|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2013.044.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 44 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
56e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN
|
15.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 44/1 |
Informatie betreffende de datum van ondertekening van het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek Kiribati
De Europese Unie en de regering van de Republiek Kiribati hebben op respectievelijk 9 november 2012 en 15 januari 2013 het Protocol tot vaststelling van de vangstmogelijkheden en de financiële tegenprestatie waarin is voorzien bij de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij ondertekend.
Derhalve is het protocol, overeenkomstig artikel 15, met ingang van 16 september 2012 voorlopig van toepassing.
VERORDENINGEN
|
15.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 44/2 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 129/2013 VAN DE COMMISSIE
van 14 februari 2013
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1121/2009 wat betreft de nationale overgangssteun die in 2013 aan de landbouwers moet worden toegekend, en van Verordening (EG) nr. 1122/2009 wat betreft de verlaging in verband met de vrijwillige aanpassing van de rechtstreekse betalingen in 2013
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad van 19 januari 2009 tot vaststelling van gemeenschappelijke voorschriften voor regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers in het kader van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot vaststelling van bepaalde steunregelingen voor landbouwers, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1290/2005, (EG) nr. 247/2006 en (EG) nr. 378/2007 en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1782/2003 (1), en met name artikel 142, onder c) en e),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op grond van artikel 133 bis van Verordening (EG) nr. 73/2009, als ingevoegd bij Verordening (EU) nr. 671/2012 van het Europees Parlement en de Raad (2), kunnen sommige nieuwe lidstaten in 2013 nationale overgangssteun toekennen onder de voorwaarden die voor de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen gelden. Daarom moet hoofdstuk 2 van titel III van Verordening (EG) nr. 1121/2009 van de Commissie van 29 oktober 2009 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad met betrekking tot de bij de titels IV en V van die verordening ingestelde steunregelingen (3), dat uitvoeringsbepalingen voor de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen bevat, worden gewijzigd om met die overgangssteun rekening te houden. |
|
(2) |
Artikel 10 ter van Verordening (EG) nr. 73/2009, als ingevoegd bij Verordening (EU) nr. 671/2012, voorziet in een mechanisme voor de vrijwillige aanpassing van de rechtstreekse betalingen in 2013. Het is bijgevolg dienstig artikel 79, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1122/2009 van de Commissie van 30 november 2009 tot vaststelling van bepalingen ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden, de modulatie en het geïntegreerd beheers- en controlesysteem in het kader van de bij die verordening ingestelde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening aan landbouwers en ter uitvoering van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad wat betreft de randvoorwaarden in het kader van de steunregeling voor de wijnsector (4) dienovereenkomstig aan te passen. |
|
(3) |
Verordening (EG) nr. 1121/2009 en Verordening (EG) nr. 1122/2009 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(4) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité van beheer voor rechtstreekse betalingen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1121/2009
Verordening (EG) nr. 1121/2009 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In titel III wordt de titel van hoofdstuk 2 vervangen door: „Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen en nationale overgangssteun” . |
|
2) |
Artikel 91 wordt vervangen door: „Artikel 91 Verlagingscoëfficiënt Als in een bepaalde sector de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen of de nationale overgangssteun hoger zouden zijn dan het maximumniveau dat de Commissie overeenkomstig artikel 132, lid 7, of artikel 133 bis, lid 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 toestaat, wordt de hoogte van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen of van de nationale overgangssteun in de betrokken sector proportioneel verlaagd door toepassing van een verlagingscoëfficiënt.”. |
|
3) |
De artikelen 93, 94 en 95 worden vervangen door: „Artikel 93 Controles De nieuwe lidstaten passen adequate controlemaatregelen toe om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de voorwaarden voor de toekenning van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen en de nationale overgangssteun die zijn vastgesteld in de overeenkomstig artikel 132, lid 7, of artikel 133 bis, lid 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009 door de Commissie verleende toestemming. Artikel 94 Jaarverslag De nieuwe lidstaten dienen een verslag met informatie over de maatregelen voor de tenuitvoerlegging van de aanvullende nationale rechtstreekse betalingen en de nationale overgangssteun in vóór 30 juni van het jaar na de tenuitvoerlegging van die betalingen. Het verslag bevat ten minste:
