ISSN 1977-0758

doi:10.3000/19770758.L_2012.182.nld

Publicatieblad

van de Europese Unie

L 182

European flag  

Uitgave in de Nederlandse taal

Wetgeving

55e jaargang
13 juli 2012


Inhoud

 

II   Niet-wetgevingshandelingen

Bladzijde

 

 

VERORDENINGEN

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 626/2012 van de Raad van 26 juni 2012 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 349/2012 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op wijnsteenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China

1

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 627/2012 van de Raad van 10 juli 2012 tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek en het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen, die betrekking hebben op de bij Verordening (EG) nr. 1425/2006 ingestelde antidumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer van bepaalde kunststof zakken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand

6

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 628/2012 van de Commissie van 6 juli 2012 tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Rheinisches Zuckerrübenkraut / Rheinischer Zuckerrübensirup / Rheinisches Rübenkraut (BGA)]

10

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 629/2012 van de Commissie van 6 juli 2012 houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Nostrano Valtrompia (BOB)]

12

 

*

Verordening (EU) nr. 630/2012 van de Commissie van 12 juli 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat betreft de typegoedkeuringsvoorschriften voor motorvoertuigen op waterstof en op mengsels van waterstof en aardgas met betrekking tot emissies, alsmede de opneming van specifieke informatie betreffende met een elektrische aandrijflijn uitgeruste voertuigen in het inlichtingenformulier voor EG-typegoedkeuring ( 1 )

14

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 631/2012 van de Commissie van 12 juli 2012 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1295/2008 betreffende de invoer van hop uit derde landen

27

 

*

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 632/2012 van de Commissie van 12 juli 2012 tot 174e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa‘ida-netwerk

31

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 633/2012 van de Commissie van 12 juli 2012 tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

33

 

 

Uitvoeringsverordening (EU) nr. 634/2012 van de Commissie van 12 juli 2012 tot wijziging van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2011/2012

35

 

 

BESLUITEN

 

 

2012/375/EU

 

*

Uitvoeringsbesluit van de Raad van 22 juni 2012 tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Ierland

37

 

 

2012/376/EU

 

*

Besluit van de Raad van 10 juli 2012 houdende benoeming van een Spaanse plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

39

 

 

2012/377/EU

 

*

Besluit van de Raad van 10 juli 2012 houdende benoeming van een Duits lid van het Comité van de Regio’s

40

 

 

2012/378/EU

 

*

Besluit van de Raad van 10 juli 2012 houdende benoeming van een Spaanse plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

41

 

 

HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

 

 

2012/379/EU

 

*

Besluit nr. 3/2012 van de Gemengde Commissie EU-EVA gemeenschappelijk douanevervoer van 26 juni 2012 tot wijziging van de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987

42

 


 

(1)   Voor de EER relevante tekst

NL

Besluiten waarvan de titels mager zijn gedrukt, zijn besluiten van dagelijks beheer die in het kader van het landbouwbeleid zijn genomen en die in het algemeen een beperkte geldigheidsduur hebben.

Besluiten waarvan de titels vet zijn gedrukt en die worden voorafgegaan door een sterretje, zijn alle andere besluiten.


II Niet-wetgevingshandelingen

VERORDENINGEN

13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 626/2012 VAN DE RAAD

van 26 juni 2012

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 349/2012 van de Raad tot instelling van een definitief antidumpingrecht op wijnsteenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9 en artikel 11, leden 3, 5, en 6,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie („Commissie”), ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

In 2006 heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 130/2006 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op wijnsteenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China („de VRC” of „het betrokken land”) („de oorspronkelijke antidumpingmaatregelen”). Die verordening is gewijzigd bij Verordening (EG) nr. 150/2008 van de Raad (3). In 2012 heeft de Raad bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 332/2012 (4) deze maatregelen gewijzigd en hen bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 349/2012 (5) met vijf jaar verlengd.

2.   Opening van een tussentijds nieuw onderzoek

(2)

De volgende producenten in de Unie hebben een verzoek om een nieuw onderzoek ingediend: Distillerie Bonollo SpA, Industria Chimica Valenzana SpA, Distillerie Mazzari SpA, Caviro Distillerie Srl en Comercial Quimica Sarasa s.l. („de indieners van het verzoek”).

(3)

Het verzoek om een nieuw onderzoek was beperkt tot het aspect dumping en tot twee producenten-exporteurs uit de VRC, namelijk Changmao Biochemical Engineering Co., Ltd, Changzhou, en Ninghai Organic Chemical Factory, Ninghai. In het verzoek werd aangevoerd dat handhaving van de maatregelen op het bestaande niveau, dat was gebaseerd op de eerder vastgestelde dumpingmarge, niet langer voldoende leek om de dumping te neutraliseren, aangezien beide ondernemingen een behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) moet worden geweigerd.

(4)

Daar de Commissie tot de conclusie was gekomen dat er voldoende voorlopig bewijsmateriaal was om een procedure voor een nieuw onderzoek in te leiden en na overleg in het Raadgevend Comité, heeft zij op 29 juli 2011 door middel van bekendmaking van een bericht in het Publicatieblad van de Europese Unie (6) („het bericht van opening”) de opening van een tot dumping beperkt tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening aangekondigd.

3.   Onderzoek

3.1.   Onderzoektijdvak

(5)

Het dumpingonderzoek had betrekking op de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 juni 2011 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”).

3.2.   Bij dit onderzoek betrokken partijen

(6)

De Commissie heeft de beide producenten-exporteurs in het betrokken land en de autoriteiten van het betrokken land van de opening van het tussentijdse nieuwe onderzoek in kennis gesteld.

(7)

Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening vermelde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

3.3.   Antwoorden op de vragenlijst en controles

(8)

De Commissie heeft een vragenlijst toegezonden aan de beide in het verzoek genoemde producenten-exporteurs en aan producenten in het referentieland, Argentinië.

(9)

De vragenlijst werd beantwoord door de twee producenten-exporteurs uit de VRC en door de medewerkende producent uit het referentieland.

(10)

Om de beide producenten-exporteurs in de VRC in staat te stellen desgewenst een verzoek om behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) of individuele behandeling („IB”) in te dienen, heeft de Commissie hun de desbetreffende formulieren toegezonden. Van beide heeft de Commissie een verzoek om een BMO of, indien uit het onderzoek zou blijken dat zij niet aan de daarvoor geldende voorwaarden voldoen, om een IB ontvangen.

(11)

De Commissie heeft alle gegevens die nodig werden geacht voor de vaststelling van dumping ingewonnen en gecontroleerd en zij heeft een controlebezoek gebracht aan de volgende ondernemingen:

a)

producenten-exporteurs in de VRC:

Ninghai Organic Chemical Factory, Ninghai

Changmao Biochemical Engineering Co., Ltd, Changzhou

b)

producenten-exporteurs in het referentieland:

TARCOL SA, Buenos Aires

B.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT

1.   Betrokken product

(12)

Het bij dit nieuwe onderzoek betrokken product is hetzelfde als in het oorspronkelijk onderzoek, namelijk wijnsteenzuur, met uitzondering van D-(–)-wijnsteenzuur met een negatieve optische rotatie van ten minste 12,0 graden, gemeten in een wateroplossing volgens de in de Europese Farmacopee beschreven methode, van oorsprong uit de VRC, en momenteel ingedeeld onder GN-code ex 2918 12 00 („het betrokken product”).

(13)

Het betrokken product wordt gebruikt in wijn, dranken en voedingsadditieven, als vertragend middel in pleister en in talrijke andere producten. Het wordt verkregen uit de bijproducten van de wijnproductie (dit is het geval bij productie in de EU) of uit petrochemische verbindingen door middel van chemische synthese (dit is het geval bij productie in de VCR). Enkel L(+)-wijnsteenzuur wordt geproduceerd uit de bijproducten van de wijnproductie. Via synthetische productie kan zowel L(+)- als DL-wijnsteenzuur vervaardigd worden. Beide typen worden beschouwd als betrokken product en worden voor deels dezelfde doeleinden gebruikt.

2.   Soortgelijk product

(14)

Zoals bij het vorige onderzoek werd ook bij dit onderzoek geoordeeld dat wijnsteenzuur dat wordt vervaardigd in de VRC en naar de Unie wordt uitgevoerd, wijnsteenzuur dat wordt vervaardigd en verkocht in het referentieland (Argentinië) en wijnsteenzuur dat door de producenten in de Unie wordt vervaardigd en verkocht in de Unie dezelfde fysieke en chemische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde doeleinden worden gebruikt. Daarom werden al deze producten beschouwd als soortgelijke producten in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening.

C.   DUMPING

1.   Behandeling als marktgerichte onderneming

(15)

Beide in de aanvraag genoemde ondernemingen hebben een behandeling als marktgerichte onderneming aangevraagd. Ingevolge artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening dient bij antidumpingonderzoeken betreffende producten van oorsprong uit de VRC de normale waarde voor producenten die aan de criteria van lid 7, onder c), van dat artikel voldoen, overeenkomstig de leden 1 tot en met 6 van dat artikel te worden vastgesteld.

(16)

Gemakshalve worden de BMO-criteria hieronder kort samengevat:

1.

besluiten van ondernemingen en de door hen gemaakte kosten zijn een reactie op marktsignalen, zonder staatsinmenging van betekenis;

2.

de boekhouding staat onder controle van een onafhankelijke instantie in overeenstemming met de internationale standaarden voor jaarrekeningen en bestrijkt alle terreinen;

3.

er zijn geen verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie;

4.

faillissements- en eigendomswetten bieden rechtszekerheid en stabiliteit;

5.

munteenheden worden tegen de marktkoers omgerekend.

(17)

Beide producenten in de VRC hebben op grond van artikel 2, lid 7, onder c),van de basisverordening verzocht om een behandeling als marktgerichte onderneming. Elk BMO-verzoek werd geanalyseerd en bij de medewerkende ondernemingen werden controles ter plaatse verricht.

(18)

Aan de hand van bewijsmateriaal dat de prijs van de basisgrondstof (benzeen) was verstoord, werd op grond van criterium 1 van artikel 2, lid 7, onder c), beide ondernemingen een BMO geweigerd. Bij een vergelijking van de binnenlandse prijzen in de VRC, waarbij de aankoopprijs van een medewerkende producent als bron gebruikt werd, met de prijzen in andere landen met een markteconomie bleek dat er in het onderzoektijdvak een prijsverschil was van 19 % tot 51 %. De VRC heft een invoerrecht van 40 % op benzeen (hoewel dit eigenlijk tijdens het TNO niet van kracht was) en doet geen terugbetalingen van de 17 % btw op haar uitvoer. Er werden tevens verstoringen vastgesteld bij de prijs van de door de medewerkende producent aangekochte intermediaire grondstof, maleïnezuuranhydride, dat voor de vervaardiging van wijnsteenzuur wordt gebruikt.

(19)

Omdat uit bewijsmateriaal bleek dat de prijzen van de grondgebruiksrechten gedrukt werden en dat de activa van de onderneming voor de garantie van een lening van een staatsbank overgewaardeerd waren, werd aan een van de ondernemingen ook op grond van de criteria 2 en 3 een BMO geweigerd.

(20)

Nadat de bevindingen van de Commissie werden bekendgemaakt, hebben beide ondernemingen deze betwist. Geen van beide ondernemingen kon echter de lage prijs van benzeen op de markt van de VRC verklaren. De in overweging 19 bedoelde onderneming heeft documenten voorgelegd om de bevindingen van de Commissie betreffende de prijzen van de grondgebruiksrechten en de waardering van haar activa te betwisten. Aangezien tijdens de controle om deze documenten werd verzocht, maar zij niet ter beschikking werden gesteld, werd daarom besloten dat deze informatie niet controleerbaar of betrouwbaar was.

(21)

Aan beide ondernemingen is derhalve een BMO geweigerd.

(22)

Beide ondernemingen voldoen echter aan de voorschriften van artikel 9, lid 5, van de basisverordening en komen in aanmerking voor een individueel antidumpingrecht waarbij hun eigen uitvoerprijzen worden gebruikt.

2.   Referentieland

(23)

Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening was de normale waarde vastgesteld op basis van de prijs of de door berekening vastgestelde normale waarde in een geschikt derde land met een markteconomie („het referentieland”), of op basis van de prijs bij uitvoer uit het referentieland naar andere landen, met inbegrip van de Unie, of, indien zulks niet mogelijk was, op elke andere redelijke grondslag, met inbegrip van de in de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs van het soortgelijke product, indien nodig verhoogd met een redelijke winstmarge.

(24)

Evenals bij het oorspronkelijke onderzoek werd in het bericht van opening Argentinië voorgesteld als geschikt referentieland om de normale waarde overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening vast te stellen. Na bekendmaking van het bericht van opening werden één onderneming in India en één onderneming in Australië geïdentificeerd als mogelijke alternatieve producenten in een derde land met een markteconomie. Geen van beide ondernemingen heeft echter op de hun toegezonden vragenlijst geantwoord.

(25)

Eén producent van wijnsteenzuur in Argentinië heeft aan het onderzoek meegewerkt en de vragenlijst beantwoord. Uit onderzoek blijkt dat Argentinië beschikt over een concurrerende markt voor wijnsteenzuur met twee concurrerende plaatselijke producenten en invoer uit derde landen. Het productievolume in Argentinië bedraagt meer dan 20 % van het volume van de VRC-uitvoer van het betrokken product naar de Unie. De markt van Argentinië werd derhalve geacht in voldoende mate representatief te zijn om de normale waarde voor de VRC te kunnen vaststellen.

(26)

Derhalve luidt de conclusie, zoals in het vorige onderzoek, dat Argentinië een geschikt referentieland is in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening.

3.   Normale waarde

(27)

De normale waarde is vastgesteld aan de hand van de gegevens van de medewerkende producent in het referentieland. Hoewel de producent in het referentieland binnenlandse verkoop had van het betrokken product, werd omwille van de verschillende productiemethoden in Argentinië en de VRC die prijzen en kosten aanzienlijk beïnvloeden, besloten om de normale waarde te berekenen in plaats van de prijzen van de binnenlandse verkoop te gebruiken. De kosten van de grondstoffen in Argentinië werden vervangen door een gemiddelde marktprijs voor benzeen en een aanpassing van de VAA-kosten in Argentinië om de binnenlandse markt in de VRC beter weer te geven.

(28)

De normale waarde voor L(+)- wijnsteenzuur (geproduceerd door de Argentijnse producent) werd daarom berekend op basis van de productiekosten van L(+)- wijnsteenzuur in Argentinië, rekening houdend met het verschil in productiemethoden tussen Argentinië en de VRC.

(29)

Aangezien de Argentijnse producent geen DL-wijnsteenzuur produceerde, werd eveneens een normale waarde berekend waarin het prijsverschil tussen de twee producttypes gebruikt werd.

4.   Uitvoerprijs

(30)

Voor beide producenten-exporteurs in de VRC werden de uitvoerprijzen bepaald aan de hand van de door de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs.

5.   Vergelijking

(31)

Om overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening een billijke vergelijking tussen de normale waarde en de uitvoerprijs te kunnen maken, werden correcties toegepast om rekening te houden met verschillen betreffende vervoer, verzekering en indirecte belasting, indien deze van invloed waren op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen.

