|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2012.266.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 266 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
55e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
Verordening (EU) nr. 897/2012 van de Commissie van 1 oktober 2012 tot wijziging van de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor acibenzolar-S-methyl, amisulbrom, cyazofamide, diflufenican, dimoxystrobin, methoxyfenozide en nicotine in of op bepaalde producten ( 1 ) |
|
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2012/533/EU |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2012/534/EU |
|
|
|
* |
||
|
|
|
2012/535/EU |
|
|
|
* |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
2.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 266/1 |
VERORDENING (EU) Nr. 897/2012 VAN DE COMMISSIE
van 1 oktober 2012
tot wijziging van de bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de maximumresidugehalten voor acibenzolar-S-methyl, amisulbrom, cyazofamide, diflufenican, dimoxystrobin, methoxyfenozide en nicotine in of op bepaalde producten
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (1), en met name artikel 14, lid 1, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Voor acibenzolar-S-methyl, cyazofamide en methoxyfenozide zijn maximumresidugehalten (MRL's) vastgesteld in bijlage II en deel B van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 396/2005. Voor amisulbrom, diflufenican, dimoxystrobin en nicotine zijn MRL's vastgesteld in deel A van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 396/2005. |
|
(2) |
In de context van een procedure voor de verlening van een vergunning voor het gebruik van een gewasbeschermingsmiddel dat de werkzame stof acibenzolar-S-methyl bevat op slasoorten, met inbegrip van Brassicaceae, is overeenkomstig artikel 6, lid 1, van Verordening (EG) nr. 396/2005 een aanvraag tot wijziging van de bestaande MRL's ingediend. |
|
(3) |
Met betrekking tot amisulbrom is een dergelijke aanvraag ingediend voor gebruik op tomaten, aubergines en sla. Met betrekking tot cyazofamide is een dergelijke aanvraag ingediend voor mierikswortel. Met betrekking tot diflufenican is een dergelijke aanvraag ingediend voor olijven voor olieproductie. Met betrekking tot dimoxystrobin is een dergelijke aanvraag ingediend voor rogge, mosterdzaad en zonnebloemzaad. Met betrekking tot methoxyfenozide is een dergelijke aanvraag ingediend voor bladgroenten en verse kruiden (met uitzondering van andijvie, wijnstokbladeren, waterkers en witlof). |
|
(4) |
Overeenkomstig artikel 8 van Verordening (EG) nr. 396/2005 zijn deze aanvragen door de betrokken lidstaten geëvalueerd en zijn de evaluatieverslagen bij de Commissie ingediend. |
|
(5) |
Wat nicotine in wilde paddenstoelen betreft, zijn MRL's vastgesteld onder de voorwaarde dat deze opnieuw worden bekeken op basis van de evaluatie van nieuwe gegevens en informatie, waaronder wetenschappelijk bewijsmateriaal over het natuurlijk voorkomen of de vorming van nicotine bij wilde paddenstoelen. De Commissie heeft nieuwe gegevens en informatie van Europese exploitanten van levensmiddelenbedrijven ontvangen, die de aanwezigheid van nicotine in wilde paddenstoelen bevestigen in gehalten die compatibel zijn met de huidige MRL's. Er is echter nog geen wetenschappelijk bewijsmateriaal beschikbaar dat aantoont dat nicotine op natuurlijke wijze in wilde paddenstoelen voorkomt en dat het vormingsmechanisme daarvan kan verklaren. Daarom is het beheersbesluit dat op 11 mei 2009 door het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid (SCoFCAH) is genomen met betrekking tot de voor twee jaar vastgestelde gehalten in wilde paddenstoelen, nog steeds geldig, hoewel het dienstig is om de geldigheid van deze MRL's met extra twee jaar te verlengen, in afwachting dat dergelijke informatie beschikbaar wordt. |
|
(6) |
De Europese Autoriteit voor voedselveiligheid (EFSA) heeft de aanvragen en de evaluatieverslagen beoordeeld, waarbij zij bijzondere aandacht heeft besteed aan de risico's voor de consument en, indien relevant, voor dieren en zij heeft met redenen omklede adviezen over de voorgestelde MRL's uitgebracht (2). Zij heeft deze adviezen naar de Commissie en de lidstaten gestuurd en bekendgemaakt. |
|
(7) |
Wat alle andere toepassingen betreft, heeft de EFSA geconcludeerd dat aan alle eisen met betrekking tot de gegevens was voldaan en dat de door de aanvragers gevraagde wijzigingen van de MRL's op grond van een consumentenblootstellingsbeoordeling voor 27 specifieke Europese consumentengroepen uit het oogpunt van de consumentenveiligheid aanvaardbaar waren. Zij heeft rekening gehouden met de meest recente informatie over de toxicologische eigenschappen van de stoffen. Noch uit de gegevens over de levenslange blootstelling aan deze stoffen via de consumptie van alle levensmiddelen die deze stoffen kunnen bevatten, noch uit de gegevens over de blootstelling op korte termijn door extreme consumptie van de desbetreffende gewassen en producten is gebleken dat er een risico bestaat dat de aanvaardbare dagelijkse inname (ADI) of de acute referentiedosis (ARfD) wordt overschreden. |
|
(8) |
Op grond van de met redenen omklede adviezen van de EFSA en rekening houdend met de ter zake relevante factoren voldoen de wijzigingen van de MRL's aan de vereisten van artikel 14, lid 2, van Verordening (EG) nr. 396/2005. |
|
(9) |
Verordening (EG) nr. 396/2005 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad heeft zich daartegen verzet, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 1 oktober 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1.
(2) Wetenschappelijke verslagen van de EFSA, online te vinden op: http://www.efsa.europa.eu:
|
|
Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Reasoned opinion on the modification of the existing MRL for acibenzolar-S-methyl in lettuce and other salad plants including Brassicaceae. EFSA Journal 2012; 10(3):2632. |
|
|
Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Reasoned opinion on the setting of new MRLs for amisulbrom in tomatoes, aubergines and lettuce. EFSA Journal 2012; 10(4):2686. (29 blz.). doi: 10.2903/j.efsa.2012.2686. |
|
|
Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Reasoned Opinion Reasoned opinion on the modification of the existing MRL for cyazofamid in horseradish. EFSA Journal 2012; 10(3):2647. (22 blz.). doi: 10.2903/j.efsa.2012.2647. |
|
|
Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Reasoned opinion on the modification of the existing MRLs for diflufenican in olives for oil production. EFSA Journal 2012; 10(3):2649. (23 blz.). doi: 10.2903/j.efsa.2012.2649. |
|
|
Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Reasoned opinion on the modification of the existing MRLs for dimoxystrobin in rye, sunflower seed and mustard seed. EFSA Journal 2012; 10(3):2648. (28 blz.). doi: 10.2903/j.efsa.2012.2648. |
|
|
Europese Autoriteit voor voedselveiligheid: Reasoned opinion on the modification of the existing MRLs for methoxyfenozide in various leafy vegetables. EFSA Journal 2012; 10(4):2667. (30 blz.). doi: 10.2903/j.efsa.2012.2667. |
BIJLAGE
De bijlagen II en III bij Verordening (EG) nr. 396/2005 worden als volgt gewijzigd:
|
(1) |
in bijlage II worden de kolommen voor acibenzolar-S-methyl, cyazofamide en methoxyfenozide vervangen door: „Bestrijdingsmiddelenresiduen en maximumresidugehalten (mg/kg)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
2) |
bijlage III wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
(1) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.
(*1) Bepaalbaarheidsgrens
(*2) Combinatie van bestrijdingsmiddel en code waarvoor de MRL in bijlage III, deel B, geldt.
(2) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.
(*3) Bepaalbaarheidsgrens
(3) Voor de volledige lijst van producten van plantaardige en dierlijke oorsprong waarvoor de MRL's gelden, zie bijlage I.