Artikel 95 Staatssteun Aanvullende nationale rechtstreekse betalingen en nationale overgangssteun die worden toegekend in strijd met de toestemming van de Commissie als bedoeld in artikel 132, lid 7, en artikel 133 bis, lid 5, van Verordening (EG) nr. 73/2009, worden beschouwd als onrechtmatige staatssteun in de zin van Verordening (EG) nr. 659/1999 van de Raad (*1). |
Artikel 2
Wijziging van Verordening (EG) nr. 1122/2009
In artikel 79 van Verordening (EG) nr. 1122/2009 wordt lid 1 vervangen door:
„1. Verlagingen in verband met de modulatie als bedoeld in de artikelen 7 en 10 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en, in voorkomend geval, in artikel 1 van Verordening (EG) nr. 378/2007 van de Raad (*2), en voor 2013 in verband met de vrijwillige aanpassing als bedoeld in artikel 10 ter van Verordening (EG) nr. 73/2009, alsmede verlagingen in verband met de financiële discipline als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 73/2009 en verlagingen als bedoeld in artikel 8, lid 1, van die verordening, worden overeenkomstig de in artikel 78 van de onderhavige verordening vastgestelde procedure toegepast op de som van de betalingen die voortvloeien uit de in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 73/2009 genoemde steunregelingen waarop elke landbouwer aanspraak kan maken.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 30 van 31.1.2009, blz. 16.
(2) PB L 204 van 31.7.2012, blz. 11.
|
15.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 44/4 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 130/2013 VAN DE COMMISSIE
van 14 februari 2013
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 14 februari 2013.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
IL |
88,5 |
|
MA |
51,7 |
|
|
TN |
92,5 |
|
|
TR |
105,5 |
|
|
ZZ |
84,6 |
|
|
0707 00 05 |
EG |
158,2 |
|
MA |
176,1 |
|
|
TR |
176,7 |
|
|
ZZ |
170,3 |
|
|
0709 91 00 |
EG |
91,5 |
|
ZZ |
91,5 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
51,2 |
|
TR |
125,6 |
|
|
ZZ |
88,4 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
51,8 |
|
IL |
65,4 |
|
|
MA |
62,1 |
|
|
TN |
51,5 |
|
|
TR |
62,8 |
|
|
ZZ |
58,7 |
|
|
0805 20 10 |
IL |
129,5 |
|
MA |
104,7 |
|
|
ZZ |
117,1 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
IL |
130,8 |
|
KR |
135,8 |
|
|
MA |
119,3 |
|
|
TR |
76,0 |
|
|
ZA |
148,7 |
|
|
ZZ |
122,1 |
|
|
0805 50 10 |
EG |
83,9 |
|
MA |
60,5 |
|
|
TR |
75,6 |
|
|
ZZ |
73,3 |
|
|
0808 10 80 |
CN |
83,9 |
|
MK |
28,7 |
|
|
US |
189,2 |
|
|
ZZ |
100,6 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
150,6 |
|
CL |
153,9 |
|
|
CN |
36,6 |
|
|
TR |
172,1 |
|
|
US |
140,7 |
|
|
ZA |
110,5 |
|
|
ZZ |
127,4 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
RICHTLIJNEN
|
15.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 44/6 |
RICHTLIJN 2013/3/EU VAN DE COMMISSIE
van 14 februari 2013
tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad met het oog op de uitbreiding van de opneming in bijlage I bij die richtlijn van de werkzame stof thiamethoxam tot productsoort 18
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Thiamethoxam is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
Richtlijn 2008/77/EG van de Commissie van 25 juli 2008 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde thiamethoxam als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen (3) regelt de opneming van thiamethoxam als werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG voor gebruik in productsoort 8 (houtconserveringsmiddelen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG. |
|
(3) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is thiamethoxam overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn. |
|
(4) |
Spanje is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 14, leden 4 en 6, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 2 maart 2009 bij de Commissie ingediend. |
|
(5) |
Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 21 september 2012 in een beoordelingsverslag opgenomen. |
|
(6) |
Uit de onderzoeken blijkt dat van biociden die als insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen worden gebruikt en thiamethoxam bevatten, kan worden verwacht dat ze aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet thiamethoxam in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen met betrekking tot productsoort 18. |
|
(7) |
Niet alle mogelijke toepassingen zijn op het niveau van de Unie beoordeeld. Zo zijn bijvoorbeeld het gebruik buitenshuis en het gebruik door niet-beroepsmatige gebruikers niet beoordeeld. Daarom is het passend dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken. |
|
(8) |
Gezien de vastgestelde onaanvaardbare risico’s voor beroepsmatige gebruikers bij het opbrengen met een borstel, is het passend te bepalen dat producten niet worden toegelaten voor dergelijke toepassingen, tenzij gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van zowel artikel 5 als bijlage VI van Richtlijn 98/8/EG zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen. |
