|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2013.048.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
56e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
RICHTLIJNEN |
|
|
|
* |
Richtlijn 2013/6/EU van de Commissie van 20 februari 2013 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde diflubenzuron als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen ( 1 ) |
|
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2013/95/EU |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2013/96/EU |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2013/97/EU |
|
|
|
* |
Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 19 februari 2013 waarbij aan bepaalde lidstaten afwijkingen worden toegestaan ten aanzien van de indiening van statistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, wat de statistieken op basis van de European Health Interview Survey (EHIS) betreft (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 784) ( 1 ) |
|
|
|
|
2013/98/EU |
|
|
|
* |
||
|
|
|
AANBEVELINGEN |
|
|
|
|
2013/99/EU |
|
|
|
* |
|
|
|
III Andere handelingen |
|
|
|
|
EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/1 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 154/2013 VAN DE COMMISSIE
van 18 december 2012
tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207,
Gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (1), en met name artikel 5, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Artikel 4 van Verordening (EU) nr. 978/2012 (de SAP-verordening) bevat criteria voor het verlenen van tariefpreferenties in het kader van de algemene regeling van het stelsel van algemene tariefpreferenties (SAP). Volgens die criteria dient een land dat gedurende drie opeenvolgende jaren door de Wereldbank als hoog-inkomensland of hogere-middeninkomensland is ingedeeld, niet voor dergelijke preferenties in aanmerking te komen. |
|
(2) |
De lijst van de voor de algemene regeling van het SAP in aanmerking komende landen is vastgesteld in bijlage II bij de SAP-verordening. |
|
(3) |
Aan de Commissie is in artikel 5, lid 2, van die verordening de bevoegdheid verleend om in overeenstemming met artikel 290 VWEU een gedelegeerde handeling vast te stellen om bijlage II per 1 januari van elk jaar na de inwerkingtreding van de SAP-verordening te herzien. |
|
(4) |
De Wereldbank heeft de Republiek Azerbeidzjan en de Islamitische Republiek Iran in 2010, 2011 en 2012 als hogere-middeninkomensland ingedeeld. |
|
(5) |
De Republiek Azerbeidzjan en de Islamitische Republiek Iran moeten van de lijst van voor de algemene regeling van het SAP in aanmerking komende landen worden verwijderd en bijlage II bij de SAP-verordening moet dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage II bij Verordening (EU) nr. 978/2012 wordt vervangen door de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van één jaar na de datum van inwerkingtreding van deze verordening.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 december 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
„BIJLAGE II
Begunstigde landen (1) van de algemene regeling als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a)
|
Kolom A |
: |
lettercode volgens de nomenclatuur van landen en gebieden voor de statistiek van de buitenlandse handel van de Unie |
|
Kolom B |
: |
naam |
|
A |
B |
|
AF |
Afghanistan |
|
AM |
Armenië |
|
AO |
Angola |
|
BD |
Bangladesh |
|
BF |
Burkina Faso |
|
BI |
Burundi |
|
BJ |
Benin |
|
BO |
Bolivia |
|
BT |
Bhutan |
|
CD |
Democratische Republiek Congo |
|
CF |
Centraal-Afrikaanse Republiek |
|
CG |
Congo |
|
CK |
Cookeilanden |
|
CN |
Volksrepubliek China |
|
CO |
Colombia |
|
CR |
Costa Rica |
|
CV |
Kaapverdië |
|
DJ |
Djibouti |
|
EC |
Ecuador |
|
ER |
Eritrea |
|
ET |
Ethiopië |
|
FM |
Federale Staten van Micronesia |
|
GE |
Georgië |
|
GM |
Gambia |
|
GN |
Guinee |
|
GQ |
Equatoriaal-Guinea |
|
GT |
Guatemala |
|
GW |
Guinee-Bissau |
|
HN |
Honduras |
|
HT |
Haïti |
|
ID |
Indonesië |
|
IN |
India |
|
IQ |
Irak |
|
KG |
Kirgizische Republiek |
|
KH |
Cambodja |
|
KI |
Kiribati |
|
KM |
Comoren |
|
LA |
Democratische Volksrepubliek Laos |
|
LK |
Sri Lanka |
|
LR |
Liberia |
|
LS |
Lesotho |
|
MG |
Madagaskar |
|
MH |
Marshalleilanden |
|
ML |
Mali |
|
MM |
Birma/Myanmar |
|
MN |
Mongolië |
|
MR |
Mauritanië |
|
MV |
Maldiven |
|
MW |
Malawi |
|
MZ |
Mozambique |
|
NE |
Niger |
|
NG |
Nigeria |
|
NI |
Nicaragua |
|
NP |
Nepal |
|
NR |
Nauru |
|
NU |
Niue |
|
PA |
Panama |
|
PE |
Peru |
|
PH |
Filipijnen |
|
PK |
Pakistan |
|
PY |
Paraguay |
|
RW |
Rwanda |
|
SB |
Salomonseilanden |
|
SD |
Sudan |
|
SL |
Sierra Leone |
|
SN |
Senegal |
|
SO |
Somalië |
|
ST |
Sao Tomé en Principe |
|
SV |
El Salvador |
|
SY |
Arabische Republiek Syrië |
|
TD |
Tsjaad |
|
TG |
Togo |
|
TH |
Thailand |
|
TJ |
Tadzjikistan |
|
TL |
Oost-Timor |
|
TM |
Turkmenistan |
|
TO |
Tonga |
|
TV |
Tuvalu |
|
TZ |
Tanzania |
|
UA |
Oekraïne |
|
UG |
Uganda |
|
UZ |
Oezbekistan |
|
VN |
Vietnam |
|
VU |
Vanuatu |
|
WS |
Samoa |
|
YE |
Jemen |
|
ZM |
Zambia |
Begunstigde landen van de algemene regeling, zoals bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a), die tijdelijk van de lijst van begunstigden van dit stelsel zijn geschrapt voor alle of voor bepaalde producten van oorsprong uit deze landen
|
Kolom A |
: |
lettercode volgens de nomenclatuur van landen en gebieden voor de statistiek van de buitenlandse handel van de Unie |
|
Kolom B |
: |
naam |
|
A |
B |
|
MM |
Birma/Myanmar” |
(1) Deze lijst omvat landen waarvoor de preferenties tijdelijk zijn ingetrokken of geschorst. De Commissie of de bevoegde autoriteiten van het betrokken land zullen een bijgewerkte lijst kunnen verschaffen.
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/5 |
GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 155/2013 VAN DE COMMISSIE
van 18 december 2012
tot instelling van regels voor de procedure voor toekenning van de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur in het kader van Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207,
Gezien Verordening (EU) nr. 978/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 houdende toepassing van een schema van algemene tariefpreferenties en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 732/2008 van de Raad (1), en met name artikel 10, lid 7,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 978/2012 legt de voorwaarden vast voor de toekenning van tariefpreferenties in het kader van de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur. Met het oog op de transparantie en voorspelbaarheid van die toekenning hebben het Europees Parlement en de Raad de Commissie de bevoegdheid verleend een gedelegeerde handeling vast te stellen om regels in te stellen voor de procedure voor toekenning van de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur, met name voor de termijnen en de indiening en verwerking van verzoeken. |
|
(2) |
Overeenkomstig paragraaf 4 van de consensus inzake gedelegeerde handelingen tussen het Europees Parlement, de Raad en de Europese Commissie zijn over de in deze verordening vastgestelde procedureregels passende en transparante raadplegingen, ook op deskundigenniveau, gehouden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Indiening van het verzoek
1. Het verzoekende land dient zijn verzoek schriftelijk in. Het vermeldt uitdrukkelijk dat het zijn verzoek indient in het kader van de bijzondere stimuleringsregeling voor duurzame ontwikkeling en goed bestuur (SAP+-regeling) op grond van artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 978/2012 (de SAP-verordening).
2. De volgende documenten moeten bij het verzoek worden gevoegd:
|
a) |
uitgebreide informatie over de ratificatie van de in bijlage VIII bij de SAP-verordening opgenomen verdragen („de desbetreffende verdragen”), waaronder een afschrift van de bij de betrokken internationale organisatie neergelegde akte van bekrachtiging, de door het verzoekende land geformuleerde voorbehouden en de door andere partijen bij het verdrag tegen deze voorbehouden aangevoerde bezwaren; |
|
b) |
een bindende verbintenis, door middel van ondertekening door de bevoegde autoriteit van het verzoekende land van het formulier in de bijlage bij deze verordening, waarbij het verzoekende land:
|
3. Om het onderzoek van de verzoeken te vergemakkelijken, dienen alle verzoeken en bijbehorende documenten in het Engels te worden ingediend. De afschriften van de in lid 2, onder a), bedoelde documenten moeten vergezeld gaan van een Engelse vertaling, indien de documenten in een andere taal dan het Engels zijn gesteld.
4. Het verzoek en de bijbehorende documenten moeten worden ingediend bij de postkamer van de Commissie:
|
Centrale postkamer (Courrier central) |
|
Gebouw DAV1 |
|
Bourgetlaan 1 |
|
1140 Brussel |
|
BELGIË |
5. Naast de formele indiening op papier moeten het verzoek en de bijbehorende documenten ook in elektronische vorm worden ingediend. Een uitsluitend in elektronische vorm ingediend verzoek wordt als ongeldig beschouwd voor de toepassing van deze verordening.
6. Om de uitwisseling en de verificatie van informatie te vergemakkelijken, deelt het verzoekende land in zijn verzoek de Commissie de gegevens mee van de contactpersoon die bevoegd is voor de behandeling van het verzoek.
7. Het verzoek wordt geacht te zijn ingediend op de eerste werkdag volgende op de dag van bezorging bij de Commissie als aangetekend poststuk of op de dag van afgifte van een bewijs van ontvangst door de Commissie.
Artikel 2
Onderzoek van het verzoek
1. De Commissie onderzoekt of is voldaan aan de voorwaarden van artikel 9, lid 1, van de SAP-verordening. Bij het onderzoek van het verzoek beoordeelt de Commissie de recentst beschikbare conclusies van de toezichthoudende instanties van de desbetreffende verdragen. Zij kan het verzoekende land alle vragen stellen die zij dienstig acht en kan de ontvangen informatie bij het verzoekende land of bij andere ter zake kundige bronnen verifiëren.
2. Wanneer de in artikel 10, lid 2, van de SAP-verordening voorgeschreven of door de Commissie verlangde noodzakelijke informatie niet wordt verstrekt, kan het onderzoek worden beëindigd en het verzoek worden afgewezen.
3. Binnen zes maanden te rekenen vanaf de datum van het bewijs van ontvangst van het verzoek rondt de Commissie het onderzoek van het verzoek af en neemt zij een besluit over de toekenning van de SAP+-regeling aan het verzoekende land.
Artikel 3
Aanleg van een dossier
1. De Commissie legt een dossier aan. Het dossier bevat de door het verzoekende land ingediende documenten en de door de Commissie verkregen relevante informatie.
2. Met betrekking tot de inhoud van het dossier gelden de bepalingen inzake vertrouwelijkheid van artikel 38 van de SAP-verordening.
3. Het verzoekende land heeft recht op inzage in het dossier. Op schriftelijk verzoek kan het inzage verkrijgen in alle gegevens in het dossier, met uitzondering van de interne documenten van de Commissie.
Artikel 4
Bekendmaking
1. De Commissie verstrekt de bijzonderheden betreffende de voornaamste feiten en overwegingen op grond waarvan zij haar besluiten neemt.
2. De gegevens worden schriftelijk bekendgemaakt. Zij behelzen de bevindingen van de Commissie en verduidelijken haar voorlopige voornemen om het verzoekende land al dan geen SAP+-regeling toe te kennen.
3. De gegevens worden, met inachtneming van de verplichting tot bescherming van vertrouwelijke informatie, zo spoedig mogelijk en gewoonlijk niet later dan 45 dagen voordat de Commissie een definitief besluit neemt over een voorstel voor definitieve maatregelen, bekendgemaakt. Indien de Commissie bepaalde feiten of overwegingen op dat tijdstip niet bekend kan maken, maakt zij deze bekend zodra dit mogelijk is.
4. De bekendmaking loopt niet vooruit op eventuele latere besluiten, maar indien deze besluiten op andere feiten en overwegingen zijn gebaseerd, worden deze feiten en overwegingen zo spoedig mogelijk bekendgemaakt.
5. Opmerkingen die na de bekendmaking worden ingediend, worden uitsluitend in aanmerking genomen indien zij zijn ontvangen binnen een door de Commissie in elk afzonderlijk geval vast te stellen termijn die ten minste 20 dagen bedraagt, waarbij naar behoren rekening wordt gehouden met de spoedeisendheid van de kwestie.
Artikel 5
Algemene hoorzitting
1. Een verzoekend land heeft het recht om door de Commissie te worden gehoord.
2. Het verzoekende land dient daartoe een schriftelijk verzoek in met opgave van de redenen om te worden gehoord. De Commissie moet dit verzoek uiterlijk één maand na de datum van het bewijs van ontvangst van het verzoek hebben ontvangen.
Artikel 6
Inschakeling van de raadadviseur-auditeur
1. Op procedurele gronden kan een verzoekend land ook vragen dat de raadadviseur-auditeur van het directoraat-generaal Handel wordt ingeschakeld. De raadadviseur-auditeur behandelt verzoeken om inzage in het dossier, geschillen over de vertrouwelijkheid van documenten, verzoeken om termijnverlenging en verzoeken van een verzoekend land om te worden gehoord.
2. Indien het verzoekende land door de raadadviseur-auditeur wordt gehoord, neemt de betrokken dienst van de Commissie aan de hoorzitting deel.
Artikel 7
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 december 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
Bindende verbintenis
Wij, de regering van …, vertegenwoordigd door …, in onze hoedanigheid van …, verbinden ons ertoe de ratificatie van de in bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 978/2012 opgenomen verdragen niet ongedaan te maken en de daadwerkelijke tenuitvoerlegging ervan te waarborgen.
Wij aanvaarden zonder voorbehoud de door elk verdrag opgelegde rapportageverplichtingen en staan regelmatig toezicht op en evaluatie van de staat van dienst inzake de tenuitvoerlegging toe overeenkomstig de bepalingen van de in bijlage VIII bij Verordening (EU) nr. 978/2012 opgenomen verdragen.
Wij verbinden ons ertoe aan de in artikel 13 van Verordening (EU) nr. 978/2012 bedoelde toezichtprocedure deel te nemen en mee te werken.
Wij gaan ermee akkoord dat de intrekking van een van deze verbintenissen op grond van artikel 10, lid 5, van Verordening (EU) nr. 978/2012 de intrekking van de SAP+-regeling tot gevolg kan hebben.
Plaats en datum
Handtekening(en)
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 156/2013 VAN DE COMMISSIE
van 20 februari 2013
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 20 februari 2013.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
IL |
80,1 |
|
MA |
61,7 |
|
|
TN |
81,6 |
|
|
TR |
96,5 |
|
|
ZZ |
80,0 |
|
|
0707 00 05 |
EG |
191,6 |
|
MA |
191,6 |
|
|
TR |
175,4 |
|
|
ZZ |
186,2 |
|
|
0709 91 00 |
EG |
76,0 |
|
ZZ |
76,0 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
42,2 |
|
TR |
112,9 |
|
|
ZZ |
77,6 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
50,7 |
|
IL |
52,2 |
|
|
MA |
63,1 |
|
|
TN |
56,7 |
|
|
TR |
58,5 |
|
|
ZZ |
56,2 |
|
|
0805 20 10 |
IL |
126,3 |
|
MA |
103,1 |
|
|
ZZ |
114,7 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
EG |
57,7 |
|
IL |
150,3 |
|
|
KR |
134,8 |
|
|
MA |
122,1 |
|
|
TR |
70,0 |
|
|
ZA |
148,7 |
|
|
ZZ |
113,9 |
|
|
0805 50 10 |
EG |
83,9 |
|
TR |
76,5 |
|
|
ZZ |
80,2 |
|
|
0808 10 80 |
CN |
82,9 |
|
MK |
34,9 |
|
|
US |
202,1 |
|
|
ZZ |
106,6 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
130,3 |
|
CL |
178,0 |
|
|
CN |
77,9 |
|
|
TR |
179,9 |
|
|
US |
187,5 |
|
|
ZA |
118,0 |
|
|
ZZ |
145,3 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
RICHTLIJNEN
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/10 |
RICHTLIJN 2013/6/EU VAN DE COMMISSIE
van 20 februari 2013
tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde diflubenzuron als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 inzake de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. N-[[(4-chloorfenyl)amino]carbonyl]-2,6-difluorbenzamide, dat een synoniem is voor diflubenzuron, is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is diflubenzuron overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn. |
|
(3) |
Zweden is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 10, leden 5 en 7, van Verordening (EG) nr. 2032/2003 van de Commissie van 4 november 2003 inzake de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma en houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1896/2000 (3) op 19 november 2007 bij de Commissie ingediend. |
|
(4) |
Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 21 september 2012 in een beoordelingsverslag opgenomen. |
|
(5) |
Uit de onderzoeken blijkt dat van biociden die als insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen worden gebruikt en diflubenzuron bevatten, kan worden verwacht dat ze aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet diflubenzuron in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen voor gebruik in productsoort 18. |
|
(6) |
Niet alle mogelijke toepassingen en blootstellingsscenario’s zijn op het niveau van de Unie beoordeeld. Zo zijn bijvoorbeeld het gebruik buitenshuis, het gebruik door niet-beroepsmatige gebruikers en de blootstelling van vee niet beoordeeld. Daarom is het passend voor te schrijven dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken. |
|
(7) |
In het licht van de bevindingen in het beoordelingsrapport, dat er een indirecte blootstelling van mensen via de consumptie van levensmiddelen mogelijk is ten gevolge van toepassingen die in het kader van de beoordeling zijn onderzocht, dient bovendien, waar nodig, te worden geëist dat wordt nagegaan of nieuwe, dan wel gewijzigde maximumgehalten aan residuen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (5). Bijzondere aandacht moeten worden besteed aan de in vivo genotoxische metaboliet PCA. Er moeten maatregelen worden genomen om te garanderen dat de geldende maximumgehalten aan residuen niet worden overschreden. |
|
(8) |
Gezien de veronderstellingen die aan de risicobeoordeling ten grondslag liggen, moeten beroepsmatig gebruikers van producten die diflubenzuron bevatten passende persoonlijke beschermingsmiddelen dragen, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s voor werknemers en exploitanten tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. |
|
(9) |
Gezien de vastgestelde risico’s voor het milieu, is het passend te eisen dat producten niet worden toegelaten voor watersystemen, tenzij in de aanvraag voor toelating van het product kan worden aangetoond dat de risico’s voor aquatische en terrestrische ecosystemen tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt, dat producten niet worden toegelaten in watersystemen en dat voor gebruik op mest toegelaten producten alleen worden gebruikt op droge mest die een volledige aerobe compostering moet ondergaan voordat de mest op landbouwgrond wordt opgebracht. |
|
(10) |
De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden die van productsoort 18 die als werkzame stof diflubenzuron bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken. |
|
(11) |
Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat. |
|
(12) |
Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG. |
|
(13) |
Richtlijn 98/8/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(14) |
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (6) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in verantwoorde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. |
|
(15) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 januari 2014 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 februari 2015.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 20 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.