(*4) Bepaalbaarheidsgrens
|
2.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 266/32 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 898/2012 VAN DE COMMISSIE
van 1 oktober 2012
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 1 oktober 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MK |
59,9 |
|
XS |
50,7 |
|
|
ZZ |
55,3 |
|
|
0707 00 05 |
MK |
27,7 |
|
TR |
126,8 |
|
|
ZZ |
77,3 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
114,4 |
|
ZZ |
114,4 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
94,5 |
|
CL |
108,8 |
|
|
TR |
72,2 |
|
|
UY |
67,8 |
|
|
ZA |
96,1 |
|
|
ZZ |
87,9 |
|
|
0806 10 10 |
MK |
35,9 |
|
TR |
120,7 |
|
|
ZZ |
78,3 |
|
|
0808 10 80 |
BR |
89,7 |
|
CL |
180,3 |
|
|
NZ |
139,2 |
|
|
US |
145,3 |
|
|
ZA |
110,7 |
|
|
ZZ |
133,0 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
193,5 |
|
CN |
64,0 |
|
|
TR |
112,6 |
|
|
ZZ |
123,4 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
2.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 266/34 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 24 september 2012
betreffende het standpunt dat de Europese Unie dient in te nemen in het bij artikel 11 van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen ingestelde Gemengd Comité, wat betreft de vaststelling van het reglement van orde van het Gemengd Comité
(2012/533/EU)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 4, eerste alinea, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1) („de overeenkomst”) is op 1 april 2012 in werking getreden. |
|
(2) |
Bij artikel 11 van de overeenkomst is een Gemengd Comité opgericht dat er onder meer voor moet zorgen dat de overeenkomst naar behoren functioneert. |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de overeenkomst stelt het Gemengd Comité zijn eigen reglement van orde vast. |
|
(4) |
Het standpunt van de Unie in het Gemengd Comité wat betreft de vaststelling van het reglement van orde van het Gemengd Comité moet worden gebaseerd op het ontwerpbesluit dat als bijlage aan dit besluit is gehecht, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat de Europese Unie dient in te nemen in het bij artikel 11 van de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen ingestelde Gemengd Comité, wat betreft de vaststelling van het reglement van orde van het Gemengd Comité, is gebaseerd op het ontwerpbesluit van het Gemengd Comité dat als bijlage aan dit besluit isgehecht.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 24 september 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
S. ALETRARIS
ONTWERP
BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ
van …
inzake de vaststelling van zijn reglement van orde
HET GEMENGD COMITÉ,
Gezien de Overeenkomst tussen de Europese Unie en Georgië inzake de bescherming van geografische aanduidingen van landbouwproducten en levensmiddelen, en met name artikel 11,
Overwegende dat die overeenkomst op 1 april 2012 in werking is getreden,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Delegatiehoofden
1. De Europese Unie en Georgië („de partijen”) wijzen elk een delegatiehoofd aan dat de contactpersoon is voor alle aangelegenheden betreffende het comité.
2. Elk delegatiehoofd kan alle taken van het delegatiehoofd of een deel daarvan delegeren aan een benoemde plaatsvervanger, in welk geval alle navolgende bepalingen betreffende het delegatiehoofd eveneens gelden voor de benoemde plaatsvervanger.
Artikel 2
Voorzitter
1. Het voorzitterschap van het comité wordt bij toerbeurt voor een kalenderjaar bekleed door het delegatiehoofd van elke partij.
2. De voorzitter is verantwoordelijk voor de vervulling van de secretariaatstaken van het comité.
Artikel 3
Vergaderingen
1. De voorzitter stelt de datum en plaats van vergaderingen of, in het geval van vergaderingen met behulp van elektronische middelen, de betrokken technische regelingen vast in overeenstemming met het andere delegatiehoofd. Wanneer de voorzitter en het andere delegatiehoofd de tijd en plaats van een vergadering overeenkomen, komen zij de verplichting na om de vergadering binnen 90 dagen te houden.
2. Tenzij gezamenlijk anders is overeengekomen, zijn de vergaderingen van het comité niet openbaar.
Artikel 4
Correspondentie
1. Alle aan het comité gerichte of voor het comité bestemde post wordt aan de voorzitter van het comité gezonden. De voorzitter doet een kopie van alle correspondentie betreffende het comité toekomen aan het andere delegatiehoofd, aan het hoofd van de Georgische missie in Brussel en aan het hoofd van de delegatie van de EU in Tbilisi.
2. De correspondentie tussen de voorzitter en het andere delegatiehoofd kan worden gevoerd met elk schriftelijk communicatiemiddel, inclusief elektronische post.
Artikel 5
Agenda van de vergaderingen
1. De voorzitter stelt vóór een vergadering de ontwerpagenda op. De ontwerpagenda wordt uiterlijk 20 werkdagen vóór het begin van de vergadering aan het andere delegatiehoofd gezonden. De door de voorzitter toegezonden ontwerpagenda bevat de onder artikel 11, lid 3, van de overeenkomst vallende punten die de voorzitter heeft gekozen.
2. Ten minste tien werkdagen vóór het begin van de vergadering kunnen de delegatiehoofden andere onder artikel 11, lid 3, vallende punten voorstellen, die de voorzitter aan de ontwerpagenda moet toevoegen.
3. Ten minste vijf werkdagen vóór het begin van de vergadering zendt de voorzitter een definitieve ontwerpagenda aan het andere delegatiehoofd.
4. De agenda wordt aan het begin van elke vergadering in onderlinge overeenstemming tussen de voorzitter en het andere delegatiehoofd vastgesteld. Andere punten dan die welke op de ontwerpagenda staan, kunnen op de agenda worden geplaatst indien de voorzitter en het andere delegatiehoofd dit overeenkomen.
Artikel 6
Vaststelling van instrumenten
1. De besluiten van het comité in de zin van artikel 11, lid 2, van de overeenkomst worden aan de partijen toegezonden en zijn ondertekend door de voorzitter en het andere delegatiehoofd.
2. Elke partij kan besluiten een door het comité vastgesteld besluit bekend te maken.
Artikel 7
Schriftelijke procedure
1. Een besluit van het comité kan door middel van een schriftelijke procedure worden vastgesteld indien de voorzitter en het andere delegatiehoofd dit overeenkomen.
2. Het delegatiehoofd dat voorstelt de schriftelijke procedure te gebruiken, legt het ontwerpbesluit aan het andere delegatiehoofd voor. In het antwoord van het andere delegatiehoofd wordt het ontwerp goedgekeurd of afgewezen of worden wijzigingen voorgesteld of wordt meer bedenktijd gevraagd. Indien het ontwerp wordt goedgekeurd, krijgt de aanbeveling overeenkomstig artikel 6, lid 1, haar definitieve karakter.
Artikel 8
Notulen
1. De voorzitter stelt ontwerpnotulen van elke vergadering op en legt deze binnen 20 werkdagen na de vergadering aan het andere delegatiehoofd voor. In de ontwerpnotulen wordt een overzicht gegeven van de gedane aanbevelingen en kunnen ook andere bereikte conclusies worden vermeld. Het andere delegatiehoofd stemt in met het ontwerp of legt de voorgestelde wijzigingen voor. Zodra overeenstemming is bereikt over de ontwerpnotulen, worden twee originelen ondertekend door de voorzitter en door het andere delegatiehoofd. De voorzitter en het andere delegatiehoofd bewaren elk een van de originelen van de notulen.
2. In het geval dat geen overeenstemming over de notulen is bereikt voordat de volgende vergadering wordt gehouden, bevatten de notulen het door de voorzitter opgestelde ontwerp, waaraan de voorgestelde wijzigingen die door het andere delegatiehoofd zijn voorgelegd, als bijlage zijn gehecht.
Artikel 9
Kosten
Elke partij draagt de kosten die zij in verband met haar deelname aan de vergaderingen van het comité maakt.
Artikel 10
Vertrouwelijkheid
De beraadslagingen van het comité zijn vertrouwelijk.