|
(9) |
Gezien de vastgestelde risico’s voor het aquatische en het terrestrische ecosysteem wanneer producten via een afvalwaterzuiveringsinstallatie of rechtstreeks in het oppervlaktewater worden geëmitteerd, is het passend te bepalen dat producten niet worden toegelaten voor dergelijke toepassingen, tenzij gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van zowel artikel 5 als bijlage VI van Richtlijn 98/8/EG zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen. |
|
(10) |
Gezien de in verschillende gebruiksscenario’s zonder persoonlijke beschermingsmiddelen gesignaleerde risico’s, is het passend te eisen dat voor professioneel gebruik toegelaten producten met dergelijke beschermingsmiddelen worden gebruikt, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s voor professionele gebruikers op een andere wijze tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden gereduceerd. |
|
(11) |
In het licht van de bevindingen in het beoordelingsrapport, dat er een indirecte blootstelling van mensen via de consumptie van levensmiddelen mogelijk is ten gevolge van toepassingen die in het kader van de beoordeling zijn onderzocht, dient bovendien, waar nodig, te worden geëist dat wordt nagegaan of nieuwe, dan wel gewijzigde maximumgehalten aan residuen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (4) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (5). Er moeten maatregelen worden genomen om te garanderen dat de geldende maximumgehalten aan residuen niet worden overschreden. |
|
(12) |
Gezien de vastgestelde risico’s voor het milieu dient bij de verlening van toelatingen te worden gezorgd voor passende risicobeperkende maatregelen voor de bescherming van honingbijen. |
|
(13) |
De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden die als werkzame stof thiamethoxam bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken. |
|
(14) |
Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven om zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat. |
|
(15) |
Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG. |
|
(16) |
Richtlijn 98/8/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(17) |
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van de lidstaten en de Commissie van 28 september 2011 over toelichtende stukken (6) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in verantwoorde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. |
|
(18) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 januari 2014 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 februari 2015.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 14 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.
(2) PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.
(3) PB L 198 van 26.7.2008, blz. 41.
(4) PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.
BIJLAGE
Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding nr. 14 toegevoegd:
|
Nr. |
Triviale naam |
IUPAC-naam Identificatienummers |
Minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof (*1) |
Datum van opneming |
Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, tenzij een van de in de voetnoot bij dit rubriekopschrift vermelde uitzonderingen van toepassing is (*2) |
Datum waarop de opneming verstrijkt |
Productsoort |
Specifieke bepalingen (*3) |
||||
|
|
|
|
„980 g/kg |
1 februari 2015 |
31 januari 2017 |
31 januari 2025 |
18 |
Op het niveau van de Unie zijn niet alle mogelijke toepassingen beoordeeld; bepaalde gebruiksvormen, zoals het gebruik buitenshuis en het gebruik door niet-beroepsmatige gebruikers, werden uitgesloten. Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen. Producten worden alleen toegelaten voor het opbrengen met een borstel wanneer gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product zal voldoen aan de eisen van artikel 5 en bijlage VI, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen. Voor producten die thiametoxam bevatten waarvan residuen in levensmiddelen of diervoeders kunnen achterblijven, gaan de lidstaten na of nieuwe of gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL’s) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 of Verordening (EG) nr. 396/2005 en nemen zij de nodige risicobeperkende maatregelen om te garanderen dat de geldende MRL’s niet worden overschreden. Producten die op zodanige wijze worden gebruikt dat emissies via een afvalwaterzuiveringsinstallatie of rechtstreeks in het oppervlaktewater niet kunnen worden vermeden, worden niet toegelaten, tenzij gegevens worden overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van artikel 5 en bijlage VI zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen. De lidstaten zorgen ervoor dat bij toelating de volgende voorwaarden worden gesteld:
|
(*1) De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 11 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het op de markt gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde stof.