(2) PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.
(3) PB L 307 van 24.11.2003, blz. 1.
(4) PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.
BIJLAGE
Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding toegevoegd:
|
Nr. |
Triviale naam |
IUPAC-naam Identificatienummers |
Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (*1) |
Datum van opneming |
Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, tenzij een van de in de voetnoot bij dit rubriekopschrift vermelde uitzonderingen van toepassing is (*2) |
Datum waarop de opneming verstrijkt |
Productsoort |
Specifieke bepalingen (*3) |
||||||
|
„63 |
diflubenzuron |
1-(4-chloorfenyl)-3-(2,6-difluorbenzoyl)ureum EC-nummer: 252-529-3 CAS-nr.: 35367-38-5 |
960 g/kg |
1 februari 2015 |
31 januari 2017 |
31 januari 2025 |
18 |
Bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie zijn niet alle mogelijke toepassingen en blootstellingsscenario’s aan bod gekomen; bepaalde gebruiksvormen en blootstellingsscenario’s zoals het gebruik buitenshuis, het gebruik door niet-beroepsmatige gebruikers en de blootstelling van vee zijn uitgesloten. Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen. Voor producten die diflubenzuron bevatten waarvan residuen in levensmiddelen of diervoeders kunnen achterblijven, gaan de lidstaten na of nieuwe of gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL’s) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 of Verordening (EG) nr. 396/2005, met bijondere aandacht voor de in vivo genotoxische metaboliet PCA, en nemen zij de nodige risicobeperkende maatregelen om te garanderen dat de geldende MRL’s niet worden overschreden. De lidstaten zorgen ervoor dat bij toelating de volgende voorwaarden worden gesteld, tenzij in de aanvraag voor toelating van het product kan worden aangetoond dat de risico’s tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt:
|
(*1) De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 11 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het op de markt gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde stof.
(*2) Voor producten die meer dan één in artikel 16, lid 2, bedoelde werkzame stof bevatten, is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die geldt voor de laatste van zijn in deze bijlage op te nemen werkzame stoffen. Voor producten waarvoor de eerste toelating later dan 120 dagen voor de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, is verleend en waarvoor binnen 60 dagen na de verlening van de eerste toelating een volledige aanvraag voor wederzijdse erkenning is ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 1, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, met betrekking tot die aanvraag verlengd tot 120 dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag voor wederzijdse erkenning. Voor producten waarvoor een lidstaat heeft voorgesteld om overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de wederzijdse erkenning af te wijken, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, verlengd tot dertig dagen na de datum waarop het besluit van de Commissie is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 4, tweede alinea.
(*3) Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm
BESLUITEN
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/14 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 19 februari 2013
tot goedkeuring van door Duitsland overeenkomstig Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad aangemelde beperkingen van toelatingen voor het gebruik van difenacum bevattende biociden
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 772)
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(2013/95/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 4, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG bevat de lijst van werkzame stoffen die op Unieniveau zijn toegestaan voor opneming in biociden. Bij Richtlijn 2008/81/EG van de Commissie van 29 juli 2008 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde difenacum als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen (2) is de werkzame stof difenacum, behorend tot productsoort 14, rodenticiden, als gedefinieerd in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG, aan die bijlage toegevoegd. |
|
(2) |
Difenacum is een bloedstollingsremmend rodenticide waarvan bekend is dat er risico’s zijn van accidentele inname door kinderen, alsook risico’s voor dieren en het milieu. De stof is aangemerkt als potentieel persistent, bioaccumulerend en toxisch („PBT”), dan wel zeer persistent en sterk bioaccumulerend („vPvB”). |
|
(3) |
Ter wille van de volksgezondheid en de hygiëne werd het niettemin als verantwoord beschouwd om difenacum en andere bloedstollingsremmende rodenticiden op te nemen in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG, zodat de lidstaten op difenacum gebaseerde producten kunnen toelaten op de markt. Krachtens Richtlijn 2008/81/EG zijn de lidstaten er echter wel toe verplicht om, wanneer zij difenacum bevattende producten op de markt toelaten, ervoor te zorgen dat de primaire en secundaire blootstelling van mensen, niet-doeldieren en het milieu zo veel mogelijk worden beperkt door de inoverwegingneming en toepassing van alle passende en beschikbare risicobeperkende maatregelen. De in Richtlijn 2008/81/EG vermelde risicobeperkende maatregelen omvatten daarom onder meer ook de eis van beperking van het gebruik tot uitsluitend professionele gebruikers. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 98/8/EG heeft de onderneming Zapi S.p.A. (hierna „de aanvrager”) bij het Verenigd Koninkrijk een aanvraag ingediend voor toelating op de markt van vier difenacum bevattende rodenticiden (hierna „de producten”). |
|
(5) |
Het Verenigd Koninkrijk heeft de betreffende toelatingen verleend op 19 september 2011. De producten werden toegelaten met bepaalde beperkingen om te waarborgen dat in het Verenigd Koninkrijk aan de voorwaarden van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG wordt voldaan. Deze beperkingen omvatten niet de beperking van het gebruik tot opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning. |
|
(6) |
Op 30 juni 2010 heeft de aanvrager bij Duitsland een volledige aanvraag ingediend voor wederzijdse erkenning van de eerste toelatingen in verband met deze producten. |
|
(7) |
Op 8 juni 2012 heeft Duitsland de Commissie, de andere lidstaten en de aanvrager in kennis gesteld van zijn voorstel om de eerste toelatingen te beperken overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 98/8/EG. Duitsland heeft daarbij voorgesteld de desbetreffende producten uitsluitend te laten gebruiken door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning. |
|
(8) |
Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG heeft de Commissie de andere lidstaten en de aanvrager uitgenodigd om binnen 90 dagen schriftelijke opmerkingen in verband met de kennisgeving in te dienen. Binnen deze termijn zijn geen opmerkingen ingediend. De kennisgeving is ook besproken door de Commissie en de voor biociden bevoegde instanties van de lidstaten op de vergadering van de Groep facilitering van toelating en wederzijdse erkenning van producten van 3 en 4 juli 2012. |
|
(9) |
Toelatingen om difenacum bevattende biociden op de markt te brengen, moeten overeenkomstig Richtlijn 2008/81/EG onderworpen worden aan alle passende en beschikbare risicobeperkende maatregelen, waaronder beperking van het gebruik tot uitsluitend professionele gebruikers. Bij de wetenschappelijke evaluatie die heeft geresulteerd in de vaststelling van Richtlijn 2008/81/EG is geconcludeerd dat alleen van professionele gebruikers kan worden verwacht dat zij de instructies opvolgen die het risico van secundaire vergiftiging van niet-doeldieren minimaliseren en dat zij de producten op zodanige wijze gebruiken dat de ontwikkeling en verspreiding van resistentie worden voorkomen. Een beperking van het gebruik tot professionele gebruikers kan derhalve in beginsel worden beschouwd als een passende risicobeperkende maatregel, met name in lidstaten waar resistentie tegen difenacum is waargenomen. |
|
(10) |
Bij afwezigheid van enige indicatie van het tegendeel is een beperking van het gebruik tot professionele gebruikers derhalve een „passende en beschikbare” risicobeperkende maatregel bij de toelating van difenacum bevattende producten op de Duitse markt. Deze conclusie wordt versterkt door de door Duitsland aangevoerde argumenten dat bij ratten resistentie tegen difenacum is vastgesteld en dat deze resistentie zich in het land lijkt te verbreiden. Bovendien beschikt Duitsland over een goed functionerende infrastructuur inclusief speciaal opgeleide plaagbestrijders en professionele gebruikers met een vergunning, zoals professioneel opgeleide landbouwers, tuinders en bosbouwers, zodat de voorgestelde beperking geen belemmering vormt voor plaagpreventie. |
|
(11) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Duitsland mag de overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG verleende toelatingen voor de in de bijlage bij dit besluit genoemde producten beperken tot gebruik door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.
Gedaan te Brussel, 19 februari 2013.
Voor de Commissie
Janez POTOČNIK
Lid van de Commissie
BIJLAGE
Producten waarvoor Duitsland de overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG verleende toelatingen mag beperken tot gebruik door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning
|
Productnaam in het VK |
Referentienummer van de aanvraag van het VK in het register voor biociden |
Productnaam in Duitsland |
Referentienummer van de Duitse aanvraag in het register voor biociden |
|
Bonirat Wax Block |
2010/4089/5286/UK/AA/6165 |
Bonirat Blöcke |
2010/4089/5286/DE/MA/10012 |
|
Bonirat Pasta Bait |
2010/4089/5346/UK/AA/6225 |
Bonirat Pasta |
2010/4089/5346/DE/MA/10018 |
|
Bonirat Pellet |
2010/4089/5366/UK/AA/6245 |
Bonirat Pellet |
2010/4089/5366/DE/MA/10023 |
|
Bonirat Wheat |
2010/4089/5367/UK/AA/6246 |
Bonirat Korn |
2010/4089/5367/DE/MA/10024 |
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/17 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 19 februari 2013
betreffende door Duitsland overeenkomstig Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad aangemelde beperkingen van toelatingen voor het gebruik van difenacum bevattende biociden
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 780)
(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)
(2013/96/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 4, lid 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG bevat de lijst van werkzame stoffen die op Unieniveau zijn toegestaan voor opneming in biociden. Bij Richtlijn 2008/81/EG van de Commissie van 29 juli 2008 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde difenacum als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen (2) is de werkzame stof difenacum, behorend tot productsoort 14, rodenticiden, als gedefinieerd in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG, aan die bijlage toegevoegd. |
|
(2) |
Difenacum is een bloedstollingsremmend rodenticide waarvan bekend is dat er risico’s zijn van accidentele inname door kinderen, alsook risico’s voor dieren en het milieu. De stof is aangemerkt als potentieel persistent, bioaccumulerend en toxisch („PBT”), dan wel zeer persistent en sterk bioaccumulerend („vPvB”). |
|
(3) |
Ter wille van de volksgezondheid en de hygiëne werd het niettemin als verantwoord beschouwd om difenacum en andere bloedstollingsremmende rodenticiden op te nemen in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG, zodat de lidstaten op difenacum gebaseerde producten kunnen toelaten op de markt. Krachtens Richtlijn 2008/81/EG zijn de lidstaten er echter wel toe verplicht om, wanneer zij difenacum bevattende producten op de markt toelaten, ervoor te zorgen dat de primaire en secundaire blootstelling van mensen, niet-doeldieren en het milieu zo veel mogelijk worden beperkt door de inoverwegingneming en toepassing van alle passende en beschikbare risicobeperkende maatregelen. De in Richtlijn 2008/81/EG vermelde risicobeperkende maatregelen omvatten daarom onder meer ook de eis van beperking van het gebruik tot uitsluitend professionele gebruikers. |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 98/8/EG heeft de onderneming Kwizda France S.A.S. (hierna „de aanvrager”) bij het Verenigd Koninkrijk een aanvraag ingediend voor toelating op de markt van zes difenacum bevattende rodenticiden (hierna „de producten”). |
|
(5) |
Het Verenigd Koninkrijk heeft de betreffende toelatingen verleend voor vijf producten op 3 november 2011 en voor één product op 14 november 2011. De toelating van de producten gold het algemene gebruik ervan tegen muizen en ratten ter bescherming van de gezondheid en van opgeslagen producten, levensmiddelen en materialen. De beperkingen die moeten garanderen dat in het Verenigd Koninkrijk aan de voorwaarden van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG wordt voldaan, omvatten het voorschrift om op het etiket de vermelding „Verwijderd houden van voedingsmiddelen, dranken en diervoeders” aan te brengen, maar geen beperking van het gebruik tot opgeleide of over een vergunning beschikkende professionele gebruikers. |
|
(6) |
Op 31 maart 2010 heeft de aanvrager bij Duitsland een volledige aanvraag ingediend voor wederzijdse erkenning van de eerste toelatingen in verband met deze producten. |
|
(7) |
Op 8 juni 2012 heeft Duitsland de Commissie, de andere lidstaten en de aanvrager in kennis gesteld van zijn voorstel om de eerste toelatingen te beperken overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 98/8/EG. Duitsland heeft daarbij voorgesteld de producten uitsluitend te laten gebruiken door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning, en voorts de bescherming van voedingsmiddelen van de toegestane gebruiksdoeleinden van de producten in kwestie uit te sluiten indien die voedingsmiddelen bestaan uit planten of plantaardige producten in de zin van artikel 3, punten 5 en 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (3). |
|
(8) |
Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG heeft de Commissie de andere lidstaten en de aanvrager uitgenodigd om binnen 90 dagen schriftelijke opmerkingen in verband met de kennisgeving in te dienen. Binnen deze termijn zijn geen opmerkingen ingediend. De kennisgeving is ook besproken door de Commissie en de voor biociden bevoegde instanties van de lidstaten op de vergadering van de Groep facilitering van toelating en wederzijdse erkenning van producten van 3 en 4 juli 2012. |
|
(9) |
Wat de beperking van het gebruik van de producten tot opgeleide of over een vergunning beschikkende professionele gebruikers betreft: toelatingen om difenacum bevattende biociden op de markt te brengen, moeten overeenkomstig Richtlijn 2008/81/EG onderworpen worden aan alle passende en beschikbare risicobeperkende maatregelen, waaronder beperking van het gebruik tot uitsluitend professionele gebruikers. Bij de wetenschappelijke evaluatie die heeft geresulteerd in de vaststelling van Richtlijn 2008/81/EG is geconcludeerd dat alleen van professionele gebruikers kan worden verwacht dat zij de instructies opvolgen die het risico van secundaire vergiftiging van niet-doeldieren minimaliseren en dat zij de producten op zodanige wijze gebruiken dat de ontwikkeling en verspreiding van resistentie worden voorkomen. Een beperking van het gebruik tot professionele gebruikers kan derhalve in beginsel worden beschouwd als een passende risicobeperkende maatregel, met name in lidstaten waar resistentie tegen difenacum is waargenomen. |
|
(10) |
Bij afwezigheid van enige indicatie van het tegendeel is een beperking van het gebruik tot professionele gebruikers derhalve een „passende en beschikbare” risicobeperkende maatregel bij de toelating van difenacum bevattende producten op de Duitse markt. Deze conclusie wordt versterkt door de door Duitsland aangevoerde argumenten dat bij ratten resistentie tegen difenacum is vastgesteld en dat deze resistentie zich in het land lijkt te verbreiden. Bovendien beschikt Duitsland over een goed functionerende infrastructuur inclusief speciaal opgeleide plaagbestrijders en professionele gebruikers met een vergunning, zoals professioneel opgeleide landbouwers, tuinders en bosbouwers, zodat de voorgestelde beperking geen belemmering vormt voor plaagpreventie. |
|
(11) |
Wat de uitsluiting van de bescherming van voedingsmiddelen van de toegestane gebruiksdoeleinden betreft: Duitsland voert aan dat producten die voor de bescherming van voedingsmiddelen van plantaardige oorsprong worden gebruikt, in dat opzicht vallen onder Verordening (EG) nr. 1107/2009 en bijgevolg van de werkingssfeer van Richtlijn 98/8/EG zijn uitgesloten indien de te beschermen voedingsmiddelen bestaan uit planten of plantaardige producten in de zin van artikel 3, punten 5 en 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009. |
|
(12) |
De Commissie merkt op dat het feit dat de producten in kwestie vallen onder de definitie van biocide van artikel 2, lid 1, onder a), van Richtlijn 98/8/EG, niet ter discussie staat. Derhalve hoeft alleen te worden onderzocht of deze producten niettemin krachtens artikel 1, lid 2, onder r), van Richtlijn 98/8/EG in het kader van bepaalde toepassingen van de werkingssfeer van die richtlijn zijn uitgesloten, in welk geval voor die specifieke toepassingen een extra toelating overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1107/2009 is vereist. |
|
(13) |
Uit het bepaalde in artikel 2, lid 1, onder a), van Verordening (EG) nr. 1107/2009 vloeit voort dat die verordening niet van toepassing is op producten die vooral om hygiënische redenen worden gebruikt veeleer dan ter bescherming van planten of plantaardige producten. |
|
(14) |
De producten in kwestie zijn onder andere bestemd om als rodenticide te worden ingezet tegen muizen en ratten ter bescherming van voedingsmiddelen, en voedingsmiddelen kunnen planten of plantaardige producten zijn als omschreven in artikel 3, punten 5 en 6, van Verordening (EG) nr. 1107/2009. |
|
(15) |
Echter, de producten in kwestie zijn eveneens bestemd voor een aantal andere doeleinden dan de bescherming van voedingsmiddelen; bovendien zijn de meeste voedingsmiddelen geen planten of plantaardige producten. Voorts garanderen de etiketteringsvoorschriften in de toelatingen van de producten in kwestie dat deze producten niet rechtstreeks op voedingsmiddelen worden aangebracht (4). De toepassingen van de producten die in de toelating als „bescherming van voedingsmiddelen” worden aangeduid, moeten worden gezien als hoofdzakelijk bedoeld ter vermijding van de besmetting van voedingsmiddelen door knaagdieren en het daaruit voortvloeiende gevaar van overdracht van zoönoses, conform de algemene hygiënevoorschriften voor alle stadia van de productie, verwerking en distributie als omschreven in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (5). |
|
(16) |
Aangezien de producten in kwestie hoofdzakelijk bedoeld zijn voor hygiëne, veeleer dan voor de bescherming van planten of plantaardige producten, vallen zij in het kader van die toepassingen niet buiten de werkingssfeer van Richtlijn 98/8/EG op grond van artikel 1, lid 2, onder r), van die richtlijn. De door Duitsland op dat punt verlangde beperking valt op grond van de aangevoerde argumenten niet te rechtvaardigen. |
|
(17) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Duitsland mag de overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG verleende toelatingen voor de in de bijlage bij dit besluit genoemde producten beperken tot gebruik door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning, zonder evenwel de bescherming van voedingsmiddelen van de toegestane gebruiksdoelen van die producten uit te sluiten.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.
