ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.049.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 49

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
22 februari 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

 

 

2013/100/EU

 

*

Besluit van de Raad van 10 mei 2012 inzake de ondertekening, namens de Unie, en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten

1

Overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten

2

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 157/2013 van de Raad van 18 februari 2013 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 158/2013 van de Raad van 18 februari 2013 tot hernieuwde instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

29

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 159/2013 van de Commissie van 21 februari 2013 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van natriumbenzoaat, propionzuur en natriumpropionaat als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor varkens, pluimvee, runderen, schapen, geiten, konijnen en paarden en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1876/2006 en (EG) nr. 757/2007 ( 1 )

47

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 160/2013 van de Commissie van 21 februari 2013 tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 162/2003, (EG) nr. 971/2008, (EU) nr. 1118/2010, (EU) nr. 169/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 888/2011 wat de naam van de houder van de vergunning voor diclazuril in diervoeder betreft ( 1 )

50

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 161/2013 van de Commissie van 21 februari 2013 tot verlening van een vergunning voor een preparaat van natriumhydroxide als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor katten, honden en siervissen ( 1 )

52

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 162/2013 van de Commissie van 21 februari 2013 tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 3199/93 inzake de wederzijdse erkenning van procedures voor de volledige denaturering van alcohol in verband met de vrijstelling van accijns

55

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 163/2013 van de Commissie van 21 februari 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

62

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 164/2013 van de Commissie van 21 februari 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine

64

 

 

RICHTLIJNEN

 

*

Richtlijn 2013/7/EU van de Commissie van 21 februari 2013 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen ( 1 )

66

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/101/EU

 

*

Besluit van de Raad van 18 februari 2013 houdende benoeming van een Frans lid en van twee Franse plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s

70

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN

22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/1


BESLUIT VAN DE RAAD

van 10 mei 2012

inzake de ondertekening, namens de Unie, en de voorlopige toepassing van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten

(2013/100/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 5,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij besluit van 5 juni 2003 heeft de Raad de Commissie gemachtigd onderhandelingen te openen met derde landen over de vervanging van sommige bepalingen in bestaande bilaterale overeenkomsten door een overeenkomst op het niveau van de Unie.

(2)

Overeenkomstig de mechanismen en richtsnoeren in de bijlage bij het besluit van de Raad van 5 juni 2003 heeft de Commissie namens de Unie met de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka onderhandeld over een Overeenkomst inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten („de overeenkomst”).

(3)

De overeenkomst dient te worden ondertekend en voorlopig te worden toegepast, in afwachting van de voltooiing van de voor de sluiting ervan vereiste procedures,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Er wordt namens de Unie machtiging verleend voor de ondertekening van de overeenkomst tussen de Europese Unie en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten, onder voorbehoud van de sluiting van de overeenkomst.

De tekst van de overeenkomst is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wordt gemachtigd de persoon (personen) aan te wijzen die bevoegd is (zijn) de overeenkomst namens de Unie te ondertekenen.

Artikel 3

In afwachting van de inwerkingtreding wordt de overeenkomst overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de overeenkomst, vanaf de datum van ondertekening (1) voorlopig toegepast.

Artikel 4

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 10 mei 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

U. ELBÆK


(1)  De datum van ondertekening van de overeenkomst wordt door het secretariaat-generaal van de Raad in het Publicatieblad van de Europese Unie bekendgemaakt.


OVEREENKOMST

tussen de Europese Unie en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka inzake bepaalde aspecten van luchtdiensten

DE EUROPESE UNIE,

(hierna „de Unie” genoemd)

enerzijds, en

DE REGERING VAN DE DEMOCRATISCHE SOCIALISTISCHE REPUBLIEK SRI LANKA

(hierna „Sri Lanka” genoemd),

anderzijds,

(hierna „de partijen” genoemd)

VASTSTELLEND dat tussen diverse lidstaten van de Unie en Sri Lanka bilaterale overeenkomsten inzake luchtdiensten zijn gesloten,

ERKENNENDE dat sommige bepalingen van de tussen lidstaten van de Unie en Sri Lanka gesloten bilaterale overeenkomsten inzake luchtdiensten die in strijd zijn met het recht van de Unie met deze wetgeving in overeenstemming moeten worden gebracht om een solide rechtsgrond voor luchtdiensten tussen de Unie en Sri Lanka tot stand te brengen en om de continuïteit van dergelijke luchtdiensten te garanderen,

VASTSTELLEND dat de Unie exclusief bevoegd is voor diverse aspecten die mogelijk zijn opgenomen in bilaterale overeenkomsten inzake luchtdiensten tussen lidstaten van de Unie en derde landen,

OPMERKENDE dat in een lidstaat gevestigde communautaire luchtvaartmaatschappijen overeenkomstig het recht van de Unie het recht hebben op niet-discriminerende toegang tot luchtroutes tussen de lidstaten van de Unie en derde landen,

GELET OP de overeenkomsten tussen de Unie en bepaalde derde landen waarin onderdanen van deze derde landen (zie lijst van landen in bijlage 3) de mogelijkheid wordt geboden eigendom te verwerven in luchtvaartmaatschappijen die een vergunning hebben gekregen overeenkomstig het recht van de Unie,

VASTSTELLEND dat luchtvaartmaatschappijen volgens het recht van de Unie in beginsel geen overeenkomsten mogen sluiten die de handel tussen de lidstaten van de Unie kunnen beïnvloeden en die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst,

ERKENNENDE dat bepalingen van de tussen lidstaten van de Unie en Sri Lanka gesloten bilaterale overeenkomsten inzake luchtdiensten i) die luchtvaartmaatschappijen verplichten of aanmoedigen tot het tot stand komen van overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen die ertoe strekken of tot gevolg hebben dat de mededinging op de relevante routes wordt verhinderd, beperkt of vervalst; of ii) die de gevolgen van dergelijke overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen versterken; of iii) waarbij de verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen die de mededinging tussen luchtvaartmaatschappijen op de relevante routes verhinderen, beperken of vervalsen, wordt toevertrouwd aan luchtvaartmaatschappijen of andere particuliere economische operatoren, de doeltreffendheid in het gedrang brengen van de mededingingsregels die van toepassing zijn op ondernemingen,

ERKENNENDE dat, wanneer een lidstaat een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen die onder het wettelijk toezicht van een andere lidstaat staat, de rechten van Sri Lanka uit hoofde van de veiligheidsvoorschriften van de overeenkomst tussen de lidstaat die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en Sri Lanka, ook van toepassing zijn met betrekking tot die andere lidstaat,

VASTSTELLEND dat de in bijlage 1 vermelde bilaterale overeenkomsten inzake luchtdiensten gebaseerd zijn op het algemene beginsel dat de aangewezen luchtvaartmaatschappijen van de partijen billijke en gelijke mogelijkheden hebben om de overeengekomen diensten op de gespecificeerde routes te exploiteren,

VASTSTELLEND dat deze overeenkomst niet tot doel heeft het totale volume aan luchtverkeer tussen de Unie en Sri Lanka te wijzigen, noch om het evenwicht tussen communautaire luchtvaartmaatschappijen en luchtvaartmaatschappijen uit Sri Lanka te wijzigen, noch om te onderhandelen over wijzigingen in de bepalingen van bestaande bilaterale luchtdienstovereenkomsten inzake verkeersrechten,

ZIJN HET VOLGENDE OVEREENGEKOMEN:

Artikel 1

Algemene bepalingen

1.   In deze overeenkomst wordt onder „lidstaten” lidstaten van de Europese Unie, en onder „EU-Verdragen” het Verdrag betreffende de Europese Unie en het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verstaan.

2.   Wanneer in de in bijlage 1 vermelde overeenkomsten wordt verwezen naar onderdanen van de lidstaat die partij is bij de overeenkomst, wordt dit begrepen als een verwijzing naar onderdanen van de lidstaten.

3.   Wanneer in de overeenkomsten van bijlage 1 wordt verwezen naar luchtvaartmaatschappijen van de lidstaat die partij is bij de overeenkomst, wordt dit begrepen als een verwijzing naar de door die lidstaat aangewezen luchtvaartmaatschappijen.

4.   Het verlenen van verkeersrechten blijft geschieden op basis van bilaterale overeenkomsten.

Artikel 2

Aanwijzing door een lidstaat

1.   De bepalingen van de leden 2 en 3 van dit artikel hebben voorrang op de overeenkomstige bepalingen van de in bijlage 2, onder a) en b), genoemde artikelen wat betreft de aanwijzing van luchtvaartmaatschappijen door de desbetreffende lidstaat, de vergunningen en machtigingen die door Sri Lanka aan deze luchtvaartmaatschappij zijn verleend en de weigering, intrekking, opschorting of beperking van de vergunningen en machtigingen van de luchtvaartmaatschappij.

2.   Bij ontvangst van een aanwijzing door een lidstaat verstrekt Sri Lanka de passende vergunningen en machtigingen met zo weinig mogelijk procedurele vertraging, op voorwaarde dat:

a)

de luchtvaartmaatschappij, overeenkomstig de EU-Verdragen, op het grondgebied van de aanwijzende lidstaat is gevestigd en beschikt over een geldige exploitatievergunning overeenkomstig het recht van de Unie, en

b)

de lidstaat die verantwoordelijk is voor de afgifte van het Air Operator Certificate effectief controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft, en de relevante luchtvaartautoriteit duidelijk in de aanwijzing is vermeld, en

c)

de eigendom van de luchtvaartmaatschappij, rechtstreeks of via een meerderheidsbelang, en de feitelijke zeggenschap over die maatschappij berusten bij lidstaten en/of onderdanen van lidstaten, en/of andere in bijlage 3 vermelde landen en/of onderdanen van die landen en deze landen en/of onderdanen daarover te allen tijde feitelijke zeggenschap uitoefenen.

3.   Sri Lanka mag de vergunningen of machtigingen van een door een lidstaat aangewezen luchtvaartmaatschappij weigeren, intrekken, opschorten of beperken op voorwaarde dat:

a)

de luchtvaartmaatschappij niet, overeenkomstig de EU-Verdragen, op het grondgebied van de aanwijzende lidstaat is gevestigd of niet beschikt over een geldige exploitatievergunning overeenkomstig het recht van de Unie, of

b)

de lidstaat die verantwoordelijk is voor de afgifte van het Air Operator Certificate niet effectief controleert of de luchtvaartmaatschappij de regelgeving naleeft, of wanneer de relevante luchtvaartautoriteit niet duidelijk in de aanwijzing is vermeld, of

c)

de eigendom van de luchtvaartmaatschappij niet rechtstreeks of via een meerderheidsbelang berust bij lidstaten en/of onderdanen van lidstaten of van andere in bijlage 3 vermelde landen en/of onderdanen van die landen, of deze landen en/of onderdanen geen feitelijke zeggenschap uitoefenen over de luchtvaartmaatschappij, of

d)

de luchtvaartmaatschappij reeds over een exploitatievergunning beschikt krachtens een bilaterale overeenkomst tussen Sri Lanka en een andere lidstaat en, door krachtens de onderhavige overeenkomst verkeersrechten uit te oefenen op een route die een punt in die andere lidstaat omvat, de krachtens die andere overeenkomst opgelegde beperkingen van de verkeersrechten omzeilt, of

e)

de aangewezen luchtvaartmaatschappij houder is van een Air Operator Certificate dat is afgegeven door een lidstaat waarmee Sri Lanka geen bilaterale overeenkomst inzake luchtdiensten heeft gesloten en die lidstaat verkeersrechten heeft geweigerd aan Sri Lanka.

Bij de uitoefening van de rechten die krachtens deze alinea aan Sri Lanka zijn verleend, mag Sri Lanka geen onderscheid maken tussen communautaire luchtvaartmaatschappijen op grond van nationaliteit.

Artikel 3

Veiligheid

1.   De bepalingen van lid 2 van dit artikel vormen een aanvulling op de desbetreffende bepalingen in de in bijlage 2, onder c), vermelde artikelen.

2.   Wanneer een lidstaat een luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen die onder het wettelijk toezicht van een andere lidstaat staat, zijn de rechten van Sri Lanka uit hoofde van de veiligheidsvoorschriften van de overeenkomst tussen de lidstaat die de luchtvaartmaatschappij heeft aangewezen en Sri Lanka zowel van toepassing op de vaststelling, naleving of handhaving van veiligheidsnormen door die andere lidstaat als op de exploitatievergunning van die luchtvaartmaatschappij.

Artikel 4

Verenigbaarheid met de mededingingsregels

1.   Onverminderd eventuele andersluidende bepalingen mag niets in de in bijlage 1 vermelde overeenkomsten i) vereisen of aanmoedigen dat overeenkomsten tussen ondernemingen, besluiten van ondernemersverenigingen en onderling afgestemde feitelijke gedragingen tot stand komen die de mededinging verhinderen of vervalsen; of ii) de gevolgen van dergelijke overeenkomsten, besluiten of onderling afgestemde feitelijke gedragingen versterken; of iii) de verantwoordelijkheid voor het nemen van maatregelen die de mededinging verhinderen, vervalsen of beperken, toevertrouwen aan particuliere economische operatoren.

2.   De bepalingen in de in bijlage 1 vermelde overeenkomsten die niet verenigbaar zijn met lid 1 van dit artikel, worden niet toegepast.

Artikel 5

Bijlagen bij de overeenkomst

De bijlagen bij deze overeenkomst maken integrerend deel uit van de overeenkomst.

Artikel 6

Beoordeling, herziening of wijziging

De partijen mogen deze overeenkomst op elk ogenblik met wederzijdse instemming beoordelen, herzien of wijzigen.

Artikel 7

Inwerkingtreding en voorlopige toepassing

1.   Deze overeenkomst treedt in werking wanneer de partijen elkaar schriftelijk hebben meegedeeld dat zij hun interne procedures voor de inwerkingtreding van de overeenkomst hebben voltooid.

2.   Onverminderd lid 1 komen de partijen overeen deze overeenkomst vanaf de datum van ondertekening voorlopig toe te passen tot ze in werking treedt.

3.   Deze overeenkomst is van toepassing op alle in bijlage 1 vermelde overeenkomsten en regelingen, waaronder die welke op de datum van ondertekening van deze overeenkomst nog niet in werking zijn getreden en niet voorlopig worden toegepast.

Artikel 8

Beëindiging

1.   Wanneer een in bijlage 1 vermelde overeenkomst wordt beëindigd, worden ook alle bepalingen van de onderhavige overeenkomst die betrekking hebben op de desbetreffende in bijlage 1 vermelde overeenkomst tegelijkertijd beëindigd.

2.   Wanneer alle in bijlage 1 vermelde overeenkomsten worden beëindigd, wordt de onderhavige overeenkomst tegelijkertijd beëindigd.

TEN BLIJKE WAARVAN de ondergetekenden, daartoe naar behoren gemachtigd, deze overeenkomst hebben ondertekend.

Gedaan in tweevoud in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Hongaarse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Roemeense, de Sloveense, de Slowaakse, de Spaanse, de Tsjechische, de Zweedse en de Singalese taal, zijnde alle teksten gelijkelijk authentiek.

Съставено в Брюксел на двадесет и седми септември две хиляди и дванадесета година.

Hecho en Bruselas, el veintisiete de septiembre de dos mil doce.

V Bruselu dne dvacátého sedmého září dva tisíce dvanáct.

Udfærdiget i Bruxelles den syvogtyvende september to tusind og tolv.

Geschehen zu Brüssel am siebenundzwanzigsten September zweitausendzwölf.

Kahe tuhande kaheteistkümnenda aasta septembrikuu kahekümne seitsmendal päeval Brüsselis.

Έγινε στις Βρυξέλλες, στις είκοσι εφτά Σεπτεμβρίου δύο χιλιάδες δώδεκα.

Done at Brussels on the twenty-seventh day of September in the year two thousand and twelve.

Fait à Bruxelles, le vingt-sept septembre deux mille douze.

Fatto a Bruxelles, addì ventisette settembre duemiladodici.

Briselē, divi tūkstoši divpadsmitā gada divdesmit septītajā septembrī.

Priimta du tūkstančiai dvyliktų metų rugsėjo dvidešimt septintą dieną Briuselyje.

Kelt Brüsszelben, a kétezer-tizenkettedik év szeptember havának huszonhetedik napján.

Magħmul fi Brussell, fis-sebgħa u għoxrin jum ta’ Settembru tas-sena elfejn u tnax.

Gedaan te Brussel, de zevenentwintigste september tweeduizend twaalf.

Sporządzono w Brukseli dnia dwudziestego siódmego września roku dwa tysiące dwunastego.

Feito em Bruxelas, em vinte e sete de setembro de dois mil e doze.

Întocmit la Bruxelles la douăzeci și șapte septembrie două mii doisprezece.

V Bruseli dvadsiateho siedmeho septembra dvetisícdvanásť.

V Bruslju, dne sedemindvajsetega septembra leta dva tisoč dvanajst.

Tehty Brysselissä kahdentenakymmenentenäseitsemäntenä päivänä syyskuuta vuonna kaksituhattakaksitoista.

Som skedde i Bryssel den tjugosjunde september tjugohundratolv.

За Европейския сьюз

Por la Unión Europea

Za Evropskou unii

For Den Europæiske Union

Für die Europäische Union

Euroopa Liidu nimel

Για την Ευρωπαϊκή Ένωση

For the European Union

Pour l'Union européenne

Per l'Unione europea

Eiropas Savienības vārdā –

Europos Sąjungos vardu

Az Európai Unió részéről

Għall-Unjoni Ewropea

Voor de Europese Unie

W imieniu Unii Europejskiej

Pela União Europeia

Pentru Uniunea Europeană

Za Európsku úniu

Za Evropsko unijo

Euroopan unionin puolesta

För Europeiska unionen

Image 1

Image 2

Image 3

За Правителството на Демократична социалистическа република Шри Ланка

Por el Gobierno de la República Socialista Democrática de Sri Lanka

Za vládu Srílanské demokratické socialistické republiky

For Den Demokratiske Socialistiske Republik Sri Lankas regering

Für die Regierung der Demokratischen Sozialistischen Republik Sri Lanka

Sri Lanka Demokraatliku Sotsialistliku Vabariigi valitsuse nimel

Για την Κυβέρνηση της Λαϊκής Σοσιαλιστικής Δημοκρατίας της Σρι Λάνκα

For the Government of the Democratic Socialist Republic of Sri Lanka

Pour le Gouvernement de la République Socialiste Démocratique de Sri Lanka

Per il governo della Repubblica democratica socialista di Sri Lanka

Šrilankas Demokrātiskās Sociālistiskās Republikas valdības vārdā –

Šri Lankos Demokratinės Socialistinės Respublikos Vyriausybės vardu

A Srí Lanka Demokratikus Szocialista Köztársaság kormánya részéről

Għall-Gvern tar-Repubblika Demokratika Soċjalista tas-Sri Lanka

Voor de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka

W imieniu Rządu Demokratyczno-Socjalistycznej Republiki Sri Lanki

Pelo Governo da República Democrática Socialista do Sri Lanca

Pentru Guvernul Republicii Democratice Socialiste Sri Lanka

Za vládu Srílanskej demokratickej socialistickej republiky

Za vlado Demokratične socialistične republike Šrilanke

Sri Lankan demokraattisen sosialistisen tasavallan hallituksen puolesta

För demokratiska socialistiska republiken Sri Lankas regering

Image 4

Image 5

BIJLAGE 1

LIJST VAN DE OVEREENKOMSTEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 1 VAN DEZE OVEREENKOMST

Overeenkomsten inzake luchtdiensten en andere regelingen tussen Sri Lanka en lidstaten, zoals gewijzigd of geamendeerd, die op de datum van ondertekening van deze overeenkomst zijn gesloten, ondertekend of geparafeerd:

Luchtvervoersovereenkomst tussen de Oostenrijkse bondsregering en de Republiek Sri Lanka, opgesteld te Colombo op 15 februari 1978, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Oostenrijk” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de regering van het Koninkrijk België en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka, opgesteld te Brussel op 15 december 1998, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en België” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst tussen de Volksrepubliek Bulgarije en Ceylon met betrekking tot luchtdiensten tussen hun grondgebieden en over de grenzen van hun respectieve grondgebieden heen, opgesteld te Colombo op 27 november 1970, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Bulgarije” genoemd in bijlage 2;

Luchtvervoersovereenkomst tussen de regering van de Republiek Cyprus en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka, geparafeerd te Colombo op 15 november 2002, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Cyprus” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst inzake luchtdiensten tussen de regering van de Tsjechische Republiek en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka, opgesteld te Praag op 20 april 2004, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Tsjechië” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst inzake luchtdiensten tussen de regering van Denemarken en de regering van Ceylon, opgesteld te Colombo op 29 mei 1959, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Denemarken” genoemd in bijlage 2;

Luchtvervoersovereenkomst tussen de Franse Republiek en Ceylon, opgesteld te Colombo op 18 april 1966, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Frankrijk” genoemd in bijlage 2;

Luchtvervoersovereenkomst tussen de Bondsrepubliek Duitsland en de Republiek Sri Lanka, opgesteld te Colombo op 24 juli 1973, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Duitsland” genoemd in bijlage 2;

Luchtvervoersovereenkomst tussen de regering van de Helleense Republiek en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka, geparafeerd te Athene op 5 november 2002, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Griekenland” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst inzake luchtdiensten tussen de regering van de Italiaanse Republiek en de regering van Ceylon, opgesteld te Colombo op 1 juni 1959, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Italië” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst tussen de regering van het Koninkrijk der Nederlanden en de regering van Ceylon met betrekking tot luchtdiensten tussen hun grondgebieden en over de grenzen van hun respectieve grondgebieden heen, opgesteld te Colombo op 14 september 1953, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Nederland” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst tussen de regering van de Volksrepubliek Polen en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka met betrekking tot luchtdiensten tussen hun grondgebieden en over de grenzen van hun respectieve grondgebieden heen, opgesteld te Colombo op 26 januari 1982, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Polen” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst inzake luchtdiensten tussen de regering van Zweden en de regering van Ceylon, opgesteld te Colombo op 29 mei 1959, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en Zweden” genoemd in bijlage 2;

Overeenkomst inzake luchtdiensten tussen de regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland en de regering van de Democratische Socialistische Republiek Sri Lanka, opgesteld te Colombo op 22 april 1998, zoals gewijzigd, hierna de „overeenkomst tussen Sri Lanka en het Verenigd Koninkrijk” genoemd in bijlage 2.

BIJLAGE 2

LIJST VAN ARTIKELEN DIE ZIJN OPGENOMEN IN DE IN BIJLAGE 1 VERMELDE OVEREENKOMSTEN EN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN DE ARTIKELEN 2, 3 EN 4 VAN DEZE OVEREENKOMST

a)

Aanwijzing door een lidstaat:

artikel 3 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Oostenrijk;

artikel 3 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en België;

artikel 4 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Cyprus;

artikel 3 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Tsjechië;

artikel 2 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Denemarken;

artikel 3 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Frankrijk;

artikel 3, lid 4, van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Duitsland;

artikel 3 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Griekenland;

artikel 4, leden 1 tot en met 3, van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Italië;

artikel 2 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Nederland;

artikel 3 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Polen;

artikel 2 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Zweden;

artikel 4 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en het Verenigd Koninkrijk.

b)

Weigering, intrekking, opschorting of beperking van vergunningen of machtigingen:

artikel 4 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Oostenrijk;

artikel 5 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en België;

artikel 3, lid 4, van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Bulgarije;

artikel 5 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Cyprus;

artikel 4 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Tsjechië;

artikel 6 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Denemarken;

artikel 3, lid 4, en artikel 4 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Frankrijk;

artikel 4, lid 1, van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Duitsland;

artikel 4 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Griekenland;

artikel 4, leden 4 tot en met 6, van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Italië;

artikel 3 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Nederland;

artikel 6 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Zweden;

artikel 5 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en het Verenigd Koninkrijk.

c)

Veiligheid:

artikel 7 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Oostenrijk;

artikel 7 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en België;

artikel 10 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Cyprus;

artikel 7 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Tsjechië;

artikel 4 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Denemarken;

artikel 7 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Griekenland;

artikel 7 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Polen;

artikel 4 van de overeenkomst tussen Sri Lanka en Zweden.

BIJLAGE 3

LIJST VAN ANDERE LANDEN WAARNAAR WORDT VERWEZEN IN ARTIKEL 2 VAN DEZE OVEREENKOMST

a)

De Republiek IJsland (krachtens de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte);

b)

het Vorstendom Liechtenstein (krachtens de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte);

c)

het Koninkrijk Noorwegen (krachtens de overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte);

d)

de Zwitserse Bondsstaat (krachtens de overeenkomst inzake luchtvervoer tussen de Europese Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat).


VERORDENINGEN

22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 157/2013 VAN DE RAAD

van 18 februari 2013

tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Inleiding van de procedure

(1)

Op 25 november 2011 heeft de Europese Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) de inleiding van een antidumpingprocedure („de AD-procedure” of „de procedure”) betreffende de invoer in de Unie van bio-ethanol van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika („de VS” of „het betrokken land”) aangekondigd.

(2)

Diezelfde dag heeft de Commissie met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (3) de inleiding van een antisubsidieprocedure betreffende de invoer in de Unie van bio-ethanol van oorsprong uit de VS aangekondigd en in dat verband een afzonderlijk onderzoek geopend („de AS-procedure”). Deze procedure zal op 21 december 2012 worden beëindigd zonder instelling van compenserende maatregelen.

(3)

De AD-procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 12 oktober 2011 was ingediend door ePURE, de Europese vereniging van producenten van hernieuwbaar ethanol („de klager”), namens producenten die meer dan 25 % van de totale productie van bio-ethanol in de Unie voor hun rekening nemen. Het bij die klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal over dumping van het genoemde product en de aanmerkelijke schade als gevolg daarvan werd voldoende geacht om een onderzoek te openen.

1.2.   Bij de procedure betrokken partijen

(4)

De Commissie heeft de klager, andere bekende producenten in de Unie, de exporteurs/producenten in de VS, importeurs en andere betrokken partijen en de autoriteiten van de VS officieel van de inleiding van de procedure in kennis gesteld. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn schriftelijk hun standpunt kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(5)

Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

1.2.1.   Steekproef van exporteurs/producenten in de VS

(6)

Gezien het potentieel grote aantal exporteurs/producenten in de VS is in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van een steekproef.

(7)

Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze ook samen te stellen, werd aan exporteurs/producenten in de VS gevraagd zich binnen 15 dagen na de datum van opening van het onderzoek kenbaar te maken en een steekproefformulier in te vullen teneinde, zoals vermeld in het bericht van inleiding, basisgegevens te verstrekken over hun activiteiten in verband met de productie en verkoop van bio-ethanol in de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 (het „onderzoektijdvak” of „OT”).

(8)

Ook de bevoegde autoriteiten van de VS werden geraadpleegd over de samenstelling van een representatieve steekproef.

(9)

Meer dan zestig exporteurs/producenten hebben zich binnen de termijn van 15 dagen kenbaar gemaakt en de verlangde informatie verstrekt.

(10)

Overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening heeft de Commissie een steekproef samengesteld op basis van de grootste representatieve hoeveelheid uitvoer van bio-ethanol naar de Unie die binnen de beschikbare tijd redelijkerwijs kon worden onderzocht. De steekproef bestond uit zes bio-ethanolproducenten in de VS („de VS-steekproef”).

(11)

Tijdens het onderzoek bleek dat de productie van een van de producenten in de VS-steekproef niet naar de Unie was uitgevoerd in het OT. Deze onderneming is daarom uit de steekproef verwijderd.

(12)

Ondanks het feit dat de andere in de steekproef opgenomen producenten in hun steekproefformulier uitvoer van bio-ethanol naar de Unie vermeldden, bleek uit het onderzoek dat in feite geen van hen bio-ethanol naar de markt van de Unie exporteerde. In feite verkochten zij op de binnenlandse markt aan niet-verbonden handelaren/mengers, die vervolgens de bio-ethanol met benzine vermengden en dat product weer verkochten op de binnenlandse markt en ook voor uitvoer, met name naar de Unie. Tijdens het onderzoek ter plaatse bleek dat, in tegenstelling tot de indruk die werd gewekt door de informatie die de in de steekproef opgenomen producenten in de VS in hun steekproefformulieren hadden verstrekt, die producenten niet in alle gevallen wisten of hun producten bestemd waren voor de markt van de Unie of voor een andere bestemming, met inbegrip van de Amerikaanse markt, en ook niet op de hoogte waren van de verkoopprijzen van de handelaren/mengers. Dit betekent dat de producenten van bio-ethanol in de VS niet beschouwd kunnen worden als de exporteurs van het betrokken product naar de Unie. De exporteurs zijn in feite de handelaren/mengers. De in dit voorlopige stadium verzamelde en gecontroleerde gegevens op het niveau van de VS-steekproef maakten het derhalve niet mogelijk om vast te stellen of bio-ethanol van oorsprong uit de VS in het OT tegen dumpingprijzen werd geëxporteerd naar de Unie.

(13)

Op dat moment konden daarom geen antidumpingmaatregelen worden ingesteld.

(14)

Om de uitvoer van bio-ethanol naar de Unie te kunnen vaststellen, werd bij de VS-steekproef voornamelijk uitgegaan van gegevens verstrekt door de onafhankelijke mengbedrijven/handelaren die in de voorlopige fase niet werden onderzocht. Hoewel in de voorlopige fase één dergelijke handelaar aan het onderzoek meewerkte en aanvullende gegevens verstrekte, waren die gegevens ontoereikend om de nodige gegevens voor de berekening van de dumpingmarges nauwkeurig en betrouwbaar vast te stellen.

(15)

Ter voltooiing van het dumpingonderzoek werd het daarom nodig geacht de conclusies veeleer te baseren op de gegevens van handelaren en mengbedrijven die het betrokken product daadwerkelijk naar de Unie uitvoerden.

(16)

Derhalve werden dumpingvragenlijsten gestuurd aan de acht grootste handelaren/mengers in de VS die tijdens het onderzoek van de VS-steekproef geïdentificeerd waren. Deze handelaren/mengers vertegenwoordigen meer dan 90 % van de totale uitvoer van bio-ethanol naar de Unie. Twee daarvan verleenden medewerking aan het onderzoek en hun uitvoer vertegenwoordigt ongeveer 51 % van de totale uitvoer van bio-ethanol naar de Unie in het OT.

1.2.2.   Steekproef van producenten in de Unie

(17)

Gezien het potentieel grote aantal producenten in de Unie werd in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van een steekproef.

(18)

In het bericht van inleiding deelde de Commissie mede dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie („de EU-steekproef”) had samengesteld. Deze steekproef bestond uit vijf ondernemingen en groepen, gekozen uit de 19 producenten in de Unie die haar vóór de opening van het onderzoek bekend waren. De steekproef werd samengesteld op basis van de productiehoeveelheid bio-ethanol tijdens het onderzoektijdvak en de vestigingsplaats van de bekende producenten. Deze steekproef vertegenwoordigde 48 % van de totale geraamde productie in de Unie in het OT.

(19)

Het onderzoek bracht echter aan het licht dat de in de EU-steekproef opgenomen groepen uit een groot aantal ondernemingen of aparte entiteiten bestonden die het soortgelijke product produceerden en verkochten. In dit geval zou dat betekend hebben dat dertien bedrijven onderzocht hadden moeten worden, wat gezien de voor het onderzoek beschikbare tijd niet mogelijk was. Er is dus besloten de beschikbare gegevens opnieuw te bestuderen met het oog op de samenstelling van een representatieve steekproef. Daarbij werd ervan uitgegaan dat de steekproef gebaseerd diende te zijn op de grootste afzonderlijke producerende entiteiten in de Unie en binnen de groepen, terwijl ook rekening werd gehouden met een zekere geografische spreiding van de producenten in de Unie.

