ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.306.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 306

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
6 november 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1012/2012 van de Commissie van 5 november 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2074/2005 en Verordening (EG) nr. 1251/2008 wat betreft de lijst van vectorsoorten, de veterinairrechtelijke voorschriften en de certificeringsvoorschriften betreffende het epizoötisch ulceratief syndroom en wat betreft de vermelding van Thailand in de lijst van derde landen waaruit bepaalde vissen en visserijproducten in de Unie mogen worden ingevoerd ( 1 )

1

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1013/2012 van de Commissie van 5 november 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

19

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/678/EU

 

*

Gedelegeerd Besluit van de Commissie van 29 juni 2012 betreffende onderzoeken en boeten in verband met de manipulatie van statistieken als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied

21

 

 

2012/679/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 31 oktober 2012 tot goedkeuring van de door Duitsland overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad aangemelde beperking van vergunningen voor het gebruik van difenacum bevattende biociden (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 7568)

26

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

6.11.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1012/2012 VAN DE COMMISSIE

van 5 november 2012

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2074/2005 en Verordening (EG) nr. 1251/2008 wat betreft de lijst van vectorsoorten, de veterinairrechtelijke voorschriften en de certificeringsvoorschriften betreffende het epizoötisch ulceratief syndroom en wat betreft de vermelding van Thailand in de lijst van derde landen waaruit bepaalde vissen en visserijproducten in de Unie mogen worden ingevoerd

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke hygiënevoorschriften voor levensmiddelen van dierlijke oorsprong (1), en met name artikel 9, tweede alinea,

Gezien Verordening (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 houdende vaststelling van specifieke voorschriften voor de organisatie van de officiële controles van voor menselijke consumptie bestemde producten van dierlijke oorsprong (2), en met name artikel 16, tweede alinea,

Gezien Richtlijn 2006/88/EG van de Raad van 24 oktober 2006 betreffende veterinairrechtelijke voorschriften voor aquacultuurdieren en de producten daarvan en betreffende de preventie en bestrijding van bepaalde ziekten bij waterdieren (3), en met name artikel 17, lid 2, de artikelen 22 en 25 en artikel 61, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 2074/2005 van de Commissie van 5 december 2005 tot vaststelling van uitvoeringsmaatregelen voor bepaalde producten die onder Verordening (EG) nr. 853/2004 van het Europees Parlement en de Raad vallen en voor de organisatie van officiële controles overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 van het Europees Parlement en de Raad en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, tot afwijking van Verordening (EG) nr. 852/2004 van het Europees Parlement en de Raad en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 853/2004 en (EG) nr. 854/2004 (4), stelt modellen van diergezondheidscertificaten vast voor het binnenbrengen in de Unie van bepaalde voor menselijke consumptie bestemde waterdieren en producten van dierlijke oorsprong.

(2)

Het modelgezondheidscertificaat voor de invoer van visserijproducten voor menselijke consumptie in aanhangsel IV van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 2074/2005 bevat een diergezondheidsverklaring betreffende de voorschriften voor soorten die vatbaar zijn voor bepaalde in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vermelde ziekten, met inbegrip van het epizoötisch ulceratief syndroom.

(3)

Verordening (EG) nr. 1251/2008 van de Commissie van 12 december 2008 ter uitvoering van Richtlijn 2006/88/EG van de Raad wat betreft de voorwaarden en certificeringsvoorschriften voor het in de handel brengen en de invoer in de Gemeenschap van aquacultuurdieren en producten daarvan en tot vaststelling van een lijst van vectorsoorten (5) stelt de diergezondheidsvoorwaarden en de certificeringsvoorschriften vast voor de invoer in de Unie van bepaalde aquacultuurdieren en producten daarvan.

(4)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 is een lijst van vectorsoorten voor de in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vermelde ziekten opgenomen. De vectorsoorten voor het epizoötisch ulceratief syndroom zijn momenteel in die lijst opgenomen.

(5)

Bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 bevat onder meer de lijst van derde landen, grondgebieden, gebieden of compartimenten van waaruit de invoer in de Unie is toegestaan van siervissen die vatbaar zijn voor één of meer van de in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vermelde ziekten en die bestemd zijn voor gesloten siervisvoorzieningen.

(6)

India en Vietnam zijn in die bijlage opgenomen teneinde de invoer van vissoorten die vatbaar zijn voor het epizoötisch ulceratief syndroom aan specifieke bepalingen betreffende de diergezondheid te onderwerpen en de aan die ziekte verbonden risico's uit te schakelen.

(7)

De modellen van diergezondheidscertificaten die in de delen A en B van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 zijn opgenomen, bevatten bovendien gezondheidsverklaringen betreffende de voorschriften voor vatbare soorten en vectorsoorten voor bepaalde in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vermelde ziekten, met inbegrip van het epizoötisch ulceratief syndroom.

(8)

Richtlijn 2006/88/EG, zoals gewijzigd bij Uitvoeringsrichtlijn 2012/31/EU van de Commissie (6) vermeldt het epizoötisch ulceratief syndroom (EUS) niet langer als een exotische ziekte in deel II van bijlage IV daarbij.