6.   Dumpingmarges

(32)

Overeenkomstig artikel 2, lid 11, van de basisverordening werd voor beide ondernemingen de gewogen gemiddelde normale waarde voor elke product vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs voor dezelfde productsoort.

(33)

Op grond hiervan bedragen de gewogen gemiddelde dumpingmarges, in procenten van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring:

Onderneming

Dumpingmarge

Changmao Biochemical Engineering Co., Ltd, Changzhou

13,1  %

Ninghai Organic Chemical Factory, Ninghai

8,3  %

7.   Blijvende aard van de gewijzigde omstandigheden

(34)

In het verzoek om een nieuw onderzoek werd aangevoerd dat aan de twee producenten-exporteurs in de VRC niet langer een BMO moest worden toegekend en dat deze wijziging van blijvende aard was. Gezien de redenen waarom een BMO wordt geweigerd, kunnen de conclusies van dit nieuwe onderzoek van blijvende aard worden beschouwd. Uit bewijsmateriaal blijkt dat verstoringen in de benzeenprijs in de VRC al voor het TNO bestonden en er zijn geen bewijzen dat de regering van de VRC dergelijke verstoringen heeft opgeheven of zal opheffen.

(35)

Omwille van de in overweging 19 uiteengezette ondernemingsspecifieke redenen zijn deze eveneens van blijvende aard, omdat zij de kosten van de onderneming en de besluitvorming voor lange tijd beïnvloeden. Hierbij ging het niet om gebeurtenissen die invloed zouden hebben gehad op het oorspronkelijke onderzoek waarbij aan deze onderneming een BMO werd toegekend.

D.   WIJZIGING VAN DE GELDENDE ANTIDUMPINGMAATREGELEN

(36)

Op grond van het bovenstaande wordt geoordeeld dat als gevolg van dit nieuwe antidumpingonderzoek de hoogte van de geldende maatregelen voor de invoer van wijnsteenzuur uit de VRC moet worden gewijzigd.

(37)

Alle partijen zijn in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie wil aanbevelen de bestaande maatregelen te wijzigen. De belanghebbenden konden hierover binnen een bepaalde termijn na deze mededeling opmerkingen maken.

(38)

Eén onderneming in de VRC heeft op deze mededeling gereageerd en betwistte opnieuw de bevindingen betreffende de weigering van een BMO op basis van de prijsverstoring bij de voornaamste grondstof. De onderneming heeft echter geen nieuw bewijsmateriaal aangevoerd om haar beweringen te staven en haar argumenten werden daarom dan ook verworpen. Zij vroeg tevens om aanvullende informatie betreffende de in overweging 27 bedoelde correcties, maar ook dit verzoek moest worden verworpen, aangezien hieraan onmogelijk gevolg kon worden gegeven zonder de productiemethode en -kosten van de enige producent in Argentinië bekend te maken.

(39)

De bedrijfstak van de Unie heeft op de mededeling gereageerd en betwistte het gebruik van een berekende normale waarde in plaats van de binnenlandse verkoopprijzen in het referentieland, en de eerder genoemde correcties op de berekende normale waarde om de verschillen bij de grondstoffen en de productieprocessen tussen Argentinië en de VRC weer te geven.

(40)

Het gebruik van een berekende normale waarde in plaats van prijzen in Argentinië kan niet worden beschouwd als een verandering van methodologie overeenkomstig artikel 11, lid 9, van de basisverordening. Bij het oorspronkelijke onderzoek werd aan beide ondernemingen in de VRC een BMO toegekend en daarom werd de normale waarde ontleend aan hun eigen binnenlandse prijzen. Nu aan beide ondernemingen een BMO geweigerd is, kon diezelfde methodologie niet langer worden gebruikt.

(41)

De bedrijfstak van de Unie voerde voorts aan dat de Commissie de in het oorspronkelijke onderzoek uiteengezette methodologie voor het vaststellen van het residuele recht voor de VRC had moeten toepassen om de individuele marges voor de twee bij dit nieuwe onderzoek betrokken exporteurs te berekenen. Dit argument werd verworpen aangezien het residuele recht werd berekend voor ondernemingen die niet aan het oorspronkelijke onderzoek hadden meegewerkt. Dit is derhalve niet te vergelijken met de berekening van een individueel recht voor een medewerkende exporteur aan wie een BMO is geweigerd.

(42)

De op de bovengenoemde normale waarde toegepaste correcties waren noodzakelijk om een billijke vergelijking te waarborgen tussen de uitvoerprijs van synthetisch geproduceerd wijnsteenzuur en een normale waarde gebaseerd op een natuurlijk productieproces. Dezelfde berekening op basis van binnenlandse verkoopprijzen in Argentinië en de correctie van de normale waarde en/of uitvoerprijs volgens artikel 2, lid 10, van de basisverordening zou geen billijke vergelijking opgeleverd hebben. Deze argumenten werden daarom afgewezen.

E.   VERBINTENISSEN

(43)

Een van de producenten-exporteurs in de VRC heeft in overeenstemming met artikel 8, lid 1, van de basisverordening een prijsverbintenis aangeboden. Het betrokken product is door de volatiliteit van de uitvoerprijs niet geschikt voor een vaste prijsverbintenis. Als oplossing voor dit probleem heeft de producent-exporteur een indexeringsclausule voorgesteld, zonder echter te specificeren hoe deze indexering zou worden berekend. Hij heeft tevens een indexering op basis van de verstoorde binnenlandse prijs voor benzeen in de VRC voorgesteld, wat niet kon worden aanvaard.

(44)

Deze producent-exporteur produceert bovendien verschillende soorten andere chemische producten en kan deze producten via verbonden handelsondernemingen aan gewone afnemers in de Europese Unie verkopen Dit zou een ernstig risico van kruiscompensatie scheppen en een doeltreffend toezicht bijzonder moeilijk maken.

(45)

Bovendien zijn verschillende soorten van het betrokken product moeilijk van elkaar te onderscheiden en vertonen zijn een aanzienlijk prijsverschil. De verschillende door de producent-exporteur voorgestelde MIP's zouden daardoor het toezicht onuitvoerbaar maken. Op basis hiervan werd geconcludeerd dat de voorgestelde verbintenissen onaanvaardbaar zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De tabel in artikel 1, lid 2, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 349/2012 wordt gewijzigd en komt als volgt te luiden:

„Onderneming

Antidumpingrecht

Aanvullende Taric-code

Changmao Biochemical Engineering Co., Ltd, Changzhou

13,1  %

A688

Ninghai Organic Chemical Factory, Ninghai

8,3  %

A689

Alle andere ondernemingen (met uitzondering van Hangzhou Bioking Biochemical Engineering Co. Ltd, Hangzhou — aanvullende Taric-code A687 ).

34,9  %

A999 ”

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 26 juni 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

N. WAMMEN


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB L 23 van 27.1.2006, blz. 1.

(3)   PB L 48 van 22.2.2008, blz. 1.

(4)   PB L 108 van 20.4.2012, blz. 1.

(5)   PB L 110 van 24.4.2012, blz. 3.

(6)   PB C 223 van 29.7.2011, blz. 16.


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/6


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 627/2012 VAN DE RAAD

van 10 juli 2012

tot beëindiging van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek en het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van maatregelen, die betrekking hebben op de bij Verordening (EG) nr. 1425/2006 ingestelde antidumpingmaatregelen met betrekking tot de invoer van bepaalde kunststof zakken van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 11, leden 2, 3, 5 en 6, en artikel 9,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie, ingediend na raadpleging van het Raadgevend Comité,

Overwegende hetgeen volgt:

A.   PROCEDURE

1.   Geldende maatregelen

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1425/2006 (2) heeft de Raad een definitief antidumpingrecht op bepaalde kunststof zakken van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”) en Thailand ingesteld.

(2)

Deze verordening werd vervolgens gewijzigd bij de Verordeningen (EG) nr. 1356/2007 (3), (EG) nr. 249/2008 (4) en (EG) nr. 189/2009 (5) van de Raad en de Uitvoeringsverordeningen (EU) nr. 474/2011 (6) en (EU) nr. 475/2011 van de Raad (7).

2.   Verzoeken om nieuwe onderzoeken en opening van de onderzoeken

(3)

Op 18 mei 2010 ontving de Commissie van Greenwood Houseware (Zhuhai) Ltd, een producent-exporteur van bepaalde kunststof zakken in de VRC („de indiener van het verzoek”) een verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek in verband met Verordening (EG) nr. 1425/2006.

(4)

Na de bekendmaking van een bericht dat de van kracht zijnde definitieve antidumpingmaatregelen op korte termijn zouden vervallen, ontving de Commissie in verband daarmee een op 30 juni 2011 ingediend verzoek om een nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening.

(5)

Dit verzoek werd gedaan door 44 producenten in de Unie, die ongeveer 30 % van de geschatte totale productie van bepaalde kunststof zakken in de Unie vertegenwoordigen.

(6)

Het verzoek werd ingediend op grond van het vermoeden dat het vervallen van de maatregelen tot voortzetting van de dumping en de schade leidt.

(7)

Daar de Commissie na raadpleging van het Raadgevend Comité had vastgesteld dat er voldoende bewijsmateriaal was voor een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek en een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen, kondigde zij de opening van een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek aan op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening en van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van die verordening in berichten die op 21 september 2010 resp. 27 september 2011 in het Publicatieblad van de Europese Unie werden bekendgemaakt.

3.   Onderzoeken

3.1.   Onderzoektijdvakken

(8)

Het onderzoek dat in het kader van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen werd gedaan naar de voortzetting of herhaling van de dumping en de schade, had betrekking op de periode van 1 juli 2010 tot en met 30 juni 2011 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek naar de ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van schade had betrekking op de periode van 1 januari 2008 tot het eind van het TNO („de beoordelingsperiode”).

(9)

Het TNO voor het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek dat beperkt was tot het onderzoek van dumping door Greenwood Houseware (Zhuhai) Ltd had betrekking op de periode van 1 april 2009 tot en met 30 juni 2010.

3.2.   Betrokken product en soortgelijk product

(10)

Bij het betrokken product gaat het bij beide onderzoeken om kunststof zakken met een gehalte aan polyetheen van minimaal 20 gewichtspercenten en met een dikte van niet meer dan 100 micrometer (μm), van oorsprong uit de VRC en Thailand („het betrokken product”), momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 3923 21 00 , ex 3923 29 10 en ex 3923 29 90 .

(11)

Over het in de Unie geproduceerde en op de markt van de Unie verkochte product konden wegens de ontoereikende medewerking van de bedrijfstak van de Unie bij het nieuwe onderzoek bij het vervallen van de maatregelen (zie deel B) geen sluitende conclusies met betrekking tot artikel 1, lid 4, van de basisverordening worden getrokken.

(12)

Ten aanzien van het door de indiener van het verzoek om een tussentijds nieuw onderzoek geproduceerde en op de binnenlandse markt verkochte product en het in een potentieel referentieland geproduceerde en verkochte product dat voor het tussentijdse nieuwe onderzoek wordt gebruikt, wordt opgemerkt dat het onderzoek niet tot conclusies heeft geleid wegens de beëindiging van beide lopende onderzoeken en de intrekking van de bestaande maatregelen (zie deel B).

3.3.   Bij het onderzoek betrokken partijen

(13)

De Commissie heeft Greenwood Houseware (Zhuhai) Ltd en de vertegenwoordigers van de VRC officieel in kennis gesteld van de opening van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek dat beperkt was tot het onderzoek van dumping. Beide partijen werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(14)

De Commissie heeft de producenten in de Unie die het verzoek om het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen hadden ingediend, andere haar bekende producenten in de Unie en hun verenigingen, producenten-exporteurs, importeurs en de haar bekende gebruikers en hun verenigingen op de hoogte gebracht. Verder werden producenten in de mogelijke referentielanden, nl. India, Indonesië, Maleisië, Turkije en de VS, en de vertegenwoordigers van de VRC en Thailand over de opening van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen ingelicht. De belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om binnen de in het bericht van opening genoemde termijn hun standpunt schriftelijk kenbaar te maken en te verzoeken te worden gehoord.

(15)

Alle belanghebbenden die daar met opgave van redenen om hadden verzocht, werden gehoord.

3.4.   Steekproef van producenten in de Unie

(16)

Wegens het grote aantal bij het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen betrokken producenten in de Unie werd in het bericht van opening overwogen om overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening een steekproef te gebruiken.

3.4.1.   Beschrijving van de bedrijfstak van de Unie

(17)

De productie van kunststof zakken in de Unie is sterk gefragmenteerd, met een zeer groot aantal producenten van uiteenlopende omvang, waaronder een grote groep kleine producenten in verscheidene lidstaten.

(18)

Uit de informatie die in de openingsfase van het onderzoek werd verstrekt, kwam naar voren dat grote en middelgrote ondernemingen ongeveer 25 % van de medewerkende producenten en ongeveer 70 % van de productie van medewerkende producenten in de Unie vertegenwoordigen. Kleine ondernemingen maakten dus ongeveer 75 % van de medewerkende producenten en ongeveer 30 % van hun productie uit.

(19)

Bovendien bleek uit de informatie dat de productie in de Unie in diverse lidstaten plaatsvindt, maar vooral geconcentreerd is in Duitsland, Frankrijk, Spanje en Italië.

3.4.2.   Steekproefmethode

(20)

Ingevolge artikel 3, lid 2, van de basisverordening moet de vaststelling van de schade worden gebaseerd op positief bewijsmateriaal en een objectief onderzoek inhouden van onder meer de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie. Alle bevindingen inzake de schade en de daartoe verzamelde informatie moeten derhalve representatief zijn voor de gehele bedrijfstak van de Unie.

(21)

Hieruit volgt dat bij de samenstelling van de steekproef rekening moest worden gehouden met de sterke fragmentatie van de kunststofzakkenindustrie. Om conclusies te kunnen trekken die representatief zijn voor de gehele bedrijfstak van de Unie, werd het noodzakelijk geacht ervoor te zorgen dat ook een goede afspiegeling werd verkregen van de situatie van de kleine ondernemingen.

(22)

Voor de selectie van een representatieve steekproef van producenten in de Unie werden de medewerkende producenten in de Unie daarom op basis van de omvang van hun jaarlijkse productie in twee segmenten verdeeld: grote en middelgrote ondernemingen met een productie van meer dan 15 000 ton en kleine ondernemingen met een productie van minder dan 15 000 ton. Het was de bedoeling de grootste ondernemingen uit beide segmenten in de steekproef op te nemen.

(23)

Verder werd ook rekening gehouden met de geografische verspreiding van de producenten over de lidstaten, zoals beschreven in overweging 19.

3.4.3.   Procedure voor de selectie van de voorlopige steekproef

(24)

De procedure voor het verkrijgen van de voor de selectie van de steekproef van producenten in de Unie noodzakelijke informatie vloeide voort uit de in de openingsfase verkregen informatie. Bovendien bood het bericht van opening van het nieuwe onderzoek alle andere producenten de mogelijkheid zich kenbaar te maken als zij in de steekproef wilden worden opgenomen. Na de bekendmaking van het bericht van opening heeft geen enkele onderneming de Commissie gevraagd in de steekproef te worden opgenomen.

(25)

Op grond van de in de overwegingen 20 tot en met 23 uiteengezette criteria werden vijf producenten van de Unie met vestigingen in vier lidstaten in de steekproef geselecteerd. Het betreft telkens de grootste ondernemingen in elk van de twee segmenten, waarbij rekening werd gehouden met de omvang en de geografische locatie. Drie van deze ondernemingen behoren tot de grote en middelgrote ondernemingen en twee tot de kleine ondernemingen.

