g/test); |
|
mCO |
= |
massa van de koolmonoxide-emissies in het uitlaatgas (g/test); |
|
mCO2,fuel |
= |
van de brandstof afkomstige CO2-massa-emissie (g/test); |
|
wGAM |
= |
zwavelgehalte van de brandstoffen (massa %); |
|
wDEL |
= |
stikstofgehalte van de brandstoffen (massa %); |
|
wEPS |
= |
zuurstofgehalte van de brandstoffen (massa %); |
|
α |
= |
molaire waterstofverhouding van de brandstoffen (H/C); |
|
AC |
= |
de atoommassa van koolstof: 12,011 g/mol; |
|
AH |
= |
de atoommassa van waterstof: 1,0079 g/mol; |
|
MCO |
= |
de moleculaire massa van koolmonoxide: 28,011 g/mol; |
|
MCO2 |
= |
de moleculaire massa van kooldioxide: 44,01 g/mol; |
De door ureum veroorzaakte CO2-emissie moet met formule 25 worden berekend:
|
|
(25) |
waarin:
|
mCO2,urea |
= |
door ureum veroorzaakte CO2-massa-emissie (g/test); |
|
curea |
= |
ureumconcentratie (%); |
|
murea |
= |
totaal ureummassaverbruik (g/test); |
|
MCO(NH2)2 |
= |
de moleculaire massa van ureum: 60,056 g/mol; |
Vervolgens moet de totale CO2-emissie met formule 26 worden berekend:
|
|
(26) |
Daarna moeten de specifieke CO2-emissies op de testbank (eCO2 ) worden berekend overeenkomstig punt 3.3 van bijlage 12.
11. DOCUMENTATIEVOORSCHRIFTEN
11.1. Documentatie voor het installeren in een voertuig van een HDDF-motor waarvoor typegoedkeuring is verleend
De fabrikant van een dual-fuelmotor waarvoor typegoedkeuring is verleend als technische eenheid, moet in de installatiedocumenten van het motorsysteem de nodige voorschriften opnemen om te garanderen dat het voertuig bij gebruik op de weg of elders aan de voorschriften van deze bijlage zal voldoen. Deze documentatie moet onder meer het volgende omvatten:
|
a) |
de gedetailleerde technische voorschriften, inclusief de bepalingen om de compatibiliteit met het OBD-systeem van het motorsysteem te waarborgen; |
|
b) |
de uit te voeren controleprocedure. |
Het bestaan en de geschiktheid van dergelijke installatievoorschriften kunnen tijdens de goedkeuringsprocedure van het motorsysteem worden gecontroleerd.
11.1.1. Wanneer de voertuigfabrikant die goedkeuring van de installatie van het motorsysteem op het voertuig aanvraagt, dezelfde fabrikant is aan wie de typegoedkeuring van de dual-fuelmotor als technische eenheid is verleend, is de in punt 11.2 gespecificeerde documentatie niet noodzakelijk.
(1) Gebaseerd op de laagste verwarmingswaarde.
(2) HDDF-motoren van type 3A worden in dit reglement niet gedefinieerd en zijn bij dit reglement ook niet toegestaan.
(3) Bijvoorbeeld HDDF-motor van type 1A, HDDF-motor van type 2B enz.
Aanhangsel 1
Typen HDDF-motoren en -voertuigen - Illustratie van de definities en de belangrijkste voorschriften
|
|
GERWHTC (1) |
Stationair draaien op diesel |
Warmlopen op diesel |
Alleen werken op diesel |
Werken zonder gas |
Opmerkingen |
|
Type 1A |
GERWHTC ≥ 90% |
NIET toegestaan |
Alleen toegestaan in servicemodus |
Alleen toegestaan in servicemodus |
Servicemodus |
|
|
Type 1B |
GERWHTC ≥ 90% |
Alleen toegestaan in dieselmodus |
Alleen toegestaan in dieselmodus |
Alleen toegestaan in diesel- en in servicemodus |
Dieselmodus |
|
|
Type 2A |
10% < GERWHTC < 90% |
Toegestaan |
Alleen toegestaan in servicemodus |
Alleen toegestaan in servicemodus |
Servicemodus |
GERWHTC ≥ 90% toegestaan |
|
Type 2B |
10% < GERWHTC < 90% |
Toegestaan |
Alleen toegestaan in dieselmodus |
Alleen toegestaan in diesel- en in servicemodus |
Dieselmodus |
GERWHTC ≥ 90% toegestaan |
|
Type 3A |
NIET GEDEFINIEERD EN OOK NIET TOEGESTAAN |
|||||
|
Type 3B |
GERWHTC ≤ 10% |
Toegestaan |
Alleen toegestaan in dieselmodus |
Alleen toegestaan in diesel- en in servicemodus |
Dieselmodus |
|
(1) Deze gemiddelde gasenergieverhouding GERWHTC wordt tijdens het warme gedeelte van de WHTC-testcyclus berekend.