Gedaan te Brussel, 19 februari 2013.
Voor de Commissie
Janez POTOČNIK
Lid van de Commissie
(1) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.
(2) PB L 201 van 30.7.2008, blz. 46.
(3) PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.
(4) Zie in dit verband een richtsnoer dat is opgesteld in overleg tussen de diensten van de Commissie en de bevoegde instanties van de lidstaten en dat is gepubliceerd onder de titel „Borderline between Directive 98/8/EC concerning the placing on the market of biocidal product and Directive 91/414/EEC concerning the placing on the market of plant protection products”; beschikbaar op de website http://ec.europa.eu/food/plant/protection/evaluation/borderline_en.htm.
BIJLAGE
Producten waarvoor Duitsland de overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG verleende toelatingen mag beperken tot gebruik door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning
|
Productnaam in het VK |
Referentienummer van de aanvraag van het VK in het register voor biociden |
Productnaam in Duitsland |
Referentienummer van de Duitse aanvraag in het register voor biociden |
|
Murabloc LM |
2010/1329/5686/UK/AA/7269 |
Murablock |
2010/1329/5686/DE/MA/8105 |
|
Souribloc |
2010/1329/5706/UK/AA/7465 |
Souriblock |
2010/1329/5706/DE/MA/8109 |
|
Raticide VK |
2010/1329/5726/UK/AA/7468 |
MUSCIDAN Haferköder |
2010/1329/5726/DE/MA/8113 |
|
Le Souriquois |
2010/1329/5728/UK/AA/7470 |
MUSCIDAN Weizenköder |
2010/1329/5728/DE/MA/8120 |
|
Ratigum |
2010/1329/5707/UK/AA/7466 |
Ratigum |
2010/1329/5707/DE/MA/8110 |
|
Super Pellets |
2010/1329/5708/UK/AA/7467 |
Super Pellets |
2010/1329/5708/DE/MA/8112 |
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/21 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 19 februari 2013
waarbij aan bepaalde lidstaten afwijkingen worden toegestaan ten aanzien van de indiening van statistieken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk, wat de statistieken op basis van de European Health Interview Survey (EHIS) betreft
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 784)
(Slechts de teksten in de Duitse, de Engelse, de Franse, de Nederlandse en de Zweedse taal zijn authentiek)
(Voor de EER relevante tekst)
(2013/97/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1338/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende communautaire statistieken over de volksgezondheid en de gezondheid en veiligheid op het werk (1), en met name artikel 9, lid 2,
Gezien de door het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland ingediende verzoeken,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Ingevolge artikel 9, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1338/2008 kan de Commissie voor lidstaten afwijkingsregelingen en overgangsperioden vaststellen, die op objectieve overwegingen gebaseerd dienen te zijn. |
|
(2) |
Uit de aan de Commissie verstrekte informatie blijkt dat de verzoeken om een afwijkingsregeling van de lidstaten het gevolg zijn van de noodzaak om de nationale administratieve en statistische stelsels ingrijpend te wijzigen teneinde volledig aan Verordening (EG) nr. 1338/2008 te voldoen. |
|
(3) |
Dergelijke afwijkingen moeten worden toegestaan aan België, Frankrijk, Nederland, Zweden en het Verenigd Koninkrijk, die daartoe een verzoek hebben ingediend. |
|
(4) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het Europees statistisch systeem, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Aan de in de bijlage genoemde lidstaten worden de daarin opgenomen afwijkingen toegestaan.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België, de Franse Republiek, het Koninkrijk der Nederlanden, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Gedaan te Brussel, 19 februari 2013.
Voor de Commissie
Algirdas ŠEMETA
Lid van de Commissie
BIJLAGE
Afwijkingen van Verordening (EG) nr. 1338/2008, zoals uitgevoerd door de Commissie, wat statistieken op basis van de European Health Interview Survey (EHIS) betreft
België, Frankrijk en Nederland behoeven de in de onderstaande tabel opgenomen variabelen niet te verstrekken:
|
België |
|
||||||||||||
|
Frankrijk |
|
||||||||||||
|
Nederland |
|
Zweden en het Verenigd Koninkrijk: de referentiepopulatie in Zweden en in het Verenigd Koninkrijk is de groep personen van 16 jaar en ouder die op het moment van de gegevensverzameling deel uitmaken van een particulier huishouden dat zijn verblijfplaats op het grondgebied van deze lidstaten heeft.
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/23 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 19 februari 2013
betreffende financiële steun van de Unie voor een gecoördineerd controleplan ter opsporing van frauduleuze praktijken bij de handel in bepaalde levensmiddelen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 1035)
(2013/98/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name artikel 66,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Ingevolge controles die sinds december 2012 in een aantal lidstaten worden uitgevoerd, werd de Commissie over frauduleuze praktijken met bepaalde levensmiddelen ingelicht. Bijgevolg moest de Commissie er bij de lidstaten in Aanbeveling 2013/99/EU van de Commissie (2) op aandringen een gecoördineerd controleplan uit te voeren ter opsporing van deze frauduleuze praktijken bij de handel in dergelijke levensmiddelen. Het gecoördineerd controleplan moet gedurende een termijn van één maand worden uitgevoerd, die begint op de datum van vaststelling van de aanbeveling van de Commissie of ten laatste op 1 maart 2013. |
|
(2) |
Om een soepele en snelle uitvoering van dit plan te bevorderen, moet de Unie financiële steun verlenen aan de lidstaten die dit plan op het meest geschikte niveau uitvoeren. Rekening houdend met het uitzonderlijke karakter van de situatie, de dringende noodzaak consumenten gerust te stellen, verstoring van de handel op de betrokken markt te voorkomen en te garanderen dat de uitvoer van de Unie niet wordt getroffen, is het verantwoord het percentage van de voor financiering door de Unie in aanmerking komende kosten op 75 % vast te stellen. |
|
(3) |
Op basis van de huidige informatie worden de kosten voor de uitvoering van DNA-tests op levensmiddelen die in de handel gebracht en/of geëtiketteerd zijn als bevattende rundvlees en de opsporing van residuen van fenylbutazon (PBZ) in paardenvlees op 400 EUR per test of opsporing geschat. |
|
(4) |
Als de Unie een medefinanciering van 75 % verstrekt, bedraagt de maximale bijdrage van de Unie voor de uitvoering van DNA- en PBZ-tests 300 EUR per test. |
|
(5) |
Overeenkomstig artikel 84 van het Financieel Reglement en artikel 94 van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1268/2012 van de Commissie van 29 oktober 2012 houdende uitvoeringsvoorschriften voor Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie (3) (hierna „de uitvoeringsvoorschriften” genoemd) moet de vastlegging van een uitgave uit de begroting van de Unie worden voorafgegaan door een financieringsbesluit van de instelling of de door haar gedelegeerde autoriteiten, waarin de essentiële elementen worden uiteengezet van een actie die een uitgave ten laste van de begroting meebrengt. |
|
(6) |
In dit uitvoeringsbesluit van de Commissie worden de maatregelen beschreven die voor financiële steun van de Unie in aanmerking komen. |
|
(7) |
De financiële bijdrage van de Unie moet worden toegekend op voorwaarde dat binnen de in dit besluit vermelde termijnen de tests en analysen zijn uitgevoerd en alle noodzakelijke informatie door de bevoegde autoriteiten is verstrekt. |
|
(8) |
Omwille van de administratieve doelmatigheid moeten alle uitgaven waarvoor een financiële bijdrage van de Unie wordt aangevraagd, in euro worden uitgedrukt. Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1290/2005 van de Raad van 21 juni 2005 betreffende de financiering van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (4) moet de omrekening van de uitgaven in een andere valuta dan de euro geschieden tegen de meest recente wisselkoers die de Europese Centrale Bank heeft vastgesteld vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag door de betrokken lidstaat wordt ingediend. |
|
(9) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1290/2005 moeten financiële bijdragen voor dit soort plannen uit het Europees Landbouwgarantiefonds worden gefinancierd. Met het oog op de financiële controle zijn de artikelen 9, 36 en 37 van die verordening van toepassing, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Onderwerp
De Unie verstrekt een uit begrotingsonderdeel 17 04 07 01 te financieren bijdrage in de kosten die de lidstaten maken voor de uitvoering van het controleplan als bedoeld in Aanbeveling 2013/99/EU (hierna „de aanbeveling van de Commissie” genoemd), die in totaal ten hoogste 1 357 500 EUR bedraagt.
Artikel 2
Subsidiabele kosten
1. De in de aanbeveling van de Commissie bedoelde bijdrage van de Unie heeft de vorm van een gedeeltelijke vergoeding van 75 % van de kosten van de tests die de bevoegde autoriteiten hebben uitgevoerd om het in artikel 1 van de aanbeveling van de Commissie bedoelde controleplan ten uitvoer te brengen.
De bijdrage van de Unie kan niet meer bedragen dan:
|
a) |
300 EUR per test, |
|
b) |
de in bijlage I vermelde bedragen. |
2. Alleen de in bijlage II vermelde kosten komen voor de bijdrage in aanmerking.
Artikel 3
Subsidiabiliteitsvoorschriften
1. De in artikel 1 bedoelde bijdrage van de Unie is aan de volgende voorwaarden gebonden:
|
a) |
de tests zijn in de in afdeling II van de bijlage bij de aanbeveling van de Commissie bedoelde periode overeenkomstig de voorwaarden van die aanbeveling uitgevoerd; |
|
b) |
de lidstaten hebben het verslag als bedoeld in afdeling III van de bijlage bij de aanbeveling van de Commissie binnen de aldaar vermelde termijn bij de Commissie ingediend; |
|
c) |
uiterlijk op 31 mei 2013 hebben de lidstaten een financieel verslag in elektronische vorm bij de Commissie ingediend, overeenkomstig het formulier in bijlage III. |
2. De Commissie kan het bedrag van de in artikel 1 bedoelde bijdrage verlagen indien niet aan de voorwaarden van lid 1 is voldaan, waarbij rekening wordt gehouden met de aard en de ernst van de non-conformiteit en met het potentiële financiële verlies voor de Unie.
Artikel 4
Valuta en wisselkoers
1. De uitgaven waarvoor de lidstaten een financiële bijdrage van de Unie aanvragen worden uitgedrukt in euro, exclusief belasting over de toegevoegde waarde en alle andere belastingen.
2. Wanneer de uitgaven van een lidstaat zijn gedaan in een andere valuta dan de euro, rekent de betrokken lidstaat deze om in euro onder toepassing van de meest recente wisselkoers die de Europese Centrale Bank heeft vastgesteld vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag door de betrokken lidstaat wordt ingediend.
Artikel 5
Dit besluit is een financieringsbesluit in de zin van artikel 84 van het Financieel Reglement.
Artikel 6
Dit besluit is van toepassing met ingang van de datum van de bekendmaking van de aanbeveling van de Commissie.
Artikel 7
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 19 februari 2013.
Voor de Commissie
Tonio BORG
Lid van de Commissie
(1) PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.
(2) Zie bladzijde 28 van dit Publicatieblad.
