|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2012.203.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
55e jaargang |
|
Inhoud |
|
II Niet-wetgevingshandelingen |
Bladzijde |
|
|
|
VERORDENINGEN |
|
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
* |
||
|
|
|
||
|
|
|
BESLUITEN |
|
|
|
|
2012/449/EU |
|
|
|
* |
Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 27 juli 2012 tot wijziging van Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning dat Letland officieel vrij is van enzoötische boviene leukose (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 5185) ( 1 ) |
|
|
|
|
2012/450/EU |
|
|
|
* |
Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 27 juli 2012 tot wijziging van Beschikking 2009/821/EG wat betreft de lijst van grensinspectieposten (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 5187) ( 1 ) |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/1 |
VERORDENING (EU) Nr. 692/2012 VAN DE RAAD
van 24 juli 2012
tot wijziging van de Verordeningen (EU) nr. 43/2012 en (EU) nr. 44/2012 wat betreft de bescherming van de reuzenmanta en bepaalde vangstmogelijkheden
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij de Verordeningen (EU) nr. 43/2012 (1) en (EU) nr. 44/2012 (2) heeft de Raad voor 2012 de vangstmogelijkheden voor sommige visbestanden en groepen visbestanden vastgesteld welke in de EU-wateren en, voor EU-vaartuigen, in bepaalde niet-EU-wateren van toepassing zijn. |
|
(2) |
Op de 10de conferentie van de partijen (COP10) bij het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten, die van 20 tot en met 25 november 2011 in Bergen is gehouden, is de reuzenmanta (Manta birostris) toegevoegd aan de lijsten van beschermde soorten in bijlage I en bijlage II bij het verdrag. Bijgevolg is het dienstig te voorzien in de bescherming van de reuzenmanta voor EU-vaartuigen die vissen in alle wateren en voor niet-EU-vaartuigen vissen in EU-wateren. |
|
(3) |
Een verzoek om proeven te doen met betrekking tot volledig gedocumenteerde vangstquota voor diverse visbestanden in deelgebied VII van de ICES (Internationale Raad voor het onderzoek van de zee), is voorgelegd aan het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV); doel hiervan is na te gaan welke impact vangstquota hebben op visserijsterfte, teruggooi en selectieve visserijpraktijken in de gemengde visserij. De proeven zouden betrekking hebben op de bestanden van schol, zeeduivels, scharretongen en heek, waarvoor een aanvullend quotum van 1 % beschikbaar zou worden gesteld, en op het schelvisbestand, waarvoor een aanvullend quotum van 5 % beschikbaar zou worden gesteld. In antwoord op het verzoek van de Commissie spreekt het WTECV zijn steun uit voor deze proeven, die het beschouwt als een belangrijke stap in de ontwikkeling van een aanpak ten aanzien van vangstquotabeheer. Het WTECV wijst er tevens op dat het risico dat deze proeven tot een stijging van de algemene visserijsterfte van deze bestanden zullen leiden, zeer laag is. De tabellen voor de desbetreffende TAC's moeten dienovereenkomstig worden gewijzigd teneinde deze aanvullende quota ter beschikking te stellen van de bij deze proeven betrokken lidstaten. |
|
(4) |
De Commissie voor de visserij in de westelijke en centrale Stille Oceaan (WCPFC) heeft tijdens haar achtste jaarlijkse vergadering (26 tot en met 30 maart in Guam, Verenigde Staten van Amerika) haar bepalingen betreffende gesloten gebieden voor de ringzegenvisserij op grootoogtonijn en geelvintonijn in bepaalde gebieden op volle zee met onmiddellijke ingang ingetrokken. Deze gesloten gebieden zijn in Unierecht omgezet bij artikel 32 van Verordening (EU) nr. 44/2012, dat derhalve moet worden ingetrokken. |
|
(5) |
Het Verenigd Koninkrijk heeft informatie verstrekt over kabeljauwvangsten door een groep vaartuigen die in de Ierse Zee gebruik maakt van bodemtrawls en gericht vist op wijde mantel. Op basis van deze door het WTECV onderzochte informatie kan worden vastgesteld dat de kabeljauwvangsten, inclusief teruggooi, van die groep vaartuigen niet meer bedraagt dan 1,5 % van de totale vangsten van die groep vaartuigen. Gezien de van kracht zijnde maatregelen ter waarborging van controle van en het toezicht op de visserijactiviteiten van die groep vaartuigen en gezien het feit dat de opneming van deze groep een administratieve belasting zou teweegbrengen die niet in verhouding staat tot hun totale effect op de kabeljauwbestanden, dient deze groep vaartuigen te worden uitgesloten van de toepassing van de inspanningsregeling in hoofdstuk III van Verordening (EG) nr. 1342/2008 van de Raad van 18 december 2008 tot vaststelling van een langetermijnplan voor kabeljauwbestanden en de bevissing van deze bestanden (3). |
|
(6) |
De TAC voor kabeljauw in het Kattegat moet gelijk zijn aan het quotum van de Unie. Het betreffende cijfer in Verordening (EU) nr. 43/2012 moet dienovereenkomstig worden gecorrigeerd. |
|
(7) |
Er zijn in 2012 voor de Unie aanvullende vangstmogelijkheden beschikbaar geworden die voortvloeien uit quotaoverdrachten tussen de EU en andere partijen bij de Visserijorganisatie voor het noordwestelijk deel van de Atlantische Oceaan (NAFO). Bijgevolg moet voor het jaar 2012 bijlage IC van Verordening (EU) nr. 44/2012 worden gewijzigd om deze nieuwe vangstmogelijkheden weer te geven. Deze wijzigingen hebben betrekking op het jaar 2012 en laten het beginsel van relatieve stabiliteit onverlet. |
|
(8) |
Bij bijlage IIC bij Verordening (EU) nr. 43/2012 worden in het kader van het beheer van de tongbestanden in het westelijk Kanaal in ICES-sector VIIe beperkingen van de visserijinspanning vastgesteld. Op verzoek van het Verenigd Koninkrijk heeft de Commissie het WTECV gevraagd of bijlage IIC zodanig zou kunnen worden gewijzigd dat in punt 1.2 voor de uitsluiting van staand vistuig in plaats van het huidige vaste referentiejaar een variabele referentieperiode wordt vastgesteld. In zijn antwoord stelt het WTECV dat een recenter jaar, of een variabele referentieperiode die op verschillende recente jaren gebaseerd is, de voorkeur verdient, en dat de gevolgen van deze wijziging voor de visserijinspanning verwaarloosbaar zijn. |
|
(9) |
De som van de quota die aan de lidstaten zijn toegewezen in het kader van de TAC voor witte heek in NAFO 3NO, resulteert in een quotum van de Unie dat één ton groter is dan de vangstmogelijkheden die in het kader van die Regionale organisatie voor visserijbeheer (RFMO) zijn vastgesteld. De betrokken quotumtoewijzing in Verordening (EU) nr. 44/2012 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
Tijdens het overleg over de vangstmogelijkheden tussen de Unie, IJsland en de Faeröer werd voor 2012 geen overeenkomst bereikt. Bijgevolg kunnen de voor dit overleg gereserveerde vangstmogelijkheden nu aan de lidstaten worden toegewezen. Voorts eindigde het overleg tussen de kuststaten over het beheer van de makreelbestanden in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan in Reykjavik op 17 februari 2012 onbeslecht. Daarop hebben de Unie en Noorwegen, overeenkomstig onderlinge bilaterale regelingen, ermee ingestemd hun respectieve vangstmogelijkheden voor makreel voor 2012 vast te stellen. Bijgevolg moeten artikel 1 van Verordening (EU) nr. 44/2012 en de desbetreffende TAC's in de bijlagen IA en IB bij die verordening worden gewijzigd om de niet-toegewezen quota te verdelen en rekening te houden met de traditionele toewijzing van makreel in het noordoostelijke deel van de Atlantische Oceaan. |
|
(11) |
In het advies van de ICES en het WTECV wordt aangedrongen op een aanzienlijke vermindering van de TAC voor zandspieringen in de EU-wateren van de ICES-sectoren IIa en IIIa en ICES-deelgebied IV. In aansluiting op dat advies is tussen Noorwegen en de Unie tijdens het op 9 maart 2012 afgeronde overleg overeenstemming bereikt over een vermindering van de overdracht van zandspieringen naar Noorwegen. Verordening (EU) nr. 44/2012 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(12) |
Tijdens de derde internationale vergadering over de oprichting van een Regionale Organisatie voor het visserijbeheer op volle zee in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan (SPRFMO) in mei 2007 hebben de deelnemers tussentijdse maatregelen goedgekeurd, waaronder vangstmogelijkheden, om, in afwachting van de oprichting van deze regionale organisatie, de pelagische visserijactiviteiten en de bodemvisserij in het zuidelijke deel van de Stille Oceaan te reguleren. Deze tussentijdse maatregelen zijn tijdens de 2de voorbereidende conferentie voor de SPRFMO-Commissie in januari 2011 herzien en zijn opnieuw herzien tijdens de 3de voorbereidende conferentie voor de SPRFMO-Commissie van 30 januari tot en met 3 februari 2012. Deze tussentijdse maatregelen zijn vrijwillig en niet juridisch bindend uit hoofde van het internationale recht. In het kader van de uit het internationale zeerecht voortvloeiende verplichtingen inzake samenwerking en instandhouding is het evenwel dienstig deze maatregelen in het recht van de Unie te implementeren door een algemeen quotum voor de Unie vast te stellen en dit quotum over de betrokken lidstaten te verdelen. |
|
(13) |
Verordeningen (EU) nr. 43/2012 en (EU) nr. 44/2012 zijn in de regel van toepassing met ingang van 1 januari 2012. De onderhavige verordening moet derhalve ook met ingang van die datum van toepassing zijn. Een dergelijke retroactieve toepassing doet geen afbreuk aan de beginselen van rechtszekerheid en bescherming van het gewettigd vertrouwen, aangezien de betrokken vangstmogelijkheden nog niet zijn opgebruikt. De nieuwe bepalingen over de reuzenmanta mogen evenwel overeenkomstig artikel XI, lid 5, van het Verdrag inzake de bescherming van trekkende wilde diersoorten pas van kracht worden vanaf de datum van inwerkingtreding van de wijziging van de betrokken bijlagen van dat verdrag. Evenzo moet de intrekking van artikel 32 van Verordening (EU) nr. 44/2012, in overeenstemming met de door het WTECV genoemde datum voor de inwerkingtreding ervan, per 31 maart 2012 van toepassing zijn. Aangezien de wijziging van bepaalde vangstbeperkingen invloed heeft op de economische activiteiten en de programmering van het visseizoen van de EU-vaartuigen, moet deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden. |
|
(14) |
Bij de aanneming van Verordening (EU) nr. 44/2012 waren 15 onder Franse vlag varende en in La Réunion geregistreerde vissersvaartuigen niet begrepen in het maximumaantal EU-vaartuigen dat mag vissen op zwaardvis en witte tonijn in het gebied van de Commissie voor de tonijnvisserij in de Indische Oceaan (IOTC). Het in die bijlage vermelde TAC voor de Unie moet dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 43/2012
Verordening (EU) nr. 43/2012 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Aan artikel 12, lid 1, wordt het volgende punt g) toegevoegd:
|
|
2) |
Na artikel 13 wordt het volgende artikel ingevoegd: „Artikel 13 bis Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 754/2009 Aan artikel 1 van Verordening (EG) nr. 754/2009 wordt het volgende punt toegevoegd:
|
|
3) |
Bijlage I wordt gewijzigd overeenkomstig de tekst in bijlage I bij de onderhavige verordening. |
Artikel 2
Wijzigingen in Verordening (EU) nr. 44/2012
Verordening (EU) nr. 44/2012 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In artikel 1 worden de leden 3 en 4 geschrapt. |
|
2) |
Aan artikel 13, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
|
|
3) |
Artikel 32 wordt geschrapt. |
|
4) |
Aan artikel 37, lid 1, wordt het volgende punt toegevoegd:
|
|
5) |
De bijlagen I, IA, IB, IC, IJ en VI worden gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij de onderhavige verordening. |
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is van toepassing met ingang van 1 januari 2012.
In uitzondering op de tweede alinea van dit artikel zijn artikel 1, punt 1, artikel 2, punten 2 en 4, bijlage I, punt 1, en bijlage II, punt 1, echter van toepassing met ingang van 23 februari 2012, en artikel 2, punt 3, is van toepassing met ingang van 31 maart 2012.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
A. D. MAVROYIANNIS
(1) PB L 25 van 27.1.2012, blz. 1.
BIJLAGE I
DEEL A
Bijlage I bij Verordening (EU) nr. 43/2012 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Deel A wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
In deel B
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
DEEL B
|
1) |
In Aanhangsel 1, kolom c), van bijlage IIA bij Verordening (EU) nr. 43/2012 wordt de kolom voor het Verenigd Koninkrijk (UK) vervangen door: „UK 339 592 1 086 399 0 0 111 693 5 970 158 70 614 ”. |
|
2) |
In Bijlage IIC bij Verordening (EU) nr. 43/2012 wordt punt 1.2 wordt vervangen door:
|
(1) Uitsluitend voor bijvangsten. Gerichte visserij is niet toegestaan.”;
(2) De lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan proeven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra toewijzingen toekennen voor een hoeveelheid die niet groter is dan 1 % van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, zulks overeenkomstig artikel 7 van deze verordening.”;
(3) Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 5 % in VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe worden gevangen (ANF/*8ABDE).
(4) De lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan proeven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra toewijzingen toekennen voor een hoeveelheid die niet groter is dan 1 % van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, zulks overeenkomstig artikel 7 van deze verordening.”;
(5) De lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan proeven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra toewijzingen toekennen voor een hoeveelheid die niet groter is dan 5 % van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, zulks overeenkomstig artikel 7 van deze verordening.”;
(6) Van deze quota mogen overdrachten plaatsvinden naar de EU-wateren van IIa en IV. Deze overdrachten moeten evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld.
(7) Binnen een totale TAC van 55 105 ton voor het noordelijke heekbestand.
(8) De lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan proeven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra toewijzingen toekennen voor een hoeveelheid die niet groter is dan 1 % van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, zulks overeenkomstig artikel 7 van deze verordening.
(9) De lidstaten mogen vaartuigen die deelnemen aan proeven met betrekking tot volledig gedocumenteerde visserij, bovenop dit quotum extra toewijzingen toekennen voor een hoeveelheid die niet groter is dan 1 % van het aan de betrokken lidstaat toegewezen quotum, zulks overeenkomstig artikel 7 van deze verordening.”.
BIJLAGE II
De bijlagen I, IA, IB, IC, IJ en VI bij Verordening (EU) nr. 44/2012 worden als volgt gewijzigd:
|
1) |
Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:
|
|
2) |
Bijlage IA wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3) |
Bijlage IB wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
4) |
Bijlage IC wordt als volgt gewijzigd:
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
5) |
Bijlage IJ wordt vervangen door: „BIJLAGE IJ SPRFMO-VERDRAGSGEBIED
|
||||||||||||||||||||||||
|
6) |
In bijlage VI wordt punt 2 vervangen door:
|
(1) Exclusief wateren binnen 6 mijl van de basislijnen van het Verenigd Koninkrijk bij Shetland, Fair Isle en Foula.
(2) Ten minste 98 % van de TAC-aanlanding moet bestaan uit zandspieringen. Bijvangsten van schar, makreel en wijting worden in mindering gebracht op de resterende 2 % van de TAC.
(3) Kan overeenkomstig artikel 5, lid 4, van deze verordening worden herzien.”;
(4) Bedoeld is het haringbestand in VIa, benoorden 56° 00' NB, en in het gedeelte van VIa ten oosten van 07° 00' WL en benoorden 55° 00' NB, met uitzondering van de Clyde.”;
(5) Bijzondere voorwaarde: Waarvan tot 68 % mag worden gevangen in de Noorse exclusieve economische zone of in de visserijzone rond Jan Mayen (WHB/*NZJM1).
(6) Van deze quota mogen overdrachten plaatsvinden naar VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1. Deze overdrachten moeten evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld.”;
(7) Uitsluitend voor bijvangsten. Uit hoofde van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.
(8) Te vangen in de EU-wateren van IIa, IV, Vb, VI en VII (BLI/*24X7C).
(9) Bijzondere voorschriften gelden overeenkomstig artikel 1 van Verordening (EG) nr. 1288/2009 (10) en punt 7 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 43/2009 (11).
(10) PB L 347 van 24.12.2009, blz. 6.
(11) PB L 22 van 26.1.2009, blz. 1.”;
(12) Bijzondere voorwaarde: waarvan in bijvangsten van andere soorten tot 25 % per vaartuig in Vb, VI en VII is toegestaan. In de eerste 24 uur na het begin van de visserijactiviteiten op een bepaalde visgrond mag dit percentage evenwel worden overschreden. De totale bijvangsten van andere soorten in VI en VII mogen niet meer bedragen dan 3 000 ton.
(13) Inclusief lom. De quota voor Noorwegen zijn 6 140 ton leng en 2 923 ton lom en mogen tot 2 000 ton onderling gewisseld worden; de betrokken soorten mogen alleen met beuglijnen in Vb, VI en VII worden gevangen.”;
(14) Bijzondere voorwaarde: Waarvan 242 ton te vangen in Noorse wateren bezuiden 62° NB (MAC/*04N-).
(15) Bij het vissen in Noorse wateren worden bijvangsten van kabeljauw (COD/*2134.), schelvis (HAD/*2134.), witte koolvis (POL/*2134.), wijting (WHG/*2134.) en koolvis (POL/*2134.) in mindering gebracht op de quota voor deze soorten.
