|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2013.065.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
56e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/1 |
VERORDENING (EU) Nr. 195/2013 VAN DE COMMISSIE
van 7 maart 2013
tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie wat betreft innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (1), en met name artikel 4, lid 4, artikel 5, lid 3, en artikel 8,
Gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (kaderrichtlijn) (2), en met name artikel 39, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 171/2013 (3) heeft de Commissie Richtlijn 2007/46/EG en Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (4) wat betreft innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen gewijzigd. Bij die verordening zijn de modellen van de relevante documenten die in de typegoedkeuringsprocedure worden gebruikt, gewijzigd. Bijgevolg moeten de lidstaten voldoende tijd krijgen om de desbetreffende formulieren aan te passen. Omwille van de rechtszekerheid en duidelijkheid moet Verordening (EU) nr. 171/2013 worden vervangen. |
|
(2) |
Bij Verordening (EG) nr. 715/2007 zijn gemeenschappelijke technische voorschriften vastgesteld voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en vervangingsonderdelen wat emissies betreft, alsook regels inzake conformiteit tijdens het gebruik, duurzaamheid van systemen voor verontreinigingsbeheersing, boorddiagnosesystemen (OBD-systemen), meting van het brandstofverbruik en toegankelijkheid van reparatie- en onderhoudsinformatie. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 692/2008 stelt de bestuursrechtelijke bepalingen voor het controleren van de conformiteit van de voertuigen qua CO2-emissies vast, alsook de voorschriften voor het meten van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van dergelijke voertuigen. |
|
(4) |
Verordening (EG) nr. 443/2009 van het Europees Parlement en de Raad (5) stelt emissienormen voor nieuwe personenauto’s vast in het kader van de geïntegreerde benadering van de Unie om de CO2-emissies van lichte voertuigen te beperken, en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 van de Commissie (6) stelt een procedure vast voor de goedkeuring en certificering van innoverende technologieën ter beperking van de CO2-emissies van dergelijke nieuwe personenauto’s. |
|
(5) |
Teneinde overeenkomstig artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 443/2009 voor de berekening van de specifieke CO2-emissiedoelstelling van elke fabrikant rekening te kunnen houden met de CO2-besparingen die door toepassing van innoverende technologie worden gerealiseerd, en teneinde de specifieke besparingen voor individuele voertuigen op efficiënte wijze te kunnen controleren, moeten voertuigen die met eco-innovaties zijn uitgerust, als onderdeel van de typegoedkeuring van een voertuig worden gecertificeerd en moeten de totale besparingen in het conformiteitscertificaat worden opgenomen. |
|
(6) |
Daartoe moeten aan de goedkeuringsinstanties de juiste gegevens worden verstrekt om met eco-innovaties uitgeruste voertuigen te kunnen certificeren, en moeten de CO2-besparingen van de eco-innovaties in de representatieve informatie van een specifiek voertuigtype of een specifieke variant of uitvoering worden opgenomen. |
|
(7) |
Daarom moeten de modellen van de relevante documenten die in de typegoedkeuringsprocedure worden gebruikt, worden gewijzigd. |
|
(8) |
Bij Verordening (EG) nr. 715/2007 en Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (7), zijn nieuwe voorschriften ingevoerd inzake informatie over het testen op verontreinigende emissies. Daarom moet de nodige informatie worden opgenomen in het systeem dat bij Richtlijn 2007/46/EG is opgezet. |
|
(9) |
Richtlijn 2007/46/EG en Verordening (EG) nr. 692/2008 moeten derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Technisch Comité motorvoertuigen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De bijlagen I en IX bij Richtlijn 2007/46/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.
2. Bijlage VIII bij Richtlijn 2007/46/EG wordt vervangen door de tekst in bijlage II bij deze verordening.
Artikel 2
De bijlagen I en XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 worden gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.
Artikel 3
Verordening (EU) nr. 171/2013 wordt ingetrokken.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2013.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 maart 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.
(2) PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.
(3) PB L 55 van 27.2.2013, blz. 9.
(4) PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1.
(5) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.
BIJLAGE I
De bijlagen I en IX bij Richtlijn 2007/46/EG worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
Bijlage IX wordt als volgt gewijzigd:
|
BIJLAGE II
„BIJLAGE VIII
TESTRESULTATEN
(Dit blad moet door de typegoedkeuringsinstantie worden ingevuld en bij het EG-typegoedkeuringscertificaat van het voertuig worden gevoegd.)
Voor elk geval moet worden aangegeven op welke variant of uitvoering de informatie van toepassing is. Er mag niet meer dan één resultaat per uitvoering zijn. Een combinatie van verschillende resultaten per uitvoering waarbij het ongunstigste geval wordt aangegeven, is echter toegestaan. In het laatste geval komt in een opmerking te staan dat voor punten met een sterretje (*) alleen resultaten voor het ongunstigste geval vermeld worden.
1. Resultaten van de geluidsniveautests
Nummer van de basisregelgeving en de recentste wijzigingsregelgeving die op de goedkeuring van toepassing zijn. Indien een regelgeving twee of meer uitvoeringsfasen heeft, ook de desbetreffende fase vermelden:
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
Rijdend (dB(A)/E): |
… |
… |
… |
|
Stationair draaiend (dB(A)/E): |
… |
… |
… |
|
bij (min– 1): |
… |
… |
… |
2. Resultaten van de uitlaatemissietests
2.1. Emissies van motorvoertuigen getest volgens de procedure voor lichte voertuigen
Nummer van de recentste wijzigingsregelgeving die op de goedkeuring van toepassing is. Indien de regelgeving twee of meer uitvoeringsfasen heeft, ook de desbetreffende fase vermelden:
Brandstof(fen) (1) … (diesel, benzine, lpg, aardgas, bifuel: benzine/aardgas, benzine/lpg, flexfuel: benzine/ethanol, aardgas/H2NG …)
2.1.1. Type 1-test (2) (3) (voertuigemissies in de testcyclus na een koude start)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO (mg/km) |
… |
… |
… |
|
THC (mg/km) |
… |
… |
… |
|
NMHC (mg/km) |
… |
… |
… |
|
NOx (mg/km) |
… |
… |
… |
|
THC + NOx (mg/km) |
… |
… |
… |
|
Deeltjesmassa (PM) (mg/km) |
… |
… |
… |
|
Deeltjesaantal (P) (#/km) (1) |
… |
… |
… |
2.1.2. Type 2-test (2) (3) (emissiegegevens die bij de typegoedkeuring vereist zijn in verband met de keuring van voertuigen)
Type 2-test bij laag stationair toerental:
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO (vol. %) |
… |
… |
… |
|
Motortoerental (min– 1) |
… |
… |
… |
|
Motorolietemperatuur (°C) |
… |
… |
… |
Type 2-test bij hoog stationair toerental:
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO (vol. %) |
… |
… |
… |
|
Lambdawaarde |
… |
… |
… |
|
Motortoerental (min– 1) |
… |
… |
… |
|
Motorolietemperatuur (°C) |
… |
… |
… |
2.1.3. Type 3-test (cartergasemissies): …
2.1.4. Type 4-test (verdampingsemissies): … g/test
2.1.5. Type 5-test (duurzaamheid van systemen voor verontreinigingsbeheersing):
|
— |
afgelegde verouderingsafstand in km (bv. 160 000 km): … |
|
— |
verslechteringsfactor (DF): berekend/vast (1) |
|
— |
waarden:
|
2.1.6. Type 6-test (gemiddelde emissies bij lage omgevingstemperaturen):
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO (g/km) |
… |
… |
… |
|
THC (g/km) |
… |
… |
… |
2.1.7. OBD: ja/neen (1)
2.2. Emissies van motoren getest volgens de procedure voor zware vrachtwagens
Nummer van de recentste wijzigingsregelgeving die op de goedkeuring van toepassing is. Indien de regelgeving twee of meer uitvoeringsfasen heeft, ook de desbetreffende fase vermelden: …
Brandstof(fen) (1) … (diesel, benzine, lpg, aardgas, ethanol, …)
2.2.1. Resultaten van de ESC-test (2) (4) (5)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO (mg/kWh) |
… |
… |
… |
|
THC (mg/kWh) |
… |
… |
… |
|
NOx (mg/kWh) |
… |
… |
… |
|
NH3 (ppm) (1) |
… |
… |
… |
|
Deeltjesmassa (mg/kWh) |
… |
… |
… |
|
Deeltjesaantal (#/kWh) (1) |
… |
… |
… |
2.2.2. Resultaat van de ELR-test (2)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
Rookwaarde (m– 1) |
… |
… |
… |
2.2.3. Resultaat van de ETC-test (4) (5)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO (mg/kWh) |
… |
… |
… |
|
THC (mg/kWh) |
… |
… |
… |
|
NMHC (mg/kWh) (1) |
… |
… |
… |
|
CH4 (mg/kWh) (1) |
… |
… |
… |
|
NOx (mg/kWh) |
… |
… |
… |
|
NH3 (ppm) (1) |
… |
… |
… |
|
Deeltjesmassa (mg/kWh) |
… |
… |
… |
|
Deeltjesaantal (#/kWh) (1) |
… |
… |
… |
2.2.4. Test bij stationair toerental (2)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO (vol. %) |
… |
… |
… |
|
Lambdawaarde (1) |
… |
… |
… |
|
Motortoerental (min– 1) |
… |
… |
… |
|
Motorolietemperatuur (°C) |
… |
… |
… |
2.3. Dieselroet
Nummer van de recentste wijzigingsregelgeving die op de goedkeuring van toepassing is. Indien de regelgeving twee of meer uitvoeringsfasen heeft, ook de desbetreffende fase vermelden:
2.3.1. Resultaten van de vrije acceleratietest
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
Gecorrigeerde absorptiecoëfficiënt (m– 1) |
… |
… |
… |
|
Normaal stationair motortoerental |
… |
… |
… |
|
Maximaal motortoerental |
… |
… |
… |
|
Olietemperatuur (min./max.) |
… |
… |
… |
3. Resultaten van de tests inzake CO2-emissie, brandstof-/elektriciteitsverbruik en elektrische actieradius
Nummer van de basisregelgeving en de recentste wijzigingsregelgeving die op de goedkeuring van toepassing zijn:
3.1. Voertuigen met verbrandingsmotor, met inbegrip van niet-extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen (novc) (2) (6)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO2-massa-emissie (stadscyclus) (g/km) |
… |
… |
… |
|
CO2-massa-emissie (buiten de stad) (g/km) |
… |
… |
… |
|
CO2-massa-emissie (gecombineerd) (g/km) |
… |
… |
… |
|
Brandstofverbruik (stadscyclus) (l/100 km) (7) |
… |
… |
… |
|
Brandstofverbruik (buiten de stad) (l/100 km) (7) |
… |
… |
… |
|
Brandstofverbruik (gecombineerd) (l/100 km) (7) |
… |
… |
… |
3.2. Extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen (ovc) (2)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
CO2-massa-emissie (toestand A, gecombineerd) (g/km) |
… |
… |
… |
|
CO2-massa-emissie (toestand B, gecombineerd) (g/km) |
… |
… |
… |
|
CO2-massa-emissie (gewogen, gecombineerd) (g/km) |
… |
… |
… |
|
Brandstofverbruik (toestand A, gecombineerd) (l/100 km) (g) |
… |
… |
… |
|
Brandstofverbruik (toestand B, gecombineerd) (l/100 km) (g) |
… |
… |
… |
|
Brandstofverbruik (gewogen, gecombineerd) (l/100 km) (g) |
… |
… |
… |
|
Elektriciteitsverbruik (toestand A, gecombineerd) (Wh/km) |
… |
… |
… |
|
Elektriciteitsverbruik (toestand B, gecombineerd) (Wh/km) |
… |
… |
… |
|
Elektriciteitsverbruik (gewogen en gecombineerd) (Wh/km) |
… |
… |
… |
|
Puur elektrische actieradius (km) |
… |
… |
… |
3.3. Puur elektrische voertuigen (2)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
Elektriciteitsverbruik (Wh/km) |
… |
… |
… |
|
Actieradius (km) |
… |
… |
… |
3.4. Waterstofcelvoertuigen (2)
|
Variant/uitvoering: |
… |
… |
… |
|
Brandstofverbruik (kg/100 km) |
… |
… |
… |
4. Resultaten van de tests voor voertuigen uitgerust met een of meer eco-innovaties (1) (2) (3)
|
Variant/uitvoering … |
|||||||||||||||||
|
Besluit tot goedkeuring van de eco-innovatie (4) |
Code van de eco-innovatie (5) |
|
|
|
|
|
CO2-emissiebesparing
|
||||||||||
|
xxxx/201x |
… |
… |
… |
… |
… |
… |
… |
||||||||||
|
… |
… |
… |
… |
… |
… |
… |
… |
||||||||||
|
… |
… |
… |
… |
… |
… |
… |
… |
||||||||||
|
Totale CO2-emissiebesparing (g/km) (7) |
… |
||||||||||||||||
4.1. Algemene code van de eco-innovatie(s) (8)
Toelichting
|
(h) |
Ecs. |
(1) Indien er voor de brandstof beperkingen gelden, aangeven welke (bv. voor aardgas de L-groep of de H-groep).