Aanhangsel 2
Activerings- en deactiveringsmechanismen van de teller(s), het waarschuwingssysteem, de bruikbaarheidsbeperking, de servicemodus bij dual-fuelmotoren en-voertuigen – Beschrijving en illustraties
A.2.1. Beschrijving van het tellermechanisme
A.2.1.1. Algemeen
|
A.2.1.1.1. |
Om aan de voorschriften van deze bijlage te voldoen, moet het systeem een teller bevatten om te registreren hoeveel uren de motor heeft gedraaid terwijl het systeem een storing van de gastoevoer heeft gedetecteerd. |
|
A.2.1.1.2. |
Deze teller moet tot 30 minuten bedrijfstijd kunnen tellen. De tellerintervallen mogen niet langer zijn dan 3 minuten. Bij het bereiken van de door het systeem toegestane maximumwaarde moet de teller die waarde vasthouden tenzij de voorwaarden zijn vervuld om de teller weer op nul te mogen zetten. |
A.2.1.2. Beginsel van het tellermechanisme
|
A.2.1.2.1. |
De tellers moeten als volgt werken:
|
A.2.1.3. Illustratie van het tellermechanisme
De figuren A2.1.1 tot en met A2.1.3 geven via drie gebruiksgevallen een illustratie van het teller mechanisme.
Figuur A2.1.1
Illustratie van het tellermechanisme van de gastoevoer (HDDF type A) – gebruiksgeval 1
gebruiksgeval 1
gebruiksgeval 2
gebruiksgeval 3
bruikbaar- heidsbe- perking
AAN
UIT
HDDF type A
service- modus
Actief
Geactiveerd
UIT
30 min. bedrijfstijd zonder stilstand
30 min. bedrijfstijd zonder stilstand
stilstand van het voertuig
< 36 op. hours
> 36 bedrijfsuren
gastoevoer- teller
30 min
0 min
alle HDDF- typen
storing gastoevoer
DTC-status bevestigd en actief
DTC-status potentieel
GEEN detectie
Er wordt voor het eerst een storing in de gastoevoer gedetecteerd.
De servicemodus wordt geactiveerd en de teller begint te tellen zodra de DTC de "bevestigde en actieve" status krijgt (2e detectie).
Het voertuig komt tot stilstand voordat, na activering van de servicemodus, 30 minuten bedrijfstijd zijn bereikt.
De servicemodus wordt actief en de snelheid van het voertuig wordt tot 20 km/h beperkt (zie punt 4.2.2.1 van deze bijlage).
De teller bevriest op de op dat moment aangegeven waarde.
Figuur A2.1.2
Illustratie van het tellermechanisme van de gastoevoer (HDDF type A) – gebruiksgeval 2
gebruiksgeval 1
gebruiksgeval 2
gebruiksgeval 3
bruikbaarheids beperking
AAN
UIT
HDDF type A
service- modus
Actief
Geactiveerd
UIT
30 min. bedrijfstijd zonder stilstand
30 min. bedrijfstijd zonder stilstand
stilstand van het voertuig
< 36 bedrijfsuren
> 36 bedrijfsuren
gastoevoer- teller
30 min
0 min
alle HDDF- typen
storing gastoevoer
DTC-status bevestigd en actief
DTC-status potentieel
GEEN detectie
Een storing in de gastoevoer wordt gedetecteerd terwijl de teller van de storingen in de gastoevoer niet op nul staat (in dit gebruiksgeval geeft hij de waarde aan die hij in gebruiksgeval 1 heeft bereikt toen het voertuig ging stilstaan).
De servicemodus wordt geactiveerd en de teller begint weer van nul te tellen zodra de DTC de "potentiële" status krijgt (1e detectie: zie punt 4.2.3.2.1).
Na 30 minuten bedrijf zonder stilstand wordt de servicemodus actief en wordt de snelheid van het voertuig tot 20 km/h beperkt (zie punt 4.2.2.1 van deze bijlage).
De teller bevriest op een waarde van 30 minuten bedrijfstijd.
Figuur A2.1.3
Illustratie van het tellermechanisme van de gastoevoer (HDDF type A) – gebruiksgeval 3
gebruiksgeval 1
gebruiksgeval 2
gebruiksgeval 3
bruikbaarheids beperking
AAN
UIT
HDDF type A
service- modus
Actief
Geactiveerd
UIT
30 min. bedrijfstijd zonder stilstand
30 min. bedrijfstijd zonder stilstand
stilstand van het voertuig
< 36 bedrijfsuren
> 36 bedrijfsuren
gastoevoer- teller
30 min
0 min
alle HDDF- typen
storing gastoevoer
DTC-status bevestigd en actief
DTC-status potentieel
GEEN detectie
Na 36 bedrijfsuren zonder detectie van een storing in de gastoevoer wordt de teller weer op nul gezet (zie punt A.2.1.2.3.2.1).
