|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2013.034.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 34 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
56e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
5.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 34/1 |
VERORDENING (EU) Nr. 101/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2013
betreffende het gebruik van melkzuur voor de terugdringing van microbiologische oppervlaktecontaminatie van runderkarkassen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 3, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake levensmiddelenhygiëne (2) bevat algemene voorschriften inzake levensmiddelenhygiëne voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven, waarbij met name rekening wordt gehouden met het beginsel van de algemene toepassing van procedures die gebaseerd zijn op de (Hazard Analysis and Critical Control Points). |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 853/2004 stelt specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong voor exploitanten van levensmiddelenbedrijven vast. De verordening bepaalt dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven geen andere stoffen dan drinkwater mogen gebruiken om de buitenkant van producten van dierlijke oorsprong te reinigen, tenzij het gebruik van de stof is goedgekeurd overeenkomstig die verordening. |
|
(3) |
Daarnaast stelt Verordening (EG) nr. 2073/2005 van de Commissie van 15 november 2005 inzake microbiologische criteria voor levensmiddelen (3) de microbiologische criteria voor bepaalde micro-organismen en de uitvoeringsbepalingen vast waaraan exploitanten van levensmiddelenbedrijven moeten voldoen bij de toepassing van de algemene en specifieke hygiënemaatregelen als bedoeld in Verordening (EG) nr. 852/2004. De verordening bepaalt dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven ervoor moeten zorgen dat levensmiddelen voldoen aan die microbiologische criteria. |
|
(4) |
Op 14 december 2010 heeft de Commissie een aanvraag ontvangen voor de goedkeuring van het gebruik van melkzuur voor de terugdringing van oppervlaktecontaminatie van karkassen en vlees van runderen. |
|
(5) |
Op 26 juli 2011 heeft de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid („EFSA” genoemd) een wetenschappelijk advies uitgebracht over de beoordeling van de veiligheid en werkzaamheid van melkzuur voor de verwijdering van microbiële oppervlaktecontaminatie van karkassen, deelstukken en snijresten van runderen (4). In het advies concludeert de EFSA dat de behandelingen met melkzuur voor decontaminatie geen veiligheidsrisico inhouden, mits de gebruikte stof voldoet aan de EU-specificaties van levensmiddelenadditieven. |
|
(6) |
Verder concludeert de EFSA dat behandelingen met melkzuur een aanzienlijke vermindering van de microbiologische verontreiniging opleveren in vergelijking met een situatie waarin geen behandeling of een behandeling met drinkwater plaatsvindt, en dat het onwaarschijnlijk is dat deze behandelingen zouden bijdragen aan de ontwikkeling van microbiële resistentie. |
|
(7) |
De EFSA adviseert dat exploitanten van levensmiddelenbedrijven de antimicrobiële werkzaamheid van dergelijke behandelingen valideren in hun specifieke verwerkingscondities en het melkzuurgehalte, de temperatuur van toepassing en andere factoren die van invloed zijn op de werkzaamheid ervan als een decontaminatiemiddel, verifiëren. De EFSA concludeerde in haar advies ook dat dit gebruik van melkzuur geen negatieve gevolgen voor het milieu had. |
|
(8) |
Volgens het EFSA-advies zal het restgehalte dat als gevolg van een melkzuurbehandeling door het rundvlees wordt geabsorbeerd, niet hoger liggen dan 190 mg/kg. Dit wordt beschouwd als een restgehalte in vergelijking met het actieve gehalte dat noodzakelijk is om microbiële oppervlaktecontaminatie terug te dringen. Bovendien heeft het geen technologische gevolgen voor het eindproduct. Daarnaast is het restgehalte aan melkzuur dat wordt gebruikt om de microbiële verontreiniging aan de buitenkant terug te dringen, te verwaarlozen in vergelijking met het melkzuurgehalte dat van nature in rundvlees aanwezig is en houdt het geen veiligheidsrisico in. In bepaalde vleesbereidingen zijn melkzuurzouten toegelaten als levensmiddelenadditief voor conserveringsdoeleinden. Daarbij worden gewoonlijk niveaus van 20 000 mg/kg toegepast. Het gebruik van melkzuur met als doel de microbiële verontreiniging aan de buitenkant te verminderen, is derhalve duidelijk te onderscheiden van het gebruik van de stof als levensmiddelenadditief. |
|
(9) |