(26)

Bij de geselecteerde ondernemingen kwam ook de geografische spreiding tussen de lidstaten qua productie tot uitdrukking, waarbij Duitsland en Frankrijk de grote en middelgrote ondernemingen vertegenwoordigden en Spanje en Italië de kleine.

(27)

De aldus geselecteerde steekproef was goed voor 22,5 % van de totale productie van kunststof zakken van de medewerkende producenten, en voor 12,3 % van de geschatte totale productie in de Unie, berekend op basis van de in het verzoek genoemde cijfers voor de totale productie in de Unie.

(28)

In de openingsfase werden alle bekende producenten in de Unie in kennis gesteld van de samenstelling van de voorlopige steekproef en kregen zij de gelegenheid opmerkingen te maken. Er werden geen opmerkingen ontvangen.

B.   SITUATIE VAN DE BEDRIJFSTAK VAN DE UNIE

(29)

Er wordt aan herinnerd dat de vaststelling van de schade moet worden gebaseerd op bewijsmateriaal met betrekking tot de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie.

(30)

Daarom moest in de steekproef rekening worden gehouden met de fragmentatie van de bedrijfstak en werden ook vragenlijsten naar alle bekende producentenverenigingen in de Unie verzonden om de nodige algemene informatie over met name macro-economische indicatoren per lidstaat te verzamelen.

(31)

De representativiteit van de steekproef van producenten in de Unie werd ernstig aangetast door het feit dat de grootste in de steekproef opgenomen producent in het segment van grote en middelgrote ondernemingen en één producent in het segment van de kleine ondernemingen de Commissie ervan in kennis stelden dat zij de vragenlijst niet wensten te beantwoorden. Dit betekende dat slechts drie van de vijf in de steekproef opgenomen ondernemingen bleven meewerken en dat er geen of slechts gedeeltelijke informatie zou worden verkregen voor de vastgestelde segmenten en producerende lidstaten.

(32)

Daarom werden tal van pogingen ondernomen om met inachtneming van de in de overwegingen 17 tot en met 28 uiteengezette selectiemethoden een nieuwe representatieve steekproef samen te stellen.

(33)

Hiertoe werden in totaal zes extra producenten in de Unie die hun bereidheid hadden getoond om in de steekproef te worden opgenomen, aangewezen als mogelijke vervangers voor de twee ondernemingen die niet langer aan de steekproef wilden meewerken. Deze zes ondernemingen werden benaderd en hun werd gevraagd mee te werken en de vragenlijst voor producenten in de Unie in te vullen.

(34)

Van deze zes producenten in de Unie zegde er uiteindelijk slechts één, uit het segment van grote en middelgrote ondernemingen, toe te zullen meewerken. Er werd geen vervangende vertegenwoordiger voor de productie in Duitsland gevonden, terwijl dit land een van de grootste producenten van kunststof zakken in de Unie is.

(35)

Omdat de noodzakelijke representativiteit van de vastgestelde segmenten en producerende lidstaten niet kon worden bereikt, was het niet mogelijk een nieuwe steekproef in overeenstemming met artikel 17, lid 4, van de basisverordening samen te stellen.

(36)

Wegens de geringe medewerking van de kant van de in de steekproef opgenomen producenten in de Unie kon niet redelijkerwijs worden geconcludeerd dat de bij de medewerkende ondernemingen verzamelde gegevens een getrouw beeld geven van de situatie van de gehele bedrijfstak van de Unie, zodat niet goed kon worden vastgesteld of aan de in artikel 3, lid 2, van de basisverordening gestelde voorwaarden is voldaan.

(37)

Nadat een aantal malen geprobeerd was een nieuwe steekproef samen te stellen, herhaalde een groep producenten dat zij actief aan het nieuwe onderzoek bij het vervallen van maatregelen wilde meewerken; zij wezen er daarbij nog eens op hoe belangrijk de van kracht zijnde antidumpingmaatregelen voor de bedrijfstak van de Unie zijn. Deze groep producenten drukte zijn spijt uit dat slechts een van hen door de Commissie was gevraagd de vragenlijst in te vullen. In dit verband moet worden opgemerkt dat terdege rekening is gehouden met de bereidheid van deze ondernemingen om mee te werken en dat zij allemaal waren opgenomen in de groep ondernemingen die voor de selectie in de nieuwe steekproef in aanmerking kwamen. Om de vereiste representativiteit te waarborgen, moest de in de overwegingen 17 tot en met 28 beschreven selectiemethode evenwel ook voor de nieuwe steekproef in acht worden genomen. Aangezien slechts een van de ondernemingen in deze groep aan bovengenoemde criteria voldeed, kon alleen die onderneming worden gevraagd deel uit te maken van de steekproef. De andere ondernemingen waren van een omvang dan wel waren gevestigd in een lidstaat die al in voldoende mate in de steekproef vertegenwoordigd was.

(38)

Van de nationale verenigingen van Nederland, Spanje, Italië en ten dele ook Frankrijk werd enige informatie ontvangen over de productie, de verkoop en andere belangrijke macro-economische indicatoren voor hun land. De European Plastics Converters Association (EuPC) (Europese vereniging van de kunststof verwerkende industrie) heeft evenwel niet de vereiste informatie verschaft in de haar toegezonden specifieke vragenlijst, zodat geen sluitende macro-economische gegevens op het niveau van de Unie konden worden verzameld.

C.   BEËINDIGING VAN DE PROCEDURE

(39)

In het licht van het bovenstaande moet, in overeenstemming met artikel 9, lid 2, van de basisverordening het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen met betrekking tot de invoer van kunststof zakken uit de VRC en Thailand worden beëindigd.

(40)

Door de geringe medewerking van de producenten in de Unie en het ontbreken van een representatieve steekproef kon de Commissie niet beoordelen of wordt voldaan aan de in artikel 3, lid 2, en artikel 11, lid 2, van de basisverordening gestelde voorwaarden. Derhalve kan niet worden vastgesteld of het waarschijnlijk is dat het vervallen van de van kracht zijnde maatregelen tot een voortzetting of een herhaling van schade leidt, zodat het onderzoek om deze redenen moet worden beëindigd.

(41)

Hieruit volgt dat het tussentijdse nieuwe onderzoek irrelevant is geworden en ook moet worden beëindigd.

(42)

Alle belanghebbenden werden in kennis gesteld van de belangrijkste feiten en overwegingen op grond waarvan de Commissie voornemens was aan te bevelen de twee onderzoeken te beëindigen. Zij konden hierover binnen een bepaalde termijn opmerkingen maken. Met de standpunten en opmerkingen werd rekening gehouden wanneer dit gerechtvaardigd was.

(43)

Een van de belanghebbenden voerde aan dat, omdat wordt voorgesteld het nieuwe onderzoek wegens gebrek aan medewerking van de producenten in de Unie te beëindigen, de antidumpingmaatregelen met terugwerkende kracht moeten worden ingetrokken, namelijk per 30 september 2011, de datum waarop de van kracht zijnde maatregelen aanvankelijk zouden vervallen.

(44)

In dit verband moet worden opgemerkt dat het verzoek om een nieuw onderzoek in overeenstemming met de basisverordening werd ingediend door producenten in de Unie die meer dan 30 % van de totale productie in de Unie vertegenwoordigen. Bovendien wordt in artikel 11, lid 2, van de basisverordening uitdrukkelijk bepaald dat de maatregelen van kracht blijven totdat de resultaten van het nieuwe onderzoek bekend zijn. De in overweging 40 vermelde bevindingen zijn evenwel niet van invloed op de wettigheid van de opening van het nieuwe onderzoek als zodanig, wat betekent dat de bepalingen in artikel 11, lid 2, waarbij wordt bepaald dat de maatregelen van kracht blijven totdat de resultaten van het nieuwe onderzoek bekend zijn, van toepassing blijven. Dit argument moet derhalve worden afgewezen.

(45)

Een aantal producenten in de Unie reageerde ook op de mededeling van feiten en overwegingen; zij verklaarden dat zij zich terugtrokken als klagende producent. Omdat andere producenten in de Unie evenwel bij hun standpunt bleven en er bij de opening van de zaak werd voldaan aan de in overweging 5 beschreven voorwaarden voor de representativiteit, heeft dit geen gevolgen voor de procedure.

(46)

Gezien voorgaande overwegingen was geen van de opmerkingen van dien aard dat bovengenoemde conclusies moesten worden gewijzigd. Derhalve luidt de conclusie dat de antidumpingprocedure betreffende de invoer van kunststof zakken van oorsprong uit de VRC en Thailand in de Unie moet worden beëindigd en dat de maatregelen moeten worden ingetrokken. Hieruit vloeit voort dat het in overweging 3 genoemde lopende tussentijdse nieuwe onderzoek tegelijk met het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregel zal worden beëindigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van bepaalde kunststof zakken, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 3923 21 00 , ex 3923 29 10 en ex 3923 29 90 , van oorsprong uit de Volksrepubliek China en Thailand, worden ingetrokken en de procedure met betrekking tot deze invoer wordt beëindigd.

Artikel 2

Het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek van de antidumpingmaatregelen betreffende de invoer van bepaalde kunststof zakken, momenteel ingedeeld onder de GN-codes ex 3923 21 00 , ex 3923 29 10 en ex 3923 29 90 , van oorsprong uit de Volksrepubliek China, dat werd geopend krachtens artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009, wordt beëindigd.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

V. SHIARLY


(1)   PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.

(2)   PB L 270 van 29.9.2006, blz. 4.

(3)   PB L 304 van 22.11.2007, blz. 5.

(4)   PB L 76 van 19.3.2008, blz. 8.

(5)   PB L 67 van 12.3.2009, blz. 5.

(6)   PB L 131 van 18.5.2011, blz. 2.

(7)   PB L 131 van 18.5.2011, blz. 10.


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/10


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 628/2012 VAN DE COMMISSIE

van 6 juli 2012

tot inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Rheinisches Zuckerrübenkraut / Rheinischer Zuckerrübensirup / Rheinisches Rübenkraut (BGA)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Duitsland ingediende aanvraag tot registratie van de naam "Rheinisches Zuckerrübenkraut / Rheinischer Zuckerrübensirup / Rheinisches Rübenkraut" bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze naam worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde naam wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juli 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)   PB C 189 van 29.6.2011, blz. 33.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.6.   Groenten, fruit en granen, in ongewijzigde staat of verwerkt

DUITSLAND

Rheinisches Zuckerrübenkraut / Rheinischer Zuckerrübensirup / Rheinisches Rübenkraut (BGA)


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 629/2012 VAN DE COMMISSIE

van 6 juli 2012

houdende inschrijving van een benaming in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen [Nostrano Valtrompia (BOB)]

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 510/2006 van de Raad van 20 maart 2006 inzake de bescherming van geografische aanduidingen en oorsprongsbenamingen van landbouwproducten en levensmiddelen (1), en met name artikel 7, lid 4, eerste alinea,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, eerste alinea, van Verordening (EG) nr. 510/2006 is de door Italië ingediende aanvraag tot registratie van de benaming “Nostrano Valtrompia” bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (2).

(2)

Aangezien bij de Commissie geen bezwaren zijn ingediend overeenkomstig artikel 7 van Verordening (EG) nr. 510/2006, moet deze benaming worden ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in de bijlage bij deze verordening vermelde benaming wordt ingeschreven in het register van beschermde oorsprongsbenamingen en beschermde geografische aanduidingen.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 6 juli 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Dacian CIOLOȘ

Lid van de Commissie


(1)   PB L 93 van 31.3.2006, blz. 12.

(2)   PB C 304 van 15.10.2011, blz. 15.


BIJLAGE

In bijlage I bij het Verdrag genoemde landbouwproducten voor menselijke consumptie:

Categorie 1.3.   Kaas

ITALIË

Nostrano Valtrompia (BOB)


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/14


VERORDENING (EU) Nr. 630/2012 VAN DE COMMISSIE

van 12 juli 2012

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 692/2008 wat betreft de typegoedkeuringsvoorschriften voor motorvoertuigen op waterstof en op mengsels van waterstof en aardgas met betrekking tot emissies, alsmede de opneming van specifieke informatie betreffende met een elektrische aandrijflijn uitgeruste voertuigen in het inlichtingenformulier voor EG-typegoedkeuring

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2007 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (1), en met name artikel 5, lid 3, onder a), f) en i),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad en het Europees Economisch en Sociaal Comité – Een Europese strategie voor schone en energiezuinige voertuigen (2) wordt gewezen op het bestaan van een grote verscheidenheid aan technologieën (elektriciteit, waterstof, biogas en vloeibare biobrandstoffen) die waarschijnlijk een belangrijke bijdrage zullen leveren aan de prioriteiten van Europa 2020 om een op kennis en innovatie gebaseerde economie te ontwikkelen (slimme groei) en een groenere, competitievere economie te bevorderen waarin efficiënter met hulpbronnen wordt omgesprongen (duurzame groei).

(2)

Op de korte en middellange termijn zullen verbrandingsmotoren waarschijnlijk de overhand houden in het wegverkeer; een soepele overgang van verbrandingsmotoren naar andere soorten aandrijving op basis van elektriciteit (elektrische batterij, brandstofcel) zou daarom kunnen worden vergemakkelijkt door verbrandingsmotoren voor het gebruik van schone brandstoffen, zoals waterstof (H2) of mengsels van waterstof en aardgas (H2NG) aan te passen.

(3)

Gezien de onzekerheid over de toekomst van de technologie voor aandrijfsystemen en de grote kans dat nieuwe technologieën een steeds groter marktaandeel zullen vertegenwoordigen, is het nodig de huidige Europese typegoedkeuringswetgeving aan deze nieuwe technologieën aan te passen.

(4)

In Verordening (EG) nr. 692/2008 van de Commissie van 18 juli 2008 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 van het Europees Parlement en de Raad betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot emissies van lichte personen- en bedrijfsvoertuigen (Euro 5 en Euro 6) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie (3) zijn H2 en H2NG op dit moment niet als brandstoftypen opgenomen. Het is daarom passend de in die verordening vastgestelde typegoedkeuringsprocedure tot die brandstoffen uit te breiden.

(5)

Bij Verordening (EG) nr. 79/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 14 januari 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen op waterstof en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG (4) zijn veiligheidsvoorschriften voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen met betrekking tot waterstofaandrijving vastgesteld. Er moet ook voor worden gezorgd dat het milieu wordt beschermd, aangezien stikstofoxidenemissies bij gebruik van waterstof als brandstof in verbrandingsmotoren gevolgen voor het milieu kunnen hebben.

(6)

Uit H2NG-mengsels komt een bepaalde hoeveelheid verontreinigende stoffen, met name koolwaterstoffen, koolstofmonoxiden, stikstofoxiden en deeltjes, vrij in de atmosfeer; deze emissies moeten worden aangepakt.

(7)

De verschillende voor de bepaling van de resultaten van de emissietests gebruikte formules en parameters moeten worden aangepast voor de specifieke gevallen van het gebruik van H2 en H2NG in verbrandingsmotoren, aangezien die formules en parameters sterk afhankelijk zijn van het type gebruikte brandstof en de kenmerken daarvan.

