|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2013.095.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
56e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
5.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 311/2013 VAN DE RAAD
van 3 april 2013
tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 476/2010 ingestelde definitieve antidumpingrecht op de invoer van silicium uit de Volksrepubliek China, tot de invoer van uit Taiwan verzonden silicium, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Taiwan
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) (de „basisverordening”), en met name artikel 13,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Bestaande maatregelen
|
(1) |
Naar aanleiding van een nieuw onderzoek bij het vervallen van de maatregelen en van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek van de bij Verordening (EG) nr. 398/2004 van de Raad (2) ingestelde maatregelen, heeft de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 467/2010 (3) (de „oorspronkelijke verordening”) een definitief antidumpingrecht van 19 % ingesteld op de invoer van silicium van oorsprong uit de Volksrepubliek China (de „VRC”) voor alle ondernemingen behoudens die welke is vermeld in artikel 1, lid 2 van die verordening. De oorspronkelijke verordening handhaafde eveneens het recht dat bij Verordening (EG) nr. 42/2007 (4) van de Raad was uitgebreid tot de invoer van silicium verzonden uit de Republiek Korea, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit de Republiek Korea. De bij de oorspronkelijke verordening ingestelde maatregelen worden hierna de „geldende maatregelen” of de „oorspronkelijke maatregelen” genoemd, en het onderzoek dat tot de maatregelen heeft geleid die bij de oorspronkelijke verordening zijn ingesteld, wordt hierna het „oorspronkelijke onderzoek” genoemd. |
1.2. Verzoek
|
(2) |
Op 15 mei 2012 ontving de Europese Commissie (de „Commissie”) een verzoek op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 3 van de basisverordening om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld op de invoer van silicium van oorsprong uit de VRC en om de invoer van silicium verzonden vanuit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan, te registreren. |
|
(3) |
Het verzoek werd ingediend door Euroalliages (Liaison Committee of the Ferro-Alloy Industry) (de „indiener van het verzoek”) namens producenten die 100 % van de productie van silicium in de Unie vertegenwoordigen. |
|
(4) |
De indiener van het verzoek voerde aan dat er in Taiwan geen daadwerkelijke productie van silicium plaatsvindt, en het verzoek bevatte voldoende voorlopig bewijsmateriaal waaruit bleek dat zich na de instelling van de maatregelen een aanzienlijke verandering in de structuur van het handelsverkeer heeft voorgedaan wat de uitvoer van de VRC en Taiwan naar de Unie betreft, waarvoor, afgezien van de instelling van de geldende maatregelen, onvoldoende reden of rechtvaardiging bestond. Die verandering zou toe te schrijven zijn aan de na overlading verzending via Taiwan naar de Unie van silicium van oorsprong zijnde uit de VRC. |
|
(5) |
Voorts argumenteerde de indiener van het verzoek dat het bewijsmateriaal erop wees dat de corrigerende werking van de geldende maatregelen, zowel gezien de hoeveelheid als de prijs, werd ondermijnd. Uit het bewijsmateriaal bleek dat de toegenomen invoer uit Taiwan plaatsvond tegen prijzen die lager zijn dan de niet-schadeveroorzakende prijs die tijdens het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld. Ten slotte bleek uit bewijsmateriaal dat de prijzen van silicium verzonden vanuit Taiwan dumpingprijzen waren ten aanzien van de normale waarde die reeds tijdens het oorspronkelijke onderzoek voor het betrokken product werd vastgesteld. |
1.3. Opening van het onderzoek
|
(6) |
Aangezien de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, had vastgesteld dat er voldoende voorlopig bewijsmateriaal was om een onderzoek te openen op grond van artikel 13, lid 3 en artikel 14, lid 5 van de basisverordening, heeft zij bij Verordening (EU) nr. 596/2012 (5) (de „openingsverordening”) een onderzoek geopend naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen die waren ingesteld ten aanzien van de invoer van silicium van oorsprong uit de VRC, en heeft zij eveneens de douaneautoriteiten de opdracht gegeven de invoer van silicium verzonden uit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Taiwan, te registreren. |
1.4. Onderzoek
|
(7) |
De Commissie heeft de autoriteiten van de VRC en Taiwan, de producenten-exporteurs in die landen, de haar bekende betrokken importeurs in de Unie en de bedrijfstak van de Unie officieel in kennis gesteld van de opening van het onderzoek. |
|
(8) |
De Commissie heeft formulieren om vrijstelling aan te vragen toegestuurd aan de haar bekende producenten-exporteurs in Taiwan en via de Taiwanese autoriteiten bij de Europese Unie. De Commissie heeft vragenlijsten toegestuurd aan de haar bekende producenten-exporteurs in de VRC en via de VRC-autoriteiten bij de Europese Unie. Er werden ook vragenlijsten toegestuurd aan de in de Unie bekende importeurs. |
|
(9) |
Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de bij de openingsverordening vastgestelde termijn hun standpunt schriftelijk bekend te maken en hun verzoek om te worden gehoord in te dienen. Alle partijen werden ervan op de hoogte gesteld dat niet-medewerking kan leiden tot de toepassing van artikel 18 van de basisverordening en tot bevindingen die op de beschikbare gegevens zijn gebaseerd. |
|
(10) |
Drie Taiwanese producenten-exporteurs, die tot één groep behoren, en drie niet-verbonden importeurs in de Unie hebben zich kenbaar gemaakt en hebben de formulieren om vrijstelling aan te vragen, respectievelijk de vragenlijsten, ingevuld teruggestuurd. |
|
(11) |
De Commissie heeft bij de drie volgende verbonden ondernemingen, die deel uitmaken van de in overweging 10 genoemde groep, een controle ter plaatse uitgevoerd:
|
1.5. Rapportageperiode en onderzoektijdvak
|
(12) |
Het onderzoektijdvak bestreek de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 juni 2012 (het „OT”). Voor het OT zijn gegevens verzameld om onder meer na te gaan of zich inderdaad een verandering in de structuur van het handelsverkeer heeft voorgedaan. Voor de rapportageperiode van 1 juli 2011 tot 30 juni 2012 (de „RP”) zijn gedetailleerdere gegevens verzameld om te onderzoeken of de corrigerende werking van de geldende maatregelen wordt ondermijnd en of er sprake is van dumping. |
2. RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
2.1. Algemene overwegingen
|
(13) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 1 van de basisverordening werd beoordeeld of er sprake was van ontwijking door achtereenvolgens te onderzoeken of zich een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de VRC, Taiwan en de Unie heeft voorgedaan; of die verandering het gevolg was van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat; of er bewijzen waren van schade of van de ondermijning van de corrigerende werking van het recht wat de prijzen en/of de hoeveelheden van het onderzochte product betreft; en of er bewijzen waren voor dumping in verhouding tot de normale waarden die eerder in het oorspronkelijke onderzoek voor het betrokken product zijn vastgesteld, in voorkomend geval overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening. |
2.2. Betrokken product en onderzocht product
|
(14) |
Bij de mogelijke ontwijking gaat het om siliciummetaal, van oorsprong uit de VRC, momenteel ingedeeld onder GN-code 2804 69 00 (bevattende minder dan 99,99 gewichtspercenten silicium) (het „betrokken product”). Gezien de huidige bewoording van de gecombineerde nomenclatuur, moet in plaats van „siliciummetaal” thans „silicium” worden gelezen. Silicium met een hogere zuiverheidsgraad (meer dan 99,99 gewichtspercenten), dat voornamelijk wordt gebruikt bij de productie van elektronische halfgeleiders, is ingedeeld onder een andere GN-code en valt onder een andere procedure. |
|
(15) |
Het onderzochte product is hetzelfde als het product dat hierboven is gedefinieerd, maar wordt verzonden vanuit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Taiwan, en is momenteel ingedeeld onder dezelfde GN-code als het betrokken product (het „onderzochte product”). |
|
(16) |
Uit het onderzoek is gebleken dat uit de VRC naar de Unie uitgevoerd silicium, zoals het hierboven werd gedefinieerd, en het uit Taiwan naar de Unie uitgevoerd silicium dezelfde fysische en technische basiseigenschappen en dezelfde toepassingen heeft en daarom moet worden beschouwd als een soortgelijk product in de zin van artikel 1, lid 4 van de basisverordening. |
2.3. Bevindingen
2.3.1. Mate van medewerking
|
(17) |
Zoals vermeld in overweging 10 hebben slechts drie Taiwanese ondernemingen die tot dezelfde groep van ondernemingen behoren het formulier om vrijstelling aan te vragen ingevuld teruggestuurd. Uit een vergelijking van hun uitvoer naar de Unie met de invoergegevens van Eurostat is gebleken dat de medewerkende ondernemingen 65 % van de Taiwanese uitvoer van het onderzochte product naar de Unie in de RP vertegenwoordigden. |
|
(18) |
De producenten-exporteurs van silicium in de VRC hebben geen medewerking verleend. Bijgevolg moesten de bevindingen inzake de invoer van silicium uit de VRC in de Unie en inzake de uitvoer uit de VRC naar Taiwan worden gebaseerd op invoergegevens van Eurostat, Taiwanese invoerstatistieken en gegevens van de medewerkende Taiwanese ondernemingen. |
2.3.2. Verandering in de structuur van het handelsverkeer
Invoer van silicium in de Unie
|
(19) |
In tabel 1 is de invoer van silicium uit de VRC en Taiwan in de Unie tussen 2004 en het eind van de RP weergegeven (in megaton). Tabel 1
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(20) |
Uit de gegevens van Eurostat blijkt duidelijk dat er in 2004 helemaal geen invoer uit Taiwan in de Unie plaatsvond. De invoer steeg in 2008 met meer dan 300 % en bleef zeer hoog. In 2010, toen nieuwe maatregelen ten aanzien van de VRC werden ingesteld, verdubbelde de invoer nogmaals. |
|
(21) |
In 2011 is de invoer in de Unie vanuit Taiwan gedaald. Deze ontwikkeling is misschien toe te schrijven aan een antifraudeonderzoek dat OLAF rond die tijd heeft geopend. De Commissie werd ervan op de hoogte gebracht dat de Taiwanese instantie van afgifte, het Bureau of Foreign Trade of Taiwan (BOFT), de certificaten van oorsprong van silicium van alle Taiwanese producenten in 2011 heeft ingetrokken. De drie Taiwanese exporteurs die in de overwegingen 10 en 11 worden genoemd (de „groep exporteurs”), hebben beroep aangetekend tegen die beslissing om de certificaten in te trekken. De kamer van beroep heeft de beslissing van het BOFT vernietigd, en de desbetreffende certificaten werden opnieuw afgegeven aan deze drie Taiwanese producenten-exporteurs, maar niet aan de andere Taiwanese producenten. |
|
(22) |
In dit verband merkt de Commissie eveneens op dat bij invoer in de Unie voor de douaneformaliteiten geen niet-preferentieel certificaat van oorsprong moet worden voorgelegd, en dat een dergelijk certificaat bij ernstige twijfel niet kan dienen als bewijsmiddel voor de niet-preferentiële oorsprong van het aangegeven product (artikel 26 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (6)). |
|
(23) |
De invoer van silicium uit de VRC in de Unie stijgt sinds 2008. Met name moet worden vastgesteld dat deze invoer ook na de instelling van de maatregelen in 2010 nog steeds stijgt. Deze ontwikkeling kan worden verklaard door het feit dat het antidumpingrecht in 2010 aanzienlijk is gedaald, namelijk van 49 % tot 19 %. |