In het licht van het EFSA-advies, rekening houdend met het feit dat melkzuur mogelijke microbiologische contaminatie aanzienlijk kan terugdringen, moet het gebruik ervan ter terugdringing van de oppervlaktebesmetting worden goedgekeurd. Een dergelijk gebruik moet evenwel aan bepaalde voorwaarden worden onderworpen. Het gebruik ervan moet worden beperkt tot hele of halve karkassen of voor- of achtervoeten op het niveau van het slachthuis en moet worden geïntegreerd in goede hygiënepraktijken en op HACCP gebaseerde systemen. |
|
(10) |
Verordening (EU) nr. 231/2012 van de Commissie van 9 maart 2012 tot vaststelling van de specificaties van de in de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad opgenomen levensmiddelenadditieven (5) stelt specificaties voor levensmiddelenadditieven vast met betrekking tot met name de herkomst ervan, zuiverheidseisen en eventuele andere noodzakelijke informatie. |
|
(11) |
Overeenkomstig het EFSA-advies moet melkzuur dat wordt gebruikt voor de terugdringing van de oppervlaktecontaminatie van runderkarkassen voldoen aan de specificaties voor melkzuur die zijn vastgelegd in de wetgeving van de Unie. Waar melkzuur wordt gebruikt voor de terugdringing van microbiologische oppervlaktecontaminatie overeenkomstig deze verordening, moet dit melkzuur voldoen aan de specificaties van Verordening (EU) nr. 231/2012. |
|
(12) |
Het gebruik van melkzuur voor de terugdringing van microbiologische oppervlaktecontaminatie van hele of halve karkassen of voor- of achtervoeten van runderen mag niets afdoen aan de plicht van de exploitant van het levensmiddelenbedrijf om te voldoen aan de voorschriften van de wetgeving van de Unie inzake levensmiddelenhygiëne, zoals vastgesteld in de Verordeningen (EG) nr. 852/2004, (EG) nr. 853/2004 en (EG) nr. 2073/2005, en mag geenszins worden beschouwd als een vervanging voor goede hygiënische praktijken en operationele procedures of als alternatief voor de naleving van de voorschriften van die verordeningen. |
|
(13) |
Het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid heeft binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn geen advies uitgebracht. De Commissie heeft daarom bij de Raad een voorstel met betrekking tot deze maatregel ingediend en dit tegelijkertijd doorgestuurd aan het Europees Parlement. |
|
(14) |
Aangezien de Raad niet heeft gehandeld en het Europees Parlement geen bezwaar tegen de maatregel heeft gemaakt binnen de toepasselijke termijnen, moet de Commissie de maatregel vaststellen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven mogen melkzuur gebruiken voor de terugdringing van microbiologische oppervlaktecontaminatie van hele of halve karkassen of voor- of achtervoeten van runderen op het niveau van het slachthuis, onder de in de bijlage bij deze verordening vastgestelde voorwaarden.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.
(2) PB L 139 van 30.4.2004, blz. 1.
(3) PB L 338 van 22.12.2005, blz. 1.
(4) EFSA Journal 2011; 9(7):2317.
BIJLAGE
DEEL I
Voorwaarden voor het gebruik van melkzuur voor de terugdringing van microbiologische oppervlaktecontaminatie van hele of halve karkassen of voor- of achtervoeten van runderen op het niveau van het slachthuis
|
1. |
Melkzuuroplossingen mogen uitsluitend worden vervaardigd van melkzuur dat voldoet aan de specificaties vervat in Verordening (EU) nr. 231/2012. |
|
2. |
Melkzuuroplossingen:
|
|
3. |
Melkzuuroplossingen mogen niet worden toegepast op karkassen die zichtbaar verontreinigd zijn met uitwerpselen. |
|
4. |
De toepassing van melkzuuroplossingen mag niet leiden tot onomkeerbare fysieke verandering van het vlees. |
DEEL II
Minimale HACCP-criteria en controleparameters
|
1. |
De bemonstering van de karkassen ter beoordeling van de naleving van de microbiologische criteria in de zin van Verordening (EG) nr. 2073/2005 wordt uitgevoerd voorafgaand aan de toepassing van melkzuuroplossingen op de hele of halve karkassen of voor- of achtervoeten. |
|
2. |
Het melkzuurgehalte gedurende de behandeling moet, als onderdeel van het HACCP-plan, worden geverifieerd aan de hand van periodieke monitoring en worden gedocumenteerd en geregistreerd. |
|
3. |
De temperatuur van de melkzuuroplossing gedurende de behandeling moet, als onderdeel van het HACCP-plan, constant worden gecontroleerd door instrumentele metingen en worden gedocumenteerd en geregistreerd. |
DEEL III
Informatie over de behandeling
Exploitanten van levensmiddelenbedrijven die een slachthuis beheren waar melkzuuroplossingen worden gebruikt voor de terugdringing van microbiële oppervlaktecontaminatie van hele of halve karkassen of voor- of achtervoeten, stellen de exploitant van het levensmiddelenbedrijf die de behandelde hele of halve karkassen of voor- of achtervoeten op de hoogte van dit gebruik. Deze informatie wordt schriftelijk vastgelegd.