(2) In het geval van bifuelvoertuigen moet de tabel worden herhaald voor de tweede brandstof.
(3) In het geval van flexfuelvoertuigen, wanneer de test volgens figuur I.2.4 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 692/2008 op beide brandstoffen moet worden uitgevoerd, alsook in het geval van voertuigen op lpg of aardgas/biomethaan, hetzij als bifuel, hetzij als monofuel, moet de tabel worden herhaald voor de verschillende referentiegassen die in de test worden gebruikt en moeten in een extra tabel de ongunstigste resultaten worden vermeld. Indien van toepassing moet overeenkomstig de punten 1.1.2.4 en 1.1.2.5 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 692/2008 worden aangegeven of de resultaten zijn gemeten of berekend.
(1) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(2) Indien van toepassing.
(4) Voor Euro VI moet ESC worden gelezen als WHSC en ETC als WHTC.
(5) Indien voor Euro VI motoren op cng of lpg met verschillende referentiebrandstoffen worden getest, moet voor elke geteste referentiebrandstof een nieuwe tabel worden opgesteld.
(6) Tabel herhalen voor elke geteste referentiebrandstof.
(7) De eenheid „l/100 km” wordt vervangen door „m3/100 km” voor voertuigen op aardgas en H2NG en door „kg/100 km” voor voertuigen op waterstof.
|
(h1) |
Tabel voor elke variant/uitvoering herhalen. |
|
(h2) |
Tabel voor elke geteste referentiebrandstof herhalen. |
|
(h3) |
Voeg indien nodig extra rijen toe (één rij per eco-innovatie). |
|
(h4) |
Nummer van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie. |
|
(h5) |
Toegekend in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie. |
|
(h6) |
Indien in plaats van de type 1-testcyclus een modelleringsmethode wordt toegepast, moet hier de waarde worden vermeld die met de modelleringsmethode wordt verkregen. |
|
(h7) |
Som van de CO2-emissiebesparingen van alle afzonderlijke eco-innovaties. |
|
(h8) |
De algemene code van de eco-innovatie(s) moet bestaan uit de volgende elementen, telkens gescheiden door een spatie:
|
BIJLAGE III
De bijlagen I en XII bij Verordening (EG) nr. 692/2008 worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
In bijlage XII worden de volgende punten 4, 4.1, 4.2, 4.3 en 4.4 toegevoegd: „4. TYPEGOEDKEURING VAN VOERTUIGEN UITGERUST MET ECO-INNOVATIES 4.1. Een fabrikant die de CO2-emissiebesparingen die uit een of meer in een voertuig ingebouwde eco-innovaties voortvloeien, wenst te gebruiken om in aanmerking te komen voor een verlaging van zijn gemiddelde specifieke CO2-emissies, dient overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 bij een goedkeuringsinstantie een aanvraag voor een EG-typegoedkeuringscertificaat in voor het voertuig dat met de eco-innovatie is uitgerust. 4.2. De CO2-emissiebesparingen van het met een eco-innovatie uitgeruste voertuig worden met het oog op de typegoedkeuring bepaald aan de hand van de procedure en testmethode die overeenkomstig artikel 10 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011 worden vermeld in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie. 4.3. De uitvoering van de nodige tests voor het bepalen van de uit de eco-innovaties voortvloeiende CO2-emissiebesparingen laat onverlet dat moet worden aangetoond dat de eco-innovaties voldoen aan de technische voorschriften van Richtlijn 2007/46/EG, indien van toepassing. 4.4. De typegoedkeuring wordt niet verleend indien voor het eco-innovatievoertuig geen emissiebeperking van ten minste 1 g CO2/km kan worden aangetoond in vergelijking met het basisvoertuig zoals omschreven in artikel 5 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 725/2011.”. |
(*1) PB L 140 van 5.6.2009, blz. 1.
(*2) PB L 194 van 26.7.2011, blz. 19.”;
(*3) Doorhalen wat niet van toepassing is.
(*4) Indien van toepassing.
(*5) Tabel herhalen voor elke geteste referentiebrandstof.
(*6) Voeg indien nodig extra rijen toe (één rij per eco-innovatie).”;
(*7) Voeg indien nodig extra rijen toe (één rij per eco-innovatie).
(*8) Tabel herhalen voor elke geteste referentiebrandstof.
(*9) De algemene code van de eco-innovatie(s) moet bestaan uit de volgende elementen, telkens gescheiden door een spatie:”
|
— |
de code van de goedkeuringsinstantie zoals omschreven in bijlage VII bij Richtlijn 2007/46/EG; |
|
— |
de individuele code van elke eco-innovatie waarmee het voertuig is uitgerust, in chronologische volgorde van de goedkeuringsbesluiten van de Commissie. (Bv. de algemene code van drie eco-innovaties die chronologisch als 10, 15 en 16 zijn goedgekeurd en zijn ingebouwd in een voertuig dat door de Duitse typegoedkeuringsinstantie is gecertificeerd, luidt als volgt: „e1 10 15 16”.)”. |
(1) Nummer van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie.
(2) Toegekend in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie.
(3) Indien met instemming van de typegoedkeuringsinstantie in plaats van de type 1-testcyclus modellering wordt toegepast, moet hier de waarde worden vermeld die met de modelleringsmethode wordt verkregen.
(4) Som van de emissiebesparingen van alle afzonderlijke eco-innovaties.
(5) Nummer van het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie.
(6) Toegekend in het besluit van de Commissie tot goedkeuring van de eco-innovatie.
(7) Indien in plaats van de type 1-testcyclus modellering wordt toegepast, moet hier de waarde worden vermeld die met de modelleringsmethode wordt verkregen.
(8) Som van de emissiebesparingen van alle afzonderlijke eco-innovaties.
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/13 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 196/2013 VAN DE COMMISSIE
van 7 maart 2013
tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 wat betreft de vermelding voor Japan in de lijst van derde landen of delen daarvan waaruit de invoer van bepaalde soorten vers vlees in de Europese Unie is toegestaan
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 8, aanhef, artikel 8, punt 1, eerste alinea, en artikel 8, punt 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie van 12 maart 2010 tot vaststelling van lijsten van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit bepaalde dieren en vers vlees in de Europese Unie mogen worden binnengebracht, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (2) stelt de gezondheidsvoorschriften vast voor de invoer van levende dieren en van vers vlees van deze dieren. Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 206/2010 mag voor menselijke consumptie bestemd vers vlees alleen worden ingevoerd indien het afkomstig is van het grondgebied van een derde land of deel daarvan dat is vermeld in de tabel in bijlage II, deel 1, van die verordening, en aan de relevante voorwaarden voldoet. |
|
(2) |
Japan heeft verzocht om vermelding in de tabel voor de invoer van vers rundvlees in de Unie en uit de audit van de Commissie betreffende rundvlees in Japan in 2008 is gebleken dat aan de vereisten werd voldaan. De vermelding werd echter uitgesteld toen in Japan in 2010 mond-en-klauwzeer uitbrak. |
|
(3) |
Sindsdien heeft Japan het mond-en-klauwzeer op zijn grondgebied uitgeroeid en werd het door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) erkend als „vrij zonder vaccinatie” voor deze ziekte. |
|
(4) |
Japan verschaft aldus voldoende veterinairrechtelijke garanties en heeft opnieuw gevraagd te worden vermeld in de tabel van derde landen van waaruit vers vlees in de EU mag worden ingevoerd. |
|
(5) |
Daarom dient Japan toestemming te krijgen om vers rundvlees binnen te brengen in de Unie. |
|
(6) |
Bijlage II, deel 1, van Verordening (EU) nr. 206/2010 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In deel 1 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 wordt de volgende vermelding voor Japan ingevoegd na de vermelding voor IJsland:
|
ISO-code en naam van het derde land |
Gebiedscode |
Omschrijving van het derde land, gebied of deel daarvan |
Veterinair certificaat |
Specifieke voorwaarden |
Uiterste datum (*1) |
Aanvangsdatum (*2) |
|
|
Model |
SG |
||||||
|
1 |
2 |
3 |
4 |
5 |
6 |
7 |
8 |
|
„JP - Japan |
JP |
Het hele land |
BOV |
|
|
|
28 maart 2013” |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 maart 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.