Uitvoer van silicium van de VRC naar Taiwan
Tabel 2
|
(in megaton) |
|||||||||
|
2003 |
2004 |
2005 |
2006 |
2007 |
2008 |
2009 |
2010 |
2011 |
RP |
|
16 530 |
16 600 |
7 101 |
10 514 |
3 675 |
15 893 |
16 007 |
17 912 |
9 177 |
10 507 |
|
Bron: Chinese uitvoerstatistieken. |
|||||||||
|
(24) |
In tabel 2 is de invoer uit de VRC in Taiwan weergegeven. Uit de gegevens van de Chinese uitvoerdatabank blijkt dat de invoer het hoogst was in 2010, na de instelling van de oorspronkelijke maatregelen. De daling in 2011 kan worden verklaard door het in overweging 21 vermelde antifraudeonderzoek. |
Conclusie over de verandering in de structuur van het handelsverkeer
|
(25) |
Er wordt geoordeeld dat er een verandering is in de structuur van het handelsverkeer, aangezien er in 2004 helemaal geen silicium uit Taiwan in de Unie werd ingevoerd. Vanaf 2007 was er sprake van de eerste echte invoer, die in 2008 zeer belangrijk werd. De invoer bleef zeer hoog tot aan de RP, maar kende een daling in 2011, mogelijk om de in overweging 21 uiteengezette reden. |
2.3.3. Aard van de ontwijking en onvoldoende reden of economische rechtvaardiging
|
(26) |
Artikel 13, lid 1 van de basisverordening bepaalt dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer het gevolg moet zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. De praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere het via derde landen verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn. De Commissie is de mening toegedaan dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer in dit geval toe te schrijven is aan de verzending van het aan maatregelen onderworpen product via een derde land. |
|
(27) |
De Commissie merkt in de eerste plaats op dat er in Taiwan geen silicium wordt geproduceerd. Geen van de producenten-exporteurs heeft ontkend dat zij het silicium dat zij uitvoeren uit de VRC invoeren. |
|
(28) |
In de tweede plaats hebben de producenten-exporteurs, met uitzondering van de groep exporteurs, afgezien van de instelling van het recht, geen andere economische rechtvaardiging voor hun activiteit aangevoerd. |
|
(29) |
De groep exporteurs voerde aan dat zij siliciumklompen van zeer lage kwaliteit in zakken uit de VRC invoeren. Zij beweren dat de siliciumklompen vervolgens worden getrommelpolijst, kleingemaakt, gezeefd en opnieuw in zakken worden verpakt alvorens naar de markt van de Unie te worden uitgevoerd. Volgens hen is het product na deze bewerking van betere kwaliteit. |
|
(30) |
De groep exporteurs voert aan dat deze bewerking een unieke zuiveringsmethode is, die in samenwerking met de universiteit van Taipei is ontwikkeld en 80 % van de onzuiverheden uit de uit de VRC ingevoerde siliciummetaalklompen zou verwijderen. Tijdens de controle ter plaatse is echter vastgesteld dat hun zuiveringsproces eenvoudig bestaat uit het trommelpolijsten, zeven en kleinmaken, waardoor een aantal oppervlakteverontreinigingen zoals oxidatie en stof worden verwijderd, maar niet de belangrijkste onzuiverheden binnenin de siliciumklompen. Het verwerkte product behield dus dezelfde fysieke en technische basiskenmerken als het betrokken product. |
|
(31) |
Uit het bewijsmateriaal dat tijdens het onderzoek werd verzameld en gecontroleerd, met name de aankoopfacturen, de verkoopfacturen en de begeleidende documenten zoals de vrachtbrieven, en andere douanedocumenten, is gebleken dat de producten die de groep exporteurs aankocht en uitvoerde meestal dezelfde specificaties hadden. Uit de documenten betreffende de voorraden in de opslagplaatsen van de groep, die dicht bij de havens gelegen waren, bleek eveneens dat er niet altijd tijd was om alle in de VRC aangekochte partijen silicium te bewerken met de methode die de groep beweerde toe te passen. Voorts blijkt uit de beschikbare informatie, met name die welke producenten in de Unie hebben verstrekt, dat de siliciumklompen ofwel moeten worden kleingemaakt en vervolgens chemisch behandeld, dan wel moeten worden gesmolten om de onzuiverheden uit de klompen te verwijderen. De groep exporteurs heeft geen enkel van die processen toegepast. |
|
(32) |
Opgemerkt zij eveneens dat het Hof van Justitie in 2010, in het kader van een verzoek om een prejudiciële beslissing krachtens artikel 234 van het Verdrag betreffende de oprichting van de Europese Gemeenschap (nu artikel 267 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), ingediend door het Finanzgericht Düsseldorf (Hoesch Metals and Alloys GmbH tegen het Hauptzollamt Aachen (hoofdkantoor van de douane te Aken)), in een zaak die verband houdt met de antidumpingmaatregelen ten aanzien van silicium uit de VRC, als volgt oordeelde: „Het scheiden, kleinmaken en reinigen van blokken silicium en het daaropvolgende zeven, sorteren en verpakken van de door het kleinmaken verkregen siliciumkorrels, zoals deze verrichtingen in het hoofdgeding hebben plaatsgevonden, zijn geen ver- of bewerkingen waardoor het product het karakter van product van oorsprong verkrijgt in de zin van artikel 24 van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek.” (7). Het zuiveringsproces dat door de groep exporteurs wordt uitgevoerd, wordt geacht vergelijkbaar te zijn met het in dat arrest beschreven proces. |
|
(33) |
Uit het onderzoek is eveneens gebleken dat het zuiveringsproces minder dan 5 % van de totale kosten van de groep van exporteurs vertegenwoordigt. Voorts werd bevestigd dat het verschil tussen de prijs van het silicium dat door de groep importeurs in de Unie werd verkocht en de prijs van silicium dat de groep in het OT in de VRC heeft aangekocht, nooit meer dan 11 % bedroeg. |
|
(34) |
In het licht van die overwegingen wordt geconcludeerd dat, ook voor de groep van exporteurs, de invoer uit de VRC en de daaropvolgende uitvoer naar de Unie van silicium als een verzending na overlading moet worden beschouwd en bijgevolg ook als omzeiling in de zin van artikel 13 van de basisverordening. |
|
(35) |
Bijgevolg wordt geconcludeerd dat het onderzoek geen andere voldoende reden of economische rechtvaardiging voor de verzending na overlading aan het licht heeft gebracht dan de ontwijking van de geldende maatregelen ten aanzien van het betrokken product, met name het antidumpingrecht van 19 % ten aanzien van de VRC. Behalve het recht werden geen elementen aangetroffen die zouden kunnen worden beschouwd als een compensatie voor de kosten van verzending na overlading, met name voor vervoer en herladen, van silicium van oorsprong uit de VRC via Taiwan. |
2.3.4. Bewijs voor dumping
|
(36) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening is onderzocht of dumping kon worden aangetoond ten aanzien van de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde normale waarde. |
|
(37) |
In de oorspronkelijke verordening werd de normale waarde vastgesteld op basis van de prijzen in Brazilië, dat bij dat onderzoek voor de VRC een geschikt referentieland met een markteconomie werd bevonden. Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening, werd het passend geacht de eerder in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde normale waarde te gebruiken. Twee productcontrolenummers van het vorige onderzoek stemden overeen met twee productcontrolenummers van de exporteurs. De uitvoerprijzen werden vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, namelijk de werkelijk betaalde of te betalen prijzen voor de uitvoer van het onderzochte product naar de Unie. |
|
(38) |
Met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werden overeenkomstig artikel 2, lid 10 van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Dienovereenkomstig werd de uitvoerprijs gecorrigeerd voor vervoer en verzekering, teneinde de prijzen in hetzelfde handelsstadium te brengen. Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12 van de basisverordening werd de dumping berekend door de gecorrigeerde gewogen gemiddelde normale waarde die in de oorspronkelijke verordening was vastgesteld, te vergelijken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde uitvoerprijzen van de Taiwanese invoer in de rapportageperiode van dit onderzoek, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring. |
|
(39) |
Uit de vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de in het onderzoek vastgestelde gewogen gemiddelde uitvoerprijs bleek dat er sprake was van dumping. |
2.3.5. Ondermijning van de corrigerende werking van het antidumpingrecht wat de prijzen en de hoeveelheden betreft
|
(40) |
Uit de vergelijking van het schadeopheffende prijsniveau, zoals vastgesteld in de oorspronkelijke verordening, en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs is gebleken dat er sprake is van prijsonderbieding en prijsbederf. Bijgevolg werd geconcludeerd dat de corrigerende werking van de geldende maatregelen, zowel wat de prijzen als wat de hoeveelheden betreft, wordt ondermijnd. |
3. MAATREGELEN
|
(41) |
Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat de oorspronkelijke maatregel, namelijk het definitieve antidumpingrecht op silicium van oorsprong uit de VRC, door verzending na overlading via Taiwan werd ontweken in de zin van artikel 13, lid 1 van de basisverordening. |
|
(42) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 1, eerste zin van de basisverordening, moeten de maatregelen die gelden ten aanzien van de invoer van het betrokken product worden uitgebreid tot de invoer van het onderzochte product, d.i. hetzelfde product als het betrokken product, maar verzonden vanuit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Taiwan. |
|
(43) |
De in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 467/2010 voor „alle andere ondernemingen” uit de VRC vastgestelde maatregelen moeten bijgevolg worden uitgebreid tot de invoer uit Taiwan. Het recht, dat van toepassing is op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, moet worden vastgesteld op 19 %. |
|
(44) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 3 en artikel 14, lid 5 van de basisverordening moeten uitgebreide maatregelen worden toegepast op goederen waarvan de invoer in de Unie overeenkomstig de openingsverordening wordt geregistreerd. Daarom moeten rechten worden geheven op vanuit Taiwan verzonden silicium waarvan de invoer wordt geregistreerd. |
4. VERZOEKEN OM VRIJSTELLING
|
(45) |
Zoals uiteengezet in overweging 10 hebben drie in Taiwan gevestigde ondernemingen, die tot één groep behoren, een ingevuld formulier teruggestuurd om overeenkomstig artikel 13, lid 4 van de basisverordening vrijstelling van de mogelijke uitgebreide maatregelen aan te vragen. |
|
(46) |
Gezien de bevindingen inzake de verandering in de structuur van het handelsverkeer, het gebrek aan echte productie in Taiwan en de uitvoer onder dezelfde douanecode zoals uiteengezet in de overwegingen 19 tot en met 29, kon de uitzondering waar die drie ondernemingen overeenkomstig artikel 13, lid 4 van de basisverordening om verzochten, niet worden verleend. |
|
(47) |
Onverminderd artikel 11, lid 3van de basisverordening zullen de potentiële producenten-exporteurs in Taiwan die zich in deze procedure niet kenbaar hebben gemaakt en het onderzochte product tijdens het OT niet hebben uitgevoerd, en die overeenkomstig artikel 11, lid 4 en artikel 13, lid 4 van de basisverordening een verzoek om vrijstelling van het uitgebreide antidumpingrecht willen indienen, een formulier moeten invullen om vrijstelling aan te vragen, zodat de Commissie een dergelijk verzoek kan beoordelen. Een dergelijke vrijstelling kan worden verleend na de beoordeling van de marktsituatie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad, de aan- en verkoop en de waarschijnlijkheid van voortzetting van de praktijken waarvoor onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat, en het bewijsmateriaal inzake dumping. De Commissie verricht doorgaans ook een controle ter plaatse. Indien aan de voorwaarden van artikel 11, lid 4 en artikel 13, lid 4 van de basisverordening is voldaan, kan vrijstelling gerechtvaardigd zijn. |