(9)

Voor de consistentie en de duidelijkheid van de wetgeving van de Unie moeten Verordening (EG) nr. 2074/2005 en Verordening (EG) nr. 1251/2008 worden gewijzigd teneinde de bepalingen daarin die naar het epizoötisch ulceratief syndroom verwijzen te verwijderen.

(10)

Na het schrappen van het epizoötisch ulceratief syndroom uit de lijst in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG zijn de overeenkomstige veterinairrechtelijke bepalingen voor India en Vietnam overbodig geworden en moeten deze landen daarom worden geschrapt uit de lijst van landen die ziektespecifieke diergezondheidsmaatregelen moeten toepassen bij voor de uitvoer naar de Unie bestemde waterdieren.

(11)

Thailand wordt in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 vermeld als derde land van waaruit de invoer van cyprinidae in de Unie is toegestaan voor de kweek, heruitzettingsgebieden, "put and take"-visbedrijven en open en gesloten siervisvoorzieningen. Thailand heeft een verzoek ingediend om te worden opgenomen in bijlage III teneinde ook de invoer van andere vissoorten in de Unie uit dat derde land mogelijk te maken.

(12)

Het Voedsel- en Veterinair bureau (VVB) heeft in november 2009 een inspectie betreffende de gezondheid van waterdieren uitgevoerd. De aanbevelingen van het VVB naar aanleiding van die inspectie zijn door de bevoegde autoriteit in Thailand naar tevredenheid uitgevoerd. De invoer in de Unie van andere vissoorten uit dat derde land moet daarom worden toegestaan. De gegevens voor Thailand in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(13)

Verordening (EG) nr. 2074/2005 en Verordening (EG) nr. 1251/2008 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(14)

Er moet worden voorzien in overgangsmaatregelen om de lidstaten en het bedrijfsleven in staat te stellen de nodige maatregelen te treffen om aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften te voldoen.

(15)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Aanhangsel IV van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 2074/2005 wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

De bijlagen I, III en IV bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 worden gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 3

Tijdens een overgangsperiode die loopt tot en met 1 maart 2013 mogen zendingen van waterdieren die vergezeld gaan van diergezondheidscertificaten die zijn afgegeven overeenkomstig de modellen in de delen A of B van bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 en van visserijproducten die vergezeld gaan van diergezondheidscertificaten die zijn afgegeven overeenkomstig het model in aanhangsel IV van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 2074/2005 in de versie die gold voordat de wijzigingen bij deze verordening zijn aangebracht, in de handel worden gebracht of in de Unie worden binnengebracht, mits zij hun plaats van eindbestemming vóór die datum hebben bereikt.

Artikel 4

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 november 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 55.

(2)   PB L 139 van 30.4.2004, blz. 206.

(3)   PB L 328 van 24.11.2006, blz. 14.

(4)   PB L 338 van 22.12.2005, blz. 27.

(5)   PB L 337 van 16.12.2008, blz. 41.

(6)   PB L 297 van 26.10.2012, blz. 26.


BIJLAGE I

„Aanhangsel IV van bijlage VI

Modelgezondheidscertificaat voor de invoer van voor menselijke consumptie bestemde visserijproducten

Image 1

Tekst van het beeld

Image 2

Tekst van het beeld

Image 3

Tekst van het beeld

Image 4

Tekst van het beeld

BIJLAGE II

De bijlagen I, III en IV bij Verordening (EG) nr. 1251/2008 worden als volgt gewijzigd:

1)

in bijlage I worden de gegevens voor het epizoötisch ulceratief syndroom geschrapt;

2)

bijlage III wordt vervangen door:

„BIJLAGE III

Lijst van derde landen, grondgebieden, gebieden of compartimenten  (1)

(als bedoeld in artikel 10, lid 1, en artikel 11)

Land/gebied

Soort aquacultuurdier

Gebied/Compartiment

ISO-code

Naam

Vis

Weekdieren

Schaaldieren

Code

Omschrijving

AU

Australië

X (1)

 

 

 

 

BR

Brazilië

X (2)

 

 

 

 

CA

Canada

X

 

 

CA 0 (3)

Het hele grondgebied

CA 1 (4)

Brits-Columbia

CA 2 (4)

Alberta

CA 3 (4)

Saskatchewan

CA 4 (4)

Manitoba

CA 5 (4)

New Brunswick

CA 6 (4)

Nova Scotia

CA 7 (4)

Prins Edwardeiland

CA 8 (4)

Newfoundland en Labrador

CA 9 (4)

Yukon

CA 10 (4)

Northwest Territories

CA 11 (4)

Nunavut

CL

Chili

X (1)

 

 

 

Het hele land

CN

China

X (2)

 

 

 

Het hele land

CO

Colombia

X (2)

 

 

 

Het hele land

CG

Congo

X (2)

 

 

 

Het hele land

CK

Cookeilanden

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

HR

Kroatië

X (1)

 

 

 

Het hele land

HK

Hongkong

X (2)

 

 

 

Het hele land

ID

Indonesië

X (1)

 

 

 

Het hele land

IL

Israël

X (1)

 

 

 

Het hele land

JM

Jamaica

X (2)

 

 

 

Het hele land

JP

Japan

X (2)

 

 

 

Het hele land

KI

Kiribati

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

LK

Sri Lanka

X (2)

 

 

 

Het hele land

MH

Marshalleilanden

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

MK (5)