|
5.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 34/4 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 102/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2013
tot wijziging van Verordening (EU) nr. 206/2010 wat betreft de vermelding van de Verenigde Staten in de lijst van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit levende hoefdieren in de Europese Unie mogen worden binnengebracht, het model van het veterinaire certificaat „POR-X” en de protocollen voor het testen op vesiculaire stomatitis
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2004/68/EG van de Raad van 26 april 2004 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in en de doorvoer via de Gemeenschap van bepaalde levende hoefdieren, tot wijziging van de Richtlijnen 90/426/EEG en 92/65/EEG en tot intrekking van Richtlijn 72/462/EEG (1), en met name artikel 3, lid 1, eerste en tweede alinea, artikel 6, lid 1, eerste alinea, artikel 7, onder e), artikel 9 en artikel 13, lid 1, onder e),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 2004/68/EG bevat de veterinairrechtelijke voorschriften voor de invoer in en doorvoer via de Unie van bepaalde levende hoefdieren. In de richtlijn is bepaald dat specifieke bepalingen met inbegrip van modellen van veterinaire certificaten kunnen worden vastgesteld voor de invoer in de Unie van levende hoefdieren van de in bijlage I bij die richtlijn vermelde soorten uit geautoriseerde derde landen. |
|
(2) |
Verordening (EU) nr. 206/2010 van de Commissie van 12 maart 2010 tot vaststelling van lijsten van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit bepaalde dieren en vers vlees in de Europese Unie mogen worden binnengebracht, en van de voorschriften inzake veterinaire certificering (2) bevat onder meer de voorschriften inzake veterinaire certificering voor het binnenbrengen in de Unie van bepaalde zendingen levende evenhoevigen van de in bijlage I bij Richtlijn 2004/68/EG vermelde soorten. Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 bevat een lijst van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit dergelijke zendingen in de Unie mogen worden binnengebracht. Die bijlage bevat ook modellen van veterinaire certificaten die dergelijke zendingen moeten vergezellen. |
|
(3) |
Momenteel mogen hoefdieren alleen in de Unie worden ingevoerd uit derde landen, of in het geval van regionalisatie delen daarvan, die voorafgaand aan de verzending van de dieren gedurende ten minste zes maanden vrij zijn van vesiculaire stomatitis. |
|
(4) |
De Verenigde Staten hebben verzocht de invoer van levende fok- en gebruiksvarkens uit dat land in de Unie toe te staan. |
|
(5) |
De Verenigde Staten hebben melding gemaakt van uitbraken van vesiculaire stomatitis. Deze uitbraken zijn echter sporadisch en beperkt tot bepaalde gebieden. Het risico van insleep in de Unie van vesiculaire stomatitis door invoer van levende varkens uit dat derde land is verwaarloosbaar indien de in punt 8.15.6 van de Terrestrial Animal Health Code (gezondheidscode voor landdieren) van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE) beschreven bioveiligheidsmaatregelen worden toegepast, wat inhoudt dat de varkens tijdens de periode van verblijf voorafgaand aan de uitvoer worden afgezonderd in gebouwen die vrij zijn van de ziekte, dat zij tijdens de quarantaine voorafgaand aan de uitvoer en tijdens het vervoer naar de plaats van lading worden beschermd tegen vectoren en dat alle uit te voeren dieren worden getest. |
|
(6) |
Daarom moet deel 1 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 worden gewijzigd om de Verenigde Staten toe te voegen aan de lijst van derde landen en gebieden, of delen daarvan, waaruit zendingen levende hoefdieren in de Unie mogen worden binnengebracht, onder vermelding van behoorlijke garanties voor het testen op vesiculaire stomatitis. In het veterinaire certificaat voor levende fok- en gebruiksvarkens dat de dieren vergezelt wanneer zij in de Unie worden binnengebracht, moet worden bevestigd dat die garanties zijn toegepast. |
|
(7) |