(*2) Voor producten die meer dan één in artikel 16, lid 2, bedoelde werkzame stof bevatten, is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die geldt voor de laatste van zijn in deze bijlage op te nemen werkzame stoffen. Voor producten waarvoor de eerste toelating later dan 120 dagen voor de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, is verleend en waarvoor binnen 60 dagen na de verlening van de eerste toelating een volledige aanvraag voor wederzijdse erkenning is ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 1, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, met betrekking tot die aanvraag verlengd tot 120 dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag voor wederzijdse erkenning. Voor producten waarvoor een lidstaat heeft voorgesteld om overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de wederzijdse erkenning af te wijken, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3 verlengd tot dertig dagen na de datum waarop het besluit van de Commissie is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 4, tweede alinea.
(*3) Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm.
|
15.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 44/10 |
RICHTLIJN 2013/4/EU VAN DE COMMISSIE
van 14 februari 2013
tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde didecyldimethylammoniumchloride als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 betreffende de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Didecyldimethylammoniumchloride is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is didecyldimethylammoniumchloride overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 8 (houtconserveringsmiddelen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn. |
|
(3) |
Italië is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 10, leden 5 en 7, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 14 augustus 2007 bij de Commissie ingediend. |
|
(4) |
Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 21 september 2012 in een beoordelingsverslag opgenomen. |
|
(5) |
Uit de onderzoeken blijkt dat van biociden die als houtconserveringsmiddelen worden gebruikt en didecyldimethylammoniumchloride bevatten, kan worden verwacht dat ze aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet didecyldimethylammoniumchloride voor gebruik in productsoort 8 in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen. |
|
(6) |
Niet alle mogelijke toepassingen en blootstellingsscenario’s zijn op het niveau van de Unie beoordeeld. Zo zijn bijvoorbeeld noch het gebruik voor niet-professionals, noch de blootstelling van levensmiddelen of diervoeders beoordeeld. Daarom is het passend voor te schrijven dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken. |
|
(7) |
Gezien de gesignaleerde risico’s voor de gezondheid van de mens is het passend te eisen dat veilige operationele procedures worden vastgesteld, dat de producten met passende persoonlijke beschermingsmiddelen worden gebruikt en dat de producten niet worden toegepast op hout waar kinderen in direct contact mee kunnen komen, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. |
|
(8) |
Gezien de risico’s die zijn vastgesteld voor het milieu is het raadzaam te eisen dat het industrieel of professioneel aanbrengen van het product wordt uitgevoerd binnen een afgesloten gebied of op een ondoordringbare harde ondergrond met afdamming, dat pas behandeld hout na de behandeling op een ondoordringbare harde ondergrond wordt opgeslagen om rechtstreekse verliezen naar de bodem of naar water te voorkomen en dat verliezen bij het aanbrengen van producten die als houtconserveringsmiddel worden gebruikt en didecyldimethylammoniumchloride bevatten met het oog op hergebruik of verwijdering worden opgevangen. |
|
(9) |
Er zijn onaanvaardbare risico’s voor het milieu gesignaleerd in situaties waarbij hout dat met didecyldimethylammoniumchloride was behandeld permanent aan de weersomstandigheden was blootgesteld of vaak nat was geworden (gebruiksklasse 3 als gedefinieerd door de OESO (3)), gebruikt was voor constructies in de openlucht nabij of boven water (gebruiksklasse 3 als gedefinieerd door de OESO, in het scenario „brug over vijver” (4)) of in contact stond met zoet water (gebruiksklasse 4b als gedefinieerd door de OESO (5)). Het is bijgevolg passend te eisen dat producten alleen worden toegelaten voor de behandeling van hout dat voor dergelijke vormen van gebruik is bedoeld, wanneer gegevens zijn overgelegd die aantonen dat het product aan de eisen van artikel 5 van en bijlage VI bij Richtlijn 98/8/EG zal voldoen, indien nodig door toepassing van passende risicobeperkende maatregelen. |
|
(10) |
De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden van productsoort 8 die als werkzame stof didecyldimethylammoniumchloride bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken. |
|
(11) |
Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat. |
|
(12) |
Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG. |
|
(13) |
Richtlijn 98/8/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(14) |
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (6) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden in verantwoorde gevallen de kennisgeving van omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. |
|
(15) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 januari 2014 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 februari 2015.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 14 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.
