|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2012.295.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
55e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2012/658/EU |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2012/659/EU |
|
|
|
* |
|
|
|
Rectificaties |
|
|
|
* |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/1 |
VERORDENING (EU) Nr. 980/2012 VAN DE COMMISSIE
van 17 oktober 2012
tot vaststelling van een verbod op de visserij op zandspiering en bijvangsten in de EU-wateren van IIa, IIIa en IV, exclusief wateren binnen zes mijl van de basislijnen van het Verenigd Koninkrijk bij Shetland, Fair Isle en Foula, door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 44/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde niet-EU-wateren, voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor internationale onderhandelingen worden gevoerd of internationale overeenkomsten gelden (2), zijn de quota voor 2012 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2012 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2012 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 oktober 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Lowri EVANS
Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij
BIJLAGE
|
Nr. |
59/TQ44 |
|
Lidstaat |
Duitsland |
|
Bestand |
SAN/2A3A4. |
|
Soort |
Zandspiering en bijvangsten (Ammodytes spp.) |
|
Gebied |
EU-wateren van IIa, IIIa en IV, exclusief wateren binnen zes mijl van de basislijnen van het Verenigd Koninkrijk bij Shetland, Fair Isle en Foula |
|
Datum |
1.10.2012 |
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/3 |
VERORDENING (EU) Nr. 981/2012 VAN DE COMMISSIE
van 17 oktober 2012
tot vaststelling van een verbod op de visserij op kabeljauw in de Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1; de Groenlandse wateren van V en XIV door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 44/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde niet-EU-wateren, voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor internationale onderhandelingen worden gevoerd of internationale overeenkomsten gelden (2) zijn de quota voor 2012 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2012 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2012 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 17 oktober 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Lowri EVANS
Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij
BIJLAGE
|
Nr. |
58/TQ44 |
|
Lidstaat |
Duitsland |
|
Bestand |
COD/N01514 |
|
Soort |
Kabeljauw (Gadus morhua) |
|
Gebied |
Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1; Groenlandse wateren van V en XIV |
|
Datum |
26.9.2012 |
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/5 |
VERORDENING (EU) Nr. 982/2012 VAN DE COMMISSIE
van 18 oktober 2012
tot vaststelling van een verbod op de visserij op makreel in gebied VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 door vaartuigen die de vlag van Duitsland voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 44/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde niet-EU-wateren, voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor internationale onderhandelingen worden gevoerd of internationale overeenkomsten gelden (2) zijn de quota voor 2012 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2012 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2012 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 18 oktober 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Lowri EVANS
Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij
BIJLAGE
|
Nr. |
60/TQ44 |
|
Lidstaat |
Duitsland |
|
Bestand |
MAC/8C3411 |
|
Soort |
Makreel (Scomber scombrus) |
|
Gebied |
VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
|
Datum |
3.10.2012 |
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/7 |
VERORDENING (EU) Nr. 983/2012 VAN DE COMMISSIE
van 22 oktober 2012
tot vaststelling van een verbod op de visserij op horsmakrelen en bijvangsten in EU-wateren van IIa, IVa; VI, VIIa-c, VIIe-k, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 44/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde niet-EU-wateren, voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor internationale onderhandelingen worden gevoerd of internationale overeenkomsten gelden (2) zijn de quota voor 2012 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2012 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2012 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verbodsbepalingen
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te landen.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 22 oktober 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Lowri EVANS
Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij
BIJLAGE
|
Nr. |
61/TQ44 |
|
Lidstaat |
Spanje |
|
Bestand |
JAX/2A-14 |
|
Soort |
Horsmakrelen (Trachurus spp.) |
|
Gebied |
EU-wateren van IIa, IVa; VI, VIIa-c, VIIe-k, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV |
|
Datum |
5.10.2012 |
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/9 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 984/2012 VAN DE COMMISSIE
van 24 oktober 2012
houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 391/2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad, wat betreft de uitgaven die de lidstaten doen bij de tenuitvoerlegging van de in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid geldende toezicht- en controleregelingen
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad van 22 mei 2006 houdende communautaire financieringsmaatregelen voor de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijk visserijbeleid en op het gebied van het zeerecht (1), en met name artikel 8, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Acties van de lidstaten op het gebied van visserijcontrole en -handhaving worden sinds 1990 door de Unie gefinancierd, in overeenstemming met de doelstellingen die bij Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (2) zijn vastgesteld. |
|
(2) |
Verordening (EG) nr. 861/2006 voorziet onder meer in financieringsmaatregelen van de Unie voor uitgaven inzake visserijcontrole, -inspectie en -bewaking in de periode 2007-2013. Bij Verordening (EG) nr. 391/2007 van de Commissie (3) zijn bepalingen voor de uitvoering van dergelijke maatregelen vastgesteld. |
|
(3) |
