|
ISSN 1977-0758 doi:10.3000/19770758.L_2012.196.nld |
||
|
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196 |
|
|
||
|
Uitgave in de Nederlandse taal |
Wetgeving |
55e jaargang |
|
|
|
|
|
(1) Voor de EER relevante tekst |
|
NL |
Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben. Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten. |
II Niet-wetgevingshandelingen
VERORDENINGEN
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/1 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 672/2012 VAN DE RAAD
van 16 juli 2012
tot uitbreiding van het bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 ingestelde definitieve antidumpingrecht op bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China tot bepaalde open weefsels van glasvezels verzonden vanuit Maleisië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 13,
Gezien het voorstel van de Europese Commissie,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Bestaande maatregelen
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 (2), („de oorspronkelijke verordening”) heeft de Raad een definitief antidumpingrecht van 62,9 % op bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC”) ingesteld voor alle overige ondernemingen die niet worden vermeld in artikel 1, lid 2, en bijlage I van die verordening. Deze maatregelen worden hierna „de geldende maatregelen” genoemd en het onderzoek dat tot de bij de oorspronkelijke verordening ingestelde maatregelen heeft geleid, wordt hierna aangeduid als „het oorspronkelijke onderzoek”. |
1.2. Verzoek
|
(2) |
Op 27 september 2011 heeft de Commissie op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening een verzoek ontvangen om een onderzoek in te stellen naar de mogelijke ontwijking van de antidumpingmaatregelen die zijn ingesteld betreffende de invoer van bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de VRC, en om de invoer van bepaalde open weefsels van glasvezels verzonden vanuit Maleisië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, te registreren. |
|
(3) |
Het verzoek werd ingediend door Saint Gobain Adfors CZ s.r.o., Tolnatext Fonalfeldolgozó és Műszakiszövet-gyártó Bt., Valmieras stikla šķiedra AS en Vitrulan Technical Textiles GmbH, vier producenten in de Unie van bepaalde open weefsels van glasvezels. |
|
(4) |
Het verzoek bevatte voldoende voorlopig bewijsmateriaal dat zich na het instellen van de geldende maatregelen een aanzienlijke verandering in de structuur van het handelsverkeer met betrekking tot de uitvoer uit de VRC en Maleisië naar de Unie heeft voorgedaan waarvoor, afgezien van de instelling van de geldende maatregelen, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestond. Deze verandering in de structuur van het handelsverkeer werd kennelijk veroorzaakt door de overlading in Maleisië van bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de VRC. |
|
(5) |
Voorts waren er aanwijzingen dat de corrigerende werking van de geldende maatregelen, zowel gezien de hoeveelheid als de prijs, werd ondermijnd. Uit het bewijsmateriaal bleek dat deze toegenomen invoer uit Maleisië plaatsvond tegen prijzen die lager lagen dan de geen schade veroorzakende prijs die in het oorspronkelijke onderzoek was vastgesteld. |
|
(6) |
Tot slot bleek uit het bewijsmateriaal dat de prijzen van bepaalde open weefsels van glasvezels verzonden vanuit Maleisië dumpingprijzen waren ten opzichte van de normale waarde die in het oorspronkelijke onderzoek voor het soortgelijke product was vastgesteld. |
1.3. Opening van het onderzoek
|
(7) |
Daar de Commissie na overleg in het Raadgevend Comité tot de conclusie was gekomen dat er voldoende voorlopig bewijsmateriaal was om op grond van artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening een onderzoek te openen, heeft zij bij Verordening (EU) nr. 1135/2011 van de Commissie (3) („de openingsverordening”) een onderzoek geopend. Krachtens artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening heeft de Commissie bij de openingsverordening de douaneautoriteiten de instructie gegeven de invoer van bepaalde open weefsels van glasvezels verzonden vanuit Maleisië te registreren. |
1.4. Onderzoek
|
(8) |
De Commissie heeft de autoriteiten van de VRC en Maleisië, de producenten-exporteurs in die landen, de haar bekende betrokken importeurs in de Unie en de bedrijfstak van de Unie officieel in kennis gesteld van de opening van het onderzoek. Er werden vragenlijsten verzonden naar de producenten/exporteurs in de VRC en Maleisië die de Commissie bekend waren of die zich binnen de in overweging 14 van de openingsverordening vermelde termijn kenbaar hadden gemaakt. Er werden ook vragenlijsten verzonden naar importeurs in de Unie. Belanghebbenden werd de gelegenheid geboden om binnen de bij de openingsverordening vastgestelde termijn hun standpunt schriftelijk bekend te maken en te verzoeken te worden gehoord. |
|
(9) |
Drie producenten-exporteurs in Maleisië en drie niet-verbonden importeurs in de Unie hebben zich kenbaar gemaakt en hebben antwoorden op de vragenlijst ingediend. |
|
(10) |
De volgende producenten-exporteurs hebben antwoorden op de vragenlijst ingediend, waarna bij hen ter plaatse een controle werd uitgevoerd. Producenten-exporteurs in Maleisië:
|
1.5. Onderzoektijdvak
|
(11) |
Het onderzoektijdvak bestreek de periode van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2011 („het OT”). Er werden voor het OT gegevens verzameld om onder meer de beweerde verandering in de structuur van het handelsverkeer te onderzoeken. Voor de verslagperiode van 1 oktober 2010 tot en met 30 september 2011 („de VP”) werden meer gedetailleerde gegevens verzameld, zodat de mogelijke ondermijning van de corrigerende werking van de geldende maatregelen en het bestaan van dumping konden worden onderzocht. |
2. RESULTATEN VAN HET ONDERZOEK
2.1. Algemene overwegingen
|
(12) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening werd onderzocht of er sprake was van ontwijking door achtereenvolgens na te gaan of zich een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de VRC, Maleisië en de Unie had voorgedaan; of deze verandering het gevolg was van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor geen andere afdoende reden of economische rechtvaardiging bestond dan de instelling van het recht; of uit bewijsmateriaal bleek dat er sprake was van schade of dat de corrigerende werking van het recht, gezien de prijzen en/of de hoeveelheden van het soortgelijke product, werd ondermijnd; en of uit bewijsmateriaal bleek dat dumping plaatsvond ten aanzien van de voor het soortgelijke product eerder vastgestelde normale waarden, eventueel overeenkomstig artikel 2 van de basisverordening. |
2.2. Betrokken product en onderzocht product
|
(13) |
Het betrokken product is zoals gedefinieerd in het oorspronkelijke onderzoek: open weefsels van glasvezels, met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, met uitzondering van glasvezelschijven, van oorsprong uit de VRC, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 7019 51 00 en ex 7019 59 00 . |
|
(14) |
Het onderzochte product is hetzelfde als het product dat in de vorige overweging is gedefinieerd, maar verzonden vanuit Maleisië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië. |
|
(15) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de hierboven gedefinieerde uit de VRC naar de Unie uitgevoerde open weefsels van glasvezels, en die verzonden vanuit Maleisië naar de Unie dezelfde fysische en technische basiseigenschappen en dezelfde toepassingen hebben en daarom moeten worden beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
2.3. Mate van medewerking en vaststelling van de handelsvolumen
Maleisië
|
(16) |
Zoals vermeld in overweging 10 hebben drie producenten-exporteurs in Maleisië antwoorden op de vragenlijst ingediend. |
|
(17) |
Vervolgens werden er bij deze drie producenten-exporteurs controlebezoeken uitgevoerd. |
|
(18) |
De drie Maleisische producenten-exporteurs bestreken in de VP 75 % van de totale uitvoer van het onderzochte product uit Maleisië naar de Unie, zoals gerapporteerd in Comext (4). Het totale uitvoervolume werd op Comext gebaseerd. |
|
(19) |
Een van de drie Maleisische producenten-exporteurs heeft na de eerste dag van het controlebezoek zijn medewerking stopgezet. Daarom werd artikel 18 van de basisverordening toegepast. |
|
(20) |
Voor de andere twee ondernemingen bleek de toepassing van artikel 18, lid 1, van de basisverordening eveneens gerechtvaardigd om de in overwegingen 34 en 52 tot en met 59 vermelde redenen. |
Volksrepubliek China
|
(21) |
Er werd geen medewerking verleend door de producenten-exporteurs van de VRC. Daarom moesten de bevindingen inzake de invoer van bepaalde open weefsels van glasvezels uit de VRC in de Unie en de uitvoer van het betrokken product uit de VRC naar Maleisië overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening gedeeltelijk worden gebaseerd op de beschikbare gegevens. De Comext-gegevens werden gebruikt om het totale volume van de invoer uit de VRC in de Unie te bepalen. Voor het bepalen van de totale uitvoer uit de VRC naar Maleisië werd gebruikgemaakt van de nationale statistieken van de VRC en Maleisië. De gegevens werden ook gecontroleerd aan de hand van gedetailleerde invoer- en uitvoergegevens die door de douaneautoriteiten van Maleisië werden verstrekt. |
|
(22) |
Het in de statistieken van de VRC en Maleisië geregistreerde invoervolume betrof een grotere productgroep dan het betrokken product of het onderzochte product. Gezien de Comext-gegevens en de gegevens die door de drie Maleisische producenten-exporteurs werden verstrekt, kon echter worden vastgesteld dat een aanzienlijk deel van dit invoervolume het betrokken product betrof. Deze gegevens konden dus worden gebruikt om een verandering in de structuur van het handelsverkeer vast te stellen. |
2.4. Verandering in de structuur van het handelsverkeer
Invoer van bepaalde open weefsels van glasvezels in de Unie
|
(23) |
De invoer van het betrokken product uit de VRC in de Unie is sterk gedaald na de instelling van de voorlopige maatregelen in februari 2011 (5) en de definitieve maatregelen in augustus 2011 (overeenkomstig de oorspronkelijke verordening). |
|
(24) |
Aan de andere kant steeg de totale uitvoer van het onderzochte product uit Maleisië naar de Unie aanzienlijk in 2011. Volgens Comext is de uitvoer uit Maleisië naar de Unie het voorbije jaar sterk gestegen, terwijl de uitvoer de jaren ervoor onbeduidend was. Deze trend wordt ook bevestigd door de overeenkomstige Maleisische statistieken inzake de uitvoer van open weefsels van glasvezels uit Maleisië naar de Unie. |
|
(25) |
In tabel 1 worden de hoeveelheden van bepaalde open weefsels van glasvezels weergegeven die van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2011 uit de VRC en Maleisië in de Unie zijn ingevoerd.
|
||||||||||||||||||||
|
(26) |
Uit bovenstaande gegevens blijkt duidelijk dat de invoer uit Maleisië in de Unie van 2008 tot en met 2010 te verwaarlozen was. In 2011 echter, na de instelling van de maatregelen, steeg de invoer plots en verving qua volume in zekere mate de uitvoer uit de VRC naar de markt van de Unie. Bovendien is de uitvoer uit de VRC naar de Unie sinds de instelling van de geldende maatregelen aanzienlijk gedaald (26 %). |
Uitvoer uit de VRC naar Maleisië
|
(27) |
In dezelfde periode is ook een opvallende toename van de uitvoer van open weefsels van glasvezels uit de VRC naar Maleisië te zien. Van een betrekkelijk onbeduidende hoeveelheid in 2008 (4,65 miljoen m2) steeg de uitvoer in de VP tot 32,78 miljoen m2. Deze trend wordt ook bevestigd door de overeenkomstige Maleisische statistieken inzake de invoer van open weefsels van glasvezels uit de VRC in Maleisië. Tabel 2 Uitvoer van open weefsels van glasvezels uit de VRC naar Maleisië van 1 januari 2008 tot en met 30 september 2011
|
|||||||||||||||||||||||||
|
(28) |
Voor de vaststelling van de trend in de handelsstroom van bepaalde open weefsels van glasvezels van de VRC naar Maleisië werden zowel statistieken van de VRC als van Maleisië in beschouwing genomen. In beide gevallen zijn deze gegevens slechts beschikbaar op een hoger niveau van productgroepen dan het betrokken product. Gezien de Comext-gegevens en de gegevens die door de drie aanvankelijk medewerkende Maleisische exporteurs werden verstrekt, kon echter worden vastgesteld dat een aanzienlijk deel het betrokken product betrof. Deze gegevens kunnen dus in aanmerking worden genomen. |
|
(29) |
De tabellen 1 en 2 tonen duidelijk aan dat de sterke daling van de uitvoer van open weefsels van glasvezels uit de VRC naar de Unie werd gevolgd door een aanzienlijke toename van de uitvoer van open weefsels van glasvezels uit de naar Maleisië, met daarna een forse toename van de Maleisische uitvoer van open weefsels van glasvezels naar de Unie in het OT. Uit het onderzoek bleek ook dat bij de invoer in Maleisië extra hoeveelheden open weefsels van glasvezels uit de VRC verkeerd werden aangegeven onder andere codes dan die waarop het onderzoek betrekking had. Volgens de douaneaangiften ten invoer werden die extra hoeveelheden aangegeven onder de codes 7019 11 000 en 7019 40 000. |
Productievolumen in Maleisië
|
(30) |
De drie aanvankelijk medewerkende ondernemingen zijn opgericht tussen november 2010 en maart 2011 en zijn pas na de instelling van de voorlopige maatregelen in februari 2011 met de productie en de uitvoer naar de Unie gestart. Vóór februari 2011 was er geen productie van open weefsels van glasvezels in Maleisië. |
2.5. Conclusie over de verandering in de structuur van het handelsverkeer
|
(31) |
De algemene daling van de uitvoer uit de VRC naar de Unie en de gelijktijdige toename van de uitvoer uit Maleisië naar de Unie en van de uitvoer uit de VRC naar Maleisië na de instelling van de voorlopige maatregelen in februari 2011 en de definitieve maatregelen in augustus 2011 vormden een verandering in de structuur van het handelsverkeer tussen de bovenvermelde landen enerzijds en de Unie anderzijds. |
2.6. Aard van de ontwijkingspraktijk
|
(32) |
Artikel 13, lid 1, van de basisverordening bepaalt dat de verandering in de structuur van het handelsverkeer het gevolg moet zijn van praktijken, processen of werkzaamheden waarvoor, afgezien van de instelling van het recht, onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat. De praktijken, processen of werkzaamheden omvatten onder andere het via derde landen verzenden van het product waarop maatregelen van toepassing zijn, en de assemblage van delen in de Unie of een derde land. Of assemblage heeft plaatsgevonden, wordt vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 2, van de basisverordening. |
Verzending na overlading
|
(33) |
De aangegeven uitvoer van de aanvankelijk medewerkende Maleisische ondernemingen bedroeg zo’n 75 % van de totale Maleisische uitvoer naar de Unie. De overige uitvoer kan worden toegeschreven aan Maleisische producenten die niet aan het onderzoek hebben meegewerkt, of aan overladingspraktijken. Een van de medewerkende importeurs in de Unie had open weefsels van glasvezels aangekocht bij een Maleisische exporteur die niet heeft meegewerkt aan dit onderzoek. |
|
(34) |
Zoals in de overwegingen 52 tot en met 59 is aangegeven, werden de drie aanvankelijk medewerkende ondernemingen er ter plaatse van in kennis gesteld dat artikel 18 op hen van toepassing kon zijn, aangezien vastgesteld was dat zij misleidende inlichtingen hadden verstrekt. Bewijsmateriaal wees er met name op dat twee van de aanvankelijk medewerkende producenten-exporteurs hun onderlinge relatie niet hadden bekendgemaakt. De ondernemingen hadden ook documenten, zoals rekeningafschriften, gemanipuleerd en gewijzigd. Bovendien wordt er getwijfeld aan de echtheid van sommige van hun aankoopfacturen en betalingsbewijzen. Bovendien konden twee van hen de oorsprong van de grondstoffen gebruikt voor de productie van open weefsels van glasvezels die werden uitgevoerd naar de Unie, niet aantonen. Tot slot zouden volgens de informatie van de Maleisische autoriteiten goederen bij hun uitvoer in aanmerking komen voor een certificaat van oorsprong als de classificatiecode van de ingevoerde grondstoffen gebruikt in het productieproces anders is dan die van de uitgevoerde eindproducten. Uit het bewijsmateriaal dat werd verzameld tijdens de controlebezoeken, bleek dat bepaalde hoeveelheden open weefsels van glasvezels uit de VRC bij hun invoer in Maleisië onjuist werden aangegeven onder andere codes dan die waarop het onderzoek betrekking had, terwijl zij bij hun uitvoer naar de Unie werden geclassificeerd onder de twee GN-codes waarop het onderzoek betrekking had. Dit verklaart de extra hoeveelheden open weefsels van glasvezels uitgevoerd uit Maleisië naar de Unie, zoals wordt bevestigd door de bevindingen betreffende de verandering in de structuur van het handelsverkeer, beschreven in overweging 29. |
|
(35) |
Daardoor is bevestigd dat producten van oorsprong uit de VRC werden verzonden na overlading in Maleisië. |
Assemblage- en/of voltooiingswerkzaamheden
|
(36) |
Aangezien artikel 18 van de basisverordening van toepassing was op elk van de drie aanvankelijk medewerkende ondernemingen, kon niet worden vastgesteld of zij betrokken zijn in assemblagewerkzaamheden. |
2.7. Geen andere afdoende reden of economische rechtvaardiging dan de instelling van het antidumpingrecht
|
(37) |
Het onderzoek heeft geen andere afdoende reden of economische rechtvaardiging voor de overlading aan het licht gebracht dan het vermijden van de geldende maatregelen voor bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de VRC. Behalve het recht werden geen elementen gevonden die konden worden beschouwd als compensatie voor de kosten van overlading, met name met betrekking tot het vervoer en het overladen, van het betrokken product uit de VRC in Maleisië. |
2.8. Ondermijning van de corrigerende werking van het antidumpingrecht
|
(38) |