(20)

Uiteindelijk is een definitieve EU-steekproef van zes afzonderlijke producenten samengesteld op basis van de representativiteit van de geproduceerde en verkochte hoeveelheid bio-ethanol in het OT en van de geografische locatie van de producent. Deze producenten in België, Nederland, Frankrijk, het Verenigd Koninkrijk, Zweden en Duitsland vertegenwoordigen 36 % van de totale geschatte productie in de Unie en 44 % van de totale aangegeven productie van de ondernemingen die gegevens voor de samenstelling van een steekproef indienden. Deze steekproef werd representatief geacht voor het onderzoek naar mogelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie.

(21)

Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om over de juistheid van de keuze van de steekproef opmerkingen te maken.

(22)

Een aantal partijen argumenteerde dat de EU-steekproef minder representatief was dan de oorspronkelijk samengestelde steekproef die complete groepen ondernemingen omvatte. Volgens hen zou een objectieve analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Unie alleen mogelijk zijn door alle ondernemingen die deel uitmaken van groepen in de steekproef op te nemen. Zij voerden in het bijzonder aan dat bepaalde kosten en inkomsten zouden kunnen worden toegeschreven aan bepaalde niet bezochte ondernemingen in een groep en daardoor misschien niet in de schadeanalyse zouden worden weerspiegeld.

(23)

In dit verband moet worden opgemerkt dat de Commissie de gegevens die werden verstrekt door alle (al dan niet in de steekproef opgenomen) ondernemingen, in het bijzonder de ondernemingen die tot groepen behoren, naar behoren in aanmerking heeft genomen en heeft bestudeerd om zich ervan te vergewissen dat alle kosten en inkomsten in verband met productie en verkoop door de voor de steekproef geselecteerde ondernemingen volledig en juist werden weerspiegeld in de schadeanalyse.

(24)

Sommige partijen verzetten zich tegen de opname in de EU-steekproef van producenten in de Unie die zich in een opstartfase bevonden. Ook argumenteerden zij dat één bepaalde onderneming met belangrijke niet benutte capaciteit in 2011, gevestigd in een lidstaat die de richtlijn hernieuwbare energie (4) niet ten uitvoer had gelegd, niet in de steekproef had mogen worden opgenomen. Ook werd aangevoerd dat de Commissie, indien deze ondernemingen in de definitieve steekproef zouden worden opgenomen, hun gegevens zou moeten aanpassen om deze bijzondere omstandigheden in aanmerking te nemen.

(25)

Het feit dat ondernemingen hun activiteiten kort geleden hebben gestart of hervat, wordt niet beschouwd als belemmering om hen deel te laten uitmaken van de steekproef. De opname van deze ondernemingen is niet in tegenspraak met de criteria voor de samenstelling van een steekproef zoals vastgesteld in artikel 17 van de basisverordening. Ten aanzien van de aanpassing van hun gegevens voerden partijen geen specifieke punten of onderbouwd bewijsmateriaal aan om hun argument te staven, noch een berekeningsmethode waarop de bepleite aanpassing zou kunnen worden gebaseerd.

(26)

Bovendien bracht het onderzoek geen kosten, zoals bijvoorbeeld versnelde afschrijvingen, aan het licht die zouden moeten worden aangepast om een verstoring als gevolg van het opstarten van activiteiten te corrigeren. Dit argument wordt daarom verworpen.

(27)

Enkele partijen maakten er bezwaar tegen dat een onderneming die voorlopig voor de EU-steekproef was geselecteerd, en die gevestigd was in een lidstaat met een hoge consumptie en productie van bio-ethanol, niet langer deel uitmaakte van de EU-steekproef. Zij beweerden dat de economische situatie van deze onderneming goed was en suggereerden dat dit de reden was voor de uitsluiting uit de steekproef. Zij argumenteerden voorts dat de samenstelling van de steekproef was vertekend met het doel schade te kunnen constateren. Volgens deze partijen had de Commissie de zogenaamde minivragenlijsten aan alle producenten moeten zenden om alle gegevens te verzamelen die relevant waren voor de samenstelling van een steekproef.

(28)

Ten aanzien van de verzending van minivragenlijsten moet worden opgemerkt dat de Commissie voorafgaand aan de samenstelling van de steekproef aan alle bekende betrokken producenten in de Unie inlichtingen heeft gevraagd teneinde relevante gegevens te verzamelen met het oog op de samenstelling van een steekproef. Deze informatie was, zoals vermeld in punt 5.2.1 van het bericht van inleiding, vanaf de datum van opening van het onderzoek beschikbaar in het dossier dat de belanghebbenden konden raadplegen, en was niet van dien aard dat de economische situatie van de respondenten eruit afgeleid kon worden. De Commissie beschikte dus over voldoende gegevens om een representatieve steekproef te selecteren met inachtneming van artikel 17 van de basisverordening, maar niet om bedrijven te selecteren op basis van hun resultaten. De bovengenoemde argumenten werden derhalve afgewezen.

(29)

Ten slotte werd betoogd dat de steekproef ondernemingen had moeten omvatten die bio-ethanol produceren uit suikerbieten, omdat de productie uit deze grondstof veel winstgevender kan zijn dan bijvoorbeeld uit tarwe. Hoewel dit argument niet werd onderbouwd, blijkt uit de beschikbare informatie dat uit suikerbieten geproduceerd bio-ethanol slechts een gering deel van de totale productie in de Unie uitmaakt, in 2011 circa 12 %, en dat twee van de in de steekproef opgenomen ondernemingen deels gebruikmaken van suikerbieten als grondstof voor de productie van bio-ethanol. Daarom wordt het argument verworpen.

(30)

Op grond van het bovenstaande wordt geconcludeerd dat de steekproef die zoals hierboven uiteengezet geselecteerd is met het oog op de analyse van de schade representatief is voor de bedrijfstak van de Unie.

1.2.3.   Steekproef van niet-verbonden importeurs

(31)

Gezien het potentieel grote aantal bij de procedure betrokken importeurs werd in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening voor de importeurs van een steekproef gebruik te maken.

(32)

Binnen de in het bericht van inleiding vastgestelde termijn hebben slechts drie importeurs de gevraagde informatie verstrekt en ermee ingestemd om in de steekproef te worden opgenomen. Gezien het beperkte aantal medewerkende importeurs werd het gebruik van een steekproef niet noodzakelijk geacht.

1.2.4.   Antwoorden op de vragenlijst en controles

(33)

De Commissie heeft een vragenlijst gestuurd naar alle haar bekende betrokken partijen. Zo is een vragenlijst gestuurd naar de in de steekproef opgenomen exporteurs/producenten in de VS, de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, de drie medewerkende importeurs in de Unie, en alle gebruikers waarvan bekend was dat zij bij het onderzoek betrokken waren.

(34)

Er werden antwoorden ontvangen van de in de steekproef opgenomen producenten/ exporteurs uit de VS, de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, twee niet-verbonden importeurs en vier gebruikers.

(35)

De Commissie heeft alle gegevens van de belanghebbenden die zij voor de definitieve vaststelling van dumping, de schade als gevolg daarvan en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd.

(36)

Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:

 

Producenten/exporteurs in de VS:

Marquis Energy LLC, Hennepin, Illinois

Patriot Renewable Fuels LLC, Annawan, Illinois

Platinum Ethanol LLC, Arthur, Iowa

Plymouth Energy Company LLC, Merrill, Iowa

POET LLC, Wichita, Kansas en Sioux Falls, South Dakota

 

Niet-verbonden handelaar in de VS:

Bio Urja Trading LLC, Houston, Texas

 

Verbonden handelaar in Zwitserland

Cargill International SA, Genève

 

Producenten in de Unie:

Abengoa Energy Netherlands bv, Rotterdam, Nederland

BioWanze SA, Wanze, België

Crop Energies Bioethanol GmbH, Mannheim, Duitsland

Ensus, Yarm, Verenigd Koninkrijk

Lantmännen Energi/Agroetanol, Norrköping, Zweden

Tereos BENP, Lillebonne, Frankrijk

 

Niet-verbonden importeurs in de Unie:

Shell Trading Rotterdam bv, Rotterdam, Nederland

Greenergy Fuels Limited, Londen, Verenigd Koninkrijk

 

Gebruikers in de Unie:

Shell Nederland Verkoopmaatschappij bv, Rotterdam, Nederland

1.3.   Onderzoektijdvak en beoordelingsperiode

(37)

Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011. Het onderzoek van de ontwikkelingen die relevant waren voor de beoordeling van het optreden van schade had betrekking op de periode van januari 2008 tot het einde van het OT („de beoordelingsperiode”).

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

2.1.   Betrokken product

(38)

Het betrokken product is bio-ethanol, soms „brandstofethanol” genaamd, d.w.z. ethylalcohol die is vervaardigd uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), al dan niet gedenatureerd, met uitzondering van producten die meer dan 0,3 % (m/m) water bevatten, gemeten overeenkomstig norm EN 15376, maar inclusief ethylalcohol die is vervaardigd uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en is vervat in mengsels van benzine die meer dan 10 % (v/v) ethylalcohol bevatten, van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika, dat momenteel valt onder de GN-codes ex 2207 10 00 , ex 2207 20 00 , ex 2208 90 99 , ex 2710 12 21 , ex 2710 12 25 , ex 2710 12 31 , ex 2710 12 41 , ex 2710 12 45 , ex 2710 12 49 , ex 2710 12 51 , ex 2710 12 59 , ex 2710 12 70 , ex 2710 12 90 , ex 3814 00 10 , ex 3814 00 90 , ex 3820 00 00 en ex 3824 90 97 .

(39)

Bio-ethanol kan worden geproduceerd uit verschillende landbouwgrondstoffen, zoals suikerriet, suikerbieten, aardappelen, maniok, en maïs. In de VS wordt een onderscheid gemaakt op basis van de verschillende grondstoffen, zoals hieronder beschreven:

a)

Conventionele biobrandstof (hoofdzakelijk geproduceerd uit maïs en gewoonlijk maïsethanol genoemd), gedefinieerd als hernieuwbare brandstof afgeleid van maïszetmeel en geproduceerd in installaties waarvan de bouw is begonnen na de datum van vaststelling van de Energy Independence and Security Act in december 2007 (5), waarmee in de toekomst een reductie van 20 % in de emissie van broeikasgassen in vergelijking met een nulmeting van broeikasgasemissies van benzine en diesel moet worden bereikt.

b)

Geavanceerde biobrandstof, gedefinieerd als hernieuwbare brandstof anders dan ethanol afgeleid van maïszetmeel, die wordt afgeleid van hernieuwbare biomassa en broeikasgasemissies veroorzaakt, zoals bepaald door de Energy Policy Act („EPA”) Administrator, die ten minste 50 % lager zijn dan de emissies bij de nulmeting. Deze term omvat ook „cellulosebiobrandstoffen” zoals bio-ethanol en „diesel op biomassabasis”. Het schema voor geavanceerde biobrandstoffen omvat het schema voor cellulosebiobrandstoffen, diesel op biomassabasis en ongedifferentieerde geavanceerde biobrandstoffen.

(40)

Meer specifiek wordt cellulosebiobrandstof (6) gedefinieerd als een hernieuwbare brandstof afgeleid van enige vorm van cellulose, hemicellulose of lignine die is afgeleid van hernieuwbare biomassa en die broeikasgasemissies veroorzaakt, zoals bepaald door de EPA Administrator, die ten minste 60 % lager zijn dan de emissies bij de nulmeting. Cellulose-biobrandstoffen omvatten cellulosehoudende bio-ethanol. Er zijn grotendeels door de federale overheid van de VS ondersteunde onderzoeks- en proefprojecten voor de productie van geavanceerde biobrandstoffen, in het bijzonder cellulosebio-ethanol, met name geproduceerd uit land- en bosbouwafval. Volgens functionarissen van de VS en openbare gegevens (7) zal de productie van dit type bio-ethanol een omvang van circa 4 miljard liter in 2014 en van meer dan 50 miljard liter in 2021 bereiken. De productie van cellulosebio-ethanol was in het OT verwaarloosbaar.

(41)

In het OT en tot op heden is maïs de voornaamste gebruikte grondstof in de VS, terwijl de voornaamste gebruikte grondstof in de Unie tarwe is.

(42)

Uit het onderzoek bleek dat bio-ethanol in het algemeen in zuivere vorm wordt verkocht aan mengers/handelaren die het vermengen (8) met vooral benzine om mengsels van hoog niveau te produceren die worden geëxporteerd of op de binnenlandse markt worden verkocht voor verdere vermenging en gebruik als brandstof. Vermenging is geen erg complexe bewerking en kan worden bewerkstelligd door de producten samen te voegen in speciale tanks onder toevoeging van de gewenste percentages bio-ethanol en benzine.

(43)

Om de verschillende soorten bio-ethanol, bio-ethanolmengsels en andere mengsels die wereldwijd worden gebruikt, te kunnen identificeren, hebben gemengde ethanolbrandstoffen E-nummers die het volumepercentage ethanolbrandstof in het mengsel aanduiden. Zo bestaat E85 voor 85 % uit watervrij ethanol en voor 15 % uit benzine. Lage ethanolmengsels, van E5 tot E25, staan ook wel bekend als gasohol, hoewel internationaal de term gasohol meestal verwijst naar het mengsel E10. Mengsels van E10 of lager werden in 2011 gebruikt in meer dan twintig landen over de hele wereld, met als grootste gebruiker de VS, waar bijna alle in de detailhandel verkochte benzine in 2010 was vermengd met 10 % bio-ethanol.

(44)

Uit het onderzoek bleek dat alle soorten bio-ethanol als biobrandstoffen worden beschouwd op grond van het huidige programma voor een National Renewable Fuel Standard (RFS1), dat is opgezet uit hoofde van de Energy Policy Act van 2005, die als wijziging van de Clean Air Act voor het eerst een nationale norm voor hernieuwbare brandstof definieert. Het Congres van de VS belastte het federale Environmental Protection Agency (EPA) met de verantwoordelijkheid voor de coördinatie met het Ministerie van Energie, het Ministerie van Landbouw en de belanghebbenden teneinde dit programma te ontwerpen en uit te voeren.

(45)

Als gevolg van dit energiebeleid is de VS sinds 2005 de grootste producent van bio-ethanol, met 57,5 % van de mondiale productie. In 2009 leidden de voorschriften van de EPA tot productie van minstens 11 miljard Amerikaanse gallons hernieuwbare brandstoffen, met name om doelstellingen van de Energy Independence and Security Act van 2007 te halen. Deze grootschalige productie stelde producenten in de VS ook in staat om bio-ethanol naar andere markten te exporteren, met inbegrip van die van de Unie.

(46)

Afgaande op officiële bronnen, markt- en algemeen beschikbare informatie (9), worden alle soorten bio-ethanol en bio-ethanol in mengsels, namelijk mengsels van bio-ethanol met minerale benzine zoals uiteengezet in overweging 43, die in de VS worden vervaardigd en in de VS verkocht of uitgevoerd worden, beschouwd als bio-ethanolbrandstoffen en vallen onder een wetgevingspakket inzake energie-efficiëntie, hernieuwbare energie en alternatieve brandstoffen in de VS.

(47)

Vastgesteld is dat alle soorten bio-ethanol en het bio-ethanol in de mengsels waarop dit onderzoek betrekking heeft, ondanks mogelijke verschillen wat de gebruikte grondstoffen en het productieproces betreft, dezelfde of sterk gelijkende fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde doelen worden gebruikt. De mogelijke kleine variaties in het betrokken product veranderen niets aan zijn basisdefinitie en eigenschappen of aan de perceptie die de verschillende partijen ervan hebben.

(48)

Enkele partijen voerden aan dat de definitie van het betrokken product niet duidelijk was, in het bijzonder omdat die geen duidelijk onderscheid maakte tussen bio-ethanol voor brandstoftoepassingen en bio-ethanol voor andere toepassingen. Zij betoogden dat het onderzoek daarom betrekking moest hebben op ethanol voor alle soorten gebruik en uit alle bronnen, met inbegrip van synthetisch ethanol, dat voor industrieel gebruik een concurrent van bio-ethanol is.

(49)

Een andere partij betoogde het tegendeel, namelijk dat het onderzoek alleen betrekking diende te hebben op bio-ethanol voor brandstoftoepassingen, dus met uitsluiting van bio-ethanol voor industrieel gebruik.

(50)

In dit verband zij opgemerkt dat het betrokken product voornamelijk op basis van de fysische, chemische en technische basiseigenschappen moet worden gedefinieerd, niet op basis van zijn gebruik of toepassing. Een product met verschillende toepassingen kan immers ongeacht zijn verdere gebruik dezelfde of soortgelijke basiseigenschappen hebben en in bepaalde omstandigheden kan het noodzakelijk zijn de analyse van de productdefinitie en de productomschrijving te verdiepen in het licht van de specifieke kenmerken van de sector en de markt.

(51)

In het onderhavige geval was het duidelijk dat het bericht van inleiding niet de bedoeling had om synthetisch ethanol in de productdefinitie op te nemen. Synthetisch ethanol heeft andere eigenschappen dan bio-ethanol en voldoet niet aan de voornoemde criteria in verband met de definitie van het betrokken product. Er heeft geen producent die zich richt op de productie van dat product deelgenomen aan dit onderzoek. Derhalve kan synthetisch ethanol niet worden opgenomen in de definitie van het betrokken product en valt het buiten de reikwijdte van het onderzoek. Deze verduidelijking betekent, in tegenstelling tot wat enkele partijen suggereerden, geen verandering van de reikwijdte van het onderzoek en heeft ook geen gevolgen voor de kwaliteit van de gebruikte gegevens.

(52)

Bio-ethanol voor brandstof en bio-ethanol bestemd voor andere toepassingen kunnen vergelijkbare kenmerken hebben. In de loop van het onderzoek werd de dumping echter onderzocht op het niveau van de VS-exploitanten die bio-ethanol voor brandstoftoepassingen produceerden of vermengden, met name bio-ethanol voor verwerking in een brandstofmengsel. Ook het onderzoek van de producenten in de Unie was gericht op bio-ethanol bestemd voor brandstoftoepassingen en niet voor andere doeleinden. Bio-ethanol bestemd voor andere toepassingen dan brandstof valt dus niet onder dit onderzoek.

(53)

Importeurs die het ingevoerde VS bio-ethanol niet voor brandstof (zullen) gebruiken, hebben de mogelijkheid om een verklaring af te leggen uit hoofde van de bepalingen inzake eindgebruik als vastgelegd in de uitvoeringsbepalingen in de artikelen 291 tot en met 300 van het communautair douanewetboek (10).

2.2.   Soortgelijk product

(54)

Er werd vastgesteld dat het door de bedrijfstak van de Unie vervaardigde en op de markt van de Unie verkochte bio-ethanol dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen heeft als het bio-ethanol dat uit de VS naar de Unie wordt uitgevoerd.

(55)

Zoals in overweging 39 wordt beschreven, kan bio-ethanol worden geproduceerd uit verschillende grondstoffen. Uit het onderzoek is echter niet gebleken dat de gebruikte grondstof leidt tot verschillen in de kenmerken van het eindproduct. Vastgesteld werd dat het in de VS geproduceerde en naar de Unie uitgevoerde betrokken product, hoofdzakelijk op basis van maïs, uitwisselbaar is met het door producenten in de Unie geproduceerde betrokken product, waarvoor hoofdzakelijk tarwe als grondstof wordt gebruikt. Bovendien waren er geen significante verschillen in het gebruik en in de perceptie die producenten en gebruikers op de markt van het product bio-ethanol hebben.

(56)

Derhalve wordt bevestigd dat in de Unie geproduceerd en verkocht bio-ethanol en het vanuit de VS geëxporteerde betrokken product moeten worden beschouwd als soortgelijk in de zin van artikel 1, lid 4), van de basisverordening.

(57)

Sommige van de in de steekproef opgenomen Amerikaanse producenten voerden aan dat het bio-ethanol dat wordt geproduceerd en verkocht op de markt van de VS en het betrokken product niet soortgelijk zijn, aangezien het eerstgenoemde product niet strikt overeenstemt met de beschrijving van het product in het bericht van inleiding. De soorten bio-ethanol die op de markt van de VS worden verkocht, hebben inderdaad een vochtgehalte boven de drempel van 0,3 % en komen overeen met de VS-norm (ASTM) in plaats van met EN 15376.

(58)

Uit het onderzoek bleek echter dat bio-ethanol geproduceerd voor verkoop op de markt van de VS grotendeels dezelfde fysische, technische en chemische basiseigenschappen heeft als het betrokken product. Artikel 1, lid 4, van de basisverordening bepaalt dat een „soortgelijk” product niet noodzakelijkerwijs in elk opzicht gelijk aan het betrokken product hoeft te zijn; het kan ook een product zijn dat, hoewel niet in alle opzichten gelijk, kenmerken bezit die grote overeenkomst vertonen met die van het betrokken product. Dit is het geval voor het bio-ethanol dat op de Amerikaanse markt verkocht wordt en het bio-ethanol dat naar de Unie wordt uitgevoerd. Er zijn precedenten waar producten als soortgelijk aan het betrokken product beschouwd werden in weerwil van bepaalde verschillen (11).

(59)

Daarom werd besloten de voorlopige bevinding in te trekken en er van uit te gaan dat het ASTM-bio-ethanol die op de markt van de VS verkocht wordt een product is dat soortgelijk is aan het betrokken product in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

3.   DUMPING

3.1.   Inleiding

(60)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 6 tot en met 16 had het onderzoek, om na te gaan of er sprake was van dumping, betrekking op producenten van bio-ethanol, enerzijds, en op handelaren/mengbedrijven, die het betrokken product naar de markt van de Unie uitvoerden, anderzijds.

(61)

Overeenkomstig artikel 9, lid 5, van de basisverordening wordt in de verordening waarbij het recht wordt ingesteld, gespecificeerd welk recht voor elke leverancier geldt, of, indien dit om praktische redenen niet mogelijk is, welk recht voor het betrokken land van levering geldt.

(62)

Enkele producenten beweerden dat het mogelijk was hun producten te identificeren en te traceren wanneer die aan VS-handelaren werden verkocht voor uitvoer, met name naar de Unie. Zij verwezen naar het in de RED voorziene certificeringsproces, maar waren niet in staat om met name een duidelijke link aan te geven tussen hun verkoop in de VS en de uitvoer van andere handelaren naar de EU. Zoals aangegeven in de overwegingen 12 en 63 waren deze producenten ook niet op de hoogte van het peil van de uitvoerprijzen naar de Unie.

(63)

In het onderhavige geval bleek dat de structuur van de bio-ethanolindustrie en de wijze waarop het betrokken product werd vervaardigd, op de markt van de VS werd verkocht en naar de Unie werd uitgevoerd, het praktisch niet mogelijk maakte om individuele dumpingmarges voor producenten in de VS vast te stellen. Meer in het bijzonder voerden de producenten van de VS-steekproef het betrokken product niet uit naar de Unie en de onderzochte handelaren/mengers kochten bio-ethanol van verschillende producenten, mengden het en verkochten het vervolgens, met name voor uitvoer naar de Unie; het was dan ook in tegenstelling tot wat bovenbedoelde partijen beweerden niet mogelijk om alle afzonderlijke aankopen na te gaan en normale waarden met de relevante uitvoerprijzen te vergelijken, en het is evenmin mogelijk om op het moment van de uitvoer naar de Unie vast te stellen wie de producent was. Met andere woorden, iedere zending naar de EU bevat bio-ethanol dat door verschillende producenten in de VS is geproduceerd, niet alleen door de producenten van de steekproef. Uit het onderzoek bleek bovendien dat de prijzen die de ondernemingen van de steekproef aan hun afnemers in de VS berekenden niet overeenstemden met de feitelijk betaalde en te betalen prijzen voor het betrokken product wanneer dat naar de Unie werd uitgevoerd.

(64)

Daarom meent de Commissie dat er een voor het gehele land geldende dumpingmarge moet worden vastgesteld.

3.2.   Normale waarde

(65)

Voor de vaststelling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie eerst vastgesteld of de binnenlandse verkoop van het betrokken product door de twee medewerkende handelaren/mengers aan onafhankelijke afnemers in representatieve hoeveelheden plaatsvond, d.w.z. of de totale omvang van die verkoop in het OT ten minste 5 % van de totale omvang van de uitvoer naar de Unie bedroeg.

(66)

Aangezien de verkoop van het soortgelijke product op de binnenlandse markt plaatsvond in voldoende hoeveelheden werd de normale waarde vastgesteld op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijs bij de twee bovengenoemde handelaren/mengers, in het kader van normale handelstransacties, door onafhankelijke afnemers in de VS.

3.3.   Uitvoerprijs

(67)

De medewerkende handelaren/mengers verstrekten gegevens die het mogelijk maakten een uitvoerprijs te bepalen op basis van hun werkelijk betaalde of te betalen prijzen, overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening. Voor die transacties waarbij de invoer in de Unie via een verbonden handelsonderneming plaatsvond, werd de uitvoerprijs overeenkomstig artikel 2, lid 9, van de basisverordening berekend op basis van de eerste wederverkoopprijs van de verbonden handelaar aan onafhankelijke afnemers in de Unie.

(68)

Wat de verkopen via de verbonden handelsmaatschappij in Zwitserland betreft, werden verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten (VAA-kosten) en winst niet afgetrokken van de uitvoerprijs, aangezien die kosten niet beschouwd werden als kosten tussen invoer en wederverkoop in de Unie. Uit het onderzoek bleek dat de voornaamste activiteit van de verbonden handelaar bestond uit het beheer van de kasstroom voor de bedrijfseenheid „suiker”, waaronder ook biobrandstoffen vallen, en de afdekking van de risico’s die inherent zijn aan de landbouwsector door het sluiten van derivatencontracten, op zowel „over the counter”- als georganiseerde financiële markten.

(69)

Enkele producenten in de VS voerden aan dat het vaste praktijk van de instellingen is de prijs van de verkoop door de exporteur aan de eerste onafhankelijke afnemer als de uitvoerprijs te beschouwen voor de berekening van dumping. In dit geval zou dat de prijs zijn die de producenten in de VS berekenen aan niet-verbonden handelaren/mengers in de VS. Zoals vermeld in de overwegingen 62 en 63 voerde geen van de bio-ethanolproducenten in de VS zelf het betrokken product uit naar de Unie en waren zij niet op de hoogte van het peil van de uitvoerprijzen naar de EU. De binnenlandse prijs kan dus niet worden gebruikt aangezien het geen betaalde of te betalen uitvoerprijs voor het betrokken product in de Unie is. Dit argument kan daarom niet worden aanvaard.

3.4.   Vergelijking

(70)

De vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs per producttype voor de medewerkende handelaren/mengers werd vastgesteld op basis van de prijs af fabriek, rekening houdende, overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening, met verschillen in factoren waarvan werd aangetoond dat zij van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Eén handelaar/menger beweerde dat de gegevens over binnenlandse verkoop niet representatief waren. Aangezien de handelaren/mengers geen gegevens over alle binnenlandse verkooptransacties verstrekten, is de berekening gebaseerd op de gegevens in de antwoorden op de vragenlijst en de bij het bezoek ter plaatse verstrekte gegevens.

(71)

Eén handelaar/menger voert aan dat de berekening van de binnenlandse verkoopprijs gebaseerd zou moeten zijn op NYMEX-gegevens betreffende de contantmarkt. De Commissie is van mening dat gecontroleerde gegevens van de twee handelaren/mengers betrouwbaarder zijn.

(72)

Daartoe werd, in de vorm van correcties, rekening gehouden met verschillen in de kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, waar van toepassing en gerechtvaardigd.

(73)

Het betrokken product en het soortgelijke product vertonen de bijzonderheid dat handelaren/mengers tijdens het OT een subsidie op hun verkoop van bio-ethanolmengsels hebben ontvangen, hoofdzakelijk in de vorm van belastingkredieten. De methode die is gebruikt voor de vaststelling van de normale waarde en de uitvoerprijs is een methode waarbij de feitelijke verkoopprijzen, op de interne markt en bij uitvoer, van deze handelaren/mengers ten volle in aanmerking worden genomen. Bij een vergelijking van de verkopen van handelaren/mengers op de markt van de VS en de uitvoerprijzen van de handelaren/mengers naar de EU met het oog op de berekening van de dumpingmarge voor het betrokken product wordt dan ook ieder mogelijk effect van de subsidie op de prijzen geëlimineerd, aangezien de subsidie van invloed was op zowel de binnenlandse verkoop als de uitvoer tijdens het OT. Eén handelaar/menger beweerde geen subsidies te hebben ontvangen voor binnenlandse verkoop. Deze bewering werd echter niet met bewijzen gestaafd, en is ook moeilijk verenigbaar met door de autoriteiten van de VS verstrekte informatie over het gebruik van de subsidie.

3.5.   Dumping

(74)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd de gewogen gemiddelde normale waarde per productsoort vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product. Op basis van deze vergelijking bleken de medewerkende niet-verbonden handelaren/mengers dumpingpraktijken te hebben bedreven.

(75)

De gewogen gemiddelde dumpingmarge van 9,5 % werd vastgesteld op basis van de geaggregeerde gegevens van de medewerkende handelaren/mengers en vormt de dumpingmarge voor het hele land voor de VS.

(76)

Enkele in de steekproef opgenomen producenten in de VS lieten weten dat zij in het geval van instelling van definitieve antidumpingmaatregelen een individueel antidumpingrecht verwachtten. In het licht van de inhoud van overwegingen 6 tot en met 16 en de redenering in de overwegingen 60 tot en met 64 kan hieraan geen gevolg worden gegeven, aangezien het onderzoek bevestigde dat het voor deze marktdeelnemers, met name omdat zij zelf niet naar de EU exporteerden gedurende het OT, niet mogelijk was hun naar de EU uitgevoerde producten te traceren, en dat zij over het algemeen geen idee hadden van de tijdstippen van de uitvoer en van de door de importeurs van de Unie betaalde of te betalen prijzen, zodat het niet mogelijk was om voor deze producenten op betrouwbare basis een uitvoerprijs en dumpingmarge vast te stellen.

(77)

Bepaalde producenten verzochten om meer informatie over de dumpingberekeningen betreffende de twee medewerkende handelaren/mengers. Het is echter enerzijds zo dat de verzochte informatie vertrouwelijke bedrijfsinformatie omvat en daarom niet aan andere partijen doorgegeven kan worden. Anderzijds is het de vaste praktijk van de instellingen om uitsluitsel te geven over de algemene methode voor de vaststelling van dumping aan alle partijen waarvoor geen individuele gegevens zijn gebruikt bij de berekeningen. Deze methode wordt beschreven in het algemene informatiedocument dat aan alle partijen is toegezonden.

4.   SCHADE

4.1.   Productie in de Unie en bedrijfstak van de Unie

(78)

De productie in de Unie werd vastgesteld op basis van een marktverslag dat de klager tijdens het onderzoek indiende. De totale productie in de Unie van het soortgelijke product vermeld in dit verslag werd vergeleken met de gegevens van de 17 medewerkende producenten in de Unie. Er werd een klein verschil van circa 5 % vastgesteld tussen de twee reeksen gegevens. Dit wordt verklaard door het feit dat sommige relatief kleine niet-medewerkende producenten in de Unie geen productiegegevens hebben verstrekt. Op basis daarvan werd de totale productie in de Unie gedurende het OT op 3,42 miljoen ton geschat. De producenten van de Unie die de totale productie van de Unie vertegenwoordigen, vormen de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening en worden daarom aangeduid als „de bedrijfstak van de Unie”.