Bij Verordening (EU) nr. 693/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4) is de uiterste datum waarop de lidstaten de Commissie in kennis moeten stellen van hun jaarlijkse visserijcontroleprogramma, gewijzigd. |
|
(4) |
Ter vereenvoudiging en gezien de lage kosten van sommige investeringen is het aangewezen om projecten waarmee minder dan 40 000 EUR gemoeid is, te aanvaarden zonder dat de lidstaten gevraagd wordt deze te verantwoorden. |
|
(5) |
De regels inzake de bewijsstukken bij verzoeken om voorfinanciering moeten in overeenstemming worden gebracht met de desbetreffende bepalingen van Verordening (EG, Euratom) nr. 2342/2002 van de Commissie van 23 december 2002 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 houdende het Financieel Reglement van toepassing op de algemene begroting van de Europese Gemeenschappen (5). |
|
(6) |
Overeenkomstig het beginsel van goed financieel beheer moeten de lidstaten degelijk worden geïnformeerd over de geldende voorschriften inzake steunverlening door de Unie voor uitgaven op het gebied van visserijcontrole en -handhaving. |
|
(7) |
De voorschriften inzake de financiële bijdrage van de Unie aan nationale controleprogramma's moeten worden vereenvoudigd en verduidelijkt. |
|
(8) |
Investeringen op het gebied van controle en handhaving kunnen worden ontplooid door de bevoegde nationale autoriteiten, door overheidsinstanties of door de privésector. De uitgavendeclaratie moet op dit punt worden aangepast. |
|
(9) |
Verordening (EG) nr. 391/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor de visserij en de aquacultuur, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Verordening (EG) nr. 391/2007 wordt als volgt gewijzigd:
|
(1) |
artikel 3, lid 1, wordt vervangen door: „1. Lidstaten die een financiële bijdrage wensen te ontvangen voor overeenkomstig artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 861/2006 gedane uitgaven, stellen de Commissie uiterlijk op 15 november van het jaar dat aan het betrokken uitvoeringsjaar voorafgaat, in kennis van hun jaarlijkse visserijcontroleprogramma.”; |
|
(2) |
artikel 5, onder c), wordt geschrapt; |
|
(3) |
de titel van artikel 10 wordt vervangen door „Voorfinanciering”; |
|
(4) |
de woorden „voorschot” en „Het voorgeschoten bedrag” in artikel 10, lid 1, worden vervangen door respectievelijk „voorfinanciering” en „De voorfinanciering”; |
|
(5) |
artikel 10, lid 2, wordt vervangen door: „2. De voorfinanciering wordt betaald op basis van een het tussen de betrokken instantie en de leverancier gesloten contract of op basis van bewijsstukken aan de hand waarvan kan worden geverifieerd of de gefinancierde acties met de in lid 1 bedoelde projectvoorwaarden in overeenstemming zijn.”; |
|
(6) |
bijlage IV, onder a), punt iv), wordt vervangen door:
|
|
(7) |
bijlage V wordt als volgt gewijzigd:
|
|
(8) |
bijlage VI, punt x), wordt vervangen door:
|
|
(9) |
bijlage VII wordt vervangen door de bijlage bij de onderhavige verordening. |
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten, overeenkomstig de Verdragen.
Gedaan te Brussel, 24 oktober 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 160 van 14.6.2006, blz. 1.
(2) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
(3) PB L 97 van 12.4.2007, blz. 30.
BIJLAGE
"BIJLAGE VII
Uitgavendeclaratie
UITGAVEN (1) IN VERBAND MET HET NATIONALE PROGRAMMA VOOR DE TOEPASSING VAN SYSTEMEN INZAKE CONTROLE, INSPECTIE EN TOEZICHT OP VISSERIJGEBIED
zoals bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 391/2007 van de Commissie
Besluit van de Commissie nr._
Nationaal referentienummer (indien van toepassing)_
Hierbij verklaart ondergetekende, _, namens de voor de betrokken financiële en controleprocedures bevoegde autoriteit, _, na controle dat alle onderstaande kosten overeenkomen met de totale kosten die in 20_, in overeenstemming met de betrokken nationale wetgeving, zijn betaald voor goedgekeurde projecten die verband houden met acties zoals bedoeld in artikel 8, onder a), van Verordening (EG) nr. 861/2006 van de Raad:
|
a) |
Computertechnologie en IT-netwerken |
_EUR (*1) |
|
b) |
Technologieën voor controle op afstand en elektronische registratie- en meldapparatuur |
_EUR |
|
c) |
Proefprojecten inzake nieuwe technologieën |
_EUR |
|
d) |
Opleidings- en uitwisselingsprogramma’s voor controlefunctionarissen |
_EUR |
|
e) |
Proefprogramma’s voor inspecties en waarnemingen |
_EUR |
|
f) |
Evaluatie van de overheidsuitgaven op controlegebied |
_EUR |
|
g) |
Seminars en media-instrumenten |
_EUR |
|
h) |
Aanschaf of modernisering van vaar- en vliegtuigen |
_EUR |
|
TOTAAL |
_EUR |
|
Ondergetekende verklaart tevens dat de uitgavendeclaratie accuraat is en dat in de betalingsaanvraag rekening is gehouden met eventuele terugvorderingen.
De activiteiten hebben plaatsgevonden in overeenstemming met de doelstellingen die zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 861/2006 en in Verordening (EG) nr. 391/2007 en met de bepalingen van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad, en in het bijzonder wat betreft:
|
— |
de naleving van de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 391/2007. Ondergetekende verklaart dat aanbestede contracten zijn gegund op basis van de economisch voordeligste inschrijving, waarbij erop is gelet dat er geen sprake zou zijn van belangenconflicten, waarbij het transparantiebeginsel en het beginsel van gelijke behandeling in acht zijn genomen, en waarbij de Gemeenschapswetgeving inzake de coördinatie van de procedures voor het plaatsen van overheidsopdrachten voor werken, leveringen en diensten, voor zover van toepassing, is nageleefd; |
|
— |
de toepassing van beheers- en controleprocedures voor het verifiëren van de levering van de gecofinancierde goederen en diensten en van de waarheidsgetrouwheid van de uitgaven, voor het voorkomen, opsporen en corrigeren van onregelmatigheden, voor het vervolgen van fraude en voor het terugvorderen van ten onrechte betaalde bedragen. |
Ondergetekende verklaart ten slotte een/geen (*2) voorschot te hebben ontvangen voor de actie(s) _ waarnaar hierboven wordt verwezen.
De uitgavendeclaratie is naar waarheid opgesteld.
Datum:
Naam (in hoofdletters), stempel, functie en handtekening van de bevoegde autoriteit
(1) De in artikel 8, onder a), punt i), van Verordening 861/2006 bedoelde investeringen kunnen worden ontplooid door de bevoegde nationale autoriteiten, door overheidsinstanties of door de privésector.
(*1) Exacte bedrag tot op twee decimalen nauwkeurig.