Om uit te maken of de ingevoerde producten, gezien de hoeveelheden en de prijzen, de corrigerende werking van de geldende maatregelen voor bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de VRC ondermijnden, werd gebruikgemaakt van Comext-gegevens als de beste beschikbare gegevens betreffende hoeveelheden en prijzen van de door de drie aanvankelijk medewerkende producenten-exporteurs, op wie artikel 18 van de basisverordening van toepassing was, en door de niet-medewerkende ondernemingen uitgevoerde producten. De aldus vastgestelde prijzen werden vergeleken met het schade opheffende prijsniveau dat voor de producenten in de Unie in overweging 74 van de oorspronkelijke verordening is vastgesteld. |
|
(39) |
De toename van de invoer uit Maleisië in de Unie van 20 000 m2 in 2010 tot 76 miljoen m2 in de periode van april tot en met september 2011 werd, gezien de hoeveelheden, als aanzienlijk beschouwd. |
|
(40) |
Uit de vergelijking van het schade opheffende prijsniveau, dat in de oorspronkelijke verordening is vastgesteld, en de gewogen gemiddelde uitvoerprijs (gecorrigeerd voor kosten na invoer en kwaliteitswijzigingen vastgesteld in de oorspronkelijke verordening) is gebleken dat er sprake is van aanzienlijk prijsbederf. Daarom werd geconcludeerd dat de corrigerende werking van de geldende maatregelen, zowel gezien de hoeveelheden als de prijzen, werd ondermijnd. |
2.9. Bewijs voor dumping
|
(41) |
Ten slotte werd overeenkomstig artikel 13, leden 1 en 2, van de basisverordening nagegaan of uit bewijsmateriaal bleek dat dumping plaatsvond ten aanzien van de voor soortgelijke producten eerder vastgestelde normale waarde. |
|
(42) |
In de oorspronkelijke verordening werd de normale waarde vastgesteld op basis van de prijzen in Canada, dat bij dat onderzoek voor de VRC een geschikt referentieland met een markteconomie werd bevonden. Overeenkomstig artikel 13, lid 1, van de basisverordening werd het passend geacht de in het oorspronkelijke onderzoek eerder vastgestelde normale waarde te gebruiken. |
|
(43) |
Voor de prijzen bij uitvoer uit Maleisië baseerde men zich op de beschikbare gegevens, d.w.z. op de gemiddelde uitvoerprijs van bepaalde open weefsels van glasvezels tijdens de VP zoals gerapporteerd in Comext. De reden hiervoor was dat artikel 18 van de basisverordening van toepassing was op elk van de drie aanvankelijk medewerkende exporteurs, waardoor hun gegevens niet konden worden gebruikt om de uitvoerprijzen vast te stellen. |
|
(44) |
Met het oog op een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs werden overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening correcties toegepast om rekening te houden met verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Dienovereenkomstig werden er correcties toegepast voor verschillen in vervoers-, verzekerings-, verpakkings-, bank- en aanverwante kosten. Daar artikel 18 van de basisverordening van toepassing was op elk van de drie aanvankelijk medewerkende producenten, moesten de correcties worden vastgesteld op basis van de best beschikbare gegevens. De correcties werden daarom gebaseerd op een percentage berekend als het verschil tussen de totale cif-waarde en de totale waarde af fabriek van alle transacties van de drie Maleisische producenten in de VP. |
|
(45) |
Overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening werd de dumping berekend door de gewogen gemiddelde normale waarde die in de oorspronkelijke verordening is vastgesteld, te vergelijken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijzen in de VP van dit onderzoek, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring. |
|
(46) |
Uit de vergelijking tussen de gewogen gemiddelde normale waarde en de vastgestelde gewogen gemiddelde uitvoerprijs bleek dat er sprake was van dumping. |
3. MAATREGELEN
|
(47) |
Gezien het bovenstaande werd geconcludeerd dat het definitieve antidumpingrecht op bepaalde open weefsels van glasvezels van oorsprong uit de VRC werd ontweken door verzending na overlading in Maleisië in de zin van artikel 13, lid 1, van de basisverordening. |
|
(48) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 1, eerste zin, van de basisverordening, moeten de geldende maatregelen voor de invoer van het betrokken product van oorsprong uit de VRC worden uitgebreid tot de invoer van hetzelfde product verzonden vanuit Maleisië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië. |
|
(49) |
In het licht van de niet-medewerking aan dit onderzoek zijn de uit te breiden maatregelen die welke zijn vastgesteld in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 voor „alle andere ondernemingen”, namelijk een definitief antidumpingrecht van 62,9 %, van toepassing op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring. |
|
(50) |
Overeenkomstig artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van de basisverordening moeten uitgebreide maatregelen worden toegepast op goederen waarvan de invoer in de Unie overeenkomstig de openingsverordening wordt geregistreerd. Daarom moeten rechten worden geheven op bepaalde vanuit Maleisië verzonden open weefsels van glasvezels waarvan de invoer wordt geregistreerd. |
4. VERZOEKEN OM VRIJSTELLING
|
(51) |
De drie ondernemingen in Maleisië die antwoorden op de vragenlijst hebben ingediend, verzochten overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening om vrijstelling van de eventuele uitgebreide maatregelen. |
|
(52) |
Zoals vermeld in overweging 19 heeft een van de ondernemingen na de eerste dag van het controlebezoek haar medewerking stopgezet. Zelfs tijdens die ene controledag was er onvoldoende medewerking. De onderneming kon met name de meeste van de gevraagde bewijsstukken, zoals haar productiebladen, voorraden en energiefacturen, niet voorleggen. Anderzijds waren er erg weinig grondstoffen aanwezig in de fabriek, wat niet strookte met de opgegeven productieniveaus, en waren er geen eindproducten opgeslagen in het magazijn. Bovendien hadden de aankoopfacturen hetzelfde formaat als een blok facturen met voorgedrukte nummers die in de gebouwen van de onderneming werd gevonden. Deze gelijkenis wees op de mogelijke onechtheid van de aankoopfacturen van de onderneming. Bovendien wees het bewijsmateriaal erop dat de onderneming haar relatie met een andere Maleisische exporteur die ook aan het onderzoek meewerkte, niet had bekendgemaakt. Er werden met name documenten met betrekking tot de andere aanvankelijk medewerkende Maleisische producent gevonden in de gebouwen van de eerste onderneming, terwijl de ondernemingen die relatie niet hadden bekendgemaakt. |
|
(53) |
Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de basisverordening werd de onderneming in kennis gesteld van het voornemen om de door haar verstrekte informatie buiten beschouwing te laten en werd een termijn vastgesteld waarbinnen zij opmerkingen kon maken. De onderneming maakte geen opmerkingen en daarom werden overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies ten aanzien van deze onderneming getrokken. |
|
(54) |
De tweede onderneming werkte onvoldoende mee tijdens het controlebezoek. De onderneming weigerde verscheidene keren de toegang tot belangrijke gegevens zoals de productie- en voorraadadministratieverslagen. Er waren erg weinig grondstoffen aanwezig in de fabriek vergeleken met de opgegeven productieniveaus en de voorraad eindproducten in het magazijn. Bovendien kon de onderneming de oorsprong van de grondstoffen gebruikt voor de productie van open weefsels van glasvezels die werden uitgevoerd naar de Unie, niet aantonen. |
|
(55) |
Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de basisverordening werd de onderneming in kennis gesteld van het voornemen om de door haar verstrekte informatie buiten beschouwing te laten en werd een termijn vastgesteld waarbinnen zij opmerkingen kon maken. In haar opmerkingen beweerde de onderneming dat de geplande drie dagen voor het controlebezoek een te korte periode was voor de onderneming om alle door het onderzoeksteam gevraagde gegevens en documenten te verstrekken. De onderneming gaf ook toe dat zij het onderzoeksteam verscheidene keren de toegang tot gegevens had geweigerd en bevestigde bovendien dat de personen die de onderneming tijdens het controlebezoek vertegenwoordigden, meestal de toelating van hun directeur nodig hadden om het onderzoeksteam toegang te verlenen tot de gegevens. Bovendien gaf de onderneming toe dat de vertegenwoordigers van de onderneming geen deel uitmaakten van de dienst boekhouding en bevestigde zij dat haar directeurs niet meewerkten omdat zij beweerden verhinderd te zijn. |
|
(56) |
De verklaringen van de onderneming bevestigen de conclusie dat zij het onderzoek ernstig hebben belemmerd. De data van het controlebezoek waren ruim van tevoren aan de onderneming meegedeeld en zij had ermee ingestemd. Hoewel uitvoer naar de Unie de kernactiviteit van de onderneming is, waren haar directeurs niet aanwezig. Tijdens het controlebezoek waren er doelbewuste en ongerechtvaardigde vertragingen bij het verstrekken van de gevraagde gegevens en documenten, en de weigering van de toegang tot gegevens creëerde nog meer vertragingen en belemmeringen voor de voltooiing van de controle binnen het vastgestelde tijdsbestek. Daarom werden overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies ten aanzien van deze onderneming getrokken. |
|
(57) |
De derde onderneming werkte onvoldoende mee tijdens het controlebezoek en verstrekte bovendien misleidende inlichtingen. Er werd geconstateerd dat de onderneming rekeningafschriften had gemanipuleerd en dat zij de echtheid van haar betalingsbewijzen niet kon aantonen. Haar boekhouding werd als onbetrouwbaar beschouwd aangezien zij veel ernstige tegenstrijdigheden met betrekking tot de overgedragen begin- en eindsaldo’s vertoonde. De grondstofvoorraden waren laag vergeleken met de opgegeven productieniveaus en de voorraad eindproducten in het magazijn. Bovendien kon de onderneming de oorsprong van de grondstoffen gebruikt voor de productie van open weefsels van glasvezels die werden uitgevoerd naar de Unie, niet aantonen. Het bewijsmateriaal wees er ook op dat de onderneming haar relatie met de eerste Maleisische exporteur niet had bekendgemaakt, aangezien er in de gebouwen van de eerste onderneming bepaalde documenten die toebehoorden aan de derde onderneming, werden gevonden. |
|
(58) |
Overeenkomstig artikel 18, lid 4, van de basisverordening werd de onderneming ook in kennis gesteld van het voornemen om de door haar verstrekte informatie buiten beschouwing te laten en werd een termijn vastgesteld waarbinnen zij opmerkingen kon maken. In haar opmerkingen beweerde de onderneming dat zij geen ervaring heeft met dergelijke controlebezoeken en dit zou volgens hen de geconstateerde tekortkomingen verklaren. Zij beweerde ook dat zij voorzichtigheid in acht nam met betrekking tot de gevraagde en aan het onderzoeksteam verstrekte documenten, met name de rekeningafschriften en betalingsbewijzen, omdat zij door de Maleisische autoriteiten niet officieel op de hoogte was gebracht van de identiteit van het onderzoeksteam. Niettemin gaf de onderneming toe dat het personeel de inhoud van de rekeningafschriften had gewijzigd, maar dit zou men gedaan hebben omdat de onderneming zeer bezorgd was over het mogelijk uitlekken van de documenten, sabotage en de vertrouwelijkheid van de gegevens. |
|
(59) |
De verdere toelichtingen van de onderneming waren niet van die aard dat zij konden leiden tot een wijziging van de conclusie dat de onderneming tijdens het onderzoek misleidende inlichtingen had verstrekt. Daarom werden overeenkomstig artikel 18, lid 1, van de basisverordening aan de hand van de beschikbare gegevens conclusies ten aanzien van deze onderneming getrokken. |
|
(60) |
Met het oog op de bevindingen met betrekking tot de verandering in de structuur van het handelsverkeer en de overladingspraktijken, zoals vastgesteld in de overwegingen 31 en 35, en rekening houdend met de aard van de misleidende inlichtingen, zoals vastgesteld in de overwegingen 52 tot en met 59, konden de vrijstellingen waarom deze drie ondernemingen hadden verzocht, overeenkomstig artikel 13, lid 4, van de basisverordening niet worden verleend. |
|
(61) |
Onverminderd artikel 11, lid 3, van de basisverordening wordt andere producenten in Maleisië die zich niet hebben gemeld in deze procedure en het onderzochte product in de VP niet naar de Unie uitvoerden, en die van plan zijn een verzoek om vrijstelling van het uitgebreide antidumpingrecht in te dienen overeenkomstig artikel 11, lid 4, en artikel 13, lid 4, van de basisverordening, verzocht een vragenlijst te beantwoorden zodat de Commissie kan beoordelen of vrijstelling gerechtvaardigd is. Een dergelijke vrijstelling kan worden verleend na de beoordeling van de marktsituatie van het betrokken product, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad, de aan- en verkoop en de waarschijnlijkheid van voortzetting van de praktijken waarvoor onvoldoende reden of economische rechtvaardiging bestaat en het bewijsmateriaal inzake dumping. De Commissie verricht doorgaans ook een controle ter plaatse. Het verzoek dient onverwijld aan de Commissie te worden gericht, onder opgave van alle relevante gegevens, met name wijzigingen in de activiteiten van de onderneming op het gebied van productie en verkoop. |
|
(62) |
Wanneer vrijstelling gerechtvaardigd is, zal de Commissie, na overleg in het Raadgevend Comité, een voorstel indienen om de uitgebreide geldende maatregelen dienovereenkomstig te wijzigen. Op vrijstellingen zal toezicht worden uitgeoefend om ervoor te zorgen dat aan de daarvoor geldende voorwaarden wordt voldaan. |
5. MEDEDELING VAN FEITEN EN OVERWEGINGEN
|
(63) |
Alle belanghebbenden werden op de hoogte gebracht van de belangrijkste feiten en overwegingen die tot voornoemde conclusies hebben geleid, en werden in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken. De mondelinge en schriftelijke opmerkingen van de belanghebbenden werden onderzocht. Geen van de aangevoerde argumenten gaf aanleiding tot wijziging van de definitieve bevindingen. |
|
(64) |
Eén medewerkende importeur vroeg of het in overweging kon worden genomen verschillende rechten toe te passen op open weefsels van glasvezels waarvan de invoer werd geregistreerd, van importeurs die meewerkten aan de procedure en diegenen die dat niet deden. Het verzoek werd afgewezen aangezien de basisverordening geen rechtsgrondslag bevat voor een dergelijk onderscheid, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Het definitieve antidumpingrecht voor „alle andere ondernemingen” dat bij artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 is ingesteld op open weefsels van glasvezels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, met uitzondering van glasvezelschijven, van oorsprong uit de Volksrepubliek China, wordt uitgebreid tot open weefsels van glasvezels met een celgrootte van meer dan 1,8 mm in zowel lengte als breedte en met een gewicht van meer dan 35 g/m2, met uitzondering van glasvezelschijven, verzonden vanuit Maleisië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, die momenteel zijn ingedeeld onder de GN-codes ex 7019 51 00 en ex 7019 59 00 (Taric-codes 7019 51 00 11 en 7019 59 00 11).
2. Het bij lid 1 van dit artikel uitgebreide recht wordt geïnd op ingevoerde producten verzonden vanuit Maleisië, al dan niet aangegeven als van oorsprong uit Maleisië, die worden geregistreerd overeenkomstig artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1135/2011 en artikel 13, lid 3, en artikel 14, lid 5, van Verordening (EG) nr. 1225/2009.
3. Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Verzoeken om vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht moeten schriftelijk worden ingediend in een van de officiële talen van de Europese Unie en zijn ondertekend door een persoon die gemachtigd is om de entiteit die om de vrijstelling verzoekt, te vertegenwoordigen. Het verzoek moet aan het onderstaande adres worden gestuurd:
|
Europese Commissie |
|
Directoraat-generaal Handel |
|
Directoraat H |
|
Kamer N-105 04/92 |
|
1049 Brussel |
|
BELGIË |
|
Fax +32 22956505 |
2. Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 kan de Commissie, na raadpleging van het Raadgevend Comité, bij besluit vrijstelling van het bij artikel 1 uitgebreide recht verlenen voor de invoer van ondernemingen die de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 791/2011 ingestelde antidumpingmaatregelen niet ontwijken.
Artikel 3
De douaneautoriteiten wordt de opdracht gegeven de bij artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1135/2011 ingestelde registratie van de invoer te beëindigen.
Artikel 4
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 16 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
S. ALETRARIS
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 204 van 9.8.2011, blz. 1.
(3) PB L 292 van 10.11.2011, blz. 4.
(4) Comext is een databank van statistieken van de buitenlandse handel die door Eurostat wordt beheerd.
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 673/2012 VAN DE RAAD
van 23 juli 2012
tot uitvoering van artikel 32, lid 1, van Verordening (EU) nr. 36/2012 betreffende beperkende maatregelen in het licht van de situatie in Syrië
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EU) nr. 36/2012 (1), en met name artikel 32, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 18 januari 2012 Verordening (EU) nr. 36/2012 vastgesteld. |
|
(2) |
Gelet op de ernst van de situatie in Syrië en overeenkomstig Uitvoeringsbesluit 2012/424/GBVB van de Raad van 23 juli 2012 tot uitvoering van Besluit 2011/782/GBVB van de Raad betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië (2), moeten nog andere personen en entiteiten worden toegevoegd aan de in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 36/2012 opgenomen lijst van natuurlijke personen, rechtspersonen, entiteiten of lichamen die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in de bijlage bij deze verordening genoemde personen en entiteiten worden toegevoegd aan de lijst in bijlage II bij Verordening (EU) nr. 36/2012.
Artikel 2
De verordening treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
C. ASHTON
(1) PB L 16 van 19.1.2012, blz. 1.
(2) Zie bladzijde 81 van dit Publicatieblad.