(2) PB L 73 van 20.3.2010, blz. 1.
(*1) Vlees van dieren die op of voor de in kolom 7 vermelde datum zijn geslacht, mag gedurende 90 dagen na die datum in de Unie worden ingevoerd. Zendingen die zich op vaartuigen op volle zee bevinden, mogen in de Unie worden ingevoerd indien zij voor de in kolom 7 vermelde datum zijn gecertificeerd, en wel gedurende 40 dagen na die datum (geen datum in kolom 7 betekent dat er geen tijdsbeperkingen gelden).
(*2) Alleen vlees van dieren die op of na de in kolom 8 vermelde datum zijn geslacht, mag in de Unie worden ingevoerd (geen datum in kolom 8 betekent dat er geen tijdsbeperkingen gelden).
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/15 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 197/2013 VAN DE COMMISSIE
van 7 maart 2013
houdende wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 80/2012 tot vaststelling van de lijst van biologische of chemische stoffen als bedoeld in artikel 53, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1186/2009 van de Raad van 16 november 2009 betreffende de instelling van een communautaire regeling inzake douanevrijstellingen (1), en met name artikel 53, lid 1, onder b),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Uitvoeringsverordening (EU) nr. 80/2012 van de Commissie (2) is de lijst van biologische of chemische stoffen als bedoeld in artikel 53, lid 1, onder b), van Verordening (EG) nr. 1186/2009 vastgesteld. |
|
(2) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 80/2012 dient te worden gewijzigd om in de lijst twee stoffen op te nemen waarvoor in het douanegebied van de Unie momenteel geen gelijkwaardige productie bestaat. |
|
(3) |
Voorts is het niet langer nodig een stof op de lijst te handhaven die momenteel is opgenomen in bijlage 3 — die een lijst bevat van farmaceutische stoffen waarop geen rechten van toepassing zijn — van het derde deel van bijlage I bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (3). |
|
(4) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 80/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 80/2012 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 maart 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 324 van 10.12.2009, blz. 23.
BIJLAGE
Bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 80/2012 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De volgende rij wordt ingevoegd na de rij met GN-code ex 2845 90 90 voor (Zuurstof-18) water:
|
|
2) |
De volgende rij wordt ingevoegd na de rij met GN-code ex 2926 90 95 voor 2-Naftonitril:
|
|
3) |
De volgende rij wordt geschrapt:
|
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/17 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 198/2013 VAN DE COMMISSIE
van 7 maart 2013
inzake de keuze van een symbool ter markering van geneesmiddelen voor menselijk gebruik die onderworpen zijn aan aanvullende monitoring
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 31 maart 2004 tot vaststelling van communautaire procedures voor het verlenen van vergunningen en het toezicht op geneesmiddelen voor menselijk en diergeneeskundig gebruik en tot oprichting van een Europees Geneesmiddelenbureau (1), en met name artikel 23, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Voor sommige geneesmiddelen voor menselijk gebruik wordt gezien hun veiligheidsprofiel alleen een vergunning verleend als aanvullende monitoring plaatsvindt. Krachtens artikel 23 van Verordening (EG) nr. 726/2004 geldt dit onder andere voor geneesmiddelen die een nieuwe werkzame stof bevatten, biologische geneesmiddelen en producten waarvoor na de verlening van de vergunning gegevens moeten worden verstrekt. |
|
(2) |
Patiënten en personeel in de gezondheidszorg moeten geneesmiddelen die zijn onderworpen aan aanvullende monitoring, gemakkelijk kunnen herkennen, zodat zij de bevoegde autoriteiten en de vergunningverlenende instantie gemakkelijk kunnen informeren over het gebruik van het geneesmiddel, en met name over verdachte bijwerkingen. |
|
(3) |
Omwille van de transparantie worden alle geneesmiddelen waarvoor aanvullende monitoring wordt uitgevoerd, vermeld in een lijst die wordt opgesteld en bijgehouden door het Europees Geneesmiddelenbureau, overeenkomstig artikel 23, lid 1, van Verordening (EG) nr. 726/2004. Daarnaast worden zij gemarkeerd met een zwart symbool. |
|
(4) |
Op 3 oktober 2012 heeft het Risicobeoordelingscomité voor geneesmiddelenbewaking de aanbeveling gedaan om als symbool een omgekeerde gelijkzijdige zwarte driehoek te gebruiken. Bij deze aanbeveling is rekening gehouden met de mening van patiënten en personeel in de gezondheidszorg, zoals naar voren gebracht door de werkgroep patiënten en consumenten en de werkgroep van beroepsbeoefenaars in de gezondheidszorg, die zijn ingesteld door het Europees Geneesmiddelenbureau. |
|
(5) |
Houders van een vergunning die vóór 1 september 2013 is afgegeven, moeten voldoende tijd krijgen om de productinformatie van de betrokken producten aan te passen. |
|
(6) |
Daarnaast moeten de bevoegde autoriteiten de mogelijkheid hebben om een langere periode toe te staan voor die aanpassing, wanneer dat noodzakelijk is vanwege uitzonderlijke omstandigheden. |
|
(7) |
De invoering van het symbool zou geen problemen moeten opleveren voor de markt of de leveringsketen. Om verstoringen te voorkomen, zouden vergunninghouders niet verplicht moeten zijn om reeds op de markt gebrachte producten terug te roepen of opnieuw te verpakken, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Als het in artikel 23, lid 4, van Verordening (EG) nr. 726/2004 bedoelde zwarte symbool wordt een omgekeerde gelijkzijdige driehoek gebruikt. De weergave en afmetingen van het symbool worden beschreven in de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
1. Houders van een vergunning die vóór 1 september 2013 is afgegeven, voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik waarvoor aanvullende monitoring wordt uitgevoerd, nemen het zwarte symbool vóór 31 december 2013 op in de samenvatting van de productkenmerken en in de bijsluiter.
2. In afwijking van lid 1 kunnen houders van een vergunning die vóór 1 september 2013 is afgegeven, voor geneesmiddelen voor menselijk gebruik waarvoor aanvullende monitoring wordt uitgevoerd, bij de bevoegde autoriteiten een verzoek indienen tot een langere aanpassingsperiode, als zij kunnen aantonen dat bij het naleven van de in lid 1 genoemde uiterste termijn voor de aanpassing de passende en continue levering van het geneesmiddel in het gedrang zou komen.
Artikel 3
Voorraden van de bedoelde geneesmiddelen die vóór 1 januari 2014 zijn geproduceerd, verpakt en geëtiketteerd en waarvan de bijsluiter niet het zwarte symbool bevat, mogen op de markt worden gebracht en worden gedistribueerd, verkocht, toegediend en gebruikt totdat de voorraden zijn uitgeput.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 maart 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
|
1. |
Het in artikel 23, lid 4, van Verordening (EG) nr. 726/2004 bedoelde zwarte symbool ziet er als volgt uit:
|
|
2. |
Het zwarte symbool is evenredig met de grootte van het lettertype van de verdere tekst. De zijden moeten minimaal 5 mm lang zijn. |
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/19 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 199/2013 VAN DE COMMISSIE
van 7 maart 2013
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 7 maart 2013.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
IL |
82,8 |
|
MA |
59,1 |
|
|
TN |
68,1 |
|
|
TR |
103,8 |
|
|
ZZ |
78,5 |
|
|
0707 00 05 |
EG |
191,6 |
|
MA |
170,1 |
|
|
TR |
151,3 |
|
|
ZZ |
171,0 |
|
|
0709 91 00 |
EG |
82,2 |
|
ZZ |
82,2 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
47,9 |
|
TR |
122,6 |
|
|
ZZ |
85,3 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
49,9 |
|
IL |
71,4 |
|
|
MA |
50,1 |
|
|
TN |
63,1 |
|
|
TR |
62,2 |
|
|
ZZ |
59,3 |
|
|
0805 50 10 |
TR |
86,7 |
|
ZZ |
86,7 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
116,3 |
|
BR |
91,4 |
|
|
CL |
115,2 |
|
|
CN |
77,3 |
|
|
MK |
28,7 |
|
|
US |
168,2 |
|
|
ZZ |
99,5 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
112,8 |
|
CL |
115,4 |
|
|
TR |
171,6 |
|
|
US |
191,0 |
|
|
ZA |
101,2 |
|
|
ZZ |
138,4 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/21 |
BESLUIT VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN
van 6 maart 2013
houdende benoeming van rechters bij het Gerecht
(2013/119/EU)
DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 19,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 254 en 255,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het mandaat van dertien rechters bij het Gerecht verstrijkt op 31 augustus 2013. De rechters dienen te worden herbenoemd voor de periode van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2019. |
|
(2) |
Mevrouw Mariyana KANCHEVA en mevrouw Ingrīda LABUCKA en de heren Alfred DITTRICH en Nicholas James FORWOOD zijn voorgedragen met het oog op de verlenging van hun mandaat. |
|
(3) |
Het comité dat is ingesteld bij artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft advies uitgebracht over de geschiktheid van mevrouw Mariyana KANCHEVA en mevrouw Ingrīda LABUCKA en de heren Alfred DITTRICH en Nicholas James FORWOOD voor de uitoefening van het ambt van rechter bij het Gerecht, |
HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Voor de periode van 1 september 2013 tot en met 31 augustus 2019 worden benoemd tot rechter bij het Gerecht:
|
— |
de heer Alfred DITTRICH, |
|
— |
de heer Nicholas James FORWOOD, |
|
— |
mevrouw Mariyana KANCHEVA, |
|
— |
mevrouw Ingrīda LABUCKA. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 6 maart 2013.