(*2) Doorhalen wat niet van toepassing is.".
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/12 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 985/2012 VAN DE COMMISSIE
van 24 oktober 2012
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 oktober 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
AL |
32,3 |
|
MA |
56,0 |
|
|
MK |
36,4 |
|
|
ZZ |
41,6 |
|
|
0707 00 05 |
MK |
25,7 |
|
TR |
122,1 |
|
|
ZZ |
73,9 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
116,3 |
|
ZZ |
116,3 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
88,1 |
|
CL |
85,7 |
|
|
TR |
90,5 |
|
|
ZA |
112,0 |
|
|
ZZ |
94,1 |
|
|
0806 10 10 |
BR |
262,0 |
|
MK |
80,9 |
|
|
TR |
155,8 |
|
|
ZZ |
166,2 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
216,2 |
|
CL |
148,8 |
|
|
MK |
29,8 |
|
|
NZ |
106,2 |
|
|
ZA |
140,5 |
|
|
ZZ |
128,3 |
|
|
0808 30 90 |
CN |
60,3 |
|
TR |
106,9 |
|
|
ZZ |
83,6 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/14 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD
van 9 oktober 2012
tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2011/344/EU tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Portugal
(2012/658/EU)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad van 11 mei 2010 houdende instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (1), en met name artikel 3, lid 2,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 9, van Uitvoeringsbesluit 2011/344/EU van de Raad (2) heeft de Commissie samen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en in contact met de Europese Centrale Bank (ECB) voor de vijfde keer beoordeeld welke vorderingen de Portugese autoriteiten hebben gemaakt bij de uitvoering van de overeengekomen maatregelen uit hoofde van het economisch en financieel aanpassingsprogramma („programma”), hoe doeltreffend deze zijn en welk economisch en sociaal effect ze sorteren. |
|
(2) |
De Portugese economie ontwikkelt zich sneller dan verwacht in de richting van een nieuw evenwicht. In het tweede kwartaal van 2012 heeft er zich een forse krimp van het reële bruto binnenlands product (bbp) met 1,2 % voorgedaan ten opzichte van het voorgaande kwartaal, nadat in het eerste kwartaal een nulgroei was opgetekend. Voor het jaar als geheel blijft het voorspelde tempo van de economische krimp ongewijzigd op – 3 %. Het tekort op de lopende rekening loopt sneller terug dan verwacht: het is afgenomen van bijna 10 % twee jaar geleden tot 3 % in 2012. Deze aanpassing is terug te voeren op een gunstige ontwikkeling van de uitvoer en een scherpe daling van de invoer. Vooruitblikkend wordt aangenomen dat de economische activiteit negatief zal worden beïnvloed door een afnemende bijdrage van de buitenlandse vraag en het effect van een verdere consolidatie van de begroting. Dit alles heeft tot gevolg dat de bbp-groei voor zowel 2013 als 2014 met ongeveer 1 procentpunt neerwaarts is herzien tot respectievelijk circa – 1 % en + 1 %. |
|
(3) |
Ondanks een strikte uitvoering van de begroting aan de uitgavenzijde zou er volgens de gegevens tot en met juli in 2012 sprake zijn van een extra tekort op de begroting ter grootte van 1,75 % van het bbp ten opzichte van de begrotingsplannen. Hoewel het een welkome ontwikkeling is dat de uitvoer sneller dan verwacht de rol van de binnenlandse vraag heeft overgenomen, is dit op twee manieren van invloed op de begrotingsuitvoering. Ten eerste worden werkgelegenheidsintensieve binnenlandse sectoren, zoals de bouwnijverheid, het sterkst getroffen. Dit resulteert in een hogere werkloosheid, met alle negatieve gevolgen van dien voor de socialezekerheidsbegroting. Ten tweede loopt de belastingintensiteit van de productie en consumptie terug, wat leidt tot belangrijke tegenvallers aan de ontvangstenzijde. Het effect van de samenstelling van de groei op de ontvangsten wordt nog versterkt doordat er binnen de productencategorieën verschuivingen optreden van zwaarder belaste producten, zoals duurzame consumptiegoederen, naar minder zwaar belaste producten voor dagelijks verbruik. De zwakke ontwikkeling van de opbrengsten van de directe belastingen wordt ook in de hand gewerkt door een negatieve belastingprogressie die wordt veroorzaakt doordat voor dalende inkomens lagere tarieven gelden en doordat de opbrengsten van de winstbelasting teruglopen. De uitgaven hebben zich daarentegen algemeen genomen volgens plan ontwikkeld, waarbij groter dan verwachte besparingen zijn gerealiseerd op de beloning van ambtenaren. De uitvoering van de begroting wordt tevens gunstig beïnvloed door rentebetalingen die lager zijn dan verwacht en door het herprogrammeren van de structuurfondsen van de Unie. Hoewel het tekort voor 2012 dankzij een aantal eenmalige factoren mogelijk tot ongeveer 0,75 % van het bbp kan worden teruggedrongen, zou er toch ook sprake zijn van een groot overloopeffect naar 2013 en 2014 van circa 1,5 % van het bbp, waardoor de budgettaire programmadoelstellingen voor de periode 2012-2014 onhaalbaar zijn. |
|
(4) |
In het licht van de grote tegenvallers aan de ontvangstenzijde en de somberder groeivooruitzichten zijn de begrotingsdoelstellingen herzien tot 5 % van het bbp in 2012, 4,5 % van het bbp in 2013 en 2,5 % van het bbp in 2014. Aangezien wordt geoordeeld dat het begrotingstekort grotendeels buiten de macht van de regering valt, lijkt het passend dat de doelstellingen worden bijgesteld om ten dele met de tegenvallers rekening te houden. Zelfs om de herziene doelstellingen te halen, zullen in 2013 en 2014 aanzienlijke consolidatie-inspanningen ter grootte van respectievelijk 3 % en 1,75 % van het bbp moeten worden geleverd. Om ervoor te zorgen dat het programma geloofwaardig blijft, is het raadzaam de aanpassing voor een deel versneld door te voeren. |
|