BIJLAGE
Personen en entiteiten bedoeld in artikel 1
Personen
|
|
Naam |
Identificatiegegevens |
Redenen |
Datum van plaatsing op de lijst |
|
1. |
Brigadegeneraal Sha’afiq Masa |
|
Hoofd van afdeling 215 (Damascus) van de inlichtingendienst van de landmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. Betrokken bij de onderdrukking van de burgerbevolking |
24.7.2012 |
|
2. |
Brigadegeneraal Burhan Qadour |
|
Hoofd van afdeling 291 (Damascus) van de inlichtingendienst van de landmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
3. |
Brigadegeneraal Salah Hamad |
|
Adjunct-hoofd van afdeling 291 (Damascus) van de inlichtingendienst van de landmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
4. |
Brigadegeneraal Muhammad (of: Mohammed) Khallouf (alias Abou Ezzat) |
|
Hoofd van afdeling 235, de zogenaamde afdeling "Palestina" (Damascus), van de inlichtingendienst van de landmacht, die de kern vormt van het repressieapparaat van het leger. Is rechtstreeks betrokken bij de onderdrukking van de tegenstanders van het regime. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
5. |
Generaal-majoor Riad al-Ahmed |
|
Hoofd van de afdeling Latakia van de inlichtingendienst van de landmacht. Verantwoordelijk voor het folteren en het ombrengen van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
6. |
Brigadegeneraal Abdul Salam Fajr Mahmoud |
|
Hoofd van de afdeling Bab Touma (Damascus) van de inlichtingendienst van de luchtmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
7. |
Brigadegeneraal Jawdat al-Ahmed |
|
Hoofd van de afdeling Homs van de inlichtingendienst van de luchtmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
8. |
Kolonel Qusay Mihoub |
|
Hoofd van de afdeling Deraa (is van Damascus naar Deraa gestuurd bij het begin van de betogingen in Deraa) van de inlichtingendienst van de luchtmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
9. |
Kolonel Suhail Al-Abdullah |
|
Hoofd van de afdeling Latakia van de inlichtingendienst van de luchtmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
10. |
Brigadegeneraal Khudr Khudr |
|
Hoofd van de afdeling Latakia van de algemene inlichtingendienst. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
11. |
Brigadegeneraal Ibrahim Ma’ala |
|
Hoofd van afdeling 285 (Damascus) van de algemene inlichtingendienst (heeft eind 2011 brigadegeneraal Hussam Fendi vervangen). Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
12. |
Brigadegeneraal Firas Al-Hamed |
|
Hoofd van afdeling 318 (Homs) van de algemene inlichtingendienst. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
13. |
Brigadegeneraal Hussam Luqa |
|
Hoofd van de afdeling Homs van het directoraat politieke veiligheid sinds april 2012 (heeft brigadegeneraal Nasr al-Ali opgevolgd) Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
14. |
Brigadegeneraal Taha Taha |
|
Verantwoordelijk voor de site van de afdeling Latakia van het directoraat politieke veiligheid. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
15. |
Brigadegeneraal Nasr al-Ali |
|
Verantwoordelijk voor de site van Deraa van het directoraat politieke veiligheid sinds april 2012 (voormalig hoofd van de afdeling Homs). Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
16. |
Bassel Bilal |
|
Politieofficier in de centrale gevangenis van Idlib. Heeft rechtstreeks deelgenomen aan folterpraktijken op opponenten die in de centrale gevangenis van Idlib in hechtenis worden gehouden. |
24.7.2012 |
|
17. |
Ahmad Kafan |
|
Politieofficier in de centrale gevangenis van Idlib. Heeft rechtstreeks deelgenomen aan folterpraktijken op opponenten die in de centrale gevangenis van Idlib in hechtenis worden gehouden. |
24.7.2012 |
|
18. |
Bassam al-Misri |
|
Politieofficier in de centrale gevangenis van Idlib. Heeft rechtstreeks deelgenomen aan folterpraktijken op opponenten die in de centrale gevangenis van Idlib in hechtenis worden gehouden. |
24.7.2012 |
|
19. |
Ahmed al-Jarroucheh |
Geboortejaar: 1957 |
Hoofd van de externe afdeling van de algemene inlichtingendienst (afdeling 279). Is in die hoedanigheid verantwoordelijk voor het apparaat van de algemene inlichtingendienst in de Syrische ambassades. Neemt rechtstreeks deel aan de onderdrukking van de opponenten door de Syrische autoriteiten en is met name belast met de onderdrukking van de Syrische opponenten in het buitenland. |
24.7.2012 |
|
20. |
Michel Kassouha (alias Ahmed Salem; alias Ahmed Salem Hassan) |
Geboortedatum: 1 februari 1948 |
Lid van de Syrische veiligheidsdiensten sinds het begin van de jaren zeventig; is betrokken bij de strijd tegen de opponenten in Frankrijk en Duitsland. Is sinds maart 2006 verantwoordelijk voor de betrekkingen van afdeling 273 van de Syrische algemene inlichtingendienst. Van oudsher kaderlid, is hij een getrouwe van het hoofd van de algemene inlichtingendienst Ali Mamlouk, een van de belangrijkste kaderleden inzake veiligheid van het regime jegens wie sinds 9 mei beperkende maatregelen van de EU gelden. Verleent rechtstreeks steun aan de onderdrukking van de opponenten door het regime en is met name belast met de onderdrukking van de Syrische opponenten in het buitenland. |
24.7.2012 |
|
21. |
Generaal Ghassan Jaoudat Ismail |
Geboortejaar: 1960 Plaats van herkomst: Derikich, regio Tartous |
Verantwoordelijke voor de afdeling missies van de inlichtingendienst van de luchtmacht, die, in samenwerking met de afdeling bijzondere operaties, de elitetroepen van de inlichtingendiensten van de luchtmacht beheert; deze troepen spelen een belangrijke rol in de onderdrukking door het regime. In die hoedanigheid behoort Ghassan Jaoudat Ismail tot de militaire verantwoordelijken die rechtstreeks uitvoering geven aan de onderdrukking van de opponenten door het regime. |
24.7.2012 |
|
22. |
Generaal Amer al-Achi (alias Amis al Ashi; alias Ammar Aachi; alias Amer Ashi) |
|
Gediplomeerde van de militaire academie van Aleppo, hoofd van de afdeling inlichtingen van de inlichtingendienst van de luchtmacht (sinds 2012), getrouwe van Daoud Rajah, de Syrische minister van Defensie. Door zijn functies in de inlichtingendienst van de luchtmacht is Amer al- Achi betrokken bij de onderdrukking van Syrische opponenten. |
24.7.2012 |
|
23. |
Generaal Mohammed Ali Nasr (of: Mohammed Ali Naser) |
Geboortejaar: rond 1964 |
Getrouwe van Maher al-Assad, jongste broer van de president. Heeft het grootste deel van zijn loopbaan in de Republikeinse Garde doorgebracht. Maakt sinds 2010 deel uit van de interne afdeling (afdeling 251) van de algemene inlichtingendienst, die belast is met de bestrijding van de politieke oppositie. Als een van de voornaamste verantwoordelijken van die afdeling neemt generaal Mohammed Ali rechtstreeks deel aan de onderdrukking van de opponenten. |
24.7.2012 |
|
24. |
Generaal Issam Hallaq |
|
Chef-staf van de luchtmacht sinds 2010. Voert het bevel over de operaties van de luchtmacht tegen de opponenten. |
24.7.2012 |
|
25. |
Ezzedine Ismael |
Geboortedatum: medio jaren veertig (waarschijnlijk 1947). Geboorteplaats: Bastir, regio Jableh. |
Generaal in ruste en van oudsher kaderlid van de inlichtingendienst van de luchtmacht, die hij leidt sinds het begin van de jaren 2000. Werd in 2006 politiek en veiligheidsadviseur van de president. Als politiek en veiligheidsadviseur van de Syrische president is Ezzedine Ismael betrokken bij het onderdrukkingsbeleid jegens de opponenten van het regime. |
24.7.2012 |
|
26. |
Samir Joumaa (alias Abou Sami) |
Geboortejaar: rond 1962 |
Is sinds bijna 20 jaar hoofd van het kabinet van Mohammad Nassif Kheir Bek, een van de voornaamste veiligheidsadviseurs van Bashar al-Assad (die officieel de functie bekleedt van adjunct van vice-president Farouk al-Sharaa). Als getrouwe van Basjar al-Assad en Mohammed Nassif Kheir Bek is Samir Joumaa betrokken bij het onderdrukkingsbeleid jegens de opponenten van het regime. |
24.7.2012 |
Entiteiten
|
|
Naam |
Identificatiegegevens |
Redenen |
Datum van plaatsing op de lijst |
||||
|
1. |
Drex Technologies S.A. |
Datum van oprichting: 4 juli 2000 Oprichtingsnummer: 394678 Directeur: Rami Makhlouf Geregistreerd vertegenwoordiger: Mossack Fonseca & Co (BVI) Ltd |
Drex Technologies is volledig in handen van Rami Makhlouf, die op de EU-lijst is geplaatst van personen voor wie beperkende maatregelen gelden, wegens het verlenen van financiële steun aan het Syrische regime. Rami Makhlouf gebruikt Drex Technologies om zijn internationale financiële deelnemingen te beheren en te faciliteren, onder meer een meerderheidsbelang in SyriaTel, dat door de EU al eerder op de lijst is geplaatst omdat het eveneens financiële steun aan het Syrische regime verleent. |
24.7.2012 |
||||
|
2. |
Cotton Marketing Organisation |
|
Staatsbedrijf. Verleent financiële steun aan het regime. |
|
||||
|
3. |
Syrian Arab Airlines (alias SAA, alias Syrian Air) |
|
Overheidsbedrijf dat onder het gezag staat van het regime. Verstrekt financiële steun aan het regime. |
24.7.2012 |
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/12 |
VERORDENING (EU) Nr. 674/2012 VAN DE COMMISSIE
van 23 juli 2012
tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1418/2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde afvalstoffen naar bepaalde niet-OESO-landen
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de overbrenging van afvalstoffen (1), en met name artikel 37,
Na overleg met de betrokken landen,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bijlage III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 is gewijzigd bij Verordening (EU) nr. 664/2011 van de Commissie van 11 juli 2011 (2) betreffende de overbrenging van afvalstoffen, ter opneming van bepaalde mengsels van afvalstoffen in die bijlage. Bijgevolg heeft de Commissie in overeenstemming met artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1013/2006 een schriftelijk verzoek gezonden aan de landen waarop het OESO-besluit (3) niet van toepassing is, opdat zij schriftelijk bevestigen dat de mengsels van afvalstoffen waarvan de uitvoer niet is verboden krachtens artikel 36 van Verordening (EG) nr. 1013/2006, met het oog op terugwinning vanuit de Unie naar hun land mogen worden uitgevoerd en aangeven welke controleprocedure in het land van bestemming in dat geval van toepassing is. De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1418/2007 van de Commissie van 29 november 2007 betreffende de uitvoer, met het oog op terugwinning, van bepaalde in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 van het Europees Parlement en de Raad genoemde afvalstoffen naar bepaalde landen waarop het OESO-besluit betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen niet van toepassing is (4), moet derhalve worden gewijzigd om rekening te houden met de ontvangen antwoorden. |
|
(2) |
De Commissie heeft ook nadere informatie ontvangen uit verschillende landen in verband met andere in bijlage III of III A bij Verordening (EG) nr. 1013/2006 genoemde afvalstoffen. De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1418/2007 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1418/2007 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de veertiende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 190 van 12.7.2006, blz. 1.
(2) PB L 182 van 12.7.2011, blz. 2.
(3) Besluit C(2001) 107 def. van de OESO-Raad inzake de herziening van Besluit C(92) 39 def. betreffende het toezicht op de grensoverschrijdende overbrenging van afvalstoffen bestemd voor handelingen ter nuttige toepassing.
BIJLAGE
De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1418/2007 wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
Na de passage: "Wanneer twee codes door een puntkomma worden gescheiden, betekent dit dat de rubriek de twee codes in kwestie omvat", wordt de volgende tekst ingevoegd: "Waar met betrekking tot dezelfde vermelding zowel kolom B als kolom D is aangegeven, betekent dit dat de lokale controleprocedures van toepassing zijn in aanvulling op die van artikel 35 van Verordening (EG) nr. 1013/2006. Wanneer een bepaald soort afval of mengsel van afvalstoffen niet is vermeld voor een bepaald land, betekent dit dat dit land niet voldoende duidelijk heeft bevestigd dat deze afvalstoffen of dit mengsel van afvalstoffen met het oog op terugwinning naar dat land kunnen worden uitgevoerd, en welke controleprocedure, in voorkomend geval, in dat land wordt gevolgd. Overeenkomstig artikel 37, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1013/2006 is in dergelijke gevallen de procedure van voorafgaande schriftelijke kennisgeving en toestemming zoals beschreven in artikel 35 van die verordening, van toepassing." |
|
2) |
De volgende vermelding voor Albanië wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Albanië
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
3) |
De vermelding voor Andorra wordt vervangen door: "Andorra
|
|
4) |
De vermelding voor Argentinië wordt vervangen door: "Argentinië
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
5) |
De volgende vermelding voor Azerbeidzjan wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Azerbeidzjan
|
||||||||||||
|
6) |
De volgende vermelding voor Benin wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Benin
|
|
7) |
De volgende vermelding voor Burkina Faso wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Burkina Faso
|
|
8) |
De volgende vermelding voor Burundi wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Burundi
|
|
9) |
De vermelding voor Chili wordt vervangen door: "Chili
|
|
10) |
De vermelding voor China wordt vervangen door: "China
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
11) |
De vermelding voor Chinees Taipei wordt vervangen door: "Chinees Taipei
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
12) |
De volgende vermelding voor Congo, Democratische Republiek wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Congo, Democratische Republiek
|
|
13) |
De volgende vermelding voor Colombia wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Colombia
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
14) |
De vermelding voor Costa Rica wordt gewijzigd als volgt: "Costa Rica
|
||||||||||||
|
15) |
De volgende vermelding voor Curaçao wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Curaçao
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
16) |
De vermelding voor Egypte wordt gewijzigd als volgt: "Egypte
|
||||||||||||
|
17) |
De vermelding voor de Filipijnen wordt vervangen door: "Filipijnen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
18) |
De volgende vermelding voor FYROM (Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië) wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "FYROM = Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
19) |
De volgende vermelding voor Gabon wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Gabon
|
||||||||||||
|
20) |
De vermelding voor Georgië wordt vervangen door: "Georgië
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
21) |
De volgende vermelding voor Guatemala wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Guatemala
|
|
22) |
De vermelding voor Guyana wordt vervangen door: "Guyana
|
|
23) |
De volgende vermelding voor Honduras wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Honduras
|
|
24) |
De vermelding voor Hongkong (China) wordt vervangen door: "Hong Kong (China)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
25) |
De volgende vermelding voor Kaapverdië wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Kaapverdië
|
|
26) |
De volgende vermelding voor Kazachstan wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Kazachstan
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
27) |
De vermelding voor Kenya wordt vervangen door: "Kenya
|
||||||||||||
|
28) |
De vermelding voor Kirgizië wordt vervangen door: "Kirgizië
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
29) |
De volgende vermelding voor Koeweit wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Koeweit
|
|
30) |
De vermelding voor Kroatië wordt vervangen door: "Kroatië
|
|
31) |
De vermelding voor Liberia wordt vervangen door: "Liberia
|
|
32) |
De vermelding voor Macau (China) wordt vervangen door: "Macau (China)
|
|
33) |
De volgende vermelding voor Madagaskar wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Madagaskar
|
|
34) |
De vermelding voor Maleisië wordt vervangen door: "Maleisië
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
35) |
De volgende vermelding voor Mauritius (Republiek Mauritius) wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Mauritius (Republiek Mauritius)
|
|
36) |
De vermelding voor Moldavië (Republiek Moldavië) wordt vervangen door: "Moldavië (Republiek Moldavië)
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
37) |
De volgende vermelding voor Nieuw-Zeeland wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Nieuw Zeeland
|
|
38) |
De volgende vermelding voor Qatar wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Qatar
|
|
39) |
De volgende vermelding voor Rwanda wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Rwanda
|
|
40) |
De volgende vermelding voor Senegal wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Senegal
|
|
41) |
De vermelding voor Servië wordt vervangen door: "Servië
|
|
42) |
De volgende vermelding voor Tadzjikistan wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Tadzjikistan
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
43) |
De volgende vermelding voor Tanzania wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Tanzania
|
||||||||||||
|
44) |
De vermelding voor Thailand wordt vervangen door: "Thailand
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
45) |
De volgende vermelding voor Tsjaad wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Tsjaad
|
|
46) |
De vermelding voor Tunesië wordt vervangen door: "Tunesië
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
47) |
De volgende vermelding voor de Verenigde Arabische Emiraten wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Verenigde Arabische Emiraten
|
|
48) |
De vermelding voor Vietnam wordt vervangen door: "Vietnam
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
49) |
De volgende vermelding voor Zambia wordt in de alfabetische rangschikking ingevoegd: "Zambia
|
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/52 |
VERORDENING (EU) Nr. 675/2012 VAN DE COMMISSIE
van 23 juli 2012
tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad inzake het gebruik van talk (E 553b) en carnaubawas (E 903) op ongepelde gekleurde gekookte eieren en het gebruik van schellak (E 904) op ongepelde gekookte eieren
(Voor de EER relevante tekst)
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake levensmiddelenadditieven (1), en met name artikel 10, lid 3, en artikel 30, lid 5,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 is een EU-lijst vastgesteld van voor gebruik in levensmiddelen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en van de gebruiksvoorwaarden daarvoor. |
|
(2) |
Die lijst kan worden gewijzigd volgens de procedure van Verordening (EG) nr. 1331/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 tot vaststelling van een uniforme goedkeuringsprocedure voor levensmiddelenadditieven, voedingsenzymen en levensmiddelenaroma’s (2). |
|
(3) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 1, van Verordening (EG) nr. 1331/2008 kan de EU-lijst van levensmiddelenadditieven hetzij op initiatief van de Commissie, hetzij ingevolge een aanvraag worden bijgewerkt. |
|
(4) |
Er is een aanvraag ingediend voor goedkeuring van het gebruik van talk (E 553b) en carnaubawas (E 903) op ongepelde gekleurde gekookte eieren, en van schellak (E 904) op ongepelde gekookte eieren, die ter kennis van de lidstaten is gebracht. |
|
(5) |
De levensmiddelenadditieven talk (E 553b), carnaubawas (E 903) en schellak (E 904) kunnen bij gebruik op het oppervlak van ongepelde gekleurde gekookte eieren voor decoratieve doeleinden worden aangewend en zorgen voor een min of meer glanzend effect. Bovendien kan schellak (E 904) bij gebruik op het oppervlak van alle ongepelde gekookte eieren bijdragen tot een betere conservering. |
|
(6) |
Door de onoplosbaarheid en het hoge molecuulgewicht van deze levensmiddelen-additieven wordt niet verwacht dat zij naar het inwendige eetbare gedeelte van de eieren zullen migreren. Het gebruik van deze levensmiddelenadditieven kan op de gezondheid van de mens geen effect hebben, aangezien de was op de eierschaal achterblijft. Daarom dient het gebruik van talk (E 553b) en carnaubawas (E 903) op ongepelde gekleurde gekookte eieren en van schellak (E 904) op alle al dan niet gekleurde ongepelde gekookte eieren te worden toegestaan. |
|
(7) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1331/2008 moet de Commissie het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid inwinnen met het oog op de bijwerking van de EU-lijst van levensmiddelenadditieven in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008, tenzij die bijwerking waarschijnlijk geen gevolgen zal hebben voor de gezondheid van de mens. Aangezien het bij de toelating van het gebruik van talk (E 553b), carnaubawas (E 903) en schellak (E 904) op ongepelde gekookte eieren gaat om een bijwerking van die lijst die geen gevolgen kan hebben voor de gezondheid van de mens, behoeft het advies van de Europese Autoriteit voor voedselveiligheid niet te worden ingewonnen. |
|
(8) |
Op grond van de overgangsbepalingen van Verordening (EU) nr. 1129/2011 van de Commissie van 11 november 2011 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 van het Europees Parlement en de Raad door opstelling van een EU-lijst van levensmiddelenadditieven (3) is bijlage II met de EU-lijst van voor gebruik in levensmiddelen goedgekeurde levensmiddelenadditieven en gebruiksvoorwaarden van toepassing met ingang van 1 juni 2013. Om het gebruik van talk (E 553b) en carnaubawas (E 903) op ongepelde gekleurde gekookte eieren en het gebruik van schellak (E 904) op ongepelde gekookte eieren vóór die datum toe te staan, moet voor deze levensmiddelenadditieven een eerdere toepassingsdatum worden vastgesteld. |
|
(9) |
De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid, en het Europees Parlement noch de Raad heeft zich daartegen verzet, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Commissie
De voorzitter
José Manuel BARROSO
(1) PB L 354 van 31.12.2008, blz. 16.