|
(48) |
Wanneer vrijstelling gerechtvaardigd is, kan de Commissie, na overleg in het Raadgevend Comité, bij besluit vrijstelling van het bij deze verordening uitgebreide recht verlenen voor ondernemingen die de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 467/2010 ingestelde antidumpingmaatregelen niet ontwijken. |
|
(49) |
Het verzoek moet aan de Commissie worden gericht en moet vergezeld gaan van alle relevante gegevens, met name over wijzigingen in de activiteiten van de onderneming die verband houden met de productie en de verkoop. |
5. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(50) |
Alle belanghebbenden werden op de hoogte gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen die tot voornoemde conclusies hebben geleid, en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. |
6. OPMERKINGEN
|
(51) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen hebben de groep exporteurs en twee importeurs opmerkingen gemaakt. |
|
(52) |
Het belangrijkste argument hield in dat het zuiveringsproces dat door de groep exporteurs werd uitgevoerd, aan het product het karakter van product van oorsprong in de zin van artikel 24 of Verordening (EEG) nr. 2913/92 zou verlenen. De importeurs hebben een verslag gepresenteerd over steekproeftests die door de universiteit van Taipei werden uitgevoerd, alsook een analyseverslag door een onafhankelijke deskundige. Het verslag betreffende de steekproeftesten wijst op een vermindering van de slakken met 90,8 % na het zuiveringsproces. In de analyse gemaakt door de onafhankelijke deskundige wordt beweerd dat het silicium pas na een zuivering voor bepaalde smeltdoelen kan worden gebruikt. |
|
(53) |
Opgemerkt zij dat die twee studies worden tegengesproken door de bevindingen van de Commissie tijdens het controlebezoek ter plaatse zoals beschreven in overweging 31. Er wordt met name in herinnering gebracht dat de facturen met betrekking tot de producten die de groep exporteurs aankoopt en uitvoert in de meeste gevallen dezelfde specificaties vermeldden. |
|
(54) |
Indien de argumenten van de importeurs steek hielden, zou het verschil tussen de prijs waartegen het silicium uit de VRC wordt ingevoerd en de prijs waartegen het silicium naar de Unie wordt uitgevoerd veel groter zijn. |
|
(55) |
Op basis van de inspectie ter plaatse van de instrumenten die voor de vermeende zuivering van het silicium worden gebruikt, concludeert de Commissie eveneens dat geen van de in overweging 31 beschreven twee zuiveringsmethoden met deze instrumenten kan worden uitgevoerd. |
|
(56) |
Tot slot houdt het analyseverslag door de onafhankelijke deskundige evenmin rekening met het bij de Commissie bekende feit dat de gebruikers hun silicium vóór gebruik bewerken. |
|
(57) |
Om die redenen waren de door de partijen gemaakte opmerkingen niet van die aard dat zij de voorlopige conclusies die de Commissie vóór de mededeling van feiten en overwegingen had getrokken, zouden wijzigen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Het definitieve antidumpingrecht dat bij artikel 1, lid 2 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 467/2010 is ingesteld op silicium, momenteel ingedeeld onder GN-code 2804 69 00 , van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt uitgebreid tot silicium verzonden vanuit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Taiwan, momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2804 69 00 (Taric-code 2804 69 00 20).
2. Het bij lid 1 van dit artikel uitgebreide recht wordt geïnd op silicium verzonden vanuit Taiwan, al dan niet aangegeven als van oorsprong zijnde uit Taiwan, dat wordt geregistreerd overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 596/2012 en artikel 13, lid 3 en artikel 14, lid 5 van Verordening (EG) nr. 1225/2009.
3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht moeten schriftelijk worden ingediend in een van de officiële talen van de Europese Unie en zijn ondertekend door een persoon die gemachtigd is om de entiteit die om de vrijstelling verzoekt, te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan het onderstaande adres worden gestuurd:
|
Europese Commissie |
|
Directoraat-generaal Hande l |
|
Directoraat H |
|
Bureau: N-105 08/20 |
|
1049 Brussel |
|
BELGIË |
|
Fax +32 22956505 |
2. Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kan de Commissie, na overleg in het Raadgevend Comité, bij besluit vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht verlenen voor ondernemingen die de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 467/2010 ingestelde antidumpingmaatregelen niet ontwijken.
Artikel 3
De douaneautoriteiten wordt de opdracht gegeven de bij artikel 2 van Verordening (EU) nr. 596/2012 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 3 april 2013.
Voor de Raad
De voorzitter
E. GILMORE
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 66 van 4.3.2004, blz. 15.
(3) PB L 131 van 29.5.2010, blz. 1.
(4) PB L 13 van 19.1.2007, blz. 1.
(5) PB L 176 van 6.7.2012, blz. 50.
(6) PB L 302 van 19.10.1992, blz. 1.
(7) Zaak C-373/08, 2010 JURISPR.-I 951, punt 55 en 80.
|
5.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95/8 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 312/2013 VAN DE COMMISSIE
van 31 januari 2013
tot rectificatie van de Hongaarse tekst van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 tot aanvulling van Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad betreffende de energieprestatie van gebouwen middels het vaststellen van een vergelijkend methodologisch kader voor het berekenen van kostenoptimale niveaus van minimumenergieprestatie-eisen voor gebouwen en onderdelen van gebouwen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2010/31/EU van het Europees Parlement en de Raad van 19 mei 2010 betreffende de energieprestatie van gebouwen (1) en met name artikel 5, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Hongaarse versie van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 (2) van de Commissie bevat verscheidene fouten. |
|
(2) |
Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 244/2012 moet daarom dienovereenkomstig worden gerectificeerd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Betreft alleen de Hongaarse taalversie.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 31 januari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
|
5.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95/9 |
VERORDENING (EU) Nr. 313/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 april 2013
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van Geconsolideerde jaarrekening, Gezamenlijke overeenkomsten en Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten: Overgangsleidraden (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name artikel 3, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie (2) is een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd. |
|
(2) |
Op 28 juni 2012 heeft de International Accounting Standards Board (IASB) wijzigingen gepubliceerd in International Financial Reporting Standard (IFRS) 10 Geconsolideerde jaarrekening, IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten en IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten (de wijzigingen) die voortvloeien uit voorstellen die zijn opgenomen in het desbetreffende voorontwerp Overgangsleidraden dat in december 2011 is gepubliceerd. Doel van de wijzigingen is het verduidelijken van de bedoeling van de IASB bij de eerste publicatie van de overgangsleidraad in IFRS 10. De wijzigingen verlenen tevens additionele overgangsondersteuning in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12 en beperken het vereiste om slechts aan de vorige vergelijkende periode aangepaste vergelijkende informatie te verschaffen. Voorts wordt als gevolg van de wijzigingen voor informatieverstrekking betreffende niet-geconsolideerde gestructureerde entiteiten het vereiste geschrapt om vergelijkende informatie in te dienen voor perioden vóór de eerste toepassing van IFRS 12. |
|
(3) |
De wijzigingen in IFRS 11 bevatten verwijzingen naar IFRS 9 die momenteel niet kunnen worden toegepast omdat IFRS 9 door de Unie nog niet is goedgekeurd. Daarom dient elke in de bijlage bij deze verordening voorkomende verwijzing naar IFRS 9 te worden gelezen als een verwijzing naar International Accounting Standard (IAS) 39 Financiële instrumenten: opname en waardering. |
|
(4) |
Overleg met de werkgroep van technische deskundigen van EFRAG (European Financial Reporting Advisory Group) heeft bevestigd dat de wijzigingen in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12 beantwoorden aan de in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002 vervatte technische goedkeuringscriteria. |
|
(5) |
Verordening (EG) nr. 1126/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt als volgt gewijzigd:
|
(a) |
international Financial Reporting Standard (IFRS) 10 Geconsolideerde jaarrekening wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening; |
|
(b) |
IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening; |
|
(c) |
IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards wordt gewijzigd overeenkomstig IFRS 11 conform de bijlage bij deze verordening; |
|
(d) |
IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening. |
2. Elke in de bijlage bij deze verordening voorkomende verwijzing naar IFRS 9 dient te worden gelezen als een verwijzing naar International Accounting Standard (IAS) 39 Financiële instrumenten: opname en waardering.
Artikel 2
Elke onderneming past de in artikel 1, lid 1, bedoelde wijzigingen toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2014 van start gaat.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 april 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
INTERNATIONALE STANDAARDEN VOOR JAARREKENINGEN
|
IFRS 10 |
|
||
|
IFRS 11 |
|
||
|
IFRS 12 |
|
"Reproductie toegestaan binnen de Europese Economische Ruimte. Alle bestaande rechten voorbehouden buiten de EER, met uitzondering van het recht van reproductie voor persoonlijk of ander eerlijk gebruik. Nadere inlichtingen te verkrijgen bij de IASB op het volgende adres: www.iasb.org"
Geconsolideerde jaarrekening, gezamenlijke overeenkomsten en informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten: overgangsleidraden
(Wijzigingen in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12)
Wijzigingen in IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening
In bijlage C wordt alinea C1A toegevoegd.
|
C1A |
De alinea's C2 tot en met C6 zijn gewijzigd en de alinea's C2A, C2B, C4A, C4B, C4C, C5A, C6A en C6B zijn toegevoegd door de in juni 2012 uitgegeven Geconsolideerde jaarrekening, gezamenlijke overeenkomsten en informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten: overgangsleidraden (Wijzigingen in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12). Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2013 aanvangen. Als een entiteit IFRS 10 op een eerdere periode toepast, moet zij ook deze wijzigingen op die eerdere periode toepassen. |
In bijlage C wordt alinea C2 gewijzigd.
|
C2 |
Een entiteit moet deze IFRS retroactief toepassen overeenkomstig IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten, behalve als bepaald in de alinea's C2A tot en met C6. |
In bijlage C worden de alinea's C2A en C2B toegevoegd.