4.2.   Verbruik in de Unie

(79)

Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op basis van de totale productie in de Unie van de bedrijfstak van de Unie, waarbij de omvang van de invoer uit derde landen (vastgesteld op basis van de beste beschikbare statistieken) werd opgeteld, waarna de voorraadmutatie en de uitvoer van de bedrijfstak van de Unie, zoals aangegeven door de bedrijfstak zelf, werden afgetrokken. Enkele partijen voerden aan dat de voor de vaststelling van het verbruik gebruikte statistieken niet volledig waren, aangezien een aanzienlijke invoer van bio-ethanol uit andere derde landen, met name in het OT, niet in aanmerking werd genomen. Zij waren ook van mening dat de omvang van de invoer uit de VS door de Commissie werd overschat en dat de cijfers voor verbruik en marktaandeel derhalve onbetrouwbaar waren.

(80)

Deze beweringen werden onderzocht en getoetst aan de beschikbare informatie. Wat de invoer uit andere landen betreft, verstrekten de partijen geen bewijzen met betrekking tot de omvang van de invoer van het betrokken product. Niettemin is bij de schatting van de invoer rekening gehouden met invoer uit andere landen. Wat de omvang van de invoer uit de VS betreft, werd een rekenfout gevonden in de schatting van die invoer gedurende het OT. Daarom is de omvang van de invoer opnieuw beoordeeld en is de schatting waar nodig aangepast. Dit heeft evenwel geen gevolgen voor de conclusies van de beoordelingen van schade en oorzakelijk verband.

(81)

Wat de invoer van het betrokken product betreft, moet worden benadrukt dat er geen specifieke codes van de gecombineerde nomenclatuur voor het betrokken product bestaan. Bovendien omvatten de codes van de gecombineerde nomenclatuur waaronder het betrokken product bij de douane kan worden aangegeven ook andere producten dan het betrokken product.

(82)

Wat de invoer van bio-ethanolmengsels betreft, bleek uit de gecontroleerde antwoorden op de vragenlijst van de niet-verbonden importeurs dat het merendeel van de invoer bij de douane werd gedeclareerd onder Taric-code 3824 90 97 99. De omvang van de invoer kan echter niet rechtstreeks uit de gegevens van Eurostat worden afgeleid, aangezien deze Taric-code naast het betrokken product ook verschillende andere chemische producten omvat.

(83)

Wat de invoer aangegeven onder de GN-codes 2207 10 00 en ex 2207 20 00 betreft, was het niet mogelijk een onderscheid te maken tussen het betrokken product en andere producten die niet onder het onderzoek vallen, gezien het ontbreken van voldoende informatie over het ingevoerde product.

(84)

Daarom werd, bij gebrek aan volledige Eurostat-gegevens over de invoer, besloten gebruik te maken van andere bronnen van informatie voor het vaststellen van de invoer van het betrokken product in de markt van de Unie.

(85)

Met het oog op een zo juist mogelijke schatting van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VS werden de statistieken van de US International Trade Commission (ITC) als de meest betrouwbare basis beschouwd. De omvang van de gerapporteerde uitvoer betreft de VS-douanecodes 2207 10 60 en 2207 20 00.

(86)

Voor de raming van deze invoer werd een redelijke aanpak gevolgd, en alle door de ITC gerapporteerde hoeveelheden werden in aanmerking genomen voor het bepalen van de invoer uit de VS in de markt van de Unie.

(87)

De raming betreffende de invoer in de Unie van oorsprong uit Brazilië was gebaseerd op de volgende informatiebronnen: verslagen van het Britse Renewable Fuels Agency voor de invoer in het Verenigd Koninkrijk; extracten van douanedatabases over invoer verstrekt door Nederland, Zweden en Finland en door Eurostat. Voor Nederland, Finland en Zweden werd de omvang van de invoer geraamd op basis van de namen van de importeurs en de exporteurs en de productbeschrijving, voor zover beschikbaar. Voor de raming van deze invoer is gekozen voor een behoudende aanpak. Alle opgegeven hoeveelheden werden in aanmerking genomen voor de berekening van de invoer.

(88)

Ten slotte werd ook gebruikgemaakt van gegevens van Eurostat voor de raming van de resterende invoer in de Unie voor de andere lidstaten dan de in overweging 87 genoemde. Een aanpassing van de omvang van de invoer werd toegepast op basis van het percentage bio-ethanol dat in de Unie als brandstof gebruikt wordt. De reden van deze aanpassing is te vinden in de klacht. Dit percentage is afgeleid uit de jaarlijkse voorzieningsbalans inzake ethylalcohol zoals gepubliceerd door de Europese Commissie (12). Het percentage in de Unie voor brandstof gebruikte bio-ethanol bedroeg 54 % in 2008, 66 % in 2009, en 68 % in 2010. Voor het onderzoektijdvak is het percentage van 2010 gebruikt voor het schatten van de desbetreffende invoer tijdens het OT.

(89)

Voor de schatting van de invoer uit andere bronnen waren de gebruikte informatiebronnen Eurostat en de door Nederland, Zweden en Finland verstrekte extracten van de gedetailleerde douanedatabases over invoer. Dezelfde methode als die voor het vaststellen van invoer uit Brazilië werd gebruikt.

(90)

Wat betreft de berekening van de gemiddelde cif-prijs per eenheid voor de invoer uit de Verenigde Staten en Brazilië is de informatiebron de door Nederland, Zweden en Finland verstrekte extracten van de gedetailleerde douanedatabases over invoer. Voor de VS werden ook gegevens uit de gecontroleerde vragenlijst voor niet-verbonden importeurs gebruikt. Voor de VS zijn de gemiddelde cif-prijzen voor 2008 en 2009 geraamd op basis van de gemiddelde prijs die door de Amerikaanse International Trade Commission (ITC) is gerapporteerd voor deze jaren, uitgedrukt in verhouding tot de gemiddelde cif-prijs per eenheid voor 2010.

(91)

De voorraadmutatie werd vastgesteld aan de hand van door de klager verstrekte informatie over de bedrijfstak van de Unie.

(92)

Daarbij werd vastgesteld dat het verbruik in de Unie zich als volgt ontwikkelde:

 

2008

2009

2010

OT

Totale productie in de Unie (ton) (A)

2 153 118

2 797 948

3 274 665

3 389 503

Totale invoer uit derde landen met inbegrip van het betrokken land (ton) (B)

1 252 705

1 130 703

859 605

1 031 226

De totale uitvoer van de bedrijfstak van de Unie naar landen buiten de EU (ton) (C)

26 263

41 023

53 085

59 633

Voorraadmutatie (13) (ton) (C)

0

4 730

–8 415

–5 458

Verbruik in de Unie (ton)

3 379 559

3 882 897

4 089 600

4 366 554

Index: 2008 = 100

100

115

121

129

Bron:

a) Marktverslag, b) Eurostat, de internationale handelscommissie van de VS (ITC), het Britse Renewable Fuels Agency en de gegevens uit douanedatabases over invoer verstrekt door Nederland, Zweden en Finland, c) Klacht, antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, door de bedrijfstak van de Unie in de klacht verstrekte informatie.

(93)

Tijdens de beoordelingsperiode is het verbruik in de Unie aanzienlijk gestegen, namelijk met 29 %. Deze stijging werd gestimuleerd door de tenuitvoerlegging in de lidstaten van de richtlijn hernieuwbare energie (Renewable Energies Directive, RED), die groeistreefcijfers voor het verbruik van hernieuwbare energie aangeeft.

4.3.   Invoer in de Unie uit het betrokken land

4.3.1.   Hoeveelheid, marktaandeel en prijs van de invoer uit het betrokken land

(94)

In termen van volume, marktaandeel en prijs ontwikkelde de invoer in de Unie uit de VS zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt:

 

2008

2009

2010

OT

Omvang van de invoer uit de VS (ton) (A)

63 406

53 332

348 868

686 185

Index: 2008 = 100

100

84

550

1 082

Marktaandeel (%)

1,9

1,4

8,5

15,7

Index: 2008 = 100

100

73

454

837

Gemiddelde prijs in EUR/ton (B)

590,6

552,5

542,5

626,7

Index: 2008 = 100

100

94

92

106

Bron:

(A) Uitvoervolume aangegeven door de internationale handelscommissie (ITC) van de VS, (B) douanedatabase over invoer verstrekt door Nederland, Finland en Zweden, en geverifieerde antwoorden op de vragenlijst voor niet-verbonden importeurs.

(95)

In termen van volume nam de invoer uit de VS aanzienlijk toe in de beoordelingsperiode, van 63 406 ton tot 686 185 ton. Ook het marktaandeel van de Amerikaanse exporteurs in de Unie steeg aanzienlijk in deze periode, van 1,9 % tot 15,7 %.

(96)

Hoewel de gemiddelde prijzen van de invoer uit de VS in de beoordelingsperiode met 6 % toenamen, bleven de prijzen die de exporteurs van de VS berekenden constant lager dan de gemiddelde prijzen van de producenten in de Unie, zoals uiteengezet in overweging 117. Deze systematische prijsonderbieding door de Amerikaanse exporteurs verklaart de belangrijke toename van hun marktaandeel die zij tijdens de beoordelingsperiode konden verwezenlijken.

4.3.2.   Prijsonderbieding van de invoer uit het betrokken land

(97)

Met het oog op de beoordeling van de prijsonderbieding in het onderzoektijdvak werd de gewogen gemiddelde verkoopprijs per producttype van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie voor onafhankelijke afnemers op de markt van de Unie, gecorrigeerd naar het prijspeil af fabriek, vergeleken met de overeenkomstige gewogen gemiddelde prijzen per productsoort die de Amerikaanse exporteurs berekenden aan de eerste onafhankelijke afnemer op de markt van de Unie, vastgesteld op cif-basis. Met het oog op een billijke prijsvergelijking werden de nodige aanpassingen voor de bestaande douanerechten en kosten na invoer toegepast op de VS-prijs.

(98)

De resultaten van deze vergelijking, uitgedrukt als percentage van de verkoopprijzen van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie gedurende het onderzoektijdvak, lieten consistente prijsonderbieding van gemiddeld 5,6 % zien. Deze prijsonderbieding geeft aan welke prijsdruk werd uitgeoefend door de invoer uit het betrokken land op de markt van de Unie, met name tijdens het OT.

4.4.   Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie

4.4.1.   Inleidende opmerkingen

(99)

Ingevolge artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een evaluatie van alle relevante economische indicatoren voor een beoordeling van de situatie van de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode.

(100)

De schadeanalyse met betrekking tot de macro-economische gegevens zoals productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, omvang van de verkoop, marktaandeel, groei, voorraden, werkgelegenheid, productiviteit en omvang van de dumpingmarge is gebaseerd op de gegevens van ePURE betreffende de bedrijfstak van de Unie als geheel.

(101)

De schadeanalyse met betrekking tot micro-economische gegevens zoals prijzen, winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen, vermogen om kapitaal aan te trekken, lonen en voorraden is gebaseerd op gegevens die door de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie zijn verstrekt in de (gecontroleerde) antwoorden op de vragenlijst.

(102)

De bio-ethanolindustrie in de Unie bevindt zich nog in de beginfase. Ondernemingen hebben recentelijk geïnvesteerd in nieuwe productiefaciliteiten of hebben bestaande capaciteiten uitgebreid om te voldoen aan de groeiende vraag in de Unie. Het feit dat nieuwe producenten tijdens de beoordelingsperiode met de productie gestart zijn, heeft geleid tot positieve ontwikkelingen voor indicatoren zoals productie, productiecapaciteit, omvang van de verkoop en de werkgelegenheid.

(103)

Uit het onderzoek bleek ook dat ondernemingen in deze bedrijfstak een bepaalde aanlooptijd, van twee tot drie jaar te rekenen vanaf het tijdstip van de start van de productie, nodig hebben om normale productieniveaus te bereiken.

4.4.2.   Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad

 

2008

2009

2010

OT

Productievolume (ton)

2 153 118

2 797 948

3 274 665

3 389 503

Index: 2008 = 100

100

130

152

157

Productiecapaciteit (ton)

3 443 766

3 992 640

4 670 076

4 734 915

Index: 2008 = 100

100

116

136

137

Bezettingsgraad (%)

63

70

70

72

Index: 2008 = 100

100

112

112

114

Bron:

gebaseerd op gegevens over de bedrijfstak van de Unie die door de klager zijn verstrekt.

(104)

Als gevolg van de RED is de productie in de Unie in de beoordelingsperiode aanzienlijk toegenomen, namelijk met ongeveer 57 %. Van 2008 tot 2010 nam de productie in de Unie toe met 36 %, maar het tempo van de groei nam daarna sterk af en bedroeg slechts 3,5 % in het onderzoektijdvak, vergeleken met 2010.

(105)

De productiecapaciteit nam in de beoordelingsperiode toe met 37 % en volgde een vergelijkbaar patroon als de productie.

(106)

De bezettingsgraad nam in de beoordelingsperiode toe met 14 %, en deze stijging werd verwezenlijkt in het begin van die periode. Aangezien bepaalde producenten in de Unie zich in 2009 nog in de aanloopfase bevonden, werd verwacht dat de bezettingsgraad nog verder zou toenemen, overwegende dat producenten normaal gesproken twee à drie jaar nodig hebben, te rekenen vanaf de start, om normale productieniveaus te bereiken, zoals uiteengezet in overweging 103. Dit was echter niet het geval.

(107)

Het onderzoek bevestigde dus dat verschillende ondernemingen in de EU aan het begin van of tijdens de beoordelingsperiode met hun activiteiten begonnen, in afwachting van publicatie van de RED. Dit leidde tot positieve ontwikkelingen, met name wat bovengenoemde schadefactoren betreft, vooral in de periode vóór 2010. Maar de situatie op de markt van de Unie veranderde met de sterke stijging van de invoer met dumping uit de VS in 2010, en de verwachte toename van de activiteit tijdens het onderzoektijdvak werd niet gerealiseerd.

4.4.3.   Verkoopvolume en marktaandeel

 

2008

2009

2010

OT

Verkoopvolume (ton)

2 035 367

2 650 526

3 117 410

3 229 326

Index: 2008 = 100

100

130

152

159

Marktaandeel (%)

60,2

68,3

76,2

74,0

Index: 2008 = 100

100

113

126

122

Bron:

gebaseerd op gegevens over de bedrijfstak van de Unie die door de klager zijn verstrekt.

(108)

Het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie is met 59 % gestegen en het marktaandeel nam tijdens de beoordelingsperiode toe met 13,8 procentpunten. De omvang van de verkoop nam gestaag toe tussen 2008 en 2010, maar tussen 2010 en het onderzoektijdvak minder dan de consumptie, die in die periode een stijging met 6,8 % vertoonde.

(109)

Ook het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie nam toe tot 2010 maar daalde weer tijdens het OT. In de periode tussen 2010 en het OT, toen het marktaandeel van de invoer uit de VS bijna verdubbelde en toenam met 7,2 procentpunten, verloor de bedrijfstak van de Unie 2,2 procentpunten.

4.4.4.   Groei

(110)

Het verbruik in de Unie is in de beoordelingsperiode aanzienlijk toegenomen, met 29,2 %. Hoewel het verkoopvolume en het marktaandeel in deze periode eveneens zijn toegenomen, kon de bedrijfstak van de Unie niet volledig profiteren van deze groei van het verbruik, met name vanaf 2010. Vanaf 2010 tot het OT vertraagde de groei van het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie en daalde het marktaandeel in vergelijking met de voorafgaande jaren.

(111)

Enkele partijen voerden aan dat het groeipatroon zoals dat blijkt uit een aantal indicatoren tijdens de beoordelingsperiode niet het beeld oplevert van een bedrijfstak die schade lijdt. Zoals hierboven uiteengezet, bleek echter uit het onderzoek dat de vertraging van de groei van de bedrijfstak van de Unie in 2010 en in het onderzoektijdvak samenviel met de sterke stijging van laaggeprijsde invoer met dumping uit de VS.

4.4.5.   Werkgelegenheid en productiviteit

 

2008

2009

2010

OT

Aantal werknemers

2 331

2 419

2 523

2 552

Index: 2008 = 100

100

104

108

109

Productiviteit

(eenheden per werknemer)

924

1 157

1 298

1 328

Index: 2008 = 100

100

125

141

144

Bron:

gebaseerd op gegevens over de bedrijfstak van de Unie die door de klager zijn verstrekt.

(112)

De werkgelegenheid steeg met 9 % tijdens de beoordelingsperiode. Om precies te zijn, de groei bedroeg 8 % in de periode 2008-2010 maar slechts 1 % gedurende het OT. Deze trend weerspiegelt die van capaciteit en productie in de Unie.

(113)

De productiviteit van de bedrijfstak van de Unie werd gemeten als de output per werknemer per jaar. Die steeg aanzienlijk in de beoordelingsperiode, namelijk met 44 %, wat wijst op een leereffect en toenemende efficiëntie tijdens en na de aanloopfase.

4.4.6.   Hoogte van de werkelijke dumpingmarge

(114)

Gelet op de omvang, het marktaandeel en de prijzen van de invoer met dumping uit het betrokken land kan het effect van de tijdens het OT vastgestelde dumpingmarges op de bedrijfstak van de Unie niet als te verwaarlozen worden beschouwd.

4.4.7.   Herstel van de gevolgen van eerdere dumping

(115)

Dit aspect is in het onderhavige geval niet relevant aangezien er geen gevolgen van dumping in het verleden zijn.

4.4.8.   Gemiddelde prijzen per eenheid van de bedrijfstak van de Unie

 

2008

2009

2010

OT

Prijzen per eenheid (EUR)

702,59

634,88

657,41

768,59

Index: 2008 = 100

100

90

94

109

Bron:

de antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(116)

De prijzen van de bedrijfstak van de Unie namen tijdens de beoordelingsperiode in totaal met 9 % toe. In 2009 stegen de prijzen, vergeleken met 2008, maar daarna daalden ze weer gestaag tot het einde van het OT. Uit het onderzoek bleek echter dat deze prijsstijgingen onvoldoende waren om de bedrijfstak van de Unie in staat te stellen zijn kosten te dekken. De kloof tussen de verkoopprijzen en de kosten werd met name in het OT nog breder. Deze ontwikkeling viel samen met de toenemende aanwezigheid van laaggeprijsde invoer met dumping uit de VS op de markt van de Unie.

(117)

Uit het onderzoek bleek dat in de beoordelingsperiode de prijzen van de bedrijfstak van de Unie hoger bleven (tot 23 %) dan die van de invoer met dumping uit de VS.

4.4.9.   Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken

 

2008

2009

2010

OT

Netto winst vóór belasting (EUR)

–33 305 225

1 343 823

–33 932 738

–82 070 168

Index: 2008 = – 100

– 100

4

– 102

– 246

Winstgevendheid verkoop bedrijfstak van de Unie (% van nettoverkoop)

–11,65

0,33

–5,72

–9,74

Index: 2008 = – 100

- 100

3

–49

–84

Kasstroom (EUR)

–2 528 061

34 783 260

48 733 697

36 832 646

Index: 2008 = – 100

– 100

1 376

1 928

1 457

Kasstroom in % van de verkoop in de Unie aan niet-verbonden partijen

–0,9

8,7

8,2

4,4

Index: 2008 = – 100

– 100

980

930

494

Investeringen (EUR)

330 441 830

86 279 988

38 710 739

23 018 175

Index: 2008 = 100

100

26

12

7

Rendement van investeringen (%)

–10

2

–88

– 357

Index: 2008 = – 100

– 100

15

– 870

–3 538

Bron:

antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(118)

De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie is in absolute bedragen (nettowinst vóór belastingen) vastgesteld en ook door de nettowinst (of verlies) vóór belastingen uit te drukken als een percentage van de omzet van het soortgelijke product. De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie was tijdens de beoordelingsperiode negatief, met uitzondering van 2009, toen de in de steekproef opgenomen ondernemingen verliezen konden vermijden.

(119)

Het rendement van investeringen volgde een vergelijkbaar patroon en bleef duidelijk onder het rendement dat vereist zou zijn om de bedrijfstak van de Unie in staat te stellen om te overleven.

(120)

De kasstroom was in 2008 negatief en verbeterde in 2009 en 2010. Tijdens het OT begon de kasstroom evenwel opnieuw te slinken als gevolg van het afnemende vermogen van de bedrijfstak van de Unie om zijn activiteiten zelf te financieren.

(121)

De ontwikkeling van de winstgevendheid, de kasstroom en het rendement van investeringen in de beoordelingsperiode beperkte het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om te investeren in zijn activiteiten en ondermijnde de ontwikkeling van de bedrijfstak, zoals duidelijk blijkt uit de daling van de investeringen met 93 % gedurende deze periode.

4.4.10.   Lonen

 

2008

2009

2010

OT

Lonen (EUR)

45 066 253

57 253 228

68 711 959

76 030 008

Gemiddelde arbeidskosten per werknemer (in EUR)

75 691

81 233

88 638

99 646

Index: 2008 = 100

100

107

117

132

Bron:

antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(122)

De lonen stegen met 32 % in de loop van de beoordelingsperiode, en hielden daarmee gelijke trend met de toenemende productiviteit van de werknemers.

4.4.11.   Voorraden

 

2008

2009

2010

OT

Eindvoorraden van de SP (ton)

34 585

24 022

38 649

31 408

Index: 2008 = 100

100

69

112

91

Voorraad in verhouding tot productie (%)

8,3

3,5

3,8

2,5

Bron:

antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(123)

De voorraden daalden licht in de loop van de beoordelingsperiode.

4.5.   Conclusie betreffende schade

(124)

Uit het onderzoek is gebleken dat er een sterke toename van de laaggeprijsde invoer met dumping plaatsvond in 2010, en met name gedurende het OT. Weliswaar verbeterden bepaalde schade-indicatoren betreffende de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie in die periode, maar de groei hield geen gelijke tred met de toename van de consumptie in de beoordelingsperiode en de verbeteringen waren onvoldoende om de bedrijfstak van de Unie in staat te stellen zijn activiteiten te ontwikkelen.

(125)

Zoals te verwachten is bij een nieuwe en snelgroeiende activiteit vertoonden bepaalde indicatoren, zoals verkoop, productie en bezettingsgraad, een positieve trend in de beoordelingsperiode. Dit is te verklaren door het feit dat er nieuwe producenten van de Unie op de markt kwamen in die periode. Het onderzoek heeft niettemin uitgewezen dat de situatie op de markt van de Unie vanaf 2010, toen de omvang van de laaggeprijsde invoer sterk toenam, zodanig was dat de producenten in de Unie niet in staat waren een voldoende mate van activiteit en prijsniveau te bereiken om zich verder te kunnen ontwikkelen en de belangrijke investeringen in de beoordelingsperiode op peil te kunnen houden.

(126)

Vastgesteld werd dat de laaggeprijsde invoer voortdurend de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood. Het niveau van de prijzen maakte het de bedrijfstak onmogelijk de kosten te dekken en de voor ontwikkeling van de activiteiten noodzakelijke kasstroom en winst te verwezenlijken.

(127)

De schade-indicatoren in verband met de financiële prestaties van de bedrijfstak van de Unie, zoals winstgevendheid, kasstroom en rendement van de investeringen, verslechterden of bleven ruim onder het normale niveau. Dit had zeer nadelige gevolgen voor het vermogen van de bedrijfstak van de Unie om kapitaal aan te trekken en te investeren in zijn activiteiten.

(128)

In het licht van het voorgaande werd geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie gedurende het OT aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden.

5.   OORZAKELIJK VERBAND

5.1.   Inleiding

(129)

Overeenkomstig artikel 3, lid 5, en artikel 3, lid 6, van de basisantidumpingverordening werd onderzocht of de invoer met dumping van het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land de bedrijfstak van de Unie schade berokkende. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Unie terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden eveneens onderzocht, om uit te sluiten dat mogelijke schade als gevolg van deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven.

5.2.   Gevolgen van de invoer met dumping

(130)

Zoals hierboven vermeld, is het verbruik in de Unie tijdens de beoordelingsperiode sterk gestegen, namelijk met 29,2 %. De omvang van de invoer met dumping uit het betrokken land nam echter aanzienlijk toe, namelijk van een aandeel van 1,9 % van de markt van de Unie aan het begin van de beoordelingsperiode tot 15,7 % in het OT. Daardoor werd duidelijk druk uitgeoefend op de bedrijfstak van de Unie, met name van 2010 tot het einde van het OT, toen deze invoer meer dan verdubbelde. Met ingang van 2010, en in het bijzonder in het OT, was de laaggeprijsde invoer uit de VS in grote hoeveelheden aanwezig op de markt van de Unie en onderbood de prijzen van de bedrijfstak van de Unie. Door deze situatie kon de bedrijfstak zich tijdens het OT niet ontwikkelen zoals verwacht.

(131)

Enkele partijen hebben aangevoerd dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie juist verbeterde van 2010 tot het OT, gelijktijdig met de verdubbeling van de invoer uit de VS. Zoals uiteengezet in de overwegingen 102 en 107 leidde het feit dat in de beoordelingsperiode veel nieuwe producenten in de Unie de markt betraden tot positieve trends van bepaalde schade-indicatoren, zoals de productie en de omvang van de verkoop. De bedrijfstak van de Unie verloor echter marktaandeel in het OT, ten opzichte van 2010, en tegelijkertijd ondervond de markt van de Unie de grootste toename van invoer met dumping uit de VS. Prijsonderbieding en prijsdruk leidden tot verslechtering van de algemene financiële situatie, met name de winstgevendheid, van de bedrijfstak van de Unie.

(132)

Aldus heeft de laaggeprijsde invoer een belangrijke rol gespeeld bij de aanmerkelijke schade die de bedrijfstak van de Unie tijdens het OT heeft geleden.

5.3.   Gevolgen van andere factoren

(133)

Afgezien van de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Unie schade zou kunnen hebben geleden, werden ook de volgende bekende factoren onderzocht om uit te sluiten dat schade veroorzaakt door deze andere factoren aan de invoer met dumping zou worden toegeschreven: de invoer uit andere landen, de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie, het effect van de economische crisis, en andere factoren zoals de schommelingen van grondstofprijzen, de ontwikkeling van de vraag, en beweerde interne problemen van ondernemingen in de bedrijfstak van de Unie.

5.3.1.   Invoer uit andere landen (Brazilië)

(134)

Volgens de beschikbare informatie was er afgezien van Brazilië geen ander land dat in de beoordelingsperiode het betrokken product in aanzienlijke hoeveelheden naar de Unie exporteerde. Wat de prijzen betreft, bleven de Braziliaanse invoerprijzen aanzienlijk lager dan die van de producenten in de Unie. De invoer uit Brazilië vertoonde tijdens de beoordelingsperiode echter duidelijk een dalende trend qua omvang (– 81 %) en marktaandeel (– 25,8 %). Aangezien de omvang van de invoer in het OT tot een dergelijk laag niveau terugviel, kan die invoer niet worden geacht het oorzakelijk verband verbroken te hebben tussen de goedkope invoer uit de VS en de schade voor de bedrijfstak van de Unie tijdens het OT.

 

2008

2009

2010

OT

Omvang van de invoer van oorsprong uit Brazilië (ton)

1 022 980

884 020

396 249

195 342

Index: 2008 = 100

100

86

39

19

Marktaandeel van de invoer uit Brazilië (%)

30,3

22,8

9,7

4,5

gemiddelde cif-prijs per eenheid

(EUR/ton invoer)

560,8

496,2

580,8

622,4

Index: 2008 = 100

100

88

104

111

Bron:

Eurostat, het Britse Renewable Fuels Agency, douanedatabase over invoer van Nederland, Finland en Zweden, en de klacht.

(135)

Enkele partijen argumenteerden dat de invoer uit Brazilië boven de de-minimisdrempel bleef in de beoordelingsperiode en dat die invoer plaatsvond tegen dumpingprijzen op de markt van de Unie. Zij voerden verder aan dat de invoer uit de VS alleen het marktaandeel van de invoer uit Brazilië had overgenomen. De invoer uit de VS zou daarom niet kunnen worden beschouwd als de oorzaak van de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie.

(136)

Zoals hierboven uiteengezet, is de invoer uit Brazilië in de beoordelingsperiode aanzienlijk afgenomen. Het marktaandeel daalde van 30,3 % tot 4,5 % in een periode waarin het verbruik aanzienlijk steeg. Gezien het prijsniveau dat de Braziliaanse exporteurs op de markt van de Unie hanteerden, kan niet worden uitgesloten dat de aanwezigheid van Braziliaanse bio-ethanol in zekere mate heeft bijgedragen tot de schade voor de bedrijfstak van de Unie. De Commissie meent echter dat deze invoer tijdens het OT daalde tot een zodanig niveau dat die niet kan worden beschouwd als een belangrijke oorzaak van die schade. In de periode tussen 2010 en het onderzoektijdvak daalde de invoer uit Brazilië met ongeveer 200 000 ton, terwijl de invoer met dumping uit de VS toenam met meer dan 330 000 ton. Derhalve wordt geoordeeld dat de aanwezigheid van de Braziliaanse bio-ethanol op de markt van de Unie, met name tijdens het OT, niet het oorzakelijke verband heeft verbroken tussen de invoer met dumping uit de VS en de schade voor de bedrijfstak van de Unie in die periode.

5.3.2.   Uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie

 

2008

2009

2010

OT

Omvang van de verkoop voor uitvoer (ton)

26 263

41 023

53 085

59 633

Bron:

klacht en antwoorden op de vragenlijst van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie.

(137)

Uit het onderzoek is gebleken dat tijdens het onderzoektijdvak geringe hoeveelheden bio-ethanol werden uitgevoerd door de bedrijfstak van de Unie, tegen prijzen die ruim boven de prijzen op de markt van de Unie lagen. Dit heeft geleid tot de conclusie dat de exportprestatie geen factor is die het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit het betrokken land kon verbreken.

5.3.3.   Gevolgen van de economische crisis

(138)

Het is niet gebleken dat de economische crisis een negatief effect op de bedrijfstak van de Unie had. Het verbruik van bio-ethanol in de Unie nam sterker toe dan ooit in 2009, het jaar dat algemeen als het dieptepunt van de economische crisis wordt beschouwd. In dezelfde periode zijn de productie en de verkoop door de producenten in de Unie ook toegenomen.

(139)

Op basis van het bovenstaande wordt ervan uitgegaan dat de economische crisis niet het oorzakelijke verband heeft verbroken tussen de laaggeprijsde invoer uit het betrokken land en de aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie.

5.3.4.   Andere factoren

(140)

Partijen hebben ook andere factoren vermeld die het oorzakelijk verband verbroken zouden kunnen hebben, zoals de schommelingen van de grondstofprijzen, de ontwikkeling van de vraag die lager was dan verwacht, een regelgevingskader in de Unie dat naar beweerd wordt in het nadeel van de producenten in de Unie werkt, en bepaalde beweerde interne problemen van producenten in de Unie.

(141)

Wat de schommelingen van de grondstofprijzen betreft, bleek dat tijdens de beoordelingsperiode de prijzen van maïs en tarwe beide aan dergelijke schommelingen onderhevig waren. Het onderzoek wees echter uit dat de meeste producenten zich tegen dit risico dekken door een specifiek prijsbepalingsmechanisme met hun leveranciers, dan wel via de financiële markten. Het is waar dat de prijzen van grondstoffen fluctueerden, met name van 2008 tot 2010, toen de prijs van maïs lager was dan die van tarwe, maar in de tweede helft van het OT waren de prijzen min of meer gelijk. Dit wijst erop dat de prijsverschillen minimaal en niet van blijvende aard waren.