BIJLAGE
In deel E van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1333/2008 worden in de levensmiddelencategorie 10.2, „Verwerkte eieren en eiproducten”, na de vermelding voor E 520 – E 523 de volgende vermeldingen ingevoegd:
|
|
„E 553b |
Talk |
5 400 |
|
uitsluitend op het oppervlak van ongepelde gekleurde gekookte eieren |
toepassingsperiode: met ingang van 13 augustus 2012 |
|
|
E 903 |
Carnaubawas |
3 600 |
|
uitsluitend op het oppervlak van ongepelde gekleurde gekookte eieren |
toepassingsperiode: met ingang van 13 augustus 2012 |
|
|
E 904 |
Schellak |
quantum satis |
|
uitsluitend op het oppervlak van ongepelde gekookte eieren |
toepassingsperiode: met ingang van 13 augustus 2012” |
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/55 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 676/2012 VAN DE COMMISSIE
van 23 juli 2012
tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt. |
|
(2) |
De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
BIJLAGE
Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit
|
(EUR/100 kg) |
||
|
GN-code |
Code derde landen (1) |
Forfaitaire invoerwaarde |
|
0707 00 05 |
TR |
95,4 |
|
ZZ |
95,4 |
|
|
0709 93 10 |
TR |
95,4 |
|
ZZ |
95,4 |
|
|
0805 50 10 |
AR |
76,8 |
|
BO |
97,8 |
|
|
TR |
52,0 |
|
|
UY |
101,4 |
|
|
ZA |
101,1 |
|
|
ZZ |
85,8 |
|
|
0808 10 80 |
AR |
182,4 |
|
BR |
89,7 |
|
|
CL |
107,3 |
|
|
CN |
126,4 |
|
|
NZ |
134,8 |
|
|
US |
160,2 |
|
|
UY |
52,1 |
|
|
ZA |
108,5 |
|
|
ZZ |
120,2 |
|
|
0808 30 90 |
AR |
158,6 |
|
CL |
150,6 |
|
|
ZA |
112,8 |
|
|
ZZ |
140,7 |
|
|
0809 10 00 |
TR |
170,8 |
|
ZZ |
170,8 |
|
|
0809 29 00 |
TR |
359,0 |
|
ZZ |
359,0 |
|
|
0809 30 |
TR |
174,4 |
|
ZZ |
174,4 |
|
|
0809 40 05 |
BA |
71,0 |
|
IL |
84,6 |
|
|
ZZ |
77,8 |
|
(1) Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/57 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 677/2012 VAN DE COMMISSIE
van 23 juli 2012
tot wijziging van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2011/2012
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),
Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2011/2012 zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 655/2012 van de Commissie (4). |
|
(2) |
Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen te worden gewijzigd overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006. |
|
(3) |
Omdat ervoor moet worden gezorgd dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de geactualiseerde gegevens van toepassing wordt, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
De bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 voor het verkoopseizoen 2011/2012 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.
Artikel 2
Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Commissie, namens de voorzitter,
José Manuel SILVA RODRÍGUEZ
Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling
(1) PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.
(2) PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.
BIJLAGE
Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 24 juli 2012
|
(in EUR) |
||
|
GN-code |
Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product |
Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product |
|
1701 12 10 (1) |
45,28 |
0,00 |
|
1701 12 90 (1) |
45,28 |
1,02 |
|
1701 13 10 (1) |
45,28 |
0,00 |
|
1701 13 90 (1) |
45,28 |
1,32 |
|
1701 14 10 (1) |
45,28 |
0,00 |
|
1701 14 90 (1) |
45,28 |
1,32 |
|
1701 91 00 (2) |
53,44 |
1,44 |
|
1701 99 10 (2) |
53,44 |
0,00 |
|
1701 99 90 (2) |
53,44 |
0,00 |
|
1702 90 95 (3) |
0,53 |
0,20 |
(1) Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.
(2) Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.
(3) Vaststelling per procent sacharose.
BESLUITEN
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/59 |
BESLUIT 2012/420/GBVB VAN DE RAAD
van 23 juli 2012
houdende wijziging van Besluit 2011/782/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 29,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 1 december 2011 Besluit 2011/782/GBVB (1) vastgesteld. |
|
(2) |
Om de tenuitvoerlegging van de in Besluit 2011/782/GBVB uiteengezette maatregelen verder te versterken, moeten de lidstaten in hun zeehavens, op hun luchthavens en in hun territoriale wateren alle vaartuigen en vliegtuigen op weg naar Syrië inspecteren, met toestemming, indien nodig overeenkomstig het internationale recht voor de territoriale wateren, van de vlaggenstaat, indien de betrokken lidstaat over informatie beschikt op grond waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat de vracht van dergelijke vaartuigen en vliegtuigen wapens of uitrusting, goederen of technologie bevat die kan worden gebruikt voor binnenlandse repressie of waarvan de levering, verkoop, overdracht of uitvoer verboden is of aan een vergunningplicht is onderworpen krachtens Besluit 2011/782/GBVB. |
|
(3) |
Voorts dient een afwijking van de bevriezing van tegoeden en economische middelen te worden opgenomen met betrekking tot de overdracht van middelen die verschuldigd zijn in het kader van het verlenen van financiële bijstand aan Syrische onderdanen die een opleiding of beroepsopleiding volgen of bezig zijn met academisch onderzoek in de Unie. |
|
(4) |
Besluit 2011/782/GBVB dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
Besluit 2011/782/GBVB wordt als volgt gewijzigd:
|
1) |
het volgende artikel wordt ingevoegd: „Artikel 17 ter 1. Indien de lidstaten beschikken over informatie op grond waarvan een redelijk vermoeden bestaat dat de vracht van vaartuigen en vliegtuigen op weg naar Syrië goederen bevat waarvan de levering, verkoop, overdracht of uitvoer krachtens artikel 1 verboden is of krachtens artikel 1 bis aan een vergunningplicht is onderworpen, inspecteren zij in hun zeehavens, en op hun luchthavens, alsook in hun territoriale wateren, in overeenstemming met hun nationale wetgeving en het internationale recht, in het bijzonder het zeerecht, ter zake dienende internationale burgerluchtvaartovereenkomsten en overeenkomsten inzake het zeevervoer, die vaartuigen en vliegtuigen, in overeenstemming met de besluiten en vermogens van hun bevoegde autoriteiten en met toestemming, indien nodig overeenkomstig het internationale recht, van de vlaggenstaat. 2. De lidstaten confisqueren en verwijderen, in overeenstemming met hun nationale wetgeving en het internationale recht, door hen ontdekte goederen waarvan de levering, verkoop, overdracht of uitvoer krachtens artikel 1 of 1 bis verboden is. 3. De lidstaten werken, overeenkomstig hun nationale wetgeving, samen bij de inspecties en verwijderingen uit hoofde van de leden 1 en 2. 4. Met betrekking tot luchtvaartuigen en schepen die vracht vervoeren naar Syrië, moet van alle goederen die een lidstaat binnenkomen of verlaten, vóór de aankomst of het vertrek een additionele aangifte worden gedaan.”; |
|
2) |
aan artikel 19 wordt het volgende lid toegevoegd: „10. De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op de overdracht van bevroren tegoeden of economische middelen door of via een op een van de lijsten in bijlagen I en II vermelde financiële entiteit, indien de overdracht verband houdt met een betaling door een persoon of entiteit die niet voorkomt op een van de lijsten in bijlagen I en II met betrekking tot het verlenen van financiële bijstand aan Syrische onderdanen die een opleiding of beroepsopleiding volgen of bezig zijn met academisch onderzoek in de Unie, mits de betrokken lidstaat voor elk afzonderlijk geval heeft vastgesteld dat de betaling niet rechtstreeks of onrechtstreeks wordt ontvangen door een in lid 1 bedoelde persoon of entiteit.”. |
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de datum van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
C. ASHTON
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/61 |
BESLUIT 2012/421/GBVB VAN DE RAAD
van 23 juli 2012
betreffende de ondersteuning van het Verdrag inzake biologische en toxinewapens (BTWC) in het kader van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 26, lid 2, en artikel 31, lid 1,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veilig-heidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Europese Raad heeft op 12 december 2003 de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens („de Uniestrategie”) aangenomen, met in hoofdstuk III een lijst van maatregelen ter zake. |
|
(2) |
De Unie geeft momenteel actief uitvoering aan deze Uniestrategie en aan de in hoofdstuk III daarvan genoemde maatregelen, met name die welke verband houden met het versterken, uitvoeren en universeel maken van het Verdrag inzake biologische en toxine-wapens („het BTWC”). |
|
(3) |
De Raad heeft op 27 februari 2006 Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB (1) betreffende de ondersteuning van het BTWC in het kader van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens vastgesteld, dat op 26 augustus 2007 is verstreken. Sedert de vaststelling van Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB zijn nog zeven staten partij geworden bij het BTWC. |
|
(4) |
De Raad heeft op 20 maart 2006 zijn goedkeuring gehecht aan een actieplan inzake biologische en toxinewapens, dat Gemeenschappelijk Optreden 2006/184/GBVB ter ondersteuning van het BTWC aanvult (2). De actieplannen voorzien in efficiënte toepassing van vertrouwenwekkende maatregelen en van het mechanisme van het secretariaat-generaal van de Verenigde Naties („VN”) voor onderzoek naar beweerd gebruik van biologische wapens. |
|
(5) |
De Raad heeft op 10 november 2008 Gemeenschappelijk Optreden 2008/858/GBVB (3) ter ondersteuning van het BTWC in het kader van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens vastgesteld. Sinds de vaststelling van Gemeenschappelijk Optreden 2008/858/GBVB zijn nog drie staten partij geworden bij het BTWC; ver-scheidene staten hebben bijstand gekregen van Uniedeskundigen. |
|
(6) |
Tijdens de zesde toetsingsconferentie is besloten tot de oprichting van de ondersteunende eenheid voor de uitvoering van het BTWC („de ISU”), die een vijfjarig mandaat (2007-2011) kreeg en ondergebracht werd bij de vestiging in Genève van het Bureau van de VN voor ontwapeningszaken („UNODA”); de eenheid verleent administratieve ondersteuning bij vergaderingen waartoe de zesde toetsingsconferentie heeft besloten, en bijstand bij de algehele uitvoering en de universalisering van het BTWC en bij de uitwisseling van vertrouwenwekkende maatregelen. |
|
(7) |
De Raad heeft op 18 juli 2011 Besluit 2011/429/GBVB (4) met betrekking tot het standpunt van de Europese Unie voor de zevende toetsingsconferentie inzake het BTWC aangenomen. |
|
(8) |
Op die conferentie is besloten het mandaat van de ISU met nog eens vijf jaar te verlengen (2012-2016) en haar taken uit te breiden met de toepassing van het besluit om de database voor bijstandsverzoeken aan te leggen en te beheren, en met het bevorderen van de bijbehorende informatie-uitwisseling tussen de verdragsstaten en van de nodige onder-steuning bij de toepassing door de verdragssluitende staten („de verdragsstaten”) van de besluiten en aanbevelingen van de zevende toetsingsconferentie. |
|
(9) |
De Commissie wordt belast met het toezicht op de correcte implementatie van de financiële bijdrage van de Unie, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Met het oog op de onverwijlde, praktische toepassing van bepaalde onderdelen van de Uniestrategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapens, steunt de Unie het BTWC, en streeft zij daarbij de volgende doelstellingen na:
|
— |
bevorderen dat het BTWC een universeel karakter krijgt; |
|
— |
de verdragsstaten bijstaan bij de uitvoering van het BTWC, met name bij de indiening van vertrouwenwekkende maatregelen; |
|
— |
de werkzaamheden van het intersessionele programma 2012-2015 steunen, om de uitvoering en de effectiviteit van het BTWC te bevorderen. |
2. De projecten sluiten aan bij de maatregelen van de Uniestrategie als zij erop gericht zijn:
|
— |
de uitvoering van het BTWC meer onder de aandacht te brengen, het regionale debat over intersessionele thema's en de implementatie ervan te onderbouwen, en de voornaamste regionale actoren te helpen bij het bepalen van de behoeften en vereisten inzake nationale uitvoering; |
|
— |
derde staten zowel als verdragsstaten te helpen opdat de verdragsstaten met nationale wettelijke en bestuursrechtelijke maatregelen gevolg geven aan hun internationale verplichtingen en opdat alle nationale belanghebbenden in een functionerend verband tot elkaar komen te staan. Deze assistentie betreft, ten aanzien van de verdragsstaten, het opzetten van een nationaal CBM-proces en van nationale contactpunten. Ten aanzien van derde staten heeft zij betrekking op de toetreding tot en de ratificatie van het BTWC; |
|
— |
instrumenten en activiteiten te helpen bedenken waarmee de verdragsstaten in staat worden gesteld het verdrag uit te voeren — met name CBM's te presenteren — hun vertegenwoordigers actief kunnen deelnemen aan het BTWC-proces in internationaal verband, en de verdragsstaten meer aandacht krijgen voor de beschikbare inter-nationale steun. |
In de bijlage gaat een nadere omschrijving van deze projecten.
Artikel 2
1. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid („de HV”) is belast met de uitvoering van dit besluit.
2. De technische uitvoering van de in artikel 1 bedoelde activiteiten wordt toevertrouwd aan het UNODA. Het UNODA voert zijn taak uit onder de verantwoordelijkheid van de HV. De HV treft daartoe de nodige regelingen met het UNODA.
Artikel 3
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten bedraagt 1 700 000 EUR.
2. De financiering van de in lid 1 gespecificeerde uitgaven wordt beheerd overeenkomstig de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de algemene begroting van de Unie.
3. De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven. Zij sluit hiertoe een financieringsovereenkomst met het UNODA, waarin wordt bepaald dat het UNODA er zorg voor moet dragen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is.
4. De Commissie streeft ernaar de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden en van de datum van sluiting van de overeenkomst.
Artikel 4
De HV brengt aan de Raad verslag uit over de toepassing van dit besluit, op basis van geregelde rapporten van het UNODA. Deze rapporten vormen de basis voor de evaluatie door de Raad. De Commissie verstrekt informatie over de financiële aspecten van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten.
Artikel 5
1. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
2. Dit besluit verstrijkt 24 maanden na de datum van sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst of zes maanden na de dag waarop het is vastgesteld, indien er binnen die termijn geen financieringsovereenkomst is gesloten.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
C. ASHTON
(1) PB L 65 van 7.3.2006, blz. 51.
(2) PB C 57 van 9.3.2006, blz. 1.
BIJLAGE
1. ALGEMEEN KADER
Voortbouwend op de geslaagde uitvoering van Gemeenschappelijk Optreden 2008/858/GBVB dient dit besluit als een operationeel beleidsinstrument om de doelstellingen van Besluit 2011/429/GBVB dichterbij te brengen. Het accent ligt op de aspecten waarover tijdens de zevende toetsingsconferentie een algemene consensus werd bereikt en die in het slotdocument van die conferentie zijn vermeld.
Dit besluit wordt door de volgende principes geleid:
|
a) |
de ervaring met Gemeenschappelijk Optreden 2008/858/GBVB ten volle benutten; |
|
b) |
nadenken over de specifieke behoeften van de verdragsstaten en de staten die nog geen partij zijn bij het BTWC, met betrekking tot een betere uitvoering en universalisering van het BTWC; |
|
c) |
lokale en regionale inbreng in de projecten stimuleren, om de duurzaamheid ervan op lange termijn te garanderen en in het kader van het BTWC een partnerschap tussen de Unie en derde partijen op te bouwen; |
|
d) |
voorrang geven aan activiteiten die concrete resultaten opleveren en/of bijdragen tot een tijdige formulering van een gemeenschappelijke visie, met het oog op de BTWC-toetsing in 2016; |
|
e) |
de voorzitter van de vergaderingen van de verdragsstaten steunen en het mandaat van de ISU optimaal benutten, zoals overeengekomen tijdens de zesde toetsingsconferentie en verlengd en uitgebreid tijdens de zevende toetsingsconferentie. |
2. PROJECTEN
2.1. Project 1: Regionale workshops om meer aandacht te wekken en de behoeften in kaart te brengen
2.1.1. Doel van het project
De bevoegde nationale functionarissen en deskundigen attenter maken op de verschillende aspecten van de uitvoering van het BTWC (inclusief de CBM's), besprekingen wijden aan intersessionele thema's en de implementatie ervan in een regionale context, en een opgave doen van stafpersoneel, van nationale behoeften en vereisten, en van landen die in aanmerking kunnen komen voor uitgebreide bijstand met het oog op nationale uitvoering (project 2), via regionale workshops waar gebruik wordt gemaakt van de ervaring en de contacten in verband met Gemeenschappelijk Optreden 2008/858/GBVB.