|
C2A |
Niettegenstaande de vereisten van alinea 28 van IAS 8 moet een entiteit, wanneer deze IFRS voor het eerst wordt toegepast, alleen de door alinea 28(f) van IAS 8 vereiste kwantitatieve informatie presenteren voor de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing van deze IFRS (de "onmiddellijk voorafgaande periode"). Een entiteit mag deze informatie ook voor de lopende periode of voor eerdere vergelijkende perioden presenteren, maar is daartoe niet verplicht. |
|
C2B |
In het kader van deze IFRS is de datum van eerste toepassing het begin van de jaarlijkse verslagperiode waarop deze IFRS voor het eerst wordt toegepast. |
In bijlage C worden de alinea's C3 en C4 gewijzigd. Alinea C4 wordt gesplitst in de alinea's C4 en C4A.
|
C3 |
Op de datum van eerste toepassing is een entiteit niet verplicht aanpassingen aan te brengen in de eerdere administratieve verwerking van haar betrokkenheid bij:
|
|
C4 |
Als een investeerder op de datum van eerste toepassing besluit tot het consolideren van een deelneming die overeenkomstig IAS 27 en SIC-12 niet was geconsolideerd, moet de investeerder:
|
|
C4A |
Als waardering van de activa, verplichtingen en belangen zonder overheersende zeggenschap van een deelneming overeenkomstig alinea C4(a) of (b) onuitvoerbaar is (zoals beschreven in IAS 8), moet een investeerder:
De investeerder moet de jaarperiode die onmiddellijk aan de datum van eerste toepassing voorafgaat, retroactief aanpassen, tenzij het begin van de vroegste periode waarop deze alinea toepasbaar is, de lopende periode is. Wanneer de veronderstelde overnamedatum vroeger valt dan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode, moet de investeerder een eventueel verschil tussen de volgende bedragen aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode als een aanpassing van het eigen vermogen opnemen:
Indien de vroegste periode waarop deze alinea toepasbaar is, de lopende periode is, moet de aanpassing van het eigen vermogen aan het begin van de lopende periode worden opgenomen. |
In bijlage C worden de alinea's C4B en C4C toegevoegd.
|
C4B |
Wanneer een investeerder de alinea's C4 en C4A toepast en de datum waarop overeenkomstig deze IFRS zeggenschap is verworven, later valt dan de ingangsdatum van IFRS 3 (herziene versie van 2008, IFRS 3 (2008)), moet de verwijzing naar IFRS 3 in de alinea's C4 en C4A worden gelezen als een verwijzing naar IFRS 3 (2008). Indien de zeggenschap vóór de ingangsdatum van IFRS 3 (2008) is verworven, moet een investeerder ofwel IFRS 3 (2008), ofwel IFRS 3 (versie van 2004) toepassen. |
|
C4C |
Wanneer een investeerder de alinea's C4 en C4A toepast en de datum waarop overeenkomstig deze IFRS zeggenschap is verworven, later valt dan de ingangsdatum van IAS 27 (herziene versie van 2008, IAS 27 (2008)), moet een investeerder de vereisten van deze IFRS toepassen op alle perioden waarin de deelneming retroactief is geconsolideerd in overeenstemming met de alinea's C4 en C4A. Indien de zeggenschap vóór de ingangsdatum van IAS 27 (2008) is verworven, moet een investeerder:
|
In bijlage C worden de alinea's C5 en C6 gewijzigd. Alinea C5 wordt gesplitst in de alinea's C5 en C5A.
|
C5 |
Indien een investeerder op de datum van eerste toepassing besluit tot het niet langer consolideren van een deelneming die overeenkomstig IAS 27 en SIC-12 was geconsolideerd, dan moet de investeerder zijn belang in de deelneming waarderen tegen het bedrag waartegen het gewaardeerd zou zijn geweest mochten de vereisten van deze IFRS van toepassing zijn geweest toen de investeerder betrokken werd bij (maar geen zeggenschap verwierf in overeenstemming met deze IFRS), of de zeggenschap verloor over de deelneming. De investeerder moet de jaarperiode die onmiddellijk aan de datum van eerste toepassing voorafgaat, retroactief aanpassen. Wanneer de datum waarop de investeerder betrokken werd bij (maar geen zeggenschap verwierf in overeenstemming met deze IFRS), of de zeggenschap verloor over de deelneming, vroeger valt dan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode, moet de investeerder een eventueel verschil tussen de volgende bedragen aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode als een aanpassing van het eigen vermogen opnemen:
|
|
C5A |
Als waardering van het belang in de deelneming in overeenstemming met alinea C5 onuitvoerbaar is (zoals omschreven in IAS 8), dan moet de investeerder de vereisten van deze IFRS toepassen aan het begin van de vroegste periode waarop alinea C5 toepasbaar is en die mogelijk de lopende periode is. De investeerder moet de jaarperiode die onmiddellijk aan de datum van eerste toepassing voorafgaat, retroactief aanpassen, tenzij het begin van de vroegste periode waarop deze alinea toepasbaar is, de lopende periode is. Wanneer de datum waarop de investeerder betrokken werd bij (maar geen zeggenschap verwierf in overeenstemming met deze IFRS), of de zeggenschap verloor over de deelneming, vroeger valt dan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode, moet de investeerder een eventueel verschil tussen de volgende bedragen aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode als een aanpassing van het eigen vermogen opnemen:
Indien de vroegste periode waarop deze alinea toepasbaar is, de lopende periode is, moet de aanpassing van het eigen vermogen aan het begin van de lopende periode worden opgenomen. |
|
C6 |
De alinea's 23, 25, B94 en B96 tot en met B99 waren in 2008 in IAS 27 aangebrachte wijzigingen die in IFRS 10 overgenomen zijn. Behalve wanneer een entiteit alinea C3 toepast of verplicht is de alinea's C4 tot en met C5A toe te passen, moet zij de vereisten in die alinea's als volgt toepassen:
|
In bijlage C worden een kopje en de alinea's C6A en C6B toegevoegd.
Verwijzingen naar de "onmiddellijk voorafgaande periode"
|
C6A |
Niettegenstaande de verwijzingen in de alinea's C4 tot en met C5A naar de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de datum van eerste toepassing (de "onmiddellijk voorafgaande periode"), mag een entiteit ook aangepaste vergelijkende informatie voor eerder gepresenteerde perioden presenteren, maar zij is daartoe niet verplicht. Indien een entiteit geen aangepaste vergelijkende informatie voor eerdere perioden presenteert, moeten alle verwijzingen in de alinea's C4 tot en met C5A naar de "onmiddellijk voorafgaande periode" worden gelezen als verwijzingen naar de "vroegst aangepaste vergelijkende periode die is gepresenteerd". |
|
C6B |
Als een entiteit niet-aangepaste vergelijkende informatie voor eerdere perioden presenteert, moet zij duidelijk aangeven dat de informatie niet is aangepast, vermelden dat deze op basis van een andere grondslag is opgesteld, en deze grondslag toelichten. |
Wijzigingen in IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten
In bijlage C worden de alinea's C1A en C1B toegevoegd.
|
C1A |
De alinea's C2 tot en met C5, C7 tot en met C10 en C12 zijn gewijzigd en de alinea's C1B, C12A en C12B zijn toegevoegd door de in juni 2012 uitgegeven Geconsolideerde jaarrekening, gezamenlijke overeenkomsten en informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten: overgangsleidraden (Wijzigingen in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12). Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2013 aanvangen. Als een entiteit IFRS 11 op een eerdere periode toepast, moet ze ook deze wijzigingen op die eerdere periode toepassen. |
Overgang
|
C1B |
Niettegenstaande de vereisten van alinea 28 van IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten moet een entiteit, wanneer deze IFRS voor het eerst wordt toegepast, alleen de door alinea 28(f) van IAS 8 vereiste kwantitatieve informatie presenteren voor de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de eerste jaarperiode waarop IFRS 11 wordt toegepast (de "onmiddellijk voorafgaande periode"). Een entiteit mag deze informatie ook voor de lopende periode of voor eerdere vergelijkende perioden presenteren, maar is daartoe niet verplicht. |
In bijlage C worden de alinea's C2 tot en met C5, C7 tot en met C10 en C12 gewijzigd.
Joint ventures – overgang van proportionele consolidatie naar de equity-methode
|
C2 |
Wanneer een entiteit overschakelt van proportionele consolidatie naar de equity-methode, moet ze haar investering in de joint venture opnemen aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode. Deze initiële investering moet worden gewaardeerd tegen het totaal van de boekwaarde van de activa en verplichtingen die de entiteit eerder proportioneel had geconsolideerd, inclusief eventuele uit de verwerving voortvloeiende goodwill. Als de goodwill voorheen behoorde tot een grotere kasstroomgenererende eenheid, of tot een groep van kasstroomgenererende eenheden, moet de entiteit goodwill toerekenen aan de joint venture op basis van de relatieve boekwaarde van de joint venture en de kasstroomgenererende eenheid of groep van kasstroomgenererende eenheden waartoe de goodwill behoorde. |
|
C3 |
Het beginsaldo van de investering zoals bepaald in overeenstemming met alinea C2 wordt beschouwd als de veronderstelde kostprijs van de investering bij eerste opname. Een entiteit moet de alinea's 40 tot en met 43 van IAS 28 (herziene versie van 2011) toepassen op het beginsaldo van de investering om te beoordelen of de investering een bijzondere waardevermindering heeft ondergaan, en moet een eventueel bijzonder waardeverminderingsverlies opnemen als een aanpassing van de ingehouden winst aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode. De in de alinea's 15 en 24 van IAS 12 Winstbelastingen beschreven uitzondering bij eerste opname is niet van toepassing wanneer de entiteit een investering in een joint venture opneemt als gevolg van de toepassing van de overgangsbepalingen voor joint ventures die eerder proportioneel werden geconsolideerd. |
|
C4 |
Als de samenvoeging van alle eerder proportioneel geconsolideerde activa en verplichtingen resulteert in negatieve nettoactiva, moet een entiteit beoordelen of ze in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen met betrekking tot de negatieve nettoactiva heeft en, zo ja, moet de entiteit de desbetreffende verplichting opnemen. Als de entiteit concludeert dat ze geen in rechte afdwingbare of feitelijke verplichtingen met betrekking tot de negatieve nettoactiva heeft, mag ze de desbetreffende verplichting niet opnemen, maar moet ze de ingehouden winst aanpassen aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode. De entiteit moet dit feit vermelden, samen met haar cumulatieve niet-opgenomen aandeel in de verliezen van haar joint ventures aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode en op de datum waarop deze IFRS voor het eerst wordt toegepast. |
|
C5 |
Een entiteit moet een uitsplitsing geven van de activa en verplichtingen die op één regel zijn samengevoegd in het investeringssaldo aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode. Deze uitsplitsing moet samengevoegd worden opgesteld voor alle joint ventures waarvoor een entiteit de overgangsbepalingen toepast waarnaar in de alinea's C2 tot en met C6 wordt verwezen. |
|
C6 |
… |
Gezamenlijke bedrijfsactiviteiten – overgang van de equity-methode naar de administratieve verwerking van activa en verplichtingen
|
C7 |
Wanneer een entiteit overschakelt van de equity-methode naar de administratieve verwerking van activa en verplichtingen met betrekking tot haar belang in een gezamenlijke bedrijfsactiviteit, moet ze aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode de investering die eerder administratief werd verwerkt volgens de equity-methode alsook alle andere posten die deel uitmaakten van de netto-investering van de entiteit in de overeenkomst uit het overzicht van de financiële positie verwijderen in overeenstemming met alinea 38 van IAS 28 (herziene versie van 2011), en moet ze haar aandeel in elk van de activa en de verplichtingen met betrekking tot haar belang in de gezamenlijke bedrijfsactiviteit opnemen, met inbegrip van alle goodwill die mogelijk deel is geworden van de boekwaarde van de investering. |
|
C8 |
Een entiteit moet haar belang in de activa en verplichtingen die verband houden met de gezamenlijke bedrijfsactiviteit bepalen op basis van haar rechten en plichten in een gespecificeerde verhouding in overeenstemming met de contractuele overeenkomst. Een entiteit bepaalt de initiële boekwaarden van de activa en verplichtingen door ze te scheiden van de boekwaarde van de investering aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode op basis van de informatie die door de entiteit wordt gebruikt bij de toepassing van de equity-methode. |
|
C9 |
Elk verschil dat voortvloeit uit de investering die eerder administratief werd verwerkt volgens de equity-methode samen met alle andere posten die deel uitmaakten van de netto-investering van de entiteit in de overeenkomst in overeenstemming met alinea 38 van IAS 28 (herziene versie van 2011), en het opgenomen nettobedrag van de activa en verplichtingen, met inbegrip van enige goodwill, moet worden:
|
|
C10 |
Een entiteit die overschakelt van de equity-methode naar de administratieve verwerking van activa en verplichtingen moet een aansluiting geven tussen de niet langer opgenomen investering en de opgenomen activa en verplichtingen, samen met een eventueel resterend verschil dat in de ingehouden winst is verwerkt, aan het begin van de onmiddellijk voorafgaande periode. |
|
C11 |
… |
Overgangsbepalingen in de enkelvoudige jaarrekening van een entiteit
|
C12 |
Een entiteit die, in overeenstemming met alinea 10 van IAS 27, haar belang in een gezamenlijke bedrijfsactiviteit eerder in haar enkelvoudige jaarrekening verwerkte als een investering tegen kostprijs of in overeenstemming met IFRS 9 moet:
|
In bijlage C worden een kopje en de alinea's C12A en C12B toegevoegd.
