ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.062.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 62

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
6 maart 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 185/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot verlaging van bepaalde aan Spanje toegewezen vangstquota in 2013 en de daaropvolgende jaren wegens overbevissing van een bepaald makreelquotum in 2009

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 186/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Salame Felino (BGA))

4

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 187/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof ethyleen ( 1 )

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 188/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot goedkeuring van de werkzame stof mandipropamid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie ( 1 )

13

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 189/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 185/2010 op het gebied van de regeling voor bekende afzenders ( 1 )

17

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 190/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof natriumhypochloriet ( 1 )

19

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 191/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 798/2008, (EG) nr. 119/2009 en (EU) nr. 206/2010 en Beschikking 2000/572/EG wat betreft de verklaring inzake het dierenwelzijn in de modellen van veterinaire certificaten ( 1 )

22

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 192/2013 van de Commissie van 5 maart 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

25

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/114/EU

 

*

Besluit van de Commissie van 1 maart 2013 tot vaststelling van de richtsnoeren voor de lidstaten inzake de berekening van de hernieuwbare energie uit warmtepompen met verschillende warmtepomptechnologieën overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 1082)  ( 1 )

27

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 185/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2013

tot verlaging van bepaalde aan Spanje toegewezen vangstquota in 2013 en de daaropvolgende jaren wegens overbevissing van een bepaald makreelquotum in 2009

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (1), en met name artikel 105, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 43/2009 van de Raad (2) is aan Spanje voor 2009 een vangstquotum toegewezen voor makreel in de ICES-zones VIIIc, IX en X en in de EU-wateren van CECAF-zone 34.1.1.

(2)

Het vangstquotum voor makreel voor 2009 is verlaagd nadat Spanje vangstmogelijkheden had geruild met Frankrijk en Portugal overeenkomstig artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (3).

(3)

Aan de hand van kruiscontroles van de gegevens die tijdens verschillende stadia van de waardeketen, van de vangst tot de eerste verkoop, waren geregistreerd en gemeld, heeft de Commissie onregelmatigheden in de Spaanse gegevens over de makreelvisserij in 2009 geconstateerd. Het bestaan van deze onregelmatigheden is bevestigd door verschillende overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 in Spanje verrichte audits, verificaties en inspecties.

(4)

De Commissie heeft Spanje over de geplande verlagingen geraadpleegd in een brief van 28 november 2011, die de Spaanse autoriteiten bij brief van 19 december 2011 hebben beantwoord.

(5)

Spanje heeft toegegeven zijn makreelquotum in 2009 met 65 429 ton te hebben overschreden.

(6)

Krachtens artikel 2 van Verordening (EG) nr. 2371/2002 moet het gemeenschappelijk visserijbeleid garant staan voor een exploitatie van de levende aquatische hulpbronnen die voor duurzame omstandigheden op economisch, ecologisch en sociaal gebied zorgt.

(7)

Gezien het niveau van de overbevissing en gezien de noodzaak de sociaaleconomische situatie van de visserijsector en de daarmee verbonden verwerkingsindustrie in de betrokken lidstaat in aanmerking te nemen en de negatieve impact op beide sectoren tot een minimum te beperken, is het dienstig de te veel gevangen hoeveelheden gedurende een periode van ten minste elf jaar in mindering te brengen.

(8)

Aangezien bij Verordening (EU) nr. 165/2011 van de Commissie (4) nog andere, tot 2015 geldende verlagingen van het aan Spanje toegewezen vangstquotum voor makreel zijn vastgesteld, moet het quotum tijdens de overlappende jaren, i.e. van 2013 tot en met 2015, met een kleinere hoeveelheid worden verlaagd.

(9)

Om te voorkomen dat zowel de betrokken visserijsector als de daarmee verbonden verwerkende industrie hiervan negatieve gevolgen ondervindt, mag het jaarlijkse makreelquotum met ingang van 2016 met niet meer dan 33 % worden verlaagd. Indien de in mindering te brengen hoeveelheid meer dan 33 % van het jaarlijkse makreelquotum bedraagt, dient deze verordening te worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat de jaarlijkse, in mindering te brengen hoeveelheid wordt verlaagd en de verlagingsperiode overeenkomstig wordt verlengd.

(10)

Spanje heeft gevraagd een deel van de verlaging toe te passen op zijn ansjovisquotum in hetzelfde gebied gedurende dezelfde periode. Het betrokken makreelbestand bevindt zich momenteel binnen biologisch veilige grenzen. Het ansjovisbestand in zone VIII wordt geëxploiteerd op een peil dat consistent is met de maximale opbrengst op lange termijn, maar is onderhevig aan grote schommelingen en zou op lange termijn baat hebben bij een tijdelijke verlaging van het exploitatieniveau. De visserij op dit makreelbestand vindt voornamelijk (bijna 90 % van de vangsten) plaats in ICES-zone VIIIc van februari tot mei en het ansjovisbestand in zone VIII wordt in hetzelfde gebied (VIIIc) bevist van april tot juni. Makreel en ansjovis zijn pelagische bestanden die in het midden van de waterkolom voorkomen. Er kan dan ook worden geconcludeerd dat deze twee bestanden hetzelfde geografische gebied en hetzelfde ecosysteem delen. Daarom wordt het, mede in het licht van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid, als passend beschouwd om in dit specifieke geval een deel van de vereiste verlagingen toe te passen op de aan Spanje toegewezen ansjovisquota in hetzelfde gebied en gedurende dezelfde periode.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De vangstquota voor makreel (Scomber scombrus) in de ICES-zones VIIIc, IX en X en in de EU-wateren van CECAF-zone 34.1.1 en voor ansjovis (Engraulis encrasicolus) in ICES-zone VIII die in de periode van 2013 tot 2023 aan Spanje kunnen worden toegewezen, worden overeenkomstig de bijlage verlaagd.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.

(2)   PB L 22 van 26.1.2009, blz. 1.

(3)   PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.

(4)   PB L 48 van 23.2.2011, blz. 11.


BIJLAGE

(in ton)

Bestand

Oorspronkelijk quotum 2009

Aangepast quotum 2009

Vastgestelde vangsten 2009

Verschil quotumvangsten (overbevissing)

Verlaging in 2013

Verlaging in 2014

Verlaging in 2015

Verlaging in 2016

Verlaging in 2017

Verlaging in 2018

Verlaging in 2019

Verlaging in 2020

Verlaging in 2021

Verlaging in 2022

Verlaging in 2023

MAC8C

3411

29 529

25 525

90 954

–65 429

100

100

100

5 544

5 544

5 544

5 544

5 544

5 544

5 544

269

ANE08 (1)

 

 

 

 

 

 

 

3 696

3 696

3 696

3 696

3 696

3 696

3 696

180


(1)  Wat ansjovis betreft, wordt als jaar beschouwd het visseizoen dat in dat jaar van start is gegaan.


6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/4


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 186/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2013

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen (Salame Felino (BGA))

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 52, lid 3, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (2) is de aanvraag van Italië tot registratie van de benaming „Salame Felino” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (3).

(2)

Overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006 hebben België, Nederland en Duitsland bezwaren ingediend uit hoofde van artikel 7, lid 3, onder a), c) en d), van Verordening (EG) nr. 510/2006. De Commissie heeft de betrokken partijen bij brief van 27 september 2011 verzocht op passende wijze overleg te plegen.

(3)

Na afloop van de overlegperiode hebben België en Nederland met Italië een akkoord bereikt. Bij dit akkoord is overeengekomen de kwalitatieve beschrijving van de grondstof voor de worst te wijzigen door een verwijzing in te voegen naar de indeling van de geslachte dieren in de beoordelingstabel van bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (4), de geografische beperking voor het in plakken snijden en verpakken van de worst op te heffen en enkele minimale tekstuele wijzigingen aan te brengen.

(4)

Duitsland kon tijdens de overlegperiode geen akkoord met Italië bereiken.

(5)

Aangezien niet door alle partijen een akkoord kon worden bereikt binnen de vastgestelde termijn van zes maanden, moet de Commissie een besluit nemen.

(6)

Het bezwaar van Duitsland had betrekking op de niet-naleving van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1898/2006 van de Commissie (5) met betrekking tot de oorsprong van de grondstoffen. Er wordt opgemerkt dat het verzoek om registratie geen enkele geografische beperking in dat verband bevat en dat de door Italië voorgestelde wijziging die is gebaseerd op het met België en Nederland bereikte akkoord een en ander bevestigt.

(7)

De indiener van het bezwaar voerde ook aan dat aan de voorwaarde dat „een bepaalde hoedanigheid, de faam of andere kenmerken aan deze geografische oorsprong kunnen worden toegeschreven” niet is voldaan. Italië heeft zijn verzoek om registratie als geografische aanduiding gebaseerd op de faam die de „Salame Felino” heeft verworven; in het dossier is de argumentatie in die zin gevoerd. Er wordt op gewezen dat de indiener van het bezwaar niet betwist dat het product deze faam geniet en ook geen enkel argument aanhaalt om deze faam in twijfel te trekken. Aan de voorwaarden van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 510/2006 is dus voldaan.

(8)

Het derde bezwaar van Duitsland, namelijk dat de voor registratie voorgestelde benaming een soortnaam is, werd met geen enkel element gestaafd. Dat de benaming een soortnaam zou zijn, werd dus geenszins aangetoond.

(9)

België heeft in zijn bezwaarschrift en als conclusie van zijn overleg, gewezen op artikel 7, lid 3, onder c), van Verordening (EG) nr. 510/2006. Volgens dat artikel zijn alleen de bezwaarschriften ontvankelijk „(…) [die] aantonen dat de registratie van de voorgestelde naam schade toebrengt aan een bestaande geheel of gedeeltelijk identieke naam of een handelsmerk, of aan bestaande producten die, te rekenen vanaf de in artikel 6, lid 2, genoemde datum van bekendmaking, ten minste vijf jaar legaal op de markt zijn”. Er mag dan een overgangsperiode van maximaal vijf jaar worden ingesteld, maar uitsluitend wanneer een bezwaar om bovengenoemde reden ontvankelijk is verklaard. In het bezwaarschrift van België werden het bedrijf Reulen en het bedrijf Salaisons Salamone SA opgevoerd en werden bewijzen geleverd van de productie en de verkoop door deze twee bedrijven van een worst van het type Felino.