(16) Mag tevens in de Noorse wateren van IVa worden gevangen (MAC/*4AN.).
(17) Af te trekken van het Noorse TAC-aandeel („toegangsquotum”). Dit quotum omvat het Noorse aandeel in de Noordzee-TAC van 46 685 ton. Dit quotum mag uitsluitend in IVa worden gevangen (MAC/*04A.), behalve 3 000 ton die mag worden gevangen in IIIa (MAC/*03A.).
(18) Mag worden gevangen in IIa, VIa benoorden 56° 30′ NB, IVa, VIId, VIIe, VIIf en VIIh (MAC/*AX7H).
(19) Noorwegen mag 33 437 ton extra aan toegangsquotum vangen benoorden 56° 30′ NB; deze hoeveelheid wordt in mindering gebracht op de vangstbeperking van Noorwegen (MAC/*N6530).
(20) Bijzondere voorwaarde: De hoeveelheden die met andere lidstaten worden geruild, mogen in VIIIa, VIIIb en VIIId worden gevangen (MAC/*8ABD.). De door Spanje, Portugal of Frankrijk te ruil aangeboden hoeveelheden die in VIIIa, VIIIb en VIIId worden gevangen, mogen echter niet meer dan 25 % van de quota van de donorlidstaat bedragen.
(21) Vangsten in IIa (MAC/*02A.) en in IVa (MAC/*4A.) worden afzonderlijk gemeld.”;
(22) Inclusief zandspieringen.
(23) Mag uitsluitend worden gevangen in de EU-wateren van IV (SPR/*04-C.).
(24) Kan overeenkomstig artikel 5, lid 4, van deze verordening worden herzien.
(25) Ten minste 98 % van de TAC-aanlanding moet bestaan uit sprot. Bijvangsten van schar en wijting worden in mindering gebracht op de resterende 2 % van de TAC (OTH/*2AC4C).”;
(26) Bijzondere voorwaarde: Tot 5 % van wat voor dit quotum vóór 30 juni 2012 in de EU-wateren van IIa of IVa wordt gevangen, mag worden verrekend met de quota voor de EU-wateren van IVb, IVc en VIId. Gebruikmaking van deze bijzondere bepaling moet evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld (JAX/*4BC7D).
(27) Bijzondere voorwaarde: Tot 5 % van dit quotum mag in VIId worden gevangen. Gebruikmaking van deze bijzondere bepaling moet evenwel vooraf aan de Commissie worden gemeld (JAX/*07D.).
(28) Ten minste 95 % van de TAC-aanlanding moet bestaan uit horsmakreel. Bijvangsten van evervis, schelvis, wijting en makreel worden in mindering gebracht op de resterende 5 % van de TAC (OTH/*2A-14).”.
(29) TAC vastgesteld volgens het tussen de Unie, de Faeröer, Noorwegen en IJsland gevoerde overleg.”;
(30) Waarvan 2 900 ton wordt toegewezen aan Noorwegen.”;
(31) Inclusief onvermijdelijke bijvangst (bijvangst van kabeljauw niet toegestaan).
(32) Mag alleen tussen juli en december 2012 worden gevangen.”;
(33) Exclusief soorten zonder handelswaarde.”;
(34) Op dit quotum wordt 133 ton in mindering gebracht als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden aan een derde land.
(35) Aan dit quotum wordt 131,5 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden aan derde landen.
(36) Op dit quotum wordt 1,5 ton in mindering gebracht als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden aan derde landen.”;
(37) Met uitzondering van het vak dat wordt begrensd door de volgende coördinaten:
|
Punt nr. |
Noorderbreedte |
Westerlengte |
|
1 |
47° 20' 0 |
46° 40' 0 |
|
2 |
47° 20' 0 |
46° 30' 0 |
|
3 |
46° 00' 0 |
46° 30' 0 |
|
4 |
46° 00' 0 |
46° 40' 0 |
(38) Aan dit quotum wordt 266 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.
(39) Aan dit quotum wordt 133 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.
(40) Aan dit quotum wordt 399 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door derde landen.”;
(41) Aan dit quotum wordt 10 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.
(42) Aan dit quotum wordt 10 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.”;
(43) Aan dit quotum wordt 454 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.
(44) Aan dit quotum wordt 454 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.”;
(45) Op voorwaarde dat de met betrekking tot dit bestand voor alle NAFO-partijen vastgestelde TAC van 6 500 ton wordt gerespecteerd. Wanneer deze TAC is opgevist, moet de gerichte visserij op het bestand worden stopgezet, ongeacht het niveau van de vangsten.
(46) Aan dit quotum wordt 675 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.
(47) Aan dit quotum wordt 675 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.”;
(48) Aan dit quotum wordt 150 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.
(49) Aan dit quotum wordt 150 ton toegevoegd als gevolg van de overdracht van vangstmogelijkheden door een derde land.”.
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/23 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 693/2012 VAN DE RAAD
van 25 juli 2012
tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011 (tot uitbreiding van het bij Verordening (EG) nr. 91/2009 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië) door vrijstelling van die maatregelen te verlenen aan een Maleisische producent-exporteur en tot beëindiging van de registratie van de invoer, afkomstig van die producent-exporteur
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name de artikelen 11, lid 4, en 13, lid 4,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. BESTAANDE MAATREGELEN
|
(1) |
De Raad heeft bij Verordening (EG) nr. 91/2009 (2) antidumpingmaatregelen ingesteld op bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen van oorsprong uit de Volksrepubliek China. Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011 (3) heeft de Raad die maatregelen uitgebreid tot bepaalde soorten uit Maleisië verzonden ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen („de uitgebreide maatregelen”), met uitzondering van de invoer geproduceerd door de in die verordening specifiek genoemde Maleisische ondernemingen. |
B. HUIDIG ONDERZOEK
1. Verzoek om een nieuw onderzoek
|
(2) |
De Commissie heeft een verzoek ontvangen om vrijstelling van de uitgebreide maatregelen op grond van de artikelen 11, lid 4, en 13, lid 4, van de basisverordening. Het verzoek is ingediend door Andfast Malaysia Sdn. Bhd. („Andfast”), een producent in Maleisië. |
2. Opening van een nieuw onderzoek
|
(3) |
De Commissie heeft het door Andfast overgelegde bewijsmateriaal onderzocht en achtte dit voldoende om een onderzoek te openen op grond van de artikelen 11, lid 4, en 13, lid 4, van de basisverordening teneinde vast te stellen of Andfast van de uitgebreide maatregelen kan worden vrijgesteld. Na raadpleging van het Raadgevend Comité en na de betrokken bedrijfstak van de Unie de gelegenheid te hebben gegeven opmerkingen te maken, heeft de Commissie bij Verordening (EU) nr. 1164/2011 (4) („de openingsverordening”) met betrekking tot Andfast een nieuw onderzoek geopend betreffende Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011. |
|
(4) |
Bij de verordening waarbij het nieuwe onderzoek werd geopend, is het bij Uitvoerings-verordening (EU) nr. 723/2011 ingestelde antidumpingrecht ingetrokken voor het uit Maleisië verzonden en door Andfast geproduceerde onderzochte product. Tegelijkertijd werd de douaneautoriteiten overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basisverordening opdracht gegeven passende maatregelen te nemen om deze invoer te registreren. |
3. Betrokken product
|
(5) |
Het betrokken product is bepaalde soorten ijzeren of stalen (met uitzondering van roestvrij-stalen) bevestigingsmiddelen, d.w.z. houtschroeven (met uitzondering van kraag-schroeven), zelftappende schroeven, andere schroeven en bouten met kop (ook indien met bijbehorende moeren of sluitringen, maar met uitzondering van schroeven, gedraaid of gedecolleteerd uit massief materiaal en waarvan de dikte van de schacht niet meer bedraagt dan 6 mm en met uitzondering van schroeven en bouten voor het bevestigen van bestand-delen van spoorbanen) alsmede sluitringen, verzonden uit Maleisië, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7318 12 90 , ex 7318 14 91 , ex 7318 14 99 , ex 7318 15 59 , ex 7318 15 69 , ex 7318 15 81 , ex 7318 15 89 , ex 7318 15 90 , ex 7318 21 00 en ex 7318 22 00 („het betrokken product”). |
4. Onderzoek
|
(6) |
De Commissie heeft Andfast en de vertegenwoordigers van Maleisië in kennis gesteld van de opening van het nieuwe onderzoek. De belanghebbenden werd verzocht hun standpunt kenbaar te maken; zij werden ook ingelicht over de mogelijkheid om te verzoeken te worden gehoord. De Commissie heeft evenwel geen verzoek daartoe ontvangen. |
|
(7) |
De Commissie heeft Andfast ook een vragenlijst toegezonden en binnen de gestelde termijn een antwoord ontvangen. De Commissie heeft alle informatie ingewonnen en gecontroleerd die zij voor het nieuwe onderzoek nodig achtte. Bij Andfast is een controle ter plaatse verricht. |
5. Onderzoektijdvak
|
(8) |
Het onderzoek had betrekking op de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011. Er werden gegevens verzameld van 2008 tot het einde van het onderzoektijdvak om vast te stellen of zich enige verandering in de structuur van het handelsverkeer had voorgedaan. |
C. RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
|
(9) |
Het onderzoek heeft bevestigd dat Andfast niet verbonden was met een van de Chinese of Maleisische exporteurs of producenten die onderworpen zijn aan de antidumping-maatregelen en tijdens het onderzoektijdvak dat tot de uitgebreide maatregelen heeft geleid, namelijk de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2010, het betrokken product niet naar de Europese Unie heeft uitgevoerd. Andfast heeft het betrokken product voor het eerst uitgevoerd nadat de maatregelen al tot Maleisië waren uitgebreid. |
|
(10) |
De be- of verwerking door Andfast kan worden beschouwd als assemblage- of voltooiings-werkzaamheden in de zin van artikel 13, lid 2, van de basisverordening. Andfast voert uit de Volksrepubliek China onbewerkte stukken in die vervolgens in het bedrijf in Maleisië worden voorzien van schroefdraad, geplateerd en samengevoegd met de moeren en sluitringen. Het afgewerkte product wordt verkocht en uitgevoerd naar zijn verbonden onderneming in de Unie. |
|
(11) |
Dit wordt niet als een ontwijkingspraktijk beschouwd daar kan worden aangetoond dat de waarde die tijdens de assemblage- of voltooiingswerkzaamheden wordt toegevoegd aan de uit de Volksrepubliek China ingevoerde delen meer dan 25 % van de fabricagekosten bedraagt. |
|
(12) |
Er zijn geen bewijzen voor gevonden dat Andfast het afgewerkte product uit de Volksrepubliek China kocht om het door te verkopen of over te laden naar de Europese Unie. |
D. WIJZIGING VAN DE MAATREGELEN
|
(13) |
Aangezien Andfast volgens de bovenstaande bevindingen de maatregelen niet heeft ontweken, dient de onderneming van de geldende antidumpingmaatregelen te worden vrijgesteld. |
|
(14) |
De registratie van de invoer van bepaalde door Andfast uit Maleisië verzonden soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen, zoals voorgeschreven door de openings-verordening, moet worden stopgezet. Overeenkomstig artikel 14, lid 5, van de basis-verordening, dat bepaalt dat maatregelen met betrekking tot de geregistreerde invoer met ingang van de datum van registratie worden genomen, en aangezien de onderneming van maatregelen wordt vrijgesteld, mag geen antidumpingrecht worden geïnd op de invoer van bepaalde door Andfast uit Maleisië verzonden soorten ijzeren of stalen bevestigings-middelen die de Unie onder de bij de openingsverordening opgelegde registratie is binnengekomen. |
|
(15) |
De vrijstelling van de uitgebreide maatregelen voor bepaalde door Andfast geproduceerde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen blijft overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening gelden op voorwaarde dat de uiteindelijk vastgestelde feiten de vrij-stelling rechtvaardigen en bijvoorbeeld niet wordt vastgesteld dat de vrijstelling is verleend op basis van verkeerde of misleidende informatie van de betrokken onderneming. Mocht uit voorlopig bewijsmateriaal het tegenovergestelde blijken of mocht de uitvoer van Andfast naar de Europese Unie spectaculair toenemen, dan kan de Commissie een onder-zoek openen om vast te stellen of de intrekking van de vrijstelling gerechtvaardigd is. |
|
(16) |
De invoer van bepaalde door Andfast geproduceerde soorten ijzeren of stalen bevestigings-middelen is op grond van de bevindingen van dit nieuwe onderzoek vrijgesteld van de uitgebreide maatregelen. Deze vrijstelling geldt bijgevolg uitsluitend voor de invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen die uit Maleisië worden verzonden en door die specifieke rechtspersoon worden geproduceerd. Ingevoerde ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen die worden vervaardigd door een onderneming die niet met naam is genoemd in artikel 1, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011, met inbegrip van ondernemingen die banden hebben met de specifiek vermelde ondernemingen, komen niet in aanmerking voor de vrijstelling en zijn onderworpen aan het bij die verordening ingestelde residuele recht. |
|
(17) |
Er zijn in dit geval bijzondere maatregelen nodig om ervoor te zorgen dat deze vrij-stellingen adequaat worden toegepast. Deze bijzondere maatregelen betreffen de verplich-ting om aan de douaneautoriteiten van de lidstaten een geldige handelsfactuur over te leggen die voldoet aan de in de bijlage bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011 vermelde vereisten. Invoer die niet van een dergelijke factuur vergezeld gaat, moet aan het uitgebreide antidumpingrecht worden onderworpen. |
E. PROCEDURE
|
(18) |
Andfast en alle andere belanghebbenden zijn in kennis gesteld van de feiten en over-wegingen op basis waarvan de Commissie voornemens is Andfast van de uitgebreide maatregelen vrij te stellen. Er werden geen opmerkingen ontvangen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Artikel 1, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 723/2011 wordt gewijzigd door de volgende onderneming toe te voegen aan de lijst van ondernemingen die in Maleisië bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen produceren en wier invoer van bepaalde soorten ijzeren of stalen bevestigingsmiddelen is vrijgesteld van het uitgebreide definitieve residuele antidumpingrecht:
„Andfast Malaysia Sdn. Bhd. (aanvullende Taric-code B265)”.
Artikel 2
De douaneautoriteiten wordt opgedragen de registratie van de invoer uit hoofde van artikel 3 van Verordening (EU) nr. 1164/2011 te beëindigen. Er wordt geen antidumpingrecht geïnd op de reeds geregistreerde invoer.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatie-blad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
A. D. MAVROYIANNIS
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 29 van 31.1.2009, blz. 1.
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/26 |
VERORDENING (EU) Nr. 694/2012 VAN DE RAAD
van 27 juli 2012
tot vaststelling van de vangstmogelijkheden voor ansjovis in de Golf van Biskaje in het visseizoen 2012/2013
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Het is aan de Raad om de totaal toegestane vangsten (TAC's) per visserijtak of groep van visserijtakken vast te stellen. De vangstmogelijkheden moeten zo over de lidstaten worden verdeeld dat elke lidstaat een relatieve stabiliteit van de visserij-activiteiten voor elk bestand of elke groep van bestanden geniet en dat hierbij de doelstellingen van het gemeen-schappelijk visserijbeleid in acht worden genomen die zijn vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad van 20 december 2002 inzake de instandhouding en de duurzame exploitatie van de visbestanden in het kader van het gemeenschappelijk visserijbeleid (1). |
|
(2) |
Met het oog op een adequaat bestandsbeheer en op vereenvoudiging is het dienstig een TAC en quota van de lidstaten voor het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje (ICES-deelgebied VIII) vast te stellen voor een jaarlijks beheersseizoen dat loopt van 1 juli tot en met 30 juni van het daaropvolgende jaar, en niet voor een beheers-periode die overeenkomt met een kalenderjaar. Wat evenwel de voorwaarden voor het gebruik van de quota betreft, moeten de algemene bepalingen van Verordening (EU) nr. 43/2012 (2) van toepassing blijven. |
|
(3) |
De TAC voor ansjovis in de Golf van Biskaje voor het visseizoen 2012/2013 moet worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen en met inachtneming van de biologische en sociaaleconomische aspecten, waarbij een billijke behandeling van de visserijsectoren moet worden gegarandeerd. |
|
(4) |
Om te voorzien in een meerjarenplan voor het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje dat voor het visseizoen geldt en een vangstcontroleregeling bevat die bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden van toepassing is, heeft de Commissie op 29 juli 2009 een voorstel ingediend voor een verordening tot vaststelling van een langetermijnplan voor het ansjovis-bestand in de Golf van Biskaje en de daarop vissende visserijtakken. Gelet op dat voorstel en aangezien de effectbeoordeling die aan dat voorstel ten grondslag ligt, de meest recente beoordeling bevat van de effecten van de besluiten inzake vangstmogelijkheden voor het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje, is het dienstig een TAC voor dat bestand dienovereenkomstig vast te stellen. Het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de visserij (WTECV) raamt de biomassa van het paaibestand in zijn advies van juli 2012 op ca. 68 180 ton. De TAC voor het visseizoen dat loopt van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013, moet derhalve op 20 700 ton worden vastgesteld. |
|
(5) |
Op grond van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC's en quota (3) moet worden bepaald in hoeverre de in die verordening vastgestelde maatregelen gelden voor het ansjovisbestand in de Golf van Biskaje. |
|
(6) |
Met het oog op het begin van het visseizoen 2012/2013 en de jaarlijkse rapportage van de vangsten dient deze verordening onmiddellijk in werking te treden en met ingang van 1 juli 2012 van toepassing te zijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Vangstmogelijkheden voor ansjovis in de Golf van Biskaje
1. Voor het ansjovisbestand in ICES-deelgebied VIII zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 218/2009 (4), gelden voor het visseizoen dat van 1 juli 2012 tot en met 30 juni 2013 loopt, de volgende TAC en de volgende verdeling daarvan over de lidstaten (in ton levend gewicht):
|
|
|||||||
|
Spanje |
18 630 |
Analytische TAC |
||||||
|
Frankrijk |
2 070 |
|||||||
|
EU |
20 700 |
|||||||
|
TAC |
20 700 |
|||||||
2. De in de artikelen 8, 10 en 13 van Verordening (EU) nr. 43/2012 vastgestelde voorwaarden zijn van toepassing op de in lid 1 opgenomen verdeling van de vangstmogelijkheden en de benutting ervan.
3. Voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 847/96 wordt het in lid 1 vermelde bestand beschouwd als een bestand waarop een analytische TAC van toepassing is. Artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening zijn van toepassing.
Artikel 2
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2012.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 27 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
A. D. MAVROYIANNIS
(1) PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59.
(2) Verordening (EU) nr. 43/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen voor sommige vis-bestanden en groepen visbestanden waarvoor geen internationale onderhandelingen worden gevoerd of geen internationale overeenkomsten gelden (PB L 25 van 27.1.2012, blz. 1).
(3) PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3.
(4) Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/28 |
VERORDENING (EU) Nr. 695/2012 VAN DE COMMISSIE
van 24 juli 2012
tot vaststelling van een verbod op de visserij op tong in gebied VIIIa en VIIIb door vaartuigen die de vlag van Spanje voeren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen (1), en met name artikel 36, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EU) nr. 43/2012 van de Raad van 17 januari 2012 tot vaststelling, voor 2012, van de vangstmogelijkheden voor EU-vaartuigen voor sommige visbestanden en groepen visbestanden waarvoor geen internationale onderhandelingen worden gevoerd of geen internationale overeenkomsten gelden (2), zijn de quota voor 2012 vastgesteld. |
|
(2) |
Uit door de Commissie ontvangen informatie blijkt dat, gezien de vangsten van het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage vermelde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, de betrokken, voor 2012 toegewezen quota volledig zijn opgebruikt. |
|
(3) |
Daarom moet de visserij op dat bestand worden verboden, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Het opgebruiken van het quotum
Het quotum dat voor 2012 aan de in de bijlage bij deze verordening genoemde lidstaat is toegewezen voor de visserij op het in die bijlage vermelde bestand, wordt met ingang van de in die bijlage opgenomen datum als opgebruikt beschouwd.
Artikel 2
Verboden
De visserij op het in de bijlage bij deze verordening vermelde bestand door vaartuigen die de vlag van de in die bijlage genoemde lidstaat voeren of daar geregistreerd zijn, is verboden met ingang van de in die bijlage opgenomen datum. Na die datum is het ook verboden om vis uit dit bestand die door deze vaartuigen is gevangen, aan boord te hebben, te verplaatsen, over te laden of aan te voeren.
Artikel 3
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 24 juli 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Lowri EVANS
Directeur-generaal Maritieme Zaken en Visserij
BIJLAGE
|
Nr. |
9/T&Q |
|
Lidstaat |
Spanje |
|
Bestand |
SOL/8AB. |
|
Soort |
Tong (Solea solea) |
|
Gebied |
VIIIa en VIIIb |
|
Datum |
12 juni 2012 |
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/30 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 696/2012 VAN DE COMMISSIE
van 25 juli 2012
tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de tarief- en statistieknomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), en met name artikel 9, lid 1, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer. |
|
(3) |
Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen. |
|
(4) |
Er dient te worden bepaald dat een door de douane van een lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting inzake de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die in strijd is met deze verordening, door de houder van die inlichting nog drie maanden mag worden gebruikt op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2). |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.
Artikel 2
Op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 kan een door de douane van een lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting die in strijd is met onderhavige verordening, nog voor een periode van drie maanden worden gebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juli 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Algirdas ŠEMETA
Lid van de Commissie
BIJLAGE
|
Omschrijving |
Indeling (GN-code) |
Motivering |
|
(1) |
(2) |
(3) |
|
Binnenzolen bestaande uit een flexibel vorkvormig verend gedeelte vervaardigd uit staal en een verwisselbaar dempend kussentje vervaardigd uit diverse materialen. De binnenzolen worden op basis van de voetafdruk en het lichaamsgewicht van de klant samengesteld. De binnenzolen zijn ontworpen om de druk op de voeten en het volledige lichaam te verminderen. Het driepuntsondersteuningssysteem van de binnenzool is ontworpen om de ligamenten, de pezen en de spieren te ondersteunen, te doen bewegen en te versterken. Het absorbeert schokken, verdeelt het lichaamsgewicht gelijkelijk over de volledige voet en kan de negatieve gevolgen van bestaande platvoeten compenseren. Het dempend kussentje zorgt voor een massage van de voet. (*1) Zie afbeelding. |
6406 90 50 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 6406 , 6406 90 en 6406 90 50 . De binnenzolen zijn niet ontworpen om orthopedische aandoeningen te verhelpen omdat zij niet specifiek zijn aangepast aan een handicap die zij zouden moeten verhelpen, maar zij zijn ontworpen om het voet- en lichaamscomfort te verhogen en de negatieve gevolgen van bestaande problemen te compenseren (zie aantekening 6 bij hoofdstuk 90). Indeling onder post 9021 als orthopedische artikelen en toestellen is daarom uitgesloten. De binnenzolen moeten daarom worden ingedeeld onder GN-code 6406 90 50 als verwijderbare binnenzolen. |
(*1) De afbeelding is louter ter informatie.
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/32 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 697/2012 VAN DE COMMISSIE
van 25 juli 2012
tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de statistiek- en tariefnomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), met name op artikel 9, lid 1, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer. |
|
(3) |
Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen. |
|
(4) |
Er moet worden bepaald dat de houder van een door de douane van een lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting inzake de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die in strijd is met deze verordening, deze inlichting nog drie maanden mag blijven gebruiken op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2). |
|
(5) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.
Artikel 2
Op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 kan een door de douane van een lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting die in strijd is met onderhavige verordening, nog voor een periode van drie maanden worden gebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juli 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Algirdas ŠEMETA
Lid van de Commissie
BIJLAGE
|
Omschrijving |
Indeling (GN-code) |
Motivering |
|
(1) |
(2) |
(3) |
|
Een artikel (een zogenoemde „transformatormodule met RJ 45 stekker”) met verbindingspennen in een behuizing met afmetingen van ongeveer 2 × 1,5 × 1,5 cm. Het artikel bevat een gedrukte schakeling uitgerust met vier transformatoren, een condensator en vier weerstanden. Het bevat ook twee luminescentiedioden die niet met de andere componenten zijn verbonden. Het artikel is specifiek ontworpen voor een 10/100 BASE-T Ethernet-netwerk en is bedoeld om op een gedrukte schakeling te worden gemonteerd om machines binnen een lokaal netwerk met elkaar te verbinden voor het zenden en ontvangen van signalen. Het biedt ook galvanische scheiding en bescherming van signalen tegen overspanning en common mode-ruis. |
8517 70 90 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1 en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur, aantekening 2 b) op afdeling XVI en de tekst van de GN-codes 8517 , 8517 70 en 8517 70 90 . Naast het verbindingsstuk bevat het artikel een aantal verschillende elektrische componenten. Daarnaast vervult het ook een aantal verschillende elektrische functies naast het leggen van verbindingen met of in elektrische stroomkringen, zoals galvanische scheiding en bescherming tegen overspanning en common mode-ruis. Deze componenten zijn alle even belangrijk omdat zij samen bijdragen tot de technische vereisten die nodig zijn voor het leggen van een verbinding via een Ethernet-netwerk. Daarom is indeling onder post 8536 als een stekker uitgesloten. Omdat het artikel gebruikt wordt in toestellen voor de overdracht in een kabelnetwerk moet het worden ingedeeld onder GN-code 8517 70 90 als een deel van toestellen voor de overdracht in een kabelnetwerk of in een draadloos netwerk. |
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/34 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 698/2012 VAN DE COMMISSIE
van 25 juli 2012
tot indeling van bepaalde goederen in de gecombineerde nomenclatuur
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EEG) nr. 2658/87 van de Raad van 23 juli 1987 met betrekking tot de statistiek- en tariefnomenclatuur en het gemeenschappelijk douanetarief (1), met name op artikel 9, lid 1, onder a),
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Om de uniforme toepassing te waarborgen van de gecombineerde nomenclatuur die als bijlage bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 is gevoegd, dienen bepalingen voor de indeling van de in de bijlage bij onderhavige verordening vermelde goederen te worden vastgesteld. |
|
(2) |
Bij Verordening (EEG) nr. 2658/87 zijn de algemene regels voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur vastgesteld. Deze regels zijn ook van toepassing op iedere andere nomenclatuur die, geheel of gedeeltelijk of met toevoeging van onderverdelingen, de gecombineerde nomenclatuur overneemt en die bij specifieke EU-wetgeving is vastgesteld met het oog op de toepassing van tarief- of andere maatregelen in het kader van het goederenverkeer. |
|
(3) |
Volgens deze algemene regels dienen de in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen te worden ingedeeld onder de in kolom 2 vermelde GN-code om de in kolom 3 genoemde redenen. |
|
(4) |
Er moet worden bepaald dat de houder van een door de douane van een lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting inzake de indeling van goederen in de gecombineerde nomenclatuur die in strijd is met deze verordening, deze inlichting nog drie maanden mag blijven gebruiken op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 van de Raad van 12 oktober 1992 tot vaststelling van het communautair douanewetboek (2). |
|
(5) |
De in de punten 1 en 3 van de bijlage bij deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité douanewetboek; het Comité douanewetboek heeft geen advies over punt 2 van de bijlage bij deze verordening uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in kolom 1 van de tabel in de bijlage omschreven goederen worden in de gecombineerde nomenclatuur ingedeeld onder de in kolom 2 van die tabel vermelde GN-code.
Artikel 2
Op grond van artikel 12, lid 6, van Verordening (EEG) nr. 2913/92 kan een door de douane van een lidstaat afgegeven bindende tariefinlichting die in strijd is met onderhavige verordening, nog voor een periode van drie maanden worden gebruikt.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 25 juli 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
Algirdas ŠEMETA
Lid van de Commissie
BIJLAGE
|
Omschrijving |
Indeling (GN-code) |
Motivering |
||||||
|
(1) |
(2) |
(3) |
||||||
|
8528 59 40 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 c) en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 8528 , 8528 59 en 8528 59 40 . Het toestel bestaat uit componenten die diverse functies kunnen uitvoeren (geluidweergave, videoweergave, radio-omroep), waarvan geen enkele, gezien het ontwerp en concept ervan, het toestel zijn wezenlijke karakter verleent. Met toepassing van indelingsregel 3 c) moet het toestel daarom worden ingedeeld onder GN-code 8528 59 40 als andere monitor voor kleurenweergave met een LCD-beeldscherm. |
||||||
|
8528 59 40 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 c) en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 8528 , 8528 59 en 8528 59 40 . Het toestel bestaat uit componenten die diverse functies kunnen uitvoeren (geluidweergave, videoweergave, radio-omroep), waarvan geen enkele, gezien het ontwerp en concept ervan, het toestel zijn wezenlijke karakter verleent. Met toepassing van indelingsregel 3 c) moet het toestel daarom worden ingedeeld onder GN-code 8528 59 40 als andere monitor voor kleurenweergave met een LCD-beeldscherm. |
||||||
|
8528 59 40 |
De indeling is vastgesteld op basis van de algemene regels 1, 3 c) en 6 voor de interpretatie van de gecombineerde nomenclatuur en de tekst van de GN-codes 8528 , 8528 59 en 8528 59 40 . Het toestel bestaat uit componenten die diverse functies kunnen uitvoeren (geluidweergave, videoweergave, radionavigatie, radio-omroep), waarvan geen enkele, gezien het ontwerp en concept ervan, het toestel zijn wezenlijke karakter verleent. Met toepassing van indelingsregel 3 c) moet het toestel daarom worden ingedeeld onder GN-code 8528 59 40 als andere monitor voor kleurenweergave met een LCD-beeldscherm. |
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/37 |
VERORDENING (EU) Nr. 699/2012 VAN DE COMMISSIE
van 30 juli 2012
tot instelling van een voorlopig antidumpingrecht op bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Turkije
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 7,
Na raadpleging van het Raadgevend Comité,
Overwegende hetgeen volgt:
A. PROCEDURE
1. Inleiding van de procedure
|
(1) |
Op 1 november 2011 heeft de Europese Commissie („de Commissie”) met een bericht („bericht van inleiding”) in het Publicatieblad van de Europese Unie (2) de inleiding van een antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Rusland en Turkije („de betrokken landen”) aangekondigd. |
|
(2) |
De procedure werd ingeleid naar aanleiding van een klacht die op 20 september 2011 door het Defence Committee of the Steel Butt-Welding Fittings Industry of the European Union („de klager”) werd ingediend namens producenten die samen een groot deel, in dit geval meer dan 40 %, van de totale productie in de Unie van bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, vertegenwoordigen. Het bij de klacht gevoegde voorlopige bewijsmateriaal betreffende de dumping van het product en de daaruit voortvloeiende aanmerkelijke schade werd voldoende geacht om een procedure in te leiden. |
2. Partijen bij de procedure
|
(3) |
De Commissie heeft de klager, andere haar bekende producenten in de Unie, de haar bekende producenten-exporteurs en de vertegenwoordigers van de betrokken landen, alsmede de haar bekende importeurs en gebruikers in kennis gesteld van de inleiding van de procedure. Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn schriftelijk hun standpunt kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
|
(4) |
Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord. |
a) Steekproef van producenten in de Unie
|
(5) |
Gezien het kennelijk grote aantal producenten in de Unie werd in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening voor de vaststelling van schade van een steekproef gebruik te maken. |
|
(6) |
In het bericht van inleiding deelde de Commissie mede dat zij een voorlopige steekproef van producenten in de Unie had samengesteld. Deze steekproef bestond uit drie ondernemingen, van de 22 producenten in de Unie waarvan bekend was dat zij vóór de opening van het onderzoek het soortgelijke product vervaardigden. |
|
(7) |
De steekproef werd geselecteerd op basis van de verkoop- en productiehoeveelheden die redelijkerwijs binnen de beschikbare tijd konden worden onderzocht. De in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn gevestigd in vier lidstaten en vertegenwoordigen 48 % van de totale verkoop in de Unie door producenten in de Unie, en 64 % van de producenten die zich kenbaar hebben gemaakt. Geen van de belanghebbenden maakte bezwaar tegen de voorgestelde steekproef. |
b) Steekproef van niet-verbonden importeurs
|
(8) |
Gezien het mogelijk grote aantal niet-verbonden importeurs werd in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening gebruik te maken van een steekproef. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werd aan alle importeurs gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar volgens de aanwijzingen in het bericht van inleiding basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het onderzochte product gedurende het onderzoektijdvak (1 oktober 2010-30 september 2011). |
|
(9) |
Van de 38 niet-verbonden importeurs die met de Commissie contact opnamen, hebben er maar vijf binnen de termijn op de steekproefvragen geantwoord. Een van de ondernemingen bleek een gebruiker in plaats van een importeur te zijn. Derhalve werd een steekproef niet nodig geacht en werd aan alle vier importeurs die zich kenbaar hadden gemaakt een vragenlijst gestuurd. Uiteindelijk hebben slechts twee importeurs op de vragenlijst geantwoord en volledige medewerking aan het onderzoek verleend. |
c) Steekproef van producenten-exporteurs
|
(10) |
Gezien het kennelijk grote aantal producenten-exporteurs werd in het bericht van inleiding overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening voor de vaststelling van dumping gebruik te maken van een steekproef. Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werd aan alle producenten-exporteurs gevraagd zich bij de Commissie kenbaar te maken en haar volgens de aanwijzingen in het bericht van inleiding basisinformatie te verstrekken over hun activiteiten in verband met het onderzochte product gedurende het onderzoektijdvak (1 oktober 2010-30 september 2011). De autoriteiten van de betrokken landen werden eveneens geraadpleegd. |
|