Dit project zal een ondersteunende rol spelen bij de implementatie van de besluiten en aan-bevelingen die van de zevende toetsingsconferentie zijn uitgegaan met betrekking tot artikel IV van het BTWC (in het bijzonder de punten 13 en 14 van de slotverklaring), en bij de uitvoering van het intersessionele programma 2012-2015.
2.1.2. Verwachte resultaten van het project
|
a) |
Meer toetredingen tot het BTWC in alle regio's. |
|
b) |
Een beter begrip van het BTWC bij de bevoegde nationale instanties en/of versterking van de subregionale netwerken rond het BTWC, om toetreding tot en toepassing van het verdrag aan te moedigen. |
|
c) |
Inventarisatie van de punten waarop de regionale en nationale activiteiten ter uitvoering van het BTWC moeten worden verbeterd. |
|
d) |
Het ijveren voor en ondersteunen van de oprichting van en toetreding tot nationale en regionale bioveiligheidsorganisaties. |
|
e) |
Verzoeken om uitgebreide bijstand, in het kader van project 2. |
2.1.3. Beschrijving en uitvoering van het project
Er worden ten hoogste vier regionale of subregionale workshops belegd, in voorkomend geval in samenwerking met internationale en regionale organisaties en in coördinatie met het intersessionele programma 2012-2015.
Verdragsstaten én derde landen, bevoegde internationale en regionale organisaties, nationale en regionale bioveiligheidsorganisaties, academische deskundigen en non-gouvernementele organi-saties („ngo's”) worden voor de workshops uitgenodigd.
De selectie van regio's en subregio's voor de workshops geschiedt aan de hand van criteria zoals eerdere activiteiten in het kader van de Gemeenschappelijke Optredens 2006/184/GBVB en 2008/858/GBVB en Gemeenschappelijk Standpunt 2006/242/GBVB van de Raad (1), andere activiteiten in Unieverband (het kenniscentraproject daaronder begrepen), activiteiten van andere assisterende instanties, en inschatting van de behoeften en belangen met het oog op versterking van het BTWC-proces in de regio's.
De workshops dienen als forum voor contact en voorlichting inzake het programma voor uitgebreide bijstand en de beschikbare ondersteuning.
2.2. Project 2: Programma's voor uitgebreide bijstand bij nationale uitvoering
2.2.1. Doel van het project
Wereldwijd de toetreding tot het BTWC bevorderen en landen beter in staat stellen hun BTWC-verplichtingen na te komen — met name CBM's te presenteren — door middel van wettelijke, bestuursrechtelijke en justitiële maatregelen, handhaving, bewustmaking, gedragscodes, bioveiligheids- en biobeveiligingsnormen, en vaststelling van de wijze waarop de nationale coördinatie in de programma's voor uitgebreide bijstand haar beslag zal krijgen.
2.2.2. Verwachte resultaten van het project
|
a) |
Toename van het aantal verdragsstaten. |
|
b) |
Vrijwillige uitvoering van het BTWC door staten vóór hun toetreding. |
|
c) |
Adequate wet- en regelgeving, ook op strafrechtelijk gebied, die het volledige scala aan verbods- en preventiemaatregelen omvat waarin het BTWC voorziet en die door de zevende toetsingsconferentie zijn uitgewerkt. |
|
d) |
Effectieve uitvoering en handhaving, om schendingen van het verdrag te voorkomen en overtredingen te bestraffen. |
|
e) |
Invoering of versterking van nationale mechanismen voor het verzamelen van de benodigde informatie en voor de jaarlijkse presentatie van CBM's, om meer verdragsstaten bij de uitwisseling van de CBM's te betrekken. |
|
f) |
Betere coördinatie en networking tussen de belanghebbenden die aan het BTWC-proces deelnemen, waaronder de nationale en regionale bioveiligheidsorganisaties en de particuliere sector, om een effectieve uitvoering te bevorderen. |
|
g) |
Bevordering van bewustmakingsprogramma's, gedragscodes en bioveiligheids- en biobeveiligingsnormen. |
2.2.3. Beschrijving van het project
De zevende toetsingsconferentie heeft bevestigd dat de vaststelling en uitvoering van de nodige nationale maatregelen de effectiviteit van het BTWC ten goede zal komen. De verdragspartijen werden opgeroepen wettelijke, bestuursrechtelijke, justitiële en andere maatregelen vast te stellen met het oog op een betere binnenlandse uitvoering van het BTWC en een grotere veiligheid en beveiliging in verband met microbiële en andere biologische agentia of toxines. De conferentie heeft benadrukt hoe belangrijk het is dat de verdragsstaten door middel van CBM's informatie uitwisselen, en geconstateerd dat meer verdragsstaten aan dit proces zouden moeten deelnemen. De conferentie besloot dat verder gezamenlijk — bilateraal, regionaal en multilateraal — optreden van de verdragsstaten nodig is om de universele toepassing van het BTWC te bevorderen.
Op basis van de ervaring met Gemeenschappelijk Optreden 2008/858/GBVB, zullen ten hoogste acht landen via de regionale workshops van project 1 in aanmerking komen voor programma's voor uitgebreide bijstand bij de nationale uitvoering van het BTWC.
Elk programma zal ongeveer 12 maanden lopen, indien wenselijk de deelname van Uniedelegaties in de begunstigde landen en de regionale VN-bureaus voor ontwapeningszaken omvatten, en het volgende inhouden:
|
— |
een eerste nationale workshop met alle belangrijke binnenlandse instanties en belang-hebbenden, waar de verschillende BTWC-concepten worden geïntroduceerd, er gemotiveerde en betrouwbare plaatselijke partners worden aangeduid, en er een eerste inschatting van de behoeften en prioriteiten wordt gemaakt; |
|
— |
opstelling van een gestructureerd bijstandsplan (actieplan), op maat van het ontvangende land, dat inhoudt dat diverse bijstandverleners in de loop van het programma op bezoek komen en/of workshops beleggen, en dat in lidstaten van de Unie of elders opleiding wordt georganiseerd; |
|
— |
uitvoering van het actieplan, met bijstandverleners als Interpol, de WHO, Vertic, de lidstaten van de Unie, de ISU van de BTWC, en academische instellingen die de uitvoering voor hun rekening nemen (bijvoorbeeld redactie van wetgeving, bioveiligheids- en biobeveiligingsopleiding, voorbereiden van CBM's, politieopleiding, bewustmaking van wetenschappers, noodreactieplanning, enzovoort); |
|
— |
een afrondende workshop nadat het werk is voltooid, waar alles wordt gebundeld, de bureaus over hun werkzaamheden en de voortgang rapporteren, en bekeken wordt of er nieuwe of verdere bijstand nodig is; |
|
— |
indien wenselijk uitgebreide nationale steun aan derde landen, om de universalisering van het BTWC te bevorderen, in welk geval het met het ontvangende land overeengekomen actieplan ook toetreding tot het BTWC zou omvatten; |
|
— |
een workshop van de Unie voor Uniedeskundigen die de begunstigde landen in project 2 assisteren, waar beproefde methoden worden besproken en de assistentie terdege wordt voorbereid. |
2.3. Project 3: Facilitaire instrumenten en activiteiten
2.3.1. Doel van het project
Door middel van diverse instrumenten en activiteiten een effectieve nationale uitvoering van het BTWC, inclusief presentatie van CBM's, mogelijk maken en ondersteunen.
2.3.2. Verwachte resultaten van het project
|
a) |
Brochure voor nationale uitvoering |
|
b) |
Herziene brochure voor CBM's |
|
c) |
Systeem voor elektronische indiening van CBM's |
|
d) |
Sterkere deelname van ontwikkelingslanden aan het intersessionele BTWC-programma |
|
e) |
Versterking van het mechanisme van het secretariaat-generaal van de VN voor onderzoek naar beweerd gebruik van biologische en toxinewapens. |
2.3.3. Beschrijving van het project
De zevende toetsingsconferentie heeft besloten dat betere nationale uitvoering een vast agendapunt zal zijn in het intersessionele programma 2012-2015. Het betreft met name specifieke maatregelen voor de volledige, algehele uitvoering van het BTWC, in het bijzonder de artikelen III en IV, en middelen om de nationale uitvoering te verbeteren en beproefde methoden en ervaringen te delen.
De zevende toetsingsconferentie heeft besloten de rapportageformulieren voor de CBM's te herzien. Voorts is besloten dat de ISU in samenwerking met de verdragsstaten zal nagaan welke opties er zijn om de CBM's langs elektronische weg in te dienen, en hoe de gekozen optie zal worden verwezenlijkt.
De zevende toetsingsconferentie heeft verder besproken en besloten met welke specifieke maat-regelen een sterkere deelname van ontwikkelingslanden die verdragsstaat zijn aan de vergaderingen van het intersessionele programma zal worden gesteund.
De zevende toetsingsconferentie heeft melding gemaakt van het mechanisme van het secretariaat-generaal van de VN voor onderzoek naar beweerd gebruik van biologische en chemische wapens. Het zou nuttig zijn mocht hier meer gebruik van worden gemaakt, ook door middel van een gespecialiseerde opleiding van deskundigen.
Op basis van de ervaring met Gemeenschappelijk Optreden 2008/858/GBVB en ten vervolge op voltooide en/of lopende activiteiten zullen de volgende acties worden ondernomen:
|
a) |
samenstelling van uitgebreide documentatie (brochure) met een overzicht van de verplichtingen van de verdragsstaten, en van de nationale maatregelen met het oog op de complete, algehele uitvoering van het BTWC. De brochure zal een soort instrumentarium van uitvoeringsmaatregelen zijn en voorbeelden van beproefde methoden bevatten, maar wel recht doen aan de verschillen tussen nationale procedures. Deskundigen uit EU-lidstaten, verdragsstaten, bevoegde internationale organisaties, en niet-gouvernementele instanties die bij de uitvoering van het BTWC zijn betrokken zouden bij de samenstelling worden geraadpleegd. De brochure zal beschikbaar zijn in alle officiële talen van de VN. Het UNODA is belast met de algemene coördinatie bij de redactie van de brochure; |
|
b) |
herziening en aanvulling van de in het kader van Gemeenschappelijk Optreden 2008/858/GBVB opgestelde CBM-brochure, overeenkomstig het besluit van de zevende toetsingsconferentie; |
|
c) |
ontwikkeling en onderhoud van een tool (digitale faciliteit) voor de indiening, verwerking en verspreiding van CBM's; |
|
d) |
verdere uitbouw van de ISU-website en de bijbehorende IT- en communicatietools; |
|
e) |
het helpen bekostigen van de deelname van deskundigen uit ten hoogste tien ontwikke-lingslanden aan het intersessionele programma van het BTWC; |
|
f) |
organisatie van een internationale exercitie met betrekking tot het mechanisme van het secretariaat-generaal van de VN voor onderzoek naar beweerd gebruik van biologische wapens, met financiële steun voor de deelname van deskundigen. |
3. PROCEDURELE ASPECTEN, COÖRDINATIE
De uitvoering van de projecten zal in gang worden gezet door een stuurcomité, dat de samen-werkingsprocedures en -modaliteiten vaststelt. De uitvoering wordt regelmatig — ten minste om de zes maanden — door het comité geëvalueerd, met name door middel van elektronische communicatie.
Het comité zal bestaan uit vertegenwoordigers van de HV en van het UNODA.
Verdragsstaten buiten de Unie richten zich met hun aanvragen om bijstand en samenwerking in het kader van dit besluit tot het UNODA. Het UNODA zal de aanvraag in voorkomend geval behandelen en beoordelen, en aanbevelingen doen aan het stuurcomité. Het stuurcomité onderzoekt de aanvragen om bijstand, alsmede de actieplannen en de uitvoering ervan. De HV besluit uiteindelijk, op eigen voorstel, in aanmerking nemende de bevindingen van het stuurcomité, en na overleg met de bevoegde Raadsgroepen, welke aanvragen worden ingewilligd.
De eigen inbreng van de ontvangende landen in de door de Unie ingeleide activiteiten moet belangrijk en duurzaam zijn; te dien einde wordt overwogen dat, indien mogelijk en wenselijk, bepaalde begunstigden worden belast met de opstelling van de actieplannen, die onder andere het tijdschema omvatten waarbinnen de (mede uit nationale middelen) gefinancierde activiteiten moeten worden uitgevoerd, de inhoud en de duur van het project, de voornaamste stakeholders, enzovoort. Het UNODA en in voorkomend geval de lidstaten van de Unie worden bij de opstelling betrokken. De projecten worden in overeenstemming met de actieplannen uitgevoerd.
4. RAPPORTAGE EN BEOORDELING
Het UNODA rapporteert zesmaandelijks aan de HV over de voortgang van de projecten. Daarnaast wordt gerapporteerd over de individuele bijstand in het kader van de bestaande actieplannen voor begunstigde landen. Deze rapporten zullen worden voorgelegd aan de bevoegde Raadsgroep met het oog op een voortgangsevaluatie, een algemene beoordeling van de projecten, en een eventuele vervolgactie.
Indien mogelijk worden de verdragsstaten, met name langs elektronische weg, geïnformeerd over de uitvoering van de projecten.
5. DEELNAME VAN DESKUNDIGEN UIT DE LIDSTATEN VAN DE EU
De toepassing van het besluit zal niet slagen zonder de actieve medewerking van deskundigen uit de lidstaten van de EU. Het UNODA zal worden aangespoord om gebruik te maken van hun expertise. Hun missiekosten in verband met de uitvoering van de projecten worden overeenkomstig het besluit vergoed.
Verwacht wordt dat in geval van een bijstandsbezoek (bv. rechtsbijstand of CBM-bijstand) een bezoek door maximaal drie deskundigen voor ten hoogste vijf dagen de standaardpraktijk zal zijn.
6. LOOPTIJD
De totale duur van de projecten wordt op 24 maanden geraamd.
7. BEGUNSTIGDEN
De begunstigden van activiteiten in verband met de universalisering zijn zowel derde staten als verdragsstaten (ongeacht of zij het verdrag al dan niet hebben ondertekend).
De begunstigden van activiteiten in verband met nationale uitvoering zijn derde staten en verdragsstaten, en vertegenwoordigers van nationale en regionale bioveiligheisorganisaties, de particuliere sector, de academische wereld en ngo's.
De begunstigden van de CBM-gerelateerde activiteiten zijn staten die partij zijn bij het BTWC.
8. VERTEGENWOORDIGERS VAN DERDE PARTIJEN
Ten behoeve van de regionale inbreng en de duurzaamheid van de projecten kan op grond van dit besluit de deelname worden gefinancierd van deskundigen van buiten de EU, met name uit bevoegde regionale en internationale organisaties. De deelname van het UNODA aan de workshops en vergaderingen in BTWC-verband wordt gefinancierd. De deelname van het voorzitterschap van de vergaderingen van de verdragsstaten kan per geval worden gefinancierd.
9. UITVOERINGSORGAAN — PERSONEELSAANGELEGENHEDEN
Omdat de in dit besluit bedoelde activiteiten buiten de begroting van het UNODA vallen, zal extra personeel in dienst moeten worden genomen.