(10)

In het licht van deze elementen moet de benaming dus worden geregistreerd en moet het gewijzigde enige document worden bekendgemaakt alsook een overgangsperiode van 5 jaar ten gunste van de bovengenoemde bedrijven worden ingesteld.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor beschermde geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in bijlage I bij deze verordening vermelde benaming wordt geregistreerd.

Artikel 2

Er wordt een overgangsperiode van 5 jaar ingesteld ten gunste van het bedrijf Reulen bvba en het bedrijf Salaisons Salamone SA die in het bezwaarschrift van België zijn genoemd.

Artikel 3

Het bijgewerkte enige document is opgenomen in bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 343 van 14.12.2012, blz. 1.

(2)   PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(3)   PB C 19 van 20.1.2011, blz. 11.

(4)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(5)   PB L 369 van 23.12.2006, blz. 1.


BIJLAGE I

In bijlage I bij het EG-Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.2.   Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt, enz.)

ITALIË

Salame Felino (BGA)


BIJLAGE II

ENIG DOCUMENT

VERORDENING (EG) Nr. 510/2006 (*1)

„SALAME FELINO”

EG-NUMMER: IT-PGI-0005-0597-11.04.2007

BGA (X) BOB ( )

1.   Naam

„Salame Felino”

2.   Lidstaat of derde land

Italië

3.   Beschrijving van het landbouwproduct of levensmiddel

3.1.   Productcategorie

Categorie 1.2.

Vleesproducten (verhit, gepekeld, gerookt, enz.)

3.2.   Beschrijving van het product waarvoor de in punt 1 vermelde naam van toepassing is

De „Salame Felino” — de worst waarop de BGA van toepassing is — is, wanneer ze in de handel wordt gebracht, cilindrisch van vorm en heeft één uiteinde dat dikker is dan het andere en een witgrijze buitenkant die er lichtjes bepoederd uitziet als gevolg van de ontwikkeling van een klein aantal autochtone schimmels.

„Salame Felino” waarop de BGA van toepassing is, moet de volgende kenmerken vertonen:

gewicht: tussen 200 g en 4,5 kg;

afmetingen: onregelmatige cilindrische vorm met een lengte van 15 tot 130 cm;

organoleptische kenmerken: een plak „Salame felino” is compact en niet-elastisch van consistentie, is homogeen, mager, robijnrood van kleur, niet gevlekt en zacht en verfijnd van smaak;

chemische en fysisch-chemische kenmerken:

eiwit totaal

min. 23 %

verhouding collageen/eiwit

max. 0,10

verhouding water/eiwit

max. 2,00

verhouding vet/eiwit

max. 1,50

pH

> 5,3

melkzuurbacteriën totaal

> 100 000

3.3.   Grondstoffen (alleen voor verwerkte producten)

„Salame Felino” BGA wordt bereid van varkensvlees op de hierna beschreven wijze:

toegestaan zijn: in het Italiaanse stamboek geregistreerde zuivere rasdieren, afgeleide dieren of veredelde soorten van de traditionele basisrassen Large White en Landrace;

zijn eveneens toegestaan: in het Italiaanse stamboek geregistreerde, afgeleide dieren en veredelde soorten van het ras Duroc;

zijn tevens toegestaan: dieren van andere rassen (kruisingen of hybriden) waarvan de karkassen worden ingedeeld in de klassen U, R of O van de tabel voor de indeling van geslachte varkens die is opgenomen in bijlage V bij Verordening (EG) nr. 1234/2007, zoals gewijzigd;

de traditie indachtig zijn hoe dan ook uitgesloten: varkens met antithetische eigenschappen — waarmee met name wordt gedoeld op het gen dat verantwoordelijk is voor stressgevoeligheid (PSS) — die voortaan ook op objectieve wijze „post mortem” en op de gedroogde producten kunnen worden gemeten;

zijn in ieder geval uitgesloten: zuivere rasdieren van de rassen Belgische Landrace, Hampshire, Piétrain, Duroc en Spotted Poland;

de gebruikte genotypen moeten ervoor zorgen dat een hoog gewicht en een goed rendement, en hoe dan ook een gemiddeld gewicht per partij (levend gewicht) van 160 kg, plus of min 10 %, worden bereikt;

de minimale slachtleeftijd bedraagt negen maanden;

er mag geen vlees worden gebruikt dat afkomstig is van beren of van zeugen;

de varkens moeten perfect gezond zijn wanneer ze worden geslacht en moeten perfect leegbloeden;

de delen van het varken die worden gebruikt voor de productie van „Salame Felino”, het product waarop de BGA van toepassing is, zijn het spier- en het vetweefsel zoals bijvoorbeeld de testa di pancetta (gedeelte van de borst) en/of de trito di banco (onder de schouder). Het gebruikte vlees mag op generlei wijze ingevroren zijn geweest.

Het spierweefsel en het vetweefsel worden grondig schoongemaakt: de grotere stukken bindweefsel en het zachte vetweefsel worden verwijderd.

Het vlees (het spierweefsel en het vetweefsel) dat voor het product met de BGA „Salame Felino” wordt gebruikt, moet rusten en moet hiertoe worden overgebracht naar een koelkamer met een temperatuur die niet lager mag zijn dan – 1 °C en zodanig is ingericht dat het spierweefsel goed kan drogen.

Het vlees moet worden gehakt met een vleesmolen (die is uitgerust met openingen van 6 à 8 mm).

Het vlees wordt gemengd met 2 % à 2,8 % zout, 0,03 % à 0,06 % hele peperbolletjes of gemalen peper en geplette knoflookteentjes.

Eveneens toegestane ingrediënten zijn:

droge, witte wijn — maximaal 400 cl per 100 kg vlees — met als doel de geur en het aroma te versterken;

suiker en/of dextrose en/of fructose: 0-0,3 %;

melkzuurbacteriën: het inschakelen van deze melkzuurbacteriën moet plaatsvinden conform de goede praktijken, rekening houdend met de specifieke kenmerken die de giststoffen van de „Salame Felino” moeten hebben. Deze giststoffen moeten de smaak en het aroma van het product ontwikkelen dankzij de lipolytische en de proteolytische werking waardoor ook de kleur wordt gestabiliseerd en de verzuring onder controle wordt gehouden;

natriumnitraat en/of kaliumnitraat: max. 300 mg/kg; natriumnitriet en/of kaliumnitriet: max. 150 mg/kg; ascorbinezuur en zijn natriumzout: max. 1 g/kg.

3.4.   Diervoeders (alleen voor producten van dierlijke oorsprong)

De in de handel gebrachte producten moeten conform de handelsnormen zijn. Het voeder wordt bij voorkeur verstrekt in vloeibare vorm (als brij of als mestvoer) waaraan traditioneel wei wordt toegevoegd. Bij het voeder dat is toegestaan tot de varkens een levend gewicht van 80 kg hebben bereikt, mogen granen niet minder dan 45 % van de droge stof uitmaken. Bij het voeder dat is toegestaan tijdens de afmestperiode, mogen granen niet minder dan 55 % van de droge stof uitmaken.

3.5.   Specifieke onderdelen van het productieproces die in het afgebakende geografische gebied moeten plaatsvinden

De specifieke productiestadia zijn de volgende:

het vlees wordt gehakt met een vleesmolen;

het hakvlees wordt gemengd met zout, peper en knoflook. Toevoeging van wijn, suikers, melkzuurbacteriën, natriumnitraat of kaliumnitraat, natriumnitriet of kaliumnitriet, ascorbinezuur en zijn natriumzout, zijn eveneens toegestaan;

het hakvlees wordt in natuurlijke varkensdarm gestopt;

de darm wordt met een touwtje dichtgehouden (er wordt geen net gebruikt);

de salamiworst droogt en rijpt.

3.6.   Specifieke voorschriften betreffende het in plakken snijden, het raspen, het verpakken, enz.

Het in plakken snijden en verpakken van de „Salame Felino” mag uitsluitend plaatsvinden onder toezicht van de erkende controle-instantie en op de wijze die in het controleprogramma is vastgesteld.

Omdat de salamiworst dermate verfijnd is en het snijden en verpakken onder potentieel belastende omstandigheden plaatsvindt, is het noodzakelijk dat de tijdspanne waarin de plakken salamiworst met de lucht in aanraking komen, zo kort mogelijk wordt gehouden teneinde te voorkomen dat het product bruin zou kleuren.

3.7.   Specifieke voorschriften betreffende de etikettering

De „Salame Felino” met de BGA kan in de volgende vormen worden aangeboden: als een hele worst, uitsluitend voorzien van het etiket of eventueel van een zegel, als een deel van een worst, vacuümverpakt of verpakt onder beschermende atmosfeer, of in plakken, vacuümverpakt of verpakt onder beschermende atmosfeer.

De benaming „Salame Felino”, gevolgd door de vermelding „Indicazione Geografica Protetta” of door het acroniem „IGP” (vertaald in de taal van het land waar de worst in de handel wordt gebracht), moeten in onuitwisbare letters, klaar en duidelijk, goed te onderscheiden van andere eventuele vermeldingen en gevolgd door het grafische symbool van de EU en door het merkteken van de onderneming, op het etiket, of desnoods op het zegel, worden aangebracht.

4.   Beknopte omschrijving van de afbakening van het geografische gebied

Het productiegebied van de „Salame Felino” BGA valt samen met het administratieve grondgebied van de provincie Parma.

5.   Verband met het geografische gebied

5.1.   Specificiteit van het geografische gebied

Het productiegebied van de „Salame Felino” BGA, dat volledig samenvalt met de provincie Parma, wordt gekenmerkt door zowel heuvels als vlakten en door meren en zoutmijnen.

De afbakening van het geografische gebied heeft plaatsgevonden op basis van een grondige historische reconstructie van de productiepraktijken die tot de creatie van dit typische product hebben geleid en die niet los kunnen worden gezien van de duizendjarige traditie op het gebied van varkens slachten en het laten rijpen van varkensvlees. Deze traditie bestaat reeds sinds de oudheid en wordt in stand gehouden door de aanwezigheid van zoutmijnen in de regio en door de bijzondere klimaatomstandigheden die er heersen als gevolg van de specifieke vochtigheidsgraad, de blootstelling aan zeebriezen en de grote concentratie aan uitgestrekte beboste vlakten.

In de Parmezaanse heuvels gingen de in de vlakten toegepaste technieken en het gebruik van het zout van Salsomaggiore steeds hand in hand.