(142)

Enkele partijen voerden aan dat de tenuitvoerlegging van de RED in de lidstaten te traag verliep en dat het verbruik achterbleef bij de in die richtlijn bepaalde streefcijfers. Maar ook al werden de aanvankelijke doelen niet ten volle gehaald in de beoordelingsperiode, het feit dat het verbruik in die periode sterk groeide, namelijk met 29,2 %, is een positieve factor die niet kan worden genegeerd in het kader van deze analyse. Hoe dan ook, de vermeende trage tenuitvoerlegging van de RED kan geen rechtvaardiging zijn voor de aanwezigheid van laaggeprijsde invoer met dumping in grote hoeveelheden op de markt van de Unie, die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie onderbood en die bedrijfstak schade berokkende. Dit argument wordt daarom verworpen.

(143)

Partijen hebben ook aangevoerd dat de bedrijfstak van de Unie alleen niet kon voldoen aan de vraag in de Unie, als gevolg van de onzekerheid met betrekking tot de regelgeving, en dat het systeem van certificering uiterst langzaam is en daardoor de voordelen voor de gecertificeerde producenten in de Unie grotendeels teniet doet. Ten slotte argumenteerden enkele partijen dat het feit dat veel producenten in de Unie tijdens de beoordelingsperiode met interne problemen te maken hadden een verklaring was voor de eventuele schade die zij hebben geleden. Deze beweringen werden echter niet met bewijzen gestaafd en ook niet door het onderzoek bevestigd. Er zij echter op gewezen dat uit het onderzoek bleek dat het beweerde lage niveau van de productie in de Unie hoofdzakelijk toe te schrijven was aan het lage niveau van de verkoopprijzen op de markt van de Unie, dat weer grotendeels te wijten was aan de sterke toename van laaggeprijsde invoer met dumping uit de VS waardoor de prijzen van de producenten van de Unie werden onderboden, met name gedurende het OT. Het bleek dat de producenten in de EU gedwongen waren de productie te staken, aangezien de marktprijzen niet eens de kosten van de grondstoffen dekten, met name gedurende het OT. De bovengenoemde beweringen zijn dus onbewezen en verbreken niet het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping en de schade voor de bedrijfstak van de Unie gedurende het OT.

(144)

Bijgevolg wordt geconcludeerd dat alle bovenvermelde factoren niet geleid hebben tot verbreking van het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit de VS.

(145)

Ten slotte maakten partijen melding van het feit dat gedurende het OT een aanzienlijk aantal ingevoerde zendingen gedeclareerd werd onder GN-rubriek 3824 , waarvoor een lager douanetarief geldt. Na het einde van het OT werd dit douanerecht verhoogd. Zij zijn van mening dat de schade veroorzaakt werd door het lage douanerecht en niet door dumping. In dit verband volstaat het erop te wijzen dat douanerechten op ieder moment aangepast kunnen worden, en dat dit argument daarom niets afdoet aan het feit dat er schade was tijdens het onderzoektijdvak.

5.4.   Conclusie inzake het oorzakelijk verband

(146)

Uit bovenstaande analyse is gebleken dat de omvang en het marktaandeel van de laaggeprijsde invoer van oorsprong uit het betrokken land in de beoordelingsperiode aanzienlijk zijn toegenomen. Bovendien werd vastgesteld dat de prijzen van deze invoer lager waren dan de prijzen die de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie berekent.

(147)

Deze toename van de omvang en het marktaandeel van de laaggeprijsde invoer uit het betrokken land viel samen met een algemene en voortdurende stijging van het verbruik in de Unie en ook met de negatieve resultaten van de bedrijfstak van de Unie gedurende de beoordelingsperiode. De exporteurs uit het betrokken land slaagden erin hun marktaandeel te verhogen door systematisch de prijzen van de bedrijfstak van de Unie te onderbieden. Tegelijkertijd was de bedrijfstak van de Unie niet in staat een niveau van duurzame winstgevendheid te bereiken, ondanks de toename van de activiteit.

(148)

Uit het onderzoek van de andere bekende factoren die schade voor de bedrijfstak van de Unie hadden kunnen veroorzaken, is gebleken dat zij niet van dien aard zijn dat zij het oorzakelijke verband tussen de invoer met dumping uit het betrokken land en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade kunnen verbreken.

(149)

Op grond van bovenstaande analyse, waarbij een duidelijk onderscheid werd gemaakt tussen de gevolgen van alle bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, luidt de conclusie dat de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit de VS aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden.

6.   BELANG VAN DE UNIE

6.1.   Opmerking vooraf

(150)

Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening werd nagegaan of er ondanks de conclusie in verband met de schade geleden door de invoer met dumping uit het betrokken land dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Unie was om in dit bijzondere geval antidumpingmaatregelen in te stellen. Het belang van de Unie werd geanalyseerd aan de hand van een afweging van de belangen van alle betrokkenen, waaronder de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers van het betrokken product.

6.2.   Belang van de bedrijfstak van de Unie

(151)

Uit het onderzoek is gebleken dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft geleden als gevolg van de invoer met dumping uit de VS. Als er geen maatregelen worden genomen om de handelsverstorende gevolgen van deze invoer te corrigeren, is een verdere verslechtering van de economische situatie van de bedrijfstak van de Unie zeer waarschijnlijk.

(152)

Verwacht wordt dat de instelling van antidumpingmaatregelen zal leiden tot een herstel van de effectieve handelsvoorwaarden op de markt van de Unie, zodat de prijzen van de bedrijfstak van de Unie aangepast kunnen worden aan de productiekosten. Het valt te verwachten dat de instelling van maatregelen de bedrijfstak van de Unie ook in staat zal stellen om grotere hoeveelheden te verkopen en daardoor het vanwege de invoer met dumping verloren marktaandeel terug te winnen. Dit zal een aanvullend positief effect hebben op de financiële situatie en de winstgevendheid van de bedrijfstak.

(153)

De conclusie luidt derhalve dat de instelling van antidumpingmaatregelen op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VS niet indruist tegen het belang van de bedrijfstak van de Unie.

6.3.   Belang van de importeurs

(154)

Twee ondernemingen hebben antwoorden ingediend op de vragenlijst die bedoeld was voor niet-verbonden importeurs in de Unie. Bij deze medewerkende importeurs zijn controlebezoeken verricht. Voor beide bezochte ondernemingen vormt de handel in bio-ethanol slechts een klein deel van hun totale omzet (minder dan 5 %). Bovendien hebben beide ondernemingen aangegeven dat zij in staat zouden zijn om prijsstijgingen door te berekenen aan hun afnemers, de gebruikers.

(155)

Op basis van de beschikbare informatie werd geconcludeerd dat de instelling van maatregelen geen aanzienlijke negatieve gevolgen zou hebben voor de importeurs.

6.4.   Belang van de gebruikers

(156)

Vier ondernemingen verzonden antwoorden op de vragenlijst voor gebruikers in de Unie. Bij een daarvan vond een controlebezoek plaats.

(157)

Voor de bezochte onderneming vormt de handel in bio-ethanol slechts een klein deel van de omzet, minder dan 5 %. De onderneming verrichte een effectbeoordeling met betrekking tot een E5-mengsel en berekende dat een recht van 100 EUR/m3 zou leiden tot een prijsverhoging van 0,005 EUR per liter aan de pomp.

(158)

Wat de andere drie gebruikers betreft, is het op basis van gegevens in hun antwoorden op de vragenlijst duidelijk dat de gevolgen beperkt zouden zijn. Voor één onderneming zijn de aangekochte hoeveelheden uit het betrokken land zeer beperkt, en de instelling van een antidumpingrecht zou slechts een minimaal effect op de winstgevendheid hebben.

(159)

De twee andere meewerkende gebruikers zijn verbonden en hebben verklaard dat eventuele antidumpingrechten kunnen worden doorberekend aan hun afnemers. Voorts maakten zij duidelijk dat zij voldoende keuze hebben wat hun leveringsbronnen betreft en dat zij niet afhankelijk zijn van invoer uit de VS.

(160)

Partijen voerden aan dat er in de EU niet voldoende capaciteit is om aan de totale vraag te beantwoorden, en dat de Unie invoer nodig heeft om aan de behoefte aan bio-ethanol te voldoen. De gecontroleerde cijfers tonen aan dat er onbenutte capaciteit was in de Unie, gezien met name het lage niveau van de verkoopprijzen. De producenten in de Unie zouden in staat zijn hun productie te verhogen om te voldoen aan de toenemende vraag, vooral wanneer de handelsverstoringen van de markt verdwijnen. Voorts wordt verwacht dat er in de nabije toekomst nieuwe fabrieken zullen worden gebouwd en met de productie zullen beginnen, waardoor het vermeende risico van tekorten in de Unie verder beperkt zal worden.

(161)

Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat het effect van de antidumpingmaatregelen tegen de invoer van het bio-ethanol uit de VS geen aanzienlijke negatieve gevolgen zou hebben voor de gebruikers in de Unie.

6.5.   Conclusie inzake het belang van de Unie

(162)

Gezien deze overwegingen luidde de conclusie dat er, gezien de beschikbare informatie over het belang van de Unie, over het geheel genomen geen dwingende redenen zijn die tegen de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer van bio-ethanol van oorsprong uit de VS pleiten.

7.   DEFINITIEVE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

7.1.   Schademarge

(163)

Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en het belang van de Unie moeten definitieve antidumpingmaatregelen worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie nog meer schade lijdt door invoer met dumping.

(164)

Om de hoogte van deze maatregelen te bepalen, werd rekening gehouden met de dumpingmarges en het bedrag aan rechten dat noodzakelijk is om de schade voor de bedrijfstak van de Unie op te heffen, zonder de vastgestelde dumpingmarges te overschrijden.

(165)

Bij de berekening van het recht dat nodig is om de gevolgen van de schade veroorzakende dumping op te heffen, werd ervan uitgegaan dat de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat moeten stellen om de productiekosten te dekken en een winst vóór belasting te maken die bij normale concurrentie, dat wil zeggen in afwezigheid van invoer met dumping, redelijkerwijs op de verkoop van het soortgelijke product in de Unie door een dergelijke bedrijfstak in de sector kan worden behaald.

(166)

In dit geval meent de Commissie, gelet op de opmerkingen in met name de overwegingen 102 en 103, dat de streefwinst voor de bedrijfstak van de Unie gebaseerd zou moeten zijn op de winst die geboekt werd toen de invoer uit de VS te verwaarlozen was, d.w.z. de gemiddelde winstmarge, vóór belastingen, van een van de in de steekproef opgenomen producenten van de Unie in 2008 en 2009, een producent die zich toen niet meer in de start-upfase bevond. Daarom wordt een marge van 6,8 % op de omzet beschouwd als redelijk en als een passend minimum dat de bedrijfstak van de Unie onder normale handelsvoorwaarden en in afwezigheid van schade veroorzakende dumping had kunnen verwachten in het OT.

(167)

Op basis hiervan is voor het soortgelijk product een prijs berekend waarbij de bedrijfstak van de Unie geen schade lijdt. Die prijs werd verkregen door de verkoopprijs van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie te corrigeren voor het werkelijke verlies of de werkelijke winst in het OT en bovengenoemde winstmarge daarbij op te tellen.

(168)

De noodzakelijke prijsverhoging werd vervolgens berekend door vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs van de medewerkende exporteurs/producenten in de VS, zoals vastgesteld voor de berekening van de prijsonderbieding, met de geen schade veroorzakende prijs van de producten die de bedrijfstak van de Unie gedurende het OT op de markt van de Unie heeft verkocht. Het verschil dat deze vergelijking opleverde, werd vervolgens uitgedrukt als percentage van de gemiddelde totale cif-waarde bij invoer.

7.2.   Vorm en hoogte van de rechten

(169)

Gelet op het voorgaande wordt geoordeeld dat, overeenkomstig artikel 9, lid 4, van de basisverordening, ten aanzien van de invoer van het betrokken product definitieve antidumpingmaatregelen moeten worden ingesteld die volgens de regel van het laagste recht gelijk zijn aan de dumpingmarge of de schademarge indien deze lager is. Dienovereenkomstig moeten alle rechten worden vastgesteld op het niveau van de vastgestelde dumpingmarges.

(170)

De voorgestelde definitieve antidumpingrechten zijn als volgt:

 

Dumpingmarge

Schademarge

Definitief recht

Dumpingmarge voor het hele land (%)

9,5

31,1

9,5

(171)

Gezien het feit dat het antidumpingrecht ook van toepassing is op mengsels die meer dan 10 % (v/v) bio-ethanol bevatten, in verhouding tot hun bio-ethanolgehalte, wordt het voor een doeltreffende toepassing van de maatregel door de douaneautoriteiten van de lidstaten zinvol geacht om het recht te bepalen als een vast bedrag op basis van het gehalte pure bio-ethanol.

(172)

Het bij deze verordening vastgestelde antidumpingrecht is gebaseerd op de bevindingen van het huidige onderzoek. Het is dus in overeenstemming met de situatie zoals die in het kader van dat onderzoek werd vastgesteld. Dit voor het gehele land geldende recht, dat van toepassing is op alle ondernemingen, is van toepassing op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VS.

(173)

Het was oorspronkelijk de bedoeling de duur van de maatregelen tot drie jaar te beperken, gezien de verwachte dynamische ontwikkeling van de markt voor het betrokken product, maar dit punt is opnieuw overwogen naar aanleiding van de opmerkingen van de belanghebbenden. Met name de klagers voerden aan dat het in dit stadium nog te vroeg is om aan te nemen dat er grote veranderingen van de marktpatronen zullen optreden, aangezien de overstap naar bio-ethanol van de nieuwe generatie hoogstwaarschijnlijk veel tijd zal vergen, en dat het onderhavige voorstel daarom geen rekening met die overstap zou moeten houden. Het is eveneens nog te vroeg om te kunnen voorspellen wat het resultaat van bepaalde voorgestelde regelgeving en het effect ervan op de verschillende marktdeelnemers zou zijn. Na bestudering van deze argumenten werd besloten dat er geen reden was om af te wijken van de normale geldigheidsduur van maatregelen zoals bepaald in artikel 11, lid 2, van de basisverordening. Dit sluit echter niet uit dat belanghebbenden, als de omstandigheden dat rechtvaardigen, overeenkomstig artikel 11, lid 3, om herziening kunnen verzoeken.

8.   REGISTRATIE

(174)

De Commissie heeft diverse verzoeken van de klager ontvangen betreffende registratie van de invoer van bio-ethanol van oorsprong uit de VS. Volgens artikel 14, lid 6, van de basisverordening kan de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, de douaneautoriteiten opdracht geven passende maatregelen te nemen om de invoer te registreren, zodat vervolgens rechten kunnen worden geheven op de betrokken producten met ingang van de datum van registratie. Tot registratie van de invoer kan worden overgegaan naar aanleiding van een door de bedrijfstak van de Unie ingediend verzoek dat voldoende bewijsmateriaal bevat om een dergelijke maatregel te rechtvaardigen. De klager betoogde dat, aangezien de registratie is ingesteld in het kader van de parallelle antisubsidieprocedure betreffende de invoer van bio-ethanol van oorsprong uit de VS (14), automatisch aan deze voorwaarden is voldaan.

(175)

De registratie in het kader van de parallelle antisubsidieprocedure werd echter onder volledig andere omstandigheden ingesteld. Zoals vermeld in overweging 10 van Verordening (EU) nr. 771/2012 besloot de Commissie, ondanks de positieve bevindingen van compenserende subsidiëring en daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade voor de bedrijfstak van de Unie tijdens het onderzoektijdvak, geen voorlopige compenserende rechten in te stellen, omdat voorlopig werd vastgesteld dat de voornaamste subsidieregeling die van kracht was tijdens het onderzoektijdvak was stopgezet, in die zin dat die regeling niet langer een voordeel zou opleveren op het ogenblik dat voorlopige maatregelen zouden zijn ingesteld. Er waren evenwel aanwijzingen dat de VS de voornaamste subsidieregeling waarvan was vastgesteld dat die aanleiding zou moeten geven tot compenserende maatregelen, in de komende maanden wellicht met terugwerkende kracht opnieuw zou invoeren. De Commissie was van mening dat zij in dat geval gerechtigd zou zijn in het huidige onderzoek voorlopige compenserende rechten vast te stellen (en uiteindelijk te innen). Derhalve heeft de Commissie, teneinde de rechten van de Europese Unie in het kader van deze bijzondere omstandigheden te waarborgen, besloten om de douaneautoriteiten opdracht te geven om de invoer te registreren. Deze specifieke omstandigheden zijn niet van toepassing in de huidige AD-procedure,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op bio-ethanol, soms „brandstofethanol” genoemd, d.w.z. ethylalcohol die is vervaardigd uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie), al dan niet gedenatureerd, met uitzondering van producten die meer dan 0,3 % (m/m) water bevatten, gemeten overeenkomstig norm EN 15376, maar inclusief ethylalcohol die is vervaardigd uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) en die is vervat in mengsels van benzine die meer dan 10 % (v/v) ethylalcohol bevatten, bestemd voor gebruik als brandstof en momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 2207 10 00 , ex 2207 20 00 , ex 2208 90 99 , ex 2710 12 21 , ex 2710 12 25 , ex 2710 12 31 , ex 2710 12 41 , ex 2710 12 45 , ex 2710 12 49 , ex 2710 12 51 , ex 2710 12 59 , ex 2710 12 70 , ex 2710 12 90 , ex 3814 00 10 , ex 3814 00 90 , ex 3820 00 00 en ex 3824 90 97 (Taric-codes 2207 10 00 12, 2207 20 00 12, 2208 90 99 12, 2710 12 21 11, 2710 12 25 92, 2710 12 31 11, 2710 12 41 11, 2710 12 45 11, 2710 12 49 11, 2710 12 51 11, 2710 12 59 11, 2710 12 70 11, 2710 12 90 11, 3814 00 10 11, 3814 00 90 71, 3820 00 00 11 en 3824 90 97 67), van oorsprong uit de Verenigde Staten van Amerika.

2.   Het definitieve antidumpingrecht dat van toepassing is op het in lid 1 omschreven product bedraagt 62,3 EUR per ton nettogewicht. Het antidumpingrecht is van toepassing naar gelang van het aandeel in het product, in gewichtspercenten, van het totale gehalte aan zuivere ethylalcohol verkregen uit landbouwproducten (zoals vermeld in bijlage I bij het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie) („bio-ethanolgehalte”).

3.   In lid 1 beschreven producten zijn vrijgesteld van het definitieve antidumpingrecht indien zij voor andere doeleinden dan als brandstof bestemd zijn. De vrijstelling is onderworpen aan de voorwaarden vastgesteld bij de op dit gebied geldende voorschriften van de Europese Unie met het oog op het douanetoezicht op de bestemming van deze producten (zie de artikelen 291 tot en met 300 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie).

4.   Indien goederen zijn beschadigd voor zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs dientengevolge overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 voor het bepalen van de douanewaarde verhoudingsgewijze wordt verlaagd, wordt het bedrag van het antidumpingrecht, berekend op basis van de voorgenoemde bedragen, verlaagd met een percentage dat overeenstemt met de verhoudingsgewijze verlaagde werkelijk betaalde of te betalen prijs.

5.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 februari 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

S. SHERLOCK


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB C 345 van 25.11.2011, blz. 7.

(3)   PB C 345 van 25.11.2011, blz. 13.

(4)  Richtlijn 2009/28/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 ter bevordering van het gebruik van energie uit hernieuwbare bronnen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 16).

(5)  Zie www.ethanol.org — RFS (Renewable Fuels Standard) overeenkomstig de Energy Independence and Security Act van 2007.

(6)  Zie US Internal Revenue Code (IRC) — Sec. 40(b)(4), point E.

(7)  Zie www.ethanol.org — RFS (Renewable Fuels Standard) overeenkomstig de Energy Independence and Security Act van 2007.

(8)  Uit het onderzoek bleek dat om in aanmerking te komen voor de „alcohol mixture credit”, zoals bepaald in Sec. 40(b)(3) van de IRC het al voldoende is om pure bio-ethanol met 0,1 % benzine te mengen.

(9)  Bijvoorbeeld a) de informatie die op internet is gepubliceerd door de American Coalition for Ethanol (ACE), b) de Energy Policy Act (EPA) van 2005, met name P.L. 109-58, c) de Energy Independence and Security Act van 2007 (P.L. 110-140, H.R.6) waardoor de Renewable Fuels Standard (RFS) gewijzigd en verhoogd werd, zodat in 2008 9 miljard gallons (34 miljard liter) hernieuwbare brandstof verbruikt moest worden, en 13,9 miljard gallons (52,6 miljard liter) in 2011, d) informatiemateriaal van het US Department of Energy in het kader van de acties voor schone steden enz.

(10)  Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van het communautair douanewetboek (PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1).

(11)  Bijvoorbeeld Verordening (EG) nr. 2961/95 van de Raad betreffende persulfaten waarin gesteld werd dat het Chinese product „soortgelijk” was aan het EU-product ondanks kwaliteitsverschillen in zuiverheid en ijzergehalte (PB L 308 van 21.12.1995, blz. 61, overweging 10). Zie ook het arrest van het Gerecht in T-2/95 Industrie des poudres sphériques, waarin het Hof verklaarde dat „de instellingen rechtmatig tot de conclusie konden komen dat Chinees en Russisch metallisch calcium „soortgelijk” waren aan metallisch calcium uit de EU, ondanks verschillen in zuurstofgehalte die het EU-product ongeschikt maakten voor een specifieke toepassing, die meer dan 11 % van het verbruik in de EU vertegenwoordigde (T-2/95 punten 202-221)”. Dit punt werd niet aangevochten bij beroep (C-458/98 P).

(12)   PB C 225 van 18.9.2009, blz. 13, PB C 176 van 2.7.2010, blz. 6, PB C 236 van 12.8.2011, blz. 16.

(13)  Aangenomen wordt dat er in 2008 geen voorraadmutatie was.

(14)  Verordening (EU) nr. 771/2012 van de Commissie (PB L 229 van 24.8.2012, blz. 20).


22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/29


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 158/2013 VAN DE RAAD

van 18 februari 2013

tot hernieuwde instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Op 20 oktober 2007 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) met een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie de inleiding bekendgemaakt van een antidumpingprocedure betreffende de invoer in de Gemeenschap van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”) (2). Op 4 juli 2008 heeft de Commissie bij Verordening (EG) nr. 642/2008 (3) („de voorlopige verordening”) een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de VRC.

(2)

De procedure werd ingeleid als gevolg van een op 6 september 2007 door de Spaanse nationale federatie van verenigingen in de sector groente- en fruitconserven (Federación Nacional de Asociaciones de la Industria de Conservas Vegetales, FENAVAL, voorheen FNACV) („de klager”) namens producenten wier productie 100 % uitmaakt van de totale communautaire productie van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) ingediende klacht. Het bij de klacht gevoegde bewijsmateriaal dat het betreffende product werd gedumpt en dat hierdoor aanmerkelijke schade was ontstaan, werd voldoende geacht om een procedure in te leiden.

(3)

Zoals vermeld in overweging 12 van de voorlopige verordening had het onderzoek naar dumping en schade betrekking op de periode van 1 oktober 2006 tot en met 30 september 2007 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 oktober 2002 tot het eind van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”).

(4)

Op 9 november 2007 onderwierp de Commissie de invoer van het onderhavige product uit de VRC aan registratie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1295/2007 van de Commissie van 5 november 2007 tot onderwerping aan registratieplicht van de invoer van bepaalde bereide en verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen en dergelijke) van oorsprong uit de Volksrepubliek China (4).

(5)

Er zij aan herinnerd dat tot 8 november 2007 vrijwaringsmaatregelen van kracht waren met betrekking tot hetzelfde product. De Commissie legde voorlopige vrijwaringsmaatregelen met betrekking tot de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) op bij Verordening (EG) nr. 1964/2003 (5). Vervolgens werden definitieve vrijwaringsmaatregelen vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 658/2004 (6) („de vrijwaringsverordening”). Zowel de voorlopige als de definitieve vrijwaringsmaatregelen bestonden uit een tariefcontingent, hetgeen wil zeggen dat pas een recht verschuldigd was nadat het volume aan rechtenvrije invoer was bereikt.

(6)

Bij Verordening (EG) nr. 1355/2008 (7) („de oorspronkelijke verordening”) heeft de Raad een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

(7)

De orde van grootte van het definitieve antidumpingrecht lag tussen 361,4 en 531,2 EUR/t nettogewicht van het product.

1.1.   Xinshiji-arrest

(8)

Bij arrest van 17 februari 2011 in de zaak T-122/09 — Zhejiang Xinshiji Foods Co. Ltd en Hubei Xinshiji Foods Co. Ltd/Raad van de Europese Unie ondersteund door de Europese Commissie (8) — („het Xinshiji-arrest”) verklaarde het Gerecht de oorspronkelijke verordening nietig voor zover deze de indieners van het verzoek Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd en Hubei Xinshiji Foods Co. Ltd raakte.

(9)

De gronden voor het arrest van het Gerecht waren erin gelegen dat de Commissie inbreuk had gemaakt op de rechten van de verdediging door na te laten de informatie te verstrekken die de indieners van het verzoek nodig hadden om te bepalen of, gezien de structuur van de markt, de aanpassing van de uitvoerprijs aan het niveau af-fabriek van de importeur geëigend was, in die zin dat deze het mogelijk maakte om de uitvoerprijs te vergelijken met de prijs van de bedrijfstak in de EU in hetzelfde handelsstadium. Het Gerecht oordeelde voorts dat de Commissie niet heeft voldaan aan zijn motiveringsverplichting, aangezien de gronden voor een maatregel moeten worden vermeld in de tekst van de maatregel zelf en niet in schriftelijke of mondelinge toelichtingen in een later stadium, als de maatregel in kwestie al onderwerp is van een procedure bij de rechterlijke instanties van de Europese Unie.

(10)

De Commissie heeft in april 2011 een beroep (C-195/11P) ingesteld teneinde het Xinshiji-arrest te doen vernietigen. Na de ongeldigverklaring van de oorspronkelijke verordening door het Hof van Justitie van de Europese Unie („het Hof”) op 22 maart 2012 (zie overweging 16) heeft de Commissie haar beroep ingetrokken, aangezien het zonder voorwerp raakte.

(11)

Op 3 december 2011 heeft de Commissie een bericht (9) bekendgemaakt waarbij het antidumpingonderzoek gedeeltelijk werd heropend („het eerste heropeningsbericht”) teneinde het Xinshiji-arrest van het Gerecht ten uitvoer te leggen. De heropening beperkte zich tot het bepalen of, gezien de structuur van de markt, de aanpassing van de uitvoerprijs aan het niveau af-fabriek van de importeur geëigend was, in die zin dat deze het mogelijk maakte om de uitvoerprijs te vergelijken met de prijs van de bedrijfstak in de EU in hetzelfde handelsstadium.

(12)

Tegelijkertijd ontvingen alle belanghebbende partijen een informatiedocument met in de bijlagen een toelichting op de gronden voor de correctie van de kosten na invoer waarmee rekening was gehouden bij het berekenen van de prijs van producten van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

(13)

Belanghebbende partijen werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te worden gehoord.

(14)

Alle partijen die hiertoe binnen de bovengenoemde termijn een verzoek indienden en die aantoonden specifieke redenen te hebben om gehoord te willen worden, kregen de gelegenheid om gehoord te worden.

(15)

De twee verzoekende exporteurs, acht importeurs, twee verenigingen van importeurs en één vereniging van producenten meldden zich als belanghebbende partijen.

1.2.   Referentielandarrest

(16)

Op 22 maart 2012 verklaarde het Hof de oorspronkelijke verordening ongeldig in de zaak C-338/10 — Grünwald Logistik Service GmbH (GLS)/Hauptzollamt Hamburg-Stadt („referentielandarrest”) (10).

(17)

Het Hof bepaalde dat de Commissie en de Raad, door de normale waarde van het betrokken product te bepalen op basis van de werkelijk betaalde of te betalen prijzen van een soortgelijk product in de Europese Unie zonder daarbij de nodige zorgvuldigheid aan de dag te leggen om deze waarde vast te stellen aan de hand van de prijzen die voor hetzelfde product in een derde land met een markteconomie worden toegepast, de voorwaarden van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening hebben miskend.

(18)

Op 19 juni 2012 werd een bericht (11) („het tweede heropeningsbericht”) bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. In dit bericht werden de partijen geïnformeerd dat, in het licht van het bovengenoemde arrest van het Hof de oorspronkelijke verordening ingestelde antidumpingmaatregelen ten aanzien van de invoer in de Europese Unie van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen, enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China niet meer van kracht waren, en dat voor het betrokken product uit hoofde van die verordening betaalde definitieve antidumpingrechten moesten worden terugbetaald of kwijtgescholden.

(19)

In het bericht werd voorts het betreffende antidumpingonderzoek naar de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China gedeeltelijk heropend teneinde het bovengenoemde arrest van het Hof ten uitvoer te leggen.

(20)

In het bericht werd bepaald dat de heropening zich beperkte tot het aanwijzen van een eventueel referentieland en het bepalen van de voor de berekening van een eventuele dumpingwaarde te gebruiken normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a).

(21)

Bovendien werden bij hetzelfde bericht belanghebbende partijen verzocht om hun standpunten bekend te maken, informatie in te dienen en bewijsmateriaal te verstrekken met betrekking tot het bestaan van derde landen met een markteconomie die zouden kunnen worden aangewezen ter bepaling van de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), onder meer met betrekking tot Israël, Israël, Swaziland, Thailand en Turkije.

(22)

De Commissie lichtte rechtstreeks de bedrijfstak in de EU en zijn vereniging in, de producenten-exporteurs, leveranciers en importeurs en hun verenigingen waarvan bekend was dat zij bij deze kwestie betrokken waren, en de autoriteiten van de betrokken derde landen. Belanghebbende partijen werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te worden gehoord.

(23)

Alle partijen die hiertoe binnen de bovengenoemde termijn een verzoek indienden en die aantoonden specifieke redenen te hebben om gehoord te willen worden, kregen de gelegenheid om gehoord te worden.

(24)

Acht importeurs en één vereniging van importeurs meldden zich als belanghebbende partijen.

2.   PROCEDURE NA MEDEDELING VAN VOORLOPIGE MAATREGELEN

(25)

Na het instellen van voorlopige antidumpingrechten op het betrokken product van oorsprong uit de VRC dienden verscheidene belanghebbende partijen schriftelijke opmerkingen in. Ook werden de partijen die hierom verzochten in gelegenheid gesteld om gehoord te worden.

(26)

De Commissie bleef alle informatie inwinnen en verifiëren die zij nodig achtte met het oog op haar definitieve bevindingen. Met name voltooide de Commissie het onderzoek naar de aspecten die van belang zijn voor de Europese Unie („communautaire belangen”). In dit kader werden controles ter plaatse uitgevoerd bij de volgende, niet bij de onderhavige zaak betrokken importeurs in de EU:

Wünsche Handelsgesellschaft International (GmbH & Co KG), Hamburg, Duitsland,

Hüpeden & Co (GmbH & Co) KG, Hamburg, Duitsland,

I. Schroeder KG. (GmbH & Co), Hamburg, Duitsland,

Zumdieck GmbH, Paderborn, Duitsland,

Gaston spol. s r.o., Zlin, Tsjechische Republiek.

(27)

Alle partijen werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan zij voornemens was de instelling van een definitief antidumpingrecht op het betrokken product van oorsprong uit de VRC en het definitieve inning van de bedragen waarvoor zekerheid was gesteld uit hoofde van het voorlopige recht aan te bevelen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

(28)

Enkele importeurs verzochten om een gezamenlijke vergadering van alle belanghebbende partijen, uit hoofde van artikel 6, lid 6, van de basisverordening; een van de partijen weigerde echter deel te nemen.