Daartoe moet het model van het veterinaire certificaat voor de invoer van levende varkens die als landbouwhuisdier worden gehouden „POR-X” in deel 2 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 dienovereenkomstig worden gewijzigd, teneinde daar de voorwaarden voor het verblijf en de quarantaine voorafgaand aan de uitvoer in op te nemen, alsook de voorschriften voor laboratoriumtests. |
|
(8) |
Bovendien is in artikel 5 van Verordening (EU) nr. 206/2010 bepaald dat wanneer de in bijlage I bij die verordening aangegeven veterinaire certificaten bemonstering en tests vereisen, die bemonstering en tests overeenkomstig de in deel 6 van die bijlage opgenomen protocollen voor de standaardisatie van testmateriaal en -methoden worden uitgevoerd. Daarom moet deel 6 van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 worden gewijzigd om daar het desbetreffende protocol en de testprocedure voor vesiculaire stomatitis aan toe te voegen. De test moet worden uitgevoerd en geïnterpreteerd overeenkomstig de protocollen voor serologische tests op vesiculaire stomatitis die voor de internationale handel zijn voorgeschreven in punt 2.1.19 van het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals van de OIE. |
|
(9) |
Verordening (EU) nr. 206/2010 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 206/2010 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan deel 1 wordt de volgende vermelding voor de Verenigde Staten toegevoegd:
|
|
2) |
Deel 2 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
Aan deel 6 wordt de volgende tekst toegevoegd: „ De virusneutralisatietest (VN-test) wordt uitgevoerd overeenkomstig de testprotocollen voor vesiculaire stomatitis in punt 2.1.19 van het Manual of Diagnostic Tests and Vaccines for Terrestrial Animals van de OIE. Sera waarin geen cytopathogeen effect (CPE) optreedt bij verdunningen van 1:32 of hoger, worden geacht antistoffen tegen het vesiculairestomatitisvirus te bevatten.”. |
|
5.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 34/12 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 103/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2013
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 786/2007 wat betreft de naam van de vergunninghouder van een preparaat van endo-1,4-bèta-mannanase EC 3.2.1.78 (Hemicell)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 13, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
ChemGen Corp. heeft uit hoofde van artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 een aanvraag ingediend tot wijziging van de naam van de vergunninghouder wat betreft Verordening (EG) nr. 786/2007 van de Commissie (2) tot verlening van een vergunning voor 10 jaar voor het gebruik van een preparaat van endo-1,4-bèta-mannanase EC 3.2.1.78 (Hemicell) dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „verteringsbevorderaars”. |
|
(2) |
De aanvrager voert aan dat ChemGen Corp. met ingang van 10 februari 2012 werd overgenomen door Eli Lilly and Company Ltd, dat nu de rechten bezit voor het in de handel brengen van het toevoegingsmiddel. De aanvrager heeft de nodige gegevens ingediend ter onderbouwing van het verzoek. |
|
(3) |
De voorgestelde wijziging van de vergunningvoorwaarden is louter administratief en maakt geen nieuwe beoordeling van het desbetreffende toevoegingsmiddel noodzakelijk. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid is in kennis gesteld van de aanvraag. |
|
(4) |
Om Eli Lilly and Company Ltd in staat te stellen gebruik te maken van zijn rechten is het nodig dat de vergunningsvoorwaarden worden gewijzigd. |
|
(5) |
Verordening (EG) nr. 786/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke wijziging van Verordening (EG) nr. 786/2007 door deze verordening verplichten, mogen de bestaande voorraden worden opgebruikt tijdens een overgangsperiode. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In kolom 2 van de bijlage bij Verordening (EG) nr. 786/2007 worden de woorden „ChemGen Corp., represented by Disproquima S.L.” vervangen door „Eli Lilly and Company Ltd”.