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/67 |
BESLUIT 2012/422/GBVB VAN DE RAAD
van 23 juli 2012
ter bevordering van een proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28 en artikel 31, lid 1,
Gezien het voorstel van de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Unie is actief bezig met de uitvoering van de strategie van de EU ter bestrijding van de verspreiding van massavernietigingswapens (MVW) van 12 december 2003 en past de maatregelen toe die in hoofdstuk III van de strategie staan vermeld, zoals het doel-treffender maken van het multilateralisme en het bevorderen van een stabiele internationale en regionale omgeving. |
|
(2) |
De Unie zet zich in voor het stelsel van multilaterale verdragen dat de wettelijke en normatieve basis biedt voor alle op non-proliferatie gerichte inspanningen. De Unie streeft in haar beleid naar het uitvoeren en universeel geldig maken van de bestaande ontwapenings- en non-proliferatienormen. De Unie helpt derde landen hun verplichtingen uit hoofde van multilaterale overeenkomsten en regelingen na te komen. |
|
(3) |
In de gezamenlijke verklaring van de top van Parijs voor het Middellandse Zeegebied van 13 juli 2008, waarbij de Unie voor het Middellandse Zeegebied werd ingesteld, werd de gemeenschappelijke ambitie bevestigd om vrede en regionale veiligheid te bewerkstelligen zoals uiteengezet in de op de Euro-mediterrane conferentie van 27-28 november 1995 aangenomen Verklaring van Barcelona, waarin onder meer wordt gepleit voor het bevorderen van de veiligheid in de regio door voor niet-verspreiding van kernwapens en chemische en biologische wapens te ijveren via toetreding tot en naleving van een reeks internationale en regionale non-proliferatieregelingen en overeenkomsten inzake wapen-beheersing en ontwapening, zoals het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV), het Chemische Wapens Verdrag, het Verdrag inzake biologische en toxinewapens, het Alomvattend Kernstopverdrag en/of regionale regelingen zoals kernwapenvrije zones en de bijbehorende verificatieregelingen, alsmede door het te goeder trouw nakomen van de afspraken die zijn gemaakt in het kader van overeenkomsten inzake wapenbeheersing, ontwapening en non-proliferatie. |
|
(4) |
De partijen van de Unie voor het Middellandse Zeegebied zullen streven naar een wederzijds en effectief controleerbare zone in het Midden-Oosten die vrij is van nucleaire, chemische en biologische MVW en hun overbrengingsmiddelen. Voorts beraden de partijen zich op praktische maatregelen, onder meer om de verspreiding van kernwapens en chemische en biologische wapens te verhinderen en een buitensporige accumulatie van conventionele wapens te voorkomen. |
|
(5) |
Op 19 en 20 juni 2008 heeft de Europese Unie een seminar in Parijs belegd over veiligheid, non-proliferatie van MVW en ontwapening in het Midden-Oosten, waaraan is deelgenomen door de staten van de regio en de lidstaten van de Unie en door wetenschappers en nationale instanties voor kernenergie. De deelnemers hebben de Unie aangespoord ervoor te zorgen dat het debat in diverse fora wordt voortgezet en geleidelijk over te gaan op een formelere werkwijze, waarbij er tussen regeringsfunctionarissen overleg zou moeten worden gepleegd met als uitgangspunt het kader van Barcelona, evenwel met een groter geografisch bereik. |
|
(6) |
In de NPV-toetsingsconferentie van 2010 werd het belang van een proces dat leidt tot volledige uitvoering van de resolutie van de toetsingsconferentie van 1995 over het Midden-Oosten ("de resolutie van 1995") benadrukt. Daartoe heeft de conferentie praktische stappen goedgekeurd, onder meer het bezien van alle voorstellen die de uitvoering van de resolutie van 1995 ondersteunen, waaronder het aanbod van de Unie om een vervolgseminar te organiseren dat aansluit op het seminar dat in juni 2008 plaatsvond. |
|
(7) |
De NPV-toetsingsconferentie van 2010 heeft voorts de belangrijke rol van de civiele samenleving onderkend voor de uitvoering van de resolutie van 1995 en alle inspanningen in dat kader aangemoedigd. |
|
(8) |
Op 6-7 juli 2011 heeft de Unie te Brussel een seminar georganiseerd om de opbouw van vertrouwen te bevorderen en een proces te ondersteunen dat gericht is op de totstand-brenging van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van massavernietigings-wapens en overbrengings-middelen daarvoor; daaraan werd deelgenomen door hoge vertegen-woordigers van landen in de regio, de drie depotstaten van het NPV, de lidstaten van de Unie, andere belangstellende landen alsmede wetenschappers en officiële vertegen-woordigers van de belangrijkste regionale en internationale organisaties. De deelnemers drongen er bij de Unie sterk op aan, voort te gaan met de facilitering van de totstand-brenging van een MVW-vrije zone in het Midden-Oosten, onder meer door middel van verdere overeenkomstige initiatieven, voorafgaand aan de conferentie van 2012 die bijeen-geroepen wordt door de SGVN en de verschillende indieners van de resolutie van 1995. |
|
(9) |
Op 14 oktober 2011 hebben de secretaris-generaal van de Verenigde Naties en de regeringen van de Russische Federatie, het Verenigd Koninkrijk en de Verenigde Naties, als gezamenlijke indieners van de NPV-resolutie van 1995 over het Midden-Oosten en als depotstaten van het verdrag, in overleg met de staten van de regio, staatsecretaris Jaakko Laajava tot facilitator benoemd, en de regering van Finland aangewezen als gastheer, voor de conferentie van 2012 over de totstandbrenging van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens. |
|
(10) |
Sedert november 2012 heeft de Unie nauw overleg gevoerd met de facilitator en diens team om verdere ondersteuning te bieden bij de totstandbrenging van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Als vervolg op het seminar van 2011 over het bevorderen van de opbouw van vertrouwen en de ondersteuning van de totstandbrenging van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen, steunt de Unie activiteiten ter bevordering van de volgende doelstellingen:
|
a) |
ondersteuning van de werkzaamheden van de facilitator voor de conferentie van 2012 over de totstandbrenging van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens; |
|
b) |
vergroting van de zichtbaarheid van de Unie op het wereldtoneel en in de regio ten aanzien van non-proliferatie; |
|
c) |
stimulering van een regionale dialoog over politiek en veiligheid binnen de civiele samenleving en regeringen, en meer in het bijzonder tussen deskundigen, ambtenaren en wetenschappers; |
|
d) |
vaststelling van concrete, vertrouwenscheppende maatregelen die kunnen dienen als praktische stappen in de richting van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen; |
|
e) |
aanmoediging van een discussie over het universeel geldig maken en uitvoeren van de relevante internationale verdragen en andere instrumenten ter voorkoming van de proliferatie van MVW en hun overbrengingsmiddelen; |
|
f) |
bespreking van thema's die betrekking hebben op het vreedzaam gebruik van kernenergie en internationale en regionale samenwerking daarbij. |
2. In deze context hebben de door de Unie te steunen projecten betrekking op de volgende specifieke activiteiten:
|
a) |
het verschaffen van de middelen voor de organisatie van een vervolg op de EU-seminars van 2008 en 2011; dit moet vóór de conferentie van 2012 plaatsvinden in de vorm van een "track two"-seminar; |
|
b) |
het verschaffen van de middelen voor het opstellen van achtergrondnota's over onderwerpen die tijdens het vervolgseminar ter sprake zullen komen; |
|
c) |
het verschaffen van middelen voor het creëren van een aparte pagina op de website van het EU-Consortium Non-Proliferatie van denktanks; |
|
d) |
het beschikbaar stellen van middelen voor de deelname van niet-gouvernementele deskundigen uit de Unie, waar nodig en in nauwe coördinatie met de Europese Dienst voor extern optreden (EDEO), aan officiële, niet-gouvernementele en "track two"-initiatieven op dit gebied, zoals het Kader van Amman. |
In de bijlage gaat een nadere omschrijving van deze projecten.
Artikel 2
1. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) is verantwoordelijk voor de uitvoering van dit besluit.
2. Het EU-Consortium Non-Proliferatie is belast met de technische uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten en voert deze taak uit onder verantwoordelijkheid van de HV. Daartoe treft de HV de nodige regelingen met het EU-Consortium Non-Proliferatie.
Artikel 3
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten beloopt 352 000 EUR.
2. Voor het beheer van de uitgaven gefinancierd met het in lid 1 bedoelde bedrag gelden de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de begroting van de Unie.
3. De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven. Hiertoe sluit zij een financieringsovereenkomst met het EU-Consortium Non-Proliferatie. In de overeenkomst wordt bepaald dat het EU-Consortium Non-Proliferatie er zorg voor moet dragen dat de Uniebijdrage zichtbaar is in een mate die overeenstemt met haar omvang.
4. De Commissie streeft ernaar om de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van eventuele moeilijkheden en van de datum van sluiting van de financierings-overeenkomst.
Artikel 4
1. De HV brengt verslag uit aan de Raad over de toepassing van dit besluit op basis van de regelmatige verslagen van het EU-Consortium Non-Proliferatie. Die verslagen vormen de basis voor de evaluatie door de Raad.
2. De Commissie verstrekt informatie over de financiële aspecten van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten.
Artikel 5
1. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
2. Dit besluit verstrijkt 18 maanden na de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst. Het verstrijkt echter zes maanden nadat het in werking is getreden indien voor die tijd geen financieringsovereenkomst is gesloten.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
C. ASHTON
BIJLAGE
Projecten ter bevordering van een proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens
1. DOELSTELLINGEN
In de op de Euro-mediterrane conferentie van 27-28 november 1995 aangenomen Verklaring van Barcelona zijn de Unie en haar mediterrane partners overeengekomen te streven naar een doel-treffend controleerbare zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengings-middelen. In 2008 is in de gezamenlijke verklaring van de top van Parijs voor het Middellandse Zeegebied bevestigd dat de Unie bereid is zich te bezinnen op praktische maatregelen, en deze uit te werken, als voorbereiding op de volledige uitvoering van de resolutie van de NPV-toetsings-conferentie van 1995 over het Midden-Oosten ("de resolutie van 1995") en de instelling van een dergelijke zone. Deze praktische maatregelen zijn eerst besproken tijdens een seminar van de EU over veiligheid, non-proliferatie van MVW en ontwapening in het Midden-Oosten, die in juni 2008 plaatsvond in Parijs, en vervolgens omschreven in het EU-seminar ter bevordering van de opbouw van vertrouwen en ondersteuning van een proces dat gericht is op de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van massavernietigingswapens en hun overbrengingsmiddelen, dat in juli 2011 plaatsvond in Brussel.
Volgens de Unie moeten praktische maatregelen onder meer stimulerend werken en leiden tot universele toetreding tot en naleving van alle multilaterale verdragen en instrumenten op het gebied van non-proliferatie, wapenbeheersing en ontwapening, zoals het Verdrag inzake de niet-verspreiding van kernwapens (NPV), het Chemischewapensverdrag, het Verdrag inzake biologische en toxinewapens, het Alomvattend Kernstopverdrag en de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten, alsmede de integrale-waarborgovereenkomsten van de IAEA en het aanvullende protocol. Ook het openen van onderhandelingen over een verdrag inzake een verbod op de levering van splijtstof zou hierbij een cruciale stap zijn. Dat zouden belangrijke maatregelen zijn voor het opbouwen van regionaal vertrouwen met het oog op de instelling van een controleerbare zone die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen.
De Unie wenst de dialoog over politiek en veiligheid met betrekking tot thema's die verband houden met de instelling van een MVW-vrije zone, tussen de betrokken partners van de Unie voor het Middellandse Zeegebied en alle overige landen in het Midden-Oosten, voort te zetten en te intensiveren. De Unie is van mening dat het ontwikkelen en uitvoeren van concrete vertrouwen-scheppende maatregelen de vooruitgang richting een MVW-vrije zone kan bevorderen.
Tegen de achtergrond van toenemende belangstelling voor het ontwikkelen van een vreedzaam gebruik van kernenergie in de regio, moeten er ook inspanningen worden geleverd die ervoor zorgen dat vreedzaam gebruik verwezenlijkt wordt volgens de hoogste normen qua veiligheid, beveiliging en non-proliferatie. De Unie blijft achter de besluiten en de resolutie over het Midden-Oosten staan die zijn aangenomen door de NPV-toetsings- en verlengingsconferentie van 1995, en achter de slotdocumenten van de NPV-toetsingsconferenties van 2000 en 2010. De NPV-toetsings-conferentie van 2010 hechtte haar goedkeuring aan een aantal praktische maatregelen, waaronder de bijeenroeping in 2012 van een conferentie over de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens, alsmede de bestudering van elk aanbod ter ondersteuning van de uitvoering van de resolutie van 1995.
Nu het EU-seminar van juli 2011 een succes was, meent de Unie dat deze doelstellingen bevorderd kunnen worden door middel van een volgend seminar ter ondersteuning van de conferentie van 2012.
De Unie wenst bovengenoemde doelen als volgt te steunen:
|
— |
door het organiseren van een vervolgseminar dat vóór de conferentie van 2012 moet plaatsvinden; |
|
— |
door het verschaffen van middelen voor de opstelling, door deskundigen uit de regio en elders, van achtergrondnota's ten behoeve van het beleid, ter onderbouwing van het vervolgseminar; |
|
— |
door het verschaffen van middelen voor het creëren van een aparte pagina op de website van het EU-Consortium Non-Proliferatie (www.non-proliferation.eu); |
|
— |
door het verschaffen van middelen voor de deelname van niet-gouvernementele deskundigen uit de Unie, waar nodig en in nauwe coördinatie met de EDEO, voor officiële, niet-gouvernementele en "track two"-initiatieven op dit gebied, zoals het Kader van Amman. |
2. OMSCHRIJVING VAN DE PROJECTEN
2.1. Project 1: Seminar, voorafgaand aan de conferentie van 2012, ter bevordering van een proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens
2.1.1.
|
a) |
voorafgaand aan de conferentie van 2012 een vervolg bieden op het EU-seminar ter ondersteuning van een proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen, dat op 6-7 juli 2011 plaatsvond in Brussel in de vorm van een algemene "track two"-bijeenkomst; |
|
b) |
thema's in verband met regionale veiligheid in het Midden-Oosten bespreken, onder meer de proliferatie van MVW en hun overbrengingsmiddelen en kwesties in verband met conventionele wapens; |
|
c) |
het onderzoeken van mogelijke vertrouwenscheppende maatregelen ter bevordering van het proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens; |
|
d) |
de mogelijkheden bezien om de verdragen en andere instrumenten inzake non-proliferatie en ontwapening universeel geldig te maken en uit te voeren; |
|
e) |
de perspectieven bezien voor vreedzame nucleaire samenwerking en daarmee verband houdende activiteiten. |
2.1.2.
|
a) |
de facilitator van de conferentie van 2012 over de totstandbrenging van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens ondersteuning bieden bij de voorbereiding van de organisatie van dat evenement; |
|
b) |
de dialoog verdiepen en vertrouwen kweken binnen de civiele samenleving en bij de regeringen om nog meer vorderingen te maken ter ondersteuning van het proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens; |
|
c) |
het wederzijds inzicht vergroten in kwesties die van invloed zijn op het regionale veiligheidsbeeld, onder meer de proliferatie van MVW en hun overbrengingsmiddelen en kwesties in verband met conventionele wapens; |
|
d) |
vergroten van de aandacht voor, de kennis van en het inzicht in de praktische maatregelen die genomen dienen te worden voor de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen; |
|
e) |
ertoe bijdragen dat de bestaande verdragen en andere instrumenten inzake non-proliferatie en ontwapening universeel geldig worden en dat er uitvoering aan wordt gegeven; |
|
f) |
bevorderen van de internationale en regionale samenwerking omtrent het vreedzaam gebruik van kernenergie volgens de hoogste normen qua veiligheid, beveiliging en non-proliferatie. |
2.1.3.
Het project houdt in dat er een tweedaags seminar wordt georganiseerd, bij voorkeur in Brussel of in het Midden-Oosten. Aan dit seminar zal onder meer worden deelgenomen door vertegen-woordigers van de betrokken instellingen van de Unie, van de lidstaten, van alle landen van het Midden-Oosten, van kernwapenstaten, van betrokken internationale organisaties en door deskundige wetenschappers. Naar verwachting zal daaraan door ongeveer 150 vertegenwoordigers worden deelgenomen.
De discussies zullen onder leiding staan van deskundige wetenschappers. Omdat de te behandelen onderwerpen erg gevoelig liggen, zullen de besprekingen verlopen volgens de "Chatham House Rule", die een meer informeel en open debat mogelijk moet maken zonder dat tijdens de bijeenkomst de bron van de ontvangen informatie bekendgemaakt wordt.
De uitgenodigde deelnemers en sprekers (wetenschappers en ambtenaren die niet bij de Unie werkzaam zijn) krijgen hun kosten vergoed in de vorm van reis- en verblijfkosten en dag-vergoedingen. Ook worden bij het besluit van de Raad financiële middelen vrijgemaakt voor alle overige kosten, onder meer de conferentiefaciliteiten, apparatuur, lunches, diners, koffiepauzes. Tijdens het seminar is Engels de werktaal.
Het EU-Consortium Non-Proliferatie zal, in nauw overleg met de vertegenwoordiger van de HV en met de lidstaten, deelnemers voor het seminar uitnodigen en de agenda voor de conferentie opstellen.
Het EU-Consortium Non-Proliferatie stelt een verslag van de bijeenkomsten op en zendt dit toe aan de vertegenwoordiger van de HV en aan de facilitator. Het verslag kan worden toegezonden aan de betrokken instanties van de Unie, alle landen in het Midden-Oosten, andere belangstellende landen, en betrokken internationale organisaties.
2.2. Project 2: Achtergrondnota's
2.2.1.
|
a) |
het opstellen van maximaal twintig achtergrondnota's over onderwerpen die aan de orde komen in het kader van het seminar ter bevordering van een proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens; |
|
b) |
het verstrekken van instrumenten om inzicht te verwerven in het regionale veiligheids-beeld, onder meer de proliferatie van MVW en hun overbrengingsmiddelen, en kwesties in verband met conventionele wapens; |
|
c) |
het vaststellen van vertrouwenscheppende maatregelen vastgesteld die kunnen dienen als praktische stappen in de richting van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen; |
|
d) |
het zoeken naar middelen om verdere vooruitgang te boeken bij het universeel geldig maken en uitvoeren van internationale non-proliferatie- en ontwapeningsverdragen en andere instrumenten; |
|
e) |
het bepalen van vooruitzichten voor vreedzame nucleaire samenwerking vanuit het oogpunt van het energiebeleid en de energiebehoeften van de landen. |
2.2.2.
|
a) |
het inbrengen van ideeën en suggesties voor het seminar ter ondersteuning van een proces van vertrouwensopbouw dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen, en het bijdragen tot een gerichte en gestructureerde bespreking over alle betrokken thema's; |
|
b) |
het verbeteren binnen de civiele samenleving en bij de regeringen van de aandacht voor, de kennis van en het inzicht in kwesties die verband houden met een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen, en regionale veiligheid in dat gebied; |
|
c) |
het verstrekken van politieke en/of operationele beleidsopties aan de regeringen en internationale organisaties ter bevordering van het proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van MVW en hun overbrengingsmiddelen en tot regionale veiligheid in dat gebied. |
2.2.3.
Het project voorziet in de opstelling van maximaal twintig achtergrondnota's van elk vijf à tien bladzijden. De achtergrondnota's worden opgesteld door of in opdracht van het EU-Consortium Non-Proliferatie en geven niet noodzakelijk de standpunten weer van de instellingen van de Unie of de lidstaten. Het EU-Consortium Non-Proliferatie zal een oproep voor papers organiseren teneinde de deelname van deskundigen uit de regio aan te moedigen.
De achtergrondnota's zullen betrekking hebben op de onderwerpen die aan de orde komen in het kader van het seminar ter bevordering van een proces dat moet leiden tot de instelling van een zone in het Midden-Oosten die vrij is van kernwapens en alle andere massavernietigingswapens. In elke nota zullen politieke en/of operationele beleidsopties worden geformuleerd.
De achtergrondnota's zullen worden verstrekt aan de deelnemers aan het seminar, de betrokken instanties van de Unie en de lidstaten, alle landen in het Midden-Oosten, andere belangstellende landen, en betrokken internationale organisaties. De achtergrondnota's kunnen worden gepubliceerd op de website van het EU-Consortium Non-Proliferatie.
De achtergrondnota's kunnen na afloop van het seminar gebundeld worden in een publicatie.
2.3. Project 3: Het creëren van een aparte pagina op de website van het EU-Consortium Non-Proliferatie van denktanks
2.3.1.
|
a) |
het aanmoedigen van discussie en interactie tussen regeringsfunctionarissen en de civiele samenleving, ngo's en de academische wereld; |
|
b) |
Het creëren van een speciale pagina waar denktanks op het gebied van non-proliferatie hun onafhankelijke opvattingen en analyses betreffende de onderwerpen van het seminar kunnen bekendmaken. |
2.3.2.