BIJLAGE I
Maximumbedrag van de in artikel 2, lid 1, bedoelde EU-bijdrage
|
(in EUR) |
|||
|
Lidstaat |
Maximale EU-bijdrage DNA-test |
Maximale EU-bijdrage PBZ-test |
Totale EU-bijdrage |
|
België |
30 000 |
100 500 |
130 500 |
|
Bulgarije |
30 000 |
46 500 |
76 500 |
|
Tsjechië |
30 000 |
1 500 |
31 500 |
|
Denemarken |
15 000 |
1 500 |
16 500 |
|
Duitsland |
45 000 |
15 000 |
60 000 |
|
Estland |
3 000 |
1 500 |
4 500 |
|
Ierland |
15 000 |
10 500 |
25 500 |
|
Griekenland |
30 000 |
15 000 |
45 000 |
|
Spanje |
45 000 |
34 500 |
79 500 |
|
Frankrijk |
45 000 |
78 000 |
123 000 |
|
Italië |
45 000 |
183 000 |
228 000 |
|
Cyprus |
3 000 |
1 500 |
4 500 |
|
Letland |
15 000 |
1 500 |
16 500 |
|
Litouwen |
15 000 |
1 500 |
16 500 |
|
Luxemburg |
3 000 |
1 500 |
4 500 |
|
Hongarije |
30 000 |
1 500 |
31 500 |
|
Malta |
3 000 |
1 500 |
4 500 |
|
Nederland |
30 000 |
30 000 |
60 000 |
|
Oostenrijk |
30 000 |
1 500 |
31 500 |
|
Polen |
45 000 |
75 000 |
120 000 |
|
Portugal |
30 000 |
1 500 |
31 500 |
|
Roemenië |
30 000 |
51 000 |
81 000 |
|
Slovenië |
3 000 |
1 500 |
4 500 |
|
Slowakije |
15 000 |
1 500 |
16 500 |
|
Finland |
15 000 |
1 500 |
16 500 |
|
Zweden |
30 000 |
6 000 |
36 000 |
|
Verenigd Koninkrijk |
45 000 |
16 500 |
61 500 |
|
TOTAAL |
675 000 |
682 500 |
1 357 500 |
BIJLAGE II
Subsidiabele uitgaven als bedoeld in artikel 2, lid 2
De uitgaven die voor een financiële bijdrage van de Unie voor de uitvoering van de in dit uitvoeringsbesluit genoemde tests in aanmerking komen, zijn beperkt tot de kosten die de lidstaten maken voor:
|
a) |
de aankoop van testkits, reagentia en alle identificeerbare verbruiksgoederen die speciaal worden gebruikt voor de uitvoering van de tests; |
|
b) |
personeel, ongeacht de status, dat geheel of gedeeltelijk specifiek is belast met de uitvoering van de tests in het laboratorium; de kosten worden beperkt tot de feitelijke salarissen plus sociale premies en andere wettelijke loonkosten; |
|
c) |
kosten voor de verzending van monsters naar het laboratorium dat de analysen/tests verricht; en |
|
d) |
algemene kosten, gelijk aan 7 % van de som van de onder a), b) en c) bedoelde kosten. |
BIJLAGE III
Financieel verslag als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder c)
|
DNA |
|||
|
Personeelscategorie specificeren |
Uren |
Kosten/uur |
Personeelskosten |
|
(1) |
(2) |
(3) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal personeel |
(5) |
|
Specificeren: kits/reagentia/verbruiksgoederen |
Hoeveelheid/aantal |
Kosten per eenheid |
Totale kosten |
|
(6) |
(7) |
(8) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal kits/reagentia/verbruiksgoederen |
(10) |
|
Kosten van vervoer naar laboratorium |
|
|
(11) |
|
|
|
TOTAAL |
|
|
TOTAAL INCL. ALGEMENE KOSTEN |
|
||
|
PBZ |
|||
|
Personeelscategorie specificeren |
Uren |
Kosten/uur |
Personeelskosten |
|
(1) |
(2) |
(3) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal personeel |
(5) |
|
Specificeren: reagentia/verbruiksgoederen |
Hoeveelheid/aantal |
Kosten per eenheid |
Totale kosten |
|
(6) |
(7) |
(8) |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Subtotaal reagentia/verbruiksgoederen |
(10) |
|
Kosten van vervoer naar laboratorium |
|
|
(11) |
|
|
|
TOTAAL |
|
|
TOTAAL INCL. ALGEMENE KOSTEN |
|
||
AANBEVELINGEN
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/28 |
AANBEVELING VAN DE COMMISSIE
van 19 februari 2013
betreffende een gecoördineerd controleplan ter opsporing van frauduleuze praktijken bij de handel in bepaalde levensmiddelen
(2013/99/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (1), en met name artikel 53,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Krachtens artikel 53 van Verordening (EG) nr. 882/2004 is de Commissie gemachtigd om indien nodig op ad-hocbasis georganiseerde gecoördineerde plannen aan te bevelen, in het bijzonder om de ruime aanwezigheid van risico’s in diervoeders, levensmiddelen of dieren vast te stellen. |
|
(2) |
In Richtlijn 2000/13/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 maart 2000 betreffende de onderlinge aanpassing van de wetgeving der lidstaten inzake etikettering en presentatie van levensmiddelen (2) alsmede inzake de daarvoor gemaakte reclame zijn voor alle levensmiddelen geldende regels van de Unie vastgelegd inzake de etikettering van levensmiddelen. |
|
(3) |
Overeenkomstig Richtlijn 2000/13/EG mogen de etikettering en de wijze waarop deze is uitgevoerd de consument niet misleiden, onder meer ten aanzien van de kenmerken van het levensmiddel, met inbegrip van zijn ware aard en identiteit. Verder moet, bij ontbreken van specifieke nationale of EU-regels, de verkoopbenaming de benaming zijn die gebruikelijk is in de lidstaat waar het levensmiddel wordt verkocht, dan wel een omschrijving van het levensmiddel die zo duidelijk is gesteld dat de koper daaruit de ware aard van het product kan opmaken. |
|
(4) |
Bovendien moeten alle ingrediënten worden vermeld op het etiket van voor de eindgebruiker of instellingen bestemde voorverpakte levensmiddelen. In het bijzonder moeten levensmiddelen die vlees als ingrediënt bevatten, wanneer zij voor de eindgebruiker of instellingen zijn bestemd, ook de diersoort waarvan het vlees afkomstig is, rechtstreeks op de verpakking of op een daaraan gehecht etiket vermelden. Indien een ingrediënt in de benaming van het levensmiddel wordt vermeld, moet de hoeveelheid ervan, uitgedrukt in procenten, ook in de lijst van ingrediënten worden opgenomen, teneinde te vermijden dat de consument zou worden misleid met betrekking tot de identiteit en de samenstelling van het levensmiddel. |
|
(5) |
Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (3) voorziet in aanvullende voorschriften inzake etikettering die op specifieke levensmiddelen van toepassing zijn. In het bijzonder bepaalt zij dat pakketten die bestemd zijn voor de eindgebruiker en die gehakt vlees bevatten van onder meer eenhoevigen, een opschrift moeten dragen waarop staat dat dergelijke producten vóór consumptie moeten worden gekookt, indien en voor zover de nationale regels van de lidstaat op het grondgebied waarvan het product in de handel wordt gebracht dit voorschrijven. |
|
(6) |
In sectie III van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 853/2004 wordt voorgeschreven dat exploitanten van een levensmiddelenbedrijf die een slachthuis beheren, de informatie over de voedselketen aangaande alle andere dieren dan vrij wild die naar het slachthuis worden gebracht of daarvoor bestemd zijn, moeten opvragen, ontvangen, controleren en er actief gebruik van maken. De relevante gegevens over de voedselketen dienen met name betrekking te hebben op de toegediende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik die de dieren binnen een relevante periode hebben ondergaan, tezamen met de data van toediening of behandeling en wachttijden, wanneer er een wachttijd is. In Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (4) wordt onder meer voorgeschreven dat officiële dierenartsen controles en inspecties moeten uitvoeren. In het bijzonder moeten de officiële dierenartsen alle relevante gegevens verkregen uit de documenten van het bedrijf van herkomst van de voor de slacht bestemde dieren, met inbegrip van de gegevens over de voedselketen, controleren en analyseren, en bij de antemortem- en postmortemkeuring met de gedocumenteerde resultaten van die controle en analyse rekening houden. |
|
(7) |
Na officiële controles die sinds december 2012 in een aantal lidstaten worden uitgevoerd, werd de Commissie ervan in kennis gesteld dat bepaalde voorverpakte producten paardenvlees bevatten, dat niet werd vermeld in de lijst van ingrediënten rechtstreeks op de verpakking of op een daaraan gehecht etiket. In plaats daarvan verwees de benaming van bepaalde van dergelijke levensmiddelen en/of de begeleidende lijst van ingrediënten op misleidende wijze uitsluitend naar de aanwezigheid van rundvlees. |
|
(8) |
Overeenkomstig artikel 17 van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (5) moeten de exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor zorgen dat de levensmiddelen in alle stadia van de productie, verwerking en distributie in de bedrijven onder hun beheer voldoen aan de voorschriften van de levensmiddelenwetgeving die van toepassing zijn op hun bedrijvigheid en controleren of deze voorschriften metterdaad worden nageleefd. |
|
(9) |
Paarden vormen een diersoort die „voedselproducerend” of „niet-voedselproducerend” kan zijn. Fenylbutazon is een diergeneesmiddel waarvan het gebruik uitsluitend bij niet-voedselproducerende dieren is toegestaan krachtens Verordening (EU) nr. 37/2010 van de Commissie van 22 december 2009 betreffende farmacologisch werkzame stoffen en de indeling daarvan op basis van maximumwaarden voor residuen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong (6). Dienovereenkomstig mogen niet-voedselproducerende paarden, die ooit met fenylbutazon zijn behandeld, niet in de voedselketen komen. Rekening houdend met de frauduleuze praktijken met betrekking tot de aanwezigheid in bepaalde voedselproducten van paardenvlees dat niet op het etiket werd vermeld, is het met het oog op preventie noodzakelijk om na te gaan of niet-voedselproducerende, met fenylbutazon behandelde paarden in de voedselketen zijn terechtgekomen. |
|
(10) |
Het is derhalve noodzakelijk dat de Commissie er bij de lidstaten op aandringt gedurende één maand een gecoördineerd controleplan uit te voeren ter opsporing van frauduleuze praktijken bij de handel in bepaalde levensmiddelen. Deze periode kan met nog twee maanden worden verlengd. |
|
(11) |
Het aanbevolen controleplan moet bestaan uit twee acties. |
|
(12) |
De eerste actie moet bestaan uit passende controles, op het niveau van de detailhandel, van levensmiddelen die voor de eindgebruiker of instellingen zijn bestemd en die in de handel gebracht en/of geëtiketteerd zijn als bevattende rundvlees. Deze controles kunnen ook worden uitgebreid tot andere inrichtingen (bijvoorbeeld koelhuizen). Deze controles zijn erop gericht vast te stellen of dergelijke producten paardenvlees bevatten dat niet naar behoren op de verpakking is geëtiketteerd, dan wel of, bij niet-voorverpakte levensmiddelen, informatie met betrekking tot de aanwezigheid ervan niet ter beschikking is gesteld van de consument of instellingen. Dergelijke controles moeten worden uitgevoerd bij een representatief monster. |
|
(13) |
Er bestaan betrouwbare methoden waarmee met voldoende zekerheid de aanwezigheid van eiwitten van niet-vermelde soorten in een monster kan worden opgespoord. Het referentielaboratorium van de Europese Unie voor dierlijke eiwitten in diervoeders kan nuttig advies over deze methoden en het gebruik ervan verstrekken. De bevoegde autoriteiten dienen zich te baseren op het advies van dat laboratorium met betrekking tot de methoden die kunnen worden gebruikt. |
|
(14) |
De tweede actie moet bestaan uit passende controles in inrichtingen voor de bewerking van paardenvlees dat voor menselijke consumptie is bestemd, met inbegrip van voedsel van oorsprong uit derde landen, voor de opsporing van residuen van fenylbutazon. Deze controles moeten eveneens worden uitgevoerd bij een representatief monster, rekening houdend met de productie- en invoercijfers. Het is passend in dit geval te verwijzen naar de methoden waarin Beschikking 2002/657/EG van de Commissie van 12 augustus 2002 ter uitvoering van Richtlijn 96/23/EG van de Raad wat de prestaties van analysemethoden en de interpretatie van resultaten betreft (7) voorziet. |
|
(15) |
De lidstaten moeten de resultaten van deze controles regelmatig aan de Commissie mededelen, teneinde de bevindingen te beoordelen en over een passende handelwijze te besluiten. |
|
(16) |
Na raadpleging van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:
Het is gewenst dat de lidstaten een gecoördineerd controleplan toepassen, in overeenstemming met de bijlage bij deze aanbeveling, dat bestaat uit de volgende acties:
|
a) |
officiële controles van levensmiddelen die voor de eindgebruiker of instellingen zijn bestemd en die in de handel gebracht en/of geëtiketteerd zijn als bevattende rundvlees; alsmede |
|
b) |
officiële controles van paardenvlees dat voor menselijke consumptie is bestemd, om residuen van fenylbutazon op te sporen. |
Gedaan te Brussel, 19 februari 2013.
Voor de Commissie
Tonio BORG
Lid van de Commissie
(1) PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1.
(2) PB L 109 van 6.5.2000, blz. 29.
(3) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.
(4) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.
(5) PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1.
BIJLAGE
Gecoördineerd controleplan ter opsporing van frauduleuze praktijken bij de handel in bepaalde levensmiddelen
I. ACTIES EN TOEPASSINGSGEBIED VAN HET GECOÖRDINEERD CONTROLEPLAN
Het gecoördineerd controleplan moet bestaan uit twee acties:
ACTIE 1: Controles van levensmiddelen die in de handel gebracht en/of geëtiketteerd zijn als bevattende rundvlees
A. Productomschrijving
|
1. |
Levensmiddelen die in de handel gebracht en/of geëtiketteerd zijn als bevattende rundvlees (bijvoorbeeld gehakt vlees, vleesproducten en vleesbereidingen) die in de volgende categorieën vallen:
|
|
2. |
Voor de toepassing van dit gecoördineerd controleplan geldt de definitie van „voorverpakte levensmiddelen” van artikel 1, lid 3, onder b), van Richtlijn 2000/13/EG. |
|
3. |
Voor de toepassing van dit gecoördineerd controleplan gelden de definities van „gehakt vlees”, „vleesbereidingen” en „vleesproducten” van de punten 1.13, 1.15 en 7.1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 853/2004. |
B. Doelstelling
De bevoegde autoriteiten moeten officiële controles uitvoeren om vast te stellen of de in punt A bedoelde producten paardenvlees bevatten dat niet naar behoren op de verpakking is geëtiketteerd, dan wel of, bij niet-voorverpakte levensmiddelen, informatie met betrekking tot de aanwezigheid ervan niet overeenkomstig de bepalingen van de Unie en, in voorkomend geval, nationale bepalingen ter beschikking is gesteld van de consument of instellingen.
C. Bemonsteringsplaatsen en -procedure
|
1. |
Het monster moet representatief zijn voor de betrokken producten en betrekking hebben op een reeks producten. |
|
2. |
De bemonstering van de producten moet worden uitgevoerd op het niveau van de detailhandel (bijvoorbeeld in supermarkten, kleinere winkels, bij slagers) en kan ook tot andere inrichtingen (bijvoorbeeld koelhuizen) worden uitgebreid. |
D. Aantallen monsters en modaliteiten
Onderstaande tabel biedt een overzicht van het aanbevolen indicatieve minimumaantal monsters dat moet worden genomen in de in sectie II beschreven periode. De bevoegde autoriteiten wordt verzocht indien mogelijk meer monsters te nemen. De verdeling van de monsters over de lidstaten is gebaseerd op de bevolkingsaantallen, met een minimumaantal van 10 monsters van de betrokken producten per lidstaat per kalendermaand, zoals in sectie II wordt aangegeven.
|
Levensmiddelen die in de handel gebracht en/of geëtiketteerd zijn als bevattende rundvlees |
|
|
Land van verkoop |
Aanbevolen indicatief aantal monsters per maand |
|
Frankrijk, Duitsland, Italië, Verenigd Koninkrijk, Spanje, Polen |
150 |
|
Roemenië, Nederland, België, Griekenland, Portugal, Tsjechië, Hongarije, Zweden, Oostenrijk, Bulgarije |
100 |
|
Litouwen, Slowakije, Denemarken, Ierland, Finland, Letland |
50 |
|
Slovenië, Estland, Cyprus, Luxemburg, Malta |
10 |
E. Methoden
De bevoegde autoriteiten moeten bij voorkeur gebruikmaken van de door het EU-referentielaboratorium voor dierlijke eiwitten in diervoeders aanbevolen methode(n), op: http://eurl.craw.eu/en/164/legal-sources-and-sops.
ACTIE 2: Controles van paardenvlees dat voor menselijke consumptie is bestemd
A. Productomschrijving
Vlees van paarden, ezels, muildieren of muilezels, vers, gekoeld of bevroren, dat is ingedeeld onder code 0205 van de gecombineerde nomenclatuur en dat voor menselijke consumptie is bestemd.
B. Doelstelling
De bevoegde autoriteiten moeten officiële controles uitvoeren om de mogelijke aanwezigheid van residuen van fenylbutazon in de in punt A bedoelde producten op te sporen.
C. Bemonsteringsplaatsen en -procedure
De bemonstering van de producten moet worden uitgevoerd in inrichtingen voor de bewerking van de in punt A bedoelde producten (bijvoorbeeld slachthuizen, grensinspectieposten).
D. Aantallen monsters en modaliteiten
Het aanbevolen minimumaantal van de monsters die binnen de in sectie II vermelde periode moeten worden genomen, moet worden vastgesteld op één monster per 50 ton van het in punt A bedoelde product, met een minimum van vijf monsters per lidstaat.
E. Methoden
De bevoegde autoriteiten moeten gebruikmaken van methoden die aan de hand van Beschikking 2002/657/EG zijn gevalideerd. Voor de residuen die zijn opgenomen in groep A, punt 5, en groep B, punt 2, onder a), b) en e), van de lijst van bijlage I bij Richtlijn 96/23/EG van de Raad (1), zijn dergelijke methoden beschikbaar op de website van het Europees referentielaboratorium voor residuen van diergeneesmiddelen en contaminanten in levensmiddelen van dierlijke oorsprong: http://fis-vl.bund.de/Public/irc/fis-vl/Home/main.
II. DUUR VAN HET GECOÖRDINEERD CONTROLEPLAN
Het gecoördineerd controleplan moet worden toegepast gedurende een periode van één maand vanaf de datum van goedkeuring van deze aanbeveling of uiterlijk vanaf 1 maart 2013.