De voorzitter
R. MONTGOMERY
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/22 |
BESLUIT VAN DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN
van 6 maart 2013
houdende benoeming van een rechter bij het Gerecht
(2013/120/EU)
DE VERTEGENWOORDIGERS VAN DE REGERINGEN DER LIDSTATEN VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 19,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 254 en 255,
Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens de artikelen 5 en 7 van het Protocol betreffende het statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie en naar aanleiding van het ontslag van de heer Nils WAHL, dient voor de verdere duur van het mandaat van de heer Nils WAHL, dat wil zeggen tot en met 31 augustus 2013, bij het Gerecht een rechter te worden benoemd. |
|
(2) |
Voor deze vacature is de heer Carl WETTER voorgedragen. |
|
(3) |
Het comité dat is ingesteld bij artikel 255 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, heeft advies uitgebracht over de geschiktheid van de heer Carl WETTER voor de uitoefening van het ambt van rechter bij het Gerecht, |
HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De heer Carl WETTER wordt benoemd tot rechter bij het Gerecht voor de periode vanaf de inwerkingtreding van dit besluit tot en met 31 augustus 2013.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 6 maart 2013.
De voorzitter
R. MONTGOMERY
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/23 |
BESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 7 maart 2013
inzake de veiligheidseisen waaraan Europese normen voor bepaalde kinderzitjes krachtens Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad inzake algemene productveiligheid moeten voldoen
(Voor de EER relevante tekst)
(2013/121/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2001/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 december 2001 inzake algemene productveiligheid (1), en met name artikel 4, lid 1, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Voor producten die voldoen aan nationale normen tot omzetting van Europese normen krachtens Richtlijn 2001/95/EG waarvan de referenties in het Publicatieblad van de Europese Unie zijn bekendgemaakt, geldt het vermoeden van veiligheid. |
|
(2) |
De Europese normen moeten worden opgesteld op basis van eisen die waarborgen dat producten die met die normen in overeenstemming zijn, voldoen aan het algemene veiligheidsvereiste van artikel 3 van Richtlijn 2001/95/EG. |
|
(3) |
De Europese normen EN 14988-1:2006 (Deel 1: Veiligheidseisen) en EN 14988-2:2006 (Deel 2: Beproevingsmethoden) voor hoge kinderstoelen moeten worden herzien. Er zijn vooral in verband met val- en verstrikkingsgevaar strengere veiligheidseisen nodig. |
|
(4) |
De referenties van de Europese norm EN 1272:1998 (Veiligheidseisen en beproevingsmethoden) voor aan een tafel te bevestigen kinderstoelen zijn niet in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt. Hierdoor vestigen nationale normen tot omzetting van die Europese norm geen vermoeden van veiligheid. |
|
(5) |
Er bestaan geen Europese normen voor kinderstoelen en op een stoel te bevestigen zitjes. |
|
(6) |
Daarom moeten de voorschriften worden vastgesteld waaraan dergelijke kinderzitjes moeten voldoen om in overeenstemming te zijn met het algemene veiligheidsvereiste van artikel 3 van Richtlijn 2001/95/EG. |
|
(7) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité inzake algemene productveiligheid, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de toepassing van dit besluit wordt verstaan onder:
a) „op een stoel te bevestigen zitje”: een product dat bedoeld is om op een stoel voor volwassenen te worden bevestigd teneinde de zitpositie van een kind tot een leeftijd van 36 maanden dat zelfstandig kan zitten, te verhogen;
b) „kinderstoel”: een stoel die bedoeld is om één kind op te laten zitten, waarvan de grootte aan de leeftijd van het kind is aangepast en die bedoeld is om op de grond te worden geplaatst;
c) „hoge kinderstoel”: een vrijstaande stoel waarmee een kind van tussen de 6 en de 36 maanden ongeveer ter hoogte van het blad van een eettafel komt te zitten en die bedoeld is om een kind dat zelfstandig kan zitten, te voeren nadat het naar behoren in de zitpositie is vastgezet;
d) „aan een tafel te bevestigen kinderstoel”: een kinderstoel die gewoonlijk wordt gebruikt voor kinderen die zelfstandig kunnen zitten en die bedoeld is om aan een tafel of een ander horizontaal vlak te worden bevestigd.
Artikel 2
Veiligheidseisen
De specifieke veiligheidseisen voor de in artikel 1 bedoelde producten waaraan de in artikel 4, lid 1, van Richtlijn 2001/95/EG bedoelde Europese normen moeten voldoen, worden vastgesteld in de bijlage bij dit besluit.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 7 maart 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
ALGEMENE VEILIGHEIDSEISEN
Bij gebruik overeenkomstig de bestemming ervan of bij gebruik op een wijze die gezien het gedrag van kinderen te verwachten is, mogen producten de veiligheid of gezondheid van kinderen en hun verzorgers niet in gevaar brengen.
Indien een type stoel kan worden omgebouwd tot een ander type stoel (bijvoorbeeld een hoge kinderstoel tot een kinderstoel), moet aan de veiligheidseisen voor beide stoeltypen worden voldaan.
Op het etiket of de verpakking van het product, alsmede in de bijgevoegde gebruiksaanwijzing, moet de gebruiker worden gewezen op de inherente gevaren en risico’s van verwonding als gevolg van het gebruik van het product en op de wijze waarop deze kunnen worden voorkomen. De producten moeten echter zodanig worden ontworpen dat zij zo veilig mogelijk zijn en etiketten en waarschuwingen mogen geen vervanging voor de veiligheid van het ontwerp zijn.
Chemische eisen
Alle in artikel 1 genoemde producten moeten aan de EU-wetgeving voldoen.
Ontvlambaarheid
De in artikel 1 genoemde producten mogen geen gevaarlijke, onmiddellijk ontvlambare elementen vormen in de omgeving van het kind. Dat betekent dat deze producten gemaakt moeten worden van materialen die geen flitsverbranding veroorzaken als zij rechtstreeks aan een vlam of vonk worden blootgesteld. Om die reden moet rekening worden gehouden met de meest actuele versie van EN 71-2.
Het gebruik van chemische vlamvertragende stoffen moet tot een minimum worden beperkt. Indien er toch chemische vlamvertragende stoffen gebruikt worden, moet de toxiciteit daarvan bij gebruik en verwijdering onschadelijk zijn voor de gezondheid van gebruikers en verzorgers en voor het milieu.
Verpakking
Zakken van flexibel plastic die als verpakkingsmateriaal worden gebruikt en die een opening hebben die groter is dan de omtrek van een kinderhoofd, mogen geen verstikkingsgevaar voor het kind met zich brengen. Het is verboden voor de sluiting van dergelijke verpakkingen of zelfklevende verpakkingen (bv. verpakkingen van krimpfolie) treksluitingen of koorden te gebruiken.
De verpakking van de producten mag geen verstikkingsrisico met zich brengen door afdekking van mond of neus. Daarom moeten plastic verpakkingen worden geperforeerd, tenzij dit in strijd is met het vereiste dat het product droog moet blijven.
Op de zakken moet duidelijk zichtbaar de volgende waarschuwing, of een waarschuwing van gelijke strekking, worden aangebracht: „WAARSCHUWING! Houd de verpakking uit de buurt van kinderen. Gevaar voor verstikking.” Ook moet er een groot, duidelijk symbool of diagram op worden aangebracht als waarschuwing voor mogelijk gevaar.
Identificatie van de fabrikant en de importeur
Fabrikanten (1) moeten hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerde handelsmerk en hun contactadres op het product vermelden, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het product gevoegd document. Het contactadres omvat één enkel contactpunt met de fabrikant (2).
Importeurs (3) moeten hun naam, geregistreerde handelsnaam of geregistreerd handelsmerk en hun contactadres op het product vermelden, of wanneer dit niet mogelijk is, op de verpakking of in een bij het product gevoegd document (4).
SPECIFIEKE VEILIGHEIDSEISEN
1. OP EEN STOEL TE BEVESTIGEN ZITJES
1.1. Toepassingsgebied
Deze veiligheidseisen zijn van toepassing op zitjes die bedoeld zijn om te worden vastgezet op een stoel en die bestemd zijn voor kinderen tot een leeftijd van 36 maanden en een gewicht van maximaal 15 kg. De eisen zijn niet van toepassing op kussens, opvullingen of andere producten om het kind op de stoel te laten blijven zitten zonder diens zitpositie te verhogen.
1.2. Veiligheidseisen
Beknellingsgevaar als gevolg van gaten en openingen
Op een stoel te bevestigen zitjes moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat geen enkel deel van het kinderlichaam bekneld kan raken.
Gevaren in verband met de verstelling van de hoogte van op een stoel te bevestigen zitjes
Op een stoel te bevestigen zitjes waarvan de hoogte van het zitvlak kan worden versteld, moeten worden voorzien van een of meer vergrendelingsmechanismen om het zitje te zekeren in de posities voor normaal gebruik. Elke onbedoelde ontgrendeling van de mechanismen moet worden voorkomen.
Gevaren in verband met bewegende delen
Als het op een stoel te bevestigen zitje eenmaal gereed is gemaakt voor normaal gebruik, mogen er noch door verplaatsing van het zitje of enig deel ervan, noch doordat het kind in het zitje zijn lichaamsgewicht verplaatst, noch door de uitoefening van een externe kracht (door een ander kind, onbedoeld door de verzorger of door een aangedreven mechanisme), samendruk- of schuifpunten bereikbaar worden.
Opvouwbare op een stoel te bevestigen zitjes moeten worden voorzien van een vouwmechanisme dat niet door een kind kan worden bediend en niet per ongeluk door de verzorger kan worden geactiveerd. Het moet onmogelijk zijn om een op een stoel te bevestigen zitje te installeren voor normaal gebruik zonder het vergrendelingsmechanisme te activeren.
Valgevaar
Als het op een stoel te bevestigen zitje eenmaal gereed is gemaakt voor normaal gebruik, moet het ervoor zorgen dat het erin geplaatste kind er ook daadwerkelijk in blijft zitten en dat het zitje niet kantelt wanneer het kind zich naar welke richting dan ook buigt. Om verwonding als gevolg van het opstaan en uit het zitje vallen of glijden te voorkomen, moet het zitje zodanig zijn ontworpen dat het bevestigingssysteem voorkomt dat het kind kan opstaan en uit het zitje kan vallen of glijden.
Het op een stoel te bevestigen zitje moet worden voorzien van een bevestigingssysteem dat aan de grootte van het kind kan worden aangepast en op zijn minst uit een heup- en kruisriem bestaat. Het moet onmogelijk zijn het bevestigingssysteem te gebruiken zonder gebruik te maken van de kruisriem.
Het bevestigingssysteem, de riempjes, de verankering en het sluitsysteem mogen niet als gevolg van de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik van het zitje zodanig beschadigd kunnen raken dat de veiligheid en de normale werking ervan in het geding komen.
Na montage voor gebruik moet de hoogte van de rugleuning van het op een stoel te bevestigen zitje toereikend zijn. Het zitje moet ook voorzien zijn van armleuningen aan weerszijden die hoog genoeg zijn om ervoor te zorgen dat het kind in het zitje blijft wanneer het zich naar welke richting dan ook buigt.