(2) PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.
(3) OESO-reeks „Emission scenario documents”, nummer 2, Emission Scenario Document for Wood Preservatives, deel 2, blz. 64.
(4) Idem.
(5) Idem.
BIJLAGE
Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding toegevoegd:
|
Nr. |
Triviale naam |
IUPAC-naam Identificatienummers |
Minimale zuiverheid van de werkzame stof (*1) |
Datum van opneming |
Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, tenzij een van de in de voetnoot bij dit rubriekopschrift vermelde uitzonderingen van toepassing is (*2) |
Datum waarop de opneming verstrijkt |
Productsoort |
Specifieke bepalingen (*3) |
||||||||
|
„61 |
didecyldimethylammoniumchloride DDAC |
N,N-didecyl-N,N-dimethylammoniumchloride EC-nummer: 230-525-2 CAS-nr.: 7173-51-5 |
Drooggewicht: 870 g/kg |
1 februari 2015 |
31 januari 2017 |
31 januari 2025 |
8 |
Bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie zijn niet alle mogelijke toepassingen en blootstellingsscenario’s aan bod gekomen; bepaalde toepassingen en blootstellingsscenario’s, zoals gebruik door niet-beroepsmatige gebruikers en blootstelling van levensmiddelen of diervoeders zijn niet beoordeeld. Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen. De lidstaten zorgen ervoor dat bij toelating de volgende voorwaarden worden gesteld:
|
(*1) De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 11 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het op de markt gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde stof.
(*2) Voor producten die meer dan één in artikel 16, lid 2, bedoelde werkzame stof bevatten, is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die geldt voor de laatste van zijn in deze bijlage op te nemen werkzame stoffen. Voor producten waarvoor de eerste toelating later dan 120 dagen voor de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, is verleend en waarvoor binnen 60 dagen na de verlening van de eerste toelating een volledige aanvraag voor wederzijdse erkenning is ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 1, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, met betrekking tot die aanvraag verlengd tot 120 dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag voor wederzijdse erkenning. Voor producten waarvoor een lidstaat heeft voorgesteld om overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de wederzijdse erkenning af te wijken, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3 verlengd tot dertig dagen na de datum waarop het besluit van de Commissie is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 4, tweede alinea.
