ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2013.035.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 35

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

56e jaargang
6 februari 2013


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Verordening (EU) nr. 107/2013 van de Commissie van 5 februari 2013 tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan melamine in blikvoeder voor gezelschapsdieren ( 1 )

1

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 108/2013 van de Commissie van 5 februari 2013 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

3

 

 

BESLUITEN

 

 

2013/75/EU

 

*

Besluit van de Raad van 4 februari 2013 houdende benoeming van een Deense plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

5

 

 

2013/76/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 4 februari 2013 tot wijziging van Beschikking 2009/719/EG tot machtiging van bepaalde lidstaten om hun jaarlijkse programma voor toezicht op BSE te herzien (Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 435)  ( 1 )

6

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

6.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 35/1


VERORDENING (EU) Nr. 107/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 februari 2013

tot wijziging van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumgehalten aan melamine in blikvoeder voor gezelschapsdieren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2002/32/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 mei 2002 inzake ongewenste stoffen in diervoeding (1), en met name artikel 8, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 2002/32/EG verbiedt het gebruik van producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren en waarvan het gehalte aan ongewenste stoffen de in bijlage I bij die richtlijn vermelde maximumgehalten overschrijdt.

(2)

Er is informatie ingediend waaruit blijkt dat melamine wordt gebruikt in de deklaag van blikken voor diervoeder en kan migreren naar dat diervoeder. Blikken met diezelfde deklaag worden gebruikt voor het inblikken van levensmiddelen en volgens het wetenschappelijk advies van Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) betreffende melamine in levensmiddelen en diervoeder (2), is bij Verordening (EU) nr. 10/2011 van de Commissie van 14 januari 2011 betreffende materialen en voorwerpen van kunststof, bestemd om met levensmiddelen in contact te komen (3), zoals gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 1282/2011 (4), een specifieke migratielimiet van 2,5 mg/kg voor conserven in blik als dusdanig vastgelegd.

(3)

De Commissie van de Codex Alimentarius heeft maximumgehalten voor melamine in diervoeder en levensmiddelen (5) vastgesteld die gelden voor diervoeder in de vorm waarin het wordt verkocht, terwijl de maximumgehalten van Richtlijn 2002/32/EG van toepassing zijn op diervoeder met een vochtgehalte van 12 %.

(4)

Uit recentelijk ingediende informatie blijkt dat bij diervoeder met een vochtgehalte van meer dan 12 % meer dan 2,5 mg/kg aan melamine uit de deklaag van het blik naar nat voeder voor gezelschapsdieren kan migreren, maar de SML van 2,5 mg/kg voor nat voeder voor gezelschapsdieren niet overschrijdt. Gezien de ontwikkeling van de wetenschappelijke en technische kennis moet het maximumgehalte van 2,5 mg/kg aan melamine voor nat blikvoeder voor gezelschapsdieren, in overeenstemming met de bepalingen voor conserven in blik, worden vastgesteld voor de vorm waarin dit blikvoeder wordt verkocht.

(5)

Richtlijn 2002/32/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(6)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad heeft zich daartegen verzet,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 februari 2013.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 140 van 30.5.2002, blz. 10.

(2)  EFSA Panel on Contaminants in the Food Chain (CONTAM) and EFSA Panel on Food Contact Materials, Enzymes, Flavourings and Processing Aids (CEF); Scientific Opinion on Melamine in Food and Feed. EFSA Journal 2010; 8(4):1573. [145 blz.]. doi:10.2903/j.efsa.2010.1573. Online raadpleegbaar: http://www.efsa.europa.eu/en/scdocs/doc/1573.pdf.

(3)   PB L 12 van 15.1.2011, blz. 1.

(4)   PB L 328 van 10.12.2011, blz. 22.

(5)  Verslag over de drieëndertigste zitting van het gezamenlijke FAO/WHO-voedselnormenprogramma, Codex Alimentarius-commissie, Genève, Zwitserland, 5-9 juli 2010 (ALINORM 10/33/REP).


BIJLAGE

Vermelding 7 in afdeling I van bijlage I bij Richtlijn 2002/32/EG wordt vervangen door:

Ongewenste stoffen

Producten die bedoeld zijn voor het voederen van dieren

Maximumgehalte in mg/kg (ppm) van diervoeder met een vochtgehalte van 12 %

„7.

Melamine (9)

Diervoeders

2,5

met uitzondering van

 

blikvoeder voor gezelschapsdieren

2,5  (*1)

de volgende toevoegingsmiddelen voor diervoeding:

 

- -

guanidinoazijnzuur (GAA);

- -

ureum;

- -

biureet.


(*1)  Het maximumgehalte geldt voor blikvoeder voor gezelschapsdieren in de vorm waarin dit wordt verkocht.”.