Het faciliteren van de uitwisseling van opvattingen alsmede het vergroten van de bijdrage van de civiele samenleving, ngo's en de academische wereld aan de totstandbrenging van een MVW-vrije zone in het Midden-Oosten.
2.3.3.
Het project voorziet in het creëren van een speciale pagina voor de bijeenkomst op de website van het EU-Consortium Non-Proliferatie. Daar zullen alle relevante documenten kosteloos kunnen worden gedownload, waaronder de documenten die zijn opgesteld en gepubliceerd voor het seminar en door onafhankelijke denktanks die hun onderzoeksbevindingen betreffende onderwerpen die tijdens het seminar aan de orde komen, mogelijkerwijs willen bekendmaken.
2.4. Project 4: Deelname van niet-gouvernementele deskundigen uit de Unie, waar nodig en in nauwe coördinatie met de EDEO, aan officiële, niet-gouvernementele en "track two"-initiatieven op dit gebied, zoals het Kader van Amman. Financiering van relevante thematische ad-hocinitiatieven
2.4.1.
Het waarborgen van een toereikende deelname en volwaardige vertegenwoordiging van de deskundigen van de Unie, mede door de financiering van thematische initiatieven, bij relevante officiële, niet-gouvernementele en "track two"-initiatieven met een internationale of regionale werkingssfeer die reeds bestaan (Kaden van Amman) of die in de nabije toekomst het licht zullen zien, met het oog op het faciliteren van het proces dat moet leiden tot de instelling van een MVW-vrije zone in het Midden-Oosten.
2.4.2.
Het verzamelen van informatie alsmede thematische publicaties, handhaving van een nuttig netwerk en de positieve beïnvloeding van het globale proces dat moet leiden tot de instelling van een MVW-vrije zone in het Midden-Oosten.
2.4.3.
Het ondersteunen van de deelname van niet-gouvernementele deskundigen van de Unie wanneer de ambtenaren van de Unie niet deelnemen aan internationale of regionale relevante officiële, niet-gouvernementele en "track two"-initiatieven.
3. DUUR
De totale geschatte duur van de uitvoering van de projecten is 18 maanden.
4. BEGUNSTIGDEN
De begunstigden van dit project zijn:
|
a) |
landen in het Midden-Oosten; |
|
b) |
andere belangstellende landen; |
|
c) |
de betrokken internationale organisaties; |
|
d) |
de civiele samenleving. |
5. PROCEDURELE ASPECTEN, COÖRDINATIE EN STUURCOMITÉ
Het Stuurcomité zal bestaan uit vertegenwoordigers van de HV en vertegenwoordigers van de uitvoerende instantie voor ieder specifiek project. Het Stuurcomité zal de uitvoering van het besluit van de Raad regelmatig beoordelen, ten minste elk half jaar, ook met behulp van elektronische communicatiemiddelen.
6. UITVOERENDE INSTANTIES
Het EU-Consortium Non-Proliferatie zal met de technische uitvoering van het besluit van de Raad worden belast.
Het EU-Consortium Non-Proliferatie zal zijn taken uitvoeren onder verantwoordelijkheid van de HV. Bij de uitvoering van zijn activiteiten zal het waar nodig samenwerken met de HV, de lidstaten, andere deelnemende staten en internationale organisaties.
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/74 |
BESLUIT 2012/423/GBVB VAN DE RAAD
van 23 juli 2012
ter ondersteuning van de non-proliferatie van ballistische raketten, in het kader van de uitvoering van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens, alsmede van Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB van de Raad
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie, en met name artikel 28 en artikel 31, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
Op 12 december 2003 heeft de Europese Raad de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens ("MVW") vastgesteld; Hoofdstuk III daarvan voorziet in een reeks maatregelen die in de Europese Unie en in derde landen moeten worden getroffen om dergelijke verspreiding tegen te gaan. |
|
(2) |
De Unie geeft momenteel actief uitvoering aan die strategie en aan de in hoofdstukken II en III daarvan genoemde maatregelen, bijvoorbeeld door financiële middelen uit te trekken voor specifieke projecten die leiden tot versterking van het multilaterale non-proliferatiestelsel en tot multilaterale vertrouwenwekkende maatregelen. De Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten ("de Code") vormt een integrerend deel van dat stelsel. Hij is erop gericht de proliferatie van ballistische-raketsystemen voor de overbrenging van massavernietigingswapens, en van gerelateerde technologie, te voorkomen en terug te dringen. |
|
(3) |
Op 17 november 2003 heeft de Raad Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB (1) betreffende de universalisering en versterking van multilaterale overeenkomsten op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor vastgesteld. In dat gemeenschappelijk standpunt wordt onder meer gevraagd ernaar te streven dat zoveel mogelijk staten de Code ondertekenen, in het bijzonder staten die beschikken over een vermogen inzake ballistische raketten, dat de Code - met name de vertrouwenwekkende maatregelen - verder wordt ontwikkeld en uitgevoerd, en dat een nauwer verband tussen de Code en het multilaterale non-proliferatiestelsel van de VN in de hand wordt gewerkt. |
|
(4) |
De Raad heeft op 8 december 2008 conclusies aangenomen, alsmede een document getiteld "Nieuwe actielijnen voor de Europese Unie in de strijd tegen de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor"; daarin wordt gesteld dat proliferatie van MVW nog steeds een van de grootste veiligheidsproblemen vormt en dat een non-proliferatiebeleid een essentieel onderdeel van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid is. In december 2010 besloot de Raad, in het licht van de gemaakte vorderingen en de geleverde inspanningen bij de uitvoering van de "nieuwe actielijnen" dat deze tot eind 2012 verder zouden worden toegepast. |
|
(5) |
Op 18 december 2008 heeft de Raad Besluit 2008/974/GBVB (2) vastgesteld, ter ondersteuning van de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten in het kader van de uitvoering van de veiligheidsstrategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens. Met dat besluit konden het universele karakter van de Code en de naleving van de beginselen ervan met succes worden bevorderd. Voortzetting van de dialoog tussen ondertekenende en niet-ondertekenende staten is een prioriteit van de Unie, met het oog op verdere universalisering, betere toepassing, en een prominentere betekenis van de Code. Dit vervolgbesluit dient daaraan bij te dragen. |
|
(6) |
Los van de Code, is de gestage verspreiding van ballistische raketten waarmee MVW kunnen worden overgebracht - vooral de lopende rakettenprogramma's in het Midden-Oosten, Noord-Oost-Azië, en Zuid-Azië, onder meer in Iran en de Democratische Volksrepubliek Korea - een reden tot groeiende bezorgdheid voor de internationale gemeenschap. |
|
(7) |
De Veiligheidsraad van de VN heeft in zijn resolutie 1540 (2004) beklemtoond, en in zijn resolutie 1977 (2011) herhaald, dat de verspreiding van nucleaire, chemische en biologische wapens en van de desbetreffende overbrengingsmiddelen een bedreiging voor de internationale vrede en veiligheid vormen, en de staten onder meer de verplichting opgelegd zich te onthouden van enigerlei vorm van steun aan niet-statelijke actoren voor het ontwikkelen, verwerven, vervaardigen, bezitten, vervoeren, overdragen of gebruiken van nucleaire, chemische of biologische wapens en van de desbetreffende overbrengingsmiddelen. De bedreiging die nucleaire, chemische en biologische wapens en hun overbrengingsmiddelen betekenen voor de internationale vrede en veiligheid is opnieuw onder woorden gebracht in VNVR-resolutie 1887 (2009) over niet-verspreiding van kernwapens en nucleaire ontwapening. Voorts heeft de VN-Veiligheidsraad in resolutie 1929 (2010), onder meer op basis van de vroegere resoluties, besloten dat Iran geen activiteiten mag ondernemen die betrekking hebben op ballistische raketten die kernwapens kunnen overbrengen, daaronder begrepen lanceringen met behulp van ballistische-rakettechnologie, en dat de staten al het nodige moeten doen om overdracht van technologie of technische bijstand aan Iran te verhinderen die verband houdt met dergelijke activiteiten. Dit besluit moet, meer in het algemeen, ertoe strekken een reeks activiteiten ter bestrijding van de proliferatie van ballistische raketten te ondersteunen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Met het oog op de ononderbroken praktische toepassing van bepaalde onderdelen van de EU-strategie tegen de verspreiding van massavernietigingswapen, wordt door de EU:
|
a) |
actie ten gunste van de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten gesteund - met name actie waarbij:
|
|
b) |
meer in het algemeen een reeks activiteiten ter bestrijding van de proliferatie van ballistische raketten ondersteund, die er met name op zijn gericht de dreiging meer onder de aandacht te brengen, er met grotere ijver naar te streven dat de multilaterale instrumenten meer resultaten opleveren, de steun voor initiatieven tegen deze specifieke dreiging op te voeren, en de betrokken landen te helpen hun nationale uitvoercontroles te verscherpen. |
2. In deze context hebben de door de Unie te steunen projecten specifiek betrekking op de volgende activiteiten:
|
a) |
Activiteiten ter ondersteuning van de Code:
|
|
b) |
Activiteiten tegen proliferatie van ballistische raketten in het algemeen:
|
Artikel 2
1. De hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV) is belast met de uitvoering van dit besluit.
2. De technische uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten is in handen van de Fondation pour la recherche stratégique (FRS), onder verantwoordelijkheid van de HV. De HV treft daartoe de nodige regelingen met de FRS.
Artikel 3
1. Het financieel referentiebedrag voor de uitvoering van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten bedraagt 930 000 EUR.
2. De uitgaven gefinancierd door het in lid 1 vastgestelde bedrag worden beheerd overeenkomstig de procedures en voorschriften die van toepassing zijn op de begroting van de Unie.
3. De Commissie houdt toezicht op het correcte beheer van de in lid 1 bedoelde uitgaven. Zij sluit daartoe een financieringsovereenkomst met de FRS. In die overeenkomst wordt bepaald dat de FRS er zorg voor moet dragen dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in verhouding tot diens omvang.
4. De Commissie stelt alles in het werk om de in lid 3 bedoelde financieringsovereenkomst zo spoedig mogelijk na de inwerkingtreding van dit besluit te sluiten. Zij stelt de Raad in kennis van moeilijkheden die zich daarbij voordoen en van de datum van sluiting van de overeenkomst.
Artikel 4
1. De HV brengt aan de Raad verslag uit over de uitvoering van dit besluit, op basis van geregelde verslagen van de FRS. De verslagen van de FRS vormen de basis voor de evaluatie door de Raad.
2. De Commissie verstrekt informatie over de financiële aspecten van de in artikel 1, lid 2, bedoelde projecten.
Artikel 5
1. Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.
2. Het verstrijkt 24 maanden na de sluiting van de in artikel 3, lid 3, bedoelde financieringsovereenkomst. Het verstrijkt echter zes maanden nadat het in werking is getreden, indien op dat tijdstip geen financieringsovereenkomst is gesloten.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
C. ASHTON
BIJLAGE
Ondersteuning door de EU van de non-proliferatie van ballistische raketten, in het kader van de uitvoering van de strategie van de EU tegen de verspreiding van massavernietigingswapens, alsmede van Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB van de Raad
1. DOELSTELLINGEN
De Europese Unie is een fervent voorvechter van non-proliferatie van raketten (strategie van de EU van 12 december 2003 tegen de verspreiding van massavernietigingswapens; Gemeenschappelijk Standpunt 2003/805/GBVB van de Raad van 17 november 2003 betreffende de universalisering en versterking van multilaterale overeenkomsten op het gebied van de non-proliferatie van massavernietigingswapens en overbrengingsmiddelen daarvoor; de "Nieuwe actielijnen voor de Europese Unie in de strijd tegen de proliferatie van massavernietigingswapens en de overbrengingsmiddelen daarvoor", door de Raad op 8 december 2008 bekrachtigd; de steun van de EU voor VNVR-resolutie 1540 (2004), bevestigd bij VNVR-resolutie 1977 (2010)).
De Unie heeft de Haagse Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten ("de Code") van meet af aan krachtig gesteund en regelmatig haar bezorgdheid uitgesproken over de verspreiding van ballistische raketten. De Europese Unie beschouwt de Code als een belangrijk multilateraal instrument, dat erop gericht is de proliferatie van ballistische-raketsystemen en gerelateerde technologie terug te dringen door middel van transparantie en vertrouwenwekkende maatregelen. Alle lidstaten van de Europese Unie hebben de Code ondertekend en passen deze te goeder trouw toe.
In het verleden heeft de Unie getracht resterende lacunes in de toepassing van de Code en het universele karakter ervan weg te werken, en daartoe in de marge van de jaarvergadering in 2007 een workshop van ondertekenende en niet-ondertekenende staten georganiseerd.
Als gevolg van de bemoedigende resultaten van de workshop heeft de Europese Unie dit initiatief gecontinueerd en de Code in drie opzichten ondersteund:
|
— |
zijn universele karakter; |
|
— |
de toepassing van de Code; |
|
— |
de aanscherping van de Code en van de werking ervan. |
Dit is geschied bij Besluit 2008/974/GBVB van de Raad van 18 december 2008, op grond waarvan verscheidene initiatieven ten gunste van de Code konden worden genomen, namelijk:
|
— |
het opzetten van een speciale beveiligde website; |
|
— |
het organiseren van nevenactiviteiten in Wenen en New York, bedoeld om de Code ingang te doen vinden bij niet-ondertekenende staten; |
|
— |
het organiseren van een bewustmakingsbijeenkomst in Parijs voor landen van Afrika en het Midden-Oosten; |
|
— |
een bezoek van waarnemers aan een lanceerinstallatie voor ruimtelanceervoertuigen in Frans Guyana (Kourou); |
|
— |
het opstellen van discussienota's. |
Dat besluit heeft ertoe bijgedragen bekendheid te geven aan en belangstelling te wekken voor de Code in derde landen. Het besluit is Costa Rica, Hongarije, Frankrijk en Roemenië van nut geweest tijdens hun voorzitterschap van de jaarvergadering van de Code-staten. Het besluit heeft de Code een duidelijker profiel gegeven, en aldus de toetreding van nieuwe leden bevorderd.
Gelet op de bereikte resultaten en de gestage verspreiding van ballistische raketten waarmee MVW kunnen worden overgebracht - vooral de lopende rakettenprogramma's in het Midden-Oosten, Noord-Oost-Azië, en Zuid-Azië, onder meer in Iran en de Democratische Volksrepubliek Korea - die in de internationale gemeenschap tot groeiende bezorgdheid leidt, zullen de volgende acties worden ondernomen:
|
— |
ondersteuning van de Code; |
|
— |
ondersteuning van non-proliferatie van ballistische raketten; |
|
— |
organisatie van nevenactiviteiten op het gebied van de Code en van non-proliferatie van ballistische raketten. |
Met dit besluit wordt niet alleen geijverd voor toetreding tot de Code, maar kan tevens het internationale debat over proliferatie van raketten worden verdiept en de belangstelling van nieuwe regio's en gemeenschappen worden gewekt.
2. BESCHRIJVING VAN HET PROJECT
2.1. Project 1: Ondersteuning van de Code
2.1.1. Doel van het project
De Code is een belangrijk instrument voor het terugdringen van de proliferatie van ballistische raketten en gerelateerde technologie door middel van vertrouwenwekkende maatregelen en transparantie. Er zal echter meer moeten worden ondernomen om deze te steunen; in het bijzonder moet:
|
— |
het universele karakter van de Code worden bevorderd, en worden gestreefd naar de ondertekening ervan door alle staten met een vermogen inzake ballistische raketten; |
|
— |
de toepassing van de Code in alle opzichten worden gesteund; |
|
— |
de Code meer bekendheid worden gegeven, met name ter gelegenheid van de tiende verjaardag van de ondertekening ervan. |
2.1.2. Beschrijving van het project
Het project voorziet in drie soorten activiteiten:
|
a) |
Samenstelling en verspreiding van een "introductiepakket", bestaande uit een brochure en een cd of een USB-stick, voor outreaching naar niet-ondertekenende staten, waarin ook de ondertekenende staten op hun verplichtingen wordt gewezen. Het pakket zal ook online beschikbaar zijn, en alle nodige informatie over de Code en de bevoegde contactpunten bevatten. |
|
b) |
Ondersteuning van het veilige op het internet gebaseerde informatie- en communicatiemechanisme in het kader van de Code (electronic Immediate Central Contact - "e-ICC"), onder meer door technische upgrading van de website, in nauwe samenwerking met het Oostenrijkse Ministerie van Buitenlandse Zaken. |
|
c) |
Organisatie van een activiteit ter gelegenheid van de tiende verjaardag van de Code. Activiteiten ter gelegenheid van deze verjaardag zullen door de uitvoeringsinstantie financieel worden gesteund. Het betreft hoofdzakelijk een internationale conferentie die in de winter van 2012-2013 zal plaatsvinden, mogelijk in Den Haag, New York of Wenen (de plaats wordt bepaald door de hoge vertegenwoordiger van de Unie voor buitenlandse zaken en veiligheidsbeleid (HV), in nauw overleg met de lidstaten in het kader van de bevoegde Raadsgroep). |
2.1.3. Verwachte resultaten van het project
|
— |
De voorzitter van de jaarvergadering van de Code-staten, het Oostenrijkse secretariaat („Immediate Central Contact” - "ICC"), de EU en andere partners maken bij de outreaching gebruik van het "introductiepakket". |
|
— |
Het "introductiepakket" wordt tijdens de verschillende activiteiten op grote schaal verspreid. |
|
— |
De speciale website van de Code wordt verder ontwikkeld en geüpgraded. |
|
— |
De Code krijgt een duidelijker internationaal profiel dankzij de organisatie van een internationale activiteit ter gelegenheid van zijn tiende verjaardag. |
2.1.4. Begunstigden van het project
De begunstigden van het project zijn zowel staten die de Code hebben ondertekend als staten die hem niet hebben ondertekend.
2.2. Project 2: Ondersteuning van non-proliferatie van ballistische raketten
2.2.1. Doel van het project
Los van de Code leidt de gestage verspreiding van ballistische raketten waarmee MVW kunnen worden overgebracht - vooral de lopende rakettenprogramma's in het Midden-Oosten, Noord-Oost-Azië, en Zuid-Azië, met name in Iran en de Democratische Volksrepubliek Korea - tot groeiende bezorgdheid in de internationale gemeenschap.