Verstrikkingsgevaar
Koorden, linten en soortgelijke onderdelen die vanuit het zitje bereikbaar zijn, met uitzondering van het bevestigingssysteem voor het kind en het systeem waarmee het zitje is vastgezet, moeten een zodanige maximale vrije lengte hebben dat zij geen gevaarlijke lus rond de nek van het kind kunnen vormen.
Monofildraden mogen niet als koorden, linten en soortgelijke onderdelen, noch als lussen of naaigaren, worden gebruikt.
Gevaar van verstikking door inslikken
Om gevaar van verstikking door inslikken te voorkomen, mogen op een stoel te bevestigen zitjes geen kleine onderdelen bevatten die los kunnen raken door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen, en die zo klein zijn dat zij volledig in de kindermond passen; het maakt daarbij niet uit of zij al dan niet bedoeld zijn om met behulp van gereedschap te worden verwijderd.
Vulmaterialen die een gevaar van verstikking door inslikken inhouden, mogen niet bereikbaar kunnen worden door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen. Zij mogen geen bijkomend gevaar van verstikking door inslikken met zich brengen als gevolg van de grootte van de elementen waaruit zij bestaan of doordat deze elementen door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen, klein genoeg of bereikbaar worden.
Inslikgevaar
Om inslikgevaar te voorkomen, mogen op een stoel te bevestigen zitjes geen aparte of kleine onderdelen bevatten die los kunnen raken door krachten die een kind kan uitoefenen, en die door de slokdarm van een kind passen. Er mag in geen geval gebruik worden gemaakt van giftige materialen en oppervlakken.
Verstikkingsgevaar
Op een stoel te bevestigen zitjes mogen geen plastic plaatjes bevatten die door een kind kunnen worden vastgegrepen en losgemaakt door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen. De bekleding van de kinderstoel mag niet gemaakt zijn van een ondoordringbaar materiaal dat zowel de mond als de neus van het kind kan bedekken, waardoor gevaar van verstikking ontstaat.
Gevaarlijke randen, hoeken en uitstekende delen
Alle bereikbare randen, hoeken en uitstekende delen van een op een stoel te bevestigen zitje moeten worden afgerond en mogen geen braampjes of scherpe randen hebben.
Oppervlakken
Alle oppervlakken moeten — voor zover verenigbaar met de functies van het op een stoel te bevestigen zitje — glad genoeg zijn om incidentele schaafwonden, sneden, schrammen, brandwonden of andere verwondingen tijdens het gebruik van het op een stoel te bevestigen zitje of als gevolg van het gedrag van het kind te voorkomen.
Structurele integriteit
Het op een stoel te bevestigen zitje mag niet kapotgaan of tekenen vertonen van schade of permanente vervorming waardoor de veiligheid en de normale werking ervan in gevaar komt. De mechanismen ter verstelling van de hoogte van op een stoel te bevestigen zitjes moeten voorkomen dat de gekozen hoogtepositie als gevolg van mechanische belasting waaraan het zitje bij redelijkerwijs te voorzien gebruik wordt blootgesteld, verandert.
Stoelbevestigingssysteem
Het stoelbevestigingssysteem moet zodanig zijn ontworpen dat het zitje zowel aan de rugleuning als aan het zitvlak van de stoel wordt bevestigd.
Het stoelbevestigingssysteem, de riempjes, de verankering en het sluitsysteem mogen niet breken, losraken of afscheuren van hun bevestiging als gevolg van mechanische belasting waaraan het zitje bij redelijkerwijs te voorzien gebruik wordt blootgesteld.
Gevaren in verband met onjuiste afmetingen
In de productinformatie moeten de vereiste afmetingen worden opgegeven van het zitvlak en de rugleuning van de stoelen waarvoor het product bedoeld is.
1.3. Veiligheidsinformatie, gebruikershandleiding en opschriften
Er moet veiligheidsinformatie op het product worden aangebracht en in de gebruikershandleiding worden opgenomen.
De veiligheidsinformatie moet schriftelijk worden verstrekt in de taal of talen van het land waarin het op een stoel te bevestigen zitje in de detailhandel voor verkoop wordt aangeboden, alsook met eenduidig te begrijpen pictogrammen. Alle opschriften moeten leesbaar blijven en voor de opschriften gebruikte etiketten moeten mogen niet gemakkelijk losraken.
Veiligheidsinformatie
Er moet op een duidelijke en opvallende wijze essentiële veiligheidsinformatie worden gegeven. De informatie moet duidelijk zichtbaar worden aangebracht en moet zichtbaar blijven nadat het zitje op de volwassenenstoel is gemonteerd en voordat het kind in het zitje wordt geplaatst. De informatie moet beginnen met „WAARSCHUWING!” en moet ten minste de volgende tekst of een equivalent daarvan bevatten:
|
— |
„Laat het kind nooit zonder toezicht alleen.”; |
|
— |
„Zet kind en zitje altijd vast met de daartoe bestemde bevestigingssystemen.”; |
|
— |
„Controleer voor gebruik altijd of het zitje veilig kan worden gebruikt en stabiel is.”; |
|
— |
„Dit product is bestemd voor kinderen tot een leeftijd van 36 maanden met een gewicht van maximaal 15 kg die zelfstandig kunnen zitten.”. |
Aankoopinformatie
In het verkooppunt moet de aankoopinformatie duidelijk zichtbaar voor de consument worden weergegeven. Die informatie moet ten minste uit de volgende elementen bestaan, zowel in tekstvorm als in de vorm van een eenduidig te begrijpen pictogram:
|
— |
de tekst „Dit product is bestemd voor kinderen tot een leeftijd van 36 maanden met een gewicht van maximaal 15 kg die zelfstandig kunnen zitten.” of een equivalent daarvan; |
|
— |
de vereiste afmetingen van de volwassenenstoel, het zitvlak en de rugleuning. |
Gebruikershandleiding
Bij het op een stoel te bevestigen zitje moet een gebruikershandleiding worden gevoegd. Deze omvat de volgende elementen:
|
— |
de tekst „BELANGRIJK! BEWAAR VOOR LATERE RAADPLEGING.” of een equivalent daarvan; |
|
— |
aanwijzingen voor een correcte en veilige montage en gebruik van het op een stoel te bevestigen zitje; |
|
— |
informatie over de typen volwassenenstoelen waarop het zitje wel en niet gemonteerd kan worden. |
De waarschuwingen in de gebruikershandleiding moeten beginnen met de tekst „WAARSCHUWING!” en moeten ten minste de volgende tekst of een equivalent daarvan bevatten:
|
— |
„Laat het kind nooit zonder toezicht alleen.”; |
|
— |
„Zet kind en zitje altijd vast met de daartoe bestemde bevestigingssystemen.”; |
|
— |
„Zorg dat het bevestigingssysteem van het zitje voor gebruik op de juiste manier is gemonteerd en afgesteld.”; |
|
— |
„Controleer voor gebruik altijd of het zitje veilig kan worden gebruikt en stabiel is.”. |
De gebruikershandleiding moet tevens de volgende elementen bevatten:
|
— |
de tekst: „Dit product is bestemd voor kinderen tot een leeftijd van 36 maanden met een gewicht van maximaal 15 kg die zelfstandig kunnen zitten.” of een equivalent daarvan; |
|
— |
de vereiste afmetingen van de volwassenenstoel, het zitvlak en de rugleuning; |
|
— |
de aanwijzing dat het op een stoel te bevestigen zitje niet mag worden gebruikt indien een of meer delen gebroken of gescheurd zijn of ontbreken; |
|
— |
de aanwijzing dat uitsluitend door de fabrikant goedgekeurde accessoires of vervangingsonderdelen mogen worden gebruikt; |
|
— |
aanbevelingen voor de reiniging en het onderhoud. |
2. KINDERSTOELEN
2.1. Toepassingsgebied
Deze veiligheidseisen zijn van toepassing op kinderstoelen die bedoeld zijn voor kinderen die zelfstandig kunnen zitten. Het gaat hierbij om krukken, stoelen (bestaande uit onder meer: poten, een zitvlak en een rugleuning) en armstoelen (bestaande uit onder meer: een zitvlak, een rugleuning en armleuningen) voor gebruik binnens- en buitenshuis. Schommelstoelen en opvouwbare stoelen vallen tevens binnen het toepassingsgebied. De eisen zijn tevens van toepassing op multifunctionele producten die tot een kinderstoel kunnen worden omgebouwd, alsmede op kinderstoelen met wieltjes. Producten die de functie van kinderstoel combineren met een andere functie (zoals bijvoorbeeld opslag) moeten eveneens aan de eisen voldoen.
2.2. Veiligheidseisen
Beknellingsgevaar als gevolg van gaten en openingen
Kinderstoelen moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat wordt voorkomen dat armen, benen, voeten en handen in gaten en openingen bekneld kunnen raken en dat zo veel mogelijk wordt voorkomen dat vingers in gaten en openingen bekneld kunnen raken.
Opvouwbare kinderstoelen moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat wordt voorkomen dat vingers bekneld raken.
Kinderstoelen mogen niet zo zwaar zijn dat het hoofd of de ledematen van het kind eronder bekneld kunnen raken.
Gevaren in verband met bewegende delen
Als de kinderstoel eenmaal overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant gemonteerd is voor normaal gebruik, mag de stoel geen gevaarlijke bewegende delen hebben.
Zwenkwieltjes en wieltjes
Met zwenkwieltjes en wieltjes uitgeruste kinderstoelen moeten zodanig zijn ontworpen dat de stabiliteit niet wordt aangetast.
Valgevaar
Kinderstoelen moeten stabiel genoeg zijn om te voorkomen dat de stoel, in welke richting dan ook, kan omvallen als het kind erin zit.
Stabiliteit
Kinderstoelen moeten stabiel zijn.
Gevaar van verstikking door inslikken
Om gevaar van verstikking door inslikken te voorkomen, mogen kinderstoelen geen kleine onderdelen bevatten die los kunnen raken door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen, en die zo klein zijn dat zij volledig in de kindermond passen. Vulmaterialen die een gevaar van verstikking door inslikken inhouden, mogen niet bereikbaar kunnen worden door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen. Zij mogen geen bijkomend gevaar van verstikking door inslikken met zich brengen als gevolg van de grootte van de elementen waaruit zij bestaan of doordat deze elementen door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen, klein genoeg of bereikbaar worden.