(8)

De door de fabrikant aan de nationale goedkeuringsinstanties verstrekte documenten moeten worden bijgewerkt om er de relevante informatie met betrekking tot H2-, H2NG- en elektrische voertuigen in op te nemen.

(9)

Verordening (EG) nr. 692/2008 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het technisch comité motorvoertuigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 692/2008 wordt hierbij als volgt gewijzigd:

1.

artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 16 komt als volgt te luiden:

„16.   „hybride elektrisch voertuig (HEV)”: een voertuig, met inbegrip van voertuigen die uitsluitend voor het opladen van het opslagsysteem voor elektrische energie/vermogen energie ontlenen aan een verbruikbare brandstof, dat voor zijn mechanische aandrijving energie ontleent aan beide volgende, in het voertuig aanwezige bronnen van opgeslagen energie/vermogen:

a)

een verbruikbare brandstof;

b)

een accu, condensator, vliegwiel/generator of een ander opslagsysteem voor elektrische energie/vermogen;”;

b)

de volgende punten worden toegevoegd:

„33.   „elektrische aandrijflijn”: een systeem bestaande uit een of meer opslagsystemen voor elektrische energie, een of meer stroomconditioneringsvoorzieningen en een of meer elektrische machines waarmee opgeslagen elektrische energie wordt omgezet in mechanische energie die naar de wielen gaat voor de aandrijving van het voertuig;

34.   „zuiver elektrisch voertuig”: een voertuig met uitsluitend een elektrische aandrijflijn;

35.   „H2NG-flexfuelvoertuig”: een flexfuelvoertuig dat op verschillende mengsels van waterstof en aardgas/biomethaan kan rijden;

36.   „waterstofcelvoertuig”: een voertuig met een brandstofcel die chemische energie uit waterstof omzet in elektrische energie voor de aandrijving van het voertuig.”.

2.

De bijlagen worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 171 van 29.6.2007, blz. 1.

(2)  COM(2010) 186 definitief

(3)   PB L 199 van 28.7.2008, blz. 1.

(4)   PB L 35 van 4.2.2009, blz. 32.


BIJLAGE

De bijlagen bij Verordening (EG) nr. 692/2008 worden als volgt gewijzigd:

1.

bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 1.1 komt als volgt te luiden:

1.1.   Extra voorschriften voor mono- en bifuelvoertuigen op gas en H2NG-flexfuelvoertuigen";

b)

punt 1.1.1.1 komt als volgt te luiden:

"1.1.1.1.   "familie": een groep voertuigtypen op lpg, aardgas/biomethaan of H2NG, geïdentificeerd door een basisvoertuig;";

c)

punt 1.1.2 komt als volgt te luiden:

1.1.2.   In het geval van voertuigen op lpg, aardgas/biomethaan of H2NG wordt EG-typegoedkeuring verleend behoudens de volgende voorschriften.";

d)

aan punt 1.1.2.1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

"In het geval van een H2NG-flexfuelvoertuig mag het samenstellingsbereik lopen van 0% waterstof tot een door de fabrikant op te geven maximumpercentage waterstof in het mengsel. Van het basisvoertuig moet worden aangetoond dat het zich aan elk percentage binnen het door de fabrikant opgegeven bereik kan aanpassen. Ook moet worden aangetoond dat het zich aan elke in de handel voorkomende samenstelling aardgas/biomethaan kan aanpassen, ongeacht het percentage waterstof in het mengsel.";

e)

de punten 1.1.2.2, 1.1.2.3 en 1.1.2.4 komen als volgt te luiden:

"1.1.2.2.

In het geval van voertuigen op lpg of aardgas/biomethaan wordt het basisvoertuig aan de test van type 1 onderworpen met de twee uiterste referentiebrandstoffen van bijlage IX. In het geval van aardgas/biomethaan geldt dat, indien de overschakeling van het ene gas naar het andere in de praktijk geschiedt met behulp van een schakelaar, deze schakelaar tijdens de typegoedkeuring niet mag worden gebruikt.

In het geval van een H2NG-flexfuelvoertuig wordt het basisvoertuig aan de test van type 1 onderworpen met de volgende brandstofsamenstellingen:

100 % H-gas;

100 % L-gas;

het mengsel van H-gas en het door de fabrikant opgegeven maximumpercentage waterstof;

het mengsel van L-gas en het door de fabrikant opgegeven maximumpercentage waterstof.

1.1.2.3.

Het voertuig wordt geacht in overeenstemming te zijn indien het tijdens de in punt 1.1.2.2 bedoelde tests met de in dat punt vermelde referentiebrandstoffen aan de emissiegrenswaarden voldoet.

1.1.2.4.

In het geval van voertuigen op lpg of aardgas/biomethaan wordt de verhouding van de emissieresultaten "r" voor elke verontreinigende stof als volgt bepaald:

Brandstoftype

Referentiebrandstoffen

Berekening van "r"

lpg

brandstof A

Formula

brandstof B

aardgas/biomethaan

brandstof G20

Formula

"

brandstof G25

f)

het volgende punt 1.1.2.5 wordt ingevoegd:

"1.1.2.5.

Bij H2NG-flexfuelvoertuigen worden de twee verhoudingen van de emissieresultaten "r1" en "r2" voor elke verontreinigende stof als volgt bepaald:

Brandstoftype

Referentiebrandstoffen

Berekening van "r"

aardgas/biomethaan

brandstof G20

Formula

brandstof G25

H2NG

mengsel van waterstof en G20 met het door de fabrikant opgegeven maximumpercentage waterstof

Formula

"

mengsel van waterstof en G25 met het door de fabrikant opgegeven maximumpercentage waterstof

g)

in punt 1.1.3 komt de eerste alinea als volgt te luiden:

"Voor typegoedkeuring, als lid van de familie, van een monofuelvoertuig op gas en bifuelvoertuigen op gas die in de gasstand werken, op lpg of aardgas/biomethaan, wordt een test van type 1 uitgevoerd met één gasreferentiebrandstof. Dat mag eender welke van de gasreferentiebrandstoffen zijn. Het voertuig wordt geacht te voldoen indien aan de volgende voorwaarden is voldaan:";

h)

het volgende punt 1.1.4 wordt ingevoegd:

1.1.4.   Voor de typegoedkeuring van een H2NG-flexfuelvoertuig als lid van de familie worden twee tests van type 1 uitgevoerd, de eerste met 100% G20 of 100% G25 en de tweede met het mengsel van waterstof en dezelfde aardgas/biomethaan-brandstof als in de eerste test, met het door de fabrikant opgegeven maximumpercentage waterstof.

Het overeenkomstig de eerste alinea geteste voertuig wordt geacht aan de eisen te voldoen als behalve aan de voorschriften van punt 1.1.3, onder a), e) en g), ook aan de volgende voorschriften wordt voldaan:

a)

indien de aardgas/biomethaan-brandstof referentiebrandstof G20 is, wordt het emissieresultaat voor elke verontreinigende stof vermenigvuldigd met de in punt 1.1.2.5 berekende relevante factor (r1 voor de eerste test en r2 voor de tweede test) indien de relevante factor > 1; een correctie is niet nodig indien de overeenkomstige relevante factor < 1;

b)

indien de aardgas/biomethaan-brandstof referentiebrandstof G25 is, wordt het emissieresultaat voor elke verontreinigende stof gedeeld door de in punt 1.1.2.5 berekende overeenkomstige relevante factor (r1 voor de eerste test en r2 voor de tweede test) indien de overeenkomstige relevante factor < 1; een correctie is niet nodig indien de overeenkomstige relevante factor > 1;

c)

op verzoek van de fabrikant moet de test van type 1 worden uitgevoerd met de vier mogelijke combinaties van referentiebrandstoffen, overeenkomstig punt 1.1.2.5, zodat er geen correctie nodig is;

d)

indien verscheidene tests worden uitgevoerd op dezelfde motor, wordt eerst het gemiddelde berekend van de resultaten met referentiebrandstof G20, of H2G20, en die met referentiebrandstof G25, of H2G25 met het door de fabrikant opgegeven maximumpercentage waterstof; op basis van die gemiddelde resultaten worden vervolgens de "r1" en "r2"-factoren berekend";

i)

figuur I.2.4 komt als volgt te luiden:

"Figuur I.2.4

Testvoorschriften voor typegoedkeuring en uitbreidingen

Voertuigcategorie

Voertuigen met elektrischeontstekingsmotor, inclusief hybriden

Voertuigen met compressie-ontstekingsmotor, inclusief hybriden

Zuiver elektrische voertuigen

Waterstofcelvoertuigen

Monofuel

Bifuel (1)

Flexfuel (1)

Flexfuel

Monofuel

Referentiebrandstof

Benzine (E5)

Lpg

Aardgas/biomethaan

Waterstof

Benzine (E5)

Benzine (E5)

Benzine (E5)

Benzine (E5)

Aardgas/biomethaan

Diesel (B5)

Diesel (B5)

Lpg

Aardgas/biomethaan

Waterstof

Ethanol (E85)

H2NG

Biodiesel

Verontreinigende gassen

(test van type 1)

Ja

Ja

Ja

Ja (4)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen) (4)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja (alleen B5) (2)

Ja

Deeltjesmassa en deeltjesaantal

(test van type 1)

Ja

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja (alleen B5) (2)

Ja

Emissies bij stationair draaien

(test van type 2)

Ja

Ja

Ja

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(alleen aardgas/-biomethaan)

Carteremissies

(test van type 3)

Ja

Ja

Ja

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen aardgas/-biomethaan)

Verdampings-emissies

(test van type 4)

Ja

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Duurzaamheid

(test van type 5)

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen aardgas/-biomethaan)

Ja (alleen B5) (2)

Ja

Emissies bij lage temperaturen

(test van type 6)

Ja

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja

(alleen benzine)

Ja (3)

(beide brand-stoffen)

Overeenstem-ming tijdens het gebruik

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja (alleen B5) (2)

Ja

OBD

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

CO2-emissies, brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en elektrisch bereik

Ja

Ja

Ja

Ja

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja

(beide brand-stoffen)

Ja (alleen B5) (2)

Ja

Ja

Ja

Rookopaciteit

Ja (alleen B5) (2)

Ja

j)

punt 4.9 komt als volgt te luiden:

"4.9.   Controle van de overeenstemming van een voertuig op lpg, aardgas of H2NG";

k)

punt 4.9.1 komt als volgt te luiden:

4.9.1.   Tests voor de overeenstemming van de productie mogen worden uitgevoerd met een commerciële brandstof waarvan, voor lpg, de C3/C4-verhouding tussen die van de referentiebrandstoffen ligt of waarvan, voor aardgas of H2NG, de Wobbe-index tussen die van de uiterste referentiebrandstoffen ligt. In dat geval moet een brandstofanalyse worden overgelegd aan de goedkeuringsinstantie.";

l)

aanhangsel 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt 3.2.2 komt als volgt te luiden:

"3.2.2.   Brandstof";

ii)

punt 3.2.2.1 wordt ingevoegd:

"3.2.2.1.   Lichte voertuigen: diesel/benzine/lpg/aardgas of biomethaan/ethanol (E85)/biodiesel/waterstof/H2NG (*1)  (*2)

(*1)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)."

(*2)  Voertuigen die zowel op benzine als op gasvormige brandstof kunnen rijden, maar waarbij het benzinesysteem alleen is aangebracht voor noodsituaties of voor het starten en waarvan de benzinetank niet meer dan 15 liter benzine kan bevatten, worden voor de test beschouwd als voertuigen die alleen op gasvormige brandstof kunnen rijden.";"

iii)

de volgende punten 3.2.18 tot en met 3.2.19.4.3 worden ingevoegd:

"3.2.18.   Waterstofsysteem: ja/nee (*3)

3.2.18.1   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig Verordening (EG) nr. 79/2009: …

3.2.18.2.   Elektronische regeleenheid voor motormanagement op waterstof

3.2.18.2.1.   Merk(en): …

3.2.18.2.2.   Type(n): …

3.2.18.2.3.   Instelmogelijkheden in verband met emissies: …

3.2.18.3.   Aanvullende documentatie

3.2.18.3.1.   Beschrijving van de beveiliging van de katalysator bij het overschakelen van benzine op waterstof of omgekeerd: …

3.2.18.3.2.   Systeemconfiguratie (elektrische verbindingen, vacuümverbindingen, compensatieslangen enz.): …

3.2.18.3.3.   Tekening van het symbool: …

3.2.19.   H2NG-systeem: ja/nee (*3)

3.2.19.1.   Percentage waterstof in de brandstof (door de fabrikant opgegeven maximum):

3.2.19.2.   EG-typegoedkeuringsnummer overeenkomstig VN/ECE-Reglement nr. 110 (*4): …

3.2.19.3.   Elektronische regeleenheid voor motormanagement op H2NG

3.2.19.3.1.   Merk(en): …

3.2.19.3.2.   Type(n): …

3.2.19.3.3.   Instelmogelijkheden in verband met emissies: …

3.2.19.4.   Verdere documentatie

3.2.19.4.1.   Beschrijving van de beveiliging van de katalysator bij het overschakelen van benzine op H2NG of omgekeerd: …

3.2.19.4.2.   Systeemconfiguratie (elektrische verbindingen, vacuümverbindingen, compensatieslangen enz.): …

3.2.19.4.3.   Tekening van het symbool: …;

(*3)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)."

(*3)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)."

(*4)   PB L 72 van 14.3.2008, blz. 113.";"

iv)

de volgende punten 3.3 tot en met 3.3.2.4 worden ingevoegd:

"3.3.   Elektrische motor

3.3.1.   Type (wikkeling, bekrachtiging): …

3.3.1.1.   Maximumuurvermogen: … kW

3.3.1.2.   Bedrijfsspanning: … V

3.3.2.   Accu

3.3.2.1.   Aantal cellen: …

3.3.2.2.   Massa: … kg

3.3.2.3.   Capaciteit: … Ah (ampère-uur)

3.3.2.4.   Plaats: …";

v)

punt 3.4.8 van aanhangsel 3 komt als volgt te luiden:

3.4.8.   Elektrisch bereik van het voertuig: … …km (overeenkomstig bijlage 9 bij VN/ECE-Reglement nr. 101 (*5)

(*5)   PB L 158 van 19.6.2007, blz. 34.”;"

vi)

de punten 3.5.2.1 tot en met 3.5.2.3 komen als volgt te luiden:

3.5.2.1.   Brandstofverbruik (stadsverkeer): … l/100 km of m3/100 km of kg/100 km (*6)

3.5.2.2.   Brandstofverbruik (verkeer buiten de stad) … l/100 km of m3/100 km or kg/100 km (*6)

3.5.2.3.   Brandstofverbruik (verkeer buiten de stad):… l/100 km of m3/100 km of kg/100 km (*6);

(*6)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)." "

(*6)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)." "

(*6)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)." "

vii)

de volgende punten 3.5.3 tot en met 3.5.4.3 worden ingevoegd:

3.5.3   Elektriciteitsverbruik voor zuiver elektrische voertuigen … Wh/km

3.5.4.   Elektriciteitsverbruik voor extern oplaadbare hybride elektrische voertuigen

3.5.4.1.   Elektriciteitsverbruik (toestand A, gemengd) … Wh/km

3.5.4.2.   Elektriciteitsverbruik (toestand B, gemengd) … Wh/km

3.5.4.3.   Elektriciteitsverbruik (gewogen gecombineerd) … Wh/km”;

2.

bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 3.3 komt als volgt te luiden:

3.3.   De in punt 4.3.1.1 genoemde uitlaatgassen omvatten ook methaan, water en waterstof:

"…(HFID). Het toestel is geijkt op propaan, uitgedrukt in koolstofatoomequivalent (C1);

methaan (CH4):

hetzij een gaschromatograaf in combinatie met een vlamionisatiedetector (FID), hetzij een vlamionisatiedetector (FID) met een niet-methaancutter, geijkt op methaangas, uitgedrukt in koolstofatoomequivalent (C1);

water (H2O):

Voor de analyse wordt een niet-dispersieve analysator met absorptie in het infraroodgebied (NDIR) gebruikt. De NDIR is geijkt op waterdamp of propyleen (C3H6). Als de NDIR op waterdamp is geijkt, wordt ervoor gezorgd dat er tijdens het ijken geen watercondensatie kan optreden in leidingen en verbindingen. Als de NDIR op propyleen is geijkt, verstrekt de fabrikant van de analysator de benodigde informatie om de propyleenconcentratie te kunnen converteren naar de bijbehorende waterdampconcentratie. De conversiewaarden worden periodiek door de fabrikant van de analysator gecontroleerd, en ten minste een keer per jaar.