Met „de in de vlakten toegepaste technieken” worden de praktijken om het varkensvlees te verwerken en te laten rijpen bedoeld die in de Etruskische en de Romeinse tijd werden ontwikkeld, onder meer doordat in deze regio varkenshouderijbedrijven gevestigd waren die met name de Romeinse legioenen van vlees moesten voorzien en die zich in de heuvels aan de rand van de vlakten bevonden, waar ze gemakkelijker gebruik konden maken van het zout uit de mijnen van Salsomaggiore, een gemeente in de heuvels waar van oudsher de zoutverwerking geconcentreerd was. Het zout, dat een kostbaar materiaal was, werd verwerkt op plekken die verder verwijderd lagen van de verbindingswegen en bijgevolg meer beschutting boden tegen eventuele diefstal.

Het is aan de aanwezigheid van deze zoutmijnen te danken dat de praktijken van het inzouten en van de verwerking van het varkensvlees vanaf 1300 hebben geleid tot de vervaardiging van producten die zowel op nationaal als op internationaal vlak op erkenning kunnen bogen.

5.2.   Specificiteit van het product

De „Salame Felino” BGA onderscheidt zich van andere producten van dezelfde handelscategorie door de compacte en niet-elastische consistentie, de homogeniteit en de robijnrode kleur. De smaak is zacht en verfijnd.

Het is een salamiworst die, in tegenstelling tot het merendeel van de andere in de handel gebrachte worsten, uitsluitend in natuurlijke varkensdarm wordt aangeboden (nooit in kunstdarm). De „Salame Felino” bevat geen lactose of melkmeel, heeft een laag pH-gehalte, hetgeen de organoleptische kenmerken van het product nog sterker doet uitkomen.

5.3.   Causaal verband tussen het geografische gebied en de kwaliteit of de kenmerken van het product (voor een BOB) dan wel van een bepaalde hoedanigheid, de faam of een ander kenmerk van het product (voor een BGA)

De faam van de „Salame Felino” BGA wordt geïllustreerd door de overvloedige bibliografie die verwijzingen naar het product bevat of waarin citaten met betrekking tot het product zijn opgenomen.

De eerste verwijzingen naar het product worden reeds aangetroffen bij bepaalde Latijnse auteurs uit de eerste eeuw na Christus. (Apicius, De re coquinaria).

De „Salame Felino” was zeer bekend aan de diverse hoven die elkaar in de hoofdstad zijn opgevolgd: van de Farneses via hertogin Marie-Louise tot de Bourbons.

De oudste voorstelling van het product blijkt deel uit te maken van het interne decor van het baptisterium van Parma (1196-1307). Daar kan men op de plaat die aan het astrologische teken Waterman is gewijd, boven het haardvuur, schrijlings op de draaiende ondersteuning van een kookpot geplaatst, twee worsten zien die aan de hand van de afmetingen en de vorm, die vandaag de dag nog steeds dezelfde zijn, als het product met de BGA „Salame Felino” kunnen worden geïdentificeerd.

In 1766 bleek uit een telling van de varkens dat het markgraafschap Felino de meest geanimeerde markt voor varkensvlees van de regio was. Uit diezelfde periode dateren ook uit de gemeente Felino afkomstige prijslijsten waarop de prijzen van de magere en de vette worsten zijn vermeld. Vanaf 1800 wordt in de kronieken met betrekking tot de culinaire en andere gewoonten melding gemaakt van een in de gemeente Felino toegepaste speciale werkwijze om varkensvlees tot worst te verwerken.

In 1905 werd de uitdrukking „Salame Felino” opgenomen in het Italiaanse woordenboek en in 1912 werd de worstproductie in Felino vermeld in het door de minister van Landbouw opgestelde verslag over de in dat jaar geboekte economische vooruitgang.

Vanaf 1927 kenden de bevoegde plaatselijke overheidsinstanties aan de in de provincie Parma geproduceerde worst de benaming „Salame Felino” toe, een benaming waaraan uiteraard reeds een zekere roem en faam verbonden was en die het dus waard was erkend te worden, te meer trouwens omdat het gangbaar worden van de benaming in het handelsverkeer volgens l’Ufficio e Consiglio Provinciale dell’Economia Nazionale voor meer welvaart in de provincie kon zorgen. Nu nog kan de verankering van de productie van de „Salame Felino” in de provincie Parma aan de hand van grondig onderzoek en grondige studies van de gastronomische cultuur van de Parmezaanse regio worden vastgesteld. Talrijk zijn namelijk de artikelen waarin de „Salame Felino” en de gastronomische cultuur van de provincie in één adem worden genoemd en waarin de worst wordt beschreven als één van de meest geapprecieerde, in darm afgevulde vleesproducten van Parma waarvan de kwaliteit onlosmakelijk verbonden is met de eeuwenoude traditie die in de vallei van de provincie Parma tot ontwikkeling kwam en ook uitsluitend hier werd bewaard. Vermelden we verder nog de talrijke, zowel in Italië als in het buitenland door de plaatselijke autoriteiten en de provinciale instellingen van Parma ter ere van de „Salame Felino” op touw gezette manifestaties en evenementen die de gelegenheid bieden om het product te proeven of om informatie in te winnen over de kenmerken en de historische productie van de „Salame Felino” in de provincie Parma.

Verwijzing naar de bekendmaking van het productdossier

(artikel 5, lid 7, van Verordening (EG) nr. 510/2006)

De bevoegde instantie heeft de nationale procedure voor de indiening van bezwaarschriften ingeleid met de bekendmaking van het voorstel tot erkenning van de beschermde geografische aanduiding „Salame Felino” in de Gazette Ufficiale van Italië.

De geconsolideerde tekst van het productdossier kan worden geraadpleegd

via de volgende link:

http://www.politicheagricole.it/flex/cm/pages/ServeBLOB.php/L/IT/IDPagina/3335

of:

rechtstreeks via de homepage van het ministerie van Landbouw-, voeding- en bosbeleid (www.politicheagricole.it): klikken op „Prodotti di Qualità” (links op het scherm) en vervolgens op „Disciplinari di Produzione all’esame dell’UE (Reg CE 510/2006)”.


(*1)  Vervangen door Verordening (EU) nr. 1151/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 inzake kwaliteitsregelingen voor landbouwproducten en levensmiddelen.


6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 187/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2013

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof ethyleen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De werkzame stof ethyleen is in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2) opgenomen bij Richtlijn 2008/127/EG van de Commissie (3) volgens de procedure van artikel 24 ter van Verordening (EG) nr. 2229/2004 van de Commissie van 3 december 2004 houdende nadere bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (4). Sinds de vervanging van Richtlijn 91/414/EEG door Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt deze stof geacht krachtens die verordening te zijn goedgekeurd en is zij opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (5).

(2)

Overeenkomstig artikel 25 bis van Verordening (EG) nr. 2229/2004 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna de „EFSA” genoemd) op 16 december 2011 haar standpunt over het ontwerpevaluatieverslag voor ethyleen (6) aan de Commissie voorgelegd. De EFSA heeft haar standpunt over ethyleen aan de kennisgever meegedeeld, die door de Commissie is verzocht het ontwerpevaluatieverslag voor ethyleen te becommentariëren. Het ontwerpevaluatieverslag en het standpunt van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 1 februari 2013 goedgekeurd in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor ethyleen.

(3)

Er wordt bevestigd dat de werkzame stof ethyleen geacht moet worden krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 te zijn goedgekeurd.

(4)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, juncto artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis moeten de goedkeuringsvoorwaarden voor ethyleen worden gewijzigd. Met name dient de vereiste minimale zuiverheidsgraad te worden gewijzigd en dienen alleen toelatingen voor indoortoepassingen door professionele gebruikers te worden verleend. Voorts moeten de lidstaten bij de verlening van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die ethyleen bevatten, bijzondere aandacht schenken aan de bescherming van toepassers, werknemers en omstanders, alsmede aan de vraag of ethyleen aan de vereiste specificaties voldoet, ongeacht in welke vorm het aan de gebruiker wordt geleverd.

(5)

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Er moet een redelijke termijn vóór de toepassing van deze verordening worden toegestaan om de lidstaten, de kennisgever en de houders van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die ethyleen bevatten in staat te stellen te voldoen aan de voorschriften als gevolg van de wijziging van de goedkeuringsvoorwaarden.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 februari 2014.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(3)   PB L 344 van 20.12.2008, blz. 89.

(4)   PB L 379 van 24.12.2004, blz. 13.

(5)   PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance ethylene, EFSA Journal 2012; 10(1):2508 (43 blz.). doi:10.2903/j.efsa.2012.2508. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu/efsajournal


BIJLAGE

In deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt nummer 227 over de werkzame stof ethyleen vervangen door:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„227

Ethyleen

CAS-nr.: 74-85-1

CIPAC-nr.: 839

Ethyleen

≥ 90 %

Relevante onzuiverheid: ethyleenoxide, maximumgehalte: 1 mg/kg

1 september 2009

31 augustus 2019

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor indoortoepassingen als groeiregulator voor planten door professionele gebruikers.

DEEL B

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over ethyleen (SANCO/2608/2008) (en met name met de aanhangsels I en II), dat door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid op 1 februari 2013 is goedgekeurd.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten bijzondere aandacht besteden aan:

a)

de vraag of ethyleen aan de vereiste specificaties voldoet, ongeacht in welke vorm het aan de gebruiker wordt geleverd;

b)

de bescherming van toepassers, werknemers en omstanders.

De toelatingsvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.”


(1)  De evaluatieverslagen bevatten nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stoffen.


6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/13


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 188/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2013

tot goedkeuring van de werkzame stof mandipropamid overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen, en tot wijziging van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG (1) van de Raad, en met name artikel 13, lid 2, en artikel 78, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 is Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2), wat de procedure en de goedkeuringsvoorwaarden betreft, van toepassing op werkzame stoffen waarvoor een besluit is genomen voor 14 juni 2011 overeenkomstig artikel 6, lid 3, van die richtlijn. Voor mandipropamid is bij Beschikking 2006/589/EG van de Commissie (3) aan de voorwaarden van artikel 80, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 voldaan.

(2)

Oostenrijk heeft overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG op 13 december 2005 van Syngenta Crop Protection AG een aanvraag ontvangen om de werkzame stof mandipropamid in bijlage I bij die richtlijn op te nemen. Bij Beschikking 2006/589/EG is bevestigd dat het dossier „volledig” is, wat wil zeggen dat het in beginsel geacht wordt te voldoen aan de voorschriften inzake gegevens en informatie van de bijlagen II en III bij Richtlijn 91/414/EEG

(3)

Voor die werkzame stof zijn de uitwerking op de gezondheid van mens en dier en het milieueffect overeenkomstig artikel 6, leden 2 en 4, van Richtlijn 91/414/EEG beoordeeld voor de door de aanvrager voorgestelde toepassingen. De aangewezen lidstaat-rapporteur heeft op 30 november 2006 een ontwerpbeoordelingsverslag ingediend.