Een storing in de gastoevoer wordt opnieuw gedetecteerd terwijl de teller van de storingen in de gastoevoer op nul staat (1e detectie).
De servicemodus wordt geactiveerd en de teller begint te tellen zodra de DTC de "bevestigde en actieve" status krijgt (2e detectie).
Na 30 minuten bedrijf zonder stilstand wordt de servicemodus actief en wordt de snelheid van het voertuig tot 20 km/h beperkt (zie punt 4.2.2.1 van deze bijlage).
De teller bevriest op een waarde van 30 minuten bedrijfstijd.
A.2.2. Illustratie van de andere activerings- en deactiveringsmechanismen
A.2.2.1. Lege gastank
Figuur A2.2 geeft een illustratie van de gebeurtenissen die zich bij een HDDF-voertuig voordoen wanneer een gastank leegraakt, via één typisch gebruiksgeval.
Figuur A2.2
Illustratie van de gebeurtenissen die zich bij een lage gastank voordoen (HDDF-typen A en B)
HDDF type B
bedrijfs- modus
Diesel
Dual-fuel
bruikbaarheids- beperking
AAN
UIT
HDDF Type A
service- modus
Actief
Geactiveerd
UIT
30 min. bedrijfstijd of stilstand
waarschuwings- systeem
AAN
UIT
alle HDDF- typen
gasni- veau in de tank
kritisch
leeg
In dat gebruiksgeval:
|
a) |
wordt het in punt 4.3.2 van deze bijlage gespecificeerde waarschuwingssysteem actief wanneer het gasniveau het door de fabrikant vastgestelde kritische niveau bereikt; |
|
b) |
wordt de servicemodus geactiveerd (bij een HDDF van type A) of schakelt de motor over op dieselmodus (bij een HDDF van type B). |
Bij een HDDF van type A wordt de servicemodus actief en wordt de snelheid van het voertuig tot 20 km/h beperkt nadat het voertuig voor het eerst weer heeft stilgestaan of na 30 minuten bedrijfstijd zonder stilstand (zie punt 4.2.2.1 van deze bijlage).
De gastank wordt weer gevuld.
Het voertuig werkt weer in dual-fuelmodus zodra de tank weer boven het kritische niveau is gevuld.
A.2.2.2. Storing in de gastoevoer
Figuur A2.3 geeft via één typisch gebruiksgeval een illustratie van de gebeurtenissen die zich bij een storing in het gastoevoersysteem voordoen. Deze illustratie moet worden gezien als aanvulling op die in punt A.2.1 betreffende het tellermechanisme.
Figuur A2.3
Illustratie van de gebeurtenissen die zich bij een storing in het gastoevoersysteem voordoen (HDDF-typen A en B)
HDDF type B
bedrijfs- modus
Diesel
Dual-fuel
bruikbaarheids- beperking
AAN
UIT
HDDF Type A
service- modus
Actief
Geactiveerd
UIT
30 min. bedrijfstijd of stilstand
all HDDF- typen
storing gastoevoer
DTC-status be- vestigd en actief
DTC-status potentieel
NEEN
In dat gebruiksgeval:
|
a) |
treedt de storing in het gastoevoersysteem voor het eerst op. De DTC krijgt de potentiële status (1e detectie); |
|
b) |
wordt de servicemodus geactiveerd (bij een HDDF van type A) of schakelt de motor over op dieselmodus (bij een HDDF van type B) zodra de DTC de "bevestigde en actieve" status krijgt (2e detectie). |
Bij een HDDF van type A wordt de servicemodus actief en wordt de snelheid van het voertuig tot 20 km/h beperkt nadat het voertuig voor het eerst weer heeft stilgestaan of na 30 minuten bedrijfstijd zonder stilstand (zie punt 4.2.2.1 van deze bijlage).
Het voertuig werkt weer in dual-fuelmodus zodra de storing is opgeheven.
A.2.2.3. Abnormaal gasverbruik
Figuur A2.3 geeft via één typisch gebruiksgeval een illustratie van de gebeurtenissen die zich bij abnormaal gasverbruik voordoen.
Figuur A2.4
Illustratie van de gebeurtenissen die zich bij abnormaal gasverbruik voordoen (HDDF-typen A en B)
HDDF type B
bedrijfs- modus
Diesel
Dual-fuel
bruikbaarheids- beperking
AAN
UIT
HDDF type A
service- modus
Actief
Geactiveerd
UIT
30 min. bedrijfstijd of stilstand
alle HDDF- typen
abnormaal gasverbruik
DTC-status potentieel
NEEN
In dat geval wordt de servicemodus geactiveerd (bij een HDDF van type A) of schakelt de motor over op dieselmodus (bij een HDDF van type B) zodra de DTC de "potentiële" status krijgt (1e detectie).