(29)

De door de belanghebbende partijen ingediende mondelinge en schriftelijke opmerkingen werden in aanmerking genomen en waar nodig werd er rekening mee gehouden.

3.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

(30)

Na de instelling van voorlopige maatregelen stelden twee niet-verbonden importeurs in de EU dat bepaalde soorten mandarijnen niet onder de definitie van het betrokken product zouden moeten vallen, vanwege de mate van zoetheid van de mandarijnen dan wel de verpakking ervan op het moment van de uitvoer. In dit kader wordt opgemerkt dat deze beweringen niet gepaard gingen met enige controleerbare informatie of gegevens ten bewijs dat deze soorten kenmerken hebben waardoor ze zich onderscheiden van het betrokken product. Ook wordt opgemerkt dat verschillen in verpakking niet mogen worden aangemerkt als een essentiële factor bij het omschrijven van het betrokken product, met name gezien het feit dat bij het omschrijven van het betrokken product in overweging 16 van de voorlopige verordening reeds rekening werd gehouden met verschillende verpakkingswijzen. Deze argumenten worden derhalve afgewezen.

(31)

De maatregelen werden ingesteld voor het in de oorspronkelijke verordening als volgt omschreven product: bereide of verduurzaamde mandarijnen, tangerines en satsuma’s daaronder begrepen, en clementines, wilkings en andere dergelijke kruisingen van citrusvruchten, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, zoals omschreven onder GN-post 2008 en momenteel vallende onder de GN-codes 2008 30 55 , 2008 30 75 en ex 2008 30 90 (Taric-codes 2008 30 90 61, 2008 30 90 63, 2008 30 90 65, 2008 30 90 67 en 2008 30 90 69), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

(32)

In dit opzicht interpreteerde het Hof de op 27 juli 2011 door de Commissie aan het Hof verstrekte statistieken in het referentielandarrest als gegevens die uitsluitend betrekking hebben op het betrokken product. De Commissie heeft echter de volledige reikwijdte van elke GN-code in deze statistieken opnieuw onderzocht, en er dient op te worden gewezen dat deze statistieken een breder terrein omvatten dan het onder de maatregelen vallende product, aangezien zij tevens betrekking hadden op de volledige GN-codes 2008 30 55 , 2008 30 75 en 2008 30 90 . De statistische gegevens met betrekking tot het betrokken product of het soortgelijke product (voor GN-codes 2008 30 55 en 2008 30 75 ) voor de bovengenoemde landen gedurende het onderzoektijdvak zijn als volgt:

Land

Omvang van de invoer

(in t)

Volksrepubliek China

49 791,30

Thailand

666,10

Turkije

151,20

Israël

4,80

Swaziland

0,00

(33)

De statistische gegevens met betrekking tot GN-code 2008 30 90 omvatten ook andere producten dan het betrokken product. Op basis van deze gegevens kunnen dan ook geen conclusies getrokken worden betreffende de invoer van het soortgelijke product. Derhalve kan niet uit de statistieken worden afgeleid dat het soortgelijke product gedurende het onderzoektijdvak werd ingevoerd uit hetzij Israël of Swaziland.

4.   STEEKPROEVEN

4.1.   Steekproef van producenten-exporteurs in de VRC

(34)

Twee niet-verbonden importeurs in de EU bestreden dat de voor de steekproef uitgekozen Chinese producenten-exporteurs verantwoordelijk waren voor 60 % van de totale uitvoer naar de EU. Zij konden echter geen controleerbare informatie verstrekken waardoor de juistheid van de door de medewerkende Chinese producenten-exporteurs ingediende en in de loop van het verdere onderzoek grotendeels bevestigde steekproefgegevens in twijfel zou worden getrokken. Dit argument wordt derhalve afgewezen.

(35)

Drie medewerkende Chinese producenten-exporteurs stelden dat aan hen verwante ondernemingen producenten-exporteurs van het betrokken product waren en daarom opgenomen hadden moeten worden in de bijlage met medewerkende producenten-exporteurs. Deze aanspraken werden gegrond bevonden en derhalve werd besloten de betreffende bijlage dienovereenkomstig te herzien. Eén niet-verbonden importeur in de EU stelde dat uitvoer naar de EU via handelaars automatisch de voordelen zou moeten genieten van de op Chinese producenten-exporteurs betrekking hebbende maatregelen. In dit verband wordt opgemerkt dat in dit geval antidumpingmaatregelen worden ingesteld voor door producenten-exporteurs in het onderzochte land vervaardigde producten die naar de EU worden uitgevoerd (ongeacht welke onderneming deze producten verhandelt) en niet voor bedrijfsentiteiten die zich uitsluitend met handelsactiviteiten bezighouden. De aanspraak werd derhalve verworpen.

5.   DUMPING

5.1.   Behandeling als marktgerichte onderneming (BMO)

(36)

Na de instelling van voorlopige maatregelen werden door de Chinese medewerkende producent-exporteur geen opmerkingen ingediend met betrekking tot de BMO-bevindingen. Gezien het ontbreken van relevante opmerkingen in deze worden overweging 29 tot en met 33 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

5.2.   Individuele behandeling

(37)

Gezien het ontbreken van relevante opmerkingen in deze worden overweging 34 tot en met 37 van de voorlopige verordening inzake individuele behandeling hierbij bevestigd.

5.3.   Normale waarde

5.3.1.   Opmerkingen van belanghebbende partijen na het tweede heropeningsbericht

(38)

Bepaalde importeurs stelden dat invoer uit China nodig zou zijn om aan de vraag in de EU te voldoen, hoewel één importeur aangaf dat de Spaanse en Turkse productie tezamen voldoende zouden zijn om aan de behoeften van de communautaire markt te voldoen. Eén importeur merkte op dat het instellen van antidumpingrechten zou hebben geleid tot beduidende prijsstijgingen van het betrokken product. Prijsstijgingen werden ook door andere importeurs genoemd. Er werden verschillende factoren aangewezen als oorzaak van een dergelijke stijging, zoals de afnemende beschikbaarheid van mandarijnen uit China in de EU als gevolg van interne vraag en de vraag van andere markten, mislukte oogsten en arbeidstekorten in China. Een andere genoemde factor was de afgenomen concurrentie in de EU (er zijn momenteel naar schatting slechts drie producenten in de EU, tegen acht in 2000). Eén importeur sprak de klacht uit dat antidumpingmaatregelen grote handelsondernemingen zouden begunstigen ten opzichte van de traditionele, die al tientallen jaren de handel in het betrokken product met China voeren. Deze importeur verdedigde het bestaan van een vergunningenstelsel op basis van gegevens van vóór 2001.

(39)

Een groep importeurs stelde dat de instellingen van de EU een geheel nieuw onderzoek zouden moeten instellen in plaats van het gedeeltelijk heropenen van het antidumpingonderzoek dat had geleid tot het instellen van maatregelen die van kracht waren geweest tot het referentielandarrest. Dit verzoek was erop gebaseerd dat de betrokken importeurs onvoldoende bewijs zagen voor dumping of schade in de huidige marktsituatie.

(40)

Andere importeurs verklaarden dat zij het oneens waren met het mogelijke gebruik van de OT-gegevens mocht een nieuwe dumpingmarge berekend moeten worden. Volgens deze importeurs zouden de meest recente gegevens moeten worden gebruikt, waarbij met name de tijdvakken 2010-2011 en 2011-2012 werden voorgesteld.

(41)

Een groep importeurs stelde dat de gedeeltelijke heropening van het onderzoek een schending vormt van artikel 266 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Volgens deze importeurs zou de in het tweede heropeningsbericht genoemde rechtspraak (12) alleen moeten worden herroepen indien maatregelen worden vernietigd of ongeldig verklaard vanwege een foutieve vaststelling van schade. In hun eigen woorden: „de communautaire instellingen hebben zich niet vergist op het moment van het vaststellen van schade, maar reeds bij de beoordeling of er sowieso sprake was van dumping van de betrokken producten”. Aangezien de oorspronkelijke verordening in dit geval ongeldig werd verklaard vanwege de bepaling van normale waarde, stelden de importeurs dat dergelijke rechtspraak niet van toepassing is.

(42)

Ten slotte adviseerden verscheidene importeurs om Turkije als referentieland te gebruiken. Op een hoorzitting stelde één importeur voor om contact op te nemen met de autoriteiten van Japan en Korea, aangezien in die landen ook ondernemingen het soortgelijke product gefabriceerd zullen hebben tijdens het OT.

5.3.2.   Analyse van opmerkingen na het tweede heropeningsbericht

(43)

Wat betreft het grote aantal beweringen samengevat onder overweging 38 hierboven moet worden onderstreept dat de Commissie heeft besloten het aanvankelijke onderzoek op beperkte wijze te heropenen, uitsluitend wat betreft het mogelijk aanwijzen van een referentieland. De Commissie heeft geen nieuw onderzoektijdvak gedefinieerd, anders dan in de zaak die leidde tot het arrest in Industrie des poudres sphériques/Raad (C-458/98 P [2000] ECR I-8147). De reden hiervoor was dat gezien het feit dat antidumpingrechten geheven werden, eventueel gedurende een nieuw onderzoektijdvak verzamelde gegevens beïnvloed zouden zijn door het bestaan van de betreffende antidumpingrechten, met name inzake het vaststellen van schade. De Commissie is van mening dat de door de partijen opgeworpen punten met betrekking tot de vermeende aanwezigheid van dumping op het huidige tijdstip beter kunnen worden geëvalueerd in het kader van een tussentijds onderzoek uit hoofde van artikel 11, lid 3, van de basisverordening. Terwijl de analyse van schade in het aanvankelijke onderzoek ex post wordt uitgevoerd voor het onderzoektijdvak, wordt de analyse van schade tijdens een tussentijds onderzoek op prospectieve wijze uitgevoerd, aangezien de gedurende het onderzoektijdvak van het tussentijdse onderzoek waargenomen schade waarschijnlijk zal worden beïnvloed door het feit dat een antidumpingrecht wordt geheven.

(44)

De betrokken partijen worden er op gewezen dat als een importeur of een andere partij een volledige evaluatie van de maatregelen wenst, deze de mogelijkheid heeft om een verzoek in te dienen voor een tussentijds onderzoek, zoals voorgeschreven in artikel 11, lid 3, van de basisverordening. De betrokken partijen hebben die optie op elk gewenst moment, want de in artikel 11, lid 3, vermelde periode van één jaar vanaf de instelling van definitieve maatregelen is verstreken. Alle partijen die voorafgaand aan het referentielandarrest een verzoek voor een onderzoek krachtens artikel 11, lid 3, hadden ingediend, worden door de Commissie benaderd om te bepalen of dit onderzoek nog altijd gewenst is.

(45)

Wat betreft de vermeende onwettigheid van de gedeeltelijke heropening moet worden opgemerkt dat de genoemde rechtspraak niet impliceert dat een gedeeltelijke heropening uitsluitend zou kunnen plaatsvinden als dit de vaststelling van door de bedrijfstak in de EU geleden schade zou betreffen. In zaak T-2/95 en zaak C-458/98 P wordt het volgende verhelderd: „De nietigverklaring van een handeling die een uit meerdere fasen bestaande administratieve procedure afsluit, leidt niet noodzakelijkerwijs tot nietigverklaring van de gehele procedure die aan de bestreden handeling is voorafgegaan, ongeacht de gronden, van materiële of formele aard, waarop het nietigverklaringsarrest berust.”. (13) Het is daarom irrelevant of de vernietiging of ongeldigverklaring van een verordening verband houdt met de vaststelling van schade of de vaststelling van de normale waarde.

(46)

Wat betreft het gebruik van OT-gegevens moet in herinnering worden gebracht dat het tweede heropeningsbericht betrekking had op een gedeeltelijke heropening van het oorspronkelijke onderzoek en niet op een nieuw onderzoek. Derhalve kunnen alleen gegevens uit het OT relevant zijn en moeten uitsluitend deze worden onderzocht, te meer daar de in de vergelijking gebruikt uitvoerprijzen ook betrekking zouden hebben op dat tijdvak. Derhalve moeten de verzoeken om recentere gegevens te gebruiken worden afgewezen.

5.3.3.   Onderzoek na het tweede heropeningsbericht

(47)

In het in overweging 16 hierboven genoemde arrest verwees het Hof uitdrukkelijk naar vier landen van waaruit, volgens de gegevens van Eurostat, significante invoer in de EU zou hebben plaatsgevonden onder de GN-codes 2008 30 55 , 2008 30 75 en ex 2008 30 90 . Het betreft hier Israël, Swaziland, Thailand en Turkije. In dat licht heeft de Commissie contact opgenomen met de autoriteiten van die landen via hun vertegenwoordiging in de Europese Unie. Met alle werd contact opgenomen vóór de gedeeltelijke heropening van het onderzoek en wederom op het tijdstip van heropening. De betrokken vertegenwoordigingen, evenals de delegaties van de Europese Unie in die landen, werd verzocht om mogelijke binnenlandse producenten van het soortgelijke product te identificeren en, indien deze werden gevonden, te helpen om hun medewerking te verwerven.

(48)

Hoewel tweemaal contact met hen werd opgenomen, werd geen antwoord ontvangen van de vertegenwoordigingen van Swaziland en Thailand in de Europese Unie. Antwoord werd ontvangen van de vertegenwoordigingen van Israël en Turkije. De Turkse vertegenwoordiging verstrekte de adressen van zes vermeende producenten en de Israëlische vertegenwoordiging informeerde de diensten van de Commissie dat zich tijdens het OT geen productie van het soortgelijke product had voorgedaan in Israël (en dat zich op het betreffende tijdstip ook geen dergelijke productie zou voordoen).

(49)

Er werd contact opgenomen met alle zes de Turkse producenten, tweemaal bij vijf van hen. Drie van hen antwoordden geheel niet en de andere drie informeerden de onderzoekers dat ze het soortgelijke product niet produceerden tijdens het OT. Daarom waren deze ondernemingen, hoewel zij aanboden om mee te werken, niet in staat om de Commissie van de benodigde gegevens te voorzien. Deze bevinding werd geschraagd door informatie ontvangen van een Duitse importeur met belangen in de productie in Turkije, waarin werd vermeld dat zich tijdens het onderzoektijdvak in Turkije geen productie van het soortgelijke product voordeed.

(50)

Ondanks het ontbreken van een antwoord van de vertegenwoordiging van Thailand werd tevens (tweemaal) contact opgenomen met twee Thaise ondernemingen, waarvan de actuele adresgegevens waren verstrekt door de delegatie van de Europese Unie te Bangkok. Tijdens het oorspronkelijke onderzoek was reeds contact opgenomen met deze twee producenten, maar dat had op dat tijdstip niet geleid tot medewerking hunnerzijds. Ook deze keer reageerde een van de producenten geheel niet op de twee verzoeken, terwijl de andere antwoordde niet van plan te zijn om mee te werken aan het verzoek.

(51)

Ondanks de inspanning van de Commissie via de vertegenwoordiging van Swaziland in de Europese Unie en via de delegatie van de Europese Unie in Swaziland is het niet mogelijk gebleken om een of meer producenten te identificeren in Swaziland.

(52)

In het licht van de suggestie in overweging 42 werd ook een verzoek tot medewerking ingediend bij de autoriteiten van Japan en de Republiek Korea en parallel hieraan werd de delegaties van de Europese Unie in die landen verzocht om eventuele plaatselijke producenten van het soortgelijke product te identificeren. Van de Koreaanse autoriteiten werd geen antwoord ontvangen, maar de Commissie wist via de delegatie van de Europese Unie in de Republiek Korea naam en adres te verkrijgen van een mogelijke producent van het soortgelijke product in de Republiek Korea. Er werd contact opgenomen met deze producent, maar deze reageerde niet op het verzoek om medewerking.

(53)

De Japanse autoriteiten namen contact op met mogelijke Japanse producenten, maar volgens de Japanse autoriteiten wensten deze ondernemingen niet mee te werken aan de procedure en wilden zij ook niet dat hun identiteit zou worden bekendgemaakt aan de Commissie.

5.3.4.   Conclusie inzake het onderzoek na het tweede heropeningsbericht

(54)

Rekening houdende met de door de partijen gemaakte opmerkingen, de analyse daarvan en het gebrek aan medewerking door potentiële producenten in derde landen ondanks beduidende inspanningen door de diensten van de Commissie, werd geconcludeerd dat een normale waarde op basis van de prijs of door berekening vastgestelde waarde in een derde land met markteconomie zoals voorgeschreven door artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening niet kon worden vastgesteld.

5.3.5.   Opmerkingen van belanghebbende partijen na de instelling van voorlopige maatregelen

(55)

Het wordt in herinnering gebracht dat de bepaling van de normale waarde gebaseerd was op door de bedrijfstak in de EU verstrekte gegevens. Deze gegevens werden ter plaatse gecontroleerd bij medewerkende producenten in de EU.

(56)

Na de instelling van de voorlopige maatregelen zetten de drie medewerkende Chinese producenten-exporteurs in de steekproef en twee niet-verbonden importeurs in de EU vraagtekens bij het gebruik van de prijzen van de bedrijfstak in de EU voor de berekening van de normale waarde. Aangevoerd werd dat de normale waarde berekend had moeten worden aan de hand van de productiekosten in de VRC, rekening houdend met eventuele correcties voor de verschillen tussen de markt van de Europese Unie en die van de VRC.

5.3.6.   Analyse van opmerkingen na de instelling van voorlopige maatregelen

(57)

In dit verband zij opgemerkt dat het gebruik van informatie uit een land zonder markteconomie en met name van ondernemingen waaraan geen BMO is toegekend, in strijd zou zijn met artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. Dit argument wordt derhalve afgewezen. Ook werd aangevoerd dat, gezien het gebrek aan medewerking van een referentieland, prijsgegevens uit alle andere landen van invoer of relevante openbaar gemaakte informatie een redelijke oplossing geweest zouden zijn. Dergelijke algemene informatie had echter in tegenstelling tot de door de Commissie gebruikte gegevens niet op haar juistheid kunnen worden gecontroleerd overeenkomstig het bepaalde in artikel 6, lid 8, van de basisverordening. Dit argument wordt derhalve afgewezen. Er werden geen andere argumenten aangedragen die reden geven eraan te twijfelen dat de door de Commissie gehanteerde methode in overeenstemming is met artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening, en met name dat die in dit bijzondere geval de enige redelijke grondslag vormt voor de berekening van de normale waarde.

5.3.7.   Conclusie inzake normale waarde

(58)

Gezien het ontbreken van verdere opmerkingen en het feit dat het ondanks de beduidende inspanningen van de diensten van de Commissie om een medewerkende producent in een referentieland te vinden, niet mogelijk is gebleken om gegevens van een producent in een referentieland te verkrijgen voor het onderzoektijdvak, zijn overweging 38 tot en met 45 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

5.4.   Uitvoerprijs

(59)

Na de instelling van voorlopige maatregelen stelde één medewerkende Chinese producent-exporteur uit de steekproef dat zijn uitvoerprijs moest worden gecorrigeerd in verband met bepaalde kostenfactoren (met name vervoer over zee). In dit verband moet worden opgemerkt dat deze kwestie is opgelost tijdens de controle ter plaatse met betrekking tot zowel deze onderneming als andere ondernemingen in de steekproef. Bij die gelegenheid heeft elke onderneming informatie verstrekt inzake de betreffende kosten. Het nu door de onderneming vermelde bedrag is aanzienlijk hoger dan het oorspronkelijk gemelde bedrag. Er wordt op gewezen dat dit nieuwe bedrag eenvoudigweg gebaseerd is op een verklaring van een expeditiebedrijf en niet op de gegevens van een reële transactie. Geen van de andere producenten-exporteurs uit de steekproef had vragen bij de gebruikte cijfers met betrekking tot vervoer over zee. Bovendien kan deze bewering gezien het late tijdstip van voorlegging niet worden gecontroleerd. Specifiek heeft de verzochte correctie geen betrekking op gegevens die reeds in het dossier zijn opgenomen. Toch heeft de Commissie na ontvangst van dit verzoek het betreffende bedrag herzien, gezien de grote betekenis van deze specifieke kostenpost voor de door de onderneming gemelde van uitvoertransacties naar de EU. Als gevolg daarvan heeft de Commissie geconcludeerd dat het correcter is om het gemiddelde te gebruiken van alle ter plaatse gecontroleerde kosten voor zeevervoer voor alle Chinese ondernemingen in de steekproef. Derhalve is de uitvoerprijs van de onderneming dienovereenkomstig gecorrigeerd.

(60)

Eén andere medewerkende Chinese producent-exporteur uit de steekproef wees op twee rekenfouten bij de bepaling van zijn uitvoerprijs in verband met de door hem ingediende uitvoergegevens. Deze aanspraak werd gegrond bevonden en derhalve werd de betreffende uitvoerprijs van de producent herzien.

(61)

Gezien het ontbreken van andere opmerkingen in deze wordt overweging 46 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

5.5.   Vergelijking

(62)

Gezien het ontbreken van opmerkingen in deze worden overweging 47 tot en met 48 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

5.6.   Dumpingmarges

(63)

Op grond van het bovenstaande bedragen de definitieve dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:

Yichang Rosen Foods Co., Ltd, Yichang, Zhejiang: 139,4 %,

Huangyan No 1 Canned Food Factory, Huangyan, Zhejiang: 86,5 %,

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd, Sanmen, Zhejiang en de aan haar verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd, Dangyang City, Hubei Province: 136,3 %,

niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs: 131 %.

Alle overige ondernemingen: 139,4 %.

6.   TENUITVOERLEGGING VAN HET XINSHIJI-ARREST

6.1.   Opmerkingen van belanghebbende partijen

6.1.1.   Voorbarige heropening

(64)

De betrokken exporteurs en een groep importeurs verzetten zich tegen de gedeeltelijke heropening vóór het arrest in de zaak C-338/10. Gesteld werd dat het heropenen van het onderzoek terwijl de geldigheid van de oorspronkelijke verordening werd betwist en, naar mening van de betrokken partijen, waarschijnlijk nietig verklaard zou worden, in strijd was met het evenredigheidsbeginsel en het beginsel van behoorlijk bestuur in het licht van artikel 41 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie omdat de betrokken partijen daardoor in onevenredige mate werden belast met het inzetten van financiële middelen en arbeidskracht voor de heropende procedure.

(65)

Voorts droegen dezelfde partijen tevens aan dat het heropenen van het onderzoek vóór het arrest in de beroepszaak C-195/11P voorbarig was en in strijd met artikel 266 en 264 VWEU en artikel 60, lid 2, van het Statuut van het Hof van Justitie: de Commissie zou vooruit zijn gelopen op het slagen van het door haarzelf aangespannen beroep. Dit initiatief was strijdig met de relatie tussen enerzijds de Commissie en de raad en anderzijds het Hof en vormde een inbreuk op het recht op een effectief beroep bij een rechter. De betrokken importeurs verzochten de Commissie om de definitieve beschikking van het Hof af te wachten alvorens de antidumpingprocedure te heropenen ter tenuitvoerlegging van het betreffende arrest.

(66)

De betrokken exporteurs en een groep importeurs stelden dat de heropening een schending van artikel 3 van de basisverordening inhield omdat ze gebaseerd was op de gegevens die werden verzameld tijdens het onderzoektijdvak (d.w.z. 1 oktober 2006 - 30 september 2007) en niet gedurende een recenter tijdvak.

(67)

Een groep importeurs betwistte de billijkheid en onpartijdigheid van het optreden van de Commissie in het licht van artikel 41, lid 1, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie omdat de Commissie een verzoek van de importeurs in de EU tot het starten van een volledig tussentijds onderzoek zou hebben afgewezen, ondanks het feit dat uit de officiële gegevens van Eurostat reeds een aanhoudende en duurzame stijging van de invoerprijs naar voren trad.

6.1.2.   Terugwerkende kracht

(68)

De betrokken exporteurs en een groep importeurs stelden dat de heropening gedoemd tot mislukken was omdat de schending van de rechten van verdediging en het niet-nakomen van de motiveringsverplichting bij een eventuele definitieve antidumpingverordening niet afzonderlijk en met terugwerkende kracht kan worden gecorrigeerd. Met name werd gesteld dat de rechten van verdediging van de belanghebbende partijen moesten worden beschermd gedurende de lopende antidumpingprocedure, d.w.z. vóór het treffen van de maatregel, en dat de behoorlijke motivering voor de definitieve antidumpingverordening niet later dan ten tijde van het goedkeuren van de oorspronkelijke verordening moest worden verstrekt.

(69)

Ook werd gesteld dat op ontoereikende motivering gebaseerde wetgeving vanaf het begin ongeldig is en dat blijft, en dat de beoogde maatregel pas van kracht kan worden door het aannemen van nieuwe wetgeving met een behoorlijke motivering.

6.1.3.   Ontoereikende mededeling

(70)

De betrokken exporteurs en een groep importeurs stelden dat de mededeling om de hieronder vermelde redenen ontoereikend was om de door het Gerecht omschreven juridische gebreken te verhelpen.

(71)

De betrokken exporteurs stelden tezamen met een groep importeurs dat de door het Gerecht vastgestelde schending van het communautair recht gevolgen had voor de bevindingen en de uitkomst van de schademargeberekening in hun geheel, zodat een nieuwe procedure ondernomen moest worden waarbij rekening werd gehouden met de meest recente schadegegevens.

(72)

Voorts stelden dezelfde partijen dat de Commissie de reikwijdte en consequenties van haar schending heeft miskend. Gesteld werd dat, in tegenstelling tot de interpretatie van de Commissie, de door het Gerecht vastgestelde onwetmatigheden niet uitsluitend betrekking hadden op de berekening van de 2 % verhoging van de invoerkosten van de Chinese producten (kosten na invoer) en de vervoerskosten van de door producenten in de EU geproduceerde producten. De betrokken importeurs stelden dat deze onwetmatigheden op zijn allerminst betrekking hadden op de volledige vaststelling van de schademarge.

(73)

In dit verband werd gesteld dat de bij de heropening verzonden mededeling niet inging op de vraag van de vergelijkbaarheid van het handelsstadium en op hoe de door de Commissie ter vergelijking van de invoer- en EU-prijzen gekozen methode gerechtvaardigd was in het licht van de betreffende marktomgeving, d.w.z. of de door producenten in de EU geproduceerde producten en de ingevoerde producten daadwerkelijk met elkaar concurreren „in het magazijn van de importeurs te Hamburg”. De betrokken exporteurs en een groep importeurs stelden dat de ter tijde van de heropening verstrekte informatie over de bepaling van het handelsstadium nog altijd veel te algemeen was, zodat de partijen niet konden begrijpen waarom de invoerprijs en de prijs van de bedrijfstak in de EU met elkaar werden vergeleken in hetzelfde handelsstadium, en lang niet voldoende uitleg bevatte over de factoren die voortkwamen uit het onderzoek waarop die berekening gebaseerd was. In die informatie werd niet ingegaan op de kwestie waarom de betreffende verhoging van 2 %, waarin noch de bedrijfsvoerings- en administratiekosten (VAA) noch een winstmarge voor de importeurs was inbegrepen, geschikt zou zijn om de verkoopprijzen van de producenten in de EU vergelijkbaar te maken met de invoerprijzen van de Chinese producenten-exporteurs.

(74)

Dezelfde partijen droegen aan dat in het geheel geen bevindingen werden aangedragen inzake de aanname dat de producenten in de EU de producten uitsluitend via importeurs verkochten. Ook werd gesteld dat de achterliggende reden voor het gekozen handelsstadium, namelijk dat de producenten in de EU uitsluitend aan importeurs verkochten, weerlegd was aangezien volgens de meegedeelde informatie slechts 62 % van de verkoop van producenten in de EU naar onafhankelijke importeurs ging. De partijen stelden dat de Commissie het feit leek te negeren dat 38 % van de productie in de EU niet via importeurs was verkocht, hetgeen betekent dat de ingevoerde producten wat betreft dat gedeelte van de verkoop in een ander handelsstadium concurreerden. Voor dat gedeelte van de verkoop, zo werd gesteld, was de door de Commissie voor het vaststellen van de schademarge gebruikte methode ongeschikt aangezien de prijzen van de importeurs gecorrigeerd hadden moeten worden door bijtelling van de kosten na invoer, de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten en een passende winstmarge voor de onafhankelijke importeur. Gezien deze correcties zou de schademarge zijn verlaagd voor 38 % van de producten uit de EU, hetgeen zou hebben geleid tot een verlaging van de totale schademarge en een daaruit voortvloeiende substantiële verlaging van de antidumpingrechten.

(75)

Volgens de partijen moet hieruit worden afgeleid dat de Commissie geen passende methode heeft gebruikt voor het bepalen van de schademarge voor alle ingevoerde producten, rekening houdend met de werkelijke marktomstandigheden. Er werd gesteld dat ter bepaling van de schademarge een gedifferentieerde evaluatie van de verkoop van de producten van de producenten in de EU nodig was gezien de verschillende distributiekanalen van de producenten in de EU.

(76)

De partijen vroegen de Commissie om ter ondersteuning van haar bevindingen een gedetailleerde omschrijving en analyse van het bewijsmateriaal voor te leggen, geverifieerd wat betreft de handelsstromen en daaraan gerelateerde volumes, en om die relevante informatie, die niet vertrouwelijk was, openbaar te maken.

(77)

Voorts verzette een groep importeurs zich tegen de „stereotiepe aanmerking” van de gegevens als vertrouwelijk, waardoor de producenten-exporteurs en de importeurs in de EU geen toegang hadden tot relevante informatiebronnen die zij nodig hadden om te kunnen bepalen of, gezien de structuur van de markt, de onderhavige correctie passend was in die zin dat deze het mogelijk maakte om de uitvoerprijs en de prijs van de bedrijfstak in de EU met elkaar te vergelijken in hetzelfde handelsstadium. De betrokken importeurs stelden dat dit standpunt door het Gerecht werd onderschreven in punt 86 van het Xinshiji-arrest.

6.1.4.   Vervoerskosten

(78)

De betrokken exporteurs verzetten zich tegen het verhogen van de verkoopprijs af-fabriek van de bedrijfstak in de EU met de kosten voor bezorging bij het magazijn van de importeur omdat dit strijdig is met het beginsel van de interne markt en omdat de handelsbeschermingsmaatregelen niet bedoeld zijn ter correctie van kostennadelen van de bedrijfstak in de EU ten gevolge van de locatie van zijn productiefaciliteiten.

(79)

De betrokken exporteurs en een groep importeurs stelden dat de Commissie rekening had moeten houden met de hogere verladingskosten omdat de Chinese producten werden geleverd in containers, terwijl de door producenten in de EU geproduceerde producten op pallets werden geplaatst voor vervoer per vrachtwagen en onmiddellijk bij afnemers konden worden bezorgd zonder verdere bewerkingen, waardoor de verwerkingskosten 50 % of 7 EUR/t lager waren.

(80)

Een groep importeurs stelde dat de Commissie het feit negeerde, voor een percentage van de producten van de bedrijfstak in de EU die in feite via een importeur werden gedistribueerd, dat de kosten voor vervoer van producten van de bedrijfstak in de EU naar het magazijn van de importeurs zich alleen voordeden als de verduurzaamde mandarijnen „fysiek” werden bezorgd bij het magazijn van de betrokken importeur. In werkelijkheid werd het merendeel van de door producenten in de EU via importeurs verkochte producten echter door de producenten in de EU rechtstreeks bij de afnemers van de importeurs bezorgd. Dit zou een aanzienlijk kostenvoordeel opleveren voor de producenten in de EU vergeleken met ingevoerde producten en zou, als hier rekening mee was gehouden, een kleinere schademarge hebben opgeleverd dan de marge vastgesteld op basis van de rekenmethode van de Commissie.