III. RAPPORTAGE VAN DE RESULTATEN
|
1. |
De bevoegde autoriteiten moeten de samenvatting van de volgende gegevens rapporteren voor elk van de in sectie I van deze bijlage bedoelde acties:
Het verslag moet worden medegedeeld aan de Commissie binnen de 15 dagen vanaf het einde van de in sectie II vermelde periode van één maand. Het rapport moet worden ingediend in overeenstemming met de vorm die door de Commissie is vastgesteld. |
|
2. |
De bevoegde autoriteiten moeten alle positieve resultaten van de officiële controles die zijn uitgevoerd in het kader van de acties 1 en 2, onmiddellijk via het systeem voor snelle waarschuwing voor levensmiddelen en diervoeders aan de Commissie rapporteren. |
|
3. |
De bevoegde autoriteiten moeten ook de resultaten van alle op hun verzoek door de exploitanten van levensmiddelenbedrijven uitgevoerde controles aan de Commissie rapporteren. Dergelijke gegevens moeten vergezeld gaan van de in punt 1 bedoelde gegevens en moeten worden ingediend in overeenstemming met de vorm die door de Commissie is vastgesteld. |
III Andere handelingen
EUROPESE ECONOMISCHE RUIMTE
|
21.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 48/33 |
BESLUIT VAN DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA
Nr. 90/12/COL
van 15 maart 2012
betreffende de verkoop van bepaalde gebouwen in het binnenste kamp van de basis Haslemoen Leir (Noorwegen)
DE TOEZICHTHOUDENDE AUTORITEIT VAN DE EVA (HIERNA “DE AUTORITEIT” GENOEMD),
Gezien de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte (hierna “de EER-overeenkomst” genoemd), en met name artikel 61 en Protocol 26,
Gezien de Overeenkomst tussen de EVA-Staten betreffende de oprichting van een Toezichthoudende Autoriteit en een Hof van Justitie (hierna “de Toezichtovereenkomst” genoemd), en met name artikel 24,
Gezien Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst (hierna “Protocol 3” genoemd), en met name artikel 1, lid 2, van deel I en artikel 7, lid 5, en artikel 14 van deel II,
NA de belanghebbenden overeenkomstig de genoemde artikelen te hebben uitgenodigd hun opmerkingen te maken (1),
Overwegende hetgeen volgt:
I. DE FEITEN
1. DE PROCEDURE
|
(1) |
Naar aanleiding van een klacht en diverse briefwisseling (event nrs. 427226, 422506, 449988, 428521, en 458787) heeft de Autoriteit de Noorse autoriteiten bij brief van 24 maart 2010 (event nr. 549786) meegedeeld dat zij de procedure van artikel 1, lid 2, van deel I van Protocol 3 had ingeleid ten aanzien van de verkoop van bepaalde gebouwen in het binnenste kamp van Haslemoen Leir. |
|
(2) |
Beschikking van de Autoriteit nr. 96/10/COL tot inleiding van de procedure is op 24 maart 2010 bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie en in het EER-supplement daarbij (2). Bij brieven van 12 mei 2010 en 19 november 2010 (event nrs. 557187 en 581797) hebben de Noorse autoriteiten hun opmerkingen gemaakt. Er werden geen opmerkingen van belanghebbenden ontvangen. |
2. HASLEMOEN LEIR
|
(3) |
In 2001 heeft het Noorse parlement (Stortinget) besloten dat militaire eigendommen die niet langer militaire doeleinden dienden, tegen de marktprijs verkocht moesten worden (3). De betrokken gemeenten kregen een voorkeurrecht. |
|
(4) |
Een van de eigendommen die te koop kwam, was de militaire basis Haslemoen Leir in de gemeente Våler (provincie Hedmark). De militaire activiteiten waren hier op 30 juni 2003 stopgezet. Via een verkoopprocedure die in oktober 2004 door de Noorse staat is gestart, kwam door een contract van 16 april 2005 de hele militaire basis voor 46 miljoen NOK vervolgens in handen van de gemeente Våler. |
|
(5) |
Haslemoen Leir was sinds de jaren vijftig een militaire basis en omvat: (i) bosgebied; (ii) landbouwgebied; (iii) woongebied (ook Storskjæret genoemd); (iv) een gebied bekend als het binnenste kamp. |
|
(6) |
Het hele binnenste kamp beslaat ongeveer 300 000 m2 met 44 gebouwen (4) van meer dan 42 000 m2. De gebouwen omvatten onder andere paviljoenen en dienstgebouwen voor militaire activiteiten met onder meer keukenvoorzieningen, een bioscoop, een officierenmess, school- en onderwijsfaciliteiten, opleiding- en mobilisatieafdelingen, opslaggebouwen en garages. Sommige van de oude gebouwen zijn gerenoveerd en de militaire basis was (tot de sluiting ervan) goed bewaard gebleven. |
2.1 De verkoop van Haslemoen Leir aan de gemeente Våler door de Noorse staat
|
(7) |
Toen Haslemoen Leir in 2004 op de markt te koop is gezet, heeft de Noorse staat een onafhankelijke taxateur, Agdestein Takst & Eiendomsrådgivning, opgedragen een taxatie van Haslemoen Leir te maken (5). Het rapport van Agdestein van 22 december 2004 (hierna “het eerste Agdestein-rapport” genoemd) concludeerde dat de “investeringswaarde” (6) van het binnenste kamp (inclusief de 44 gebouwen) 39 miljoen NOK was indien de gebouwen afzonderlijk werden verkocht. Bij verkoop van het binnenste kamp als één geheel zou de investeringswaarde volgens het rapport 29 miljoen NOK bedragen. Het rapport bevatte afzonderlijke taxaties voor het merendeel van de 44 gebouwen, naast verdere details en korte beschrijvingen voor elk van de gebouwen en hun technische staat. |
|
(8) |
In volgende rapporten en briefwisseling wordt naar de korting van 10 miljoen NOK verwezen als “de korting van 30 %” (of “de korting van ongeveer 30 %”). In werkelijkheid bedroeg de korting voor de aankoop van het binnenste kamp als één geheel 25,64 % (10 miljoen NOK= 25,641025 % van 39 miljoen NOK). |
|
(9) |
De koper, de gemeente Våler, heeft de onafhankelijke taxateurs Erik Alhaug en Trond Bakke ingeschakeld om de waarde van het binnenste kamp en het woongebied Storskjæret te beoordelen. Hun taxatie was ook gebaseerd op de verkoop van het binnenste kamp als één geheel. Zij berekenden de investeringswaarde (d.w.z. de verwachte marktwaarde) op grond van de toekomstige huurinkomsten van de gebouwen. Het rapport was relatief kort (4 bladzijden) en was niet op een fysieke inspectie van de gebouwen gebaseerd, maar op reeds bestaande rapporten en taxaties. Het rapport hield rekening met de kosten die noodzakelijk waren om de gebouwen op te waarderen tot functionele huurobjecten. Het rapport ging ervan uit dat het door de geografische ligging van de gebouwen en het beperkte aantal inwoners in de gemeente Våler enige tijd zou vergen om alle gebouwen te verhuren. Sommige van de gebouwen waren reeds verhuurd, maar slechts voor een korte termijn. In het rapport werd ook benadrukt dat verschillende gebouwen, waaronder de legeringsgebouwen, zich in een slechte technische staat bevonden en onbewoonbaar moesten worden verklaard. Aangezien ook vele andere gebouwen ingrijpend moesten worden gerenoveerd, was de conclusie van het rapport dat de verwachte toekomstige huurinkomsten niet eens de normale onderhouds- en exploitatiekosten zouden dekken. De heer Alhaug en de heer Bakke concludeerden bijgevolg in hun rapport van 18 januari 2005 (hierna “het Alhaug/Bakke-rapport” genoemd (7)) dat de waarde van het binnenste kamp, getaxeerd als één geheel op grond van de toekomstige huurinkomsten, 0 was (8). |
|
(10) |
Om de bevindingen van het eerste Agdestein-rapport in overeenstemming te brengen met het Alhaug/Bakke-rapport en zo tot een juiste marktprijs te komen, verzocht de Noorse staat Agdestein Takst & Eiendomsrådgivning op grond van de twee uiteenlopende taxaties een tweede taxatierapport te maken. In de opdracht voor deze nieuwe taxatie werd Agdestein verzocht een “brugwaarde” voor Haslemoen Leir mee te delen. In het brugwaarde-rapport van 3 maart 2005 (hierna “het tweede Agdestein-rapport” genoemd) (9) werd uitgelegd dat deze brugwaarde slechts één manier was om de waarde te bepalen en dat bijvoorbeeld in plaats daarvan een neutrale derde partij rekening had kunnen houden met de geschatte waarden van de twee voorgaande taxaties. Op grond van de brugwaarde van de twee voorgaande taxaties en na correctie van een aantal feitelijke fouten uit diezelfde taxaties werd de marktwaarde van Haslemoen Leir op 58 miljoen NOK geschat. Het rapport verwachtte echter uit van een vermindering van de marktwaarde met nog eens 12 miljoen NOK (10) indien de hele militaire basis (d.w.z. de vier verschillende gebieden) als één geheel werd verkocht. |
|
(11) |
Meer specifiek werd de brugwaarde van het binnenste kamp in een eerste fase op 14,5 miljoen NOK (29 miljoen NOK (11) + 0, gedeeld door 2) vastgesteld (12). Op basis van twee aanvullende correcties werd deze waarde echter met 1 miljoen NOK verhoogd. Deze correcties hadden te maken met de waarde van de kazernes en de waarde van wat onbebouwde grond waarvoor de toekomstige bestemming nog onzeker was. De aangepaste brugwaarde voor de verkoop van het binnenste kamp als één geheel was dus 15,5 miljoen NOK. |
|
(12) |
Op grond van het tweede Agdestein-rapport heeft de gemeente op 1 juni 2005 Haslemoen Leir overgenomen voor een bedrag van 46 miljoen NOK. Dit betekent dat aan de gemeente de twee bovengenoemde kortingen zijn verleend, namelijk “de korting van ongeveer 30 %” (13) voor de aankoop van het binnenste kamp als één geheel en de extra “quantumkorting” van 20 % voor de aankoop van de hele basis Haslemoen Leir. |
2.2 De verkoop van delen van het binnenste kamp door de gemeente Våler aan Haslemoen AS
|
(13) |
De gemeente Våler had duidelijk gemaakt dat zij Haslemoen Leir zou verkopen aan degene die het gebied op passende wijze zou ontwikkelen en zoveel mogelijk nieuwe banen zou creëren. Ook had zij verklaard dat zij, hoewel meerdere partijen geïnteresseerd waren in sommige gebouwen van het binnenste kamp, een koper wou vinden die voor een uniforme ontwikkeling en een optimaal gebruik van het binnenste kamp zou zorgen. |
|
(14) |
Om te voldoen aan de eisen van de gemeente hebben drie verschillende partijen die elk interesse voor delen van het binnenste kamp hadden getoond, de nieuwe onderneming Haslemoen AS opgericht (14). Deze onderneming heeft haar voornemen geuit om het eigendom te gebruiken voor accommodatie, alsook voor verschillende culturele en sportieve activiteiten en evenementen. De doelgroepen waren het leger, verstrekkers van beveiligingsdiensten en de autoindustrie. |
|
(15) |
Op 27 februari 2006 heeft de gemeenteraad (Kommunestyret) de verkoop aan Haslemoen AS van 29 van de 44 gebouwen van het binnenste kamp goedgekeurd voor een totaal bedrag van 4 miljoen NOK. De verkoop omvatte onder meer gebouwen voor accommodatie en legeringsgebouwen, messrooms voor officieren en soldaten met keukenvoorzieningen, een auditorium, een bioscoop, een schoolgebouw, centrale verwarming, een kantoorgebouw, een ziekenhuiszaal en verschillende garages. |
|
(16) |
Uit de documenten ter voorbereiding van de gemeenteraadsvergadering van 27 februari 2006 blijkt dat er twijfel bestond over de waarde van het eigendom en of de verkoopprijs staatssteun kon inhouden. De documenten verwijzen naar een op diezelfde dag ontvangen brief van een jurist in de Noorse vereniging van lokale en regionale overheden (KS). De brief vermeldde de EER-regels inzake staatssteun en maakte erop attent dat een verkoop onder de marktprijs staatssteun kon inhouden. Voorts verwees de brief naar het feit dat twee biedingen (voor het merendeel van de gebouwen van het binnenste kamp), waaronder die van Haslemoen AS, tezamen 6 miljoen NOK bedroegen. De jurist herinnerde aan de richtsnoeren van de Autoriteit inzake de verkoop van gronden en de hierin beschreven methoden om staatssteun uit te sluiten en vervolgens verwees hij naar het tweede Agdestein-rapport, waarin de waarde van het binnenste kamp in een eerste fase op 14,5 miljoen NOK was vastgesteld. De advocaat stelde dat het aanvaarden van de ontvangen biedingen van 6 miljoen NOK een aanzienlijk risico van een verkoop onder de marktwaarde (en daarmee een inbreuk op de staatssteunregels) zou inhouden. Zijn aanbeveling aan de gemeenteraad was daarom een nieuwe taxatie te laten uitvoeren en te wachten met het nemen van een besluit tot die nieuwe taxatie was uitgevoerd. |
|
(17) |
Op grond hiervan beval de gemeentesecretaris (Rådmannen) de gemeenteraad aan de zaak uit te stellen in afwachting van nadere verduidelijking. Dit voorstel werd door een meerderheid in de gemeenteraad (13 tegen 16) verworpen. Deze keurde de verkoop goed, maar stelde dat een degelijke risicobeoordeling van mogelijke concurrentiebezwaren moest worden gevraagd aan de juristen van de Noorse vereniging van lokale en regionale overheden. Voorts belastte de gemeenteraad het uitvoerend college van de gemeente (Formannskapet) met een risicobeoordeling (15). |
|
(18) |
De Autoriteit heeft de door de gemeenteraad opgelegde risicobeoordeling niet gekregen. De gemeente heeft echter verklaard dat de taxateur de heer Bakke, die namens de gemeente een taxatie had verricht toen in 2005 het eigendom van de Noorse staat werd gekocht, de gemeente ook in het verkoopproces met Haslemoen AS in 2006 heeft bijgestaan. Hoewel geen specifieke taxatie van de 29 gebouwen is verricht, is de gemeente gekomen met twee door de heer Bakke uitgevoerde analyses voor de verkoopprijs, beide van 2 mei 2006. |
|
(19) |
De berekeningen van 2 mei 2006, die hieronder nader beschreven worden, zijn ingediend om aan te tonen dat de gemeente de 29 gebouwen heeft verkocht tegen een prijs die hoger is dan haar eigen primaire kosten. Het is de Autoriteit echter niet duidelijk of deze berekeningen zijn voorgelegd aan en onderzocht door de gemeente voordat het contract uiteindelijk werd ondertekend. De gemeente heeft in haar correspondentie met de Autoriteit aangegeven dat er rekening is gehouden met de beoordelingen voordat de verkoopovereenkomst formeel is goedgekeurd. Er zijn echter geen verwijzingen naar deze taxaties in de notulen of in de documenten ter voorbereiding van vergaderingen van de gemeenteraad of van het uitvoerend college van de gemeente dat (zoals eerder vermeld) belast was met de beoordeling van mogelijke concurrentiebezwaren. |
|
(20) |
In de eerste van de twee verkoopprijsanalyses beoordelingen van 2 mei 2006 werd het bedrag dat aanvankelijk door de gemeente was betaald voor de aankoop van het binnenste kamp in 2005, op 12,4 miljoen NOK geschat. Het uitgangspunt was het tweede Agdestein-rapport, waarin de waarde van het binnenste kamp op 15,5 miljoen NOK werd geschat (zie overweging 11 hierboven). Van dat bedrag werd 3,1 miljoen NOK afgetrokken. Dit kwam overeen met de korting van ongeveer 20% voor de gemeente voor de aankoop van Haslemoen Leir als één geheel (zie overwegingen 10 en 12). Op basis hiervan concludeerde de beoordeling dat 12,4 miljoen NOK een “gemiddelde” waarde van het binnenste kamp weerspiegelde. |
|
(21) |
De tweede analyse van dezelfde dag (2 mei 2006) bevat een berekening van de waarde van de gebouwen in het binnenste kamp, met inbegrip van de 29 gebouwen die onder het contract met Haslemoen AS vallen. Deze berekening was niet gebaseerd op een taxatie van de gebouwen zelf, maar gebruikte de primaire kosten voor het binnenste kamp van 12,4 miljoen NOK als uitgangspunt, alvorens de geschatte waarde van de gebouwen in het binnenste kamp die niet aan Haslemoen AS werden verkocht op dit bedrag in mindering te brengen. |
|
(22) |
Om te beginnen schatte de berekening de totale waarde van 5 gebouwen (16) die in eigendom van de gemeente Våler bleven, op ongeveer 3,67 miljoen NOK. Deze waarde was gedeeltelijk gebaseerd op de brugwaarde (of 50%) van de waarden die door het eerste Agdestein-rapport waren vastgesteld (zie overweging 11). Op twee van de gebouwen paste de berekening daarentegen recentere en hogere afzonderlijke taxaties toe. Dit betrof gebouw nr. 3 (een fitnessgebouw) en nr. 45 (een gebouw waarin opslagruimten, kantoren en werkplaatsen zijn samengebracht). In het eerste Agdestein-rapport werd de waarde van gebouw nr. 45 op 1,9 miljoen NOK geschat (17). De brugwaarde was dus 950 000 NOK. De nieuwe taxatie van gebouw nr. 45 (waar de berekening naar verwees) schatte de waarde echter op 3 miljoen NOK. De waarde van de 4 andere gebouwen die in handen van de gemeente bleven (gebouwen nrs. 32, 34, 44 en 3), werd op 662 500 NOK geschat. De totale waarde van de 5 gebouwen van de gemeente werd derhalve op 3 662 500 NOK (= ongeveer 3,67 miljoen) vastgesteld. |
|
(23) |
Het volgende bedrag dat bij de berekening in mindering werd gebracht, kwam overeen met 11 andere gebouwen in het binnenste kamp. Hiervoor verwees de berekening naar een bod van 5 miljoen NOK van Norsk Trafikksenter van 26 april 2006 (18). |
|
(24) |