(4)

Het ontwerpbeoordelingsverslag is door de lidstaten en de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) onderzocht. De EFSA heeft haar conclusie over het onderzoek van de risicobeoordeling van de werkzame stof mandipropamid (4) als bestrijdingsmiddel op 18 oktober 2012 aan de Commissie voorgelegd. Het ontwerpbeoordelingsverslag en de conclusie van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 1 februari 2013 afgerond in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor mandipropamid.

(5)

Uit de verschillende onderzoeken is gebleken dat mag worden verwacht dat gewasbeschermingsmiddelen die mandipropamid bevatten, in het algemeen zullen voldoen aan de in artikel 5, lid 1, onder a) en b), en lid 3, van Richtlijn 91/414/EEG gestelde eisen, met name voor de toepassingen waarvoor zij zijn onderzocht en die zijn opgenomen in het evaluatieverslag van de Commissie. Daarom moet mandipropamid worden goedgekeurd.

(6)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, in samenhang met artikel 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, en in het licht van de stand van de wetenschappelijke en technische kennis, is het echter noodzakelijk bepaalde voorwaarden en beperkingen op te nemen. Er moet met name om verdere bevestigende informatie worden gevraagd.

(7)

Er moet een redelijke termijn worden vastgesteld voordat goedkeuring wordt verleend, zodat de lidstaten en de belanghebbende partijen zich kunnen voorbereiden op de nieuwe eisen die uit de goedkeuring voortvloeien.

(8)

Onverminderd de verplichtingen uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1107/2009 als gevolg van de goedkeuring en rekening houdend met de specifieke situatie die is ontstaan door de overgang van Richtlijn 91/414/EEG naar Verordening (EG) nr. 1107/2009 is het volgende echter van toepassing. De lidstaten moet een periode van zes maanden na de goedkeuring worden toegestaan om de toelatingen van gewasbeschermingsmiddelen die mandipropamid bevatten, opnieuw te onderzoeken. De lidstaten moeten naargelang het geval de toelatingen wijzigen, vervangen of intrekken. In afwijking van die termijn moet een langere termijn worden vastgesteld voor de indiening en evaluatie van de bijwerking van het volledige dossier conform bijlage III, als vastgesteld in Richtlijn 91/414/EEG, voor elk gewasbeschermingsmiddel en elke beoogde toepassing overeenkomstig de uniforme beginselen.

(9)

Uit de ervaring met opnemingen in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van werkzame stoffen die in het kader van Verordening (EEG) nr. 3600/92 van de Commissie van 11 december 1992 houdende bepalingen voor de uitvoering van de eerste fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (5) zijn onderzocht, is gebleken dat de uitlegging van de verplichtingen van houders van bestaande toelatingen wat de toegang tot gegevens betreft, tot problemen kan leiden. Om nog meer problemen te voorkomen, moeten de verplichtingen van de lidstaten worden verduidelijkt, en met name de plicht om te verifiëren of de houder van een toelating toegang verschaft tot een dossier dat voldoet aan de voorschriften van bijlage II bij die richtlijn. Deze verduidelijking legt de lidstaten of de houders van toelatingen echter ten opzichte van de tot nu toe goedgekeurde richtlijnen tot wijziging van bijlage I bij die richtlijn of de verordeningen tot goedkeuring van werkzame stoffen geen nieuwe verplichtingen op.

(10)

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 moet de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (6) dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(11)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Goedkeuring van de werkzame stof

De in bijlage I gespecificeerde werkzame stof mandipropamid wordt goedgekeurd onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden.

Artikel 2

Herbeoordeling van gewasbeschermingsmiddelen

1.   Indien nodig moeten de lidstaten de bestaande toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen die mandipropamid als werkzame stof bevatten, uiterlijk op 31 januari 2014 overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 wijzigen of intrekken.

Uiterlijk op die datum verifiëren zij met name of aan de voorwaarden van bijlage I bij deze verordening is voldaan, met uitzondering van de voorwaarden in de kolom betreffende de specifieke bepalingen van die bijlage, en of de houder van de toelating in het bezit is van of toegang heeft tot een dossier dat overeenkomstig de voorwaarden van artikel 13, leden 1 tot en met 4, van Richtlijn 91/414/EEG en artikel 62 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 aan de eisen van bijlage II bij die richtlijn voldoet.

2.   In afwijking van lid 1 voeren de lidstaten op basis van een dossier conform bijlage III bij Richtlijn 91/414/EEG en rekening houdend met de kolom over de specifieke bepalingen van bijlage I bij deze verordening, overeenkomstig de uniforme beginselen, als bedoeld in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009, een nieuwe beoordeling uit voor elk toegelaten gewasbeschermingsmiddel dat mandipropamid bevat als enige werkzame stof of als een van een aantal werkzame stoffen die alle uiterlijk op 31 juli 2013 in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 zijn opgenomen. Aan de hand van die beoordeling bepalen zij of het gewasbeschermingsmiddel voldoet aan de voorwaarden van artikel 29, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1107/2009.

Daarna zorgen de lidstaten ervoor dat:

a)

als mandipropamid de enige werkzame stof in het gewasbeschermingsmiddel is, de toelating indien nodig uiterlijk op 31 januari 2015 wordt gewijzigd of ingetrokken, of

b)

als het gewasbeschermingsmiddel naast mandipropamid nog één of meer andere werkzame stoffen bevat, de toelating indien nodig uiterlijk 31 januari 2015 of, als dat later is, op de datum die voor een dergelijke wijziging of intrekking is vastgesteld in de rechtshandelingen waarbij die stoffen aan bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG zijn toegevoegd of zijn goedgekeurd, wordt gewijzigd of ingetrokken.

Artikel 3

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Inwerkingtreding en toepassingsdatum

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 augustus 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(3)   PB L 240 van 9.9.2006, blz. 9.

(4)  EFSA Journal (2012) 10(11):2935. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu

(5)   PB L 366 van 15.12.1992, blz. 10.

(6)   PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE I

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

Mandipropamid

CAS-nr.: 374726-62-2

CIPAC-nr.: 783

(RS)-2-(4-chloorfenyl)-N-[3-methoxy-4-(prop-2-ynyloxy)fenethyl]-2-(prop-2-ynyloxy)aceetamide

≥ 930 g/kg

De onzuiverheid N-{2-[4-(2-chloorallyloxy)-3-methoxyfenyl]ethyl}-2-(4-chloorfenyl)-2-(prop-2-ynyloxy)aceetamide is toxicologisch relevant en mag in het technische materiaal 0,1 g/kg niet overschrijden.

1 augustus 2013

31 juli 2023

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over mandipropamid (met name met de aanhangsels I en II), dat op 1 februari 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond.

De gebruiksvoorwaarden moeten indien nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie verstrekken over de mogelijke preferentiële enantiomere transformatie of racemisatie van mandipropamid aan het bodemoppervlak als gevolg van bodemfotolyse.

De aanvrager moet die informatie uiterlijk op 31 juli 2015 indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.


(1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


BIJLAGE II

In deel B van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (*1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„34

Mandipropamid

CAS-nr.: 374726-62-2

CIPAC-nr.: 783

(RS)-2-(4-chloorfenyl)-N-[3-methoxy-4-(prop-2-ynyloxy)fenethyl]-2-(prop-2-ynyloxy)aceetamide

≥ 930 g/kg

De onzuiverheid N-{2-[4-(2-chloorallyloxy)-3-methoxyfenyl]ethyl}-2-(4-chloorfenyl)-2-(prop-2-ynyloxy)aceetamide is toxicologisch relevant en mag in het technische materiaal 0,1 g/kg niet overschrijden.

1 augustus 2013

31 juli 2023

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over mandipropamid (met name met de aanhangsels I en II), dat op 1 februari 2013 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid is afgerond.

De gebruiksvoorwaarden moeten indien nodig risicobeperkende maatregelen omvatten.

De aanvrager moet bevestigende informatie verstrekken over de mogelijke preferentiële enantiomere transformatie of racemisatie van mandipropamid aan het bodemoppervlak als gevolg van bodemfotolyse.

De aanvrager moet die informatie uiterlijk op 31 juli 2015 indienen bij de Commissie, de lidstaten en de EFSA.”


(*1)  Het evaluatieverslag bevat nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stof.


6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/17


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 189/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2013

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 185/2010 op het gebied van de regeling voor bekende afzenders

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (1), en met name artikel 4, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) nr. 185/2010 van de Commissie (2) voorziet in een overgangsperiode voor de toepassing van de eisen inzake de goedkeuring van bekende afzenders. Ter vereenvoudiging moet deze datum worden geharmoniseerd met de andere data in die verordening.

(2)

Verordening (EU) nr. 185/2010 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 300/2008 ingestelde Comité voor de beveiliging van de burgerluchtvaart,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EU) nr. 185/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.

(2)   PB L 55 van 5.3.2010, blz. 1.


BIJLAGE

In hoofdstuk 6 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 185/2010 wordt punt 6.4.1.2, letter d), vervangen door:

„d)

Een bekende afzender die vóór 29 april 2010 is goedgekeurd met het oog op de toepassing van de eisen van punt 6.4.2, mag tot 28 april 2013 worden beschouwd als een bekende afzender met het oog op de toepassing van Verordening (EG) nr. 300/2008 en de uitvoeringsbesluiten daarvan.”.


6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 190/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2013

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wat betreft de voorwaarden voor de goedkeuring van de werkzame stof natriumhypochloriet

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 13, lid 2, onder c),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De werkzame stof natriumhypochloriet is in bijlage I bij Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (2) opgenomen bij Richtlijn 2008/127/EG van de Commissie (3) volgens de procedure van artikel 24 ter van Verordening (EG) nr. 2229/2004 van de Commissie van 3 december 2004 houdende nadere bepalingen voor de uitvoering van de vierde fase van het werkprogramma als bedoeld in artikel 8, lid 2, van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (4). Sinds de vervanging van Richtlijn 91/414/EEG door Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt deze stof geacht krachtens die verordening te zijn goedgekeurd en is zij opgenomen in deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de lijst van goedgekeurde werkzame stoffen betreft (5).