Artikel 2
Bestaande voorraden van het toevoegingsmiddel die voldoen aan de bepalingen die golden vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening mogen verder in de handel worden gebracht en gebruikt tot zij zijn opgebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
|
5.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 34/13 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 104/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2013
houdende wijziging van Verordening (EU) nr. 185/2010 voor wat betreft beveiligingsonderzoeken van passagiers en andere personen door middel van apparatuur voor detectie van explosievensporen (ETD), in combinatie met draagbare metaaldetectieapparatuur (HHMD)
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2008 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van de beveiliging van de burgerluchtvaart en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2320/2002 (1), en met name artikel 4, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
In Verordening (EG) nr. 272/2009 van de Commissie van 2 april 2009 ter aanvulling van de in de bijlage bij Verordening (EG) nr. 300/2008 van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde gemeenschappelijke basisnormen voor de beveiliging van de burgerluchtvaart (2) is bepaald dat de uitvoeringsregels die overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EG) nr. 300/2008 moeten worden vastgesteld, mogen toestaan dat apparatuur voor detectie van explosievensporen (ETD) en draagbare metaaldetectieapparatuur (HHMD) worden gebruikt voor het uitvoeren van beveiligingsonderzoeken van personen (passagiers en andere personen). |
|
(2) |
Uit ervaring is gebleken dat het fouilleren van passagiers en andere personen niet altijd de meest efficiënte manier is om bepaalde delen van personen te onderzoeken, met name als die delen niet gemakkelijk toegankelijk zijn, zoals bepaalde hoofddeksels, gipsverbanden of prothesen. |
|
(3) |
Uit proeven is gebleken dat het gecombineerde gebruik van ETD en HHMD in dergelijke gevallen effectief is. Bovendien kan het gebruik van ETD en HHMD het beveiligingsonderzoek vergemakkelijken en ervoor zorgen dat het door de onderzochte personen als minder opdringerig wordt ervaren dan fouilleren. |
|
(4) |
Het is dan ook nuttig en gerechtvaardigd deze methoden toe te staan voor het onderzoeken van die delen van personen waarvoor fouilleren als inefficiënt en/of ongewenst wordt beschouwd, zoals bepaalde hoofddeksels, gipsverbanden of prothesen. |
|
(5) |
Deze verordening respecteert de grondrechten en neemt de beginselen in acht die zijn erkend door het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie, namelijk de menselijke waardigheid, de vrijheid van religie, het verbod op discriminatie, de rechten van gehandicapten en het recht op vrijheid en veiligheid. In zoverre deze verordening die rechten en beginselen beperkt, hebben dergelijke beperkingen alleen tot doel tegemoet te komen aan doelstellingen van algemeen belang of de rechten en vrijheden van anderen te beschermen, met inachtneming van de voorwaarden die zijn vastgesteld in artikel 52 van het Handvest. Deze verordening moet worden toegepast overeenkomstig deze rechten en beginselen. |
|
(6) |
Verordening (EU) nr. 185/2010 van de Commissie (3) moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 19, lid 1, van Verordening (EG) nr. 300/2008 ingestelde Comité voor de beveiliging van de burgerluchtvaart, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Verordening (EU) nr. 185/2010 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 97 van 9.4.2008, blz. 72.