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

X (2)

 

 

 

Het hele land

MY

Maleisië

X (2)

 

 

 

Schiereiland West-Maleisië

NR

Nauru

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

NU

Niue

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

NZ

Nieuw-Zeeland

X (1)

 

 

 

Het hele land

PF

Frans-Polynesië

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

PG

Papoea-Nieuw-Guinea

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

PN

Pitcairneilanden

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

PW

Palau

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

RU

Rusland

X (1)

 

 

 

Het hele land

SB

Salomonseilanden

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

SG

Singapore

X (2)

 

 

 

Het hele land

ZA

Zuid-Afrika

X (1)

 

 

 

Het hele land

TW

Taiwan

X (2)

 

 

 

Het hele land

TH

Thailand

X (1)

 

 

 

Het hele land

TR

Turkije

X (1)

 

 

 

Het hele land

TK

Tokelau-eilanden

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

TO

Tonga

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

TV

Tuvalu

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

US

Verenigde Staten (7)

X

 

X

US 0 (3)

Het hele land

X

 

 

US 1 (4)

Het hele land, met uitzondering van de volgende staten: New York, Ohio, Illinois, Michigan, Indiana, Wisconsin, Minnesota en Pennsylvania

 

X

 

US 2

Humboldt Bay (Californië)

US 3

Netarts Bay (Oregon)

US 4

Wilapa Bay, Totten Inlet, Oakland Bay, Quilcence Bay en Dabob Bay (Washington)

US 5

NELHA (Hawaï)

WF

Wallis en Futuna

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

WS

Samoa

X (6)

X (6)

X (6)

 

Het hele land

(3)

De delen A en B van bijlage IV worden vervangen door:

„DEEL A

Model diergezondheidscertificaat voor de invoer in de Europese Unie van aquacultuurdieren bestemd voor de kweek, heruitzetting, „put and take”-visbedrijven en open siervisvoorzieningen

Image 5

Tekst van het beeld

Image 6

Tekst van het beeld

Image 7

Tekst van het beeld

Image 8

Tekst van het beeld

Image 9

Tekst van het beeld

DEEL B

Model diergezondheidscertificaat voor de invoer in de Europese Unie van waterdieren voor sierdoeleinden die bestemd zijn voor gesloten siervisvoorzieningen

Image 10

Tekst van het beeld

Image 11

Tekst van het beeld

Image 12

Tekst van het beeld

Image 13

Tekst van het beeld

(1)  Op grond van artikel 11 mogen siervissen van soorten die niet vatbaar zijn voor een of meer van de in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vermelde ziekten, en weekdieren en schaaldieren voor sierdoeleinden die bestemd zijn voor gesloten siervisvoorzieningen, ook in de Unie worden ingevoerd vanuit derde landen of grondgebieden die lid zijn van de Werelddiergezondheidsorganisatie (OIE).

(1)  Van toepassing op alle vissoorten.

(2)  Slechts van toepassing op Cyprinidae.

(3)  Niet van toepassing op vissoorten die volgens deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vatbaar voor of vector van virale hemorragische septikemie zijn.

(4)  Slechts van toepassing op vissoorten die volgens deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vatbaar voor of vector van virale hemorragische septikemie zijn.

(5)  Voorlopige code die op geen enkele wijze vooruitloopt op de definitieve nomenclatuur voor dit land, die zal worden vastgesteld overeenkomstig de conclusies van de lopende onderhandelingen in het kader van de Verenigde Naties.

(6)  Slechts van toepassing op de invoer van siervissen van soorten die niet vatbaar zijn voor een of meer van de in deel II van bijlage IV bij Richtlijn 2006/88/EG vermelde ziekten, en weekdieren en schaaldieren voor sierdoeleinden die bestemd zijn voor gesloten siervisvoorzieningen.

(7)  Voor de toepassing van deze verordening omvatten de Verenigde Staten Puerto Rico, de Amerikaanse Maagdeneilanden, Amerikaans Samoa, Guam en de Noordelijke Marianen.”


6.11.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/19


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 1013/2012 VAN DE COMMISSIE

van 5 november 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 november 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0702 00 00

AL

43,2

MA

38,2

MK

36,1

TR

53,3

ZZ

42,7

0707 00 05

AL

31,8

TR

82,1

ZZ

57,0

0709 93 10

TR

116,3

ZZ

116,3

0805 20 10

PE

54,9

ZA

158,5

ZZ

106,7

0805 20 30 , 0805 20 50 , 0805 20 70 , 0805 20 90

HR

62,5

TR

85,3

UY

101,2

ZA

180,3

ZZ

107,3

0805 50 10

AR

60,7

TR

83,5

UY

56,9

ZA

99,3

ZZ

75,1

0806 10 10

BR

275,4

PE

307,5

TR

172,2

US

362,2

ZZ

279,3

0808 10 80

CL

150,4

CN

91,3

MK

34,4

NZ

164,0

ZA

136,0

ZZ

115,2

0808 30 90

CN

66,2

TR

109,1

ZZ

87,7


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


BESLUITEN

6.11.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/21


GEDELEGEERD BESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 29 juni 2012

betreffende onderzoeken en boeten in verband met de manipulatie van statistieken als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied

(2012/678/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1173/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 inzake de effectieve handhaving van het begrotingstoezicht in het eurogebied (1), en met name artikel 8, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 1173/2011 werd een sanctieregeling ter versterking van de handhaving van het preventieve en het corrigerende deel van het stabiliteits- en groeipact in het eurogebied ingesteld. Deze verordening is van toepassing op lidstaten die de euro als munt hebben.