Verstikkingsgevaar
Kinderstoelen mogen geen plastic plaatjes bevatten die kunnen worden losgemaakt door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen. De bekleding van de kinderstoel mag niet gemaakt zijn van een ondoordringbaar materiaal dat zowel de mond als de neus kan bedekken, waardoor gevaar van verstikking ontstaat.
Inslikgevaar
Om inslikgevaar te voorkomen, mogen kinderstoelen geen aparte of kleine onderdelen bevatten die los kunnen raken door krachten die een kind kan uitoefenen, en die door de slokdarm van een kind passen. Er mag in geen geval gebruik worden gemaakt van giftige materialen en oppervlakken.
Oppervlakken
Alle oppervlakken moeten — voor zover verenigbaar met de functies van de kinderstoel — glad genoeg zijn om incidentele schaafwonden, sneden, schrammen, brandwonden of andere verwondingen tijdens het gebruik van de kinderstoel of als gevolg van het gedrag van het kind te voorkomen.
Gevaarlijke randen
Kinderstoelen mogen geen scherpe randen of punten hebben. Bereikbare randen en hoeken moeten zijn afgerond of afgeschuind. Zij mogen geen puntige of uitstekende vlakken bevatten waaraan men zich kan prikken.
Structurele integriteit
Kinderstoelen en de onderdelen daarvan, zoals de zitting, de rugleuning en de poten moeten bestand zijn tegen mechanische belasting waaraan zij bij redelijkerwijs te voorzien gebruik worden blootgesteld.
2.3. Veiligheidsinformatie
Waarschuwingen en gebruiksaanwijzingen moeten de ouders of verzorgers erop wijzen dat kinderen onder een raam geplaatste kinderstoelen als opstapje kunnen gebruiken, waardoor zij uit het raam kunnen vallen.
De veiligheidsinformatie moet schriftelijk worden verstrekt in de taal of talen van het land waarin de kinderstoel in de detailhandel voor verkoop wordt aangeboden, alsook met eenduidig te begrijpen pictogrammen. Alle opschriften moeten leesbaar blijven en voor de opschriften gebruikte etiketten moeten mogen niet gemakkelijk losraken.
3. HOGE KINDERSTOELEN
3.1. Toepassingsgebied
Deze veiligheidseisen zijn van toepassing op hoge kinderstoelen die bedoeld zijn voor kinderen vanaf ongeveer zes maanden tot en met 36 maanden oud met een gewicht van maximaal 15 kg die zelfstandig kunnen zitten. Indien een hoge kinderstoel ontworpen is om te kunnen worden omgebouwd tot een kinderstoel, moet deze tevens voldoen aan de eisen voor kinderstoelen.
Indien onderdelen van een hoge kinderstoel ontworpen zijn om te kunnen worden verwijderd (bv. een plateau of een voetensteun), zijn deze veiligheidseisen van toepassing op de hoge kinderstoel mét en zonder deze onderdelen.
Producten met een grote speelwaarde moeten tevens voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2009/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) betreffende de veiligheid van speelgoed (bv. een hoge kinderstoel die kan worden omgebouwd tot een hobbelpaard).
3.2. Veiligheidseisen
Algemeen
Voor de bevestiging van componenten die ontworpen zijn om te worden verwijderd of losgemaakt wanneer de stoel voor transport of opslag wordt gedemonteerd, mag geen gebruik worden gemaakt van verbindingsschroeven voor directe bevestiging (bv. zelftappende schroeven).
Blootliggende randen en uitstekende delen moeten worden afgerond of afgeschuind en mogen geen braampjes of scherpe randen hebben.
Valgevaar
Om verwonding als gevolg van het opstaan en uit de kinderstoel vallen of glijden te voorkomen, moet de kinderstoel zodanig zijn ontworpen dat het bevestigingssysteem voorkomt dat het kind kan opstaan en uit de stoel kan vallen of glijden.
De hoge kinderstoel moet worden voorzien van een bevestigingssysteem dat aan de grootte van het kind kan worden aangepast en op zijn minst uit een heup- en kruisriem bestaat. Het moet onmogelijk zijn het bevestigingssysteem te gebruiken zonder gebruik te maken van de kruisriem.
Het bevestigingssysteem, de riempjes, de verankering en het sluitsysteem mogen niet als gevolg van de interne en externe krachten die een kind kan uitoefenen, breken, losraken of afscheuren van hun bevestiging.
In het ontwerp van het bevestigingssysteem moet rekening worden gehouden met alle bewegingen die het kind in de hoge kinderstoel kan maken.
De hoogte van de rugleuning van de hoge kinderstoel moet toereikend zijn. De hoge kinderstoel moet tevens worden voorzien van armleuningen aan weerszijden die hoog genoeg zijn om ervoor te zorgen dat het kind in de stoel blijft wanneer het zich naar welke richting dan ook buigt.
Om te voorkomen dat de hoge kinderstoel achterover valt doordat het kind met zijn voeten tegen de eettafel duwt en zich verwondt, moet de hoge kinderstoel zodanig stabiel zijn ontworpen dat elk valrisico is uitgesloten.
Verstrikkingsgevaar
Hoge kinderstoelen mogen (met uitzondering van het bevestigingssysteem voor het kind) niet worden uitgerust met koorden, vlechten en soortgelijke onderdelen waarin het kind zich verstrikken kan.
Beknellingsgevaar als gevolg van gaten en openingen
Hoge kinderstoelen moeten zodanig zijn ontworpen en gefabriceerd dat geen enkel deel van het kinderlichaam bekneld kan raken.
Gevaren in verband met bewegende delen
Om het risico van samendrukken en schuiven te voorkomen, moeten schuif- en samendrukpunten worden vermeden. Indien het evenwel om functionele redenen niet mogelijk is om schuif- en samendrukpunten te vermijden, moeten passende maatregelen worden genomen om die punten veilig te maken.
Alle delen van de hoge kinderstoel die kunnen worden gevouwen of verwijderd, moeten zodanig worden vergrendeld dat het kind dat het product gebruikt of een ander kind deze niet los kan maken en een volwassene dit niet per ongeluk kan doen.
Vergrendelingsmechanismen voor opvouwbare hoge kinderstoelen
Er moeten vergrendelingsmechanismen worden aangebracht om te voorkomen dat een hoge kinderstoel opklapt als er een kind in zit of wanneer een kind erin gezet of eruit gehaald wordt.
Om gevaren als gevolg van oneigenlijk gebruik van de hoge kinderstoel te voorkomen, moet ofwel het gewicht van het kind dat in de stoel zit voorkomen dat deze in elkaar klapt, ofwel ten minste één vergrendelingsmechanisme automatisch in werking treden zodra de hoge kinderstoel wordt gebruikt.
Het moet voor kinderen onmogelijk zijn het vergrendelingsmechanisme onbedoeld los te maken of te bedienen.
Vergrendelingsmechanismen moeten bij blootstelling aan de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik van de hoge kinderstoel, naar behoren blijven werken.
Gevaar van verstikking door inslikken
Geen enkel onderdeel dat los kan komen door krachten die een kind kan uitoefenen, mag zo klein zijn dat het volledig in de kindermond past. Onderdelen die zonder gebruikmaking van een stuk gereedschap losgehaald kunnen worden, mogen niet volledig in de kindermond passen. Vulmaterialen die een gevaar van verstikking door inslikken inhouden, mogen niet bereikbaar kunnen worden door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen. Zij mogen bovendien geen bijkomend gevaar van verstikking door inslikken met zich brengen als gevolg van de grootte van de elementen waaruit zij bestaan of doordat deze elementen door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen, klein genoeg of bereikbaar worden.
Bevestigingssysteem
De hoge kinderstoel moet zodanig zijn ontworpen dat kinderen in de zitpositie vastzitten en voorkomen wordt dat zij vallen doordat zij opstaan en hun evenwicht verliezen. Hiertoe moet ofwel een bevestigingsysteem met een kruisriem en een horizontale component worden gebruikt, ofwel een integrale harnasgordel. Hoge kinderstoelen met een beweegbare rugleuning moeten worden voorzien van een integrale harnasgordel.
Als gevolg van de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik van hoge kinderstoelen mogen de kruisriemen, heupriemen en banden van de integrale harnasgordel geen permanente schade oplopen die de veiligheid en de normale werking ervan kan aantasten.
Indien een hoge kinderstoel is uitgerust met een harnasgordel of riembevestigingspunten, mogen deze als gevolg van de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik van de hoge kinderstoel geen permanente schade oplopen die de veiligheid en de normale werking ervan kan aantasten.
Indien de stoel is uitgerust met een integrale harnasgordel of een riem, moet deze verstelbaar zijn en mag deze als gevolg van de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik van de hoge kinderstoel geen permanente schade oplopen die de veiligheid en de normale werking ervan kan aantasten.
Zijdelingse bescherming
Hoge kinderstoelen moeten zijn uitgerust met armsteunen aan weerszijde of met andersoortige zijdelingse bescherming.
Rugleuning
Hoge kinderstoelen moeten zijn uitgerust met een rugleuning die hoog genoeg is om ervoor te zorgen dat het kind in de stoel blijft wanneer het zich naar welke richting dan ook buigt.
Beweegbare rugleuning
Het mechanisme waarmee de rugleuning van een hoge kinderstoel kan worden versteld, mag niet als gevolg van de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik van de hoge kinderstoel van de ene naar de andere positie kunnen verschuiven.
Zwenkwieltjes en wieltjes
Met zwenkwieltjes en wieltjes uitgeruste hoge kinderstoelen moeten zodanig zijn ontworpen dat de stabiliteit niet wordt aangetast.
Structurele integriteit
De functies van de hoge kinderstoel moeten bij blootstelling aan de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik volledig intact blijven.
Bij blootstelling aan de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik mag de hoge kinderstoel niet kapotgaan en mag het blokkeringsmechanisme niet losschieten.
Stabiliteit
Indien onderdelen van een hoge kinderstoel ontworpen zijn om te kunnen worden verwijderd (bv. een plateau of een voetensteun), zijn de veiligheidseisen van toepassing op de hoge kinderstoel mét en zonder deze onderdelen.
Een hoge kinderstoel mag bij blootstelling aan de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik niet opzij, naar voren of naar achteren kunnen omvallen.
3.3. Veiligheidsinformatie, gebruikershandleiding en opschriften
Algemeen
De veiligheidsinformatie moet schriftelijk worden verstrekt in de taal of talen van het land waarin de hoge kinderstoel in de detailhandel voor verkoop wordt aangeboden, alsook met eenduidig te begrijpen pictogrammen. Alle opschriften moeten leesbaar blijven en voor de opschriften gebruikte etiketten mogen bij redelijkerwijs te voorzien gebruik niet gemakkelijk losraken.