(81)

De vereniging van importeurs en enkele individuele importeurs verzetten zich tegen het bedrag (90 EUR) gebruikt als basis voor de berekening van vervoerskosten. De partijen stelden dat de gehanteerde vervoerskosten te hoog waren en waarschijnlijk betrekking hadden op vervoer per vrachtwagen. Volgens de informatie van de partijen werd het merendeel van de producten echter per schip vervoerd, een veel goedkopere vervoersmethode.

(82)

De partijen vroegen om een toelichting op het feit dat terminal handling charges en de kosten voor vrachtwagenvervoer naar de vestiging van de importeur zijn meegeteld in de kosten na invoer.

6.2.   Analyse van opmerkingen

(83)

In reactie op het argument dat het onderzoek niet heropend had mogen worden terwijl de geldigheid van de oorspronkelijke verordening werd bestreden in de zaak C-338/10 (overweging 64) legde de Commissie uit dat het vermoeden van wettigheid ten grondslag had gelegen aan haar handelen.

(84)

Wat betreft standpunten dat de heropening voorbarig was vanwege de aanhangige beroepszaak C-195/11P (overweging 65) is de Commissie van mening dat dit argument zonder voorwerp is, aangezien de heropening gebaseerd was op de bevindingen van het Gerecht. Bovendien is het beroep inmiddels ingetrokken.

(85)

Wat betreft het verzoek om een nieuw onderzoek moet worden benadrukt dat de gedeeltelijke heropening uitsluitend beoogt de door het Gerecht vastgestelde schending van de rechten van de verdediging te verhelpen, niet de gehele procedure te heropenen. Wel wil de Commissie de betrokken partijen wijzen op de mogelijkheid om een verzoek te doen tot inleiding van een tussentijds onderzoek, zoals voorgeschreven in artikel 11, lid 3, van de basisverordening, als zij de instellingen van de EU hun aanspraak willen laten beoordelen dat er op basis van recentere gegevens geen sprake van schade meer is.

(86)

Wat betreft het standpunt dat de analyse van schade gebaseerd moet worden op recentere gegevens (overweging 66) wordt geconstateerd dat alle recentere gegevens beïnvloed worden door het feit dat een antidumpingrecht wordt geheven. Daarom is het geëigende instrument voor een analyse van recentere gegevens een tussentijds onderzoek zoals voorgeschreven in artikel 11, lid 3, van de basisverordening, en niet een nieuw onderzoek (zie tevens overweging 43).

(87)

Aangaande de twijfel over de onpartijdigheid en billijkheid van de procedure (overweging 67) moet worden gesteld dat die gebaseerd is op het misverstand dat de Commissie een verzoek om een tussentijds onderzoek zou hebben afgewezen. De diensten van de Commissie hebben de betreffende partijen bij brief van 6 september 2011 op de hoogte gesteld dat op basis van de tot dat tijdstip verstrekte informatie geen beslissing kon worden genomen of al dan niet een tussentijds onderzoek kon worden ingeleid. Er werd een overzicht verstrekt van de punten die nadere toelichting of ondersteunend bewijs vereisten. De partijen werden hiervan op de hoorzitting van 29 februari 2012 op de hoogte gesteld en werden verzocht om het overleg hierover met de relevante dienst van de Commissie voort te zetten. De diensten van de Commissie zullen de partijen informeren dat hun verzoek verder kan worden behandeld met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De termijn van één jaar voorzien in artikel 11, lid 3, van de basisverordening is niet van toepassing in de onderhavige kwestie, aangezien dit strijdig zou zijn met de doelstelling van het artikel, namelijk dat er een minimale hoeveelheid tijd moet verstrijken tussen het oorspronkelijke onderzoektijdvak en een tussentijds onderzoek. In de onderhavige zaak is deze minimale hoeveelheid tijd reeds verstreken.

(88)

Inzake het argument betreffende het met terugwerkende kracht verhelpen van de schending van de rechten van de verdediging (overweging 68) is de Commissie van mening dat als gevolg van het arrest van het Gerecht het onderzoek is heropend op het tijdstip waarop de onwettigheid zich voordeed. De partijen hebben nu de mogelijkheid om hun rechten uit te oefenen in zoverre als dat hen eerder werd verhinderd, zoals vastgesteld door het Gerecht. Bovendien worden de rechten uitsluitend ingesteld voor de toekomst. Gezien deze feiten is de Commissie van mening dat er geen sprake kan zijn van terugwerkende kracht zoals aangevoerd door de partijen en dat dit argument van de partijen daarom moet worden afgewezen.

(89)

Wat betreft het argument inzake de ontoereikende motivering (overweging 69) is de Commissie van mening dat het doel van de heropening juist is om deze ontoereikende motivering te verhelpen en om de nieuwe wetgeving te baseren op een complete motivering. De Commissie is daarom van mening dat aan dit argument van de partijen reeds gevolg wordt gegeven.

(90)

Wat betreft de strekking van het arrest (overweging 72) is de Commissie van mening dat het doel van de heropening gelegen is in het vaststellen van het juiste handelsstadium, en met name om te verhelderen waarom de correctie van de cif-uitvoerprijs voor de kosten na invoer nodig was om te zorgen dat de uitvoerprijs en de prijs van de bedrijfstak in de EU met elkaar worden vergeleken in hetzelfde handelsstadium. Derhalve moet het argument van de partijen worden afgewezen.

(91)

Wat betreft de beweringen inzake de ontoereikendheid van het informatiedocument van 5 december 2011 op het gebied van de uitleg van het in deze zaak gehanteerde handelsstadium (met name overwegingen 73 tot en met 76) wordt geconstateerd dat de partijen bij diverse gelegenheden aanvullende inlichtingen zijn verstrekt, namelijk in punt 4 en 5 van het informatiedocument van 5 december 2011 en ook tijdens de hoorzittingen van 29 februari 2012.

(92)

Omwille van volledige duidelijkheid op dit punt volgt hier een samenvatting van de bevindingen inzake het handelsstadium: i) Uit het onderzoek bleek dat de ingeblikte mandarijnen slechts in één Spaanse regio (Valencia) worden geproduceerd, en hoofdzakelijk worden verkocht in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Vastgesteld werd dat de verkoop in de EU aan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk 62 % van de totale verkoop in de EU uitmaakte. ii) Op basis van de gecontroleerde gegevens werd vastgesteld dat de producenten in de EU en de Chinese exporteurs hun producten tijdens het OT hoofdzakelijk aan dezelfde afnemers verkochten, namelijk aan handelaars of distributeurs. iii) Om deze redenen werd voor de vergelijking tussen de invoer van de producenten-exporteurs en de verkoop van de producenten in de EU gebruikgemaakt van de gegevens van producenten-exporteurs franco grens (cif) en voor de producenten in de EU af-fabriek met correctie voor levering aan het magazijn van de importeurs. iv) Voor deze rekenmethode waren de volgende correcties vereist: enerzijds een correctie voor kosten na invoer van de Chinese cif-uitvoerprijzen in het licht van het vervoer van de producten van de haven naar de magazijnen van de importeurs; deze correctie, vastgesteld op 2 %, was gebaseerd op de verzamelde en gecontroleerde facturen en de betreffende berekening werd aan de belanghebbende partijen bekendgemaakt in de bijlage bij het informatiedocument van 5 december 2011. Anderzijds werden de prijzen af-fabriek in de EU verhoogd op basis van de vervoerskosten om de producten van de producenten (Valencia) naar de vestigingen van de importeurs (in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk) te brengen. Deze correctie voor vervoerskosten werd berekend op basis van de vastgestelde kosten voor vervoer van Valencia naar Hamburg. Gezien het feit dat niet de gehele productie van producenten in de EU aan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk werd geleverd, werd dit gemiddelde verlaagd evenredig met het aandeel van de verkoop aan Duitsland en het Verenigd Koninkrijk (62 %) en evenredig aan de directe verkoop.

(93)

Het percentage directe verkoop door producenten in de EU liep in het OT uiteen tussen 2 % en 12 %. Het exacte percentage kan niet worden bekendgemaakt omwille van vertrouwelijkheid.

(94)

Voorts werd aangevoerd dat een gedifferentieerde methode voor de bepaling van het juiste handelsstadium ontwikkeld had moeten worden voor wat betreft de directe verkoop door de producenten in de EU (overweging 72). Hierover moet worden opgemerkt dat uit de gecontroleerde bevindingen blijkt dat er gedurende het OT geheel geen directe verkoop van Chinese invoerproducten heeft plaatsgevonden. Aangezien er geen overeenkomstige directe verkoop van Chinese invoerproducten plaatsvond, was het niet mogelijk om een gedifferentieerde methode te ontwikkelen voor het vaststellen van een handelsstadium voor het percentage directe verkoop door producenten in de EU. In plaats hiervan werd bij de berekening van de schademarge de directe verkoop door producenten in de EU gecorrigeerd naar het stadium af-fabriek en onderworpen aan de in punt iv) van overweging 92 beschreven vervoerscorrectie. Gezien deze feiten moet het onderhavige argument van de partijen worden afgewezen.

(95)

Wat betreft het standpunt van de partijen dat bij de correctie van de cif-uitvoerprijs de VAA en een redelijke winstmarge meegerekend hadden moeten worden (overweging 73) wordt geconstateerd dat als de Commissie de cif-uitvoerprijs had gecorrigeerd door VAA en winst mee te tellen, de verkoop van ingevoerde producten in het detailhandelsstadium zou zijn gebracht. In dat geval zouden de Chinese exportprijzen en de verkoopprijzen in de EU in een verschillend handelsstadium met elkaar zijn vergeleken. Derhalve moet het argument van de partijen worden afgewezen.

(96)

Inzake het argument van de partijen dat uit het informatiedocument van 5 december 2011 zou blijken dat 38 % van de verkoop door producenten in de EU in het OT directe verkoop betrof (overweging 74), is de partijen op de hoorzittingen van 29 februari 2012 uitgelegd dat deze conclusie onjuist is. Het cijfer dat 62 % van de verkoop door de bedrijfstak in de EU zich voordeed in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk heeft betrekking op de geografische verdeling van de verkoop en zegt niets over de betreffende soort afnemer, en daarmee over de identificatie van directe verkoop. Uit dit feit mag uitsluitend worden afgeleid, en dit is bevestigd, dat de overige 38 % van de verkoop door producenten in de EU plaatsvond buiten Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. Aangezien de aanname van de partijen over het handelsstadium van 38 % van de verkoop door producenten in de EU onjuist is, moet het uit deze aanname voortvloeiende argument dat de schademarge opnieuw berekend zou moeten worden eveneens worden afgewezen.

(97)

Wat betreft het argument inzake gedetailleerde informatie over handelsstromen en gerelateerde volumes (overweging 76) wordt in herinnering gebracht dat de feiten en cijfers die ten grondslag liggen aan de keuze voor een methode ter bepaling van het handelsstadium in deze zaak zijn besproken in punt 3 tot en met 7 van het informatiedocument van 5 december 2011. De partijen worden verwezen naar deze informatie alsmede naar de op de hoorzittingen van 29 februari 2012 verstrekte uitleg. Omwille van de helderheid worden de achterliggende handelsstromen in overweging 92 toegelicht.

(98)

Wat betreft het argument inzake een „stereotiep als vertrouwelijk aanmerken” (overweging 77) constateert de Commissie dat de informatie die geheim is gehouden betrekking had op i) het percentage van de directe verkoop en ii) de informatie gebruikt ter berekening van de verhoging van 2 % op basis van tijdens het controlebezoek verzamelde facturen en gegevens. Hierover wordt opgemerkt dat de informatie in facturen ontegenzeglijk vertrouwelijk van aard is. Een niet-vertrouwelijke samenvatting hiervan is opgenomen in de bijlage bij het informatiedocument van 5 december 2011. Inzake de directe verkoop heeft de raadadviseur-auditeur ter gemeenschappelijke zitting van 29 februari 2012 bevestigd dat concrete cijfers over directe verkoop vertrouwelijke informatie vormen en aangeboden om op verzoek van de belanghebbende partijen te onderzoeken hoe de concrete gegevens in het vertrouwelijk dossier door de met het onderzoek belaste diensten van de Commissie zijn gebruikt en de partijen mede te delen of de gegevens naar zijn mening correct zijn weergegeven in de bevindingen. De partijen hebben hiertoe geen verzoek ingediend. Derhalve constateert de Commissie dat aan de eis tot bekendmaking van alle gegevens met uitzondering van vertrouwelijke is voldaan. Bovendien constateert de Commissie dat ze, aangezien de onderhavige gegevens meer dan 5 jaar oud zijn, inmiddels kan bekendmaken dat het percentage directe verkoop tussen 2 % en 12 % lag.

(99)

Wat betreft het bezwaar van de partijen tegen de vervoerscorrectie van de verkoopprijs af-fabriek in de EU (overweging 78) is de Commissie van mening dat de onderhavige correctie werd toegepast om de producten naar het magazijn van de importeurs te brengen, ofwel tot in hetzelfde handelsstadium als dat van de Chinese uitvoerproducten. Deze correctie was gebaseerd op de specifieke omstandigheden van de betreffende markt, namelijk de ingeblikte mandarijnen slechts in één Spaanse regio (Valencia) worden geproduceerd, en hoofdzakelijk worden verkocht in Duitsland en het Verenigd Koninkrijk. De correctie diende om een eerlijke vergelijking te realiseren tussen de uitvoerprijs en de prijs in de EU in hetzelfde handelsstadium, niet als compensatie voor het vermeende kostennadeel van de producenten in de EU als gevolg van de locatie van hun productiefaciliteiten. Derhalve wordt het argument van de partijen afgewezen.

(100)

Over het argument dat de Commissie rekening had moeten houden met de hogere kosten voor importeurs omdat de Chinese producten in containers werden geleverd terwijl de producten van de bedrijfstak in de EU op pallets werden geleverd, met als gevolg een verlaging van de kosten van verwerking door de producenten in de EU (overweging 79) wordt opgemerkt dat de toegepaste correcties uitsluitend betrekking hadden op het overbrengen van de producten naar het magazijn van de importeurs. De hierop volgende kosten in verband met het vervoer van de producten naar de detaillisten doen zich voor na het omschreven handelsstadium en kunnen daarom niet worden meegerekend. Derhalve wordt het argument van de partijen afgewezen.

(101)

Inzake het argument dat de vervoerskosten van de producenten in de EU verlaagd hadden moeten worden met het oog op gevallen waarin de producten rechtstreeks aan de afnemers van importeurs worden geleverd, zoals door die laatsten gesteld (overweging 80), wordt in herinnering gebracht dat de vervoerscorrectie van de verkoopprijs af-fabriek in de EU gebaseerd was op de op basis van verzamelde facturen vastgestelde kosten van fysieke bezorging bij het magazijn te Hamburg (90 EUR), aangezien het magazijn te Hamburg het geëigende handelsstadium vormt voor het vergelijken van de uitvoerprijs met de prijs van het product in de EU. De motivering voor de vervoerscorrectie luidt niet dat deze de totale vervoerskosten tussen de producent in de EU en de detaillist omvat (deze zouden hoger zijn dan de kosten voor bezorging bij het magazijn), maar dat in het licht van de specifieke kenmerken van de markt voor het betrokken product het magazijn in Hamburg het juiste handelsstadium vormt. Gezien deze feiten lijkt het door de partijen aangevoerde argument niet ter zake te doen.

(102)

De partijen stelden dat de toegepaste vervoerscorrectie te hoog was omdat deze gebaseerd was op kosten voor vervoer per vrachtwagen (overweging 81). In dit verband wordt in herinnering gebracht dat de vervoerscorrectie gebaseerd was op de vastgestelde kosten van fysieke bezorging in Hamburg, zowel met vrachtwagens als per schip. Derhalve is de door de partijen verzochte correctie reeds inbegrepen in de berekening van de kosten voor vervoer naar Hamburg. Het was daarom niet nodig om de door de partijen ter zitting ingediende gegevens te controleren, aangezien de kosten voor bezorging in Hamburg bij het oorspronkelijke onderzoek waren berekend op basis van de gecontroleerde gegevens van de producenten in de Europese Unie.

(103)

Inzake de opmerking van de indiener van het verzoek over de berekening van de kosten na invoer (overweging 82) wordt vermeld dat, zoals uitgelegd in punt 9 van het op 5 december 2011 verzonden informatiedocument, zowel de terminal handling charges als de kosten voor vervoer per vrachtwagen naar de vestiging van de importeur in de berekening zijn meegenomen. In de terminal handling charges werden geen kosten voor zeevervoer of vrachtverzekering meegerekend aangezien deze kosten reeds waren inbegrepen in de cif-prijs die werd verzameld en bij controle ter plaatse bij de exporteur bevestigd. Als de Commissie deze kosten dus had meegenomen in de berekening van de kosten na invoer, zou dat hebben geleid tot dubbeltelling.

6.3.   De procedure

(104)

Op 5 december 2011 diende de Commissie een informatiedocument in met feiten en cijfers in verband met de motivering van het Gerecht om de maatregelen nietig te verklaren. Alle belanghebbende partijen werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken.

(105)

Op 29 februari 2012 hield de Commissie hoorzittingen met alle partijen die hiertoe een verzoek hadden ingediend, waaronder een gemeenschappelijke zitting met de raadadviseur-auditeur, de betrokken exporteurs en een groep importeurs.

(106)

Op 26 maart 2012 stelde een van de belanghebbende partijen de Commissie op de hoogte dat zij de gedeeltelijke heropening met betrekking tot de kosten van invoer in het licht van het arrest in de zaak C-338/10 zonder voorwerp acht.

(107)

Op 17 juli 2012 antwoordde de Commissie in het licht van de heropening van 19 juni 2012 van mening te zijn dat beide gedeeltelijke heropeningen nog aanhangig zijn en dat geen van deze onderzoeken zonder voorwerp was geraakt.

6.4.   Conclusie

(108)

Het Xinshiji-arrest van het Gerecht is ten uitvoer gelegd door het verstrekken van nadere motivering, informatie en toelichting aan de partijen inzake het heropende punt van het oorspronkelijke onderzoek. De partijen werden in gelegenheid gesteld om opmerkingen maken en gehoord te worden. Alle aangevoerde argumenten zijn behandeld en naar behoren in overweging genomen.

(109)

Na overweging van de opmerkingen van de partijen en de analyse daarvan werd geconcludeerd dat uit de door de belanghebbende partijen opgeworpen argumenten en feiten niet de noodzaak bleek om de bestreden schademargeberekening aan te passen.

(110)

Derhalve wordt de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde schademarge hierbij bevestigd.

(111)

Op basis van het bovenstaande werd geconcludeerd dat het Xinshiji-arrest zijn beslag moet krijgen in het opnieuw instellen van het definitieve antidumpingrecht voor de indieners van het verzoek in de onderhavige zaak.

7.   SCHADE

7.1.   Productie in de EU en bedrijfstak in de EU

(112)

Gezien het ontbreken van onderbouwde opmerkingen worden de bevindingen in overweging 52 tot en met 54 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.2.   Verbruik in de EU

(113)

Een van de exporterende partijen voerde aan dat er een discrepantie bestaat tussen het in de vrijwaringsverordening vastgelegde verbruik en het in de voorlopige verordening bepaalde niveau. Benadrukt wordt dat het verschil in verbruik in essentie te wijten was aan de afwijkende productomschrijving in het huidige onderzoek en aan het verschillende aantal lidstaten in de twee onderzoeken. In deze werd geen nadere en onderbouwde informatie ontvangen. Derhalve worden de bevindingen in overweging 55 tot en met 57 van de voorlopige verordening bevestigd. Hieruit vloeit voort dat de erop volgende onderdelen van de analyse die gebaseerd zijn op verbruik in dit opzicht ook worden bevestigd.

7.3.   Invoer uit het betrokken land

7.3.1.   Volume en marktaandeel van het betrokken ingevoerde product

(114)

Wat betreft het marktaandeel verzetten enkele belanghebbende partijen zich tegen de verklaring van de Commissie in overweging 58 van de voorlopige verordening waarin werd gewezen op een stijging van het marktaandeel van de invoer met dumping. Zij voerden aan dat in tegenstelling tot de bevindingen van de Commissie, het marktaandeel van de uit de VRC ingevoerde producten is gedaald. De evaluatie van het volume en marktaandeel van uit de VRC ingevoerde producten is gecontroleerd. Zoals vermeld in de betreffende overweging heeft zich slechts in één jaar een daling van het marktaandeel van de uit de VRC ingevoerde producten voorgedaan. Gedurende de rest van het onderzochte tijdvak was het marktaandeel van uit China ingevoerde producten voortdurend hoog. Derhalve worden de in het voorlopige stadium gepresenteerde bevindingen bevestigd.

(115)

Sommige partijen voerden aan dat de volumes na het OT ook moeten worden onderzocht teneinde te bepalen of de invoer uit China toeneemt. Het zij opgemerkt dat de trends betreffende de invoer uit China voor het tijdvak 2002-2003 tot en met 2006-2007 zijn geëvalueerd en dat een duidelijke toename is geconstateerd. Overeenkomstig de bepalingen van de basisverordening wordt geen rekening gehouden met gebeurtenissen na het OT, behalve in uitzonderlijke omstandigheden. In elk geval werd zoals hieronder in overweging 136 vermeld het niveau van de invoer na het OT onderzocht en significant bevonden.

7.3.2.   Prijsonderbieding

(116)

Drie medewerkende producenten-exporteurs bestreden de bevindingen van de Commissie inzake prijsonderbieding. Een van hen bestreed de methode gebruikt ter berekening van de prijsonderbieding en vroeg om een correctie zodat de door handelaars bij hun indirecte verkoop opgelopen kosten zouden worden meegerekend. Waar dit terecht was, zijn de berekeningen aangepast. Uit de herziene vergelijking bleek dat gedurende het OT de betrokken ingevoerde producten in de EU werden verkocht tegen een prijs waarmee de prijzen van de bedrijfstak in de EU werden onderboden met een percentage uiteenlopend van 18,4 % tot 35,2 % op basis van de gegevens ingediend door de medewerkende producenten-exporteurs.

7.4.   Situatie van de bedrijfstak in de EU

(117)

Twee importeurs en de importeursvereniging betwistten de in overweging 79 van de voorlopige verordening genoemde duur van het verwerkingsseizoen. Zij voerden aan dat het verwerkingsseizoen in Spanje slechts drie maanden duurt in plaats van vier of vijf zoals de voorlopige verordening stelt. Deze bewering hangt echter samen met de (van nature wisselende) oogstopbrengsten en met de geproduceerde hoeveelheid, en is in elk geval niet van invloed op de door de diensten van de Commissie geanalyseerde schadefactoren.

(118)

Aangezien geen andere onderbouwde informatie of opmerkingen over de situatie van de bedrijfstak in de EU werden ontvangen, worden overweging 63 tot en met 86 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

7.5.   Conclusie inzake schade

(119)

Na de bekendmaking van de voorlopige verordening stelden sommige importeurs en sommige producenten-exporteurs onder verwijzing naar overweging 83 tot en met 86 van de voorlopige verordening dat de door de Commissie voor het vaststellen van de hoogte van de schade gebruikte gegevens onjuist waren en niet objectief waren geëvalueerd. Zij voerden aan dat vrijwel alle schade-indicatoren een positieve trend vertoonden en dat daarom geen bewijs van schade geconstateerd kan worden.

(120)

In dit verband wordt opgemerkt dat, ook al vertonen sommige indicatoren geringe verbetering, de situatie van de bedrijfstak in de EU in haar geheel moet worden beoordeeld, rekening houdend met het feit dat de vrijwaringsmaatregelen tot het einde van het onderzoektijdvak van kracht waren. Op deze kwestie werd uitvoerig ingegaan in overweging 51 tot en met 86 van de voorlopige verordening. De grondige herstructurering die door deze maatregelen mogelijk werd gemaakt en die heeft geresulteerd in een grote verlaging van de productie en capaciteit, zou onder normale omstandigheden hebben geleid tot een beduidende verbetering van de algemene situatie van de producenten in de EU ten aanzien van de productie, de bezetting, de omzet en het verschil prijs-kosten. De volume-indicatoren zijn echter zwak gebleven, de voorraden zijn aanzienlijk gegroeid en de financiële indicatoren duiden nog steeds op verliezen, soms zelfs in toenemende mate.

(121)

Gezien deze feiten is de Commissie van mening dat de conclusies in de voorlopige verordening inzake de door de bedrijfstak in de EU geleden schade nog altijd geldig zijn. Gezien het ontbreken van andere onderbouwde informatie of argumenten worden deze conclusies derhalve definitief bevestigd.

8.   OORZAKELIJK VERBAND

8.1.   Gevolgen van de invoer met dumping

(122)

Sommige partijen voerden aan dat het volume van de invoer uit China al sinds 1982 stabiel is en daarom geen schade kan hebben veroorzaakt zoals uitgelegd in de voorlopige Verordening (zie overweging 58). Zoals hierboven in overweging 114 wordt uitgelegd, is de invoer uit China gedurende het onderzochte tijdvak daarentegen beduidend toegenomen, ten koste van het marktaandeel van de bedrijfstak in de Europese Unie. Bovendien heeft het argument betrekking op een trend in de invoer die zich uitstrekt over een veel langere periode dan het onderhavige tijdvak. Derhalve wordt het argument afgewezen.

(123)

Zoals vermeld in overweging 116 hierboven wordt definitief geconcludeerd dat tijdens het OT de prijs van door de Chinese producenten-exporteurs in de steekproef ingevoerde producten de gemiddelde prijs van de bedrijfstak in de EU onderboden met een percentage uiteenlopend van 18,4 % tot 35,2 %. De herziening van de prijsonderbiedingsmarge laat de conclusies inzake het effect van de invoer met dumping in de overwegingen 100 en 101 van de voorlopige verordening onverlet.

8.2.   Koersschommelingen

(124)

Na de instelling van de voorlopige rechten wezen sommige importeurs voorts op de negatieve uitwerking van de wisselkoers op het prijsniveau. Zij stelden dat de wisselkoers de hoofdfactor vormt in de oorzaken van de schade. De evaluatie van de Commissie heeft echter uitsluitend betrekking op het verschil tussen de prijsniveaus, waarbij de factoren die deze prijsniveaus veroorzaken buiten beschouwing kunnen worden gelaten. Dientengevolge is een duidelijk oorzakelijk verband vastgesteld tussen de hoge dumpingmarge en de door de bedrijfstak in de EU geleden schade, zodat overweging 95 van de voorlopige verordening kan worden bevestigd.

8.3.   Aanbod en prijs van grondstoffen

(125)

Sommige belanghebbende partijen voerden aan dat de schade niet wordt veroorzaakt door invoer met dumping, maar door een schaars aanbod van vers fruit, ofwel de grondstof voor ingeblikte mandarijnen.

(126)

Uit officiële gegevens van het Spaanse Ministerie van Landbouw blijkt echter dat de voor de conservenindustrie beschikbare hoeveelheid meer dan toereikend is om de volledige productiecapaciteit van de Spaanse producenten te kunnen benutten.

(127)

Tot op zekere hoogte vormt de consumentenmarkt voor verse landbouwproducten voor de producenten een concurrent op het gebied van vers fruit. Deze concurrentie doet het oorzakelijke verband echter niet teniet. Een duidelijke, significante reden voor de relatief beperkte productie, omzet en marktaandeel van de bedrijfstak in de EU is gelegen in de druk van grootschalige invoer uit China tegen zeer lage prijzen. In deze situatie, en gezien het feit dat de marktprijs wordt bepaald door de invoer, die meer dan 70 % van de markt vormt en waardoor prijzen worden onderboden, gedrukt en laag gehouden, zou het oneconomisch zijn meer te produceren zonder de redelijke verwachting het product te kunnen verkopen tegen prijzen die een normale winst mogelijk maken. Derhalve zou de Spaanse bedrijfstak redelijkerwijs aanzienlijk meer kunnen produceren mits hun bedrijfsresultaten niet zouden lijden onder de marktprijs.

(128)

Deze analyse wordt ook bevestigd door de aanhoudend grote voorraden van de producenten in de EU, hetgeen erop duidt dat de voor de bedrijfstak in de EU schadelijke situatie niet het gevolg is van een ontoereikende productie, maar van een productie die door de druk van de invoer uit China onverkoopbaar is.

(129)

Omdat de grondstof een landbouwproduct is, is de prijs ervan onderhevig aan seizoenschommelingen. Niettemin constateert de Commissie dat gedurende het geanalyseerde tijdvak van vijf jaar, die oogsten met lagere en hogere prijzen omvatte, de schade (bv. in de vorm van financiële verliezen) onafhankelijk van deze schommelingen optrad en dat er dus geen rechtstreeks verband bestaat tussen de bedrijfsresultaten van de bedrijfstak in de EU en deze seizoenschommelingen.

8.4.   Kwaliteitsverschillen

(130)

Sommige partijen stelden dat het product uit China van hogere kwaliteit was dan de producten uit de EU. Eventueel hieruit voortvloeiende prijsverschillen werden echter niet voldoende gestaafd en er is geen bewijs dat de vermeende voorkeur van consumenten voor producten uit China zo groot zou zijn dat dit de oorzaak zou zijn van de verslechtering van de situatie van de bedrijfstak in de EU. Overigens zou een dergelijk vermeend prijsverschil ten gunste komen van het product uit China, zodat de mate van prijsonderbieding/prijsbederf er door versterkt zou worden. Gezien het ontbreken van verdere nieuwe en onderbouwde informatie of argumenten wordt overweging 99 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

8.5.   Kostenstijgingen

(131)

Sommige partijen stelden dat buitengewone kostenverhogingen voor sommige producenten de achterliggende oorzaak voor de schade vormden. Deze beweringen werden niet voldoende gestaafd. In de analyse van de Commissie werden geen dergelijke gebeurtenissen geconstateerd waardoor een ander oorzakelijk verband zou moeten worden aangewezen of die gevolgen zouden hebben voor de berekening van de schademarge.

(132)

Sommige partijen dienden opmerkingen in over de gestegen productiekosten en het onvermogen van de bedrijfstak in de EU om deze terug te dringen. Bepaalde kostenposten (zoals energie) zijn gestegen, maar de invloed daarvan is niet zodanig dat het oorzakelijke verband wordt verbroken in een situatie waar de omzet en productie worden gedrukt (met een stijging van de kosten per eenheid voor de bedrijfstak in de EU tot gevolg) en de prijzen van de bedrijfstak in de EU worden gedrukt en laag gehouden door een zeer beduidende hoeveelheid invoer met dumping uit China.

8.6.   Steunregelingen

(133)

Er werd aangevoerd dat EG-steunregelingen een kunstmatige groei van de verwerkingscapaciteit in de EG had veroorzaakt en vervolgens een lager aanbod van grondstoffen hadden gestimuleerd voor het betrokken product. Deze bewering was algemeen van aard en werd niet voldoende gestaafd. In elk geval werden de betreffende regelingen in 1996 aangepast, waarna de steun naar de landbouwers in plaats van de verwerkers van het betrokken product ging. In de analyse van de Commissie werden tijdens het onderzoektijdvak geen resteffecten geconstateerd waardoor het oorzakelijke verband verbroken zou kunnen worden. Wat betreft het aanbod wordt verwezen naar de overwegingen 128 en 129.

8.7.   Conclusie inzake het oorzakelijke verband

(134)

Gezien het ontbreken van verdere nieuwe en onderbouwde informatie of argumenten worden overweging 87 tot en met 101 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

(135)

Gezien het bovenstaande wordt de voorlopige bevinding bevestigd dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de door de bedrijfstak in de EU geleden aanmerkelijke schade en de invoer met dumping uit China.