|
2.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 266/37 |
BESLUIT VAN DE RAAD
van 24 september 2012
over het door de Europese Unie in het Gemengd Comité EU-ICAO in te nemen standpunt betreffende het besluit inzake de vaststelling van een bijlage over luchtvaartbeveiliging bij het memorandum van samenwerking tussen de Europese Unie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie tot vaststelling van een kader voor versterkte samenwerking
(2012/534/EU)
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2, in samenhang met artikel 218, lid 9,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Besluit 2012/243/EU van de Raad van 8 maart 2012 inzake de sluiting van een memorandum van samenwerking tussen de Europese Unie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie houdende vaststelling van een kader voor versterkte samenwerking, en tot vaststelling van de daarmee verband houdende procedures (1) („memorandum van samenwerking”) is op 29 maart 2012 in werking getreden. |
|
(2) |
Overeenkomstig punt 7.3, onder c), van het memorandum van samenwerking kan het bij punt 7.1 daarvan opgerichte gemengd comité bijlagen bij het memorandum van samenwerking vaststellen. |
|
(3) |
Het is dienstig het standpunt te bepalen dat door de Europese Unie in het gemengd comité moet worden ingenomen ten aanzien van de vaststelling van een bijlage over luchtvaartbeveiliging die aan het memorandum van samenwerking moet worden gehecht, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Het standpunt dat de Europese Unie in het Gemengd Comité EU-ICAO, overeenkomstig punt 7.3, onder c), van het memorandum van samenwerking tussen de Europese Unie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie tot vaststelling van een kader voor versterkte samenwerking („het memorandum van samenwerking”), dient in te nemen ten aanzien van de vaststelling van een bijlage over luchtvaartbeveiliging bij het memorandum van samenwerking, wordt gebaseerd op het aan dit besluit gehechte ontwerpbesluit van het Gemengd Comité EU-ICAO.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te Brussel, 24 september 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
S. ALETRARIS
ONTWERP
BESLUIT VAN HET GEMENGD COMITÉ EU-ICAO
van …
betreffende de vaststelling van een bijlage over luchtvaartbeveiliging bij het memorandum van samenwerking tussen de Europese Unie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie tot vaststelling van een kader voor versterkte samenwerking
HET GEMENGD COMITÉ EU-ICAO,
Gezien het memorandum van samenwerking tussen de Europese Unie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie tot vaststelling van een kader voor versterkte samenwerking („het ICAO-memorandum van samenwerking”), en met name punt 7.3, onder c),
Overwegende hetgeen volgt:
Het is dienstig een bijlage over luchtvaartbeveiliging op te nemen in het ICAO-memorandum van samenwerking,
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij dit besluit wordt hierbij vastgesteld en vormt een integrerend deel van het ICAO-memorandum van samenwerking.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
Gedaan te …
Voor het Gemengd Comité EU-ICAO
De voorzitters
BIJLAGE
„BIJLAGE II — LUCHTVAARTBEVEILIGING
1. Doelstellingen
|
1.1. |
De partijen komen overeen op het gebied van luchtvaartbeveiliging samen te werken in het kader van het memorandum van samenwerking tussen de Europese Unie en de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) dat is ondertekend op 28 april 2011 te Montreal en op 4 mei 2011 te Brussel. |
|
1.2. |
Overeenkomstig hun verbintenis om wereldwijd een passend en duurzaam niveau van luchtvaartbeveiliging te bereiken, met name via de normen en aanbevolen praktijken (SARP’s) van de ICAO, komen de partijen overeen nauw samen te werken bij de uitvoering van hun activiteiten op het gebied van luchtvaartbeveiliging. |
2. Toepassingsgebied
|
2.1. |
De partijen komen, met het oog op de in punt 1 vermelde doelstellingen, overeen om samen te werken door:
|
3. Uitvoering
|
3.1. |
De partijen kunnen werkregelingen vaststellen waarin de wederzijds overeengekomen mechanismen en procedures voor de doeltreffende uitvoering de in punt 2.1 vermelde samenwerkingsactiviteiten worden vastgelegd. Deze werkregelingen worden vastgesteld door het gemengd comité. |
4. Dialoog
|
4.1. |
De partijen organiseren regelmatig vergaderingen en/of teleconferenties om luchtvaartbeveiligingskwesties van wederzijds belang te bespreken en, voor zover nodig, hun activiteiten te coördineren. |
5. Uitwisseling van luchtvaartbeveiligingsinformatie, onderzoeken/studies en analysen
|
5.1. |
Onverminderd hun toepasselijke voorschriften stellen de partijen werkregelingen vast waarin wordt gespecificeerd welke informatie en analysen zij kunnen uitwisselen op basis van de door hun respectieve audit- en inspectieprogramma’s verzamelde informatie, en leggen zij het mechanisme voor uitwisseling vast teneinde overeenkomstig punt 6 van het memorandum van samenwerking de vertrouwelijkheid te waarborgen van de informatie die zij van de andere partij hebben ontvangen. |
|
5.2. |
De partijen verlenen medewerking aan luchtvaartbeveiligingsactiviteiten door relevante en passende gegevens, onderzoeken, studies, informatie en documentatie uit te wisselen, en door de wederzijdse deelneming aan vergaderingen te faciliteren. |
6. Deelneming aan luchtvaartbeveiligingsactiviteiten
|
6.1. |
Met het oog op de toepassing van deze bijlage nodigt elke partij de andere partij overeenkomstig de vastgestelde regels en procedures uit om deel te nemen aan luchtvaartbeveiligingsgerelateerde activiteiten en vergaderingen, teneinde nauwe samenwerking en coördinatie tot stand te brengen. De voorwaarden voor dergelijke samenwerking worden vastgelegd in werkregelingen die door de partijen zijn overeengekomen. |
7. Regelgevende kwesties
|
7.1. |
Elke partij ziet erop toe dat de andere partij op de hoogte wordt gehouden van al haar relevante wet- en regelgeving, normen, eisen en aanbevolen praktijken die gevolgen kunnen hebben voor de toepassing van deze bijlage, alsook van alle wijzigingen daarvan. |
|
7.2. |
De partijen stellen elkaar tijdig in kennis van alle voorgestelde wijzigingen van hun relevante wet- en regelgeving, normen, eisen en aanbevolen praktijken, voor zover deze wijzigingen gevolgen kunnen hebben voor deze bijlage. |
|
7.3. |
Met het oog op de mondiale harmonisering van luchtvaartbeveiligingsregels en -normen informeren de partijen elkaar over kwesties van technische regelgeving op het gebied van luchtvaartbeveiliging tijdens de verschillende stadia van de processen voor de vaststelling van regelgeving en de opstelling van SARP’s, en kunnen zij in voorkomend geval worden uitgenodigd om deel te nemen aan de besprekingen in de geassocieerde technische organen. |
|
7.4. |
De partijen verstrekken elkaar tijdig informatie over besluiten en aanbevelingen betreffende de luchtvaartbeveiliging. |
|
7.5. |
De EU treedt in voorkomend geval in overleg met de ICAO om technische informatie te verstrekken indien zich, ten gevolge van de toepassing van EU-wetgeving, problemen voordoen met betrekking tot de naleving van de normen en aanbevolen praktijken van de ICAO. |
8. Technische bijstand
|
8.1. |
De partijen coördineren de bijstand aan staten, teneinde te waarborgen dat de middelen effectief worden benut en dubbel werk wordt vermeden, en wisselen informatie uit over projecten en programma’s voor technische bijstand die betrekking hebben op de luchtvaartbeveiliging. |
|
8.2. |
De partijen werken nauw samen om de EU-lidstaten en andere staten waar nodig te ondersteunen bij het verbeteren van de doeltreffende toepassing van de cruciale onderdelen van hun systemen voor beveiligingstoezicht en van de naleving van de SARP’s van de ICAO. Deze samenwerking omvat onder meer het uitwisselen van informatie, het faciliteren van de dialoog tussen de betrokken partijen en het coördineren van technische bijstand. |
9. Regionale samenwerking
|
9.1. |
De partijen geven voorrang aan activiteiten die tot doel hebben de uitvoering van de SARP’s te bespoedigen in gevallen waarin een regionale aanpak de gelegenheid biedt om de kostenefficiëntie, het toezicht en/of de normalisatie te verbeteren. |
10. Bijstand door deskundigen
|
10.1. |
Onverminderd de regelingen voor bijstand door deskundigen die buiten het toepassingsgebied van deze bijlage zijn opgezet, stellen de partijen elkaar, op verzoek, deskundigen met technische expertise op relevante gebieden van de luchtvaartbeveiliging ter beschikking om taken uit te voeren en deel te nemen aan activiteiten die binnen het toepassingsgebied van deze bijlage vallen. De voorwaarden voor dergelijke bijstand door deskundigen worden vastgelegd in een werkregeling tussen de partijen. |
11. Opleiding
|
11.1. |
Voor zover van toepassing faciliteert elke partij de deelneming van personeel van de andere partij aan haar opleidingsprogramma’s op het gebied van luchtvaartbeveiliging. |
|
11.2. |
De partijen wisselen informatie en materiaal uit met betrekking tot opleidingsprogramma’s op het gebied van luchtvaartbeveiliging en zorgen in voorkomend geval voor coördinatie en samenwerking bij het opstellen van opleidingsprogramma’s. |
|
11.3. |
In het kader van de in punt 9 van deze bijlage bedoelde activiteiten werken de partijen samen bij het faciliteren en coördineren van de deelneming aan opleidingsprogramma’s voor stagiairs uit landen of regio’s waaraan door een van de partijen technische bijstand wordt verleend. |
12. Toetsing
|
12.1. |
De toepassing van deze bijlage wordt door de partijen regelmatig getoetst; zij houden daarbij, voor zover nodig, rekening met relevante ontwikkelingen in beleid of regelgeving. |
|
12.2. |