Door de in het contract met Haslemoen AS vastgelegde prijs van 4 miljoen NOK (voor de 29 gebouwen) hierbij op te tellen, kwam de heer Bakke in zijn taxatie uit op een totale verkoopwaarde van het binnenste kamp van 12,67 miljoen NOK (
|
|
(25) |
Het contract tussen de gemeente en Haslemoen AS is op 22 mei 2006 ondertekend. |
3. OPMERKINGEN DOOR DE NOORSE AUTORITEITEN
|
(26) |
In haar besluit tot inleiding van de procedure van 24 maart 2010 heeft de Autoriteit haar twijfel uitgesproken of de prijs van 4 miljoen NOK die Haslemoen AS heeft betaald voor de aankoop van de 29 gebouwen van de gemeente Våler, marktconform was en dus of de verkoop in overeenstemming met het beginsel van de investeerder in een markteconomie was verlopen. De Noorse autoriteiten hebben in hun antwoord op dit besluit twee brieven van de gemeente Våler doorgestuurd (19). De gemeente Våler heeft erkend dat zij geen van de methoden van de richtsnoeren van de Autoriteit inzake de verkoop van gronden heeft toegepast om de marktprijs te bepalen en staatssteun uit te sluiten, maar dat zulks niet betekent dat er sprake was van staatssteun. De gemeente heeft uitgelegd dat “ de gemeente nieuwe activiteit wou aantrekken naar het gebied van het kamp toen zij de gebouwen verkocht. Bij het bepalen van de prijs van de gebouwen heeft de gemeente dus meer gekeken naar de kopers die plannen hadden voor het creëren van banen dan naar de principes die bij het bepalen van de koopprijs zijn gebruikt ” (20). |
|
(27) |
Voorts verwees de gemeente naar het besluit tot inleiding van de procedure, waarin de Autoriteit verklaarde dat indien een voorafgaand verkoopsproces bepalend is geweest voor de marktwaarde, een overheidsinstantie de gemaakte primaire kosten als aanwijzing voor de marktwaarde kan gebruiken, tenzij een aanzienlijke periode is verstreken sinds de aankoop. De gemeente merkte op dat de Autoriteit de onzekerheid die inherent is aan elke taxatie van dit type grond (namelijk een voormalige militaire basis in een afgelegen gebied), had benadrukt. Volgens de gemeente kan de totale aankoopprijs van 46 miljoen NOK (gebaseerd op de brugwaarde-taxatie, inclusief korting) als de marktwaarde van de militaire basis worden beschouwd en kan de brugwaarde van het binnenste kamp van 12,4 miljoen NOK als de marktwaarde van de aldaar gelegen 44 gebouwen worden beschouwd. |
|
(28) |
Om de primaire kosten voor de gemeente van de 29 gebouwen in kwestie te bepalen, vindt de gemeente dat het correct was de waarde in mindering te brengen van de andere eigendommen in het binnenste kamp die niet onder de verkoopovereenkomst vielen. Wanneer op de 12,4 miljoen NOK die de gemeente een jaar eerder voor de 44 gebouwen had betaald, de waarde van de eigendommen die niet onder de verkoopovereenkomst vielen in mindering wordt gebracht, mag volgens de gemeente worden geconcludeerd dat 4 miljoen NOK de marktwaarde van de 29 gebouwen in kwestie was. Om deze conclusie te ondersteunen, heeft de gemeente verwezen naar de hierboven beschreven berekeningen van de heer Bakke van 2 mei 2006. In haar briefwisseling met de Autoriteit heeft de gemeente erop gewezen dat de brugwaarde van het binnenste kamp op 12,4 miljoen NOK moet worden vastgesteld en dat “de eigendommen die niet onder het contract vallen, een waarde hebben die hoger is dan die van het hele binnenste kamp.” De Autoriteit gaat ervan uit dat de gemeente hiermee bedoelde dat de verkoopswaarde van alle verschillende gebouwen in het binnenste kamp (zoals berekend door de heer Bakke) hoger lag dan de vermeende primaire kosten van de gemeente (12,4 miljoen NOK). |
|
(29) |
Wat betreft de waarde van de andere gebouwen in het binnenste kamp die niet aan Haslemoen AS zijn verkocht, heeft de gemeente ook een taxatierapport van 15 maart 2006 door de heer Erik Alhaug ingediend dat grotendeels de gebouwen betrof waarop Norsk Trafikksenter een bod had uitgebracht (nrs. 28, 35, 36, 37, 38, 39, 46, 47, 50 en 94). In dat rapport werd de totale waarde van deze tien gebouwen op 5,5 miljoen NOK getaxeerd bij verkoop als één geheel en op 6,65 miljoen NOK bij afzonderlijke verkoop. |
|
(30) |
Op basis van deze berekeningen en taxaties heeft de gemeente dus aangegeven dat de prijs van 4 miljoen NOK voor de 29 aan Haslemoen AS verkochte gebouwen overeenkwam met de marktwaarde. De totale waarde van het binnenste kamp was derhalve: 3,67 miljoen NOK (de waarde van de gebouwen die de gemeente in bezit wou houden), plus 5 miljoen NOK (het bod van Norsk Trafikksenter of 5,5 miljoen NOK volgens een latere taxatie), plus 4 miljoen NOK (de prijs van de 29 aan Haslemoen AS verkochte gebouwen) = 12,67 miljoen NOK, wat meer is dan de primaire kosten van de gemeente (12,4 miljoen NOK). |
|
(31) |
De gemeente herinnert er tevens aan dat de verkoopovereenkomst tussen de gemeente Våler en Haslemoen AS prijsverlagende elementen bevat. De gemeente verwijst naar het feit dat de koper het gekochte schoolgebouw verplicht één jaar gratis moest verhuren en dat geen van de taxaties rekening houdt met mogelijke bodemverontreiniging. |
|
(32) |
Ten slotte geeft de gemeente aan dat het correct was beide kortingen die aan de gemeente waren toegekend, door te geven aan Haslemoen AS toen deze de militaire basis kocht van de staat. De gemeente begrijpt in dit verband de twijfel waaraan de Autoriteit in haar besluit tot inleiding van de procedure uiting geeft, maar legt uit dat, hoewel slechts een deel van de 44 gebouwen van het binnenste kamp werd verkocht, de verkoopovereenkomst tussen de gemeente Våler en Haslemoen AS gebaseerd is op de veronderstelling dat de koper het hele binnenste kamp, alsook het gebied daarbuiten, samen met de gemeente Våler als één geheel zou ontwikkelen en exploiteren. De verkoopprijs van 4 miljoen NOK aan Haslemoen AS weerspiegelt deze veronderstelling. Dit is ook de reden waarom de 30% korting voor het kopen van het binnenste kamp als één geheel, plus een extra korting van 20% voor de hele basis Haslemoen Leir, op de definitieve prijs moeten worden toegepast. Deze laatste korting kan als een “en bloc”-korting worden beschouwd die niet van toepassing zou zijn indien de koper niet de hele basis kocht. De gemeente heeft benadrukt dat zij er op heeft gelet dat de verkoop geen aanleiding zou geven tot problemen op het gebied van de staatssteunregels van de EER. |
II. BEOORDELING
4. DE VRAAG OF ER SPRAKE WAS VAN STAATSSTEUN
Artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst
|
(33) |
Artikel 61, lid 1, EER luidt als volgt: “Behoudens de afwijkingen waarin deze Overeenkomst voorziet, zijn steunmaatregelen van de lidstaten van de EG, de EVA-Staten of in welke vorm ook met staatsmiddelen bekostigd, die de mededinging door begunstiging van bepaalde ondernemingen of bepaalde producten vervalsen of dreigen te vervalsen, onverenigbaar met de werking van deze Overeenkomst voor zover deze steun het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen ongunstig beïnvloedt.” |
|
(34) |
Om staatssteun in te houden in de zin van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst, moet de verkoop een economisch voordeel voor de begunstigde opleveren. Indien de transactie in overeenstemming met het beginsel van de investeerder in een markteconomie plaatsvond, d.w.z. indien de gemeente de gronden tegen de marktwaarde heeft verkocht en de transactievoorwaarden voor een particuliere verkoper aanvaardbaar zouden zijn geweest, houdt de transactie geen staatssteun in. |
De richtsnoeren van de Autoriteit – primaire kosten
|
(35) |
In de richtsnoeren staatssteun van de Autoriteit betreffende staatssteunelementen bij de verkoop van gronden en gebouwen door openbare instanties wordt uitgelegd hoe de Autoriteit de regels inzake staatssteun toepast bij de beoordeling van de verkoop van grond en gebouwen. Punt 2.1 beschrijft een verkoop via een onvoorwaardelijke biedprocedure. Punt 2.2 beschrijft een verkoop op basis van een taxatie door een onafhankelijke deskundige. Met deze twee procedures kunnen EVA-staten de verkoop van gronden en gebouwen zodanig behandelen dat staatssteun normaal gesproken uitgesloten is. Zoals hierboven vermeld, is geen van deze twee procedures gevolgd toen de gemeente Våler de 29 gebouwen aan Haslemoen AS heeft verkocht. |
|
(36) |
In punt 2.2 d) van de richtsnoeren staat: “de kosten die de openbare instanties oorspronkelijk hebben gemaakt bij de aankoop van gronden of gebouwen vormen een aanwijzing voor de marktwaarde”, tenzij er sinds de aankoop van de gemeente een aanzienlijke tijd is verstreken. Gedurende een periode van drie jaar na de aankoop mag de marktwaarde niet beneden de oorspronkelijke aankooprijs worden vastgesteld. Het spreekt voor zich dat de oorspronkelijke aankoopprijs enkel een aanwijzing voor de marktwaarde voor de volgende drie jaar kan vormen voor zover de gronden of gebouwen in de eerste plaats tegen marktwaarde zijn verworven. |
|
(37) |
Hoewel de 29 gebouwen in kwestie minder dan één jaar nadat de gemeente Haslemoen Leir van de staat heeft gekocht, aan Haslemoen AS zijn verkocht, moeten hier dus twee vragen worden gesteld. Ten eerste of de voorafgaande verkoop van Haslemoen Leir aan de gemeente Våler door de Noorse staat marktconform was. Zo ja, ten tweede, of de gemeente Våler vervolgens de betrokken delen van het binnenste kamp aan Haslemoen AS heeft verkocht tegen een prijs die ten minste overeenstemt met de primaire kosten ervan. |
4.1 De vraag of de gemeente de basis Haslemoen Leir tegen marktvoorwaarden heeft verworven
|
(38) |
Zoals hierboven beschreven, bestond er tijdens de onderhandelingen tussen de Noorse staat en de gemeente Våler grote onzekerheid over de marktwaarde van de basis Haslemoen Leir, met name over de waarde van het binnenste kamp. In het eerste Agdestein-rapport werd de investeerderswaarde van het binnenste kamp op 39 miljoen NOK geschat (of 29 miljoen NOK bij verkoop als één geheel) en de gebruikswaarde op 44 miljoen NOK. De taxatie door Alhaug en Bakke schatte de investeringswaarde van alle gebouwen op 0 NOK. |
|
(39) |
Volgens de Autoriteit zal er steeds aanzienlijke onzekerheid bestaan bij een voorafgaande taxatie van dit type grond, een voormalige militaire basis met oude, hoewel relatief goed in stand gehouden gebouwen, zowel woningen als andere gebouwen, gesitueerd in een afgelegen gebied. De discrepantie tussen de taxaties kan in dit geval echter ook het gevolg zijn van verschillende aannames met betrekking tot het toekomstige gebruik, zoals de vraag of de gebouwen zouden worden verhuurd of verkocht, afzonderlijk of als één geheel. Uit het eerste Agdestein-rapport blijkt dat dergelijke variaties een aanzienlijk effect kunnen hebben. De Autoriteit vindt het enigszins moeilijk te begrijpen dat de partijen bij de transactie de onderliggende aannames voor de taxaties niet beter op elkaar hebben afgestemd vóór het afronden van de beoordelingen. |
|
(40) |
Dit is des te meer de vraag omdat deze partijen, kort na het vernemen van elkaars zeer uiteenlopende taxaties, overeenkwamen hun verschillende uitgangsposities in overeenstemming te brengen door simpelweg elkaar halverwege tegemoet te komen. Het toepassen van de hierboven beschreven methode om de werkelijke marktwaarde van een enorm en specifiek eigendom zoals Haslemoen Leir te bepalen, lijkt betwistbaar. Volgens de Autoriteit zou het passender zijn geweest om nieuwe deskundigen in te schakelen of op zijn minst de taxaties in overeenstemming te brengen wat het toekomstige gebruik van de basis betreft en een meer gedetailleerde beoordeling te maken van de factoren die in de eerste plaats voor het enorme verschil hebben gezorgd. In dat verband wijst de Autoriteit er nogmaals op dat het Noorse parlement (Stortinget) had besloten dat de voormalige militaire kampen tegen de marktprijs verkocht moesten worden (zie overweging 3). |
|
(41) |
Ook latere taxaties van delen van het binnenste kamp die tijdens het onderzoek ter beschikking van de Autoriteit zijn gesteld, lijken voor gebouwen in het binnenste kamp hogere waarden te hanteren dan de uit de berekening van het gemiddelde resulterende waarden (zie overwegingen 22 en 29). |
|
(42) |
Een dergelijke procedure hoeft, als transactie tussen overheidsinstanties en op zichzelf beschouwd, niet per se vragen te doen rijzen. Wanneer de koper, zoals hier het geval is, echter nooit van plan was de eigendommen te houden, maar ze eerder kort erna opnieuw aan particuliere ondernemingen wou verkopen, wordt de kwestie van de marktwaarde relevanter, met name wanneer hij geen nieuwe taxatie laat uitvoeren en het eigendom tegen dezelfde of zelfs tegen een lagere prijs verkoopt aan een vooraf bepaalde koper. |
|
(43) |
Het is een feit dat de staat de militaire basis aan de gemeente Våler heeft verkocht op basis van een onafhankelijke taxatie, namelijk het tweede Agdestein-rapport. De in deze taxatie gebruikte methode, de zogenaamde “brugwaarde”, is echter niet meer dan een eenvoudige berekening waarbij de waarde van de twee voorgaande beoordelingen wordt opgeteld en vervolgens het resultaat door twee wordt gedeeld. Voor deze methode is nauwelijks externe deskundigheid vereist, en de berekening zelf is niet overtuigender door het enkele feit dat deze door een onafhankelijke deskundige is verricht. Het rapport is ook eerder kort (iets meer dan één bladzijde) en lijkt (op zichzelf beschouwd) slechts van benaderende aard. |
|
(44) |
Bij dit rapport moet echter ook rekening worden gehouden met de twee voorgaande taxatierapporten. Deze zijn gedetailleerder en grondiger, met name het eerste Agdestein-rapport, waarin individuele taxaties van alle gebouwen van het binnenste kamp zijn opgenomen. Ook heeft de Autoriteit opgemerkt dat er in het tweede Agdestein-rapport bepaalde wijzigingen en correcties zijn gemaakt ten opzichte van de voorgaande beoordelingen. Dit wijst erop dat de nieuwe beoordeling ietwat verder ging dan de eenvoudige hierboven beschreven berekening. Tenslotte merkt de Autoriteit op dat, hoewel in het rapport op het bestaan van alternatieve methoden wordt gewezen, de representativiteit van de brugwaarde voor het bepalen van de marktwaarde niet ter discussie wordt gesteld. |
|
(45) |
Vanwege de aanzienlijke onzekerheid die inherent is aan de taxatie van een voormalige militaire basis met verschillende gebieden en soorten gebouwen, gesitueerd in een afgelegen gebied en relatief dun bevolkt, concludeert de Autoriteit, ondanks haar twijfel, dat Haslemoen Leir tegen marktwaarde door de staat aan de gemeente Våler is verkocht. |
|
(46) |
De volgende vraag is daarom of de gemeente nadien bij de verkoop van delen van het binnenste kamp aan Haslemoen AS een prijs heeft gehanteerd die ten minste overeenkomt met de primaire kosten. |
4.2 De vraag of de prijs voor de 29 gebouwen overeenkomt met de primaire kosten
|
(47) |
Het beoordelen van de vraag of de verkoopprijs voor de 29 gebouwen overeenkomt met de primaire kosten blijkt ingewikkeld, omdat uit de overeenkomst tussen de staat en de gemeente niet uitdrukkelijk blijkt hoeveel de gemeente voor de verschillende gebouwen in het binnenste kamp heeft betaald. De gemeente heeft in plaats daarvan een vast bedrag van 15,5 miljoen NOK betaald, waarop de “korting van ongeveer 30 %” (21) voor de aankoop van het hele binnenste kamp reeds was toegepast. De gemeente kreeg uiteindelijk ook een extra korting van 20% voor de aankoop van de vier gebieden van de militaire basis. |
|
(48) |
Verschillende methoden kunnen worden overwogen om vast te stellen hoeveel de gemeente voor de betrokken 29 gebouwen van het binnenste kamp heeft betaald, bijvoorbeeld op basis van het aantal gebouwen of hun waarde in vergelijking met het totale aantal gebouwen of de totale waarde. Zoals hierboven beschreven, is het de Autoriteit echter niet duidelijk of de gemeente, vóór de verkoop aan Haslemoen AS, dergelijke berekeningen heeft uitgevoerd om de primaire kosten voor de 29 gebouwen vast te stellen. De Autoriteit heeft geen documenten uit die tijd ontvangen waaruit blijkt dat deze berekeningen tijdens de onderhandelingen zijn uitgevoerd, noch later toen de verkoop ter goedkeuring van de gemeenteraad is voorgelegd. |
|
(49) |
In de loop van de administratieve procedure heeft de gemeente verwezen naar verschillende overwegingen en doelstellingen, zoals het scheppen van nieuwe banen en de toekomstige ontwikkeling van het binnenste kamp als geheel, zulks in het belang van de lokale gemeenschap. Hoewel deze overwegingen niet noodzakelijk in strijd zijn met een verkoop tegen marktwaarde, wijzen ze op zichzelf ook niet op een verkoop zonder staatssteunelementen als uitgangspunt. In haar antwoord op een gerichte vraag van de Autoriteit heeft de gemeente voorts toegegeven dat zij vandaag de dag niet met documenten kan staven wat de werkelijke waarde van de betroffen eigendommen was toen deze zijn verkocht. |