9.   BELANG VAN DE EU

9.1.   Ontwikkelingen na het onderzoektijdvak

(136)

Met ingang van 9 november 2007 werd de invoer uit de VRC geregistreerd overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1295/2007. Dit gebeurde met het oog op het mogelijk met terugwerkende kracht instellen van antidumpingrechten. Als gevolg hiervan en bij wijze van uitzondering zijn ook de ontwikkelingen na het OT geanalyseerd. Uit gegevens van Eurostat blijkt dat de invoer uit China nog altijd van beduidende omvang is, een constatering die door bepaalde importeurs wordt bevestigd. Het volume voor de laatste tien maanden na het OT behaalde een omvang van 74 000 ton tegen stabiele lage prijzen.

9.2.   Vermogen van de producenten in de EU om in de vraag in de EU te voorzien

(137)

Een aantal partijen wees op de lage productie in Spanje, die volgens hen ontoereikend is om volledig in de vraag in de EU te voorzien. Hoewel inderdaad moet worden vastgesteld dat de bedrijfstak in de EU momenteel niet in staat is om in de gehele vraag van de markt in de EU te voorzien, wordt erop gewezen dat dit feit samenhangt met het effect van schadelijke invoer, zoals hierboven uiteengezet. Overigens is het beoogde effect van de maatregelen niet om invoer uit China de toegang tot de markt in de EU te ontzeggen, maar om de effecten van schadelijke dumping tegen te gaan. Gezien onder meer het feit dat er slechts twee leveranciers van deze producten zijn, wordt vastgesteld dat ook als definitieve maatregelen worden getroffen, de vraag in de EU naar producten uit China aanzienlijk zal blijven.

9.3.   Belang van de bedrijfstak en leveranciers in de EU

(138)

Eén vereniging van importeurs stelde dat antidumpingmaatregelen zonder een beperking van de hoeveelheden niet zou bijdragen aan de bescherming van de Spaanse bedrijfstak, maar automatisch zou leiden tot onrechtmatige handelsactiviteiten. Dit argument moet worden gezien als een aansporing tot goed toezicht op de afdwinging van maatregelen door de instellingen, niet als een argument tegen de voordelen die maatregelen zouden kunnen hebben voor producenten in de EU.

(139)

Een andere importeur voerde aan dat de instelling van antidumpingmaatregelen niet zou leiden tot verbetering van de situatie van de Spaanse producenten, vanwege de door de importeurs in de EU opgebouwde omvangrijke voorraden, waarmee in de nabije toekomst in de vraag van de markt zou kunnen worden voorzien. Ook een andere importeur wees op de omvang van de voorraden en het preventief aanleggen daarvan. Deze opmerkingen staven de analyse van de Commissie in de voorlopige verordening en elders in de onderhavige verordening. Er wordt echter op gewezen dat met de maatregelen beoogd wordt compensatie te bieden voor schadelijke dumping over een tijdvak van vijf jaar, niet van slechts één jaar.

(140)

Aangezien geen andere nieuwe en onderbouwde informatie of argumenten over dit onderwerp werden ontvangen, wordt de conclusie getrokken in overweging 103 tot en met 106 en overweging 115 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

9.4.   Belang van niet-verbonden importeurs/handelaars in de EU

(141)

Medewerkende importeurs stelden dat het in het algemeen belang was dat er twee leveranciers van het betrokken product zouden blijven bestaan, namelijk Spanje en China, teneinde een betrouwbaar aanbod tegen concurrerende prijzen te verzekeren.

(142)

Niettemin spreekt de meerderheid van de importeurs de voorkeur uit dat, als definitieve maatregelen zouden worden ingesteld, deze ook kwantitatieve elementen zouden bevatten. Dit wordt niet geschikt geacht, hetgeen in overweging 156 wordt toegelicht.

(143)

Uit de gecontroleerde gegevens van de medewerkende importeurs in de steekproef bleek dat ingeblikte mandarijnen minder dan 6 % van hun totale omzet vormden en dat zij zowel tijdens het onderzoektijdvak als in het tijdvak 2004-2008 gemiddeld een winstmarge groter dan 10 % behaalden.

(144)

Uit het bovenstaande blijkt dat alles tezamen de potentiële gevolgen van de maatregelen voor importeurs/handelaars niet onevenredig zouden zijn met de eruit voortvloeiende positieve effecten.

9.5.   Belang van gebruikers/detaillisten

(145)

Eén gebruiker, verantwoordelijk voor minder dan 1 % van het totale verbruik, diende algemene opmerkingen in over de kleinere beschikbaarheid van mandarijnen in de EU en over de superieure kwaliteit van de producten uit China. Hem werd verzocht om nadere medewerking in de vorm van het verstrekken van individuele gegevens, maar weigerde en onderbouwde zijn verklaringen niet. Een andere detaillist, lid van de grootste importeursvereniging, verzette zich in algemene zin tegen een prijsverhoging. In de loop van het onderzoek werden verder geen opmerkingen over het belang van gebruikers/detaillisten ontvangen. Gezien deze situatie en het ontbreken van onderbouwde opmerkingen van gebruikers/detaillisten worden de conclusies getrokken in overweging 109 tot en met 112 van de voorlopige verordening hierbij bevestigd.

9.6.   Belang van consumenten

(146)

In tegenstelling tot wat door één importeur werd gesteld, werd in de voorlopige fase tevens het belang van de consumenten afgewogen. De bevindingen van de Commissie zijn opgenomen in overweging 113 en 114 van de voorlopige verordening. Andere partijen voerden aan dat er significante gevolgen voor consumenten zouden zijn. Er werd echter geen informatie verstrekt waardoor de bevindingen van de bovengenoemde overwegingen in twijfel zouden worden getrokken. Al zouden rechten mogelijk tot een verhoging van de prijzen voor consumenten tot gevolg hebben, niet één partij heeft het feit betwist dat dit product slechts een zeer gering aandeel uitmaakt van de huishoudelijke uitgaven voor levensmiddelen. Gezien het ontbreken van opmerkingen van consumenten en nadere nieuwe en onderbouwde informatie worden deze overwegingen derhalve bevestigd.

9.7.   Conclusie inzake het belang van de EU

(147)

De bovenstaande aanvullende analyse van de belangen in deze heeft niet geleid tot wijziging van de voorlopige conclusies op dit gebied. Uit de gecontroleerde gegevens van de medewerkende importeurs in de steekproef bleek dat ingeblikte mandarijnen minder dan 6 % van hun totale omzet vormden en dat zij zowel tijdens het onderzoektijdvak als in het tijdvak 2004-2008 gemiddeld een goed bedrijfsresultaat behaalden, zodat de gevolgen van de maatregelen voor importeurs minimaal zullen zijn. Ook is vastgesteld dat de financiële gevolgen voor de eindconsument verwaarloosbaar zouden zijn, gezien het feit dat in de consumerende landen marginale hoeveelheden per hoofd van de bevolking worden aangeschaft. Vastgesteld wordt dat de conclusies inzake het belang van de EU in de voorlopige verordening ongewijzigd blijven. Gezien het ontbreken van andere opmerkingen worden deze conclusies uit de voorlopige verordening hierbij definitief bevestigd.

10.   DEFINITIEVE MAATREGELEN

10.1.   Schademarge

(148)

Eén importeur beweerde dat de in het voorlopige stadium als referentie gebruikte winstmarge van 6,8 % een te hoge schatting is. Wat dit betreft moet worden opgemerkt dat ditzelfde percentage in het kader van vrijwaringsmaatregelen in het tijdvak 1998-1999 tot en met 2001-2002 werd gehanteerd en aanvaard als de feitelijk door de bedrijfstak van de Unie gemaakte winst. Het heeft betrekking op de winst van producenten in de EU in een normale handelssituatie vóór de toename van de invoer die tot schade aan de bedrijfstak heeft geleid. Het argument wordt derhalve afgewezen.

(149)

Producenten in de EU stelden dat bij de voorlopige rechten geen rekening werd gehouden met de bijzondere situatie op de markt voor ingeblikte mandarijnen, waarbij de productie geconcentreerd is in één land en het overgrote merendeel van de verkoop en invoer zich voordoet in een ander land in Europa. Om die reden werd verzocht om bij de definitieve berekeningen rekening te houden met de kosten voor vervoer van het producerende land naar het consumerende land. Het argument werd gegrond geacht en de berekeningen werden dienovereenkomstig gecorrigeerd voor de concentratie van de verkoop in de betreffende gebieden van de EU.

(150)

Eén partij maakte opmerkingen over de berekening van prijsonderbieding en prijsbederf. Waar dit gegrond werd geacht, werden in het definitieve stadium correcties toegepast.

(151)

De resulterende schademarges, rekening houdend met gegronde verzoeken van belanghebbende partijen, uitgedrukt in procenten van de totale cif-invoerwaarde van elke Chinese exporteur in de steekproef, onder de vastgestelde dumpingmarges, bedroegen:

Yichang Rosen Foods Co., Ltd, Yichang, Zhejiang: 100,1 %,

Huangyan No. 1 Canned Food Factory, Huangyan, Zhejiang: 48,4 %,

Zhejiang Xinshiji Food Co., Ltd, Sanmen, Zhejiang en verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd, Dangyang City, Hubei Province: 92,0 %,

niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs: 90,6 %.

Alle overige ondernemingen: 100,1 %.

10.2.   Terugwerkende kracht

(152)

Zoals vermeld in overweging 4 onderwierp de Commissie op 9 november 2007 invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC aan registratie op basis van een verzoek van de bedrijfstak in de EU. Dit verzoek is ingetrokken en derhalve is de kwestie niet nader onderzocht.

10.3.   Definitieve maatregelen

(153)

Gelet op de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de EU en in overeenstemming met artikel 9, lid 4, van de basisverordening moet een definitief antidumpingrecht worden ingesteld, volgens de regel van het laagste recht gelijk aan de geconstateerde dumpingmarge of, indien deze lager is, de geconstateerde schademarge. In het onderhavige geval moet het recht bijgevolg worden vastgesteld op het niveau van de vastgestelde schademarge.

(154)

Op basis van het bovenstaande en in overeenstemming met de in het Publicatieblad L 258 (14) gepubliceerde rectificatie moet het definitieve recht als volgt bedragen:

Yichang Rosen Foods Co., Ltd, Yichang, Zhejiang: 531,2 EUR/t,

Huangyan No.1 Canned Food Factory Huangyan, Zhejiang: 361,4 EUR/t,

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd, Sanmen, Zhejiang en de eraan verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd, Dangyang City, Hubei Province: 490,7 EUR/t,

niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs: 499,6 EUR/t.

Alle overige ondernemingen: 531,2 EUR/t.

10.4.   Vorm van de maatregelen

(155)

Een aantal partijen verzocht om maatregelen bestaande uit een combinatie van kwantitatieve en prijselementen, waarbij voor een basisinvoervolume geen of verlaagde rechten zouden worden betaald. Soms werd dit gekoppeld aan een vergunningenstelsel.

(156)

Deze mogelijkheid werd overwegen maar werd met name om de volgende redenen verworpen. Antidumpingrechten worden ingesteld omdat de uitvoerprijs lager is dan de normale waarde. De naar de EU uitgevoerd hoeveelheden zijn relevant voor de analyse of de invoer met dumping schade veroorzaakt. Deze hoeveelheden zijn gewoonlijk echter niet relevant voor de omvang van de te heffen rechten. In andere woorden: als wordt geconstateerd dat invoer met dumping schade veroorzaakt, kan voor de dumping worden gecompenseerd met een recht dat geldt vanaf de eerste ingevoerde zending na de inwerkingtreding van het recht. Voorts geldt dat mocht worden geconstateerd dat het in het belang van de EU is om producten gedurende een bepaald tijdvak te laten invoeren zonder instelling van antidumpingrechten, artikel 14, lid 4, van de basisverordening voorziet in schorsing onder bepaalde omstandigheden.

(157)

Sommige partijen hebben aangevoerd dat elke maatregel zonder een kwantitatieve beperking zal leiden tot ontduiking van de heffing. De partijen verwezen wederom naar het aanleggen van voorraden dat zich voordeed direct na de uitbreiding van de Europese Unie op 1 mei 2004. Uit de analyse van de diensten van de Commissie blijkt dat het hierbij ging om een duidelijke poging om de heffing te ontduiken. Gelet op deze verklaringen en de feiten omschreven in overweging 123 en 125 van de voorlopige verordening houdt de Commissie toezicht op de ontwikkelingen teneinde de nodige stappen te zetten om een effectieve afdwinging van de maatregelen te waarborgen.

(158)

Andere partijen hebben aangevoerd dat de maatregelen niet van toepassing zouden moeten zijn op volumes die het onderwerp zijn van reeds bestaande verkoopcontracten. Dit zou in de praktijk neerkomen op een vrijstelling van rechten waardoor het compenserende effect van de maatregelen zou worden ondergraven, en wordt derhalve afgewezen. In deze wordt tevens verwezen naar de overwegingen 138 en 139.

(159)

Bij de voorlopige verordening werd een antidumpingrecht ingesteld in de vorm van een specifiek recht voor elke onderneming, voortvloeiend uit de toepassing op de schademarge op de uitvoerprijzen gebruikt in de berekening van de dumping tijdens het OT. Deze methode wordt bevestigd voor de definitieve maatregelen.

10.5.   Verbintenissen

(160)

In een laat stadium van het onderzoek boden verscheidene producenten-exporteurs in de VRC aan om prijsverbintenissen aan te gaan. Deze werden onaanvaardbaar geacht gezien de aanzienlijke instabiliteit van de prijs van dit product, het risico van ontduiking en ontwijking van de rechten voor dit product (zie overweging 124 en 125 van de voorlopige verordening) en het feit dat de aanbiedingen van ondernemingen waaraan geen behandeling als marktgerichte onderneming was toegekend, geen garanties van de Chinese autoriteiten inzake een toereikend toezicht bevatten.

11.   REGISTRATIE

(161)

Bij Verordening (EU) nr. 572/2012 van de Commissie (15) is registratie van de invoer van het betrokken product ingesteld. Deze registratie moet worden beëindigd. Over de mogelijkheid van het met terugwerkende kracht innen van rechten wordt besloten in een later stadium, wanneer volledige statistische gegevens beschikbaar zijn.

12.   MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN

(162)

Alle partijen werden op de hoogte gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op basis waarvan de Commissie voornemens was een definitief antidumpingrecht in te stellen op het betrokken product van oorsprong uit de Volksrepubliek China. De partijen konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken. De partijen die hierom verzochten, werden in de gelegenheid gesteld om gehoord te worden. Twee groepen importeurs werden op hun verzoek gehoord in aanwezigheid van de raadadviseur-auditeur van het directoraat-generaal Handel (DG TRADE).

(163)

Wat het Xinshiji-arrest betreft, waren de aangevoerde argumenten al geanalyseerd en beantwoord in het algemene informatiedocument. Geen van deze argumenten was derhalve aanleiding tot herziening van de centrale feiten en overwegingen op basis waarvan besloten werd de naar aanleiding van het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde schademarge te bevestigen. Wat het referentielandarrest betreft, herhaalde een groep importeurs al tijdens het onderzoek gemaakte opmerkingen met betrekking tot de reikwijdte van de gedeeltelijke heropening, het gebruik van OT-gegevens en de vaststelling van de normale waarde. Deze opmerkingen kwamen al aan de orde in de overwegingen 43, 46 en 54. Dezelfde groep importeurs gaf te kennen dat zij voorstander waren van een systeem van vrijwaringsmaatregelen met quota’s in plaats van antidumpingrechten. In overweging 156 is uitgelegd waarom niet voor een quotasysteem is gekozen. Er zij verder op gewezen dat vrijwaringsmaatregelen alleen ingesteld kunnen worden in bepaalde situaties en onder specifieke voorwaarden, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 260/2009 van de Raad van 26 februari 2009 (16). Antidumpingrechten worden beschouwd als de meest effectieve manier om schade veroorzakende dumping tegen te gaan. Deze groep importeurs wees er ook op, in verband met de in de overwegingen 44 en 85 bespoken kwesties, dat de Commissie geen tussentijds nieuw onderzoek had geopend toen daarom verzocht werd. De Commissie herhaalt dat het vanaf het referentielandarrest niet meer mogelijk was om een dergelijk onderzoek te verrichten, aangezien er toen geen recht meer van toepassing was. De Commissie zal het verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek opnieuw overwegen zodra deze verordening in werking treedt. Als uit analyse van het verzoek blijkt dat voldaan is aan de voorwaarden van artikel 11, lid 3, van de basisverordening zal zo snel mogelijk een tussentijds nieuw onderzoek geopend worden.

(164)

Kort samengevat werd geconcludeerd, na bestudering van alle opmerkingen na mededeling van de bevindingen van het onderzoek aan de belanghebbenden, dat geen van die opmerkingen aanleiding was om de uit het onderzoek getrokken conclusies te herzien.

13.   DUUR VAN DE MAATREGELEN

(165)

Bij deze verordening worden de uitspraken van het Hof inzake de oorspronkelijke verordening uitgevoerd. Daardoor verstrijkt deze verordening 5 jaar na de inwerkingtreding van de oorspronkelijke verordening,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Hierbij wordt opnieuw een definitief antidumpingrecht ingesteld voor bereide of verduurzaamde mandarijnen, tangerines en satsuma’s daaronder begrepen, en clementines, wilkings en andere dergelijke kruisingen van citrusvruchten, zonder toegevoegde alcohol, ook indien met toegevoegde suiker of andere zoetstoffen, zoals omschreven onder GN-post 2008 en momenteel vallende onder de GN-codes 2008 30 55 , 2008 30 75 en ex 2008 30 90 (Taric-codes 2008 30 90 61, 2008 30 90 63, 2008 30 90 65, 2008 30 90 67 en 2008 30 90 69), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.

2.   De definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op de in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen geproduceerde producten, zijn als volgt:

Onderneming

EUR/t nettogewicht product

Aanvullende Taric-code

Yichang Rosen Foods Co., Ltd, Yichang, Zhejiang

531,2

A886

Huangyan No.1 Canned Food Factory, Huangyan, Zhejiang

361,4

A887

Zhejiang Xinshiji Foods Co., Ltd, Sanmen, Zhejiang en de aan haar verbonden producent Hubei Xinshiji Foods Co., Ltd, Dangyang City, Hubei Province

490,7

A888

Niet in de steekproef opgenomen medewerkende producenten-exporteurs, zoals vermeld in de bijlage

499,6

A889

Alle overige ondernemingen

531,2

A999

Artikel 2

1.   Wanneer goederen zijn beschadigd voordat zij in het vrije verkeer worden gebracht en de werkelijk betaalde of te betalen prijs met het oog op de vaststelling van de douanewaarde derhalve overeenkomstig artikel 145 van Verordening (EEG) nr. 2454/93 van de Commissie van 2 juli 1993 houdende vaststelling van enkele bepalingen ter uitvoering van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad tot vaststelling van de communautaire douanewet (17) van de Commissie verhoudingsgewijs is verminderd, wordt het op basis van artikel 1 berekende antidumpingrecht met hetzelfde percentage verminderd als de werkelijk betaalde of te betalen prijs.

2.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.

Artikel 3

De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie van de invoer uit hoofde van artikel 1 van Verordening (EU) nr. 572/2012 te beëindigen.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze verordening verstrijkt op 31 december 2013.

Artikel 6

Verzoeken om een tussentijds nieuw onderzoek zijn ontvankelijk met ingang van de inwerkingtreding van deze verordening.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 februari 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

S. SHERLOCK


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB C 246 van 20.10.2007, blz. 15.

(3)   PB L 178 van 5.7.2008, blz. 19.

(4)   PB L 288 van 6.11.2007, blz. 22.

(5)   PB L 290 van 8.11.2003, blz. 3.

(6)   PB L 104 van 8.4.2004, blz. 67.

(7)   PB L 350 van 30.12.2008, blz. 35.

(8)   PB C 103 van 2.4.2011, blz. 21.

(9)   PB C 353 van 3.12.2011, blz. 15.

(10)  Arrest van het Hof (derde kamer) van 22 maart 2012 in zaak C-338/10, GLS tegen Hauptzollamt Hamburg-Stadt.

(11)   PB C 175 van 19.6.2012, blz. 19.

(12)  Zaak T-2/95, Industrie des poudres sphériques (IPS)/Raad, Jurispr. 1998, blz. II-3939 en zaak C-458/98 P, Industrie des poudres sphériques (IPS)/Raad, Jurispr. 2000, blz. I-8147.

(13)  Zaak T-2/95, Industrie des poudres sphériques (IPS)/Raad, Jurispr. 1998, blz. II-3941.

(14)   PB L 258 van 26.9.2008, blz. 74.

(15)  Verordening (EU) nr. 572/2012 van de Commissie van 28 juni 2012 tot onderwerping van de invoer van bepaalde bereide of verduurzaamde citrusvruchten (mandarijnen enz.) van oorsprong uit de Volksrepubliek China aan registratie (PB L 169 van 29.6.2012, blz. 50).

(16)   PB L 84 van 31.3.2009, blz. 1.

(17)   PB L 253 van 11.10.1993, blz. 1.


BIJLAGE

NIET IN DE STEEKPROEF OPGENOMEN MEDEWERKENDE PRODUCENTEN-EXPORTEURS

(Aanvullende Taric-code A889)

Hunan Pointer Foods Co., Ltd, Yongzhou, Hunan

Ningbo Pointer Canned Foods Co., Ltd, Xiangshan, Ningbo

Yichang Jiayuan Foodstuffs Co., Ltd, Yichang, Hubei

Ninghai Dongda Foodstuff Co., Ltd, Ningbo, Zhejiang

Huangyan No.2 Canned Food Factory, Huangyan, Zhejiang

Zhejiang Xinchang Best Foods Co., Ltd, Xinchang, Zhejiang

Toyoshima Share Yidu Foods Co., Ltd, Yidu, Hubei

Guangxi Guiguo Food Co., Ltd, Guilin, Guangxi

Zhejiang Juda Industry Co., Ltd, Quzhou, Zhejiang

Zhejiang Iceman Group Co., Ltd, Jinhua, Zhejiang

Ningbo Guosheng Foods Co., Ltd, Ninghai

Yi Chang Yin He Food Co., Ltd, Yidu, Hubei

Yongzhou Quanhui Canned Food Co., Ltd, Yongzhou, Hunan

Ningbo Orient Jiuzhou Food Trade & Industry Co., Ltd, Yinzhou, Ningbo

Guangxi Guilin Huangguan Food Co., Ltd, Guilin, Guangxi

Ningbo Wuzhouxing Group Co., Ltd, Mingzhou, Ningbo


22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/47


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 159/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2013

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van natriumbenzoaat, propionzuur en natriumpropionaat als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor varkens, pluimvee, runderen, schapen, geiten, konijnen en paarden en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1876/2006 en (EG) nr. 757/2007

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Het gebruik van een preparaat van natriumbenzoaat, propionzuur en natriumpropionaat als toevoegingsmiddel in diervoeding is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG zonder tijdsbeperking toegestaan voor varkens en melkkoeien bij Verordening (EG) nr. 1876/2006 van de Commissie (3) en voor mestrunderen bij Verordening (EG) nr. 757/2007 van de Commissie (4). Vervolgens is dat preparaat overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 juncto artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van dat preparaat van natriumbenzoaat, propionzuur en natriumpropionaat als toevoegingsmiddel in diervoeding voor varkens en melkkoeien en voor mestrunderen en, overeenkomstig artikel 7 van die verordening, voor een nieuwe toepassing voor varkens, pluimvee, runderen, schapen, geiten, konijnen en paarden, waarbij is verzocht om indeling van dat toevoegingsmiddel in de categorie „technologische toevoegingsmiddelen”. Bij die aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar adviezen van 6 september 2011 (5) en 24 april 2012 (6) geconcludeerd dat het preparaat van natriumbenzoaat, propionzuur en natriumpropionaat, onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden, geen nadelig effect heeft op de diergezondheid, op de menselijke gezondheid mits er adequate maatregelen worden genomen om de gebruikers te beschermen, of op het milieu en dat het gebruik daarvan doeltreffend is voor het conserveren van granen en volledig diervoeder. Specifieke eisen voor toezicht na het in de handel brengen acht de EFSA niet nodig. De EFSA heeft ook het verslag over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van het preparaat van natriumbenzoaat, propionzuur en natriumpropionaat blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning wordt voldaan. Het gebruik van het preparaat zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

Als gevolg van de verlening van een nieuwe vergunning uit hoofde van Verordening (EG) nr. 1831/2003 moeten de Verordeningen (EG) nr. 1876/2006 en (EG) nr. 757/2007 daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden vereisen, moet een overgangsperiode worden vastgesteld om de belanghebbende partijen in staat te stellen zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen van de vergunning te voldoen.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verlening van de vergunning

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „technologische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „conserveringsmiddelen”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 1876/2006

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 1876/2006 en bijlage IV bij die verordening worden geschrapt.

Artikel 3

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 757/2007

Artikel 1 van Verordening (EG) nr. 757/2007 en bijlage I bij die verordening worden geschrapt.

Artikel 4

Overgangsmaatregelen

Het in de bijlage beschreven preparaat en diervoeders die dat preparaat bevatten die vóór 14 september 2013 zijn geproduceerd en geëtiketteerd overeenkomstig de voorschriften die vóór 14 maart 2013 van toepassing waren, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1.

(3)   PB L 360 van 19.12.2006, blz. 126.

(4)   PB L 172 van 30.6.2007, blz. 43.

(5)  EFSA Journal 2011; 9(9):2357.

(6)  EFSA Journal 2012; 10(5):2681.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: technologische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: conserveringsmiddelen

1a700

Preparaat van natriumbenzoaat, propionzuur en natriumpropionaat

 

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Preparaat van:

 

natriumbenzoaat: 140 g/kg

 

propionzuur: 370 g/kg

 

natriumpropionaat: 110 g/kg

 

Water: 380 g/kg

 

Karakterisering van de werkzame stoffen

 

Natriumbenzoaat (C7H5O2Na) ≥ 99 % na twee uur drogen bij 105 °C

 

Propionzuur (C3H6O2) ≥ 99,5 %

 

Natriumpropionaat (C3H5O2Na) ≥ 99 % na vier uur drogen bij 105 °C

 

Analysemethode  (1)

Kwantificering in het toevoegingsmiddel voor diervoeding:

bepaling van benzoaat: reversed-phase chromatografie met UV-detectie (HPLC-UV)

totale hoeveelheid propionaat: ion-exclusie-hogeprestatie- vloeistofchromatografie met brekingsindex (HPLC-RI)

totale hoeveelheid natrium: atoomabsorptiespectrometrie, AAS (EN ISO 6869)

Varkens

Pluimvee

Runderen

Schapen

Geiten

Konijnen

Paarden

10 000

1.

Gelijktijdig gebruik met andere bronnen van de werkzame stoffen mag niet hoger zijn dan het toegestane maximumgehalte.

2.

Minimumgehalte:

granen met een vochtgehalte ≥ 15 % (geen maïskorrels): 3 000  mg/kg graan,

maïskorrels met een vochtgehalte ≥ 15 %: 13 000  mg/kg maïskorrels,

volledige diervoeders met een vochtgehalte ≥ 12 %: 5 000  mg/kg volledig diervoeder.

3.

Maximumgehalte in alle granen: 22 000 mg/kg van alle granen.

4.

Voor de veiligheid: er wordt aanbevolen om tijdens de hantering gebruik te maken van ademhalings- en oogbescherming en handschoenen.

14 maart 2023


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op het volgende adres van het referentielaboratorium: http://irmm.jrc.ec.europa.eu/EURLs/EURL_feed_additives/Pages/index.aspx


22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/50


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 160/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2013

tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 162/2003, (EG) nr. 971/2008, (EU) nr. 1118/2010, (EU) nr. 169/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 888/2011 wat de naam van de houder van de vergunning voor diclazuril in diervoeder betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Janssen Pharmaceutica NV heeft op grond van artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 een aanvraag ingediend tot wijziging van de naam van de houder van de vergunning in Verordening (EG) nr. 162/2003 van de Commissie van 30 januari 2003 tot verlening van een vergunning voor een toevoegingsmiddel in de diervoeding (2), Verordening (EG) nr. 971/2008 van de Commissie van 3 oktober 2008 betreffende een nieuwe toepassing van een coccidiostaticum als toevoegingsmiddel voor diervoeding (3), Verordening (EU) nr. 1118/2010 van de Commissie van 2 december 2010 tot verlening van een vergunning voor diclazuril als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkippen (vergunninghouder Janssen Pharmaceutica NV) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2430/1999 (4), Verordening (EU) nr. 169/2011 van de Commissie van 23 februari 2011 tot verlening van een vergunning voor diclazuril als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor parelhoenders (vergunninghouder Janssen Pharmaceutica NV) (5) en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 888/2011 van de Commissie van 5 september 2011 tot verlening van een vergunning voor diclazuril als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor mestkalkoenen (vergunninghouder Janssen Pharmaceutica NV) en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2430/1999 (6).

(2)

De aanvrager stelt dat Janssen Animal Health, een afdeling van Janssen Pharmaceutica NV, met ingang van 7 juli 2011 is overgenomen door Eli Lilly and Company Ltd, die nu de rechten voor het in de handel brengen van het toevoegingsmiddel diclazuril bezit. De aanvrager heeft de nodige gegevens ingediend ter onderbouwing van de aanvraag.

(3)

De voorgestelde wijziging van de vergunningvoorwaarden is louter administratief en maakt geen nieuwe beoordeling van het desbetreffende toevoegingsmiddel noodzakelijk. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid is in kennis gesteld van de aanvraag.

(4)

Om Eli Lilly and Company Ltd in staat te stellen gebruik te maken van haar rechten is het nodig dat de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd.

(5)

De Verordeningen (EG) nr. 162/2003, (EG) nr. 971/2008, (EU) nr. 1118/2010, (EU) nr. 169/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 888/2011 moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die tot de onmiddellijke wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 162/2003, (EG) nr. 971/2008, (EU) nr. 1118/2010, (EU) nr. 169/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 888/2011 door deze verordening verplichten, mogen de bestaande voorraden worden opgebruikt tijdens een overgangsperiode.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijziging van Verordening (EG) nr. 162/2003

In kolom 2 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 162/2003 worden de woorden „Janssen Pharmaceutica NV” vervangen door „Eli Lilly and Company Ltd”.

Artikel 2

Wijziging van Verordening (EG) nr. 971/2008

In kolom 2 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 971/2008 worden de woorden „Janssen Pharmaceutica NV” vervangen door „Eli Lilly and Company Ltd”.

Artikel 3

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1118/2010

In kolom 2 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1118/2010 worden de woorden „Janssen Pharmaceutica NV” vervangen door „Eli Lilly and Company Ltd”.

Artikel 4

Wijziging van Verordening (EG) nr. 169/2011

In kolom 2 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 169/2011 worden de woorden „Janssen Pharmaceutica NV” vervangen door „Eli Lilly and Company Ltd”.

Artikel 5

Wijziging van Uitvoeringsverordening (EG) nr. 888/2011

In kolom 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 888/2011 worden de woorden „Janssen Pharmaceutica NV” vervangen door „Eli Lilly and Company Ltd”.

Artikel 6

Overgangsmaatregel

Bestaande voorraden van dit toevoegingsmiddel die voldoen aan de bepalingen die golden vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening mogen verder in de handel worden gebracht en worden opgebruikt.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 26 van 31.1.2003, blz. 3.

(3)   PB L 265 van 4.10.2008, blz. 3.

(4)   PB L 317 van 3.12.2010, blz. 5.