Bij een HDDF van type A wordt de servicemodus actief en wordt de snelheid van het voertuig tot 20 km/h beperkt nadat het voertuig voor het eerst weer heeft stilgestaan of na 30 minuten bedrijfstijd zonder stilstand (zie punt 4.2.2.1 van deze bijlage).
Het voertuig werkt weer in dual-fuelmodus zodra het abnormale verbruik is gecorrigeerd.
Aanhangsel 3
HDDF dual-fuelindicator, waarschuwingssysteem, bruikbaarheidsbeperking - Demonstratievoorschriften
A.3.1. Dual-fuelindicatoren
A.3.1.1. Dual-fuelmodusindicator
Indien voor een dual-fuelmotor typegoedkeuring wordt verleend als technische eenheid, moet bij de typegoedkeuring worden aangetoond dat het motorsysteem de activering van de dual-fuelmodusindicator kan opdragen wanneer de motor in die modus werkt.
Indien voor een dual-fuelvoertuig typegoedkeuring wordt verleend wat emissies betreft, moet bij de typegoedkeuring de activering van de dual-fuelmodusindicator worden aangetoond wanneer het voertuig in die modus rijdt.
Opmerking: De installatievoorschriften voor de dual-fuelmodusindicator van een goedgekeurde dual-fuelmotor worden gespecificeerd in punt 6.2 van deze bijlage.
A.3.1.2. Dieselmodusindicator
Indien voor een dual-fuelmotor van type 1B, 2B of 3B typegoedkeuring wordt verleend als technische eenheid, moet bij de typegoedkeuring worden aangetoond dat het motorsysteem de activering van de dieselmodusindicator kan opdragen wanneer de motor in die modus werkt.
Indien voor een dual-fuelvoertuig van type 1B, 2B of 3B typegoedkeuring wordt verleend wat emissies betreft, moet bij de typegoedkeuring de activering van de dieselmodusindicator worden aangetoond wanneer het voertuig in die modus rijdt.
Opmerking: De installatievoorschriften voor de dieselmodusindicator van een goedgekeurde dual-fuelmotor van type 1B, 2B of 3B worden gespecificeerd in punt 6.2 van deze bijlage.
A.3.1.3. Servicemodusindicator
Indien voor een dual-fuelmotor typegoedkeuring wordt verleend als technische eenheid, moet bij de typegoedkeuring worden aangetoond dat het motorsysteem de activering van de servicemodusindicator kan opdragen wanneer de motor in die modus werkt.
Indien voor een dual-fuelvoertuig typegoedkeuring wordt verleend wat emissies betreft, moet bij de typegoedkeuring de activering van de servicemodusindicator worden aangetoond wanneer het voertuig in die modus rijdt.
Opmerking: De installatievoorschriften voor de servicemodusindicator van een goedgekeurde dual-fuelmotor worden gespecificeerd in punt 6.2 van deze bijlage.
|
A.3.1.3.1. |
Indien de motor of het voertuig met een servicemodusindicator is uitgerust, volstaat het als demonstratie daarvan een servicemodusactiveringsschakelaar te activeren en de typegoedkeuringsinstantie bewijsmateriaal over te leggen waaruit blijkt dat de activering plaatsvindt wanneer de servicemodus door het motorsysteem zelf wordt opgedragen (bv. met algoritmen, simulaties, resultaten van interne tests enz.). |
A.3.2. Waarschuwingssysteem
Indien voor een dual-fuelmotor typegoedkeuring wordt verleend als technische eenheid, moet bij de typegoedkeuring worden aangetoond dat het motorsysteem de activering van het waarschuwingssysteem kan opdragen wanneer de hoeveelheid gas in de tank onder het waarschuwingsniveau daalt.
Indien voor een dual-fuelvoertuig typegoedkeuring wordt verleend wat emissies betreft, moet bij de typegoedkeuring worden aangetoond dat het waarschuwingssysteem wordt geactiveerd wanneer de hoeveelheid gas in de tank onder het waarschuwingsniveau daalt. Daartoe mag, op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie, de werkelijke hoeveelheid gas worden gesimuleerd.
Opmerking: De installatievoorschriften voor het waarschuwingssysteem van een goedgekeurde dual-fuelmotor worden gespecificeerd in punt 6.2 van deze bijlage.
A.3.3. Bruikbaarheidsbeperking
Indien voor een dual-fuelmotor van type 1A of 2A typegoedkeuring wordt verleend als technische eenheid, moet bij de typegoedkeuring worden aangetoond dat het motorsysteem bij het detecteren van een lege gasvormige-brandstoftank, van een storing in het gastoevoersysteem en van een abnormaal gasverbruik in de dual-fuelmodus, de activering van de bruikbaarheidsbeperking kan opdragen.