(5) |
De herziene begrotingsdoelstellingen worden geschraagd door een reeks structurele maatregelen aan de uitgaven- en ontvangstenzijde. Nog in 2012 zullen maatregelen ter waarde van 0,25 % van het bbp moeten worden genomen om de doelstelling van 5 % van het bbp te realiseren. Het gaat onder meer om uitgavenbevriezingen en een vervroegde uitvoering van een aantal voor 2013 geplande maatregelen. Voor 2013 moeten consolidatiemaatregelen ten belope van 3 % van het bbp in de begroting worden opgenomen om de doelstelling van 4,5 % van het bbp te halen. Deze maatregelen omvatten onder meer een verdere verlaging van de loonsom — voornamelijk door een vermindering van het aantal ambtenaren, een vermindering van de intermediaire consumptie, een reductie van de sociale overdrachten, een verdere rationalisering van de gezondheidszorg en een beperking van de investeringen in vaste activa, alsook ontvangstenverhogingen die worden gerealiseerd via een hervorming van de personenbelasting — waarbij de belastingstructuur wordt vereenvoudigd, de grondslag wordt verbreed door sommige belastingvoordelen af te schaffen, het gemiddelde belastingtarief wordt opgetrokken en tegelijkertijd de progressiviteit wordt verbeterd —, een verbreding van de grondslag van de vennootschapsbelasting door de renteaftrek af te schaffen, een verhoging van de accijnzen en een wijziging van de vastgoedbelasting. Wat 2014 betreft, is een aanvang gemaakt met een grondige evaluatie van de uitgaven met het oog op het specificeren van uitgavenbezuinigingen (ter waarde van 4 miljard EUR over twee jaar) teneinde een begrotingstekort van 2,5 % van het bbp te realiseren. |
|
(6) |
Er worden instrumenten ingevoerd om de overheidsuitgaven te beheersen. Zo wordt momenteel een systeem voor het uitoefenen van controle op nieuwe verplichtingen opgezet, maar het is van belang dat volledige naleving wordt gewaarborgd om te voorkomen dat nieuwe betalingsachterstanden ontstaan. De budgettaire fragmentatie moet worden verminderd en de kosteninefficiënties worden op brede schaal aangepakt. Dit houdt onder meer het volgende in: het in toom houden van de verliezen van staatsbedrijven, het heronderhandelen van publiek-private partnerschappen (PPP) en het doorvoeren van verdere bezuinigingen in de gezondheidszorg. |
|
(7) |
De huidige Commissieprognoses voor de nominale bbp-groei (– 1,0 % in 2011, – 2,7 % in 2012, 0,3 % in 2013 en 2,2 % in 2014) en de herziene begrotingsdoelstellingen resulteren naar verwachting in een schuldquote van 107,8 % in 2011, 119,1 % in 2012, 123,7 % in 2013 en 123,6 % in 2014. De schuldquote zou derhalve worden gestabiliseerd op minder dan 124 % en in 2014 op een neerwaarts pad worden gebracht, mits verdere vorderingen worden gemaakt bij de tekortreductie. De schulddynamiek wordt beïnvloed door diverse transacties „onder de streep”, zoals aanzienlijke aankopen van financiële activa, met name voor een mogelijke herkapitalisatie van banken en voor de financiering van staatsbedrijven, alsmede verschillen tussen rentebetalingen op transactiebasis en op kasbasis. |
|
(8) |
Sinds de vierde toetsing is de liquiditeits- en solvabiliteitspositie van het bankwezen verbeterd als gevolg van de voortgezette afbouw van de schuldhefboom, de uitzonderlijke liquiditeitssteun van het Eurosysteem en een kapitaalinjectie ter waarde van meer dan 7 miljard EUR. De banken hebben hun bijgewerkte financierings- en kapitaalplannen (vierde versie) gepresenteerd. Hoewel zij iets minder optimistisch zijn wat de groei van de deposito's betreft, verwachten alle banken in 2014 de indicatieve doelstelling van 120 % voor de ratio kredieten/deposito's te zullen halen. Al bij al verloopt de tenuitvoerlegging van het memorandum van overeenstemming betreffende specifieke economische beleidsvoorwaarden („memorandum van overeenstemming”) wat het gedeelte met betrekking tot de financiële sector betreft, in overeenstemming met de beoogde doelstellingen om de financiële stabiliteit te vrijwaren. Bij sommige banken dienen nog inspanningen te worden geleverd om de door de Banco de Portugal voor het einde van het jaar 2012 vastgestelde doelstelling van een tier 1-kernkapitaalratio van 10 % te halen. |
|
(9) |
Algemeen genomen is bevredigende vooruitgang geboekt bij het doorvoeren van hervormingen om het concurrentievermogen, de werkgelegenheid en het groeipotentieel te bevorderen. De herziene arbeidswet is in augustus 2012 in werking getreden. Voor eind september 2012 zijn verdere belangrijke hervormingen op het gebied van ontslagvergoedingen en collectieve loononderhandelingen gepland. In het kader van het actieve arbeidsmarktbeleid heeft de Portugese regering onlangs een aantal maatregelen genomen om de werking van de overheidsdienst voor arbeidsvoorziening te verbeteren, de werkgelegenheidsschepping te ondersteunen, de activering te versterken en doeltreffender opleidingsmogelijkheden te bieden. Bij de justitiële hervormingen op het gebied van de burgerlijke rechtsvordering en de organisatie van de rechtbanken, waarmee wordt beoogd de procesvoering in civiele en handelszaken te versnellen en de gerechtelijke achterstand weg te werken, worden goede vorderingen gemaakt. Met de aanneming van amendementen op de wet tot omzetting van Richtlijn 2005/36/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 september 2005 betreffende de erkenning van beroepskwalificaties (3) en met de goedkeuring door de Portugese regering van een wetsvoorstel ter verbetering van de werking van sterk gereglementeerde beroepen zijn stappen ondernomen om het kader voor de erkenning van beroepskwalificaties te verbeteren. De werkzaamheden met betrekking tot de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2006/123/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende diensten op de interne markt (4) vorderen in een gestaag tempo wat de sectorspecifieke wetgeving betreft: verwacht wordt dat uiterlijk aan het einde van 2012 de nog vereiste sectorspecifieke wetswijzigingen zullen worden aangenomen. Voor de verlichting van de administratieve lasten is het van essentieel belang dat verdere inspanningen worden geleverd in het kader van het initiatief tot afschaffing van vergunningen/licenties en bij het opzetten van het centrale aanspreekpunt waarin Richtlijn 2006/123/EG voorziet. De Portugese regering heeft zich ertoe verbonden om, indien nodig, een aantal aanvullende initiatieven te ontplooien teneinde het midden- en kleinbedrijf (mkb) betere toegang tot financiering te bieden, zoals onder meer het opzetten van mechanismen om de exportpositie van het mkb te versterken. |