(11) |
Er hebben geen Russische producenten-exporteurs aan het onderzoek meegewerkt. Wat Turkije betreft, hebben zich drie producenten-exporteurs kenbaar gemaakt, zodat de Commissie het niet nodig achtte voor Turkije een steekproef samen te stellen. De drie medewerkende Turkse ondernemingen vertegenwoordigen het grootste deel van de Turkse uitvoer naar de Unie gedurende het onderzoektijdvak. |
d) Antwoorden op de vragenlijst en controles
|
(12) |
Voor haar analyse heeft de Commissie alle drie medewerkende producenten-exporteurs in Turkije, alsmede de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie en de medewerkende niet-verbonden importeurs en gebruikers een vragenlijst gestuurd. |
|
(13) |
Van alle drie medewerkende Turkse producenten-exporteurs, alle in de steekproef opgenomen producenten in de Unie, twee niet-verbonden importeurs in de Unie en vier gebruikers werd een ingevulde vragenlijst terugontvangen. |
|
(14) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij nodig achtte voor de voorlopige vaststelling van dumping, de daardoor veroorzaakte schade en het belang van de Unie verzameld en gecontroleerd. Bij de volgende ondernemingen werd ter plaatse een controle uitgevoerd:
|
3. Onderzoektijdvak
|
(15) |
Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 („het onderzoektijdvak” of „OT”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die van belang zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 2008 tot het eind van het onderzoektijdvak („de beoordelingsperiode”). |
4. Geldende maatregelen ten aanzien van andere derde landen
|
(16) |
Er zijn antidumpingmaatregelen van toepassing op bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit Maleisië, de Volksrepubliek China, de Republiek Korea en Thailand, en wegens vastgestelde ontwijkingspraktijken ook op bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, die uit Indonesië, Sri Lanka, de Filipijnen en Taiwan worden verzonden (met enkele uitzonderingen) (3). De in deze overweging genoemde landen worden hierna de „landen waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn” genoemd. |
B. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
1. Betrokken product
|
(17) |
Bij dit onderzoek gaat het om hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (met uitzondering van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van 609,6 mm, geschikt voor stomplassen en voor andere doeleinden, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 , ex 7307 93 19 en ex 7307 99 80 („het betrokken product”). |
|
(18) |
In het productieproces worden ellebogen, verloopstukken en T-stukken van naadloze of gelaste buizen of pijpen vervaardigd en doppen gewoonlijk van plaatstaal. Ellebogen en verloopstukken worden verkregen door snijden en vormen, buigen of reduceren. Bij de vervaardiging van T-stukken wordt waterdruk gebruikt, terwijl doppen worden gemaakt door het vormen van bladen of vellen. Voordat deze worden verpakt, worden ze gewoonlijk nog gefreesd en gekorrelstraald. Soms ook wordt het product gegalvaniseerd. Alle productsoorten hebben dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen en worden voor dezelfde doeleinden gebruikt. |
|
(19) |
Hulpstukken voor buisleidingen worden gebruikt in de petrochemische industrie en bouwnijverheid, in energiebedrijven, in de scheepsbouw en in industriële installaties. In alle bovengenoemde toepassingen worden zij gebruikt om buizen en pijpen met elkaar te verbinden. |
2. Soortgelijk product
|
(20) |
Er werd vastgesteld dat het betrokken product en bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, die in de betrokken landen op de binnenlandse markt worden verkocht alsmede bepaalde hulpstukken voor buisleidingen, van ijzer of van staal, die door de bedrijfstak van de Unie in de Unie worden verkocht, dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Deze producten worden daarom voorlopig beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
C. DUMPING
1. Rusland
|
(21) |
Zoals al in overweging 11 is vermeld, werkten er geen Russische producenten-exporteurs aan het onderzoek mee. Daarom werden de dumpingberekeningen voor Rusland overeenkomstig artikel 18 van de basisverordening op de beschikbare gegevens gebaseerd, zoals hieronder nader wordt uiteengezet. |
1.1. Normale waarde
|
(22) |
Aangezien geen Russische producenten-exporteurs aan het onderzoek meewerkten, werd de normale waarde voor Rusland aan de hand van de beschikbare gegevens berekend. |
|
(23) |
Er wordt aan herinnerd dat de klacht voorlopig bewijsmateriaal bevatte dat op invoer met dumping van het betrokken product vanuit Rusland wees. Bij de berekening die aan dat bewijsmateriaal ten grondslag lag, was bij gebrek aan gedetailleerdere gegevens uitgegaan van een door berekening vastgestelde normale waarde voor Rusland. Om een preciezere normale waarde vast te stellen, heeft de Commissie evenwel voorlopig besloten om de normale waarde voor Rusland te berekenen aan de hand van de gegevens die bij het onderzoek zijn verkregen van Turkse producenten-exporteurs die voor de vervaardiging van het betrokken product Russische naadloze buizen en pijpen gebruiken. Omdat de grondstofkosten verreweg de grootste factor in de totale productiekosten voor het betrokken product zijn, werd deze methode als de meest redelijke beschouwd om de normale waarde voor Rusland aan de hand van beschikbare gegevens vast te stellen. |
|
(24) |
Om de normale waarde voor Rusland te berekenen, werd dus de gewogen gemiddelde normale waarde bepaald voor de medewerkende Turkse producenten-exporteurs die een deel van hun grondstoffen uit Rusland betrekken. |
|
(25) |
In dit verband moet worden opgemerkt dat de normale waarde volgens deze methode werd bepaald voor de productsoort (ellebogen) waarvan het meest wordt ingevoerd en niet voor alle soorten van het betrokken product, zodat een representatieve vergelijking met de uitvoerprijs kon worden gemaakt (zie de volgende overwegingen). |
1.2. Uitvoerprijs
|
(26) |
Omdat gedetailleerdere prijsgegevens ontbraken, werd de uitvoerprijs voor de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Rusland aan de hand van invoergegevens van Eurostat vastgesteld. Gezien de grote verscheidenheid van producten die onder bepaalde GN-codes worden aangegeven, werd de uitvoerprijs bepaald door zich bij de Eurostatgegevens te beperken tot de productsoort (ellebogen) waarvan het invoervolume het grootst was en deze soort als representatief voor het gehele betrokken product te beschouwen. De uitvoerprijs werd dus gebaseerd op gegevens voor GN-code 7307 93 11 . |
|
(27) |
Bovenbedoelde invoergegevens van Eurostat moesten worden gecorrigeerd omdat bij sommige invoertransacties vanuit Rusland naar Bulgarije, Estland en Litouwen foute aangiften waren gedaan, hoogstwaarschijnlijk door een verkeerde classificatie van het product. Deze transacties werden opgespoord aan de hand van de invoerstatistieken die op grond van artikel 14, lid 6, van de basisverordening in de databank waren opgenomen; zij werden voor de berekening van de uitvoerprijs buiten beschouwing gelaten om te voorkomen dat de dumpingberekening gebaseerd is op een vertekende uitvoerprijs. |
1.3. Vergelijking
|
(28) |
De dumpingmarge werd vastgesteld door de op basis van de Eurostatgegevens berekende uitvoerprijs af fabriek te vergelijken met de op bovengenoemde wijze vastgestelde normale waarde voor Rusland. |
|
(29) |
Om de uitvoerprijs af fabriek vast te stellen, werd de op de Eurostatgegevens gebaseerde (voor de hierboven beschreven vertekening gecorrigeerde) cif-uitvoerprijs gecorrigeerd voor de kosten van vervoer. Hiertoe werden de in de klacht berekende vervoerskosten gebruikt, omdat die als een redelijke schatting werden beschouwd. |
1.4. Dumpingmarge
|
(30) |
De dumpingmarge voor het gehele land werd uitgedrukt in een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring. |
|
(31) |
Op basis van het bovenstaande bedraagt de voorlopige dumpingmarge voor het gehele land, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring:
|
2. Turkije
2.1. Normale waarde
|
(32) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 2, van de basisverordening ging de Commissie voor elk van de drie medewerkende producenten-exporteurs eerst na of hun totale binnenlandse verkoop van het soortgelijke product representatief was, m.a.w. of het totale volume van die verkoop minstens 5 % vertegenwoordigde van de totale uitvoer van het betrokken product naar de Unie door de onderneming in kwestie. Bij het onderzoek werd vastgesteld dat de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product voor alle medewerkende producenten-exporteurs representatief was. |
|
(33) |
Vervolgens heeft de Commissie vastgesteld welke productsoorten die op de binnenlandse markt door de ondernemingen met een in het algemeen representatieve binnenlandse verkoop werden verkocht, identiek waren aan of grote overeenkomst vertoonden met de naar de Unie uitgevoerde soorten. |
|
(34) |
Voor elke soort van het soortgelijke product die door de producenten-exporteurs op de binnenlandse markt werd verkocht en die vergelijkbaar bleek te zijn met de voor uitvoer naar de Unie verkochte productsoort, werd nagegaan of de binnenlandse verkoop voldoende representatief was in de zin van artikel 2, lid 2, van de basisverordening. De binnenlandse verkoop van een bepaalde productsoort werd als voldoende representatief beschouwd wanneer van die soort in het OT op de binnenlandse markt aan onafhankelijke afnemers een hoeveelheid was verkocht die ongeveer 5 % bedroeg van de totale voor uitvoer naar de Unie verkochte hoeveelheid van de vergelijkbare productsoort. Bij het onderzoek werd vastgesteld dat voor elk van de drie ondernemingen de binnenlandse verkoop voor de meeste productsoorten representatief was. |
|
(35) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 4, van de basisverordening heeft de Commissie daarna onderzocht of de binnenlandse verkoop van elke in representatieve hoeveelheden verkochte soort van het betrokken product kon worden beschouwd als verkoop in het kader van normale handelstransacties. Hiertoe werd voor elke productsoort het aandeel van de winstgevende verkoop aan onafhankelijke afnemers op de binnenlandse markt tijdens het OT vastgesteld. |
|
(36) |
Wanneer meer dan 80 % van de totale verkoop van een productsoort was verkocht tegen een nettoprijs die gelijk was aan of hoger was dan de berekende productiekosten, en de gewogen gemiddelde verkoopprijs van die soort gelijk was aan of hoger was dan de kosten per eenheid, werd de normale waarde per productsoort berekend als het gewogen gemiddelde van alle binnenlandse verkoopprijzen voor de productsoort in kwestie. |
|
(37) |
Wanneer de winstgevende verkoop van een productsoort 80 % of minder van de totale verkoop van die soort bedroeg, of de gewogen gemiddelde prijs van die soort lager was dan de kosten per eenheid, werd de normale waarde gebaseerd op de werkelijke binnenlandse prijs, berekend als de gewogen gemiddelde prijs van alleen de winstgevende verkoop op de binnenlandse markt van die soort. |
|
(38) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de winstgevende verkoop van bepaalde vergelijkbare productsoorten meer dan 80 % bedroeg van de totale binnenlandse verkoop, zodat voor deze soorten de volledige binnenlandse verkoop werd gebruikt bij de berekening van de gemiddelde prijs voor de normale waarde. Voor de andere productsoorten die ook in het kader van normale handelstransacties werden geacht te zijn verkocht, werd alleen de winstgevende verkoop genomen. |
|
(39) |
Wanneer een productsoort volledig met verlies werd verkocht, werd geconcludeerd dat deze niet in het kader van normale handelstransacties was verkocht. Voor productsoorten die niet in het kader van normale handelstransacties werden verkocht en voor productsoorten die niet in representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt werden verkocht, moest de normale waarde door berekening worden vastgesteld. Alle drie onderzochte ondernemingen hebben dergelijke productsoorten naar de Unie uitgevoerd, hoewel in kleine hoeveelheden. |
|
(40) |
Om de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 6, van de basisverordening door berekening vast te stellen, werden de verkoopkosten, algemene kosten en administratiekosten („VAA-kosten”) die de betrokken medewerkende producenten-exporteurs gedurende het onderzoektijdvak in het kader van normale handelstransacties in verband met de binnenlandse verkoop van het soortgelijke product hadden gemaakt en de gewogen gemiddelde winst die zij daarbij hadden behaald, opgeteld bij hun eigen gemiddelde productiekosten gedurende het onderzoektijdvak. Voor productsoorten die in niet-representatieve hoeveelheden op de binnenlandse markt waren verkocht, werden de gewogen gemiddelde winst en VAA-kosten voor deze verkoop in het kader van normale handelstransacties gebruikt om de normale waarde te berekenen. |
2.2. Uitvoerprijs
|
(41) |
In alle gevallen werd het betrokken product naar onafhankelijke afnemers in de Unie uitgevoerd, en daarom werd de uitvoerprijs vastgesteld overeenkomstig artikel 2, lid 8, van de basisverordening, d.w.z. aan de hand van de werkelijk betaalde of te betalen prijs. |
|
(42) |
Een van de drie medewerkende Turkse ondernemingen had in het onderzoektijdvak maar zeer weinig naar de Unie uitgevoerd. Volgens de onderneming in kwestie zou zij meer naar de Unie willen uitvoeren, maar was het haar onmogelijk de importeurs een prijs te bieden die laag genoeg was; zij vroeg ons bij onze analyse hiermee rekening te houden. |
|
(43) |
De dumpingberekening voor deze onderneming moest echter op haar geringe verkoop worden gebaseerd. Ook al heeft deze onderneming niet veel naar de Unie uitgevoerd, toch kan haar uitvoer niet buiten beschouwing worden gelaten en kan de individuele dumpingmarge voor deze onderneming uitsluitend op deze uitvoer worden gebaseerd. Hoe dan ook kan het onvermogen van de onderneming om meer te verkopen, naar zij beweert wegens haar hoge prijzen, niet worden beschouwd als factor die van invloed is op de dumpingberekening voor deze onderneming. |
2.3. Vergelijking
|
(44) |
De normale waarde en de uitvoerprijs werden vergeleken op basis van de prijs af fabriek. Om een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Correcties werden toegestaan in alle gevallen waarin deze redelijk en nauwkeurig bleken te zijn en met bewijsmateriaal waren gestaafd. Met name werd gecorrigeerd voor vracht- en verzekeringskosten, met inbegrip van de vrachtkosten in het land van uitvoer, kortingen, commissies, kredietkosten en bankkosten. |
2.4. Dumpingmarges
|
(45) |
De voorlopige dumpingmarges werden uitgedrukt in een percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring. |
a) Dumpingmarge voor de onderzochte ondernemingen
|
(46) |
Ingevolge artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de individuele dumpingmarge voor een van de drie medewerkende producenten-exporteurs vastgesteld door vergelijking van een gewogen gemiddelde normale waarde met de gewogen gemiddelde prijs die de onderneming voor haar uitvoer van het betrokken product naar de Unie hanteerde. |
|
(47) |
Wat de andere twee medewerkende Turkse producenten betreft, laten de dumpingberekeningen zien dat zij zich schuldig maakten aan gerichte dumping, d.w.z. gedurende een bepaalde tijd en ook ten aanzien van specifieke afnemers en regio's. Hun uitvoerprijzen lieten een duidelijk patroon zien en verschilden aanzienlijk naargelang van de afnemer, regio en ook het tijdvak. Bovendien gaf de dumpingmarge die aan de hand van een vergelijking tussen een gewogen gemiddelde normale waarde en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs was vastgesteld, niet volledig de door de twee betrokken ondernemingen bedreven dumping weer. |
|
(48) |
Om de dumping door de twee betrokken ondernemingen volledig weer te geven, werd daarom voor hen de op basis van een gewogen gemiddelde vastgestelde normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening vergeleken met de prijzen van alle afzonderlijke uitvoertransacties naar de Unie. |
b) Dumpingmarge voor niet-medewerkende ondernemingen
|
(49) |
Voor alle niet-medewerkende Turkse producenten-exporteurs werd een residuele dumpingmarge vastgesteld. Omdat de mate van medewerking als vrij gering werd beschouwd (het volume van de uitvoer van de drie medewerkende Turkse ondernemingen bedroeg minder dan 80 % van de totale Turkse uitvoer naar de Unie in het OT), werd voor het vaststellen van de residuele dumpingmarge een redelijke methode gebruikt, waarbij de aldus vastgestelde dumpingmarge hoger is dan de hoogste van de individuele dumpingmarges voor de drie medewerkende ondernemingen. De residuele dumpingmarge werd vastgesteld aan de hand van de verkoop van representatieve productsoorten door de medewerkende Turkse producent met de hoogste dumpingmarge van de drie medewerkende ondernemingen. |
|
(50) |
Op basis van het bovenstaande worden de voorlopige dumpingmarges, uitgedrukt als percentage van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring, vastgesteld op:
|
D. SCHADE
1. Productie in de Unie en bedrijfstak van de Unie
|
(51) |
In het OT waren er 22 producenten in de Unie die het soortgelijke product vervaardigden. In de zin van artikel 4, lid 1, en artikel 5, lid 4, van de basisverordening vormen deze 22 bestaande producenten samen de bedrijfstak van de Unie; zij worden derhalve hierna de „bedrijfstak van de Unie” genoemd. |
|
(52) |
Zoals al in overweging 7 werd vermeld, vertegenwoordigden de drie in de steekproef opgenomen producenten in de Unie ongeveer 50 % van de totale verkoop van het soortgelijke product in de Unie. |
2. Verbruik in de Unie
|
(53) |
Het verbruik in de Unie werd vastgesteld op basis van de omvang van de verkoop door de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie; deze omvang werd berekend aan de hand van de informatie in de vragenlijsten die de in de steekproef opgenomen ondernemingen hadden ingevuld, de in de klacht vermelde schattingen voor de overige producenten in de Unie en de Eurostatgegevens over de ingevoerde hoeveelheden. |