Indien voor een dual-fuelvoertuig van type 1A of 2A typegoedkeuring wordt verleend wat emissies betreft, moet bij de typegoedkeuring de activering van de bruikbaarheidsbeperking bij het detecteren van een lege gasvormige-brandstoftank, van een storing in het gastoevoersysteem en van een abnormaal gasverbruik in de dual-fuelmodus worden aangetoond.
Opmerking: De installatievoorschriften voor het waarschuwingssysteem van een goedgekeurde dual-fuelmotor worden gespecificeerd in punt 6.2 van deze bijlage.
A.3.3.1. Op verzoek van de fabrikant en met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie mogen de storing in de gastoevoer en het abnormale gasverbruik worden gesimuleerd.
A.3.3.2. Het volstaat de demonstratie in een met het akkoord van de typegoedkeuringsinstantie gekozen typisch gebruiksgeval uit te voeren en die instantie bewijsmateriaal over te leggen waaruit blijkt dat de bruikbaarheidsbeperking in de andere mogelijke gebruiksgevallen plaatsvindt (bv. met algoritmen, simulaties, resultaten van interne tests enz.).
Aanhangsel 4
Aanvullende voorschriften voor dual-fuelmotoren met betrekking tot de emissietestprocedure
A.4.1. Algemeen
Dit aanhangsel bevat de aanvullende voorschriften en uitzonderingen op bijlage 4 van dit reglement om emissietests van dual-fuelmotoren te kunnen verrichten, ongeacht of die emissies alleen uitlaatemissies zijn of ook carteremissies naast de uitlaatemissies, overeenkomstig punt 6.10 van bijlage 4.
De emissietests van een dual-fuelmotor worden gecompliceerd door het feit dat de door de motor gebruikte brandstof kan variëren van pure diesel tot een combinatie van hoofdzakelijk gasvormige brandstof met alleen maar een kleine hoeveelheid diesel als ontstekingsbron. De verhouding tussen de door een dual-fuelmotor gebruikte brandstoffen kan naargelang de bedrijfsomstandigheden van de motor ook dynamisch veranderen. Bijgevolg zijn bijzondere voorzorgsmaatregelen en beperkingen noodzakelijk om bij die motoren emissietests te kunnen uitvoeren.
A.4.2. Testomstandigheden (bijlage 4, punt 6)
A.4.2.1. Laboratoriumtestomstandigheden (bijlage 4, punt 6.1)
De parameter fa voor dual-fuelmotoren moet worden bepaald met formule a) (2) in punt 6.1 van bijlage 4 bij dit reglement.
A.4.3. Testprocedures (bijlage 4, punt 7)
A.4.3.1. Meetprocedures (bijlage 4, punt 7.1.3)
De aanbevolen meetprocedure voor dual-fuelmotoren is procedure b) in punt 7.1.3 van bijlage 4 (CVS-systeem).
Deze meetprocedure zorgt ervoor dat de variatie van de brandstofsamenstelling tijdens de test alleen de koolwaterstofmeetresultaten zal beïnvloeden. Dit moet met een van de in punt 4.4 beschreven methoden worden gecompenseerd.
Andere meetmethoden zoals methode a) in punt 7.1.3 van bijlage 4 (ruw-uitlaatgas-/partiële-stroommeting), kunnen worden toegepast met enkele voorzorgsmaatregelen wat de methoden betreft om het uitlaatgasmassadebiet te bepalen en te berekenen. Voor de brandstofparameters en de ugas -waarden moeten vaste waarden worden gehanteerd zoals beschreven in aanhangsel 6.
A.4.4. Berekening van de emissies (bijlage 4, punt 8.)
Berekening van de emissies op molaire basis overeenkomstig bijlage 7 bij Mondiaal Technisch Reglement nr. 11 betreffende het testprotocol voor de uitlaatemissies van niet voor de weg bestemde mobiele machines, is niet toegestaan.
A.4.4.1. Droog-natcorrectie (bijlage 4, punt 8.1)
A.4.4.1.1. Ruw uitlaatgas (bijlage 4, punt 8.1.1)
De formules 15 en 17 in punt 8.1.1 van bijlage 4 moeten worden gebruikt om de droog-natcorrectie te berekenen.
De brandstofspecifieke parameters moeten worden bepaald overeenkomstig de punten A.6.2 en A.6.3 van aanhangsel 6.
A.4.4.1.2. Verdund uitlaatgas (bijlage 4, punt 8.1.2)
De formules 19 en 20 in punt 8.1.2 van bijlage 4 moeten worden gebruikt om de droog-natcorrectie te berekenen.
De molaire waterstofverhouding α van de combinatie van de twee brandstoffen moet voor de droog-natcorrectie worden gebruikt. Deze molaire waterstofverhouding moet worden berekend aan de hand van de meetwaarden van het verbruik van beide brandstoffen overeenkomstig punt A.6.4 van aanhangsel 6.