BIJLAGE
De bijlage bij Verordening (EU) nr. 185/2010 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan punt 1.3.1.1 wordt het volgende punt f) toegevoegd:
|
|
2) |
Punt 1.3.1.2 wordt vervangen door:
|
|
3) |
Aan punt 4.1.1.2 wordt het volgende punt e) toegevoegd:
|
|
4) |
Het volgende punt 4.1.1.11 wordt toegevoegd:
|
|
5.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 34/15 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 105/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2013
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 371/2011 wat betreft de naam van de vergunninghouder van dimethylglycine
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1831/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 22 september 2003 betreffende toevoegingsmiddelen voor diervoeding (1), en met name artikel 13, lid 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Taminco nv heeft uit hoofde van artikel 13, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1831/2003 een aanvraag ingediend tot wijziging van de naam van de vergunninghouder wat betreft Uitvoeringsverordening (EU) nr. 371/2011 van de Commissie (2) tot verlening van een vergunning voor 10 jaar voor het gebruik van dimethylglycine, dat behoort tot de categorie „zoötechnische toevoegingsmiddelen” en de functionele groep „andere zoötechnische toevoegingsmiddelen”. |
|
(2) |
De aanvrager voert aan dat zijn rechtsvorm met ingang van 1 oktober 2012 is omgezet in een besloten vennootschap. De aanvrager heeft de nodige gegevens ingediend ter onderbouwing van het verzoek. |
|
(3) |
De voorgestelde wijziging van de vergunningvoorwaarden is louter administratief en maakt geen nieuwe beoordeling van het desbetreffende toevoegingsmiddel noodzakelijk. De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid is in kennis gesteld van de aanvraag. |
|
(4) |
Om de aanvrager in staat te stellen gebruik te maken van zijn rechten voor het in de handel brengen van de toevoegingsmiddelen onder de naam Taminco bvba, moeten de voorwaarden van de vergunning worden gewijzigd. |
|
(5) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 371/2011 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Aangezien er geen veiligheidsredenen zijn die de onmiddellijke wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 371/2011 door deze verordening verplichten, mogen de bestaande voorraden worden opgebruikt tijdens een overgangsperiode. |
|
(7) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
In kolom 2 van de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 371/2011 worden de woorden „Taminco nv” vervangen door „Taminco bvba”.
Artikel 2
Bestaande voorraden van het toevoegingsmiddel die voldoen aan de bepalingen die golden vóór de datum van inwerkingtreding van deze verordening mogen verder in de handel worden gebracht en gebruikt tot zij zijn opgebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2013.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
|
5.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 34/16 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 106/2013 VAN DE COMMISSIE
van 4 februari 2013
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 4 februari 2013.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MA |
47,6 |
|
PS |
160,8 |
|
|
TN |
74,1 |
|
|
TR |
116,6 |
|
|
ZZ |
99,8 |
|
|
0707 00 05 |
MA |
124,7 |
|
TR |
170,3 |
|
|
ZZ |
147,5 |
|
|
0709 91 00 |
EG |
113,1 |
|
ZZ |
113,1 |
|
|
0709 93 10 |
MA |
52,7 |
|
TR |
157,3 |
|
|
ZZ |
105,0 |
|
|
0805 10 20 |
EG |
52,3 |
|
IL |
64,5 |
|
|
MA |
64,2 |
|
|
TN |
46,0 |
|
|
TR |
66,3 |
|
|
ZZ |
58,7 |
|
|
0805 20 10 |
IL |
130,2 |
|
MA |
91,5 |
|
|
ZZ |
110,9 |
|
|
0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90 |
CN |
153,7 |
|
IL |
121,2 |
|
|
KR |
135,0 |
|
|
MA |
110,6 |
|
|
TR |
77,9 |
|
|
ZZ |
119,7 |
|
|
0805 50 10 |
TR |
69,5 |
|
ZZ |
69,5 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
86,6 |
|
CN |
92,2 |
|
|
MK |
30,8 |
|
|
US |
177,5 |
|
|
ZZ |
96,8 |
|
|
0808 30 90 |
CN |
58,9 |
|
TR |
174,9 |
|
|
US |
140,7 |
|
|
ZA |
106,8 |
|
|
ZZ |
120,3 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
RICHTSNOEREN
|
5.2.2013 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 34/18 |
RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK
van 23 januari 2013
tot wijziging van Richtsnoer ECB/2012/18 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand
(ECB/2013/2)
(2013/74/EU)
DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid artikel 127, lid 2, eerste streepje
Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid artikel 3.1, eerste streepje en artikel 12.1, artikel 14.3, en artikel 18.2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Artikel 2 van Richtsnoer ECB/2012/18 van 2 augustus 2012 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand (1) bepaalt dat het Eurosysteem kan besluiten dat tegenpartijen voor de vervaldag het bedrag van bepaalde langerlopende herfinancieringstransacties kunnen verlagen dan wel deze transacties kunnen beëindigen (die vroegtijdige verlaging of beëindiging wordt gezamenlijk „vroegtijdige aflossing” genoemd). Artikel 2 bepaalt voorts dat de voorwaarden voor die vroegtijdige aflossing bekend worden gemaakt in de betrokken tenderaankondiging of op een andere door het Eurosysteem passend geachte wijze. |
|
(2) |
De op de vroegtijdige aflossing door tegenpartijen toepasselijke procedure dient nader te worden uitgewerkt om te waarborgen dat inzake vroegtijdige aflossing dezelfde voorwaarden worden toegepast door alle nationale centrale banken van lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de „NCB’s”). Met name dient de regeling van geldboetes, zoals vastgelegd in appendix 6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 van 20 september 2011 betreffende monetairebeleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (2), te worden toegepast, indien tegenpartijen op de door hen verkozen vervaldag voor vroegtijdige aflossing het aan de betrokken NCB af te lossen bedrag niet of gedeeltelijk voldoen. |
|
(3) |
Richtsnoer ECB/2012/18 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging
Artikel 2 van Richtsnoer ECB/2012/18 komt als volgt te luiden:
„Artikel 2
Mogelijkheid tot verlaging van het bedrag van langerlopende herfinancieringstransacties, dan wel tot beëindiging van deze transacties
1. Het Eurosysteem kan besluiten dat tegenpartijen voor de vervaldag onder bepaalde voorwaarden het bedrag van bepaalde langerlopende herfinancieringstransacties kunnen verlagen dan wel deze transacties kunnen beëindigen (die vroegtijdige verlaging of beëindiging wordt gezamenlijk „vroegtijdige aflossing” genoemd). De tenderaankondiging vermeldt of de mogelijkheid tot verlaging van het bedrag van de betrokken transacties, dan wel de beëindiging van de betrokken transacties voor de vervaldag van toepassing is, alsook de datum waarop die keuzemogelijkheid kan worden geëffectueerd. Deze informatie kan eveneens op een andere door het Eurosysteem passend geachte wijze worden verstrekt.
2. Een tegenpartij kan besluiten voor de vervaldag het bedrag van de langerlopende herfinancieringstransacties te verlagen, dan wel deze transacties te beëindigen door de betrokken NCB in kennis te stellen van het bedrag dat zij uit hoofde van de procedure tot vroegtijdige aflossing wil voldoen, alsook van de datum waarop zij die vroegtijdige aflossing wil effectueren, zulks ten minste één week voorafgaande aan de datum van vroegtijdige aflossing. Tenzij anders aangegeven door het Eurosysteem, kan vroegtijdige aflossing op elke dag worden geëffectueerd die samenvalt met de afwikkelingsdag van een basisherfinancieringstransactie van het Eurosysteem, mits de tegenpartij de in deze paragraaf aangeduide inkennisstelling ten minste één week voor die datum effectueert.
3. De in lid 2 genoemde inkennisstelling wordt voor de tegenpartij één week voor de voornoemde datum van vroegtijdige aflossing bindend. Indien de tegenpartij het op de vervaldag uit hoofde van de procedure voor vroegtijdige aflossing verschuldigde bedrag niet of gedeeltelijk voldoet, kan zulks resulteren in de oplegging van een geldboete zoals vermeld in paragraaf 1 van appendix 6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14. De bepalingen van paragraaf 1 van appendix 6 die toepasselijk zijn op het schenden van regels inzake tendertransacties zijn van toepassing, indien een tegenpartij op de in lid 2 genoemde datum van vervroegde aflossing het dan verschuldigde bedrag niet of gedeeltelijk voldoet. De oplegging van een geldboete geschiedt zonder afbreuk te doen aan het recht van de NCB om ingeval van een tekortkoming in de nakoming de in bijlage II bij Richtsnoer ECB/2011/14 vastgelegde verhaalmogelijkheden uit te oefenen.”.
Artikel 2
Inwerkingtreding en tenuitvoerlegging
1. Dit richtsnoer treedt in werking op de dag van notificatie aan de NCB’s.
2. De NCB’s nemen de voor voldoening aan dit richtsnoer noodzakelijke maatregelen die zij met ingang van 7 maart toepassen. Zij stellen de ECB ten laatste op 21 februari 2013 in kennis van de met die maatregelen verband houdende teksten en middelen.
Artikel 3
Geadresseerden
Dit richtsnoer is gericht tot alle centrale banken van het Eurosysteem.
Gedaan te Frankfurt am Main, 23 januari 2013.
Namens de Raad van bestuur van de ECB
De president van de ECB
Mario DRAGHI