(*3) Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm
|
15.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 44/14 |
RICHTLIJN 2013/5/EU VAN DE COMMISSIE
van 14 februari 2013
tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde pyriproxyfen als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name artikel 16, lid 2, tweede alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 1451/2007 van de Commissie van 4 december 2007 inzake de tweede fase van het in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende het op de markt brengen van biociden bedoelde tienjarige werkprogramma (2) is een lijst vastgesteld van werkzame stoffen die met het oog op een mogelijke opneming daarvan in bijlage I, IA of IB bij Richtlijn 98/8/EG dienen te worden beoordeeld. Pyriproxyfen is in die lijst opgenomen. |
|
(2) |
Krachtens Verordening (EG) nr. 1451/2007 is pyriproxyfen overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Richtlijn 98/8/EG beoordeeld voor gebruik in productsoort 18 (insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen), zoals gedefinieerd in bijlage V bij die richtlijn. |
|
(3) |
Nederland is als rapporterende lidstaat aangewezen en heeft het verslag van de bevoegde instantie samen met een aanbeveling overeenkomstig artikel 10, leden 5 en 7, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 op 2 oktober 2009 bij de Commissie ingediend. |
|
(4) |
Het verslag van de bevoegde instantie is door de lidstaten en de Commissie getoetst. Overeenkomstig artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1451/2007 zijn de conclusies van de toetsing binnen het Permanent Comité voor biociden op 21 september 2012 in een beoordelingsverslag opgenomen. |
|
(5) |
Uit de onderzoeken blijkt dat van biociden die als insecticiden, acariciden en producten voor de bestrijding van andere geleedpotigen worden gebruikt en pyriproxyfen bevatten, kan worden verwacht dat ze aan de eisen van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG voldoen. Bijgevolg moet pyriproxyfen in bijlage I bij die richtlijn worden opgenomen voor gebruik in productsoort 18. |
|
(6) |
Niet alle mogelijke toepassingen zijn op het niveau van de Unie beoordeeld, waarbij in het bijzonder alleen beroepsmatig gebruik is beoordeeld. Daarom is het passend voor te schrijven dat de lidstaten de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten beoordelen die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen, en dat zij er bij de verlening van toelatingen voor producten zorg voor dragen dat passende maatregelen worden genomen of specifieke voorwaarden worden opgelegd om de gesignaleerde risico’s tot een aanvaardbaar niveau te beperken. |
|
(7) |
In het licht van de bevindingen in het beoordelingsrapport dat er een indirecte blootstelling van mensen via de consumptie van levensmiddelen mogelijk is ten gevolge van toepassingen die in het kader van de beoordeling zijn onderzocht, dient bovendien, waar nodig, te worden geëist dat wordt nagegaan of nieuwe, dan wel gewijzigde maximumgehalten aan residuen moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 6 mei 2009 tot vaststelling van communautaire procedures voor het vaststellen van grenswaarden voor residuen van farmacologisch werkzame stoffen in levensmiddelen van dierlijke oorsprong, tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 2377/90 van de Raad en tot wijziging van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad en van Verordening (EG) nr. 726/2004 van het Europees Parlement en de Raad (3) of Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (4). Er moeten maatregelen worden genomen om te garanderen dat de geldende maximumgehalten aan residuen niet worden overschreden. |
|
(8) |
Gezien de veronderstellingen die aan de risicobeoordeling ten grondslag liggen, dienen bij de toepassing van voor beroepsmatig gebruik toegelaten producten passende persoonlijke beschermingsmiddelen te worden gebruikt, tenzij in de aanvraag tot toelating van het product het bewijs wordt geleverd dat de risico’s voor werknemers en exploitanten tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden beperkt. |
|
(9) |
Gezien de vastgestelde risico’s voor het milieu, is het passend te eisen dat producten niet worden toegelaten voor rechtstreeks gebruik op oppervlaktewater, tenzij in de aanvraag voor toelating van het product kan worden aangetoond dat de risico’s voor aquatische en terrestrische ecosystemen en voor het grondwater tot een aanvaardbaar niveau kunnen worden gereduceerd, en dat bij toelatingen van producten bestemd voor gebruik in afvalverwerkingsinstallaties passende risicobeperkende maatregelen worden genomen om verontreiniging van het gebied buiten de afvalverwerkingsinstallatie te voorkomen. |
|
(10) |
De bepalingen van deze richtlijn dienen in alle lidstaten tegelijkertijd te worden toegepast teneinde op de markt van de Unie een gelijke behandeling van biociden van productsoort 18 die als werkzame stof pyriproxyfen bevatten, te waarborgen en tevens het goede functioneren van de markt voor biociden in het algemeen te vergemakkelijken. |
|
(11) |
Er dient een redelijke periode te verstrijken voordat een werkzame stof in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt opgenomen, teneinde de lidstaten en de betrokken partijen de gelegenheid te geven zich voor te bereiden om aan de nieuwe eisen die dit meebrengt, te voldoen en ervoor te zorgen dat aanvragers die dossiers hebben samengesteld, volledig kunnen profiteren van de periode van tien jaar voor gegevensbescherming die overeenkomstig artikel 12, lid 1, onder c), ii), van Richtlijn 98/8/EG op de datum van opneming ingaat. |
|
(12) |
Na de opneming moeten de lidstaten over een redelijke termijn beschikken voor de tenuitvoerlegging van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 98/8/EG. |
|
(13) |
Richtlijn 98/8/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(14) |
Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (5) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in verantwoorde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. |
|
(15) |
De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden, |
HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.