A.4.4.2. NOx-correctie voor vochtigheid (bijlage 4, punt 8.2)
De in punt 8.2.1 van bijlage 4 gespecificeerde NOx-vochtigheidscorrectie voor compressieontstekingsmotoren moet worden toegepast om de NOx-vochtigheidscorrectie voor dual-fuelmotoren te bepalen.
|
|
(A4.1) |
waarin:
Ha = de vochtigheidsgraad van de inlaatlucht (g water per kg droge lucht)
A.4.4.3. Partiële-stroomverdunning (PFS) en ruw-uitlaatgasmeting (bijlage 4, punt 8.4)
A.4.4.3.1. Bepaling van het uitlaatgasmassadebiet (bijlage 4, punt 8.4.1)
Het uitlaatgasmassadebiet moet worden bepaald volgens de in punt 8.4.1.3 beschreven directe meetmethode.
Als alternatief mag de methode voor het meten van de luchtstroom en de lucht-brandstofverhouding overeenkomstig punt 8.4.1.6 (de formules 30, 31 en 32) alleen worden toegepast als de waarden voor α, γ, δ en ε overeenkomstig de punten A.6.2 en A.6.3 van aanhangsel 6 worden bepaald. Het gebruik van een zirkoniumsensor om de lucht-brandstofverhouding te bepalen, is niet toegestaan.
A.4.4.3.2. Bepaling van de gasvormige bestanddelen (bijlage 4, punt 8.4.2)
De berekeningen moeten worden gemaakt overeenkomstig bijlage 4, punt 8, maar er moet gebruik worden gemaakt van de ugas -waarden en molaire verhoudingen die in de punten A.6.2 en A.6.3 van aanhangsel 6 worden beschreven.
A.4.4.3.3. Deeltjesbepaling (bijlage 4, punt 8.4.3)
Om de deeltjesemissies volgens de meetmethode met partiële verdunning te bepalen, moet de berekening worden gemaakt overeenkomstig bijlage 4, punt 8.4.3.2.
Om de verdunningsverhouding te controleren, mag een van de volgende twee methoden worden toegepast:
|
— |
de directe massadebietmeting zoals beschreven in punt 8.4.1.3; |
|
— |
de methode voor het meten van de luchtstroom en de lucht-brandstofverhouding overeenkomstig punt 8.4.1.6 (de formules 30, 31 en 32) mag alleen worden toegepast als zij met de in punt 8.4.1.2 beschreven anticiperende methode wordt gecombineerd en als de waarden voor α, γ, δ en ε overeenkomstig de punten A.6.2 en A.6.3 van aanhangsel 6 worden bepaald. |
Bij elke meting moet de kwaliteitscontrole overeenkomstig punt 9.4.6.1 worden uitgevoerd.
A.4.4.3.4. Aanvullende voorschriften met betrekking tot de uitlaatgasmassadebietmeter
De in de punten A.4.4.3.1 en A.4.4.3.3 bedoelde debietmeter mag niet gevoelig zijn voor de wijzigingen in de samenstelling en dichtheid van het uitlaatgas. Kleine fouten bij meting via bv. een pitotbuis of opening (gelijk aan de vierkantswortel van de dichtheid van het uitlaatgas) mogen buiten beschouwing worden gelaten.
A.4.4.4. Meting met volledige-stroomverdunning (CVS) (bijlage 4, punt 8.5)
De mogelijke variatie van de brandstofsamenstelling zal alleen de berekening van de koolwaterstofmeetresultaten beïnvloeden. Voor alle andere onderdelen moeten de passende formules van punt 8.5.2 van bijlage 4 worden toegepast.
De exacte formules moeten worden toegepast voor de berekening van de koolwaterstofemissies met behulp van de molaire verhoudingen van de bestanddelen die zijn bepaald aan de hand van de verbruiksmetingen van beide brandstoffen overeenkomstig punt A.6.4 van aanhangsel 6.
A.4.4.4.1. Bepaling van de voor de achtergrond gecorrigeerde concentraties (bijlage 4, punt 8.5.2.3.2)
Om de stoichiometrische factor te bepalen, moet de molaire waterstofverhouding α van de brandstof worden berekend als de gemiddelde molaire waterstofverhouding van de brandstofmix tijdens de test overeenkomstig punt A.6.4 van aanhangsel 6.
Als alternatief mag de FS –waarde van de gasvormige brandstof in formule 59 of 60 van bijlage 4 worden gebruikt.
A.4.5. Specificatie en verificatie van de apparatuur (bijlage 4, punt 9)
A.4.5.1. Gassen voor zuurstofinterferentiecontrole (bijlage 4, punt 9.3.3.4)
De voor dual-fuelmotoren vereiste zuurstofconcentraties zijn gelijk aan die voor compressieontstekingsmotoren in tabel 8 in punt 9.3.3.4 van bijlage 4.