Waterstof (H2):

Voor de analyse wordt een op waterstof geijkte sectorveld-massaspectrometrische analysator gebruikt.

stikstofoxiden (NOx)…" ";

b)

het volgende punt 3.3a wordt ingevoegd:

3.3a.   De in punt 4.5.1 genoemde zuivere gassen omvatten ook methaan:

"…propaan: (minimumzuiverheid van 99,5%).

propyleen: (minimumzuiverheid van 99,5%)." ";

c)

aan punt 3.4 wordt de volgende tekst toegevoegd:

"Voor H2NG

Formula
g/l

Waarin A de hoeveelheid aardgas/biomethaan in het H2NG-mengsel weergeeft, uitgedrukt in vol.-%";

d)

punt 3.8 komt als volgt te luiden:

3.8.   Bijlage 4, aanhangsel 8, punt 1.3, tweede alinea, wordt gelezen als:

"… De verdunningsfactor wordt als volgt berekend:

 

Voor elke referentiebrandstof, met uitzondering van waterstof:

Formula

 

Voor een brandstof met samenstelling CxHyOz is de algemene formule:

Formula

 

In het specifieke geval van H2NG is de formule:

Formula

 

Voor waterstof wordt de verdunningsfactor als volgt berekend:

Formula

 

Voor de referentiebrandstoffen in bijlage IX zijn de waarden van "X" als volgt:

Brandstof

X

Benzine (E5)

13,4

Diesel (B5)

13,5

Lpg

11,9

Aardgas/bio-methaan

9,5

Ethanol (E75)

12,7

Ethanol (E85)

12,5

Waterstof

35,03

Waarin:

CCO2

=

CO2-concentratie in de verdunde uitlaatgassen die zich in de bemonsteringszak bevinden, uitgedrukt in vol.-%;

CHC

=

HC-concentratie in de verdunde uitlaatgassen die zich in de bemonsteringszak bevinden, uitgedrukt in ppm koolstofequivalent;

CCO

=

CO-concentratie in de verdunde uitlaatgassen die zich in de bemonsteringszak bevinden, uitgedrukt in ppm;

CH20

=

H2O-concentratie in de verdunde uitlaatgassen die zich in de bemonsteringszak bevinden, uitgedrukt in vol.-%;

CH2O-DA

=

H2O-concentratie in de verdunningslucht, uitgedrukt in vol.-%;

CH2

=

waterstofconcentratie in de verdunde uitlaatgassen die zich in de bemonsteringszak bevinden, uitgedrukt in ppm;

A

=

hoeveelheid aardgas/biomethaan in het H2NG-mengsel, uitgedrukt in vol.-%";"

3.

aan bijlage IV, aanhangsel 1, punt 2.2, eerste alinea, wordt de volgende tekst toegevoegd:

"—

voor H2NG:

Formula

Waarin A de hoeveelheid aardgas/biomethaan in het H2NG-mengsel weergeeft, uitgedrukt in vol.-%.";

4.

aan bijlage IX, deel A, punt 1, wordt het volgende toegevoegd:

"Type: waterstof voor verbrandingsmotoren

Eigenschappen

Eenheden

Grenswaarden

Testmethode

Minimum

Maximum

Zuiverheid waterstof

mol %

98

100

ISO 14687-1

Totaal aan koolwaterstoffen

μmol/mol

0

100

ISO 14687-1

Water (5)

μmol/mol

0

 (6)

ISO 14687-1

Zuurstof

μmol/mol

0

 (6)

ISO 14687-1

Argon

μmol/mol

0

 (6)

ISO 14687-1

Stikstof

μmol/mol

0

 (6)

ISO 14687-1

CO

μmol/mol

0

1

ISO 14687-1

Zwavel

μmol/mol

0

2

ISO 14687-1

Permanente deeltjes (7)

 

 

 

ISO 14687-1

Type: waterstof voor brandstofcelvoertuigen

Eigenschappen

Eenheden

Grenswaarden

Testmethode

Minimum

Maximum

Waterstof als brandstof (8)

mol %

99,99

100

ISO 14687-2

Totaal aan gassen (9)

μmol/mol

0

100

 

Totaal aan koolwaterstoffen

μmol/mol

0

2

ISO 14687-2

Water

μmol/mol

0

5

ISO 14687-2

Zuurstof

μmol/mol

0

5

ISO 14687-2

Helium (He), stikstof (N2), argon (Ar)

μmol/mol

0

100

ISO 14687-2

CO2

μmol/mol

0

2

ISO 14687-2

CO

μmol/mol

0

0,2

ISO 14687-2

Totaal aan zwavelverbindingen

μmol/mol

0

0,004

ISO 14687-2

Formaldehyde (HCHO)

μmol/mol

0

0,01

ISO 14687-2

Mierenzuur (HCOOH)

μmol/mol

0

0,2

ISO 14687-2

Ammoniak (NH3)

μmol/mol

0

0,1

ISO 14687-2

Totaal aan gehalogeneerde verbindingen

μmol/mol

0

0,05

ISO 14687-2

Deeltjesgrootte

μm

0

10

ISO 14687-2

Deeltjesconcentratie

μg/l

0

1

ISO 14687-2

Type: H2NG

De brandstoffen waterstof en aardgas/biomethaan die samen een H2NG-mengsel vormen, moeten elk afzonderlijk aan de desbetreffende, in deze bijlage vermelde, kenmerken voldoen.";

5.

bijlage XII wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel komt als volgt te luiden:

"BEPALING VAN DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK, ELEKTRICITEITSVERBRUIK EN ELEKTRISCH BEREIK";

b)

de inleiding komt als volgt te luiden:

"In deze bijlage worden de voorschriften voor het meten van de CO2-emissies en het brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en elektrisch bereik beschreven.";

c)

punt 3.1 komt als volgt te luiden:

3.1.   De technische voorschriften en specificaties voor het meten van de CO2-emissies en brandstofverbruik, elektriciteitsverbruik en elektrisch bereik zijn die van de bijlagen 6 tot en met 10 bij VN/ECE-Reglement nr. 101, met onderstaande uitzonderingen.";

d)

de eerste zin van punt 1.4.3 komt als volgt te luiden:

1.4.3   Het brandstofverbruik, uitgedrukt in liters per 100 km (voor benzine, lpg, ethanol (E85) en diesel), in m3 per 100 km (voor aardgas/biomethaan en H2NG), of in kg per 100 km (voor waterstof) wordt berekend aan de hand van de volgende formules:";

e)

de volgende punten f) en g) worden toegevoegd:

"f)

voor voertuigen met een elektrischeontstekingsmotor op H2NG:

Formula

g)

voor voertuigen op gasvormige waterstof:

Formula

Na voorafgaande overeenstemming met de typegoedkeuringsinstantie mag de fabrikant voor voertuigen op gasvormige of vloeibare waterstof als alternatief voor de bovengenoemde methode ofwel de formule

FC = 0,1 · (0,1119 · H 2 O + H 2)

ofwel een methode die overeenstemt met standaardprotocollen zoals SAE J2572 gebruiken.";

f)

de tweede alinea komt als volgt te luiden:

"In deze formules is:

FC= het brandstofverbruik in liters per 100 km (voor benzine, ethanol, lpg, diesel of biodiesel), in m3 per 100 km (voor aardgas en H2NG) of in kg per 100 km (voor waterstof);

HC= de gemeten emissie van koolwaterstoffen in g/km;

CO= de gemeten emissie van koolmonoxide in g/km;

CO2 = de gemeten emissie van kooldioxide in g/km;

H2O= de gemeten emissie van H2O in g/km;

H2 = de gemeten emissie van H2 in g/km;

A= hoeveelheid aardgas/biomethaan in het H2NG-mengsel, uitgedrukt in vol.-%;

D= de dichtheid van de testbrandstof.

Voor gasvormige brandstoffen is D de dichtheid bij 15 °C;

d= de theoretisch door een volgens de test van type 1 getest voertuig afgelegde afstand in km;

p1 = druk in de tank voor gasvormige brandstof vóór de bedrijfscyclus, in Pa;

p2 = druk in de tank voor gasvormige brandstof na de bedrijfscyclus, in Pa;

T1 = temperatuur in de tank voor gasvormige brandstof vóór de bedrijfscyclus, in K;

T2 = temperatuur in de tank voor gasvormige brandstof na de bedrijfscyclus, in K;

Z1 = samendrukbaarheidsfactor van de gasvormige brandstof bij p1 en T1 ;

Z2 = samendrukbaarheidsfactor van de gasvormige brandstof bij p2 en T2 ;

V= binnenvolume van de tank voor gasvormige brandstof in m3.

Voor de samendrukbaarheidsfactor wordt van de volgende tabel uitgegaan

T(k)

p(bar)\

33

53

73

93

113

133

153

173

193

213

233

248

263

278

293

308

323

338

353

5

0,8589

0,9651

0,9888

0,9970

1,0004

1,0019

1,0026

1,0029

1,0030

1,0028

1,0035

1,0034

1,0033

1,0032

1,0031

1,0030

1,0029

1,0028

1,0027

100

1,0508

0,9221

0,9911

1,0422

1,0659

1,0757

1,0788

1,0785

1,0765

1,0705

1,0712

1,0687

1,0663

1,0640

1,0617

1,0595

1,0574

1,0554

1,0535

200

1,8854

1,4158

1,2779

1,2334

1,2131

1,1990

1,1868

1,1757

1,1653

1,1468

1,1475

1,1413

1,1355

1,1300

1,1249

1,1201

1,1156

1,1113

1,1073

300

2,6477

1,8906

1,6038

1,4696

1,3951

1,3471

1,3123

1,2851

1,2628

1,2276

1,2282

1,2173

1,2073

1,1982

1,1897

1,1819

1,1747

1,1680

1,1617

400

3,3652

2,3384

1,9225

1,7107

1,5860

1,5039

1,4453

1,4006

1,3651

1,3111

1,3118

1,2956

1,2811

1,2679

1,2558

1,2448

1,2347

1,2253

1,2166

500

4,0509

2,7646

2,2292

1,9472

1,7764

1,6623

1,5804

1,5183

1,4693

1,3962

1,3968

1,3752

1,3559

1,3385

1,3227

1,3083

1,2952

1,2830

1,2718

600

4,7119

3,1739

2,5247

2,1771

1,9633

1,8190

1,7150

1,6361

1,5739

1,4817

1,4823

1,4552

1,4311

1,4094

1,3899

1,3721

1,3559

1,3410

1,3272

700

5,3519

3,5697

2,8104

2,4003

2,1458

1,9730

1,8479

1,7528

1,6779

1,5669

1,5675

1,5350

1,5062

1,4803

1,4570

1,4358

1,4165

1,3988

1,3826

800

5,9730

3,9541

3,0877

2,6172

2,3239

2,1238

1,9785

1,8679

1,7807

1,6515

1,6521

1,6143

1,5808

1,5508

1,5237

1,4992

1,4769

1,4565

1,4377

900

6,5759

4,3287

3,3577

2,8286

2,4978

2,2714

2,1067

1,9811

1,8820

1,7352

1,7358

1,6929

1,6548

1,6207

1,5900

1,5623

1,5370

1,5138

1,4926

Indien de benodigde waarden voor p en T niet in de tabel zijn aangegeven, wordt de samendrukbaarheidsfactor verkregen door middel van lineaire interpolatie tussen de in de tabel aangegeven samendrukbaarheidsfactoren, waarbij de factoren worden gekozen die de gezochte waarde het dichtst benaderen.".


(*1)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn).

(*2)  Voertuigen die zowel op benzine als op gasvormige brandstof kunnen rijden, maar waarbij het benzinesysteem alleen is aangebracht voor noodsituaties of voor het starten en waarvan de benzinetank niet meer dan 15 liter benzine kan bevatten, worden voor de test beschouwd als voertuigen die alleen op gasvormige brandstof kunnen rijden.";

(*3)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn).

(*4)   PB L 72 van 14.3.2008, blz. 113.";

(*5)   PB L 158 van 19.6.2007, blz. 34.”;

(*6)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)." "


(1)  Wanneer een bifuelvoertuig met een flexfuelvoertuig wordt gecombineerd, zijn beide testvoorschriften van toepassing.

(2)  Deze bepaling is tijdelijk, andere voorschriften voor biodiesel zullen later worden voorgesteld.

(3)  Test alleen op benzine vóór de data in artikel 10, lid 6, van Verordening (EG) nr. 715/2007. Na deze data wordt de test met beide brandstoffen uitgevoerd. Voor de test wordt de in bijlage IX, deel B, gespecificeerde referentiebrandstof E75 gebruikt.

(4)  Als het voertuig op waterstof loopt worden alleen NOx-emissies bepaald.";

(5)  Geen gecondenseerd water.

(6)  Water, zuurstof, stikstof en argon gecombineerd: 1 900 μmol/mol.

(7)  De waterstof mag geen stof, zand, vuil, gom, olie of andere stoffen bevatten in hoeveelheden waarin deze de vulinrichting van het voertuig (de motor) kunnen beschadigen.

(8)  De brandstofindex van waterstof wordt bepaald door het in de tabel vermelde totale gehalte aan gasvormige bestanddelen anders dan waterstof (Totaal aan gassen), uitgedrukt in mol %, van 100 mol % af te trekken. Hij bedraagt minder dan de som van de maximaal toelaatbare grenswaarden van alle bestanddelen anders dan waterstof die in de tabel zijn vermeld.

(9)  De waarde van het totaal aan gassen is de som van de waarden van de bestanddelen anders dan waterstof die in de tabel zijn vermeld, met uitzondering van de deeltjes.


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/27


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 631/2012 VAN DE COMMISSIE

van 12 juli 2012

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1295/2008 betreffende de invoer van hop uit derde landen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten ("Integrale-GMO-verordening") (1), en met name artikel 192, lid 2, juncto artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1295/2008 van de Commissie (2) bevat de lijst met instanties in derde landen die bevoegd zijn om de verklaringen af te geven waarvan uit die landen ingevoerde hopproducten vergezeld gaan. Die verklaringen worden erkend als gelijkwaardig met het in artikel 117 van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoelde certificaat.