Artikel 2
1. De lidstaten dienen uiterlijk op 31 januari 2014 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen vast te stellen en bekend te maken om aan deze richtlijn te voldoen.
Zij passen die bepalingen toe vanaf 1 februari 2015.
Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in de bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.
2. De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het gebied waarop deze richtlijn van toepassing is, vaststellen.
Artikel 3
Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 4
Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 14 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.
(2) PB L 325 van 11.12.2007, blz. 3.
(3) PB L 152 van 16.6.2009, blz. 11.
BIJLAGE
Aan bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG wordt de volgende vermelding toegevoegd:
|
Nr. |
Triviale naam |
IUPAC-naam Identificatienummers |
Minimale zuiverheid van de werkzame stof (*1) |
Datum van opneming |
Termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, tenzij een van de in de voetnoot bij dit rubriekopschrift vermelde uitzonderingen van toepassing is (*2) |
Datum waarop de opneming verstrijkt |
Productsoort |
Specifieke bepalingen (*3) |
||||||
|
„62 |
Pyriproxyfen |
4-fenoxyfenyl-(RS)-2-(2-pyridyloxy)propylether EC-nr.: 429-800-1 CAS-nr.: 95737-68-1 |
970 g/kg |
1 februari 2015 |
31 januari 2017 |
31 januari 2025 |
18 |
Bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie zijn niet alle mogelijke toepassingen en blootstellingsscenario’s aan bod gekomen; bepaalde gebruiksvormen en blootstellingsscenario’s, zoals het gebruik door niet-beroepsmatige gebruikers, werden uitgesloten. Wanneer de lidstaten een aanvraag tot toelating van een product beoordelen overeenkomstig artikel 5 en bijlage VI, beoordelen zij, voor zover dit voor het product in kwestie relevant is, de toepassingen of blootstellingsscenario’s en de risico’s voor bevolkingsgroepen en milieucompartimenten die bij de risicobeoordeling op het niveau van de Unie niet op een representatieve wijze aan bod zijn gekomen. Voor producten die pyriproxyfen bevatten waarvan residuen in levensmiddelen of diervoeders kunnen achterblijven, gaan de lidstaten na of nieuwe of gewijzigde maximumgehalten aan residuen (MRL’s) moeten worden vastgesteld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 470/2009 of Verordening (EG) nr. 396/2005 en nemen zij de nodige risicobeperkende maatregelen om te garanderen dat de geldende MRL’s niet worden overschreden. De lidstaten zorgen ervoor dat bij toelating de volgende voorwaarden worden gesteld:
|
(*1) De in deze kolom vermelde zuiverheid was de minimale zuiverheidsgraad van de werkzame stof die voor de overeenkomstig artikel 11 uitgevoerde beoordeling is gebruikt. De werkzame stof in het op de markt gebrachte product kan dezelfde of een andere zuiverheid hebben, voor zover bewezen is dat de werkzame stof technisch gelijkwaardig is aan de beoordeelde stof.