|
(50) |
De wijze waarop de verkoop door de gemeenteraad is behandeld, zorgt voor extra onzekerheid over mogelijke staatssteun. Zoals hierboven beschreven, heeft de gemeente een openbare inschrijvingsprocedure georganiseerd noch een taxatie van de te verkopen gebouwen door een onafhankelijke deskundige laten maken. In een later stadium volgde zij niet het advies van de externe juridische adviseur (bij de Noorse vereniging van lokale en regionale overheden) en de eigen gemeentesecretaris om de verkoop uit te stellen en duidelijkheid te krijgen over de waarde. Hoewel de gemeenteraad de verkoop heeft goedgekeurd op voorwaarde dat er een risicobeoordeling van mogelijke concurrentiebezwaren door de Noorse vereniging van lokale en regionale overheden werd verricht en bij het uitvoerend college werd ingediend, heeft de Autoriteit geen verdere informatie over deze risicobeoordelingen ontvangen. |
|
(51) |
De gemeente is met twee berekeningen van 2 mei 2006 van de externe taxateur van de gemeente gekomen (zie beschrijving hierboven, overwegingen 20 en 21). De gemeente heeft aangegeven dat uit de eerste taxatie blijkt dat de primaire kosten van de gemeente voor de aankoop van het binnenste kamp 12,4 miljoen NOK bedroegen. Uit de tweede taxatie zou blijken dat de andere gebouwen van het binnenste kamp die niet aan Haslemoen AS waren verkocht, een geschatte waarde van respectievelijk ongeveer 3,67 NOK en 5 miljoen NOK hadden. Volgens de gemeente blijkt uit deze beoordelingen dat de primaire kosten voor de 29 gebouwen in kwestie, afgetrokken van de primaire kosten van 12,4 miljoen, niet meer dan 4 miljoen NOK bedroegen. |
|
(52) |
De Autoriteit is het er niet mee eens dat deze berekeningen aantonen dat de gebouwen in kwestie tegen marktwaarde zijn verkocht. De Autoriteit betwist het uitgangspunt inzake de primaire kosten van het binnenste kamp, alsook de methode waarbij de veronderstelde waarde van andere gebouwen in mindering wordt gebracht om de “overige” primaire kosten te bepalen. |
De korting van 20 %
|
(53) |
Als uitgangspunt geven de berekeningen een waarde van 15,5 miljoen NOK aan voor het binnenste kamp (zoals vastgesteld in het tweede Agdestein-rapport). De gemeente kreeg 20 % korting voor de aankoop van de militaire basis als één geheel, waardoor de waarde van het binnenste kamp op 12,4 miljoen NOK uitkwam. |
|
(54) |
In het tweede Agdestein-rapport wordt de reden voor deze korting verklaard: “ Wij geloven dat de markt voor de gezamenlijke aankoop van vier erg verschillende activiteitengebieden een korting zou hanteren, onder meer vanwege het risico en de hogere exploitatiekosten. Deze koper zou echter snel na de aankoop een “ommekeer” kunnen maken, en zou bijvoorbeeld het landbouwgebied en het bosgebied afzonderlijk kunnen verkopen (wat spreekt voor het tegendeel). In de taxaties van zowel het woongebied als het gebied van het binnenste kamp is reeds 30 % “quantumkorting” begrepen, omdat deze objecten samen worden verkocht. Wij zijn van mening dat de waarde met nog eens ongeveer 20 % (-12 miljoen) moet worden verlaagd voor een eventuele gezamenlijke verkoop van de hele militaire basis in één keer (de waarde wordt dan 46 miljoen NOK in plaats van 58 miljoen NOK (22) ”. |
|
(55) |
De korting van 20 % had dus specifiek te maken met het feit dat de gemeente de hele militaire basis kocht, dat wil zeggen de vier (hierboven in overweging 5 vermelde) gebieden. |
|
(56) |
Uit de vermelde taxatie van 2 mei 2006 blijkt niet waarom de markt bij de eventuele verkoop van een deel van de vier gebieden een vergelijkbare korting zou eisen. Om de kortingen voor Haslemoen AS te rechtvaardigen, heeft de gemeente verwezen naar het feit dat het verkoopcontract tussen de gemeente Våler en Haslemoen AS uitging van de veronderstelling dat de koper het hele binnenste kamp en de gebieden daarbuiten samen met de gemeente Våler als één geheel zou ontwikkelen en exploiteren. Dit was volgens de gemeente de reden dat beide kortingen (de 30% korting voor de aankoop van het binnenste kamp als één geheel en de extra korting van 20% voor de aankoop van de hele militaire basis Haslemoen Leir) aan Haslemoen AS waren verleend. |
|
(57) |
Hoewel beperkingen inzake het toekomstige gebruik van een eigendom de waarde ervan kunnen doen dalen, is de Autoriteit niet op de hoogte van dergelijke beperkingen die in deze zaak de aanzienlijke kortingen zouden rechtvaardigen. Er lijkt in het verkoopcontract (of in andere bij de Autoriteit ingediende documenten uit die tijd) geen bepaling te zijn opgenomen waaruit deze of andere aan de koper opgelegde speciale verplichtingen blijken inzake het beheer van de eigendommen in samenwerking met de gemeente. |
|
(58) |
Zoals eerder vermeld, kan een herverkoop tegen een prijs die op zijn minst overeenkomt met de primaire kosten, enkel staatststeun uitsluiten indien de gronden of gebouwen in de eerste plaats tegen marktwaarde zijn verworven. Wanneer een overheidsinstantie, zoals in deze zaak, oorspronkelijk meer gekocht heeft dan het eigendom dat zij herverkoopt en voor de aankoop aanzienlijke quantumkortingen heeft gekregen, kan niet worden verondersteld dat voor de herverkoop dezelfde kortingen gelden. Hiervoor moet daarentegen worden nagegaan of de markt dezelfde kortingen voor de tweede kleinere transactie zou berekenen. |
|
(59) |
In deze zaak lijkt dit onwaarschijnlijk, met name omdat beide kortingen als quantumkortingen zijn verleend precies omdat de koper het hele betrokken gebied kocht. Deze dubbele korting lijkt in deze zaak dus uitgesloten, met name omdat de zogenaamde korting van 30% is verleend voor de aankoop van het hele binnenste kamp. De extra korting van 20% moet dus in verband worden gebracht met het feit dat de koper (de gemeente) bovendien ook andere gebieden kocht. Dit lijkt volgens het hierboven geciteerde tweede Agdestein-rapport ook de grondslag voor de korting. Op grond hiervan, en aangezien een taxatie uit die tijd die het tegenovergestelde aanvoert ontbreekt, concludeert de Autoriteit dat er geen reden was om aan te nemen dat de markt een extra korting van 20% zou hebben berekend indien slechts delen van het binnenste kamp te koop waren geweest. |
De korting van 30 % (23)
|
(60) |
Wat de zogenaamde korting van 30 % betreft, herinnert de Autoriteit eraan dat in het tweede Agdestein-rapport duidelijk werd gemaakt dat de waarde van het binnenste kamp van 15,5 miljoen NOK reeds rekening hield met de korting van 10 miljoen NOK, en dat het een raming was van het bedrag dat de markt zou vragen voor de aankoop van het binnenste kamp als één geheel (alle 44 gebouwen). Daarom moet worden beoordeeld of de gemeente een vergelijkbare korting aan Haslemoen AS kon verlenen voor de aankoop van delen van het binnenste kamp. |
|
(61) |
Bezien naar aantal gebouwen, betrof de verkoop 29 van de 44 gebouwen (24), dat wil zeggen ongeveer twee derde. Dit zou aanleiding kunnen geven tot een quantumkorting. Wat de waarde betreft, wijzen de eigen berekeningen van de gemeente erop dat de 29 gebouwen goed zijn voor een aanzienlijk kleiner aandeel van de totale waarde van het binnenste kamp dan de overige gebouwen. Een waarde van 4 miljoen NOK voor de 29 gebouwen in kwestie was net iets minder dan een derde van de totale waarde ten opzichte van de 3,67 miljoen NOK voor de gebouwen die in bezit van de gemeente bleven en de 5 miljoen NOK voor de 11 resterende gebouwen. |
|
(62) |
De verschillende (in overwegingen 7 en 10 vermelde) taxatierapporten die in het kader van deze zaak zijn ingediend, wijzen erop dat de verkoop “en bloc” van verschillende gebouwen een prijsverlagend effect heeft. Naast de twee Agdestein-rapporten gaf ook de (in overweging 29 vermelde) taxatie van 10 verschillende gebouwen in het binnenste kamp van 15 maart 2006 aan dat een korting van “15 à 20 %” moest worden toegepast bij verkoop van deze 10 gebouwen tezamen. |
|
(63) |
De Autoriteit is derhalve van oordeel dat het verlenen van een zekere quantumkorting in overeenstemming met de marktvoorwaarden was. In deze zaak is het door het gebrek aan beoordelingen en documenten uit die tijd moeilijk te bepalen of de korting 15, 20 of 25 % zou zijn geweest. Rekening houdende met al het voorgaande en verwijzend naar de bovengenoemde taxatie van 10 andere gebouwen in het binnenste kamp (met een waarschijnlijke quantumkorting van 15 à 20 %), komt de Autoriteit, ondanks haar twijfel, tot de bevinding dat iemand die 29 van de 44 gebouwen van het binnenste kamp wou kopen, ongeveer dezelfde quantumkorting had kunnen krijgen als de korting die de gemeente werd verleend (25.64 %). |
De vraag of de primaire kosten konden worden vastgesteld door aftrek van de waarde van andere gebouwen
|
(64) |
De volgende vraag is of de primaire kosten van de 29 gebouwen in kwestie kan worden vastgesteld door op de waarde van het binnenste kamp de waarde in vermindering te brengen van de gebouwen die niet aan Haslemoen AS zijn verkocht. |
|
(65) |
De beschreven methode hield in wezen in dat er geen gedetailleerde beoordeling van de 29 gebouwen in kwestie is verricht omdat er aanwijzingen waren dat andere delen van het binnenste kamp van een voldoende hoge waarde waren om zeker te zijn dat de totale waarde overeenkwam met de mogelijke primaire kosten van het binnenste kamp voor de gemeente. Deze methode lijkt onzeker en willekeurig omdat de drie verschillende groepen gebouwen allemaal volgens verschillende methoden zijn getaxeerd. Om kort te gaan, het “brugwaarde”-rapport werd gebruikt om het uitgangspunt vast te stellen: de primaire kosten van 12,4 miljoen NOK als waarde van het binnenste kamp. In de volgende taxatie van de drie verschillende groepen gebouwen werd de waarde van de 29 gebouwen aanvankelijk aanzienlijk lager geschat dan de brugwaarde en werd de waarde van de gebouwen die in bezit van de gemeente bleven en de 11 andere gebouwen waarvoor de gemeente later een bod had gekregen, hoger geschat. De lagere waarde werd op grond van de met Haslemoen AS overeengekomen prijs vastgesteld en de hogere waarden op grond van latere en nieuwere informatie in de vorm van taxaties en een ontvangen bod. |
|
(66) |
Volgens de Autoriteit bracht dit het duidelijke risico met zich dat, zelfs indien het algemene uitgangspunt voor de waarde van het binnenste kamp correct was geweest (hetgeen niet het geval was, zie hierboven), de prijs voor de 29 gebouwen te laag kon zijn omdat latere nieuwe taxaties van de andere gebieden op hogere waarden uitkwamen. Latere, hogere taxaties in deze zaak wijzen er inderdaad op dat het uitgangspunt van 12,4 miljoen NOK te laag was. |
|
(67) |
Derhalve concludeert de Autoriteit dat de methode van de taxatie van 2 mei 2006 niet geschikt was om de primaire kosten, en bijgevolg de marktwaarde van de 29 gebouwen in kwestie, te bepalen. |
Hoe de primaire kosten van de 29 gebouwen correct vast te stellen?
|
(68) |
Zoals hierboven vermeld, zijn de primaire kosten voor de 29 gebouwen in kwestie moeilijk vast te stellen omdat uit de overeenkomst tussen de staat en de gemeente niet duidelijk blijkt hoeveel de gemeente voor de verschillende gebouwen in het binnenste kamp heeft betaald. De gemeente heeft in plaats daarvan voor het hele binnenste kamp een vast bedrag van 15,5 miljoen NOK betaald, waarop de hierboven beschreven korting van 30 % reeds was toegepast. Die brugwaarde was echter gebaseerd op de twee voorgaande taxaties. |
|
(69) |
Het eerste Agdestein-rapport was gebaseerd op een individuele taxatie van de gebouwen en is in feite de enige taxatie daarvan uit die tijd. Aangezien deze taxatie ten grondslag ligt van de brugwaarde, die dan weer de basis vormt voor de prijs die daadwerkelijk door de gemeente is betaald, is de Autoriteit van oordeel dat het eerste Agdestein-rapport de individuele waarden geeft die nodig zijn om nauwkeurig de primaire kosten voor de 29 gebouwen vast te stellen. |
|
(70) |
Het verkoopcontract in kwestie omvat de volgende 29 gebouwen in het binnenste kamp (25): nrs. 1, 2, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11, 12, 13, 14, 15, 18, 19, 20, 21, 22, 23, 24, 25, 26, 27, 29, 30, (31,) 33, 92 en 16. In het eerste Agdestein-rapport zijn de investeerderswaarden van deze gebouwen als volgt getaxeerd:
|
|
(71) |
Het rapport heeft de waarde van de gebouwen nrs. 6 en 8 (garages) niet apart getaxeerd. Deze werden daarentegen samen met gebouw nr. 45 getaxeerd (administratiegebouw waarin opslagruimten, kantoren en werkplaatsen zijn samengebracht, niet opgenomen in het contract met Haslemoen AS) op een totaalbedrag van 1,9 miljoen NOK. Op dezelfde wijze werden gebouwen nrs. 23 en nr. 24 (garage en tankstation) samen met gebouw nr. 34 getaxeerd (het kantoorgebouw van het kamp, niet opgenomen in het contract met Haslemoen AS) op een totaalbedrag van 800 000 NOK. Het is daarom de vraag of een deel van de waarde van deze collectief getaxeerde gebouwen bij de door Haslemoen AS gekochte gebouwen moet worden toegerekend (de vier garages nrs. 6, 8, 23 en 24). Deze kwestie werd door de Autoriteit aan de orde gesteld in haar (hierboven vermelde) besluit tot inleiding van de procedure, waarin zij geen rekening heeft gehouden met deze gebouwen en aldus het meest gunstige scenario heeft toegepast. |
|
(72) |
Hoewel de Autoriteit geen informatie heeft ontvangen waaruit blijkt dat de vier vermelde garages geen waarde hebben, gaat zij ervan uit dat deze beperkt was aangezien in het eerste Agdestein-rapport ervoor werd gekozen om de eventuele waarde ervan op te nemen in de taxatie. Bij gebrek aan documenten uit die tijd die het tegenovergestelde bewijzen en op grond van de veronderstelling dat de waarde in ieder geval laag leek te zijn, zal de Autoriteit aan deze vier gebouwen geen specifieke waarde bij de taxatie van het betreffende deel van het binnenste kamp toekennen. |
|
(73) |
De totale waarde van de 29 gebouwen in kwestie bedraagt volgens de taxatie van het eerste Agdestein-rapport 23 840 000 NOK. Zoals hierboven vermeld, kreeg de gemeente de zogenaamde korting van 30 % (26) op de waarde van het binnenste kamp in het eerste Agdestein-rapport. Omdat de Autoriteit, gezien de omstandigheden van deze zaak, van mening is dat het gerechtvaardigd was een vergelijkbare korting aan Haslemoen AS te verlenen, is de gecorrigeerde waarde van de 29 gebouwen, zoals die door dit rapport is vastgelegd, 17 727 424 NOK
|
|
(74) |
Aangezien de Autoriteit heeft aanvaard dat de staat de basis Haslemoen Leir aan de gemeente Våler heeft verkocht tegen marktwaarde, aanvaardt zij dat het bedrag van 8 863 712 NOK de primaire kosten van de gemeente voor de gebouwen vertegenwoordigde en dat dit noodzakelijk de marktwaarde aangaf. |
|
(75) |
Op basis daarvan concludeert de Autoriteit dat de verkoop aan Haslemoen AS voor 4 miljoen NOK staatssteun inhield voor een bedrag van 4 863 712 NOK
|
|
(76) |
De gemeente heeft er ook op gewezen dat de Autoriteit rekening diende te houden met de prijsverlagende elementen, namelijk mogelijke bodemverontreiniging en de verplichting voor Haslemoen AS om het schoolgebouw gedurende één jaar gratis te laten gebruiken. Er zijn evenwel geen specifieke documenten (uit die tijd of uit een later stadium) ingediend inzake deze mogelijke prijsverlagende elementen en het effect die deze op de prijs konden hebben. |
Bodemverontreiniging
|
(77) |
De Autoriteit is het ermee eens dat de aanwezigheid van bodemverontreining eerder waarschijnlijk was, aangezien de basis sinds de jaren vijftig voor militaire doeleinden was gebruikt. |
|
(78) |
De Autoriteit heeft in dit verband opgemerkt dat het eerste Agdestein-rapport expliciet mogelijke bodemverontreiniging in het binnenste kamp door brandstof- en olietanks in de grond vermeldt. Hiermee werd bij de taxatie echter geen rekening gehouden. Alhaug en Bakke, die de waarde van het binnenste kamp op 0 NOK raamden, hebben beide de mogelijkheid vermeld dat de bodem verontreinigd was en dat de gebouwen asbest bevatten, zonder mogelijke hieraan gekoppelde kosten te proberen specificeren. |
|
(79) |