(2)

Voor het begrotingstoezicht in het eurogebied is de beschikbaarheid van betrouwbare begrotingsgegevens van essentieel belang. Teneinde betrouwbare en onafhankelijke statistieken te waarborgen, moeten de lidstaten erop toezien dat het beginsel van professionele onafhankelijkheid van de nationale statistische instanties in acht wordt genomen, zoals is bepaald in Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek (2) en verder is uitgewerkt in de Praktijkcode Europese statistieken.

(3)

Verordening (EU) nr. 1173/2011 verleent de Commissie bevoegdheid de economische en monetaire samenwerking te onderzoeken teneinde manipulatie van gegevens over overheidstekort en overheidsschuld, die van belang zijn voor de toepassing van het multilaterale toezichtsysteem en de procedure bij buitensporige tekorten, op te sporen en aan het licht te brengen.

(4)

Daartoe dient de Commissie alle nodige onderzoeken uit te voeren, teneinde te bevestigen dat feitelijke tekort- en schuldgegevens met opzet of door ernstige nalatigheid verkeerd zijn voorgesteld, zoals bedoeld in artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1173/2011.

(5)

Er moeten gedetailleerde regels met betrekking tot de onderzoeksprocedures, gedetailleerde criteria ter vaststelling van de hoogte van de boete, gedetailleerde procedureregels tot waarborging van het recht van verdediging, de toegang tot het dossier, juridische vertegenwoordiging en geheimhouding alsmede regels betreffende het tijdstip en de inning van de boeten worden vastgesteld.

(6)

Wanneer de Commissie besluit een onderzoek te openen, moet dat besluit gerechtvaardigd zijn, terwijl de uitgevoerde onderzoeken evenredig moeten zijn en niet verder mogen gaan dan wat nodig is om vast te stellen of er sprake is van manipulatie van de relevante tekort- en schuldgegevens.

(7)

Bij dergelijke onderzoeken moet de Commissie inspecties ter plaatse kunnen verrichten en moet zij een verzoek om informatie kunnen richten tot eenheden die tot de sector overheid behoren, dat wil zeggen eenheden die behoren tot de centrale, deelstaat- of lagere overheid of tot de wettelijke socialeverzekeringsinstellingen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (3), hierna het „ESR 1995” genoemd.

(8)

Om een vermoeden naar aanleiding van serieuze indicaties dat er sprake is van een verkeerde voorstelling van de relevante tekort- en schuldgegevens te bevestigen, dient de opening van een onderzoek gewoonlijk te worden voorafgegaan door een methodologisch bezoek door de Commissie (Eurostat) in overeenstemming met artikel 11 ter van Verordening (EG) nr. 479/2009 van de Raad van 25 mei 2009 betreffende de toepassing van het aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap gehechte Protocol betreffende de procedure bij buitensporige tekorten (4).

(9)

Bij de beoordeling of er sprake is van een verkeerde voorstelling van tekort- en schuldgegevens in de zin van Verordening (EU) nr. 1173/2011 moet een incorrecte toepassing van de ESR 1995-regels voor het opstellen van de rekeningen die niet het gevolg is van opzet of ernstige nalatigheid, niet als zodanig worden beschouwd. Van de toepassing van dit besluit moeten verder worden uitgesloten herzieningen, met inbegrip van ingrijpende herzieningen als gevolg van veranderingen in de methoden voor alle jaren in historische reeksen, die duidelijk en in voldoende mate zijn onderbouwd, onbelangrijke fouten en gevallen waarin de betrokken lidstaat twijfel heeft geuit en de Commissie (Eurostat) overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EG) nr. 479/2009 om verduidelijking heeft verzocht.

(10)

Gebruikers van Europese statistieken hebben het recht te verwachten dat deze zijn opgesteld door statistische instanties die hun taken professioneel en zorgvuldig uitvoeren. Een onopzettelijk handelen of nalaten moet als ernstige nalatigheid worden beschouwd bij een evidente schending van de zorgvuldigheidsplicht door degene die voor de productie van de gegevens over overheidstekort en overheidsschuld verantwoordelijk is.

(11)

De betrokken lidstaat moet in kennis worden gesteld van de opening en resultaten van het onderzoek van de Commissie, zodat hij zich kan verdedigen. De resultaten van het onderzoek moeten worden vervat in een verslag van de Commissie, dat naar het Europees Parlement en de Raad wordt gestuurd en openbaar wordt gemaakt. De Commissie (Eurostat) moet het Comité voor het Europees statistisch systeem en de Europese Adviescommissie voor statistische governance naar behoren op de hoogte houden.

(12)

Het recht van verdediging en het beginsel van geheimhouding moeten in overeenstemming met de algemene rechtsbeginselen en de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie in acht worden genomen. Met name moet de betrokken lidstaat het recht hebben tijdens het onderzoek door de Commissie te worden gehoord en moet hij toegang hebben tot het door de Commissie samengestelde dossier.