Verwijzingen naar de "onmiddellijk voorafgaande periode"
|
C12A |
Niettegenstaande de in de alinea's C2 tot en met C12 voorkomende verwijzingen naar de "onmiddellijk voorafgaande periode"), mag een entiteit ook aangepaste vergelijkende informatie voor eerder gepresenteerde perioden presenteren, maar zij is daartoe niet verplicht. Indien een entiteit geen aangepaste vergelijkende informatie voor eerdere perioden presenteert, moeten alle verwijzingen in de alinea's C2 tot en met C12 naar de "onmiddellijk voorafgaande periode" worden gelezen als verwijzingen naar de "vroegst aangepaste vergelijkende periode die is gepresenteerd". |
|
C12B |
Als een entiteit niet-aangepaste vergelijkende informatie voor eerdere perioden presenteert, moet zij duidelijk aangeven dat de informatie niet is aangepast, vermelden dat deze op basis van een andere grondslag is opgesteld, en deze grondslag toelichten. |
Wijzigingen in IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten
Overeenkomstige wijziging in IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards
In deze bijlage is een wijziging in IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards vermeld die het gevolg is van de vaststelling door de Board van de wijzigingen in IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten. Entiteiten moeten deze wijziging toepassen wanneer zij IFRS 1 toepassen.
IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards
Alinea 39S wordt toegevoegd.
|
39S |
Alinea D31 is gewijzigd door de in juni 2012 uitgegeven Geconsolideerde jaarrekening, gezamenlijke overeenkomsten en informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten: overgangsleidraden (Wijzigingen in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12). Een entiteit moet deze wijziging toepassen als zij IFRS 11 (herziene versie van juni 2012) toepast. |
In bijlage D wordt alinea D31 gewijzigd.
Gezamenlijke overeenkomsten
|
D31 |
Eerste toepassers mogen de overgangsbepalingen in IFRS 11 toepassen met de volgende uitzonderingen:
|
Wijzigingen in IFRS 12 Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten
In bijlage C worden de alinea's C1A, C2A en C2B toegevoegd.
|
C1A |
De alinea's C2A en C2B zijn toegevoegd door de in juni 2012 uitgegeven Geconsolideerde jaarrekening, gezamenlijke overeenkomsten en informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten: overgangsleidraden (Wijzigingen in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12). Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2013 aanvangen. Als een entiteit IFRS 12 op een eerdere periode toepast, moet ze ook deze wijzigingen op die eerdere periode toepassen. |
|
C2 |
… |
|
C2A |
De vereisten inzake informatieverschaffing van deze IFRS behoeven niet te worden toegepast op een gepresenteerde periode die aanvangt vóór de jaarperiode die onmiddellijk voorafgaat aan de eerste jaarperiode waarop IFRS 12 wordt toegepast. |
|
C2B |
De vereisten inzake informatieverschaffing van de alinea's 24 tot en met 31 en de overeenkomstige leidraden in de alinea's B21 tot en met B26 van deze IFRS behoeven niet te worden toegepast op een gepresenteerde periode die aanvangt vóór de eerste jaarperiode waarop IFRS 12 wordt toegepast. |
|
5.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95/17 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 314/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 april 2013
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 april 2013.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
60,6 |
|
TN |
105,0 |
|
|
TR |
134,9 |
|
|
ZZ |
100,2 |
|
|
0707 00 05 |
JO |
194,1 |
|
MA |
116,3 |
|
|
TR |
146,8 |
|
|
ZZ |
152,4 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
91,2 |
|
TR |
102,1 |
|
|
ZZ |
96,7 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
59,3 |
|
IL |
69,3 |
|
|
MA |
77,1 |
|
|
TN |
61,7 |
|
|
TR |
63,5 |
|
|
ZZ |
66,2 |
|
|
0805 50 10 |
TR |
79,1 |
|
ZZ |
79,1 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
103,4 |
|
BR |
92,7 |
|
|
CL |
118,8 |
|
|
CN |
80,4 |
|
|
MK |
30,8 |
|
|
US |
204,9 |
|
|
UY |
106,8 |
|
|
ZA |
105,4 |
|
|
ZZ |
105,4 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
115,0 |
|
CL |
142,0 |
|
|
CN |
90,9 |
|
|
TR |
204,5 |
|
|
US |
158,2 |
|
|
ZA |
124,1 |
|
|
ZZ |
139,1 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
5.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95/19 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 3 april 2013
tot wijziging van bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG wat betreft de gegevens voor Mexico in de lijst van derde landen en delen daarvan waaruit de invoer in de Unie van levende paardachtigen en sperma, eicellen en embryo’s van paarden is toegestaan
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 1794)
(Voor de EER relevante tekst)
(2013/167/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (1), en met name artikel 17, lid 3, onder a),
Gezien Richtlijn 2009/156/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (2), en met name artikel 12, leden 1 en 4, en artikel 19, inleidende zin en onder a) en b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 92/65/EEG bevat voorschriften voor de invoer in de Unie van onder meer sperma, eicellen en embryo’s van paarden. Die voorschriften moeten ten minste gelijkwaardig zijn aan de voorschriften die gelden voor het handelsverkeer tussen de lidstaten. |
|
(2) |
In Richtlijn 2009/156/EG zijn veterinairrechtelijke voorschriften vastgesteld voor de invoer van levende paardachtigen in de Unie. Volgens die richtlijn is de invoer van paardachtigen in de Unie alleen toegestaan uit derde landen waar zich gedurende een periode van ten minste twee jaar geen Venezolaanse paardenencefalomyelitis heeft voorgedaan. |
|
(3) |
Beschikking 2004/211/EG van de Commissie van 6 januari 2004 tot vaststelling van de lijst van derde landen en delen van hun grondgebied waaruit de lidstaten de invoer toestaan van levende paardachtigen en sperma, eicellen en embryo’s van paarden en tot wijziging van de Beschikkingen 93/195/EEG en 94/63/EG (3) bevat een lijst van derde landen, of delen daarvan indien regionaliseringsmaatregelen van toepassing zijn, waaruit de lidstaten de invoer van paardachtigen en sperma, eicellen en embryo’s daarvan toestaan, en bepaalt de andere invoervoorwaarden. Die lijst is opgenomen in bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG. |
|
(4) |
In de lijst in bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG is vastgelegd dat de tijdelijke toelating van geregistreerde paarden, het opnieuw binnenbrengen, na tijdelijke uitvoer, van geregistreerde paarden voor wedrennen, wedstrijden en culturele manifestaties, de invoer van geregistreerde paardachtigen of van als fok- en gebruiksdier gehouden paardachtigen en de invoer van sperma, eicellen en embryo’s van paarden is toegestaan uit Mexico, met uitzondering van de staten Chiapas, Oaxaca, Tabasco en Veracruz. |
|
(5) |
De Commissie publiceerde in september 2012 haar eindverslag van een van 17 tot 27 april 2012 in Mexico verrichte audit ter beoordeling van de veterinaire controles en de certificatieprocedures die van toepassing zijn op de invoer van levende paardachtigen en sperma in de Europese Unie (4); in het verslag werd een aantal aanzienlijke tekortkomingen geconstateerd bij de controles van het verkeer van paardachtigen binnen dat derde land en derhalve bij de naleving van de vastgestelde regionalisering, de garanties voor vesiculaire stomatitis en infectieuze anemie bij paarden, alsmede bij de goedkeuring van en het toezicht op wincentra voor sperma van paardachtigen. Deze tekortkomingen zijn niet afdoende door de bevoegde autoriteiten in Mexico behandeld in hun antwoord op de aanbevelingen uit het auditverslag van de Commissie en de follow-up daarvan. |
|
(6) |
Die situatie vormt een diergezondheidsrisico voor de paardenpopulatie in de Unie en daarom moet de invoer van paardachtigen en van sperma, eicellen en embryo’s van paarden uit Mexico niet worden toegestaan. |
|
(7) |
De vermelding voor dat derde land in bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG moet daarom worden gewijzigd. |
|
(8) |
Beschikking 2004/211/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(9) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
In bijlage I bij Beschikking 2004/211/EG wordt de vermelding voor Mexico vervangen door:
|
„MX |
Mexico |
MX-0 |
Het hele land |
D |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
— |
—” |
|
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 3 april 2013.
Voor de Commissie
Tonio BORG
Lid van de Commissie
(1) PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54.
(2) PB L 192 van 23.7.2010, blz. 1.
(3) PB L 73 van 11.3.2004, blz. 1.