|
(10) |
Voortbouwend op het onafhankelijke verslag over de voornaamste nationale regelgevende instanties zal Portugal een kaderwet opstellen die het algemeen belang beschermt en de marktefficiëntie bevordert. De kaderwet moet de onafhankelijkheid en de financiële, administratieve en bestuurlijke autonomie van de regelgevende instanties bij de uitoefening van hun verantwoordelijkheden garanderen in volledige overeenstemming met het recht van de Unie. De kaderwet moet ook bijdragen tot een efficiëntere handhaving van de mededingingsregels door de mededingingsautoriteit en op die manier het effect van de onlangs aangenomen mededingingswet kracht bijzetten en complementeren. |
|
(11) |
In de vijfde actualisering van het memorandum van overeenstemming is een volledige afdeling gewijd aan de bevordering van een bedrijfsvriendelijk vergunningskader. In deze afdeling zijn, naast een meer gedetailleerd tijdschema, specifieke mijlpalen vastgelegd voor de herziening van een aantal belangrijke wettelijke regelingen, zoals die voor het verlenen van milieuvergunningen, vergunningen voor ruimtelijke ordening, industriële en commerciële vergunningen en toerismevergunningen. |
|
(12) |
In het licht van deze ontwikkelingen dient Uitvoeringsbesluit 2011/344/EU gewijzigd te worden, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 3 van Uitvoeringsbesluit 2011/344/EU wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
De leden 3 en 4 worden vervangen door: „3. In overeenstemming met de vereisten van de herziene buitensporigtekortprocedure mag het overheidstekort niet hoger zijn dan 5,9 % van het bbp in 2011, 5,0 % van het bbp in 2012, 4,5 % van het bbp in 2013 en 2,5 % van het bbp in 2014. Voor de berekening van dit tekort wordt geen rekening gehouden met de mogelijke budgettaire kosten van maatregelen ter ondersteuning van het bankwezen in de context van de strategie van de Portugese regering met betrekking tot de financiële sector. De consolidatie wordt verwezenlijkt door middel van kwalitatief hoogwaardige permanente maatregelen en de gevolgen ervan voor kwetsbare groepen worden tot een minimum beperkt. 4. Portugal stelt de in de leden 5 tot en met 8 beschreven maatregelen vast voordat het aangegeven jaar is verstreken, waarbij de exacte termijnen voor de jaren 2011-2014 in het memorandum van overeenstemming worden gespecificeerd. Portugal staat klaar om aanvullende consolidatiemaatregelen te treffen teneinde het tekort uiterlijk in 2014 tot minder dan 3 % van het bbp terug te dringen indien er zich afwijkingen van de doelstellingen voordoen.”. |
|
2) |
De leden 6 tot en met 9 worden vervangen door: „6. In lijn met de bepalingen van het memorandum van overeenstemming neemt Portugal in de loop van 2012 de volgende maatregelen:
7. In lijn met de bepalingen van het memorandum van overeenstemming neemt Portugal in de loop van 2013 de volgende maatregelen:
8. In 2014 mag het overheidstekort niet hoger zijn dan 2,5 % van het bbp. Om dat doel te bereiken, gaat Portugal over tot de tenuitvoerlegging van een plan tot verregaande vermindering van de uitgaven ter waarde van circa 4 miljard EUR over de periode 2014-2015. In het kader van de zesde evaluatie worden de uitgaven grondig doorgelicht om de additionele bezuinigingsmogelijkheden volledig in kaart te brengen en uiterlijk in februari 2013 zijn de maatregelen volledig uitgewerkt. De budgettaire consolidatieplannen voor 2014-2015 worden volledig in detail beschreven in het stabiliteitsprogramma voor 2013. 9. Teneinde het vertrouwen in de financiële sector te herstellen, streeft Portugal naar een toereikend kapitalisatieniveau van zijn banksector en een ordelijke afbouw van de schuldhefboom. In dat verband legt Portugal de met de Commissie, de ECB en het IMF overeengekomen strategie voor de Portugese banksector ten uitvoer, zodat de financiële stabiliteit wordt gevrijwaard. Portugal neemt in het bijzonder de volgende maatregelen:
(*1) PB L 376 van 27.12.2006, blz. 36." |
|
3) |
Het volgende lid wordt toegevoegd: „10. Om te zorgen voor een soepele uitvoering van de programmavoorwaarden en op duurzame wijze bij te dragen tot de correctie van de onevenwichtigheden, verleent de Commissie verder advies en verdere bijstand inzake budgettaire hervormingen, hervormingen van de financiële markten en structurele hervormingen. In het kader van de aan Portugal te verlenen bijstand beoordeelt de Commissie samen met het IMF en in contact met de ECB op gezette tijden hoe doeltreffend de overeengekomen maatregelen zijn en welk economisch en sociaal effect zij sorteren, waarna zij de nodige correcties aanbeveelt om de groei en werkgelegenheidsschepping te bevorderen, de vereiste budgettaire consolidatie te verzekeren en de nadelige sociale gevolgen voor met name de meest kwetsbare delen van de Portugese samenleving tot een minimum te beperken.”. |
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de Portugese Republiek.