(13)

Aanbevelingen aan de Raad om een boete op te leggen mogen alleen gebaseerd zijn op gronden waarover de betrokken lidstaat opmerkingen heeft kunnen maken.

(14)

Er moeten criteria voor het bepalen van de hoogte van de boete worden vastgesteld. Aan de hand van deze criteria moet ervoor worden gezorgd dat de voorgestelde boete op een zodanig niveau wordt vastgesteld dat deze doeltreffend, evenredig en afschrikkend is; dit dient te geschieden op basis van een referentiebedrag dat zo nodig in het licht van specifieke omstandigheden naar boven of naar beneden kan worden bijgesteld.

(15)

Dit besluit mag geen afbreuk doen aan de uitoefening door de Commissie van haar bevoegdheden uit hoofde van Verordening (EG) nr. 479/2009.

(16)

In overeenstemming met artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie gaan de inhoud en vorm van de in dit besluit vastgelegde maatregelen niet verder dan wat nodig is om de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 1173/2011 te verwezenlijken.

(17)

Dit besluit geldt onverminderd Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (5),

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN TOEPASSINGSGEBIED

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Dit besluit legt gedetailleerde regels vast voor de onderzoeksprocedures betreffende gevallen waarin gegevens over het overheidstekort en de overheidsschuld als gevolg van opzet of een ernstige nalatigheid verkeerd worden voorgesteld, alsmede gedetailleerde regels in verband met het recht van verdediging en de geheimhouding, gedetailleerde criteria ter vaststelling van de hoogte van de boete, en regels betreffende het tijdstip en de inning van de in artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1173/2011 bedoelde boeten.

2.   Dit besluit is van toepassing op lidstaten die de euro als munt hebben.

HOOFDSTUK II

ONDERZOEKSPROCEDURES

Artikel 2

Opening van het onderzoek

1.   De Commissie stelt de betrokken lidstaat in kennis van haar besluit een onderzoek te openen en verstrekt daarbij informatie over de geconstateerde serieuze indicaties voor het bestaan van feiten die een verkeerde voorstelling van gegevens over het overheidstekort en de overheidsschuld kunnen vormen nadat die gegevens door opzet of ernstige nalatigheid zijn gemanipuleerd.

2.   Tijdens het onderzoek kan de Commissie (Eurostat) volgens de procedures van de artikelen 3 tot en met 5 om informatie verzoeken, personen ondervragen, inspecties ter plaatse verrichten en heeft zij toegang tot de rekeningen van alle eenheden die tot de centrale, deelstaat- of lagere overheid of tot de wettelijke socialeverzekeringsinstellingen behoren. De Commissie (Eurostat) kan deze onderzoeksmiddelen afzonderlijk of in combinatie met elkaar gebruiken. De rekenkamer of andere hoge controle-instanties van de betrokken lidstaat kunnen, indien dit relevant is en met inachtneming van de nationale regelgeving die op die instanties van toepassing is, worden uitgenodigd bij het onderzoek te helpen en hieraan deel te nemen.

3.   De Commissie kan ervoor kiezen geen onderzoek te openen totdat in overeenstemming met een besluit van de Commissie (Eurostat) krachtens Verordening (EG) nr. 479/2009 een methodologisch bezoek is afgelegd.

4.   De Commissie stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van haar besluit een onderzoek te openen.

Artikel 3

Verzoek om informatie

1.   Op verzoek van de Commissie verstrekt elke eenheid uit de sector overheid die rechtstreeks of onrechtstreeks betrokken is bij het opstellen van gegevens over het tekort en de schuld van de betrokken lidstaat, of waarvan de rekeningen voor de opstelling van die gegevens worden gebruikt, hierna „de betrokken eenheid” genoemd, de Commissie alle informatie die deze nodig heeft om haar onderzoekstaak te vervullen. Wanneer de Commissie een dergelijk verzoek tot de betrokken eenheid richt, wordt de betrokken lidstaat daarvan in kennis gesteld.

2.   De Commissie vermeldt het doel van het verzoek en specificeert daarbij dat het verzoek ingevolge dit besluit wordt gedaan; zij geeft een termijn van ten minste vier weken aan waarbinnen het antwoord moet zijn ontvangen.

Artikel 4

Vraaggesprekken

De Commissie mag iedere persoon ondervragen die rechtstreeks of onrechtstreeks bij de opstelling van gegevens over het tekort en de schuld betrokken is en die ermee instemt te worden ondervraagd, zodat informatie of toelichtingen bij feiten of documenten betreffende het voorwerp van een onderzoek kunnen worden ingewonnen, en zij mag diens antwoorden vastleggen. De betrokken eenheid wordt ingelicht voordat een van haar vertegenwoordigers of personeelsleden wordt ondervraagd. De ondervraagde persoon mag zich laten bijstaan door een vertegenwoordiger van de betrokken eenheid of door een advocaat.