(5)   PB L 49 van 24.2.2011, blz. 6.

(6)   PB L 229 van 6.9.2011, blz. 9.


22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/52


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 161/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2013

tot verlening van een vergunning voor een preparaat van natriumhydroxide als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor katten, honden en siervissen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De verlening van vergunningen voor toevoegingsmiddelen voor diervoeding, met inbegrip van de vergunningsgronden en -procedures, is geregeld bij Verordening (EG) nr. 1831/2003. Artikel 10 van die verordening voorziet in de herbeoordeling van toevoegingsmiddelen waarvoor een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG van de Raad (2).

(2)

Bij Richtlijn 86/525/EEG van de Commissie (3) is overeenkomstig Richtlijn 70/524/EEG een vergunning zonder tijdsbeperking verleend voor het gebruik van een preparaat van natriumhydroxide, CAS-nr. 1310-73-2, als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor katten en honden. Vervolgens is dat preparaat overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 als bestaand product opgenomen in het Communautair repertorium van toevoegingsmiddelen voor diervoeding.

(3)

Overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 in samenhang met artikel 7 van die verordening is een aanvraag ingediend voor de herbeoordeling van natriumhydroxide, CAS-nr. 1310-73-2, als toevoegingsmiddel voor diervoeding voor katten en honden en overeenkomstig artikel 7 van die verordening voor een nieuwe toepassing voor siervissen, waarbij is verzocht om indeling van dat toevoegingsmiddel in de categorie „technologische toevoegingsmiddelen”. Bij die aanvraag waren de krachtens artikel 7, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vereiste gegevens en documenten gevoegd.

(4)

De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft in haar advies van 11 september 2012 (4) geconcludeerd dat natriumhydroxide, gezien het feit dat dit toevoegingsmiddel met dezelfde functie en onder de voorgestelde gebruiksvoorwaarden al is toegestaan voor levensmiddelen, geen nadelig effect heeft op de diergezondheid en dat de functie ervan bij veevoeder in wezen dezelfde is als bij levensmiddelen, waardoor de doeltreffendheid ervan bijgevolg niet verder moet worden aangetoond. Volgens de EFSA zullen er geen veiligheidsproblemen voor de gebruikers rijzen als de nodige beschermingsmaatregelen worden genomen. De EFSA heeft ook het rapport over de analysemethode voor het toevoegingsmiddel voor diervoeding geverifieerd dat door het bij Verordening (EG) nr. 1831/2003 ingestelde referentielaboratorium was ingediend.

(5)

Uit de beoordeling van natriumhydroxide blijkt dat aan de in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1831/2003 vermelde voorwaarden voor de verlening van een vergunning is voldaan. Het gebruik van dit preparaat zoals gespecificeerd in de bijlage bij deze verordening moet daarom worden toegestaan.

(6)

Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke toepassing van de wijzigingen van de vergunningsvoorwaarden vereisen, moet worden voorzien in een overgangsperiode om de bestaande voorraden van toevoegingsmiddelen, voormengsels en mengvoeders die dit preparaat bevatten, zoals toegestaan bij Richtlijn 86/525/EEG, op te gebruiken.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Voor het in de bijlage beschreven preparaat, dat behoort tot de categorie „technologische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „zuurteregelaars”, wordt onder de in die bijlage vastgestelde voorwaarden een vergunning voor gebruik als toevoegingsmiddel voor diervoeding verleend.

Artikel 2

Het in de bijlage beschreven toevoegingsmiddel en de dat middel bevattende voormengsels die, in overeenstemming met de regels die vóór 14 maart 2013 van toepassing waren, vóór 14 maart 2014 geproduceerd en geëtiketteerd zijn, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Mengvoeder dat het in de bijlage beschreven toevoegingsmiddel bevat en dat, in overeenstemming met de regels die vóór 14 maart 2013 van toepassing waren, vóór 14 maart 2015 geproduceerd en geëtiketteerd zijn, mogen verder in de handel worden gebracht en worden gebruikt totdat de bestaande voorraden zijn uitgeput.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 268 van 18.10.2003, blz. 29.

(2)   PB L 270 van 14.12.1970, blz. 1.

(3)   PB L 310 van 5.11.1986, blz. 19.

(4)  EFSA Journal 2012; 10(10):2882.


BIJLAGE

Identificatienummer van het toevoegingsmiddel

Naam van de vergunninghouder

Toevoegingsmiddel

Samenstelling, chemische formule, beschrijving, analysemethode

Diersoort of -categorie

Maximumleeftijd

Minimumgehalte

Maximumgehalte

Overige bepalingen

Einde van de vergunningsperiode

mg/kg volledig diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

Categorie: technologische toevoegingsmiddelen. Functionele groep: zuurteregelaars

1j524

Natriumhydroxide

 

Samenstelling van het toevoegingsmiddel

Natriumhydroxide 50 % g/g

(opgelost in water)

 

Karakterisering van de werkzame stof

Natriumhydroxide ≥ 98,0 % totaal alkali (berekend als NaOH)

NaOH CAS-nr.: 1310-73-2

Geproduceerd door chemische synthese

 

Analysemethode  (1)

Bepaling van natriumhydroxide in voederadditieven: Titrimetrie — FAO JECFA Combined Compendium for Food Additive Specifications, Monograph No 1 (2006) „sodium hydroxide”.

Katten, honden en siervissen

1.

Voor de veiligheid: gebruik van ademhalingsbescherming, oogbescherming, handschoenen en beschermende kleding tijdens hantering.

2.

Voor het gebruik: de uiteindelijke totale natriumconcentratie mag de algehele elektrolytenbalans niet in het gedrang brengen.

14 maart 2023


(1)  Nadere bijzonderheden over de analysemethoden zijn te vinden op de volgende adressen: http://irmm.jrc.ec.europa.eu/EURLs/EURL_feed_additives/Pages/index.aspx en http://www.fao.org/ag/jecfa-additives/details.html?id=400


22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/55


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 162/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2013

tot wijziging van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 3199/93 inzake de wederzijdse erkenning van procedures voor de volledige denaturering van alcohol in verband met de vrijstelling van accijns

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 92/83/EEG van de Raad van 19 oktober 1992 betreffende de harmonisatie van de structuur van de accijns op alcohol en alcoholhoudende dranken (1), en met name artikel 27, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 27, lid 1, onder a), van Richtlijn 92/83/EEG dienen de lidstaten vrijstelling van accijns te verlenen voor alcohol die volledig gedenatureerd is overeenkomstig de voorschriften van een lidstaat, mits deze voorschriften naar behoren zijn aangemeld en aanvaard overeenkomstig de leden 3 en 4 van dat artikel.

(2)

Volgens Verordening (EG) nr. 3199/93 van de Commissie van 22 november 1993 inzake de wederzijdse erkenning van procedures voor de volledige denaturering van alcohol in verband met de vrijstelling van accijns (2) dienen de denatureringsmiddelen die in iedere lidstaat worden gebruikt om alcohol volledig te denatureren overeenkomstig artikel 27, lid 1, onder a), van Richtlijn 92/83/EEG, in de bijlage bij die verordening te worden beschreven.

(3)

Door de sterke toename van denatureringsprocedures verhoogt de complexiteit van de denatureringsregeling, wordt het effectieve beheer ervan bemoeilijkt en ontstaan er meer mogelijkheden tot fraude.

(4)

In 2008 bestond er bij de lidstaten brede steun voor een projectgroep die werkzaam was in het kader van Beschikking nr. 1482/2007/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2007 tot vaststelling van een communautair programma ter verbetering van het functioneren van de belastingstelsels in de interne markt (Fiscalis-2013) en tot intrekking van Beschikking nr. 2235/2002/EG (3), waarbij ook een groot aantal chemische laboratoria van de douane en het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek betrokken waren. Het project had tot doel na te gaan of er voor de volledige denaturering van alcohol gemeenschappelijke denatureringsprocedures („Eurodenaturants”) konden worden toegepast.

(5)

In zijn in juni 2011 gepubliceerde eindverslag heeft de projectgroep voorgesteld dat een denatureringsprocedure met drie liter isopropylalcohol (IPA), drie liter methylethylketon (MEK) en één gram denatoniumbenzoaat per hectoliter absolute alcohol ter goedkeuring zou kunnen worden voorgelegd om te dienen als gemeenschappelijke procedure voor de volledige denaturering van alcohol. Eén groot voordeel van die gemeenschappelijke procedure bestaat erin dat het niet onwaarschijnlijk is dat zij in de plaats zal treden van talrijke procedures die specifiek zijn voor de verschillende lidstaten. Daarom moet zij worden gebruikt als een voor alle lidstaten gemeenschappelijke procedure voor de volledige denaturering van alcohol, teneinde ontduiking, ontwijking en misbruik op dit gebied te voorkomen.

(6)

Vervolgens heeft iedere lidstaat de Commissie overeenkomstig artikel 27, lid 3, van Richtlijn 92/83/EEG een nieuwe lijst van voorschriften meegedeeld. In elk van deze lijsten is verwezen naar de gemeenschappelijke denatureringsprocedure en, in sommige gevallen, naar andere bestaande procedures. Wat bestaande procedures betreft, hebben sommige lidstaten te kennen gegeven dat zij deze om specifieke technische redenen gedurende een overgangsperiode of een niet nader gespecificeerde periode willen handhaven.

(7)

De Commissie heeft de lidstaten op 28 juni 2012 in kennis gesteld van alle ontvangen mededelingen.

(8)

Geen van de lidstaten heeft bezwaar gemaakt tegen de voorgestelde gemeenschappelijke denatureringsprocedure.

(9)

Wat bestaande procedures betreft, zijn geen nieuwe elementen aangevoerd die erop wijzen dat er een risico van ontduiking, ontwijking of misbruik bestaat.

(10)

Behalve de gemeenschappelijke procedure voor de volledige denaturering van alcohol heeft Oostenrijk vanwege octrooikwesties en daaraan gerelateerde kostenvraagstukken ook een alternatieve procedure vastgesteld die door andere lidstaten al als denatureringsprocedure wordt gebruikt.

(11)

Teneinde het bedrijfsleven voldoende tijd te bieden om de voorraden op te maken van de denatureringsmiddelen en gedenatureerde producten die tot dusver onder Verordening (EG) nr. 3199/93 vielen maar er niet meer onder zullen vallen zodra onderhavige verordening van toepassing wordt, dient de toepassing van deze verordening wat deel I van de bijlage betreft, te worden uitgesteld.

(12)

Verordening (EG) nr. 3199/93 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Accijnscomité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bijlage bij Verordening (EG) nr. 3199/93 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2013.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 316 van 31.10.1992, blz. 21.

(2)   PB L 288 van 23.11.1993, blz. 12.

(3)   PB L 330 van 15.12.2007, blz. 1.


BIJLAGE

Lijst van toegestane producten met hun CAS-nummer (Chemical Abstracts Service), voor zover dat beschikbaar is, en van toegestane formules voor de volledige denaturering van alcohol.

Aceton

CAS: 67-64-1

C.I. Reactive Red 24

CAS: 70210-20-7

Ruwe pyridine

CAS: niet beschikbaar

Kristalviolet (C.I. 42555)

CAS: 548-62-9

Denatoniumbenzoaat

CAS: 3734-33-6

Ethanol

CAS: 64-17-5

Ethylacetaat

CAS: 141-78-6

Ethyl-sec-amylketon

CAS: 541-85-5

Ethyl-tert-butylether

CAS: 637-92-3

Fluoresceïne

CAS: 2321-07-5

Formaldehyde

CAS: 50-00-0

Foezelolie

CAS: 8013-75-0

Benzine (inclusief ongelode benzine)

CAS: 86290-81-5

Isopropylalcohol (IPA)

CAS: 67-63-0

Kerosine

CAS: 8008-20-6

Lampolie

CAS: 64742-47-8 t/m 64742-48-9

Methanol

CAS: 67-56-1

Methylethylketon (butanon) (MEK)

CAS: 78-93-3

Methylisobutylketon

CAS: 108-10-1

Methylisopropylketon .

CAS: 563-80-4

Methylviolet

CAS: 8004-87-3

Methyleenblauw

CAS: 61-73-4

Minerale nafta

CAS: niet beschikbaar

Solventnafta

CAS: 8030-30-6

Pyridine (of pyridinebasen)

CAS: 110-86-1

Terpentijnolie

CAS: 8006-64-2

Petroleum (technisch)

CAS: 92045-57-3

Tert-butylalcohol

CAS: 75-65-0

Thiofeen

CAS: 110-02-1

Thymolblauw

CAS: 76-61-9

Ruwe houtgeest

Niet beschikbaar

Van de toegestane producten zijn synoniemen in verschillende Europese talen beschikbaar in de Europese douanelijst van chemische stoffen (ECICS-databank).

De uitdrukking „absolute ethanol” wordt doorheen de hele bijlage gebruikt in overeenstemming met de terminologie die wordt gebruikt door de International Union of Pure and Applied Chemistry (IUPAC).

I.   Denatureringsprocedure die in alle lidstaten wordt gebruikt

Per hectoliter absolute ethanol:

3 liter isopropylalcohol (IPA),

3 liter methylethylketon (MEK),

1 g denatoniumbenzoaat.

Voor internemarktdoeleinden mogen de lidstaten een kleurstof aan het product toevoegen om dit een karakteristieke kleur te geven zodat het onmiddellijk kan worden herkend.

II.   Extra denatureringsprocedures die in bepaalde lidstaten worden gebruikt

Tsjechië

Per hectoliter absolute ethanol een van de volgende formules:

1.

0,4 liter solventnafta,

0,2 liter kerosine,

0,1 liter petroleum (technisch).

2.

3 liter ethyl(tert-butyl)ether,

1 liter isopropylalcohol,

1 liter ongelode benzine,

10 milligram fluoresceïne.

Duitsland

Per hectoliter absolute ethanol:

1 liter ketonmengsel bestaande uit:

95 tot 96 gewichtspercenten methylethylketon (MEK),

2,5 tot 3 gewichtspercenten methylisopropylketon (3-methyl-2-butanon),

1,5 tot 2 gewichtspercenten ethyl-sec-amylketon (5-methyl-3-heptanon),

alsmede 1 g denatoniumbenzoaat.

Estland

Per hectoliter absolute ethanol:

3 liter aceton,

2 g denatoniumbenzoaat.

Ierland

Door mengeling van de volgende stoffen wordt een basis samengesteld:

90 % vol. ethanol,

9,5 % vol. ruwe houtgeest,

0,5 % vol. ruwe pyridine.

Aan iedere 10 hl van de basis wordt toegevoegd:

3,75 liter minerale nafta (aardolie),

1,5 g methylviolet.

Noot: De ruwe houtgeest en de ruwe pyridine in de basis mogen worden vervangen door 10 % vol. methanol.

Griekenland

Uitsluitend alcohol van lage kwaliteit (residuen verkregen in de begin- en eindfase van de distillatie) met een alcoholgehalte van niet minder dan 93 % vol. en niet meer dan 96 % vol. kan worden gedenatureerd.

Per hectoliter gehydrateerde alcohol van 93 % vol. worden de volgende stoffen toegevoegd:

2 liter methanol,

1 liter terpentijnolie,

0,50 liter lampolie,

0,40 g methyleenblauw.

Bij een temperatuur van 20 °C moet het eindproduct in ongewijzigde toestand 93 % vol. bereiken.

Italië

Per hectoliter absolute ethanol wordt het volgende toegevoegd:

125 g thiofeen,

0,8 g denatoniumbenzoaat,

3 g C.I. Reactive Red 24 (rode kleurstof), oplossing van 25 gewichtspercenten,

2 liter methylethylketon (MEK).

De te denatureren ethylalcohol dient een gehalte aan ethylalcohol te hebben van ten minste 83 % vol. en een sterkte, gemeten op de EG-alcoholmeter, van ten minste 90 % vol.

Om de volledige oplosbaarheid van alle bestanddelen te garanderen, dient het denaturerende mengsel te worden toebereid in ethylalcohol van minder dan 96 % vol., gemeten op de EG-alcoholmeter.

C.I. Reactive Red 24 geeft het product een kenmerkende rode kleur, zodat onmiddellijk kan worden vastgesteld waarvoor het product dient.

Letland

1.

Per hectoliter absolute ethanol een van de volgende formules:

a.

ten minste:

9 liter isopropylalcohol,

1 liter aceton,

0,4 g methyleenblauw of thymolblauw of kristalviolet;

b.

ten minste:

3 liter methylisobutylketon,

2 liter methylethylketon (MEK);

c.

ten minste:

3 liter aceton,

2 g denatoniumbenzoaat;

d.

ten minste 10 liter ethylacetaat.

2.

Per hectoliter gedehydrateerde ethylalcohol (niet meer dan 0,5 % water bevattend):

minimaal 5 liter en maximaal 7 liter benzine.

Litouwen

Per hectoliter absolute ethanol:

3 liter aceton,

2 g denatoniumbenzoaat.

Hongarije

Alcoholproducten die in verhouding tot de hoeveelheid zuivere alcohol ten minste een van het onderstaande bevatten:

a)

2 gewichtspercenten methylethylketon (MEK), 3 gewichtspercenten methylisobutylketon en 0,001 gewichtspercent denatoniumbenzoaat,

b)

1 gewichtspercent methylethylketon (MEK) en 0,001 gewichtspercent denatoniumbenzoaat,

c)

2 gewichtspercenten isopropylalcohol, 1 gewichtspercent tert-butylalcohol en 0,001 gewichtspercent denatoniumbenzoaat.

Malta

Door mengeling van de volgende stoffen wordt een basis samengesteld:

90 % vol. ethanol,

9,5 % vol. ruwe houtgeest,

0,5 % vol. ruwe pyridine.

Aan iedere 10 hl van de basis wordt toegevoegd:

3,75 liter minerale nafta (aardolie),

1,5 g methylviolet.

Nederland

Per hectoliter absolute ethanol:

5 liter van een mengsel van vloeistoffen dat bestaat uit:

60 % vol. methanol,

20 % vol. aceton,

11 % vol. foezelolie (concentraat van bijproducten van alcoholische gisting),

8 % vol. water,

0,5 % vol. methylethylketon (MEK),

0,5 % vol. formaline (waterige oplossing van 37 gewichtspercenten formaldehyde),

Oostenrijk

Per hectoliter absolute ethanol:

1 liter ketonmengsel bestaande uit:

95 tot 96 gewichtspercenten methylethylketon (MEK),

2,5 tot 3 gewichtspercenten methylisopropylketon,

1,5 tot 2 gewichtspercenten ethyl-sec-amylketon,

alsmede 1 g denatoniumbenzoaat.

Polen

Per hectoliter absolute ethanol een van de volgende formules:

1.

0,75 liter ketonmengsel bestaande uit:

95 tot 96 gewichtspercenten methylethylketon (MEK),

2,5 tot 3 gewichtspercenten methylisopropylketon,

1,5 tot 2 gewichtspercenten ethyl-sec-amylketon,

alsmede 0,25 liter pyridinebasen.

2.

1 liter ketonmengsel bestaande uit:

95 tot 96 gewichtspercenten methylethylketon (MEK),

2,5 tot 3 gewichtspercenten methylisopropylketon,

1,5 tot 2 gewichtspercenten ethyl-sec-amylketon,

alsmede 1 g denatoniumbenzoaat.

Roemenië

Per hectoliter absolute ethanol:

2 liter methylethylketon (MEK),

1 g denatoniumbenzoaat,

0,2 g methyleenblauw.

Slovenië

Per hectoliter absolute ethanol:

1 580 g isopropylalcohol,

790 g tert-butylalcohol,

0,79 g denatoniumbenzoaat.

Slowakije

Per hectoliter absolute ethanol:

1.

 

3 liter methylisobutylketon,

 

2 liter methylethylketon (MEK),

 

1 g denatoniumbenzoaat,

 

0,2 g methyleenblauw;

2.

 

1,5 liter petroleum (technisch),

 

1,5 liter kerosine,

 

2 g denatoniumbenzoaat.

Finland

Per hectoliter absolute ethanol een van de volgende formules:

1.

 

2 liter methylethylketon (MEK),

 

3 liter methylisobutylketon;

2.

 

2 liter aceton,

 

3 liter methylisobutylketon.

Zweden

Per hectoliter absolute ethanol:

3 liter methylisobutylketon,

2 liter methylethylketon (MEK).

Verenigd Koninkrijk

Door mengeling van de volgende stoffen wordt een basis samengesteld:

90 % vol. ethanol,

9,5 % vol. ruwe houtgeest,

0,5 % vol. ruwe pyridine.

Aan iedere 10 hl van de basis wordt toegevoegd:

3,75 liter minerale nafta (aardolie),

1,5 g methylviolet (C.I. 42555).


22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/62


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 163/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

IL

83,8

MA

61,8

TN

86,4

TR

102,8

ZZ

83,7

0707 00 05

EG

191,6

MA

190,0

TR

175,4

ZZ

185,7

0709 91 00

EG

66,7

ZZ

66,7

0709 93 10

MA

44,1

TR

102,3

ZZ

73,2

0805 10 20

EG

51,1

IL

71,3

MA

63,4

TN

56,2

TR

58,0

ZZ

60,0

0805 20 10

IL

125,9

MA

109,8

ZZ

117,9

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

EG

57,7

IL

144,7

KR

134,8

MA

120,0

TR

70,3

ZZ

105,5

0805 50 10

TR

72,2

ZZ

72,2

0808 10 80

CN

83,6

MK

31,3

US

180,2

ZZ

98,4

0808 30 90

AR

140,0

CL

228,4

CN

77,9

TR

172,7

US

187,5

ZA

109,1

ZZ

152,6


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/64


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 164/2013 VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2013

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1484/95 wat betreft de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1), en met name artikel 143 juncto artikel 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 614/2009 van de Raad van 7 juli 2009 betreffende een gemeenschappelijke regeling van het handelsverkeer voor ovoalbumine en lactoalbumine (2), en met name artikel 3, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1484/95 van de Commissie (3) zijn bepalingen vastgesteld voor de toepassing van de regeling inzake aanvullende invoerrechten en zijn de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, vastgesteld.

(2)

Uit de regelmatige controle van de gegevens die als basis worden gebruikt voor het bepalen van de representatieve prijzen in de sectoren slachtpluimvee en eieren, alsmede van ovoalbumine, blijkt dat de representatieve prijzen voor de invoer van bepaalde producten moeten worden gewijzigd met inachtneming van de naargelang van de oorsprong optredende prijsverschillen.

(3)

Verordening (EG) nr. 1484/95 moet bijgevolg worden gewijzigd.

(4)

Om ervoor te zorgen dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de bijgewerkte gegevens van toepassing wordt, dient de onderhavige verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan.

(5)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1484/95 wordt vervangen door de tekst die is opgenomen in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 181 van 14.7.2009, blz. 8.

(3)   PB L 145 van 29.6.1995, blz. 47.


BIJLAGE

„BIJLAGE I

GN-code

Omschrijving

Representatieve prijs

(EUR/100 kg)

In artikel 3, lid 3, bedoelde zekerheid

(EUR/100 kg)

Oorsprong (1)

0207 12 10

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 70 %), bevroren

158,2

0

AR

121,7

0

BR

0207 12 90

Geslachte kippen (zogenaamde kippen 65 %), bevroren

153,1

0

AR

150,0

0

BR

0207 14 10

Delen zonder been, van hanen of van kippen, bevroren

271,6

9

AR

241,2

18

BR

318,4

0

CL

223,0

23

TH

0207 27 10

Delen zonder been, van kalkoenen, bevroren

280,0

5

BR

323,6

0

CL

0408 11 80

Eigeel

569,2

0

AR

0408 91 80

Eieren uit de schaal, gedroogd

486,0

0

AR

1602 32 11

Bereidingen van hanen of van kippen, niet gekookt en niet gebakken

266,7

6

BR

206,3

24

TH

3502 11 90

Ovoalbumine, gedroogd

750,3

0

AR


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „andere oorsprong”.”


RICHTLIJNEN

22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/66


RICHTLIJN 2013/7/EU VAN DE COMMISSIE

van 21 februari 2013

tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Quaternaire ammoniumverbindingen, benzyl- C12-16-alkyldimethyl-, chloriden, synoniem voor alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride, is in die lijst opgenomen.

(2)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 8 (houtconserveringsmiddelen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn.

(3)

Italië is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 10, leden 5 en 7, van Verordening (EG) nr. 2032/2003 van de Commissie van 4 november 2003 inzake de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1896/2000 (3) op 14 augustus 2007 bij de Commissie ingediend.

(4)

Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 21 september 2012 in een beoordelingsverslag opgenomen.

(5)

Uit de onderzoeken blijkt dat van biociden die als houtconserveringsmiddelen worden gebruikt en alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride bevatten, kan worden verwacht dat ze aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride voor gebruik in productsoort 8 in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen.

(6)

Niet alle mogelijke toepassingen en blootstellingsscenario’s zijn op het niveau van de Unie beoordeeld. Zo zijn bijvoorbeeld noch het gebruik door niet-beroepsmatige gebruikers, noch de blootstelling van levensmiddelen of diervoeders beoordeeld. Daarom is het passend voor te schrijven dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken.

(7)

Gezien de gesignaleerde risico’s voor de gezondheid van de mens, is het passend te eisen dat veilige operationele procedures worden vastgesteld, dat de producten met passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, en dat de producten niet worden toegepast op hout waar kinderen in direct contact mee kunnen komen, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden gereduceerd.

(8)

Gezien de risico’s die zijn vastgesteld voor het milieu, is het raadzaam te eisen dat het industrieel of beroepsmatig aanbrengen van het product wordt uitgevoerd binnen een afgesloten gebied of op een ondoordringbare harde ondergrond met afdamming, dat pas behandeld hout na de behandeling op een ondoordringbare harde ondergrond wordt opgeslagen om rechtstreekse verliezen naar de bodem of naar water te voorkomen en dat verliezen bij het aanbrengen van producten die als houtconserveringsmiddel worden gebruikt en alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride bevatten met het oog op hergebruik of verwijdering worden opgevangen.

(9)

Er zijn onaanvaardbare risico’s voor het milieu gesignaleerd in situaties waarbij hout dat met alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride was behandeld permanent aan de weersomstandigheden was blootgesteld of vaak nat was geworden (gebruiksklasse 3 als gedefinieerd door de OESO (4)) gebruikt was voor constructies in de openlucht nabij of boven water (gebruiksklasse 3 als gedefinieerd door de OESO, in het scenario „brug over vijver” (5)) of in contact stond met zoet water (gebruiksklasse 4b als gedefinieerd door de OESO (6)). Het is bijgevolg passend te eisen dat producten alleen worden toegelaten voor de behandeling van hout dat voor dergelijke vormen van gebruik is bedoeld, wanneer gegevens zijn overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van artikel 5 en bijlage VI van Richtlijn 98/8/EG zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen.

(10)

De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden van productsoort 8 die als werkzame stof alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken.

(11)

Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat.

(12)

Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG.

(13)

Richtlijn 98/8/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (7) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden in verantwoorde gevallen de kennisgeving van omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van een of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht.

(15)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1)   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 januari 2014 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.

Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 februari 2015.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2)   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 21 februari 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)   PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.

(3)   PB L 307 van 24.11.2003, blz. 1.

(4)  OESO-reeks „Emission scenario documents”, nummer 2, Emission Scenario Document for Wood Preservatives, deel 2, blz. 64.

(5)  Idem.

(6)  Idem.

(7)   PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


BIJLAGE

Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding toegevoegd:

Nr.

Triviale naam

IUPAC-naam

Identificatienummers

Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (*1)

Datum van opneming

Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, tenzij een van de in de voetnoot bij dit rubriekopschrift vermelde uitzonderingen van toepassing is (*2)

Datum waarop de opneming verstrijkt

Productsoort

Specifieke bepalingen (*3)

„64

Alkyl (C12-16) dimethylbenzylammoniumchloride;

C12-16-ADBAC

IUPAC-naam: Niet van toepassing

EC-nummer: 270-325-2

CAS-nr.: 68424-85-1

Drooggewicht: 940 g/kg

1 februari 2015

31 januari 2017

31 januari 2025

8

Bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie zijn niet alle mogelijke toepassingen en blootstellingsscenario’s aan bod gekomen; bepaalde toepassingen en blootstellingsscenario’s, zoals gebruik door niet-beroepsmatige gebruikers en blootstelling van levensmiddelen of diervoeders zijn niet beoordeeld. Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen.

De lidstaten zorgen ervoor dat bij toelating de volgende voorwaarden worden gesteld:

1)

voor industriële of beroepsmatige gebruikers moeten veilige operationele procedures worden vastgesteld en bij het gebruik van producten moeten passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, behalve als in de aanvraag tot toelating van het product kan worden aangetoond dat de risico’s op andere manieren tot een acceptabel niveau kunnen worden beperkt;

2)

de producten mogen niet worden toegepast op hout waar kinderen in direct contact mee kunnen komen, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt;

3)

op de etiketten en desgevallend op de veiligheidsinformatiebladen van toegelaten producten moet worden aangegeven dat industrieel of beroepsmatig aanbrengen van het product wordt uitgevoerd binnen een afgesloten gebied of op een ondoordringbare harde ondergrond met afdamming, dat pas behandeld hout na de behandeling op een ondoordringbare harde ondergrond wordt opgeslagen om rechtstreekse verliezen naar de bodem of naar water te voorkomen en dat verliezen bij het aanbrengen van het product met het oog op hergebruik of verwijdering moeten worden opgevangen;

4)

producten worden alleen toegelaten voor de behandeling van hout dat in contact komt te staan met zoet water of gebruikt zal worden voor constructies in de openlucht nabij of boven water, dat permanent aande weersomstandigheden zal worden blootgesteld of vaak nat kan worden, wanneer gegevens zijn overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van artikel 5 en bijlage VI zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende beperkende maatregelen.”


(*1)  De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 11 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het op de markt gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde stof.

(*2)  Voor producten die meer dan één in artikel 16, lid 2, bedoelde werkzame stof bevatten, is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die geldt voor de laatste van zijn in deze bijlage op te nemen werkzame stoffen. Voor producten waarvoor de eerste toelating later dan 120 dagen voor de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, is verleend en waarvoor binnen 60 dagen na de verlening van de eerste toelating een volledige aanvraag voor wederzijdse erkenning is ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 1, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, met betrekking tot die aanvraag verlengd tot 120 dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag voor wederzijdse erkenning. Voor producten waarvoor een lidstaat heeft voorgesteld om overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de wederzijdse erkenning af te wijken, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3 verlengd tot dertig dagen na de datum waarop het besluit van de Commissie is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 4, tweede alinea.

(*3)  Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm


BESLUITEN

22.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 49/70


BESLUIT VAN DE RAAD

van 18 februari 2013

houdende benoeming van een Frans lid en van twee Franse plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s

(2013/101/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Franse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 en 18 januari 2010 heeft de Raad Besluit 2009/1014/EU (1) en Besluit 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld.

(2)

Een zetel van lid van het Comité van de Regio’s is vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van de heer Jean-Yves Le DRIAN.

(3)

Twee zetels van plaatsvervanger van het Comité van de Regio’s zijn vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van de heer Victorin LUREL en mevrouw Caroline CAYEUX,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio’s worden voor de resterende duur van de ambtstermijn, te weten tot en met 25 januari 2015, benoemd:

a)

tot lid:

de heer Pierrick MASSIOT, président du Conseil régional de Bretagne

en

b)

tot plaatsvervanger:

mevrouw Josette BOREL-LECERTIN, présidente du Conseil régional de Guadeloupe

de heer Daniel DUGLERY, conseiller régional d’Auvergne.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 18 februari 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

S. SHERLOCK


(1)   PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)   PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.