(2)

Overeenkomstig artikel 25 bis van Verordening (EG) nr. 2229/2004 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (hierna „de EFSA” genoemd) op 25 juni 2012 haar standpunt over het ontwerpevaluatieverslag voor natriumhypochloriet (6) aan de Commissie voorgelegd. De EFSA heeft haar standpunt over natriumhypochloriet aan de kennisgever meegedeeld, die door de Commissie is verzocht het ontwerpevaluatieverslag voor natriumhypochloriet te becommentariëren. Het ontwerpevaluatieverslag en het standpunt van de EFSA zijn door de lidstaten en de Commissie in het kader van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid onderzocht en op 1 februari 2013 goedgekeurd in de vorm van het evaluatieverslag van de Commissie voor natriumhypochloriet.

(3)

Er wordt bevestigd dat de werkzame stof natriumhypochloriet geacht moet worden krachtens Verordening (EG) nr. 1107/2009 te zijn goedgekeurd.

(4)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, juncto artikel 6 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 en in het licht van de huidige wetenschappelijke en technische kennis moeten de goedkeuringsvoorwaarden voor natriumhypochloriet worden gewijzigd. Hoewel er uitvoerige informatie beschikbaar is over natriumhypochloriet als algemeen verkrijgbare stof, zou de beoordeling van de blootstelling van toepassers, werknemers en oppervlaktewater niet kunnen worden afgerond wanneer alleen de door de kennisgever verstrekte gegevens in aanmerking werden genomen. Derhalve dienen alleen toelatingen voor indoortoepassingen te worden verleend en dienen enkele nieuwe bepalingen te worden ingevoegd voor de lidstaten die toelatingen verlenen voor gewasbeschermingsmiddelen die natriumhypochloriet bevatten.

(5)

De bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Er moet een redelijke termijn vóór de toepassing van deze verordening worden toegestaan om de lidstaten, kennisgevers en houders van toelatingen voor gewasbeschermingsmiddelen in staat te stellen te voldoen aan de voorschriften als gevolg van de wijziging van de goedkeuringsvoorwaarden.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(2)   PB L 230 van 19.8.1991, blz. 1.

(3)   PB L 344 van 20.12.2008, blz. 89.

(4)   PB L 379 van 24.12.2004, blz. 13.

(5)   PB L 153 van 11.6.2011, blz. 1.

(6)  Europese Autoriteit voor voedselveiligheid, Conclusion on the peer review of the pesticide risk assessment of the active substance sodium hypochlorite, EFSA Journal 2012; 10(7):2796 (40 blz.). doi: 10.2903/j.efsa.2012.2796. Online beschikbaar op: www.efsa.europa.eu/efsajournal.


BIJLAGE

In deel A van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 540/2011 wordt nummer 254 over de werkzame stof natriumhypochloriet vervangen door:

Nummer

Benaming, identificatienummers

IUPAC-benaming

Zuiverheid (1)

Datum van goedkeuring

Geldigheidsduur

Specifieke bepalingen

„254

Natriumhypochloriet

CAS-nr.: 7681-52-9

CIPAC-nr.: 848

Natriumhypochloriet

Natriumhypochloriet: 105 g/kg-126 g/kg (122 g/l-151 g/l) technisch concentraat

10-12 % (m/m), uitgedrukt als chloor

1 september 2009

31 augustus 2019

DEEL A

Mag alleen worden toegelaten voor indoortoepassingen als ontsmettingsmiddel.

DEEL B

Voor de toepassing van de in artikel 29, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 bedoelde uniforme beginselen moet rekening worden gehouden met de conclusies van het evaluatieverslag over natriumhypochloriet (SANCO/2988/2008) (en met name met de aanhangsels I en II), dat door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid op 1 februari 2013 is goedgekeurd.

Bij deze algemene beoordeling moeten de lidstaten:

a)

bijzondere aandacht besteden aan het risico voor toepassers en werknemers;

b)

vermijden dat de bodem wordt blootgesteld aan natriumhypochloriet en reactieproducten daarvan via de verspreiding van behandelde compost op biologisch land.

De gebruiksvoorwaarden moeten, indien nodig, risicobeperkende maatregelen omvatten.”


(1)  De evaluatieverslagen bevatten nadere gegevens over de identiteit en de specificatie van de werkzame stoffen.


6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/22


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 191/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2013

tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 798/2008, (EG) nr. 119/2009 en (EU) nr. 206/2010 en Beschikking 2000/572/EG wat betreft de verklaring inzake het dierenwelzijn in de modellen van veterinaire certificaten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/99/EG van de Raad van 16 december 2002 houdende vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de productie, de verwerking, de distributie en het binnenbrengen van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 9, lid 4, onder b),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 798/2008 (2) wordt een lijst vastgesteld van derde landen, gebieden, zones of compartimenten waaruit pluimvee en pluimveeproducten mogen worden ingevoerd in en doorgevoerd door de Gemeenschap, en de voorschriften inzake veterinaire certificering.

(2)

In Verordening (EG) nr. 119/2009 van de Commissie (3) wordt een lijst vastgesteld van derde landen of delen daarvan voor de invoer in of de doorvoer door de Gemeenschap van vlees van wilde leporidae, bepaalde niet-gedomesticeerde landzoogdieren en gekweekte konijnen en tot vaststelling van de voorschriften inzake de veterinaire certificering.

(3)

In Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie (4) worden de voorschriften inzake veterinaire certificering vastgesteld voor het binnenbrengen in de Unie van bepaalde zendingen van levende dieren of vers vlees. In de verordening worden ook lijsten vastgesteld van derde landen en gebieden, of delen daarvan, die aan bepaalde criteria voldoen en waaruit derhalve zendingen in de Unie mogen worden binnengebracht, alsmede de voorschriften inzake de veterinaire certificering voor het binnenbrengen in de Unie van bepaalde zendingen vers vlees van hoefdieren als omschreven in Richtlijn 2004/68/EG van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in en doorvoer via de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren, en tot wijziging van de Richtlijnen 90/426/EEG en 92/65/EEG en tot intrekking van Richtlijn 72/462/EEG (5).

(4)

In Beschikking 2000/572/EG van de Commissie (6) worden de veterinairrechtelijke voorschriften, de gezondheidsvoorschriften en de voorschriften inzake veterinaire certificering voor de invoer van vleesbereidingen uit derde landen vastgesteld.

(5)

In Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (7) worden voorschriften vastgesteld voor de bescherming van dieren bij het doden, die met ingang van 1 januari 2013 van toepassing zijn.

(6)

In artikel 12 van die verordening is bepaald dat het gezondheidscertificaat dat uit derde landen ingevoerd vlees vergezelt, moeten worden aangevuld met een verklaring dat is voldaan aan voorschriften die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de hoofdstukken II en III van die verordening.

(7)

Om redenen van duidelijkheid moeten de verklaringen inzake het dierenwelzijn in het model van de veterinaire certificaten „POU” en „RAT” die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008, in het model van het veterinair certificaat „RM” dat is vastgesteld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 119/2009, in het model van de veterinaire certificaten „BOV”, „OVI”, „POR”, „EQU” en „SUF” die zijn vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 en in het model van het veterinair certificaat „MP-PREP” dat is vastgesteld in bijlage II bij Beschikking 2000/572/EG, worden geactualiseerd.

(8)

Deze verklaring moet ook worden toegevoegd aan het model van het veterinair certificaat „RUF” dat is vastgesteld in deel 2 van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 206/2010 om in de nodige certificering te voorzien, zij het alleen in het geval dat gekweekt wild wordt geslacht of gedood in een slachthuis.

(9)

Er dient te worden voorzien in een overgangsperiode om derde landen in staat te stellen zich aan te passen aan de gewijzigde modellen van de veterinaire certificaten.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 798/2008

In het model van de veterinaire certificaten „POU” en „RAT” in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 798/2008 wordt punt II.3 vervangen door:

„II.3.   Verklaring inzake het dierenwelzijn

Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat het in deel I van dit certificaat omschreven verse vlees verkregen is van dieren die in het slachthuis vóór en tijdens het slachten of doden zijn behandeld met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van de wetgeving van de EU en hebben voldaan aan voorschriften die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de hoofdstukken II en III van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (*1).

(*1)   PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.”."

Artikel 2

Wijzigingen van Verordening (EG) nr. 119/2009

In het model van het veterinair certificaat „RM” in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 119/2009 wordt punt V vervangen door:

„V.   VERKLARING INZAKE HET DIERENWELZIJN

Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat het in deel I van dit certificaat omschreven verse vlees verkregen is van dieren die in het slachthuis vóór en tijdens het slachten of doden zijn behandeld met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van de wetgeving van de EU en hebben voldaan aan voorschriften die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de hoofdstukken II en III van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (*2).

(*2)   PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.”."

Artikel 3

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 206/2010

Verordening (EU) nr. 206/2010 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In het model van de veterinaire certificaten „BOV”, „OVI”, „POR”, „EQU” en „SUF” in deel 2 van bijlage II wordt punt II.3 vervangen door:

„II.3.   Verklaring inzake het dierenwelzijn

Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat het in deel I van dit certificaat omschreven verse vlees verkregen is van dieren die in het slachthuis vóór en tijdens het slachten of doden zijn behandeld met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van de wetgeving van de EU en hebben voldaan aan voorschriften die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de hoofdstukken II en III van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (*3).

(*3)   PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.”."

2)

In het model van het veterinair certificaat „RUF” in deel 2 van bijlage II wordt na punt II.2.7 het volgende punt II.3 ingevoegd:

„(1) II.3.   Verklaring inzake het dierenwelzijn

Indien het in deel I van dit certificaat omschreven verse vlees verkregen is van dieren die geslacht of gedood in een slachthuis, verklaart ondergetekende, officieel dierenarts, dat deze dieren in het slachthuis vóór en tijdens het slachten of doden zijn behandeld met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van de wetgeving van de EU en hebben voldaan aan voorschriften die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de hoofdstukken II en III van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (*4).

(*4)   PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.”."

Artikel 4

Wijziging van Beschikking 2000/572/EG

In het model van het veterinair certificaat „MP-PREP” in bijlage II bij Beschikking 2000/572/EG wordt punt II.3 vervangen door:

„II.3.   Verklaring inzake het dierenwelzijn

Ondergetekende, officieel dierenarts, verklaart dat de in deel I van dit certificaat omschreven vleesbereidingen (1) verkregen zijn van het vlees van dieren die in het slachthuis vóór en tijdens het slachten of doden zijn behandeld met inachtneming van de desbetreffende bepalingen van de wetgeving van de EU en hebben voldaan aan voorschriften die ten minste gelijkwaardig zijn aan die welke zijn vastgesteld in de hoofdstukken II en III van Verordening (EG) nr. 1099/2009 van de Raad (*5).