Toetsing van deze bijlage geschiedt door het bij punt 7 van het memorandum van samenwerking opgerichte gemengd comité. |
13. Inwerkingtreding, wijzigingen en beëindiging
|
13.1. |
Deze bijlage wordt van kracht op de dag waarop zij door het gemengd comité wordt vastgesteld en blijft van kracht totdat zij wordt ingetrokken. |
|
13.2. |
Werkregelingen die krachtens deze bijlage zijn overeengekomen, worden van kracht op de dag waarop zij door het gemengd comité worden vastgesteld. |
|
13.3. |
Wijzigingen of de beëindiging van werkregelingen die krachtens deze bijlage zijn vastgesteld, moeten worden goedgekeurd door het gemengd comité. |
|
13.4. |
Deze bijlage kan te allen tijde door elk van beide partijen worden beëindigd. De beëindiging wordt van kracht zes maanden nadat zij schriftelijk ter kennis van de andere partij is gebracht, tenzij deze kennisgeving van de beëindiging met wederzijdse instemming van de partijen wordt ingetrokken vóór de opzegtermijn van zes maanden is verstreken. |
|
13.5. |
Onverminderd de andere bepalingen van dit punt, houdt beëindiging van het memorandum van samenwerking in dat tegelijkertijd eveneens deze bijlage en alle krachtens deze bijlage vastgestelde werkregelingen worden beëindigd.” |
|
2.10.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 266/42 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 26 september 2012
betreffende noodmaatregelen ter preventie van de verspreiding in de Unie van Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. (het dennenaaltje)
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 6543)
(2012/535/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen (1), en met name artikel 16, lid 3, vierde zin,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Beschikking 2006/133/EG van de Commissie (2) schrijft voor dat de lidstaten tijdelijk aanvullende maatregelen moeten nemen tegen de verspreiding van het dennenaaltje in andere gebieden in Portugal dan die waarvan bekend is dat het dennenaaltje er niet voorkomt. Uitbraken van het dennenaaltje in Spanje en het feit dat het dennenaaltje herhaaldelijk door andere lidstaten op dennenhout, houten verpakkingsmateriaal en schors uit Portugal is aangetroffen, tonen aan dat het risico groter is geworden dat het dennenaaltje zich verspreidt buiten gebieden in Portugal waarvan bekend is dat het er voorkomt. De economische, sociale en milieugevolgen van de verspreiding van het dennenaaltje in de gehele Unie zouden onaanvaardbaar groot zijn. Daarom moet de werkingssfeer van de maatregelen betreffende het dennenaaltje tot alle lidstaten worden uitgebreid. |
|
(2) |
Om het binnenbrengen en het verspreiden van het dennenaaltje te voorkomen, moeten de lidstaten jaarlijkse onderzoeken uitvoeren naar de aanwezigheid van het dennenaaltje in gebieden waarvan niet bekend is dat het er voorkomt en noodplannen goedkeuren om goed voorbereid te zijn ingeval de aanwezigheid van het dennenaaltje wordt geconstateerd. |
|
(3) |
Wanneer het dennenaaltje aanwezig blijkt te zijn in een gebied waarvan niet bekend was dat het er voorkwam, moeten de lidstaten de gebieden afbakenen waar uitroeiingsmaatregelen moeten worden toegepast. Die maatregelen moeten het kappen uit voorzorg van vatbare planten in de besmette zone en in een zone met een straal van 500 m rond de met het dennenaaltje besmette planten omvatten, tezamen met een versterkte surveillance van de aanwezigheid van het dennenaaltje in het gehele afgebakende gebied. |
|
(4) |
Wanneer een lidstaat concludeert dat het kappen van vatbare planten tot 500 m van de met het dennenaaltje besmette planten onevenredig is, bijvoorbeeld wanneer de getroffen zone beschermde gebieden omvat overeenkomstig Richtlijn 92/43/EEG van de Raad van 21 mei 1992 inzake de instandhouding van de natuurlijke habitats en de wilde flora en fauna (3) en Richtlijn 2009/147/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 november 2009 inzake het behoud van de vogelstand (4) moeten alternatieve opties voor het risicobeheer beschikbaar zijn, waarbij een beperkt aantal vatbare planten moet worden gekapt. In dit geval moeten alternatieve garanties worden verstrekt om te zorgen voor een gelijkwaardig niveau van beperking van het risico van verspreiding van het dennenaaltje. |
|
(5) |
Het hoofddoel van de maatregelen betreffende het dennenaaltje is de uitroeiing daarvan, waarbij inperking alleen wordt toegestaan in gebieden waar uitroeiing geen haalbaar doel is. Om ervoor te zorgen dat uitroeiing waar mogelijk tot stand wordt gebracht, moeten de lidstaten de uitroeiingsmaatregelen gedurende minimaal vier jaar toepassen. Wanneer uitroeiing onmogelijk is, moeten de lidstaten echter in sommige gevallen in staat worden gesteld zelfs vóór het verstrijken van de periode van vier jaar inperkingsmaatregelen toe te passen. |
|
(6) |
De lidstaten moeten de uitroeiings- en inperkingsmaatregelen die zij genomen hebben of besloten hebben te zullen nemen aan de Commissie en de andere lidstaten meedelen. |
|
(7) |
De betreffende economische actoren en het publiek moeten in kennis worden gesteld van de genomen uitroeiings- en inperkingsmaatregelen. |
|
(8) |
Het vervoer van vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors binnen afgebakende gebieden en uit die gebieden moet aan bepaalde beperkingen worden onderworpen. De lidstaten moeten controleren of deze verboden en beperkingen worden nageleefd en moeten zo nodig correctieve maatregelen opleggen. |
|
(9) |
Wanneer de beperkingen betreffende het vervoer van vatbaar hout en vatbare schors beperkingen inzake de behandeling van dit hout en deze schors omvatten, moeten de lidstaten erkenning verlenen aan en toezicht uitoefenen op voorzieningen die naar behoren zijn uitgerust om een dergelijke behandeling uit te voeren en plantenpaspoorten afgeven of het behandelde vatbare hout of de behandelde vatbare schors merken. Er moeten voorschriften worden vastgesteld voor de erkenning van en het toezicht op dergelijke voorzieningen. Er moeten ook voorschriften worden vastgesteld voor de erkenning van en het toezicht op de producenten van houten verpakkingsmateriaal, die een dergelijk merk aanbrengen. |
|
(10) |
De lidstaten en de economische actoren moeten toegang hebben tot de informatie betreffende deze erkende voorzieningen. De Commissie moet daarom een lijst van erkende behandelingsvoorzieningen en erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal opstellen en bijhouden. |
|
(11) |
Beschikking 2006/133/EG moet daarom worden ingetrokken. |
|
(12) |
Dit besluit moet na drie jaar opnieuw worden bekeken om rekening te houden met de technische en wetenschappelijke ontwikkelingen. |
|
(13) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Plantenziektekundig Comité, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Definities
Voor de uitvoering van dit besluit wordt verstaan onder:
a) „vatbare planten”: planten (met uitzondering van vruchten en zaden) van Abies Mill., Cedrus Trew, Larix Mill., Picea A. Dietr., Pinus L., Pseudotsuga Carr. en Tsuga Carr.;
b) „vatbaar hout”: hout van coniferen (Coniferales), met uitzondering van gezaagd hout en stamhout van Taxus L. en Thuja L.;
c) „vatbare schors”: schors van coniferen (Coniferales);
d) „plaats van productie”: installaties die als één productie-eenheid worden gebruikt. Dit kan productieterreinen omvatten die om fytosanitaire redenen afzonderlijk worden beheerd;
e) „vector”: kevers behorend tot het geslacht Monochamus Megerle in Dejean, 1821;
f) „vluchtseizoen van de vector”: periode van 1 april tot en met 31 oktober, behalve wanneer er een technisch-wetenschappelijke rechtvaardiging voor een andere duur van het vluchtseizoen van de vector bestaat, met inachtneming van een veiligheidsmarge van vier extra weken aan het begin en aan het einde van het verwachte vluchtseizoen;
g) „houten verpakkingsmateriaal”: hout of houtproducten, gebruikt voor de ondersteuning, de bescherming of het dragen van waren, in de vorm van pakkisten, bakken, kratten, vaten en soortgelijke verpakkingen, laadborden, laadkisten en andere laadplateaus, opzetranden voor laadborden en stuwmateriaal, al dan niet daadwerkelijk gebruikt voor het vervoer van voorwerpen. Verwerkt hout, geproduceerd door middel van lijm, warmte of druk of een combinatie daarvan en verpakkingsmateriaal dat volledig bestaat uit hout met een dikte van 6 mm of minder, zijn uitgesloten.
Artikel 2
Onderzoeken in gebieden waarvan niet bekend is dat het dennenaaltje er voorkomt
1. De lidstaten voeren jaarlijks onderzoeken naar Bursaphelenchus xylophilus (Steiner et Buhrer) Nickle et al. (het dennenaaltje) uit op vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors en op de vector, en bepalen of er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van het dennenaaltje op hun grondgebied in gebieden waarvan eerder niet bekend was dat het dennenaaltje er voorkwam.
Die onderzoeken bestaan uit het verzamelen en het testen in het laboratorium van monsters van vatbare planten, vatbaar hout, vatbare schors en vectoren. Het aantal monsters wordt vastgesteld overeenkomstig goede wetenschappelijke en technische beginselen.
2. De lidstaten verstrekken aan de Commissie een beschrijving van de in lid 1 bedoelde onderzoeken, onder vermelding van het aantal onderzoeklocaties, de te onderzoeken gebieden en het aantal monsters dat jaarlijks aan laboratoriumtests moet worden onderworpen. Die beschrijving geeft de wetenschappelijke en technische beginselen aan waarop die onderzoeken zijn gebaseerd.
Die beschrijving wordt vóór 1 maart van het jaar waarin de onderzoeken moeten worden uitgevoerd, aan de Commissie verstrekt.
3. Elke lidstaat deelt de resultaten van de in lid 1 bedoelde onderzoeken aan de Commissie en de andere lidstaten mee vóór 1 maart van het jaar dat volgt op het jaar waarin de onderzoeken zijn uitgevoerd.