|
(54) |
Het verbruik in de Unie is tussen 2008 en het eind van het OT aanzienlijk gedaald, namelijk met 40 %. In 2009 was het met 44 % teruggelopen, waarna het in 2010 stabiel bleef en in het OT met 4 procentpunten weer licht aanttrok. Tabel 1 Verbruik in de Unie
|
3. Invoer uit de betrokken landen
3.1. Cumulatieve beoordeling van de gevolgen van de betrokken invoer
|
(55) |
De Commissie heeft onderzocht of de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Rusland en Turkije cumulatief moest worden beoordeeld overeenkomstig artikel 3, lid 4, van de basisverordening. |
|
(56) |
Uit het onderzoek bleek dat de dumpingmarges voor beide betrokken landen boven de de minimis-drempel lagen, zoals gedefinieerd in artikel 9, lid 3, van de basisverordening en dat de omvang van de invoer met dumping uit deze twee landen niet verwaarloosbaar was in de zin van artikel 5, lid 7, van de basisverordening. |
|
(57) |
Wat de concurrentievoorwaarden voor de invoer uit Rusland en Turkije en het soortgelijke product betreft, bleek uit het onderzoek dat de producenten uit deze landen dezelfde verkoopkanalen gebruiken en aan soortgelijke categorieën afnemers verkopen. Bovendien bleek uit het onderzoek ook dat het marktaandeel van de invoer uit deze beide landen in de beoordelingsperiode is toegenomen. |
|
(58) |
Twee medewerkende Turkse exporteurs voerden aan dat de invoer uit Rusland en Turkije in dit geval niet moest worden gecumuleerd, omdat de omvang en prijzen van de invoer uit deze landen verschilden. |
|
(59) |
In dit verband wordt opgemerkt dat uit het onderzoek is gebleken dat de invoer uit Rusland toeneemt, terwijl die uit Turkije qua omvang vrij stabiel blijft. Gezien de teruglopende vraag gedurende de beoordelingsperiode is het marktaandeel van de invoer uit beide landen echter toegenomen. Terzelfder tijd lijken hun prijzen, ten minste in de periode tussen 2009 en het eind van het OT, niet veel uiteen te lopen (de hoge gemiddelde prijs van de invoer uit Rusland in 2008 is waarschijnlijk het gevolg van onjuiste rapportage), waarbij de gemiddelde Russische prijzen iets lager zijn dan, maar toch dicht in de buurt liggen van, de Turkse prijzen. |
|
(60) |
Gezien het bovenstaande luidt de voorlopige conclusie dat aan alle criteria van artikel 3, lid 4, van de basisverordening is voldaan en dat de gevolgen van de invoer uit Rusland en Turkije cumulatief moeten worden beoordeeld. |
3.2. Omvang van de invoer met dumping
|
(61) |
De omvang van de invoer met dumping van het betrokken product uit de betrokken landen naar de Unie is in de beoordelingsperiode met 46 % toegenomen. In 2009 is de invoer met 31 % gedaald, maar vlak daarna in 2010 met 89 % gestegen; vervolgens is hij in het OT nog eens met ongeveer 12 procentpunten toegenomen. In het OT bedroeg de invoer met dumping 2 935 ton. Tabel 2 Invoer met dumping uit de betrokken landen
|
|||||||||||||||||||||||||
3.3. Marktaandeel van de invoer met dumping
|
(62) |
Het overeenkomstige marktaandeel van de invoer met dumping uit de betrokken landen is in de beoordelingsperiode van 2 % tot 5 % gestegen en daarmee meer dan verdubbeld. |
3.4. Prijzen
a) Prijsontwikkeling
|
(63) |
De tabel hieronder geeft de gemiddelde prijs weer van de invoer met dumping uit de betrokken landen, grens Unie, vóór inklaring, volgens de cijfers van Eurostat. Tijdens de beoordelingsperiode is de gemiddelde prijs van de invoer uit de betrokken landen over het algemeen stabiel gebleven op 1 961 EUR per ton, met uitzondering van 2010 toen deze met ongeveer 150 EUR daalde. Tabel 3 Gemiddelde prijzen van de invoer met dumping
|
||||||||||||||||||||
b) Prijsonderbieding
|
(64) |
Voor elke productsoort werd een prijsvergelijking gemaakt tussen de verkoopprijzen van de medewerkende Turkse producenten-exporteurs en de verkoopprijzen in de Unie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie. Aangezien de Russische exporteurs niet aan het onderzoek meewerkten, werd de prijsonderbieding berekend aan de hand van de door Eurostat verstrekte gemiddelde cif-prijzen en de gemiddelde verkoopprijzen in de Unie van de producenten in de Unie. Ten aanzien van beide betrokken landen werden zo nodig correcties uitgevoerd om rekening te houden met het handelsstadium en de kosten na invoer, inclusief het in Rusland verschuldigde douanerecht. |
|
(65) |
Uit deze vergelijking bleek dat de invoer met dumping van het betrokken product van oorsprong uit de betrokken landen bij verkoop in de Unie de prijzen van de bedrijfstak van de Unie in het OT met in sommige gevallen maar liefst 30 % onderbood. |
4. Situatie van de bedrijfstak van de Unie
|
(66) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek van de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische factoren en indicatoren die in de beoordelingsperiode op de situatie van deze bedrijfstak van invloed waren. |
|
(67) |
Zoals al werd uitgelegd, heeft de Commissie een steekproef van producenten in de Unie samengesteld. De indicatoren voor de schadeanalyse zijn op de volgende twee niveaus vastgesteld:
|
4.1. Macro-economische indicatoren
a) Productie
|
(68) |
De productie in de Unie is tussen 2008 en het eind van het OT met 44 % gedaald. In 2009 daalde zij met 47 % en in 2010 met nog eens 2 procentpunten, voordat zij in het OT weer met 5 procentpunten tot 53 653 ton opliep. Tabel 4 Productie
|
||||||||||||||||||||
b) Productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(69) |
De productiecapaciteit van de producenten in de Unie is in de beoordelingsperiode stabiel gebleven op een niveau van 179 912 ton. Tabel 5 Productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(70) |
De bezettingsgraad bedroeg in 2008 53 %, daalde in 2009 tot 28 %, in 2010 tot 27 %, en trok in het OT weer licht aan tot 30 %. De ontwikkeling van de bezettingsgraad geeft een duidelijk beeld van de ontwikkeling van de productie, aangezien de capaciteit de hele periode stabiel bleef. |
c) Omvang van de verkoop
|
(71) |
De verkoop van de producenten in de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie is in de beoordelingsperiode met 38 % gedaald. De verkoop liep in 2009 met 45 % terug, bleef in 2010 op dat niveau steken en trok in het OT weer aan met een bescheiden 7 procentpunten. De verkoop van de Unie in het OT bedroeg 42 379 ton. Tabel 6 Verkoop in de Unie
|
||||||||||||||||||||
d) Marktaandeel
|
(72) |
Het marktaandeel van de producenten in de Unie bleef in de beoordelingsperiode vrij stabiel en steeg in het OT zelfs tot 72 %. Deze toename laat zich verklaren doordat de omvang van de verkoop van de producenten in de Unie in het OT iets minder gedaald is dan het verbruik. Tabel 7 Marktaandeel van de producenten in de Unie
|
||||||||||||||||||||
e) Groei
|
(73) |
Aangezien de consumptie tussen 2008 en het eind van het OT met 40 % is gedaald, wordt geconcludeerd dat de producenten in de Unie niet van enige groei op de markt hebben kunnen profiteren. |
f) Werkgelegenheid
|
(74) |
De werkgelegenheid bij de producenten in de Unie is tussen 2008 en het eind van het OT met 18 % afgenomen. Het aantal werknemers liep tussen 2008 en 2009 met 16 % terug van 982 tot 824 en bleef in 2010 ongeveer op dat niveau, waarna het in het OT verder daalde tot 801. Tabel 8 Werkgelegenheid
|
||||||||||||||||||||
g) Productiviteit
|
(75) |
De productiviteit van de producenten in de Unie, in productie (ton) per werknemer per jaar, daalde in de beoordelingsperiode met 31 %. De reden daarvoor is dat de productie sneller is gedaald dan de werkgelegenheid. Tabel 9 Productiviteit
|
||||||||||||||||||||
h) Verkoopprijzen
|
(76) |
Het jaargemiddelde van de verkoopprijzen van de producenten in de Unie aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie is in de beoordelingsperiode met meer dan 10 % gedaald. In 2009 zijn de gemiddelde prijzen in eerste instantie met circa 12 % gestegen, maar daarna met maar liefst 23 procentpunten gedaald; in het OT bleven zij op dit niveau. De gemiddelde prijs van de producenten in de Unie lag toen op 3 096 EUR per ton. Tabel 10 Gemiddelde prijzen van de producenten in de Unie
|
||||||||||||||||||||
|
(77) |
Zoals hierboven is aangegeven, werden de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit Rusland en Turkije onderboden. |
i) Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(78) |
Gezien de omvang, het marktaandeel en de prijzen van de invoer uit Rusland en Turkije kan het effect van de werkelijke dumpingmarges op de bedrijfstak van de Unie niet als te verwaarlozen worden beschouwd. Er mag niet worden vergeten dat, zoals al in overweging 16 is vermeld, tegen acht landen antidumpingmaatregelen zijn ingesteld. Aangezien de bedrijfstak van de Unie in de beoordelingsperiode verkoop heeft ingeboet en verlies heeft geleden, kan niet worden gesteld dat hij zich werkelijk van de eerdere dumping heeft hersteld; de productie in de Unie wordt dan ook geacht kwetsbaar te blijven voor de schadelijke gevolgen van invoer met dumping, uit welke landen dan ook, op de markt van de Unie. |
4.2. Micro-economische elementen
a) Voorraden
|
(79) |
De eindvoorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie zijn tussen 2008 en het eind van het OT met 18 % geslonken. In 2009 groeiden zij matig met 2 %, waarna zij in 2010 met 13 en in het OT met nog eens 7 procentpunten daalden. In het OT lagen de eindvoorraden van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie op 5 338 ton. Tabel 11 Eindvoorraden
|
||||||||||||||||||||
b) Lonen
|
(80) |
Tussen 2008 en het eind van het OT zijn de jaarlijkse loonkosten met 10 % gedaald. In 2009 daalden zij sterk met bijna 20 % (in overeenstemming met de teruggelopen werkgelegenheid); daarna stegen zij opnieuw, met 4 procentpunten in 2010 en met 5 procentpunten in het OT. Tabel 12 Jaarlijkse loonkosten
|
||||||||||||||||||||
c) Winstgevendheid en rendement van investeringen
|
(81) |
Terwijl de verkoop van het soortgelijke product door de in de steekproef opgenomen producenten aan niet-verbonden afnemers op de markt van de Unie, uitgedrukt in procenten van de nettoverkoop, aan het begin van de beoordelingsperiode nog een gezonde winst te zien gaf, werd er aan het eind van die periode aanzienlijk verlies geleden. De winst daalde van 9,6 % in 2008 tot – 1,2 % in 2009 en verslechterde in 2010 verder tot – 7,8 %. In het OT verbeterde de situatie licht en bedroeg het verlies – 7,0 %. Tabel 13 Winstgevendheid en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(82) |
Het rendement van investeringen, uitgedrukt als de winst in procenten van de nettoboekwaarde van de investeringen, liep grotendeels gelijk met de ontwikkeling van de winstgevendheid. |
d) Kasstroom en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(83) |
De nettokasstroom uit bedrijfsactiviteiten was positief en bedroeg in 2008 9,3 miljoen EUR. In 2009 was er een matige verbetering tot 9,8 miljoen EUR, maar in 2010 nam de kasstroom tot slechts 1,5 miljoen EUR af en in het OT kwam hij in het negatieve bereik (– 4,6 miljoen EUR). |
|
(84) |
Er waren geen aanwijzingen dat de bedrijfstak van de Unie moeite had om kapitaal aan te trekken, wat met name komt doordat sommige producenten deel uitmaken van een grotere groep van ondernemingen. Tabel 14 Kasstroom
|
||||||||||||||||||||
e) Investeringen
|
(85) |
De jaarlijkse investeringen door de in de steekproef opgenomen ondernemingen in de productie van het soortgelijke product lieten in de beoordelingsperiode een voortdurende daling zien. De grootste daling, met 32 %, vond plaats in 2009, gevolgd door een afname met 25 procentpunten in 2010 en met nog eens 8 procentpunten in het OT. Over de gehele periode daalden de jaarlijkse investeringen van 8,3 miljoen EUR in 2008 tot 2,9 miljoen EUR in het OT. Tabel 15 Netto-investeringen
|
||||||||||||||||||||
5. Conclusie betreffende schade
|
(86) |
Uit de analyse van de macro-economische gegevens blijkt dat de productie en de verkoop van de producenten in de Unie in de beoordelingsperiode aanzienlijk terugliepen. Dit viel samen met een afname van de vraag in de Unie, waardoor het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie licht toenam. De bezettingsgraad daalde van 53 % in 2008, wat al laag was, tot een zeer geringe 30 % in het OT. Ook de werkgelegenheid nam met 18 % af. |
|
(87) |
Tegelijkertijd blijkt uit de relevante micro-economische indicatoren dat de economische situatie van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie duidelijk is verslechterd. De ontwikkelingen ten aanzien van de prijzen, winstgevendheid en het rendement van investeringen geven een zeer negatief beeld te zien: van gezonde niveaus in 2008 tot grote verliezen in het OT. Ook de kasstroomsituatie verslechterde aanzienlijk. |
|
(88) |
Uit het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening heeft geleden. |
E. OORZAKELIJK VERBAND
1. Inleiding
|
(89) |
Overeenkomstig artikel 3, leden 6 en 7, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de schade die de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping heeft geleden, als aanmerkelijk kan worden beschouwd. Andere bekende factoren dan de invoer met dumping waardoor de bedrijfstak van de Unie terzelfder tijd schade kon hebben geleden, werden ook onderzocht om te voorkomen dat mogelijke schade door deze andere factoren aan de invoer met dumping werd toegeschreven. |
2. Gevolgen van de invoer met dumping
|
(90) |
Tussen 2008 en het eind van het OT is de omvang van de invoer met dumping van het betrokken product met 46 % gestegen op een markt die met 40 % kromp; hierdoor steeg het marktaandeel van die invoer van 2 % tot 5 %. |
|
(91) |
De toename van de invoer met dumping van het betrokken product uit de betrokken landen in de beoordelingsperiode viel samen met een neerwaartse trend voor alle schade-indicatoren betreffende de bedrijfstak van de Unie, met uitzondering van het marktaandeel. De bedrijfstak van de Unie boette 38 % van zijn verkoop in de Unie in, terwijl de verkoopprijzen met 11 % daalden als gevolg van de prijsdruk die uitging van de laaggeprijsde invoer met dumping op de markt van de Unie. |
|
(92) |
Door de aanzienlijk prijsonderbieding kon de bedrijfstak van de Unie de toegenomen productiekosten niet in de prijzen doorberekenen, zodat de winstgevendheid daalde en in het OT negatief werd. |
|
(93) |
Gezien het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de laaggeprijsde invoer met dumping uit Rusland en Turkije de bedrijfstak van de Unie aanmerkelijke schade heeft berokkend. |
3. Gevolgen van andere factoren
3.1. Invoer uit andere derde landen
|
(94) |
In de beoordelingsperiode werden er aanzienlijke hoeveelheden ingevoerd uit andere derde landen, onder meer uit de landen waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn. Het totale marktaandeel van de invoer uit andere landen dan Rusland en Turkije is tussen 2008 en het eind van het OT van 28 % tot 23 % geslonken. |
|
(95) |
Onderstaande tabel toont de ontwikkeling van de omvang van de invoer, de prijzen en het marktaandeel van de landen waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn en van andere derde landen; alle gegevens zijn gebaseerd op Eurostatgegevens. Tabel 16 Invoer uit andere landen
|
|
(96) |
Uit bovenstaande tabel blijkt dat de acht landen waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, naar de markt van de Unie zijn blijven uitvoeren, hoewel hun marktaandeel tussen 2008 en het eind van het OT van 21 % tot 17 % is geslonken. De gemiddelde prijzen van die invoer liggen doorgaans onder die van de invoer met dumping uit de betrokken landen. Bij de prijzen in bovenstaande tabel, die op Eurostatgegevens zijn gebaseerd, gaat het uiteraard om de gemiddelde cif-prijzen vóór inklaring. Maar zelfs wanneer het antidumpingrecht in aanmerking wordt genomen, blijven de prijzen van die invoer laag en vergelijkbaar met de prijzen van de invoer uit Rusland en Turkije, terwijl de gemiddelde prijzen van de producenten in de Unie veel hoger liggen. |
|
(97) |
Onder het onderzochte product vallen echter een groot aantal verschillende productsoorten, waardoor een vergelijking van de algemene gemiddelde prijzen wellicht niet zo veelzeggend is. Tegelijk wordt ervan uitgegaan dat de schadelijke gevolgen van die invoer worden geneutraliseerd door de huidige antidumpingmaatregelen. |
|
(98) |
Gezien het krimpende marktaandeel van de invoer uit de landen waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, wordt derhalve voorlopig geconcludeerd dat de mogelijke negatieve gevolgen van deze laaggeprijsde invoer niet zodanig zijn dat het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade wordt verbroken. |
|
(99) |
Het marktaandeel van de invoer uit andere derde landen is in de beoordelingsperiode licht gedaald van 7 % in 2008 tot 6 % in het OT. De gemiddelde prijzen van die invoer waren doorgaans hoger dan die van de invoer met dumping uit de betrokken landen, maar iets lager dan die van de producenten in de Unie. |
|
(100) |
Ook al is een vergelijking van de gemiddelde prijzen voor het betrokken product in zijn geheel door de verscheidenheid van productsoorten wellicht weinigzeggend, toch wordt met het oog op de neerwaartse trend voor die invoer voorlopig geconcludeerd dat de mogelijke negatieve gevolgen van de invoer uit andere derde landen niet zodanig zijn dat het oorzakelijk verband tussen de invoer met dumping uit de betrokken landen en de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade wordt verbroken. |
3.2. Gevolgen van het inkrimpen van de markt en de economische crisis
|
(101) |