(*5)   PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.”."

Artikel 5

Overgangsbepaling

Zendingen producten van dierlijke oorsprong die vergezeld gaan van de vereiste veterinaire certificaten die uiterlijk op 30 november 2013 zijn afgegeven in overeenstemming met de modellen van veterinaire certificaten die vóór de inwerkingtreding van deze verordening geldig waren, mogen nog tot en met 31 januari 2014 in de Unie worden binnengebracht.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 18 van 23.1.2003, blz. 11.

(2)   PB L 226 van 23.8.2008, blz. 1.

(3)   PB L 39 van 10.2.2009, blz. 12.

(4)   PB L 73 van 20.3.2010, blz. 1.

(5)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 319.

(6)   PB L 240 van 23.9.2000, blz. 19.

(7)   PB L 303 van 18.11.2009, blz. 1.


6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/25


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 192/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

82,8

MA

58,9

TN

87,6

TR

100,6

ZZ

82,5

0707 00 05

EG

191,6

MA

170,1

TR

176,5

ZZ

179,4

0709 91 00

EG

82,2

ZZ

82,2

0709 93 10

MA

47,5

TR

131,1

ZZ

89,3

0805 10 20

EG

50,5

IL

71,4

MA

49,4

TN

56,3

TR

62,7

ZZ

58,1

0805 50 10

TR

75,6

ZZ

75,6

0808 10 80

AR

115,2

BR

110,3

CL

115,2

CN

78,5

MK

31,3

US

164,6

ZZ

102,5

0808 30 90

AR

121,2

CL

175,5

TR

179,9

US

185,0

ZA

108,9

ZZ

154,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

6.3.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 62/27


BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 1 maart 2013

tot vaststelling van de richtsnoeren voor de lidstaten inzake de berekening van de hernieuwbare energie uit warmtepompen met verschillende warmtepomptechnologieën overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 1082)

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/114/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen en houdende wijziging en intrekking van Richtlijn 2001/77/EG en Richtlijn 2003/30/EG (1), en met name artikel 5, lid 4, juncto bijlage VII,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2009/28/EG is een EU-streefcijfer vastgesteld van 20 % hernieuwbare energie in het bruto-eindverbruik dat in 2020 moet zijn bereikt, en die richtlijn bevat tevens nationale streefcijfers voor hernieuwbare energie voor elke lidstaat, alsmede een indicatieve minimumketen.

(2)

Om het verbruik aan hernieuwbare energie te meten is een passende methode voor energiestatistiek nodig.

(3)

In bijlage VII bij Richtlijn 2009/28/EG zijn de regels vastgesteld voor de boekhouding van de energie uit warmtepompen en overeenkomstig die bijlage moet de Commissie richtsnoeren opstellen voor de lidstaten om de nodige parameters te ramen, met inachtneming van de verschillen in klimaatomstandigheden, met name zeer koude klimaten.

(4)

De methode om een boekhouding te voeren van hernieuwbare energie uit warmtepompen moet voortbouwen op de best beschikbare wetenschappelijke gegevens, zo accuraat mogelijk zijn, zonder evenwel overdreven ingewikkeld en kostbaar om in te voeren te zijn.

(5)

Alleen omgevingslucht, d.w.z. buitenlucht, kan de energiebron zijn voor een lucht-luchtwarmtepomp. Als de energiebron echter een mengsel van afvalenergie en omgevingsenergie is (bv. uitlaatlucht uit luchtcirculatie-eenheden) moet de methode voor de berekening van de geleverde hernieuwbare energie dit weerspiegelen.

(6)

Omkeerbare warmtepompen in warmere klimaten worden vaak geïnstalleerd met het oogmerk het binnenmilieu te koelen, hoewel zij ook kunnen worden gebruikt om in de winter te verwarmen. Dergelijke warmtepompen kunnen ook parallel aan een bestaand verwarmingssysteem worden geïnstalleerd. In dergelijke situaties weerspiegelt de geïnstalleerde capaciteit eerder de vraag naar koeling dan de geleverde warmte. Aangezien de geïnstalleerde capaciteit in deze richtsnoeren gebruikt wordt als indicator van de vraag naar warmte, volgt hieruit dat de statistieken van de geïnstalleerde capaciteit de hoeveelheid geleverde warmte te hoog zullen ramen. Dit behoeft de nodige aanpassing.

(7)

Deze richtsnoeren stellen de lidstaten in staat de hernieuwbare energie die door warmtepomptechnologieën wordt geleverd te berekenen en in de boekhouding op te nemen. Met name wordt hierin uiteengezet hoe de lidstaten de beide parameters Qusable en het „seizoensgebonden rendement” (SPF) moeten ramen, met inachtneming van de verschillen in klimaatomstandigheden, in het bijzonder zeer koude klimaten.

(8)

Het moet de lidstaten worden toegestaan hun eigen berekeningen en onderzoeken te doen om de nauwkeurigheid van nationale statistieken verder te verbeteren dan mogelijk is met de in dit besluit vastgestelde methode,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De richtsnoeren voor het ramen van de productie van hernieuwbare energie met verschillende warmtepomptechnologieën zoals op grond van bijlage VII bij Richtlijn 2009/28/EG is vereist, worden in de bijlage bij dit besluit vastgesteld.

Artikel 2

De richtsnoeren kunnen uiterlijk tot en met 31 december 2016 door de Commissie worden herzien en aangevuld indien de vooruitgang op statistisch, technisch of wetenschappelijk gebied dit nodig maakt.

Artikel 3

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 1 maart 2013.

Voor de Commissie

Günther OETTINGER

Lid van de Commissie


(1)   PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16.


BIJLAGEN

Richtsnoeren voor de lidstaten inzake de berekening van de hernieuwbare energie uit warmtepompen met verschillende warmtepomptechnologieën overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2009/28/EG

1.   INLEIDING

In bijlage VII bij de hernieuwbare-energierichtlijn 2009/28/EG (hierna „de richtlijn” genoemd) is de basismethode vastgesteld voor de berekening van de hernieuwbare energie die door warmtepompen worden geleverd. In die bijlage VII zijn drie parameters vastgesteld die nodig zijn om ervoor te zorgen dat de hernieuwbare energie uit die warmtepompen kan worden meegeteld voor de streefcijfers inzake hernieuwbare energie:

a)

de efficiëntie van het energiesysteem (η of èta);

b)

de geraamde hoeveelheid bruikbare energie uit warmtepompen (Qusable);

c)

het „seizoensgebonden rendement” (SPF).

De methode voor de bepaling van de efficiëntie van het energiesysteem (η) is overeengekomen tijdens de bijeenkomst van de werkgroep statistieken over hernieuwbare energie van 23 oktober 2009  (1). De voor de berekening van de efficiëntie van het energiesysteem benodigde gegevens worden geleverd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1099/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende energiestatistieken (2). De efficiëntie van het energiesysteem (η) is vastgesteld op 0,455 (of 45,5 %) op basis van de meest recente gegevens voor 2010 (3), welke de tegen 2020 te gebruiken waarde is.

In deze richtsnoeren wordt derhalve uiteengezet hoe de lidstaten de beide resterende parameters, Qusable en het „seizoensgebonden rendement” (SPF), met inachtneming van de verschillen in klimaatomstandigheden, in het bijzonder zeer koude klimaten, moeten ramen. Met deze richtsnoeren worden de lidstaten in staat gesteld de hoeveelheid hernieuwbare energie die door warmtepomptechnologieën wordt geleverd, te berekenen.

2.   DEFINITIES

Voor de toepassing van dit besluit gelden de volgende definities:

 

„Qusable ” betekent de geraamde hoeveelheid door warmtepompen geleverde bruikbare warmte, berekend als het product van het nominaal verwarmingsvermogen (Prated) en het jaarlijkse equivalent aan warmtepompuren (HHP), uitgedrukt in GWh;

 

„jaarlijks equivalent aan warmtepompuren” (HHP): het veronderstelde aantal uren per jaar dat een warmtepomp warmte moet leveren bij de nominale capaciteit om de totale door warmtepompen geleverde hoeveelheid bruikbare warmte te leveren, uitgedrukt in h;

 

„nominaal vermogen” (Prated): het koel- of verwarmingsvermogen van de dampcompressiecyclus of de sorptiecyclus van de eenheid onder nominale standaardomstandigheden;

 

„SPF”: het geraamde gemiddelde seizoensgebonden rendement, dat verwijst naar de „netto seizoensgebonden prestatiecoëfficiënt in actieve modus” (SCOPnet) voor elektrische warmtepompen of de „netto seizoensgebonden primaire energieverhouding van de actieve modus” (SPERnet) voor thermische warmtepompen.

3.   RAMING VAN SPF EN QUSABLE

3.1.   Beginselen van de methode

De methode volgt drie belangrijke beginselen:

a)

de methode moet technisch solide zijn;

b)

de aanpak moet pragmatisch zijn, waarbij nauwkeurigheid en kosteneffectiviteit tegen elkaar worden afgewogen;

c)

de standaardfactoren voor de vaststelling van de bijdrage van hernieuwbare energie door warmtepompen worden conservatief vastgesteld, om het risico van overschatting van de bijdrage door warmtepompen aan hernieuwbare energie te verminderen.

De lidstaten worden aangemoedigd de conservatieve standaardwaarden te verbeteren door deze aan te passen aan hun nationale/regionale omstandigheden, en onder andere nauwkeuriger methoden te ontwikkelen. Dergelijke verbeteringen moeten aan de Commissie worden gerapporteerd en openbaar worden gemaakt.

3.2.   Beschrijving van de methode

Overeenkomstig bijlage VII bij de richtlijn moet de hoeveelheid hernieuwbare energie die door pomptechnologieën wordt geleverd, worden berekend met de volgende formule:

Formula

Formula

waarbij

Qusable

=

de geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die door warmtepompen wordt geleverd [GWh];

HHP

=

equivalent aantal uren werking onder volledige belasting [h];

Prated

=

capaciteit van de geïnstalleerde warmtepompen, rekening houdend met de levensduur van de verschillende soorten warmtepompen [GW];

SPF

=

het geraamde gemiddelde seizoensgebonden rendement (SCOPnet of SPERnet);

De standaardwaarden voor HHP en de conservatieve SPF-standaardwaarden staan in de tabellen 1 en 2 in punt 3.6.