Artikel 3
Laboratoriumtests
De laboratoriumtests op de aanwezigheid van het dennenaaltje in vatbare planten, vatbaar hout, vatbare schors en vectoren worden uitgevoerd overeenkomstig het diagnoseprotocol voor Bursaphelenchus xylophilus, verstrekt in EPPO Standard PM7/4(2) (5). De methoden in die norm kunnen worden aangevuld met of vervangen door wetenschappelijk gevalideerde moleculair-diagnostische methoden waarvan is gebleken dat zij een gevoeligheid en betrouwbaarheid hebben die ten minste gelijk zijn aan die van de EPPO-norm.
Artikel 4
Noodplannen
1. Vóór 31 december 2013 stelt elke lidstaat een plan op waarin de acties worden aangegeven die bij een bevestigde aanwezigheid of het vermoeden van de aanwezigheid van het dennenaaltje overeenkomstig de artikelen 5 tot en met 16 op zijn grondgebied moeten worden uitgevoerd (hierna „het noodplan” genoemd).
2. Het noodplan bevat:
|
a) |
een beschrijving van de rol en de verantwoordelijkheden van de betrokken organen en de enige instantie voor die acties; |
|
b) |
voorschriften betreffende de uitwisseling van informatie over die acties tussen de betrokken organen, de enige instantie, de betrokken privésector en het publiek; |
|
c) |
voorschriften betreffende de laboratoriumtests, en |
|
d) |
voorschriften betreffende de opleiding van het personeel van de bij die acties betrokken organen. |
3. De lidstaten zorgen voor de evaluatie en de herziening van hun noodplannen.
4. De lidstaten delen hun noodplannen op verzoek aan de Commissie mee.
Artikel 5
Afgebakende gebieden
1. Wanneer de resultaten van het jaarlijkse onderzoek, als bedoeld in artikel 2, lid 1, wijzen op de aanwezigheid van het dennenaaltje in een vatbare plant in een gedeelte van het grondgebied van een lidstaat waarvan eerder niet bekend was dat het er voorkwam, of wanneer er andere aanwijzingen voor een dergelijke aanwezigheid zijn, bakenen de lidstaten overeenkomstig lid 2 onverwijld een gebied af, hierna het „afgebakende gebied” genoemd.
Wanneer het dennenaaltje wordt aangetroffen in de vector of in een zending vatbaar hout, vatbare schors of in houten verpakkingsmateriaal, voeren de betrokken lidstaten een onderzoek uit in de nabijheid van de plek waar de vector is gevangen of waar het vatbare hout, de vatbare schors of het houten verpakkingsmateriaal zich bevond toen het dennenaaltje werd aangetroffen. Wanneer de resultaten van dat onderzoek wijzen op de aanwezigheid van het dennenaaltje in een vatbare plant, is lid 1 ook van toepassing.
2. Het afgebakende gebied bestaat uit een zone waarin het dennenaaltje aanwezig bleek te zijn, hierna „de besmette zone” genoemd, en een zone rond de besmette zone, hierna „de bufferzone” genoemd. De bufferzone moet ten minste 20 km breed zijn.
Wanneer uitroeiingsmaatregelen overeenkomstig artikel 6 worden toegepast, kan de betrokken lidstaat besluiten om de breedte van de bufferzone te beperken tot minimaal 6 km, mits die beperking de uitroeiing niet in gevaar brengt.
3. Wanneer het dennenaaltje in een bufferzone wordt aangetroffen, wordt onverwijld een nieuw afgebakend gebied overeenkomstig lid 1 ingesteld om met dat feit rekening te houden.
Het bestaande afgebakende gebied kan in plaats daarvan worden gewijzigd om met dat feit rekening te houden, wanneer dat gebied onderworpen is aan uitroeiingsmaatregelen overeenkomstig artikel 6.
Elke aanwijzing voor de aanwezigheid van het dennenaaltje in een bufferzone moet onmiddellijk ter kennis worden gebracht van de Commissie en de andere lidstaten.
4. Wanneer het dennenaaltje wordt aangetroffen op het grondgebied van een lidstaat en het afgebakende gebied zich zou uitstrekken tot het grondgebied van één of meer andere lidstaten, stelt de andere lidstaat of stellen de andere lidstaten overeenkomstig lid 1 een afgebakend gebied of afgebakende gebieden in die de bufferzone aanvullen met een bufferzone of bufferzones waarvan de breedte overeenkomt met de breedte van de bufferzone in de lidstaat waar het dennenaaltje is aangetroffen.
5. De lidstaten delen de afgebakende gebieden op hun grondgebied aan de Commissie en de andere lidstaten mee binnen een maand na de datum waarop het dennenaaltje in het betrokken gebied is aangetroffen.
Die mededeling omvat een beschrijving van de afgebakende gebieden, de ligging daarvan en de namen van de administratieve entiteiten die betrokken zijn bij de afbakening, vergezeld van een kaart met de ligging van elk afgebakend gebied en elke besmette zone en bufferzone.
De lidstaten delen wijzigingen in de afgebakende gebieden op hun grondgebied binnen één maand na die wijziging aan de Commissie en de andere lidstaten mee.
6. Wanneer uit de jaarlijkse onderzoeken naar de vatbare planten en de vector, als vastgesteld in punt 6 van bijlage I, blijkt dat in het betrokken afgebakende gebied in de afgelopen vier jaar geen dennenaaltje is aangetroffen, kan de betrokken lidstaat besluiten dat dat gebied niet langer afgebakend is. Een lidstaat die zich in de in punt 5 van bijlage I bedoelde situatie bevindt, kan besluiten dat het gebied niet langer afgebakend is wanneer de afwezigheid van het dennenaaltje wordt bevestigd door de monsters en de tests, als bedoeld in punt 7 van die bijlage.
Hij stelt de Commissie en de andere lidstaten binnen één maand in kennis van dat besluit.
7. De Commissie stelt een lijst van de afgebakende gebieden vast en deelt die lijst aan de lidstaten mee.
Die lijst wordt bijgewerkt op grond van de door de Commissie overeenkomstig de leden 5 en 6 ontvangen mededelingen.
Artikel 6
Uitroeiing
1. De lidstaten nemen maatregelen, als aangegeven in bijlage I, om het in afgebakende gebieden op hun grondgebied aangetroffen dennenaaltje uit te roeien.
Het dennenaaltje wordt als uitgeroeid beschouwd wanneer uit de jaarlijkse onderzoeken naar de vatbare planten en de vector, als bedoeld in punt 6 van bijlage I, blijkt dat in de afgelopen vier jaar in het afgebakende gebied geen dennenaaltje is aangetroffen of wanneer de afwezigheid van het dennenaaltje wordt bevestigd door de monsters en de tests, als bedoeld in punt 7, derde alinea, van bijlage I.
2. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde maatregelen worden uitgevoerd door technisch geschoold personeel van de verantwoordelijke officiële organen of door andere technisch geschoolde personen die handelen onder het toezicht van de verantwoordelijke officiële organen.
Artikel 7
Inperking
1. Wanneer uit de jaarlijkse onderzoeken naar de vatbare planten en de vector, als vastgesteld in punt 6 van bijlage I, blijkt dat het dennenaaltje in een afgebakend gebied gedurende een periode van ten minste vier achtereenvolgende jaren aanwezig is geweest en uit de opgedane ervaring blijkt dat het in de betrokken situatie onmogelijk is om het dennenaaltje uit te roeien, kan de betrokken lidstaat in plaats daarvan besluiten het dennenaaltje binnen dat gebied in te perken.
De betrokken lidstaat kan echter vóór het einde van die periode besluiten het dennenaaltje in te perken in plaats van uit te roeien, wanneer de diameter van de besmette zone meer dan 20 km bedraagt, er aanwijzingen zijn voor de aanwezigheid van het dennenaaltje in de gehele besmette zone en uit de opgedane ervaring blijkt dat het in de betrokken situatie onmogelijk is om het dennenaaltje in dat gebied uit te roeien.
Er worden inperkingsmaatregelen genomen, als vastgesteld in bijlage II.
2. Wanneer een lidstaat overeenkomstig lid 1 besluit inperkingsmaatregelen in plaats van uitroeiingsmaatregelen te nemen, stelt hij de Commissie onder opgave van redenen van dat besluit in kennis.
Wanneer de tweede alinea van lid 1 van toepassing is, voert de Commissie in die lidstaat onderzoeken uit om na te gaan of aan de in die alinea vermelde voorwaarden wordt voldaan.
3. Afgebakende gebieden die overeenkomstig lid 1 onderworpen zijn aan inperkingsmaatregelen, worden in de in artikel 5, lid 7, bedoelde lijst als zodanig aangegeven. De lidstaten mogen alleen inperkingsmaatregelen toepassen in afgebakende gebieden die in die lijst zijn aangegeven als gebieden waar het dennenaaltje wordt ingeperkt.
4. De lidstaten zorgen ervoor dat de in lid 1 bedoelde maatregelen worden uitgevoerd door technisch geschoold personeel van de verantwoordelijke officiële organen of door andere technisch geschoolde personen die handelen onder het toezicht van de verantwoordelijke officiële organen.