Gedaan te Luxemburg, 9 oktober 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
A. D. MAVROYIANNIS
(1) PB L 118 van 12.5.2010, blz. 1.
(2) PB L 159 van 17.6.2011, blz. 88.
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/20 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 23 oktober 2012
tot verlening van een door het Koninkrijk Denemarken gevraagde afwijking op grond van Richtlijn 91/676/EEG van de Raad inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 7182)
(Slechts de tekst in de Deense taal is authentiek)
(2012/659/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 91/676/EEG van de Raad van 12 december 1991 inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen (1), en met name bijlage III, punt 2, derde alinea,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Indien een lidstaat van plan is per hectare jaarlijks een andere hoeveelheid dierlijke mest op of in de bodem te brengen dan is bepaald in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin en onder a), van Richtlijn 91/676/EEG, moet die hoeveelheid zodanig worden vastgesteld dat geen afbreuk wordt gedaan aan de verwezenlijking van de in artikel 1 van die richtlijn genoemde doelstellingen, en moet de vaststelling van die hoeveelheid worden gemotiveerd aan de hand van objectieve criteria zoals, in het onderhavige geval, lange groeiperiodes en gewassen met een hoge stikstofopname. |
|
(2) |
Op 18 november 2002 heeft de Commissie Beschikking 2002/915/EG (2) vastgesteld waarbij een door Denemarken gevraagde afwijking krachtens Richtlijn 91/676/EEG inzake de bescherming van water tegen verontreiniging door nitraten uit agrarische bronnen wordt toegestaan, op grond waarvan in het kader van het Deense actieprogramma voor de periode 1999-2003 op specifieke rundveehouderijen jaarlijks een hoeveelheid dierlijke mest per hectare mocht worden op- of ingebracht die tot 230 kg stikstof bevatte. De afwijking werd verlengd bij Beschikking 2005/294/EG van de Commissie (3) in verband met het Deense actieprogramma 2004-2007 en bij Beschikking 2008/664/EG van de Commissie (4) in verband met het Deense actieprogramma 2008-2012. |
|
(3) |
De bij Beschikking 2008/664/EG verleende afwijking had betrekking op ongeveer (voor het jaar 2009/2010) 1 507 rundveehouderijen, 299 901 grootvee-eenheden en 134 698 ha bouwland, wat overeenkomt met respectievelijk 3,3 %, 12,5 % en 6,1 % van het totaal in Denemarken. |
|
(4) |
Op 20 juni 2012 heeft Denemarken een verzoek tot verlenging van de afwijking uit hoofde van bijlage III, punt 2, derde alinea, van Richtlijn 91/676/EEG bij de Commissie ingediend. |
|
(5) |
Denemarken heeft overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 91/676/EEG een actieprogramma voor de periode 2012-2015 vastgesteld door middel van het besluit inzake commercieel vee, dierlijke mest, kuilvoer enz. (het besluit inzake dierlijke mest) nr. 764 van 28 juni 2012, het geconsolideerde besluit inzake het gebruik van meststoffen door landbouwbedrijven en inzake plantendek nr. 415 van 3 mei 2011 en het besluit inzake het gebruik van meststoffen door landbouwbedrijven en inzake plantendek nr. 845 van 12 juli 2011, dat van toepassing is op het hele Deense grondgebied. |
|
(6) |
Uit monitoringgegevens blijkt dat voor grondwater de gemiddelde nitraatconcentraties in 82 % van de monitoringlocaties minder dan 50 mg/l bedragen, en in 67 % van de monitoringlocaties minder dan 25 mg/l. Voor waterlopen bedragen de gemiddelde nitraatconcentraties in 99 % van de monitoringlocaties minder dan 50 mg/l en in 76 % van de monitoringlocaties minder dan 25 mg/l. |
|
(7) |
Na bestudering van het verzoek van Denemarken en rekening houdend met de ervaring die met de toepassing van de bij de Beschikkingen 2002/915/EG, 2005/294/EG en 2008/664/EG vastgestelde afwijking is opgedaan, is de Commissie van mening dat de door Denemarken beoogde dierlijke mestgift (230 kg stikstof per hectare per jaar) de doelstellingen van Richtlijn 91/676/EEG niet in de weg staat, op voorwaarde dat bepaalde strikte voorwaarden in acht worden genomen. |
|
(8) |
Beschikking 2008/664/EG is op 31 juli 2012 verstreken. Om ervoor te zorgen dat de afwijking voor de betrokken rundveehouders blijft gelden, dient de geldigheid van Beschikking 2008/664/EG te worden verlengd. |
|
(9) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 9 van Richtlijn 91/676/EEG ingestelde comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De door het Koninkrijk Denemarken bij brief van 20 juni 2012 gevraagde afwijking, waarmee wordt beoogd een grotere hoeveelheid dierlijke mest toe te staan dan in bijlage III, punt 2, tweede alinea, eerste zin en onder a), van Richtlijn 91/676/EEG wordt bepaald, wordt onder de in dit besluit neergelegde voorwaarden toegestaan.