(2)

Argentinië heeft voor het eerst twee instanties meegedeeld die bevoegd zijn voor de afgifte van gelijkwaardigheidsverklaringen. Deze instanties moeten derhalve worden opgenomen in de lijst in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1295/2008.

(3)

Verordening (EG) nr. 1295/2008 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(4)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Beheerscomité voor de gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1295/2008 wordt vervangen door de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de zevende dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2012.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 340 van 19.12.2008, blz. 45.


BIJLAGE

„BIJLAGE I

VOOR DE AFGIFTE VAN DE VERKLARING BEVOEGDE INSTANTIES

Hopbellen GN-code: ex 1210

Hopmeel GN-code: ex 1210

Sappen en extracten van hop GN-code: 1302 13 00

Land van oorsprong

Bevoegde instantie

Adres

Code

Telefoon

Fax

e-mail (facultatief)

(AR) Argentinië

Coordinación Regional Temática de Protección Vegetal (CRTPV).

Servicio Nacional de Sanidad y Calidad Agroalimentaria (SENASA)

Centro Regional Patagonia Norte

Calle 9 de Julio 933.

General Roca, Provincia de Río Negro,

Cod 8334

(54-298)

44 28 594

44 32 190

44 28 594

44 32 190

groca@senasa.gov.ar

cpaulovich@senasa.gov.ar

jesparza@senasa.gov.ar

Servicio Nacional de Sanidad y Calidad Agroalimentaria (SENASA)

Av. Pasco Colon 367

Ciudad Aut. de Buenos Aires,

C1063ACD

(54-11)

41 21 50 00

41 21 50 00

webmaster@senasa.gob.ar

cdei@senasa.gob.ar

(AU) Australië

Quarantine Tasmania

Quarantine Centre

163-169 Main Road,

Moonah, 7009

Tasmania,

Australia

(61-3)

62 33 33 52

62 34 67 85

 

(CA) Canada

Plant Protection Division, Animal and Plant Health Directorate, Food Production and Inspection Branch, Agriculture and Agri-food Canada

Floor 2, West Wing 59,

Camelot Drive

Napean, Ontario,

K1A OY9

(1-613)

952 80 00

991 56 12

 

(CH) Zwitserland

Labor Veritas

Engimattstrasse 11

Postfach 353

CH-8027 Zürich

(41-44)

283 29 30

201 42 49

admin@laborveritas.ch

(CN) China

Tianjin Airport Entry-Exit Inspection and Quarantine Bureau of the People's Republic of China

No. 33 Youyi Road,

Hexi District

Tianjin 300201

(86-22)

28 13 40 78

28 13 40 78

ciqtj2002@163.com

Tianjin Economic and Technical Development Zone Entry-Exit Inspection and Quarantine Bureau of the People's Republic of China

No. 8, Zhaofaxincun

2nd Avenue, TEDA

Tianjin 300457

(86-22)

662 98-343

662 98-245

zhujw@tjciq.gov.cn

Inner Mongolia Entry-Exit Inspection and Quarantine Bureau of the People's Republic of China

No. 12 Erdos Street,

Saihan District, Huhhot City

Inner Mongolia 010020

(86-471)

434-1943

434-2163

zhaoxb@nmciq.gov.cn

Xinjiang Entry-Exit Inspection and Quarantine Bureau of the People's Republic of China

No. 116 North Nanhu Road

Urumqi City

Xinjiang 830063

(86-991)

464-0057

464-0050

xjciq_jw@xjciq.gov.cn

(NZ) Nieuw-Zeeland

Ministry of Agriculture and Forestry

P.O. Box 2526

Wellington 6140

(64-4)

894-0100

894 0720

 

(HR) Kroatië

Križevci College of Agriculture

Milislava Demerca 1,

HR-48260 Križevci

(385-48)

279 198

682 790

ssrecec@vguk.hr

(RS) Servië

Institut za ratarstvo i povrtarstvo/

Institute of Field and Vegetable Crops

21000 Novi Sad

Maksima Gorkog 30.

(381-21)

780 365

Operator:

4898 100

780 198

institut@ifvcns.ns.ac.rs

(UA) Oekraïne

Productional-Technical Centre (PTZ)

Ukrhmel

Hlebnaja 27

262028 Zhitomir

(380)

37 21 11

36 73 31

 

(US) Verenigde Staten van Amerika

Washington Department of Agriculture

State Chemical and Hop Lab

21 N. 1st Ave. Suite 106

Yakima, WA 98902

(1-509)

225 76 26

454 76 99

 

Idaho Department of Agriculture

Division of Plant Industries

Hop Inspection Lab

2270 Old Penitentiary Road

P.O. Box 790

Boise, ID 83701

(1-208)

332 86 20

334 22 83

 

Oregon Department of Agriculture

Commodity Inspection Division

635 Capital Street NE

Salem, OR 97310-2532

(1-503)

986 46 20

986 47 37

 

California Department of Food and Agriculture (CDFA-CAC)

Division of Inspection Services

Analytical Chemistry Laboratory

3292 Meadowview Road

Sacramento, CA 95832

(1-916)

445 00 29 of 262 14 34

262 15 72

 

USDA, GIPSA, FGIS

1100 NW Naito Parkway

Portland, OR 97209-2818

(1-503)

326 78 87

326 78 96

 

USDA, GIPSA, TSD, Tech Service Division, Technical Testing Laboratory

10383 Nth Ambassador Drive

Kansas City, MO 64153-1394

(1-816)

891 04 01

891 04 78

 

(ZA) Zuid-Afrika

CSIR Food Science and Technology

PO Box 395

0001 Pretoria

(27-12)

841 31 72

841 35 94

 

(ZW) Zimbabwe

Standards Association of Zimbabwe (SAZ)

Northend Close,

Northridge Park

Borrowdale,

P.O. Box 2259 Harare

(263-4)

88 20 17, 88 20 21, 88 55 11

88 20 20

info@saz.org.zw

saz.org.zw”


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/31


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 632/2012 VAN DE COMMISSIE

van 12 juli 2012

tot 174e wijziging van Verordening (EG) nr. 881/2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa‘ida-netwerk

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 881/2002 van de Raad van 27 mei 2002 tot vaststelling van beperkende maatregelen tegen sommige personen en entiteiten die banden hebben met het Al-Qa‘ida-netwerk (1), en met name artikel 7, lid 1, onder a), en artikel 7 bis, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 worden de personen, groepen en entiteiten opgesomd waarvan de tegoeden en economische middelen krachtens die verordening worden bevroren.

(2)

Het Sanctiecomité van de VN-Veiligheidsraad heeft op 2 juli 2012 besloten acht natuurlijke personen te schrappen van de lijst van personen, groepen en entiteiten waarvan de tegoeden en economische middelen moeten worden bevroren.

(3)

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 dient daarom dienovereenkomstig te worden bijgewerkt,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

Hoofd van de dienst Instrumenten voor het buitenlands beleid


(1)   PB L 139 van 29.5.2002, blz. 9.


BIJLAGE

Bijlage I bij Verordening (EG) nr. 881/2002 wordt als volgt gewijzigd:

De volgende vermeldingen worden geschrapt van de lijst "Natuurlijke personen":

(a)

"Sobhi Abd Al Aziz Mohamed El Gohary Abu Sinna (ook bekend als a) Mohamed Atef; b) Sheik Taysir Abdullah; c) Abu Hafs Al Masri; d) Abu Hafs Al Masri El Khabir; e) Taysir). Geboortedatum: 17.1.1958. Geboorteplaats: El Behira, Egypte. Nationaliteit: Egyptisch. Overige informatie: overlijden in 2001 in Pakistan bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 25.1.2001."

(b)

"Nasr Fahmi Nasr Hasannein (ook bekend als a) Muhammad Salah; b) Naser Fahmi Naser Hussein). Geboortedatum: 30.10.1962. Geboorteplaats: Caïro, Egypte. Nationaliteit: Egyptisch. Overige informatie: naar verluidt overleden. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 6.10.2001."

(c)

"Mustapha Ahmed Mohamed Osman Abu El Yazeed (ook bekend als a) Mustapha Mohamed Ahmed; b) Shaykh Sai'id). Geboortedatum: 27.2.1955. Geboorteplaats: El Sharkiya, Egypte. Nationaliteit: Egyptisch. Overige informatie: overlijden in Pakistan in mei 2010 bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 6.10.2001."

(d)

"Muhsin Moussa Matwalli Atwah Dewedar (ook bekend als a) Al-Muhajir, Abdul Rahman; b) Al-Namer, Mohammed K.A.; c) Abdel Rahman; d) Abdul Rahman). Geboortedatum: 19.6.1964. Geboorteplaats: Dakahliya, Egypte. Nationaliteit: Egyptisch. Overige informatie: overlijden in Pakistan in april 2006 bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 17.10.2001."

(e)

"Fahid Mohammed Ally Msalam (ook bekend als a) Fahid Mohammed Ally; b) Fahad Ally Msalam; c) Fahid Mohammed Ali Msalam; d) Mohammed Ally Msalam; e) Fahid Mohammed Ali Musalaam; f) Fahid Muhamad Ali Salem; g) Fahid Mohammed Aly; h) Ahmed Fahad; i) Ali Fahid Mohammed; j) Fahad Mohammad Ally; k) Fahad Mohammed Ally; l) Fahid Mohamed Ally; m) Msalam Fahad Mohammed Ally; n) Msalam Fahid Mohammad Ally; o) Msalam Fahid Mohammed Ali; p) Msalm Fahid Mohammed Ally; q) Usama Al-Kini; r) Mohammed Ally Mohammed; s) Ally Fahid M). Geboortedatum: 9.4.1976. Geboorteplaats: Mombasa, Kenia. Nationaliteit: Keniaans. Paspoortnummer: a) A260592 (Keniaans paspoort); b) A056086 (Keniaans paspoort); c) A435712 (Keniaans paspoort); d) A324812 (Keniaans paspoort); e) 356095 (Keniaans paspoort). Nationaal identificatienummer: 12771069 (Keniaanse identiteitskaart). Overige informatie: a) naam van vader is Mohamed Ally, naam van moeder is Fauzia Mbarak; b) overlijden in Pakistan op 1 januari 2009 is bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 17.10.2001."

(f)

"Sheikh Ahmed Salim Swedan (ook bekend als a) Ahmed Ally; b), Sheikh Ahmad Salem Suweidan; c) Sheikh Swedan; d) Sheikh Ahmed Salem Swedan; e) Ally Ahmad; f) Muhamed Sultan; g) Sheik Ahmed Salim Sweden; h) Sleyum Salum; i) Sheikh Ahmed Salam; j) Ahmed The Tall; k) Bahamad; l) Sheik Bahamad; m) Sheikh Bahamadi; n) Sheikh Bahamad). Titel: sjeik. Geboortedatum: 9.4.1960. Geboorteplaats: Mombasa, Kenia. Nationaliteit: Keniaans. Paspoortnummer: A163012 (Keniaans paspoort). Nationaal identificatienummer: 8534714 (Keniaanse identiteitskaart afgegeven op 14.11.1996). Overige informatie: overlijden in Pakistan op 1 januari 2009 is bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 17.10.2001."

(g)

"Tohir Abdulkhalilovich Yuldashev (ook bekend als a) Юлдашев Тахир Абдулхалилович; b) Yuldashev, Takhir). Geboortedatum: 1967. Geboorteplaats: Namangan city, Oezbekistan. Nationaliteit: Oezbeeks. Overige informatie: a) voormalig leider van de Islamitische beweging van Oezbekistan; b) overlijden in Pakistan in augustus 2009 is bevestigd. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 17.10.2001."

(h)

"Abbas Abdi Ali (ook bekend als Ali, Abbas Abdi). Overige informatie: a) heeft banden met Ali Nur Jim'ale; b) naar verluidt overleden in 2004. Datum van aanwijzing bedoeld in artikel 2 bis, lid 4, onder b): 9.11.2001."


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/33


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 633/2012 VAN DE COMMISSIE

van 12 juli 2012

tot vaststelling van de forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 van de Commissie van 7 juni 2011 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad, wat de sectoren groenten en fruit en verwerkte groenten en fruit betreft (2), en met name artikel 136, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 zijn, op grond van de resultaten van de multilaterale handelsbesprekingen van de Uruguayronde, de criteria vastgesteld aan de hand waarvan de Commissie voor de producten en de perioden die in bijlage XVI, deel A, bij die verordening zijn vermeld, de forfaitaire waarden bij invoer uit derde landen vaststelt.

(2)

De forfaitaire invoerwaarde wordt elke dag berekend overeenkomstig artikel 136, lid 1, van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011, met inachtneming van de variabele gegevens voor die dag. Bijgevolg moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De in artikel 136 van Uitvoeringsverordening (EU) nr. 543/2011 bedoelde forfaitaire invoerwaarden worden vastgesteld in de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 157 van 15.6.2011, blz. 1.


BIJLAGE

Forfaitaire invoerwaarden voor de bepaling van de invoerprijs van bepaalde groenten en fruit

(EUR/100 kg)

GN-code

Code derde landen (1)

Forfaitaire invoerwaarde

0707 00 05

TR

95,4

ZZ

95,4

0709 93 10

TR

98,2

ZZ

98,2

0805 50 10

AR

88,2

BO

90,5

TR

53,0

UY

102,3

ZA

89,9

ZZ

84,8

0808 10 80

AR

182,3

BR

97,8

CA

169,1

CL

117,1

CN

125,2

NZ

122,9

US

165,7

UY

68,3

ZA

113,2

ZZ

129,1

0808 30 90

AR

118,6

CL

120,5

NZ

179,1

ZA

115,5

ZZ

133,4

0809 10 00

TR

184,9

ZZ

184,9

0809 29 00

TR

357,8

ZZ

357,8

0809 30

TR

180,5

ZZ

180,5


(1)  Landennomenclatuur vastgesteld bij Verordening (EG) nr. 1833/2006 van de Commissie (PB L 354 van 14.12.2006, blz. 19). De code „ ZZ ” staat voor „overige oorsprong”.


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/35


UITVOERINGSVERORDENING (EU) Nr. 634/2012 VAN DE COMMISSIE

van 12 juli 2012

tot wijziging van de bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor bepaalde producten uit de sector suiker voor het verkoopseizoen 2011/2012

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1234/2007 van de Raad van 22 oktober 2007 houdende een gemeenschappelijke ordening van de landbouwmarkten en specifieke bepalingen voor een aantal landbouwproducten („integrale-GMO-verordening”) (1),

Gezien Verordening (EG) nr. 951/2006 van de Commissie van 30 juni 2006 houdende uitvoeringsbepalingen van Verordening (EG) nr. 318/2006 van de Raad wat betreft de handel met derde landen in de sector suiker (2), en met name artikel 36, lid 2, tweede alinea, tweede zin,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en bepaalde stropen voor het verkoopseizoen 2011/2012 zijn vastgesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 van de Commissie (3). Deze prijzen en rechten zijn laatstelijk gewijzigd bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 616/2012 van de Commissie (4).

(2)

Naar aanleiding van de gegevens waarover de Commissie momenteel beschikt, dienen deze bedragen te worden gewijzigd overeenkomstig artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006.