Artikel 8
Verstrekking van informatie aan de economische actoren en het publiek
Wanneer uitroeiingsmaatregelen overeenkomstig artikel 6 of inperkingsmaatregelen overeenkomstig artikel 7 worden toegepast, voorzien de betrokken lidstaten in maatregelen voor het verstrekken van informatie aan de betrokken economische actoren en het publiek.
Artikel 9
Mededeling van nationale maatregelen
1. De lidstaten delen binnen één maand na de in artikel 16, lid 1, eerste alinea, van Richtlijn 2000/29/EG bedoelde kennisgeving van het voorkomen van het dennenaaltje in een deel van hun grondgebied waarvan eerder niet bekend was dat het er voorkwam, aan de Commissie en de andere lidstaten de maatregelen mee die zij hebben genomen en die welke zij hebben besloten te nemen voor de uitroeiing van het dennenaaltje overeenkomstig artikel 6.
2. Wanneer een lidstaat maatregelen voor de uitroeiing van het dennenaaltje overeenkomstig artikel 6 neemt, omvat de in lid 1 bedoelde mededeling van de maatregelen de maatregelen betreffende het kappen, bemonsteren, testen, verwijderen en vernietigen van vatbare planten, als vastgesteld in de punten 2, 3, 4, 5, 7, 8 en 9 van bijlage I, en de opzet en de organisatie van de onderzoeken, waaronder het aantal inspecties, te nemen monsters en uit te voeren laboratoriumtests, als vastgesteld in punt 6 van bijlage I.
Wanneer een lidstaat maatregelen voor de inperking van het dennenaaltje overeenkomstig artikel 7 neemt, omvat de in lid 1 bedoelde mededeling van de maatregelen de maatregelen betreffende het kappen, bemonsteren, testen, verwijderen en vernietigen van vatbare planten en de opzet en de organisatie van de onderzoeken, waaronder het aantal inspecties, te nemen monsters en uit te voeren laboratoriumtests, als vastgesteld in de punten 2 en 3 van bijlage II.
Die mededeling van de maatregelen omvat ook een beschrijving van de maatregelen voor de informatie van de betrokken economische actoren en het publiek overeenkomstig artikel 8 en van de uit te voeren controles overeenkomstig artikel 11, lid 1.
3. De lidstaten verstrekken uiterlijk op 1 maart van elk jaar aan de Commissie en de andere lidstaten een verslag van de resultaten van de in het voorgaande jaar overeenkomstig de artikelen 6 en 7 genomen maatregelen.
Dat verslag omvat het aantal keren dat en de locaties waar het dennenaaltje is aangetroffen, inclusief kaarten, het aantal planten in slechte gezondheidstoestand of dode planten die werden geïdentificeerd, gekapt, bemonsterd en getest, en de uitslag van die tests.
4. De lidstaten delen uiterlijk op 1 maart van elk jaar na de in lid 1 bedoelde kennisgeving aan de Commissie en de andere lidstaten de maatregelen mee die zij in dat jaar hebben genomen voor de uitroeiing van het dennenaaltje overeenkomstig artikel 6.
5. Wanneer een lidstaat besluit het dennenaaltje overeenkomstig artikel 7, lid 1, in te perken in een afgebakend gebied, verstrekt hij onmiddellijk aan de Commissie en de andere lidstaten een dienovereenkomstig herziene versie van de in lid 1 bedoelde mededeling van de maatregelen.
Die mededeling van de maatregelen kan een periode bestrijken van maximaal vijf jaar voor een afgebakend gebied dat onderworpen is aan inperkingsmaatregelen overeenkomstig artikel 7. Wanneer de mededeling betrekking heeft op een periode van meer dan één jaar, verstrekken de betrokken lidstaten aan de Commissie en de andere lidstaten uiterlijk op 31 oktober van het jaar waarin de maatregelen verstrijken een herziene versie van die mededeling.
Wanneer wordt besloten significante wijzigingen in de inperkingsmaatregelen aan te brengen, wordt die mededeling van de maatregelen onverwijld herzien en aan de Commissie en de andere lidstaten verstrekt.
Artikel 10
Vervoer van vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors in de Unie
1. Vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors mogen alleen uit afgebakende gebieden naar andere gebieden dan afgebakende gebieden en van besmette zones naar bufferzones worden vervoerd, als aan de in afdeling 1 van bijlage III vermelde voorwaarden wordt voldaan.
2. Vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors mogen alleen worden vervoerd in besmette zones die onderworpen zijn aan uitroeiingsmaatregelen, als aan de in afdeling 2 van bijlage III vermelde voorwaarden wordt voldaan.
3. De lidstaten mogen het vervoer van vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors beperken in besmette zones die aan inperkingsmaatregelen zijn onderworpen.
Artikel 11
Controles betreffende het vervoer uit afgebakende gebieden naar andere gebieden dan afgebakende gebieden en van besmette zones naar bufferzones
1. De lidstaten voeren frequent steekproefgewijze controles uit op vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors die uit op hun grondgebied gelegen afgebakende gebieden naar andere gebieden dan afgebakende gebieden en van op hun grondgebied gelegen besmette zones naar bufferzones worden vervoerd.
Bij het nemen van een besluit in een specifiek geval over de plaats waar de controles worden uitgevoerd, baseren de lidstaten hun besluit op het risico dat zich in de te controleren planten of hout en schors levende dennenaaltjes bevinden, rekening houdend met de herkomst van de zendingen, de vatbaarheid van de betrokken planten en hout of schors en de eerdere naleving van dit besluit en Beschikking 2006/133/EG door de voor het vervoer verantwoordelijke economische actor.
Controles van vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors worden op de volgende plaatsen uitgevoerd:
|
a) |
op de punten waar zij uit besmette zones naar bufferzones worden vervoerd; |
|
b) |
op de punten waar zij uit bufferzones naar niet-afgebakende gebieden worden vervoerd; |
|
c) |
op hun plaats van bestemming in de bufferzone, en |
|
d) |
op hun plaats van oorsprong in de besmette zones, zoals houtzagerijen, vanwaar zij uit de besmette zone worden vervoerd. |
De lidstaten kunnen besluiten daarnaast controles uit te voeren op andere plaatsen dan die bedoeld onder a) tot en met d).
Die controles omvatten een documentencontrole wat betreft de eisen van afdeling 1 van bijlage III, een overeenstemmingscontrole en, bij niet-naleving of een vermoeden van niet-naleving van die eisen, een fytosanitaire controle die tests op de aanwezigheid van het dennenaaltje omvat.
2. De lidstaten voeren steekproefgewijze controles uit op vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors die uit buiten hun grondgebied gelegen afgebakende gebieden naar andere gebieden op hun grondgebied dan afgebakende gebieden worden vervoerd.
Deze controles omvatten een documentencontrole wat betreft de eisen van afdeling 1 van bijlage III, een overeenstemmingscontrole en een fytosanitaire controle die tests op de aanwezigheid van het dennenaaltje omvat.
3. De resultaten van de in lid 1 bedoelde controles worden maandelijks en die bedoeld in lid 2 jaarlijks uiterlijk op 1 maart aan de Commissie en de andere lidstaten meegedeeld.
Wanneer uit die controles blijkt dat het dennenaaltje voorkomt in vatbare planten, vatbaar hout of vatbare schors, stelt de lidstaat de Commissie en de andere lidstaten daarvan onmiddellijk in kennis.
Artikel 12
Maatregelen bij niet-naleving van artikel 10
Wanneer uit de in artikel 11 bedoelde controles blijkt dat afdeling 1 of afdeling 2 van bijlage III niet wordt nageleefd, onderwerpt de lidstaat die die controles heeft uitgevoerd het niet-conforme materiaal onmiddellijk aan een van de volgende maatregelen:
|
a) |
vernietiging; |
|
b) |
vervoer onder officieel toezicht naar een behandelingsvoorziening die daartoe specifiek is erkend, waar het wordt onderworpen aan een warmtebehandeling om een minimumtemperatuur van 56 °C gedurende ten minste 30 minuten in het gehele vatbare hout en de gehele vatbare schors te bereiken en er aldus voor te zorgen dat het hout en de schors vrij zijn van levende dennenaaltjes en levende vectoren; |
|
c) |
wanneer het niet-conforme materiaal bestaat uit houten verpakkingsmateriaal dat wordt gebruikt voor het vervoer van voorwerpen, en onverminderd bijlage III, terugzending onder officieel toezicht naar de plaats van verzending, of een plaats dicht bij de plaats waar het dennenaaltje is aangetroffen, voor de herverpakking van die voorwerpen en vernietiging van dat houten verpakkingsmateriaal, waarbij elk risico van verspreiding van het dennenaaltje wordt vermeden. |
Artikel 13
Erkenning van behandelingsvoorzieningen
1. De lidstaten op het grondgebied waarvan zich een afgebakend gebied bevindt, erkennen de behandelingsvoorzieningen die naar behoren zijn uitgerust om één of meer van de volgende taken uit te voeren, als aangegeven in bijlage III:
|
a) |
behandeling van vatbaar hout en vatbare schors, als vastgesteld in punt 2, onder a), van afdeling 1 van die bijlage en in punt 2, eerste alinea, onder c), van afdeling 2 van die bijlage; |
|
b) |
afgifte van plantenpaspoorten, als bedoeld in Richtlijn 92/105/EEG van de Commissie (6) voor vatbaar hout of vatbare schors, behandeld door de betrokken behandelingsvoorziening overeenkomstig dit lid, onder a), als vastgesteld in punt 2, onder b), van afdeling 1 van bijlage III en in punt 2, tweede alinea, onder b), van afdeling 2 van die bijlage; |
|
c) |
behandeling van houten verpakkingsmateriaal, als vastgesteld in punt 3, onder a), van afdeling 1 van die bijlage en in punt 3 van afdeling 2 van die bijlage, en |
|
d) |
merking van houten verpakkingsmateriaal dat door de betrokken behandelingsvoorziening overeenkomstig het vermelde onder c) is behandeld, als vastgesteld in punt 3, onder b), van afdeling 1 van bijlage III en punt 3 van afdeling 2 van die bijlage, overeenkomstig bijlage II bij de Internationale Norm nr. 15 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen. |
Die voorzieningen worden hierna „erkende behandelingsvoorzieningen” genoemd.