Artikel 5

Inspecties

1.   De ambtenaren van de Commissie en andere begeleidende personen die door de Commissie gemachtigd zijn een inspectie te verrichten, hebben de volgende bevoegdheden:

a)

zij hebben toegang tot alle gebouwen van de betrokken eenheid;

b)

zij hebben toegang tot alle administratieve en financiële gegevens van de betrokken eenheid, ongeacht de aard van de drager;

c)

zij mogen van alle administratieve en financiële gegevens een kopie of uittreksel, in welke vorm dan ook, maken of verkrijgen;

d)

zij mogen alle administratieve en financiële gegevens verzegelen in de mate en gedurende de tijd die nodig is om feitelijk bewijsmateriaal voor het onderzoek samen te stellen, mits de wezenlijke activiteiten van de betrokken eenheid daardoor niet worden gehinderd;

e)

zij mogen onder de in artikel 4 vastgestelde voorwaarden vertegenwoordigers of personeelsleden van de betrokken eenheid verzoeken feiten of documenten betreffende het onderwerp en doel van de inspectie toe te lichten.

2.   De ambtenaren van de Commissie en andere begeleidende personen die door de Commissie gemachtigd zijn een inspectie te verrichten, overleggen een schriftelijke machtiging waarin het voorwerp, het doel en de begindatum van de inspectie vermeld staan.

3.   De betrokken eenheid verleent volledige medewerking aan de Commissie ten behoeve van de inspectie.

4.   Indien de Commissie daarom verzoekt, verlenen personeelsleden van de statistische instanties van de betrokken lidstaat actief bijstand aan de ambtenaren van de Commissie en andere door de Commissie gemachtigde begeleidende personen. Hiertoe krijgen zij de in lid 1 genoemde bevoegdheden.

5.   Wanneer de ambtenaren van de Commissie en andere door de Commissie gemachtigde begeleidende personen vaststellen dat een eenheid zich tegen een op grond van dit artikel gelaste inspectie verzet, verleent de betrokken lidstaat hun de nodige bijstand in overeenstemming met de nationale regelgeving.

6.   Indien de nationale regelgeving bepaalt dat voor de inspectie gerechtelijke toestemming vereist is, dient de Commissie een aanvraag daartoe in. In die gevallen wordt de gerechtelijke toestemming samen met de in lid 2 bedoelde schriftelijke machtiging overgelegd.

Artikel 6

Recht om te worden gehoord

Voordat het in artikel 7 bedoelde verslag wordt goedgekeurd, nodigt de Commissie de betrokken lidstaat uit om schriftelijke opmerkingen over de voorlopige bevindingen in te dienen.

Deze uitnodiging geschiedt schriftelijk, onder vermelding van een termijn van ten minste vier weken waarbinnen die opmerkingen moeten zijn ontvangen.

Artikel 7

Verslag

1.   De Commissie keurt een verslag goed waarin zij haar bevindingen en de door de betrokken lidstaat ingediende opmerkingen in het licht van de overeenkomstig dit hoofdstuk verrichte inspectie uiteenzet, en legt dit verslag voor aan die lidstaat.

2.   De Commissie stuurt dit verslag naar het Europees Parlement en de Raad. Het verslag wordt openbaar gemaakt.

3.   De Commissie (Eurostat) stelt het Comité voor het Europees statistisch systeem en de Europese Adviescommissie voor statistische governance in kennis van de resultaten van het onderzoek.

4.   Aanbevelingen van de Commissie aan de Raad om de betrokken lidstaat een boete op te leggen, zijn gebaseerd op het in lid 1 bedoelde verslag.

Artikel 8

Duur

1.   De Commissie keurt het in artikel 7 bedoelde verslag uiterlijk tien maanden na de kennisgeving van haar besluit tot opening van een onderzoek overeenkomstig artikel 2 goed. In uitzonderlijke omstandigheden, wanneer het onderzoek wordt gehinderd of wanneer buitengewoon lange procedures moeten worden doorlopen om de voor het onderzoek vereiste informatie te verkrijgen, kan de Commissie de termijn met vijf maanden verlengen.

2.   De inspectie wordt binnen zes maanden na het begin ervan afgesloten. In uitzonderlijke omstandigheden, wanneer de inspectie wordt gehinderd of wanneer buitengewoon lange procedures moeten worden doorlopen om in het kader van de inspectie informatie te verzamelen, kan de Commissie de termijn met drie maanden verlengen.

HOOFDSTUK III

RECHT VAN VERDEDIGING EN GEHEIMHOUDING

Artikel 9

Recht van verdediging

Het beginsel van het recht van verdediging is van toepassing in alle gevallen waarin dit besluit wordt uitgevoerd.

Artikel 10

Toegang tot het dossier

De betrokken lidstaat heeft het recht om desgewenst inzage te krijgen in alle documenten en al het andere door de Commissie samengestelde feitenmateriaal die kunnen dienen ter onderbouwing van de aanbeveling aan de Raad om die lidstaat een boete op te leggen.

De documenten die de betrokken lidstaat door zijn toegang tot het dossier heeft verkregen, worden uitsluitend voor de toepassing van dit besluit gebruikt.

Artikel 11

Juridische vertegenwoordiging

De betrokken lidstaat, de betrokken eenheden, personeelsleden van die eenheden of andere betrokken natuurlijke personen hebben het recht zich tijdens het onderzoek juridisch te laten vertegenwoordigen.