(4) http://ec.europa.eu/food/fvo/rep_details_en.cfm?rep_id=2948
|
5.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95/21 |
BESLUIT VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 20 maart 2013
houdende intrekking van de Besluiten ECB/2011/4 inzake tijdelijke maatregelen betreffende door de Ierse regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen, ECB/2011/10 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Portugese regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen, ECB/2012/32 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen en ECB/2012/34 betreffende tijdelijke wijzigingen van de regels betreffende de beleenbaarheid van in vreemde valuta luidend onderpand
(ECB/2013/5)
(2013/168/EU)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid het eerste streepje van artikel 127, lid 2,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid het eerste streepje van artikel 3.1, artikel 12.1, artikel 18 en het tweede streepje van artikel 34.1,
Gezien Richtsnoer ECB/2011/14 van 20 september 2011 betreffende monetaire-beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (1), en met name hoofdstuk 1.6, hoofdstuk 6.3.1 en hoofdstuk 6.3.2 van bijlage I,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De inhoud van Besluit ECB/2012/34 van 19 december 2012 betreffende tijdelijke wijzigingen van de regels betreffende de beleenbaarheid van in vreemde valuta luidend onderpand (2) dient te worden opgenomen in Richtsnoer ECB/2012/18 van 2 augustus 2012 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9 (3), de basisrechtshandeling voor tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand. |
|
(2) |
Met het oog op duidelijkheid en consistentie en teneinde het onderpandkader van het Eurosysteem te vereenvoudigen, dient de inhoud van de Besluiten: ECB/2011/4 van 31 maart 2011 inzake tijdelijke maatregelen betreffende door de Ierse regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (4), ECB/2011/10 van 7 juli 2011 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Portugese regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (5), en ECB/2012/32 van 19 december 2012 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (6), eveneens te worden opgenomen in een richtsnoer betreffende tijdelijke maatregelen inzake de beleenbaarheid van onderpand voor herfinancieringstransacties van het Eurosysteem. |
|
(3) |
Deze stappen worden omgezet middels een herschikking van Richtsnoer ECB/2012/18 en dienen daarnaast de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben in staat te stellen de aanvullende maatregelen ter versterking van de kredietverleningssteun binnen het kader van het op hun tegenpartijen toepasselijke contractuele en regelgevende kader om te zetten. |
|
(4) |
De Besluiten ECB/2011/4, ECB/2011/10, ECB/2012/32 en ECB/2012/34 dienen derhalve te worden ingetrokken, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Intrekking van de Besluiten ECB/2011/4, ECB/2011/10, ECB/2012/32 en ECB/2012/34
1. De Besluiten ECB/2011/4, ECB/2011/10, ECB/2012/32 en ECB/2012/34 worden met ingang van 3 mei 2013 ingetrokken.
2. Verwijzingen naar de ingetrokken besluiten worden opgevat als verwijzingen naar Richtsnoer ECB/2013/4.
Artikel 2
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt op 22 maart 2013 in werking.
Gedaan te Frankfurt am Main, 20 maart 2013.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 331 van 14.12.2011, blz. 1.
(2) PB L 14 van 18.1.2013, blz. 22.
(3) PB L 218 van 15.8.2012, blz. 20.
(4) PB L 94 van 8.4.2011, blz. 33.
|
5.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95/22 |
BESLUIT VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 20 maart 2013
houdende de regels betreffende het gebruik van door de overheid gegarandeerde ongedekte bankbrieven voor eigen gebruik als onderpand voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem
(ECB/2013/6)
(2013/169/EU)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid het eerste streepje van artikel 127, lid 2,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid op het eerste streepje van artikel 3.1 en artikel 12.1, artikel 14.3 en artikel 18.2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Luidens artikel 18.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, mogen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de „NCB’s”) krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand. De standaardvoorwaarden waaronder de ECB en de NCB’s bereid zijn krediettransacties te verrichten, waaronder de beleenbaarheidscriteria van onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem, zijn vastgelegd in bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 van 20 september 2011 betreffende monetaire-beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (1). |
|
(2) |
Luidens hoofdstuk 1.6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 kan de Raad van bestuur te allen tijde besluiten tot aanpassing van de instrumenten, voorwaarden, criteria en procedures voor de tenuitvoerlegging van de monetaire-beleidstransacties van het Eurosystem. |
|
(3) |
Het directe gebruik van door de overheid gegarandeerde ongedekte bankbrieven voor eigen gebruik, en het indirecte gebruik van die bankbrieven, indien deze zijn opgenomen in de pool van gedekte obligaties die door dezelfde tegenpartij zijn uitgegeven die de ongedekte bankbrieven heeft uitgegeven, dan wel door nauw met die tegenpartij verbonden entiteiten, dienen met ingang van 1 maart 2015 volledig te worden uitgesloten als onderpand voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de Raad van bestuur tijdelijke uitzonderingen op dit verbod toestaan aan tegenpartijen die deelnemen aan monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem. |
|
(4) |
De voorwaarden van deze uitsluiting dienen in een ECB-besluit te worden vastgelegd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen van de regels betreffende het gebruik van door de overheid gegarandeerde ongedekte bankbrieven voor eigen gebruik als onderpand
1. Met ingang van 1 maart 2015 kunnen ongedekte bankbrieven, die de gebruikende partij heeft uitgegeven of entiteiten die met de tegenpartij nauw verbonden zijn en die volledig worden gegarandeerd door één of meer overheidsentiteiten uit de Europese Economische Ruimte (EER), die belasting kunnen heffen, door die tegenpartij niet langer worden gebruikt als onderpand voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem: noch a) direct, noch b) indirect, indien deze zijn opgenomen in de pool van gedekte obligaties die zijn uitgegeven door dezelfde tegenpartij die de ongedekte bankbrieven heeft uitgegeven dan wel door nauw met die tegenpartij verbonden entiteiten.
2. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de Raad van bestuur tijdelijke uitzonderingen op het in lid 1 vastgelegde verbod toestaan, zulks voor maximaal drie jaar. Bij een verzoek tot het toestaan van uitzonderingen wordt een financieringsplan gevoegd dat vermeldt hoe de verzoekende tegenpartij het eigen gebruik van door de overheid gegarandeerde ongedekte bankbrieven geleidelijk zal afschaffen, zulks ten laatste drie jaar na het toestaan van de uitzondering.
3. Dit besluit geldt indien enige discrepantie bestaat tussen dit besluit, Richtsnoer ECB/2011/14, en Richtsnoer ECB/2013/4 van 20 maart 2013 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand (2), telkens zoals op nationaal niveau door de NCB’s geïmplementeerd.
Artikel 2
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op 22 maart 2013.
Gedaan te Frankfurt am Main, 20 maart 2013.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 331 van 14.12.2011, blz. 1.
(2) Zie bladzijde 23 van dit Publicatieblad.
RICHTSNOEREN
|
5.4.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 95/23 |
RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 20 maart 2013
inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9
(herschikking)
(ECB/2013/4)
(2013/170/EU)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid het eerste streepje van artikel 127, lid 2,
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid het eerste streepje van artikel 3.1 en artikel 5.1, artikel 12.1, artikel 14.3 en artikel 18.2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtsnoer ECB/2012/18 van 2 augustus 2012 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9 (1) is aanzienlijk gewijzigd. Aangezien verdere wijzigingen zullen volgen, vergt duidelijkheid dat Richtsnoer ECB/2012/18 wordt herschikt. |
|
(2) |
Luidens artikel 18.1 van statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, mogen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de „NCB’s”) krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand. De algemene voorwaarden waaronder de ECB en de NCB’s bereid zijn krediettransacties te verrichten, waaronder de beleenbaarheidscriteria van onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem, zijn vastgelegd in bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 van 20 september 2011 betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (2). |
|
(3) |
Op 8 december 2011 en op 20 juni 2012 heeft de Raad van bestuur aanvullende de kredietverleningssteun versterkende maatregelen genomen ter ondersteuning van bancaire kredietverlening en liquiditeit in de geldmarkt van het eurogebied, waaronder de maatregelen in Besluit ECB/2011/25 van 14 december 2011 inzake aanvullende tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen (3). Bovendien dienen verwijzingen naar de reserveratio in Richtsnoer ECB/2007/9 van 1 augustus 2007 betreffende monetaire statistieken en statistieken inzake financiële instellingen en markten (4) te worden aangepast aan de wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB2003/9) (5), die zijn ingevoerd door Verordening (EU) nr. 1358/2011 (6). |
|
(4) |
Besluit ECB/2012/4 van 21 maart 2012 tot wijziging van Besluit ECB/2011/25 inzake aanvullende tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen (7) bepaalde dat NCB’s niet moesten worden verplicht binnen het kader van krediettransacties van het Eurosysteem beleenbare bankbrieven als onderpand te accepteren die werden gegarandeerd door een lidstaat uit hoofde van een programma van de Europese Unie of van het Internationaal Monetair Fonds dan wel beleenbare bankbrieven gegarandeerd door een lidstaat, waarvan de kredietbeoordeling niet voldoet aan de benchmark van het Eurosysteem voor de vaststelling van de minimumvereisten van het Eurosysteem voor hoge kredietstandaards. |
|
(5) |
Besluit ECB/2012/12 van 3 juli 2012 tot wijziging van Besluit ECB/2011/25 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand (8) herzag tevens de uitzondering op het verbod van nauwe banden, zoals vastgelegd in hoofdstuk 6.2.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 aangaande door de overheid gegarandeerde bankbrieven voor eigen gebruik die door tegenpartijen worden gebruikt als onderpand. |
|
(6) |
Op voorwaarde van ex-antegoedkeuring door de Raad van bestuur, zouden de aan krediettransacties van het Eurosysteem deelnemende tegenpartijen hun niveaus van 3 juli 2012 van de voor eigen gebruik door de overheid gegarandeerde bankbrieven in uitzonderlijke omstandigheden moeten kunnen verhogen. Bij de aan Raad van bestuur ter ex-antegoedkeuring ingediende verzoeken dient een financieringsplan te zijn gevoegd. |
|
(7) |
Op 2 augustus 2012 werd Besluit ECB/2011/25 vervangen door Richtsnoer ECB/2012/18 dat de NCB’s binnen het kader van hun contractuele of wettelijke regelingen implementeerden. |
|
(8) |
Richtsnoer ECB/2012/18 werd op 10 oktober 2012 door Richtsnoer ECB/2012/23 (9) gewijzigd welk richtsnoer tijdelijk de beleenbaarheidscriteria verruimde voor als onderpand in monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem gebruikte activa, door daarbij in Britse pond, yen of US dollars luidende verhandelbare schuldbewijzen te aanvaarden als beleenbare activa voor monetaire-beleidstransacties. Waarderingsverlagingen die de historische volatiliteit van de betrokken wisselkoersen weerspiegelen, werden op dergelijke verhandelbare schuldbewijzen toegepast. |
|
(9) |
Richtsnoer ECB/2013/2 van 23 januari 2013 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2012/18 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand (10) detailleert de procedure voor de vroegtijdige aflossing van langerlopende herfinancieringstransacties door tegenpartijen, om te waarborgen dat alle NCB’s dezelfde voorwaarden toepassen. Met name is de geldboeteregeling van appendix 6 bij bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 van toepassing indien tegenpartijen op de door hen verkozen vervaldag voor vroegtijdige aflossing het aan de betrokken NCB af te lossen bedrag niet of gedeeltelijk voldoen. |
|
(10) |
Richtsnoer ECB/2012/18 dient thans nader te worden gewijzigd om de inhoud van Besluit ECB/2012/34 van 19 december 2012 betreffende tijdelijke wijzigingen van de regels betreffende de beleenbaarheid van in vreemde valuta luidend onderpand (11) op te nemen en om te verzekeren dat NCB’s niet verplicht worden beleenbare ongedekte bankbrieven als onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem te aanvaarden die: a) zijn uitgegeven door de tegenpartijen die deze bankbrieven gebruiken of door met de tegenpartij nauw verbonden entiteiten; en (b) die volledig werden gegarandeerd door een lidstaat waarvan de kredietbeoordeling niet voldoet aan de hoge kredietstandaards van het Eurosysteem en die volgens de Raad van bestuur voldoen aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds. |
|
(11) |
Met het oog op duidelijkheid en eenvoud dient de inhoud van Besluit ECB/2011/4 van 31 maart 2011 inzake tijdelijke maatregelen betreffende door de Ierse regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (12), Besluit ECB/2011/10 van 7 juli 2011 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Portugese regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (13), en Besluit ECB/2012/32 van 19 december 2012 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (14), te worden opgenomen in dit richtsnoer met alle overige tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen. |
|
(12) |
De in dit richtsnoer vastgelegde aanvullende maatregelen dienen tijdelijk van toepassing te zijn tot de Raad van bestuur van mening is dat zij niet langer noodzakelijk zijn om een goede doorwerking van het monetaire beleid te verzekeren, |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
Artikel 1
Aanvullende met herfinancieringstransacties en beleenbaar onderpand verband houdende maatregelen
1. De regels voor het verrichten van monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheidscriteria voor onderpand zoals vastgelegd in dit richtsnoer zijn in samenhang met Richtsnoer ECB/2011/14 van toepassing.