(3)

Omdat ervoor moet worden gezorgd dat deze maatregel zo snel mogelijk na de terbeschikkingstelling van de geactualiseerde gegevens van toepassing wordt, moet deze verordening in werking treden op de dag van de bekendmaking ervan,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

De bij Uitvoeringsverordening (EU) nr. 971/2011 voor het verkoopseizoen 2011/2012 vastgestelde representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor de in artikel 36 van Verordening (EG) nr. 951/2006 bedoelde producten worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij de onderhavige verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 juli 2012.

Voor de Commissie, namens de voorzitter,

José Manuel SILVA RODRÍGUEZ

Directeur-generaal Landbouw en Plattelandsontwikkeling


(1)   PB L 299 van 16.11.2007, blz. 1.

(2)   PB L 178 van 1.7.2006, blz. 24.

(3)   PB L 254 van 30.9.2011, blz. 12.

(4)   PB L 178 van 10.7.2012, blz. 11.


BIJLAGE

Gewijzigde bedragen van de representatieve prijzen en aanvullende invoerrechten voor witte suiker, ruwe suiker en producten van GN-code 1702 90 95 die gelden met ingang van 13 juli 2012

(in EUR)

GN-code

Representatieve prijs per 100 kg netto van het betrokken product

Aanvullend recht per 100 kg netto van het betrokken product

1701 12 10  (1)

43,18

0,00

1701 12 90  (1)

43,18

1,65

1701 13 10  (1)

43,18

0,00

1701 13 90  (1)

43,18

1,95

1701 14 10  (1)

43,18

0,00

1701 14 90  (1)

43,18

1,95

1701 91 00  (2)

53,89

1,30

1701 99 10  (2)

53,89

0,00

1701 99 90  (2)

53,89

0,00

1702 90 95  (3)

0,54

0,20


(1)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt III, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(2)  Vaststelling voor de standaardkwaliteit als gedefinieerd in bijlage IV, punt II, van Verordening (EG) nr. 1234/2007.

(3)  Vaststelling per procent sacharose.


BESLUITEN

13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/37


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE RAAD

van 22 juni 2012

tot wijziging van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU tot verlening van financiële bijstand van de Unie aan Ierland

(2012/375/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 407/2010 van de Raad van 11 mei 2010 houdende instelling van een Europees financieel stabilisatiemechanisme (1), en met name artikel 3, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op verzoek van Ierland heeft de Raad ter uitvoering van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU (2) Ierland financiële bijstand verleend ter ondersteuning van een krachtig economisch en financieel hervormingsprogramma dat erop gericht is het vertrouwen te herstellen („het programma”), de economie wederom op een duurzaam groeipad te brengen en de financiële stabiliteit in Ierland, de eurozone en de EU te vrijwaren.

(2)

Overeenkomstig artikel 3, lid 9, van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU heeft de Commissie samen met het Internationaal Monetair Fonds (IMF) en in verbinding met de Europese Centrale Bank (ECB) voor de zesde keer beoordeeld welke vorderingen de Ierse autoriteiten bij de uitvoering van de overeengekomen maatregelen maken, hoe doeltreffend deze zijn en welk economisch en sociaal effect ze sorteren.

(3)

De Ierse autoriteiten hebben in september 2011 aan het parlement wetgeving voorgelegd om de houdbaarheid op lange termijn van de overheidsfinanciën te verbeteren, zoals beoogd ingevolge het programma. Aan het einde van de bovenbedoelde zesde driemaandelijkse beoordeling zijn sommige elementen van de beoogde hervorming (met name betreffende pensioenrechten voor nieuwe ambtenaren, inclusief een beoordeling van vervroegde pensionering voor bepaalde categorieën van ambtenaren en een indexering van pensioenen, en de koppeling van pensioenuitkeringen aan het middelloon en van de pensioenleeftijd aan de wettelijke pensioenleeftijd) door het parlement niet aangenomen. De autoriteiten hebben toegezegd de goedkeuring van die bepalingen tegen eind 2012 te verzekeren.

(4)

In het licht van het uitstel tot 2013 van de onder auspiciën van de Europese Bankautoriteit uitgevoerde stresstestoefening in de Unie, wordt het passend geacht dat de volgende stresstest van de Ierse banken in binnenlands bezit tot 2013 wordt uitgesteld. Ondertussen hebben de autoriteiten belangrijke voorafgaande werkstromen vastgesteld, die in 2012 zullen worden uitgevoerd.

(5)

De Ierse autoriteiten hebben bijkomende maatregelen vastgesteld die zij in 2012 voor hun rekening zullen nemen om de werkloosheid te verminderen en de verwezenlijking van de programmadoelstellingen te ondersteunen. Met name zullen zij stappen zetten om de effectiviteit van hun arbeidsmarktactiverings- en opleidingsbeleid te verhogen en om, onder bescherming van de meest kwetsbaren, alle mogelijkheden te verminderen dat sociale uitkeringen geschikte mensen ontmoedigen om aan het werk te gaan.

(6)

In het licht van deze ontwikkelingen en overwegingen moet Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Artikel 3 van Uitvoeringsbesluit 2011/77/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In lid 7 wordt punt d) vervangen door:

„d)

vaststellen van wetgeving tot verhoging van de wettelijke pensioenleeftijd tot 66 jaar in 2014, 67 jaar in 2021 en 68 jaar in 2028 teneinde de houdbaarheid van de overheidsfinanciën op lange termijn te bevorderen.”.

2)

In lid 8 worden de volgende punten toegevoegd:

„f)

de uitvoering van de volgende werkstromen bij de Ierse banken in binnenlands bezit, over de resultaten waarvan de Ierse autoriteiten aan de Commissie, de ECB en het IMF verslag zullen uitbrengen: i) een onafhankelijke activakwaliteitstoets ter beoordeling van de kwaliteit van geaggregeerde en individuele leningportefeuilles en de aangewende processen voor het vaststellen en monitoren van de activakwaliteit; ii) een toets van transacties inzake noodlijdende kredieten ter beoordeling van de operationele capaciteit en effectiviteit van het beheer van de portefeuille van noodlijdende leningen bij de banken inclusief beheer van achterstallen en schuldherschikkingspraktijken bij het saneren van achterstallige leningen en het verminderen van leningverliezen; iii) een validatieoefening inzake gegevensintegriteit ter beoordeling van de betrouwbaarheid van de gegevens van banken; en iv) een project inzake toerekening van rente-inkomsten en herindeling als niet-achterstallig van achterstallige leningen teneinde bestaande praktijken aan de internationale standaard voor financiële verslaglegging (IFRS) en desbetreffende reguleringsrichtsnoeren te toetsen;

g)

de beoordeling van de vooruitgang die banken maken met de herschikking van hun probleemportefeuilles;

h)

de verstrekking aan de Commissie, de ECB en het IMF van een evaluatie van de maatregelen die zijn genomen met betrekking tot ontvangers van betalingen aan werkzoekenden die geen interviews voor activering naar werk bijwonen;

i)

het opstellen van een departementoverschrijdend verslag om te onderzoeken wat de ruimte is voor het verminderen van alle negatieve arbeidsprikkels die veroorzaakt worden door de structuur van sociale uitkeringen;

j)

de vaststelling van wetgeving ter hervorming van de pensioenrechten voor nieuwe ambtenaren. Daartoe behoren een herziening van de vervroegde pensionering voor sommige categorieën van ambtenaren en een indexering van de pensioenen. De pensioenen worden gebaseerd op het middelloon. De pensioenleeftijd voor nieuwe ambtenaren wordt gebaseerd op de wettelijke pensioenleeftijd.”.

3)

Het volgende lid wordt toegevoegd:

„10.   In 2013 en overeenkomstig de specificaties in het memorandum van overeenstemming voert Ierland stresstests uit van de banken die waren opgenomen in de PCAR 2011. De stresstest zal worden afgestemd op de oefening van de Europese Bankautoriteit (EBA) en voortbouwen op de resultaten van de PCAR 2011 en het Financial Measures Programme 2012. De stresstest zal rigoureus zijn en blijft gebaseerd op robuuste prognoses van leningverliezen en een hoog niveau van transparantie. De publicatie van de resultaten zal worden afgestemd op het tijdschema voor de volgende oefening van de EBA.”.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot Ierland.

Gedaan te Luxemburg, 22 juni 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

V. SHIARLY


(1)   PB L 118 van 12.5.2010, blz. 1.

(2)   PB L 30 van 4.2.2011, blz. 34.


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/39


BESLUIT VAN DE RAAD

van 10 juli 2012

houdende benoeming van een Spaanse plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

(2012/376/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Spaanse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 en 18 januari 2010 heeft de Raad Besluit 2009/1014/EU (1) en Besluit 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld.

(2)

In het Comité is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen door het verstrijken van het mandaat van mevrouw María Isabel NIETO FERNÁNDEZ,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio’s wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2015, benoemd tot plaatsvervanger:

de heer Enrique BARRASA SÁNCHEZ, Director General de Inversiones y Acción Exterior Junta de Extremadura.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

V. SHIARLY


(1)   PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)   PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/40


BESLUIT VAN DE RAAD

van 10 juli 2012

houdende benoeming van een Duits lid van het Comité van de Regio’s

(2012/377/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Duitse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 en 18 januari 2010 heeft de Raad Besluit 2009/1014/EU (1) en Besluit 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld.

(2)

In het Comité van de Regio’s is een zetel van lid vrijgekomen door het verstrijken van het mandaat van mevrouw Nicola BEER,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Wordt benoemd tot lid van het Comité van de Regio’s voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2015:

Dr. Zsuzsa BREIER, Staatssekretärin für Europaangelegenheiten.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

V. SHIARLY


(1)   PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)   PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.


13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/41


BESLUIT VAN DE RAAD

van 10 juli 2012

houdende benoeming van een Spaanse plaatsvervanger in het Comité van de Regio’s

(2012/378/EU)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 305,

Gezien de voordracht van de Spaanse regering,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 december 2009 en 18 januari 2010 heeft de Raad de Besluiten 2009/1014/EU (1) en 2010/29/EU (2) houdende benoeming van de leden en plaatsvervangers van het Comité van de Regio’s voor de periode van 26 januari 2010 tot en met 25 januari 2015 vastgesteld.

(2)

In het Comité is een zetel van plaatsvervanger vrijgekomen door het verstrijken van de ambtstermijn van de heer Francisco DE LA TORRE PRADO,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

In het Comité van de Regio’s wordt voor de resterende duur van de ambtstermijn, dat wil zeggen tot en met 25 januari 2015, benoemd tot plaatsvervanger:

de heer Fernando MARTÍNEZ MAILLO, Presidente de la Diputación de Zamora.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Brussel, 10 juli 2012.

Voor de Raad

De voorzitter

V. SHIARLY


(1)   PB L 348 van 29.12.2009, blz. 22.

(2)   PB L 12 van 19.1.2010, blz. 11.


HANDELINGEN VAN BIJ INTERNATIONALE OVEREENKOMSTEN INGESTELDE ORGANEN

13.7.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/42


BESLUIT Nr. 3/2012 VAN DE GEMENGDE COMMISSIE EU-EVA „ GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER ”

van 26 juni 2012

tot wijziging van de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987

(2012/379/EU)

DE GEMENGDE COMMISSIE,

Gezien de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987 (1), en met name artikel 15, lid 3, onder a),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Kroatië heeft de wens geuit om toe te treden tot de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer van 20 mei 1987 (de „overeenkomst”) en is hiertoe uitgenodigd na een besluit van de bij de overeenkomst opgerichte Gemengde Commissie op 19 januari 2012.

(2)

De vertalingen in de Kroatische taal van de in de overeenkomst gebruikte verwijzingen moeten dienovereenkomstig op de juiste plaats worden ingevoegd.

(3)

De toepassing van dit besluit is gekoppeld aan de datum van toetreding van Kroatië tot de overeenkomst.

(4)

Om het gebruik mogelijk te maken van akten van borgtocht die zijn gedrukt volgens de criteria die vóór de datum van toetreding van Kroatië tot de overeenkomst van kracht waren, moet een overgangsperiode worden ingesteld waarin deze gedrukte formulieren, met enige aanpassingen, verder kunnen worden gebruikt.

(5)

De overeenkomst dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Aanhangsel III bij de Overeenkomst betreffende een gemeenschappelijke regeling inzake douanevervoer wordt overeenkomstig de bijlage bij dit besluit gewijzigd.

Artikel 2

1.   Dit besluit is van toepassing vanaf de datum dat Kroatië toetreedt tot de overeenkomst.

2.   De formulieren die zijn gebaseerd op de in de bijlagen C1, C2, C3, C4, C5 en C6 bij aanhangsel III bedoelde modellen kunnen, mits aangepast wat betreft geografische aanduidingen en keuze van woonplaats of de gevolmachtigde, in gebruik blijven, doch uiterlijk tot het einde van de twaalfde maand na de datum waarop dit besluit van toepassing wordt.

Gedaan te Brussel, 26 juni 2012.

Voor de Gemengde Commissie

De voorzitter

Mirosław ZIELIŃSKI


(1)   PB L 226 van 13.8.1987, blz. 2.


BIJLAGE

1.   

In bijlage B1, bij vak 51 wordt het volgende streepje toegevoegd tussen Verenigd Koninkrijk en IJsland:

„—

    Kroatië HR”.

2.   

In bijlage B6 wordt titel III als volgt gewijzigd:     HR Valjanost ograničena”

2.1.

in het eerste deel van de tabel „Beperkte geldigheid — 99200” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Oslobođeno”

2.2.

in het tweede deel van de tabel „Vrijstelling — 99201” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Alternativni dokaz”

2.3.

in het derde deel van de tabel „Alternatief bewijs — 99202” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Razlike: Carinarnica kojoj je roba podnesena … (naziv i zemlja)”

2.4.

in het vierde deel van de tabel „Verschillen: kantoor waar de goederen zijn aangebracht … (naam en land) — 99203” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Izlaz iz … podliježe ograničenjima ili pristojbama temeljem Uredbe/Direktive/Odluke br …”

2.5.

in het vijfde deel van de tabel „Bij uitgang uit … zijn de beperkingen of heffingen van Verordening/Richtlijn/Besluit nr. … van toepassing — 99204” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Oslobođeno od propisanog plana puta”

2.6.

in het zesde deel van de tabel „Geen verplichte route — 99205” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Ovlašteni pošiljatelj”

2.7.

in het zevende deel van de tabel „Toegelaten afzender — 99206” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Oslobođeno potpisa”

2.8.

in het achtste deel van de tabel „Van ondertekening vrijgesteld — 99207” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Zabranjeno zajedničko jamstvo”

2.9.

in het negende deel van de tabel „Doorlopende zekerheid verboden — 99208” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Neograničena uporaba”

2.10.

in het tiende deel van de tabel „Gebruik onbeperkt — 99209” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Izdano naknadno”

2.11.

in het elfde deel van de tabel „Achteraf afgegeven — 99210” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Razni”

2.12.

in het twaalfde deel van de tabel „Diversen — 99211” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Rasuto”

2.13.

in het dertiende deel van de tabel „Los gestort — 99212” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

    HR Pošiljatelj”.

2.14.

in het veertiende deel van de tabel „Afzender — 99213” wordt het volgende streepje toegevoegd vóór IS:

„—

3.   

Bijlage C1 wordt vervangen door de volgende tekst:

„BIJLAGE C1

GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER/COMMUNAUTAIR DOUANEVERVOER

AKTE VAN BORGTOCHT

ZEKERHEIDSTELLING PER AANGIFTE

I.   Verbintenis van de borg

1.