6.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 35/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 108/2013 VAN DE COMMISSIE

van 5 februari 2013

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 februari 2013.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

MA

44,9

PS

160,8

TN

79,0

TR

112,8

ZZ

99,4

0707 00 05

MA

124,7

TR

169,8

ZZ

147,3

0709 91 00

EG

97,7

ZZ

97,7

0709 93 10

MA

50,2

TR

152,9

ZZ

101,6

0805 10 20

EG

53,9

IL

64,5

MA

58,7

TN

51,9

TR

63,5

ZZ

58,5

0805 20 10

IL

130,2

MA

93,0

ZZ

111,6

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

IL

123,5

KR

134,4

MA

120,1

TR

67,4

ZZ

111,4

0805 50 10

TR

70,4

ZZ

70,4

0808 10 80

AR

86,6

CN

99,8

MK

25,7

US

178,2

ZZ

97,6

0808 30 90

CN

53,8

TR

158,2

US

140,7

ZA

111,7

ZZ

116,1


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

6.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 35/5


BESLUIT VAN DE RAAD

van 4 februari 2013

houdende benoeming van een Deense plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

(2013/75/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Deense regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 en 18 januari 2010 heeft de Raad de Besluiten 2009/1014/EU (1) en 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio’s is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen door het verstrijken van het mandaat van de heer Martin MERRILD,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio’s wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2015, benoemd tot plaatsvervanger:

de heer Erik FLYVHOLM, Borgmester i Lemvig Kommune.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 4 februari 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

E. GILMORE


(1)   PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)   PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.


6.2.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 35/6


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 4 februari 2013

tot wijziging van Beschikking 2009/719/EG tot machtiging van bepaalde lidstaten om hun jaarlijkse programma voor toezicht op BSE te herzien

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2013) 435)

(Voor de EER relevante tekst)

(2013/76/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 999/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2001 houdende vaststelling van voorschriften inzake preventie, bestrijding en uitroeiing van bepaalde overdraagbare spongiforme encefalopathieën (1), en met name artikel 6, lid 1 ter, tweede alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 6, lid 1 ter, van Verordening (EG) nr. 999/2001 bepaalt dat voor de lidstaten die overeenkomstig bepaalde criteria hebben aangetoond dat hun epidemiologische situatie is verbeterd, de jaarlijkse programma’s voor toezicht kunnen worden herzien.

(2)

De bijlage bij Beschikking 2009/719/EG van de Commissie van 28 september 2009 tot machtiging van bepaalde lidstaten om hun jaarlijkse programma voor toezicht op BSE te herzien (2), zoals gewijzigd bij Uitvoeringsbesluit 2011/358/EU (3), bevat een lijst van 25 lidstaten die zijn gemachtigd om hun jaarlijkse programma voor toezicht te herzien overeenkomstig artikel 6, lid 1 ter, van Verordening (EG) nr. 999/2001 (hierna de EU-25 genoemd).

(3)

Met betrekking tot het toezicht op runderen die normaal geslacht worden met het oog op menselijke consumptie, bepaalt artikel 2, lid 1, onder a), van Beschikking 2009/719/EG dat de EU-25 alle runderen die ouder zijn dan 72 maanden moeten testen op BSE, terwijl artikel 2, lid 3, bepaalt dat vanaf 1 januari 2013 de EU-25 kunnen besluiten om alleen een minimaal jaarlijks monster van de geslachte gezonde runderen die ouder dan 72 maanden zijn, te testen.

(4)

Op 8 oktober 2012 keurde de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) een verslag voor wetenschappelijke en technische bijstand goed met betrekking tot de minimale steekproefgrootte voor tests, voor het geval dat voor gezond geslachte runderen een jaarlijkse statistische BSE-testregeling zou worden toegestaan (4).

(5)

In haar verslag concludeert de EFSA dat, volgens de ramingen op grond van een model dat is ontwikkeld in antwoord op het mandaat van de Commissie (C-TSEMM-model), geen gezonde slachtdieren behoeven te worden getest opdat het huidige bewakingssysteem van risico opleverende subpopulaties (gestorven dieren, noodslachtingen en klinische verdenkingen) in de EU-25 als geheel met een betrouwbaarheid van 95 % voldoet aan een aangenomen prevalentie van één aantoonbaar geval per 100 000 volwassen runderen, de internationale norm die door de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE) is opgesteld voor de prestaties van BSE-bewakingssystemen. Als in 2011 geen geslachte gezonde dieren zouden zijn getest, zou het bewakingssysteem nog steeds met een betrouwbaarheid van 95 % een aangenomen prevalentie van één geval per 5 355 627 bij de volwassen bevolking van de EU-25 hebben gewaarborgd.

(6)

Gezien het dalende aantal gevallen van BSE in de Europese Unie, de opvatting van de EFSA dat in de EU-25 het bewakingssysteem op basis van het uitsluitend testen van risicosubpopulaties gemakkelijk voldoet aan de internationale norm inzake de prestaties van BSE-bewakingssystemen, en het feit dat het testen van geslachte gezonde dieren niet vereist is om te voldoen aan de internationale norm die door de OIE is vastgesteld voor het toezicht op BSE, mits de dieren uit de drie risico opleverende subpopulaties worden getest, kan het testen van geslachte gezonde runderen in de EU-25 worden stopgezet. De bepalingen inzake het bewakingssysteem van geslachte gezonde runderen in de EU-25 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 2, lid 3, van Beschikking 2009/719/EG wordt vervangen door:

„3.   In afwijking van lid 1, onder a), kunnen de in de bijlage opgenomen lidstaten vanaf 1 januari 2013 besluiten om de in dat punt bedoelde subpopulaties niet te testen.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 4 februari 2013.

Voor de Commissie

Tonio BORG

Lid van de Commissie


(1)   PB L 147 van 31.5.2001, blz. 1.

(2)   PB L 256 van 29.9.2009, blz. 35.

(3)   PB L 161 van 21.6.2011, blz. 29.

(4)  EFSA Journal 2012; 10(10):2913.