De financiële en economische crisis in 2008 en 2009 was hoogstwaarschijnlijk de reden waarom het verbruik van hulpstukken voor buisleidingen afnam. Het verbruik daalde tussen 2008 en 2009 met ruim 40 % en bleef de rest van de beoordelingsperiode op dit lage niveau steken (hoewel in het OT een lichte stijging werd waargenomen). Omdat vaste kosten tot 40 % van de productiekosten van de producenten in de Unie uitmaken, hebben de afnemende vraag, verkoop en productie tot een aanzienlijke stijging van de productiekosten per eenheid geleid. Dit heeft uiteraard grote gevolgen voor de winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(102) |
Ook al is duidelijk dat een dalende productie gevolgen kan hebben voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie, vooral in 2009 (toen de daling in feite plaatsvond), kan redelijkerwijs worden verwacht dat de bedrijfstak van de Unie gewoonlijk in staat is zijn prijzen ten minste op middellange tot lange termijn te verhogen en de kostenverhoging in de daaropvolgende jaren door te berekenen. Uit de daling van de prijzen van de producenten in de Unie blijkt echter dat dit niet het geval was, en er wordt van uitgegaan dat de sterke prijsonderbieding door de invoer met dumping hieraan debet was. |
|
(103) |
Gezien het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat de mogelijke negatieve gevolgen van het inkrimpen van de vraag niet zodanig zijn dat het oorzakelijk verband tussen de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade en de invoer met dumping uit Rusland en Turkije hierdoor wordt verbroken. |
4. Conclusie inzake het oorzakelijk verband
|
(104) |
Er wordt geconcludeerd dat de door de bedrijfstak van de Unie geleden aanmerkelijke schade het gevolg is van de invoer met dumping uit Rusland en Turkije. |
|
(105) |
Andere factoren die de bedrijfstak van de Unie schade konden hebben toegebracht, werden eveneens geanalyseerd. In dit verband werd vastgesteld dat de invoer uit andere derde landen, met inbegrip van landen waarop antidumpingmaatregelen van toepassing zijn, en de gevolgen van het inkrimpen van de vraag weliswaar tot de schade kunnen hebben bijgedragen, maar niet het oorzakelijk verband verbreken. |
|
(106) |
Op grond van deze analyse, waarin een duidelijk onderscheid is gemaakt tussen de gevolgen van alle andere bekende factoren voor de situatie van de bedrijfstak van de Unie en de schadelijke gevolgen van de invoer met dumping, wordt voorlopig geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping uit de betrokken landen aanmerkelijke schade heeft geleden in de zin van artikel 3, lid 6, van de basisverordening. |
F. BELANG VAN DE UNIE
|
(107) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of er ondanks de voorlopige conclusie inzake schade veroorzakende dumping dwingende redenen waren om te concluderen dat het niet in het belang van de Unie was in dit bijzondere geval maatregelen te nemen. Het belang van de Unie werd geanalyseerd aan de hand van een afweging van de belangen van alle betrokkenen, d.w.z. de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers van het betrokken product. |
1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(108) |
Als er maatregelen worden ingesteld, zullen de neerwaartse prijsdruk en de verliezen vermoedelijk worden afgezwakt en zullen de verkoopprijzen van de bedrijfstak van de Unie zich waarschijnlijk beginnen te herstellen, waardoor de financiële situatie van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk zal verbeteren. |
|
(109) |
Als er geen antidumpingmaatregelen worden ingesteld, zal de situatie van de bedrijfstak van de Unie daarentegen waarschijnlijk verder verslechteren. In dat geval zou de bedrijfstak van de Unie mogelijk marktaandeel verliezen, daar de door de invoer met dumping uit de betrokken landen bepaalde marktprijzen voor hem niet haalbaar zijn. Waarschijnlijk zou dit leiden tot onnodige kostenbeperkingen en de sluiting van productiefaciliteiten in de Unie, wat dan weer een groot aantal banen zou kosten. |
|
(110) |
Derhalve wordt voorlopig geconcludeerd dat de instelling van antidumpingmaatregelen in het belang van de bedrijfstak van de Unie is. |
2. Belang van niet-verbonden importeurs in de Unie
|
(111) |
Zoals al vermeld, hebben slechts twee niet-verbonden importeurs volledig aan dit onderzoek meegewerkt en een ingevulde vragenlijst ingediend. Slechts een klein deel van de omzet van deze twee importeurs betrof de wederverkoop van het betrokken product. Waarschijnlijk zullen zij dan ook nauwelijks last hebben van de maatregelen. |
3. Belang van de gebruikers
|
(112) |
Er zijn vier gebruikers die bij deze procedure een ingevulde vragenlijst hebben ingediend. Geen van hen heeft het betrokken product uit de betrokken landen ingevoerd en zij hebben allen te kennen gegeven dat de gevolgen van de maatregelen voor hen nihil of te verwaarlozen zouden zijn. |
|
(113) |
Aangezien zich geen gebruiker kenbaar heeft gemaakt die uit de betrokken landen invoerde, en bij gebrek aan informatie die op het tegendeel wijst, kan voorlopig worden geconcludeerd dat de gevolgen van de maatregelen voor de winstgevendheid en economische situatie van de gebruikers vrij beperkt zullen zijn. |
4. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(114) |
Er kan worden geconcludeerd dat de instelling van maatregelen betreffende de invoer met dumping van het betrokken product uit Rusland en Turkije de bedrijfstak van de Unie in de gelegenheid zal stellen zijn situatie te verbeteren doordat hij zijn verkoop kan vergroten, hogere verkoopprijzen kan vragen en meer winst kan maken. Eventuele negatieve gevolgen in de vorm van kostenverhogingen voor bepaalde importeurs zullen waarschijnlijk gering zijn. |
|
(115) |
Twee medewerkende Turkse exporteurs betoogden dat door de instelling van maatregelen tegen een klein land van uitvoer als Turkije de hele markt van de Unie praktisch in handen zou komen van een paar producenten, wat een negatief effect zou hebben op de concurrentiesituatie. |
|
(116) |
In dit verband zij erop gewezen dat het niet de bedoeling van een antidumpingrecht mag zijn om invoer te belemmeren en de handelsstromen uit de onderzochte landen volledig te stoppen. Antidumpingrechten worden ingesteld om voor een gelijk speelveld tussen verschillende marktspelers te zorgen. Bovendien zijn meer dan 20 Europese fabrikanten actief op de markt van de Unie en is de invoer uit andere derde landen aanzienlijk. Bedenkingen ten aanzien van de concurrentiesituatie op de markt van de Unie lijken dus ongegrond. |
|
(117) |
Gezien het bovenstaande wordt voorlopig geconcludeerd dat er geen dwingende redenen zijn om geen voorlopige maatregelen betreffende de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Rusland en Turkije in te stellen. |
G. VOORLOPIGE ANTIDUMPINGMAATREGELEN
|
(118) |
Gezien de conclusies inzake dumping, schade, oorzakelijk verband en belang van de Unie moeten voorlopige maatregelen ten aanzien van de invoer van het betrokken product van oorsprong uit Rusland en Turkije worden ingesteld om te voorkomen dat de bedrijfstak van de Unie door de invoer met dumping verdere schade ondervindt. |
1. Schademarge
|
(119) |
De voorlopige rechten ten aanzien van de invoer van oorsprong uit de betrokken landen moeten hoog genoeg zijn om een einde te maken aan de invoer met dumping, maar mogen het niveau van de schade voor de bedrijfstak van de Unie als gevolg van de invoer met dumping niet overschrijden. Bij de berekening van het recht dat nodig is om de gevolgen van de schade veroorzakende dumping teniet te doen, wordt in aanmerking genomen dat de maatregelen de bedrijfstak van de Unie in staat moeten stellen zijn productiekosten te dekken en een winst vóór belasting te behalen die redelijkerwijs onder normale concurrentieomstandigheden, d.w.z. zonder invoer met dumping, kan worden behaald. |
|
(120) |
Aangezien de vastgestelde onderbiedingsmarges steeds hoger zijn dan de respectieve dumpingmarge en de bedrijfstak van de Unie in het OT verlies heeft geleden, zou de berekende schademarge automatisch altijd hoger uitkomen dan de dumpingmarge. Derhalve werd geconcludeerd dat het niet nodig was de schadmarges in detail te berekenen. |
2. Voorlopige maatregelen
|
(121) |
Gelet op het voorgaande wordt overeenkomstig artikel 7, lid 2, van de basisverordening geoordeeld dat op het betrokken product van oorsprong uit Rusland en Turkije een voorlopig antidumpingrecht moet worden ingesteld, dat volgens de regel van het laagste recht gelijk moet zijn aan de dumpingmarge of aan de schademarge indien deze lager is; in het onderhavige geval was de dumpingmarge steeds lager. |
|
(122) |
Aangezien geen Russische producenten-exporteurs aan het onderzoek hebben meegewerkt, werd een voor het gehele land geldende dumpingmarge berekend (zie overwegingen 21 tot en met 31). |
|
(123) |
Wat Turkije betreft, werd de mate van medewerking als vrij laag beschouwd, zodat de residuele dumpingmarge volgens een redelijke methode werd vastgesteld; de aldus vastgestelde marge is hoger dan de hoogste van de voor de drie medewerkende ondernemingen vastgestelde individuele marges, zoals in overweging 49 wordt uitgelegd. |
|
(124) |
Op basis van het bovenstaande worden de volgende antidumpingrechten voorgesteld:
|
|
(125) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten zijn gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Zij weerspiegelen daarom de situatie die bij dit onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten (in tegenstelling tot het voor het gehele land geldende recht dat van toepassing is op „alle andere ondernemingen”) gelden dus uitsluitend bij de invoer van producten van oorsprong uit de betrokken landen die door deze ondernemingen en dus door de specifiek genoemde juridische entiteiten vervaardigd zijn. De rechten zijn niet van toepassing op ingevoerde producten die zijn vervaardigd door andere, niet specifiek in het dispositief van deze verordening met naam en adres genoemde ondernemingen, ook al gaat het hierbij om entiteiten die verbonden zijn met de specifiek genoemde ondernemingen; op die producten is het recht van toepassing dat geldt voor „alle andere ondernemingen”. |
|
(126) |
Verzoeken in verband met de toepassing van deze individuele antidumpingrechten voor bepaalde ondernemingen (bv. na de naamswijziging van de entiteit of na de oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen) moeten onverwijld aan de Commissie (4) worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name indien deze naamswijziging of deze oprichting van nieuwe productie- of verkoopmaatschappijen verband houdt met wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en verkoop in binnen- en buitenland. Indien het verzoek gerechtvaardigd is, zal de verordening dienovereenkomstig worden gewijzigd door bijwerking van de lijst van ondernemingen die voor een individueel recht in aanmerking komen. |
|
(127) |
Om een goede toepassing van het antidumpingrecht te garanderen, moet het voor alle andere ondernemingen vastgestelde recht niet alleen gelden voor niet-medewerkende producenten-exporteurs, maar ook voor producenten die het betrokken product in het OT niet naar de Unie hebben uitgevoerd. |
H. SLOTBEPALING
|
(128) |
Met het oog op de beginselen van behoorlijk bestuur moet een termijn worden vastgesteld waarbinnen belanghebbenden die zich binnen de in het bericht van inleiding vermelde termijn kenbaar hebben gemaakt, schriftelijk opmerkingen kunnen maken en kunnen vragen te worden gehoord. Voorts dient te worden opgemerkt dat alle bevindingen betreffende de instelling van rechten in het kader van deze verordening voorlopig zijn en bij de instelling van definitieve maatregelen kunnen worden herzien, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een voorlopig antidumpingrecht ingesteld op hulpstukken voor buisleidingen (andere dan gegoten hulpstukken, flenzen en hulpstukken met schroefdraad), van ijzer of van staal (doch niet van roestvrij staal), met een grootste uitwendige diameter van niet meer dan 609,6 mm, geschikt voor stomplassen of voor andere doeleinden, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7307 93 11 , ex 7307 93 19 en ex 7307 99 80 (Taric-codes 7307 93 11 91, 7307 93 11 93, 7307 93 11 94, 7307 93 11 95, 7307 93 11 99, 7307 93 19 91, 7307 93 19 93, 7307 93 19 94, 7307 93 19 95, 7307 93 19 99, 7307 99 80 92, 7307 99 80 93, 7307 99 80 94, 7307 99 80 95 en 7307 99 80 98), van oorsprong uit Rusland en Turkije.
2. De voorlopige antidumpingrechten, die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van de in lid 1 omschreven producten, vervaardigd door onderstaande ondernemingen, zijn als volgt:
|
Land |
Onderneming |
Voorlopig antidumping-recht |
Aanvullende Taric-code |
|
Rusland |
Alle ondernemingen |
23,8 % |
— |
|
Turkije |
RSA Tesisat Malzemeleri San ve Ticaret AȘ, Küçükköy, Istanbul |
9,6 % |
B295 |
|
|
SARDOĞAN Endüstri ve Ticaret, Kurtköy Pendik, Istanbul |
2,9 % |
B296 |
|
|
UNIFIT Boru Baglanti Elemanlari Ltd. Sti, Tuzla, Istanbul |
12,1 % |
B297 |
|
|
Alle andere ondernemingen |
16,7 % |
B999 |
3. Bij het in het vrije verkeer brengen in de Unie van het in lid 1 genoemde product moet een zekerheid worden gesteld ten bedrage van het voorlopige recht.
4. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
Onverminderd artikel 20 van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kunnen belanghebbenden binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening verzoeken in kennis te worden gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan deze verordening werd vastgesteld, schriftelijk opmerkingen maken en vragen door de Commissie te worden gehoord.
Overeenkomstig artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kunnen de betrokken partijen binnen een maand na de inwerkingtreding van deze verordening opmerkingen maken over de toepassing van deze verordening.
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1 van deze verordening is gedurende een periode van zes maanden van toepassing.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 30 juli 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB C 320 van 1.11.2011, blz. 4.
(3) PB L 275 van 16.10.2008, blz. 18, en PB L 233 van 4.9.2009, blz. 1.
|
Europese Commissie |
|
Directoraat-generaal Handel |
|
Directoraat H |
|
Kamer: Nerv-105 |
|
1049 Brussel |
|
BELGIË |
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/52 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 700/2012 VAN DE COMMISSIE
van 30 juli 2012
tot verlaging van de vangstquota voor 2012 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van deze bestanden in de voorgaande jaren
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een communautaire controleregeling die de naleving van de regels van het gemeenschappelijke visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008, (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (1), en met name artikel 105, leden 1, 2 en 3,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De vangstquota voor 2011 zijn vastgesteld bij:
|
|
(2) |
De vangstquota voor 2012 zijn vastgesteld bij:
|
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 105, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 moet de Commissie, wanneer zij vaststelt dat een lidstaat de hem toegewezen vangstquota heeft overschreden, de toekomstige vangstquota van die lidstaat verlagen. |
|
(4) |
In artikel 105, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009 is bepaald dat de vangstquota het volgende jaar of de volgende jaren moeten worden verlaagd door toepassing van bepaalde vermenigvuldigingsfactoren die in die leden zijn vastgesteld. |
|
(5) |
Sommige lidstaten hebben hun vangstquota voor 2011 overschreden. Het is derhalve dienstig om voor de overbeviste bestanden de aan die lidstaten toegewezen vangstquota in 2012 en in voorkomend geval ook in de daaropvolgende jaren te verlagen. |
|
(6) |
Voor 2011 zijn de vangstquota voor bepaalde landen en soorten verlaagd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1016/2011 van de Commissie van 23 september 2011 tot verlaging van de vangstquota voor 2011 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van deze bestanden in het voorgaande jaar (11) en bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1021/2011 van de Commissie van 14 oktober 2011 tot verlaging van de vangstquota voor 2011 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van andere bestanden in het voorgaande jaar (12). Voor sommige lidstaten waren de toe te passen verlagingen evenwel groter dan hun desbetreffende quota voor 2011 en konden die verlagingen in dat jaar bijgevolg niet volledig worden uitgevoerd. Om te garanderen dat ook in dergelijke gevallen de volledige verlaging wordt toegepast, moeten de resterende hoeveelheden in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de verlagingen van de quota voor 2012 en in voorkomend geval voor de daaropvolgende jaren. |
|
(7) |
De bij deze verordening vastgestelde verlagingen moeten gelden onverminderd de quotaverlagingen voor 2012 die zijn vastgesteld overeenkomstig:
|
|
(8) |
Wanneer de verlagingen niet kunnen worden toegepast omdat het betrokken quotum niet of niet voldoende beschikbaar is voor de lidstaat in kwestie, gelden de bepalingen van artikel 105, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1224/2009, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. De vangstquota die voor 2012 zijn vastgesteld bij de Verordeningen (EU) nr. 1225/2010, (EU) nr. 716/2011, (EU) nr. 1256/2011, (EU) nr. 5/2012, (EU) nr. 43/2012 en (EU) nr. 44/2012, worden verlaagd zoals aangegeven in de bijlage.
2. Lid 1 is van toepassing onverminderd de verlagingen waarin is voorzien bij de Verordeningen (EG) nr. 147/2007 en (EU) nr. 165/2011.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 30 juli 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1.
(2) PB L 318 van 4.12.2010, blz. 1.
(3) PB L 336 van 21.12.2010, blz. 1.
(4) PB L 343 van 29.12.2010, blz. 2.
(5) PB L 24 van 27.1.2011, blz. 1.
(6) PB L 193 van 23.7.2011, blz. 11.
(7) PB L 320 van 3.12.2011, blz. 3.
(8) PB L 3 van 6.1.2012, blz. 1.
(9) PB L 25 van 27.1.2012, blz. 1.
(10) PB L 25 van 27.1.2012, blz. 55.
(11) PB L 270 van 15.10.2011, blz. 1.
(12) PB L 270 van 15.10.2011, blz. 16.