Meer in het algemeen zal met het project een reeks activiteiten ter bestrijding van de proliferatie van ballistische raketten worden ondersteund, die er met name op zijn gericht de dreiging meer onder de aandacht te brengen, de inspanningen op te voeren om de doeltreffendheid van multilaterale instrumenten te vergroten, de steun voor initiatieven tegen die specifieke uitdagingen op te voeren, en geïnteresseerde landen te helpen hun nationale uitvoercontroles te verscherpen.
2.2.2. Beschrijving van het project
Het project voorziet in drie soorten maatregelen:
|
a) |
Het opstellen van discussienota's, met als mogelijke thema's:
|
|
b) |
Het organiseren van drie bewustmakingssessies over technologie en kennis voor tweeërlei gebruik met betrekking tot ballistische raketten om te verhinderen dat ze worden overgedragen. Tijdens de sessies zal besproken worden hoe de overdracht van technologie voor ballistische raketten zich ontwikkelt en wat daar in een vroeg stadium meer tegen kan worden ondernomen. De FRS zal hiertoe drie workshops organiseren voor deskundigen, respectievelijk uit de wetenschaps- en de ruimtevaartwereld en het bedrijfsleven in ondertekenende en niet-ondertekenende staten. |
|
c) |
Specifieke missies buiten de Unie. In samenspraak met de excellentiecentra van de Europese Unie zullen twee deskundigen inzake non-proliferatie van ballistische raketten missies ter plaatse uitvoeren in bepaalde landen, bijvoorbeeld - doch niet alleen - Maleisië, de Verenigde Arabische Emiraten, China, Algerije, Zuid-Afrika, India, Brazilië, Thailand en Mexico. In nauw overleg met de EDEO zal worden bepaald welke landen uiteindelijk worden beoogd, en of het wenselijk is samen met het comité van VNVR-resolutie 1540 op te treden. |
2.2.3. Verwachte resultaten van het project
|
— |
Non-proliferatie van raketten wordt bevorderd. |
|
— |
Multilaterale inspanningen om de verspreiding van raketten tegen te gaan, waaronder de Code, worden aangemoedigd. |
|
— |
Het debat over nieuwe initiatieven om de verspreiding van raketten tegen te gaan, wordt gestimuleerd. |
|
— |
Bewustmakingssessies over technologie en kennis voor tweeërlei gebruik met betrekking tot ballistische raketten om te verhinderen dat deze worden overgedragen. |
2.2.4. Begunstigden van het project
De discussienota's zullen de Unie en de lidstaten van nut zijn; er zal een ruimere verspreiding aan worden gegeven als de HV, in nauw overleg met de lidstaten in het kader van de bevoegde Raadsgroep, daartoe besluit. Het definitieve besluit wordt gebaseerd op voorstellen die de uitvoeringsinstantie in overeenstemming met artikel 2, lid 2, doet.
De bewustmakingssessies, waar het bedrijfsleven, de onderzoekswereld en andere sectoren vertegenwoordigd zijn, zullen de gelegenheid bieden om contacten te leggen met deskundigen op het gebied van ruimtevaart en raketten.
Specifieke deskundigenmissies zullen worden uitgevoerd in belangrijke niet-ondertekenende staten of regionale actoren met een prominente rol op het gebied van technologieoverdracht en activiteiten die met ruimtevaart te maken hebben.
2.3. Project 3: Organisatie van nevenactiviteiten inzake de Code en non-proliferatie van ballistische raketten
2.3.1. Doel van het project
Het betreft een bewustmakingsproject inzake non-proliferatie van raketten en inzake de Code, met diverse activiteiten om niet-ondertekenende staten voor de Code te winnen. Daartoe zullen in de marge van VN-bijeenkomsten in Wenen, Genève en New York nevenactiviteiten worden georganiseerd om er de delegaties te overhalen.
2.3.2. Beschrijving van het project
Het project voorziet in twee soorten activiteiten:
|
a) |
De financiering van zes outreachingactiviteiten ten gunste van de Code en tegen de verspreiding van ballistische raketten, in drie steden:
Die activiteiten kunnen verschillende vormen aannemen:
De uitvoeringsinstantie zal met het oog hierop per activiteit een lijst van landen - al dan niet ondertekenende staten - aan de HV voorleggen. De doelgroep bestaat uit hooggeplaatste vertegenwoordigers die zich met de non-proliferatieproblematiek bezighouden. |
|
b) |
De financiering van drie regionale outreachingseminaries, in Latijns-Amerika (bijvoorbeeld Chili, Mexico, Argentinië, of Brazilië), het Midden-Oosten (bijvoorbeeld de Golfstaten, de VAE of Jordanië), en Azië (bijvoorbeeld Singapore of Vietnam). De plaats zal in overeenstemming met de HV, en in nauw overleg met de lidstaten in het kader van de bevoegde Raadsgroep worden gekozen. Tijdens het seminarie zullen de ontwikkelingen op het gebied van rakettenproliferatie, vooral uit regionaal oogpunt, worden belicht, en zal aandacht worden geschonken aan de Code en aan praktische voorlichting omtrent de status van ondertekenende staat. |
2.3.3. Verwachte resultaten van het project
|
— |
Meer aandacht kweken voor de ontwikkelingen op het gebied van proliferatie van raketten, meer bepaald voor de Gedragscode tegen de verspreiding van ballistische raketten met betrekking tot niet-ondertekenende staten, en het debat over verdere non-proliferatie van raketten stimuleren. |
|
— |
De discussie binnen en buiten de Unie over toekomstige initiatieven aanmoedigen. |
|
— |
Proliferatie van raketten als strategische uitdaging duidelijker in het licht te stellen. |
2.3.4. Begunstigden van het project
Deze activiteiten zijn in de eerste plaats gericht op de niet-ondertekenende staten, zij het dat om beleidsredenen ook ondertekenende staten erbij betrokken kunnen worden. De deelnemers moeten hoofdzakelijk regeringsdeskundigen en hoge ambtenaren zijn.
De begunstigde staten worden uiteindelijk gekozen in overleg tussen de uitvoeringsinstantie en de HV, die nauw overleg pleegt met de lidstaten in het kader van de bevoegde Raadsgroep. Het definitieve besluit wordt gebaseerd op voorstellen die de uitvoeringsinstantie in overeenstemming met artikel 2, lid 2, doet.
3. LOOPTIJD
De totale duur van de uitvoering van het project wordt op 24 maanden geraamd.
4. UITVOERINGSINSTANTIE
De FRS wordt belast met de technische uitvoering van het project.
De uitvoeringsinstantie stelt de volgende documenten op:
|
a) |
driemaandelijkse verslagen over de uitvoering van de projecten; |
|
b) |
een eindverslag uiterlijk één maand na het einde van de uitvoering van de projecten. |
De verslagen worden toegezonden aan de HV.
De FRS zorgt ervoor dat de bijdrage van de Unie zichtbaar is in verhouding tot de omvang ervan.
5. DEELNEMING DOOR DERDEN
De projecten worden in hun geheel op grond van dit besluit gefinancierd. Deskundigen van de ondertekenende en van niet-ondertekenende staten mogen als deelnemende derde worden beschouwd. Zij verrichten hun werkzaamheden volgens de standaardregels van de FRS.
|
24.7.2012 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 196/81 |
UITVOERINGSBESLUIT 2012/424/GBVB VAN DE RAAD
van 23 juli 2012
tot uitvoering van Besluit 2011/782/GBVB betreffende beperkende maatregelen tegen Syrië
DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,
Gezien het Verdrag betreffende de Europese Unie,
Gezien Besluit 2011/782/GBVB (1), en met name artikel 21, lid 1,
Overwegende hetgeen volgt:
|
(1) |
De Raad heeft op 1 december 2011 Besluit 2011/782/GBVB vastgesteld. |
|
(2) |
Gelet op de ernst van de situatie in Syrië moeten nog andere personen en entiteiten worden toegevoegd aan de in bijlage I bij Besluit 2011/782/GBVB opgenomen lijst van personen en entiteiten die onderworpen zijn aan beperkende maatregelen, |
HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:
Artikel 1
De in de bijlage bij dit besluit genoemde personen en entiteiten worden toegevoegd aan de lijst in bijlage I bij Besluit 2011/782/GBVB.
Artikel 2
Dit besluit treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Gedaan te Brussel, 23 juli 2012.
Voor de Raad
De voorzitter
C. ASHTON
BIJLAGE
Personen en entiteiten bedoeld in artikel 1
Personen
|
|
Naam |
Identificatiegegevens |
Redenen |
Datum van plaatsing op de lijst |
|
1. |
Brigadegeneraal Sha’afiq Masa |
|
Hoofd van afdeling 215 (Damascus) van de inlichtingendienst van de landmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. Betrokken bij de onderdrukking van de burgerbevolking |
24.7.2012 |
|
2. |
Brigadegeneraal Burhan Qadour |
|
Hoofd van afdeling 291 (Damascus) van de inlichtingendienst van de landmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
3. |
Brigadegeneraal Salah Hamad |
|
Adjunct-hoofd van afdeling 291 (Damascus) van de inlichtingendienst van de landmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
4. |
Brigadegeneraal Muhammad (of: Mohammed) Khallouf (alias Abou Ezzat) |
|
Hoofd van afdeling 235, de zogenaamde afdeling "Palestina" (Damascus), van de inlichtingendienst van de landmacht, die de kern vormt van het repressieapparaat van het leger. Is rechtstreeks betrokken bij de onderdrukking van de tegenstanders van het regime. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
5. |
Generaal-majoor Riad al-Ahmed |
|
Hoofd van de afdeling Latakia van de inlichtingendienst van de landmacht. Verantwoordelijk voor het folteren en het ombrengen van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
6. |
Brigadegeneraal Abdul Salam Fajr Mahmoud |
|
Hoofd van de afdeling Bab Touma (Damascus) van de inlichtingendienst van de luchtmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
7. |
Brigadegeneraal Jawdat al-Ahmed |
|
Hoofd van de afdeling Homs van de inlichtingendienst van de luchtmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
8. |
Kolonel Qusay Mihoub |
|
Hoofd van de afdeling Deraa (is van Damascus naar Deraa gestuurd bij het begin van de betogingen in Deraa) van de inlichtingendienst van de luchtmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
9. |
Kolonel Suhail Al-Abdullah |
|
Hoofd van de afdeling Latakia van de inlichtingendienst van de luchtmacht. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
10. |
Brigadegeneraal Khudr Khudr |
|
Hoofd van de afdeling Latakia van de algemene inlichtingendienst. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
11. |
Brigadegeneraal Ibrahim Ma’ala |
|
Hoofd van afdeling 285 (Damascus) van de algemene inlichtingendienst (heeft eind 2011 brigadegeneraal Hussam Fendi vervangen). Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
12. |
Brigadegeneraal Firas Al-Hamed |
|
Hoofd van afdeling 318 (Homs) van de algemene inlichtingendienst. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
13. |
Brigadegeneraal Hussam Luqa |
|
Hoofd van de afdeling Homs van het directoraat politieke veiligheid sinds april 2012 (heeft brigadegeneraal Nasr al-Ali opgevolgd) Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
14. |
Brigadegeneraal Taha Taha |
|
Verantwoordelijk voor de site van de afdeling Latakia van het directoraat politieke veiligheid. Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
15. |
Brigadegeneraal Nasr al-Ali |
|
Verantwoordelijk voor de site van Deraa van het directoraat politieke veiligheid sinds april 2012 (voormalig hoofd van de afdeling Homs). Verantwoordelijk voor de foltering van in hechtenis gehouden opponenten. |
24.7.2012 |
|
16. |
Bassel Bilal |
|
Politieofficier in de centrale gevangenis van Idlib. Heeft rechtstreeks deelgenomen aan folterpraktijken op opponenten die in de centrale gevangenis van Idlib in hechtenis worden gehouden. |
24.7.2012 |
|
17. |
Ahmad Kafan |
|
Politieofficier in de centrale gevangenis van Idlib. Heeft rechtstreeks deelgenomen aan folterpraktijken op opponenten die in de centrale gevangenis van Idlib in hechtenis worden gehouden. |
24.7.2012 |
|
18. |
Bassam al-Misri |
|
Politieofficier in de centrale gevangenis van Idlib. Heeft rechtstreeks deelgenomen aan folterpraktijken op opponenten die in de centrale gevangenis van Idlib in hechtenis worden gehouden. |
24.7.2012 |
|
19. |
Ahmed al-Jarroucheh |
Geboortejaar: 1957 |
Hoofd van de externe afdeling van de algemene inlichtingendienst (afdeling 279). Is in die hoedanigheid verantwoordelijk voor het apparaat van de algemene inlichtingendienst in de Syrische ambassades. Neemt rechtstreeks deel aan de onderdrukking van de opponenten door de Syrische autoriteiten en is met name belast met de onderdrukking van de Syrische opponenten in het buitenland. |
24.7.2012 |
|
20. |
Michel Kassouha (alias Ahmed Salem; alias Ahmed Salem Hassan) |
Geboortedatum: 1 februari 1948 |
Lid van de Syrische veiligheidsdiensten sinds het begin van de jaren zeventig; is betrokken bij de strijd tegen de opponenten in Frankrijk en Duitsland. Is sinds maart 2006 verantwoordelijk voor de betrekkingen van afdeling 273 van de Syrische algemene inlichtingendienst. Van oudsher kaderlid, is hij een getrouwe van het hoofd van de algemene inlichtingendienst Ali Mamlouk, een van de belangrijkste kaderleden inzake veiligheid van het regime jegens wie sinds 9 mei beperkende maatregelen van de EU gelden. Verleent rechtstreeks steun aan de onderdrukking van de opponenten door het regime en is met name belast met de onderdrukking van de Syrische opponenten in het buitenland. |
24.7.2012 |
|
21. |
Generaal Ghassan Jaoudat Ismail |
Geboortejaar: 1960 Plaats van herkomst: Derikich, regio Tartous |
Verantwoordelijke voor de afdeling missies van de inlichtingendienst van de luchtmacht, die, in samenwerking met de afdeling bijzondere operaties, de elitetroepen van de inlichtingendiensten van de luchtmacht beheert; deze troepen spelen een belangrijke rol in de onderdrukking door het regime. In die hoedanigheid behoort Ghassan Jaoudat Ismail tot de militaire verantwoordelijken die rechtstreeks uitvoering geven aan de onderdrukking van de opponenten door het regime. |
24.7.2012 |
|
22. |
Generaal Amer al-Achi (alias Amis al Ashi; alias Ammar Aachi; alias Amer Ashi) |
|
Gediplomeerde van de militaire academie van Aleppo, hoofd van de afdeling inlichtingen van de inlichtingendienst van de luchtmacht (sinds 2012), getrouwe van Daoud Rajah, de Syrische minister van Defensie. Door zijn functies in de inlichtingendienst van de luchtmacht is Amer al- Achi betrokken bij de onderdrukking van Syrische opponenten. |
24.7.2012 |
|
23. |
Generaal Mohammed Ali Nasr (of: Mohammed Ali Naser) |
Geboortejaar: rond 1964 |
Getrouwe van Maher al-Assad, jongste broer van de president. Heeft het grootste deel van zijn loopbaan in de Republikeinse Garde doorgebracht. Maakt sinds 2010 deel uit van de interne afdeling (afdeling 251) van de algemene inlichtingendienst, die belast is met de bestrijding van de politieke oppositie. Als een van de voornaamste verantwoordelijken van die afdeling neemt generaal Mohammed Ali rechtstreeks deel aan de onderdrukking van de opponenten. |
24.7.2012 |
|
24. |
Generaal Issam Hallaq |
|
Chef-staf van de luchtmacht sinds 2010. Voert het bevel over de operaties van de luchtmacht tegen de opponenten. |
24.7.2012 |
|
25. |
Ezzedine Ismael |
Geboortedatum: medio jaren veertig (waarschijnlijk 1947). Geboorteplaats: Bastir, regio Jableh. |
Generaal in ruste en van oudsher kaderlid van de inlichtingendienst van de luchtmacht, die hij leidt sinds het begin van de jaren 2000. Werd in 2006 politiek en veiligheidsadviseur van de president. Als politiek en veiligheidsadviseur van de Syrische president is Ezzedine Ismael betrokken bij het onderdrukkingsbeleid jegens de opponenten van het regime. |
24.7.2012 |
|
26. |
Samir Joumaa (alias Abou Sami) |
Geboortejaar: rond 1962 |
Is sinds bijna 20 jaar hoofd van het kabinet van Mohammad Nassif Kheir Bek, een van de voornaamste veiligheidsadviseurs van Bashar al-Assad (die officieel de functie bekleedt van adjunct van vice-president Farouk al-Sharaa). Als getrouwe van Basjar al-Assad en Mohammed Nassif Kheir Bek is Samir Joumaa betrokken bij het onderdrukkingsbeleid jegens de opponenten van het regime. |
24.7.2012 |
Entiteiten
|
|
Naam |
Identificatiegegevens |
Redenen |
Datum van plaatsing op de lijst |
||||
|
1. |
Drex Technologies S.A. |
Datum van oprichting: 4 juli 2000 Oprichtingsnummer: 394678 Directeur: Rami Makhlouf Geregistreerd vertegenwoordiger: Mossack Fonseca & Co (BVI) Ltd |
Drex Technologies is volledig in handen van Rami Makhlouf, die op de EU-lijst is geplaatst van personen voor wie beperkende maatregelen gelden, wegens het verlenen van financiële steun aan het Syrische regime. Rami Makhlouf gebruikt Drex Technologies om zijn internationale financiële deelnemingen te beheren en te faciliteren, onder meer een meerderheidsbelang in SyriaTel, dat door de EU al eerder op de lijst is geplaatst omdat het eveneens financiële steun aan het Syrische regime verleent. |
24.7.2012 |
||||
|
2. |
Cotton Marketing Organisation |
|
Staatsbedrijf. Verleent financiële steun aan het regime. |
|
||||
|
3. |
Syrian Arab Airlines (alias SAA, alias Syrian Air) |
|
Overheidsbedrijf dat onder het gezag staat van het regime. Verstrekt financiële steun aan het regime. |
24.7.2012 |