Veiligheidsinformatie
Er moet op een duidelijke en opvallende wijze veiligheidsinformatie worden gegeven. De informatie moet beginnen met „WAARSCHUWING!” en moet ten minste de volgende tekst of een equivalent daarvan bevatten:
|
— |
„Laat het kind nooit zonder toezicht alleen.”; |
|
— |
„Gebruik altijd het bevestigingssysteem.”; |
|
— |
„Controleer voor gebruik altijd of de hoge kinderstoel veilig kan worden gebruikt en stabiel is.”. |
Aankoopinformatie
In het verkooppunt moet de aankoopinformatie duidelijk zichtbaar voor de consument worden weergegeven. Die informatie moet ten minste uit de volgende vermelding of een equivalent daarvan bestaan, zowel in tekstvorm als in de vorm van een eenduidig te begrijpen pictogram: „Dit product is bestemd voor kinderen tot een leeftijd van 36 maanden met een gewicht van maximaal 15 kg die zelfstandig kunnen zitten.” Er moet bijkomende veiligheidsinformatie worden verstrekt indien het product kan worden gewijzigd, hetzij om gebruikt te worden om te spelen, hetzij om te worden omgebouwd tot een kinderstoel die kan worden aangepast aan de verschillende ontwikkelingsfasen van een kind (het zogeheten meegroeiconcept).
Opschriften
Op hoge kinderstoelen moet permanent de volgende waarschuwing of een equivalent daarvan worden aangebracht: „WAARSCHUWING! LAAT HET KIND NOOIT ZONDER TOEZICHT ALLEEN.”. De waarschuwing moet vergezeld gaan van een passend pictogram.
Gebruikershandleiding
In de gebruikershandleiding moeten aanwijzingen worden gegeven voor het gebruik van de hoge kinderstoel en op de omslag ervan moet de tekst „BELANGRIJK! BEWAAR VOOR LATERE RAADPLEGING” of een equivalent daarvan worden weergegeven.
De gebruiksaanwijzingen moeten de volgende waarschuwingen of equivalenten daarvan bevatten, ingeleid met de tekst „WAARSCHUWING!”:
|
— |
„Laat het kind nooit zonder toezicht alleen.”; |
|
— |
„Gebruik de hoge kinderstoel uitsluitend indien u zich ervan verzekerd heeft dat alle onderdelen juist gemonteerd en afgesteld zijn.”. |
De gebruikershandleiding moet tevens de volgende waarschuwingen bevatten:
|
— |
zorg ervoor dat de harnasgordel juist afgesteld is; |
|
— |
pas op voor open vuur of andere hittebronnen, zoals elektrische gloeispiralen, gasvuur en dergelijke, in de nabijheid van de hoge kinderstoel. |
De gebruikershandleiding moet de volgende veiligheidsinformatie bevatten:
|
— |
een montagehandleiding, een lijst en/of beschrijving van alle onderdelen en gereedschap dat nodig is voor de montage van de stoel en een diagram van de bouten en andere vergrendelingsmechanismen; |
|
— |
een mededeling dat de hoge kinderstoel pas gebruikt mag worden als het kind zelfstandig kan zitten; |
|
— |
de aanwijzing dat de hoge kinderstoel niet mag worden gebruikt indien een of meer delen gebroken of gescheurd zijn of ontbreken; |
|
— |
aanbevelingen voor de reiniging en het onderhoud. |
4. AAN EEN TAFEL TE BEVESTIGEN KINDERSTOELEN
4.1. Toepassingsgebied
Deze veiligheidseisen zijn van toepassing op aan een tafel te bevestigen kinderstoelen die bedoeld zijn voor kinderen die zelfstandig kunnen zitten (vanaf de leeftijd van zes maanden) en maximaal 15 kg wegen.
4.2. Veiligheidseisen
Algemeen
Aan een tafel te bevestigen kinderstoelen moeten zodanig voor gebruik gemonteerd worden dat elk risico voor het kind of de verzorger op beknelling, snijwonden of andere kwetsuren vermeden wordt.
Beknellingsgevaar als gevolg van gaten en openingen
Om beknelling te voorkomen, mogen aan een tafel te bevestigen kinderstoelen niet worden uitgerust met buizen met een open uiteinde of andere gaten of openingen hebben waardoor een kind zich zou kunnen verwonden.
Aan een tafel te bevestigen kinderstoelen moeten zodanig zijn ontworpen dat voorkomen wordt dat het kind door gaten en openingen heen kan vallen.
Gevaarlijke randen, hoeken en uitstekende delen
Alle bereikbare randen, hoeken en uitstekende delen van een aan een tafel te bevestigen kinderstoel moeten zijn afgerond en afgeschuind en mogen geen braampjes of scherpe randen hebben.
Gevaar van verstikking door inslikken
Om gevaar van verstikking door inslikken te voorkomen, mogen kinderstoelen geen kleine onderdelen bevatten die los kunnen raken door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen, en die zo klein zijn dat zij volledig in de kindermond passen; het maakt daarbij niet uit of zij al dan niet bedoeld zijn om met behulp van gereedschap te worden verwijderd.
Vulmaterialen die een gevaar van verstikking door inslikken inhouden, mogen niet bereikbaar kunnen worden door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen. Zij mogen bovendien geen bijkomend gevaar van verstikking door inslikken met zich brengen als gevolg van de grootte van de elementen waaruit zij bestaan of doordat deze elementen door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen, klein genoeg of bereikbaar worden.
Inslikgevaar
Om inslikgevaar als gevolg van ongeëigend gebruik van een aan een tafel te bevestigen kinderstoel te voorkomen, mogen deze kinderstoelen geen aparte of kleine onderdelen bevatten die los kunnen raken door krachten die een kind kan uitoefenen, en die door de slokdarm van een kind passen.
Verstikkingsgevaar
De stoelen mogen geen plastic plaatjes bevatten die door een kind kunnen worden vastgegrepen en losgemaakt door uitoefening van krachten die een kind kan uitoefenen. De bekleding van de kinderstoel mag niet gemaakt zijn van een ondoordringbaar materiaal dat zowel de mond als de neus van het kind kan bedekken, waardoor gevaar van verstikking ontstaat.
Zelftappende schroeven
Voor de bevestiging van componenten die ontworpen zijn om te worden verwijderd of losgemaakt wanneer de op een tafel te bevestigen kinderstoel voor vervoer of opslag wordt gedemonteerd, mag geen gebruik worden gemaakt van verbindingsschroeven (bv. zelftappende schroeven).
Gevaren in verband met bewegende delen
Als de aan een tafel te bevestigen kinderstoel eenmaal overeenkomstig de aanwijzingen van de fabrikant gemonteerd is voor normaal gebruik, mag de stoel geen gevaarlijke bewegende delen hebben.
Valgevaar
Om verwonding als gevolg van het opstaan en uit de aan een tafel te bevestigen kinderstoel vallen of glijden te voorkomen, moet de kinderstoel zodanig zijn ontworpen dat het bevestigingssysteem voorkomt dat het kind kan opstaan en uit de stoel kan vallen of glijden.
De aan een tafel te bevestigen kinderstoel moet worden voorzien van een bevestigingssysteem dat aan de grootte van het kind kan worden aangepast en op zijn minst uit een heup- en kruisriem bestaat. Het moet onmogelijk zijn het bevestigingssysteem te gebruiken zonder gebruik te maken van de kruisriem.
Het bevestigingssysteem, de riempjes, de verankering en het sluitsysteem mogen niet als gevolg van de interne en externe krachten die een kind kan uitoefenen, breken, losraken of afscheuren van hun bevestiging.
In het ontwerp van het bevestigingssysteem moet rekening worden gehouden met alle bewegingen die het kind in de aan een tafel te bevestigen kinderstoel kan maken.
Na montage voor gebruik moet de hoogte van de rugleuning van de aan een tafel te bevestigen kinderstoel toereikend zijn. De kinderstoel moet tevens worden voorzien van armleuningen aan weerszijden die hoog genoeg zijn om ervoor te zorgen dat het kind in de stoel blijft wanneer het zich naar welke richting dan ook buigt.
Voetensteun
Aan een tafel te bevestigen kinderstoelen hoeven niet te worden voorzien van een voetensteun.
Verwijderbare zittingen
Indien de zitting kan worden verwijderd van het frame, moet de bevestigingsconstructie ter verankering van de zitting aan het frame zodanig zijn ontworpen dat de zitting niet per ongeluk van het frame kan worden losgemaakt.
De zitting moet bij blootstelling aan de mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik van de aan een tafel te bevestigen kinderstoel aan het frame bevestigd blijven.
Structurele integriteit
Statische en dynamische mechanische belasting mag bij redelijkerwijs te voorzien gebruik van de aan een tafel te bevestigen kinderstoel geen permanente schade veroorzaken die de veiligheid en de normale werking ervan kan aantasten.
Verankering
De verankering moet ervoor zorgen dat wanneer de aan een tafel te bevestigen kinderstoel eenmaal aan een tafel bevestigd is, deze bij redelijkerwijs te voorzien gebruik niet wordt verplaatst. De verankering van de aan een tafel te bevestigen kinderstoel moet bestand zijn tegen stoten.
Stabiliteit
Aan een tafel te bevestigen kinderstoelen mogen als gevolg van de statische en dynamische mechanische belasting die optreedt bij redelijkerwijs te voorzien gebruik niet inklappen of omvallen.
4.3. Veiligheidsinformatie, gebruikershandleiding en opschriften
Algemeen
Er moet veiligheidsinformatie op het product worden aangebracht en in de gebruikershandleiding worden opgenomen.
De veiligheidsinformatie moet schriftelijk worden verstrekt in de taal of talen van het land waarin de aan een tafel te bevestigen kinderstoel in de detailhandel voor verkoop wordt aangeboden, alsook met eenduidig te begrijpen pictogrammen. Alle opschriften moeten leesbaar blijven en voor de opschriften gebruikte etiketten mogen niet gemakkelijk losraken.