2. Dit richtsnoer geldt bij een discrepantie tussen dit richtsnoer en Richtsnoer ECB/2011/14, zoals op nationaal niveau door de NCB’s uitgevoerd. Behoudens andersluidende bepalingen in dit richtsnoer, passen de NCB’s alle bepalingen van Richtsnoeren ECB/2011/14 toe.
3. Binnen het kader van artikel 5, lid 1 en artikel 7 worden Ierland, de Helleense Republiek en de Portugese Republiek beschouwd als eurogebied lidstaten die voldoen aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds.
Artikel 2
Mogelijkheid tot verlaging van het bedrag van langerlopende herfinancieringstransacties, dan wel tot beëindiging van deze transacties
1. Het Eurosysteem kan besluiten dat tegenpartijen voor de vervaldag onder bepaalde voorwaarden het bedrag van bepaalde langerlopende herfinancieringstransacties kunnen verlagen dan wel deze transacties kunnen beëindigen (die vroegtijdige verlaging of beëindiging wordt gezamenlijk „vroegtijdige aflossing” genoemd). De tenderaankondiging vermeldt of de mogelijkheid tot verlaging van het bedrag van de betrokken transacties, dan wel de beëindiging van de betrokken transacties voor de vervaldag van toepassing is, alsook vanaf welke datum die keuzemogelijkheid kan worden geëffectueerd. Deze informatie kan eveneens op een andere door het Eurosysteem passend geachte wijze worden verstrekt.
2. Een tegenpartij kan besluiten voor de vervaldag het bedrag van de langerlopende herfinancieringstransacties te verlagen, dan wel deze transacties te beëindigen door de betrokken NCB in kennis te stellen van het bedrag dat zij uit hoofde van de procedure tot vroegtijdige aflossing wil voldoen, alsook van de datum waarop zij die vroegtijdige aflossing wil effectueren, zulks tenminste één week voorafgaande aan de datum van vroegtijdige aflossing. Tenzij anders aangegeven door het Eurosysteem, kan vroegtijdige aflossing op elke dag worden geëffectueerd die samenvalt met de afwikkelingsdag van een basisherfinancieringstransactie van het Eurosysteem, mits de tegenpartij de in deze paragraaf aangeduide inkennisstelling tenminste één week voor die datum effectueert.
3. De in lid 2 genoemde inkennisstelling wordt voor de tegenpartij één week voor de voornoemde datum van vroegtijdige aflossing bindend. Indien de tegenpartij het op de vervaldag uit hoofde van de procedure voor vroegtijdige aflossing verschuldigde bedrag niet of gedeeltelijk voldoet, kan zulks resulteren in de oplegging van een geldboete zoals vermeld in hoofdstuk 1 van appendix 6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14. De bepalingen van paragraaf 1 van appendix 6 die toepasselijk zijn op het schenden van regels inzake tendertransacties zijn van toepassing, indien een tegenpartij op de in lid 2 genoemde datum van vroegtijdige aflossing het dan verschuldigde bedrag niet of gedeeltelijk voldoet. De oplegging van een geldboete geschiedt zonder afbreuk te doen aan het recht van de NCB om ingeval van een tekortkoming in de nakoming de in bijlage II bij Richtsnoer ECB/2011/14 vastgelegde verhaalsmogelijkheden uit te oefenen.
Artikel 3
Aanvullende toelating van bepaalde effecten op onderpand van activa
1. Naast de uit hoofde van hoofdstuk 6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 beleenbare effecten op onderpand van activa, komen effecten op onderpand van activa die niet voldoen aan de kredietbeoordelingsvereisten van hoofdstuk 6.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, maar voor het overige voldoen aan alle op effecten op onderpand van activa toepasselijke beleenbaarheidscriteria uit hoofde van Richtsnoer ECB/2011/14, in aanmerking als onderpand voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem, mits zij bij uitgifte en op enig tijdstip daarna twee ratings hebben van minstens triple-B (15). Tevens voldoen zij aan de volgende vereisten:
|
a) |
de kasstroom genererende activa die dienen als onderpand voor de effecten op onderpand van activa behoren tot één van de volgende activacategorieën: i) hypothecair krediet; ii) leningen aan kleine en middelgrote bedrijven (KMO’s); iii) commercieel hypothecair krediet; iv) autoleningen; v) leasing; vi) consumentenkrediet; |
|
b) |
geen vermenging van uiteenlopende activacategorieën bij de kasstroom genererende activa; |
|
c) |
de kasstroom genererende activa die dienen als onderpand voor de effecten op onderpand van activa, omvatten geen leningen die:
|
|
d) |
de transactiedocumentatie inzake effecten op onderpand van activa omvat bepalingen inzake aflossingscontinuïteit. |
2. Op de in lid 1 genoemde effecten op onderpand van activa die twee ratings hebben van minstens single-A (16) is een surpluspercentage van 16 % van toepassing.
3. Op de in lid 1 genoemde effecten op onderpand van activa die niet twee ratings hebben van minstens single-A zijn de volgende surpluspercentages van toepassing: a) op effecten op onderpand van activa met commercieel hypothecair krediet als onderpand is een surpluspercentage van 32 % van toepassing; en b) op alle overige effecten op onderpand van activa is een surpluspercentage van 26 % van toepassing.
4. Een tegenpartij mag uit hoofde van lid 1 beleenbare effecten op onderpand van activa niet als onderpand aanbieden, indien de tegenpartij of enige derde, waarmee zij nauwe banden heeft, rentehedging aanbiedt met betrekking tot die effecten op onderpand van activa.
5. Een NCB kan als onderpand voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem effecten op onderpand van activa aanvaarden waarvan de onderliggende activa woninghypotheken omvatten of leningen aan kmo’s, of beide, en die niet voldoen aan de kredietbeoordelingsvereisten van afdeling 6.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, noch aan de in lid 1, onder a) tot en met d) en hiervoor in lid 4 genoemde vereisten, maar voor het overige voldoen aan alle op effecten op onderpand van activa toepasselijke beleenbaarheidscriteria uit hoofde van Richtsnoer ECB/2011/14 en twee ratings hebben van minstens triple-B. Dergelijke effecten op onderpand van activa worden beperkt tot effecten op onderpand van activa die voor 20 juni 2012 zijn uitgegeven, waarop een surpluspercentage van 32 % van toepassing is.
6. In dit artikel wordt bedoeld met:
1. „woninghypotheek”: afgezien van leningen met woninghypotheken als onderpand, omvat woninghypotheek gegarandeerde leningen voor woningen (zonder een hypotheek) indien de garantie bij verzuim direct verschuldigd is. Dergelijke garanties kunnen verschillende contractuele vormen aannemen, waaronder verzekeringscontracten, mits ze verstrekt worden door een entiteit uit de publieke sector of een financiële instelling die onder publiek toezicht staat. De kredietbeoordeling van de garant ter fine van dergelijke garanties dient gedurende de looptijd van de transactie te voldoen aan kredietkwaliteitsstap 3 van de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem;
2. „kleine onderneming” en „middelgrote onderneming”: een entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm, indien de omzet van die entiteit, of indien de entiteit deel is van een geconsolideerde groep, de omzet van de geconsolideerde groep lager is dan 50 miljoen EUR;
3. „dubieuze lening”: omvat leningen met een achterstalligheid van 90 dagen of meer bij interest of hoofdsom en waarbij de debiteur in verzuim is, zoals bepaald in punt 44 van bijlage VII bij Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (17), of indien gegronde twijfel bestaat aan de volledige voldoening;
4. „gestructureerde lening”: een structuur met achtergestelde kredietvorderingen;
5. „syndicaatslening”: een door een groep van leninggevers in een leningssyndicaat verstrekte lening;
6. „hefboomfinancieringslening”: een lening die wordt verstrekt aan een onderneming met een reeds aanzienlijke schuldenlast, bijvoorbeeld een buy-out of een overnamefinanciering, waarbij de lening strekt tot verkrijging van aandelen van een onderneming die tevens de debiteur van de lening is;
7. „bepalingen inzake de schuldendienstcontinuïteit”: bepalingen in de juridische documentatie van een effect op onderpand van activa die verzekeren dat de aflossing niet wordt beëindigd, indien de beheerder zijn verplichtingen niet nakomt en die de benoeming van een vervanger van de beheerder en een actieplan van hoog niveau bepalen, welk plan de na de benoeming van de vervanger van de beheerder uit te voeren operationele stappen schetst en hoe het beheer van de leningen zal worden overgedragen.
Artikel 4
Aanvullende toelating van bepaalde kredietvorderingen
1. Een NCB kan als onderpand voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem kredietvorderingen aanvaarden die niet voldoen aan de beleenbaarheidscriteria van het Eurosysteem.
2. Een NCB die besluit overeenkomstig lid 1 kredietvorderingen te aanvaarden, stelt daartoe beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen op middels geëxpliciteerde afwijkingen van de vereisten van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14. Die beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen omvatten het criterium dat kredietvorderingen zijn onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat van de NCB die de beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen opstelt. De beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen zijn onderworpen aan voorafgaande goedkeuring door de Raad van bestuur.
3. In uitzonderlijke omstandigheden kunnen NCB’s, mits verkregen voorafgaande goedkeuring door de Raad van bestuur, kredietvorderingen aanvaarden: a) zulks met toepassing van de beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen die een andere NCB overeenkomstig leden 1 en 2 heeft opgesteld; of b) die zijn onderworpen aan de wetgeving van een lidstaat, niet zijnde de lidstaat waarin de accepterende NCB is gevestigd.