Artikel 12

Geheimhouding en beroepsgeheim

Op het in hoofdstuk II bedoelde onderzoek zijn het beginsel van geheimhouding en het beroepsgeheim van toepassing. De ambtenaren van de Commissie en andere door de Commissie gemachtigde begeleidende personen maken geen informatie openbaar die is verkregen in het kader van het onderzoek waarop het beroepsgeheim en de geheimhoudingsplicht van toepassing zijn.

De documenten of informatie die de Commissie bij het onderzoek heeft verkregen, worden uitsluitend voor de toepassing van dit besluit gebruikt.

HOOFDSTUK IV

CRITERIA VOOR HET VASTSTELLEN VAN DE HOOGTE VAN DE BOETE

Artikel 13

Maximumbedrag

Het totale boetebedrag mag niet hoger zijn dan 0,2 % van het meest recente officiële binnenlands bruto product tegen lopende marktprijzen van de betrokken lidstaat, zoals gedefinieerd in het ESR 1995, voor het voorafgaande jaar.

Artikel 14

Criteria met betrekking tot het boetebedrag

1.   De Commissie ziet erop toe dat de aan te bevelen boete doeltreffend, evenredig en afschrikkend is. De boete wordt vastgesteld op basis van een referentiebedrag dat naar boven of naar beneden kan worden bijgesteld naargelang van de in lid 3 genoemde specifieke omstandigheden.

2.   Het referentiebedrag is gelijk aan 5 % van het effect van de verkeerde voorstelling op het niveau van het overheidstekort of, indien groter, op het niveau van de overheidsschuld van de lidstaat met betrekking tot de jaren die voor de kennisgeving in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten in aanmerking worden genomen.

3.   Rekening houdend met het volgens artikel 13 vastgestelde maximumbedrag neemt de Commissie in elk afzonderlijk geval, voor zover van toepassing, de volgende omstandigheden in aanmerking:

a)

de ernst en de ruimere gevolgen van de verkeerde voorstelling, en met name het effect van de verkeerde voorstelling op de werking van het versterkte economische bestuur van de Unie;

b)

het feit dat is aangetoond dat de verkeerde voorstelling het gevolg is van ernstige nalatigheid of van opzet;

c)

het feit dat de verkeerde voorstelling het werk is van één bepaalde eenheid. dan wel het gevolg is van een gezamenlijke actie van twee of meer eenheden;

d)

herhaling, frequentie of duur van de verkeerde voorstelling door de betrokken lidstaat; in dergelijke gevallen wordt het referentiebedrag vastgesteld op het grootste waargenomen bedrag, vermenigvuldigd met het aantal jaren waarvoor gedurende de voor de laatste kennisgeving in aanmerking genomen vier jaar de feiten verkeerd zijn voorgesteld;

e)

de mate van zorgvuldigheid en medewerking, of de mate van belemmering, waarvan de betrokken lidstaat bij het opsporen van de verkeerde voorstelling en bij het onderzoek blijk heeft gegeven.

Artikel 15

Verjaring voor de inning van boeten

1.   De Commissie heeft vijf jaar de tijd om besluiten van de Raad ingevolge artikel 8, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1173/2011 uit te voeren.

2.   Deze termijn gaat in op de dag waarop de betrokken lidstaat van het besluit van de Raad in kennis is gesteld.

3.   De verjaring voor de inning van boeten wordt gestuit door elke handeling van de Commissie om betaling van de boete af te dwingen of wordt geschorst zolang de inning van de boete door een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie geschorst is.

HOOFDSTUK V

SLOTBEPALING

Artikel 16

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 29 juni 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 306 van 23.11.2011, blz. 1.

(2)   PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.

(3)   PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1.

(4)   PB L 145 van 10.6.2009, blz. 1.

(5)   PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43.


6.11.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 306/26


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 31 oktober 2012

tot goedkeuring van de door Duitsland overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad aangemelde beperking van vergunningen voor het gebruik van difenacum bevattende biociden

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 7568)

(Slechts de tekst in de Duitse taal is authentiek)

(2012/679/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 1998 betreffende het op de markt brengen van biociden (1), en met name op artikel 4, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG bevat de lijst van werkzame stoffen die op Unieniveau zijn toegestaan voor opneming in biociden. Bij Richtlijn 2008/81/EG van de Commissie van 29 juli 2008 tot wijziging van Richtlijn 98/8/EG van het Europees Parlement en de Raad teneinde difenacum als werkzame stof in bijlage I bij die richtlijn op te nemen (2) is de werkzame stof difenacum goedgekeurd voor opneming in producten die behoren tot productsoort 14, rodenticiden, als gedefinieerd in bijlage V bij Richtlijn 98/8/EG.

(2)

Difenacum is een bloedstollingsremmend rodenticide waarvan bekend is dat er risico’s zijn van accidentele inname door kinderen, alsook risico’s voor dieren en het milieu. De stof is aangemerkt als potentieel persistent, bioaccumulerend en toxisch („PBT”), dan wel zeer persistent en sterk bioaccumulerend („vPvB”).