A.4.5.2. Zuurstofinterferentiecontrole (bijlage 4, punt 9.3.7.3)
Meetinstrumenten voor dual-fuelmotoren moeten volgens dezelfde procedures worden gecontroleerd als die voor compressieontstekingsmotoren. Er moet gebruik worden gemaakt van het mengsel met 21% zuurstof in punt 9.3.7.3, onder b), van bijlage 4.
A.4.5.3. Controle van de waterdemping (bijlage 4, punt 9.3.9.2.2)
De controle van de waterdemping in punt 9.3.9.2.2 van bijlage 4 bij dit reglement geldt alleen voor metingen van de natte NOx-concentratie. Bij dual-fuelmotoren op aardgas moet deze controle worden uitgevoerd met een hypothetische H/C-verhouding van 4 (methaan). In dat geval geldt:
Aanhangsel 5
Aanvullende voorschriften voor dual-fuelmotoren met betrekking tot de PEMS-emissietestprocedure
A.5.1. Algemeen
Dit aanhangsel bevat de aanvullende voorschriften en uitzonderingen op bijlage 8 van dit reglement om PEMS-emissietests van dual-fuelmotoren te kunnen verrichten.
De emissietests van een dual-fuelmotor worden gecompliceerd door het feit dat de door de motor gebruikte brandstof kan variëren van pure diesel tot een combinatie van hoofdzakelijk gasvormige brandstof met alleen maar een kleine hoeveelheid diesel als ontstekingsbron. De verhouding tussen de door een dual-fuelmotor gebruikte brandstoffen kan naargelang de bedrijfsomstandigheden van de motor ook dynamisch veranderen. Bijgevolg zijn bijzondere voorzorgsmaatregelen en beperkingen noodzakelijk om bij die motoren emissietests te kunnen uitvoeren.
A.5.2. De volgende wijzigingen in aanhangsel 1 van bijlage 8 zijn van toepassing:
|
A.5.2.1. |
voetnoot (2) van tabel 1 in punt A.1.2.2 komt als volgt te luiden:
|
|
A.5.2.2. |
punt A.1.3.3 "Droog-natcorrectie" komt als volgt te luiden: Indien de concentratie op droge basis is gemeten, moet zij overeenkomstig punt 8.1 van bijlage 4 en punt 4.1.1 van aanhangsel 4 van deze bijlage in een concentratie op natte basis worden omgezet; |
|
A.5.2.3. |
punt A.1.3.5 " Berekening van de momentane gasvormige emissies" komt als volgt te luiden: De massa-emissies moeten worden bepaald zoals beschreven in punt 8.4.2.3 van bijlage 4. De u gas-waarden moeten worden bepaald overeenkomstig de punten A.6.2 en A.6.3 van aanhangsel 6 van bijlage 15. |
Aanhangsel 6
Bepaling van de molaire verhoudingen van de bestanddelen en van de u gas-waarden bij dual-fuelmotoren
A.6.1. Algemeen
Dit aanhangsel beschrijft hoe de molaire verhoudingen van de bestanddelen en de u gas-waarden moeten worden bepaald om bij emissietests van dual-fuelmotoren de droog-natfactor en de emissies te berekenen.
A.6.2. Werking in dual-fuelmodus
A.6.2.1. Bij dual-fuelmotoren van type 1A of 1B die in dual-fuelmodus werken, moeten de molaire verhoudingen van de bestanddelen en de u gas-waarden van de gasvormige brandstof worden gebruikt.
A.6.2.2. Bij dual-fuelmotoren van type 2A of 2B die in dual-fuelmodus werken, moeten de molaire verhoudingen van de bestanddelen en de u gas-waarden van de tabellen A6.1 en A6.2 worden gebruikt.