Artikel 2
Definities
In dit besluit worden de volgende definities gebruikt:
a) „rundveehouderij”: een bedrijf met meer dan drie grootvee-eenheden, waar ten minste twee derde van de veestapel uit runderen bestaat;
b) „gras”: blijvend of tijdelijk grasland („tijdelijk” betekent dat de betrokken grond doorgaans gedurende minder dan vier jaar grasland is);
c) „met ondergezaaid gras verbouwde gewassen”: kuilgranen, kuilmaïs en/of zomergerst, met vóór (maïs) of na de oogst ondergezaaid gras dat fungeert als tussengewas voor de biologische retentie van stikstofresiduen in de winter;
d) „bieten”: voederbieten;
e) „gewassen met een hoge stikstofopname en een lang groeiseizoen”: gras, gras als tussengewas of bieten en andere met ondergezaaid gras verbouwde gewassen;
f) „bodemprofiel”: de bodemlaag tot een diepte van 0,90 m onder het maaiveld, tenzij de gemiddelde hoogste grondwaterstand ondieper is; in het laatste geval is dit tot de diepte van de gemiddelde hoogste grondwaterstand;
g) „ploeglaag”: de bovenste 30 cm landbouwgrond waarop de bodemanalyse wordt verricht met het oog op een accurate bemesting.
Artikel 3
Toepassingsgebied
Deze afwijking geldt, op individuele basis en met inachtneming van de in de artikelen 4, 5 en 6 van dit besluit vastgestelde voorwaarden, voor rundveehouderijen waarvan de vruchtwisseling meer dan 70 % gewassen met een hoge stikstofopname en een lang groeiseizoen omvat.
Artikel 4
Jaarlijkse toestemming en verbintenis
1) De rundveehouder dient jaarlijks een aanvraag tot toepassing van de afwijking in bij de bevoegde instantie.
2) De jaarlijkse aanvraag gaat vergezeld van een schriftelijke verklaring waarin de rundveehouder zich ertoe verbindt de in de artikelen 5 en 6 van dit besluit vastgestelde voorwaarden in acht te nemen.
Artikel 5
Op- of inbrengen van dierlijke en andere meststoffen
De hoeveelheid dierlijke mest die in rundveehouderijen waaraan een individuele afwijking wordt toegestaan elk jaar — ook door de dieren zelf — op of in de bodem wordt gebracht, bevat niet meer dan 230 kg stikstof, en wordt alleen met inachtneming van de volgende voorwaarden op of in de bodem gebracht:
|
1) |
de totale stikstofgift wordt afgestemd op de nutriëntenopname van het betrokken gewas, rekening houdend met de levering van nutriënten vanuit de bodem. De totale stikstofgift bedraagt in geen geval meer dan de maximale gebruiksnormen voor stikstof, zoals vastgesteld in het actieprogramma. De maximale gebruiksnormen voor stikstof liggen ten minste 10 % onder het economische optimum; |
|
2) |
elke rundveehouderij waaraan een individuele afwijking wordt toegestaan, stelt voor haar hele areaal een bemestingsplan op dat op het bedrijf wordt bijgehouden. Het plan bestrijkt de periode van 1 augustus tot en met 31 juli van het volgende jaar. Het bemestingsplan bevat de volgende gegevens:
Het bemestingsplan wordt uiterlijk zeven dagen na een wijziging van de landbouwpraktijken aangepast om te waarborgen dat het plan in overeenstemming is met de feitelijke landbouwpraktijken. |
|
3) |
elke rundveehouderij waaraan een individuele afwijking is toegestaan, dient de mestboekhouding, met vermelding van de hoeveelheden op of in de bodem gebrachte mest en stikstofmeststoffen, elk jaar uiterlijk eind maart bij de bevoegde autoriteiten in; |
|
4) |
elke rundveehouderij waaraan een individuele afwijking is toegestaan, verricht met het oog op accurate bemesting periodieke stikstof- en fosforanalyses van de ploeglaag. Ten minste om de vier jaar worden een bemonstering en een analyse uitgevoerd voor elk deel van het bedrijf dat qua vruchtwisseling en bodemkenmerken homogeen is. Er wordt minstens één analyse per 5 ha landbouwgrond verricht. Op elke rundveehouderij waaraan een afwijking is toegestaan, zijn de resultaten van een stikstof- en fosforanalyse van de ploeglaag beschikbaar; |
|
5) |
dierlijke mest wordt niet in het najaar vóór een grasteelt op- of ingebracht. |
Artikel 6
Landbeheer
1) 70 % of meer van de voor het op- en inbrengen van mest beschikbare landbouwgrond in een rundveehouderij waaraan een individuele afwijking is toegestaan, wordt beteeld met gewassen met een hoge stikstofopname en een lang groeiseizoen.
2) Gras als tussengewas wordt niet vóór 1 maart omgeploegd, zodat er een permanent plantendek op het akkerland aanwezig is waardoor nitraat dat in het najaar in de ondergrond is terechtgekomen, wordt gerecupereerd en nitraatverlies in de winter wordt beperkt.
3) Tijdelijk grasland wordt in de lente geploegd en na het ploegen wordt een gewas met een hoge stikstofopname geteeld.
4) Peulvruchten of andere gewassen die atmosferische stikstof binden, worden niet in de vruchtwisseling opgenomen. Dit geldt evenwel niet voor klaver en alfalfa in grasland met minder dan 50 % klaver of alfalfa en voor met ondergezaaid gras verbouwde gerst/erwten.
Artikel 7
Monitoring
1) De bevoegde autoriteit ziet erop toe dat voor elke gemeente kaarten van de percentages onder een individuele afwijking vallende veehouderijen, dieren en landbouwgrond worden opgesteld en jaarlijks worden bijgewerkt.
2) Om te verzekeren dat de afwijking de doelstelling van Richtlijn 91/676/EEG niet doorkruist, worden onder zowel afwijkingsomstandigheden als niet-afwijkingsomstandigheden het water in de wortelzone, het oppervlaktewater en het grondwater gemonitord teneinde gegevens over de stikstof en het fosfor in het bodemprofiel en nitraatconcentraties in het grond- en oppervlaktewater te verkrijgen. De monitoring wordt verricht op perceelniveau in het kader van het nationale programma voor de monitoring van de stroomgebieden in de landbouwzones. De monitoringlocaties bestrijken de voornaamste bodemtypes, bemestingspraktijken en gewassen.