(3)

Ter wille van de volksgezondheid en de hygiëne werd het niettemin als verantwoord beschouwd om difenacum en andere bloedstollingsremmende rodenticiden op te nemen in bijlage I bij Richtlijn 98/8/EG, zodat de lidstaten op difenacum gebaseerde producten konden toelaten op de markt. Krachtens Richtlijn 2008/81/EG zijn de lidstaten er echter wel toe verplicht om, wanneer zij difenacum bevattende producten op de markt toelaten, ervoor te zorgen dat de primaire en secundaire blootstelling van mensen, niet-doeldieren en het milieu zoveel mogelijk worden beperkt door het in overweging nemen en toepassen van alle passende en beschikbare risicobeperkende maatregelen. De in Richtlijn 2008/81/EG vermelde risicobeperkende maatregelen omvatten daarom onder meer ook de eis van beperking van het gebruik tot uitsluitend professionele gebruikers.

(4)

Overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 98/8/EG heeft de onderneming Lodi S.A.S. („de aanvrager”) bij Ierland een aanvraag ingediend voor toelating op de markt van twee difenacum bevattende rodenticiden („de producten”). De namen van die producten en hun referentienummers in het register voor biociden („R4BP”) zijn vermeld in de bijlage bij dit besluit.

(5)

Ierland heeft de toelatingen op 1 juli 2011 verleend. De producten werden toegelaten met bepaalde beperkingen om te waarborgen dat in Ierland aan de voorwaarden van artikel 5 van Richtlijn 98/8/EG wordt voldaan. Deze beperkingen omvatten geen beperking van het gebruik tot opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning.

(6)

Op 30 maart 2010 heeft de aanvrager bij Duitsland een volledige aanvraag ingediend voor wederzijdse erkenning van de eerste toelatingen in verband met deze producten.

(7)

Op 7 februari 2012 heeft Duitsland de Commissie, de andere lidstaten en de aanvrager in kennis gesteld van zijn voorstel om de eerste toelatingen te beperken overeenkomstig artikel 4, lid 4, van Richtlijn 98/8/EG. Duitsland heeft daarbij voorgesteld de desbetreffende producten uitsluitend te laten gebruiken door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning.

(8)

Overeenkomstig artikel 27, lid 1, van Richtlijn 98/8/EG heeft de Commissie de andere lidstaten en de aanvrager uitgenodigd om binnen 90 dagen schriftelijke opmerkingen in verband met de kennisgeving in te dienen. Binnen deze termijn zijn geen opmerkingen ingediend. De kennisgeving is ook door vertegenwoordigers van de Commissie en vertegenwoordigers van de voor biociden bevoegde instanties van de lidstaten besproken op de vergadering van de Groep facilitering van toelating en wederzijdse erkenning van producten van 22 en 23 mei 2012.

(9)

De Commissie merkt op dat, overeenkomstig Richtlijn 2008/81/EG, toelatingen om difenacum bevattende biociden op de markt te brengen onderworpen moeten worden aan alle passende en beschikbare risicobeperkende maatregelen, inclusief beperking van het gebruik tot uitsluitend professionele gebruikers. Bij de wetenschappelijke evaluatie die heeft geresulteerd in de vaststelling van Richtlijn 2008/81/EG is geconcludeerd dat alleen van professionele gebruikers kan worden verwacht dat zij de instructies opvolgen die het risico van secundaire vergiftiging van niet-doeldieren minimaliseren en dat zij de producten op zodanige wijze gebruiken dat de ontwikkeling en verspreiding van resistentie wordt voorkomen. Een beperking van het gebruik tot professionele gebruikers kan derhalve in beginsel worden beschouwd als een passende risicobeperkende maatregel, met name in lidstaten waar resistentie tegen difenacum is waargenomen.

(10)

Bij afwezigheid van enige indicatie van het tegendeel is de Commissie derhalve van oordeel dat een beperking van het gebruik tot professionele gebruikers een passende en beschikbare risicobeperkende maatregel is bij de toelating van difenacum bevattende producten op de Duitse markt. Deze conclusie wordt versterkt door de door Duitsland aangevoerde argumenten dat bij ratten resistentie tegen difenacum is vastgesteld en dat deze resistentie zich in het land lijkt te verbreiden, en dat het land beschikt over een goed functionerende infrastructuur inclusief opgeleide plaagbestrijders en professionele gebruikers met een vergunning, zoals landbouwers, tuinders en bosbouwers die een opleiding hebben genoten, zodat de voorgestelde beperking geen belemmering vormt voor plaagpreventie.

(11)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor biociden,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Duitsland mag de overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG verleende toelatingen voor de in de bijlage bij dit besluit genoemde producten beperken tot gebruik door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de Bondsrepubliek Duitsland.

Gedaan te Brussel, 31 oktober 2012.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)   PB L 123 van 24.4.1998, blz. 1.

(2)   PB L 201 van 30.7.2008, blz. 46.


BIJLAGE

Producten waarvoor Duitsland de overeenkomstig artikel 4 van Richtlijn 98/8/EG verleende toelatingen mag beperken tot gebruik door opgeleide professionele gebruikers of professionele gebruikers met een vergunning:

Productnaam in Ierland

Referentienummer van de Ierse aanvraag in het R4PB

Productnaam in Duitsland

Referentienummer van de Duitse aanvraag in het R4PB

Ruby Block

2010/6249/5607/IE/AA/6647

Rubis Bloc

2010/6249/5607/DE/MA/6893

Ruby Paste

2010/6249/5586/IE/AA/6645

Rubis Pasta

2010/6249/5586/DE/MA/6765