De Autoriteit wijst er echter nogmaals op dat deze rapporten zijn gebruikt om het gemiddelde van hun resulterende waarden te berekenen. Verondersteld wordt dus dat deze berekening rekening houdt met prijsverlagende of negatieve elementen in het rapport. De Autoriteit ziet daarom geen reden voor extra prijsverlagingen die verband houden met voor de partijen bij de eerste transactie bekende elementen of omstandigheden. Bij de verkoopprijs op basis van de brugwaarde moet namelijk rekening zijn gehouden met het effect van dergelijke maatregelen. Bij een herverkoop tegen primaire kostprijs moet met dezelfde prijsverlagende elementen rekening zijn gehouden. |
|
(80) |
Ten slotte wordt in het contract tussen de staat en de gemeente expliciet verwezen naar de mogelijkheid van bodemverontreiniging en naar het beginsel de vervuiler betaalt, dat in de Noorse wet tegen verontreiniging is opgenomen. In het daaropvolgende contract tussen de gemeente en Haslemoen AS werd expliciet naar deze verplichting verwezen, wat wil zeggen dat de Noorse staat aansprakelijk bleef voor de door de militaire activiteit veroorzaakte bodemverontreiniging. De Autoriteit is daarom van oordeel dat een verdere prijsverlaging omwille van mogelijke verontreiniging niet gerechtvaardigd is. |
Het gebruik van het schoolgebouw
|
(81) |
Met betrekking tot het recht van de gemeente om gedurende één jaar gratis gebruik te maken van het schoolgebouw, merkt de Autoriteit op dat dit een nieuwe verplichting voor de koper was, omdat deze niet eerder door de staat aan de gemeente was opgelegd. Daarom kan niet worden verondersteld dat de brugwaarde er rekening mee had gehouden. Maar bij gebrek aan bewijsstukken die de economische gevolgen van deze verplichting aangeven (dat wil zeggen het eventuele verlies dat Haslemoen AS heeft geleden door de onmogelijkheid om het gebouw gedurende één jaar te verhuren), kan de Autoriteit geen prijsverlagend effect aanvaarden. |
|
(82) |
De verplichting betrof slechts één van de gebouwen en bij het vaststellen van de prijs was reeds rekening gehouden met het feit dat het moeilijk zou zijn alle eigendommen meteen te verhuren, aangezien er in het gebied al een overschot aan beschikbare huurobjecten was. Dit werd benadrukt door beide taxaties. Bovendien zou de gemeente een deel van de vaste kosten en verwarmingskosten van het gebouw voor dezelfde periode dekken. Ten slotte verwijst de Autoriteit naar haar beoordeling hierboven waarin zij aanvaardde dat de gemeente aan Haarlemsen AS dezelfde kwantumkorting heeft gegeven als zijzelf voor de aankoop van het hele binnenste kamp had gekregen. Bovendien heeft de Autoriteit geen specifieke waarde toegevoegd voor de vier aan Haarlemsen AS verkochte garages waarvan de waarde samen met andere gebouwen in het binnenste kamp (die Haarlemsen AS niet had gekocht) was getaxeerd. Bijgevolg beschouwt de Autoriteit dat eventuele verliezen die voortvloeien uit de onmogelijkheid om de school gedurende één jaar na de aankopen te verhuren, als geneutraliseerd door voornoemde voor Haarlemsen AS gunstige omstandigheden. |
Conclusie betreffende het beginsel van de investeerder in een markteconomie
|
(83) |
Gelet op het bovenstaande concludeert de Autoriteit dat de verkoop van de 29 gebouwen aan Haslemoen AS niet in overeenstemming met het beginsel van de investeerder in een markteconomie is uitgevoerd. De gebouwen zijn verkocht tegen een prijs die onder de marktwaarde ligt en staatssteun inhoudt voor een bedrag van 4 863 712 NOK. In wat volgt zal de Autoriteit bijgevolg beoordelen of bij de verkoop van de gebouwen aan de andere criteria van artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst is voldaan. |
4.3 Staatsmiddelen en selectief voordeel
|
(84) |
Om als staatsteun aangemerkt te worden, moet de maatregel door de staat of via staatsmiddelen worden toegekend. Het begrip “staat” omvat alle overheidsniveaus, met inbegrip van gemeenten. Uit het bovenstaande blijkt dat er sprake is van staatsmiddelen omdat de gemeente Våler de 29 gebouwen in het binnenste kamp aanzienlijk onder de marktprijs heeft verkocht. De transactie heeft Haslemoen AS een selectief voordeel opgeleverd, want op basis van het contract was zij de enige begunstigde van de maatregel. |
4.4 Vervalsing van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen
|
(85) |
Uit vaste rechtspraak (27) volgt, in het kader van deze bepalingen, dat door het enkele feit dat de toekenning van steun de positie van een onderneming versterkt ten opzichte van andere binnen het handelsverkeer van de EER concurrerende ondernemingen, het handelsverkeer binnen de EER moet worden geacht door de steun te worden beïnvloed. De Autoriteit herinnert eraan dat de gebouwen in kwestie getaxeerd en gekocht waren op basis van de investeringswaarde, dat wil zeggen de op toekomstige huuropbrengsten gebaseerde waarde. Het investeren in vastgoed voor de verhuur aan bedrijven moet als een economische activiteit die de hele EER beslaat worden beschouwd, waarbij in Noorwegen marktdeelnemers uit een groot aantal EVA-staten zijn betrokken. Wat de begunstigde van deze specifieke steun betreft, blijkt uit het Noorse nationale vennootschapsregister (28) dat Haslemoen AS betrokken is bij activiteiten in verband met hotels, motels en restaurants (29). Zij exploiteert Haslemoen Hotell in het binnenste kamp en verhuurt gebouwen voor een asielcentrum aan de Noorse staat. Haslemoen AS moet worden geacht voor al deze activiteiten in concurrentie te staan met soortgelijke ondernemingen in Noorwegen en in andere EER-staten. De maatregel leidt dan ook tot vervalsing van de mededinging en beïnvloeding van het handelsverkeer tussen de overeenkomstsluitende partijen. |
4.5 Conclusie betreffende de aanwezigheid van staatssteun
|
(86) |
Om de bovengenoemde redenen concludeert de Autoriteit dat bij de verkoop van de 29 gebouwen aan Haslemoen AS sprake is van staatssteun voor een bedrag van 4 863 713 NOK. |
5. PROCEDURELE VOORSCHRIFTEN
|
(87) |
Volgens artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst wordt de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA van elk voornemen tot invoering van steunmaatregelen tijdig op de hoogte gebracht om opmerkingen te kunnen maken. De betrokken staat brengt de voorgenomen maatregelen niet tot uitvoering voordat de procedure tot een eindbeslissing heeft geleid. De Noorse autoriteiten hebben de verkoop van de 29 gebouwen door de gemeente Våler aan Haslemoen AS niet bij de Autoriteit aangemeld. De Autoriteit concludeert derhalve dat de Noorse autoriteiten niet aan hun verplichtingen krachtens artikel 1, lid 3 van deel I van Protocol 3 hebben voldaan. |
6. VERENIGBAARHEID VAN DE STEUN
|
(88) |
De Noorse autoriteiten hebben geen argumenten aangevoerd waaruit blijkt dat de met de transactie gemoeide staatssteun als verenigbare staatssteun kan worden beschouwd. |
|
(89) |
Steunmaatregelen die vallen onder artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst, zijn in de regel niet verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst, tenzij ze in aanmerking komen voor een afwijking uit hoofde van artikel 61, lid 2 of 3, van de EER-overeenkomst. |
|
(90) |
In dit geval zijn de afwijkingen van artikel 61, lid 2, van de EER-overeenkomst niet van toepassing, omdat de steun niet is gericht op één van de daarin genoemde doeleinden. Evenmin zijn artikel 61, lid 3, onder a), en onder b), van de EER-overeenkomst op dit geval van toepassing. Verder komt het gebied waar het eigendom zich bevindt niet in aanmerking voor regionale steun in de zin van artikel 61, lid 3, onder c), van de EER-overeenkomst. |
|
(91) |
De Autoriteit is derhalve van mening dat de hier te beoordelen transactie niet kan worden gerechtvaardigd op grond van de staatssteunbepalingen van de EER-overeenkomst. |
7. TERUGVORDERING
|
(92) |
Aangezien de 4 863 713 NOK steun aan Haslemoen AS is verleend zonder bij de Autoriteit te zijn aangemeld, is er sprake van onrechtmatige steun in de zin van artikel 1, onder f), van deel II van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst. Overeenkomstig artikel 14 van deel II van Protocol 3 van de Toezichtovereenkomst moet de Autoriteit besluiten dat onrechtmatige steun, die onverenigbaar is met de staatssteunregels van de EER-overeenkomst, van de begunstigden moet worden teruggevorderd. |
|
(93) |
De Autoriteit is van mening dat er in deze zaak geen algemene beginselen zijn die de terugbetaling uitsluiten. Volgens vaste rechtspraak is de intrekking van onrechtmatige steun door terugvordering ervan het logische gevolg van de vaststelling dat de steun onrechtmatig is. Bijgevolg kan de terugvordering van onrechtmatig verleende staatssteun om de vroegere toestand te herstellen in beginsel niet worden beschouwd als een maatregel die onevenredig is ten opzichte van de doelstellingen van de EER-overeenkomst met betrekking tot staatssteun. |
|
(94) |
Door deze terugbetaling verliest de begunstigde immers het voordeel dat hij op de markt ten opzichte van zijn concurrenten genoot en wordt de toestand van vóór de steunverlening hersteld (30). Uit deze functie van de terugbetaling volgt ook dat de Autoriteit, behoudens uitzonderlijke omstandigheden, in de regel de grenzen van haar discretionaire bevoegdheid niet overschrijdt wanneer zij een EVA-staat verzoekt de als onrechtmatige steun toegekende bedragen terug te vorderen, aangezien daarmee slechts de vroegere toestand wordt hersteld (31). Voorts kunnen ondernemingen die steun genieten, gelet op het dwingende karakter van het door de Autoriteit krachtens Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst uitgeoefende toezicht op staatssteun, in beginsel slechts een gewettigd vertrouwen in de rechtmatigheid van de steun hebben wanneer de steun met inachtneming van de procedure van dat Protocol is toegekend (32). In deze zaak lijken geen uitzonderlijke omstandigheden aanwezig te zijn die aanleiding zouden hebben gegeven tot een gewettigd vertrouwen bij de begunstigden van de steun. |
|
(95) |
Over het terug te vorderen bedrag van 4 863 713 NOK onterechte staatssteun is samengestelde rente verschuldigd overeenkomstig artikel 14, lid 2, van deel II van Protocol 3 bij de Toezichtovereenkomst en de artikelen 9 en 11 van Beschikking nr. 195/04/COL van de Autoriteit van 14 juli 2004. |
8. CONCLUSIE
|
(96) |
De Autoriteit concludeert dat de Noorse autoriteiten de steun in kwestie onrechtmatig ten uitvoer hebben gelegd en daarbij inbreuk hebben gemaakt op artikel 1, lid 3, van deel I van Protocol 3. |
|
(97) |
De bij de verkoop van 29 gebouwen in het binnenste kamp van de basis Haslemoen Leir verleende staatssteun is – om de hierboven uiteengezette redenen – niet verenigbaar met de werking van de EER-overeenkomst en moet worden teruggevorderd vanaf 22 mei 2006, de dag waarop de verkoopovereenkomst werd ondertekend, |
HEEFT DE VOLGENDE BESCHIKKING VASTGESTELD:
Artikel 1
De verkoop van de 29 gebouwen in het binnenste kamp van de basis Haslemoen Leir aan Haslemoen AS houdt staatssteun in die onverenigbaar is met de werking van de EER-overeenkomst als bedoeld in artikel 61, lid 1, van de EER-overeenkomst.
Artikel 2
De Noorse autoriteiten nemen alle nodige maatregelen om de in artikel 1 bedoelde steun van de begunstigde terug te vorderen.
Artikel 3
De terugvordering geschiedt onverwijl, en in ieder geval binnen vier maanden vanaf de datum van deze beschikking, en in overeenstemming met de nationaalrechtelijke procedures, voor zover deze procedures een onverwijlde en daadwerkelijke tenuitvoerlegging van de onderhavige beschikking toelaten. De terug te vorderen steun omvat rente en samengestelde rente vanaf de datum waarop de steun de begunstigde ter beschikking is gesteld tot de datum van de terugbetaling ervan. De rente wordt berekend op grond van artikel 9 van Beschikking nr. 195/04/COL van de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA.
Artikel 4
Noorwegen stelt de Autoriteit uiterlijk op 15 mei 2012 in kennis van het totale van de begunstigde terug te vorderen bedrag (hoofdsom en terugvorderingsrente), alsook van de voorgenomen of reeds genomen maatregelen om de steun terug te vorderen.
Uiterlijk 15 juli 2012 dient Noorwegen de beschikking van de Autoriteit tenuitvoer te hebben gelegd en de steun volledig te hebben teruggevorderd.
Artikel 5
Deze beschikking is gericht tot het Koninkrijk Noorwegen.
Artikel 6
Slechts de tekst in de Engelse taal is authentiek.
Gedaan te Brussel, 15 maart 2012.
Voor de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA
Oda Helen SLETNES
De voorzitter
Sverrir Haukur GUNNLAUGSSON
Lid van het College
(1) Beschikking nr. 96/10/COL betreffende de verkoop van bepaalde gebouwen in het binnenste kamp van de basis Haslemoen Leir, PB C 325 van 2.12.2010, blz. 12 en EER-supplement nr. 66 van 2.12.2010, blz. 1.
(2) Zie voetnoot 1
(3) http://www.stortinget.no/no/Saker-og-publikasjoner/Saker/Sak/?p=21519. Zie ook koninklijk besluit van 19.12.1997 (“Avhendigsinstruksen”).
(4) Event nrs. 428521 en 557187.
(5) Event nrs. 458897, 458902 en 458903 (het eerste Agdestein-rapport).
(6) Volgens het rapport is de “investeringswaarde” de verwachte marktwaarde voor een investeerder die de gebouwen tegen betaling wil verhuren. De “investeringswaarde” is lager dan de “gebruikswaarde”, de marktwaarde voor iemand die de gebouwen voor eigen gebruik wil kopen. Beide typen waarden zijn in het rapport opgenomen.
(7) Event nr. 428521, bijlage 16 (het rapport Alhaug en Bakke).
(8) De waarde van het Storskjæret-gebied werd op 12 miljoen NOK geraamd.
(9) Event nr. 428521, bijlage 3 (het tweede Agdestein-rapport).
(10) 20 % korting.
(11) Volgens het eerste Agdestein-rapport was de waarde van het binnenste kamp 29 miljoen NOK (met een reeds toegepaste korting van 10 miljoen NOK voor verkoop als één geheel).
(12) Naast de waarde van het binnenste kamp die op 14,5 miljoen NOK was beoordeeld, was de waarde van Storskjaeret 13,5 miljoen NOK, het landbouwgebied 8,3 miljoen NOK en het bosgebied 25,2 miljoen NOK. Door fouten in voorgaande taxaties werd het totale bedrag voor Haslemoen Heir van 61,5 miljoen NOK verlaagd tot 58 miljoen NOK, met inbegrip van de korting voor het kopen van het binnenste kamp als één geheel.
(13) Zie overweging 8 hierboven.
(14) De aandeelhouders van de onderneming waren International Training Centre (48 %), Haslemoen Kultur og Aktivitetssenter (48 %) en Norsk Trafikksenter (4 %).
(15) Met name moest het uitvoerend college nagaan of het risico “matig” was.
(16) Gebouwen nrs. 3, 32, 34, 44 en 45.
(17) In het eerste Agdestein-rapport omvatte het bedrag van 1,9 miljoen NOK ook twee garages, gebouwen nrs. 6 en 8.
(18) De Autoriteit heeft voor dit bod geen documenten ontvangen. De gemeente heeft verklaard dat het ging om een mondeling bod van 5 miljoen NOK voor elf van de gebouwen in het binnenste kamp (nrs. 28, 35, 36, 37, 38, 39, 41, 46, 47, 50 en 93). Dezelfde gebouwen zouden volgens de “brugwaarde”-beoordeling een waarde van 3,7 miljoen NOK hebben
(19) Er werden geen opmerkingen ontvangen van derde partijen.
(20) Event nr. 581797.
(21) Zie overweging 8 hierboven.
(22) ” Vi tror at markedet ved et samlet kjøp av fire forsåvidt ulike virksomhetsområder vil legge inn en prisreduksjon for bl.a risiko og høyere driftskostnader. Imidlertid vil kjøper fort kunne ”snu seg rundt” etter kjøpet og selge f.eks. jorda eller skogen videre enkeltvis, som taler motsatt vei. Det ligger allerede inne ca. 30% ”kvantumsrabatt” i takstene for både bolig og leirområdet, pga samlet salg av hver av disse takstobjekt. Vi tror på en ytterligere verdireduksjon på 20 % (- kr12 mill) ved samlet salg av hele leiren under ett, dvs fra kr 58 mill til 46 mill.”
(23) Zie overweging 8 hierboven.
(24) Zie voetnoot 4.
(25) De Autoriteit merkt op dat de Noorse autoriteiten niet hebben uitgelegd waarom het aantal in het contract genoemde gebouwen 30 is en niet 29 zoals de Noorse autoriteiten voortdurend vermelden. Hoe dan ook zijn slechts 29 van de gebouwen in het contract opgenomen in de taxatie door Agdestein, terwijl gebouw nr. 31 (een opslagloods) ontbreekt. Dit gebouw wordt in het volgende buiten beschouwing gelaten.
(26) Zie overweging 8 hierboven.
(27) Zie bijvoorbeeld Arrest van 17 september 1980, zaak 730/79, Philip Morris Holland BV / Commissie, Jurispr. 1980, blz. 2671, punt 11.
(28) http://www.brreg.no
(29) “Drift av hoteller, pensjonater og moteller med restaurant” (Org nr. 989636073).
(30) Arrest van 4 april 1995, zaak C-350/93, Commissie/Italië, Jurispr. 1995, blz. I-699, punt 22.
(31) Arrest van 17 juni 1999, zaak C-75/97, België/Commissie, Jurispr. 1999, blz. I-3671, punt 66 en arrest van 7 maart 2002, zaak C-310/99, Italië/Commissie, Jurispr. 2002, blz. I-2289, punt 99.
(32) Arrest van 14 januari 1997, zaak C-169/95, Spanje/Commissie, Jurispr. 1997, blz. I-135, punt 51.