3) In het kader van het nationale programma voor de monitoring van de stroomgebieden in de landbouwzones worden onderzoeken en permanente nutriëntenanalyses verricht die gegevens opleveren omtrent het lokale bodemgebruik, de vruchtwisseling en de landbouwpraktijken op veehouderijen waaraan een individuele afwijking is toegestaan. Informatie en gegevens die zijn vergaard via nutriëntenanalyses als bedoeld in artikel 5 van dit besluit en monitoring als bedoeld in artikel 7, lid 2, van dit besluit, worden gebruikt voor modelmatige berekeningen van de omvang van de nitraat- en fosforverliezen van veehouderijen waaraan op basis van wetenschappelijke principes een individuele afwijking is.
4) De bevoegde autoriteiten bepalen het percentage onder een afwijking vallend land dat wordt bedekt door klaver of alfalfa in grasland en door met ondergezaaid gras verbouwde gerst/erwten.
Artikel 8
Controles
1) De bevoegde instanties zorgen ervoor dat alle aanvragen voor afwijkingen aan administratieve controle worden onderworpen. Wanneer uit die controle blijkt dat niet aan de in de artikelen 5 en 6 vastgestelde voorwaarden is voldaan, wordt de aanvrager daarvan in kennis gesteld. In dit geval wordt de aanvraag afgewezen.
2) Op basis van een risicoanalyse, de resultaten van de controles in voorgaande jaren en de resultaten van de algemene aselecte controle op de toepassing van de wetgeving ter uitvoering van Richtlijn 91/676/EEG wordt een programma van inspecties opgesteld. De inspecties bestaan uit veldkeuringen en controles ter plaatse en worden verricht bij ten minste 5 % van de bedrijven waaraan een individuele afwijking is toegestaan met betrekking tot de in de artikelen 5 en 6 van dit besluit vastgestelde voorwaarden. Wanneer uit de verificatie blijkt dat de voorwaarden niet zijn nageleefd, wordt de landbouwer beboet volgens het nationale systeem en wordt het verzoek om een afwijking voor het volgende jaar afgewezen.
3) Aan de bevoegde autoriteiten worden de nodige bevoegdheden en middelen toegekend om naleving van de voorwaarden van de krachtens dit besluit verleende afwijking te verifiëren.
Artikel 9
Verslaglegging
De bevoegde autoriteiten dienen elk jaar uiterlijk in december, en voor 2016 uiterlijk in juni, een verslag in met de volgende informatie:
|
a) |
kaarten voor elke gemeente van het percentage onder individuele afwijkingen vallende veehouderijen, dieren, en landbouwgrond, alsook kaarten van het lokale bodemgebruik, als bedoeld in artikel 7, lid 1, van dit besluit; |
|
b) |
de resultaten van de monitoring van het grond- en oppervlaktewater, onder zowel afwijkings- als niet-afwijkingsomstandigheden, wat betreft nitraat- en fosforconcentraties, met inbegrip van informatie over waterkwaliteitstrends, alsook de impact van de afwijking op de waterkwaliteit, als bedoeld in artikel 7, lid 2, van dit besluit; |
|
c) |
de resultaten van de monitoring van de bodem, onder zowel afwijkings- als niet-afwijkingsomstandigheden, wat betreft nitraat- en fosforconcentraties in het water in de wortelzone, als bedoeld in artikel 7, lid 2, van dit besluit; |
|
d) |
de resultaten van de onderzoeken naar het lokale bodemgebruik, de vruchtwisseling en de landbouwpraktijken, als bedoeld in artikel 7, lid 3, van dit besluit; |
|
e) |
de resultaten van de modelmatige berekeningen van de omvang van de stikstof- en fosforverliezen van bedrijven waaraan een individuele afwijking is toegestaan, als bedoeld in artikel 7, lid 3, van dit besluit; |
|
f) |
tabellen met het percentage onder een afwijking vallende landbouwgrond die wordt bedekt door klaver of alfalfa in grasland en door met ondergezaaid gras verbouwde gerst/erwten, als bedoeld in artikel 7, lid 4, van dit besluit; |
|
g) |
een evaluatie op basis van controles op bedrijfsniveau van de uitvoering van de voorwaarden van de afwijking en informatie over bedrijven die zich blijkens de resultaten van administratieve controles en veldkeuringen, als bedoeld in artikel 8, leden 1 en 2, van dit besluit, niet aan de voorschriften hebben gehouden. |
Artikel 10
Deze afwijking is van toepassing met ingang van 1 augustus 2012. Zij verstrijkt op 31 juli 2016.
Artikel 11
Dit besluit is gericht tot het Koninkrijk Denemarken.
Gedaan te Brussel, 23 oktober 2012.
Voor de Commissie
Janez POTOČNIK
Lid van de Commissie
(1) PB L 375 van 31.12.1991, blz. 1.
(2) PB L 319 van 23.11.2002, blz. 24.
Rectificaties
|
25.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 295/24 |
Rectificatie van de informatie over de datum van inwerkingtreding van de Partnerschapsovereenkomst inzake visserij tussen de Europese Gemeenschap en de Republiek der Seychellen
( Publicatieblad van de Europese Unie L 219 van 14 augustus 2008 )
Bladzijde 64, eerste alinea:
in plaats van:
„… respectievelijk 28 februari 2007 en 24 juli 2008 …”,
te lezen:
„… respectievelijk 28 februari 2007 en 2 november 2007 …”.
Bladzijde 64, tweede alinea:
in plaats van:
„De overeenkomst is derhalve, conform artikel 16, op 24 juli 2008 in werking getreden.”
te lezen:
„De overeenkomst is derhalve, conform artikel 16, op 2 november 2007 in werking getreden.”