Aankoopinformatie
In het verkooppunt moet de aankoopinformatie duidelijk zichtbaar voor de consument worden weergegeven. Die informatie moet ten minste uit de volgende elementen bestaan, zowel in tekstvorm als in de vorm van een eenduidig te begrijpen pictogram:
|
— |
de tekst „Dit product is bestemd voor kinderen met een gewicht van maximaal 15 kg die zelfstandig kunnen zitten.” of een equivalent daarvan; |
|
— |
de vereiste afmetingen van het dragende oppervlak waaraan de aan een tafel te bevestigen kinderstoel kan worden gemonteerd. |
Verder moet de volgende informatie worden gegeven:
|
— |
„Deze aan een tafel te bevestigen kinderstoel is niet geschikt voor alle typen tafels. Gebruik de stoel niet in combinatie met tafels met een glazen bovenblad, een los tafelblad of een inklapbaar tafelblad en ook niet in combinatie met eenpotige tafels, voorzettafeltjes of campingtafels.”. |
Opschriften
Op aan een tafel te bevestigen kinderstoelen moeten duidelijk en permanent de volgende opschriften worden aangebracht:
|
— |
de tekst: „WAARSCHUWING! Laat het kind nooit zonder toezicht alleen”; deze moet zichtbaar zijn wanneer de aan een tafel te bevestigen kinderstoel in gebruik is; |
|
— |
de tekst: „WAARSCHUWING! Zet kind en kinderstoel altijd vast met de daartoe bestemde bevestigingssystemen.”; |
|
— |
de tekst: „WAARSCHUWING! Controleer voor gebruik altijd of de aan een tafel te bevestigen kinderstoel veilig kan worden gebruikt en stabiel is.”; |
|
— |
de aanwijzing „Maximumgewicht: 15 kg.”. |
Gebruikershandleiding
De gebruikershandleiding moet aanwijzingen bevatten voor een correcte en veilige montage en gebruik van de aan een tafel te bevestigen kinderstoel. Deze aanwijzingen moeten nauwkeurig en ondubbelzinnig zijn en ten minste de volgende tekst of een equivalent daarvan te bevatten:
|
— |
„Lees de aanwijzingen vóór gebruik zorgvuldig door en bewaar deze voor latere raadpleging. Het kind kan verwondingen oplopen indien u zich niet aan de aanwijzingen houdt.”; |
|
— |
„Deze aan een tafel te bevestigen kinderstoel is niet geschikt voor kinderen die niet zelfstandig kunnen zitten.”; |
|
— |
„WAARSCHUWING! „Laat het kind nooit zonder toezicht alleen.”; |
|
— |
„Zet kind en kinderstoel altijd vast met de daartoe bestemde bevestigingssystemen.”; |
|
— |
„Controleer voor gebruik altijd of de aan een tafel te bevestigen kinderstoel veilig kan worden gebruikt en stabiel is.”; |
|
— |
„Deze aan een tafel te bevestigen kinderstoel is niet geschikt voor alle typen tafels. Gebruik de stoel niet in combinatie met tafels met een glazen bovenblad, een los tafelblad of een inklapbaar tafelblad en ook niet in combinatie met eenpotige tafels, voorzettafeltjes of campingtafels.”; |
|
— |
„Controleer of de tafel niet omklapt wanneer de eraan vastgezette kinderstoel in gebruik is.”; |
|
— |
„Gebruik geen tafellakens of andere voorwerpen op het tafelblad waardoor de goede werking van de verankeringselementen in gevaar komt. Houd de tafel en het tafelblad schoon en droog.”; |
|
— |
„Deze aan een tafel te bevestigen kinderstoel is ongeschikt voor kinderen boven de 15 kg.”; |
|
— |
„Controleer regelmatig of er geen schroeven los zijn komen te zitten en draai deze zo nodig weer vast.”; |
|
— |
„WAARSCHUWING! Gebruik de aan een tafel te bevestigen kinderstoel niet indien er onderdelen ontbreken of kapot zijn.”; |
|
— |
„Gebruik uitsluitend vervangingsonderdelen die zijn goedgekeurd door de fabrikant of de distributeur.”; |
|
— |
„Bevestig deze kinderstoel niet op een plaats waar het kind zijn voeten kan gebruiken om tegen een deel van de tafel, een andere stoel of een ander voorwerp te duwen, omdat de kinderstoel daardoor los kan komen van de tafel.”. |
De vereiste afmetingen van het dragende oppervlak moeten worden opgegeven.
(1) Zoals gedefinieerd in artikel R1 van hoofdstuk R1 van bijlage I bij Besluit nr. 768/2008/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 218 van 13.8.2008, blz. 82).
(2) Zoals uiteengezet in artikel R2 van hoofdstuk R2 van bijlage I bij Besluit nr. 768/2008/EG.
(3) Zoals gedefinieerd in artikel R1 van hoofdstuk R1 van bijlage I bij Besluit nr. 768/2008/EG.
(4) Zoals uiteengezet in artikel R4 van hoofdstuk R2 van bijlage I bij Besluit nr. 768/2008/EG.
|
8.3.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 65/35 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 7 maart 2013
tot vaststelling van de datum waarop de werkzaamheden van het Visuminformatiesysteem (VIS) in een vierde en een vijfde regio beginnen
(2013/122/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 767/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 9 juli 2008 betreffende het Visuminformatiesysteem (VIS) en de uitwisseling tussen de lidstaten van gegevens op het gebied van visa voor kort verblijf (VIS-verordening) (1), en met name artikel 48, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig Uitvoeringsbesluit 2012/274/EU van de Commissie van 24 april 2012 tot vaststelling van de tweede reeks regio’s waar de werkzaamheden van het Visuminformatiesysteem (VIS) beginnen (2), bestaat de vierde regio waar met het verzamelen en overdragen van gegevens aan het VIS voor alle visumaanvragen wordt begonnen uit Benin, Burkina Faso, Gambia, Ghana, Guinee, Guinee-Bissau, Ivoorkust, Kaapverdië, Liberia, Mali, Niger, Nigeria, Senegal, Sierra Leone en Togo; de vijfde regio bestaat uit Burundi, de Centraal-Afrikaanse Republiek, Congo, de Democratische Republiek Congo, Equatoriaal-Guinea, Gabon, Kameroen, Rwanda, Sao Tomé en Principe en Tsjaad. |
|
(2) |
De lidstaten hebben de Commissie ervan in kennis gesteld dat zij de nodige technische en wettelijke regelingen hebben getroffen om de in artikel 5, lid 1, van de VIS-verordening bedoelde gegevens te verzamelen en aan het VIS toe te zenden voor alle aanvragen in die twee regio’s, met inbegrip van regelingen voor het verzamelen en/of verzenden van gegevens namens een andere lidstaat. |
|
(3) |
Nu aan de voorwaarden van de eerste zin van artikel 48, lid 3, van de VIS-verordening is voldaan, dient de datum te worden vastgesteld waarop de werkzaamheden van het VIS in de vierde en de vijfde regio beginnen. |
|
(4) |
Omdat het wenselijk is dat de werkzaamheden van het VIS zo snel mogelijk van start kunnen gaan, dient dit besluit in werking te treden op de datum waarop het in het Publicatieblad van de Europese Unie wordt bekendgemaakt. |
|
(5) |
Aangezien de VIS-verordening voortbouwt op het Schengenacquis, heeft Denemarken overeenkomstig artikel 5 van het Protocol betreffende de positie van Denemarken dat aan het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie is gehecht, meegedeeld dat het de VIS-verordening in zijn nationale wetgeving ten uitvoer heeft gelegd. Denemarken is daarom krachtens internationaal recht verplicht dit besluit uit te voeren. |
|
(6) |
Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan het Verenigd Koninkrijk niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2000/365/EG van 29 mei 2000 betreffende het verzoek van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland deel te mogen nemen aan enkele van de bepalingen van het Schengenacquis (3). Dit besluit is derhalve niet bindend voor, noch van toepassing in het Verenigd Koninkrijk. |
|
(7) |
Dit besluit houdt een ontwikkeling in van bepalingen van het Schengenacquis waaraan Ierland niet deelneemt, overeenkomstig Besluit 2002/192/EG van de Raad van 28 februari 2002 betreffende het verzoek van Ierland deel te mogen nemen aan bepalingen van het Schengenacquis (4). Dit besluit is derhalve niet bindend voor, noch van toepassing in Ierland. |
|
(8) |
Wat IJsland en Noorwegen betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Raad van de Europese Unie, de Republiek IJsland en het Koninkrijk Noorwegen inzake de wijze waarop IJsland en Noorwegen worden betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (5) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt B, van Besluit 1999/437/EG van de Raad inzake bepaalde toepassingsbepalingen van die overeenkomst (6). |
|
(9) |
Wat Zwitserland betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (7) die vallen onder het gebied bedoeld in artikel 1, punt B, van Besluit 1999/437/EG van de Raad, juncto artikel 3 van Besluit 2008/146/EG (8) van de Raad. |
|
(10) |
Wat Liechtenstein betreft, houdt dit besluit een ontwikkeling in van de bepalingen van het Schengenacquis als bedoeld in het Protocol tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap, de Zwitserse Bondsstaat en het Vorstendom Liechtenstein betreffende de toetreding van het Vorstendom Liechtenstein tot de Overeenkomst tussen de Europese Unie, de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat inzake de wijze waarop Zwitserland wordt betrokken bij de uitvoering, de toepassing en de ontwikkeling van het Schengenacquis (9) die vallen onder artikel 1, punt B, van Besluit 1999/437/EG, juncto artikel 3 van Besluit 2011/350/EU van de Raad (10). |
|
(11) |
Wat Cyprus betreft, is dit besluit een rechtsbesluit dat voortbouwt op het Schengenacquis of op een andere wijze daaraan is gerelateerd, zoals bedoeld in artikel 3, lid 2, van de Toetredingsakte van 2003. |
|
(12) |
Wat Bulgarije en Roemenië betreft, is dit besluit een rechtsbesluit dat voortbouwt op het Schengenacquis of op een andere wijze daaraan is gerelateerd, zoals bedoeld in artikel 4, lid 2, van de Toetredingsakte van 2005, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het Visuminformatiesysteem begint op 14 maart 2013 zijn werkzaamheden in de vierde en de vijfde regio zoals vastgesteld bij Uitvoeringsbesluit 2012/274/EU.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 3
Dit besluit is van toepassing overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel, 7 maart 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 218 van 13.8.2008, blz. 60.
(2) PB L 134 van 24.5.2012, blz. 20.
(3) PB L 131 van 1.6.2000, blz. 43.
(4) PB L 64 van 7.3.2002, blz. 20.
(5) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 36.
(6) PB L 176 van 10.7.1999, blz. 31.
(7) PB L 53 van 27.2.2008, blz. 52.
(8) PB L 53 van 27.2.2008, blz. 1.