Tabel A6.1
Molaire verhouding van de bestanddelen bij een mengsel van 50% gasvormige brandstof en 50% diesel (massa %)
|
Gasvormige brandstof |
α |
γ |
δ |
ε |
|
CH4 |
2,8681 |
0 |
0 |
0,0040 |
|
GR |
2,7676 |
0 |
0 |
0,0040 |
|
G23 |
2,7986 |
0 |
0,0703 |
0,0043 |
|
G25 |
2,7377 |
0 |
0,1319 |
0,0045 |
|
Propaan |
2,2633 |
0 |
0 |
0,0039 |
|
Butaan |
2,1837 |
0 |
0 |
0,0038 |
|
Lpg |
2,1957 |
0 |
0 |
0,0038 |
|
Lpg brandstof A |
2,1740 |
0 |
0 |
0,0038 |
|
Lpg brandstof B |
2,2402 |
0 |
0 |
0,0039 |
Tabel A6.2
u gas-waarden en dichtheid van de bestanddelen van het ruwe uitlaatgas bij een mengsel van 50% gasvormige brandstof en 50% diesel (massa %)
|
Gasvormige brandstof |
ρ e |
|
|
Gas |
|
|
|
|
NOx |
CO |
HC |
CO2 |
O2 |
CH4 |
||
|
|
|
ρ gas [kg/m3] |
|
|
|
||
|
2,053 |
1,250 |
1,9636 |
1,4277 |
0,716 |
|||
|
|
|
u gas (2) |
|
|
|
||
|
CNG/LNG (3) |
1,2786 |
0,001606 |
0,000978 |
0,000528 (4) |
0,001536 |
0,001117 |
0,000560 |
|
Propaan |
1,2869 |
0,001596 |
0,000972 |
0,000510 |
0,001527 |
0,001110 |
0,000556 |
|
Butaan |
1,2883 |
0,001594 |
0,000971 |
0,000503 |
0,001525 |
0,001109 |
0,000556 |
|
Lpg (5) |
1,2881 |
0,001594 |
0,000971 |
0,000506 |
0,001525 |
0,001109 |
0,000556 |
A.6.2.3. Bij dual-fuelmotoren van type 3B die in dual-fuelmodus werken, moeten de molaire verhoudingen van de bestanddelen en de u gas-waarden van diesel worden gebruikt.
A.6.2.4. Voor de berekening van de koolwaterstofemissies van alle typen dual-fuelmotoren die in dual-fuelmodus werken, geldt het volgende:
|
— |
voor de berekening van de THC-emissies moet de u gas-waarde van de gasvormige brandstof worden gebruikt; |
|
— |
voor de berekening van de NMHC-emissies moet de u gas-waarde op basis van CH2,93 worden gebruikt; |
|
— |
voor de berekening van de CH4-emissies moet de u gas-waarde van CH4 worden gebruikt. |
A.6.3. Werking in dieselmodus
Bij dual-fuelmotoren van type 1B, 2B of 3B die in dieselmodus werken, moeten de molaire verhoudingen van de bestanddelen en de u gas-waarden van diesel worden gebruikt.
A.6.4. Bepaling van de molaire verhoudingen van de bestanddelen wanneer de brandstofmix bekend is
A.6.4.1. Berekening van de bestanddelen van de brandstofmix
|
|
(A6.1) |
|
|
(A6.2) |
|
|
(A6.3) |
|
|
(A6.4) |
|
|
(A6.5) |
waarin:
|
q mf1 |
= |
brandstofmassadebiet van brandstof 1 (kg/s); |
|
q mf2 |
= |
brandstofmassadebiet van brandstof 2 (kg/s); |
|
w ALF |
= |
waterstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w BET |
= |
koolstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w GAM |
= |
zwavelgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w DEL |
= |
stikstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w EPS |
= |
zuurstofgehalte van de brandstof (massa %). |
A.6.4.2. Berekening van de molaire verhoudingen van H, C, S, N en O ten opzichte van C voor het brandstofmengsel (overeenkomstig ISO 8178-1, bijlage A-A.2.2.2)
|
|
(A6.6) |
|
|
(A6.7) |
|
|
(A6.8) |
|
|
(A6.9) |
waarin:
|
w ALF |
= |
waterstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w BET |
= |
koolstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w GAM |
= |
zwavelgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w DEL |
= |
stikstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
w EPS |
= |
zuurstofgehalte van de brandstof (massa %); |
|
α |
= |
molaire waterstofverhouding (H/C); |
|
γ |
= |
molaire zwavelverhouding (S/C); |
|
δ |
= |
molaire stikstofverhouding (N/C); |
|
ε |
= |
molaire zuurstofverhouding (O/C); |
bij een brandstof CH α O ε N δ S.
A.6.4.3. Berekening van de u gas-waarden voor een brandstofmengsel
De u gas-waarden van het ruwe uitlaatgas bij een brandstofmengsel kunnen met de exacte formules in punt 8.4.2.4 van bijlage 4 en met de overeenkomstig dit punt berekende molaire verhoudingen worden berekend.
Bij systemen met constante massastroom is formule 57 in punt 8.5.2.3.1 van bijlage 4 nodig om de u gas-waarden van het verdunde uitlaatgas te berekenen.
(1) depending on fuel
(2) bij λ = 2, droge lucht, 273 K, 101,3 kPa.
(3) u met een nauwkeurigheid van 0,2% en een massasamenstelling van: C = 58 - 76%; H = 19 - 25 %; N = 0 - 14% (CH4, G20, GR, G23 en G25)
(4) NMHC op basis van CH2,93 (gebruik de ugas -coëfficient van CH4 voor totaal HC).
(5) u met een nauwkeurigheid van 0,2% en een massasamenstelling van: C3 = 27 - 90%; C4 = 10 - 73% (lpg brandstoffen A en B)