2. De erkende behandelingsvoorzieningen zorgen voor de traceerbaarheid van het behandelde vatbare hout, de behandelde vatbare schors en het behandelde vatbare houten verpakkingmateriaal.
Artikel 14
Erkenning voor het merken van materiaal
1. De lidstaten op het grondgebied waarvan zich een afgebakend gebied bevindt, verlenen aan de naar behoren uitgeruste producenten van houten verpakkingsmateriaal de erkenning om overeenkomstig bijlage II bij de Internationale Norm nr. 15 van de FAO voor fytosanitaire maatregelen het houten verpakkingsmateriaal te merken dat zij vervaardigen uit hout dat door een erkende behandelingsvoorziening is behandeld en vergezeld gaat van het in Richtlijn 92/105/EEG bedoelde plantenpaspoort.
Die producenten worden hierna „erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal” genoemd.
2. Erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal gebruiken uitsluitend hout van speciaal daartoe erkende behandelingsvoorzieningen, dat vergezeld gaat van het in Richtlijn 92/105/EEG bedoelde plantenpaspoort voor de productie van houten verpakkingsmateriaal, en zorgen ervoor dat het daarvoor gebruikte hout terug kan worden getraceerd tot die behandelingsvoorzieningen.
Artikel 15
Toezicht op erkende behandelingsvoorzieningen en erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal
De lidstaten houden toezicht op de erkende behandelingsvoorzieningen en de erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal om ervoor te zorgen dat zij hun taken, als vastgesteld in hun erkenning, correct verrichten.
De lidstaten zorgen ervoor dat dat toezicht wordt uitgevoerd door technisch geschoold personeel van de verantwoordelijke officiële organen of door andere technisch geschoolde personen die handelen onder het toezicht van de verantwoordelijke officiële organen.
Artikel 16
Intrekking van de erkenningen van erkende behandelingsvoorzieningen en erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal
1. Wanneer de lidstaat die de erkenning heeft verleend, kennis krijgt van het voorkomen van het dennenaaltje in vatbaar hout, vatbare schors of vatbaar houten verpakkingsmateriaal, behandeld door een erkende behandelingsvoorziening, trekt hij die erkenning onmiddellijk in.
Wanneer de lidstaat die de erkenning heeft verleend, kennis krijgt van het voorkomen van het dennenaaltje in vatbaar houten verpakkingsmateriaal dat door een erkende producent van houten verpakkingsmateriaal is gemerkt, trekt hij die erkenning onmiddellijk in.
2. Wanneer de lidstaat die de erkenning heeft verleend kennis krijgt van het feit dat een erkende behandelingsvoorziening of een erkende producent van houten verpakkingsmateriaal de in de erkenning vastgestelde taken niet correct uitvoert, neemt hij, onverminderd lid 1, de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat de artikelen 13 en 14 worden nageleefd.
Artikel 17
Lijst van erkende behandelingsvoorzieningen en erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal
1. De lidstaten informeren de Commissie wanneer zij een behandelingsvoorziening overeenkomstig artikel 13 of een producent van houten verpakkingsmateriaal overeenkomstig artikel 14 erkennen en wanneer zij een dergelijke erkenning intrekken.
2. De Commissie stelt een lijst op van de erkende behandelingsvoorzieningen en erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal en verstrekt deze lijst aan de lidstaten. Deel A van die lijst bevat de erkende behandelingsvoorzieningen. Deel B van die lijst bevat de erkende producenten van houten verpakkingsmateriaal. Die lijst wordt bijgewerkt op grond van de van de lidstaten ontvangen informatie.
Artikel 18
Intrekking
Beschikking 2006/133/EG wordt ingetrokken.
Artikel 19
Evaluatie
Dit besluit wordt uiterlijk op 31 juli 2015 opnieuw bekeken.
Artikel 20
Toepassingsdatum
De tweede zin van punt 2, onder a), van afdeling 1 van bijlage III en de tweede zin van punt 2, eerste alinea, onder c), van afdeling 2 van die bijlage zijn van toepassing vanaf 1 januari 2013.
Artikel 21
Adressaten
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 26 september 2012.
Voor de Commissie
John DALLI
Lid van de Commissie
(1) PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1.
(2) PB L 52 van 23.2.2006, blz. 34.
(3) PB L 206 van 22.7.1992, blz. 7.
(4) PB L 20 van 26.1.2010, blz. 7.
(5) EPPO Bulletin 39(3):344-353.
BIJLAGE I
Uitroeiingsmaatregelen, als bedoeld in artikel 6
|
1. |
De lidstaten nemen in het afgebakende gebied overeenkomstig artikel 6 maatregelen om het dennenaaltje uit te roeien, als vastgesteld in de punten 2 tot en met 10.
De lidstaten voegen een gedetailleerde beschrijving van die maatregelen bij de in artikel 9, lid 1, bedoelde mededeling. |
|
2. |
Bij de vaststelling van een afgebakend gebied stelt de betrokken lidstaat in dat gebied onmiddellijk een zone in met een minimale straal van 500 m rond elke vatbare plant waarin het dennenaaltje is aangetroffen, hierna de „kaalkapzone” genoemd. De feitelijke straal van die zone wordt voor elke vatbare plant waarin het dennenaaltje is aangetroffen, vastgesteld op basis van het risico van overdracht van het dennenaaltje door de vector tot een afstand van meer dan 500 m van die vatbare plant.
In de kaalkapzone worden alle vatbare planten gekapt, verwijderd en vernietigd. Het kappen en het vernietigen van die planten wordt uitgevoerd vanaf de buitenkant van de zone naar het midden toe. Er worden alle nodige voorzorgsmaatregelen genomen om de verspreiding van het dennenaaltje en zijn vector tijdens het kappen te vermijden. Alle dode planten, alle planten in slechte gezondheidstoestand en een aantal planten dat er gezond uitziet, geselecteerd op basis van het risico van verspreiding van het dennenaaltje in het desbetreffende geval, worden na het kappen bemonsterd. De monsters worden genomen in verscheidene delen van elke plant, waaronder de kroon. Alle monsters worden getest op de aanwezigheid van het dennenaaltje. |
|
3. |
Wanneer een lidstaat concludeert dat de instelling van een kaalkapzone met een straal van 500 m, als bedoeld in punt 2, onaanvaardbare sociale of milieugevolgen heeft, kan de minimale straal van de kaalkapzone worden beperkt tot 100 m rond elke vatbare plant waarin het dennenaaltje is aangetroffen.
Voor bepaalde zich in die kaalkapzone bevindende individuele planten kan in uitzonderlijke gevallen waarin de lidstaat concludeert dat het kappen van die planten onwenselijk is, een alternatieve uitroeiingsmaatregel op alleen die planten worden toegepast, die hetzelfde niveau van bescherming tegen de verspreiding van het dennenaaltje biedt. De reden voor die conclusie en de beschrijving van die maatregel moeten aan de Commissie worden verstrekt in de in artikel 9, lid 1, bedoelde mededeling. |
|
4. |
Wanneer punt 3 van toepassing is, worden alle vatbare planten die zich bevinden tussen 100 m en 500 m van de vatbare planten waarin het dennenaaltje is aangetroffen en die niet hoeven te worden gekapt, aan de volgende maatregelen onderworpen:
De redenen voor de conclusie, als bedoeld in punt 3, en de beschrijving van de maatregelen, als vastgesteld onder a) en b), worden vermeld in de in artikel 9, lid 1, bedoelde mededeling. |
|
5. |
Wanneer een lidstaat beschikt over bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de vector niet op zijn grondgebied aanwezig is en dat is gebaseerd op onderzoeken naar de aanwezigheid van de vector op zijn grondgebied in de laatste drie jaren, bedraagt de minimale straal van de kaalkapzone 100 m rond elke vatbare plant waarin het dennenaaltje voorkomt, tenzij de in punt 6 bedoelde onderzoeken de aanwezigheid van de vector in het afgebakende gebied aantonen.