3.3.   Minimumprestatie van warmtepompen om op grond van de richtlijn als hernieuwbare energie te worden beschouwd

Overeenkomstig bijlage VII bij de richtlijn, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat alleen warmtepompen met een SPF boven 1,15 * 1/η in aanmerking worden genomen.

Wanneer de efficiëntie van het energiesysteem (η) op 45,5 % wordt vastgesteld (zie punt 1 en voetnoot 3) betekent dit dat de minimum-SPF van elektrische warmtepompen (SCOPnet) die op grond van de richtlijn als hernieuwbare energie kan worden beschouwd, 2,5 bedraagt.

Voor warmtepompen die door thermische energie worden aangedreven (rechtstreeks of door de verbranding van brandstoffen), bedraagt de efficiëntie van het energiesysteem (η) 1. Voor dergelijke warmtepompen bedraagt de minimum-SPF (SPERnet) om in het kader van de richtlijn als hernieuwbare energie te worden beschouwd 1,15.

De lidstaten moeten met name voor lucht/lucht-warmtepompen nagaan welk aandeel van hun reeds geïnstalleerde capaciteit aan warmtepompen een SPF boven het minimumprestatieniveau heeft. Bij die beoordeling kunnen de lidstaten zowel op testgegevens als op metingen afgaan, hoewel een gebrek aan gegevens in veel gevallen de beoordeling zal beperken tot een deskundigenoordeel door iedere lidstaat afzonderlijk. Dergelijke deskundigenoordelen moeten conservatief zijn, wat betekent dat de ramingen de bijdrage van warmtepompen eerder moeten onderschatten dan overschatten (4). Lucht/water-warmtepompen hebben alleen in uitzonderlijke gevallen een SPF boven de minimumdrempelwaarde.

3.4.   Systeemgrenzen voor de meting van energie uit warmtepompen

De systeemgrenzen voor de meting omvatten de koudecyclus, de koudepomp en voor ad-/absorptie bovendien de sorptiecyclus en de oplosmiddelpomp. De vaststelling van het SPF moet plaatsvinden volgens de seizoensgebonden prestatiecoëfficiënt (SCOPnet) overeenkomstig EN 14825:2012 of volgens de seizoensgebonden primaire energieverhouding (SPERnet) overeenkomstig EN 12309. Dat betekent dat rekening moet worden gehouden met het elektriciteits- of brandstofverbruik ten behoeve van de werking van de warmtepomp en de circulatie van het koelmiddel. De overeenkomstige systeemgrens is in de onderstaande figuur 1 in rood weergegeven als SPFH2.

Figuur 1

Systeemgrenzen voor de meting van het SPF en Qusable.

Image 1

Bron:

SEPEMO build.

In figuur 1 worden de volgende afkortingen gebruikt:

ES_fan/pump

Energie voor de werking van de ventilator en/of de pomp die het koelmiddel rondpompt

EHW_hp

Energie voor de werking van de warmtepomp zelf

Ebt_pump

Energie voor de werking van de pomp die het medium rondpompt dat de omgevingsenergie absorbeert (niet voor alle warmtepompen relevant)

EHW_bu

Energie voor de werking van de aanvullende verwarming (niet voor alle warmtepompen relevant)

EB_fan/pump

Energie voor de werking van de ventilator en/of de pomp die het medium rondpompt dat de uiteindelijke bruikbare warmte levert

QH_hp

Warmte die door de warmtebron wordt geleverd via de warmtepomp

QW_hp

Warmte die wordt geleverd door de mechanische energie die gebruikt wordt om de warmtepomp aan te drijven

QHW_hp

Warmte die wordt geleverd door de aanvullende verwarming (niet voor alle warmtepompen relevant)

ERES

Hernieuwbare luchtthermische, geothermische of hydrothermische energie (de warmtebron) die door de warmtepomp wordt onttrokken

ERES

Formula

Qusable

Formula

Uit bovenstaande systeemgrenzen volgt dat voor de berekening van de hernieuwbare energie die door de warmtepomp wordt geleverd, alleen de warmtepomp in aanmerking wordt genomen en niet het verwarmingssysteem waarvan de warmtepomp deel uitmaakt. Inefficiënt gebruik van de warmtepompenergie is derhalve een zaak van energie-efficiëntie, en mag de berekeningen van de hernieuwbare energie die door warmtepompen wordt geleverd, niet beïnvloeden.

3.5.   Klimaatomstandigheden

De definitie van gemiddelde, koudere en warmere klimaatomstandigheden volgt de methode die is voorgesteld in het ontwerp voor een gedelegeerde verordening van de Commissie inzake energie-etikettering van boilers (5), waarbij „gemiddelde klimaatomstandigheden”, „koudere klimaatomstandigheden” en „warmere klimaatomstandigheden” betrekking hebben op de temperatuursomstandigheden die kenmerkend zijn voor respectievelijk de steden Straatsburg, Helsinki en Athene. De voorgestelde klimaatgebieden zijn die van onderstaande figuur 2.

Figuur 2

Klimaatgebieden

Image 2

In die gevallen waarin binnen één lidstaat meerdere klimaatomstandigheden bestaan, moet de lidstaat de geïnstalleerde capaciteit van de warmtepompen in het respectieve klimaatgebied ramen.

3.6.   Standaardwaarden voor SPF en Qusable voor warmtepompen

De standaardwaarden voor HHP en SPF (SCOPnet) voor elektrische warmtepompen zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Tabel 1

Standaardwaarden voor HHP en SPF (SCOPnet) voor elektrische warmtepompen

 

Klimaatomstandigheden

Warmer klimaat

Gemiddeld klimaat

Kouder klimaat

Energiebron warmtepomp:

Energiebron en distributiemedium

HHP

SPF

(SCOPnet)

HHP

SPF

(SCOPnet)

HHP

SPF

(SCOPnet)

Aerothermische energie

Lucht/lucht

1 200

2,7

1 770

2,6

1 970

2,5

Lucht/water

1 170

2,7

1 640

2,6

1 710

2,5

Lucht/lucht (omkeerbaar)

480

2,7

710

2,6

1 970

2,5

Lucht/water (omkeerbaar)

470

2,7

660

2,6

1 710

2,5

Uitlaat lucht/lucht

760

2,7

660

2,6

600

2,5

Uitlaat lucht/water

760

2,7

660

2,6

600

2,5

Geothermische energie

Grond/lucht

1 340

3,2

2 070

3,2

2 470

3,2

Grond/water

1 340

3,5

2 070

3,5

2 470

3,5

Hydrothermische warmte

Water/lucht

1 340

3,2

2 070

3,2

2 470

3,2

Water/water

1 340

3,5

2 070

3,5

2 470

3,5

De standaardwaarden voor HHP en SPF (SPERnet) voor warmtepompen die door thermische energie worden aangedreven zijn weergegeven in onderstaande tabel:

Tabel 2

Standaardwaarden voor HHP en SPF (SCOPnet) voor door thermische energie aangedreven warmtepompen

 

Klimaatomstandigheden

Warmer klimaat

Gemiddeld klimaat

Kouder klimaat

Energiebron warmtepomp:

Energiebron en distributiemedium

HHP

SPF

(SPERnet)

HHP

SPF

(SPERnet)

HHP

SPF

(SPERnet)

Aerothermische energie

Lucht/lucht

1 200

1,2

1 770

1,2

1 970

1,15

Lucht/water

1 170

1,2

1 640

1,2

1 710

1,15

Lucht/lucht (omkeerbaar)

480

1,2

710

1,2

1 970

1,15

Lucht/water (omkeerbaar)

470

1,2

660

1,2

1 710

1,15

Uitlaat lucht/lucht

760

1,2

660

1,2

600

1,15

Uitlaat lucht/water

760

1,2

660

1,2

600

1,15

Geothermische energie

Grond/lucht

1 340

1,4

2 070

1,4

2 470

1,4

Grond/water

1 340

1,6

2 070

1,6

2 470

1,6

Hydrothermische warmte

Water/lucht

1 340

1,4

2 070

1,4

2 470

1,4

Water/water

1 340

1,6

2 070

1,6

2 470

1,6

De in de bovenstaande tabellen 1 en 2 weergegeven waarden zijn typisch voor het segment warmtepompen met een SPF boven de minimumdrempelwaarde, wat betekent dat warmtepompen met een SPF lager dat 2,5 niet in beschouwing zijn genomen voor de vaststelling van de typische waarden (6).

3.7.   Opmerkingen over niet-elektrische warmtepompen

Warmtepompen die geen elektriciteit gebruiken, gebruiken ofwel vloeibare of gasvormige brandstof om de compressor aan te drijven, of werken volgens een ad-/absorptieproces (aangedreven door de verbranding van vloeibare of gasvormige brandstof of door gebruikmaking van geothermische energie, thermische zonne-energie of afvalwarmte) en leveren hernieuwbare energie zolang de „netto seizoensgebonden primaire energieverhouding van de actieve modus” (SPERnet) 115 % van die waarde of meer bedraagt (7).

3.8.   Opmerkingen over warmtepompen die uitlaatlucht als energiebron gebruiken

Warmtepompen die uitlaatlucht als energiebron gebruiken, gebruiken omgevingsenergie, en dergelijke pompen leveren derhalve hernieuwbare energie. Maar tegelijkertijd gebruiken dergelijke warmtepompen de energie uit uitlaatlucht, die volgens de richtlijn (8) geen aerothermische energie is. Daarom wordt alleen de aerothermische energie als hernieuwbare energie meegeteld. Hiervoor wordt gecorrigeerd door de HHP-waarden voor dergelijke pompen, als bedoeld in punt 3.6, bij te stellen.

3.9.   Opmerkingen over lucht/lucht-warmtepompen

De in de bovenstaande tabellen 1 en 2 getoonde HHP-waarden zijn gebaseerd op HHE-waarden waarin niet alleen de uren zijn opgenomen dat de warmtepomp wordt gebruikt, maar ook de uren dat de aanvullende verwarming wordt gebruikt. Aangezien de aanvullende verwarming buiten de systeemgrenzen valt die in punt 3.4 worden beschreven, worden de HHE-waarden voor alle lucht-luchtwarmtepompen zodanig aangepast dat alleen de nuttige warmte die door de warmtepomp zelf wordt geleverd, wordt meegeteld. De aangepaste HHP-cijfers worden in de bovenstaande tabellen 1 en 2 getoond.