BIJLAGE
|
Lid-staat |
Soort-code |
Gebieds-code |
Soortnaam |
Benaming gebied |
Toegestane aanlandingen 2011 (totale aangepaste hoeveelheid in ton) (1) |
Totale vangsten 2011 (hoeveelheid in ton) |
Benutting van het quotum (%) |
Overbevissing in verhouding tot de toegestane aanlandin-gen (hoeveelheid in ton) |
Vermenigvuldigingsfactor (2) |
Resterende verlaging van 2011 (5) (hoeveelheid in ton) |
Verlagingen 2012 (6) (hoeveelheid in ton) |
|
|
(1) |
(2) |
(3) |
(4) |
(5) |
(6) |
(7) |
(8) |
(9) |
(10) |
(11) |
(12) |
(13) |
|
DK |
DGS |
03A-C |
Doornhaai |
EU-wateren van IIIa |
0,00 |
1,00 |
— |
1,00 |
1 |
|
12 |
13,00 |
|
DK |
SAN |
*234_6 |
Zandspieringen |
EU-wateren van de beheersgebieden voor zandspieringen |
420,00 |
489,60 |
116,6 |
69,60 |
1 |
|
|
69,60 |
|
DE |
DGS |
2AC4-C |
Doornhaai |
EU-wateren van IIa en IV |
0,00 |
0,70 |
— |
0,70 |
1 |
|
|
0,70 |
|
DE |
MAC |
2CX14- |
Makreel |
VI, VII, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van IIa, XII en XIV |
21 401,00 |
21 860,70 |
102,1 |
459,70 |
1 |
|
|
459,70 |
|
DE |
PLE |
3BCD-C |
Schol |
EU-wateren van deelsectoren 22-32 |
425,00 |
426,40 |
100,3 |
1,40 |
1 |
|
|
1,40 |
|
IE |
HER |
4AB. |
Haring |
EU-wateren en Noorse wateren van IV benoorden 53° 30′ NB |
0,00 |
40,00 |
— |
40,00 |
1 |
|
|
40,00 |
|
IE |
NOP |
2A3A4. |
Kever en bijvangsten |
IIIa; EU-wateren van IIa en IV |
0,00 |
5,00 |
— |
5,00 |
1 |
|
|
5,00 |
|
ES |
ALF |
3X14- |
Beryx spp. |
EU-wateren en internationale wateren van III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV |
66,00 |
69,00 |
104,5 |
3,00 |
1 |
|
|
3,00 |
|
ES |
ANE |
9/3411 |
Ansjovis |
IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
5 560,00 |
6 361,90 |
114,4 |
801,90 |
1,2 |
|
|
962,28 |
|
ES |
ANF |
8C3411 |
Zeeduivels |
VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
1 293,00 |
1 453,90 |
112,4 |
160,90 |
1,2 |
|
|
193,08 |
|
ES |
BLI |
67-(nieuwe code BLI/5B67-) |
Blauwe leng |
EU-wateren en internationale wateren van Vb, VI en VII |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
41 |
41,00 |
|
ES |
BSF |
8910- |
Zwarte haarstaartvis |
EU-wateren en internationale wateren van VIII, IX en X |
17,00 |
17,60 |
103,5 |
0,60 |
1 |
|
|
0,60 |
|
ES |
BSF |
56712- |
Zwarte haarstaartvis |
EU-wateren en internationale wateren van V, VI, VII en XII |
135,00 |
216,90 |
160,7 |
81,90 |
1 |
|
|
81,90 |
|
ES |
COD |
7XAD34 |
Kabeljauw |
VIIb, VIIc, VIIe-k, VIII, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
0,00 |
0,90 |
— |
0,90 |
1 |
|
|
0,90 |
|
ES |
DGS |
15X14 |
Doornhaai |
EU-wateren en internationale wateren van I, V, VI, VII, VIII, XII en XIV |
1,00 |
6,20 |
620,0 |
5,20 |
1 |
|
|
5,20 |
|
ES |
DWS |
56789- |
Diepzeehaaien |
EU-wateren en internationale wateren van V, VI, VII, VIII |
2,79 |
25,90 |
928,3 |
23,11 |
1 |
|
|
23,11 |
|
ES |
GFB |
89- |
Gaffelkabel-jauwen |
EU-wateren en internationale wateren van VIII en IX |
222,00 |
250,20 |
112,7 |
28,20 |
1 |
|
|
28,20 |
|
ES |
GFB |
567- |
Gaffelkabel-jauwen |
EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII |
608,00 |
638,50 |
105,0 |
30,50 |
1 |
|
|
30,50 |
|
ES |
HAD |
5BC6A. |
Schelvis |
EU-wateren en internationale wateren van Vb en VIa |
14,00 |
35,80 |
255,7 |
21,80 |
1 |
|
|
21,80 |
|
ES |
HAD |
1N2AB |
Schelvis |
Noorse wateren van I en II |
60,00 |
65,30 |
108,8 |
5,30 |
1 |
|
|
5,30 |
|
ES |
JAX |
2A-14 |
Horsmakrelen en bijvangsten |
EU-wateren van IIa, IVa; VI, VIIa-c, VIIe-k, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV |
2 419,00 |
2 519,90 |
104,2 |
100,90 |
1 |
|
|
100,90 |
|
ES |
JAX |
09. |
Horsmakreel |
IX |
7 859,00 |
8 478,30 |
107,9 |
619,30 |
1,1 |
|
|
681,23 |
|
ES |
JAX |
08C. |
Horsmakreel |
VIII c |
24 129,00 |
32 431,80 |
134,4 |
8 302,80 |
1,4 |
|
|
11 623,92 |
|
ES |
LEZ |
8C3411 |
Scharretongen |
VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
917,00 |
1 005,30 |
109,6 |
88,30 |
1 |
|
|
88,30 |
|
ES |
PRA |
1CX14 |
Atlantische slijmkop |
EU-wateren en internationale wateren van I, II, III, IV, V, VIII, IX, X, XII en XIV |
0,00 |
0,60 |
— |
0,60 |
1 |
|
|
0,60 |
|
ES |
POK |
56-14 |
Koolvis |
VI; EU-wateren en internationale wateren van Vb, XII en XIV |
3,00 |
30,60 |
1 020,0 |
27,60 |
1 |
|
|
27,60 |
|
ES |
POL |
8ABDE. |
Witte koolvis |
VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe |
61,00 |
65,30 |
107,0 |
4,30 |
1 |
|
|
4,30 |
|
ES |
POL |
08C. |
Witte koolvis |
VIII c |
208,00 |
256,00 |
123,1 |
48,00 |
1 |
|
|
48,00 |
|
ES |
PRA |
N3L. |
Noorse garnaal |
NAFO 3L |
214,00 |
292,00 |
136,4 |
78,00 |
1 |
|
|
78,00 |
|
ES |
RED |
N3LN. |
Roodbaarzen |
NAFO 3LN |
0,00 |
43,50 |
— |
43,50 |
1 |
|
|
43,50 |
|
ES |
SBR |
*678- |
Zeebrasem |
EU-wateren en internationale wateren van VI, VII en VIII |
49,12 |
62,30 |
126,8 |
13,18 |
1 |
|
|
13,18 |
|
ES |
SOL |
8AB. |
Tong |
VIIIa en VIIIb |
10,00 |
10,70 |
107,0 |
0,70 |
1 |
C (7) |
|
1,05 |
|
ES |
USK |
567EI. |
Torsk |
EU-wateren en internationale wateren van V, VI en VII |
8,30 |
50,70 |
610,8 |
42,40 |
1 |
|
|
42,40 |
|
ES |
WHB |
8C3411 |
Blauwe wijting |
VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
1 987,00 |
2 258,30 |
113,7 |
271,30 |
1,2 |
|
|
325,56 |
|
FR |
DWS |
56789- |
Diepzeehaaien |
EU-wateren en internationale wateren van V, VI, VII, VIII en IX |
10,17 |
26,00 |
255,7 |
15,83 |
1 |
|
|
15,83 |
|
FR |
SOL |
07E. |
Tong |
VII e |
283,00 |
290,00 |
102,5 |
7,00 |
1 |
c (8) |
|
10,50 |
|
LT |
JAX |
2A-14 |
Horsmakrelen en bijvangsten |
EU-wateren van IIa, IVa; VI, VIIa-c,VIIe-k, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van XII en XIV |
356,00 |
660,40 |
185,5 |
304,40 |
2 |
|
|
608,80 |
|
LT |
MAC |
2CX14- |
Makreel |
VI, VII, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van IIa, XII en XIV |
26,00 |
28,80 |
110,8 |
2,80 |
1 |
|
|
2,80 |
|
NL |
BSF |
56712- |
Zwarte haarstaartvis |
EU-wateren en internationale wateren van V, VI, VII en XII |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
5 |
5,00 |
|
NL |
SBR |
678- |
Zeebrasem |
EU-wateren en internationale wateren van VI, VII en VIII |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
6 |
6,00 |
|
PL |
COD |
1N2AB |
Kabeljauw |
Noorse wateren van I en II |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
2 |
2,00 |
|
PL |
GHL |
1N2AB |
Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot |
Noorse wateren van I en II |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
1 |
1,00 |
|
PL |
HAD |
2AC4 |
Schelvis |
IV; EU-wateren van IIa |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
16 |
16,00 |
|
PL |
HER |
03A. |
Haring |
IIIa |
0,00 |
38,20 |
— |
38,20 |
1 |
|
|
38,20 |
|
PL |
LIN |
04-C. |
Leng |
EU-wateren van IV |
0,00 |
3,00 |
— |
3,00 |
1 |
|
|
3,00 |
|
PL |
MAC |
2A34 |
Makreel |
IIIa en IV; EU-wateren van IIa, IIIb, IIIc en deelsectoren 22-32 |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
5 |
5,00 |
|
PL |
RED |
514GRN |
Roodbaarzen |
Groenlandse wateren van V en XIV |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
1 |
1,00 |
|
PL |
SPR |
03A |
Sprot |
IIIa |
0,00 |
119,60 |
— |
119,60 |
1 |
|
|
119,60 |
|
PL |
WHB |
1X14 |
Blauwe wijting |
EU-wateren en internationale wateren van I, II, III, IV, V, VI, VII, VIIIa, VIIIb, VIIId, VIIIe, XII en XIV |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
8 |
8,00 |
|
PT |
ALF |
3X14- |
Beryx spp. |
EU-wateren en internationale wateren van III, IV, V, VI, VII, VIII, IX, X, XII en XIV |
220,10 |
241,10 |
109,5 |
21,00 |
1 |
|
|
21,00 |
|
PT |
ANE |
9/3411 |
Ansjovis |
IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
2 882,00 |
2 920,20 |
101,3 |
38,20 |
1 |
|
|
38,20 |
|
PT |
ANF |
8C3411 |
Zeeduivels |
VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
260,20 |
335,30 |
128,9 |
75,10 |
1 |
a |
|
112,65 |
|
PT |
BET |
ATLANT |
Grootoogtonijn |
Atlantische Oceaan |
6 879,70 |
7 022,40 |
102,1 |
142,70 |
1 |
|
|
142,70 |
|
PT |
BSF |
8910- |
Zwarte haarstaartvis |
EU-wateren en internationale wateren van VIII, IX en X |
3 305,00 |
3 547,20 |
107,3 |
242,20 |
1,1 |
|
|
266,42 |
|
PT |
BUM |
ATLANT |
Blauwe marlijn |
Atlantische Oceaan |
69,00 |
72,30 |
104,8 |
3,30 |
1 |
|
|
3,30 |
|
PT |
COD |
N3M. |
Kabeljauw |
NAFO 3M |
2 525,70 |
2 753,80 |
109,0 |
228,10 |
1,1 |
|
|
250,91 |
|
PT |
GFB |
89- |
Gaffelkabel-jauwen |
EU-wateren en internationale wateren van VIII en IX |
10,00 |
12,00 |
120,0 |
2,00 |
1 |
a |
|
3,00 |
|
PT |
GHL |
1N2AB |
Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot |
Noorse wateren van I en II |
0,00 |
0,00 |
— |
0,00 |
— |
|
11 |
11,00 |
|
PT |
GHL |
N3LMNO. |
Groenlandse heilbot/Zwarte heilbot |
NAFO 3 LMNO |
2 413,80 |
2 508,20 |
103,9 |
94,40 |
1 |
|
|
94,40 |
|
PT |
HAD |
1N2AB |
Schelvis |
Noorse wateren van I en II |
78,00 |
30,00 |
38,5 |
–48,00 |
— |
|
458 |
410,00 |
|
PT |
POK |
1N2AB |
Koolvis |
Noorse wateren van I en II |
80,00 |
40,90 |
51,1 |
–39,10 |
— |
|
294 |
254,90 |
|
PT |
RED |
51214D |
Roodbaarzen |
EU-wateren en internationale wateren van V; internationale wateren van XII en XIV |
603,00 |
719,10 |
119,3 |
116,10 |
1,2 |
a |
|
208,98 |
|
PT |
RED |
N3LN. |
Roodbaarzen |
NAFO 3LN |
932,80 |
983,50 |
105,4 |
50,70 |
1 |
|
|
50,70 |
|
PT |
WHB |
8C3411 |
Blauwe wijting |
VIIIc, IX en X; EU-wateren van CECAF 34.1.1 |
483,00 |
711,90 |
147,4 |
228,90 |
1,8 |
|
|
412,02 |
|
PT |
WHG |
08. |
Wijting |
VIII |
0,00 |
1,20 |
— |
1,20 |
1 |
|
|
1,20 |
|
UK |
COD |
N01514 |
Kabeljauw |
Groenlandse wateren van NAFO 0 en 1; Groenlandse wateren van V en XIV |
717,00 |
724,60 |
101,1 |
7,60 |
1 |
|
|
7,60 |
|
UK |
BET |
ATLANT |
Grootoogtonijn |
Atlantische Oceaan |
10,00 |
0,00 |
0,0 |
–10,00 |
— |
|
10 |
0,00 |
|
UK |
BLI |
24- |
Blauwe leng |
EU-wateren en wateren die niet onder de soevereiniteit of jurisdictie van derde landen vallen, van II, IV en V |
1,50 |
1,50 |
100,0 |
0,00 |
— |
|
2 |
2,00 |
|
UK |
HAD |
1N2AB |
Schelvis |
Noorse wateren van I en II |
781,00 |
781,60 |
100,1 |
0,60 |
1 |
|
|
0,60 |
|
UK |
HER |
4AB. |
Haring |
EU-wateren en Noorse wateren van IV benoorden 53° 30′ NB |
27 687,00 |
27 887,40 |
100,7 |
200,40 |
1 |
|
|
200,40 |
|
UK |
MAC |
2CX14- |
Makreel |
VI, VII, VIIIa, VIIIb, VIIId en VIIIe; EU-wateren en internationale wateren van Vb; internationale wateren van IIa, XII en XIV |
173 520,50 |
179 960,30 |
103,7 |
6 439,80 |
1 |
|
|
6 439,80 |
(1) Quota die op grond van de betrokken verordeningen inzake de vangstmogelijkheden beschikbaar zijn voor de lidstaten, rekening houdend met het ruilen van vangstmogelijkheden overeenkomstig artikel 20, lid 5, van Verordening (EG) nr. 2371/2002 van de Raad (PB L 358 van 31.12.2002, blz. 59), het overdragen van quota overeenkomstig artikel 4, lid 2, van Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3) en/of het opnieuw toewijzen en verlagen van vangstmogelijkheden overeenkomstig de artikelen 37 en 105 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.
(2) Als vastgesteld in artikel 105, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1224/2009.
(3) Als vastgesteld in artikel 105, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1224/2009.
(4) Met de letter „a” wordt aangegeven dat een aanvullende vermenigvuldigingfactor van 1,5 is toegepast vanwege overbevissing in de opeenvolgende jaren 2009, 2010 en 2011. Zie in dit verband Verordening (EU) nr. 1004/2010 van de Commissie van 8 november 2010 tot verlaging van bepaalde vangstquota voor 2010 wegens overbevissing in het voorgaande jaar, als gewijzigd (PB L 291 van 9.11.2010, blz. 31), Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1016/2011 tot verlaging van de vangstquota voor 2011 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van deze bestanden in het voorgaande jaar en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1021/2011 tot verlaging van de vangstquota voor 2011 voor bepaalde bestanden wegens overbevissing van andere bestanden in het voorgaande jaar. Met de letter „c” wordt aangegeven dat een aanvullende vermenigvuldigingfactor van 1,5 is toegepast omdat het betrokken bestand onder een meerjarenplan valt.
(5) Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1016/2011 en Uitvoeringsverordening (EU) nr. 1021/2011 zijn voor 2011 de vangstquota voor bepaalde landen en soorten verlaagd. Voor sommige lidstaten waren de toe te passen verlagingen evenwel groter dan hun desbetreffende quota voor 2011 en konden die verlagingen in dat jaar bijgevolg niet volledig worden uitgevoerd. Om te garanderen dat ook in dergelijke gevallen de volledige verlaging wordt toegepast, moeten de resterende hoeveelheden in rekening worden gebracht bij de vaststelling van de verlagingen van de quota voor 2012 en in voorkomend geval voor de daaropvolgende jaren.
(6) Hoeveelheden die in mindering moeten worden gebracht op de aangepaste quota voor 2012 of voor de quota voor het volgende jaar/de volgende jaren, in voorkomend geval.
(7) Als gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 388/2006 van de Raad van 23 februari 2006 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in de Golf van Biskaje (PB L 65 van 7.3.2006, blz. 1).
(8) Als gedefinieerd in Verordening (EG) nr. 509/2007 van de Raad van 7 mei 2007 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de duurzame exploitatie van het tongbestand in het westelijk Kanaal (PB L 122 van 11.5.2007, blz. 7).