4. Een andere NCB verleent slechts bijstand aan een NCB die overeenkomstig lid 1 kredietvorderingen aanvaardt, indien zulks bilateraal tussen beide NCB’s is overeengekomen en mits verkregen voorafgaande goedkeuring door de Raad van bestuur.
Artikel 5
Aanvaarding van bepaalde door de overheid gegarandeerde bankbrieven
1. Een NCB zal niet gehouden zijn beleenbare ongedekte bankbrieven als onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem te aanvaarden die: a) niet voldoen aan het vereiste van hoge kredietstandaards van het Eurosysteem; b) die zijn uitgegeven door de tegenpartij die deze bankbrieven gebruikt dan wel door met de tegenpartij nauw verbonden entiteiten; en c) een lidstaat volledig garandeert: i) waarvan de kredietbeoordeling niet voldoet aan het vereiste van het Eurosysteem voor hoge kredietstandaards voor emittenten en garanten van verhandelbare activa overeenkomstig de hoofdstukken 6.3.1 en 6.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14; en ii) die naar het oordeel van de Raad van bestuur voldoet aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds.
2. NCB’s stellen de Raad van bestuur ervan in kennis, indien zij besluiten de in lid 1 omschreven effecten niet als onderpand te aanvaarden.
3. Tegenpartijen mogen ongedekte bankbrieven, die door henzelf of nauw met hun verbonden entiteiten zijn uitgegeven en door een EER-overheidsentiteit, die het recht heeft belastingen te heffen, worden gegarandeerd, niet als onderpand aanbieden voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem, voor zover zulks de nominale waarde van die op 3 juli 2012 reeds als onderpand aangeboden bankbrieven te boven gaat.
4. Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de Raad van bestuur tijdelijke uitzonderingen op het in lid 3 vastgelegde verbod toestaan, zulks voor maximaal drie jaar. Bij een verzoek tot het toestaan van uitzonderingen wordt een financieringsplan gevoegd dat vermeldt hoe de verzoekende tegenpartij het eigen-gebruik van ongedekte door de overheid gegarandeerde bankbrieven geleidelijk zal afschaffen, zulks ten laatste drie jaar na het toestaan van de uitzondering. Sinds 3 juli 2012 toegestane uitzonderingen blijven tot hun herzieningsdatum van toepassing.
Artikel 6
Toelating van bepaalde in Britse pond, yen of US dollar luidende activa als beleenbaar onderpand
1. De in hoofdstuk 6.2.1 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 beschreven verhandelbare schuldbewijzen, indien luidend in Britse pond, yen of US dollar vormen beleenbaar onderpand voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem mits: a) deze in het eurogebied worden uitgegeven en aangehouden/afgewikkeld; b) de emittent is gevestigd in de Europese Economische Ruimte; en c) deze voldoen aan alle overige beleenbaarheidscriteria van hoofdstuk 6.2.1 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14.
2. Het Eurosysteem past op die verhandelbare schuldbewijzen de volgende waarderingsverlagingen toe: a) een verlaging van 16 % op in Britse pond of US dollar luidende activa; en b) een verlaging van 26 % op in yen luidende activa.
3. In lid 1 aangeduide verhandelbare schuldbewijzen met coupons die gekoppeld zijn aan één geldmarktrente in de denominatievaluta, of aan inflatie-indexen zonder discrete marge, zonder margeaanwas (range accrual), clickcoupons (ratchets) of gelijkaardige complexe structuren voor het betrokken land, zijn eveneens beleenbaar onderpand voor monetaire-beleidstransacties van het Eurosysteem.
4. Na goedkeuring door de Raad van bestuur kan de ECB op haar website www.ecb.europa.eu een lijst openbaar maken van overige benchmark vreemde-valuta rentes als aanvulling op de in lid 3 genoemde.
5. Op de in vreemde valuta luidende verhandelbare activa zijn slechts de artikelen 1, 3, 5, 6 en 8 van dit richtsnoer van toepassing.
Artikel 7
Opschorting van de vereisten voor kredietkwaliteitsdrempels voor bepaalde verhandelbare instrumenten
1. De minimumvereisten van het Eurosysteem voor kredietkwaliteitsdremplels, zoals vastgelegd in de regels inzake het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem voor verhandelbare activa, zulks in hoofdstuk 6.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, worden overeenkomstig lid 2 opgeschort.
2. De kredietkwaliteitsdrempel van het Eurosysteem is niet van toepassing op verhandelbare schuldbewijzen die zijn uitgegeven door dan wel volledig worden gegarandeerd door centrale regeringen van eurogebied lidstaten, zulks uit hoofde van een programma van de Europese Unie/Internationaal Monetair Fonds, tenzij de Raad van bestuur besluit dat de betrokken lidstaat niet voldoet aan de voorwaarde voor het programma inzake financiële steun en/of het macro-economische programma.
3. Op door de centrale regering van de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen zijn de in bijlage I bij dit richtsnoer vastgelegde surpluspercentages van toepassing.
Artikel 8
Vankrachtwording, implementatie en toepassing
1. Dit richtsnoer wordt op 22 maart 2013 van kracht.
2. De NCB’s nemen de nodige maatregelen om te voldoen aan artikel 5, artikel 6, lid 3 tot en met en artikel 7, en passen dit richtsnoer met ingang van 3 mei 2013 toe. Zij stellen de ECB ten laatste op 19 april 2013 in kennis van de met die maatregelen verband houdende teksten en middelen.
3. Artikel 5 is met ingang van 28 februari 2015 van toepassing.
Artikel 9
Wijzigingen van Richtsnoer ECB/2007/9
In deel 5 van bijlage III wordt de alinea na tabel 2 als volgt vervangen:
„ Berekening van de vaste aftrek voor controledoeleinden (R6):
Vaste aftrek: De aftrek geldt voor elke kredietinstelling. Iedere kredietinstelling trekt een maximum vaste aftrek af om de administratieve kosten voor het beheer van zeer geringe reservevereisten terug te dringen. Indien [reservebasis × reserveratio] minder is dan 100 000 EUR, is de vaste aftrek gelijk aan [reservebasis × reserveratio]. Indien [reservebasis × reserveratio] groter is dan of gelijk aan 100 000 EUR, is de vaste aftrek gelijk aan 100 000 EUR. instellingen die het is toegestaan als een groep op geconsolideerde basis statistische gegevens te rapporteren (zoals gedefinieerd in deel 2, sectie 1 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32)) houden minimumreserves aan via een van de instellingen in de groep die uitsluitend als bemiddelende instelling voor deze instellingen optreedt. Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (*1), heeft in het laatste geval uitsluitend de groep als geheel recht op de vaste aftrek.
De minimumreserves (of: „vereiste reserves”) worden als volgt berekend:
De reserveratio is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1745/(ECB/2003/9) van toepassing.
Artikel 10
Intrekking
1. Richtsnoer ECB/2012/18 wordt met ingang van 3 mei 2013 ingetrokken.
2. Verwijzingen naar Richtsnoer ECB/2012/18 worden geïnterpreteerd als verwijzingen naar dit richtsnoer en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage III.
Artikel 11
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot alle centrale banken van het Eurosysteem.
Gedaan te Frankfurt am Main, 20 maart 2013.
De president van de ECB
Mario DRAGHI
(1) PB L 218 van 15.8.2012, blz. 20.
(2) PB L 331 van 14.12.2011, blz. 1.
(3) PB L 341 van 22.12.2011, blz. 65.
(4) PB L 341 van 27.12.2007, blz. 1.
(5) PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10.
(6) Verordening (EU) nr. 1358/2011 van de Europese Centrale Bank van 14 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1745/2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (ECB/2011/26) (PB L 338 van 21.12.2011, blz. 51).
(7) PB L 91 van 29.3.2012, blz. 27.
(8) PB L 186 van 14.7.2012, blz. 38.
(9) PB L 284 van 17.10.2012, blz. 14.
(10) PB L 34 van 5.2.2013, blz. 18.
(11) PB L 14 van 18.1.2013, blz. 22.
(12) PB L 94 van 8.4.2011, blz. 33.
(13) PB L 182 van 12.7.2011, blz. 31.
(14) PB L 359 van 29.12.2012, blz. 74.
(15) Een „triple-B” rating is een rating van minstens „Baa3” van Moody’s, „BBB-” van Fitch of Standard & Poor’s of een rating van „BBB” van DBRS.
(16) Een „single-A” rating is een rating van minstens „A3” van Moody’s, „A-” van Fitch of Standard & Poor’s of een rating van „AL” van DBRS.
BIJLAGE I
Overzicht van surpluspercentages die van toepassing zijn op door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen
|
Griekse overheidsobligaties (GGB’s) |
Looptijdsegment |
Surpluspercentages voor vastrentende coupons en variabele instrumenten |
Surpluspercentages voor nulcoupon |
|
0-1 |
15,0 |
15,0 |
|
|
1-3 |
33,0 |
35,5 |
|
|
3-5 |
45,0 |
48,5 |
|
|
5-7 |
54,0 |
58,5 |
|
|
7-10 |
56,0 |
62,0 |
|
|
> 10 |
57,0 |
71,0 |
|
|
Door de overheid gegarandeerde bankbrieven GGBBs en niet-financiële bedrijfsobligaties |
Looptijdsegment |
Surpluspercentages voor vastrentende coupons en variabele instrumenten |
Surpluspercentages voor nulcoupon |
|
0-1 |
23,0 |
23,0 |
|
|
1-3 |
42,5 |
45,0 |
|
|
3-5 |
55,5 |
59,0 |
|
|
5-7 |
64,5 |
69,5 |
|
|
7-10 |
67,0 |
72,5 |
|
|
> 10 |
67,5 |
81,0 |
BIJLAGE II
INGETROKKEN RICHTSNOER EN OPEENVOLGENDE WIJZIGINGEN ERVAN
|
|
Richtsnoer ECB/2012/18 (PB L 218 van 15.8.2012, blz. 20). |
|
|
Richtsnoer ECB/2012/23 (PB L 284 van 17.10.2012, blz. 14). |
|
|
Richtsnoer ECB/2013/2 (PB L 34 van 5.2.2013, blz. 18). |
BIJLAGE III
CONCORDANTIETABEL
|
Richtsnoer ECB/2012/18 |
Dit richtsnoer |
|
Artikel 1 tot en met 5 |
Artikel 1 tot en met 5 |
|
Artikel 5a |
Artikel 6, leden 1 en 2 |
|
Artikel 6 |
Artikel 7 |
|
Artikel 7 |
Artikel 8 |
|
— |
Artikel 9 |
|
Artikel 8 |
Artikel 7 |
|
Artikel 9 |
Artikel 10 |
|
Besluit ECB/2011/4 |
Dit richtsnoer |
|
Artikelen 2 en 3 |
Artikel 7 |
|
Besluit ECB/2011/10 |
Dit richtsnoer |
|
Artikelen 2 en 3 |
Artikel 7 |
|
Besluit ECB/2012/32 |
Dit richtsnoer |
|
Artikelen 2 en 3 |
Artikel 7 |
|
Besluit ECB/2012/34 |
Dit richtsnoer |
|
Artikelen 1 en 2 |
Artikel 6, leden 3 en 4 |