In het geval van lucht-luchtwarmtepompen met een capaciteit die voor ontwerpomstandigheden is gerapporteerd (en niet voor standaardtestomstandigheden) moeten de HHE-waarden worden gebruikt (9).

Alleen omgevingslucht, d.w.z. buitenlucht, kan de energiebron zijn voor een lucht/lucht-warmtepomp.

3.10.   Opmerkingen over omkeerbare warmtepompen

In de eerste plaats worden omkeerbare warmtepompen in warmere klimaten, en tot op zekere hoogte in gemiddelde klimaten, vaak geïnstalleerd met het oogmerk het binnenmilieu te koelen, hoewel zij ook kunnen worden gebruikt om in de winter te verwarmen. Aangezien de vraag naar koeling in de zomer groter is dan de vraag naar verwarming in de winter, weerspiegelt het nominale vermogen veeleer de vraag naar koeling dan de verwarmingsbehoefte. Aangezien de geïnstalleerde capaciteit wordt gebruikt als indicator van de vraag naar warmte, volgt hieruit dat de statistieken van de geïnstalleerde capaciteit de voor verwarming geïnstalleerde capaciteit niet zullen weerspiegelen. Bovendien worden omkeerbare warmtepompen vaak naast bestaande verwarmingssystemen geïnstalleerd, wat betekent dat deze warmtepompen niet altijd voor verwarming worden gebruikt.

Beide elementen moeten naar behoren worden bijgesteld. In de bovenstaande tabellen 1 en 2 wordt uitgegaan van een conservatieve verlaging (10) tot 10 % voor warmere klimaten en tot 40 % voor gemiddelde klimaten. De werkelijke vermindering hangt in hoge mate af van de nationale praktijken ten aanzien van de levering van verwarmingssystemen, en daarom moeten waar mogelijk nationale cijfers worden gebruikt. Het gebruik van alternatieve cijfers moet aan de Commissie worden voorgelegd, samen met een rapport waarin de gebruikte methode en gegevens worden beschreven. De Commissie zal die documenten zo nodig vertalen en op haar transparantieplatform bekendmaken.

3.11.   De bijdrage aan de hernieuwbare energie van hybride warmtepompsystemen

Voor hybride warmtepompsystemen, waarbij de warmtepomp in samenwerking met andere hernieuwbare-energietechnologieën werkt (bv. thermische zonnecollectoren die als voorverwarmers worden gebruikt), loopt de hernieuwbare-energieboekhouding risico op onnauwkeurigheid. De lidstaten moeten er derhalve voor zorgen dat de hernieuwbare-energieboekhouding uit hybride warmtepompen correct is, en met name dat geen enkele vorm van hernieuwbare energie meer dan één keer in de boekhouding wordt opgenomen.

3.12.   Begeleiding bij de ontwikkeling van nauwkeuriger methoden

Er wordt van uitgegaan, en het wordt zelfs aangemoedigd, dat de lidstaten voor zowel SPF als HHP hun eigen berekeningen maken. Als er verbeterde ramingen kunnen worden gemaakt, moet een dergelijke nationale/regionale aanpak worden gebaseerd op precieze aannamen, representatieve steekproeven van voldoende omvang die resulteren in een aanmerkelijk verbeterde raming van hernieuwbare energie uit warmtepompen ten opzichte van de ramingen over de hoeveelheid hernieuwbare energie uit warmtepompen die met de in dit besluit vastgestelde methode kunnen worden gemaakt. Dergelijke verbeterde methoden kunnen gebaseerd zijn op gedetailleerde berekeningen op basis van technische gegevens waarbij rekening wordt gehouden met onder meer het jaar van installatie, het type compressor, de manier waarop de pomp werkt, het verwarmingsdistributiesysteem, het bivalentiepunt en het regionale klimaat.

Indien slechts metingen beschikbaar zijn voor andere systeemgrenzen dan de in punt 3.4 vastgestelde systeemgrenzen, moeten de nodige aanpassingen worden gemaakt.

Slechts warmtepompen met een energie-efficiëntie boven de minimumdrempelwaarde, zoals vastgesteld in bijlage VII bij de richtlijn, worden voor de doeleinden van de richtlijn meegeteld voor de berekening van de hoeveelheid hernieuwbare energie.

Wanneer alternatieve methoden en/of waarden worden gebruikt, wordt de lidstaten verzocht deze aan de Commissie mee te delen, vergezeld van een verslag waarin de methode en de gebruikte gegevens worden beschreven. De Commissie zal die documenten zo nodig vertalen en op haar transparantieplatform bekendmaken.

4.   BEREKENINGSVOORBEELD

De onderstaande tabel toont een voorbeeld voor een hypothetische lidstaat, gelegen in een gebied met gemiddelde klimaatomstandigheden, waar 3 verschillende warmtepomptechnologieën zijn geïnstalleerd.

 

 

 

 

Lucht/lucht

(omkeerbaar)

Water/water

Uitlaat lucht/water

Berekening

Beschrijving

Variabele

Eenheid

 

 

 

 

Capaciteit geïnstalleerde warmtepompen

Prated

GW

255

74

215

 

waarvan de SPF boven de minimumwaarde ligt

Prated

GW

150

70

120

 

Equivalent uren werking onder volledige belasting

HHP

h

852  (*1)

2 010

660

Formula

Geraamde totale hoeveelheid bruikbare warmte die wordt afgeleverd door warmtepompen

Qusable

GWh

127 800

144 900

79 200

 

het geraamde gemiddelde seizoensgebonden rendement

SPF

 

2,6

3,5

2,6

Formula

Per warmtepomptechnologie geleverde hoeveelheid hernieuwbare energie

ERES

GWh

78 646

103 500

48 738

 

Totale door warmtepompen geleverde hoeveelheid hernieuwbare energie

ERES

GWh

 

230 885

 


(1)  Zie punt 4.5 van de notulen van 23 oktober 2009, beschikbaar op de volgende site: https://circabc.europa.eu/w/browse/be80a323-0f89-4ab7-b8f7-888e3ff351ed

(2)   PB L 304 van 14.11.2008, blz. 1.

(3)  De waarde voor η bedraagt in 2010 45,5 % (hetgeen betekent dat deze in 2007 44,0 %, in 2008 44,7 % en in 2009 45,1 % bedraagt); dit betekent een minimaal seizoensgebonden rendement van 2,5 in 2010. Dit is een conservatieve schatting, aangezien de energiesysteemefficiëntie naar verwachting tot 2020 blijft toenemen. Niettemin, aangezien de basis voor de raming van de efficiëntie van het energiesysteem (η) verandert als gevolg van actualisering van de onderliggende statistieken, is het voorspelbaarder η vast te stellen op een vast niveau, om te voorkomen dat verwarring ontstaat met de minimumeisen op het gebied van SPF (dus omwille van de rechtszekerheid) en ook om de ontwikkeling van methoden door de lidstaten te vergemakkelijken (zie punt 3.10). Zo nodig, kan η overeenkomstig artikel 2 worden herzien (de richtsnoeren worden zo nodig op 31 december 2016 herzien).

(4)  Bijzondere aandacht verdienen omkeerbare lucht/lucht-warmtepompen, aangezien er een aantal mogelijke bronnen van overschatting bestaan, namelijk: a) niet alle omkeerbare warmtepompen worden voor verwarming gebruikt, of slechts in beperkte mate, en b) oudere (en nieuwe minder efficiënte) eenheden hebben mogelijk een efficiëntie (SPF) onder de vereiste minimumdrempelwaarde van 2,5.

(5)  Dit ontwerp is nog niet door de Commissie goedgekeurd (januari 2013). Het ontwerp kan worden gevonden in de gegevensbank van de WTO: http://members.wto.org/crnattachments/2012/tbt/EEC/12_2119_00_e.pdf

(6)  Dit betekent dat de lidstaten de in de tabellen 1 en 2 weergegeven waarden kunnen beschouwen als gemiddelde waarden van de elektrische warmtepompen die een SPF boven het minimum van 2,5 hebben.

(7)  Zie punt 3.3.

(8)  Zie artikel 5, lid 4, en de definitie van „aerothermische energie” in artikel 2, onder b), van de richtlijn.

(9)  Deze waarden zijn 1 336, 2 066 en 3 465 voor respectievelijk warmere, gemiddelde en koudere klimaten.

(10)  Uit een Italiaanse studie (waarnaar wordt verwezen in blz. 48 van „Outlook 2011 — European Heat Pump Statistics”) blijkt dat warmtepompen in minder dan 10 % van de gevallen de enige geïnstalleerde verwarmingsbron waren. Aangezien omkeerbare lucht-luchtwarmtepompen het vaakst geïnstalleerde type warmtepomptechnologie is (60 % van alle eenheden — het vaakst geïnstalleerd in Italië, Spanje en Frankrijk, en ook in Zweden en Finland), is het belangrijk de cijfers naar behoren bij te stellen. In de effectbeoordeling van Verordening (EU) nr. 206/2012 van de Commissie van 6 maart 2012 tot uitvoering van Richtlijn 2009/125/EG van het Europees Parlement en de Raad wat eisen inzake ecologisch ontwerp voor airconditioners en ventilatoren betreft (PB L 72 van 10.3.2012, blz. 7), wordt ervan uitgegaan dat 33 % van de omkeerbare warmtepompen in de hele EU niet voor verwarming worden gebruikt. Bovendien mag ervan worden uitgegaan dat een groot deel van de overige 67 % omkeerbare warmtepompen slechts ten dele voor verwarming worden gebruikt, aangezien de warmtepomp naast andere verwarmingssystemen wordt geïnstalleerd. De voorgestelde waarden zijn derhalve passend om het risico op overschatting te verkleinen.

(*1)  De lidstaat in dit hypothetische voorbeeld heeft een onderzoek naar de geïnstalleerde omkeerbare lucht-luchtwarmtepompen gedaan en is tot de slotsom gekomen dat 48 % van de geïnstalleerde omkeerbare warmtepompcapaciteit volledig voor verwarming werd gebruikt, tegenover de 40 % waarvan in deze richtsnoeren wordt uitgegaan. De HHP-waarde is derhalve opwaarts bijgesteld van 710 uur, wat overeenkomt met de 40 % van tabel 1 naar 852 uur, wat overeenkomt met de geraamde 48 %.