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/60 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 701/2012 VAN DE COMMISSIE
van 30 juli 2012
houdende wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening") (1), en met name de artikelen 103 nonies, 127, onder c), en 143 juncto artikel 4,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Verordening (EG) nr. 1234/2007 is een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten vastgesteld die onder meer geldt voor de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit. Krachtens artikel 103 quater van die verordening kunnen operationele programma's in de sector groenten en fruit maatregelen voor crisispreventie en -beheer bevatten die erop gericht zijn crises op de groente- en fruitmarkten te vermijden en op te vangen. |
|
(2) |
In bijlage XI bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie (2) zijn de in artikel 79, lid 1, van die uitvoeringsverordening bedoelde maximale steunbedragen voor de in die bijlage opgenomen uit de markt genomen producten vastgesteld. Deze bedragen moeten worden vastgesteld om te voorkomen dat het uit de markt nemen van producten een permanente afzetmogelijkheid wordt als alternatief voor het op de markt brengen van producten en om er tegelijkertijd voor te zorgen dat het uit de markt nemen van producten een doeltreffend instrument voor crisispreventie en crisisbeheer blijft. |
|
(3) |
Om ervoor te zorgen dat het uit de markt nemen van producten een doeltreffend instrument voor crisispreventie en crisisbeheer blijft, moeten de maximale steunbedragen voor uit de markt genomen producten worden verhoogd voor groenten en fruit waarvan de huidige steunniveaus bijzonder laag zijn vergeleken met de gemiddelde producentenprijzen in de Unie. Dit is het geval voor tomaten, druiven, abrikozen, peren, aubergines en meloenen. Om overcompensatie voor het uit de markt nemen van lagergeprijsde, voor verwerking bestemde tomaten te voorkomen, moet bovendien een gedifferentieerd bedrag worden ingevoerd voor tomaten die worden geproduceerd van 1 juni tot en met 31 oktober, de periode waarin voor verwerking bestemde tomaten uit de markt kunnen worden genomen. |
|
(4) |
Om de gratis uitreiking in de zin van artikel 103 quinquies, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van uit de markt genomen groenten en fruit en andere door de lidstaten goedgekeurde equivalente bestemmingen aan te moedigen, moet een hoger maximaal steunbedrag worden vastgesteld dan voor andere bestemmingen, voor zover het verschil tussen de gemiddelde producentenprijs in de Unie en de huidige maximale steunniveaus dit toelaten zonder dat een alternatieve afzetmogelijkheid wordt gecreëerd ten opzichte van het op de markt brengen ervan. Dit is het geval voor bloemkolen, tomaten, appelen, druiven, abrikozen, peren, aubergines, meloenen, watermeloenen, clementines en citroenen. |
|
(5) |
Om de uitreiking van uit de markt genomen producten door liefdadigheidsorganisaties en -instellingen te vergemakkelijken, moeten die organisaties en instellingen enkel worden verplicht een financiële boekhouding te voeren voor de actie in kwestie indien zij de bevoegde autoriteiten van de lidstaat om toestemming hebben verzocht om van de eindontvangers een symbolische financiële bijdrage te vragen en deze toestemming hebben gekregen. De mogelijkheid om een dergelijke bijdrage te vragen moet worden uitgebreid tot verse producten. |
|
(6) |
Om rekening te houden met eerdere ervaringen met maatregelen voor crisispreventie en -beheer is het passend de definities van groen oogsten of niet oogsten en de situaties waarin maatregelen om groen te oogsten en niet te oogsten mogen worden genomen, te verduidelijken. Om de verschillende maatregelen voor crisispreventie en -beheer op elkaar af te stemmen en de doeltreffendheid ervan te verbeteren, is het passend de in artikel 85, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 vastgestelde verplichting om in de eerste melding van elke geplande actie om groen te oogsten een marktanalyse op te nemen, te schrappen. |
|
(7) |
Om te reageren op een plotse crisissituatie moeten, binnen door de lidstaten vast te stellen beperkingen, groen oogsten en niet oogsten mogelijk zijn voor groenten en fruit met een langere oogstperiode, ook al is de normale oogst al begonnen of heeft de betrokken oppervlakte al commerciële productie opgeleverd. In zulke gevallen moet enkel de in de zes weken na de actie geoogste productie worden vergoed. Aangezien planten die groenten en fruit met een langere oogstperiode dragen, vaak tezelfdertijd rijpe en onrijpe producten dragen, is het passend af te wijken van de algemene regel volgens welke maatregelen voor groen oogsten en niet oogsten niet samen mogen worden toegepast voor hetzelfde product en dezelfde oppervlakte in een bepaald jaar. |
|
(8) |
Om ervoor te zorgen dat wordt voldaan aan de verplichting om aan te tonen dat elke partij volgens de toepasselijke voorwaarden is afgezet en om doeltreffende douanecontroles op basis van risicoanalyse mogelijk te maken, moeten nadere bepalingen worden vastgesteld ten aanzien van de verplichting om bepaalde voor de te verrichten controles relevante documenten ter beschikking te stellen van de douaneautoriteiten. |
|
(9) |
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(10) |
Het is passend de nieuwe steunbedragen voor uit de markt genomen producten met terugwerkende kracht toe te passen vanaf 1 juli 2012, wanneer het zomerverkoopseizoen begint. Om importeurs de tijd te geven zich aan te passen aan de nieuwe bepalingen betreffende het invoerprijssysteem, moeten deze bepalingen van toepassing zijn vanaf 1 september 2012. |
|
(11) |
Het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten heeft geen advies uitgebracht binnen de door zijn voorzitter vastgestelde termijn, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011
Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 wordt als volgt gewijzigd:
|
(1) |
In artikel 80, lid 2, wordt de tweede alinea vervangen door: "De lidstaten mogen de in artikel 103 quinquies, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde liefdadigheidsinstellingen en –organisaties op hun verzoek toestaan de eindontvangers van de uit de markt genomen producten een symbolische bijdrage te vragen. Naast de verbintenissen uit hoofde van artikel 83, lid 1, voeren de betrokken liefdadigheidsorganisaties en -instellingen, wanneer zij die toestemming hebben gekregen, een financiële boekhouding voor de actie in kwestie." |
|
(2) |
Artikel 83, lid 1, onder b), wordt vervangen door:
|
|
(3) |
In artikel 84, lid 1, komen de punten a) en b) als volgt te luiden: "a) "groen oogsten": het oogsten van de totale hoeveelheid onrijpe, niet-afzetbare producten op een bepaalde oppervlakte. De betrokken producten mogen vóór het groen oogsten niet beschadigd zijn als gevolg van klimaatomstandigheden, ziekte of andere oorzaken; b) "niet oogsten": de beëindiging van de huidige productiecyclus van de betrokken oppervlakte wanneer het product goed ontwikkeld en van gezonde handelskwaliteit is. De vernietiging van producten als gevolg van een klimaatgebeurtenis of ziekte wordt niet als niet oogsten beschouwd." |
|
(4) |
Artikel 85 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
(5) |
artikel 109, lid 5, onder a), wordt vervangen door:
|
|
(6) |
Artikel 110 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
(7) |
Artikel 121 wordt als volgt gewijzigd:
|
|
(8) |
In artikel 137, lid 4, worden de volgende vierde en vijfde alinea toegevoegd: "Om aan te tonen dat de partij is afgezet volgens de in de eerste alinea vastgestelde condities, stelt de importeur, naast de factuur, alle documenten ter beschikking die nodig zijn voor het verrichten van de relevante douanecontroles met betrekking tot de verkoop en de afzet van elk product van de partij in kwestie. Het gaat hierbij onder meer om documenten met betrekking tot vervoer, verzekering, behandeling en opslag van de partij. Wanneer de productvariëteit of het handelstype van de groenten en fruit krachtens de in artikel 3 bedoelde handelsnormen op de verpakking moeten worden vermeld, wordt de productvariëteit of het handelstype van de groenten en fruit die deel uitmaken van de partij vermeld op de documenten inzake vervoer, de facturen en de leveringsbon." |
|
(9) |
Bijlage XI wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening. |
Artikel 2
Inwerkingtreding
Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Artikel 1, punt 8, is echter van toepassing met ingang van 1 september 2012 en artikel 1, punt 9, is van toepassing met ingang van 1 juli 2012.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 30 juli 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
BIJLAGE
„BIJLAGE XI
In artikel 79, lid 1, bedoelde maximale steunbedragen voor uit de markt genomen producten
|
Product |
Maximaal steunbedrag (EUR/100 kg) |
|
|
Gratis uitreiking |
Overige bestemmingen |
|
|
Bloemkool |
15,69 |
10,52 |
|
Tomaten (1 juni - 31 oktober) |
7,25 |
7,25 |
|
Tomaten (1 november - 31 mei) |
27,45 |
18,30 |
|
Appelen |
16,98 |
13,22 |
|
Druiven |
39,16 |
26,11 |
|
Abrikozen |
40,58 |
27,05 |
|
Nectarines |
26,90 |
26,90 |
|
Perziken |
26,90 |
26,90 |
|
Peren |
23,85 |
15,90 |
|
Aubergines |
22,78 |
15,19 |
|
Meloenen |
31,37 |
20,91 |
|
Watermeloenen |
8,85 |
6,00 |
|
Sinaasappelen |
21,00 |
21,00 |
|
Mandarijnen |
19,50 |
19,50 |
|
Clementines |
22,16 |
19,50 |
|
Satsuma's |
19,50 |
19,50 |
|
Citroenen |
23,99 |
19,50 ” |
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/64 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 702/2012 VAN DE COMMISSIE
van 30 juli 2012
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 30 juli 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0702 00 00 |
MK |
58,9 |
|
XS |
38,5 |
|
|
ZZ |
48,7 |
|
|
0707 00 05 |
MK |
53,8 |
|
TR |
95,4 |
|
|
ZZ |
74,6 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
98,0 |
|
ZZ |
98,0 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
94,3 |
|
TR |
91,0 |
|
|
UY |
105,4 |
|
|
ZA |
104,9 |
|
|
ZZ |
98,9 |
|
|
0806 10 10 |
EG |
216,8 |
|
IL |
192,5 |
|
|
IN |
210,3 |
|
|
MA |
250,0 |
|
|
MX |
301,8 |
|
|
TR |
150,9 |
|
|
ZZ |
220,4 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
116,7 |
|
BR |
98,9 |
|
|
CL |
107,4 |
|
|
NZ |
135,3 |
|
|
US |
114,9 |
|
|
ZA |
107,6 |
|
|
ZZ |
113,5 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
159,7 |
|
CL |
129,6 |
|
|
NZ |
175,8 |
|
|
ZA |
113,9 |
|
|
ZZ |
144,8 |
|
|
0809 10 00 |
AR |
124,4 |
|
TR |
165,1 |
|
|
ZZ |
144,8 |
|
|
0809 29 00 |
TR |
333,9 |
|
ZZ |
333,9 |
|
|
0809 30 |
TR |
167,0 |
|
ZZ |
167,0 |
|
|
0809 40 05 |
BA |
67,1 |
|
ZZ |
67,1 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
BESLUITEN
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/66 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 27 juli 2012
tot wijziging van Beschikking 2003/467/EG wat betreft de erkenning dat Letland officieel vrij is van enzoötische boviene leukose
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 5185)
(Voor de EER relevante tekst)
(2012/449/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (1), en met name bijlage D, hoofdstuk I, onder E,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Richtlijn 64/432/EEG is van toepassing op het handelsverkeer in runderen en varkens binnen de Unie. Bij die richtlijn wordt bepaald onder welke voorwaarden een lidstaat of een deel van een lidstaat officieel als vrij van enzoötische boviene leukose kan worden erkend ten aanzien van de rundveebeslagen. |
|
(2) |
Bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG van de Commissie van 23 juni 2003 houdende erkenning van bepaalde lidstaten en delen van lidstaten als officieel tuberculosevrij, officieel brucellosevrij en officieel vrij van enzoötische boviene leukose ten aanzien van de rundveebeslagen (2) bevat lijsten van de lidstaten en de delen van lidstaten die als officieel vrij van enzoötische boviene leukose zijn erkend. |
|
(3) |
Letland heeft bij de Commissie bewijsstukken ingediend waaruit blijkt dat voor het gehele grondgebied van die lidstaat wordt voldaan aan de in Richtlijn 64/432/EEG vastgestelde voorwaarden om als officieel vrij van enzoötische boviene leukose te worden erkend. |
|
(4) |
Na evaluatie van de door Letland ingediende bewijsstukken moet het hele grondgebied van die lidstaat als officieel vrij van enzoötische boviene leukose worden erkend. |
|
(5) |
Beschikking 2003/467/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 27 juli 2012.
Voor de Commissie
John DALLI
Lid van de Commissie
BIJLAGE
In bijlage III bij Beschikking 2003/467/EG wordt hoofdstuk 1 vervangen door:
„ HOOFDSTUK 1
Lidstaten die officieel vrij zijn van enzoötische boviene leukose
|
ISO-code |
Lidstaat |
|
BE |
België |
|
CZ |
Tsjechië |
|
DK |
Denemarken |
|
DE |
Duitsland |
|
ES |
Spanje |
|
FR |
Frankrijk |
|
IE |
Ierland |
|
CY |
Cyprus |
|
LT |
Litouwen |
|
LU |
Luxemburg |
|
LV |
Letland |
|
NL |
Nederland |
|
AT |
Oostenrijk |
|
SI |
Slovenië |
|
SK |
Slowakije |
|
FI |
Finland |
|
SE |
Zweden |
|
UK |
Verenigd Koninkrijk” |
|
31.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 203/68 |
UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE
van 27 juli 2012
tot wijziging van Beschikking 2009/821/EG wat betreft de lijst van grensinspectieposten
(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 5187)
(Voor de EER relevante tekst)
(2012/450/EU)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Richtlijn 90/425/EEG van de Raad van 26 juni 1990 inzake veterinaire en zoötechnische controles in het intracommunautaire handelsverkeer in bepaalde levende dieren en producten in het vooruitzicht van de totstandbrenging van de interne markt (1), en met name artikel 20, leden 1 en 3,
Gezien Richtlijn 91/496/EEG van de Raad van 15 juli 1991 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor dieren uit derde landen die in de Gemeenschap worden binnengebracht en tot wijziging van de Richtlijnen 89/662/EEG, 90/425/EEG en 90/675/EEG (2), en met name artikel 6, lid 4, tweede alinea, tweede zin,
Gezien Richtlijn 97/78/EG van de Raad van 18 december 1997 tot vaststelling van de beginselen voor de organisatie van de veterinaire controles voor producten die uit derde landen in de Gemeenschap worden binnengebracht (3), en met name artikel 6, lid 2,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Beschikking 2009/821/EG van de Commissie van 28 september 2009 tot opstelling van een lijst van erkende grensinspectieposten, tot vaststelling van bepaalde voorschriften voor door veterinaire deskundigen van de Commissie uitgevoerde inspecties en tot vaststelling van de veterinaire eenheden in Traces (4) is een lijst van overeenkomstig de Richtlijnen 91/496/EEG en 97/78/EG erkende grensinspectieposten vastgesteld. Die lijst is in bijlage I bij die beschikking opgenomen. |
|
(2) |
Na de mededelingen van Tsjechië, Duitsland, Spanje, Italië, Portugal en het Verenigd Koninkrijk moeten de vermeldingen voor de grensinspectieposten in die lidstaten in de lijst van bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG worden gewijzigd. |
|
(3) |
Nadat de inspectiediensten van de Commissie — het Voedsel- en Veterinair Bureau —inspecties met bevredigende resultaten hebben uitgevoerd, moeten de nieuwe grensinspectieposten in de haven van Jade-Weser Wilhelmshaven in Duitsland, op de luchthaven van Riga in Letland en op de luchthaven van Edinburgh in het Verenigd Koninkrijk worden toegevoegd aan de vermeldingen voor die lidstaten in de lijst van bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG. |
|
(4) |
Bovendien heeft Italië meegedeeld dat de grensinspectiepost op de luchthaven van Milano-Linate tijdelijk moet worden geschorst en dat de tijdelijke schorsing van de grensinspectiepost op de luchthaven van Torino-Caselle moet worden opgeheven. De lijst van vermeldingen voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(5) |
Voorts heeft Letland meegedeeld dat de grensinspectiepost van Patarnieki tijdelijk moet worden geschorst. De relevante vermelding voor die lidstaat in bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(6) |
Beschikking 2009/821/EG moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd. |
|
(7) |
De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij dit besluit.
Artikel 2
Dit besluit is gericht tot de lidstaten.
Gedaan te Brussel, 27 juli 2012.
Voor de Commissie
John DALLI
Lid van de Commissie
(1) PB L 224 van 18.8.1990, blz. 29.
(2) PB L 268 van 24.9.1991, blz. 56.
BIJLAGE
Bijlage I bij Beschikking 2009/821/EG wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
In het deel over Tsjechië wordt de vermelding voor de luchthaven van Praha-Ruzyně vervangen door:
|
|
2) |
Het deel over Duitsland wordt als volgt gewijzigd:
|
|
3) |
Het deel over Spanje wordt als volgt gewijzigd:
|
|
4) |
Het deel over Italië wordt als volgt gewijzigd:
|
|
5) |
Het deel over Letland wordt als volgt gewijzigd:
|
|
6) |
In het deel over Portugal wordt de vermelding voor de haven van Aveiro geschrapt; |
|
7) |
Het deel over het Verenigd Koninkrijk wordt als volgt gewijzigd:
|