(*2) Voor producten die meer dan één in artikel 16, lid 2, bedoelde werkzame stof bevatten, is de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, de termijn die geldt voor de laatste van zijn in deze bijlage op te nemen werkzame stoffen. Voor producten waarvoor de eerste toelating later dan 120 dagen voor de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, is verleend en waarvoor binnen 60 dagen na de verlening van de eerste toelating een volledige aanvraag voor wederzijdse erkenning is ingediend overeenkomstig artikel 4, lid 1, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3, met betrekking tot die aanvraag verlengd tot 120 dagen na de datum van ontvangst van de aanvraag voor wederzijdse erkenning. Voor producten waarvoor een lidstaat heeft voorgesteld om overeenkomstig artikel 4, lid 4, van de wederzijdse erkenning af te wijken, wordt de termijn voor de naleving van artikel 16, lid 3 verlengd tot dertig dagen na de datum waarop het besluit van de Commissie is vastgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 4, tweede alinea.
(*3) Met het oog op de toepassing van de gemeenschappelijke beginselen van bijlage VI zijn de inhoud en de conclusies van de beoordelingsverslagen beschikbaar op de website van de Commissie: http://ec.europa.eu/comm/environment/biocides/index.htm
BESLUITEN
|
15.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 44/18 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 13 februari 2013
tot goedkeuring door de Commissie van de nationale plannen voor de tenuitvoerlegging van de valideringssystemen overeenkomstig artikel 109, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 651)
(Slechts de teksten in de Bulgaarse, de Deense, de Duitse, de Engelse, de Estse, de Finse, de Franse, de Griekse, de Italiaanse, de Letse, de Litouwse, de Maltese, de Nederlandse, de Poolse, de Portugese, de Sloveense, de Spaanse en de Zweedse taal zijn authentiek)
(2013/82/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (1), en met name artikel 109, lid 8,
Gezien de door de lidstaten ingediende nationale plannen voor de tenuitvoerlegging van de valideringssystemen,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 109, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 stellen de lidstaten een nationaal plan op voor het invoeren van het valideringssysteem, dat de lidstaten in staat moet stellen prioriteiten te stellen voor de validering en de kruiscontroles en het daaruit voortvloeiende onderzoek naar inconsistenties, op basis van risicobeheer. |
|
(2) |
De nationale plannen van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland zijn ter goedkeuring bij de Commissie ingediend. Zij zijn in overeenstemming met artikel 109 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 en de artikelen 143, 144 en 145 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 404/2011 van de Commissie van 8 april 2011 houdende bepalingen voor de uitvoering van Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (2) Zij moeten bijgevolg worden goedgekeurd. |
|
(3) |
Dit besluit dient te worden beschouwd als het goedkeuringsbesluit in de zin van artikel 109, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1224/2009. |
|
(4) |
De Commissie zal toezicht houden op de toepassing van de nationale plannen teneinde zich ervan te vergewissen dat deze doeltreffend werken. Indien op basis van de bevindingen van de door de Commissie in het kader van titel X van Verordening (EG) nr. 1224/2009 verrichte verificaties en audits wijzigingen aan de nationale valideringsplannen noodzakelijk worden geacht, dienen de lidstaten hun plannen dienovereenkomstig te wijzigen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De in artikel 109, lid 8, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 bedoelde nationale plannen van het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland voor het invoeren van het valideringssysteem worden goedgekeurd.
2. Indien de Commissie op basis van de bevindingen van de in het kader van titel X van Verordening (EG) nr. 1224/2009 verrichte verificaties en audits van oordeel is dat de overeenkomstig lid 1 goedgekeurde valideringsplannen niet garanderen dat de verplichtingen uit hoofde van artikel 109 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 daadwerkelijk worden nagekomen, kan zij, na raadpleging van de betrokken lidstaten, verzoeken de plannen te wijzigen.
3. De lidstaten wijzigen hun valideringsplannen overeenkomstig het in lid 2 bedoelde verzoek van de Commissie.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, de Republiek Slovenië, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland.
Gedaan te Brussel, 13 februari 2013.
Voor de Commissie
Maria DAMANAKI
Lid van de Commissie