Dat bewijsmateriaal wordt opgenomen in de in artikel 9, lid 1, bedoelde mededeling. |
|
6. |
De lidstaten voeren jaarlijkse onderzoeken uit naar de vatbare planten en de vector in de afgebakende gebieden, waarbij die planten en de vector op de aanwezigheid van het dennenaaltje worden geïnspecteerd, bemonsterd en getest. Die onderzoeken besteden bijzondere aandacht aan vatbare planten die dood zijn, in een slechte gezondheidstoestand verkeren of zich bevinden in door branden of stormen getroffen gebieden. Die onderzoeken omvatten ook de systematische bemonstering van vatbare planten die er gezond uitzien. De intensiteit van de onderzoeken binnen een straal van 3 000 m rond elke vatbare plant waarin het dennenaaltje is aangetroffen, moet ten minste vier keer zo hoog zijn als in het gebied vanaf de 3 000 m-straal tot de buitengrens van de bufferzone. |
|
7. |
De lidstaten identificeren en kappen in het gehele afgebakende gebied alle vatbare planten waarin het dennenaaltje is aangetroffen, alsook planten die dood zijn, in een slechte gezondheidstoestand verkeren of zich bevinden in door branden of stormen getroffen gebieden. Zij verwijderen en vernietigen de gekapte planten en kapresten, waarbij zij alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen om de verspreiding van het dennenaaltje en zijn vector tot het einde van de kap te vermijden. Zij nemen de volgende voorwaarden in acht:
Gekapte vatbare planten waarin het dennenaaltje nog niet is aangetroffen, worden bemonsterd en op de aanwezigheid van het dennenaaltje getest volgens een bemonsteringsschema dat in staat is met 99 % betrouwbaarheid te bevestigen dat het niveau van de aanwezigheid van het dennenaaltje in die vatbare planten onder 0,1 % ligt. Wanneer punt 5 van toepassing is, kunnen de lidstaten echter besluiten monsters te nemen van en tests uit te voeren op de aanwezigheid van het dennenaaltje in de in de eerste alinea bedoelde vatbare planten, zonder deze te kappen, volgens een bemonsteringsschema dat in staat is met 99 % betrouwbaarheid te bevestigen dat het niveau van de aanwezigheid van het dennenaaltje in die vatbare planten onder 0,1 % ligt. De eerste zin is niet van toepassing op vatbare planten waarin het dennenaaltje is aangetroffen. |
|
8. |
Wat betreft vatbaar hout dat in het afgebakende gebied tijdens het vluchtseizoen van de vector, als bedoeld in punt 7, onder b), is geïdentificeerd, ontdoen de lidstaten stammen van gekapte vatbare planten van hun schors of behandelen deze stammen met een insecticide waarvan bekend is dat het doeltreffend is tegen de vector of dekken die stammen onmiddellijk na het kappen af met een insectennet dat met een dergelijk insecticide is doordrenkt. Na het ontdoen van de schors, het behandelen of het afdekken wordt het vatbare hout onder officieel toezicht onmiddellijk afgevoerd naar een opslagplaats of een erkende behandelingsvoorziening. Hout dat niet van zijn schors is ontdaan, wordt op de opslagplaats of in de erkende behandelingsvoorziening onmiddellijk nogmaals behandeld met een insecticide waarvan bekend is dat het doeltreffend is tegen de vector of afgedekt met een insectennet dat met een dergelijk insecticide is doordrenkt.
Bij het kappen van vatbare planten geproduceerd houtafval dat ter plaatse wordt achtergelaten, wordt versnipperd in snippers met een dikte en een breedte van minder dan 3 cm. |
|
9. |
De lidstaten verwijderen en vernietigen alle vatbare planten die zijn gekweekt op plaatsen van productie van voor opplant bestemde planten waar het dennenaaltje sinds het begin van de laatste volledige groeicyclus is gedetecteerd, waarbij alle nodige voorzorgsmaatregelen worden genomen om de verspreiding van het dennenaaltje en zijn vector tijdens die activiteiten te vermijden. |
|
10. |
De lidstaten verstrekken een hygiëneprotocol voor alle voertuigen die bosbouwproducten vervoeren en machines voor de verwerking van bosbouwproducten om ervoor te zorgen dat het dennenaaltje zich met die voertuigen en machines niet kan verspreiden. |
BIJLAGE II
Inperkingsmaatregelen, als bedoeld in artikel 7
|
1. |
De lidstaten nemen overeenkomstig artikel 7 maatregelen in de afgebakende gebieden die een bufferzone moeten hebben met een breedte van ten minste 20 km, om de verspreiding van het dennenaaltje in te perken, als vastgesteld in de punten 2 en 3.
De lidstaten voegen een gedetailleerde beschrijving van die maatregelen bij de in artikel 9, lid 1, bedoelde mededeling. |
|
2. |
De lidstaten voeren jaarlijkse onderzoeken uit naar de vatbare planten en de vector in de besmette zones, waarbij die planten en de vector op de aanwezigheid van het dennenaaltje worden geïnspecteerd, bemonsterd en getest. Die onderzoeken besteden bijzondere aandacht aan vatbare planten die dood zijn, in een slechte gezondheidstoestand verkeren of zich bevinden in door branden of stormen getroffen gebieden. De lidstaten kappen alle vatbare planten waarin het dennenaaltje wordt aangetroffen en verwijderen en vernietigen die planten en hun kapresten, waarbij zij alle nodige voorzorgsmaatregelen nemen om de verspreiding van het dennenaaltje en zijn vector te vermijden. |
|
3. |
De lidstaten nemen de volgende maatregelen in de bufferzones:
|
|
4. |
De lidstaten verstrekken een hygiëneprotocol voor alle voertuigen die bosbouwproducten vervoeren en machines voor de verwerking van bosbouwproducten om ervoor te zorgen dat het dennenaaltje zich met die voertuigen en machines niet kan verspreiden. |
BIJLAGE III
Voorwaarden voor het vervoer van vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors binnen de Unie, als bedoeld in artikel 10
AFDELING 1
Voorwaarden voor het vervoer van vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors uit afgebakende gebieden naar andere gebieden dan afgebakende gebieden en uit besmette zones naar bufferzones
|
1. |
Vatbare planten mogen worden vervoerd, mits die planten aan de volgende voorwaarden voldoen:
|
|
2. |
Vatbaar hout en vatbare schors, met uitzondering van houten verpakkingsmateriaal, mogen worden vervoerd, mits dat hout of die schors aan de volgende voorwaarden voldoet:
|
|
3. |
Vatbaar hout in de vorm van houten verpakkingsmateriaal mag worden vervoerd, mits dat houten verpakkingsmateriaal aan de volgende voorwaarden voldoet:
|
|
4. |
In afwijking van de punten 2 en 3 mag vatbaar hout uit het afgebakende gebied, of uit de besmette zone naar de bufferzone, voor onmiddellijke behandeling worden vervoerd naar de erkende behandelingsvoorziening die is gelegen op de kortste afstand van het afgebakende gebied of de besmette zone, wanneer zich in dat gebied of die zone geen adequate behandelingsvoorziening bevindt.
De afwijking geldt slechts indien aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:
|
|
5. |
In afwijking van de punten 2 en 3 mag vatbaar hout en vatbare schors die zijn versnipperd in snippers met een dikte en een breedte van minder dan 3 cm uit het afgebakende gebied naar de erkende behandelingsvoorziening op de kortste afstand van dat gebied, of uit de besmette zone naar de bufferzone worden vervoerd om als brandstof te worden gebruikt, mits aan punt 4, tweede alinea, onder b) en c), wordt voldaan. |
AFDELING 2
Voorwaarden voor het vervoer van vatbare planten, vatbaar hout en vatbare schors binnen besmette zones die aan uitroeiingsmaatregelen zijn onderworpen
|
1. |
Vatbare planten voor opplant mogen worden vervoerd, mits die planten aan dezelfde voorwaarden voldoen, als vastgesteld in punt 1 van afdeling 1. |
|
2. |
Vatbaar hout en vatbare schors mogen worden vervoerd om dat hout of die schors te onderwerpen aan een van de volgende behandelingen:
De volgende voorwaarden gelden voor dat vervoer:
Dit punt is niet van toepassing op houten verpakkingsmateriaal of vatbaar hout dat is verkregen van planten die individueel zijn getest en vrij van het dennenaaltje zijn bevonden. |
|
3. |
Vatbaar hout in de vorm van houten verpakkingsmateriaal mag worden vervoerd, als het voldoet aan de voorwaarden van punt 3 van afdeling 1. |
(1) Secretariat of the International Plant Protection Convention (2009), International Standard for Phytosanitary Measures 15: Regulation of wood packaging material in international trade.