Ondergetekende (1) … woonachtig te (2) … stelt zich borg en verbindt zich hoofdelijk bij het kantoor van zekerheidstelling van … tot een maximumbedrag van … jegens de Europese Unie (bestaande uit het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino (3), voor al hetgeen (4) … aan de voornoemde landen verschuldigd is of kan worden, zowel voor hoofd- en bijsommen als voor kosten en bijkomende bedragen, met uitsluiting van boeten, uit hoofde van de rechten en andere heffingen die van toepassing zijn op de hieronder omschreven goederen die onder de regeling communautair of gemeenschappelijk douanevervoer zijn geplaatst bij het kantoor van vertrek … en die bestemd zijn voor het kantoor van bestemming …

Omschrijving van de goederen:

2.

Ondergetekende verbindt zich ertoe om op het eerste schriftelijke verzoek van de bevoegde autoriteiten van de onder punt 1 genoemde landen de gevorderde bedragen te betalen, zulks zonder de termijn van dertig dagen vanaf het tijdstip van het verzoek te kunnen overschrijden, tenzij ondergetekende of iedere andere belanghebbende vóór het verstrijken van deze termijn ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat de regeling is beëindigd.

Op verzoek van ondergetekende en om iedere als geldig erkende reden kunnen de bevoegde autoriteiten de termijn binnen welke ondergetekende de gevorderde bedragen moet betalen, na de dertig dagen vanaf de datum van het verzoek om betaling verlengen. De uit de toekenning van deze extra termijn voortvloeiende kosten, en met name de rente, moeten zodanig worden berekend dat het bedrag gelijk is aan het bedrag dat op de nationale geld- en kapitaalmarkt zou worden aangerekend.

3.

Deze verbintenis is geldig vanaf de dag van aanvaarding door het kantoor van zekerheidstelling. Ondergetekende blijft aansprakelijk voor de betaling van de schuld die ontstaan is naar aanleiding van communautair of gemeenschappelijk douanevervoer dat onder dekking van deze verbintenis begonnen is vóór de datum waarop de intrekking of opzegging van de akte van borgtocht is ingegaan, ook indien de betaling pas later wordt geëist.

4.

Ter zake van deze verbintenis kiest ondergetekende woonplaats (5) in elk van de onder punt 1 genoemde landen, bij:

Land

Naam en voornamen, of handelsnaam, en volledig adres

Ondergetekende erkent dat alle correspondentie, betekeningen, formaliteiten en procedures in verband met deze verbintenis die schriftelijk aan een van de gekozen woonplaatsen worden gericht respectievelijk op een van de gekozen woonplaatsen worden vervuld, door hem/haar aanvaard zullen worden als op geldige wijze aan hem/haar te zijn gericht of te zijn vervuld.

Ondergetekende erkent de bevoegdheid van de onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden hij/zij woonplaats heeft gekozen.

Ondergetekende verbindt zich ertoe de gekozen woonplaatsen te handhaven of, indien hij/zij een of meer ervan moet wijzigen, dit van tevoren aan het kantoor van zekerheidstelling mee te delen.

Gedaan te …, op …

(handtekening(6)

II.   Aanvaarding door het kantoor van zekerheidstelling

Kantoor van zekerheidstelling …

Verbintenis van de borg aanvaard op … ter dekking van het communautair/gemeenschappelijk douanevervoer waarop de aangifte voor douanevervoer nr. … dd. … betrekking heeft (7).

(stempel en handtekening)

4.   

Bijlage C2 wordt vervangen door de volgende tekst:

„BIJLAGE C2

GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER/COMMUNAUTAIR DOUANEVERVOER

AKTE VAN BORGTOCHT

ZEKERHEIDSTELLING PER AANGIFTE MET BEWIJS VAN ZEKERHEIDSTELLING

I.   Verbintenis van de borg

1.

Ondergetekende (8) .… woonachtig te (9) … stelt zich borg en verbindt zich hoofdelijk bij het kantoor van zekerheidstelling van … jegens de Europese Unie (bestaande uit het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino (10), voor al hetgeen een aangever aan de voornoemde landen verschuldigd is of kan worden, zowel voor hoofd- en bijsommen als voor kosten en bijkomende bedragen, met uitsluiting van boeten, uit hoofde van de rechten en andere heffingen voor de onder de regeling communautair of gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen, ten aanzien waarvan ondergetekende de aansprakelijkheid op zich heeft genomen door de afgifte van bewijzen van zekerheidstelling per aangifte en ten belope van ten hoogste 7 000 EUR per bewijs.

2.

Ondergetekende verbindt zich ertoe om op het eerste schriftelijke verzoek van de bevoegde autoriteiten van de onder punt 1 genoemde landen de gevorderde bedragen te betalen, tot het maximumbedrag van 7 000 EUR per bewijs van zekerheidstelling per aangifte en zonder de termijn van 30 dagen vanaf het tijdstip van het verzoek te kunnen overschrijden, tenzij ondergetekende of iedere andere belanghebbende vóór het verstrijken van deze termijn ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat het betrokken douanevervoer is beëindigd.

Op verzoek van ondergetekende en om iedere als geldig erkende reden kunnen de bevoegde autoriteiten de termijn binnen welke ondergetekende de gevorderde bedragen moet betalen, na de dertig dagen vanaf de datum van het verzoek om betaling verlengen. De uit de toekenning van deze extra termijn voortvloeiende kosten, en met name de rente, moeten zodanig worden berekend dat het bedrag gelijk is aan het bedrag dat op de nationale geld- en kapitaalmarkt zou worden aangerekend.

3.

Deze verbintenis is geldig vanaf de dag van aanvaarding door het kantoor van zekerheidstelling. Ondergetekende blijft aansprakelijk voor de betaling van de schuld die ontstaan is naar aanleiding van communautair of gemeenschappelijk douanevervoer dat onder dekking van deze verbintenis begonnen is vóór de datum waarop de intrekking of opzegging van de akte van borgtocht is ingegaan, ook indien de betaling pas later wordt geëist.

4.

Ter zake van deze verbintenis kiest ondergetekende woonplaats (11) in elk van de onder punt 1 genoemde landen, bij:

Land

Naam en voornamen, of handelsnaam, en volledig adres

Ondergetekende erkent dat alle correspondentie, betekeningen, formaliteiten en procedures in verband met deze verbintenis die schriftelijk aan een van de gekozen woonplaatsen worden gericht respectievelijk op een van de gekozen woonplaatsen worden vervuld, door hem/haar aanvaard zullen worden als op geldige wijze aan hem/haar te zijn gericht of te zijn vervuld.

Ondergetekende erkent de bevoegdheid van de onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden hij/zij woonplaats heeft gekozen.

Ondergetekende verbindt zich ertoe de gekozen woonplaatsen te handhaven of, indien hij/zij een of meer ervan moet wijzigen, dit van tevoren aan het kantoor van zekerheidstelling mee te delen.

Gedaan te …, op …

(handtekening(12)

II.   Aanvaarding door het kantoor van zekerheidstelling

Kantoor van zekerheidstelling

Verbintenis van de borg aanvaard op

(stempel en handtekening)

5.   

Bijlage C4 wordt vervangen door de volgende tekst:

„BIJLAGE C 4

GEMEENSCHAPPELIJK DOUANEVERVOER/COMMUNAUTAIR DOUANEVERVOER

AKTE VAN BORGTOCHT

DOORLOPENDE ZEKERHEID

I.   Verbintenis van de borg

1.

Ondergetekende (13) … woonachtig te (14) … stelt zich borg en verbindt zich hoofdelijk bij het kantoor van zekerheidstelling van… tot een maximumbedrag van … hetgeen overeenstemt met 100/50/30 % (15) van het referentiebedrag, jegens de Europese Unie (bestaande uit het Koninkrijk België, de Republiek Bulgarije, de Tsjechische Republiek, het Koninkrijk Denemarken, de Bondsrepubliek Duitsland, de Republiek Estland, Ierland, de Helleense Republiek, het Koninkrijk Spanje, de Franse Republiek, de Italiaanse Republiek, de Republiek Cyprus, de Republiek Letland, de Republiek Litouwen, het Groothertogdom Luxemburg, Hongarije, de Republiek Malta, het Koninkrijk der Nederlanden, de Republiek Oostenrijk, de Republiek Polen, de Portugese Republiek, Roemenië, de Republiek Slovenië, de Slowaakse Republiek, de Republiek Finland, het Koninkrijk Zweden en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland) en de Republiek Kroatië, de Republiek IJsland, het Koninkrijk Noorwegen, de Zwitserse Bondsstaat, het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino (16), voor al hetgeen (17) … aan de voornoemde landen verschuldigd is of kan worden, zowel voor hoofd- en bijsommen als voor kosten en bijkomende bedragen, met uitsluiting van boeten, uit hoofde van de rechten en andere heffingen die van toepassing zijn op de onder de regeling communautair of gemeenschappelijk douanevervoer geplaatste goederen.

2.

Ondergetekende verbindt zich ertoe om op het eerste schriftelijke verzoek van de bevoegde autoriteiten van de onder punt 1 genoemde landen de gevorderde bedragen te betalen, zulks tot het hierboven vermelde maximumbedrag en zonder de termijn van dertig dagen vanaf het tijdstip van het verzoek te kunnen overschrijden, tenzij ondergetekende of iedere andere belanghebbende vóór het verstrijken van deze termijn ten genoegen van de bevoegde autoriteiten aantoont dat het betrokken douanevervoer is beëindigd.

Op verzoek van ondergetekende en om iedere als geldig erkende reden kunnen de bevoegde autoriteiten de termijn binnen welke ondergetekende de gevorderde bedragen moet betalen, na de dertig dagen vanaf de datum van het verzoek om betaling verlengen. De uit de toekenning van deze extra termijn voortvloeiende kosten, en met name de rente, moeten zodanig worden berekend dat het bedrag gelijk is aan het bedrag dat op de nationale geld- en kapitaalmarkt zou worden aangerekend.

Dit bedrag kan slechts dan worden verminderd met de reeds krachtens deze verbintenis betaalde sommen, wanneer de ondergetekende wordt aangesproken om een schuld te betalen die is ontstaan naar aanleiding van communautair of gemeenschappelijk douanevervoer dat is begonnen vóór de ontvangst van het vorige verzoek tot betaling of binnen dertig dagen na ontvangst daarvan.

3.

Deze verbintenis is geldig vanaf de dag van aanvaarding door het kantoor van zekerheidstelling. Ondergetekende blijft aansprakelijk voor de betaling van de schuld die ontstaan is naar aanleiding van communautair of gemeenschappelijk douanevervoer dat onder dekking van deze verbintenis begonnen is vóór de datum waarop de intrekking of opzegging van de akte van borgtocht is ingegaan, ook indien de betaling pas later wordt geëist.

4.

Ter zake van deze verbintenis kiest ondergetekende woonplaats (18) in elk van de onder punt 1 genoemde landen, bij:

Land

Naam en voornamen, of handelsnaam, en volledig adres

Ondergetekende erkent dat alle correspondentie, betekeningen, formaliteiten en procedures in verband met deze verbintenis die schriftelijk aan een van de gekozen woonplaatsen worden gericht respectievelijk op een van de gekozen woonplaatsen worden vervuld, door hem/haar aanvaard zullen worden als op geldige wijze aan hem/haar te zijn gericht of te zijn vervuld.

Ondergetekende erkent de bevoegdheid van de onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden hij/zij woonplaats heeft gekozen.

Ondergetekende verbindt zich ertoe de gekozen woonplaatsen te handhaven of, indien hij/zij een of meer ervan moet wijzigen, dit van tevoren aan het kantoor van zekerheidstelling mee te delen.

Gedaan te …, op …

(handtekening(19)

II.   Aanvaarding door het kantoor van zekerheidstelling

Kantoor van zekerheidstelling

Verbintenis van de borg aanvaard op

(stempel en handtekening)

6.   

In vak 7 van bijlage C5 wordt het woord „Kroatië” ingevoegd tussen „Europese Gemeenschap” en „IJsland”.

7.   

In vak 6 van bijlage C6 wordt het woord „Kroatië” ingevoegd tussen „Europese Gemeenschap” en „IJsland”.


(1)  Naam en voornamen of handelsnaam.

(2)  Volledig adres.

(3)  De naam doorhalen van de overeenkomstsluitende partijen of staten (Andorra en San Marino) over het grondgebied waarvan het douanevervoer niet zal plaatsvinden. De verwijzingen naar het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino hebben uitsluitend op communautair douanevervoer betrekking.

(4)  Naam en voornaam, of handelsnaam, en volledig adres van de aangever.

(5)  Wanneer de wetgeving van een land niet voorziet in de mogelijkheid om woonplaats te kiezen, wijst de borg in dat land een lasthebber aan die gemachtigd is alle voor de borg bestemde mededelingen te ontvangen en de in lid 4, tweede en vierde alinea, bedoelde verbintenissen moeten mutatis mutandis worden bedongen. De onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden de woonplaatsen van de borg en van de lasthebber zijn gelegen, zijn bevoegd kennis te nemen van de geschillen betreffende deze borgtocht.

(6)  De ondertekenaar dient vóór zijn handtekening het volgende in handschrift te vermelden: „Goed voor borgstelling voor een bedrag van …”, waarbij het bedrag voluit in letters wordt geschreven.

(7)  In te vullen door het kantoor van vertrek.”.

(8)  Naam en voornamen of handelsnaam.

(9)  Volledig adres.

(10)  Uitsluitend voor communautair douanevervoer.

(11)  Wanneer de wetgeving van een land niet voorziet in de mogelijkheid om woonplaats te kiezen, wijst de borg in dit land een lasthebber aan die gemachtigd is alle voor de borg bestemde mededelingen te ontvangen. De verbintenissen in punt 4, tweede en vierde alinea, moeten op overeenkomstige wijze worden bedongen. De onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden de woonplaatsen van de borg en van de lasthebber zijn gelegen, zijn bevoegd kennis te nemen van de geschillen betreffende deze borgtocht.

(12)  De ondertekenaar dient vóór zijn handtekening het volgende in handschrift te vermelden: „Goed voor borgstelling”.”.

(13)  Naam en voornamen of handelsnaam.

(14)  Volledig adres.

(15)  Doorhalen wat niet van toepassing is.

(16)  De naam doorhalen van de overeenkomstsluitende partijen of staten (Andorra en San Marino) over het grondgebied waarvan het douanevervoer niet zal plaatsvinden. De verwijzingen naar het Vorstendom Andorra en de Republiek San Marino hebben uitsluitend op communautair douanevervoer betrekking.

(17)  Naam en voornaam, of handelsnaam, en volledig adres van de aangever.

(18)  Wanneer de wetgeving van een land niet voorziet in de mogelijkheid om woonplaats te kiezen, wijst de borg in dit land een lasthebber aan die gemachtigd is alle voor de borg bestemde mededelingen te ontvangen. De verbintenissen in punt 4, tweede en vierde alinea, moeten op overeenkomstige wijze worden bedongen. De onderscheiden rechters in wier rechtsgebieden de woonplaatsen van de borg en van de lasthebber zijn gelegen, zijn bevoegd kennis te nemen van de geschillen betreffende deze borgtocht.

(19)  De ondertekenaar dient vóór zijn handtekening het volgende in handschrift te vermelden: „Goed voor borgstelling voor een bedrag van …”, waarbij het bedrag voluit in letters wordt geschreven.”.